diff options
Diffstat (limited to 'old/69005-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/69005-0.txt | 23959 |
1 files changed, 0 insertions, 23959 deletions
diff --git a/old/69005-0.txt b/old/69005-0.txt deleted file mode 100644 index aeec8e3..0000000 --- a/old/69005-0.txt +++ /dev/null @@ -1,23959 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Gereformeerde dogmatiek, Vierde deel, -by Herman Bavinck - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Gereformeerde dogmatiek, Vierde deel - -Author: Herman Bavinck - -Release Date: September 17, 2022 [eBook #69005] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman, Hans Pieterse and the Online Distributed - Proofreading Team at https://www.pgdp.net - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK, -VIERDE DEEL *** - - - - - - +--------------------------------------------------------------+ - | | - | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER. | - | | - | Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe | - | afbeelding te geven van de originele versie. In het | - | origineel wordt æ als ae weergegeven, œ als oe; deze | - | schrijfwijze is hier gehandhaafd. | - | | - | Cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. {a} is gebruikt | - | om een exponent weer te geven; bijvoorbeeld „den 12{en}” | - | staat voor „den twaalfden”, „3{te} Aufl.” voor „dritte Aufl.”| - | | - | Hier en daar zijn spatiëring of punctuatie stilzwijgend | - | gecorrigeerd. Ook zijn sommige samengestelde uitdrukkingen | - | zoals „afaan” en „alwat” enz. stilzwijgend gesplitst tot | - | „af aan”, „al wat” enz. | - | | - | Overduidelijke zet- en spelfouten in het origineel zijn | - | gecorrigeerd. Aan het einde van het boek volgt een overzicht | - | van de aangebrachte correcties. | - | | - | Eventuele zetfouten in het Grieks zijn onveranderd | - | weergegeven. Duidelijke zetfouten in het Hebreeuws zijn | - | gecorrigeerd, en waar nodig zijn de diakritische tekens | - | stilzwijgend verbeterd of aangevuld. | - | | - +--------------------------------------------------------------+ - - - - -GEREFORMEERDE DOGMATIEK. - - - - - _GEREFORMEERDE DOGMATIEK._ - DOOR - DR. H. BAVINCK. - - - VIERDE DEEL. - - - KAMPEN. -- J. H. BOS. -- 1901. - - - - -TYP. DER WEESINRICHTING TE NEERBOSCH. - - - - -INHOUD. - - - HOOFDSTUK IX. - OVER DE KERK. - - Paragraaf. Bladz. - - 47. Het wezen der Kerk 1 - 48. De regeering der Kerk 59 - 49. De macht der Kerk 132 - - HOOFDSTUK X. - OVER DE MIDDELEN DER GENADE. - - 50. Het Woord 193 - 51. De Sacramenten 215 - 52. De Doop 252 - 53. Het Avondmaal 299 - - HOOFDSTUK XI. - OVER DE LAATSTE DINGEN. - - 54. De tusschentoestand 353 - 55. De wederkomst van Christus 422 - 56. De voleinding der eeuwen 481 - - Breedere inhoudsopgave Deel I-IV 530 - Register van min of meer verklaarde Schriftuurplaatsen 557 - Register van Namen 559 - Register van Zaken 569 - - - - -HOOFDSTUK IX. - -Over de Kerk. - - -§ 47. HET WEZEN DER KERK. - -1. De gemeenschap dergenen, die Christus en zijne weldaden deelachtig -zijn, draagt den naam van de kerk. In strikten zin is er daarom van deze -alleen binnen de grenzen van het Christendom sprake. Maar dat neemt -toch niet weg, dat er, gelijk van priesterschap en offerande en altaar -en allerlei andere elementen in dogma en cultus, zoo ook van de kerk -analogieën zijn in de godsdiensten der volken. Van nature is de mensch -reeds een gezellig wezen, een ζωον πολιτικον; hij wordt uit en in en -tot de gemeenschap geboren en kan geen oogenblik zonder haar bestaan. -Huisgezin, maatschappij, staat, vereenigingen van allerlei aard en voor -allerlei doel binden de menschen saam en doen hen leven en handelen -in gemeenschap met elkander. Sterker nog dan al deze instellingen en -corporaties is de band, die in de religie de menschen vereent. Er ligt -in den godsdienst een machtig sociaal element, Schleiermacher, Chr. -Gl. § 6. A. Dorner, Kirche und Reich Gottes, Gotha 1883 S. 11-17. De -reden daarvan is niet ver te zoeken; dieper dan iets anders wortelt -de religie in het hart van den mensch. Zij is met zijne schepping naar -Gods beeld onmiddellijk gegeven en daarom onuitroeibaar eigen aan zijne -natuur. In die religie regelt de mensch zijne verhouding tot God, en -deze is centraal en principieel. Zooals onze verhouding tot God is, -zoo is die tot onze medemenschen en tot alle schepselen. Op den bodem -van alle vragen ligt die van de religie. Wie in den godsdienst met ons -samenstemt, is het met ons eens in de diepste, heiligste en alles -beheerschende overtuigingen en komt vroeger of later ook op afgeleide -punten tot hetzelfde inzicht; maar verschil van geloofsovertuiging doet -bij ernstig nadenken in alle ondergeschikte vraagstukken steeds verder -uiteengaan. Wat in den godsdienst de menschen verbindt, is sterker dan -stoffelijk belang, natuurlijke liefde, of geestdrift voor wetenschap -en voor kunst; voor den godsdienst heeft de mensch alles, heeft hij -ook zijn leven veil. Want indien hij dezen verliest, dan verliest hij -zichzelven; in den godsdienst staat volgens ieders overtuiging des -menschen ziel en zaligheid op het spel. Daarom zoekt elke godsdienst -zich ook te propageeren en missionair op te treden. De religie is nooit -eene private aangelegenheid, eene subjectieve opinie, eene kwestie -van smaak; zij sluit steeds de pretentie in, de ware en zaligmakende -te zijn, en zoekt daarom ingang bij anderen, uitbreiding zoo mogelijk -over heel de menschheid heen. Zij is nooit eene zaak van den individu -alleen, maar steeds ook van het gezin, de familie, het volk en den -staat. Zij brengt daarom altijd een gemeenschappelijk dogma en een -gemeenschappelijken cultus voort, als het ware gedragen door het besef, -dat niet de enkele mensch maar de menschheid het voltooide beeld Gods, -zijn tempel en lichaam is. Buiten het terrein der bijzondere openbaring -is echter algemeen het bewustzijn verloren van de eenheid Gods zoowel -als van de eenheid der menschheid. De eenheid van godsdienst beperkt -zich tot de stam- of volksgenooten; burgerlijke en godsdienstige -gemeenschap vallen samen; de staat is zelf ook een Cultusgemeinschaft. -Wel openbaart de religie zich ten deele ook in zelfstandige organisatie -van priesterschap, offeranden, ceremoniën, godsdienstige vereenigingen -en geheime genootschappen; de buddhistische religie in Tibet vertoont -zooveel overeenkomst met die van Rome, dat de Jezuitenpaters, toen zij -haar eerst leerden kennen, er een spel des duivels in zagen. Maar toch -bracht geen der heidensche godsdiensten het tot zulk eene zelfstandige -organisatie, als die, welke wij onder het Christendom in de kerk -aantreffen. Het Mohammedanisme stichtte niet anders dan eene soort van -theocratischen staat, waarin de Arabieren de heeren der onderworpen -volken zijn en de koran het wetboek is ook voor het burgerlijk recht. -En het Buddhisme vormde slechts vereenigingen van wereldontvluchtende -monniken, die op de burgerlijke maatschappij een verlammenden druk -oefenden en tegenover den staat nimmer zelfstandig werden. Cf. -Saussaye, Religionsgesch. I 132. Pfleiderer, Religionsphilos.³ 727 f. -Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 835v. Tiele, Inl. tot de godsdienstwet. -Tweede reeks 1899 bl. 132-154. Falke, Buddha, Mohammed, Christus II -155 f. - -Voorbereid werd echter de christelijke kerk in de dagen des O. -Testaments. In den patriarchalen tijd waren de huisgezinnen der -geloovigen de godsdienstige gemeenten en de huisvaders de priesters; -een geregelde, gemeenschappelijke cultus bestond er nog niet, al ligt -in Gen. 4:26 toch reeds opgesloten, dat de Sethieten tegenover de -Kaïnieten den naam Gods begonnen uit te roepen en te prediken, en al -kwam er na den zondvloed tusschen Semieten, Japhetieten en Chamieten -eene scheiding tot stand. Bij Abraham kreeg deze scheiding zelfs voor -eeuwen haar beslag. God liet van nu voortaan de Heidenen wandelen op -hunne eigene wegen en richtte met Abraham en zijn zaad een verbond -op, dat ook uitwendig door het teeken der besnijdenis de kerk van de -wereld afscheidde en aan den voet van Sinai bevestigd en tot een -nationaal verbond verheven werd. Onder Israel was kerk en staat niet -één en hetzelfde; er was onderscheid tusschen priester en koning, -tempel en paleis, godsdienstige en burgerlijke wetten. Maar beide -waren toch zoo nauw vereenigd, dat burger en geloovige, natie en volk -Gods saamvielen en het ééne Goddelijke wet was, die heel het leven van -Israel beheerschte. Israel als volk was eene עֵדָה יהוה of eene קָהָל -יהוה. Beide deze woorden worden in het O. T. van de vergadering of de -gemeente Israels, zonder onderscheid van beteekenis, gebruikt. Maar -na de ballingschap onderging Israels volksbestaan eene merkwaardige -verandering; de Joden hielden op een volk te zijn als de andere volken -der aarde en werden eene godsdienstige gemeente. Op alle plaatsen in -en buiten Palestina ontstonden er samenkomsten der geloovigen op den -sabbat, Ps. 74:8, Hd. 15:21, om de wet te lezen en in haar onderwezen -te worden; het leeren was het voornaamste bestanddeel van den daarin -geoefenden eeredienst, Mk. 1:21, 6:2 enz. Deze vergaderingen, כְנֵסֶת, -συναγωγη, werden voor de Joden meer en meer het middelpunt van hun -religieuse leven en kregen in plaatsen met gemengde of overwegend -grieksche bevolking eene zelfstandige organisatie. De tempel te -Jeruzalem bleef wel bestaan en werd nog altijd geëerd als de plaats van -de bijzondere tegenwoordigheid Gods. Maar de Joden buiten Jeruzalem -kregen toch allengs eene godsdienstoefening, die buiten tempel en -altaar, buiten priesterschap en offerande omging, en geheel en al in -prediking en in gebed bestond. Daardoor werd reeds in de dagen des O. -T. de christelijke gemeente voorbereid. Evenals de beide hebreeuwsche, -werden de grieksche woorden, συναγωγη en ἐκκλησια, oorspronkelijk -voor deze godsdienstige samenkomsten der Joden dooreen gebruikt; de -LXX zet עדה in den regel door συναγωγη over, en קהל door ἐκκλησια, -behalve in Ex. Lev. Num. Jos., waar ook קהל gewoonlijk door συναγωγη -wordt vertaald. Maar langzamerhand kwam er bij de Joden toch reeds dit -onderscheid, dat συναγωγη meer de empirische, feitelijke samenkomst -aanduidt (congregatio, vergadering), en ἐκκλησια het woord wordt voor -de ideale gemeente, gelijk zij de door God tot zijn heil geroepenen -omvat (convocatio, gemeente). Cf. Schürer, Gesch. des jüd. Volkes im -Zeitalter Jesu Christi II³ 428-433. - - -2. Hieruit wordt verklaard, dat het christelijk spraakgebruik het woord -συναγωγη alleen van de godsdienstige vergaderingen der Joden en van de -gebouwen, waarin zij plaats had, bleef bezigen, Mt. 4:23, Hd. 13:43, Op. -2:9, 3:9, maar overigens van het woord ἐκκλησια zich ging bedienen. Wel -komt dit woord in het N. T. enkele malen nog van volksvergaderingen -voor, Hd. 7:38, 19:32, 39, 41; maar doorgaans heeft het een -godsdienstig karakter en duidt het de N. Testamentische gemeente aan. -In de patristische litteratuur en vooral bij de Ebionieten wordt de -christelijke gemeente nog wel eens door συναγωγη aangeduid, maar weldra -maakt dit woord toch geheel voor ἐκκλησια plaats, Schürer t. a. p. 432. -Sohm, Kirchenrecht 16 f. Cremer s. v. Het was trouwens Christus zelf, -die het eerst het woord קהל, ἐκκλησια toepaste op de gemeente, welke -Hij rondom zich vergaderde, Mt. 16:18, 18:17. Vele nieuwere critici -zijn van meening, dat dit woord Jezus later in den mond is gelegd, -Holtzmann, Neut. Theol. I 210. Maar er bestaat hiervoor geen grond, en -er is niets bevreemdends in, dat Jezus dat woord in dien zin gebruikte. -Want wel trad Jezus op met de prediking van het koninkrijk der hemelen. -Maar Hij droeg daarvan terstond eene gansch andere opvatting voor dan -zijne tijdgenooten en leefde eerst volstrekt niet in de verwachting, dat -het gansche volk zich bekeeren en Hem volgen zou. Johannes zonderde -reeds door den doop der bekeering de ware Israëlieten van de massa des -volks af. En Jezus was zich niet alleen van den aanvang zijn zoonschap, -zijn messianiteit en zijn toekomstig lijden bewust, deel III 235v.; maar -Hij verkoos ook een aantal jongeren en vergaderde hen rondom zich; Hij -zond hen uit, om te prediken en discipelen te winnen; Hij gaf aan zijne -volgelingen andere wetten, dan die in de kringen van het Joodsche -volk golden, Mt. 5-7, 18:15-35, 20, 28 enz. Zoo kwam er allengs eene -schare van discipelen rondom Hem te staan, die zich onderscheidde en -afzonderde van het volk der Joden. En op deze schare paste Jezus nu -het woord קהל, ἐκκλησια toe. Zij waren de ware ἐκκλησια, het echte volk -Gods, gelijk Israël dat had behooren te zijn maar nu in de verwerping van -den Messias betoonde niet te wezen. Jezus kwam immers niet, om iets -volstrekt nieuws te scheppen, maar om de wet en profeten in vervulling -te doen gaan en de echte, wezenlijke קהל te herstellen. Als Jezus dit -woord dan ook in Mt. 16:18 en 18:17 bezigt van zijne gemeente, gebruikt -Hij het daarom ook nog in gansch algemeenen zin. Hij zegt niet, dat -die קהל, ἐκκλησια, plaatselijk zal zijn of over heel de aarde zich zal -uitbreiden; de latere onderscheiding van plaatselijke en algemeene kerk -is hier nog niet te vinden. Maar Jezus zegt heel in het algemeen, dat -Hij _zijne_ ἐκκλησια, in tegenstelling met die der Joden, bouwen zal, -niet op de wet, maar op Petrus’ belijdenis van zijne messianiteit, en -dat Hij ze daarom ook zelfstandig inrichten en naar eigen wetten zal -doen leven. In de discipelen, die Jezus zelf rondom zich vergaderde, -zijn reeds de aanvangen aanwezig van de N.-Test. gemeente. Maar zoolang -Jezus op aarde was, bleef Hij zelf het persoonlijk middelpunt en trad -de gemeenschap der jongeren nog terug. Zij waren nog niet zelfstandig -en moesten dagelijks door Hem geleerd en geleid worden. En de Heilige -Geest was nog niet, overmits Christus nog niet was verheerlijkt. Maar na -Jezus’ heengaan sluiten zij zich terstond nauwer aaneen, Hd. 1:14, en -ontvangen op den pinksterdag in den H. Geest een eigen levensprincipe, -dat hen zelfstandig maakt tegenover het volk der Joden en hen onderling -ten nauwste verbindt. Dan wordt de gemeente van Christus in beginsel -losgemaakt van Israels nationaal bestaan, van priester en wet, van -tempel en altaar; zij wordt eene eigene, zelfstandige, godsdienstige -vergadering; zij treedt in de plaats van het oude Israel op als het -volk, als de gemeente Gods. - -Deze ἐκκλησια bestond eerst alleen te Jeruzalem. Maar spoedig kwamen -er ook geloovigen te Samaria, te Antiochie en op vele andere plaatsen -onder Joden en Heidenen; en ook hunne vergaderingen werden met den naam -van ἐκκλησια aangeduid; ook zij waren daar ter plaatse het volk, de -gemeente Gods. Zoo kreeg het woord allengs onderscheiden beteekenissen. -Jezus gebruikt het woord nog in algemeenen zin, zonder aan de latere -onderscheidingen te denken. Maar na zijn heengaan wordt het toegepast -op den kring van geloovigen op eene bepaalde plaats, wijl deze daar het -volk Gods uitmaakt. En dan wordt het op hen toegepast, hetzij zij al -dan niet in eene bepaalde vergadering bijeen zijn gekomen. In Hd. 5:11, -11:26, 1 Cor. 11:18, 14:19, 28, 35 slaat het woord ἐκκλησια duidelijk -op de vergadering of samenkomst der gemeente; maar elders komt het -meermalen voor van de gemeente zelve, ook al is zij niet vergaderd, -en kan er dus van ἐκκλησιαι in plurali gesproken worden, Rom. 16:4, -1 Cor. 16:1, Gal. 1:2, 1 Thess. 2:14 enz. Nog enger beteekenis krijgt -het woord, wanneer het gebezigd wordt van een gedeelte der geloovigen, -dat op eene bepaalde plaats in een private woning vergadert. In steden -n.l., waar het getal Christenen zeer groot werd, moest men wel tot -zoogenaamde huisgemeenten komen. De Joden hadden in verschillende -plaatsen, bijv. in Rome, meer dan ééne synagoge; en de Christenen werden -te meer genoodzaakt, zich bij de samenkomst te verdeelen, wijl zij in den -eersten tijd geen kerkgebouwen hadden maar in de woning van een der -gemeenteleden vergaderden. Volgens Hd. 19:9 kwamen de Christenen te -Efeze een tijd lang saam in de misschien daarvoor gehuurde zaal van een -zekeren Tyrannus, maar in den regel hadden zij hunne vergaderplaats in -eene private woning. Bij eene eenigszins aanzienlijke uitbreiding der -gemeente moesten zij daarom in verschillende woningen samenkomen en -een soort van huisgemeenten vormen. Dit was het geval in Jeruzalem, -waar de gemeente weldra duizenden zielen sterk was, Hd. 2:41, 46, -47, 4:4, 5:14, 8:3, 11:21, 12:12, 17, 21:8, en zoo ook in Rome, Rom. -16:23, Corinthe, 1 Cor. 16:19, Colosse, Philem. 2, Laodicea, Col. 4:15. -Deze huisgemeenten werden elk voor zich eene ἐκκλησια geheeten. Maar -daarbij wordt de eenheid geen oogenblik uit het oog verloren. Want al -komen de geloovigen in dezelfde stad soms vanwege hun groot aantal in -verschillende woningen saam, zij vormen toch daar ter plaatse met elkaar -de ééne ἐκκλησια, Hd. 5:11, 8:1 enz. Indien de lezing van Tischendorf -in Hd. 9:31 juist is, worden daar al de gemeenten van Judea, Galilea -en Samaria onder den éénen naam van ἐκκλησια in singulari samengevat. -En in Rom. 12:5, 1 Cor. 12:12-28, 15:9, Gal. 1:13, Phil. 3:6, Ef. -1:22, 5:32, Col. 1:18, 24, 25 worden op dezelfde wijze alle gemeenten -als ééne ἐκκλησια saamgenomen en omschreven als het lichaam, de bruid, -het pleroma van Christus. Deze eenheid van alle gemeenten komt ook -niet eerst aposteriori door belijdenis, kerkenorde en synodaal verband -tot stand; de kerk is geen associatie van personen, die eerst buiten -haar om tot het geloof zijn gekomen en daarna zich hebben vereenigd. -Maar zij is een organisme, waarin het geheel aan de deelen voorafgaat; -hare eenheid gaat aan de veelheid der plaatselijke gemeenten vooraf -en ligt in Christus. Hij is het, die, in den staat der verhooging zijn -middelaarswerk voortzettend, zijne gemeenten uit zich als het hoofd -samenvoegt en opbouwt, Ef. 1:23, 4:16, 5:23, Col. 1:18, 2:19, die haar -vergadert en regeert, Joh. 10:16, 11:52, 17:20, 21, Hd. 2:33, 47, -9:3v., altijd bij haar blijft, Mt. 18:20, 28:20, ten nauwste met haar -is vereenigd, Joh. 15:1v., 17:21, 23, 1 Cor. 6:15, 12:12-27, Gal. -2:20, en door zijnen Geest in haar woont, Rom. 6:5, 8:9-11, 1 Cor. -6:15v., Ef. 3:17 enz. In zoover is de bewering van Sohm, Kirchenrecht -S. 20 juist, dat de algemeene ἐκκλησια aan de plaatselijke gemeenten -voorafgaat; zij is wel niet het historische, maar toch het logische -prius, Holtzmann, Neut. Theol. II 177; elke plaatselijke gemeente is -het volk Gods, het lichaam van Christus, op het fundament van Christus -gebouwd, 1 Cor. 3:11, 16, 12:27, omdat zij daar ter plaatse datzelfde -is, wat de gemeente in haar geheel is, en Christus voor haar is, wat -Hij voor de gansche gemeente is, Zahn, Einl. in das Neue Test. I 355 f. -In de verschillende plaatselijke vergaderingen der geloovigen komt de -ééne gemeente van Christus tot openbaring. Haar wezen ligt, zoo voor -het geheel als voor elk der deelen in het bijzonder daarin, dat zij het -volk Gods is, Rom. 9:25, 2 Cor. 6:16, 18, Tit. 2:14, Hebr. 8:10, 13:12, -1 Petr. 2:9, 10, bestaande uit menschen, die den Heere toegedaan en -tot Hem bekeerd zijn, Hd. 5:14, 14:15, die den naam van discipelen, -broeders, uitverkorenen, geroepenen, heiligen, geloovigen dragen, Hd. -1:15, 6:1, 9:1, 32, Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2 enz. In den ruimsten zin is -ἐκκλησια de vergadering van al het volk Gods, op aarde niet alleen maar -ook in den hemel, Hebr. 12:23, in het verleden en heden niet slechts -maar ook in de toekomst, Joh. 10:16, 17:20. - - -3. Deze geestelijke eenheid der gemeente van Christus treedt ook nog in -den na-apostolischen tijd gedurig op den voorgrond. De Christenen zijn de -heiligen, de uitverkorenen, zij hebben één God, één Christus, één Geest -der genade, ééne roeping, Clem. 1 Cor. 46. De kerk is een toren, die -met den rots Christus één steen vormt, Herm. Sim. IX 13. 18, uit welken -de steenen, die onrein en zwart zijn en niet passen, verwijderd worden, -ib. 6. 7; het geslacht der rechtvaardigen, waarvan de goddeloozen -worden afgezonderd, ib. 17. 18. De Christenen zijn de ziel der wereld, -Ep. ad Diogn. 6, het ware Israel, het gezegende volk Gods, Just. Dial. -c. Tryph. 116. 123. 135; zij zijn allen priesters, Iren. adv. haer. IV 8, -3. Tert. de exh. cast. 7, hebben allen den H. Geest ontvangen, Iren. -ib. IV 36, 2 en vormen saam eene communicatio pacis et appellatio -fraternitatis et contesseratio hospitalitatis, Tert. de praescr. 20 -enz. Daarbij maakt men dan, evenals Hermas, onderscheid tusschen ware -en valsche leden der kerk. Met het oog op geëxcommuniceerden zeide -Origenes: ita fit ut interdum qui foras mittitur intus sit et ille -foris, qui intus videtur retineri. En elders spreekt hij meermalen uit, -dat velen geroepen en weinigen uitverkoren zijn, dat er geestelijke en -vleeschelijke leden zijn, dat er onkruid onder de tarwe is en veler -wandel met hun belijdenis strijdt, Seeberg, Der Begriff der christl. -Kirche, Erl. 1885 S. 29. Maar spoedig kwam er in deze opvatting van -de kerk als communio sanctorum eene groote verandering. Toen er in de -tweede eeuw allerlei secten en haeresieën opkwamen, rees vanzelf de -vraag op, welke de ware kerk was. En daarop werd ten antwoord gegeven: -die, welke bij het geheel blijft en de gemeenschap met de katholieke -kerk onderhoudt. Katholiek werd de kerk reeds genoemd door Ignatius, -Smyrn. 8, cf. Murat. en Mart. Polyc. 5. 16. 19, omdat zij over de -gansche aarde, in alle tijden en plaatsen, alle geloovigen omvat en er -buiten haar geen zaligheid is, Clem. 1 Cor. 57. Ign. Ef. 16. Trall. -7. Phil. 3. Herm. IX 16. Deze katholiciteit der kerk werd echter -tegenover de ketterij niet meer geestelijk opgevat, maar veruitwendigd -en in een zichtbaar instituut belichaamd. De bisschop, in rechte lijn -van de apostelen afstammend en in het bezit der zuivere traditie, werd -het criterium der ware kerk. De algemeene kerk hield op een logisch -prius te zijn en werd als een historisch prius van alle plaatselijke -kerken gedacht. Zoo kwam er in het kerkbegrip een algeheele omkeer. -Niet de plaatselijke kerken zijn het, die saam eene eenheid vormen, maar -de katholieke kerk met het episcopaat gaat vooraf, en de plaatselijke -kerken zijn deelen van het geheel en slechts zoolang ware kerken, als zij -bij dat geheel zich houden en daaraan zich onderwerpen. De ontwikkeling -van dit katholieke kerkbegrip werd bevorderd door den tegenstand, -dien het van kettersche zijde ondervond. Het Gnosticisme maakte van de -kerk eene school, waarin de πνευματικοι verre verheven waren boven de -populaire voorstellingen van het historisch Christendom. Het Montanisme -wilde de kerk vestigen op den grondslag van beweerde inspiratie en -profetie, met loochening van alle ambt en gezag; ecclesia proprie et -principaliter ipse est spiritus, Tert. de pudic. 21. Het Novatianisme -en Donatisme ijverden voor de heiligheid der kerk ten koste van hare -katholiciteit. Tegen al deze dwalingen traden de kerkvaders op en -legden meer en meer op het bisschoppelijk kerkinstituut den nadruk. De -kerk, welke door de bisschoppen geleid wordt, is de eenige bewaardster -en predikster der waarheid, Iren. adv. haer. I 10, 2. Tert. de praescr. -28, en daarom het onmisbare instituut des heils, de moeder aller -geloovigen, de uitdeelster der genade, de middelares der zaligheid, -scala ascensionis ad Deum. Ubi enim ecclesia, ibi et spiritus Dei, et -ubi spiritus Dei, ibi ecclesia et omnis gratia, spiritus autem gratia, -Iren. ib. III 24, 1. Tert. de or. 2. Clemens, Paed. I 6. Strom. VIII -17. Gelijk er maar één God en één Heer is, zoo is er ook maar ééne kerk, -ééne kudde, ééne moeder, uit welke alle geloovigen geboren worden en -buiten welke er geen zaligheid is. De lichtstraal kan niet van de zon, -de tak niet van den boom, de beek niet van de bron worden gescheiden, -Cypr. de unit. ecll. 5. 7. Ook Augustinus beweegt zich in denzelfden -kring van gedachten. Hoewel de kerk door hare eenheid, katholiciteit en -majesteit reeds vroeger een diepen indruk op hem had gemaakt, werd hij -toch eerst door zijn strijd tegen het Donatisme 393-411 genoodzaakt, om -meer opzettelijk over haar wezen na te denken. Ook dan wordt echter niet -de leer van de kerk, maar blijft de leer van de genade het middelpunt -van zijn denken en leven, en de leer der kerk komt tot op zekere hoogte -los, zelfstandig en onverzoend daarnaast te staan. Want als God de -eenige en volstrekte oorzaak der genade is, gelijk Augustinus leert, -dan kan de kerk dit niet wezen. Daarom onderscheidt hij al aanstonds -tusschen de kerk als corpus verum en de kerk als corpus permixtum, de -doctr. chr. III 32. Er zijn leden der ware kerk buiten de zichtbare -kerk, zooals de engelen, Enchir. 29, de moordenaar aan het kruis, die -alleen den bloeddoop ontving, de bapt. IV 22 en alle niet-Israëlieten, -die vóór Christus’ komst zijn zalig geworden, de civ. XVIII 23. 47, -want de christelijke religie is zoo oud als de wereld, Ep. 102. Tot de -ware kerk behooren ook zij, die nu nog goddeloos leven of in bijgeloof -en ketterij verstrikt zijn en toch door God worden gekend. Namque in -illa ineffabili praescientia Dei multi qui foris videntur intus sunt, -et multi qui intus videntur foris sunt. Ex illis ergo omnibus, qui ut -ita dicam intrinsecus et in occulto intus sunt, constat ille hortus -conclusus, fons signatus, puteus aquae vivae, paradisus cum fructu -pomorum, de bapt. V 27. Omgekeerd zijn er velen binnen de zichtbare -kerk, die niet tot de electi behooren. Er is kaf onder het koren, er -zijn kwade visschen onder de goede, er zijn plurimae oves foris, plurimi -lupi intus, hom. in Joann. 45. c. lit. Petul. III 3. de bapt. I 10. -Multi sunt in communione sacramentorum _cum_ ecclesia, qui tamen non -sunt _in_ ecclesia, de unit. eccl. 74. Vanwege deze onderscheiding werd -Augustinus door de Donatisten beschuldigd, dat hij twee kerken leerde; -maar hij gaf daarop ten antwoord, dat hij beide niet scheidde, evenmin -als wie bij den mensch ziel en lichaam onderscheidt, en dat naar het -woord van Christus onkruid en tarwe samen moesten opwassen. De kerk is -voor Augustinus niet de uitdeelster der genade, maar toch de kring, -binnen welken God in den regel zijne genade uitdeelt. En zoo verdedigt -hij haar tegen de Donatisten. De kerk is de middelares der zaligheid, -omdat in haar alleen de Geest, de liefde, de volharding aanwezig is. -Buiten haar is er geen zaligheid. Want ketters en scheurmakers kunnen -wel het woord en sacrament medenemen, maar niet de wedergeboorte en -de liefde. welke door den H. Geest alleen binnen de kerk worden -geschonken; hunc spiritum, quod illi non habeant, qui sunt ab ecclesia -segregati, Judas apostolus 1:10 apertissime declaravit. Zij hebben den -vorm maar missen het wezen, evenals afgesneden lichaamsdeelen nog wel -een hand, vinger, oor enz. zijn maar geen leven hebben. Wie de kerk niet -tot moeder heeft, heeft God niet tot vader, de bapt. VII 44. de unit. -eccl. 1. c. lit. Petul. III 9. De kerk is pia mater, sponsa sine macula -et ruga, unica columba, sancta ecclesia; en de kerk blijft heilig, ook -al hebben de goddeloozen in haar de meerderheid, want hare heiligheid -ligt, evenals hare eenheid en katholiciteit, voor Augustinus veel -meer in het objectieve instituut van leer, genademiddelen en cultus, -dan in de leden der kerk; scheiding is daarom altijd ongeoorloofd, een -bewijs van hoogmoed en ongehoorzaamheid, de algemeene kerk voor eene -particularistische of zelfs eene nationale inruilende, c. Cresc. II -37. de unit. eccl. 12. 14. En juist door dezen sterken nadruk, dien -Augustinus tegen de Donatisten op het instituut der kerk legt, heeft hij -in niet geringe mate bijgedragen tot de ontwikkeling van het Roomsche -kerkbegrip. Cf. behalve de dogmenhist. werken van Harnack, Schwane -enz., Seeberg, Der Begriff der chr. Kirche 1-56. Köstlin, Die Kath. -Auffassung v. d. Kirche in ihrer ersten Entw., Deutsche Zeits. für chr. -Wiss. u. chr. Leben 1856. H. Schmidt, Aug. Lehre v. d. Kirche, Jahrb. -f. deutsche Theol. 1861 S. 197-250. Reuter, August. Studien 1887 S. -4-105. Dorner, Augustinus S. 276-295. Specht, Die Lehre v. d. Kirche -nach dem h. Aug. Paderborn 1892. - -In de Middeleeuwen werd dit kerkbegrip practisch uitgewerkt in de -ontwikkeling der hierarchie, in de machtige organisatie van het -kerkelijk instituut, in den strijd der kerk met en hare verheffing boven -den staat. Des te opmerkelijker is, dat het theoretisch bijna in het -geheel niet behandeld werd. Niet de theologie maar de jurisprudentie -heeft toen de ontwikkeling geleid, Harnack, D. G. III 400. Over de -leer der kerk vinden wij alleen iets bij Hugo Vict., de sacr. II 2. -Halesius, Summa IV qu. 4. Thomas, c. Gent. IV 76. S. Theol. I 2 qu. -101 art. 2. II 2 qu. 10 art. 10. qu. 88 art. 12. III qu. 8 art. 3. 4. -qu. 68 art. 9. Eerst na de bestrijding door Wiclef, Hus, de Hervormers -enz. wordt het kerkbegrip van Roomsche zijde breeder ontwikkeld en -verdedigd, vooral door Torquemada 1468, Catech. Rom. I c. 10. Canus, -Loci theol. IV-VI, Bellarminus, Disp. de controv. Tom. I en II. -Becanus, de ecclesia Christi itemque de ecclesia Romana 1615. Id. -Manuale controv. I 1-5. Bossuet, Exposition de la doctrine de l’église -cath. sur les matières de controverse 1671 enz. In dit kerkbegrip -staat het zichtbaar instituut op den voorgrond. Christus heeft n.l. -op aarde eene kerk gesticht, waaraan de zichtbare en de onzichtbare -zijde onafscheidelijk verbonden zijn. Evenals in Christus eene Goddelijke -en eene menschelijke natuur, in ieder mensen een ziel en lichaam, in -het sacrament een teeken en eene beteekenende zaak vereenigd zijn, -zoo zijn er in de kerk eene zichtbare en eene onzichtbare zijde. De -zichtbaarheid der kerk berust op de vleeschwording des Woords. Christus -is de causa efficiens, exemplaris en finalis van de kerk; Hij leeft zelf -als profeet, priester en koning door den H. Geest in haar voort, en -stort al de gaven zijner genade in haar uit. Hij deelt deze uitsluitend -mede door middel van ambt en sacrament; het instituut gaat dus vóór -het organisme; de kerk is eene moeder der geloovigen, voordat zij eene -vergadering is; de ecclesia docens met haar hierarchische inrichting en -haar genadewerkende sacramenten gaat aan de ecclesia audiens vooraf en -staat hoog boven haar. Op deze ecclesia docens zijn dan ook in de eerste -plaats al die eigenschappen toepasselijk, die de Roomsche Christen -aan zijne kerk toekent. Zij is de ééne, eenige, alleen-christelijke, -katholieke, door regelmatige successie van de apostelen afstammende, -onvergankelijke, onfeilbare kerk, die aan alle andere zoogenaamde kerken -het bestaansrecht betwist, intolerant is krachtens haar aard, geen -andere kerken naast zich duldt of erkent, van welke af te wijken in -de leer of te scheiden in het leven altijd zonde en nooit geoorloofd -is. Want omdat Christus alle genade alleen mededeelt door ambt en -sacrament, daarom is de ecclesia docens, het Roomsche kerkinstituut, -de eenige middelares der zaligheid, de bewaardster en uitdeelster van -alle genade voor alle menschen, de eenige ark des behouds voor heel het -menschelijk geslacht. Zij alleen leidt den mensch tot de Schrift, tot -den persoon van Christus, tot de gemeenschap met God. De heilsorde is -niet deze, dat God door zijn Woord den mensch tot de kerk leidt, maar -omgekeerd gaat zij van de kerk uit en voert dan tot de Schrift en tot -Christus heen. Daarom behoort de kerk voor allen kenbaar, aanwijsbaar -en zelfs bewijsbaar te zijn; door hare eigenschappen en kenteekenen -moet zij zoo duidelijk in het oog springen, dat er ten haren aanzien -geen twijfel mogelijk is en alleen moedwillig en schuldig ongeloof haar -miskennen en verwerpen kan. Zij is de allereerste en voornaamste kenbron -der waarheid en wordt om deze reden door vele Roomsche theologen -in de leer der principia behandeld. Van deze ecclesia docens is de -ecclesia audiens volkomen afhankelijk; zij heeft alleen passief deel -aan al de heerlijke eigenschappen der kerk; haar eenige taak is, om de -bovennatuurlijke genade uit de hand van den priester in het sacrament -aan te nemen; geloof aan wat de kerk gelooft, gehoorzaamheid aan de -hierarchie, onderwerping aan den paus is haar grootste deugd en tot de -zaligheid noodzakelijk. Ubi papa, ibi ecclesia. Van de qualiteit dezer -ecclesia audiens hangt daarom het wezen der kerk niet af. Wel is het -goed en nuttig, dat de leden der kerk geloovigen zijn; decor ecclesiae -principaliter in interioribus consistit, Thomas, Sent. IV dist. 15 qu. -3 ad 1. Maar de ecclesia docens, het objectieve heilsinstituut blijft -er evengoed de ware kerk om, ook al zijn hare leden ongeloovigen en -goddeloozen. Geen leden der kerk van Christus zijn allen, die buiten de -Roomsche kerk zich bevinden, zooals de catechumenen, de excommunicati, -de schismatici enz. Hun christelijk geloof, hun vrome wandel baat hun -niet; zij zijn buiten de alleenzaligmakende kerk. Maar leden van de -kerk zijn wel allen, die in de gemeenschap met Rome blijven, al zijn zij -ook openbare ongeloovigen en goddeloozen. Dezen zijn niet actu maar -potentia de ecclesia; zij behooren niet tot de ziel maar tot het lichaam -der kerk; zij zijn niet zoo perfectissime de ecclesia, als degenen, -die gelooven en in de Roomsche kerk leven; maar zij zijn toch leden -der kerk en behooren er evengoed toe als het lichaam tot ’s menschen -wezen behoort. Om op eenigerlei wijze, meer of minder volmaakt, tot de -kerk te behooren, is geen interna virtus van geloof of liefde noodig, -maar alleen externa professio fidei et sacramentorum communio. Want -de kerk is even visibilis et palpabilis, ut est coetus populi Romani -vel regnum Galliae aut respublica Venetorum. Zij is in één woord coetus -hominum ejusdem Christianae fidei professione et eorundem sacramentorum -communione colligatus, sub regimine legitimorum pastorum ac praecipue -Christi in terris vicarii Romani pontificis, Bellarminus, de eccl. -mil. III 2. cf. Heinrich, Dogm. Theol. II 163 f. Perrone, Prael. -theol. I 1838 p. 207 sq. Möhler, Symbolik § 36 f. Simar, Dogm. 576-592. -Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 279-377. Jansen, Prael. I 325 sq. Concil. -Vatic. ed. Lacensis VII Frib. p. 269 sq. 567 sq. enz. - - -4. In dezelfde mate als dit Roomsche kerkbegrip in de Middeleeuwen -practisch gerealiseerd werd, vond het van verschillende zijden -tegenstand en bestrijding. De katholiseering der kerkidee was in de -eerste eeuwen niet geschied dan onder krachtig en aanhoudend protest. -De Grieksche Christenheid, schoon overigens in de leer van de kerk -met Rome overeenstemmende, erkende nooit het primaat van den paus en -weerstond daarmede het streven naar absolute eenheid en katholiciteit. -En zoo ook kwamen in de Middeleeuwen verschillende secten tegen de -ontwikkeling van de Roomsche kerkidee in verzet. De oppositie kwam uit -verschillende beginselen voort. Bij Katharen, Albigenzen, Bulgaren, -de volgelingen van Amalrik van Bena, de secten van den nieuwen en -van den vrijen geest was zij de vrucht van dualistisch-manicheesche of -gnostisch-pantheistische dwalingen. Bij anderen zooals de Waldenzen, -Bradwardina, Wiclef, Hus enz. werkte de beschouwing van Augustinus na, -volgens welke de kerk eene vergadering van praedestinati was. Maar de -kenbaarheid dezer ware kerk werd dan niet objectief in de bediening -van woord en sacrament, doch in het heilig leven, in het leven naar -de wet van Christus, in liefde, armoede enz. gezocht; vandaar dat de -overgang uit de idee der kerk tot de werkelijkheid ontbrak en de poging -tot reformatie niet doorwerken kon of ook op teleurstelling uitliep, -Harnack, D. G. III 392-419. Eerst in de zestiende eeuw werd door de -Hervorming een principieel verschillend kerkbegrip tegenover dat van -Rome geplaatst. Luther vond vrede voor zijne ziel, niet in het ex opere -operato werkende sacrament noch ook in de goede werken, maar in de -vergeving der zonden door het geloof alleen. En van dit standpunt -uit viel hij de Roomsche kerk aan, verwierp priester, offerande, -monnikenwezen, onfeilbaar kerkinstituut en magisch werkend sacrament, -proclameerde de vrijheid van den christenmensch en vatte de kerk op -als eene vergadering van geloovigen, als eene communio sanctorum, -gelijk zij als voorwerp des geloofs in de twaalf artikelen beleden werd. -Het kostte Luther hevigen strijd, om met de Roomsche kerk en haar -kerkbegrip te breken; een program van reformatie had hij niet; het was -hem eerst alleen te doen, om de misbruiken tegen te gaan. Maar hij vond -en behield zijne vastigheid in de rechtvaardiging des zondaars door het -geloof alleen en kwam van daar uit veel verder, dan hij oorspronkelijk -had gedacht of bedoeld. Dit beginsel leidde hem ook tot eene andere -opvatting van de kerk, tot die, welke hij vond in de Schrift. De kerk -was geen vergadering van praedestinati zonder meer noch ook van zulken, -die naar enkele voorschriften der bergrede wandelen. Maar zij was -eene vergadering van geloovigen, van menschen, die door het geloof -vergeving der zonden hadden ontvangen en dus allen kinderen Gods, -profeten en priesters waren. Vanzelf had zij daarom eene onzichtbare -en eene zichtbare zijde. Deze onderscheiding is volgens Seeberg, Der -Begriff der christl. Kirche 91, het eerst niet door Zwingli maar door -Luther gemaakt. Maar hij verstond daaronder geen twee kerken, doch -twee zijden aan eene en dezelfde kerk. De kerk is voor Luther geen -platonisch ideaal, geen idee zonder werkelijkheid, maar zij bestaat voor -hem concreet in menschen, die leven en door het geloof de vergeving -der zonden deelachtig zijn. Naar de eene zijde is zij onzichtbaar, een -voorwerp des geloofs, want wat men gelooft, ziet men niet; naar de -andere zijde is zij zichtbaar, want zij wordt openbaar en is kenbaar, niet -aan pausdom, bisschoppen, misgewaden en andere uitwendigheden, maar -aan de zuivere bediening van woord en sacrament. Waar deze is, kan men -er zeker van zijn, dat er eene kerk is; daar zijn ware geloovigen, al -was het alleen onder de kinderen in de wieg; Gottes Wort kann nicht -ohne Gottes Volk sein. Want er kunnen in eene kerk wel ongeloovigen -zijn, evenals er in een lichaam vreemde bestanddeelen kunnen wezen, -maar het wezen der kerk wordt door de geloovigen bepaald, het geheel -wordt genoemd naar het voornaamste deel, cf. Köstlin, Luthers Theol. -I 317 f. II 534 f. Seeberg t. a. p. 84 f. Gottschick, Hus’, Luthers -und Zwingli’s Lehre von der Kirche, Zeits. f. Kirchengesch. 1886. -Dienovereenkomstig werd in de Luthersche symbolen de kerk omschreven -als eene communio of congregatio sanctorum et vere credentium, in qua -evangelium recte docetur et recte administrantur sacramenta. Zij is -wel zichtbaar, heeft ambten en instellingen, maar ecclesia non est -tantum societas externarum rerum ac rituum sed principaliter est -societas fidei et Spiritus Sancti in cordibus, Conf. Aug. en Apol. 7. -8. Smalc. art. 12. Cat. maj. II 3. De onderscheiding van zichtbare en -onzichtbare kerk diende oorspronkelijk dus alleen, om tegenover Rome -uit te spreken, dat het wezen der kerk in het onzichtbare lag, in het -geloof, in de gemeenschap met Christus en zijne weldaden door den H. -Geest, maar volstrekt niet, om aan de zichtbaarheid, aan de realiteit -der kerk eenigermate afbreuk te doen. Spoedig werd zij echter in een -anderen zin gebezigd. Men kon toch het oog niet sluiten voor het feit, -dat er in de kerk in hac vita multi mali et hypocritae admixti sunt, -die wel socii verae ecclesiae secundum externos ritus zijn maar toch -niet de kerk vormen en veeleer tot het regnum diaboli behooren, Symb. -B. ed. Müller 153. 154. 155. De kerk kon dus enger of ruimer genomen -worden als ecclesia stricte et large dicta, ib. 153. Luther sprak soms -van zwei Kirchen en Melanchton noemde dit een discrimen duorum corporum -ecclesiae, C. R. 21, 507, en latere theologen, zooals Heerbrand, -Chemniz, Hutter, Gerhard enz. pasten daarop de onderscheiding van -onzichtbare en zichtbare kerk toe. Onzichtbaar werd de kerk nu genoemd, -niet omdat ze eene geestelijke zijde had en daarom voorwerp des geloofs -was, maar wijl de kring der geloovigen door ons niet kon gekend worden; -en zichtbare kerk werd de naam, niet voor de openbaring der geloovigen -in belijdenis en wandel, maar voor de ongeloovigen, die vroeger door -Luther en de belijdenisschriften niet tot de kerk maar tot het regum -diaboli gerekend werden. Idee en werkelijkheid, wezen en verschijning -werden daardoor los naast elkander gesteld. De geloovigen vormden eene -onzichtbare ecclesiola in de zichtbare ecclesia. Cf. Gerhard, Loc. XXII -69 sq. Quenstedt, Theol. IV 493 sq. Hollaz, Examen theol. 1278 sq. -Buddeus, Instit. theol. 1207 sq. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 434. -440 f. Schultz. Das protest. Dogma v. d. unsichtbaren Kirche, Jahrb. -f. prot. Theol. 1876 S. 673-690. Krauss, Das prot. Dogma v. d. uns. -Kirche, Gotha 1876 S. 80 f. Seeberg, t. a. p. 104 f. 141 f. Nitzsch, -Ev. Dogm. 529 f. - -Met de Luthersche leer van de kerk komt de Gereformeerde in -hoofdzaak overeen, maar zij vertoont toch enkele niet onbelangrijke -eigenaardigheden. Ten eerste neemt het instituut der kerk er eene -eenigszins andere plaats in. Luther verstond onder de kerk wel de -communio sanctorum, maar zocht toch hare eenheid en heiligheid meer -in de objectieve instellingen van ambt, woord en sacrament dan in -de subjectieve gemeenschap der geloovigen, die dikwerf zoo veel -te wenschen overliet. Zoo werd de kerk meer en meer een Goddelijk -instituut, dat de eenheid en heiligheid der geloovigen realiseeren -moest. In denzelfden geest omschreef Melanchton in de Loci van 1543 -de kerk als coetus vocatorum en zeide, dat wij nec alibi electos ullos -somniemus, nisi in hoc ipso coetu visibili. En latere Luthersche -dogmatici vonden er een verschilpunt in, dat volgens hunne leer de -uitverkorenen niet extra coetum vocatorum te zoeken zijn en volgens de -Gereformeerden ook daarbuiten konden voorkomen. En werkelijk is het -Gereformeerde leer, dat God wel ordinarie de weldaden van Christus -schenkt door middel van woord en sacrament, maar toch daaraan niet -gebonden is en, zij het dan ook rarissime, de zaligheid verleent buiten -het instituut der kerk om, Calvijn, Inst. IV 16, 19. Ursinus, Expl. -catech. qu. 21. Bucanus, Inst. theol. 400. Gomarus, Theses 30, 29. Ten -tweede brachten de Gereformeerden de kerk ten nauwste met de verkiezing -in verband en vatten daarom hare onzichtbaarheid dikwerf anders dan -de Lutherschen op. Zwingli liet eerst wel de onzichtbaarheid slaan op -de ecclesia universalis, die over de gansche aarde verspreid was en -daarom door niemand empirisch kon waargenomen worden, in tegenstelling -met de ecclesia particularis, die op eene bepaalde plaats aanwezig en -zichtbaar is. Maar later verstond hij onder de ecclesia invisibilis de -gezamenlijke uitverkorenen, gelijk zij in de twaalf artikelen voorwerp -des geloofs is en eerst bij de parousie zichtbaar zal worden. En in -onderscheiding daarvan noemde hij de ecclesia universalis en de ecclesia -particularis eene zichtbare (visibilis, sensibilis) vergadering van -geloovigen, waarin ook hypocrieten kunnen zijn, Fidei ratio, Op. IV -8. In zijne Christianae fidei expositio van het jaar 1531 spreekt hij -dan nog weer eenigszins anders en zegt, dat de kerk der geloovigen op -aarde onzichtbaar is, inzoover zij alleen de ware geloovigen omvat, en -zichtbaar, inzoover allen tot haar behooren, quotquot per universum -orbem Christo nomen dederunt, Op. IV 58. Calvijn sluit zich bij dit -spraakgebruik aan. Als hij de uitdrukking ecclesia invisibilis voor -het eerst in de Institutie van 1543 opneemt, verstaat hij daaronder de -gezamenlijke uitverkorenen, die alleen Gode bekend zijn, en onderscheidt -daarna de kerk als universa hominum multitudo in orbe diffusa, die -zichtbaar is en ook hypocrieten in zich bevat, maar toch ook in -zooverre weer onzichtbaar en voorwerp des geloofs is, als wij niet weten -kunnen, wie daarin de ware geloovigen zijn, Inst. IV 1, 1-9. Onzichtbaar -kon de kerk dus reeds heeten in drieërlei opzicht: 1º als ecclesia -universalis, omdat een bepaald persoon de kerk op andere plaatsen en in -andere tijden niet waarnemen kan; 2º als coetus electorum, die eerst in -de parousie voltooid en zichtbaar zal wezen; 3º als coetus electorum -vocatorum, omdat wij in de kerk op aarde de ware geloovigen niet -kunnen onderscheiden. Daarbij kwamen later nog andere gezichtspunten, -waaronder de kerk onzichtbaar kon genoemd worden, omdat zij niet van -deze wereld is, omdat haar hoofd Christus en dus ook zij zelve als zijn -lichaam onzichtbaar is, omdat haar grootste deel in den hemel is, omdat -zij tijdelijk en plaatselijk van bediening der genademiddelen verstoken -kan zijn, omdat zij in tijden van vervolging in woestijnen en spelonken -schuil gaat, omdat zij wel in hare uitwendige belijdenis maar niet in -het inwendig geloof des harten waarneembaar is, omdat de kerk nooit op -één plaats en in één tijd tegenwoordig is maar door de eeuwen en volken -heen zich uitbreidt, Polanus, Synt. theol. 531. En zichtbaar heette dan -de kerk daartegenover, wijl zij in belijdenis en wandel openbaar wordt, -of als instituut met ambten en bedieningen optreedt, of niet alleen -ware geloovigen doch ook hypocrieten bevat. Confessie en dogmatiek bij -de Gereformeerden ging nu eens van deze en dan van gene opvatting uit. -Sommigen stelden de kerk als de gemeenschap van alle uitverkorenen op -den voorgrond en noemden deze de ecclesia invisibilis, Cat. Genev. -bij Niemeyer 135. Scot. I 16. Westm. Conf. 25. Alsted, Theol. did. -schol. 590. Wijl echter de uitverkorenen, die nog niet leven of nog -niet geroepen zijn, alleen potentia leden van de kerk kunnen heeten, -lieten anderen deze idee van de kerk rusten en gingen uit van de kerk -als vergadering aller electi et vocati, Basil. I 5. Helv. I 15. Heid. -Catech. 54. Belg. 27. Helv. II 17. Gomarus, Theses theol. disp. 30. -Polanus, Synt. 530. Martyr, Loci 390. Dan moest men daarbij echter -terstond onderscheiden tusschen ware geloovigen en hypocrieten en ging -daarom spreken van ecclesia stricte en latius dicta, van het esse de -ecclesia en het esse in ecclesia, of ook wel van ecclesia invisibilis -en visibilis, Ursinus op qu. 54. Alsted, Theol. did. schol. 598. -Heidegger, Corpus theol. XXVI 29 enz. Dit leidde in verband met het -bederf, dat in de kerk intrad, tot de onderscheiding van twee kringen -of groepen van menschen in de eene kerk, Turretinus, Theol. El. XVIII -3, 3. 24. en bracht Janssonius, van der Eerde e. a. in de vorige eeuw -er toe, om een uit- en een inwendig verbond naast elkander te stellen, -om de forma externa en interna van de kerk te scheiden en om de leer -te verkondigen, dat ook onbegenadigden, indien zij onergerlijk leefden, -ware leden van de kerk konden zijn en rechtmatige aanspraak hadden op -hare goederen en weldaden, cf. deel III 227. Tevergeefs trachtten -daartegenover anderen de eenheid der kerk te handhaven, door te zeggen, -dat onzichtbare en zichtbare kerk twee zijden waren van dezelfde zaak, -Synopsis pur. theol. 40, 34. Turretinus, Theol. El. XVIII 7, 4. -Mastricht, Theol. VII 1, 11. 13. Appelius, De Herformde Leer 1769 bl. -300v.; de leer klopte hoe langer hoe minder op het leven. En dit was -voor de Gereformeerde leer over de kerk te erger, wijl zij veel minder -dan de Lutherschen in het instituut het wezen der kerk zag. Want, en -dat is een derde onderscheid, dat later duidelijker in het licht zal -treden, de Gereformeerden zochten het kenmerk der ware kerk wel ook in -de zuivere bediening van woord en sacrament, maar zij voegden gewoonlijk -daaraan nog de kerkelijke tucht en den christelijken wandel toe; de -verkiezing was de grondslag der kerk maar werd eerst in het geloof en -de goede werken openbaar. Cf. verder nog over de Ger. leer van de kerk: -Beza, Tract. theol. 1582 I 32. Hyperius, Meth. theol. 529. Bullinger, -Huysboeck 1612 fol. 204. Bucanus, Inst. theol. 455. Gomarus, Op. II 97. -202. Voetius, Pol. Eccl. I p. 1 sq. Moor, Comm. VI 1-179. M. Vitringa, -Doctr. chr. relig. IX enz., cf. Seeberg t. a. p. 159 f. - - -5. De wijziging, welke de Reformatie in het Roomsche kerkbegrip -aanbracht, had ook practische gevolgen. De uniformiteit maakte voorgoed -plaats voor de pluriformiteit; verschillende kerken traden na en -naast elkander op en gaven aan religie en kerk eene gansch andere -gedaante. De Reformatie trachtte onzichtbare en zichtbare kerk nog -in goed verband te houden; maar de historie bewees, hoe moeilijk dat -ging. En bij andere kerken buiten de Gereformeerde en Luthersche -werd het verband dikwerf geheel verbroken, en de onzichtbare kerk -aan de zichtbare of deze aan gene opgeofferd. Het Socinianisme nam -de onderscheiding nog wel aan, maar sprak toch bijna alleen van de -zichtbare kerk, wijl het de christelijke religie opvatte als eene -vrij wel voor allen aannemelijke leer, Fock, Der Socin. 690 f. Het -Remonstrantisme wandelde niet alleen in hetzelfde spoor, maar ontnam -aan de kerk ook nog alle zelfstandigheid en liet niets aan haar over -dan het recht van prediking en vermaning, Conf. en Apol. conf. 21. -22. Limborch, Theol. Christ. VII. Bij het Rationalisme werd de kerk -eene vereeniging van menschen tot uitoefening van den godsdienst en -tot verbetering der zeden, Wegscheider, Instit. § 188. Bretschneider, -Syst. Entw. 760. Doederlein, Instit. theol. christ. 1787 S. 716. Kant -duidde met de namen onzichtbare en zichtbare kerk het volk Gods aan -naar zijne idee en naar zijne empirische verschijning; de laatste, dat -is, de kerk met haar statutarisch geloof is bestemd, om meer en meer -in de redelijke en zedelijke religie, in een Rijk Gods op aarde over -te gaan, Religion ed. Rosenkranz 119 f. 146 f. Bij Hegel had de kerk -evenzoo slechts eene tijdelijke, voorbijgaande beteekenis, want de staat -is de ware realiseering der zedelijke idee, die vernünftlich-sittliche -Substanz. De kerk heeft alleen zoolang recht van bestaan, als de -staat nog niet ten volle aan zijne idee beantwoordt, Philos. der Rel. -Werke XII 279. Voor de kerk als instelling van Christus blijft op het -standpunt van het rationalisme geen plaats. En van een ander beginsel -uit kwam het mysticisme tot gelijk resultaat. Het Anabaptisme ging uit -van de volstrekte tegenstelling van schepping en herschepping, natuur -en genade, wereld en Godsrijk en beschouwde de geloovigen daarom als -menschen, die in de wedergeboorte iets gansch anders geworden waren -en daarom gescheiden van de wereld moesten leven. Zijn program was: -niet reformatie maar separatie; het wilde eene afgezonderde kerk, -Menno Simons, Werken 262. Eeuwen lang was er geen kerk geweest, maar -enkel Babel, en Babel moest verlaten en gemeden worden, ib. 33 v. 289 -v. 295. 409 v. In Munster zeide men, dat er in 1400 jaren geen waar -Christen was geweest, Goebel, Gesch. d. christl. Lebens I 179. De -ware kerk was eene kerk van heiligen, die na persoonlijke belijdenis -gedoopt waren en door onthouding van eed, oorlog, overheidsambt en -allerlei andere wereldsche practijken in spijze en drank, in kleeding -en verkeer van anderen zich onderscheidden, De Bres, De wortel, den -oorspronck ende het fundament der Wederd. 1589 bl. 39-45. Cloppenburg, -Op. II 233. Goebel t. a. p. 134 f. Hetzelfde dualistisch beginsel -ligt ten grondslag aan allerlei secten, die later binnen den kring -van het Protestantisme zijn opgetreden. Labadie riep te Middelburg in -1666, evenals vroeger te Genève en te Amiens, conventikelen in het -leven, aan welke hij den naam van profetieën gaf en stichtte in 1669 -eene „evangelische gemeente”, die alleen uit ware geloovigen mocht -bestaan, en later te Herford door een huiselijk familieleven, door -eene bedenkelijke huwelijkspractijk en door gemeenschap van goederen -zich onderscheidde, Goebel t. a. p. II 181-273. Ritschl, Gesch. -d. Piet. I 194-268. Het pietisme, zoowel hier als in Duitschland, -trok heel het leven saam in den engen kring der religie, werd -onverschillig voor kerk en ambt, sacrament en formulier, vergaderde -de geloovigen in afgezonderde gezelschappen en bevorderde het -separatisme, Ritschl, ib. II 135 f. Zinzendorf organiseerde den 12{en} -Aug. 1729 eene apostolische gemeente, welke in allerlei trekken -met de gemeente van Labadie overeen kwam, Goebel, ib. II 271. In -Engeland kwam onder anabaptistischen invloed bij Robert Browne en -John Robinson het Independentisme op, dat de kerk geheel en al laat -opkomen uit de samenvoeging van individueele geloovigen, Weingarten, -Die Revolutionskinderen Englands 24 f. Na Cromwells revolutie in -zijn enthousiasme getemperd, ging het, gelijk het Anabaptisme in het -Mennonitisme, in de religie der Kwakers over, die eene van de wereld -afgezonderde en in allerlei uitwendigheden onderscheiden gemeente -vormden. Van al het historische en objectieve losgemaakt, werd de kerk -bij hen de gemeenschap van allen, die de verlichting des H. Geestes -deelachtig waren, en voorts de naam voor hen, die samen op ééne plaats -vergaderden, als het ware één gezin vormden en krachtens het innerlijk -licht ook uitwendig in belijdenis en leven overeenstemden, Barclay, -Verantwoording 1757 bl. 212 v. Weingarten ib. 185. 186. Ook het -Methodisme wordt door dezelfde tegenstelling beheerscht. Wel trachtte -Wesley eerst de kerk zelve te reformeeren, maar in 1784 ging hij toch -tot separatie van de staatskerk over; hij ordende predikers, stelde -hen onder bescherming van de Tolerantie-acte en voegde de bekeerden -in gezelschappen saam, die dagelijks tot gebed samenkwamen, van tijd -tot tijd liefdemaaltijden, vastendagen, waaknachten, prayermeetings -enz. hielden en tot voornaamste taak kregen, om aan de bekeering van -anderen te arbeiden, Schneckenburger, Kleinere prot. Kirchenparteien -1863 S. 103 f. Het heilsleger van generaal Booth is van dit Methodisme -de consequentie; de bekeerden vormen geen kerk meer maar een staand -leger van Christus, een corps van evangelisten onder een officier, -door bijzondere kleeding en leefwijze van de wereld gescheiden, Kolde, -Die Heilsarmee 1885 S. 49 f. Geen wonder, dat onder al dergelijke -verschijnselen John Darby er toe kwam, om open en beslist alle kerk en -kerkvorm te verwerpen. Naar zijne meening werd de N. T. bedeeling van -het verbond der genade eerst wel door God met kerk en ambt begiftigd, -maar deze zijn reeds in den apostolischen tijd door der menschen ontrouw -ontaard en van Gods wege verworpen. Daarom zijn alle kerken sedert dien -tijd niets dan Babel, voorbereidingen van den antichrist, geheel en al -bedorven, door de geloovigen ten eenenmale te verwerpen. Dezen moeten -thans niets anders doen dan zich uit de wereld terugtrekken, elkander -in hunne bijeenkomsten met hunne verschillende gaven stichten en in -stilte afwachten de wederkomst van Christus, Dr. G. J. v. d. Flier, Het -Darbisme ’s Grav. 1879. Art. Plymouthbrüder in Herzog². - -Zoo schijnt alles te wijzen op eene ontbinding der kerk en op eene -radicale wijziging van het kerkbegrip. Wel ontbreekt het daartegenover -niet aan eene machtige reactie. De Russische kerk, wier opperbestuur -bij de Heilige Synode berust en door middel van den procurator aan den -keizer gebonden is, handhaaft haar aanspraak op den naam van eenigware, -orthodoxe kerk en streeft met onderdrukking der secten naar eenheid des -geloofs in het gansche rijk; Pobedonoszew, de tegenwoordige procurator, -is voorstander van de absolute monarchie en van de staatskerk en -verdedigt de leer, dat de massa in de macht den maatstaf der waarheid -vindt, zie zijne Streitfragen, autor. Uebersetzung, Berlin Deubner -1897. De Roomsche kerk is nog dezelfde, die zij te voren was, toen zij -ketters en scheurmakers vervolgen en ter dood brengen liet en kan in -beginsel geen kerken naast zich erkennen en dulden; als Roomschen -spreken in het belang van godsdienstvrijheid en scheiding van kerk en -staat, zijn zij te beschouwen als vrienden van beide uit berekening, -maar als vijanden van beide uit beginsel, cf. bijv. Stöckl, Lehrb. d. -Philos. III 474. Cathrein, Moralphilos. II³ 555 f. Hettinger, Apol. des -Christ. IV² 407 f. In Engeland is eerst het Irvingisme opgetreden, dat -de kerk reformeeren wilde door herstelling van het apostolaat, J. N. -Köhler, Het Irvingisme, ’s Grav. 1876, en verbreidt zich thans in de -Anglicaansche kerk het ritualisme, dat ambten, sacramenten, eeredienst, -ceremoniën meer en meer naar Roomsche leer en practijk vervormt, -art. Tractarianismus in Herzog¹. Mr. Walter Wash, Secret History of -the Oxford movement 1897. Williams, The crisis in the church of -England. Presb. and Ref. Rev. July 1899 p. 389-412. Zelfs onder de -Lutherschen gingen vele confessioneelen tot het objectieve instituut -van kerk, ambt en sacrament terug en bonden daaraan alle mededeeling -der genade, Löhe, Drei Bücher von der Kirche 1845. Kliefoth, Acht -Bücher v. d. Kirche 1854. Münchmeyer, Das Dogma v. d. uns. u. sichtb. -Kirche 1854. Vilmar, Theol. der Thatsachen 1876 S. 48 f. Id. Dogmatik -II 212. Stahl, Die Kirchenverfassung nach Lehre u. Recht der Prot. -2e Ausg. 1862 S. 67 f. Maar ondanks dit alles verliest de kerk hoe -langer hoe meer haar uniform karakter. Niet alleen in de Protestantsche -landen, vooral in Engeland en Amerika, maar ook in Rusland breidt het -aantal secten zich uit, J. Gehring, Die Sekten der Russischen Kirche -1003-1897. Nach ihrem Ursprunge und inneren Zusammenhange dargestellt. -Leipzig Richter 1898. Zelfs in de Roomsche kerk, die zoo gaarne aan -de verdeeldheid van het Protestantisme zich te goed doet, is in veel -opzichten de eenheid meer schijn dan wezen. Geloovigen en ongeloovigen -staan binnen haar muren even ver van elkaar als in vele kerken der -Hervorming. De verschillende orden staan dikwerf met elkander op alles -behalve vriendelijken voet. Dieselben Motive besonderer Frömmigkeit, -welche auf katholischem Boden zu neuen Ordensstiftungen führen, wirken -auf protestantischen Boden zur Bildung von Sekten, Ritschl, Gesch. -des Piet. III 303. En Reform-katholicismus en „Los-van-Rome”-beweging -toonen, hoeveel onvrede er in menig hart onder den uiterlijken glans -der eenheid verborgen is. Het geloof aan de ééne, onfeilbare, -alleenzaligmakende kerk is tegenover het bestaan en den bloei van -zoovele andere kerken niet meer te handhaven; de leer wordt door het -leven en door de geschiedenis zoo sterk mogelijk weersproken. - -Terwijl Rome voor deze ontwikkeling van Christendom en kerk de oogen -sluit, loopt de Protestantische theologie gevaar, om ter wille van de -historie de Goddelijke instelling van de kerk voorbij te zien. Volgens -Schleiermacher ontstond de kerk durch das Zusammentreten der einzelnen -Wiedergeborenen zu einem geordneten Auf- und Miteinanderwirken, Chr. -Gl. § 115. Wijl echter de wedergeboorte geen magische verandering maar -eene ethische vernieuwing is, blijft er in de wedergeborenen nog altijd -een stuk wereld over, en moet er dus in de kerk tusschen het blijvende -en het veranderende en verdwijnende onderscheiden worden, ib. 125. -126. Op deze onderscheiding past Schleiermacher de vroegere namen van -onzichtbare en zichtbare kerk toe. Hun vroeger gebruik was verkeerd, -want van de onzichtbare kerk is het meeste niet onzichtbaar, wijl -de wedergeboorte naar buiten in belijdenis en leven openbaar wordt, -en van de zichtbare kerk is het meeste niet kerk, wijl het tot de -wereld behoort. Onzichtbare kerk duidt niet zoozeer personen, als wel -werkingen des Geestes in de personen aan, en zichtbare kerk geeft te -kennen, dat deze werkingen des Geestes bij alle geloovigen nog samengaan -met nawerkingen der zonde, ib. 148. Beide staan dus tot elkander in -verhouding als wezen en verschijning, als idee en werkelijkheid, en -worden in dienzelfden zin ook door vele andere theologen opgevat, -Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 186-188. Lange, Dogm. II 1090 f. -Martensen, Dogm. § 191. Müller, Dogm. Abh. 332 f. Thomasius, Christi -Person und Werk II³ 505. Frank, Chr. Wahrheit II² 369 f. Kaftan, Dogm. -573. 585. Sommigen laten daarbij de oude namen varen en spreken liever -van Godsrijk en kerk, A. Dorner, Kirche und Reich Gottes, Gotha 1883. -Krauss, Das prot. Dogma v. d. uns. K. 1876, of ook van gemeente en -kerk, Stahl, Kirchenverfassung 67. De la Saussaye in mijne Theol. van -Ch. d. l. S. 61. Van Oosterzee § 129. Men kan deze zichtbare kerk dan -nog met Stahl houden voor eene stichting van Christus; maar de meesten -denken haar toch als een product, een noodzakelijke bestaansvorm van de -gemeente, Lipsius, Dogm. § 859 f. Tiele, Inl. tot de godsdienstwet. -II 1899 bl. 141v., of oordeelen zelfs, dat de institutaire kerk haar -tijd heeft gehad, en in den staat, Strauss, Dogm. II 618. Rothe, Ethik -§ 124 f. 440 f. 1167 f., of in de belijdende gemeente moet overgaan, -Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 843. Pfleiderer, Religionsphilos. 1896 -S. 745. Sohm, Kirchenrecht passim. Chavannes, Qu’est ce qu’une église, -Paris Fischbacher 1897. - - -6. De naam קָהָל, ἐκκλησια, duidt reeds krachtens zijne afleiding van -werkwoorden, die samenroepen beteekenen, eene vergadering van menschen -aan, die voor een of ander, inzonderheid politiek of godsdienstig -doel, saamgekomen, of, al zijn ze op een bepaald oogenblik niet -vergaderd, toch voor zulk een doel onderling vereenigd zijn. Onder -het Oude Testament was Israel het volk, dat door God voor zijn dienst -saamgeroepen en bijeenvergaderd was; en in het Nieuwe Testament is -dit volk van Israel vervangen door de gemeente van Christus, die nu -het heilig volk, het uitverkoren geslacht, het koninklijk priesterdom -Gods is. Het woord kerk, church, kirk, kirche, chiesa, waarmede -ἐκκλησια is overgezet, drukt niet zoo duidelijk als het oorspronkelijke -dit karakter van de gemeente van Christus uit. Waarschijnlijk is het -afgeleid van κυριακη, scil. οἰκια, of κυριακον, scil. οἰκον en -beteekende het dus oorspronkelijk, niet de gemeente zelve, maar de -plaats van hare samenkomst, het kerkgebouw, Suicerus s. v. Herzog² 7, -685. Thans bezigen wij dit woord in denzelfden zin van het kerkgebouw, -of in dien van godsdienstoefening (bijv. de kerk begint om tien uur), -of in dien van geinstitueerde groep van gemeenten (de Roomsche, de -Anglikaansche kerk enz.). De beteekenis van het Nieuwtestamentisch -woord ἐκκλησια staat bij het woord kerk op den achtergrond; in sommige -tijden was het bewustzijn, dat kerk de benaming van het volk Gods is, -schier geheel uitgesleten. Dit is ook de reden, waarom het woord -ἐκκλησια in de Statenvertaling niet door kerk, maar door gemeente is -overgezet; dit woord deed toch weer uitkomen, dat het wezen der kerk -in de gemeenschap der heiligen ligt. Indien er geen bezwaren tegenover -stonden, zou het overweging verdienen, om het woord kerk door dat van -gemeente te vervangen. Maar maatschappij en staat hebben dit woord op -burgerlijk gebied in beslag genomen, spreken van gemeente, gemeenteraad, -gemeenteschool, gemeentehuis, en hebben daardoor dit woord veelszins -voor het kerkelijk leven onbruikbaar gemaakt. Gemeente kan en mag wel op -kerkelijk gebied gebezigd worden, maar heeft dan een bepaalden zin en -is niet zoo plooibaar als het woord kerk, dat velerlei beteekenissen -kan aannemen. Want ofschoon dit woord oorspronkelijk het kerkgebouw -en dan ook de godsdienstoefening en het kerkelijk instituut aanduidde, -zoo is er toch de beteekenis van volk Gods, van vergadering der -Christgeloovigen, niet vreemd aan. In dien zin komt het voor in de -twaalf artikelen, in de Ned. Geloofsbel. art. 27-29, in de Dordsche -kerkenorde passim. Het komt er slechts op aan, om deze beteekenis in -het bewustzijn te verlevendigen. De woorden gemeente en kerk kunnen dan -naast elkander gebruikt worden maar zij zijn nooit zoo van elkander te -onderscheiden, dat het woord gemeente de vergadering der geloovigen op -eene bepaalde plaats, en het woord kerk de saamvoeging der gemeenten -tot één geheel aanduidt. Want kerk en gemeente zijn beide vertalingen -van hetzelfde woord ἐκκλησια en hebben daarom dezelfde beteekenis. -Beide woorden zijn namen voor de vergadering der geloovigen, hetzij op -eene bepaalde plaats, hetzij in een land, hetzij over de gansche aarde. -Geheel verkeerd is het daarom, om bij gemeente aan de ware geloovigen, -bij kerk aan de schijngeloovigen te denken, om beide begrippen te -vereenzelvigen met die van onzichtbare en zichtbare kerk, of ook onder -gemeente de vergadering der geloovigen en onder kerk het instituut te -verstaan. Hoogstens verschillen zij daarin, dat gemeente meer denken -doet aan de gemeenschap der geloovigen onderling, en kerk meer aan -diezelfde geloovigen, gelijk zij institutair, onder ambt en bediening -des woords, georganiseerd zijn. Beide malen is het dan echter toch -dezelfde vergadering van geloovigen, die erdoor aangeduid wordt; -slechts het gezichtspunt verschilt, waaruit zij beschouwd wordt. Terwijl -deze beide woorden dus op kerkelijk terrein burgerrecht bezitten, is -het gansch anders met het woord kerkgenootschap gesteld. Deze naam -heeft een collegialistischen bijsmaak. Het kwam hier te lande in gebruik -in 1773 door de eerste berijming van de twaalf geloofsartikelen, -werd dan in den zin van plaatselijke of algemeene kerk opgenomen in -de staatsregeling van 1798, 1801 en 1805, werd in de grondwet van -1814 en 1815 vervangen door het woord godsdiensten en godsdienstige -gezindheden en daarna in de grondwet van 1848 en 1887 en ook weer in -de wet op de kerkgenootschappen van 10 Sept. 1853 naast den naam van -godsdienstige gezindheden ingevoerd, Heraut 627. De saamvoeging van -kerk en genootschap is eene mesalliance en moeder van vele dwalingen. -Eene kerk is juist geen genootschap, want zij ontstaat niet door -vrijwillige toetreding van volwassen personen maar uit de wedergeboorte -door den H. Geest. Eindelijk verdient het ook geen aanbeveling, om -het woord kerk in den zin van het volk Gods door dat van Godsrijk te -vervangen. Want tusschen beide is er een niet onbelangrijk verschil. -Het koninkrijk Gods, waarmede Jezus’ prediking begint, is in de eerste -plaats een eschatologisch begrip voor het naderende Messiaansche rijk -met al zijne goederen. En ook, inzoover dit rijk door wedergeboorte, -vergeving en vernieuwing hier reeds op aarde in de harten aanwezig is, -bestaat het veelmeer in geestelijke goederen, dan in gemeenschap van -personen. Het koninkrijk der hemelen is of wordt juist een eigendom van -de armen van geest, de reinen van hart, de kinderkens en bestaat zelf -in vrede, vreugde, blijdschap door den H. Geest. Daarom is het, althans -hier op aarde, niet georganiseerd; het is in beginsel overal, waar -de geestelijke weldaden van Christus geschonken zijn, en is nergens op -aarde afgerond en voltooid, deel III 233v. Maar de kerk is vooral een -diesseitig begrip, een gemeenschap van personen, toegerust met ambten -en bedieningen en in het zichtbare optredend als het vergaderde volk -Gods. De kerk is dus het middel, waardoor Christus de weldaden van -het Godsrijk uitdeelt en de voltooiing ervan voorbereidt. En op haar -weg, om het Godsrijk te doen komen, neemt zij allerlei elementen op, die -onzuiver zijn en eigenlijk niet tot haar behooren (hypocrieten en ook den -ouden mensch in de geloovigen), terwijl het koninkrijk Gods, in goederen -bestaande, zuiver en onvermengd is en alleen het wedergeborene omvat. -Christus is der gemeente gegeven tot een hoofd, juist opdat God aan het -einde als Koning van zijn volk optreden en alles in alles kunne zijn. Cf. -Philippi, Kirchl. Gl. V 3, 203. Frank, Chr. Wahrheit II 375. Kaftan, -Dogm. 584. - -Nu is er geen twijfel aan, dat volgens de H. Schrift het wezen der -kerk daarin ligt, dat zij het volk Gods is. Immers, de kerk is eene -realiseering der verkiezing, en deze is eene verkiezing in Christus -tot roeping, rechtvaardigmaking, verheerlijking, Rom. 8:28, tot -gelijkvormigheid aan den Zone Gods, Rom. 8:29, tot heiligheid en -zaligheid, Ef. 1:4v. De zegeningen welke aan de kerk worden geschonken, -zijn in de eerste plaats inwendig en geestelijk van aard en bestaan -in roeping en wedergeboorte, in geloof en rechtvaardigmaking, in -heiligmaking en verheerlijking. ’t Zijn goederen van het koninkrijk der -hemelen, weldaden van het verbond der genade, beloften voor dit maar -bovenal voor het toekomende leven. Op grond daarvan heet de kerk het -lichaam van Christus, 1 Cor. 12:27, Ef. 5:23, Col. 1:18, de bruid van -Christus, 2 Cor. 11:2, Ef. 5:32, Op. 19:7, 21:2, de schaapskooi van -Christus, die zijn leven stelt voor de schapen en door dezen gekend -wordt, Joh. 10, het gebouw, de tempel, het huis Gods, Mt. 16:18, Ef. -2:20, 1 Petr. 2:5, opgetrokken uit levende steenen, 1 Petr. 2:5, op -den hoeksteen Christus en op het fundament van apostelen en profeten, -1 Cor. 3:17, 2 Cor. 6:16, 17, Ef. 2:22, Op. 21:2-4, het volk, het -eigendom, het Israel Gods, Rom. 9:25, 2 Cor. 6:16, Hebr. 8:10, 1 Petr. -2:9, 10. De leden der kerk heeten ranken aan den wijnstok, Joh. 15, -levende steenen, 1 Petr. 2:5, uitverkorenen, geroepenen, geloovigen, -geliefden, broeders en zusters, kinderen Gods enz., en zij, die dit -niet in waarheid zijn, worden in de Schrift beschouwd als kaf aan het -koren, Mt. 3:12, als onkruid onder de tarwe, Mt. 13:13, als kwade -visschen in het net, Mt. 13:47, als een mensch zonder feestkleed op de -bruiloft, Mt. 22:11, als geroepen doch niet uitverkoren, Mt. 22:14, -als kwade ranken aan den wijnstok, Joh. 15:2, als niet Israel, schoon -uit Israel zijnde, Rom. 2:28, 9:6, als boozen, die weggedaan moeten -worden, 1 Cor. 5:12, als vaten ter oneere, 2 Tim. 2:20, als zulken, die -uit ons uitgegaan zijn maar niet uit ons waren, 1 Joh. 2:19 enz. Dit -alles verheft het boven allen twijfel, dat de kerk naar haar wezen een -vergadering van ware geloovigen is. Zij, die het oprechte geloof niet -deelachtig zijn, mogen uitwendig tot de kerk behooren; zij maken toch -haar wezen, haar forma niet uit, zij zijn in, maar niet de ecclesia. - -Bevestigd wordt dit nog door de wijze, waarop de Schrift van de -gemeenschap der heiligen spreekt. De geloovigen hebben één Heer, één -geloof, één doop, één God en Vader van allen, en zoo ook hebben zij -éénen Geest, Ef. 4:4-6, in wiens gemeenschap zij leven, door wien zij -wedergeboren, tot één lichaam gedoopt en met Christus vereenigd zijn, -Joh. 3:5, 14:17, Rom. 8:9, 14, 16, 1 Cor. 12:3, 13, 2 Cor. 1:22, 5:5, -Ef. 1:13, 4:30, 1 Joh. 2:20. En deze Geest doet in de eenheid de -verscheidenheid niet te niet, welke onder de geloovigen bestaat, maar -Hij handhaaft en bevestigt ze. Gelijk Hij in schepping en onderhouding -alle dingen op hunne wijze versierde en voltooide, deel II 295, en -onder Israel allerlei natuurlijke en geestelijke gaven schonk, deel II -230; zoo deelde Hij zichzelf op den pinksterdag met al zijne charismata -aan de gemeente van Christus mede. Deze charismata omvatten in ruimer -zin ook de weldaden der genade, die het deel van alle geloovigen zijn, -Rom. 5:15, 16, 6:23; maar duiden in enger zin die bijzondere gaven -aan, welke aan de geloovigen in verschillende mate en graad ten nutte -van elkander geschonken zijn, Rom. 1:11, 1 Cor. 1:7, 2 Cor. 1:11, 1 -Tim. 4:14, 2 Tim. 1:6 en vooral Rom. 12:6-9 en 1 Cor. 12:12 v. Van -al deze gaven is de H. Geest, die ze alle uit Christus neemt, Joh. -16:13, 14, Ef. 4:7, de uitdeeler; Hij deelt ze aan een iegelijk uit, -gelijkerwijs Hij wil, echter niet naar willekeur, maar in verband met de -mate des geloofs, met de plaats, die iemand in de gemeente inneemt, -en met de taak, waartoe hij geroepen is, Rom 12:3, 6, 2 Cor. 10:13, -Ef. 4:7, 1 Petr. 4:10, zoodat elke gave eene φανερωσις του πνευματος -is, 1 Cor. 12:7. Deze gaven zijn zeer vele in aantal. Paulus noemt er -onderscheidene op, en bedoelt nog geenszins eene volledige lijst te -geven. De Roomschen spreken, evenals van zeven hoofdzonden, zeven -deugden, zeven zaligheden, zoo ook gaarne met beroep op Jes. 11:2, -3 van zeven dona Spiritus Sancti, Lombardus, Sent. III dist. 34. -Thomas, S. Theol. I 2 qu. 68. II 2 qu. 8. Bonaventura, Brevil. V 5. -Meschler, Die Gabe des h. Pfingstfestes, 3{te} Aufl. Freiburg 1896 S. -233 f. Simar, Dogm. 554. Heinrich-Gutberlet, Dogm. VIII 631. Maar dit -zevental omvat niet de eigenlijke charismata, die door Paulus worden -opgenoemd en die in de Roomsche theologie veeleer onder den naam van -gratiae gratis datae ter sprake komen, Simar ib. 486. En deze zijn niet -tot een zevental te beperken. Bij die, door Paulus opgeteld, kunnen -ook nog gevoegd worden die van gebed en dankzegging, van vermaning -en vertroosting, van mededeelzaamheid en herbergzaamheid enz. Eene -indeeling is daarom ook moeilijk te geven. Sommige dragen duidelijk een -bovennatuurlijk karakter of zijn eerst in of na de bekeering geschonken, -andere vertoonen meer den aard van natuurlijke gaven, die door den -H. Geest verhoogd en geheiligd zijn. Gene traden in den eersten tijd -vooral sterk op den voorgrond, deze zijn meer eigen aan de kerk in hare -historische, normale ontwikkeling. Maar welke die gaven ook zijn, zij -dienen allen ten nutte van de gemeente. De communio sanctorum is eene -sanctorum communicatio, Calvijn, Inst. IV 1, 3. De H. Geest deelt de -charismata niet aan de leden der gemeente uit ten bate van zichzelven, -maar ten bate van anderen. Zij mogen niet begraven of verzuimd, maar -moeten ten nutte en ter zaligheid der andere leden gewilliglijk en -met vreugde aangelegd worden, Heid. Cat. 55; zij dienen tot οἰκοδομη, -1 Cor. 14:12, Ef. 4:12, en zijn ondergeschikt aan de liefde, welke -de uitnemendste gave is. Deze liefde toch is nog eene andere dan de -algemeene naastenliefde; zij is de liefde tot de broederen, tot de -huisgenooten des geloofs. Jezus noemt deze liefde een nieuw gebod, -Joh. 13:34, 35, 15:12, 17:26, omdat de liefde onder Israel niet een -zuiver geestelijk karakter droeg maar met de banden des bloeds was -samengestrengeld, en de liefde, die Hij thans onder zijne jongeren -tot stand brengt, eerst volkomen zuiver, onvermengd en van aardsche -betrekkingen onafhankelijk is. De leden van Jezus’ gemeente zijn broeders -en zusters onder elkander, Mt. 12:48, 18:15, 23:8, 25:40, 28:10, Joh. -15:14, 15, 20:17, Rom. 8:29, Hebr. 2:11 enz. Zij zijn kinderen van één -gezin; God is hun Vader, Ef. 4:6, Christus hun eerstgeborene broeder, -Rom. 8:29, Jeruzalem, dat boven is, hunne moeder, Gal. 4:26. En zoo -hebben zij elkander met al hun geestelijke en natuurlijke gaven te dienen. -De kerk is eene gemeenschap der heiligen. Cf. over deze geestelijke -gaven de verklaringen over het geloofsartikel van de gemeenschap der -heiligen en voorts, Amesius, Med. Theol. II 2 § 19-23. Voetius, Disp. -II 1086-1100. Neander, Pflanzung u. Leitung d. christl. Kirche⁵ S. 180 -f. Pfleiderer, Der Paulinismus 242. Holtzmann, Neut. Theol. II 143. -175. Art. Geistesgaben van Cremer in Herzog³. Lauterburg, Der Begriff -des Charisma u. seine Bedeutung für die prakt. Theol. Gütersloh 1898. - - -7. Zoolang wij dit wezen der kerk vasthouden, baart haar begrip geen -overgroote moeilijkheid. De kerk is dan altijd in ruimer of in enger -zin de vergadering der geloovigen. In den ruimsten zin omvat zij -allen, die door het geloof in Christus zalig zijn geworden of het ook -nog zullen worden. Adam en Eva vóór den val behooren er dan nog wel -niet toe, want zij hadden toen nog geen middelaar van noode. En ook de -engelen kunnen niet tot haar gerekend worden, ofschoon dit door velen -geschiedde; want Christus is wel de Heer der engelen en heeft door zijn -kruis alle dingen, ook engelen en menschen, in de rechte verhouding -tot God en tot elkander geplaatst; maar engelen zijn toch niet naar -Gods beeld geschapen, zijn niet gevallen en niet door Christus verlost -en zijn dus ook geen leden van de kerk, welke Christus vergadert ten -eeuwigen leven. De geloovigen komen volgens Hebr. 12:22 wel tot de -gemeenschap met de duizenden van engelen, maar dezen worden duidelijk -onderscheiden van de πανηγυρις και ἐκκλησια πρωτοτοκων, vs. 23, cf. -deel II 442-445. III 405-408. Leden der kerk zijn alleen menschen, -die door het geloof in Christus behouden zijn. Tot haar behooren dus -alle geloovigen, die van de paradijsbelofte af tot op dit oogenblik -toe op aarde geleefd en niet in den limbus patrum of in het vagevuur -maar in den hemel zijn opgenomen, Hebr. 12:23. Tot haar behooren alle -geloovigen, die thans nog op aarde leven. En tot haar behooren in -zekeren zin ook al degenen, die later nog tot het einde der eeuwen -toe in Christus gelooven zullen. Want de kerk, ook als zij in dezen -ruimsten zin genomen wordt, is geen platonische staat, die alleen in -de verbeelding bestaat en nooit werkelijkheid wordt, maar zij heeft -den waarborg van haar existentie nu of in de toekomst in het besluit -Gods, in de vastheid van het genadeverbond, in het middelaarschap van -Christus, in de belofte des H. Geestes. Het grootste gedeelte der leden -van deze kerk is dan echter op een gegeven oogenblik niet op aarde; -want van het paradijs af tot heden toe zijn er reeds vele duizenden en -millioenen in den hemel opgenomen en hun getal wordt dagelijks, van -oogenblik tot oogenblik vermeerderd (ecclesia triumphans), en velen -zijn er, die nu nog niet gelooven of zelfs nog niet geboren zijn en toch -onfeilbaar zeker tot het geloof zullen komen. De kerk, als vergadering -der geloovigen, die op een gegeven oogenblik op aarde leven (ecclesia -militans), is dus maar een klein deel van de kerk, in haar ruimsten -zin genomen. Toch is het goed en noodig, om den samenhang der kerk op -aarde met die in het verleden en in de toekomst vast te houden. Want -het is ééne vergadering, ééne ἐκκλησια van degenen, die in de hemelen -zijn opgeschreven en die eenmaal als eene bruid zonder vlek of rimpel -voor Gods aangezicht zullen staan. En het handhaven van deze eenheid -der gansche kerk verhoogt het gemeenschapsgevoel, staalt den moed en -prikkelt tot den strijd. Indien wij ons verder bepalen tot dat gedeelte -der kerk, dat op aarde zich bevindt (ecclesia militans), dan kan dit -nog weer ruimer of enger genomen worden. Wij kunnen erbij denken aan al -de geloovigen saam, die thans in alle kerken, onder alle volken, in -alle landen aanwezig zijn (ecclesia universalis), aan de geloovigen -in één land of in eene provincie, Hd. 9:31 (ecclesia nationalis, -provincialis) of ook aan de geloovigen op eene bepaalde plaats, hetzij -stad of dorp (ecclesia particularis, localis). Daarbij verdient het dan -opmerking, dat de ecclesia universalis (nationalis) aan de ecclesia -particularis voorafgaat. De kerk van Christus is een organisme, waarin -het geheel gaat vóór de deelen; zij heeft haar oorsprong in het paradijs, -Gen. 3:15, of ook voor de dagen des N. Test. in Jeruzalem, Hd. 1:8; -de kerk te Jeruzalem was, zoolang zij alleen bestond, de ecclesia -universalis, de kerk van Christus op aarde, en de kerken, die straks -naast haar optraden, kwamen niet autochthonisch maar van uit Jeruzalem -door de prediking der apostelen en evangelisten tot stand. - -Tot dusver is het begrip der kerk duidelijk en klaar. Maar nu komt er -eene dubbele moeilijkheid. De eerste bestaat daarin, dat dit begrip van -kerk in de Schrift toegepast wordt op concrete, historisch bestaande, -afgesloten groepen van personen, onder welke ook altijd ongeloovigen -zijn. In het O. Test. heette het gansche volk volk Gods, ofschoon lang -niet alles Israel was, wat uit Israel was. In de kerken des N. Test. -was er ook, schoon in veel mindere mate, kaf onder het koren en onkruid -onder de tarwe. En na den apostolischen tijd zijn de kerken telkens -verwereldlijkt, verbasterd, verdeeld, en toch noemen wij ze alle nog -met den naam van kerken. De theologie heeft, evenals de Schrift, dit -feit ten allen tijde erkend en op haar voorgang steeds verklaard, dat -het wezen der kerk niet door de ongeloovigen maar door de geloovigen -werd bepaald, boven bl. 8 v. Augustinus helderde deze aanwezigheid van -ongeloovigen in de kerk op door het schriftuurlijk beeld van kaf en -koren, of ook door dat van lichaam en ziel, uit- en inwendigen mensch, -kwade sappen in het lichaam; de ongeloovigen zijn in het lichaam van -Christus quomodo humores mali, bij Seeberg t. a. p. 45. En zoo spraken -ook de scholastieke en Roomsche theologen. Bellarminus bijv. tracht -wel aan te toonen, dat ook ongeloovigen leden der kerk zijn, maar hij -brengt het niet verder dan tot de bewering, dat zij het aliquo modo -zijn, de eccles. mil. III 2; zij zijn alleen de corpore, niet de anima -ecclesiae; de boni zijn pars interior, de mali zijn pars exterior van -de kerk; de ongeloovigen zijn membra mortua, arida, die alleen externa -conjunctione met de kerk verbonden zijn; zij behooren niet tot het rijk -van Christus, quoad fidei professionem maar tot het rijk des duivels, -quantum ad morum perversitatem; zij zijn filii propter formam pietatis, -alieni propter amissionem virtutum; er mogen geen twee kerken zijn, er -zijn toch twee partes in de kerk, ib. III 9. En de Catech. Rom. zegt, -dat er in de strijdende kerk duo hominum genera zijn en dat er volgens -de Schrift kwade visschen in het net zijn en onkruid op den akker en -kaf op den dorschvloer, dwaze onder de wijze maagden en onreine dieren -in de ark, I 10 qu. 6. 7. In theorie wijkt dit niet veel af van de -leer der Reformatie; maar practisch zag het er met de kerk tegen het -einde der Middeleeuwen gansch anders uit, en Rome voedt ook steeds het -denkbeeld, dat uitwendig lidmaatschap, historisch geloof, onderhouding -van de geboden der kerk en onderwerping aan den paus het wezen der kerk -constitueeren. Daartegen kwam de Hervorming in verzet en stelde zij -de onderscheiding over van zichtbare en onzichtbare kerk. Augustinus -had reeds gezegd van de naamchristenen, quum intus _videntur_, ab -illa _invisibili_ caritatis compage separati sunt, de bapt. III 19 bij -Seeberg t. a. p. 42; en eigenlijk kan Rome tegen deze onderscheiding -geen bezwaar hebben en aanvaardt ze ook zelve, inzoover zij in de -ééne kerk duo hominum genera, duas partes onderscheidt. Bellarminus -handelt, de eccl. mil. III 10, over de infideles occulti, en Möhler, -Symb. § 49, prijst Luther, als deze de kerk opvat als eene gemeenschap -der heiligen en zegt, dat de geloovigen, die Unsichtbaren, de dragers -der zichtbare kerk zijn. Maar de onderscheiding van zichtbare en -onzichtbare kerk kan verschillend opgevat worden, boven bl. 18. De -meeste dezer opvattingen zijn echter te verwerpen of komen althans niet -in de dogmatiek ter sprake. Onzichtbaar is de kerk niet te noemen, -omdat Christus, omdat de ecclesia triumphans, omdat de aan het einde -der eeuwen voltooide kerk thans niet voor ons waar te nemen valt; -noch ook, omdat de kerk op aarde in vele plaatsen en landen door ons -niet gezien wordt of in tijden van vervolging verborgen is of soms van -bediening van woord en sacrament verstoken is. De onderscheiding van -zichtbare en onzichtbare kerk is alleen op de ecclesia militans van -toepassing en duidt dan aan, dat de kerk naar hare geestelijke zijde of -in hare ware leden onzichtbaar is. Beide deze beteekenissen zijn bij -Lutherschen en Gereformeerden ineengevloeid en kunnen ook niet uit -elkander gehouden worden. De kerk is een voorwerp des geloofs. Het -inwendig geloof des harten, de wedergeboorte, de waarachtige bekeering, -de verborgen gemeenschap met Christus enz. zijn geestelijke goederen, die -met het natuurlijk oog niet waar te nemen zijn, en die toch aan de kerk -haar eigenlijke forma schenken. En aan geen enkelen mensch heeft God den -onfeilbaren maatstaf in handen gegeven, waarnaar hij anderer geestelijk -leven beoordeelen kan. De intimis non judicat ecclesia. De Heere alleen -kent degenen, die zijne zijn. Zoo is het dus mogelijk en is het ook altijd -in de christelijke kerk een feit geweest, dat er kaf onder het koren -school en hypocrieten onder de ware geloovigen verborgen waren. De -naam kerk, gebezigd van de ecclesia militans, van de vergadering der -geloovigen op aarde, heeft daarom bij alle Christenen, zoo Roomsche als -Protestantsche, altijd een overdrachtelijken zin. Zij wordt zoo geheeten, -niet naar de ongeloovigen, die er zich in bevinden, maar naar de -geloovigen, die er het essentieele bestanddeel van vormen en er het -wezen aan geven. Het geheel wordt naar het deel genoemd. Eene kerk is -en blijft eene vergadering van ware Christgeloovigen. - - -8. Zoo opgevat, kan de onderscheiding van zichtbare en onzichtbare kerk -door niemand gewraakt en moet zij veeleer door allen worden erkend. Maar -er is nog eene andere moeilijkheid aan het begrip der kerk verbonden. -De vergadering der geloovigen op aarde is niet alleen charismatisch -maar ook institutair ingericht. Zij is niet alleen zelve het eigendom -van Christus, maar doet ook dienst, om anderen voor Christus te winnen. -Zij is coetus, doch ook mater fidelium; organisme doch ook instituut; -doel en middel tegelijk. De verhouding van de kerk als organisme tot -de kerk als instituut komt eerst in de volgende paragraaf, bij de -regeering der kerk, ter sprake. Want evenals het begrip _staat_ moeilijk -te omschrijven is en dan eerst duidelijk wordt, wanneer daarin volk en -overheid onderscheiden en afzonderlijk behandeld wordt, zoo is er van -het begrip kerk dan alleen eene goede definitie te geven, als tegen -vereenzelviging van de vergadering der geloovigen met hare organisatie -in het instituut gewaakt wordt, Turretinus, Theol. El. XVIII 3, 10. -Stahl, Kirchenverfassung 46. Velen echter brengen de onderscheiding -van de kerk als organisme en als instituut met die in onzichtbare en -zichtbare in verband en geven daardoor aan deze laatste ongemerkt een -zin, die haar niet toekomt. Aan de eene zijde staan zij, die niet alleen -de kerk naar hare idee of de ecclesia triumphans maar ook de ecclesia -militans op aarde omschrijven als vergadering van de praedestinati of -electi (Wiclef), of van de perfecti (Pelagius volgens August., de haer. -88, de Anabaptisten volgens Calvijn, Inst. IV 1, 8 en vele anderen), of -van hen, qui nunquam lapsi sunt (Novatianus), of ook van die leden der -kerk, die ten avondmaal gaan (communicanten, gelijk velen in Amerika -de kerk opvatten). Aan de andere zijde bevinden zich de Roomschen, die -het zwaartepunt der kerk uit de vergadering der geloovigen in het -hierarchisch instituut, in de monarchia externa et suprema totius orbis -verleggen en haar wezen veelmeer zoeken in de ecclesia docens dan -in de ecclesia audiens. En dien kant gaan ook uit allen, die, om de -ongeloovigen en hypocrieten althans eenigermate als ware leden vast te -houden, de kerk omschrijven als vergadering van geroepenen (Melanchton, -Löhe, Kliefoth enz.) of van gedoopten (Münchmeyer, Delitzsch, Vilmar -enz.). Beide deze beschouwingen zijn eenzijdig en doen aan het wezen -der kerk te kort. Op het eerste standpunt wordt de kerk geheel en al -onzichtbaar, blijft zij eene idee en treedt niet in de werkelijkheid -op. De verkiezing zonder meer maakt iemand nog niet tot een lidmaat -der kerk op aarde. Wel behooren de uitverkorenen, die nog niet tot -het geloof zijn gekomen, tot de kerk, gelijk zij in de gedachte en het -besluit Gods bestaat; zij kunnen zelfs gezegd worden, potentia tot de -kerk te behooren, maar zij zijn er toch actu nog geen leden van. En ook -kan de kerk niet omschreven worden als vergadering van volmaakten, van -niet-gevallenen of van communicanten, want de geloovigen bereiken in -dit leven de volmaaktheid niet, zijn door de beloften Gods niet tegen -elken val gewaarborgd en zijn niet tot het getal der avondmaalgangers -beperkt. Evenmin is de tweede, bovengenoemde omschrijving met het wezen -der kerk in overeenstemming. Want uitwendig lidmaatschap, roeping en -doop zijn geen bewijs van waarachtig geloof; velen worden geroepen, -die niet zijn uitverkoren; velen worden gedoopt, die niet gelooven; -niet allen zijn Israel, die uit Israel zijn. Terwijl eerstgenoemden -dus tot geen zichtbare kerk komen, verwaarloozen laatstgenoemden de -onzichtbare kerk. Dan alleen komen deze beide tot haar recht, wanneer -de kerk opgevat wordt als vergadering van geloovigen. Immers is het het -oprechte, ware geloof, dat zalig maakt, vergeving der zonden en eeuwig -leven ontvangt. Dat geloof is een zaak des harten, doch het blijft niet -binnen den mensch besloten maar openbaart zich naar buiten in belijdenis -en wandel, Rom. 10:10, en belijdenis en wandel zijn teekenen van het -inwendig geloof des harten, Mt. 7:17, 10:32, 1 Joh. 4:2. Wel is waar -zijn ook geloof en belijdenis lang niet altijd in overeenstemming; er is -geloof, bijv. bij de kinderen der geloovigen, dat niet in daden openbaar -wordt, en er is een belijden, dat in het roepen van Heere, Heere bestaat -en niet uit waar geloof wordt geboren. Maar toch heeft de opvatting van -de kerk als vergadering van geloovigen dit voor boven hare omschrijving -als vergadering van geroepenen en gedoopten, dat zij datgene handhaaft, -waarop het voor ieder mensch en voor heel de kerk aankomt. Niet het -geroepen en het gedoopt zijn beslist, maar wie geloofd zal hebben en -gedoopt zal zijn zal zalig worden, daarentegen die niet zal geloofd -hebben, ook al werd hij geroepen en gedoopt, zal verdoemd worden, Mk. -16:16. - -Hieruit volgt, dat de onderscheiding van de kerk als instituut en -organisme eene gansch andere is dan die in zichtbare en onzichtbare -kerk, en met deze niet vereenzelvigd mag worden. Want instituut en -organisme zijn beide benamingen van de kerk naar hare zichtbare zijde. -Men mag hierbij niet vergeten, dat ook instituut en organisme der kerk, -in het zichtbare optredend, een onzichtbaren, geestelijken achtergrond -hebben. Want ambt en gave, bediening van woord en sacrament, -broederliefde en gemeenschap der heiligen berusten alle op werkingen, -die er uitgaan van het verheerlijkt Hoofd der gemeente door den H. -Geest. Afkeuring verdient daarom de voorstelling, alsof het instituut -als iets toevalligs en uitwendigs op mechanische wijze aan de kerk -als vergadering der geloovigen ware toegevoegd. Maar toch denken wij -bij de kerk als instituut en als organisme in de eerste plaats aan de -kerk naar hare zichtbare zijde, dat is, aan de ambten en bedieningen, -waarmede zij toegerust is en aan de gemeenschap der heiligen, gelijk die -in de broederliefde openbaar wordt. En juist in deze beide treedt -de kerk naar buiten zichtbaar op. Onjuist is daarom ook de meening, -dat de kerk alleen zichtbaar wordt in het instituut, in ambt en -bediening, in woord en sacrament, in eenigen vorm van kerkregeering. -Ook wanneer dit alles weggedacht wordt, is nochtans de kerk zichtbaar. -Want elk geloovige openbaart zijn geloof in belijdenis en wandel op -ieder terrein van het leven en alle geloovigen saam staan met hun -geloof en leven tegen de wereld over. In den hemel is er geen ambt en -bediening, geen woord en sacrament meer en zal toch de kerk ten volle -zichtbaar zijn. Zichtbaarheid en onzichtbaarheid onderscheiden de kerk -dus uit een geheel ander gezichtspunt dan instituut en organisme. De -laatste onderscheiding zegt ons, waarin de kerk voor ons zichtbaar en -kenbaar wordt; de eerste leert, dat die zichtbare verschijning eene -onzichtbare, geestelijke zijde heeft, welke alleen Gode bekend is. -Daarmede is nu vanzelf ook gegeven, dat zichtbare en onzichtbare kerk -geen twee kerken zijn. Deze bedenking werd reeds door de Donatisten -tegen Augustinus ingebracht en is later door de Roomschen tegen de -Protestanten herhaald. Maar de aanklacht berust op misverstand. Rome -zelf erkent, gelijk boven aangetoond is, dat er duo hominum genera in -de kerk zijn, dat zij duas partes heeft, en tracht nu wel aan te toonen, -dat de ongeloovigen aliquo modo tot de kerk behooren maar durft toch -niet zeggen, dat zij het wezen der kerk uitmaken. Feitelijk staat zij dus -voor dezelfde moeilijkheid als de Hervorming. Want dat de hypocrieten -aliquo modo tot de kerk behooren, is geen punt van verschil. Ook de -Protestanten erkennen, dat zij in ecclesia zijn en tot de kerk behooren, -gelijk de kwade ranken tot den wijnstok en het kaf tot het koren. Alleen -ontkennen zij, dat dezen aan de kerk haar forma geven, want het oprechte -geloof is het en niets anders, dat zalig maakt en Christus inlijft. De -ongeloovigen zijn dus het wezen der kerk niet, zij zijn niet de ecclesia. -Onzichtbare en zichtbare kerk zijn dus ook volstrekt geen benamingen -voor de groep van ongeloovigen en van geloovigen, die er in eene kerk -zijn. In de kerk is over leer en leven de tucht te handhaven naar des -Heeren gebod; maar elke poging, om de geloovigen en de ongeloovigen te -scheiden, en eene ecclesiola in ecclesia op te richten, is evenzeer met -des Heeren gebod in strijd; Mt. 13:30 verbiedt dit niet, want de akker, -daar bedoeld, is niet de kerk doch de wereld, vs. 38, maar het volgt -daaruit, dat wij aan belijdenis en wandel gebonden zijn en over het hart -niet kunnen of mogen oordeelen. Ongeloovigen maken dus evenmin het -wezen van de zichtbare als van de onzichtbare kerk uit; zij behooren tot -de kerk in geen van beide opzichten, al ontbreekt ons het recht en de -bevoegdheid, om hen van de geloovigen af te zonderen en uit te werpen. -Zelfs kan nog sterker gezegd worden, dat ook de oude mensch, die in -de geloovigen overblijft, niet tot de kerk behoort. Daarmede heeft -Schleiermacher nog geen gelijk, als hij het wezen der kerk in werkingen -des H. Geestes gelegen acht, want de kerk is geen vergadering van -werkingen maar van personen; het zijn menschen, die door den H. Geest -worden wedergeboren en tot het geloof gebracht en die als zoodanig, -als nieuwe menschen, het wezen der kerk vormen. Maar toch, de kerk is -eene vergadering van geloovigen, en al wat niet uit het geloof, uit den -nieuwen maar uit den ouden mensch opkomt, behoort niet tot de kerk en -wordt daarom eenmaal buitengeworpen. Zichtbare en onzichtbare kerk zijn -om deze reden twee zijden van eene en dezelfde kerk; het zijn dezelfde -geloovigen, die de eene maal beschouwd worden van de zijde des geloofs, -dat in het hart woont en Gode alleen zeker bekend is, en de andere maal -van de zijde der belijdenis en des levens, welke naar ons toegekeerd en -voor ons waarneembaar is. Omdat de kerk hier op aarde wordende is, zijn -deze beide zijden nooit, zelfs niet in de zuiverste kerk, aan elkander -gelijk. Er zijn altijd ongeloovigen binnen, en geloovigen buiten de kerk; -multi lupi intus, multae oves foris. Het laatste was bijv. onder het O. -Test. het geval met Naäman den Syriër en geldt nu nog van allen, die om -eene of andere reden buiten de gemeenschap der geinstitueerde kerken -leven en toch het ware geloof deelachtig zijn. Maar dit alles doet toch -niets af van het feit, dat het wezen der kerk alleen in de geloovigen -ligt. - - -9. Indien de kerk naar haar wezen eene vergadering van ware -Christgeloovigen is en deze alleen Gode bekend zijn, wordt de vraag -van gewicht, waaraan de kerk door ons kan worden gekend. De Roomsche -Christen heeft daarom vooral bezwaar tegen het reformatorisch -kerkbegrip, wijl het de zekerheid der kerk en dus van de zaligheid -zijner ziel ondermijnt en voor twijfel, verdeeldheid, onverschilligheid -de deur opent. Bellarminus zegt het zoo duidelijk mogelijk: necesse -est, ut nobis certitudine infallibili constet, qui coetus hominum sit -vera Christi ecclesia, nam cum Scripturae traditiones et omnia plane -dogmata ex testimonio ecclesiae pendeant, nisi certissimi simus, quae -sit vera ecclesia, incerta erunt prorsus omnia. Dit nu is onmogelijk, -als het oprechte geloof iemand alleen waarlijk tot lid der kerk maakt, -want dit kan nooit door ons zeker worden gekend, en eene cognitio -conjecturalis is onvoldoende, wij hebben hier een certitudo infallibilis -van noode, de eccl. mil. III c. 10, want tenemur omnes sub periculo -mortis aeternae verae ecclesiae nos adjungere et in illa perseverare, -ib. c. 12. De ware kerk moet daarom zoo visibilis en palpabilis -wezen, ut est coetus populi Romani, vel regnum Galliae aut respublica -Venetorum, ib. c. 2. Vandaar dat Bellarminus alle krachten inspant, om -de waarheid der Roomsche kerk te bewijzen. Hij telt niet minder dan 15 -notae op, n.l. ipsum catholicae ecclesiae nomen, antiquitas, duratio -diuturna, multitudo et varietas credentium, successio episcoporum, -conspiratio in doctrina cum ecclesia antiqua, unio membrorum inter se -et cum capite, sanctitas doctrinae, efficacia doctrinae, sanctitas -vitae primorum patrum, gloria miraculorum, lumen propheticum, confessio -adversariorum, infelix exitus eorum qui ecclesiam oppugnant, felicitas -temporalis, de eccl. mil. IV c. 4-18. De Roomsche theologen volgen -dit voorbeeld, maar herleiden het vijftiental notae gewoonlijk tot -de vier, welke in het symbolum Nic.-Const. worden genoemd, n.l. de -unitas, sanctitas, catholicitas en apostolicitas, Perrone, Prael. I -248. Liebermann, Instit. theol. I 255. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV -372. Jansen, Prael. I 659. Hettinger, Apol. 7{te} Aufl. IV 411, V 106. -Daarbij verdient het nog de aandacht, dat Rome in eigenlijken zin geen -notae of criteria heeft, waaraan de ware kerk kan gekend worden. Deze -onderstellen toch een maatstaf, die boven de kerk ligt en waarnaar -zij door ieder beoordeeld mag worden. En zulk een maatstaf heeft Rome -niet, want de Schrift is afhankelijk van de kerk, en de kerk is zelve -de hoogste maatstaf voor leer en leven. Notae ecclesiae zijn bij Rome -dus niets anders dan indicia, eigenschappen, waarin de kerk uitkomt -en zich openbaart. Bewijzen voor de kerk zijn dezelfde als die voor het -Christendom, want beide zijn bij Rome één. En deze bewijzen maken de -stelling, dat de Roomsche kerk de ware kerk is, wel niet evidenter -veram maar toch evidenter credibilem, ib. IV c. 3. Evenzoo spreekt -het Vaticanum, III c. 3: Deus per Filium suum unigenitum Ecclesiam -instituit, suaeque institutionis manifestis notis instruxit, ut ea -tamquam custos et magistra verbi revelati ab omnibus posset agnosci. Ad -solam enim catholicam Ecclesiam ea pertinent omnia, quae ad evidentem -fidei christianae credibilitatem tam multa et tam mira divinitus sunt -disposita. Quin etiam Ecclesia per se ipsa, ob suam nempe admirabilem -propagationem, eximiam sanctitatem et inexhaustam in omnibus bonis -foecunditatem, ob catholicam unitatem invictamque stabilitatem, -magnum quoddam et perpetuum est motivum credibilitatis et divinae -suae legationis testimonium irrefragabile. Absoluut bewijsbaar is dus -de waarheid der kerk voor een ieder niet; dan toch zou de kerk geen -articulus fidei en het geloof niet vrij en verdienstelijk zijn. Er moet -volgens het Vaticanum bij het getuigenis, dat van de kerk uitgaat een -efficax subsidium ex superna virtute bijkomen. Feitelijk neemt Rome -daarmede hetzelfde subjectieve standpunt in als de Hervorming. De -motieven, hoe sterk ook, kunnen niet metterdaad bewegen tot het geloof. -Het is Gods Geest alleen, die iemand inwendig vast en zeker overtuigen -kan van de waarheid der Goddelijke openbaring. De diepste grond voor -het geloof is ook bij Rome niet de Schrift of de kerk, maar het lumen -interius. Rome heeft met zijne onfeilbare kerk en zijn onfeilbaren paus -principieel niets vóór boven de kerken der Hervorming, want kerk en -paus zijn, hoe zichtbaar ook, toch articuli fidei, cf. dl. I 425. 426. -486-489. - -De kenteekenen, die Rome voor de ware kerk opgeeft, zijn dan ook in geen -enkel opzicht duidelijker en krachtiger dan de zuivere bediening van het -woord, welke door de Hervorming als kenteeken der kerk werd erkend. -Sommige van de kenteekenen, door Bellarminus genoemd, zijn van zeer -ondergeschikte waarde. De wondergave is volstrekt geen afdoend bewijs -voor de waarheid der leer, welke iemand verkondigt, Deut. 13:1, 2, Mt. -7:22, 23, 24:24 enz. cf. deel I 429v.; het ongelukkig uiteinde van de -vijanden en vervolgers der kerk is meestentijds slechts eene legende, -gelijk ook Roomschen thans erkennen, Nik. Paulus, Luthers Lebensende, -Freiburg 1898; en de aardsche voorspoed der kerk is altijd tijdelijk, -wisselt met vervolging en onderdrukking af, en kan even goed als een -bewijs tegen de waarheid der kerk worden aangevoerd, Mt. 5:10, 16:24, -Joh. 16:33, Hd. 14:22, 2 Tim. 3:12. Bij andere kenmerken hangt alles af -van den zin, waarin zij worden verstaan; de naam katholiek wordt ook -door Protestantsche kerken aangenomen en is op zichzelf evenmin een -bewijs voor de waarheid der Roomsche kerk, als de naam Christus, dien -de valsche Christussen zich toeeigenen, Mt. 24:24, of de naam Israel -of Abrahams zaad, waarop de Joden zich verhoovaardigden, Joh. 8:33, -Rom. 9:6; de oudheid, de historische continuiteit en de onafgebroken -successie zijn niet alleen aan Rome, maar ook aan andere kerken, bijv. de -Grieksche eigen, en bewijzen op zichzelf evenmin iets voor de waarheid -der Roomsche kerk als zij dat deden voor die van de Joodsche gemeente -in Jezus’ dagen; de eenheid en de katholiciteit zijn pretensies van -Rome, welke het feit niet kunnen te niet doen, dat er millioenen -Christenen leven buiten haar; er is niet maar ééne kerk, er zijn vele -kerken, en er is geen enkele, die alle geloovigen omvat. De overige -kenmerken, overeenstemming met de leer der apostelen, heiligheid der -leer, vernieuwende kracht, welke van haar uitgaat, heilig leven van -velen harer belijders, komen volstrekt niet alleen aan Rome maar ook aan -vele andere kerken toe, en zijn aan dezelfde bedenkingen onderhevig, -als welke door de Roomschen tegen de Protestantsche kenteekenen worden -ingebracht en straks besproken worden. Cf. Beza, de eccl. cath. notis, -Tract. theol. III 132. Polanus, Synt. p. 532 sq. Amesius, Bellarminus -enervatus II 56-72. Maresius, Syst. theol. XVI 23 sq. Turretinus, -Theol. El. XVIII qu. 13. Mastricht, Theol. VII 1, 34. Moor VI 50. M. -Vitringa IX 1 p. 98. Gerhard, Loc. XXII c. 10. 11. Quenstedt, Theol. -IV 503. De Roomsche kerk verheugt zich daarbij wel in hare eenheid -en wijst met zelfbehagen op de verdeeldheid van het Protestantisme. -Maar zij betaalt deze vreugde met een duren prijs. Ten eerste is het -gedwongen, om het wezen der kerk hoe langer hoe meer van de vergadering -der geloovigen op het instituut der hierarchie, d. i. ten slotte op -den paus over te dragen. Met meer recht, dan Lodewijk XIV kon zeggen: -l’état c’est moi, kan de paus verklaren: de kerk ben ik. Ubi papa, -ibi ecclesia. Als dan ook bij de kerk, gelijk behoort, niet eens aan -het instituut maar aan de vergadering der geloovigen gedacht wordt, -is de verdeeldheid in de Roomsche kerk niet zoo veel minder dan in -de Protestantsche kerken. Het verschil is alleen, dat Rome, in de -coelibataire hierarchie hare kracht zoekend, in de kerk alle richtingen -en meeningen stil naast elkaar laat bestaan en aan hare leden, zelfs de -ongeloovigste, de energie, den vrijheids- en den waarheidszin ontneemt, -om met de kerk en hun eigen onware positie te breken. Ten tweede -betaalt Rome die vreugde met den duren prijs van het extra ecclesiam -nulla salus. De leer der Schrift, dat de zaligheid gebonden is aan het -geloof in Christus, werd spoedig tegenover schisma en haeresie zoo -verstaan, dat ieder, die de zaligheid in Christus deelachtig wilde -worden, verbonden moest zijn met den bisschop, Ign. ad Eph. 4. 5. Phil. -3. Trall. 7. Wie behouden willen worden, moeten vluchten in de heilige -kerken Gods, Theoph. ad Autol. II 14. Sola catholica ecclesia est, quae -verum cultum retinet. Hic est fons veritatis, hoc domicilium fidei, hoc -templum Dei; quo si quis non intraverit vel a quo si quis exiverit, a -spe vitae ac salutis aeternae alienus est, Lact., Inst. div. IV 30. -Dikwijls gebruikten de kerkvaders voor de kerk het beeld van de ark, en -inzonderheid Cyprianus bediende zich daarvan, om het extra ecclesiam -nulla salus, boven allen twijfel te verheffen, bijv. de unit. eccl. 6 Ep. -69, 2. 74, 11. Augustinus had geen andere meening: manifestum est, eum -qui non est in membris Christi, christianam salutem habere non posse, -de unit. eccl. 2. Buiten de kerk kan iemand alles meenemen, sed nunquam -nisi in ecclesia catholica salutem potest invenire, Super gestis e. -Emerito. Concilies en pausen hebben deze leer bekrachtigd. Het vierde -Lateraan-concilie verklaarde in c. 1, dat er ééne katholieke kerk der -geloovigen is, buiten welke volstrekt niemand zalig wordt. Trente -zeide, dat het zonder het katholieke geloof onmogelijk is, Gode te -behagen, Sess. 5. Bonifacius VIII sprak uit, dat onderwerping aan den -paus de necessitate salutis was. Eugenius IV leerde, dat niemand buiten -de katholieke kerk het eeuwig leven deelachtig kan worden. En Pius -IX verklaarde in de allocutie van 9 Dec. 1854: tenendum ex fide est, -extra apostolicam Romanam ecclesiam salvum fieri neminem posse. Rome -moet daarom intolerant zijn, zij kan geen kerken naast zich erkennen; -zij is zelve de eenige kerk, de bruid van Christus, de tempel des H. -Geestes. Toch zijn de feiten ook Rome te machtig geworden. Duizenden -en millioenen hebben in den loop der eeuwen de gemeenschap met de -Roomsche kerk verbroken, Novatianen, Donatisten, Grieksche Christenen, -Arianen, Monophysieten, Monotheleten, vele secten in de Middeleeuwen -en dan in de zestiende eeuw meer dan de helft der Christenheid. En al -heeft Rome door de contrareformatie veel teruggewonnen, toch telt het -thans van de 500 millioen Christenen ternauwernood de helft en gaat -in getalsterkte eer achter- dan vooruit. Tegenover deze feiten is het -niet vol te houden, dat er buiten de Roomsche kerk geen zaligheid is. -Het valt Roomschen zelf moeilijk, aan deze leer getrouw te blijven; -velen zijn tot concessiën geneigd. Zij maken onderscheid tusschen hen, -die bewust, opzettelijk, pertinaciter en daarom culpabiliter de kerk -verlaten, en hen, die meegesleept en verleid worden, bona fide buiten -de kerk zijn en voto, desiderio, animo nog tot de kerk, ad animam -ecclesiae behooren. In dienzelfden geest werd door den Roomschen stoel -de stelling van Bajus verworpen; infidelitas pure negativa in his, -quibus Christus non est praedicatus, peccatum est, en sprak Pius IX -in de allocutie van 9 Dec. 1854 uit: pro certo habendum esse, eos qui -verae religionis ignorantia laborant, si ea invincibilis set. nulla -posse hujus rei culpa obstringi. Bellarminus, de eccl. mil. III c. 3. -6. Perrone, Prael. I 331. Klee, Dogm. I 141. Jansen, Prael. I 344. -Schanz, Apol. III 188. Dublanchy, De axiomate: extra ecclesiam nulla -salus, dissertatio theologica. Bar-le-Duc, Contant-Laguerre 1895. - - -10. Voor het Protestantisme had de leer van de kenteekenen der ware -kerk eene geheel andere beteekenis. Door de Hervorming werd de eenheid -der Westersche Christenheid voorgoed verbroken en kwamen verschillende -kerken naast en tegenover elkander te staan. De Hervormers hadden te -betoogen, dat de kerk van Rome de ware niet was, en dat de kerken der -Reformatie aan het wezen der kerk, gelijk de Schrift het omschreef, -beantwoordden. Hun reformatorische daad onderstelde, dat de kerk niet -was αὐτοπιστος, dat zij dwalen en afwijken kon, en dat er een hooger -gezag was waaraan ook zij zich te onderwerpen had. En dat kon niet -anders zijn dan de H. Schrift, het Woord Gods. Eenparig gingen daarom -alle Hervormers tot de Schrift terug, zagen in haar ook den maatstaf -der kerk, en bepaalden dienovereenkomstig de kenmerken, waaraan de -ware kerk van de valsche te onderscheiden was. In de opgave dier -notae was er wel eenig verschil. In zijn geschrift Von den Concilien -und Kirchen telde Luther er zeven op: zuivere bediening van het woord, -van den doop, van het avondmaal, van de sleutelen, wettige keuze van -de dienaren, het openbare gebed en onderwijs, en het kruis; maar elders -noemde hij er maar twee, zuivere bediening van woord en sacrament. En -zoo deden ook Melanchton in de Conf. Aug. art. 8 en in de Loci, en -latere Luthersche theologen, Gerhard, Loc. XXII § 131. Quenstedt, -Theol. IV 503; alleen voegde Melanchton in het Examen ordinandorum -aan deze twee nog een derde vrij hiërarchisch kenmerk toe: obedientia -ministerio debita juxta evangelium. Van de Gereformeerden gaven -sommigen, zooals Beza, Sohnius, Alsted, Amesius, Heidanus, Maresius -één kenteeken op, de zuivere bediening des woords; anderen, zooals -Calvijn, Bullinger, Zanchius, Junius, Gomarus, Mastricht, Marck e. a. -twee, n.l. zuivere bediening van woord en sacrament; velen, zooals -Conf. Gall., Belg, Scot. I, Hyperius, Martyr, Ursinus, Trelcatius, -Walaeus, Amyraldus, Heidegger, Wendelinus, voegden er als derde nog -de rechte bediening der tucht of de heiligheid des levens aan toe. -Maar terecht merkten Alsted, Alting, Maresius, Hottinger, Heidanus, -Turretinus, Mastricht e. a. op, dat dit meer een verschil in naam dan -in de zaak was, en dat er eigenlijk maar één kenteeken is, n.l. het -ééne en zelfde woord, dat dan op verschillende wijze, in prediking, -onderricht, belijdenis, sacrament, leven enz. bediend en beleden wordt, -M. Vitringa IX 1 p. 101-109. Dat de Hervorming in het Woord Gods -terecht het kenteeken der kerk zocht, is met de Schrift in de hand aan -geen twijfel onderhevig. Immers, zonder woord Gods is er geen kerk, -Spr. 29:18, Jes. 8:20, Jer. 8:9, Hos. 4:6; door woord en sacrament -vergadert Christus zijne kerk, Mt. 28:19, die op de leer van apostelen -en profeten gebouwd is, Mt. 16:18, Ef. 2:20; door het woord wederbaart -Hij, 1 Petr. 1:23, Jak. 1:18, werkt Hij het geloof, Rom. 10:14, 1 Cor. -4:15, reinigt en heiligt Hij, Joh. 15:3, Ef. 5:26. En zij, die alzoo -door het woord Gods zijn wedergeboren en vernieuwd, hebben de roeping -om Christus te belijden, Mt. 10:32, Rom. 10:9, hooren zijn stem, Joh. -10:27, bewaren zijn woord, Joh. 8:31, 32, 14:23, beproeven de geesten, -1 Joh. 4:1, vermijden wie deze leer niet brengt, Gal. 1:8, Tit. 3:10, -2 Joh. 9. Het woord is inderdaad de ziel der kerk, Calvijn, Inst. IV -12, 1. Alle dienst in de kerk is een dienst des woords. God geeft zijn -woord aan de kerk, en deze neemt het aan, bewaart, bedient, onderwijst -het, belijdt het voor God, voor elkander, voor de wereld in woord en -in daad. In het ééne kenteeken des woords zijn de andere als nadere -toepassingen begrepen. Waar Gods woord recht gepredikt wordt, daar -wordt ook het sacrament zuiver bediend, de waarheid Gods naar de -meening des Geestes beleden, de handel en wandel naar Gods getuigenis -ingericht. Zelfs Rome kan niet ontkennen, dat Gods woord het kenteeken -der kerk is. Gerhard, Loc. XXII § 138 haalt vele kerkvaders aan, die -klaar en duidelijk dit uitspreken. Zoo zegt Tertullianus: illae sunt -verae ecclesiae, quae tenent quod ab apostolis receperunt, de praescr. -21. Vroeger, zegt Chrysostomus op Mt. 24:15, kon op velerlei wijze -aangetoond worden, welke de kerk van Christus was, maar sedert de -ketterijen zijn ingeslopen, is dit niet anders aan te wijzen dan door de -Schriften; die Schriften toch, verklaart hij, hom. 33 in Act. Ap., zijn -eenvoudig en waar, zoodat het gemakkelijk valt daarnaar te oordeelen, -welke leer de ware is. Herhaaldelijk spreekt Augustinus in dezen geest: -inter nos et Donatistas quaestio est, ubinam sit ecclesia. Quid ergo -facturi sumus? in verbis Donati eam quaesituri an in verbis capitis -sui Domini Jesu Christi? Puto, quod in illius verbis eam quaerere -debeamus, qui veritas est et optime novit corpus suum, novit enim -qui sunt ejus, de unit. eccl. 2. Bellarminus zelf omschrijft de kerk -als coetus hominum ejusdem Christianae fidei professione et eorundem -sacramentorum communione colligatus enz., neemt de sanctitas doctrinae -onder de kenteekenen der kerk op, ib. IV 11, en geeft toe, dat in -sommige gevallen, indien de Schrift als Gods woord aangenomen wordt, de -Schrift bekender is dan de kerk en hare waarheid bewijst, ib. IV 2. Bij -beantwoording der vraag, welke de onderscheidende kenmerken der kerk -zijn, moet ook Rome de Schrift gebruiken als bewijsgrond, indien zij niet -bij een sic volo, sic jubeo, stat pro ratione voluntas wil blijven staan, -cf. anderen nog bij Gerhard ib. § 139. Turretinus, Theol. El. XVIII 12, -16. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 375. - -Toch verwerpt Rome de kenteekenen, welke de Reformatie voor de ware -kerk aangaf. Bellarminus brengt er ten eerste tegen in, dat zuivere -bediening van het woord hoogstens alleen aanwijst, _waar_, maar niet, -_welke_ de ware kerk is, d. i. wie de ware geloovigen zijn, die toch -alleen naar de Protestantsche definitie het wezen der kerk uitmaken, -de eccl. IV 2. Deze bedenking is tot op zekere hoogte juist, maar -feitelijk ook zonder bezwaar. Want het is ons volstrekt niet noodig, om -met onfeilbare zekerheid te weten, wie ware geloovigen zijn; daarvoor -bijv. met J. Müller, Dogm. Abh. 346 f. onfeilbare kenteekenen op te -zoeken, leidt op het dwaalspoor der Donatisten. De zuivere bediening -van het woord is geen kenmerk van het oprechte geloof der individueele -leden maar van de kerk als vergadering der geloovigen. De belofte Gods -n.l., Jes. 55:11, 2 Cor. 2:15, 16 enz. staat er ons borg voor, dat het -woord Gods allerwege, waar het gepredikt wordt, zijne werking zal doen -en niet ledig zal wederkeeren. Gottes Wort kann nicht ohne Gottes Volk -sein, wiederum Gottes Volk kann nicht ohne Gottes Wort sein (Luther). -Daarom noemden de Reformatoren als eerste en voornaamste kenteeken der -kerk niet de belijdenis en het leven der geloovigen, maar de bediening -van woord en sacrament. De geloovigen toch, die het wezen der kerk -uitmaken, worden op tweeërlei wijze openbaar, in de bediening van woord -en sacrament, die onder hen plaats heeft en in belijdenis en wandel, -waardoor zij zich van de wereld en ook van andere kerken onderscheiden, -d. i. in de kerk als instituut en in de kerk als organisme. De aard -der zaak brengt mede, dat het kenteeken, dat aan de bediening van -woord en sacrament, aan de kerk als instituut ontleend wordt, een -onbedriegelijker, vaster, bestendiger, duurzamer karakter draagt, dan -dat, hetwelk in belijdenis en leven der geloovigen gevonden wordt. Aan -het laatste kan veel ontbreken, zonder dat daarom het eerste ophoudt -te bestaan. De Roomsche kerk bewijst dit in zeer sterke mate, maar -het geldt toch ook van de Protestantsche kerken. Van hoeveel belang -een zuivere belijdenis en een heilige wandel der geloovigen ook zij, -hoofdzaak voor een iegelijk blijft de zuivere bediening van woord en -sacrament. Daarom behoort dit als eerste en voornaamste kenteeken der -kerk te gelden. Maar de Gereformeerden legden er toch terecht nadruk -op, dat de kerk als vergadering der geloovigen niet alleen in het -instituut, maar ook in het geloof, in het vlieden der zonden, in het -najagen der gerechtigheid, in de liefde tot God en den naaste, in de -kruisiging des vleesches openbaar wordt. Ned. Gel. 29. De zuivere -bediening des woords sluit ook in de toepassing der kerkelijke tucht. - -Eene andere bedenking van Bellarminus luidt, dat de zuivere bediening -des woords een veel te algemeen en te onduidelijk kenteeken is, dan -dat de ware kerk daarnaar beoordeeld worden kan. Immers laat de -bediening des woords eenerzijds in ware kerken, zooals bijv. te Corinthe -en in Galatië, dikwerf aan zuiverheid nog veel te wenschen over, -en is zij andererzijds in kettersche en sectarische kerken niet ten -eenenmale teloor gegaan. Socinianen en Remonstranten redeneerden op -dezelfde wijze en bestreden de noodzakelijkheid en de profijtelijkheid -van kenmerken, waaraan de ware kerk te onderkennen was, Cat. Rac. qu. -489. Episcopius, Disp. III 28 Op. II 2 p. 459. En hoewel Lutherschen -en Gereformeerden in den eersten tijd zeer kras staande hielden, dat zij -de ware kerk waren, maakte de toenemende onzuiverheid van eigen kerken -en het optreden van andere kerken naast de hunne het hoe langer hoe -moeilijker, om deze bewering in al hare strengheid te handhaven. Ja, -van den beginne aan was de houding, welke de Protestantsche kerken -tegenover de Roomsche kerk aannamen, eene gansch andere dan omgekeerd. -Rome kan secten maar geen kerken naast zich erkennen, Hettinger, Apol. -d. Christ. V⁷118. Doch de Protestanten, schoon de kerkelijke hierarchie -van Rome beslist verwerpende, bleven het christelijke in Rome’s kerk -ten volle erkennen. Hoe bedorven Rome ook zij, er zijn toch nog vestigia -ecclesiae, ruinae dissipatae ecclesiae in, er is nog aliqua ecclesia, -licet semirupta, in het pausdom overgebleven, Calvijn, Inst. IV 2, 11, -cf. Op. ed. Schippers VIII 111. 309. IX Epist. 51. 57. Beza, Tract. -theol. III 145. 192. Bullinger, Huijsboeck 1612 p. 206. 207. Zanchius, -Op. II in de praef. vóór de natura Dei. Polanus, Synt. 535. cf. 496. -Polanus a Polansdorf. Part. Theol. p. 196. Junius, Op. II 1018-1023. -Alsted, Theol. schol. 696. Voetius, Desp. causa papatus 699-703. -Mastricht, Theol. VII 1, 25. Turretinus XVIII 14, 24. 27. De Hervorming -was eene afscheiding ab ecclesia Romana et Papali, maar niet a vera -ecclesia, Turretinus, XVIII 15, 8. Id. de necessaria secessione nostra -ab ecclesia Romana, et impossibili cum ea syncretismo, achter zijne -Disp. de satisf. Christi 1691 en andere anti-Roomsche geschriften bij -Vitringa IX 1 p. 116. Moor VI 58. Voorts waren of werden althans de -Hervormers zich spoedig ervan bewust, dat de zuivere bediening van -woord en sacrament niet als een absoluut kenmerk gelden kon. Calvijn -waarschuwt ten sterkste tegen alle willekeurige afscheiding. Al -ontbreekt er iets aan de zuiverheid der leer of der sacramenten, al -laat de heiligheid des levens en de trouw der dienaren veel te wenschen -over, men mag daarom niet aanstonds de kerk verlaten. Eerst als de -summa necessariae doctrinae, de praecipua religionis doctrina voor de -leugen ingeruild wordt, is scheiding plicht, Inst. IV 2, 12-16. 2, -1. Comm. op Mt. 13:40, 41. 2 Thess. 3:6. Toen later het bederf in de -staatskerken toenam en velen tot scheiding zich gedrongen voelden, -kwamen de meeste leeraars op dezelfde gronden tegen het separatisme -in verzet, Voetius, Pol. Eccl. IV 488. Brakel, Red. Godsd. c. 25. V. -d. Waeyen en Witsius, Ernstige betuiginge der Geref. kercke aan hare -afdwalende kinderen 1670. Koelman, Hist. Verhaal nopende der Labadisten -scheuring en velerleye dwalingen met de wederlegging derzelver, 2 -deelen, Amst. 1683-84, cf. Hoe oordeelt de H. S. en hoe oordeelen de -Geref. vaderen over Scheiding en Doleantie bij J. Campen te Sneek. Allen -zagen zich gedrongen, om met Calvijn te erkennen, dat er in de ware -kerk veel onzuivers in leer en leven voorkomen kan, zonder dat dit -recht tot afscheiding geeft, en dat er in de gescheiden kerken dikwerf -veel goeds wordt gevonden. Zoo onderging het begrip ware en valsche -kerk eene belangrijke wijziging. Aan de eene zijde moest men toegeven, -dat eene ware kerk in absoluten zin hier op aarde onmogelijk is; er is -geen enkele kerk, die volstrekt en in alle deelen, in leer en leven, -in bediening van woord en sacrament aan den eisch Gods beantwoordt. En -aan den anderen kant werd het duidelijk, dat er ook eene valsche kerk in -absoluten zin niet bestaan kan, wijl zij dan geen kerk meer ware; al was -Rome eene valsche kerk, in zoover ze pauselijk was, er waren toch nog -vele overblijfselen der ware kerk in. Er was dus onderscheid tusschen -vera en pura ecclesia, Polanus, Synt. p. 532. Alsted, Theol. schol. -601 sq. Synopsis 40, 37. Maresius XVI 20, Vitringa IX 1. 79. Ware kerk -werd de naam, niet voor ééne kerk met uitsluiting van alle andere, -maar voor velerlei kerken, die de hoofdwaarheden des Christendoms, -de fundamenteele artikelen, cf. deel I 520v. nog vasthielden, doch -overigens in graden van zuiverheid zeer verre van elkander afweken; en -valsche kerk werd de naam van de hierarchische macht van bijgeloof of -ongeloof, welke in de plaatselijke kerken zich opwierp en zichzelve en -hare ordinantiën meer macht en autoriteit toeschreef dan den Woorde -Gods, Ned. Gel. 29. - - -11. Deze ontwikkeling van het kerkbegrip, die in de geschiedenis -zelve valt waar te nemen, heeft hare onmiskenbare schaduwzijde; het -denkbeeld van een eenig, alle geloovigen omvattend kerkinstituut is -er voorgoed door verstoord. Ook is het niet te ontkennen, dat de -eindelooze gedeeldheid van de belijders van Christus aan de wereld eene -oorzaak biedt van vreugde en spot, en haar een reden geeft voor haar -ongeloof aan den Gezondene des Vaders, wijl zij de eenheid der geloovigen -in Christus niet ziet, Joh. 17:21. Wij kunnen ons als Christenen niet -diep genoeg verootmoedigen over de scheuring en tweedracht, die alle -eeuwen door in de kerk van Christus heeft bestaan; zij is eene zonde -tegen God, in strijd met de bede van Christus, en veroorzaakt door de -duisternis van ons verstand en de liefdeloosheid van ons hart, cf. -Gunning, De eenheid der kerk 1896. Hooger dan de kerk 1897. Rekenschap -1898. En het is te begrijpen, dat vele Christenen zich telkens weer -hebben laten verleiden tot de poging, om die vurig begeerde eenheid -der kerk van Christus, hetzij door gewelddadige middelen, vooral door -den sterken arm der overheid, of op kunstmatige wijze, door syncretisme -en fusie, tot stand te brengen of in stand te houden, cf. bijv. J. von -Döllinger, Ueber die Wiedervereinigung der christl. Kirchen, Leipzig -Mohr 1897. Maar ter anderer zijde mogen wij toch ook niet vergeten, -dat de mislukking van al deze pogingen ons iets te leeren heeft. De -historie is evenals de natuur een werk Gods; zij gaat niet buiten zijne -voorzienigheid om; Christus is door zijne opstanding en hemelvaart -verheven tot Koning aan des Vaders rechterhand en zal dat blijven, -totdat al zijne vijanden onder zijne voeten gelegd zijn. Hij regeert, ook -over de verdeeldheden en scheuringen van zijne kerk op aarde. En zijne -bede om hare eenheid is niet voortgevloeid uit onbekendheid met hare -geschiedenis noch ook uit onmacht tot hare regeering; in en door -de verdeeldheid heen wordt zij dagelijks verhoord en hare volkomen -vervulling tegemoet gevoerd. De diepe, geestelijke zin, waarin de -eenheid zijner discipelen door Jezus opgevat wordt, sluit juist alle -gewelddadige of kunstmatige poging tot hare invoering uit. Christus, -die er om bad, kan ook alleen haar tot stand brengen; zijne bede is -waarborg, dat zij in Hem reeds bestaat en te zijner tijd uit Hem ook -in alle geloovigen openbaar worden zal. Daarom hebben wij tot recht -verstand van de gedeeldheid der kerk van Christus, het volgende te -bedenken: 1º Alle scheiding en scheuring, die er thans in de kerk van -Christus bestaat, dagteekent principieel reeds uit den apostolischen -tijd. In weerwil dat de kerken om allerlei redenen toen veel meer -geestelijk één zich gevoelden, dan thans zelfs tusschen kerken van -dezelfde belijdenis het geval is, waren zij in velerlei opzicht -onderscheiden. De apostelen te Jeruzalem en Paulus, de gemeenten -uit de Joden en uit de Heidenen, gingen op vele en zelfs belangrijke -punten uiteen; het kwam tusschen Petrus en Paulus, Gal. 2:11, tusschen -Paulus en Barnabas, Hd. 15:39 tot een ernstig verschil; ketterijen en -scheuringen van allerlei aard kwamen ook toen reeds voor, 1 Cor. 1:10, -11:18, 19 enz.; de gemeente van Corinthe was in partijen verdeeld, zag -het schandelijk leven van een der broederen stilzwijgend aan, en geloofde -voor een deel zelfs niet aan een zoo beteekenisvol feit, als de -lichamelijke opstanding van Christus en de geloovigen; en de gemeenten -van Klein-Azië waren enkele tientallen van jaren, nadat zij door Paulus -gesticht werden, verre gezonken beneden het eerst door haar in leer -en leven ingenomen standpunt. 2º Deze scheidingen en scheuringen in -den apostolischen tijd maken daarom nog niet zoo diepen indruk, wijl -wij het in het N. T. altijd in de eerste plaats te doen hebben met -plaatselijke kerken. Er was nog niet anders dan een geestelijke band, -die alle gemeenten verbond. Maar toen in de kerk van Christus de -hierarchie zich ontwikkelde en deze zichzelve voor het wezen der kerk -hield, toen is het deze valsche, onchristelijke kerkidee geweest, die -alle eeuwen door de scheuringen en ketterijen uitgelokt en vele ware -geloovigen van zich vervreemd heeft. Overal waar en in dezelfde mate -als de hierarchie zich ontwikkeld heeft, in de Roomsche, de Grieksche, -de Anglikaansche kerk, daar zijn telkens weer de secten opgestaan en -hebben, indien zij niet gewelddadig onderdrukt en uitgeroeid werden, de -officieele kerk teruggedrongen en zijn haar menigmaal boven het hoofd -gegroeid. De hierarchische kerkidee, die allereerst op de eenheid der -Christenheid bedacht is, heeft juist alle eeuwen door de verdeeldheid -bevorderd en scheuring veroorzaakt. En het Protestantisme verloochent -zijn beginsel, indien het de eenheid der Christenheid zoekt te handhaven -door eenigen hierarchischen dwang. 3º Juist wijl het woord het kenteeken -der kerk is en er geen onfeilbare uitlegging van dat woord bestaat, -is aan ieder mensch door Christus zelven de vrijheid gegeven, om dat -woord voor zichzelven te verstaan, gelijk hij het inziet. Zedelijk is -hij daarbij natuurlijk wel aan Christus gebonden, en ieder zal voor -zichzelven moeten verantwoorden, hoe hij het woord van Christus verstaan -en beoefend heeft. Maar tegenover zijne medemenschen en medechristenen -staat hij volkomen vrij. Rome vreest deze vrijheid, en werpt aan het -Protestantisme zijn individualisme, subjectivisme en sectarisme voor -den voet. Maar wat de zwakheid van Rome is, wijl het zichzelf door -hierarchische middelen in stand houden moet, dat is de kracht van het -Protestantisme, wijl geen schepsel maar Christus zelf zijne kerk regeert. -Het is volkomen waar, dat, indien het woord kenteeken der kerk is -en allen menschen in handen gegeven wordt, ieder daarmede het recht -ontvangt, om over de kerk te oordeelen en, indien hij het goedvindt, -van haar te scheiden. Maar deze vrijheid is volkomen te eerbiedigen en -door geen staat of kerk te belemmeren. Zelfs het schrikkelijk misbruik, -dat er van gemaakt kan worden en gemaakt is, mag geen oogenblik tot -afschaffing van het gebruik verleiden. 4º De gedeeldheid der kerk van -Christus heeft zonder twijfel in de zonde haar oorzaak; in den hemel is -er geen plaats meer voor. Maar toch is daarmede niet alles gezegd. God -heeft in de eenheid de verscheidenheid lief. Verscheidenheid was er -onder alle schepselen, ook toen er nog geen zonde was. Door de zonde is -zij ontaard en verbasterd, maar in zichzelve is zij goed en ook voor de -kerk van Christus van beteekenis. Verschil van geslacht en leeftijd, van -karakter en aanleg, van verstand en hart, van gaven en goederen, van -plaats en van eeuw komt ook aan de waarheid, die in Christus is, ten -goede. Hij neemt ze alle in zijn dienst en siert er zijn kerk mede. Ja, al -heeft de gedeeldheid der menschen in volken en talen in de zonde haar -aanleiding gehad, zij bevat iets goeds, dat in de gemeente ingedragen en -alzoo voor de eeuwigheid bewaard wordt. Uit vele geslachten en talen en -volken en natiën vergadert Christus zijne kerk op aarde. 5º Indien wij -daarom weer naar het N. T. spraakgebruik onder kerken de plaatselijke -kerken in de gansche Christenheid verstaan, dan zijn er geen ware en -geen valsche kerken in _volstrekten_ zin. Eene kerk is eene vergadering -van ware Christgeloovigen op eene bepaalde plaats. Indien ergens geen -enkel geloovige meer is, noch actu noch potentia, dan is er ook het -woord Gods onbekend, en is er geen kerk meer. En omgekeerd, indien het -woord Gods op een bepaalde plaats nog eenigermate bekend is, zal het -zekerlijk zijn werking doen en is er eene kerk van Christus, hoe onzuiver -en vermengd dan ook. Daarmede wordt geen indifferentisme en syncretisme -bedoeld. Onverschillig is er niets, allerminst in de waarheid, die naar -de godzaligheid is. Het staat niet zoo, dat wij gerust de zoogenaamde -articuli non fundamentales kunnen prijsgeven en loochenen, indien wij de -articuli fundamentales maar aannemen. Terwijl wij echter in betrekking -tot anderen het woord van Jezus in toepassing hebben te brengen: wie -niet tegen mij is, die is voor mij, behooren wij ons voor onszelven te -houden aan dat andere woord: wie niet voor mij is, die is tegen mij. Er -is groot verschil in de zuiverheid van de belijdenissen en de kerken. En -naar de zuiverste hebben wij te staan en te streven. Wie daarom tot de -overtuiging komt, dat de Protestantsche kerk beter is dan de Roomsche, -en de Gereformeerde zuiverder is dan de Luthersche of Remonstrantsche -of Doopsgezinde, heeft, zonder daarmede zijne kerk als eene valsche -te oordeelen, deze te verlaten en bij de andere zich aan te sluiten. -En in de eigen kerk te blijven, in weerwil van veel onzuiverheid in -leer en leven, is zoolang plicht, als zij ons niet verhindert, om naar -de eigen belijdenis getrouw te zijn en zij het ook indirect, ons niet -dwingt, om den menschen meer te gehoorzamen dan Gode. Want eene kerk, -die hare leden daartoe dwingt, zou zich in datzelfde oogenblik aan -de conscientie harer leden, in zooverre als zij dat deed, als eene -valsche openbaren, die zichzelve en haren ordinantiën meer macht en -autoriteit toeschrijft dan den woorde Gods. 6º Met de namen schisma -en haeresie behoort men daarom voorzichtig te zijn. Zonder twijfel zijn -dit beide groote zonden; aan schisma maken zij zich schuldig, die, -ofschoon het fundament der leer intact latende, toch om ondergeschikte -punten van eeredienst of kerkregeering zich van de kerk scheiden; -haeretici zijn zij, die dwalen in de substantie der waarheid; genen -verbreken de gemeenschap der kerk, dezen de gemeenschap der leer. Toch -is het moeilijk, in de practijk de grens aan te wijzen, die wettige en -plichtmatige verbreking van de gemeenschap met eenige kerk of leer van -ongeoorloofde breuke scheidt. Voor Rome is dit wel gemakkelijk, wijl het -maar ééne kerk en ééne belijdenis erkent en over al wat daarbuiten is -het anathema uitspreekt. Maar het Protestantisme kan hoogstens eenige -algemeene regelen aangeven en moet de toepassing daarvan in ieder -concreet geval aan de conscientie der geloovigen overlaten. Het begrip -van haeresie en schisma heeft daardoor eene rekbaarheid verkregen, -welke in het gebruik tot voorzichtigheid maant. Sedert de Reformatie -is de kerk overgegaan in de periode der pluriformiteit; en dit feit -dwingt ons, om de eenheid der kerk veelmeer in den geestelijken band -des geloofs dan in den uitwendigen vorm der regeering te zoeken. Cf. -Gladstone, The place of heresy and schism in the modern Christian -Church, Nineteenth Century Aug. 1894 p. 157-194. Kuyper, Encycl. II -607v. - - -12. In overeenstemming hiermede krijgen ook de zoogenaamde eigenschappen -(attributa, proprietates, adjuncta, affectiones, epitheta, elogia) der -kerk op Protestantsch standpunt een geheel anderen zin dan bij Rome. -Rome heeft een absoluut en exclusief kerkbegrip; het kan de bediening -van woord en sacrament niet erkennen als kenteeken der kerk, wijl deze -ook buiten de Roomsche kerk, zij het in onzuiveren vorm, nog voorkomt; -het kan daarom ook geen onderscheid maken tusschen kenteekenen en -eigenschappen der kerk, want de eigenschappen zijn juist de indicia, die -de eenige ware kerk aanwijzen; en het moet eindelijk die eigenschappen -zoo zinnelijk, tastbaar en uitwendig opvatten, dat zij alleen op de -Roomsche kerk van toepassing zijn en deze als de alleenzaligmakende aan -allen in het oog doen springen. De eerste eigenschap, de _eenheid_ der -kerk, duidt dan ook wel aan, dat de gemeente één Heer, één geloof, -één doop heeft, maar toch komt zij volgens Rome vooral daarin uit, dat -de door Christus gestichte kerk één zichtbaar hoofd in den paus heeft -(unitas hierarchica, regiminis) en nooit eene andere kerk naast zich -(unitas simultanea) of na zich (unitas successiva) hebben kan; eigenlijk -is de paus het ééne, afdoende kenmerk der ware kerk, cf. Cat. Rom. I -10, 10. Schema const. dogm. de eccl. Christi en de daarbij behoorende -adnotationes op het Vaticaansch concilie, Collectio Lacensis VII 569. -586-588. Bellarminus, de eccl. mil. IV 9. 10. Scheeben-Atzberger IV -340. Schanz, Apol. d. Chr. III § 6. Door deze alzoo opgevatte eenheid -der kerk is Rome verplicht, om tegenwoordig over de helft der gansche -Christenheid het anathema uit te spreken. Zelfs de gedachte van Pusey -in zijn Eirenikon en van Palmer, de doctrina christ. I c. 5, dat de -Roomsche, Oostersche en Anglikaansche kerk saam de ééne kerk uitmaken, -kan niet toegelaten worden. Buiten de gemeenschap met den paus is er -geen zaligheid. Maar het Protestantisme denkt bij de eenheid der kerk -allereerst aan de eenheid van het Hoofd der gemeente, Ef. 1:10, 5:22, -aan de gemeenschap aller geloovigen door één en denzelfden Geest, 1 -Cor. 6:17, 12:13, 2 Cor. 12:11, Ef. 4:4 met Christus en met elkander, -Joh. 10:16, 15:1, Rom. 12:5, 1 Cor. 12:12, 13, Ef. 1:22, en dan voorts -aan de eenheid des geloofs, der liefde, der hope, des doops enz. Ef. -4:3-5. Deze eenheid is wel in de eerste plaats geestelijk van aard, -maar zij bestaat toch objectief en reëel en blijft ook niet geheel -onzichtbaar. Zij openbaart zich, zij het ook op zeer onvolkomene wijze, -naar buiten en treedt in datgene, wat alle christelijke kerken met -elkander gemeen hebben, althans eenigermate aan het licht. Er is geen -Christendom boven of beneden, maar er is wel een Christendom in de -geloofsverdeeldheid aanwezig. Omdat ons oog het meest op de verschillen -en scheuringen in de Christenheid gericht is, loopen wij steeds gevaar, -om deze toch waarlijk bestaande eenheid te miskennen. Wat alle ware -Christenen verbindt is altijd nog meer dan wat hen scheidt. Onder de -_heiligheid_ der kerk verstaat Rome in de eerste plaats de liturgische, -ceremonieele heiligheid, daarin bestaande, dat de kerk als instituut -den rechtmatigen offerdienst en het heilzame gebruik der sacramenten -bezit, waardoor God als door krachtige werktuigen der Goddelijke -genade, in de geloovigen de ware heiligheid werkt, en dan ten tweede -de persoonlijke heiligheid, die in de kerk wel niet het deel van allen -of ook van de meesten is of behoeft te zijn, maar toch altijd in enkelen -en dan weer in zeer verschillende graden gevonden wordt, Cat. Rom. I -10, 12. Bellarminus, ib. c. 11-15. Scheeben-Atzberger IV 347. Schanz, -Apol. III c. 10. Jansen, Prael. I 452. Omdat de Reformatie de kerk weer -kennen deed als gemeenschap der heiligen, zocht zij de heiligheid niet -allereerst in het bovennatuurlijk karakter van het heilsinstituut maar -in de geestelijke vernieuwing van de leden der kerk. Heilig is de kerk, -omdat zij eene gemeenschap van heiligen is. Maar daarbij is de Reformatie -toch niet in het euvel van het Donatisme vervallen, en heeft zij veeleer -in de practijk deze eigenschap der kerk al te zeer verwaarloosd. Doch -dat neemt niet weg, dat naar het beginsel der Hervorming de kerk -heilig is, wijl zij is eene gemeenschap van heiligen. En heilig heeten -de geloovigen, allereerst omdat zij objectief in Christus krachtens de -toerekening zijner gerechtigheid door God voor heiligen gerekend worden, -en ten tweede, omdat zij, wedergeboren uit water en Geest en vernieuwd -naar den inwendigen mensch, een lust en begeerte hebben, om niet alleen -naar sommige maar naar alle geboden Gods in oprechtheid te wandelen, -Joh. 17:19, Ef. 5:25-27, Tit. 2:14, 1 Thess. 4:3, Hebr. 12:14, 1 Petr. -2:9. Ook deze eigenschap der kerk is geestelijk doch niet gansch en al -onzichtbaar; al hebben de allerheiligsten, zoolang zij in dit leven -zijn, nog slechts een klein beginsel der volmaakte gehoorzaamheid, zij -wandelen toch naar den Geest en niet naar het vleesch. - -De derde eigenschap is de _katholiciteit_. Bij Rome draagt de kerk dezen -naam ten eerste, omdat zij, hoewel één geheel en eene volkomene eenheid -vormende, toch over de gansche aarde zich uitbreidt, terwijl de secten -altijd tot eenig land, of deel der wereld beperkt blijven. Ten tweede -is zij katholiek, wijl zij, hoewel vroeger in minder volmaakten vorm -bestaande, toch altijd van het begin der wereld af op aarde geweest is -en alle geloovigen van Adams dagen af in zich begrepen heeft, terwijl -de secten altijd komen en gaan. En ten derde heet zij zoo, omdat zij -alle door God tot mededeeling aan de menschen bestemde waarheid en -genade volkomen deelachtig is, bewaart en uitreikt, en daarom voor -alle menschen het eenige en noodzakelijke instituut ter zaligheid is, -terwijl de secten altijd maar een gedeelte der waarheid bezitten. Wijl de -katholiciteit bij Rome een duidelijk zichtbaar kenmerk der kerk moet zijn, -is zij vooral in dien zin te verstaan, dat de kerk onder alle volken, -waar zij bestaat, eene in het oog vallende menigte van leden telt. In -den eersten tijd was dit nog wel niet het geval, maar spoedig kwam de -kerk toch tot groote uitbreiding. En nu is het eisch der katholiciteit, -dat het ledental der ware kerk wel niet grooter zij dan dat van alle -buiten haar levende menschen, maar toch grooter dan het ledental -van iedere secte afzonderlijk en waarschijnlijk ook van alle secten -saam. Cf. Cat. Rom. I 10, 13. Bellarminus, de notis eccl. c. 4. 7. -Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 351. Schanz, Apol. d. Chr. III § 7. Söder, -Der Begriff der Katholicität der Kirche und des Glaubens nach seiner -gesch. Entw. Würzburg 1881. In uitwendigen glans en heerlijkheid, in -ruimtelijke uitbreiding en in getalsterkte der leden zoekt de Roomsche -Christen dus een wezenlijk kenmerk van de ware kerk. Kerkvaders, zooals -Tertullianus, Origenes, Augustinus, zijn al begonnen, om de verbreiding -van het Christendom onder de volken te overdrijven. En nog altijd wordt -hun voorbeeld door vele Roomschen, bijv. in de zendingsstatistiek, -nagevolgd. Toch kon men tegenwoordig niet als vroeger het oog sluiten -voor het feit, dat er nog bijna een duizend millioen niet-Christenen -zijn en nauwelijks een vijfhonderd millioen Christenen, dat deze laatsten -wederom verdeeld zijn in ongeveer 112 millioen Grieksche, 225 millioen -Roomsche en 160 millioen Protestantsche Christenen, en dat de Roomsche -Christenen in deze eeuw schier overal geregeld in getalsterkte -achteruitgaan en door de Protestantsche Christenen op zij gestreefd -worden. Naar dit kenmerk der katholiciteit, dat de Roomsche kerk -zelve aangeeft, staat het met hare waarheid hoe langer hoe treuriger -geschapen. De naam katholiek komt der Roomsche kerk steeds minder -toe. Roomsch en katholiek zijn ook met elkander in tegenspraak; gelijk -onder het O. T. de bedeeling der genade Jeruzalem tot middelpunt had -en alle geloovigen aan die plaats verbond, zoo maakt de Roomsche kerk -in de dagen des N. T. het geloof en de zaligheid der menschen van eene -bepaalde plaats en van een bepaald persoon afhankelijk en doet daarmede -aan de katholiciteit van het Christendom tekort. De naam van Roomsche -of Pauselijke kerk drukt daarom haar wezen veel beter uit dan die van -katholiek. Eene katholieke kerk wordt in het apostolisch symbool en -soms ook in hunne eigene confessies door alle Protestanten geloofd en -beleden, Ned. Gel. 27. Apol. Conf. Aug. art. 7. 8. Men verstond er -gewoonlijk onder de ecclesia universalis, welke alle ware geloovigen -omvatte en in de verschillende kerken meer of minder zuiver tot -openbaring kwam, of ook de kerk des N. T., die in onderscheiding van -die des O. T., voor alle volken en plaatsen der aarde bestemd was. Het -woord katholiek komt in de Schrift niet voor. Maar de teksten, waarop -de kerkvaders zich voor de katholiciteit der kerk beroepen, zooals -Gen. 12:3, Ps. 2:8, Jes. 2:2, Jer. 3:17, Mal. 1:11, Mt. 8:11, 28:19, -Joh. 10:16, Rom. 1:8, 10:18, Ef. 2:14, Col. 1:6, Op. 7:9 enz. bewijzen, -dat hare beteekenis vooral hierin gelegen is dat het Christendom -wereldgodsdienst is, voor alle volk en eeuw, voor iederen stand en -rang, voor elke plaats en tijd bestemd en geschikt. Het meest katholiek -is die kerk, welke dit internationaal en kosmopolitisch karakter van -de christelijke religie het klaarst in hare belijdenis uitgedrukt en in -de practijk toegepast heeft. De Gereformeerden hebben er een oog voor -gehad, als zij in de verschillende landen en kerken de waarheid op -eigene, vrije, zelfstandige wijze beleden en op de Synode te Dordrecht -afgevaardigden uitnoodigden van de gansche Gereformeerde Christenheid, -cf. mijne rede over de Katholiciteit van Christ. en Kerk, Kampen 1888. -De vierde eigenschap der kerk is hare _apostoliciteit_. Volgens -Rome komt deze haar toe, omdat zij door de apostelen is gesticht, in -leer, inrichting en dienst met die der apostelen overeenstemt, maar -vooral omdat hare ambtsdragers in onafgebroken lijn opvolgers van de -apostelen zijn en hun macht en gezag ontvangen hebben van zulken, -die ze zelven op hun beurt in wettige successie van de apostelen -hadden ontvangen. De eerste beteekenis is daarbij geheel aan de tweede -ondergeschikt. Het woord der apostelen, d. i. de H. Schrift, maakt -niet uit, welke kerk apostolisch is, d. i. met de leer der apostelen -overeenstemt; maar omgekeerd beslist de in onafgebroken successie -van de apostelen afstammende kerk, wat apostolisch, wat de leer der -apostelen is. Ja zelfs wordt na de afkondiging van het dogma der -onfeilbaarheid de apostolische successie der ambtsdragers geheel en al -door hunne gemeenschap met den paus bepaald. Al is een bisschop ook -de apostolische successie deelachtig, deze wordt toch terstond ijdel, -als hij de gemeenschap met den paus verbreekt. Omgekeerd kann der Papst -vermöge seiner kirchlichen Vollgewalt jeden Mangel heben, der etwa -der formalen Apostolicität irgend eines Kirchenvorstehers anhaftet. -So ist die Einheit mit den Papste nothwendig, damit ein Vorsteher -rechtmässiger Nachfolger der Apostel werden oder sein kann, es ist aber -jene Einheit auch sofort hinreichend, um die wahre Apostolicität des -letztern zu erkennen, Scheeben-Atzberger IV 1 S. 356. De paus maakt -alles goed. Waar de paus is, daar is de ware kerk, de zuivere leer, -de apostolische successie. Nu is zulk eene apostolische successie met -geen woord in de Schrift te vinden en op zichzelf evenmin waarborg voor -de zuiverheid der leer als de erfelijke hoogepriesterlijke waardigheid -bij Kajafas een bewijs was voor het recht zijner uitspraken en daden. En -daarom zeiden de Protestanten terecht, dat niet de successio locorum et -personarum maar de successio doctrinae een kenmerkende eigenschap der -ware kerk was. Indien deze laatste ontbrak, kon de eerste geen kerk tot -eene ware kerk maken; en indien zij aanwezig was, was de eerste van zeer -ondergeschikte beteekenis. - -Bij de eigenschappen der kerk behooren ten slotte ook nog de -indefectibilitas en de infallibilitas. Jezus heeft aan zijne kerk -beloofd, dat de poorten der hel niets tegen haar zouden vermogen en dat -Hij ze bewaren zou tot aan het einde der wereld, Mt. 16:18, 28:20, Ef. -4:11-13, 1 Tim. 3:15. De Roomschen leiden hieruit af, dat hun kerk, de -pauselijke, blijven zal tot het einde der wereld toe, en dat niet alleen, -maar ook dat die pauselijke kerk altijd de katholieke zal blijven, welke -door de talrijkheid harer leden en door haar uitwendigen glans voor -ieder zichtbaar en kenbaar zal zijn, Bellarminus, de eccl. milit. c. 11. -13. 16. De notis eccl. c. 5. 6. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 359. -Maar voor deze bewering ontbreekt genoegzame grond. Niet alleen is de -kerk in verschillende tijden, b. v. van Noach, Abraham, Elia, Christus -enz. tot enkele personen beperkt geweest, maar telkens zijn ook bepaalde -kerken in bepaalde landen, bijv. in Klein-Azië te gronde gegaan. Ja, -het N. T. zegt duidelijk, dat in het laatste der dagen het bederf -toenemen en de kerk aan allerlei verleiding en vervolging blootstaan -zal, Mt. 24:21, 22, Luk. 18:8, 2 Tim. 3:1. Jezus’ belofte waarborgt dus -wel, dat er altijd eene vergadering van geloovigen op aarde zal zijn, -hetgeen Socinianen en Remonstranten ten onrechte ontkennen, Moor IV -122, maar zij houdt in het minst niet in, dat eene bepaalde kerk in een -bepaald land steeds blijven en door hare grootte en heerlijkheid voor -een ieder kenbaar zal zijn. En evenzoo is het met de onfeilbaarheid -der kerk. De Roomsche kerk heeft lang geaarzeld, om een antwoord te -geven op de vraag, bij wie ten slotte de onfeilbaarheid berust en heeft -haar eindelijk op het Vaticaansche concilie ten gunste van den paus -beslist. De paus waarborgt, dat de ecclesia docens niet kan dwalen in -docendo. Maar de H. Schrift verbindt de onfeilbaarheid nergens aan een -bepaald persoon of aan eene bepaalde, plaatselijke kerk. Er is wel eene -onfeilbaarheid der kerk, die ook de Protestanten gaarne erkennen, maar -deze onfeilbaarheid komt der kerk als vergadering van ware geloovigen -toe en bestaat daarin, dat Christus als Koning zijner kerk ervoor zorgen -zal, dat er steeds op aarde eene vergadering van geloovigen zal zijn, -hoe klein en onaanzienlijk dan ook, die zijn naam belijden zal. Cf. over -de eigenschappen der kerk van Prot. zijde: Martyr, Loci Comm. p. 226. -Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 5 sq. Heidegger, Corp. Theol. XXVI 16 -sq. Maresius, Exeg. conf. Belg. art. 27. Witsius, Exerc. in Symb. 24. -Vitringa IX 1 p. 81. Mastricht, Theol. VII 1, 9. Quenstedt, Theol. IV -482. 497. Thomasius, Christi Person u. Werk II 543. Philippi, Kirchl. -Gl. V 3 S. 16 f. Hase, Handb. d. prot. Polemik I c. 1. Van Oosterzee, -Dogm. § 130. - - -§ 48. DE REGEERING DER KERK. - -1. Bij de kerk als vergadering der geloovigen is eene regeering -onmisbaar. Gelijk bij den tempel een bouwmeester, bij den akker een -zaaier, bij den wijnberg een landman, bij het net een visscher, bij de -kudde een herder, bij het lichaam een hoofd, bij het gezin een vader, -bij het rijk een koning behoort, zoo is ook de kerk niet zonder een -gezag te denken, dat haar draagt en leidt, verzorgt en beschermt. In -nog specialer zin dan op politiek terrein berust dit gezag bij God, -die niet alleen de Schepper aller dingen maar ook de Zaligmaker der -gemeente is; de gemeente is als volk Gods, zoowel onder het Nieuwe -als onder het Oude Verbond eene theocratie, de Heere is haar rechter, -wetgever en koning, Jes. 33:22. Maar gelijk God op burgerlijk terrein de -souvereiniteit op de overheid heeft overgedragen, zoo heeft Hij in de -kerk Christus tot koning aangesteld. Van eeuwigheid reeds tot middelaar -aangewezen, heeft deze zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt -uitgeoefend van het paradijs af aan, zette het voort in de dagen des -O. Test. en tijdens zijne omwandeling op aarde en voleindigt het thans -in den hemel, waar Hij gezeten is aan des Vaders rechterhand, deel -III 408-424. En deze werkzaamheid van Christus onderstelt niet de -gemeente, tenzij dan als gedacht en gewild in Gods eeuwigen raad, maar -gaat aan haar vooraf en heeft haar tot product; de gemeente wordt als -een tempel op Christus als de rots gebouwd, als een lichaam uit Hem als -het hoofd geboren; de koning is hier eer dan zijn volk. Maar ook nog -in een anderen zin is de kerk niet zonder regeering denkbaar. Wel is -waar had Christus zijn ambt kunnen uitoefenen zonder eenigen dienst van -menschen; indien het Hem behaagde, kon Hij zijne geestelijke en hemelsche -zegeningen uitdeelen zonder hulp van instellingen en personen. Maar -dit heeft Hem alzoo niet goedgedacht. Het is zijn welbehagen geweest, -om, zonder zijne souvereiniteit ook maar eenigszins op menschen over te -dragen, toch bij hare uitoefening van hun dienst gebruik te maken en -door hen het evangelie te prediken aan alle creaturen. En ook in dezen -zin is de kerk nooit zonder regeering geweest; zij was altijd op eene of -andere wijze georganiseerd en institutair ingericht. Dat was necessitate -hypothetica noodig, wijl de gemeente hier op aarde eene _wordende_ -gemeente is. In den hemel valt alle ambt en alle genademiddel weg, -omdat het Godsrijk voltooid en God alles in allen is. Maar op aarde is -dit anders; de kerk als vergadering der geloovigen wordt zelve door -Christus als een instrument gebruikt, om anderen tot zijne gemeente toe -te brengen; door haar bedient Christus zijn middelaarsambt in het midden -der wereld. Zoo treedt de kerk van den aanvang af in tweeërlei gedaante -op; zij is eene vergadering van het volk Gods in passieven en actieven -zin, is tegelijk een coetus en een mater fidelium, of naar eene andere -benaming op hetzelfde oogenblik organisme en instituut. Gelijk boven -bl. 36 reeds gezegd is, is deze onderscheiding eene gansch andere dan -die tusschen onzichtbare en zichtbare kerk. Het is eene distinctie in -de zichtbare kerk en zegt, dat de kerk als vergadering der geloovigen -op tweeërlei wijze voor ons openbaar wordt, in ambten en genademiddelen -als instituut, en in gemeenschap des geloofs en des levens als -organisme. Bij deze onderscheiding wordt steeds de vraag opgeworpen -naar de prioriteit. Sommigen stellen het zoo voor, dat het instituut -der kerk met ambt en bediening altijd aan de kerk als vergadering van -geloovigen voorafgaat en leggen dus op het mater fidelium den nadruk. -Anderen oordeelen, dat de kerk als vergadering der geloovigen de -eerste plaats inneemt en dan zelve naar den drang der omstandigheden -zich op de eene of andere wijze institutair inricht. Zelfs wordt daarin -dan het principieele verschil tusschen Protestantisme en Romanisme -gezocht. De onderscheiding van de kerk als instituut en organisme met -die in zichtbare en onzichtbare kerk verwarrend, zegt Schleiermacher, -dat het Protestantisme das Verhältniss des Einzelnen zur Kirche -abhängig macht von seinem Verhältniss zu Christo, terwijl het Romanisme -omgekeerd das Verhältniss des Einzelnen zu Christo abhängig macht von -seinem Verhältniss zur Kirche, Chr. Gl. § 24. En volgens Möhler gaat -bij Rome de zichtbare kerk aan de onzichtbare, doch bij de Lutherschen -deze aan gene vooraf, Symbolik § 48. Maar heel deze voorstelling is -verre van volledig en juist te achten. Want 1º is van Tertullianus’ -dagen af aan, de orat. 2. de monog. 7. adv. Marc. V 4 de kerk door -alle Christenen niet alleen een coetus maar ook een mater fidelium -genoemd. De Protestanten zijn daarin met de Roomschen eenstemmig, en -Calvijn legt er zelfs zeer sterken nadruk op, Inst. IV 1, 4. En dat was -de kerk volgens hunne overtuiging, niet omdat zij vrij en zelfstandig -zich tot instituut organiseerde en zichzelve eene eigene regeering gaf, -maar omdat Christus haar alzoo ingericht had. Het instituut der kerk -is volstrekt niet, althans niet volgens de Gereformeerde belijdenis, -een product der gemeente, maar eene instelling van Christus. En dat -deze overtuiging op goede, schriftuurlijke gronden steunt, zal in het -vervolg duidelijk blijken. 2º De kerk als vergadering der geloovigen -komt niet, gelijk Schleiermacher, Chr. Gl. § 115 zegt, durch das -Zusammentreten der einzelnen Wiedergeborenen tot stand. Want de vraag -blijft hierbij onbeantwoord, vanwaar die wedergeborenen zijn. Dezen -komen er toch niet, doordat de H. Geest atomistisch en unvermittelt -(niet: unmittelbar) menschen wederbaart en ze dan samenvoegt. Maar de -H. Geest is in al zijne werkingen, ook in die der wedergeboorte, aan -Christus gebonden, uit wien Hij alles neemt. En Christus is op aarde -slechts daar, waar zijn woord is. Gods woord en Gods volk hooren bijeen. -Wel is waar worden kinderkens menigmaal wedergeboren, zonder dat zij -persoonlijk de prediking des woords hebben kunnen hooren. Maar dit zijn -dan kinderkens, die in het verbond der genade zijn geboren, die in de -gemeenschap der kerk leven en die inwendige roeping ontvangen, welke -van Christus uitgaat door den H. Geest. 3º Het verschil tusschen -Rome en de Hervorming op dit punt bestaat niet in de prioriteit van -zichtbare of onzichtbare kerk, van instituut of organisme, van de -gemeenschap met de kerk of de gemeenschap met Christus; althans bestaat -het daarin niet zonder scherpere bepaling; maar het is hierin gelegen, -dat Rome de zaligheid bindt aan priester en sacrament en de Hervorming -aan de prediking des woords. Volgens Rome wordt de gratia infusa alleen -medegedeeld door den doop en is deze dus absoluut noodzakelijk. Volgens -de Hervorming is het woord het eerste en voornaamste genademiddel -en geloof dus ter zaligheid genoegzaam. En dat woord werkt als -genademiddel volstrekt niet alleen, als het ambtelijk bediend wordt in -de vergadering der geloovigen, maar ook, wanneer het in huisgezin en -school, door opvoeding en onderwijs tot ons gebracht wordt. Gods volk -is, waar Gods woord is, maar dat volk en dat woord kan er wel zijn en is -er ook menigmaal, waar geen priester en geen paus, geen pastor en geen -presbyter is. 4º Ook volgens de Hervorming komt de kerk als vergadering -der geloovigen niet unvermittelt tot stand, uit eene van het woord -losgemaakte werking des Geestes. Tusschen Christus en den individueelen -mensch staat zeker niet, gelijk bij Rome, de priester en het sacrament, -de ecclesia docens, in maar toch wel het woord van Christus, want de -gemeenschap met Christus is volgens het getuigenis der Schrift gebonden -aan de gemeenschap met het woord der apostelen, Joh. 17:3, 1 Joh. 1:3. -Gelijk het in het natuurlijke is, is het ook in het geestelijke. Ieder -mensch is een product der gemeenschap en de individueele geloovige -wordt uit den schoot der gemeente geboren. De ecclesia universalis gaat -aan de ecclesia particularis en aan de afzonderlijke fideles vooraf, -gelijk in elk organisme het geheel voor de deelen gaat. Eene moeder -is daarom inderdaad de kerk van Christus, maar zij is dit volstrekt -niet alleen als instituut doch ook als organisme. De geloovigen saam -zijn tegelijk producent en product; in visibili ecclesia invisibilis -colligitur et formatur; invisibilis in visibili haeret ac continetur, -Synopsis pur. theol. 40, 34; door de kerk vergadert Christus zijne -kerk. 5º Door dit standpunt in te nemen, vermeed de Reformatie zoowel -de hierarchie der Roomschen als het enthousiasme der Wederdoopers, -en deed de waarheid, die in beide aanwezig is, tot haar recht komen. -Eenerzijds geen binding van de werking des H. Geestes aan priester en -sacrament en anderzijds geen werking des H. Geestes buiten Christus en -zijn woord om! De kerk als vergadering wordt in beide, instituut en -organisme, openbaar; zij heeft tot kenteeken de zuivere bediening des -woords en de belijdenis en den wandel der geloovigen; zij is institutair -en charismatisch ingericht. Het ambt onderdrukt de gaven niet maar -organiseert ze en houdt ze in het rechte spoor, en de gaven zetten het -ambt niet ter zijde maar maken het krachtig en vruchtbaar. Irvingianisme -en Darbysme bevatten beide eene waarheid, die erkend dient te worden. -Ambten en gaven zijn samen door Christus aan zijne gemeente geschonken -tot volmaking der heiligen en tot opbouw zijns lichaams, Rom. 12:5-8, -1 Cor. 12:25, 28, Ef. 4:11, 12. Daarom getuigt 6º de vraag naar de -prioriteit van het instituut of het organisme der kerk zelve reeds van -eenzijdigheid. Beide zijn met elkander gegeven en werken voortdurend op -elkander in. In den staat zijn volk en overheid steeds ten nauwste met -elkander verbonden; men kan wel onderzoek doen naar het ontstaan bij -eenig volk van een of anderen regeeringsvorm; men kan wel aantoonen, -dat de politieke overheid eerst om der zonde wil is ingesteld, maar -overal, waar menschen zijn, is er ook zekere vorm van regeering; Adam -werd terstond als hoofd der menschheid geschapen. En zoo ook is de -regeeringsvorm der kerk lang niet altijd dezelfde geweest, maar eene -regeering heeft haar nimmer ontbroken, noch in het onzichtbare, waarin -Christus haar hoofd is, noch ook in het zichtbare, waarin zij altijd eene -zekere organisatie deelachtig was. - - -2. De H. Schrift stelt dit in helder licht. Als Adam gevallen is en -zich voor des Heeren aangezicht verbergt, is het God zelf, die den -mensch opzoekt en roept, de belofte des evangelies hem predikt en -daardoor zijne gemeente sticht. Met Noach richt hij zijn verbond op, -deelt er een schat van zegeningen in mede en bezegelt het met den -boog in de wolken. Abram roept Hij uit Ur der Chaldeën, maakt hem -tot zijn bondgenoot en geeft hem het teeken der besnijdenis. In den -patriarchalen tijd waren de huisgezinnen de gemeenten der geloovigen; -de huisvaders waren de priesters, die de beloften meedeelden aan -hunne kinderen en Gode offeranden brachten van aanbidding en dank. -Het volk van Israel ontving bij den Sinai niet alleen eene burgerlijke -maar ook eene godsdienstige organisatie en werd in priesterschap en -offerande, in tabernakel en altaar, in allerlei wetten en instellingen -als het volk Gods openbaar. Als bij den aanvang des N. Test. Johannes -de Dooper optreedt, predikt hij den doop der bekeering tot vergeving -der zonden, en zondert daardoor het volk Gods van het zondig Israel -af. Jezus neemt deze prediking en dezen doop van Johannes over, voegt -er later het avondmaal aan toe, vergadert eene ἐκκλησια rondom zich, -regeert haar zelf rechtstreeks, zoolang Hij op aarde is, en stelt een -twaalftal apostelen aan, die straks als zijne getuigen zullen optreden. -De instelling van het apostolaat is vooral een krachtig bewijs voor het -institutair karakter, dat Christus aan zijne kerk op aarde gaf. Christus -is zelf de ἀποστολος, Hebr. 3:1, en zet deze ἀποστολη in de twaalven -voort, Joh. 20:21. Dit twaalftal vormde zich niet allengs vanzelf, -maar werd uitdrukkelijk door Jezus zelven geroepen en aangesteld. Er -is bij hen, ofschoon Jezus van den aanvang wist, wie Hij tot apostelen -verkiezen zou en daarom reeds terstond tot hen kon zeggen, dat hij hen -tot ἁλεεις ἀνθρωπων, Mk. 1:17 zou maken, toch een duidelijk onderscheid -te maken tusschen hunne eerste roeping tot het discipelschap, en hunne -tweede roeping tot het apostelschap, Mt. 4:18-22 en 10:1, Mk. 1:16 en -3:14, Luk. 6:1 en 13-16. Door velen, zooals Schleiermacher, Volkmar, -Harnack, Seufert, Holtzmann enz. wordt deze speciale roeping tot -het apostelambt door Jezus wel ontkend. Maar de feiten zijn met deze -bewering in strijd. Het twaalftal apostelen stond toch reeds lang vóór -het optreden van Paulus in de christelijke gemeenten vast, Mt. 26:33, -28:18, Luk. 24:47, Joh. 20:19, 21, 1 Cor. 15:5, 7, Op. 21:14. Ook de -naam van apostel, שָׁלוּחַ, is hun door Jezus gegeven, Luk. 6:13, -cf. 11:49, Mt. 23:34, 10:2, Mk. 6:30, Luk. 9:10, 17:5, 22:14, 24:10, -omdat zij door Hem werden uitgezonden om te prediken, Mk. 3:14. Jezus -was zelf de gezondene van den Vader, Joh. 3:34, Hebr. 3:1 en had tot -uitvoering van zijn werk getuigen van noode, die het in Hem verschenen -evangelie bekend maakten onder heel het volk van Israel, Mt. 10:6. Deze -naamgeving door Jezus wordt daardoor bevestigd, dat het woord apostel -van den beginne aan, een ambtsnaam is geweest, zoozeer zelfs, dat -het woord ψευδαποστολος gevormd kon worden, 2 Cor. 11:13. Het woord -שָׁלוּחַ komt trouwens in LXX slechts eenmaal, 1 Kon. 14:6, en het -woord ἀποστολος, in het profaan grieksch zelden voor. Toch schijnen deze -feiten der Schrift over het apostolaat door andere gegevens weersproken -te worden. Ten eerste is het onzeker, wie tot dit twaalftal apostelen -gerekend moeten worden. Ook al wordt het verschil tusschen de vier -apostellijsten, Mt. 10:2, Mk. 3:16, Luk. 6:14, Hd. 1:13 in dien zin -opgelost, dat Lebbeus Thaddeus en Judas Jacobi vereenzelvigd worden, -dan blijft toch nog over, dat Judas uitviel en door Matthias vervangen, -Hd. 1:15-26, en later Paulus nog aan het twaalftal toegevoegd werd. De -verhouding van Paulus tot de twaalven is daarbij verre van duidelijk. Wel -maakt Paulus meermalen dit onderscheid, dat de apostelen te Jeruzalem -onder Israel en hijzelf onder de Heidenen het evangelie verkondigen -zou, Hd. 9:15, 13:47, 22:21, Rom. 11:13, Gal. 1:16, 2:7-9, Ef. 3:8, -1 Tim. 2:7, 2 Tim. 1:11. Maar dit onderscheid is toch zeer relatief; -want Paulus wendde zich bij zijne evangelieverkondiging altijd eerst -tot de Joden, Hd. 13:5, 14, 46 enz. en de twaalf apostelen ontvingen -van Christus na zijne opstanding den uitdrukkelijken last, om aan alle -volken het evangelie te prediken, Mt. 28:19, Hd. 10:42, en hebben aan -dien last ook in meerdere of mindere mate voldaan. Niet alleen de -gemeente uit de Joden, maar geheel de Nieuwtestamentische gemeente -rust op het fundament van apostelen en profeten, Ef. 2:20, Op. 21:14 -en heeft door hun woord gemeenschap aan Christus, Joh. 17:20, 1 Joh. -1:3. Het apostolaat van Paulus draagt echter een van dat der twaalven -zeer onderscheiden karakter. Wel handhaaft Paulus met alle macht den -Goddelijken oorsprong, de zelfstandigheid en de waarachtigheid van zijn -apostolisch ambt tegenover alle bestrijders, Gal. 1-2, 1 Cor. 1:10-4:21, -2 Cor. 10:13. Maar desniettemin, hij heeft met Jezus niet verkeerd -tijdens zijne omwandeling op aarde, hij heeft de gemeente Gods vervolgd, -hij is geroepen door den verhoogden Christus op eene buitengewone -wijze en een ongewonen tijd, hij is geweest de voornaamste der zondaren -en de minste der apostelen, 1 Cor. 15:9, Ef. 3:8, 1 Tim. 1:15. Zijn -apostolaat, hoe zelfstandig en uitnemend ook, is een middel geweest, -om het apostolaat der twaalven tot grondslag van heel de gemeente te -leggen. Paulus heeft door zijn apostolaat het apostolaat der twaalven -niet beperkt of ondermijnd maar het integendeel bevestigd en uitgebreid. -Hij heeft in de heidenwereld voor het apostolaat der twaalven den -weg gebaand, heeft het eenerzijds ontdaan van al het Joodsche, dat -de dragers ervan nog bleef aankleven en andererzijds de Heidenen als -wilde takken ingeënt op den tammen olijfboom van Israel, Rom. 11:24. -Op Christus als hoeksteen en de apostelen als fundament heeft Paulus -de ééne gemeente, het ééne volk Gods, het geestelijk Israel gebouwd. -Daarmede is in beginsel ook reeds eene tweede bedenking opgelost, -welke tegen de aanstelling en naamgeving van de twaalf apostelen door -Jezus ingebracht wordt. Het is n.l. een feit, dat het woord apostel, -waarschijnlijk reeds in Jeruzalem, H. 14:4, 14, 2 Cor. 11:13, Op. 2:2, -maar dan vooral door Paulus in ruimer zin is gebezigd en ook op anderen -dan het twaalftal toegepast is. Paulus moest dat daarom wel doen, wijl -hij zichzelf een geroepen dienaar van Jezus Christus wist, in ambt en -eere aan de andere apostelen gelijk. Hij was apostel in een anderen zin -dan de apostelen in Jeruzalem, op eene andere wijze en in een lateren -tijd geroepen en met eene speciale taak belast. Maar één ding had hij -met de apostelen in Jeruzalem gemeen; hij was een geroepen apostel van -Jezus Christus, die zijne roeping, zijn evangelie, zelfs bepaaldelijk ook -den eigenaardigen inhoud van zijn evangelie, n.l. dat de Heidenen zijn -mede-erfgenamen, aan eene bijzondere openbaring van Christus en niet -aan menschen te danken had, 1 Cor. 9:1, 15:8, Gal. 1:1, 12, 15, 2:2, -Ef. 3:3. Maar voor zijn zendingsarbeid had hij hulp noodig. Behalve de -apostelen had Jezus ook reeds andere zeventig uitgezonden, om in de -steden en vlekken, waar Hij komen zou, zijne komst voor te bereiden, -Luk. 10. Toen de gemeente in Jeruzalem door de vervolging verstrooid -werd, ging Philippus, een van de in Hd. 6 verkozen zeven mannen, het -evangelie prediken onder de Samaritanen, Hd. 8:5, aan den eunuch der -koningin Candace, 8:26, cf. 11:20, en verder tot Cesarea toe, 8:40, -21:8. En zoo bediende zich Paulus bij zijn zendingsarbeid van mannen -als Barnabas, Markus, Lukas, Silas, Tychicus, Aristarchus, Epaphras, -Apollos, Timotheus, Titus e. a., die als zijne συνεργοι, 1 Thess. 3:2 -hem ter zijde stonden. Deze hulpzendelingen der apostelen werden nu -door Paulus soms ook apostelen genoemd, omdat zij wel niet rechtstreeks -door Jezus Christus, maar toch onder leiding des H. Geestes door -de gemeente gezonden waren, om op andere plaatsen het evangelie te -verkondigen, Hd. 13:2, 3, cf. 2 Cor. 8:23, ἀποστολοι ἐκκλησιων. Het -woord apostel kreeg naast den engeren dus ook een ruimeren zin, Hd. -14:4, 14, Rom. 16:7, 1 Cor. 4:6, 9, 9:5, 15:7, 2 Cor. 11:5, 13, 12:11, -Gal. 1:19, 1 Thess. 2:6, Op. 2:2 en leefde zoo ook nog later in den -na-apostolischen tijd, bijv. in de Didache c. 11 voort. Elders dragen -deze apostolische helpers den naam van evangelisten, Hd. 21:8, Ef. -4:11, 2 Tim. 4:5, omdat zij, gelijk Christus door den Vader, Luk. 4:18, -en de apostelen door Christus, Luk. 9:1, 6, zoo op hun beurt onder -de leiding des Geestes door de gemeente werden afgezonderd voor de -verkondiging van het evangelie, Hd. 8:5, 12, 40, 11:19, 20, 22, 13:2, -2 Cor. 8:18, 19, 23, Phil. 2:25, 1 Tim. 4:14. Zij komen dus in drie -opzichten met de apostelen in enger zin overeen, 1º daarin, dat zij ook -dienaren Gods of van Christus zijn, 1 Thess. 3:2, 1 Tim. 4:6, 6:11, 2 -Tim. 2:24 en niet maar een charisma hebben ontvangen, 1 Tim. 4:14, 2 -Tim. 1:6, doch werkelijk krachtens eene bijzondere roeping en aanstelling -een ambt dragen, onder een bepaalden naam, Hd. 21:8, met een eigen rang -en plaats, Ef. 4:11, en met een speciale taak, 2 Tim. 4:5; 2º dat hun -ambt niet tot eene plaatselijke kerk beperkt is, maar zich uitstrekt tot -alle kerken, tot de ecclesia universalis, Hd. 13:4v., zoodat zij naar -de oud-kerkelijke verklaring πανταχου περιιοντες ἐκηρυττον en macht en -gezag hadden over alle kerken, Tit. 1:5, en 3º dat zij deelnemen aan -den grondleggenden en gemeentestichtenden arbeid der apostelen; zij zijn -hunne συνεργοι, 1 Thess. 3:2, συνεκδημοι, Hd. 19:29, συνστρατιωται, -Phil. 2:25, συνδουλοι, Col. 1:7, 4:7, die natmaken wat de apostelen -hebben geplant, 1 Cor. 3:6, en bij relatieve zelfstandigheid toch -aan de apostelen onderworpen waren, Hd. 19:22, 1 Cor. 4:17, 1 Tim. -1:3, Tit. 1:5 enz. en ten deele alleen, ten deele ook in gezelschap -van de apostelen werkten, ib. en Hd. 11:30, 12:25, 13:2 enz. In den -na-apostolischen tijd verdwijnt het ambt geheel en wordt de naam sedert -Tertullianus, Origenes en Eusebius gebruikelijk voor de schrijvers -der vier evangeliën, die als het ware de personen der evangelisten -overbodig maken. Cf. over de evangelisten: Suicerus s. v. Witsius, -Misc. Sacra I 315 II 564. Voetius, Pol. Eccl. III 364-369. Mastricht, -Theol. VII 2, 18. Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 S. 220 -f. Philippi, Kirchl. Gl. V 3, 277. Sohm, Kirchenrecht 42. Zöckler, -Diakonen und Evangelisten, München Beck 1893. - -Naast de evangelisten treden in het N. T. nog profeten op, die zelfs -nog vóór hen genoemd worden, Rom. 12:6, 1 Cor. 12:28, 29, Ef. 4:11, -soms zonder hen met de apostelen verbonden worden, Ef. 2:20, 3:5, en -dus in rang en eere boven hen staan. Zij waren door Jezus beloofd, Mt. -23:34, Luk. 11: 49, werden door den H. Geest, die op den pinksterdag -uitgestort was, verwekt, Hd. 2:17, 18, 1 Cor. 12:10, Op. 1:10 en komen -dan in grooten getale en in bijna alle gemeenten voor, in Jeruzalem, Hd. -6:5, 8, 11:27, Antiochie, 11:27, 13:1, Cesarea 21:9, 10, Corinthe, 1 -Cor. 12, en allerwege, gelijk uit hunne vermelding in Rom. 12:6, 1 Cor. -12:28, Ef. 2:20, 3:5, 4:11, 1 Thess. 5:20 blijkt. Zij worden besloten -met Johannes, den apostel, Op. 1:1, en verdwijnen dan als stand uit de -gemeente geheel. Wel spreken de apostolische vaders nog van profeten, -Hermas, Mand. 11 Vis. 3. Didache 11. 15, maar zij denken daarbij aan -zulke mannen, die rondreisden en in verschillende gemeenten over de -christelijke waarheid spraken maar daarbij nauwkeurig onderzocht en -van de valsche profeten onderscheiden moesten worden; de tijd voor -de profetie was voorbij. Het Montanisme en andere enthusiastische -richtingen van vroeger en later tijd trachtten de profetie wel te -doen herleven; Rome beweert, dat de profetische gave nog voortduurt, -Bellarminus, de notis eccl. c. 15; Zwingli en velen na hem voerden -zoogenaamde profetieën in, waarbij de Schrift voor het volk werd -verklaard, art. Prophezei in Herzog² en Dr. H. H. Kuyper, De opleiding -tot den dienst des Woords bij de Gereformeerden 1891 bl. 104v. Maar -dat alles is wezenlijk onderscheiden van de profetie, gelijk die in de -eerste christelijke kerken bestond. Deze onderscheidt zich door het -volgende: 1º de N. T. profeten kunnen wel ambtsdragers heeten, maar -hun ambt is toch veel meer charismatisch dan dat van profeten en -apostelen. Zij worden niet onmiddellijk door Christus noch ook door zijne -gemeente geroepen en aangesteld, maar ontvangen een bijzonder charisma -van den H. Geest, en zijn dientengevolge geroepen, om eene bijzondere -taak te vervullen in de gemeente van Christus. 2º Met de apostelen en -evangelisten hebben zij gemeen, dat zij een ambt bekleeden, hetwelk voor -heel de kerk van Christus op aarde geldt en alzoo ook medearbeiden aan -de grondlegging der gemeente, Ef. 2:20, maar terwijl de evangelisten -de apostelen vooral helpen in hun missioneerenden en institueerenden -arbeid, staan de profeten hun ter zijde in hun opbouwende, stichtende, -leerende werkzaamheid. 3º De N. T. profetie is wel bewust en daarom -hoog te achten boven de glossolalie, 1 Cor. 14:5, 32, maar zij is toch -momentaan en buitengewoon, vrucht van ἀποκαλυψις, 1 Cor. 14:30; zij -breidt de natuurlijke mate van het weten en kennen uit, omvat zoowel -den vorm als den inhoud der rede, Mt. 10:19, 20, bewijst zich als -waarheid door hare innerlijke, overtuigende kracht, 2 Cor. 2:14-17, en -diende vooral, om aan het evangelie, dat door de apostelen verkondigd -werd, dat den Joden een ergernis en den Grieken eene dwaasheid was, en -nog niet in het geschreven Woord voor heel de kerk toegankelijk was, -ingang te verschaffen bij geloovigen en ongeloovigen en de gemeente -alzoo door leering, vermaning, vertroosting, 1 Cor. 14:3, op te bouwen -in de genade en kennis van den Heere Jezus Christus. Cf. over de -N. T. profeten: Voetius, Pol. Eccl. III 369 cf. Disp. Sel. II 1036 -sq. Witsius, Misc. Sacra I 282 sq. Neander, Geseh. d. Pflanzung u. -Leitung der chr. K⁵. 182 f. Bonwetsch, Die Prophetie im ap. u. nachap. -Zeitalter, Zeits. f. k. Wiss. u. k. Leben 1884 S. 408 f. Burger, art. -in Herzog² 12, 265. Zöckler, t. a. p. 71 f. Weiszäcker, Das apost. -Zeitalter, 584 f. enz. - -Maar hoe nauw profeten en evangelisten ook aan de eigenlijke apostelen -verwant zijn, zij zijn er toch wezenlijk van onderscheiden. De apostelen -vormen een eigen kring, hun ambt draagt een gansch bijzonder -karakter, en is door de volgende trekken kenbaar. 1º De apostelen -zijn aan Christus door den Vader gegeven, Joh. 17:6, door Hemzelven -uitverkoren en geroepen, Joh. 6:70, 13:18, 15:16, 19, 1 Cor. 1:17, 2 -Cor. 5:20, Gal. 1:1, door God gekozen tot hun ambt, Hd. 10:41. 2º Zij -zijn door Jezus zelf voor hunne taak opgeleid en bekwaamd, zijn oor- -en ooggetuigen van zijne woorden en daden geweest, hebben het Woord -des levens met de oogen aanschouwd en met de handen getast, en hun -evangelie niet van eenig mensch maar van Christus zelven ontvangen, -Luk. 24:48, Joh. 1:4, 15:27, Hd. 1:21, 22, 26:16, 1 Cor. 9:1, 15:8, 2 -Cor. 12:1v., Gal. 1:12, Ef. 3:2-8, 1 Tim. 1:12, 1 Joh. 1:1-3 enz. 3º -Zij zijn in bijzondere mate den H. Geest deelachtig, die hen onderwijst en -in alle waarheid leidt, Mt. 10:20, Joh. 14:26, 15:26, 16:7, 13, 14, -20:22, 1 Cor. 2:10-13, 7:40, 1 Petr. 1:12. 4º Met dien Geest toegerust, -Joh. 20:22, Hd. 1:8, Ef. 3:5, treden zij openlijk op als getuigen van -Jezus, bepaaldelijk van zijne opstanding, Hd. 1:8, 21, 22, 2:14, 32, -3:15, 4:8 enz., zijn betrouwbare getuigen, Luk. 1:2, Joh. 19:35, 21:24, -1 Cor. 7:25, 1 Petr. 5:1,2 Petr. 1:16, Hebr. 2:3, Op. 1:3, 22:18, 19, -en verkondigen Gods Woord, Joh. 1:14, 20:31, 1 Cor. 2:13, 2 Cor. 2:17, -Gal. 1:7, 1 Thess. 2:13, 1 Joh. 1:1-4, Op. 22:18, 19. 5º Hun getuigenis -wordt door God bezegeld met teekenen en wonderen en rijken geestelijken -zegen, Mt. 10:1, 9, Mk. 16:15v., Hd. 2:43, 3:2, 5:12-16, 6:8 enz., -Rom. 12:4-8, 15:18, 19, 1 Cor. 12:10, 28, 15:10, 2 Cor. 11:5, 23, Gal. -3:5, Hebr. 2:4. 6º Aan dit hun getuigenis is de kerk aller eeuwen -gebonden. Er is geen gemeenschap met Christus dan door gemeenschap -aan het woord en de personen der apostelen, Joh. 17:20, Gal. 1:7-9, 1 -Joh. 1:3; zij zijn het fundament der kerk, Mt. 16:18, 1 Cor. 3:10, Ef. -2:20, Op. 21:14; hun woord, voor ons bewaard in de Schriften des N. -T., is medium gratiae, Joh. 20:31, 1 Cor. 1:18v., 15:2, 1 Joh. 1:1-4. -7º Hun ambt is dus niet voor een tijd en niet tot eene plaatselijke -gemeente beperkt, maar het blijft en strekt zich tot de gansche kerk -uit. Het is het eenige, dat rechtstreeks door Christus ingesteld is -en sluit alle bevoegdheden en werkzaamheden, die in de latere ambten -verdeeld zijn, in zich, de pastorale, presbyterale, diakonale, zelfs -ook de evangeliseerende en profetische werkzaamheid. Van stonden aan -genieten de apostelen dan ook in de kerk van Christus eene algemeen -erkende autoriteit. Zij zijn niet alleen de opzieners van de gemeente -te Jeruzalem, maar zij zijn de grondleggers, de vaders, 1 Cor. 4:15 en -leiders der gansche kerk, hebben opzicht over de geloovigen te Samaria, -Hd. 8:14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9:32, 11:22, stellen ambten in, -Hd. 6:2, nemen besluiten in den H. Geest, Hd. 15:22, 28, treden op met -apostolische volmacht, 1 Cor. 4:21, 5:2, 2 Cor. 2:9, geven bindende -bevelen, 1 Cor. 7:40, 1 Thess. 4:2, 11, 2 Thess. 2:15, 3:6, 14 enz. -en zijn nog met hun woord gezaghebbend voor de gansche Christenheid; -apostoliciteit is een eigenschap en kenmerk der kerk van Christus. -Cf. deel I 334v. en voorts Voetius, Pol. Eccl. III 351-363. Burmannus, -Exerc. Acad. II 104 sq. Spanheim, Op. II 289 sq. Moor VI 250 e. a. bij -Walch, Bibl. theol. III 444. Philippi, Kirchl. Cl. V 3, 258. Gloël, Der -H. Geist in der Heilsverkündigung des Paulus, Halle 1888 S. 325 f. W. -Seufert, Der Ursprung u. die Bedeutung des Apostolates in de chr. K. -der ersten 2 Jahrh. Leiden 1887. Köppel, Der Ursprung des Apost., Stud. -u. Krit. 1889 S. 257-331. Erich Haupt, Zum Verständniss des Apost. -Halle Niemeijer 1896. Art. Apostel van Schmidt in Herzog³. - -Onder de apostelen staat Petrus bovenaan. Simon of Schimeon, zoon van -Johannes of Jonas, broeder van Andreas, afkomstig uit Bethsaïda, Joh. -1:45, doch waarschijnlijk sedert zijn huwelijk wonende in Kapernaum, Mk. -1:29, ontving reeds bij zijne eerste ontmoeting van Jezus de toezegging, -dat hij later zou genoemd worden Κηφας, gr. vorm voor het hebr. woord -כֵּף met het aram. artikel, de rots, ἡ πετρα, als manl. eigennaam -Πετρος, Joh. 1:43. Zonder twijfel zinspeelde Jezus daarmede op zijn -trouw karakter, dat hem in weerwil van zijne sanguinische, bewegelijke -natuur eigen was en het duidelijkst uitkwam bij Cesarea Philippi, toen -hij tegenover het volk, dat met zijne aardschgezinde verwachtingen zich -in Jezus teleurgesteld zag en Hem verliet, de belijdenis van Jezus’ -Messianiteit vasthield en openlijk in den naam zijner medediscipelen -uitsprak, Mt. 16:13 tot 20, Mk. 8:27-29, Luk. 9:18-20, Joh. 6:66-69. -Bij deze gelegenheid herinnerde Jezus dan ook aan den naam, dien Hij -hem vroeger reeds gegeven had, Mt. 16:18. Door zijne vrijmoedige en -standvastige belijdenis van Jezus als den Christus betoonde zich Petrus -de rots te zijn, op welke Christus zijne gemeente zoo hecht en vast zou -bouwen, dat de poorten van den Hades haar niet in kracht overtreffen -zouden. Volgens Launoi dachten 17 kerkvaders bij de rots aan Petrus, 8 -aan de apostelen, 44 aan het geloof van Petrus en 16 aan Christus, bij -Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 411; later hebben de Roomschen de rots -meest op Petrus en de Protestanten op zijne belijdenis laten slaan. Maar -er is hier geen dilemma. De woorden „deze petra” kunnen niet anders -zien dan op den persoon van Petrus, maar een rots is hij en heeft hij -zich bewezen te zijn door zijne belijdenis van Jezus als den Christus, -eene belijdenis, die hij niet aan zichzelven maar aan de openbaring des -Vaders heeft te danken. Juist daarom belooft Jezus hem, dat Hij op hem -als belijder van zijn Zoonschap en Messianiteit zijne gemeente bouwen zal. -Christus stelt dus zichzelf als den bouwmeester van zijne gemeente voor -en Petrus den belijder als de rots, waarop zijne gemeente rusten zal. -In Mt. 21:42, Hd. 4:11, 1 Cor. 3:10, Ef. 2:20, Op. 21:14, cf. 1 Petr. -2:4-6 is hetzelfde beeld gebruikt, maar wordt het op eene andere wijze -toegepast. Daar worden n.l. de apostelen gedacht als de bouwmeesters, -die door hunne prediking op Christus als het fundament de kerk hebben -gegrondvest. Maar hier in Mt. 16:18 is Christus de bouwmeester, die -op den belijdenden Petrus zijne gemeente bouwt. En deze belofte heeft -Christus gestand gedaan; Petrus is de eerste onder de apostelen, de -voornaamste grondlegger der kerk, de voorganger en aanvoerder van -al de belijders van Christus door de eeuwen heen. Daarom wordt hij in -de apostellijsten altijd het eerst genoemd, Mt. 10:2, Mk. 3:16, Luk. -6:14, Hd. 1:13, behoort hij met Johannes en Jakobus tot den intiemen -vriendenkring van Jezus, die dezen volgen mag, als de anderen moeten -achterblijven, Mt. 17:1, Mk. 5:37, 13:3, 14:33, is de woordvoerder en -vertegenwoordiger der discipelen, Mt. 16:17, 17:24, 18:21, 26:40, -treedt na Jezus’ hemelvaart als eerste getuige onder de apostelen op -den voorgrond, Hd. 1:15, 2:14, 3:1v., 4:8, 5:3, 29, 8:14, 10:5v., -12:3v., 15:7v., en wordt als primus inter pares ook door Paulus geëerd, -Gal. 1:18, 2:7-9. Cf. art. Petrus in Herzog² en de daar aangehaalde -litt. - - -3. Aan eene regeering heeft het der kerk dus nimmer ontbroken; en zij -heeft zich deze niet zelve verschaft maar heeft ze van God ontvangen. -Instituut en organisme der kerk zijn telkens tegelijk en in verband met -elkander door God in het leven geroepen. Van het apostolaat kan zelfs -gezegd worden, dat het aan de kerk des N. T. voorafging; de apostelen -waren de grondleggers der gemeente, als het ware de patriarchen van -het volk Gods in de dagen des N. T. Maar dit apostolaat is niet -voortgezet en was als ambt voor de stichting der kerk uit den aard -der zaak voor geen voortzetting vatbaar; het leeft voor ons alleen -voort in het apostolisch woord, dat de grondslag der kerk blijft en in -gemeenschap brengt met den Vader en met zijnen zoon Jezus Christus, -1 Joh. 1:3. Zoodra de apostelen op verschillende plaatsen gemeenten -hadden gesticht, stelden zij in die gemeenten ambten in, welke van -het hunne wezenlijk verschilden en niet zonder medewerking van de -gemeenten zelve tot stand kwamen. Er is een groot onderscheid tusschen -de buitengewone ambten van apostelen, evangelisten en profeten, die -tijdelijk voor de grondlegging der kerk werden ingesteld, en de gewone -ambten van presbyters en diakenen, die onder apostolische leiding -uit de kerken zelve opkwamen. Deze laatste ambten onderstellen de -kerken, op dezelfde wijze als de regeering het volk onderstelt. Zij -konden daarom niet rechtstreeks en onmiddellijk, gelijk het apostolisch -ambt, door Christus worden ingesteld, maar konden eerst opkomen, toen -de gemeenten gesticht waren en aan eene geregelde leiding behoefte -kregen. Dit had al spoedig in de kerk van Jeruzalem plaats. Deze -kreeg door den buitengewonen pinksterzegen spoedig eene zeer groote -uitbreiding en was duizenden zielen sterk, Hd. 2:41, 47, 4:4, 21, -32, 5:14, 6:1. Dit maakte natuurlijk organisatie dringend noodig, -welke ook onder leiding der apostelen tot stand kwam. Ten eerste werd -deze gemeente van duizenden zielen, in weerwil van hare eenheid, op -de eene of andere wijze ingedeeld. Zij kon n.l. niet in één gebouw -samenkomen maar moest bij gedeelten in private woningen vergaderen. -Zonder twijfel ontstonden in Jeruzalem de eerste huisgemeenten, gelijk -wij die ook elders in den apostolischen tijd aantreffen, boven bl. 6. -Immers lezen wij, dat de geloovigen niet alleen in den tempel, maar ook -κατ’ οἰκον (niet: van huis tot huis, maar: te huis, in verschillende -huizen) vergaderden, Hd. 2:46, 5:42, o. a. in het huis van Maria en -van Jacobus, Hd. 12:12, 17. Opdat alles eerlijk en met orde geschieden -zou, was er voor deze vergaderingen allerlei regeling van noode; -en misschien heeft daarbij het voorbeeld der joodsche synagogen met -hare oudsten, beambten en dienaren en ook met haar Schriftlectuur, -prediking, gebed en zegen eenigen, hoewel zeker niet zeer sterken -invloed gehad, Schürer, Gesch. des jüd. Volkes im Zeitalter J. Chr. -3{te} Aufl. II 437-459. Op zulk eene regeling wijst reeds de benaming -van οἱ νεωτεροι, die in Hd. 5:6, 10 voorkomt; het artikel duidt aan, -dat de jongere leden der gemeente, evenals de הַזָּגִים, ὑπηρεται, -Luk. 4:20 in de synagogen, de vanzelf aangewezenen waren, om eenige -ondergeschikte diensten te verrichten. Niet onwaarschijnlijk is, dat -zij als zoodanig tegen de oudere leden der gemeente, οἱ πρεσβυτεροι, -overstonden. Onder Israel waren de ouden van dagen om hun grijsheid -en wijsheid geëerd. Uit hun midden werden de regeeringspersonen der -burgerlijke gemeente en in later tijd ook de verzorgers en opzieners -der synagogen benoemd. Zoo waren er ook van huis uit oudsten in de -christelijke gemeente, dat is mannen en vrouwen, die niet alleen ouder -waren in leeftijd, maar die Jezus persoonlijk hadden gekend of ontmoet, -die zijne woorden hadden gehoord en van zijne wonderen getuigen waren -geweest, die reeds vóór den pinksterdag Hem als den Messias hadden -beleden of misschien wel tot de zeventigen hadden behoord, door Jezus -uitgezonden naar de steden en vlekken van Palestina, Luk. 10:1, en die -om dit alles gansch natuurlijk in hooge achting stonden bij hen, welke -later tot de gemeenten werden toegedaan. Zij bekleedden geen ambt maar -namen toch door hunne kennis en godzaligheid eene aanzienlijke plaats in -de gemeente van Christus in. Tusschen πρεσβυτεροι en ἐπιστοποι dient -daarom onderscheiden te worden. Bewijzen daarvoor zijn: 1º dat de naam -πρεσβυτερος, ter aanduiding van het opzienersambt, langzamerhand door -dien van ἐπισκοπος nader omschreven en vervangen wordt, Hd. 20:28, -Phil. 1:1, 1 Tim. 3:2, Tit. 1:7, 1 Petr. 2:25; 2º dat Paulus, na in -1 Tim. 3 over de ambten gesproken te hebben, toch nog in 1 Tim. 5 de -houding aanwijst, welke Timotheus tegenover verschillende gemeenteleden, -ouderen en jongeren, mannen en vrouwen, heeft aan te nemen, cf. 1 Petr. -5:5; 3º dat de apostolische vaders, Clemens, 1 Cor. 1, 3. 3, 3. 21, 6. -47, 6. 57, 1. 63, 3, 4 en Hermas, Vis. II 4. III 1 duidelijk spreken -van een stand van oudsten, die naast de eigenlijke ambtsdragers in de -gemeente voortbestaat en op eerbiedige gehoorzaamheid aanspraak heeft; -en dat 4º de bekende tekst, 1 Tim. 5:17, zonder deze onderscheiding -aan te nemen, gelijk straks blijken zal, geen goeden zin oplevert. -Waarschijnlijk hebben wij het ons dus zoo voor te stellen, dat de twaalf -apostelen het werk in de groote gemeente te Jeruzalem lang niet konden -afdoen, en daarom al spoedig, evenals van de νεωτεροι voor lagere -diensten, zoo van sommigen der πρεσβυτεροι voor hoogere diensten in de -gemeente gebruik maakten. Wanneer en hoe dit geschied is, wordt ons -in de Handelingen niet bericht. Het eerst vinden wij de πρεσβυτεροι -vermeld Hd. 11:30, 14:23, 15:2, 6, 22, 16:4, 20:17, 28, 21:18, Jak. -5:14, zonder dat van hun oorsprong iets wordt verhaald. Het is niet -onmogelijk, dat zulk een in dienst nemen van de πρεσβυτεροι door de -apostelen reeds vóór Hd. 6, d. i. vóór de instelling van het diakonale -ambt heeft plaats gehad; οἱ νεωτεροι in Hand. 5:6, 10 wijst op eene -onderscheiding van οἱ πρεσβυτεροι. Maar in elk geval leert ons het -boek der Handelingen, dat er weldra in verschillende gemeenten onder -leiding des H. Geestes mannen werden aangesteld, die opzicht moesten -houden over de gemeente, en die eerst wel, omdat zij in den regel uit -de oudsten gekozen werden, den naam van οἱ πρεσβυτεροι droegen maar -later met het oog op hun werkkring dien van ἐπισκοποι kregen. Episcopi -zijn dus zulke presbyteri, die voor een bepaalden dienst in de gemeente -werden aangewezen; alle episcopi zijn dus presbyteri, maar lang niet -alle presbyteri waren episcopi; presbyteri vormden een stand, episcopi -droegen een ambt. Wanneer echter, gelijk eerst menigmaal geschiedde, -de episcopi presbyteri genoemd werden, dan was er in den naam geen -verschil; presbyteri en episcopi waren dan dezelfde personen en dragers -van eenzelfde ambt, Hd. 20:17, 28, 1 Tim. 3:1, 4:14, 5:17, 19, Tit. -1:5, 7, 1 Petr. 5:1, 2. Dit presbyterale of episcopale ambt werd eerst -in Jeruzalem en in de gemeenten uit de Joden, Hebr. 13:7, 17, 24, -Jak. 5:14, maar dan ook in die uit de Heidenen ingesteld. Volgens Hd. -14:23 wezen Paulus en Barnabas in iedere gemeente ouderlingen aan. -Nu wordt er in de brieven aan Rome en Corinthe door Paulus wel niet -met zooveel woorden van dit ambt melding gemaakt. Maar verschillende -plaatsen, Hd. 20:17, 28, Rom. 12:8, 16:5, 10, 11, 14, 15, 1 Cor. 14-16, -16:15, 16, Phil. 1:1, 1 Thess. 5:12-14, 1 Tim. 3:1-7, Tit. 1:5-9, 1 -Petr. 5:1, Op. 4:4, 10, 5:6, 8v. bewijzen, dat het ouderlingenambt eene -bekende, algemeen voorkomende, apostolische instelling was. En ter -versterking komt daarbij het getuigenis van Clemens Romanus, 1 Cor. 42, -dat de apostelen, predikende op het land en in de steden, de eerste -bekeerlingen aanstelden tot opzieners en diakenen over degenen, die -daarna geloovig zouden worden. - -De taak, die aan deze ouderlingen was opgedragen, wordt duidelijk -uit de omschrijving van hun ambt. De naam van presbyters verspreidt -daarover geen licht, en maakt daarom voor andere, vooral voor dien -van opzieners plaats, Hd. 20:28, Phil. 1:1, 1 Tim. 3:2, Tit. 1:7, -evenals ook Christus zelf, 1 Petr. 2:25, dien naam draagt. En voorts -heeten zij προισταμενοι, Rom. 12:8, 1 Thess. 5:12, κυβερνησεις, 1 Cor. -12:28, ἡγουμενοι, Hebr. 13:7, 17, 24, ποιμενες, Ef. 4:11, die niet -om vuil gewin noch met heerschappij doch met een volvaardig gemoed -voor de gemeente hebben zorg te dragen, haar als de kudde des Heeren -hebben te regeeren, en daarom aan verschillende vereischten moeten -voldoen, bepaaldelijk ook aan den eisch, dat zij hun eigen huis wel -regeeren, Hd. 20:28, 1 Tim. 3:1-7, Tit. 1:5-9, 1 Petr. 5:1-3. Uit deze -omschrijving blijkt, dat het ouderlingenambt in de eerste plaats met het -opzicht, de regeering en de leiding der gemeente was belast. Natuurlijk -was daarvoor ook eenige kennis van de waarheid noodig; volgens Hd. -15:4, 22, 23 moesten zij zelfs op de vergadering te Jeruzalem met de -apostelen mede oordeelen en beslissen over het gewichtige vraagstuk, -dat door de bekeering der Heidenen aan de orde werd gesteld inzake -de verhouding tot de Mozaische wet. Maar het opzienersambt was toch -oorspronkelijk geen leer-, doch een regeerambt. Trouwens was aan een -afzonderlijk leerambt in den eersten tijd nog geen dringende behoefte. -Apostelen, evangelisten en profeten traden eerst als leeraars op, -Hand. 13:1, 1 Cor. 14:3, 1 Tim. 2:7, 2 Tim. 1:11, en voorts werd het -charisma der leer aan velen geschonken, die geen ambt bekleedden in -de gemeente van Christus, Rom. 12:7, 1 Cor. 12:8, 28, 29, 14:26. -De διδασκαλια was eerst vrij, evenals het in de synagoge iedereen -geoorloofd was, om een gedeelte der Schrift toe te lichten, Luk. 4:16. -Maar langzamerhand werd zij met het episcopale ambt in nauwer betrekking -gebracht. Toen de gemeenten zich uitbreidden, kon in de behoefte aan -woord en sacrament door apostelen, evangelisten en profeten niet meer -worden voorzien; er was een plaatselijk en blijvend ambt van noode, -dat met de zorg daarvoor was belast. Ook ging het op den duur niet -aan, om de didaskalie geheel en al vrij te laten, want deze vrijheid -gaf tot allerlei misbruiken aanleiding. Zoo drong alles er toe, om de -didaskalie aan het opzienersambt op te dragen en alzoo eene blijvende -plaats in de gemeente te verzekeren. Uit Hebr. 13:7 vernemen wij, dat -ἡγουμενοι tevens de verkondigers van het woord Gods zijn. Als Paulus -Ef. 4:11 zegt, dat Christus sommigen tot apostelen en sommigen tot -evangelisten en dan voorts ook sommigen tot herders en leeraars gegeven -heeft, dan leert hij daarmede duidelijk, dat deze beide laatstgenoemde -personen geen wezenlijk onderscheiden ambt bekleeden maar werkzaamheden -in de gemeente verrichten, die nauw verbonden zijn en toch onderling -verschillen. Waarschijnlijk waren in den eersten tijd meer dan één of -zelfs alle ouderlingen tot bediening van woord en sacrament bevoegd. -Doch ook daarin moest spoedig verandering komen. Wel bleef de eisch -voor alle opzieners, dat zij διδακτικοι, bekwaam om te leeren moesten -zijn, 1 Tim. 2:2. Maar vooral twee omstandigheden bewerkten, dat er -onder de opzieners onderscheid kwam tusschen hen, die alleen met -de regeering, en anderen, die ook met de leer waren belast. In de -eerste plaats werden de eischen hoe langer hoe zwaarder voor hen, -die het woord der waarheid in de gemeente hadden te verkondigen; de -apostelen en evangelisten stierven weg; de buitengewone gaven hielden -op; allerlei dwalingen en ketterijen doken in en buiten de gemeente -op; de bekwaamheid om te leeren bestond niet alleen in onderwijzing en -vermaning, maar ook in wederlegging van de tegensprekers, 2 Tim. 3:16, -Tit. 1:9; opleiding, voorbereiding, studie werd voor de uitoefening -van dit ambt in de gemeente noodzakelijk. Trouwens, de Joodsche -Schriftgeleerden hadden reeds hunne scholen; Jezus had zelf zijne -discipelen opgeleid en tot hun dienst bekwaamd; Paulus had Timotheus -onderwezen en droeg hem op, om deze leer als een kostelijk kleinood -over te dragen aan betrouwbare menschen, die op hunne beurt weder -bekwaam zouden zijn om anderen te leeren, 2 Tim. 2:2. En daarbij kwam -nu in de tweede plaats nog het voorschrift van Jezus, dat de arbeider -in den dienst des woords zijn loon waardig is, Mt. 10:10, Luk. 10:7; -een voorschrift, dat in de christelijke gemeenten algemeen erkend en -opgevolgd werd, Rom. 15:27, 1 Cor. 9:6, 11, 14, 2 Cor. 11:7-9, Gal. -6:6, 1 Thess. 2:6, 1 Tim. 5:17, 18, 2 Tim. 2:6. Wel had dit allereerst -op de apostelen en evangelisten betrekking, maar het gold toch verder -ook van hen, die arbeidden in het woord en de leer en daaraan hun -leven wijdden. Noodzakelijkheid van opleiding en voorziening in het -levensonderhoud waren oorzaak, dat de dienst des woords niet aan alle -maar slechts aan enkele opzieners werd opgedragen. De beroemde plaats, -1 Tim. 5:17, 18 verheft dit boven allen twijfel. De πρεσβυτεροι aldaar, -cf. vers 1 zijn geen opzieners, want dan zou Paulus eene tegenstelling -maken tusschen zulke opzieners, die slecht en anderen, die goed -regeeren en de eersten nog eenige eer doch de laatsten eene dubbele -eer waardig achten. Maar πρεσβυτεροι zijn oudere leden der gemeente -in het algemeen, die als zoodanig aanspraak hebben op eer. Van hen -onderscheidt Paulus de καλως προεστωτες πρεσβυτεροι, zulke oudsten, die -tegelijk goed regeeren, die προισταμενοι, Rom. 12:8, 1 Thess. 5:12, zijn, -d. w. z. die het ambt van opzieners bekleeden; en dezen zijn nu, omdat -zij tot de oudere leden der gemeente behooren en tevens opzieners zijn, -eene dubbele eer waardig. En van hen worden dan nog weer onderscheiden -οἱ κοπιωντες ἐν λογῳ και διδασκαλιᾳ, die opzieners, die bepaald -arbeiden in het woord en de leer en daarvoor naar de Schrift aanspraak -hebben op loon. Zoo is er dus naar deze plaats duidelijk onderscheid -tusschen opzieners, aan wie alleen de regeering, en andere, aan wie -tevens de leer en in het gevolg daarvan ook de bediening van het -sacrament is opgedragen. En nog binnen de grenzen van het N. T. treffen -wij dan in de Klein-Aziatische gemeenten dezen toestand aan, dat onder -de opzieners slechts één enkele met den dienst des woords is belast; hij -is de ἀγγελος, de gezant, die van Christus’ wege de gemeente te leeren -en te leiden heeft en voor haar geestelijken en zedelijken toestand -verantwoordelijk is, Op. 1:20v. - -Naast dit ambt van opziener, onderscheiden in dat van regeer- en -leer-ouderling, werd spoedig een tweede ingesteld. In Jeruzalem n.l. -was er volgens Hd. 6 spoedig ontevredenheid bij de uit de Grieksche -proselieten bekeerde Christenen, dat hunne weduwen bij de toen reeds -geoefende private weldadigheid door de uit de Joden toegebrachte -Christenen achteruitgezet en verwaarloosd werden. De apostelen riepen -daarop de gansche gemeente saam, en verklaarden daar, dat zij het -niet goed vonden, om met vermindering van den arbeid in het woord -zelven zich aan de zorg voor de armen te wijden. De gemeente moest dus -uitzien naar zeven mannen en dezen verkiezen, en de apostelen zouden -hen dan tot dezen dienst der barmhartigheid aanstellen en na gebed -hun de handen opleggen. Duidelijk blijkt hieruit, dat de apostelen, -ofschoon zij het aantal en de vereischten der διακονοι aangeven, het -recht en de bevoegdheid tot het kiezen dezer mannen aan de gemeente -toekennen. De apostelen zelven werden wel uitdrukkelijk door Christus -aangesteld; maar Matthias werd toch reeds uit een tweetal, dat door -de 120 vergaderde geloovigen opgemaakt was, door het lot als twaalfde -apostel aangewezen. Volgens Hd. 13:1-3 werden Paulus en Barnabas -door de in de gemeente te Antiochië aanwezige profeten en leeraars -afgezonderd tot het evangelistenwerk. Timotheus werd tot dezen zelfden -dienst verkozen door profetische aanwijzing, in het bijzijn van vele -getuigen en met handoplegging door Paulus en het presbyterium, 1 Tim. -1:18, 4:14, 6:12, 2 Tim. 1:6, 2:2. In 2 Cor. 8:19 cf. vs. 23 is sprake -van een evangelist, die door de gemeenten benoemd is. De profeten -en leeraars werden natuurlijk niet door de gemeenten gekozen, wijl zij -vrij optraden, en meer een gave hadden dan een ambt; maar zij werden -gansch anders dan de apostelen door de gemeenten beoordeeld en waren -haar onderworpen, 1 Cor. 2:15, 12:10, 14:29, 1 Thess. 5:19-21, 1 Joh. -2:20, 27, Op. 2:2, 6, 14, 15, 20, 3:1v. De onderstelling is daarom -niet gewaagd, dat de verkiezing der opzieners, nog veel minder dan -die van de evangelisten, buiten de gemeente is omgegaan. De woorden -in Hd. 14:23, χειροτονησαντες δε αὐτοις κατ’ ἐκκλησιαν πρεσβυτερους, -zeggen alleen, dat de apostelen sommige personen in iedere gemeente -tot ouderlingen aanstelden, maar wijzen niet aan, hoe zij dit deden; en -Tit. 1:5 cf. 2 Tim. 2:2 verspreidt daarover ook geen licht. Maar uit -na-apostolische geschriften weten wij, dat bij de keuze van een episcopus -de gemeente rechtstreeks of zijdelings gekend werd, Did. 15. Clemens, 1 -Cor. 44. Polycarpus, Phil. 11. cf. Ign. Philad. 10. Const. Apost. VIII -4. En van de diakenen bericht ons het N. T. in Hd. 6 zeer duidelijk, -dat zij door de gemeente werden aangewezen. Er is echter groot verschil -over den aard van het ambt, dat hier door de apostelen ingesteld werd. -Sommigen meenen, dat het een buitengewoon ambt was, hetwelk spoedig -ophield te bestaan; anderen oordeelen, dat het het latere ouderlingen- -en diakenambt in zich sloot, en nog anderen houden het er voor, dat -in Hd. 6 de instelling van het presbyterambt wordt verhaald. Al deze -meeningen zijn daarop gegrond, dat sommigen van de in Hd. 6 verkozenen, -zooals Philippus, ook optreden als predikers van het evangelie, Hd. -8:5, 26v., 21:8, en dat de presbyters in Jeruzalem ook gaven van de -gemeente te Antiochië in ontvangst nemen ten dienste der broederen in -Judea, Hd. 11:30. Dit laatste bewijs heeft echter weinig kracht; in Hd. -11:30 is er sprake van een geheel exceptioneel geval, n.l. niet van -het uitdeelen der naturalia, welke door de gemeente te Jeruzalem zelve -voor hare armen op de tafelen werden neergelegd, maar van het overmaken -van gelden, die in Antiochië bij eene bijzondere gelegenheid voor de -broederen in Judea bijeengebracht en nu door de hand van Barnabas en -Saulus aan de presbyters overgereikt werden. Maar blijkens Gal. 2:1 is -er van deze reis niets gekomen; wij weten dus niet, hoe en waar die -gelden zijn overgemaakt, noch ook door wie zij feitelijk in ontvangst -genomen en uitgedeeld zijn. En wat Philippus betreft, hij was in -Jeruzalem een van de zeven, maar trad, nadat de vervolging uitgebroken -en de gemeente verstrooid was, in Samaria en elders op als evangelist -en is dat gebleven; hij keerde later niet naar Jeruzalem terug maar -vestigde zich in Cesarea, Hd. 21:8. Daarentegen pleit alles ervoor, dat -wij in Hd. 6 de instelling hebben van het later zoogenoemde diakonaat. -Ten eerste komt de naam in aanmerking; διακονια duidt in het N. T. -alle ambt en gave aan, welke, door den Heere geschonken, in den dienst -en ten nutte der gemeente aangewend wordt; ieder lid der gemeente is -een δουλος van Christus en met al wat hij is en heeft een διακονος -der broederen; er zijn daarom onderscheidene διακονιαι, 1 Cor. 12:5, -vooral bediening des woords, Hd. 6:4, 20:24, 1 Tim. 1:12, en bediening -der barmhartigheid aan armen, kranken, vreemden enz., Rom. 12:7, 1 -Cor. 12:28, 1 Petr. 4:11. Zonder twijfel was er nu in de gemeente te -Jeruzalem van het begin af, zulk een dienst der barmhartigheid; er was -eene διακονια καθημερινη, Hd. 6:1, die misschien wel onder toezicht der -apostelen stond maar toch aan private personen overgelaten was. Maar de -apostelen brachten hier regel in door de instelling van een bijzonder -ambt. Er moet nu eene reden zijn, waarom het latere diakonaat juist -bijzonder met den naam van διακονια werd aangeduid. Die reden is nergens -anders te vinden dan in Hd. 6. Daar wordt verklaard, dat de dienst der -barmhartigheid in bijzonderen zin eene διακονια is, wijl zij is een dienst -der tafelen, διακονειν τραπεζαις. Ten tweede wordt aan de zeven mannen -juist datgene opgedragen, wat elders in het N. Test. meer bepaald met -den naam van διακονια wordt aangeduid. Immers bij de διακονια in Hd. -11:29, Rom. 12:7, 1 Cor. 12:5, 2 Cor. 8:4, 9:1, 12, 13, Op. 2:19 en -voorts overal, waar van het ambt van diakenen en diakonessen sprake -is, hebben wij speciaal aan den dienst der barmhartigheid te denken. En -deze wordt in Hd. 6 aan de zeven mannen toevertrouwd. Zij moeten zorgen, -dat de weduwen van de Grieksche Christenen niet langer overgeslagen -worden, en worden daartoe in het algemeen met den dienst der tafelen -belast. Onder deze tafelen zijn niet de tafels in de huizen der weduwen -noch ook de wisseltafels der bankiers, Mt. 21:12, maar eenvoudig de -tafelen des Heeren te verstaan. In elke vergaderplaats der gemeente -was er een of waren er meer tafels, waaraan men aanzat, om saam als -leden der gemeente het liefdemaal, ἀγαπη, en des Heeren avondmaal te -gebruiken. Op die tafels legden de rijkere leden der gemeente hunne -gaven neder, meest bestaande in naturalia, opdat de armere leden -daarvan mede genieten en later nog bediend zouden worden. Die tafels -waren tafels des Heeren; wat er op neergelegd werd, behoorde den Heere -toe; wat men aan die tafels gebruikte, was des Heeren spijze en drank; -en wat ervan overbleef en uitgedeeld werd, was des Heeren gave. De -zeven mannen in Jeruzalem werden nu aangewezen, om die tafelen te -dienen, d. i. om bij de maaltijden behulpzaam te zijn en voorts de gaven -des Heeren eerlijk onder de heiligen naar hunne behoeften te verdeelen. -Ten derde wordt de stelling, dat Hd. 6 den oorsprong van het diakonaat -verhaalt, daardoor gesteund, dat de eischen, eraan gesteld, zoo hoog -zijn en in dit opzicht met die in 1 Tim. 3:8-10, 12 overeenkomen. Waarom -er juist zeven mannen in Jeruzalem verkozen werden, weten wij niet; -misschien wel, omdat de groote gemeente in zeven vergaderplaatsen -samenkwam en in elk van deze een diaken noodig had. Maar in elk geval -moesten het mannen zijn, die in de gemeente de getuigenis hadden, dat -zij πληρεις πνευματος και σοφιας waren; en daarom moest de gemeente -er eerst onderzoekend en kiezend naar uitzien. Zoo wil ook Paulus, -dat de diakenen eerst beproefd worden en aan de vele eischen voldoen, -welke met die voor de opzieners grootendeels overeenkomen. Hatch en -Sohm gaan te ver, als zij hieruit afleiden, dat de vereischten voor -presbyter en diaken nauwelijks te onderscheiden zijn. Want terwijl bijv. -voor den ouderling op het διδακτικον εἰναι nadruk valt, wordt van -den diaken zuiverheid des gewetens in betrekking tot den inhoud des -geloofs geeischt, 1 Tim. 3:9. Maar overigens zijn de godsdienstige en -zedelijke eischen voor ouderling en diaken vrijwel gelijk. Presbyteraat en -diakonaat staan blijkens Hd. 6 en 1 Tim. 3 in nauw verband. Ten vierde -is er weinig grond voor de bewering, dat het diakonaat eerst later -ongeveer gelijktijdig met het bisschoppelijk ambt is opgekomen. Uit de -διακονια, Rom. 12:7 en de ἀντιληψεις, 1 Cor. 12:28 moge weinig af te -leiden zijn. Maar alles pleit er voor, dat met het presbyteraat ook het -diakonaat door de apostelen van de Jeruzalemsche gemeente in andere -gemeenten is overgeplant. Evenals aan ouderlingen, moest er toch elders -ook spoedig voor den dienst der tafelen aan diakenen behoefte rijzen. -In Phil. 1:1 worden zij dan ook terloops als iets heel gewoons naast en -na de ouderlingen genoemd; in 1 Tim. 3 somt Paulus hunne vereischten -op, en in Rom. 16:1, 2, 1 Tim. 3:11, 5:9, 10 is er van diakonessen -sprake. Het apostolaat moge dus als buitengewoon ambt aan de kerk -als vergadering der geloovigen voorafgaan; de ambten van leeraar, -ouderling en diaken onderstellen de gemeente, die het recht heeft, de -dragers ervan aan te wijzen en te verkiezen. Cf. over de organisatie -der kerk in de dagen des N. T. Rothe, Die Anfänge der christl. Kirche -1837. Lechler, Die neut. Lehre vom h. Amte 1857. Neander, Gesch. der -Pflanzung u. Leitung d. christl. Kirche durch die Apostel⁵, Gotha -1862. Hatch, Die Gesellschaftsverfassung d. chr. Kirche im Alt. Aus -d. Engl. von A. Harnack, Giessen 1883. Harnack, Lehre der 12 Apostel, -Texte und Unters. II 1. 2. 1884. Sohm, Kirchenrecht, Leipzig 1892. -Loening, Die Gemeindeverfassung des Urchrist. Halle 1888. Loofs, Die -urchr. Gemeindeverfassung mit spez. Bez. auf Loening u. Harnack, Stud. -u. Krit. 1890 S. 619. Weiszäcker, Das apost. Zeitalter d. chr. K². -1890. Lechler, Das apost. und nachapost. Zeitalter³ 1885. Zöckler, -Diakonen und Evangelisten, München 1893. Moeller-v. Schubert, Lehrb. -d. Kirchengesch. I² 1897 S. 88. Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. 13{te} -Aufl. 1899 § 31. - - -4. Deze aristocratisch-presbyterale kerkinrichting is niet lang blijven -bestaan maar spoedig in eene monarchisch-episcopale overgegaan. Hoe -dat toegegaan is, weten wij niet; voor gissingen en onderstellingen -is hier dus een ruim veld, cf. Karl Sell, Forschungen der Gegenwart -über Begriff und Entstehung der Kirche, Zeits. f. Theol. u. Kirche -v. Gottschick, 1894 S. 347-417. Maar zeker hebben verschillende -omstandigheden de kerk in deze richting gestuurd. Ten eerste lag -het voor de hand, dat de kerken in den aanvang nog niet streng -onderscheiden konden tusschen de buitengewone (apostelen, evangelisten, -profeten) en de gewone (episcopi, diaconi) ambten. De op een charisma -berustende ambten van apostel (in den ruimeren zin van evangelist), -profeet en leeraar duurden, ook nadat de twaalf apostelen en Paulus -gestorven waren, in de gemeenten nog voort, Did. 11 sq. Hermas, Mand. -11. Euseb. H. E. III 37. Maar toen deze ophielden en hoe langer hoe -meer ontaardden, zoodat tusschen ware en valsche steeds moeilijker te -onderscheiden viel, toen werd de evangeliseerende, profetische en -didaskalische werkzaamheid aan het ambt van de episcopi gebonden; -_zij_ werden de ware evangelisten, profeten en leeraars, Did. 15. -Gelijk altijd, zoo werd ook toen allengs de stroom van het vrije leven -in de bedding eener vaste organisatie geleid. Ten tweede leeren ons -de toestanden, die volgens het N. T. en de apostolische vaders in de -gemeenten bestonden, duidelijk, dat de eerste Christenen lang niet in -staat waren, om de waarheid van het evangelie in al haar rijkdom en -zuiverheid in zich op te nemen. Vooral de denkbeelden van Paulus werden -met allerlei vreemde, joodsche en heidensche bestanddeelen vermengd. -De rechtvaardiging uit het geloof werd nergens zuiver geleerd. Het -geloof aan Gods openbaring in Christus behield slechts beteekenis als -motief voor een zedelijk, dikwijls reeds ascetisch gekleurd, leven; -het evangelie werd een nieuwe wet, welker onderhouding het eeuwige -leven, de ἀφθαρσια, schonk. Heel deze moreele, wettische richting -kwam aan de verheffing van het ambt als orgaan van de Goddelijke -openbaring ten goede, stempelde gehoorzaamheid en onderwerping aan de -kerkelijke overheid (μαθετε ὑποτασσεσθαι, Clem. 1 Cor. 57) tot eersten -Christenplicht, en haeresie en schisma tot de schrikkelijkste van alle -zonden. Ten derde maakte het optreden van allerlei haeretische en -sectarische richtingen organisatie en consolidatie der christelijke -gemeenten dringend noodzakelijk. De vraag naar de ware kerk kreeg -practisch belang. En het antwoord daarop luidde: de ware kerk is -die, welke zich aan het geheel houdt, aan de catholica ecclesia, en -deze is, waar de bisschop is, Ign. Smyrn. 8. Deze verandering in -de regeering kwam niet in alle kerken tegelijk tot stand. De Didache -kent ze nog niet; zij spreekt niet van presbyteri, maar alleen van -episcopi en diaconi, die den Heere waardige mannen moeten zijn en -den dienst der profeten en leeraars vervullen moeten, c. 15. Hermas -noemt apostelen, episcopi, leeraars en diakenen naast elkaar, zonder -van presbyteri gewag te maken, Vis. III 5, maar schijnt aan het hoofd -van elke gemeente een college te onderstellen, dat uit presbyteri -saamgesteld is, II 4, en maakt dus nog geen ambtelijk onderscheid -tusschen presbyteri en episcopi. Omstreeks den tijd, waarin de Pastor -van Hermas geschreven werd, dat is in elk geval in de eerste helft der -tweede eeuw, bestond het monarchisch episcopaat dus in Rome nog niet. -Het is trouwens ook niet in Rome, gelijk Sohm S. 157-179 beweert, en -ook niet in het Westen maar in het Oosten ontstaan. De eerste brief -van Clemens, aan het einde der eerste eeuw uit Rome geschreven, zegt -wel, dat de apostelen de eerstbekeerden tot episcopi en diaconi hebben -aangesteld en dat het zonde is hen te ontslaan, wanneer zij hun dienst -op onberispelijke wijze vervullen, maar kent het onderscheid van episcopi -en presbyteri nog niet en gebruikt beide namen dooreen, c. 42. 44. 47. -Daarentegen heeft het monarchisch episcopaat zich in het Oosten zeer -spoedig ontwikkeld; de brieven van Ignatius, bisschop van Antiochië, -onder Trajanus ongeveer 110-115 als martelaar te Rome gestorven, zijn -daarvoor een onwraakbaar getuige, en zouden dat zelfs in geval van -onechtheid blijven, wijl zij dan toch niet jonger kunnen zijn dan de jaren -130-140. Ignatius spreekt herhaaldelijk, tot 13 malen toe, van episcopi, -presbyteri en diakenen als van drie onderscheidene ambtsdragers; hij -ziet in den episcopus een gezondene van Christus, Ef. 6, eene χαρις -θεου, Magn. 2, eene gelijkenis van God of van Christus, Magn. 7. Trall. -2. 3. Smyrn. 8; en dringt er onophoudelijk in het belang van de eenheid -der kerk op aan, dat de leden der gemeente zich naar Gods gebod met den -bisschop vereenigen, niets kerkelijks buiten hem doen, en alle ketterij -en scheuring ten strengste vermijden. Toch staat de bisschoppelijke -idee bij Ignatius nog maar aan het begin van hare ontwikkeling; de -bisschop is geen drager der traditie, geen priester des N. Testaments, -geen opvolger der apostelen, hij wordt altijd omgeven door den raad van -presbyters en diakenen, gelijk Christus door zijne apostelen, hij draagt -een ambt in eene plaatselijke kerk en heeft daarbuiten geen gezag. In de -gemeenten van Klein-Azië stonden in Paulus’ dagen, Hd. 14:23, 20:17, -Phil. 1:1, Tit. 1:5 en ook later nog, Clemens, 1 Cor. 42, 4. 44, 2. -4. 6 niet een maar onderscheidene episcopi aan het hoofd. Volgens 1 -Tim. 4:14 vormden zij samen reeds een college, een presbyterium. En -een onder hen trad volgens Op. 1:20v. zoo op den voorgrond, dat hij -als ἀγγελος aangeduid en als vertegenwoordiger der gansche gemeente -beschouwd kon worden. Waarschijnlijk sloot de ontwikkeling van het -monarchisch episcopaat zich daarbij aan. De presbyter, die met de -leiding van de vergaderingen en misschien ook in onderscheiding van -alle ambtgenooten alleen met den dienst des woords was belast, werd -allengs als drager van een bijzonder ambt beschouwd. Hij alleen was -episcopus, terwijl alle anderen slechts presbyters waren. Op deze wijze -zou ook te verklaren zijn, dat Ignatius het monarchisch episcopaat reeds -als lang bestaande onderstelt, dat Clemens Alexandrinus bij Eusebius, -Hist. eccl. III 23, 6 van Johannes spreekt als ὁπου μεν ἐπισκοπους -καταστησων, en dat dit episcopaat al spoedig, omstreeks het midden der -tweede eeuw, overal ingevoerd was. Indien men daarin niet gemeend had -te steunen op eene apostolische traditie, zou de snelle verbreiding -schier onverklaarbaar zijn. Het nieuwe, dat bij Ignatius ons tegemoet -treedt, bestaat dan daarin, dat hij den naam episcopus uitsluitend -bezigt voor hem, die eerst slechts primus inter pares was, dat hij dezen -episcopus wel nog altijd in verband houdt met maar toch ook reeds verre -verheft boven de presbyteri en diaconi, dat hij hem telkens vergelijkt -met God of met Christus, en dat hij voor hem van de leden der gemeente -eene bijna onbeperkte gehoorzaamheid eischt. In deze richting heeft de -ontwikkeling van dat episcopaat zich voortgezet. Als in eene gemeente -maar één bisschop mocht zijn, dan sprak het vanzelf, dat in eene -groote gemeente, met vele kerkgebouwen, die kerk een zekeren voorrang -verkreeg, waaraan de bisschop verbonden was; dat de van uit de steden -gestichte landelijke gemeenten filialen werden van de moedergemeente -en eene διοικησις (dioecesis, eerst sedert 9e eeuw; vóór dien tijd -παροικια), van den bisschop; dat deze alleen de eigenlijke kerkelijke -handelingen, bijv. de eucharistie, de ordening, de absolutie verrichten -kon enz. Daarmede werd in beginsel heel de vroegere verhouding -omgekeerd; in den apostolischen tijd waren er eerst gemeenten, -vergaderingen van geloovigen, in welke door de apostelen episcopi -en diaconi werden aangesteld, die met toestemming der gemeenten -verkoren werden en aan haar oordeel onderworpen waren. Maar nu werd -het omgekeerd; de ware kerk, leer, doop, eucharistie, gemeenschap met -God is daar, waar de bisschop is, gelijk Ignatius telkenmale zegt en -Irenaeus, Cyprianus e. a. na hem uitwerken. De strijd tegen de gnosis, -welke op de overlevering zich beriep en daarmede haar recht en waarheid -trachtte te bewijzen, maakte het daarbij noodzakelijk, om de echte, -apostolische traditie tegenover haar te stellen. En deze vond men in -de bisschoppen als opvolgers der apostelen en dragers der traditie. -Zij waren door de apostelen in de gemeenten aangesteld, in regelmatige -successie elkander opgevolgd en daarom dragers van het charisma -veritatis certum, Iren. adv. haer. III 2, 2. 3, 1, 2. IV 26, 2, cf. 1 -Clem. 42, 2. 44, 2. Cypr. Ep. 66, 4. 75, 16. de unit. 4. Deze gansch -nieuwe opvatting van het episcopaat als voortzetting van het apostolaat -en van zijne onaantastbare autoriteit in de kerk werd daarin voltooid, -dat sedert de tweede helft der tweede eeuw de onderscheiding van clerus -en leeken ingevoerd werd. Clerus, κληρος, lot, erfdeel, eigendom, -duidde oorspronkelijk de gemeente van Christus aan als het erfdeel of -eigendom Gods, Deut. 4:20, 9:29, 1 Petr. 2:5, Ignat. Eph. 11, 2. Trall. -12, 3. Phil. 5, 1. Maar langzamerhand werd het gebruik van dit woord -beperkt, en eerst alleen toegepast op de presbyters, Tert. de monog. -12. de exhort. cast. 7. Cypr. Ep. 15, 1, dan ook op de diakenen, Clem. -Alex. Quis dives 42, Tert. de fuga 11. 12. Hippol. Philos. IX 12 en -eindelijk nog op al de ordines minores (acoluthi, exercistae, lectores, -ostiarii), die in het begin der derde eeuw opkwamen, Cypr. Ep. 29. 34, -4. 59, 9. Al deze dienaren der kerk werden toch langzamerhand meer en -meer van de gemeente onafhankelijk en tot beambten van den bisschop -gemaakt en dan met dezen als clerus, als ecclesia docens gesteld -tegenover de leeken, de ecclesia audiens, die niets meer te zeggen -maar alleen nog te luisteren en te gehoorzamen had, cf. Cremer s. v. -Harnack D. G. I 383 Sohm, Kirchenrecht I 157-247. Zoo ontstond het -episcopale stelsel van kerkregeering, dat in den bisschop den wettigen -opvolger der apostelen en den geestelijken vorst der geloovigen ziet. -Naar dat stelsel zijn verschillende christelijke kerken ingericht, de -Grieksche kerk en vele andere Oostersche kerken en secten, Hofmann, -Symboliek § 44. 55. 62v.; voorts de Roomsche kerk, die echter van het -episcopale stelsel tot het papale is voortgeschreden en daarom steeds -door de aanhangers van het zuivere episcopale stelsel, zooals de mannen -der reformatorische conciliën, de Gallikanen, de Jansenisten, de -Febronianen, de Oud-katholieken bestreden werd, Conc. Trid. sess. 23 c. -4 en can. 6. Bellarminus, de membris ecclesiae militantis, Controv. II -2. Petavius, de eccl. hierarchia, in 5 boeken, Theol. dogm. Paris. 1870 -VIII 97-406. C. Pesch, Prael. dogm. I prop. 33. Scheeben-Atzberger, -Dogm. IV 1 S. 480. Simar, Dogm. 624. Conc. Vatic. sess. 4 prooem.; en -eindelijk de Anglikaansche kerk, die in den eersten tijd bij monde van -Cranmer, Parkington, Whitgift, Usher e. a. het episcopale stelsel nog -slechts als een geoorloofd en nuttig jus ecclesiasticum, maar later, -vooral na de aartsbisschoppen Bancroft en Laud als een jus divinum -verdedigde, Richard Hooker, The laws of ecclesiastical polity 1593 -etc., meermalen herdrukt, beste ed. van Keble, Oxford 1845. Joseph -Hall, Episcopacy by divine right asserted 1640. Makower, Die -Verfassung der Kirche von England, Berlin 1894. Art. Anglik. Kirche in -Herzog³. - -Doch de Roomsche kerk is bij het episcopale stelsel niet blijven staan -maar heeft het verder ontwikkeld tot het papale systeem. Rome was reeds -eeuwenlang de wereldstad en nam ook terstond in de christelijke kerk -eene gewichtige plaats in. Paulus was wel niet de stichter der gemeente -aldaar, maar verlangde toch zeer haar te zien, en richtte aan haar zijn -grootsten en belangrijksten brief, Rom. 1:9v., 15:22v. Later verkeerde -hij er een tijdlang evenals Petrus, en beiden vonden er den marteldood. -Om haar milddadigheid en hulpvaardigheid ten opzichte van andere, -zwakke gemeenten werd ze spoedig beroemd, Ign. Rom. Euseb. H. E. IV -23, 10. VII 5, 2. Blijkens den eersten brief van Clemens droeg zij eene -moederlijke zorg voor de gemeente van Corinthe. Bij al de groote vragen, -die in de tweede en derde eeuw door Gnostiek en Montanisme aan de orde -kwamen, werd zij betrokken en legde het grootste gewicht in de schaal. -Daar werd omstreeks het midden der tweede eeuw de eerste bisschopslijst -vervaardigd; daar kwam de idee van de successie der bisschoppen en -van hun apostolische waardigheid op. Roomsch en katholiek stonden van -huis uit met elkaar in verbinding en ontwikkelden zich hand aan hand, -Harnack, D. G. I 400 f. De gemeente der wereldstad werd het middelpunt -der christelijke kerk. De centrale beteekenis, welke Rome had in het -heidensch keizerrijk, werd overgedragen op de gemeente en verhief haar -tot hoofd der gansche Christenheid. Dit principaat van de gemeente -te Rome droeg echter in den eersten tijd nog geen kerkrechtelijk, maar -slechts een zedelijk-godsdienstig karakter. Rome was prima inter pares; -alle andere gemeenten stonden met haar gelijk; alle bisschoppen hadden -met dien van Rome gelijken rang. Irenaeus zegt wel in de beroemde -plaats, adv. haer. III 3, dat elke kerk en alle geloovigen met de kerk -van Rome propter potiorem principalitatem overeenstemmen moeten, wijl -in haar de apostolische traditie zuiver is bewaard, maar hij haalt de -kerk van Rome toch bij wijze van voorbeeld aan, schrijft aan alle door -de apostelen gestichte kerken principalitas toe, en zegt alleen, dat -Rome eene potior principalitas bezit, wijl zij de grootste, de oudste, -de bekendste, de door de apostelen Paulus en Petrus gestichte kerk -is. Ook spreekt hij met geen woord van het primaat van Petrus noch ook -van den bisschop van Rome; allen nadruk legt hij op de kerk van Rome. -Later bestreed hij dan ook de excommunicatie, welke Victor I over de -Klein-Aziatische Quartodecimanen had uitgesproken, met het gevolg, -dat deze ze herroepen moest, Euseb. H. E. V 24. Deze oppositie moge -eene zaak van tucht gegolden hebben, zij bewijst toch de vrijmoedigheid -en zelfstandigheid van Irenaeus en anderen tegenover den bisschop van -Rome. Evenzoo stelt Tertullianus alle door de apostelen gestichte -kerken, Efeze, Corinthe, Philippi enz. op ééne lijn, al zegt hij ook, -dat Carthago in Rome hare autoriteit heeft en dat de apostelen in Rome -totam doctrinam cum sanguine suo profuderunt, de praescr. 36, cf. -20. de virg. vel. 2; in zijne montanistische periode bestreed hij het -edict van Calixtus over de wederopneming der gevallenen, noemde hem -spottend pontifex maximus, episcopus episcoporum, en zag daar eene -verregaande aanmatiging in, de pudic. 1. 13. 21. Ook Cyprianus staat -nog op hetzelfde standpunt; alle bisschoppen zijn gelijk, zijn eene en -dezelfde bisschoppelijke waardigheid deelachtig, zijn als het ware één -bisschop, staan aan het hoofd der kerk en moeten onderling caritas -animi, collegii honor, vinculum fidei et concordia sacerdotii bewaren, -Ep. 43, 5. 49, 2. 55, 24. 73, 26. de unit. eccl. 5. Daarom kwam hij in -den strijd over den ketterdoop tegen den bisschop van Rome, Stephanus, -nog in verzet, Ep. 71-74; de eenheid bewarend, is ieder bisschop toch -in zekere mate zelfstandig en alleen Gode verantwoordelijk, Ep. 72, 3. -Maar de bovengenoemde nieuwe opvatting van bet episcopaat moest uit -den aard der zaak aan Rome ten goede komen. Het zwaartepunt was uit -de gemeente in den bisschop verlegd. Deze werd beschouwd als opvolger -van de apostelen, als drager van den schat der waarheid en van de -apostolische macht. Indien dit zoo was, welke bisschop kon dan meer -aanspraken maken en meer rechten doen gelden dan de bisschop van Rome? -Geen kerk stond in macht en aanzien met die van Rome gelijk; zij liet ze -alle achter zich en streefde ze alle voorbij, de kerken van Palestina -en Klein-Azië, straks ook die van Antiochie en Alexandrie. En de -bisschoppen van Rome wisten van hun positie gebruik te maken en gingen -wat eerst zedelijke invloed was allengs vindiceeren als een recht. Toch -kwam het niet zoo spoedig tot erkenning van dit recht. Tertullianus -ontkende nog, dat Mt. 16:18 aan den bisschop van Rome eenige macht over -andere kerken gaf, wijl het alleen eene belofte aan Petrus behelsde, -de pudic. 21. Cyprianus legde wel sterken nadruk op de eenheid der -kerk en deed haar ook rusten op de identiteit der episcopale macht, -maar zag van die macht in de cathedra Petri te Rome toch niet meer dan -eene symbolische eenheid, de unit. 4. De Synode te Nicea stelde in -canon 6 de bisschoppen van Rome, Alexandrie en Antiochie nog gelijk, -kende aan de beide laatsten in hunne provinciën dezelfde ἐξουσια toe, -als de bisschop van Rome reeds in Italie bezat, ἐπειδη και τῳ ἐν τῃ -Ῥωμῃ ἐπισκοπῳ τουτο συνηθες ἐστιν en hield voor deze en ook nog voor -andere kerken het haar toekomend primaat, τα πρεσβεια of τα πρωτεια -vast. Na de ontwikkeling der bisschoppelijke macht in de derde eeuw -volgde die van de aartsbisschoppelijke of metropolitenwaardigheid in -de vierde eeuw; niet Rome alleen, maar vele kerken naast haar hadden -een zekeren voorrang of primaat in hare provinciën; de bisschoppen -werden in den loop der vierde eeuw aan de aartsbisschoppen onderworpen. -Het Oosten bleef steeds tegen het alles overheerschend primaat van -den bisschop van Rome zich verzetten. Naast Alexandrie en Antiochie -steeg sedert het midden der vierde eeuw Constantinopel hoe langer hoe -meer in kerkelijke macht. Het concilie van Constantinopel in 381 can. -2 zegt, dat de bisschop van Alexandrie alleen in Egypte kerkelijke -macht bezit, dat Antiochie de rechten houdt, welke volgens Nicea -eraan toekomen en dat de bisschoppen van het Oosten alleen het Oosten -zullen besturen. En nadat het alzoo de macht van den bisschop van -Alexandrie tot Egypte beperkt heeft, voegt het er in can. 3 aan toe, -τον Κονσταντινου πολεως ἐχειν τα πρεσβεια της τιμης μετα τον της Ῥωμης -ἐπισκοπον, δια το εἰναι αὐτην νεαν Ῥωμην. Na den bisschop van Rome -zal niet die van Alexandrie, al heeft hij ook de oudste rechten en de -oudste brieven, maar die van Constantinopel den voorrang der eere -hebben, niet op grond van eenig kerkelijk of geestelijk prerogatief, -maar alleen om de politieke overweging, dat Constantinopel het nieuwe -Rome is. Het Westen werd aan den bisschop van Rome overgelaten, maar -het Oosten weigerde zich voor hem te buigen en kwam meer en meer -onder de jurisdictie van Constantinopel te staan. Het concilie van -Chalcedon 451 can. 28 erkende den voorrang, τα πρεσβεια, van het -oudere Rome, omdat het de keizerstad was, δια το βασιλευειν την πολιν -ἐκεινην, maar schreef gelijken voorrang, τα ἰσα πρεσβεια, toe aan den -heiligen stoel van het nieuwe Rome. In weerwil van de protesten van -Rome, handhaafde Constantinopel zijne rechten. De pauselijke macht van -den bisschop van Rome berustte voor een groot deel op het politieke -aanzien der stad; deze zelfde aanspraken kon daarom Constantinopel -als tweede Rome laten gelden. De bisschop van Rome is daarom nooit -herder der gansche Christenheid geweest; hij werd het hoofd alleen van -de Westersche, Latijnsche Christenheid. En dit werd hij rechtens eerst -in de vierde eeuw. Reeds de later door de kerk niet erkende synode -van Sardika 343 droeg aan den bisschop van Rome de beslissing op, of, -ingeval een bisschop door eene synode was afgezet, eene nieuwe synode -al dan niet zou worden saamgeroepen. In het jaar 380 vaardigde keizer -Theodosius het beroemde edict uit, waarbij hij beval, cunctos populos, -quos clementiae nostrae regit temperamentum, in tali volumus religione -versari, quam divinum Petrum apostolum tradidisse Romanis religio usque -nunc ab ipso insinuata declarat. Bij de kerkvaders der vierde en vijfde -eeuw is er geen twijfel meer over, dat zij de gemeenschap met en de -onderwerping aan Rome noodzakelijk achten voor het wezen der kerk. Van -de kerk te Rome gaan alle rechten der kerkelijke gemeenschap uit, inde -enim in omnes venerandae communionis jura dimanant, Ambros. Ep. cl. 2 -ep 2. Ecclesiae salus in summi sacerdotis dignitate pendet, Hier. c. -Lucif. 9. Bij hem berust de onvervalschte overlevering der vaderen, hij -is lux mundi, sal terrae, aurea vasa et argentea, Hier. Ep. 15 ad Dam. -Roomsch is de maatstaf van het katholieke; indien Rufinus zich houdt -aan het geloof van Rome, is hij katholiek; si Romanam responderit, ergo -catholici sumus, Hier. c. Ruf. 1, 4. Als Innocentius I de besluiten der -synode van Carthago en Mileve tegen het pelagianisme bekrachtigd en -Pelagius en Coelestius veroordeeld heeft, zegt Augustinus: causa finita -est, utinam aliquando finiatur et error! Ep. 132 de script. Klaar en -welbewust ontwikkelt dan Leo I 440-461 dit primaat van den Roomschen -stoel in verschillende brieven en verheft het tot den rang en de waarde -van een godsdienstig dogma, dat in Mt. 16:18 zijn schriftuurlijken grond -bezat, cf. bij Heinrich, Dogm. Theol. II 325 f. - -Toen de ontwikkeling zoover was voortgeschreden, moest vanzelf de vraag -oprijzen, waaraan de paus zoo eminente plaats en zulk een hoog gezag -te danken had. In den oudkatholieken tijd, ook nog na de invoering van -het monarchisch episcopaat, viel de nadruk altijd op de plaatselijke -kerk; de kerk te Rome was door Petrus en Paulus gesticht, en had -daarom de zuiverste traditie; alle kerken moesten, om christelijk -en katholiek te zijn, in geloof overeenkomen met haar, Iren. adv. -haer. III 3. De bisschop was daarom van zijne gemeente afhankelijk, hij -werd door haar gekozen en ging in alle gewichtige zaken, vooral bij -excommunicatie, met haar te rade. Cyprianus zegt uitdrukkelijk in zijne -brieven aan het Carthaagsche presbyterium, dat hij niets wil doen sine -consilio vestro et sine consensu plebis, Ep. 14, 4. 17, 1. 3. 19, 2 -enz. In moeilijke gevallen werd de raad en hulp van afgevaardigden van -naburige gemeenten ingeroepen, Hd. 15:2, Const. Apost. c. 1, Clemens, -1 Cor. 63. Cypr. Ep. 17, 3; de oudste kerkelijke vergaderingen waren -gemeentevergaderingen, hoogstens door afgevaardigden van naburige -gemeenten bijgestaan. Maar toen de bisschop als opvolger der apostelen -beschouwd en juist hierdoor van allen onderscheiden werd, toen kon hij -niet meer door de gemeente gekozen worden noch van haar afhankelijk -zijn; hij moest zijn ambt van boven in den weg van successie ontvangen, -en dus door een synode van bisschoppen of door een kapittel benoemd -en geordend worden; hij had met de gemeente niet meer te raadplegen -maar was souverein en bepaalde alles alleen, hoogstens na overleg met -het uit het presbyteraat allengs zich ontwikkelend kapittel. En wat -alzoo sedert de vierde eeuw in de plaatselijke of dioecesale kerken -geschiedde, herhaalde zich op grooter schaal in de algemeene kerk. -Uit het episcopaat kwam in den loop der tijden het papale stelsel -voort, en de oude gemeentevergaderingen breidden zich tot synoden en -conciliën uit, die eerst ook nog wel uit presbyters, diakenen, lectores -maar dan vervolgens alleen uit bisschoppen als vertegenwoordigers -der gemeenten waren saamgesteld. Deze synoden beschouwden zich niet -als onfeilbaar; in de vierde eeuw doet telkens eene volgende synode -teniet, wat de vorige vastgesteld heeft; en ook droegen zij van dien -tijd af tot de 9e eeuw toe een staatkundig karakter, waren rijkssynoden -en werden door den keizer saamgeroepen, officieel of officieus geleid -en bekrachtigd. Maar de paus steeg in macht; als bisschop van Rome -en aartsbisschop van Italie had hij reeds macht, om provinciale en -landssynoden saam te roepen en te leiden, evenals andere bisschoppen -dat recht elders bezaten; sedert de 12e eeuw wist hij deze provinciale -en landssynoden, evenals de bisschop van Constantinopel dat al met zijne -συνοδοι ἐνδημουσαι voor de Grieksche kerk had gedaan, tot oecumenische -synoden der gansche Westersche kerk uit te breiden. De oecumenische -conciliën der Westersche Christenheid ontwikkelden zich dus uit -de Roomsche synoden, en werden daarom door den paus saamgeroepen, -geleid en bekrachtigd. Wel trachtten de reformatorische conciliën -in de 15e eeuw, onder den invloed der humanistische theorie van de -volkssuperioriteit, zich als vergaderingen van afgevaardigden der -gansche kerk onafhankelijk van den paus te maken en zich als onfeilbaar -boven hem te stellen. Maar de paus wist zich te handhaven ook tegenover -en boven de oecumenische synoden en moest daarom wel een prerogatief -deelachtig zijn, dat aan geen anderen bisschop geschonken was. Nadat van -de dagen van Irenaeus af reeds langen tijd overeenstemming in geloof -met de kerk te Rome voor het wezen der christelijke kerken noodzakelijk -werd geacht, wijl daar met de rechtmatige successie het charisma -veritatis certum berustte, werd het allengs hoe langer hoe klaarder -uitgesproken, dat deze indefectibilitas der kerk van Rome haar grond -had in eene bijzondere gave, welke door den H. Geest aan den bisschop -van Rome, als opvolger van Petrus, geschonken werd. Eerst werd daarbij -nog de nadruk op de kerk te Rome gelegd; deze kon niet afvallen, wijl -zij door de apostelen Petrus en Paulus was gesticht en voortdurend -door hunne wettige opvolgers werd geleid. Zoo zegt Irenaeus van de -presbyteri, dat zij cum episcopatus successione charisma veritatis -certum secundum placitum Patris acceperunt, adv. haer. IV 26. Maar -dit gaf geen waarborg genoeg, vooral toen vele kerken in weerwil van -hare apostolische stichting met hare rechtmatig opvolgende bisschoppen -afvielen en geheel verdwenen. Daarom werd hoe langer hoe meer de grond -voor de indefectibilitas der kerk te Rome daarin gezocht, dat aan -haar hoofd een bisschop stond, die als opvolger van den ook onder de -apostelen eene gansch bijzondere plaats innemenden Petrus eene bijzondere -gave en leiding des H. Geestes deelachtig was. Augustinus leidde de -onwankelbaarheid van Petrus’ geloof uit de voorbede van Christus af, -Luk. 22:32, de corr. et gr. 8. Ephraem Syrus zeide in zijne lofrede -op Petrus, Paulus en Andreas: lucerna Christus, candelabrum est -Petrus, oleum autem subministratio S. Spiritus. Leo de Groote sprak -in zijn brief aan de bisschoppen der kerkelijke provincie Vienna van -een mirabile munus gratiae, waardoor de bouw van den eeuwigen tempel -op de vastheid van Petrus bevestigd wordt, en verklaarde elders, -dat de stoel van Petrus tanta divinitus soliditate munita est, ut -eam neque haeretica unquam perrumpere pravitas, nec pagana potuerit -superare perfidia. Paus Hormisdas getuigde in zijn libellus van het -jaar 516, dat de waarheid van de belofte van Christus aan Petrus door -de feiten bevestigd wordt, quia in sede apostolica immaculata est -semper catholica servata religio. Evenzoo verklaarde Paus Agatho in -een schrijven aan de keizers van het jaar 680, dat de kerk te Rome door -de genade Gods en de bescherming van Christus nooit van den weg der -waarheid is afgeweken en ook krachtens de belofte des Heeren daarvan -nooit afwijken zal. Het was dus geen nieuwigheid meer, als Gregorius VII -in zijn Dictatus Papae uitsprak: Romana ecclesia nunquam erravit, nec -in perpetuum Scriptura testante errabit, en Bonifacius VIII in de bul -Unam Sanctam 1302 decreteerde: subesse Romano Pontifici omni humanae -creaturae declaramus, definimus et pronunciamus esse de necessitate -salutis, cf. bij Heinrich, Dogm. Theol. II 357 f. Met deze practijk en -theorie der pausen stemden de theologen overeen. Sommigen, zooals Beda, -Alcuinus, Paschasius, Radbertus, Damiani, Anselmus, Lombardus, Sent. -IV dist. 24 enz. spreken nog maar in het voorbijgaan en met enkele -woorden over het gezag van den paus; zelfs is dat nog het geval bij -Thomas, C. Gent. IV 76. S. Theol. II 2 qu. 1 art. 10. qu. 11 art. 2. -Sent. IV dist. 7 qu. 3 art. 1. dist. 20 qu. 1 art. 4 enz. (cf. Leitner, -Der h. Thomas v. Aq. über das unfehlbare Lehramt des Papstes 1872) en -Bonaventura, Breviloquium adjectis illustrationibus ex aliis operibus -ejusdem S. Doct. depromptis opera et studio Ant. Mar. de Vicetia, Frib. -1881 VI c. 12. Maar de verschillende pogingen, die van de 14e tot de -16e eeuw tot reformatie der kerk werden aangewend, brachten Rome tot -zelfbewustzijn. Het eigenlijke papalisme of curialisme trad op, sprak de -plenitudo potestatis en de onfeilbaarheid van den paus duidelijk uit -en ontwikkelde haar menigmaal tot in haar uiterste consequentiën toe. -Canus, Loci theol. lib. 6. Bellarminus, de summo pontifice, in Tom. I -zijner Controv. p. 188-255. Becanus, Manuale Controv. I c. 4. Theol. -Wirceb. ed. 3 Paris. 1880 I 267 sq. Joseph de Maistre, Du pape 1819. -Perrone, Prael. Theol. 1843 VIII 295-536. Heinrich, Dogm. Theol. II -163-476. Scheeben, I 220 f. IV 397-458. Simar, Dogm. 598 f. Jansen, -Prael. Theol. I 512-658. Ermann, De Paus, Utrecht 1899 enz. Den 18e -Juli 1870 werd op het Vaticaansch concilie de constitutio dogmatica de -ecclesia Christi aangenomen, en daarbij bepaald: 1º dat het primatus -jurisdictionis in universam Dei ecclesiam onmiddellijk en rechtstreeks -door Christus aan Petrus beloofd en opgedragen is; 2º dat dit primaat -van Petrus in den bisschop van Rome als zijn opvolger voortduurt; 3º -dat dit primaat van den paus bestaat in plena et suprema potestas -jurisdictionis in universam ecclesiam, non solum in rebus, quae ad -fidem et mores, sed etiam in iis, quae ad disciplinam et regimen -ecclesiae per totum orbem diffusae pertinent, zoodat hij judex supremus -fidelium is, in alle zaken, die de kerken raken, de hoogste beslissing -heeft, boven aller oordeel verheven en aan geen concilie onderworpen -is; 4º dat in dit primaat ook begrepen is suprema magisterii potestas, -zoodat de paus wel geen nieuwe openbaringen ontvangt en alleen onder de -leiding des H. Geestes de overgeleverde openbaring zuiver bewaart en -uitlegt, maar toch dit zoo doet, dat hij, wanneer hij ex cathedra spreekt -en als Herder en Leeraar van alle Christenen eene leer over geloof -of zeden vaststelt, door Goddelijke ondersteuning de onfeilbaarheid -deelachtig is, uit zichzelven en niet eerst tengevolge van de -toestemming der kerk. Cf. Acta et decreta sacr. conc. rec. Collectio -Lacensis VII Friburg 1890 p. 262-498. - - -5. Ofschoon deze hierarchische kerkregeering in haar oorsprong veel -ouder is, dan vroegere Protestanten geneigd waren te erkennen en -zelfs tot den aanvang der tweede eeuw teruggaat; ofschoon zij door -den logischen gang harer ontwikkeling en door het imposante van -hare verschijning nooit nalaat, indruk te maken; zij is desniettemin -in beginsel en wezen met de regeering, welke Christus aan zijne kerk -heeft geschonken, in lijnrechten strijd. _Ten eerste_ toch wordt de -onderscheiding van clerus en leeken, die aan deze hierarchie ten -grondslag ligt, in het N. T. nergens geleerd en door de inrichting der -kerk der eerste eeuw ten stelligste weersproken. Rome beroept zich -wel, behalve op de convenientia, op het O. T. priesterschap, op de -ambten, welke Christus in zijne kerk ingesteld heeft, en op de macht, -welke Hij daaraan toebetrouwd heeft. Maar dit bewijst niet hetgeen -bewezen moet worden. De Schrift maakt zeer zeker onderscheid tusschen -herders en kudde, bouwers en tempel, planters en akkerwerk, leeraars en -discipelen, voorgangers en volgelingen enz.; indien met de namen clerus -en leeken geen andere dan deze onderscheiding bedoeld werd, zouden zij -zonder schade gebruikt kunnen worden. Maar het gebruik heeft er een -gansch anderen zin aan gehecht. Clerus is in de Roomsche kerk de naam -geworden van eene bijzondere klasse van kerkelijke personen, die door -tonsuur en wijding van alle anderen afgezonderd zijn, een eigen stand -van „geestelijken” vormen, in gansch bijzonderen zin het eigendom Gods -zijn, met eene volstrekte souvereine macht over het volk zijn toegerust, -en voor de leeken tot noodzakelijke en onmisbare middelaars des heils -verstrekken, Cat. Rom. II 7, 13. Zulk een stand nu kent de Schrift -niet. Zelfs op het Oude Testament is de tegenstelling van clerus en -leeken niet toepasselijk; het gansche volk was clerus, eigendom en -erve des Heeren, een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk, Ex. -19:5, 6, Deut. 7:6, 14:2, 26:18, 32:9, 1 Kon. 8:51, 53, Ps. 135:4, -Jes. 19:25, 41:8, Jer. 12:7, 8, Joel 2:17 enz.; de priesterschap, die -niet benoemd maar krachtens afstamming uit Aäron tot dezen dienst -geroepen werd, was toch ten strengste aan de wet Gods gebonden, -Lev. 10:11 en aan het oordeel der profeten onderworpen, Jes. 28:7, -Jer. 1:18, 2:26, 6:13, Ezech. 22:26, Hos. 4:9 enz., Israel was eene -theocratie doch geen hierarchie. Veel minder is er nog in het N. T. -van een clerus sprake: de H. Geest is op allen uitgestort, Hd. 2:17, -en nu zijn allen πνευματικοι, Rom. 8:14, 1 Cor. 2:15, 3:1, Gal. 5:25, -6:1, de zalving deelachtig, 1 Joh. 2:27, een koninklijk priesterdom, -1 Petr. 2:5, 9, eene gemeente van heiligen en geroepenen, Rom. 1:7, -een volk en eigendom Gods, 2 Cor. 6:16, 1 Petr. 2:10, Hebr. 12:22-24. -Nergens maakt het N. T. gewag van een bijzonder priesterambt, door de -dienaren der kerk waar te nemen, of van eene bijzondere offerande, -door hen te offeren; het ambt in de kerk van Christus is geen -magisterium maar een ministerium, geen ἱεραρχια maar een ἱεροδουλεια, -een διακονια, οἰκονομια, welke alle heerschappij over het erfdeel -des Heeren (των κληρων, 1 Petr 5:3, d. i. de aan de presbyters ter -verzorging toevertrouwde gemeenten) ten eenenmale buitensluit, Mt. -20:25, 26, 1 Cor. 3:5, 4:1, 2 Cor. 4:1, 2, Ef. 4:12. Cf. Luthers leer -over het algemeene priesterschap der geloovigen bij Köstlin, Luthers -Theol. I 316. 376. II 538. Gerhard, Loci Theol. Loc. 23 § 37. Calvijn, -Inst. IV 4, 9. 12, 1. Comm. op 1 Petr. 5:3. Junius, Op. II 1181. -Amesius, Bellarminus enervatus III c. 1. Voetius, Pol. Eccl. III p. 2. -Cappellus, Synt. thesium theol. in Acad. Salmur. III p. 272-279. M. -Vitringa IX 1 p. 423-437. Art. Geistliche van Caspari in Herzog³. - -_Ten tweede_ leert desniettemin de H. Schrift zeer duidelijk, dat -Christus in zijne gemeente niet alleen gaven uitdeelt, maar ook bepaalde -ambten ingesteld heeft, buitengewone zooals die van apostel, profeet -en evangelist, en gewone zooals die van ouderling en diaken. Over -het episcopaat is daarbij het grootste verschil. Grieken, Roomschen -(ook Gallikanen en Oudkatholieken) en Anglikanen houden dit voor een -ambt, dat wezenlijk en jure divino van het presbyteraat onderscheiden, -door wettige en onafgebroken successie van het apostolaat afstamt -en bepaaldelijk de potestas magisterii, jurisdictionis en ordinis -bezit; de bisschoppen hebben eigenlijk alleen het leerambt, de macht -om te prediken en de sacramenten te bedienen, zij bedienen zich -daarbij van de priesters (pastoors) als hunne vicarii, en hebben het -uitsluitend recht der zending en ordening; patriarchen, metropolieten, -aartsbisschoppen dragen geen ander ambt maar zijn van de bisschoppen -alleen door eene toevallige macht, door jurisdictie over een grooter -gebied enz. onderscheiden. Bewijzen uit de H. Schrift zijn voor -deze onderscheiding alleen te ontleenen aan de ambten, die door -Timotheus, Titus e. a. werden bekleed, en aan den ἀγγελος in de zeven -Klein-Aziatische gemeenten, Op. 1:20. Maar Timotheus en vele anderen -waren in dien eersten tijd door de apostelen tot het buitengewone ambt -van evangelist geroepen, boven bl. 66; en de engelen der gemeenten -waren geen anderen dan de eersten onder hunne gelijken, zooals de -pastores thans, zoodat de singularis in Openb. 2:10, 23, 24 ook met -den pluralis afwisselt. Bellarminus, de membris eccl. milit. I c. -14, Petavius, de eccl. hierarchia I c. 2 e. a. gewagen dan ook niet -van Schriftuurlijke argumenten, maar beroepen zich op de traditie bij -Irenaeus, Tertullianus, Eusebius enz., die zeggen, dat de apostelen -in verschillende gemeenten een bisschop aanstelden en van sommige -gemeenten de bisschopslijsten opgeven. Maar al is het monarchisch -episcopaat ook zeer spoedig in de kerk opgekomen, er is daarin toch -duidelijk eene afwijking te zien van de ordeningen der apostelen. -Immers het N. T. weet nog niets van een ambtelijk onderscheid tusschen -ἐπισκοπος, en πρεσβυτεροs. Ofschoon de naam πρεσβυτεροι in den eersten -tijd waarschijnlijk eene ruimere beteekenis had, en soms ook de oude en -eerwaardige leden der gemeente aanduidde, als ambtsnaam was hij toch -met dien der ἐπισκοποι identisch. Immers waren er in de gemeenten -vele ἐπισκοποι, Hd. 20:17, 28, Phil. 1:1; en dit επισκοπειν was juist -aan πρεσβυτεροι opgedragen, Hd. 20:17, 28, 1 Tim. 3:1-7, 5:17, Tit. -1:5, 7, 1 Petr. 5:1-3; Petrus noemt zich daarom ook een πρεσβυτερος, -1 Petr. 5:1; van eene bijzondere instelling van het episcopaat naast -het presbyteraat weet het N. T. dan ook niets; behalve de buitengewone -ambten van apostel, profeet en evangelist, zijn er maar twee gewone -ambten, dat van diakenen en dat van πρεσβυτεροι, Phil. 1:1, 1 Tim. -3:1, 8, ποιμενες και διδασκαλοι, Ef. 4:11, 1 Tim. 5:17, κυβερνησεις, -1 Cor. 12:28, προισταμενοι, Rom. 12:8, 1 Thess. 5:12, ἡγουμενοι, -Hebr. 13:7, 17. Deze getuigenissen der Schrift zijn zoo sterk, dat -niet alleen Aerius in de 4e eeuw, de Waldenzen, Wiclef, de Hervormers -enz., het presbyterale en episcopale ambt identisch noemden, maar ook -vele kerkvaders, zooals Theodoretus, Chrysostomus, Epiphanius e. a. -zich gedrongen zagen tot de erkentenis, dat in het N. T. de namen van -presbyter en episcopus door elkander werden gebruikt; en Hieronymus, -Ep. 65 ad Evagrium en Comm. op Tit. 1:5 zegt zelfs, dat presbyteri -en episcopi oorspronkelijk gelijk waren, doch dat er later één uit hen -over de anderen gesteld werd, in schismatis remedium, bij Petavius, -Dissert. eccles. I c. 1-3, cf. ook Lombardus, Sent. IV dist. 24, 9. De -Roomschen kunnen met de Schrift op dit punt niet in het reine komen. -Volgens Hd. 20:17, 28, Phil. 1:1 waren er ongetwijfeld onderscheidene -episcopi in ééne gemeente; maar de Roomschen kunnen dit niet erkennen -en zeggen daarom, dat de apostelen soms aan de presbyteri tegelijk de -episcopale wijding gaven (Petavius) of dat daaronder tegelijk de episcopi -der naburige gemeenten begrepen zijn (Franzelin), of dat de namen van -presbyteri en episcopi nog niet onderscheiden waren, Scheeben, Dogm. -IV 395. Ermann, de Paus, 2e ged. 96. In het laatste geval is echter -het beweerde verschil tusschen het presbyterale en episcopale ambt -niet te handhaven. Bij deze getuigenis der Schrift komt dan nog de les -der historie, dat het Roomsche episcopaat de wortel is der hierarchie, -den weg tot het pausdom opent, de ongelijkheid der gemeenten meebrengt -en de geloovigen van de ambten slaafs afhankelijk maakt. Ook dit alles -is met de Schrift ten eenenmale in strijd. Eene hierarchie is er in -de kerk van Christus niet, Luk. 22:25, 26, 2 Cor. 1:24, 1 Petr. 5:3; -eene dioecesane, cathedrale, patriarchale of metropolitaansche kerk -bestaat er niet, want alle gemeenten zijn in het N. T. gelijk en hebben -elk haar eigen ἐπισκοποι; en nergens wordt aan de geloovigen bevolen, -om naar de legitima successio van hare dienaren onderzoek te doen maar -om de Schrift te onderzoeken, in de leer te blijven enz., Joh. 5:39, Hd. -17:11, 1 Tim. 4:13-16, 2 Tim. 1:13, 14, 3:14-17; wettelijke opvolging -waarborgt niet de zuiverheid der leer, Joh. 8:39, Rom. 2:28, 9:6, en -zou de zaligheid afhankelijk maken van bepaalde personen en van een -onpractisch, feilbaar en dikwerf zelfs onmogelijk historisch onderzoek. -Om deze redenen werd het episcopaat door de Hervormers eenparig -verworpen. Wel waren de Lutherschen bereid, om het recht, dat het -secundum ecclesiasticam politiam verkregen had, te erkennen, indien het -wezenlijke in het bisschoppelijk ambt maar bleef het op goddelijk recht -berustend ministerium verbi et sacramentorum, Symb. Bücher ed. Müller -p. 62. 205. 286. 340. Ook werd de naam van bisschop soms behouden -en op den landsheer overgedragen, of ook werd wel in enkele zoowel -Gereformeerde als Luthersche kerken één uit een kring van dienaren -onder den naam van bisschop of superintendent met de inspectie over -een groep van gemeenten belast. Calvijn en vele anderen, Knox, a Lasco, -Saravia, Tilenus, Scultetus, Bochartus, Spanheim enz. hadden daartegen -geen overwegend bezwaar, M. Vitringa IX p. 210 sq. Maar dit was toch -iets wezenlijk anders dan het bisschoppelijk ambt in de Roomsche kerk, -dat volgens het concilie te Trente essentieel van het presbyteraat -verschilt, op goddelijk recht berust en in de 17e eeuw ook in de -Anglikaansche kerk ingevoerd en verdedigd werd. Cf. Calvijn, Inst. IV -3, 8. 4, 2 sq. 5, 1 sq. Beza, Responsio ad tractationem de ministrorum -evangelii gradibus ab Hadriano Saravia editam, 1592. Thomas Cartwright, -† 1603, A directory for church government 1644. William Bradshaw, -† 1618, English Puritanism, containing the main opinions of the -rigidest sort of those called Puritans in the realm of England 1604. -David Calderwood, Altare Damascenum seu politica ecclesiastica obtrusa -ecclesiae Scoticanae 1621. Robert Parker, De politica ecclesiastica -Christi 1616. Smectymnus, een antwoord op Hall’s Episcopacy door -Stephen Marshal, Edmund Calamy, Thomas Young, Matthew Newcomen en -William Spurstow 1641. Blondel, Apologia pro sententia Hieronymi de -episcopis et presbyteris, 1646. Voetius, Pol. Eccl. III 832-869. -Maresius, Examen quaestionis de episcoporum origine 1657. Cappellus, -Synt. thes. theol. in acad. Salm. III 296. Buddeus, de origine et -potestate episcoporum, Misc. Saera I 131. M. Vitringa IX 1 p. 141-229. - -_Ten derde_ staat volgens de H. Schrift vast, dat het apostolaat -een exceptioneel, tijdelijk en onvernieuwbaar ambt is geweest in de -gemeente des N. T. Ook al ware het episcopaat een ander ambt dan het -presbyteraat, er zou toch volstrekt niet uit volgen, dat het met het -apostolaat identisch en daarvan de voortzetting was. Natuurlijk kan wel -in goeden zin gezegd worden, dat de episcopi of presbyteri opvolgers -der apostelen zijn, want dezen stelden hen aan in al de gemeenten, -welke zij stichtten, en droegen de verzorging dier gemeenten aan hen -op. Maar dat neemt het groote en wezenlijke onderscheid tusschen beiden -niet weg. Ook van Roomsche zijde kan dit onderscheid niet worden -uitgewischt. Immers de apostelen deelden in eene gansch bijzondere -leiding des H. Geestes, en droegen een ambt, dat tot heel de kerk, ja -tot de gansche wereld, Mt. 28:20 zich uitstrekte. Maar hunne opvolgers, -ook al zouden zij bisschoppen geweest zijn in Roomschen zin, hebben -zulk een ambt geenszins; zij zijn ook volgens Rome niet onfeilbaar en -zij hebben de zorg slechts over een klein gedeelte der kerk, over eene -dioecese, Schwane D. G. IV 267. 285. 294. Simar, Dogm. 612. Heinrich, -Dogm. II 247. Ermann, De Paus, 2e gedeelte 89v. Doch het onderscheid -is nog sterker; de apostelen waren oor- en ooggetuigen van Jezus’ -woorden en daden, zij werden onmiddellijk door Christus zelven tot hun -ambt geroepen, ontvingen den H. Geest in bijzondere mate, hadden eene -geheel eenige taak, n.l. om den grondslag der kerk te leggen en in hun -woord het blijvend middel der gemeenschap tusschen Christus, en zijne -gemeente te bieden. In dit alles zijn zij van alle anderen onderscheiden, -staan zij hoog boven al hunne navolgers, en bekleeden zij een ambt, dat -onoverdraagbaar en onvernieuwbaar is. De buitengewone gaven, waarin zij -mochten deelen, worden aan geen andere dienaren in de kerk geschonken. -Als apostelen in eigenlijken zin hebben zij geen opvolgers, al is het -ook, dat de leiding der gemeente, waartoe zij geroepen waren, ook op -andere wijze en in beperkter kring aan anderen na hen toebetrouwd is. - -_Ten vierde_ is er in de Schrift geen bewijs voor te vinden, dat het -primaat van Petrus wederom essentieel van het apostolaat, dat hij -met dezelven gemeen had, onderscheiden was. Ook Roomsche theologen -erkennen, dat al wat de Schrift verhaalt van den voorrang van Petrus -boven de andere apostelen, nog niet in staat is, om zijn primatus -jurisdictionis over de andere apostelen te bewijzen, Scheeben-Atzberger, -Dogm. IV 405. De sedes doctrinae voor deze leer zijn alleen Mt. 16:18, -Luk. 22:32 en Joh. 21:15-17. Maar ook deze houden niet in, wat Rome -eruit afleidt. Mt. 16:18 leert, dat Petrus door zijne belijdenis de rots -is, waarop Christus zijne gemeente bouwt. Dit is natuurlijk beeldspraak -en geeft zonder beeld toch niet minder maar ook niet anders te kennen, -dan dat Christus van den persoon van Petrus als den getrouwen belijder -zich bedienen zou, om zijne gemeente te vergaderen. In de gemeente -als het gebouw Gods zijn de geloovigen de levende steenen, die op de -apostelen als de fundamentsteenen worden opgebouwd. Die plaats neemt -Petrus in het Godsgebouw in, en hij niet alleen, maar al de apostelen -met hem. Want Petrus legde de belijdenis van Jezus’ Messianiteit af in -aller naam, Mt. 16:15, 16; al sprak hij haar het eerst en het klaarst -uit, hij gaf toch uiting aan wat onbewust in aller hart leefde; en -niet alleen Petrus doch alle apostelen legden door deze belijdenis, -welke zij straks in het midden der wereld verkondigden, den grondslag -der kerk van Christus; in beeld gesproken, waren zij dus allen met -Petrus de rots, op welke Christus zijne kerk bouwde, of ook is, met -eene andere toepassing van hetzelfde beeld, Christus de rots, welke -de apostelen samen door hunne verkondiging legden tot grondslag der -gemeente, Hd. 4:11, Rom. 9:33, 1 Cor. 3:10, 11, Ef. 2:20, 1 Petr. -2:5, 6, Op. 21:14. De sleutelmacht, welke Petrus om zijne kloeke -belijdenis reeds Mt. 16:19 ontvangt, wordt 18:18, Joh. 20:23 aan alle -apostelen verleend. De bijzondere bekwaammaking en leiding des H. -Geestes was niet alleen het deel van Petrus maar gelijkelijk van alle -apostelen, Mt. 10:20, Joh. 14:26, 15:26, 16:13, 20:22, Hd. 1:8, Ef. -3:5. Door de handhaving van het apostolaat als een exceptioneel en -onoverdraagbaar ambt laat de Reformatie aan al deze teksten, ook aan -Mt. 16:18, veel meer recht wedervaren dan Rome. De apostelen zijn en -blijven de grondleggers der kerk; zij zijn door hun belijdenis de rots -der gemeente; geen gemeenschap met Christus dan door de gemeenschap -met hun getuigenis! Wat de andere plaats, Luk. 22:32 betreft, Jezus -zegt daar tot zijne jongeren, dat Satan hen allen, ἱμας in plur., zal -trachten tot verloochening van hun Meester te brengen, maar dat Hij -bepaaldelijk voor Petrus, περι σου in sing., bidden zal, dat zijn geloof -niet ophoude. Petrus zou dit vóór allen noodig hebben, omdat hij zijn -Meester het eerst en het sterkst verloochenen zou. Dat zijn geloof dan -niet ophoudt, zal hij alleen aan eene geheel bijzondere voorbede van -Jezus te danken hebben. En als hij dan door dat gebed van Jezus bewaard -zal blijven en uit zijn val weder zal opstaan, dan zal hij, door de -beproeving geleerd en in zijn geloof bevestigd, juist zijne broederen -kunnen sterken, als dezen later misschien eens in hun geloof zullen -wankelen. Gelijk van Paulus met hetzelfde woord, στηριζω, gezegd wordt, -dat hij de discipelen sterkte, Hd. 18:23, cf. Rom. 1:11, 16:25, 1 Thess. -3:2, 13, 2 Thess. 3:3, 1 Petr. 5:10, zoo wordt hier aan Petrus beloofd, -dat hij later zijn broederen tot bemoediging, volharding, bevestiging -dienen zal. Van dezen heerlijken, geestelijken steun maakt het wettische -Rome een primatus jurisdictionis! In Joh. 21:15-17 eindelijk wordt -Petrus hersteld in den rang, dien hij vroeger met en onder de apostelen -ingenomen had. Hij ontvangt geen nieuw ambt, uitgaande boven dat, -hetwelk hij vroeger bezat. Want de aanspraak met den naam van Simon, -Jona’s zoon, de drievoudige vraag en de omstandigheden, waarbij dit -voorval plaats had, bewijzen onweerlegbaar, dat Petrus alleen hersteld -wordt in den rang, dien hij door zijne verloochening van Jezus verbeurd -had, dus in het apostolaat en in het primatus honoris, dat hem vroeger -reeds geschonken was. En zoo ook wordt hem, als Jezus hem weder de -zorg en leiding van zijne kudde in het algemeen en van de schapen in -het bijzonder toevertrouwt, geen andere werkzaamheid opgedragen, dan -die in het apostolaat als zoodanig lag opgesloten en dus ook aan alle -andere apostelen toekwam, Mt. 28:19, Mk. 16:15, 2 Cor. 11:28. De -voorrang, dien Petrus onder de apostelen genoot, nam dan ook ganschelijk -niet weg, dat hij door Jezus, dien hij afhouden wilde van zijn aanstaand -lijden, als een satan en ergernis teruggewezen wordt, Mt. 16:23, om -zijne zelfverheffing boven de andere apostelen vernederd wordt, Joh. -21:15, om zijn onoprechtheid in Antiochie door Paulus bestraft wordt, -Gal. 2:11, met Johannes door de andere apostelen naar Samarie gezonden -wordt, Hd. 8:14, over Paulus hoegenaamd geen jurisdictie had, Gal. 2:6, -9, nooit in de Schrift afzonderlijk als hoofd en vorst der apostelen -genoemd wordt, 1 Cor. 12:28, Ef. 2:20, 4:11, Op. 21:14, en zelf de -bewaring der geloovigen alleen aan de kracht Gods toeschrijft, zichzelf -een συμπρεσβυτερος noemt en tegen een heerschappij voeren over de -gemeenten waarschuwt, 1 Petr. 1:5, 5:1, 3. - -_Ten vijfde._ Maar al zou de Schrift aan Petrus ook een primaat in -Roomschen zin toeschrijven, wat echter geenszins het geval is, dan zou -daarmede nog niets gewonnen zijn voor het primaat van den bisschop van -Rome. Want hiertoe moet er nog heel wat meer bewezen worden, n.l. 1º -dat Petrus te Rome geweest is, 2º dat hij daar het ambt van bisschop en -primas heeft bekleed, en 3º dat hij met bewustheid en opzet deze beide -ambten aan één bepaalden opvolger heeft overgedragen. Nu is het, in den -laatsten tijd door Baur en Lipsius, ten onrechte bestreden, dat Petrus -in Rome geweest is. Indien 1 Petr. 5:13 al niet beslist, waar volgens -velen bij Babylon aan Rome moet gedacht worden, dan is de getuigenis der -traditie, van den eersten tijd af, bij Clemens Rom., Ignatius, Marcion, -Dionysius van Corinthe, Irenaeus, Canon Murat., Cajus, Tertullianus, -Hippolytus, Origenes, Lactantius enz. zoo vaststaand en eenstemmig, -dat haar waarheid redelijkerwijs niet te betwijfelen valt. Ook mag -geacht worden vast te staan, dat Petrus in het jaar 64 onder Nero -als martelaar gestorven is, hetzij in hetzelfde jaar met of een paar -jaren vóór Paulus. Op. 18:20, cf. 17:6, 19:2 wijst erop, dat Rome het -bloed van apostelen vergoten heeft, en de genoemde oud-christelijke -schrijvers zeggen allen eenparig, dat Petrus en Paulus in Rome, soms met -de nadere tijdsbepaling, onder Nero, den marteldood hebben ondergaan. -Maar volstrekt onbewijsbaar is, dat Petrus 20 à 25 jaren in Rome heeft -vertoefd, dat hij bisschop der gemeente aldaar en primas der gansche -kerk is geweest, en dat Linus in episcopaat en primaat hem opgevolgd -is. Immers, 1º Hand. 12:17 bericht, dat Petrus Jeruzalem verliet, niet -lang vóór den dood van Herodes, vs. 23, die in het jaar 44 stierf. Dat -hij toen naar Rome is gegaan, is niets dan een vermoeden en mist allen -grond. Maar indien dit ook zoo ware, dan zou daarbij aan niets anders -dan aan een kort bezoek te Rome gedacht kunnen worden, evenals hij toen -volgens Harnack misschien ook in Corinthe is geweest, 1 Cor. 1-3, 9:5; -in elk geval was Petrus bij de synode in Hd. 15, dat is in het jaar -47, in Jeruzalem terug. 2º In den brief, dien Paulus van Corinthe uit -ongeveer het jaar 54-58 aan de gemeente te Rome schreef, wordt met -geen enkel woord van Petrus’ verblijf en arbeid te Rome gewag gemaakt; -evenmin geschiedt dit in de brieven aan Philemon, Colosse, Efeze, welke -Paulus waarschijnlijk, noch in dien aan Philippi, welken hij zeker uit -Rome schreef in de jaren 57-58 of 61-63; en ook Petrus maakt in zijn -eersten brief, dien hij uit Babylon, 1 Petr. 5:13, dat is misschien -Rome, schreef, met geen woord van Paulus melding, zoodat Zahn vermoedt, -dat Petrus juist in Rome geweest is tusschen de eerste en tweede -gevangenschap van Paulus in, toen deze op reis was naar Spanje, en daar -in het jaar 64 onder Nero en een paar jaren vóór Paulus den marteldood -heeft ondergaan. Niet langer dan een halfjaar of een jaar heeft Petrus -dus in Rome vertoefd. 3º In overeenstemming met deze feiten noemt de -oudste traditie Petrus en Paulus steeds naast elkaar en zegt, dat niet -Petrus alleen, maar Petrus en Paulus de gemeente te Rome gesticht en -bevestigd hebben, Clemens 1 Cor. 5. Cajus en Dionysius van Corinthe bij -Euseb. Hist. eccl. II 25, 7. 8. Ignatius, ad Rom. 4. Iren. adv. haer. -III 1, 1. 3, 1-3. Tert. de praescr. 36. Van een jarenlang verblijf en -van een episcopaat van Petrus te Rome weten deze oude geschiedenissen -niets. Integendeel, volgens den brief van Clemens uit de jaren 93-95, -den in Rome omstreeks 100 of 135-145 geschreven Pastor van Hermas, en -den brief van Ignatius aan de Romeinen bestond toentertijd, dat is in -elk geval omstreeks het einde der eerste eeuw, in Rome het monarchisch -episcopaat nog niet, maar werd de gemeente geleid door een college -van presbyters of episcopi. Uit de bisschopslijsten bij Hegesippus, -Irenaeus, ’t Murat. fragment, Hippolytus, Tertullianus, Epiphanius -blijkt, dat men op het einde der tweede en zelfs in het begin der derde -eeuw Petrus nog niet als bisschop van Rome beschouwd heeft. De gewone -voorstelling was toen nog deze, dat Petrus en Paulus de gemeente hadden -gesticht en aan Linus den dienst van het episcopaat hadden opgedragen, -Iren. adv. haer. III 3. En vanaf Linus als eersten bisschop worden dan -de volgende als tweede, derde enz. aangeduid, zoo, dat de apostelen -Petrus en Paulus als εὐαγγελιζομενοι και θεμελιουντες την ἐκκλησιαν, -ib. III 1, 1 aan hen allen voorafgegaan zijn, en de bisschoppen na hen -gekomen en elkander opgevolgd zijn ἀπο των ἀποστολων, d. i. van den -tijd der apostelen af, Iren. I 27, 1. Euseb. Hist. Eccl. V praef., 28, -3. Epiph. haer. 42, 1. 4º Eerst in den tijd van Victor of Zephyrinus, -180-217 is deze oude traditie zoo gewijzigd, dat Paulus hoe langer hoe -meer zijn aandeel in de stichting en bevestiging van de gemeente te Rome -verloor en Petrus uitsluitend als de insteller van het episcopaat en -daarna ook als de eerste bisschop van Rome voorgesteld werd. Volgens -Tertullianus, de pudic. 21 noemde Calixtus zich reeds bisschop op den -stoel van Petrus. Stephanus beweerde, per successionem cathedram Petri -habere, Cypr. Ep. 71, 3. 75, 17. En Cyprianus duidde den stoel van den -bisschop te Rome doorloopend als de cathedra Petri aan, Ep. 55, 8. 59, -14. Omstreeks dienzelfden tijd kwam ook eerst de legende op, dat Petrus -20 of 25 jaren lang in Rome gearbeid had en er zoolang bisschop was -geweest. Eusebius spreekt in zijne kerkgeschiedenis nog niet van Petrus -als bisschop en noemt Petrus en Paulus nog naast elkaar, III 2, maar -noemt III 4, 9 Petrus alleen en zegt II 14, 6, dat Petrus reeds onder -keizer Claudius naar Rome is gekomen, om Simon Magus te bestrijden. -Hier wordt tegelijk de oorsprong der legende ontdekt. Reeds vóór het -midden der tweede eeuw gold het in Rome als een feit, dat Simon Magus -onder Claudius naar Rome was gekomen. De omstreeks 160 ontstane Acta -Petri leerden in aansluiting aan Hd. 8, dat Petrus en Simon Magus veel -met elkaar hadden gestreden. Deze overleveringen werden gecombineerd -en gaven zoo geboorte aan de legende, dat Petrus onder Claudius naar -Rome was gekomen en daar tot zijn dood in 64, dus een twintigtal -jaren geleefd had. En Eusebius en Hieronymus maakten haar tot een -bestanddeel van de Roomsche traditie. Cf. Herzog² 11, 375 f. Hase, -Protest. Polemik⁵ S. 150 f. Kattenbusch, Vergl. Conf. 90 f. Harnack, -Die Chronologie der altchristl. Litteratur bis Eusebius I 1897 passim, -vooral S. 171 f. 240 f. 703 f. Th. Zahn, Einl. in das N. T. I 1897 II -1899 passim, vooral II 17-27. Erbes, Die Todestage der Apostel Paulus -und Petrus und ihre röm. Denkmäler, Leipzig Hinrichs 1899, die meent, -dat Paulus den 22 Febr. 63 ter dood gebracht is, dat Petrus, daarvan -gehoord hebbende, naar Rome is gekomen en in het volgend jaar aldaar -als martelaar gestorven is. - -_Ten zesde_, de Roomschen, ofschoon in de traditie na Irenaeus steun -vindende, verkeeren tegenover de oudste, uit de eerste en tweede eeuw -afkomstige getuigenissen in niet geringe verlegenheid. Maar al zouden -deze getuigenissen gunstiger en meer in hun voordeel zijn, zij moeten -toch allen erkennen, dat het primaat van den bisschop van Rome gebouwd -is op eene historische onderstelling, n.l. hierop, dat Petrus in Rome -geweest is, dat hij daar het ambt van bisschop en primas heeft bekleed -en dit aan zijn opvolger heeft overgedragen. Nu is deze traditie, -onderstel al, dat zij dit alles bevestigde, toch slechts een historisch -getuigenis, dat ook volgens Rome niet op onfeilbare zekerheid doch -slechts op hooge waarschijnlijkheid aanspraak kan maken. Het primaat van -den bisschop van Rome, de kerkelijke waardigheid van den paus, en dus -de waarheid der Roomsche kerk en de zaligheid der Roomsche kerkleden -is op eene historische waarschijnlijkheid gebouwd, die ieder oogenblik -door nieuwe getuigenissen teniet gedaan kan worden. De eeuwigheid hangt -hier aan een spinrag. Doch daarbij doet zich voor Rome nog eene andere -moeilijkheid voor. De traditie bij Julius Africanus, Origenes, Eusebius -enz. verhaalt, dat Petrus vóór zijne reis naar Rome in het tweede jaar -van keizer Claudius in Antiochie is geweest en daar het episcopaat -heeft ingesteld, Harnack, t. a. p. 118. 705. Laat deze traditie nu op -zichzelve onbetrouwbaar zijn, voor de Roomschen is het toch moeilijk -hare waarheid te loochenen, wijl zij dan den schijn aannemen, van met -twee maten te meten. Doch ook afgezien van deze traditie, het is -allerwaarschijnlijkst, dat evenals de andere apostelen, zoo ook Petrus -in verschillende gemeenten het episcopaat heeft ingesteld. Waarom is -dan bepaald de bisschop van Rome de opvolger van Petrus en de erfgenaam -van het primaat? Petrus was volgens Rome toch ook primas, toen hij -te Jeruzalem, te Antiochie en elders zich ophield. Bij hem bestond -er dus in elk geval geen onverbrekelijke band tusschen zijn primaat -en het episcopaat van de gemeente te Rome. Hij had dat primaat dus -evengoed aan een anderen bisschop dan dien van Rome kunnen overdragen. -Heeft hij, als hij, wat zeer waarschijnlijk is, ook elders episcopi in -gemeenten aanstelde, het episcopaat wel overgedragen maar het primaat -uitdrukkelijk gereserveerd, totdat hij dit aan den bisschop van Rome kon -overdoen? En waarom deed hij dan zoo? Op welk gezag handelde hij aldus? -Welk bewijs is er, dat Linus de opvolger van Petrus is, niet alleen -in het apostolaat maar ook in het primaat? Een historisch, kerkelijk -recht, dat het zoo altijd opgevat is, is hiervoor niet voldoende, want -het betreft juist den grondslag, waarop heel de Roomsche kerk rust. Er -moet een goddelijk recht voor bestaan. Maar dit is er niet; Christus -heeft met geen woord van Petrus’ episcopaat te Rome noch van zijn -opvolger aldaar gesproken; Petrus zelf heeft noch volgens de Schrift, -noch volgens de traditie ook maar in de verste verte aangeduid, dat -de episcopus te Rome zijn eenige, ware opvolger was. De verbinding van -het primaat met het Roomsche episcopaat rust dus alleen op het feit, -dat Petrus te Rome geweest is en op de onhistorische onderstelling, -dat hij daar het ambt van bisschop en primas heeft bekleed. Ook al -zou dit laatste historisch juist zijn, dan gaf het nog niet wat het -geven moet. Want dan ontbrak nog het strikt noodzakelijk bewijs, dat -Petrus welbewust, met opzet, krachtens apostolische volmacht en -goddelijken last, dit episcopaat en dit primaat aan zijn opvolger te -Rome heeft willen overdragen en werkelijk overgedragen heeft. Dat is, -het primaat van den Roomschen bisschop over de gansche kerk hangt in -de lucht; het kan geen jus divinum aanwijzen, waarop het rust; en het -heeft zelfs geen betrouwbaren, historischen grondslag. De Roomsche -theologen moeten dan ook huns ondanks erkennen, dat het primaat van -den Roomschen bisschop neben einer unmittelbar göttlichen Grundlage, -nämlich der Einsetzung des Primates als einer dauernden Institution -(wat echter ook onbewijsbaar is), auch eine menschlich vermittelte -Grundlage von geschichtlicher Natur bezit, Scheeben-Atzberger, Kath. -Dogm. IV 1 S. 425. Daarom zijn eindelijk de Roomsche theologen onderling -ook niet eenstemmig over den aard der verbinding van primaat en Roomsch -episcopaat. Sommigen, zooals Dominicus Soto, Banner, Mendoza e. a. -zijn van meening, dat die verbinding slechts is ex jure ecclesiastico -en dat het primaat van den Roomschen bisschopszetel op een ander kan -overgedragen worden. Ballerini, Veith e. a. laten de vraag onbeslist en -achten ze hoogst moeilijk te beantwoorden. Maar Cajetanus, Canus, Suarez -enz. zijn van oordeel, dat Petrus, nadat hij in Antiochie het episcopaat -had ingesteld, eene bijzondere goddelijke openbaring ontving en krachtens -deze het primaat onlosmakelijk met het episcopaat te Rome verbond, -Schwane, D. G. IV 300. 303. 311. 341 en voorts Bellarminus, de Rom. -pontif. lib. II. Theol. Wirceb. ed. Paris. 1880 I 267-306. Perrone, -Prael. theol. Lov. 1843 VIII 295-419. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV -424-435. Jansen, Prael. I 512-582. Hettinger, Apol. des Christ. IV 1897 -S. 499-618. W. Esser, Des h. Petrus Aufenthalt, Episkopat und Tod zu -Rom., Breslau 1889. Joseph Hollweck, Der apost. Stuhl und Rom, Mainz -1895. Hoewel dit geschil nog niet formeel tot beslissing is gebracht, -spreken pausen, conciliën, theologen meest ten gunste van het laatste -gevoelen; onwillekeurig gaan zij altijd van de onoplosbare verbinding van -beide uit. Door den Syllabus van Pius IX prop. 35 is uitgemaakt, dat -de kiesgerechtigden het primaat niet van de stad Rome en haar bisschop -op een andere stad en bisschop mogen overdragen. Alleen blijft de vraag -over, of de paus zelf dit zou mogen doen; en dit is natuurlijk alleen -door den onfeilbare zelf te beslissen. De Roomsche Christen is dus -gehouden te gelooven, dat de gemeenschap met de plaatselijke kerk te -Rome noodzakelijk tot de zaligheid is. De zoogenaamde katholieke kerk is -in der waarheid Roomsche kerk; dat is haar naam en haar wezen. - - -6. De Roomsche hierarchie lokte, naarmate zij zich verder ontwikkelde, -te ernstiger verzet en tegenstand uit. In de Middeleeuwen stonden -er verschillende secten op, die Rome als Babel en den paus als -den antichrist verwierpen. En in de eeuw der Hervorming breidde -deze oppositie over heel de westersche Christenheid zich uit. Uit -verklaarbare reactie kwamen velen er toe, om alle kerkinstituut te -verwerpen, of om daarin slechts een vrije, willekeurige schepping van -de gemeente te zien, of ook om alle regeering der kerk stilzwijgend -toe te kennen aan de christelijke overheid, boven bl. 20v. Zelfs bij -de Lutherschen kwam de zelfstandige regeering der kerk niet tot -haar recht. Wel ging Luther oorspronkelijk uit van het algemeene -priesterschap der geloovigen en van de kerk als gemeenschap der -heiligen. Maar zijn standpunt was ook hier te anthropologisch, dan -dat hij uit de belijdenis van het koningschap van Christus een eigen -regeering voor zijne kerk afleiden kon. Den vorm van kerkregeering -achtte hij tot op zekere hoogte eene uitwendige, onverschillige zaak; -desnoods was eene pauselijke of bisschoppelijke regeering hem goed, -mits ze maar geen hindernis in den weg legde voor de verkondiging van -het evangelie, Art. Smalc. II 4. De kerk wordt alleen zichtbaar in -woord en sacrament maar hoegenaamd niet in eenige wijze van inrichting -of vorm van regeering; Christus regeert in zijne kerk alleen door het -predikambt. Deze overtuiging, gevoegd bij zijne beschouwing van de -overheid als praecipuum membrum ecclesiae, bracht Luther ertoe, om -reeds in zijn geschrift An den christl. Adel deutscher Nation 1520 de -overheid tot het werk der reformatie op te roepen. In 1526 verzocht hij -zelfs den keurvorst van Saksen, om het werk der visitatie ter hand te -nemen. Den 27 Aug. 1526 werd te Spiers de reformatie onder bescherming -der vorsten en standen geplaatst. En van 1527 af berustte de regeering -der kerk in handen van de landsoverheid. De ordo ecclesiasticus -(de pastores) behield wel de bediening van woord en sacrament, de -ordo oeconomicus (de gemeente) ontving het recht van consensus en -approbatio; maar de ordo politicus (de overheid) kreeg heel de externa -gubernatio, dat is, het recht tot aanstelling, onderhoud, ontslag -der pastores, tot stichting van kerken en scholen, tot regeling der -godsdienstoefeningen, tot reformatie der leer enz., en oefende deze -macht onder Melanchtons inspiratie sedert 1529 door consistoria uit. -De gronden, waarop de Lutherschen dit uitgebreide recht over de kerk -aan de overheid toekenden, waren verschillend. Maar hetzij de overheid -beschouwd werd als plaatsvervangster der bisschoppen, hetzij ondersteld -werd, dat zij deze macht stilzwijgend van de kerk had ontvangen, hetzij ze -als voornaamste lid der kerk werd geëerd, altijd kwam het toch hierop -neer, dat de kerk schier van alle eigen regeering verstoken was. Maar -al deze stelsels van kerkregeering, die tijdens en na de Reformatie in -vele Protestantsche kerken opgekomen zijn, beantwoorden niet aan wat -de Schrift dienaangaande leert. Immers, 1º hoe nauw onder Israel het -godsdienstige en het burgerlijke leven verbonden was, er was toch ook -toen reeds onderscheid; naast de koningen bestonden de priesters, die -eene onafhankelijke positie innamen en tot eene eigene taak geroepen -waren. Veel zelfstandiger is de gemeente als het volk Gods nog -geworden in de dagen des N. Test. Want niet alleen is zij toen uit de -nationale verhoudingen van Israel losgemaakt maar zij ontving ook op -den Pinksterdag in den H. Geest een zelfstandig levensprincipe, dat -haar tegenover staat en maatschappij een eigen aard en een onafhankelijk -bestaan schenkt. 2º Het wezen der kerk bestaat daarin, dat zij eene -vergadering van Christgeloovigen is. Als zoodanig is zij niet en kan -ze niet wezen eene stichting van menschen. Zij ontstaat niet door den -wil des vleesches noch door den wil des mans, maar door geboorte -uit God. Zij is geen product van menschelijke associatie noch van het -goedvinden van den staat, maar is in haar oorsprong en wezen een -wonder, vrucht van eene bijzondere, genadige werkzaamheid Gods en -daarom ook krachtens haar aard zelfstandig, onafhankelijk, vrij tegenover -alle gunst of ongunst van menschen. 3º Reeds hieruit vloeit voort, -dat de gemeente een eigen regeering hebben moet. Zij heeft een eigen -leven, draagt in dat leven eene bijzondere levenswet, welke God erin -gelegd heeft, en eischt daarvoor vanzelf ook eene vrije, zelfstandige -uiting. Het is niet juist te zeggen, dat de wijze van inrichting en de -vorm van regeering voor de kerk van Christus eene onverschillige zaak -is. Zoo los en onverschillig staan wezen en vorm, het onzichtbare en -het zichtbare, het in- en uitwendige nooit naast of tegenover elkaar. -Wel is waar komt de kerk allereerst uit in de bediening van woord en -sacrament, in de zuiverheid van leer en van leven, maar de regeering -der kerk gaat niet buiten dit alles om, doch staat er zeer nauw mede in -verband. Juist opdat woord en sacrament zuiver bediend en leer en leven -daarnaar ingericht zij, is eene goede regeering van noode. De belijdenis -is de hoofdzaak maar de kerkenorde is het middel, om de belijdenis te -handhaven. En evengoed als een onzuivere belijdenis ook de regeering -vervalscht, gaat er van eene slechte regeering een bedervende invloed -op de belijdenis uit. 4º Christus heeft daarom aan zijne gemeente eene -eigene regeering geschonken. Hij riep, bekwaamde en ordende zelf de -apostelen, die het fundament der kerk zijn. En deze apostelen hebben op -hun beurt onder zijne leiding de gewone ambten van opzieners en diakenen -ingesteld, opdat de gemeenten van Christus in hunne afwezigheid en -na hun dood niet van regeering verstoken zouden zijn. Ook deze gewone -ambten hebben hun oorsprong in God, Hd. 20:28, 1 Cor. 12:28, Ef. -4:11 en zijn niet in den apostolischen tijd geeindigd maar zijn daartoe -ingesteld, dat zij blijven zouden tot het einde van deze bedeeling, Hd. -14:23, 1 Tim. 3, Tit. 1:5. De Schrift is geen kerkenorde maar zij bevat -toch beginselen van kerkregeering, welke niet zonder schade voor het -geestelijk leven veronachtzaamd kunnen worden. 5º Daarom is het ook -niet goed te zeggen, dat de gemeente van Christus zelve zich naar den -eisch der omstandigheden eene regeering kan geven of deze stilzwijgend -of opzettelijk aan de christelijke overheid opdragen kan. Want ofschoon -in zekeren zin gezegd kan worden, dat de gemeente zelve zich hare -regeering geeft en het instituut der kerk opricht, wijl de apostelen bij -het instellen der gewone ambten de gemeenten raadpleegden en dezen de -personen voor die ambten aanwezen, toch is dat slechts in zekeren zin -het geval. Het is altijd Christus, die tot de ambten roept en bekwaamt; -de gemeenten kunnen en mogen de personen aanwijzen, maar zij zijn daarbij -niet zelfstandig en autonoom doch gebonden aan de inzettingen des -Heeren; zij mogen bij de oprichting van het instituut niet willekeurig -en naar eigen inzicht te werk gaan, maar hebben ook daarin te vragen, -wat de Heere wil dat zij doen zullen. Daarom staat het ook niet vrij -aan de gemeenten, om de ambten af te schaffen of de regeering aan -de christelijke overheid op te dragen. Want al is het waar, dat er -onder eene christelijke overheid en in eene christelijke maatschappij -hoe langer hoe meer overeenstemming en samenwerking met de kerk zal -komen in den maatstaf, in de beoordeeling en in de handhaving van leer -en leven, toch blijft ook dan nog de taak van kerk en staat wezenlijk -onderscheiden. Dezelfde zonde wordt anders in de kerk dan in den staat -gestraft; de tucht, welke gene oefent, verschilt hemelsbreed van de -straf, welke deze oplegt. De verzorging der armen, het opzicht over de -kudde, de bediening van woord en sacrament, de roeping en verkiezing -der dienaren blijft het onvervreemdbaar recht en de dure plicht der -gemeente. - -Dit hebben de Gereformeerden ingezien, dank zij hun diep besef van de -souvereiniteit Gods. Wie eenzijdig van de goedheid of de liefde of -het vaderschap Gods uitgaat, komt daar niet toe. Maar wie niet eene -van Gods deugden maar al die deugden saam op den voorgrond stelt en -van God als God uitgaat, die kan niet anders dan alle schepsel in -afhankelijkheid en ootmoed plaatsen onder Hem. God is souverein, altijd -en overal, in natuur en genade, in schepping en herschepping, in wereld -en gemeente. Zijne inzettingen en rechten zijn de regel van ons leven, -want de mensch is zijn schepsel, aan Hem onderworpen en tot volstrekte -gehoorzaamheid verplicht. In de kerk leidde dit vanzelf tot de heerlijke -belijdenis van het koningschap van Christus. Want evenals God in het -burgerlijke leven om der zonde wil de overheid had ingesteld, zoo heeft -Hij zijnen Zoon gezalfd tot koning over Sion, den berg zijner heiligheid -en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen, Ps, -2:6, Ef. 1:20, Phil. 2:9-11. Christus is niet alleen profeet, die door -zijn woord en voorbeeld onderwijst; niet alleen priester, die door zijne -offerande verzoent, maar Hij is ook koning, die de zijnen bewaart en -beschermt, die daartoe met macht in hemel en aarde is bekleed, en in -veel waarachtiger zin koning is dan eenig wereldsch vorst. Hij is dat -niet alleen naar zijne Goddelijke maar evenzeer naar zijne menschelijke -natuur; de mensch Christus Jezus is verhoogd aan ’s Vaders rechterhand. -En Hij was dit alles niet slechts van eeuwigheid en in de dagen des O. -Test., en tijdens zijn verblijf op aarde, maar Hij is dit alles nog heden -ten dage en tot het einde der eeuwen; Hij is gister en heden dezelfde en -in der eeuwigheid. Ja, Hij is het thans in den staat der verhooging in -nog veel rijker zin, dan Hij het was in den staat der vernedering en in -den tijd, die daaraan voorafgegaan is. Want wel was Hij van eeuwigheid -tot koning gezalfd en oefende Hij dit ambt met dat van profeet en -priester terstond na den val en tot den dood des kruises uit. Maar om -zijne vernedering heeft God Hem uitermate verhoogd en een naam gegeven -boven allen naam. Door de opstanding is Hij verordineerd en aangesteld -als Zoon Gods in kracht, is Hij κυριος geworden, heeft Hij alle macht -ontvangen in hemel en op aarde, en regeert nu, totdat Hij het koninkrijk -voltooid en alle vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben, deel -III 415v. Dit koningschap van Christus valt in tweeën uiteen. Het is -eenerzijds een regnum potentiae, Ps. 2:8, 9, 72:8, 110:1-3, Mt. 28:18, 1 -Cor. 15:27, Ef. 1:21, Phil. 2:9-11, Hebr. 1:6, 1 Petr. 3:22, Op. 17:14. -Opdat Christus in waarheid koning over zijn volk zij, die het verlost, -beschermt en bewaart, moet Hij macht hebben in hemel en aarde, over -Satan en wereld. Het is een koningschap der macht, ondergeschikt aan en -middel voor zijn koningschap der genade. Er ligt niet in, dat de Vader -van de regeering der wereld afstand heeft gedaan, en dat alle gezag in -de schepping nu van Christus afdaalt en in zijn naam wordt geoefend. -Maar God heeft aan den Middelaar Christus op grond van zijne volmaakte -gehoorzaamheid het recht en de macht geschonken, om zijn volk uit de -wereld saam te vergaderen, tegen alle vijanden te beschermen en die -vijanden zelven volkomen aan zich te onderwerpen. God regeert de wereld -zoo, dat Christus de Heidenen mag eischen tot zijn erfdeel en de einden -der aarde tot zijne bezitting. In de verhooging heeft de Vader zijnen -Zoon erkend en aangesteld als een κληρονομος παντων, Hebr. 1:2. Maar -andererzijds is het koningschap van Christus een regnum gratiae, Ps. -2:6, Jes. 9:5, 6, Jer. 30:9, Ezech. 37:24, Luk. 1:33, Joh. 18:33, Ef. -1:22, 4:15, 5:23, Col. 1:18, 2:19. En omdat dit koningschap een geheel -ander karakter draagt dan dat van de vorsten der aarde, heet Christus -in het N. T. veel meer hoofd dan koning der gemeente, deel III 421. -Het is immers een koninkrijk der genade, waarin Christus heerscht door -zijn Woord en Geest. Zijn Woord komt uit het verledene tot ons, bindt -ons aan den historischen persoon en het in den tijd volbrachte werk van -Christus, en vraagt van ons geloof in den zin van assensus, cognitio. -Maar die nedergedaald is, is dezelfde ook, die opgevaren is verre boven -alle hemelen, die gezeten is aan Gods rechterhand en met zijne Godheid, -majesteit, genade en Geest in ons woont en nimmermeer van ons wijkt. Het -is de levende, de aan de rechterhand Gods verhoogde Christus, die met -bewustheid en vrijmacht zijne gemeente vergadert, zijne vijanden verwint -en de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij -is nog altijd in den hemel als middelaar werkzaam, en door zijn Geest -op aarde in kerk en ambt, in woord en sacrament tegenwoordig. Ook de -toepassing des heils is zijn werk. Hij is de handelende, en ambten en -bedieningen zijn niets dan middelen in zijne almachtige hand. Ongerijmd is -het daarom te denken, dat Hij de regeering zijner kerk op eenig mensch, -op een bisschop of paus, op een instituut of sacrament zou hebben -overgedragen. Hij is en blijft de Heer uit den hemel, die juist daartoe -verhoogd is tot hoofd der gemeente, opdat Hij zelf regeeren en alle -dingen vervullen zou, deel III 409. 449. Dit koningschap van Christus -was het Materialprinzip van de Gereformeerde kerkregeering. Het werd -reeds uitgesproken door Zwingli, en ontwikkeld en gehandhaafd door -Calvijn; het vond een plaats in bijna alle belijdenisschriften en was van -de 16e eeuw af tot den huidigen dag toe de drijfkracht tot bestrijding -van alle menschelijke heerschappij in de kerk van Christus en tot -herwinning en bewaring van hare vrijheid en zelfstandigheid. Cf. Helv. I -18. Helv. II 17. Gall. 30. Belq. 31. Scot. 16. Westm. 25. 30. Calvijn, -Inst. II 15, 3-5. Martyr, Loci 403. Bucanus, Inst. theol. 464. Synopsis -pur. theol. disp. 41. M. Vitringa IX 125 enz. cf. Rieker, Grundsätze -ref. Kirchenverf. Leipzig 1899 S. 105 f. - - -7. Het koningschap van Christus over zijne kerk bestaat daarin, dat Hij -de zijnen door Woord en Geest vergadert en regeert en bij de verworven -verlossing beschut en behoudt, Heid. Cat. 31. 54. De kerk heeft haar -grondslag en eenheid in den raad Gods, in het verbond der genade, in -den persoon van Christus, maar zij moet, als bestaande uit menschen, -vergaderd en toegebracht worden door Woord en door Geest. Deze -vergadering geschiedt door Christus en gaat van Hem uit. Ook al bedient -Hij zich daarbij van ambten en genademiddelen, Hij is het toch, die de -weldaden des verbonds uitdeelt en daardoor zijne gemeente sticht. Hij -bouwt zelf de gemeente op de rots der belijdende apostelen, Mt. 16:19 -en dezen zijn het, die als instrumenten in zijne hand de gemeente bouwen -op Hem als het fundament, 1 Cor. 3:11. Christus is de wijnstok, en de -geloovigen zijn de ranken, die uit Hem voortkomen, sappen trekken en -vruchten dragen, Joh. 15. Christus is het hoofd, en de gemeente is het -lichaam, dat uit Hem wordt saamgevoegd en zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, -Col. 2:19. Christus is de Herder, en de geloovigen zijn de schapen, die -door Hem worden toegebracht en tot ééne kudde saamgevoegd, Joh. 10:16. -Christus is de Heer, die degenen, die gered worden, tot de gemeente -toevoegt, Hd. 2:47. Wijl de gemeente een organisme is, gaat het hoofd -aan de leden en de ecclesia universalis aan de ecclesia particularis -vooraf. De kerk in haar geheel komt niet tot stand door de atomistische -saamvoeging van verschillende deelen. Maar de ecclesia catholica is er -eerst, zij heeft haar bestand in Christus, kwam in de dagen des N. T. -het eerst tot openbaring in de kerk te Jeruzalem en breidde zich dan -vandaar in andere plaatsen uit. Elke ecclesia particularis (localis) -is daar ter plaatse, waar zij optreedt, eene openbaring van de ecclesia -catholica, van het volk Gods. Reeds krachtens haar oorsprong staat zij -met deze in onlosmakelijk verband. Want geen enkele plaatselijke kerk -komt autochthonisch uit het onbewuste op, maar werd geplant door het -zaad des woords, dat een andere kerk daar ter plaatse strooien deed. -Wel is naar de leer der H. Schrift iedere plaatselijke kerk zelfstandig, -eene ecclesia completa, hoe klein en gering zij ook wezen moge. Er zijn -geen moederkerken in dien zin, dat de eene kerk over de andere zou -mogen heerschen; noch Jeruzalem noch Rome heeft op zulk eene regeering -eenige aanspraak. Alle kerken staan gelijk, omdat zij alle, al is de -eene middelijkerwijze ook door de andere gesticht, op dezelfde wijze, -d. i. rechtstreeks en volstrekt van Christus afhankelijk en aan zijn -woord gebonden zijn. Daarom hebben de Gereformeerden niet alleen het -verband hunner kerken met die te Rome verbroken maar ook aan de diocese -en de parochie een einde gemaakt. Een diocese toch is het kerkelijk -gebied van een bisschop, die, aan de hoofdkerk verbonden, van daaruit -heel den kring der geloovigen beheerscht. En eene parochie duidt de -groep van geloovigen op eene bepaalde plaats slechts aan als object -van de werkzaamheid van den parochus. Beide begrippen wijzen er op, -dat bisschop en parochus van buiten af tot de geloovigen gezonden -worden, en hoog als regenten boven hen staan. Maar dit is het geval -niet. Elke kerk is zelfstandig, kiest en roept hare dienaren en staat -in het kerkverband, waarin zij werd opgenomen, met alle andere kerken -volkomen gelijk. Soms, bijv. bij de kerken der Hugenoten in Frankrijk, -heeft het den schijn, alsof het verband geheel vrij door confederatie is -ontstaan. Maar dat is toch de Geref. beschouwing niet, welke op dit -punt beslist tegen die der Independenten overstaat. Bij de beschrijving -van het wezen der kerk gingen alle Gereformeerde theologen van de -ecclesia universalis uit en daalden zoo tot de ecclesiae particulares -af, M. Vitringa IX 60. Deze laatsten zijn plaatselijke openbaringen -van het ééne mystieke lichaam van Christus, zijn daarom geestelijk -één, staan krachtens haar historischen oorsprong met elkander in -verband en zijn tot het onderhouden der gemeenschap met allen, die -hetzelfde geloof deelachtig zijn, van ’s Heeren wege verplicht. Elke -plaatselijke kerk is daarom tegelijkertijd eene zelfstandige openbaring -van het lichaam van Christus en een deel van een grooter geheel; eene -ecclesia particularis, die opkomt uit en geestelijk en historisch met -de ecclesia catholica in verband staat, cf. Rieker, Grundsätze ref. -Kirchenverf. 80 f. En wat van elke plaatselijke kerk geldt, is ook op -ieder harer leden in het bijzonder toepasselijk. Geen enkele kerk en -geen enkel levend lidmaat dankt zijn ontstaan aan eigen wil of aan het -werk van menschen. Christus heeft hem, zij het ook door middel van de -bediening des woords, geroepen en vergaderd, en hem niet alleen maar -allen, die leden der gemeente zijn. Zoo zijn het dan niet wij, maar is -het Christus alleen, die bepaalt, wie leden der gemeente zijn en met -wie wij in gemeenschap hebben te leven. Het staat niet aan ons believen -al dan niet, om bij deze of bij gene kerk ons te voegen; maar het is -schuldige plicht van alle geloovigen, om zich te voegen tot die kerk, -die het zuiverst als de kerk van Christus tot openbaring komt, Ned. -Gel. 28. Ook hier staan de Gereformeerden tegen de Independenten over. -De geloovigen deelen zichzelven niet willekeurig in conventikels -en congregaties in en lezen zelven niet uit, met wie zij willen -saamvergaderen. Maar op eene bepaalde plaats behooren alle geloovigen -bijeen en zijn daar te zamen het volk Gods en de gemeente van Christus. -Gelijk God het is, die de tijden verordent en de bepalingen van ieders -woning, Hd. 17:26, zoo is het ook Christus, die, bij deze ordinantie -des Vaders zich aansluitend, de geloovigen plaatselijk vergadert en -als eene zelfstandige ecclesia optreden doet. Natuur en genade werden -ook op dit punt door de Gereformeerden niet uit elkander gerukt, noch -vijandig tegenover elkander gesteld, want de genade herstelt de natuur -en het evangelie is de vervulling der wet. Toch is met deze eenheid -der plaatselijke kerk de zoogenaamde kerspelvorming niet in strijd. -Verschillende gemeenten in het N. T., Jeruzalem, Rome, Corinthe enz., -waren elk op zichzelf eene eenheid; die te Jeruzalem stond onder -hetzelfde college van apostelen en benoemde in haar geheel een zevental -diakenen, en die te Rome, Corinthe, Colosse ontvingen van Paulus -brieven, waarin alle geloovigen ter zelfde plaats door hem als eene -eenheid worden saamgevat. Maar dat nam toch niet weg, dat die gemeenten -bij hare vergaderingen in verschillende gebouwen samenkwamen en zoo weer -onderscheidene huisgemeenten vormden. En daartoe moet elke kerk komen, -die tot een ledental van duizenden zielen zich uitbreidt. Gelijk het -dan geoorloofd en plichtmatig is, om in verschillende gebouwen saam te -komen, zoo is het ook in het belang van den geestelijken welstand, de -regeering en de verzorging der geloovigen geboden, om aan elke groep -van geloovigen, die in een bepaald gebouw vergadert, een bepaald getal -predikanten, ouderlingen en diakenen te verbinden. Aan de eenheid der -kerk behoeft dit geen afbreuk te doen, wijl die zich in den kerkeraad, -in het beheer, in het beroepen van predikanten enz. uitspreken kan. En -soms zijn bij de groote uitbreiding van vele steden in den tegenwoordigen -tijd stadsgedeelten meer in karakter van elkander verschillend, dan -nabijgelegen dorpen of vlekken en de kerken die daar zijn geformeerd. - -In deze plaatselijke kerken stort Christus allerlei gaven uit, niet -alleen zaligmakende gaven van wedergeboorte, bekeering, geloof enz., -maar ook geestelijke gaven, die onder den naam van charismata bekend -staan, boven bl. 29. In den apostolischen tijd was er eene rijke -bedeeling van; maar al zijn zij ten deele van aard en werkzaamheid -veranderd, zij worden ook thans nog door den H. Geest aan de geloovigen -geschonken, opdat zij daarmede elkander dienen en als één lichaam zich -openbaren zouden. De gemeente is niet onmondig, zij is geen ecclesia -audiens of ordo oeconomicus, die slechts te luisteren en te zwijgen -heeft. Maar zij is de zalving van den Heilige deelachtig, bestaat uit -vele leden, die alle elkander van noode hebben, en mag de gaven, haar -geschonken, niet verzuimen. Elke gemeente is en moet zijn een leger des -heils, dat onder Christus strijd voert tegen duivel, wereld en vleesch -en geen soldaten kent in rust of op nonactiviteit; eene gemeenschap -van heiligen, waarin allen lijden en zich verblijden met elkaar en -hunne bijzondere gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten -gewilliglijk en met vreugde aanwenden. En gelijk alle geloovigen eene -gave hebben, zoo staan zij ook allen in het ambt. Zij hebben niet alleen -in de kerk als organisme maar ook in de kerk als instituut eene roeping -en taak, die hun van ’s Heeren wege opgelegd is. De apostelen gaan wel -aan de kerk vooraf, zijn haar grondleggers en binden haar aan hun, d. i. -aan Gods woord. Maar zij stellen niet van te voren en niet eigenmachtig -ambtsdragers aan, doch stichten eerst gemeenten en laten dan door die -gemeenten zelve ouderlingen en diakenen verkiezen. Aan het speciale -ambt van opziener en armverzorger gaat daarom het algemeene ambt der -geloovigen vooraf. Christus toch is in het midden, waar twee of drie -in zijn naam vergaderd zijn, Mt. 18:19, 20. Hij heeft voor allen den H. -Geest verworven, die in alle geloovigen als zijn tempel woont, Hd. -2:17, 1 Cor. 6:19, Ef. 2:22 enz., zoodat zij, met dien Geest gezalfd, -een heilig, koninklijk priesterdom zijn, 1 Petr. 2:5, 9; profeten, die -de deugden Gods verkondigen, zijn naam belijden, en alle dingen weten, -Mt. 8:38, 10:32, 1 Joh. 2:20, 27; priesters, die hunne lichamen -stellen tot eene levende, heilige, Gode welbehagelijke offerande, -Rom. 12:1, 1 Petr. 2:5, 9, Hebr. 13:16, Op. 1:6, 5:10; koningen, -die den goeden strijd strijden, zonde en wereld en dood overwinnen en -eens met Christus heerschen zullen, Rom. 6:12, 13, 1 Tim. 1:18, 19, -2 Tim. 2:12, 4:7, 1 Joh. 2:13, 14, Op. 1:6, 2:26, 3:21, 20:6, en -daarom den naam van Christenen, gezalfden, dragen, Hd. 11:26, 26:28, -1 Petr. 4:16, cf. Heid. Cat. vr. 32. Deze profetische, priesterlijke -en koninklijke werkzaamheid van de geloovigen mag de uitoefening van -een ambt heeten. Immers reeds in het algemeen is de mensch er niet -om zichzelf, maar om Gods wil. God schiep hem naar zijn beeld, opdat -hij Hem kennen, liefhebben en verheerlijken zou, en dus als profeet, -priester en koning Hem dienen zou. Maar bepaaldelijk is Christus door -den Vader tot middelaar, tot knecht des Heeren, tot profeet, priester -en koning aangesteld, om dit werk, dat de mensch nagelaten en verstoord -had, wederom tot stand te brengen en te voltooien. En daartoe worden -nu ook de geloovigen geroepen. Als gezalfden, die de gemeenschap met -Christus deelachtig zijn, zijn zij geroepen tot eenzelfde werk, dienst en -strijd, Joh. 12:26, 14:12. Van het oogenblik hunner roeping af zijn de -geloovigen hun zelfs niet meer maar behooren zij Christus toe; zij zijn -zijne dienstknechten, hebben zijn wil te doen en zijn werk te volbrengen. -Zij zijn het zout der aarde, het licht der wereld en hebben in en ten -opzichte van de kerk bepaaldelijk eene drieërlei taak. Ten eerste zijn zij -verplicht, zich bij de kerk te voegen. Zij staan niet op zichzelf, maar -zijn leden van het lichaam van Christus en hebben dus de gemeenschap -daarmede te zoeken en te onderhouden. Ten andere zijn zij in die gemeente -geroepen tot allerlei werkzaamheid, tot het aanleggen, der gaven -ten nutte van anderen, tot het mede lijden en zich verblijden met de -broederen, tot het bezoeken van de samenkomsten der geloovigen, tot het -verkondigen van ’s Heeren dood, tot het opzicht hebben op elkander, -tot het dienen en uitdeelen in barmhartigheid enz. En eindelijk zijn -zij elk op zijne wijze en in zijne mate ook tot formatie en reformatie -der kerk verplicht. Als er ergens ter wereld geloovigen zijn, en er -bestaat geen gelegenheid, dat dienaren van elders de verkiezing tot -de door Christus ingestelde ambten leiden en den verkozenen de handen -opleggen, dan hebben zij zelven het recht, om samen in den naam des -Heeren ambtsdragers te verkiezen en te ordenen. Zoo geschiedde feitelijk -te Mainz en te Parijs in 1555, cf. Lechler, Gesch. d. Synodal- und -Presb. Verfassung, 1854 S. 65. 66. Doumergue, Jean Calvin 1899 I 232; -zoo oordeelden de Gereformeerden, Voetius, Desp. Causa Papatus p. 268 -sq., en zoo was ook het gevoelen van Luther, Köstlin, Luthers Theol. -I 327. Het ambt hangt toch van geen successie af, het ontstaat niet -door overdracht; het berust op de gave en de roeping van Christus en -op de aanwijzing zijner gemeente. En die gemeente is zelve mondig en de -gaven des H. Geestes deelachtig; de gaven, tot het ambt van noode, -zijn niet essentieel verschillend van die, welke aan alle geloovigen -geschonken worden; daarom kan zij uit haar midden diegenen aanwijzen, -die in bijzondere mate met ambtelijke gaven versierd zijn en hen in -Christus’ naam roepen en verkiezen tot het ambt. Maar daaruit vloeit -ook voort, dat de geloovigen zelven desnoodig tot reformatie der kerk -mogen voortschrijden. Als eene kerk in hare ambten en bedieningen toont, -zichzelve en hare ordinantiën meer autoriteit toe te kennen dan den -woorde Gods en zich duidelijk als eene valsche kerk openbaart, dan -hebben de geloovigen het heilig officie en den schuldigen plicht, om -zich af te scheiden en wederom kerkelijk te gaan leven naar des Heeren -woord, Ned. Gel. art. 28. 29. - - -8. Op de basis van deze gaven en dit ambt aller geloovigen heeft -Christus ook bijzondere ambten in de gemeente ingesteld. De apostelen -deden hierbij wel ministerieelen dienst maar Christus is het toch, -die deze ambten geeft, en de personen ertoe bekwaamt en verkiest. -In de Roomsche kerk beweerde echter Richer, de ecclesiastica et -politica potestate 1611, dat Christus alle macht primarie, proprie et -essentialiter aan de kerk en dan instrumentaliter, ministerialiter -et quoad exsecutionem aan paus en bisschoppen had opgedragen, -Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 404. Luther leidde in den eersten tijd -uit het algemeene priesterschap der geloovigen af, dat bediening van -woord en sacrament eigenlijk aan allen geschonken was maar ordeshalve -door een hunner werd uitgeoefend, Köstlin, Luthers Theol. I 327. -Gereformeerden drukken zich soms zoo uit, alsof de macht der dienaren -eigenlijk aan de gemeente toebehoort en door hen in haar naam wordt -uitgeoefend, Amesius, Med. I 35, 6. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. -24, 7. 8. 19. 26. Meermalen wordt het beeld gebruikt, dat, gelijk de -mensch ziet door het oog en hoort door het oor, zoo de gemeente de -institutaire werkzaamheden door de ambten verricht. En in den nieuweren -tijd is de voorstelling algemeen, dat het ambt een orgaan der gemeente -is. Dit alles is slechts ten deele juist. In Mt. 18:17 geeft Jezus -de sleutelmacht wel aan heel de gemeente, maar Hij gebruikt dit woord -daar nog in gansch algemeenen zin, zonder melding te maken van de -organisatie, die later ingevoerd zou worden. Zoodra deze er is, zien -wij, dat de sleutelmacht bij de apostelen en dan bij de opzieners berust. -Ook kan de macht in het algemeen aan de kerk geschonken heeten, wijl zij -tot haar heil en welstand strekt, en dus, indien niet formaliter, dan -toch finaliter aan haar is geschonken. Zij is toti quidem ecclesiae ad -illius ædificationem destinata, maar proprie a solis ejus ministris -tractanda, Maresius, Syst. Theol. XVI 70, cf. tegen Richer Petavius, -de eccl. hier. III c. 14-16. De ambten in de kerk van Christus zijn -geen heerschappijvoerende maar een dienende macht; zij zijn er ter wille -der gemeente, 1 Cor. 3:22, Ef. 4:12; Paulus noemt zich met zijne -mededienaren zelfs δουλους ὑμων δια Ιησουν, 2 Cor. 4:5. Het doel van -de kerk als instituut ligt in de vergadering der uitverkorenen, in -den opbouw van het lichaam van Christus, in de volmaking der heiligen -en alzoo in de verheerlijking Gods, Ef. 4:11. God had zeker ook wel -zonder eenig middel van kerk of ambt, woord of sacrament zijn volk tot -de zaligheid kunnen leiden. Maar zijn welbehagen is geweest, om zijne -uitverkorenen te vergaderen door den dienst van menschen; de kerk heeft -de salus electorum tot doel; de ambten zijn necessitate hypothetica -noodzakelijk, Gall. 25. Belg. 30. Helv. II 18. Voetius, Pol. I 17. III -213. Vitringa, IX 131 sq. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 22. Maar -toch, al zijn de ambten in dien zin om de gemeente, zij zijn toch niet -haar orgaan, en hebben niet van haar hun macht ontvangen. Immers, -in het O. T. werden Mozes en Aaron, priesters en profeten door den -Heere geroepen en aangesteld; in het N. T. zijn de apostelen, Paulus -inbegrepen, rechtstreeks door Christus zelven verkoren en bekwaamd. -Valsche profeten en apostelen hebben juist geen zending van Godswege -en komen alleen in hun eigen naam, Jer. 32:21, 32, Joh. 5:43, maar de -ware dienaren beroepen zich op hunne zending van Godswege en ontleenen -daaraan hun macht en autoriteit, Jes. 6:8, Jer. 1:4, Hos. 1:1, Rom. -1:1, Gal. 1:1 enz. Daarom, al zijn zij ook ten dienste van de gemeente, -zij heeten toch διακονοι Χριστου, Col. 1:7, Hd. 20:24, 1 Tim. 1:12, -δουλοι Χριστου, Rom. 1:1, Gal. 1:10, 2 Petr. 1:1, ὑπηρεται Χριστου, -Hd. 26:16, 1 Cor. 4:1, δουλοι θεου, Hd. 16:17, συνεργοι θεου, 1 Cor. -3:9, die, de mond Gods en gezanten ten behoeve van Christus zijnde, van -Christus’ wege bidden, dat men zich met God late verzoenen, 2 Cor. -5:20, en zonder menschen te behagen, het evangelie verkondigen, dat -hun toebetrouwd is, 1 Thess., 2:4 en de verborgenheden van Christus -uitdeelen, 1 Cor. 4:1. Daarom staan zij als opzieners en verzorgers ook -boven de gemeente, zijn hare ἐπισκοποι, προισταμενοι, ἡγουμενοι, zijn -voor haren geestelijken welstand verantwoordelijk, en hebben op hare -achting en gehoorzaamheid aanspraak. En dit geldt niet alleen van -de buitengewone maar ook van de gewone ambten. Ook deze worden door -Christus gegeven, Mt. 9:38, 23:34, Hd. 20:28, 1 Cor. 12:5, 28, Ef. -4:11. Er is geen prediking zonder zending, Rom. 10:15. Niemand mag zich -deze eere nemen, dan die van God geroepen is, Joh. 10:1, 2, Hebr. 5:4. -Al is het ook, dat alle geloovigen tot verkondiging van het evangelie -geroepen zijn, Hd. 8:4, 13:15, 1 Cor. 14:26; dit te doen met macht en -gezag in des Heeren naam, tot eene reuke des levens ten leven of eene -reuke des doods ten doode, vereischt eene speciale zending en opdracht. - -De weg, waarlangs Christus zijne dienaren in het ambt zet, loopt over -vocatie, examinatie en ordinatie. Sedert de roeping niet meer, gelijk -tot profeten en apostelen, op buitengewone wijze tot iemand komt, is -zij alleen kenbaar aan de samenstemming der in- en der uitwendige -roeping. De inwendige roeping, welke dus van de bovennatuurlijke en -buitengewone wel te onderscheiden is, bestaat 1º in de verleening der -gaven, die tot het ambt vereischt worden, 2º in de zuivere, oprechte -en standvastige begeerte, die iemand naar het ambt doet streven, en -3º in de baning der wegen, welke tot het ambt leiden, Gerhard Loc. -XXIII cap. 3, Voetius Pol. Eccl. III 529. Moor VI 282. Alting, Theol. -probl. nova I 15. Brakel, Red. Godsd. XVII 12. Vitringa IX 298. Deze -inwendige, subjectieve roeping moet haar waarmerk en zegel ontvangen -in de uitwendige roeping door de gemeente, wijl ook op dit terrein -dwaling en verleiding niet uitgesloten is, Ned. Gel. art. 31. Daarom -staat deze uitwendige roeping niet tegenover de inwendige maar zij gaat -evengoed als deze van Christus uit. Hij alleen kan roepen en roept in -der waarheid. Maar deze uitwendige roeping is middellijk en geschiedt -door de gemeente in Jezus’ naam. De Schrift laat hier geen twijfel over, -Hd. 1:23, 6:2-6, 2 Cor. 8:19, cf. boven bl. 79. In de eerste eeuwen -oefende de gemeente dit recht ook feitelijk uit; zelfs de bisschop werd -door de gemeente gekozen, cf. Sohm, Kirchenrecht 59. 229. 271. 275. -282. 285, Achelis, Lehrb. d. prakt. Theol. 1² S. 147 en oudere litt. bij -Vitringa IX 308-310. De verkiezing van den paus, den bisschop van Rome, -door de kardinalen, d. i. oorspronkelijk het presbyterie der plaatselijke -gemeente aldaar, is nog een overblijfsel van het vroeger gebruik. Maar -langzamerhand werd het recht der gemeente beperkt en ten laatste in de -Roomsche hierarchie aan den paus, en onder invloed van een humanistisch -staatsrecht door Erastianen en Remonstranten aan de overheid toegekend. -Zelfs in de Gereformeerde kerken was hierover groot verschil. Al hield -men in theorie staande, dat het recht tot beroeping van dienaren -des woords bij de gemeente berustte, practisch werd dit dikwerf zeer -beperkt en aan den kerkeraad of aan patronen of aan de overheid of -aan gemengde colleges afgestaan, Calvijn, Inst. IV 3, 11-15. Voetius, -Pol. Eccl. III 557 sq. 580 sq. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 24. M. -Vitringa IX 311-321. Moor VI 288-298. Aan de andere zijde is echter ook -de dwaling van Grotius, Pufendorf e. a. te vermijden, alsof de keuze -der kerkedienaren een natuurrecht van de geloovigen ware, evenals het -recht, om een bestuur te verkiezen, bij de leden eener vereeniging -berust, cf. M. Vitringa IX 310. Want de kerk is geen vereeniging, die -door den wil van menschen tot stand komt, maar eene stichting van -Christus. Alle macht, welke der gemeente toekomt, is haar daarom door -Christus geschonken; zij is geen recht maar eene gave. De gemeente -is geen democratie, waarin het volk zichzelf regeert. Maar Christus -regeert in haar, en de keuze der gemeente heeft geen andere beteekenis -dan dat zij de gaven opmerkt en de personen aanwijst, welke Christus -voor het ambt heeft bestemd. Vandaar dat de gemeente wel kiest, maar -die keuze staat onder leiding van hen, die reeds in hun ambt zijn, -van apostelen, evangelisten enz., Hd. 1:15, 6:2, 14:23, Tit. 1:5, en -later van naburige bisschoppen, Sohm, t. a. p. Voorts is de keuze niet -volstrekt vrij, maar gebonden aan voorwaarden en vereischten, die door -Christus voor het ambt zijn aangegeven, Hd. 1:21, 6:3, 1 Tim. 3. En -eindelijk staat iemand nog niet in het ambt, als hij door de gemeente -gekozen is, maar moeten hem daarna de handen worden opgelegd, Hd. 6:6 -enz. Keuze door de gemeente en leiding door den kerkeraad behooren dus -samen te gaan bij de roeping tot een ambt in de gemeente van Christus, -hetzij de kerkeraad zich bij de beroeping binde aan eene nominatie der -gemeente of aan eene keuze der gemeente uit eene nominatie van den -kerkeraad. - -Maar met de keuze van de gemeente en de beroeping door den kerkeraad -(vocatio stricte sic dicta), is de uitwendige roeping nog niet -afgeloopen. Zij zet zich voort in de beproeving, het onderzoek of -examen. Natuurlijk is deze niet volstrekt noodzakelijk; als de gemeente -beslist weet, dat hij, dien zij roept, de vereischte gaven bezit, is -verder onderzoek overbodig. Maar de gemeente is niet onfeilbaar en -kan zich vergissen; zij deelt zelve de gaven niet uit maar kan alleen -opmerken, aan wien Christus gaven tot zijn dienst heeft geschonken. Om -daarin nu zoo veilig mogelijk te gaan, stelt zij na de roeping nog eene -beproeving in, strekkende om der gemeente de zekerheid te verschaffen, -dat de beroepene de vereischte gaven bezit. Reeds Paulus eischte daarom -1 Tim. 3:30, dat de diakenen --en het και οὑτοι δε bewijst, dat dit ook -reeds bij de presbyters gebruikelijk was-- op eene of andere ons onbekende -wijze zouden beproefd worden en daarna, als zij onberispelijk bleken in -leer en leven, zouden dienen. Daarop berustte het recht, waarvan de -kerk later gebruik ging maken, om vóór de aanvaarding van het ambt een -proeftijd te stellen of ook een examen af te nemen, Bingham, Origines -eccles. or the Antiq. of the Christ. Church, London 1843 II 225. -Hier te lande stonden de Geref. kerken, nadat de universiteit te Leiden -was opgericht, het recht tot afneming van het (peremptoir) examen aan -de professoren af en vergenoegden zich met hun testimonium academicum, -Syn. Midd. vr. 3. ’s Gr. art. 18. Maar langzamerhand wisten zij overal, -behalve in Groningen, het recht om het peremptoir en het praeparatoir -examen af te nemen, met groote moeite en niet zonder veel tegenstand, -zelfs van Voetius en Maccovius, aan de professoren te ontnemen en voor -zichzelve te behouden. Daargelaten de vraag, of de kerken niet goed -doen, als zij bij het afnemen der examina in de classes zich van de -hulp der professoren bedienen, het recht tot het instellen van zulk -een onderzoek komt naar de H. Schrift, de Geref. belijdenis en ook naar -den aard der zaak aan de kerken toe. De school neme hare examens af, -maar de kerken houden het recht, om te beroepen, om te beproeven, om -te zenden, om macht te geven tot bediening van woord en sacrament. -Het eigenlijke, kerkelijke examen is daarom het peremptoir examen; -het praeparatoir is, ofschoon reeds vermeld ’s Grav. art. 18, van -ondergeschikte beteekenis, werd eerst langzamerhand ingevoerd vooral -ten gevolge van de Remonstrantsche twisten, en was volgens Voetius’ -getuigenis, Pol. Eccl. III 517, eerst in 1669 algemeen in gebruik. Het -diende alleen, om de voorloopig geëxamineerden een tijd lang in het -houden van propositiën onder leiding van een predikant en kerkeraad -zich te laten oefenen. - -Bij de vocatie en examinatie komt ten slotte nog de ordinatie, die -vooral door de handoplegging geschiedt. Deze was onder Israel in -gebruik bij zegening, Gen. 48:14, Lev. 9:22, offerande, Ex. 29:10, -Lev. 1:4, beschuldiging, Lev. 24:14, bij Levietenwijding, Num. 8:10, bij -aanstelling tot een ambt, Num. 27:18-23, later ook bij installatie van -rechters en promotie van leeraars, Schürer, Gesch. des jüd. Volkes -II³ 199. Jezus legde de handen op, om te genezen, Mt. 8:15, 9:18, Mk. -5:23 cf. 2 Kon. 4:34, 5:11 en te zegenen, Mt. 19:15, (Luk. 24:50), -en het volk hechtte daaraan groote waarde, Mt. 9:18, Mk. 5:23, 7:32, -maar nergens lezen wij, dat Hij alzoo ook deed bij de aanstelling tot een -ambt. Zijne apostelen stelde Hij alleen aan met het woord, zonder eenige -ceremonie, Mt. 10:1v., 28:19. Bij de aanstelling van Matthias, Paulus, -Barnabas, Silas, Lukas enz. wordt nergens van eene handoplegging -melding gemaakt; een algemeen gebruik bij de inleiding tot een kerkelijk -ambt was zij zeker niet. Maar de handoplegging had plaats bij genezing, -Hd. 9:12, 17, bij meedeeling van de gave des Geestes, Hd. 8:17-19, bij -de aanstelling van diakenen, 1 Tim. 4:14, 2 Tim. 1:6; volgens 1 Tim. -5:22 was zij bij de ordinatie tot een kerkelijk ambt algemeen in gebruik -en volgens Hebr. 6:2 behoort zij tot de eerste beginselen der leer van -Christus. Doch eene reëele mededeeling van de geestelijke ambtsgaven -was zij niet. Want Hd. 6:3 leert, dat de diakenen, die verkozen werden, -van te voren reeds moesten zijn vol des H. Geestes en der wijsheid. In -Hd. 13:3. geschiedt de handoplegging niet bij de ordening, maar bij de -uitzending van Barnabas en Paulus, die te voren reeds in het ambt -stonden. Volgens 1 Tim. 1:18, 4:14 werd de aanstelling van Timotheus -tot evangelist door profetische getuigenissen en door handoplegging -van het presbyterium bekrachtigd. En wel wordt 2 Tim. 1:6 de ambtsgave -gedacht als geschied δι ἐπιθεσεως, maar 1 Tim. 4:14 zegt, dat zij -geschonken werd δια προφετειας en μετα ἐπιθεσεως; een bewijs daarvoor, -dat profetie en handoplegging niet de oorsprong van de gaven waren, -maar het middel, waardoor zij in den dienst der gemeente overgeleid -en daarvoor bestemd werden. Van de apostelen ging dit gebruik der -handoplegging over in de christelijke kerk, die haar toepaste bij den -doop, bij genezing, bij de wederopname van gevallenen en ketters, bij het -huwelijk, bij de boete en bij de ordening. In het laatste geval werd het -recht, om haar toe te passen, in later tijd alleen aan den bisschop -toegekend en als verleening van eene bijzondere ambtsgave opgevat. -Tegenover Gnosticisme en Montanisme toch werd de waarheid der kerk -daarmede betoogd, dat de bisschoppen in de gemeenten, die door de -apostelen werden gesticht, de bewaarders der zuivere traditie waren. -Zij hadden deze zelven van de apostelen ontvangen en ongeschonden aan -hunne opvolgers overgegeven. De successio ab initio decurrens, met 2 -Tim. 2:2 betoogd, leverde daarvoor den waarborg, want het ambt sloot -de meedeeling van een bijzonderen ambtsgeest in, dien de ambtsdrager -behoudt ook al is hij persoonlijk nog zoo goddeloos. De handoplegging was -in de oude kerk zeker gebruikelijk bij de ordening tot presbyter, diaken -en de lagere ambten, ging altijd met gebed gepaard en werd nog langen -tijd opgevat als symbolisch teeken van de meedeeling der ambtsgave. -Manus impositio, quid est aliud nisi oratio super hominem? Aug. de -bapt. 3, 16. Maar allengs werd zij beschouwd als een sacrament, dat -ex opere operato een character indelebilis aanbracht, Trid. 23 c. 7. -de ref. c. 3. 10. Cat. Rom. II 7, 29. Bellarminus, de clericis I 14. -De Lutherschen verwierpen ze eerst, maar namen ze later weer op en -kenden er soms groote waarde aan toe, Apol. Conf. art. 13, cf. Herzog² -11, 80. De Gereformeerden oordeelden eenparig, dat de handoplegging -geen bevel van Christus en dus niet volstrekt noodzakelijk was. Maar -terwijl sommigen haar nuttig, eerbiedwaardig en navolgenswaard achtten, -Calvijn, Inst. IV 3, 16. 14, 20. 19, 31, Aretius, Spanheim, Koelman, -Pligt der ouderl. en diakenen 1889 bl. 53v., hielden anderen haar voor -een adiaphoron en ontrieden haar gebruik uit vrees voor superstitie, -Syn. Emden art. 16. Dordr. 1574 art. 24 Midd. 1581 art. 4. Dordr. 1578 -art. 5. Voetius, Pol. Eccl. III 452. 579. Moor V 352-356. VI 327-331. -M. Vitringa IX 209. 353-357. Een wezenlijk element van de ordening is -zij niet, want noch bij Jezus zelf, noch bij de apostelen, noch ook bij de -ouderlingen, Hd. 14:23, 20:28, wordt er eenige melding van gemaakt. Ook -kan en mag zij niet opgevat worden als mechanische mededeeling van een -bijzonderen ambtsgeest. Want zij schenkt niet doch onderstelt naar de -Schrift de voor het ambt vereischte charismata. Zij is ook niet met de -verkiezing of roeping tot het ambt identisch maar volgt daarop en kan -daarom niet anders zijn dan eene openbare aanwijzing van dengene, die tot -een ambt geroepen is, en eene plechtige inleiding en bestemming tot dat -ambt. Evenals het trouwen voor de overheid het wezen van het huwelijk -niet is en de kroning den koning niet maakt, zoo is ook de ordinatio, -met of zonder handoplegging, geen mededeeling van het ambt of van een -ambtsgeest. Zij is alleen de plechtige, openlijke verklaring voor God -en zijne gemeente, dat de geroepene langs wettigen weg en mitsdien -van Godswege gezonden wordt, dat hij de vereischte gaven bezit en als -zoodanig door de gemeente ontvangen, erkend en geëerd moet worden. Cf. -Sohm, Kirchenrecht 56 f. Art. Handauflegung en Ordination in Herzog. -Zahn, Einl. in das N. T. I 465. Achelis, Lehrb. der prakt. Theol. -Leipzig 1898 I 139-173. - - -9. Over het aantal ambten, dat Christus in zijne gemeente ingesteld -heeft, bestaat er in de christelijke kerk groot verschil. In den -apostolischen tijd was uit den aard der zaak de grens tusschen -buitengewone en gewone ambten en zoo ook tusschen ambten en gaven nog -niet scherp getrokken. Maar de hierarchische ontwikkeling, die met -het opkomen van het episcopaat een aanvang nam, beroofde de gemeente -van alle vrijheid en zelfstandigheid en zonderde de ambten door eene -breede klove van haar af. De leden der gemeente werden de laici, die, -van alle regeering uitgesloten en voor hun zaligheid van priester en -sacrament volstrekt afhankelijk, niets hebben te doen dan te luisteren -en te gehoorzamen. En door een speciaal karakter en een bijzonderen -ambtsgeest van hen gescheiden, staan hoog boven hen de clerici, die -een afzonderlijken stand vormen, door successie zich voortplanten, -en ook zonder een bepaalden dienst in de gemeente tot de klasse -der geestelijken kunnen behooren. Deze clerici zijn in twee rangen -verdeeld, ordines minores (non sacri) en ordines majores (sacri). -De ordines minores, waartoe de acoluthi, exorcistae, lectores en -ostiarii behooren, waren eerst vrijwillige diensten van gemeenteleden -maar werden in de eerste helft der derde eeuw in Rome georganiseerd -tot lagere ambten, wijl zij tot het heilige in betrekking stonden en -daaraan in mindere of meerdere mate deel hadden; hoewel dikwerf alleen -in naam, zijn zij ook thans nog voorbereiding voor de hoogere ambten, -Sohm, Kirchenrecht 128. Moeller-von Schubert, Kirchengesch. I 370. -Wieland, Die genet. Entw. der sogen. ordines minores in den 3 ersten -Jahrh., Freiburg Herder 1897 en daarbij Schürer’s Theol. Lit. Z. 1898 -n. 1. Reeds bij de ordines minores komt het streven voor den dag, om -ze van de gemeente los te maken en ze in te lijven in de kerkelijke -hierarchie. Maar veel sterker is dit bij de ordines majores het geval. -Deze omvatten de drie ambten van bisschop, presbyter en diaken, maar -van deze drie is eigenlijk het bisschoppelijk ambt alleen overgebleven. -In dit episcopaat zijn wel allerlei onderscheidingen aangebracht van -jurisdictie en digniteit, zoodat men spreekt van aartsbisschoppen, -patriarchen, metropolieten enz., maar deze onderscheidingen maken -op de eenheid en het wezen van het bisschoppelijk ambt geen inbreuk. -Zelfs het pauselijk ambt is essentieel een bisschopsambt, slechts tot -de gansche kerk uitgebreid en daartoe met bijzondere gaven toegerust, -niet hieratisch maar alleen hierarchisch van het gewone bisschopsambt -verschillend. Dit bisschoppelijk ambt is in de Roomsche kerk eigenlijk -het eene, ware ambt. Nadat het in de tweede eeuw uit het presbyteraat -zich ontwikkeld had, trok het de leer, de traditie, de jurisdictie aan -zich, scheidde zich door successie, tonsuur, coelibaat van de gemeente -af en maakte presbyters en diakenen allengs tot zijne organen. Nog -binnen den kring des N. Test. treffen wij aan het hoofd der gemeente -een raad van presbyters, een presbyterium, aan, 1 Tim. 4:14, en zulk -een raad bleef, ook nadat een hunner tot bisschop zich verheven had, -nog lang om hem heen bestaan. Maar deze raad verloor meer en meer -elken band met de gemeente, werd een kapittel van den bisschop en -diende, om onder hem krachtens eene door hem verleende volmacht als -bedienaars van het heilige, vooral van het sacrament, op te treden. -Evenzoo veranderde spoedig het diakonaat geheel van karakter. Toen de -priester- en offeridee ingang vond, werd het διακονειν τραπεζαις, Hd. -6:2, niet meer van de verzorging der behoeftigen maar van hulpdienst bij -de eucharistie verstaan. De bisschop werd hoogepriester, de presbyters -werden priesters en de diakenen werden levieten, die, de armenzorg -aan particulieren en kloosterorden overlatende, den bisschop ter -zijde stonden bij de bediening der mis. Terwijl op deze wijze presbyters -en diakenen geheel en al van de gemeente afgezonderd en tot organen -van den bisschop werden gemaakt, is deze zelf bepaaldelijk door ééne -macht van alle andere onderscheiden. Het bisschoppelijk ambt is een -priesterlijk ambt, maar verbonden met de macht om het voort te planten, -met de vis generativa sacerdotii; het waarborgt het voortbestaan van -het sacerdotium en dus de voortplanting van de kerk. De bisschop is het -punctum saliens in de kerk; leeken, diakenen, presbyters kunnen tijdelijk -ontbreken maar de bisschop niet; waar hij is, is de kerk, want hij is de -drager der leer, de voortplanter der priesterschap. De presbyters zijn -ook priesters, bevoegd om de sacramenten te bedienen, maar zij mogen -niet ordenen, zij missen de vis generativa sacerdotii, hun priesterschap -is onvruchtbaar, zij zijn dienaren en helpers van den bisschop, omdat -deze niet overal kan zijn en niet alles kan doen. Presbytoraat en -diakonaat zijn bij Rome verlengstukken van het episcopaat; het zijn drie -graden in het ééne sacerdotium, niet geco- maar gesubordineerd. De -presbyter is ook diaken, de bisschop is ook presbyter; telkens stijgt de -ambtsgave een trap hooger, totdat zij culmineert in den bisschop, of, -gelijk de volgende paragraaf zal aanwijzen, in den paus. Cf. Thomas, S. -Theol. suppl. qu. 34-40. Lombardus e. a. op Sent. IV dist. 24. Bonav., -Brevil. VI 12. Conc. Trid. sess. 23. Cat. Rom. II c. 7. Bellarminus, de -clericis I c. 11 sq. Dens, Theol. VII 50 sq. Oswald, Die dogm. Lehre v. -d. h. Sakr. II² 315-335. Seydl, Der Diakonat, Regensburg 1884. Vering, -Lehrb. des kath. orient. und prot. Kirchenrechts³, Freiburg 1893 S. 558 -f., enz. - -Tegenover deze hierarchie stelde Luther zich tevreden met de -herstelling van het oorspronkelijk predikambt. Wel achtte hij tot -oefening der tucht een raad van oudsten en tot verzorging der armen -een raad van diakenen noodig. Maar deze ambten werden toch van wege de -ongelegenheid der tijden niet hersteld; zij waren ook niet zoo noodig -als het episcopale, geestelijke predikambt, het Pfarramt, dat het -voornaamste ambt is en waardoor Christus in het bijzonder zijne kerk -regeert. Het ouderlingen- en diakenambt werden daarom in de Luthersche -kerk vervangen door consistorie en kerkvoogdij; de Roomsche ordines -maakten plaats voor den ordo ecclesiasticus, politicus en oeconomicus. -Cf. Köstlin, Luthers Theol. II 538 f. Conf. Aug. en Apol. art. 5. -14. 28. Gerhard, Loc. XXIII vooral § 232. 233. Sohm, Kirchenrecht -460-542. Achelis, Lehrb. d. prakt. Theol. I² 60 f. Daarentegen is de -presbyterale kerkregeering te danken aan Calvijn. Wel werden er reeds -vóór hem, o. a. door Oecolampadius te Bazel in 1530 pogingen beproefd, -om ten behoeve der kerkelijke tucht het ambt van oudsten in te stellen, -maar Calvijn heeft dit toch het eerst uitgevoerd en het ouderlingenambt -tot een kenmerk der Gereformeerde kerkregeering gemaakt, Lechler, -Gesch. der Presb. u. Syn. Verfassung, Leiden 1854 en art. Presbyter in -Herzog². Hij ging daarbij uit van het woord Gods. Want al is het ook, dat -karakter en omstandigheden Calvijns oog openden voor de beteekenis der -ambten in de H. Schrift, toch is de presbyterale kerkregeering door -hem niet uit eenig abstract beginsel maar uit het woord Gods afgeleid -en op zijn gezag in de kerk ingevoerd. In den nieuweren tijd is men wel -van een Gemeindeprinzip gaan spreken en heeft men daaruit een soort van -presbyterale en diakonale ambten opgebouwd; eene gemeente had recht, -om zichzelve te regeeren, evenals op staatkundig gebied het volk hoe -langer hoe meer invloed op de regeering verkrijgt, zoo Stahl en vele -jongere kerkordeningen bij Rieker, Grundsätze ref. Kirchenverf. 130 f., -en evenzoo had eene gemeente organen, d. i. diakenen en diakonessen -noodig tot uitoefening van het werk der inneren Mission, Paul Wurster, -Die Lehre v. d. inneren Mission, Berlin 1895 S. 128 f. Maar dit is eene -gansch andere voorstelling, dan die men bij Calvijn en de Gereformeerden -aantreft. Al is het ook, dat zij de regeering der kerk daarmede -aandringen, dat zij anders evenmin als een volk of eene maatschappij kan -bestaan, Calvijn, Inst. IV 11, 1. a Lasco, Op. II 45; toch leiden zij -de ambten niet uit de gemeente maar uit de instelling van Christus -af. De kerk als gemeenschap der heiligen is niet autonoom; zij is niet -vrij, om zich al dan niet, zoo of anders in te richten, maar zij is ook -op dit punt aan het woord Gods gebonden en vindt daarin de beginselen -aangewezen en de lijnen getrokken, welke zij bij de regeering der kerk te -volgen heeft. Het was algemeene overtuiging, dat de regeering der kerk -in substantie op een jus divinum berusten moest, Calvijn, Inst. IV 3, -1. 4, 1. Conf. Gall. 25. 29. Belg. 30. Helv. II 18, vooral de Westm. -synode bij Neal, Historie der Purit. II 1 bl. 182v. Maar daarbij verloor -men toch niet uit het oog, dat de Schrift geen wetboek was, noch in -allerlei bijzonderheden afdaalde en zeer veel aan de vrijheid der kerken -overliet, Syn. Wezel I 9. 10. Emden 19-21. Westm. I 6. Zelfs over de -ambten, welke Christus in zijne kerk ingesteld had, was er niet gering -verschil. Vooreerst waren er, die tegen een episcopaat in den zin van -eene superintendentuur geen bezwaar hadden, a Lasco, Op. II 51. 57. -Knox, First Book of Discipline, cf. Saravia, Scultetus, Bochartus, -Spanheim Jr., Tilenus, Forbesius a Corse e. a. bij M. Vitringa IX -210 sq. Dan was er verschil over, of het doctorenambt, opgevat als -professoraat in de theologie, een afzonderlijk, kerkelijk ambt vormde dan -wel of het, wijl van geen apostolische instelling, slechts in ruimer zin -zoo genoemd kon worden, cf. mijne rede over het Doctorenambt, Kampen -1899. Vervolgens spraken, afgedacht van het doctoraat, sommigen liever -van drie ambten pastor, presbyter en diaken, Calvijn, Ordonn. eccl. Syn. -Wezel c. 2. 4. 5. Emden 13. 14. Dordr. 12v. Midd. 2. ’s Grav. 2. Dordr. -2; anderen noemden twee ambten, presbyter en diaken en verdeelden dan -het eerste in leer- en regeerouderlingschap, a Lasco Op. II 51 en vele -Schotsche en Amerikaansche kerkenorden, bij Rieker, Grundsätze ref. -Kirchenverf. 104; zelfs waren er, die de presbyterale kerkregeering wel -nuttig maar niet krachtens een jus divinum noodzakelijk vonden en de -onderscheiding van leer- en regeerouderlingen verwierpen, Cappellus, -Theses Salm. III 330. Burmannus, Synopsis VIII 7, 41v. e. a. bij M. -Vitringa IX 235 sq. Voorts werd de onderscheiding van diakenen in die -voor armen en voor kranken door Calvijn wel ingevoerd, Inst. IV 3, 9 -maar slechts zelden overgenomen, Zanchius, Op. IV 767. Syn. Wezel. c. -5; en door anderen het ambt van diakonessen hersteld, Junius, Op. I -1567. Walaeus, Op. I 466. Voetius, Pol. Eccl. II 508 sq. 529; en ook -was volgens sommigen in Hd. 6 niet de instelling van het diakonaat -bericht en dit ambt daarom niet van Goddelijken oorsprong, Cappellus -e. a. bij M. Vitringa IX 277 sq. En eindelijk was er nog verschil over -de wijze van verkiezing, over het bekleeden van een ambt zonder een -bepaalden dienst in de gemeente, Heidegger, Corpus Theol. II 571, over -het nut der handoplegging, zoowel in het algemeen als vooral bij de -bevestiging van ouderlingen en diakenen, Voetius, Pol. Eccl. III 466, -over de herhaling van de bevestiging bij herbenoeming van ouderlingen -en diakenen, Moor VI 329, M. Vitringa IX 361, over den duur van het -ouderlingschap, Rutgers in de Heraut 944-948 enz. De behandeling van al -deze onderwerpen hoort in het kerkrecht thuis. Maar zooveel mag veilig -gezegd, dat de Gereformeerden, door de herstelling van het ouderlingen- -en het diakenambt naast dat van den dienaar des woords, het zuiverst -de gedachte der Schrift hebben gegrepen en het krachtigst de rechten -der gemeente hebben erkend. Over de kerk is Christus alleen koning; -hare regeering is in het onzichtbare strikt monarchaal. En koning was -Hij niet alleen in het verleden, maar Hij is het nog. Van uit den hemel -regeert Hij zijne gemeente op aarde door zijn Woord en zijn Geest, door -zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid. Deze drie -ambten zet Hij op aarde voort, niet uitsluitend maar toch ook door -middel van de ambten, die Hij ingesteld heeft. In het zichtbare is zijne -regeering niet democratisch noch monarchaal noch oligarchisch, maar -aristocratisch-presbyteraal. Het zijn de ἀριστοι, de besten, niet in -geld en goed maar in geestelijke gaven, die Hij zelf bekwaamt en door de -gemeente voor zijnen dienst aanwijzen laat. Door hen zorgt Hij voor de -geestelijke en voor de stoffelijke belangen van zijne gemeente. Door het -leeraarsambt onderwijst Hij, door het ouderlingenambt leidt Hij, door het -diakenambt verzorgt Hij zijne kudde; en door alle drie bewijst Hij zich -te zijn onze hoogste profeet, onze eeuwige koning en onze barmhartige -hoogepriester. - - -§ 49. DE MACHT DER KERK. - -1. De kerk behoort evenmin als de staat tot de oorspronkelijke -instellingen van het menschelijk geslacht. De oudste vorm van -samenleving was de familie, waarin het burgerlijk en het godsdienstig -leven nog ineengestrengeld lagen en onder leiding stonden van den -vader of aartsvader, die profeet, priester en koning was in zijn gezin. -De zonde echter maakte voor het behoud van het menschelijk geslacht -de instelling van kerk en staat noodzakelijk. In het gebod van de -doodstraf op menschenmoord, Gen. 9:6, stelt God principieel de overheid -in; en deze treedt dan ook weldra na den torenbouw onder de leiding -van Gods voorzienigheid bij alle volken op, in welke de menschheid -verdeeld wordt. Zoodra er eene overheid opstaat, komt er vanzelf ook -eene zekere onderscheiding en scheiding tusschen het burgerlijke en -het godsdienstige leven; naast de vorsten treden er priesters op. -Daarmede is dan vanzelf de mogelijkheid van botsing gegeven; de grenzen -worden bij de volken telkens verschillend getrokken en de banden op -onderscheidene wijze gelegd. Terwijl in het Oosten over het algemeen -de macht der vorsten aan de priesterschap onderworpen is, is in het -Westen, bij Grieken en Romeinen, de godsdienst een politiek belang en -zijn de priesters beambten van den staat. Eene volkomene scheiding kwam -in de oudheid nergens voor; een neutrale staat is daar ten eenenmale -onbekend. De staat onderhoudt en beschermt den godsdienst, desnoods -met verbanning en doodstraf (Socrates), want deze is de grondslag -en waarborg van zijn eigen bestaan. Ook Israel was van huis uit -patriarchaal ingericht en in huisgezinnen, familiën, geslachten en -stammen ingedeeld. Onder de koningen bleef de genealogische indeeling -bestaan en gaf aan de staatsinrichting een democratischen stempel, -zoodat de hoofden der stammen enz. in de volksvergaderingen over -gewichtige zaken te beslissen hadden. Reeds onder dezen patriarchalen -regeeringsvorm was er onderscheid tusschen burgerlijke en godsdienstige -belangen, tusschen Mozes en Aaron, tusschen schrijvers, שֹׁטְרִים en -richters, שֹׁפְתִים, ter eene, en priesters en levieten ter andere -zijde. Alleen in het opperste gerechtshof, dat te Jeruzalem gevestigd -was en over zeer moeilijke gevallen te oordeelen had, hadden ook -priesters zitting, Deut. 17:8-13, 19:17, 18. Onjuist is het daarom, -te zeggen, dat onder Israel kerk en staat één waren. Beide waren in -wetten, instellingen, ambten, ambtsdragers, en ten deele zelfs in -leden duidelijk van elkaar onderscheiden, cf. Hoedemaker, Kerk en Staat -in Israel, in het tijdschrift Troffel en Zwaard 1898 bl. 208-237. De -priesters moesten dienen in den tempel, met de offeranden des volks -tot God naderen, aan het volk Gods genade en zegen uitdeelen, en -het onderwijzen in de wet, Lev. 9:22, 10:11, 21:8, Num. 6:22, 16:5, -Ezech. 44:23, maar zij moesten ook voor zichzelf offeren, Lev. 9:7, -16:6, waren gebonden aan de wet, Deut. 33:10, Jer. 18:18 en voor hun -levensonderhoud van het volk afhankelijk, Lev. 23:10, Num. 18:8-32 -enz. Ook hadden zij geen geheime leer of kunst, geen staatkundige of -burgerlijke macht, geen hierarchische heerschappij; een priesterstaat -is Israel nooit geweest, de vrijheid des volks was op alle manier -tegenover den priesterstand gewaarborgd. De profeten traden vrij op, -hadden het woord Gods te verkondigen, moesten zonder sparen aan -Israel zijne zonden bekend maken en volk en overheid Gods oordeelen -aanzeggen, maar zij hadden geen andere macht dan de macht van het -woord. Vreemdelingen konden door de besnijdenis Israel worden ingelijfd, -Ex. 12:48, en onreinen en melaatschen bleven burgers, ook al werden -zij tijdelijk afgezonderd. Ondanks de scheuring had de godsdienstige -eenheid des volks op zichzelve zeer goed kunnen blijven bestaan. Maar -het eigenaardige van Israels inrichting bestond nu daarin, dat al deze -wetten, ambten en instellingen door God gegeven en gehandhaafd werden; -Israel was eene theocratie; God was zijn wetgever, rechter en koning, -Jes. 33:22. Er was daarom op geen enkel gebied in Israel plaats voor -eene onafhankelijke souvereiniteit; ook de koning mocht geen despoot -zijn, maar moest door God verkozen, uit het midden der broederen genomen -en aan Gods wet gebonden worden, Deut. 17:14-20, 1 Sam. 10:25. Boven -alle ambten, instellingen en personen stond de wet Gods, die heel het -leven van Israel regelde en door allen zonder onderscheid gehouden -moest worden; Israel moest een heilig volk en een priesterlijk koninkrijk -zijn, Ex. 19:3, Deut. 7:6. Daaruit vloeit voort, dat, zonder dat het -onderscheid tusschen burgerlijk en godsdienstig leven werd uitgewischt, -de overheid toch ook op haar terrein de wet Gods had te handhaven. -Afgoderij, beeldendienst, tooverij, Godslastering, Sabbatschennis enz., -alle zonden tegen de eerste tafel, werden daarom menigmaal met den -dood gestraft, Ex. 22:18, 20, Lev. 20:2, 6, 27, 24:11-16, Num. 25:5, -7, Deut. 13:1-5, 17:2-7, 18:9-12, 20, 1 Kon. 15:12, 18:40, 2 Kon. 9:7, -24, 33, 10:6, 11, 17, 18v., 11:15, 12:2, 18:4, 2 Chr. 15:13, 17:6, -29:10, 31:1, 34:5, 33. De godsdienst was eene nationale zaak, zonde was -misdaad, overtreding van de eerste tafel der wet was verbreking van -het verbond. Maar daarbij dient toch bedacht, dat de wet slechts zeer -weinige, algemeene regelen gaf, en de voltrekking der straf dikwerf aan -God zelven overliet; dat het dooden van de Kananieten, van Agag, van -Achabs huis op zichzelf staande gevallen waren, dat Jehu’s ijver veel -verder ging dan het gebod Gods, dat de reformatie der koningen zich -meest bepaalde tot het uitroeien der afgodsbeelden en tot herstel van -den publieken dienst van Jahveh, dat ongeloof en ketterij onder Israel -door geen inquisitie werden opgespoord en menigvuldig voorkwamen, -dat gewetensdwang ten eenenmale onbekend was, dat vreemdelingen, op -voorwaarde van zich te onthouden van publieke schennis van Israels -godsdienst, niet alleen geduld maar ook met voorkomendheid werden -behandeld, dat priesters en profeten nooit opwekten tot vervolging -van de goddeloozen maar alleen hen vermaanden tot bekeering, bijv. -ook in Ps. 2:10, en van God zelven de staatkundige en godsdienstige -overwinning van Israel over al zijne vijanden verwachtten. Daarom kon -ook, toen Israel meer en meer zijne politieke zelfstandigheid verloor, -de godsdienstige gemeente blijven bestaan en zich op eigene wijze -organiseeren. Al breidde de macht van priesters en hoogepriester na -de ballingschap zich gaandeweg uit, straks kregen zij in farizeën en -schriftgeleerden gevaarlijke concurrenten; in de synagoge werd het -godsdienstig leven zelfstandig, niet alleen tegenover den staat, maar -ook tegenover tempel en priesterschap; en heel dat leven werd meer -en meer geconcentreerd om de wet, wier onderwijzing het hoofddoel der -synagoge was, Mt. 4:23, Mk. 1:21 enz. Hd. 15:21, 2 Tim. 3:15. Die wet, -of ruimer genomen, de Oudtest. Schrift was grondslag, middelpunt, bron -van Israels godsdienstig leven; eene andere macht bezat het niet, dan -die er lag in dat Woord. Vandaar dat het zich daaraan vastklemde met -angstvallige nauwgezetheid en allen, die er niet naar wilden leven, -door den ban גִּדּוּי, חֵרֶםַ, שַׁמַּתָא uit zijn midden wegdeed -en zonder of met anathematismen, voor een tijd of voor goed buiten de -gemeente sloot, Luk. 6:22, Joh. 9:22, 12:42, 16:2. Cf. Schürer, Gesch. -d. jüd. Volkes im Zeitalter J. C. II³ passim, vooral 428 f. - - -2. Toen Jezus, komende tot het zijne, door de zijnen niet aangenomen -werd, organiseerde Hij zijne discipelen tot eene ἐκκλησια, die hopend -en lijdend zijne tweede komst en de overwinning van al zijne vijanden -verbeiden moest. Deze gemeente toont in inrichting en cultus wel -eenige overeenkomst met de synagoge, maar is toch eene nog vrijere -en meer zelfstandige organisatie van het nieuwe leven, dat Christus -aan het licht gebracht had. Immers kan er geen twijfel over bestaan, -of Christus zulk eene gemeente gesticht en haar eene zekere macht -toebetrouwd heeft. Zelf toch spreekt Hij van haar als zoo hecht op eene -rots gebouwd, dat de poorten der hel niets tegen haar zullen vermogen, -Mt. 16:18, en voorts geeft Hij aan die gemeente ambten, bedieningen, -instellingen, gaven, Rom. 12:6v., 1 Cor. 12-14, Ef. 4:11, die er -alle op wijzen, dat zij een eigen, vrij, onafhankelijk bestaan en eene -zelfstandige inrichting heeft. Maar deze macht, welke Christus aan -zijne gemeente verleent, draagt een bijzonder karakter. Zij bestaat in -niets anders maar ook in niets minder dan in de macht der sleutelen, -die door Christus het eerst aan Petrus toebedeeld werd, Mt. 16:19. -Nadat Petrus eerst om zijne belijdenis van Jezus’ Messianiteit eene -rots was genoemd, op welke Christus zijne gemeente zou bouwen, stelde -Hij hem daarna in vers 19 tot οἰκονομος van het koninkrijk der hemelen -aan en droeg de sleutelen van dat rijk aan hem over. Sleutelen zijn een -teeken van heerschappij, Jes. 22:22, Luk. 11:52, Openb. 1:8, 3:7, 9:1, -20:1, en duiden hier de macht van Petrus aan, om het koninkrijk der -hemelen te openen en te sluiten, d. i. om te bepalen, wie er in komen -zal en wie niet. Zijn oordeel toch zal ook in den hemel gelden; wat hij -binden of ontbinden (losmaken, bevrijden) zal, zal ook door God alzoo -gerekend worden. In deze woorden wordt aan Petrus geen wetgevende macht -geschonken, maar wel eene oordeelende of richtende; omdat hij belijder -van Jezus als den Christus is, heeft hij in die belijdenis een maatstaf -om te bepalen, wat tot de gemeente al dan niet behoort en dus al dan -niet in het koninkrijk der hemelen zal ingaan. In Mt. 18:18 krijgt de -gemeente in het algemeen de macht, om een onboetvaardige als een heiden -en tollenaar te beschouwen, want haar oordeel is in de hemelen van -kracht. En in Joh. 20:24 ontvangen al de apostelen, op grond van de hun -in vers 22 geschonken Geestesgave, de macht, om der menschen zonden -los te laten of vast te houden. Hieruit blijkt duidelijk, dat de macht -der gemeente en bepaaldelijk van Petrus en de apostelen bestaat in het -uitspreken van een rechterlijk oordeel over der menschen verhouding tot -het koninkrijk der hemelen naar den maatstaf van de belijdenis van Jezus -als den Christus en de gave des H. Geestes. Deze macht wordt in het N. -T. telkens nader omschreven. Zij is geen autoritaire, onafhankelijke, -souvereine heerschappij, Mt. 20:25, 26, 23:8, 10, 2 Cor. 10:4, 5, 1 -Petr. 5:3, maar een διακονια, λειτουργια. Hd. 4:29, 20:24, Rom. 1:1 -enz., gebonden aan Christus, die alle macht heeft in hemel en op -aarde, Mt. 28:18, die het eenige hoofd der gemeente is, Ef. 1:22 en -die als zoodanig alle gaven en ambten uitdeelt, Ef. 4:11; gebonden aan -zijn Woord en Geest, door welke Christus zelf zijne gemeente regeert, -Rom. 10:14, 15, Ef. 5:26, en uitgeoefend in zijn naam en kracht, 1 -Cor. 5:4. Zij is daarom wel eene macht, eene wezenlijke veelomvattende -macht, bestaande in de bediening van woord en sacrament, Mt. 28:19, -in de opening en sluiting van het koninkrijk der hemelen, Mt. 16:19, -in het vergeven of houden der zonden, Joh. 20:20, in het oefenen van -tucht over de leden der gemeente, Mt. 16:18, Rom. 16:17, 1 Cor. 5:4, -2 Thess. 3:6, Tit. 3:10, 2 Joh. 10, 2 Tim. 2:17, Hebr. 12:15-17, Op. -2:14, in het onderscheiden aller dingen, 1 Cor. 2:15, in het leeren, -vertroosten, vermanen enz. der broederen, Col. 3:16, in het aanleggen -der gaven ten nutte van anderen, Rom. 12:4-8, 1 Cor. 12:12v., in het -doen van wonderen, Mk. 16:17, 18 enz. Maar al deze macht is geestelijk, -zedelijk van aard, wezenlijk onderscheiden van alle andere macht, welke -God aan menschen over menschen of over andere schepselen in gezin, -maatschappij, staat, kunst, wetenschap geschonken heeft. Jezus toch -is niet anders opgetreden dan als Christus, als profeet, priester en -koning; een ander ambt heeft Hij niet bekleed, eene andere betrekking -heeft Hij niet waargenomen. Hij was geen huisvader, geen geleerde, -geen kunstenaar, geen staatsman; Hij heeft alle ordinantiën en werken -des Vaders geeerbiedigd en kwam alleen, om de werken des duivels te -verbreken, 1 Joh. 3:8. Zijn koninkrijk had in deze wereld zijn oorsprong -niet, Joh. 18:36. En daarom erkent Hij alle overheid, hoogepriester, -sanhedrin, Herodes, Pilatus enz., betaalt Hij de belasting, Mt. 17:24, -weigert scheidsrechter te wezen tusschen twee broeders, die twisten -over eene erfenis, Luk. 12:14, beveelt den keizer het zijne te geven, -Mt. 22:21, bestraft Johannes, die vuur wil doen nederdalen van den -hemel, Luk. 9:55, en Petrus, die Malchus het oor afhouwt, Joh. -18:10, verbiedt dat zijne jongeren voor zijn naam en zaak strijden met -het zwaard, Mt. 26:52. Het evangelie van Christus bindt nooit den -strijd tegen de natuur als zoodanig aan, het kwam niet om de wereld -te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3:16, 17; het laat huisgezin, -huwelijk, verhouding van ouders en kinderen, van heeren en dienstbaren, -van overheid en volk onaangetast; het vindt niets verwerpelijks in -zichzelve en alle schepsel goed, indien het met dankzegging genomen -wordt en geheiligd door het woord van God en door het gebed, 1 Tim. -4:4; het laat een iegelijk blijven in de roeping, in welke hij geroepen -werd, 1 Cor. 7:12-24, 1 Thess. 4:11, leert de overheid eerbiedigen, -Rom. 13:1, 1 Tim. 2:2, 1 Petr. 2:13, en laat zelfs de slavernij -bestaan, 1 Cor. 7:22, Philem. 11. Zelfs als het gebiedt, Gode meer te -gehoorzamen dan den menschen, predikt het alleen lijdelijk verzet, Hd. -4:19, 5:29. Maar desniettemin, schoon van alle revolutie afkeerig, is -het des te meer op reformatie gesteld. Het bindt nooit tegen de natuur -als zoodanig, maar wel overal en altijd, op ieder terrein en tot in de -verborgenste schuilhoeken toe tegen de zonde en de leugen den strijd -aan. En zoo predikt het beginselen, die niet langs revolutionairen maar -langs zedelijken en geestelijken weg overal doorwerken en alles hervormen -en vernieuwen. Terwijl het naar Jezus’ bevel gepredikt moet worden aan -alle creaturen, Mk. 16:15, is het eene kracht Gods tot zaligheid een -iegelijk die gelooft, Rom. 1:16; een tweesnijdend scherp zwaard, dat -doordringt tot de verdeeling der ziel en des geestes, Hebr. 4:12; een -zuurdeesem, die alles doorzuurt, Mt. 13:33; een beginsel, dat alles -herschept; eene macht, die de wereld verwint, 1 Joh. 5:4. - - -3. Deze apostolische leer van de kerkelijke macht bleef geruimen tijd in -de christelijke kerk erkend. Het kwam eerst in de gedachte niet op, dat -de arme, kleine gemeente nog eens eene wereldkerk zou worden, die aan -vorsten en volken de wetten voorschreef. Alwat men begeerde, was, om -onder de heidensche overheid een gerust en stil leven te mogen leiden -in alle godzaligheid en eerbaarheid. Maar toen de kerk tot aanzien -en heerschappij kwam, werd ook hare macht gansch anders opgevat. De -ontwikkeling van episcopaat en traditie, van priester- en offeridee -bracht mede, dat de ordinatie als eene sacramenteele handeling werd -beschouwd, die, door den bisschop verricht, den ambtsgeest mededeelde -en tot het voltrekken der kerkelijke ceremoniën recht en bevoegdheid -schonk. En hoewel de sleutelmacht, in Mt. 16:18 aan Petrus geschonken, -door combinatie met Mt. 18:18 en Joh. 20:23 in den eersten tijd van de -vergeving der zonden verstaan werd, Cypr. de unit. eccl. 4. Ep. 75, -16, kreeg zij vooral door het sacrament der boete allengs een juridisch -karakter. De macht der kerk is daarom volgens Rome tweeërlei: potestas -ordinis en potestas jurisdictionis, van welke de laatste dan weer in -jurisdictio fori interni (sacramentalis) en fori externi (legifera, -judiciaria en coactiva) onderscheiden wordt, Thomas, S. Theol. II 2 -qu. 39 art. 3. Catech. Rom. II 7, 6. Conc. Vat. ed. Lacensis col. 570. -Klee, Kath. Dogm. I² 162. Dieringer, Kath. Dogm.⁴ 619. 715. Liebermann, -Inst. Theol. I⁸ 290. Simar, Dogm. 593. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 -S. 317 f. Schell, Kath. Dogm. III 1 S. 396. Jansen, Prael. theol. I 380 -sq. enz. Tot recht verstand van deze door Rome aan de kerk toegekende -macht dient het volgende in acht genomen te worden. 1º De potestas -docendi wordt soms door latere theologen wel afzonderlijk behandeld en -komt natuurlijk volgens Rome ook wel aan de kerk toe. Maar eigenlijk is -zij onderdeel van de potestas jurisdictionis. De Catech. Rom. II 7, 7 -zou kunnen doen vermoeden, dat de potestas docendi onder de potestas -ordinis thuis behoort, omdat hij zegt, dat deze niet alleen inhoudt de -macht, om de eucharistie te bedienen, sed ad eam accipiendam hominum -animos praeparat et idoneos reddit; maar het Conc. Vatic. IV c. 3. 4 -brengt het magisterium uitdrukkelijk onder de potestas jurisdictionis. -De bediening des woords is bij Rome rechtspraak, culmineerende in de -onfeilbare beslissingen van den paus; zij is geen prediking maar eene -afkondiging van dogmata, die als zoodanig het geweten binden, tot -geloof, d. i. tot assensus verplichten, en desnoods met dwang kunnen -opgelegd worden, Richter-Dove-Kahl, Kirchenrecht 305. Achelis, Prakt. -Theol. I² 79. 2º De potestas ordinis, de macht, om de sacramenten te -bedienen, is alleen verkrijgbaar door het door den bisschop verleende -sacramentum ordinis, dat den ambtsgeest mededeelt en een character -indelebilis indrukt, en is daarom onverliesbaar, Thomas, S. Theol. II -2 qu. 39 art. 3; zelfs ketters en scheurmakers, die eens in Rome door -den bisschop geordend werden, behouden deze macht, zij staat daarom -ook los op zichzelve, en is geheel onafhankelijk van de bediening -des woords. Het sacerdotium kan bij Rome ook zonder prediking van -het evangelie bestaan. Si quis dixerit..., sacerdotium... non esse -potestatem aliquam consecrandi et offerendi verum corpus et sanguinem -Domini et peccata remittendi et retinendi, sed officium tantum et -nudum ministerium praedicandi evangelium, vel eos, qui non praedicant, -prorsus non esse sacerdotes, anathema sit, Conc. Trid. sess. 23 de -sacr. ordinis can. 1. 3º In overeenstemming hiermede wordt bij Rome -de vergeving der zonden niet geschonken in de prediking van het -woord, welke slechts praeparatoire beteekenis heeft, maar in het -sacrament, hetwelk de genade in zich bevat en ex opere operato in -den ontvanger instort. Bepaaldelijk wordt zij medegedeeld in den doop -en voor de na den doop bedreven zonden in het sacrament der boete. -De tucht was n.l. in de eerste christelijke kerk zeer streng. Toen de -ervaring leerde, dat lang niet allen, die Christen geworden waren, -hunner roeping waardig wandelden en dikwerf vervielen in vleeschelijke -zonden en tijdens de vervolgingen vooral ook in verloochening van het -evangelie, namen de vermaningen toe, om, vooral vóór het gebruik -des avondmaals, in het midden der gemeente belijdenis van zonden te -doen, Did. 4:14, Clemens, 1 en 2 Cor. passim. Over den terugkeer van -zulke gevallenen en uitgeslotenen in den schoot der kerk ontstond een -langdurige strijd. Montanisme, Novatianisme en Donatisme wilden voor -zulke gevallenen, bepaaldelijk voor hen, die zich schuldig gemaakt -hadden aan verloochening, moord of ontucht, de deur der kerk sluiten -en hen aan Gods genade overlaten, cf. Hebr. 6:4-6, 10:26, 1 Joh. 5:16. -Maar Hermas, Mand. IV 1, zeide reeds in geval van echtbreuk, dat er -ééne bekeering mogelijk was. In Tertullianus’ tijd werd al tusschen -vergefelijke en doodzonden onderscheid gemaakt; de bedrijvers der eerste -ondergingen, ook al werden zij tijdelijk van de gemeente uitgesloten, -slechts eene castigatio, geen damnatio, Tert. de pudic. 7; die aan -de laatste, vooral aan afgoderij, echtbreuk of moord zich schuldig -maakten, werden bij berouw toch als ’t ware weer in den voorhof der -kerk toegelaten. De ontwikkeling van de katholieke kerkidee (als -heilsinstituut), de concentratie aller kerkelijke macht in den bisschop, -de leer van de verdienstelijkheid der goede werken (satisfactio, -meritum) kwamen aan de wederopname van gevallenen en gebannenen door -middel van boete ten goede. De bisschop van Rome, Callistus verkondigde -in 217, dat hij ook de zonden van ontucht bij berouwhebbenden vergaf. -Een concilie te Carthago 252 stond aan alle gevallenen, in geval van -boetvaardigheid, de reconciliatie of absolutie toe, Cypr. ep. 57, al -moest de terugkeerende ook verschillende stadiën doorloopen, eer hij in -de volle gemeenschap der kerk opgenomen werd (προσκλαυσις, ἀκροασις, -ὑποπτωσις, συστασις). En in 316 werden de Donatisten veroordeeld, die -beweerden dat geen geexcommuniceerde of der excommunicatie waardige -het sacrament bedienen kon, Moeller-v. Schubert, Kirchengesch. I 96. -133. 278. 298. 358. 415 en de daar aangeh. litt. In de boete, die -langzamerhand als een sacrament werd opgevat en in drie deelen bestond -(confessio oris, contritio cordis en satisfactio operis), schiep de -kerk zich de mogelijkheid, om allen, die na den doop in kleinere of -grootere zonden gevallen waren, weder in haar volle gemeenschap op te -nemen. Zij was eene secunda post naufragium tabula na den doop, Trid. -IV c. 2. Heel de tucht ging bij Rome in deze gesystematiseerde boete -onder, en deze boete werd een actus judicialis, een rechtbank, waarin -de priesters zitten als praesides en judices, de belijdenis van de -mortalia crimina aanhooren, naar den maatstaf der libri poenitentiarii -op casuistische wijze de straf bepalen, en in den naam van Christus niet -conditioneel en declaratorisch maar absoluut, kategorisch en peremptoir -de vergeving der zonden (absolutie) schenken. Dit juridisch karakter -der boete komt ook nog daarin uit, dat dit sacrament alleen mag bediend -worden aan hen, die gedoopt zijn, wijl de kerk over niemand jurisdictie -bezit dan wie door den doop onder haar macht staan; dat de geloovigen -dit sacrament slechts mogen ontvangen uit de hand van dien priester, -wiens subditi zij naar kerkelijke, d. i. pauselijke beschikking zijn; en -dat hoogere geestelijken, bisschoppen enz. en vooral de paus, zich -bepaalde, ergerlijke gevallen voorbehouden, waarin zij alleen oordeelen -en beslissen kunnen, zooals bijv. bij de toepassing van ban en interdict -over vorsten en landen in de Middeleeuwen door de pausen, Conc. Trid. -XIV. Cat. Rom. II 5, 32 sq. 4º Om deze jurisdictie in foro interno -te kunnen uitoefenen, beweert de Roomsche kerk voorts te bezitten -de potestas jurisdictionis in foro externo (potestas regiminis), -onderscheiden in potestas legislativa, judiciaria en coactiva. Christus -gaf toch aan de kerk, opdat zij aan haar roeping getrouw kon zijn, -vooreerst eene wetgevende macht; zij mag binden en ontbinden, verbieden -of veroorloven, zedelijke verplichtingen opleggen of teniet doen; en -al wat zij bepaalt, is in den hemel van kracht; het is evengoed alsof -God zelf het beveelt; het bindt daarom de gewetens en verplicht tot -onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, Mt. 16:19, 18:18, Joh. 20:21, 23, Hd. -15:27-29, 41, 1 Cor. 11:4-7, 14:26, 2 Cor. 8, 10:6, 8, 1 Tim. 3, Tit. -1:5, Hebr. 13:7, 17. Deze wetgevende macht sluit vanzelf de rechterlijke -in, wijl gene zonder deze niet zou kunnen bestaan; Christus gaf deze -macht aan de gemeente in Mt. 18:15-17 en de apostelen oefenden haar -uit, Hd. 5:1-10, 1 Cor. 5:3, 11-13, 1 Tim. 5:19, 20. En eindelijk heeft -de kerk ook eene uitvoerende en dwingende macht, en kan niet alleen -geestelijke straffen opleggen, gelijk Donatisten, Waldenzen, Albigenzen -enz. beweerden, maar ook tijdelijke en lichamelijke, en dat niet alleen op -gezag of door middel van den staat, maar ook zelve uit eigen autoriteit -en rechtstreeks. Rome grondt deze macht op Mt. 16:19, 18:18, 28:19, 1 -Cor. 4:18-21, 5:4-5, 2 Cor. 10:6, 8, 13:2, 3, 1 Tim. 1:20, heeft ze -menigmaal uitdrukkelijk geleerd, Denzinger, Enchir. symb. et defin. -n. 1367. 1546. 1572. Conc. Vatic. coll. Lac. VII 570. 577, en ook -veelvuldig toegepast, cf. Perrone, Prael. Theol. Lov. 1843 VII 275. -Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 322. Jansen, Prael. theol. I 390 enz. -5º Eindelijk leert Rome, dat deze kerkelijke macht, van alle aardsche -macht wezenlijk onderscheiden, ten volle onafhankelijk is en souverein. -Wel zegt zij, dat deze macht ten opzichte van Christus eene bedienende, -een ministerium is; maar tegenover alle aardsche gezag en macht is -zij volkomen zelfstandig. Met deze leer van de onafhankelijkheid der -kerkelijke macht sloeg zij een gansch anderen weg in dan de kerk van -het Oosten. Daar werd door Constantijn, Theodosius en Justinianus I -de kerk hoe langer hoe meer een orgaan in den staat; de keizer kon -daarom met de kerk nog wel niet doen wat hij wilde, want hij was aan het -dogma gebonden, en geen αρχιερευς maar alleen εὐσεβης, beschermer der -orthodoxie, doch hij was toch evengoed als van den staat het regeerend -hoofd der kerk. In de Russische kerk heerscht deze beschouwing nog -thans. In 1721 legde Peter de Groote het opperbestuur over de kerk in -handen van eene permanente Heilige Synode, welke door het intermediair -van den procurator aan den Czaar gebonden is. Hoezeer de macht van -den Czaar in vergelijking met die der Byzantijnsche keizers veelszins -beperkt en verzwakt is, is hij het toch, die door de Synode de kerk -regeert, de godsdienstige aangelegenheden van zijn volk regelt, de -mate van vrijheid voor zijne Roomsche en Protestantsche onderdanen -bepaalt; het orthodoxe dogma is in Rusland nog altijd in formeelen zin -staatsrecht en ketterij staatsmisdaad, cf. Pobedonoszew, Streitfragen -der Gegenwart. Autor. Uebersetzung. Berlin 1897. Herzog² 5, 425 f. -Kattenbusch, Vergl. Confessionskunde I 374-393. Terwijl alzoo in het -Oosten het Cesareopapisme tot ontwikkeling kwam, wist de kerk in het -Westen, georganiseerd in den paus, niet alleen hare zelfstandigheid te -handhaven tegen maar menigmaal ook hare suprematie uit te breiden over -den staat. Het keizerschap werd in Karel den Groote een Christelijk, -een Roomsch instituut, en was van dien tijd af menigmaal aan den paus -ondergeschikt. En dit was niet alleen practijk maar werd ook hoe langer -hoe meer theorie. Staat, (gezin, maatschappij, kunst, wetenschap, al het -aardsche) en kerk verhouden zich volgens Rome als natuur en genade, -vleesch en geest, bonum naturale en bonum supernaturale, het tijdelijke -en het eeuwige, het aardsche en het hemelsche. Gelijk de maan haar licht -ontvangt van de zon, zoo hebben de vorsten hunne wereldlijke macht -aan den paus te danken, die immers als stedehouder van Christus alle -macht heeft in hemel en op aarde, (Alvarus, Pelagius e. a.); of in -elk geval heeft de paus als hoofd der Christenheid ook summa potestas -disponendi de rebus temporalibus omnium Christianorum, Bellarminus, -de Rom. Pontif. V 6. 7. Zelfs is een wereldlijk gebied tot uitoefening -van zijn souvereine macht voor hem beslist noodzakelijk. Al is de -staat dan ook binnen zijn eigen terrein vrij en zelfstandig, hij is toch -minder dan de kerk, aan haar uitspraak gebonden en overal waar het -geestelijke in het natuurlijke ingrijpt, aan de kerk onderworpen. De -staat moet Christelijk, d. i. Roomsch zijn, mag geen andere als de ware -erkennen dan de Roomsche, en is verplicht, indien de kerk het verlangt -en het zelve niet doet, om ketters te vervolgen en te straffen. -Cf. Augustinus’ brief aan Vincentius contra Donat. et Rogat. de vi -corrigendis haereticis, id. aan Bonifacius de moderate coercendis -haereticis, voorts c. Epist. Parmeniani I 16. Contra literas Petiliani, -vooral lib. II. Contra Gaudentii Denatistarum episcopi epistolam I 20 -II 17. Thomas, de regimine principum. Bellarminus, de Rom. Pontif. -V. de membris eccl. III. Hergenröther, Kath. Kirche und Christl. -Staat in ihrer geschichtl. Entw. 1872. Hammerstein, Kirche und Staat, -Freiburg 1883. Stöckl, Lehrb. d. Philos. III⁶ 451-480. Cathrein, -Moralphilosophie II³ 529 f. Hansjakob, Die Toleranz und die Intoleranz -der Kath. Kirche 2e Aufl. Freiburg 1899 enz. - - -4. Deze macht, door Rome aan de kerk toegekend, culmineert en vindt -ook den waarborg voor haar bestand en voortduur in de macht van den -paus. Deze draagt toch volgens het Conc. Vatic. IV c. 3. 4 de volgende -eigenschappen: 1º Zij is niet bloot een primatus honoris noch ook -alleen een ambt van toezicht en leiding, maar eene van de bisschoppen -onafhankelijke volmacht van wetgeving, regeering en rechtspraak, eene -potestas jurisdictionis. 2º Zij is niet eene buitengewone, tijdelijke, -maar eene gewone, blijvende macht, welke God hem geeft en die hij altijd -en niet slechts in enkele buitengewone gevallen uitoefenen kan. 3º Zij -is eene onmiddellijke, zoowel naar oorsprong, wijl Christus haar geeft, -als naar haar gebruik, wijl de paus haar niet alleen door de bisschoppen -maar ook door zichzelf of zijne legaten uitoefenen kan, zonder verlof -of volmacht van wie ook te vragen, en dus met alle bisschoppen en -geloovigen onmiddellijk, vrij verkeeren kan. 4º Zij is niet eene beperkte, -maar eene plena et suprema potestas, extensief zich uitstrekkende over -de gansche kerk, intensief alle macht bevattend, welke tot leiding -en regeering der kerk van noode is, en volstrekt souverein, aan geen -leeken, bisschoppen, concilie, maar alleen aan God onderworpen. 5º -Alle leden der kerk, hetzij afzonderlijk of te zamen, alle bisschoppen, -elk voor zichzelf of in synode en concilie vergaderd, zijn aan den -paus volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd, niet alleen in zaken van -geloof en zeden, maar ook in die van tucht en regeering der kerk. Haec -est catholicae veritatis doctrina, a qua deviare, salva fide atque -salute, nemo potest. 6º Een deel van deze macht is het leerambt, over -hetwelk is bepaald, dat de paus, wanneer hij ex cathedra spreekt, door -Goddelijken bijstand onfeilbaar is. - -Na al hetgeen vroeger van de leer der Schrift en de oudste kerkelijke -getuigenissen gezegd werd, behoeft het geen betoog meer, dat heel dit -papale stelsel op een onschriftuurlijken grondslag rust. De consensus -patrum, n.l. na Irenaeus, de leer en practijk van pausen en conciliën, -de overeenstemming der latere theologen, gelijk ze in de Roomsche -dogmatiek breeder uiteengezet worden, bijv. bij Heinrich, Dogm. II 323 -f. kunnen dit gebrek niet vergoeden. Hoezeer dit pauselijk gebouw door -zijne strenge eenheid dikwerf ook vele Protestanten bekoort, toch is -het in diezelfde mate religieus en ethisch zwak, als het politiek en -juridisch imponeert. Immers 1º aard en karakter der onfeilbaarheid -zijn onvoldoende bepaald. Rome is zoover niet durven gaan, dat zij aan -den paus dezelfde onfeilbaarheid als aan de apostelen toeschreef. Dit -lag en ligt wel op de lijn. Men zou verwachten, dat de apostelen aan -de episcopi, die zij aanstelden, en Petrus bepaald aan den bisschop -te Rome de apostolische volmacht hadden meegedeeld. Maar dit is niet -zoo. De paus is onfeilbaar doch niet door inspiratie, maar door -assistentie des H. Geestes, door eene bijzondere zorge Gods, waardoor -de kerk voor dwaling behoed en bij de waarheid bewaard wordt. En zijne -onfeilbaarheid bestaat niet daarin, dat hij nieuwe openbaringen ontvangt -en eene nieuwe leer kan voordragen, maar zij bestaat alleen hierin, -dat hij de door de apostelen overgeleverde openbaring getrouw bewaren -en uitleggen kan. En ook is zij niet in dien zin te verstaan, dat de -door den paus ex cathedra gesproken woorden in letterlijken zin Gods -Woord zijn, maar alleen, dat zij dit zakelijk bevatten, Heinrich, Dogm. -II 220-245. Jansen, Prael. theol. I 616. 2º Ofschoon de onfeilbaarheid -eene bijzondere gave is, is zij toch aan den paus niet altijd eigen, en -niet in zijn persoon, noch ook als schrijver, als redenaar, als rechter, -als wetgever, als bestuurder noch ook als wereldlijk vorst, bisschop -van Rome, metropoliet van de kerkelijke provincie van Rome of als -patriarch van het Westen doch alleen als paus, als hoofd der gansche -kerk. Er heerscht hierover echter geen eenstemmigheid. Vooral met het -oog op het geval van paus Honorius gaven vroegere theologen en zelfs -Innocentius III, bij Schwane D. G. III 535, toe, dat de paus privatim -in ketterij kon vervallen, en dan jure divino ex ipso facto als paus -afgezet was (Paludanus, Turrecremata, Alphonsus de Castro, Sylvester -e. a.) of door een rechterlijk vonnis van een concilie kon afgezet -worden (Cajetanus, Canus e. a.) Dit had echter zijne bedenkelijke zijde -en bracht de onbeperkte souvereiniteit en onschendbaarheid van den -paus in gevaar. Daarom konden anderen, zooals Pighius, Bellarminus, -Suarez e. a. zich beter vinden in de probabele en vrome meening, dat de -goddelijke voorzienigheid den paus ook persoonlijk voor ketterij bewaren -zal, Heinrich, Dogm, II 257. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 450. 3º -Het Vaticanum zegt met eene misschien het eerst door Melchior Canus, -bij Schwane D. G. IV 302, gebezigde uitdrukking, dat de paus onfeilbaar -is, wanneer hij ex cathedra spreekt. Dit schijnt een grens te trekken, -maar is practisch een zeer onbruikbare maatstaf. Want het systeem -eischt, dat niemand uitmaken kan, of een paus ex cathedra gesproken -heeft, dan alleen de paus zelf. En zoo heeft een paus het altijd in -zijne hand, om eigen uitspraken of die van andere pausen te verwerpen, -door te zeggen, dat zij niet, of ook om ze bindend te verklaren, -door te zeggen, dat zij wel ex cathedra gesproken zijn. En zelfs kan -hij later zeggen, dat hij of een voorganger, meenende ex cathedra -gesproken te hebben, het toch feitelijk niet gedaan heeft. 4º Het -onfeilbare leerambt is een onderdeel van de plena et suprema potestas -jurisdictionis in universam ecclesiam. Wel verklaart het Vaticanum, -sess. IV c. 3, niet uitdrukkelijk, dat de paus bij het uitoefenen van -deze gansche macht ten allen tijde onfeilbaar is. Maar het zegt toch, -dat ten haren aanzien cujuscumque ritus et dignitatis pastores atque -fideles, tam seorsim singuli quam simul omnes, officio hierarchicae -subordinationis veraeque obedientiae obstringuntur, non solum in -rebus, quae ad fidem et mores, sed etiam in iis, quae ad disciplinam -et regimen ecclesiae pertinent. Of de paus in dit alles dus feilbaar -of onfeilbaar zij, allen hebben zonder onderscheid, zender eenig -recht van critiek, (neque cuiquam de ejus licere judicare judicio) -onvoorwaardelijk aan den paus te gehoorzamen, en dat bij niet minder -dan hunner zielen zaligheid. 5º De onfeilbaarheid wordt in het Conc. -Vatic. sess. IV c. 4 wel uitdrukkelijk alleen aan den paus toegekend, -als hij ex cathedra spreekt en als herder en leeraar aller Christenen -doctrinam de fide vel moribus ab universa ecclesia tenendam definit. -Maar er is hier volstrekt niet uit af te leiden, dat hij het anders -niet is. Hoe zou anders in c. 3 ook bij zaken van tucht, regeering, -rechtspraak, absolute en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan den paus -kunnen geeischt zijn? Maar hoe dit zij, in zaken van geloof en zeden is -de paus zeker onfeilbaar. En wat hiertoe behoort, werken de Roomsche -theologen nader uit. Onfeilbaar is de paus, als hij handelt over de -waarheden der openbaring in de Schrift, over de waarheden der traditie, -over de waarheden der goddelijke instellingen, sacramenten, kerk, -kerkelijke inrichting en regeering, over de waarheden der natuurlijke -openbaring. Maar ook hiermede is de grens zijner onfeilbaarheid nog -lang niet bereikt. Om in dit alles onfeilbaar te zijn, moet hij het -ook zijn, zeggen de theologen, in het oordeelen over de bronnen der -geloofswaarheden en in de uitlegging daarvan, dat is in de vaststelling -van het gezag der Schrift, der traditie, der conciliën, der pausen, -der patres, der theologen; in het gebruik maken en aanwenden van -natuurlijke waarheden, voorstellingen, begrippen en uitdrukkingen; -in het beoordeelen en verwerpen van dwalingen en ketterijen, in het -constateeren zelfs van de facta dogmatica; in het verbod van boeken, -in zaken van discipline, in de approbatie van orden, in de canonisatie -van heiligen enz. Geloof en zeden omvatten schier alles, en al wat de -paus daarover zegt, is onfeilbaar. De term ex cathedra trekt feitelijk -hoegenaamd geen grens. Want deze uitdrukking geeft toch niet te kennen, -dat alleen die uitspraken onfeilbaar zijn, waarbij het ex cathedra -letterlijk vermeld wordt, want dan waren alle vroegere pauselijke -bepalingen daarvan uitgesloten. Ze duidt dus alleen iets zakelijks aan. -Maar wie maakt dan uit, of de paus ex cathedra spreekt? Practisch en -door het volk zal zijne uitspraak altijd als onfeilbaar worden opgevat, -al was het alleen uit vrees, dat men eventueel eens eene onfeilbare -uitspraak verwerpen zou. En theoretisch kan alleen de paus onfeilbaar -zeggen, wanneer hij ex cathedra, onfeilbaar spreekt, Heinrich, Dogm. II -554-654. Bovendien, waarom is de paus onfeilbaar? Omdat hij het zelf -verklaart? Maar dat is een circulus vitiosus. Omdat het concilie het -verklaart? Maar het concilie is feilbaar, ook in deze verklaring. Waar -is dus voor den Roomschen Christen de zoo hooggeroemde zekerheid? 6º -Het Vaticanum heeft het resultaat opgemaakt van een lang historisch -proces. In den eersten christelijken tijd waren alle apostelen, alle -gemeenten en ook alle episcopi elkander gelijk in rang; hoogstens -was er een primatus homoris maar in geenerlei opzicht een primatus -jurisdictionis. Maar allengs wist de kerk en de bisschop te Rome alle -andere kerken en bisschoppen aan zich te onderwerpen. Toch bleef de -zelfstandigheid der laatsten binnen eigen kring nog lang tot op zekere -hoogte bewaard. Tegen het einde der 13e eeuw komt de controvers op over -de verhouding van de bisschoppelijke en de pauselijke macht, Schwane D. -G. III 549. Sommigen trachten dan nog de zelfstandigheid der eerste in -dien zin te handhaven, dat de bisschop, schoon ondergeschikt aan den -paus, toch de hem binnen zijn kring toekomende macht van God, ex jure -divino, ontvangen heeft en door den paus slechts als drager dier macht -aangewezen wordt; zoo Henricus van Gent, Alphonsus de Castro, bisschop -van Brugge † 1558, Vitoria, 1480-1544, vader der neoscholastiek aan -de hoogeschool te Salamanca, Petrus Guerrero, bisschop van Granada -en vele andere Spaansche en Fransche bisschoppen op het concilie te -Trente, die in den 7{en} canon der 23e zitting de woorden wilden -opgenomen hebben: episcopos _jure divino institutos_ presbyteris esse -superiores, Schwane, D. G. IV 292 f. Er ontstonden op het concilie -over deze quaestie de heftigste debatten, die heel den winter van het -jaar 1562 en tot over het midden van het volgende jaar voortduurden. -Den 15{en} Juli 1563 werd in can. 6-8 de bisschoppelijke macht wel -nader omschreven, maar de vraag, of zij ex jure divino dan wel ex jure -ecclesiastico was, werd met opzet onbeslist gelaten. Er stond dan ook -aan de andere zijde eene sterke partij, met Lainez, den Jezuitengeneraal -aan het hoofd, die beweerde, dat de bisschop de potestas ordinis wel -onmiddellijk van God ontving, maar de potestas jurisdictionis alleen -verkreeg door vrije overdracht van de zijde van den paus; deze laatste -was dus in zooverre de jure ecclesiastico, en kon door den paus naar -welgevallen beperkt, gewijzigd of ontnomen worden, want de paus had zijne -volle macht over de gansche kerk alleen en onmiddellijk van God. Dit -gevoelen won na Trente door den invloed der Jezuiten hoe langer hoe -meer veld, het behaalde over het Gallikanisme de zegepraal en werd op -het Vaticaansch concilie tot een dogma verheven. Wel wordt er in sess. -IV c. 3 gezegd, dat de macht van den paus volstrekt geen inbreuk maakt -op de ordinaria ac immediata potestas jurisdictionis der bisschoppen -maar deze veeleer bevestigt, versterkt en handhaaft; doch de paus -heeft de volle, gansche wetgevende, regeerende en rechtsprekende macht -over heel de kerk, hij kan zonder iemands tusschenkomst of bemiddeling -vrijelijk verkeeren (communicare) met al de herders en kudden der gansche -kerk, en allen zijn zonder onderscheid en onvoorwaardelijk aan hem -onderworpen. Bisschoppen, conciliën, heel de kerk, alle geloovigen zijn -feilbaar uit zichzelven en alleen onfeilbaar met en door hem. De paus -is de wortel, de vastheid, het fundament van de eenheid, autoriteit en -onfeilbaarheid van bisschoppen, conciliën, kerkvaders, theologen, van -alle geloovigen en van heel de kerk. Hij alleen ontvangt alle macht en -gezag en onfeilbaarheid rechtstreeks van God. Eene enkele uitdrukking -herinnert nog aan de oude, katholieke opvatting; zoo bijv. als in het -Conc. Vatic. IV c. 4 gezegd wordt, dat de paus ea infallibilitate -pollere, qua divinus Redemptor ecclesiam suam in definienda doctrina -de fide vel moribus instructam voluit, maar onmiddellijk wordt daaruit -juist afgeleid, dat de definitiones van den paus ex sese en niet ex -consensu ecclesiae onfeilbaar zijn. 7º Nog verder gaat deze macht van -den paus. Ofschoon de pausen tot de 8e eeuw toe onderdanen van het -Romeinsche keizerrijk waren en hun geestelijk ambt hoegenaamd niet het -bezit van wereldlijke macht insloot, toch is al spoedig in de Roomsche -kerk de gedachte opgekomen, dat de paus, om op geestelijk gebied -onafhankelijk te kunnen zijn, ook in het wereldlijke souverein moest -wezen. En na de opheffing van den kerkelijken staat in 1870 is deze -gedachte nog meer op den voorgrond getreden en met sterker nadruk -uitgesproken. Pius IX en Leo XIII hebben niet nagelaten, telkens -te verklaren, dat de paus als universeel bisschop niet onderdaan -van een bijzonder vorst kan zijn noch eene bepaalde nationaliteit kan -dragen, Jansen, Prael. theol. I 657, Hase, Prot. Polem. 254; en hunne -uitspraken binden de Roomsche geloovigen. Al is de idee van een -kerkelijken, van een priesterstaat, geheel uit den tijd; al doet de -existentie van zulk een staat aan de eenheid van Italie tekort; al kan -de paus niet kerkelijk opperhoofd en wereldlijk souverein tegelijk zijn, -zonder dat kerk of staat of beiden daarbij schade lijden; al heeft de -geestelijke macht de politieke souvereiniteit volstrekt niet noodig; -al heeft de paus eeuwenlang geen politiek gebied gehad en al heeft hij -na den overigens op zichzelf onrechtmatigen roof van den kerkelijken -staat in 1870 aan invloed niet verloren, evenmin als de duitsche -bisschoppen, sedert zij opgehouden hebben rijksvorsten te zijn; al is de -onafhankelijkheid van den paus tegenover den koning van Italie door -de garantie van 13 Mei 1871 en door de macht der Roomsche vorsten en -volken meer dan voldoende gewaarborgd; dit alles doet er weinig toe, -Rome laat den eisch niet varen, dat de paus weer worde wereldlijk vorst. -Dit is echter nog maar een gering deel van den ganschen eisch. Met -beroep op Mt. 28:18 en Luk. 22:38 en in navolging van Bonifacius VIII -in de bul Unam Sanctam zijn vele Roomschen nog veel verder gegaan en -hebben gezegd, dat de paus de eigenlijke souverein van heel de wereld is -en de wereldlijke macht naar zijn welgevallen overdraagt aan vorsten en -koningen als zijne ministri en vicarii. Dit was velen echter al te kras. -Zij bestreden de meening, dat de paus souverein is over het ongeloovig -deel der wereld, want Christus vertrouwde aan Petrus alleen de zorg -over de schapen toe, en die buiten zijn, oordeelt God; ook was de paus -niet wereldlijk vorst over de christelijke volken, want nergens werd -zulk eene politieke macht aan den paus opgedragen, en Christus gaf aan -Petrus alleen de sleutels van het hemelrijk; de paus heeft zelfs geen -temporalis jurisdictio noch wereldlijke macht directe of jure divino, -want Christus is een geestelijk koning en heeft een geestelijk rijk. Maar -al verwierpen dezen alzoo de directe wereldlijke macht, zij bleven toch -spreken van eene potestas indirecta en kenden aan den paus niet bloot -eene potestas directiva in wereldlijke zaken toe, doch ook in het belang -van het rijk Gods eene summa potestas disponendi de rebus temporalibus -omnium Christianorum; want het weiden der schapen eischt ook macht over -de wolven. De wereldlijke macht is immers aan de kerk onderworpen gelijk -het lichaam aan den geest; ongeloovige vorsten, die hun onderdanen -tot ketterij verleiden, mogen weerstaan en afgezet worden; christelijke -vorsten zijn als zoodanig aan Christus onderworpen, moeten het geloof -bevorderen en de kerk beschermen; gelijk ook vele koningen in de -dagen des O. Test. en in de geschiedenis der kerk gehandeld hebben, -Bellarminus, de Rom. Pontif. lib. V. Maar ook bij deze theorie der -potestas indirecta behoudt de paus het recht, om in het belang van het -koninkrijk Gods van alle vorsten onbepaalde gehoorzaamheid te eischen, -ingeval van ongehoorzaamheid hen af te zetten en de onderdanen van hun -eed van gehoorzaamheid te ontslaan, niet-roomsche volken en landen aan -roomsche vorsten toe te wijzen, politieke wetten en rechten krachteloos -te verklaren enz. Ook al geven vele Roomschen er tegenwoordig den schijn -aan, alsof al deze rechten den pausen alleen tijdelijk en toevallig in -de Middeleeuwen toekwamen, de Syllabus van 1864 verklaart in n. 23 -uitdrukkelijk, dat de pausen en conciliën nooit de grenzen hunner macht -overschreden noch rechten der vorsten zich aangematigd noch ooit bij -beslissing in zaken van geloof en zeden gedwaald hebben. De uitoefening -der rechten moge door de omstandigheden geschorst zijn, er is geen -twijfel aan, dat de rechten zelve onvervreemdbaar zijn. Rome verandert -niet. Cf. Fr. v. Schulte, Die Macht der römischen Päpste über Fürsten, -Länder, Völker und Individuen 3{te} Aufl. Giessen 1896. 8º Uit dit -alles blijkt de allesbeheerschende plaats, welke de paus in het leven -van den Roomschen Christen inneemt. De Roomsche kerk is eene monarchie, -een rijk, een staat met een geestelijk vorst aan het hoofd. Van de dagen -van Augustinus af wordt de kerk bij voorkeur als een staat en een rijk -voorgesteld, waarin alle dogmata als wetten en rechten gelden, die de -menschen binden bij de zaligheid hunner ziel. Bonifacius VIII zeide -daarom van den paus, dat hij jura omnia in scrinio pectoris sui censetur -habere, bij Schulte t. a. p. 66. De regeering in dezen staat is absoluut -monarchaal; na het concilie van 1870 is zij zelfs niet meer, gelijk men -vroeger zeide, door de aristocratie der bisschoppen getemperd; want -de bisschoppen zijn feilbaar, en ontleenen aan hem hunne macht; ja, -volgens de uitdrukkelijke bepaling van het Vaticanum kan de paus met -alle herders en kudden onmiddellijk verkeeren en dus, met algeheelen -voorbijgang van den bisschop, direct iederen priester, iederen kapelaan -aanstellen of ontslaan, elk proces beslissen, elken leek onmiddellijk -kastijden enz., de bisschoppen zijn van de souvereiniteit in eigen kring -principieel ten eenenmale beroofd. Ook is deze monarchale regeering -van den paus in beginsel niet meer constitutioneel, want Schrift -en traditie zijn aan zijne onfeilbare uitlegging onderworpen; la -tradizione son io, zeide daarom Pius IX tot den kardinaal Guidi, bij -Schulte t. a. p. 80; de paus bepaalt, indien noodig, wat leer van -Schrift en traditie is. Door zijne onfeilbaarheid is de paus in de -Roomsche kerk de eenige, absolute souverein, bron van alle kerkelijke -en zelfs direct of indirect van alle wereldlijke macht. Daarom heet -hij sedert de 9e eeuw in onderscheiding van alle andere bisschoppen -Papa, Schwane D. G. I 543, niet maar opvolger en plaatsvervanger van -Petrus doch vicarius Christi, vicarius Dei, Schwane III 536. 538, pater -spiritualis omnium patrum, imo omnium fidelium, hierarcha praecipuus, -sponsus unicus, caput indivisum, pontifex summus, fons et origo, regula -cunctorum principatuum ecclesiasticorum, Bonav. Brevil. VI 12. De -paus is de kerk, is het Christendom, is het Godsrijk zelf. Le pape et -l’église, c’est tout un, zeide Fr. de Sales. Ubi papa, ibi ecclesia. -Het primaat van den paus is summa rei christianae, Bellarminus, de -Rom. Pontif. in de voorrede. Zonder paus geen kerk, geen Christendom, -Veuillot bij Hase, Prot. Polemik⁵ 187. Onderwerping aan den paus is -voor alle menschen noodzakelijk ter zaligheid, (Bonifacius VIII). De -paus is middelaar der zaligheid, de weg, de waarheid en het leven. Er -ontbreekt nog maar aan, dat hij aangebeden wordt, maar ook dat is eene -quaestie van tijd, Harnack D. G. III 652. Inderdaad, Scheeben-Atzberger, -Dogm. IV 1 S. 427 zegt het terecht, indien het primaat van den paus -niet Gods werk is, dan is het eene blasphemische und diabolische -Usurpation. Cf. Luther, von dem Papstthum zu Rom. 1520, cf. Köstlin, -Luthers Theol. I 317. Art. Smalc. 4 en Tract. de potestate et primatu -papae, bij Müller, Symb. B. 306. 328. Calvijn, Inst. IV c. 4-11. Amesius, -Bellarminus enervatus, I lib. 3. Chamier, Panstr. Cath. II lib. 2. -Voetius, Pol. Eccl. III 775 sq. Id. Disp. II 684-882. Id. Desperata -Causa Papatus, Amst. 1635. Heidegger, Corp. Theol. Loc. 72, 2. -Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 16-20. Id. de necessaria secessione -nostra ab eccl. rom. vooral disp. 5: de tyrannide romana. Moor, Comm. -VI 195 sq. J. von Döllinger, Das Papstthum. Neubearbeitung von Janus, -Der Papst und das Concil, von J. Friedrich, München Beck 1894. Langen, -Das Vatik. Dogma von dem Universalepisc. u. der Unfehlb. des Papstes, -3 Theile, Bonn 1871-73. Dr. W. Joos, Die Bulle Unam Sanctam und das -Vatik. Autoritätsprinzip, 2e Aufl. Schaffh. 1897. Bungener, Pape et -concile au 19e siècle, Paris 1870. Gladstone, Rome and the newest -fashion in religion 1875. Hase, Handbuch der Prot. Polemik⁵, Leipzig -1891. Tschackert, Evang. Polemik gegen die röm. Kirche, Gotha 1885. -D. Snijder, Rome’s voornaamste leerstellingen en bedoelingen voor den -protestant toegelicht. Gor. 1890. Het dogma van de onfeilbaarheid van -den paus enz., uit het Duitsch door D. Snijder, Rott. 1899. - - -5. Tegen deze ontaarding der kerkelijke macht kwam de Reformatie in -verzet. Zij beleed weer, dat de kerk eene communio sanctorum was, en -dat zij van Christus eene macht had ontvangen, welke van die in den -staat wezenlijk onderscheiden was. Christi Reich is nicht ein leiblich -oder weltlich, irdisch Regiment, wie andere Herren und Könige auf -Erden regieren, sondern ein geistlich, himmlisch Regiment, das da -gehet nicht über zeitlich Gut, noch was dies Leben betrifft, sondern -über Herzen und Gewissen, wie man vor Gott leben soll, seine Gnade -erlangen, Luther bij Sohm, Kirchenrecht 464, 488, cf. verder Köstlin, -Luthers Theol. II 486 f. 553 f. Evenzoo maakte Calvijn tusschen kerk -en staat onderscheid als tusschen ziel en lichaam, het toekomstige en -het tegenwoordige leven en schreef aan de kerk eigen ambten, macht en -jurisdictie toe, Inst. IV 1-11. 20, cf. Lobstein, Die Ethik Calvins -1877 S. 115 f. De macht der kerk bestond daarom niet in eenig corpus -juris canonici, dat door Luther te Wittenberg den 10e December 1520 in -het openbaar verbrand werd, maar enkel en alleen in de bediening van -Gods woord. Wijl Christus het eenige hoofd der kerk is, kan en mag in de -kerk alleen het woord Gods heerschen, niet door dwang maar alleen door -liefde en vrije gehoorzaamheid, Luther bij Sohm, Kirchenrecht 464. 468; -de bediening van woord en sacrament is de eenige vorm van kerkregiment, -het inbegrip van alle kerkelijke macht, de gansche sleutelmacht, welke -dan echter ook volgens de Lutherschen wettige roeping, gehoorzaamheid -aan de opzieners, beoordeeling van leer en leven, oefening van tucht, -uitsluiting der goddeloozen uit de gemeente enz. insloot, Conf. en -Apol. Aug. art. 14. 20. 28 Smalc. art. de potestate et primatu papae. -Sohm heeft dit onderscheid in de macht, welke door Rome en door -Luther aan de kerk toegekend wordt, helder in het licht gesteld. Wel -is waar gaat hij te ver, als hij, in de meening, dat alle recht dwang, -menschelijke heerschappij en aardsche macht is, alle kerkrecht met het -wezen der kerk in strijd acht, cf. Rutgers, Het kerkrecht, inzoover het -de kerk met het recht in verband brengt, Amst. 1894. Maar toch toont hij -duidelijk aan, dat het groote verschil over de macht der kerk tusschen -Rome en het Protestantisme samenhangt met de politieke, juridische of -de geestelijke, ethische opvatting van het Christendom. En hij erkent -zelf menigmaal, dat de gemeente van Christus, ofschoon eene gemeenschap -van heiligen, toch orde eischt, reeds in den eersten tijd zekere orde -bezat, 51 f., en ook volgens Luther en de Lutherschen zonder ambt, -wettige roeping, zielzorg, tucht, ban, regeering niet kan bestaan, -471. 476. 486. 494. 519 f. Alle macht in de kerk is rechtstreeks of -zijdelings bediening des woords; alle regeling, die zij maakt, is daaraan -ondergeschikt en dienstbaar. Zoo verstonden het ook de Gereformeerden; -alle macht in de kerk berust oorspronkelijk bij Christus, die door God is -gezalfd tot koning over Sion, en draagt daarom een geestelijk karakter, -want zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Voor zoover Christus bij -de uitoefening dier macht zich van organen bedient, zijn deze niet -zelfstandig, onafhankelijk, souverein, maar aan Hem, d. i. aan zijn -woord gebonden. Alle ambt in de gemeente van Christus is een διακονια, -ministerium, zonder wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht in -zichzelf, maar alleen kunnende bedienen, wat in het woord van Christus -vervat en opgesloten ligt. Feitelijk is er dus in de kerk geen andere -macht dan de sleutelmacht, de bediening van woord en sacrament, die -dan echter gewoonlijk wederom onderscheiden werd in potestas doctrinae, -potestas disciplinae en potestas ordinis of regiminis, Calvijn, Inst. IV -c. 8-12. Martyr, Loci Comm. 405 sq. Polanus, Synt. Theol. VII 10 sq. -Junius, theses theol. 46. Turretinus, Theol. El. XVIII 29 sq. enz. - -Al was er zoo in de grondgedachten eenstemmigheid, toch kwam er bij -de uitwerking en toepassing tusschen Lutherschen en Gereformeerden -spoedig een belangrijk verschil voor den dag. Ten eerste nam Luther uit -de Roomsche kerk de ambtelijke bediening van het woord aan den enkele -over en was alzoo op handhaving der biecht gesteld. Ofschoon hij de -prediking van het evangelie opvatte als vergeving der zonden, also -dass ein christlicher Prediger nimmer das Maul aufthun kann, er muss -eine Absolution sprechen, Sohm t. a. p. 488, toch was hem dit niet -genoeg; de absolutie moest ook door den pastor individueel in de wel -niet noodzakelijke maar toch hoogst nuttige biecht worden toegepast, -Köstlin, Luthers Theol. II 528. Caspari, art. Beichte in Herzog³. Conf. -Aug. 11. 25 en Apol. Conf. Catech. minor I 5. Appendix I ad Catech. -maj. Art. Smalc. III 8. Gerhard, Loc. XV 97-117. Quenstedt, Theol. -III 584. 598. Harnack, Prakt. Theol. II 463 f. en daar aangeh. litt. -Gandert, Zur Revision des Beichtwesens in der ev. Kirche, Wittenberg -1898. Maar deze private biecht stuitte op onoverkomelijke moeilijkheden, -op het onvoldoend getal herders, op het biechtgeld, op de onzekere -beteekenis der absolutie enz., en kwam allengs in onbruik. Hoewel -nu de Gereformeerden het elkander belijden van de misdaden nuttig -vonden, lieten zij de ambtelijke bediening van het woord en dus ook de -verkondiging van de vergeving der zonden, d. i. de absolutie alleen -plaats hebben in de openbare vergadering der geloovigen, hielden van -de biecht als kerkelijke instelling alleen de geregelde of somtijds bij -de voorbereiding tot het avondmaal gebruikelijke belijdenis van zonden -over, en vervingen overigens de private biecht door het persoonlijk -huisbezoek, Zwingli bij Zeller, Das theol. System Zwingli’s 153. -Calvijn, Inst. III 4. IV 1, 22. Martyr, L. C. 274. Amesius, Bellarminus -enervatus III 481. Rivetus, Op. III 316. M. Vitringa III 127 sq. -Biesterveld, Het Huisbezoek, Kampen 1900. Ten tweede had de tucht in -de Luthersche kerk een ander verloop dan in de Gereformeerde. Luther -zelf wenschte wel terdege toepassing van tucht in de gemeente van -Christus; ofschoon hij den Roomschen ban verwierp en alle burgerlijke -straf uit de kerkelijke tucht verwijderde, toch was zulk eene gemeente -zijn ideaal, die na herhaalde vermaning het booze uit baar midden -wegdeed, Köstlin, Luthers Theol. II 530 f. 560 f. Herzog² 8, 14. 13, -588. Th. Harnack, Prakt. Theol. II 497 f. Dieckhoff, Luthers Lehre -v. d. kirchl. Gewalt, Berlin 1865, de Luthersche belijdenisschriften -bij Müller, S. 64. 152. 165. 288. 323. 340. 342. Maar het ontbreken -van het presbyterambt en de uitoefening van de kerkelijke tucht alleen -door den pastor leidde tot zulke misbruiken, dat zij weldra geheel -teniet ging en voorzoover zij bleef, aan de gemengde consistoriën werd -overgelaten. Practisch gaf dit hetzelfde resultaat, als de leer van -Zwingli, Erastus, de Remonstranten, de Rationalisten en vele nieuwere -theologen, volgens welke de gemeente hare macht tot tuchtoefening, -sedert de overheid christelijk is geworden, aan deze heeft afgestaan. -Daarentegen was voor Calvijn de kerkelijke tucht eene levensquaestie; -voor het recht der kerk, om het booze uit haar midden weg te doen, -streed hij in Genève twintig jaren lang; hij verwierf het eerst in het -jaar 1555, Choisy, La théocratie à Genève 166. Tucht mocht niet de ziel -der kerk zijn, zij was er toch de zenuw van. En deze beschouwing van de -plichtmatigheid, noodzakelijkheid en nuttigheid der kerkelijke tucht werd -het eigendom der Gereformeerden, en onderscheidde hen van Roomschen -en Lutherschen aan de eene zijde, maar anderzijds ook van Anabaptisten -en Mennonieten, die door hun tegenstelling van natuur en genade den -ban soms overdreven streng toepasten en er zijn geestelijk karakter aan -ontnamen. Cf. Calvijn, Inst. IV 12. Martyr, L. C. 411. Zanchius, Op. IV -736. Junius, Theses Theol. 47. Bucanus, Instit. theol. 581. Mastricht, -Theol. VII 6. Synopsis pur. theol. 48. Turretinus, Theol. El. XVIII -qu. 32. Maresius, Syst. Theol. XVI 79-87. Voetius, Pol. Eccl. IV 841 -sq. Conf. Gall. 27. Belg. 29. Cat. Heid. 83-85. Helv. II 18 enz. Ten -derde werd de verhouding van het Christendom tot het natuurlijke leven -door Luther anders dan door Calvijn bepaald. Alle Hervormers gingen -daarin saam, dat zij het natuurlijke leven bevrijdden van den druk en -de macht der kerk, die bij Rome met het Christendom samenvalt, als -een supranatureel toevoegsel aan de natuur toekomt doch daaronder -overigens aan dat natuurlijke leven eene groote speelruimte gunt. Het -Protestantisme stelde daartegenover de belijdenis, dat de gansche -wereld, ofschoon liggende in het booze, toch in zichzelve heilig en -goed is, een werk van God, den Almachtige, den Schepper van hemel en -aarde; het wisselde de quantitatieve tegenstelling van natuurlijk en -bovennatuurlijk voor de qualitatieve, ethische tegenstelling van zonde -en genade in. Maar daarbij was er toch tusschen de Hervormers een groot -verschil. Zwingli kwam het Middeleeuwsch dualisme van vleesch en -geest, van humana en divina justitia nimmer geheel te boven. Luther -beperkte het werk van Christus dikwerf zoo tot het religieus-ethische -terrein, dat het natuurlijke los daarnaast kwam te staan; het evangelie -veranderde alleen het uitwendige, het gemoed, het hart, maar werkte -niet vernieuwend en hervormend op heel het natuurlijke leven in. -Vandaar de minachting, waarmede Luther dikwerf sprak over de rede, de -philosophie, de juristerij; vandaar het harde oordeel, dat de Formula -Concordiae velde over den natuurlijken mensch als lapis, truncus aut -limus; vandaar de Luthersche onderscheiding en scheiding tusschen het -zinnelijke en het geestelijke als duo hemisphaeria, quorum unum inferius, -alterum superius, cf. mijne rede over de Kathol. van Christ. en Kerk -1888 bl. 28v., en over de Algemeene Genade 1894 bl. 24v. Daaruit is ook -te verklaren, dat de Luthersche kerk, mits zij maar de zuivere bediening -had van woord en sacrament, voor alle andere door Christus der kerk -geschonken macht vrij onverschillig was. Zij wist wel beter en beleed, -dat de kerk haar eigen opzieners en diakenen, haar eigen regeering en -tucht hebben moest. Maar in de practijk stond zij dat alles terstond en -schier zonder strijd aan de overheid af. Desnoods kon zij eene monarchale -(pauselijke) en episcopale regeering toegeven, vele ceremoniën als -adiaphora erkennen, de tucht aan de consistoriën overlaten en heel -de uitwendige regeering der kerk aan de overheid toevertrouwen. De -kerk hield voor zich alleen het predikambt, de bediening van woord en -sacrament, maar werd overigens een lands- en een staatskerk, waarin -de overheid als plaatsvervanger van het Roomsche episcopaat, of als -praecipuum membrum ecclesiae of als gevolmachtigde der kerk zoo goed -als alles te zeggen had, cf. boven bl. 108. Köstlin, Luthers Theol. -II 555 f. Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 S. 223 f. 230 f. -Sohm, Kirchenrecht 542 f. en voorts Melanchton, Loci Comm. de magistr. -civil. Gerhard, Loc. XXIV. Quenstedt, Theol. IV 420-450. Hollaz, Ex. -1352-1366. Baier, Comp. 639-649. Buddeus, Inst. Theol. 1267-1286. -Zakelijk stemde dit weder geheel overeen met de macht, welke Zwingli, -Erastus, de Remonstranten enz. aan de overheid in betrekking tot de -kerk toekenden. Maar de Gereformeerden stelden zich hier principieel -tegenover. Gelijk God de overheid in den staat tot souverein had -aangesteld, zoo zalfde Hij Christus tot Koning zijner kerk. Beide, staat -en kerk, waren dus in oorsprong, natuur, regeering, wezenlijk van -elkander onderscheiden; de macht der kerk aan de overheid opdragen -was eene aanranding van het koningschap van Christus. Maar deze -onderscheiding werd toch door de Gereformeerden nooit als scheiding -bedoeld. Integendeel, gelijk de kerk haar geestelijke goederen uitdeelt -tot heil van heel het natuurlijke leven in huisgezin en maatschappij, in -kunst en wetenschap, zoo heeft ook de overheid in een christelijk land -de dure roeping, om de ware kerk te beschermen, in hare uitbreiding en -voortplanting te steunen, alle afgoderij en valschen godsdienst te weren -en uit te roeien en het rijk van den antichrist te gronde te werpen. -Zij konden niet anders leeren, omdat zij geloofden, dat de overheid -door God zelven om der zonde wil, ter harer beteugeling, ingesteld -was; dat zij als zoodanig aan Gods wet en woord gebonden was; dat niet -alleen de tweede maar ook de eerste tafel der wet op haar terrein en -op hare wijze gehandhaafd moest worden; dat de H. Schrift een boek -was niet uitsluitend met religieus-ethischen inhoud, geldende alleen -voor de kerk, maar een woord Gods, uitgaande tot alle menschen en -licht verspreidend over alle schepsel en leven; dat de overheid onder -het O. Test. met zulk eene taak speciaal door God was belast; dat de -christelijke waarheid universeel was en katholiek, duidelijk en klaar, en -dus ook voor de overheid kenbaar. Cf. De Geref. belijdenisschriften bij -Niemeyer 9. 32. 54. 55. 82. 98. 114. 122. 326. 355. 387. 534. 610. 765. -810. Calvijn, Inst. IV 20; over ketterstraf, Op. ed. Amst. VIII 510-567, -cf. Choisy, La théocratie à Genève au temps de Calvin, 1898. Bloesch, -Gesch. d. Schweiz.-ref. Kirchen, Bern 1899 I 227 s. Beza, de haereticis -a civili magistratu puniendis, Tract. Theol. I 85-169. Zanchius, Op. -IV 580-587. Martyr, L. C. 473. Bullinger, Huisboek II 7. Junius, Op. -I 544. Bogerman, in de diss. van der Tuuk 1868 bl. 32v. Trigland, -Antapol. c. 29. Kerckel. Gesch. passim, vooral bl. 440v. Rhetorford, -Examen Arminianismi c. 19. Revius, in de diss. van Posthumus Meyjes, -1895 bl. 151-171. Voetius, Pol. Eccl. I 124 sq. en passim. Disp. sel. -II 692-809. III 206. Synopsis pur. theol. 50. Mastricht, Theol. VII 7, -14. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 34. Moor VI 470-518. Vitringa IX -1. 700 sq. - -Maar het leven bleek sterker dan de leer; het absolute standpunt -werd langzamerhand verzwakt. Reeds in de 16e eeuw eischten sommige -Wederdoopers en Socinianen, dat de overheid van alle inmenging in -zaken van religie en bepaaldelijk van ketterstraf zich onthouden zou. -De Gereformeerde leer stuitte dan ook op vele practische bezwaren. In -theorie toch waren staat en kerk wel onderscheiden, maar feitelijk was -de staat dikwerf onderworpen aan de uitspraken der kerk, en gebonden -aan hare belijdenis. Krachtens de nauwe vereeniging met de kerk en de -verplichting, die zij op zich genomen had, kwam de overheid tot daden -van geweld en dwang, van welke zij zelve meestal een afkeer had, die -haar een kwaden naam gaven bij vele edelgezinden, den schijn op haar -laadden van Roomsche tirannie en met den Protestantschen eisch van -gewetens- en godsdienstvrijheid in strijd waren. Zoolang in een land -ééne confessie alle burgers of althans de groote meerderheid verbond, -was de vereeniging van kerk en staat nog te handhaven; maar toen -langzamerhand de Roomsche kerk herleefde en in het Protestantisme -velerlei kerken en belijdenissen opkwamen, aan wie men het christelijk -karakter niet ontzeggen kon, toen werd het zelfs voor den strengste -onmogelijk, om het confessioneel karakter van den staat en den eisch der -ketterstraf te handhaven. In Engeland kwam dit in de 17e eeuw het eerst -duidelijk aan het licht. Niet alleen Roomschen en Episcopalen streden -daar met elkander om den voorrang, maar straks traden na elkander de -Presbyterianen, Independenten, Kwakers, Levellers en Deisten op. Zoo -schreed men, door de feiten geleid, allengs van het confessioneel tot -het algemeen christelijk en vandaar tot het deistisch karakter van -den staat voort, en werd tolerantie en moderatie het modewoord der -achttiende eeuw. Roger Williams, de „aartsindividualist” was de eerste, -die in de 17e eeuw den eisch van scheiding in kerk en staat uitsprak en -volstrekte godsdienstvrijheid verlangde voor ieder, ook voor ketters en -Joden, en deze beginselen in zijne kolonie te Rhode-Island in toepassing -bracht. Aan christelijke en aan revolutionaire zijde vond deze theorie -hoe langer hoe meer instemming. Sommige staten in Amerika pasten haar -sedert 1776 toe, de Fransche Omwenteling dreef ze in vele landen door. -Desniettemin bestaat zij nergens zuiver en consequent, en deinst ieder -in de practijk voor hare gevolgen terug. - - -6. Dat Christus aan zijne kerk op aarde zekere macht heeft toegekend, -is haast voor geen twijfel vatbaar. In het algemeen reeds is het -eene onloochenbare waarheid, dat niets zonder orde en regel kan -bestaan, dat wezen zonder vorm ondenkbaar is, dat eene eigenlijke ὑλη -overal en op elk gebied niets dan eene wijsgeerige abstractie is. -Een huisgezin kan niet bestaan zonder hoofd, een volk niet zonder -overheid, eene vereeniging niet zonder bestuur, een leger niet zonder -generaal enz.; anarchie is onmogelijk. Te zeggen, dat Christus eene -kerk heeft gesticht, zonder eenige organisatie, regeering of macht, -is eene bewering, die uit mystiek-philosophische beginselen opkomt -maar noch met de leer der Schrift, noch met de werkelijkheid van het -leven rekening houdt. De vraag, die verdeelt, is dan ook eigenlijk -niet deze, of de kerk van Christus, om te bestaan, eene zekere -macht en regeering behoeft, want dat stemmen allen toe, hetzij zij de -gemeente deze regeering zichzelf laten geven of haar aan de overheid -opdragen. Maar het verschil loopt hierover, of Christus zelf in zijn -woord, natuurlijk niet in allerlei bijzonderheden maar in beginselen en -hoofdzaken, aan zijne kerk eene macht en regeering heeft toegekend, die -daarom ook uitmaakt en uitmaken mag een artikel van ons geloof en een -stuk onzer belijdenis, Ned. Gel. art. 30-32. Doch ook dit verschil wordt -door de H. Schrift zoo sterk en duidelijk mogelijk beslist. Christus -heeft wel gezegd, dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is, maar Hij -is niet in dien zin een geestelijk koning, dat Hij om het uitwendige -en aardsche zich volstrekt niet bekommert. Integendeel, Hij heeft de -volle menschelijke natuur aangenomen en is in de wereld gekomen, niet -om haar te veroordeelen, maar te behouden; Hij heeft zijn koninkrijk -in die wereld geplant en gezorgd, dat het daarin bestaan en als een -zuurdeesem op alle terreinen des levens vernieuwend inwerken kan. Zijn -werk was, om allerwege de werken des duivels te verbreken, en het -recht en de eere Gods tot erkenning te brengen; zoover als de zonde -alles heeft verwoest en bedorven, strekt intensief zijne verzoenende en -verlossende werkzaamheid zich uit. Daarom brengt Hij maar niet sommige -menschen individueel door zijn Geest tot het geloof, opdat zij voorts -vrij zich vereenigen en met de ontvangene gaven des Geestes elkander -dienen zouden. Maar Hij sticht eene gemeente, eene kerk, en richt -deze van stonden aan zoo in, dat zij bestaan, zich voortplanten en -uitbreiden, en haar taak op aarde volbrengen kan. Ter verduidelijking -mag en moet tusschen het wezen en de regeering der kerk onderscheid -worden gemaakt. Maar dit onderscheid mag nooit zoo worden verstaan, -alsof de geloovigen oorspronkelijk van alle regeering en macht verstoken -zouden zijn geweest. Integendeel, de vorige paragraaf heeft in het licht -gesteld, dat de kerk van het eerste oogenblik van haar bestaan na den -val af eene zekere organisatie heeft gehad, eerst in de patriarchale -gezinnen, daarna in het volk Israels, en sedert Christus’ komst op -aarde in de verschillende buitengewone en gewone ambten, die Hij in -zijne gemeente ingesteld heeft, Mk. 3:14, Luk. 10:1, Hd. 20:28, 1 -Cor. 12:28, Ef. 4:11. Elk ambt sluit echter een macht, een recht, -eene bevoegdheid in. Wel is waar zijn er vele gaven in de gemeente, -die door den H. Geest geschonken, als διακονιαι van Christus en als -ἐνεργηματα Gods des Vaders zich openbaren en der gemeente onderling -tot stichting dienen, 1 Cor. 12:4v. Maar niettemin verbond Christus -aan de ambten, die Hij in zijne gemeente instelde, eene speciale macht, -ἐξουσια, bestaande in het prediken van het evangelie, Mt. 10:7, Mk. -3:14, 16:15, Luk. 9:2, enz., in het bedienen der sacramenten, Mt. -28:19, Mk. 16:15, Luk. 22:19, 1 Cor. 11:24-26, in het doen van allerlei -wonderen, Mt. 10:1, 8, Mk. 3:15, 16:18, Luk. 9:1, 10:9, 19 enz., in -het houden of vergeven der zonden, Mt. 16:19, 18:18, Joh. 20:23, in -het weiden der kudde, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, in het oefenen van -tucht, Mt. 18:17, 1 Cor. 5:4, in het dienen der tafelen, Hd. 6:2, in -het recht om te leven van het evangelie, Mt. 10:10, 9:4v., 2 Thess. -3:9, 1 Tim. 5:18. Deze omschrijving, welke de Schrift van de macht -der kerk geeft, wijst niet alleen haar ontwijfelbaar bestaan, maar ook -hare volkomene onafhankelijkheid en eigensoortigheid tegenover alle -andere macht ter wereld aan. Er is velerlei macht en gezag op aarde, -in huisgezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap enz. Maar de -kerkelijke macht is van deze alle in wezen onderscheiden en tegenover -haar volkomen zelfstandig. Want al die andere macht is afkomstig van -God als Schepper van hemel en aarde, Rom. 13:1, maar deze kerkelijke -macht heeft haar oorsprong rechtstreeks in God als den Vader van -onzen Heere Jezus Christus, 1 Cor. 12:28, Ef. 4:11, Hd. 20:28, en is -daarom ten opzichte van alle andere aardsche macht volkomen vrij en -onafhankelijk. Wie met het Cesareopapisme of het Erastianisme deze -macht der kerk inkrimpt, beperkt en aan de overheid opdraagt, komt de -eere van Christus te na en doet aan de der kerk geschonken rechten en -vrijheden tekort. Onafhankelijk moet deze macht der kerk tegenover alle -andere aardsche macht blijven, omdat zij gansch eigensoortig is, door -geen andere macht kan overgenomen of uitgeoefend worden, en dus bij -zulk eene overdracht van haar natuur beroofd en vernietigd wordt. Al -de macht toch, die Christus aan zijne kerk heeft geschonken, bediening -van woord en sacrament, oefening van tucht, dienst der tafelen enz. -heeft behalve een eigen oorsprong, ook een eigen orgaan, een eigen -natuur, een eigen doel. Zij is gebonden aan ambten, die Christus alleen -in zijne gemeente ingesteld heeft, waartoe Hij alleen de gaven verleent -en verleenen kan, die Hij alleen roept en zendt; niemand neemt zich -deze eere aan, dan die van God geroepen wordt, Rom. 10:15, Hebr. -5:4. Voorts is deze macht geestelijk. Dat wil niet zeggen, dat zij -onzichtbaar en gansch inwendig is, want Christus is wel een geestelijk -koning doch regeert over ziel en lichaam beide, zijn woord en sacrament -richten zich tot den ganschen mensch, de dienst der barmhartigheid -heeft zelfs voornamelijk de lichamelijke nooden te lenigen. Maar als de -macht der kerk geestelijk heet, dan wordt daarmede te kennen gegeven, -dat zij door den H. Geest van God wordt geschonken, Hd. 20:28, alleen -in den naam van Christus en de kracht des H. Geestes kan uitgeoefend -worden, Joh. 20:22, 23, 1 Cor. 5:4, uitsluitend over menschen als -geloovigen gaat, 1 Cor. 5:12, en alleen op geestelijke, zedelijke wijze, -niet met dwang en straf in geld, goed of leven, maar door overtuiging, -geloof, goedwilligheid, vrijheid, liefde en dus alleen met geestelijke -wapenen, 2 Cor. 10:4, werkt en werken kan, Mk. 16:16, Joh. 8:32, 2 -Cor. 3:17, Ef. 6:7 enz. Eindelijk heeft deze macht ook een eigen doel; -zij strekt, al brengt zij voor de ongeloovigen ook verzwaring van het -oordeel mede, tot behoudenis, tot stichting en niet tot nederwerping, -tot volmaking der heiligen en opbouwing des lichaams van Christus, -Mt. 10:13, Mk. 16:16, Luk. 2:34, 2 Cor. 2:16, 10:4, 8, 13:10, Ef. -4:12, 6:11-18 enz. Voetius, Pol. Eccl. IV 783. Door dit alles is de -kerkelijke macht soortelijk onderscheiden van alle staatkundige macht. -Reeds onder het O. Test. waren staat en kerk, schoon nauw verbonden, -toch niet een en hetzelfde. Veel duidelijker echter heeft Christus het -onderscheid uitgesproken tusschen zijn rijk en de rijken der wereld, -Mt. 22:21, Joh. 18:36; zelf weigerde Hij alle aardsche macht, Luk. -12:13, 14, Joh. 6:15, en verbood aan zijne jongeren al wat zweemde -naar wereldlijke heerschappij, Mt. 20:25, 26, 1 Petr. 5:3. Tusschen -kerk en staat en beider macht is er dan ook allerlei verschil; in -oorsprong niet alleen, gelijk boven reeds opgemerkt werd, maar verder -ook in organen, want de ambten in de gemeente van Christus zijn alle -διαχονιαι, maar de politieke overheid is souverein, en heeft, schoon -dienaresse Gods, toch recht en macht, om wetten uit te vaardigen en -daaraan onderwerping te eischen; in aard en natuur, want de macht -der kerk is geestelijk, maar de macht der politieke overheid is -natuurlijk, aardsch, wereldlijk, strekt zich uit over alle onderdanen, -zonder andere qualiteit dan dat zij onderdanen zijn, en regelt alleen -hunne aardsche belangen; in doel, want de kerkelijke macht strekt tot -opbouwing van het lichaam van Christus, maar de politieke macht heeft -hare bestemming in dit leven en streeft naar het bonum naturale et -commune; in middelen, want de kerk heeft geen andere dan geestelijke -wapenen, maar de overheid draagt het zwaard, heeft het recht over -leven en dood en mag gehoorzaamheid eischen met dwang en geweld. Zoo -ongeoorloofd het daarom aan de eene zijde is, om de kerkelijke macht aan -de overheid op te dragen, zoo zondig is het ook aan de andere zijde, -om de kerkelijke macht in eene politieke te veranderen. Romanisme en -Anabaptisme maken zich daar beide aan schuldig, omdat beide uitgaan van -de tegenstelling van natuur en genade. Alleen maakt het Anabaptisme -die tegenstelling absoluut en vernietigt daardoor de natuur; Rome vat -ze relatief op en onderdrukt de natuur. In de Middeleeuwen, toen de -Roomsche kerk de alleenheerschappij bezat, kwam dit streven duidelijker -voor den dag; maar principieel is zij niet veranderd, en nog altijd wordt -zij gedreven door dezelfde zucht, om de geestelijken zooveel mogelijk -van de politieke onderhoorigheid vrij te maken, om allerlei burgerlijke -zaken binnen haar kring te trekken en aan haar oordeel te onderwerpen; -om door uitwendigen glans en praal te schitteren, bezit van kapitalen -en vaste goederen uit te breiden, politieken invloed aan de hoven uit -te oefenen; om op grond van Mt. 28:18 en naar de theorie der twee -zwaarden voor den paus zoo niet de directe dan toch de indirecte -macht over heel de wereld te eischen enz., cf. Voetius, Pol. Eccl. -I 115. Niet alleen echter is de Roomsche kerk er steeds op uit, om -alle aardsche, politieke macht aan zich dienstbaar te maken; erger -is nog, dat zij de kerkelijke macht zelve van haar geestelijk karakter -berooft en in eene politieke heerschappij verandert. Ten eerste wordt -dit hierin openbaar, dat de Roomsche kerk zichzelve, d. i. aan den -paus de hoogste wetgevende macht toeschrijft. Vroeger was deze macht -nog beperkt door Schrift en traditie, door bisschoppen en concilies; -de regeering was eene door aristocratie getemperde monarchie. Maar -sedert de afkondiging van het infallibiliteitsdogma is deze verhouding -omgekeerd. De paus is in formeelen zin absoluut monarch. Krachtens de -beweerde assistentie des H. Geestes bepaalt hij onfeilbaar, wat geloofd -en gedaan moet worden. Een hooger beroep is er niet; wat hij bindt of -ontbindt, is gebonden of ontbonden in den hemel; wat hij zegt, heeft -evenveel gezag, alsof het door Christus zelf gesproken ware. De dogmata -en wetten, die hij afkondigt, binden het geweten, en verplichten tot -geloof en gehoorzaamheid op verbeurte van de eeuwige zaligheid. Van de -overheid is er beroep op God, maar de souvereiniteit van den paus is -de allerhoogste, God zelf spreekt door zijn mond. Ten tweede kent de -Roomsche kerk zichzelve, d. i. aan den paus, de hoogste rechtsprekende -macht toe. De kerkelijke macht is tweeërlei, potestas ordinis en -potestas jurisdictionis; de potestas docendi, ook al wordt ze -afzonderlijk genoemd, behoort eigenlijk tot de potestas jurisdictionis. -Daarin ligt opgesloten, dat de bediening van woord en sacrament bij Rome -geen verkondiging van het evangelie, maar een rechtshandel en eene -uitspraak is. Alle gedoopten behooren niet in zedelijken, geestelijken -zin maar _rechtens_, in juridischen zin, met een onveranderlijk en -onverliesbaar recht aan den paus toe; zij zijn zijne schapen, die hij -desnoods met geweld in de schaapskooi terug mag brengen, al kan hij het -misschien ook niet door de omstandigheden van tijd. Nach dem Rechte -der katholischen Kirche gehören eigentlich alle Getauften zur Kirche, -also auch zur Parochie, aber in Ermangelung von Zwangsmitteln fehlt -gegenüber Andersgläubigen die Durchführbarkeit dieses Anspruchs, -Vering, Lehrb. des kath. orient, u. prot. Kirchenrechts³ 603. En al de -Roomsche kerkleden komen onder de prediking en tot het sacrament der -boete, om hun oordeel te hooren. De biechtstoel is een rechtbank, de -priester een rechter; na de beschuldigingen gehoord te hebben, die de -biechteling tegen zichzelf inbrengt, spreekt hij het vonnis uit; hij -bindt en ontbindt, niet deprecatief en conditioneel, maar krachtens -den ambtsgeest, die in hem woont, peremptoir en absoluut; zooals hij -oordeelt, oordeelt God in den hemel. Ten derde maakt Rome, d. i. -de paus aanspraak op de hoogste uitvoerende en dwingende macht. De -onderscheiding van kerkelijke en burgerlijke straf heeft voor Rome geen -waarde. Als de kerk het nuttig oordeelt en er toe in staat is, past -zij evengoed de laatste als de eerste toe. Het is zoo, de doodstraf -voltrok zij niet, want ecclesia non sitit sanguinem. Maar overigens -liet zij geen middel onbeproefd, om ongehoorzame kinderen te dwingen -tot onderwerping. En Rome was vindingrijk. Geldstraf, boete, kerker, -inquisitie, pijnbank, sluipmoord, ban, interdict, ontslag der onderdanen -van gehoorzaamheid aan den vorst enz. hebben altemaal dienst gedaan. -Dat was en is in beginsel nog de opvatting van de kerkelijke macht bij -Rome. - -De Hervormers hebben daartegenover de potestas ecclesiastica weer -in den zin der Schrift als eene geestelijke macht opgevat. Zoo kwam -vanzelf de potestas docendi, de bediening van woord en sacrament op den -voorgrond te staan. De Lutherschen lieten zelfs, althans in de practijk, -heel de kerkelijke macht daarin opgaan; zij hadden alleen pastores, -geen presbyters en diakenen. Maar de Gereformeerden herstelden ook -deze ambten en namen daarom naast de potestas docendi nog de potestas -jurisdictionis op. Het woord jurisdictio vond echter, hoewel Calvijn, -Inst. IV 11 het overnam, geen algemeene goedkeuring. Coccejus op 1 Cor. -5 verwierp het; Maresius, Syst. Theol. 15, 75 f. 16, 70 a zeide, dat -er, zuiver en juist gesproken, geen jurisdictio in de kerk was en dat -het woord op kerkelijk gebied slechts analogice mocht opgevat worden; -allen erkenden, dat de jurisdictio in de kerk van gansch anderen -aard was dan in den staat en een geestelijk karakter droeg, Voetius, -Pol. IV 798, en velen meden het woord en spraken liever van potestas -gubernans, ordinans, disciplinaris enz. Voorts onderscheidden sommigen -tweeërlei, maar anderen drieërlei macht. De macht der kerk ging n.l. -in de bediening van woord en sacrament en in de oefening van tucht -niet op; zij had ook het recht en de bevoegdheid, om in het belang van -de orde wetten te maken en maatregelen te nemen van allerlei aard. -Zoo kwam naast en dikwerf tusschen de potestas docendi (doctrinae, -scientiae, dogmatica, ordinis) en de potestas disciplinae (critica, -jurisdictionis, correptionis) nog de potestas directionis (regiminis, -ordinis, diatactica, legislativa,) te staan, Calvijn, Inst. IV 8, 1. -Bucanus, Inst. 519. Maresius, Syst. Theol. 16, 70. Voetius, Pol. Eccl. -I 118. Vitringa IX 1 p. 457. Opmerkelijk is, dat bij deze macht der kerk -nooit het diakonaat ter sprake werd gebracht. Toch heeft Christus -ook daarin eene macht aan zijne kerk geschonken, die van de grootste -beteekenis is. Drieërlei macht is er daarom, in verband met de ambten -van pastor, presbyter en diaken en verder in verband met het drievoudig -ambt van Christus, het profetisch, koninklijk en priesterlijk ambt, in -zijne kerk te onderscheiden: de potestas docendi, de potestas gubernans -(waarvan de potestas disciplinae een onderdeel is), en de potestas -misericordiae. - - -7. De potestas docendi heeft haar oorsprong en grond in het profetisch -ambt, waartoe Christus gezalfd is en dat Hij zelf nog altijd uitoefent -door zijn Woord en Geest. Hij heeft het niet overgedragen aan eenig -mensch, en geen paus of bisschop, geen herder of leeraar tot zijn -zaakwaarnemer en plaatsvervanger aangesteld; maar Hij is nog altijd -onze hoogste profeet, die van uit den hemel door Woord en Geest zijne -gemeente leert. Toch bedient Hij zich daarbij in den regel van menschen -als zijne organen, niet alleen van de ambtsdragers in enger zin maar -van alle geloovigen en van een iegelijk hunner naar de genade, die hem -is gegeven. De gemeente zelve is profetesse, en alle Christenen zijn -der zalving van Christus deelachtig en geroepen tot belijdenis van des -Heeren naam. Het ambt onderdrukt de gaven niet maar leidt ze alleen. -Er zijn vele charismata, die tot de potestas docendi der kerk behooren, -wijsheid, kennis, profetie enz. 1 Cor. 12:8v. Christus onderwijst en -leert door den vader in het gezin, door den onderwijzer op de school, -door den presbyter bij het huisbezoek, door al de geloovigen in hun -onderling verkeer en in hun omgang met anderen. Maar Hij doet het -inzonderheid op eene onderscheidene wijze, ambtelijk, met uitdrukkelijk -verleenden last en volmacht, in de openbare samenkomsten van het volk -Gods, door den dienaar des Woords. Onder de potestas docendi is nu -voornamelijk deze ambtelijke bediening des Woords te verstaan. Naar twee -zijden moet deze dienst in zijne zelfstandigheid gehandhaafd worden. -Vooreerst naar de zijde van de Roomsche kerk, die het woord aan het -sacrament, den homileet aan den liturg, de prediking aan den cultus, -de potestas docendi aan de potestas jurisdictionis ondergeschikt -maakt. Naar de Schrift toch gaat het woord voorop, en het sacrament -komt daaraan als aanhangsel en zegel toe; er is geen sacrament zonder -woord, wel een woord zonder sacrament. Het sacrament volgt het woord; -wie het woord bedient, moet daarom nog niet altijd, 1 Cor. 1:14-17, maar -kan en mag toch het sacrament bedienen, en is ook dan een bedienaar -des woords, van het zichtbare woord, dat aan het hoorbare toegevoegd -is. Ten tweede is deze ambtelijke bediening des woords zelfstandig -tegenover alle onderwijzing des woords, die door de geloovigen onder -elkander of naar buiten geschiedt, en zelfs wezenlijk onderscheiden -van de toepassing, welke de presbyter van het woord heeft te maken -bij het bezoek van de leden der gemeente. Zeker kan en mag ook de -ambtelijke bediening des woords in de samenkomsten der gemeente als een -weiden der kudde worden opgevat. De Schrift gaat daarin ons voor. De -Heere is de herder van zijn volk, Ps. 23:1, 80:2, Jes. 40:11, 49:10, -Jer. 31:10, Ezech. 34:15; Christus heet de herder der kudde, Ezech. -34:23, Joh. 10:11, 14, Hebr. 13:20, 1 Petr. 2:25, 5:4, Op. 7:17. En -onder Hem als den ἀρχιποιμην, 1 Petr. 5:4, dragen ook zijne dienaren -den naam van herders, ποιμενες, pastores, Jes. 44:28, Jer. 2:8, 3:15, -23:1v., Ezech. 34:2v. enz., Joh. 10:2, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, 1 -Cor. 9:7, Ef. 4:11, 1 Petr. 5:2, cf. het Form. der Ger. kerken voor de -bevestiging van dienaren des woords. Maar sedert de beide werkzaamheden -van weiden en leeren, van regeeren en arbeiden in het woord en de -leer gescheiden werden en ieder een eigen orgaan verkregen, Ef. 4:11, -1 Tim. 5:17, is de naam van leeraar de karakteristieke titel van den -dienaar des woords geworden. Door zijne voorbereiding en opleiding, -door zijn algeheele toewijding aan den arbeid in het woord, door de -macht om van het evangelie te leven, door zijne ambtelijke bediening -van woord en sacrament in de vergadering der geloovigen is hij van den -opziener, den regeerouderling onderscheiden, die speciaal met het -ποιμαινειν is belast, Hd. 20:28, 1 Petr. 5:2. Toch mag dit leeren niet -in intellectualistischen zin worden verstaan; veeleer is het met het -bovengenoemde Formulier alzoo te duiden, dat de dienaren des Heeren -woord grondig en oprechtelijk aan hun volk zullen voordragen en het -toeeigenen, zoo in het gemeen als in het bijzonder, tot nuttigheid der -toehoorders, met onderwijzen, vermanen, vertroosten en bestraffen, -naar eens iegelijks behoefte, verkondigende de bekeering tot God en de -verzoening met Hem door het geloof in Jezus Christus en wederleggende -met de H. Schrift alle dwalingen en ketterijen, die tegen deze zuivere -leer strijden. Nader ligt er in deze potestas docendi opgesloten het -recht en de plicht der kerk, om 1º te zorgen voor de opleiding van -hare aanstaande dienaren of op die opleiding nauwkeurig toe te zien, -hare dienaren te roepen, te onderzoeken, te zenden, te bevestigen, te -onderhouden, door hun dienst het woord Gods te doen prediken beide aan -geloovigen en ongeloovigen, en alzoo de kerke Gods te bevestigen, uit -te breiden en voort te planten onder het menschelijk geslacht; 2º om het -woord Gods door middel van het ambt te bedienen in verschillenden vorm -naar elks behoefte, bepaaldelijk in den vorm van melk aan de jeugdige, -en in dien van vaste spijze aan de volwassen leden der gemeente, maar -voorts altijd zoo, dat de volle raad Gods, de gansche rijkdom van zijn -woord ontvouwd en overeenkomstig de behoeften van elk volk en land, van -elke eeuw en tijd, van iedere gemeente en van alle geloovigen in het -bijzonder ontwikkeld en toegepast wordt, Jes. 3:10, 11, 2 Cor. 5:20, -1 Tim. 4:13, 2 Tim. 2:15, 4:2; 3º om het woord Gods te bewaren, te -vertalen, uit te leggen naar den regel des geloofs, te verdedigen tegen -alle bestrijding der leugen, 1 Tim. 1:3, 4, 2 Tim. 1:13, Tit. 1:9-11, -13, 14 en alzoo de gemeente op te bouwen op het fundament van apostelen -en profeten, Ef. 2:20 en haar te doen zijn een στυλος και ἑδραιωμα της -ἀληθειας, 1 Tim. 3:15, d. i. een zuil en grondslag, die de waarheid -draagt, ze uitstalt voor ieders oog en aan allen kenbaar maakt. - -Rechtstreeks vloeit hieruit de bevoegdheid der kerken voort, om de -waarheid, die zij gelooft, te belijden en als belijdenis in haar midden -te handhaven. Van den kant der Remonstranten in de praefatie voor hun -Confessie en Apologie, der Baptisten, Congregationalisten, Kwakers, -cf. Schaff, Creeds I 834. 852. 864. en van vele anderen is daartegen -ingebracht, dat het opstellen van bindende confessies in strijd is met -de algenoegzaamheid der Schrift, de christelijke vrijheid vernietigt, -eene ondragelijke tirannie invoert, verder onderzoek en voortgaande -ontwikkeling afsnijdt. De Schrift legt echter aan de kerken duidelijk -den plicht op, om een pilaar en vastigheid der waarheid te zijn en -haar voor alle menschen te belijden, om zulken, die van de leer der -waarheid afwijken, te mijden en het woord Gods tegenover alle bestrijders -te handhaven. De kerk is bijna van het begin, d. i. van den aanvang der -tweede eeuw af eene belijdeniskerk geweest, die haar eenheid had in den -allen gemeenschappelijken regel des geloofs, d. i. in de doopsbelijdenis, -in het oorspronkelijke, later eenigszins uitgebreide, apostolisch -symbool, en voorts telkens in den loop der eeuwen door ketterij en -laster tot breedere ontwikkeling der waarheid genoopt werd, cf. Zahn, -Glaubensregel und Taufbekenntniss in der alten Kirche, in zijne Skizzen -aus dem Leben der alten Kirche 1898 S. 238-270. Id. Das apost. Symbolum -1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894. Kunze, Glaubensregel, H. -Schrift und Taufbekenntniss, Leipzig 1899. Een kerk kan ook in eene -wereld vol leugen en bedrog niet zonder een regel des geloofs bestaan, -wordt, gelijk de historie vooral in deze eeuw leert, zonder eene vaste -belijdenis aan allerlei dwaling en verwarring ten prooi en onderworpen -aan de tirannie van bovendrijvende richtingen en meeningen. Met zulk -eene belijdenis doet de kerk ook niet aan de volmaaktheid der H. Schrift -te kort, maar spreekt zij niet anders uit, dan wat in die Schrift is -vervat; de belijdenis staat niet naast, veel minder boven, maar diep -onder de H. Schrift; deze is alleen αὐτοπιστος, onvoorwaardelijk tot -geloof en gehoorzaamheid bindend, onveranderlijk, maar de confessie -is en blijft altijd examinabel en revisibel aan de Schrift, zij is geen -norma normans, maar hoogstens norma normata, geen norma veritatis, -maar norma doctrinae in aliqua ecclesia receptae, ondergeschikt, -feilbaar, menschenwerk, onvolkomene uitdrukking van wat de kerk uit -de Schrift als Goddelijke waarheid in haar bewustzijn opgenomen heeft -en thans op gezag van Gods woord tegenover alle dwaling en leugen -belijdt. Ook dwingt de kerk met deze belijdenis niemand noch bindt zij -het onderzoek, want zij laat een ieder vrij, om anders te belijden en de -waarheid Gods in anderen zin op te vatten; zij luistert opmerkzaam naar -de bedenkingen, die eventueel tegen haar belijdenis op grond van Gods -woord worden ingebracht en onderzoekt die naar eisch van hare belijdenis -zelve; alleen weigert zij en moet zij weigeren, zich tot een debating -society of philosophisch genootschap te verlagen, waarin heden voor -waarheid geldt wat gisteren leugen was, want zij is niet aan eene bare -der zee, maar aan een rots gelijk, pilaar en vastigheid der waarheid. -Cf. deel I 25 en voorts nog (Dunlop) A collection of confessions of -faiths, cathechisms, directories, books of discipline etc. of publick -authority in the church of Scotland, I Edinb. 1719 preface p. -V-CXLIV. - - -8. Christus is niet alleen profeet, Hij is ook koning, die nog -voortdurend van uit den hemel persoonlijk zijne gemeente regeert. Maar -Hij bedient zich daarbij toch van menschen en gaf dus in zoover aan zijne -gemeente een potestas gubernationis. In ruimer zin is daaronder al de -leiding en zorg te verstaan, welke de geloovigen saam ten opzichte van -elkander uitoefenen. In de gemeente geldt het woord van Ezau niet: -ben ik mijns broeders hoeder? Allen zijn elkanders leden, lijden en -verblijden zich met elkaar, hebben de bekwaamheid en de roeping, om ook -onderling elkander te leeren, te vermanen, te vertroosten, te stichten, -Rom. 15:14, Col. 3:16, 1 Thess. 5:11. Er zijn gaven der leiding, der -regeering, die Christus door den H. Geest aan de gemeente uitdeelt en -die Hij door de ambten niet te niet doet maar in ’t goede spoor houdt, -Rom. 12:8, 1 Cor. 12:28. En onder die gaven staat de liefde bovenaan, -die den een den ander in waardeering en hoogachting doet voorgaan, Rom. -12:10, Phil. 2:3, 1 Petr. 5:5. Maar toch heeft Christus als koning -zijner kerk in het presbyteraat ook een bepaald ambt ingesteld, waardoor -Hij zijne gemeente regeert. Dit regeeren draagt echter een geestelijk -karakter, wijl Christus koning is in het rijk der genade, en wordt in -de Schrift een ποιμαινειν genoemd, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, 1 Petr. -5:2; al wat denken doet aan aardsche macht en politieke heerschappij -is ervan uitgesloten, 2 Cor. 1:24, 1 Petr. 5:2, 3. In ruimeren zin -omvat dit ποιμαινειν ook het werk van den leeraar, maar er is toch een -groot onderscheid tusschen de openbare verkondiging en de persoonlijke, -individueele toepassing des woords, tusschen het hoeden der kudde in -het algemeen en het verzorgen van elk der schapen in het bijzonder. De -geloovigen zijn wel geroepen, om allen op elkander acht te nemen tot -opscherping der liefde en der goede werken, Hebr. 10:24, maar opdat -geen enkel schaap der kudde onverzorgd blijve, heeft Christus toch aan -een bepaald ambt het weiden der schapen opgedragen. Dat Hij hiermede -in eene wezenlijke behoefte zijner gemeente heeft voorzien, blijkt -daaruit, dat, toen het presbyteraat allengs verdween, in de biecht -een menschelijk surrogaat voor dezen ambtelijken dienst is ingesteld. -Ongetwijfeld bevat daarom de biecht iets goeds, Jak. 5:16, Calvijn, Inst. -III 1, 13, maar zij kan niet opwegen tegen den goed geregelden dienst -van het presbyteraat. Immers voert zij een ongeoorloofden gewetensdwang -in, maakt de geloovigen van de absolutie van den priester afhankelijk, -legt in de belijdenis van alle speciale, bepaaldelijk van de doodzonden, -een onmogelijk na te komen plicht op, maakt genade en zaligheid -ieder oogenblik onzeker en onvast, dwingt tot eene casuistische en -quantitatieve behandeling van zonde en straf, en geeft aanleiding tot -allerlei onzedelijke praktijken. De Schrift spreekt dan ook nergens van -zulk een gedwongen biecht. Maar wat zij in voorbeeld en voorschrift ons -zegt, is dit, dat Nathan tot David en Elia tot Achab en Jesaja tot -Hiskia gaat, om hen persoonlijk over hunne zonden te onderhouden; dat -Christus het land doorgaat predikende en zegenende, dat Hij al zijne -schapen bij name kent en er geen verloren laat gaan, Joh. 10:3, 28, dat -Hij aan Petrus en aan al de apostelen niet alleen het weiden der kudde -maar ook het weiden der schapen opdraagt, Joh. 21:15-17, dat Hij aan -zijne discipelen beveelt, om in steden, vlekken en huizen het evangelie -te prediken, Mt. 10:11, 12, dat Paulus de broeders in iedere stad -bezoekt, Hd. 15:36, de gemeenten versterkt, Hd. 15:41 in het openbaar -en bij de huizen, δημοσιᾳ και κατ’ οἰκους, de bekeering tot God en het -geloof in Christus predikt, Hd. 20:20, 21, cf. Calvijn, Inst. IV 1, -22. Trouwens ligt de behoefte aan zulk eene voortdurende geestelijke -verzorging in den toestand der kerk van Christus in deze bedeeling -vanzelf opgesloten. Ook al is de gemeente eens geplant, zij is niet -terstond volmaakt; integendeel heeft zij strijd van binnen en buiten, -staat ten prooi aan allerlei aanvallen van zonde en leugen, en loopt zij -ieder oogenblik gevaar, om af te dwalen ter rechter of ter linker zijde. -De gemeente is een akker, die voortdurend gewied, een boom, die op zijn -tijd gesnoeid, een kudde, die altijd door geleid en geweid, een huis, -waaraan steeds gebouwd, een bruid, die toebereid moet worden om als -eene reine maagd aan haren man te worden voorgesteld. Er zijn kranken, -stervenden, beproefden, bedroefden, bestredenen, aangevochtenen, -twijfelenden, gevallenen, gevangenen enz., die leering en onderwijzing, -vermaning en vertroosting van noode hebben. En afgedacht zelfs hiervan, -de gemeente behoort op te wassen in de kennis en genade van den Heere -Jezus Christus; de kinderen moeten jongelingen, de jongelingen mannen, -de mannen vaders worden in Christus, en hebben daartoe leiding en -verzorging van noode. Ook de leeraars zijn zwakke en zondige menschen en -behooren onder opzicht te staan; indien de raad van ouderlingen en de -vergadering van genabuurde kerken dit niet doet, wordt de gemeente een -speelbal van den pastor of anders een superintendentuur of episcopaat -noodzakelijk. In één woord, de leeraars zaaien het woord, de ouderlingen -zoeken de vrucht. Cf. voorts over het presbyteraat: Calvijn, Inst. IV -1, 22. 12, 2. Martyr, Loci p. 392b. Zanchius, Op. IV 730. Bullinger, -Huysboeck, Dec. 5 serm. 3. Junius, Op. I 1563. Bucanus, Inst. theol. -493. Mastricht, Theol. VII 2, 22. Voetius, Pol. Eccl. III 436-479. VI -92-109. M. Vitringa IX 229. Renesse, Van het regeerouderlingschap 1659. -Koelman, Ambt en pligt der ouderlingen 1765. Nieuwe werken van Th. -Harnack, Prakt. Theol. II 291-350. Id. in Zöcklers Handb. der theol. -Wiss. III 503-537. Achelis, Prakt. Theol. II 177-323. H. A. Koestlin, -Die Lehre von der Seelsorge, Berlin 1895. Kuyper, Enc. III 524. -Biesterveld, Het huisbezoek, Kampen 1900 enz. - - -9. Tot de werkzaamheid der opzieners behoort in het bijzonder ook de -kerkelijke tucht, potestas disciplinae. Het Hebr. heeft voor tucht -het woord מוּסָר, dat eigenlijk adstrictio, constrictio beteekent en -in het grieksch door νουθετημα, διδασκαλια, νομος, σοφια vertaald en -in het N. T. vooral door het woord παιδεια weergegeven wordt. Beide -woorden geven evenals het holl. woord tucht, van tien, trekken, in het -algemeen te kennen, dat iets dat jong, teer, klein, zwak is met zorg -opgekweekt wordt. Wijl echter in het algemeen en vooral bij menschen -deze opkweeking altijd tegelijk abnormale ontwikkeling tegen moet gaan, -krijgt het woord tucht de bijbeteekenis van terechtwijzing, kastijding, -tuchtiging. Bijna nooit duiden de woorden alleen onderwijs, onderricht -aan, cf. echter Hd. 7:22, 22:3, maar altijd zulk eene opvoeding en -onderwijs, welke terechtwijzend en kastijdend optreden. Zoo voedt God -zijne kinderen op, Hebr. 12:5-11, en Christus zijne gemeente, Op. -3:19, door middel van de Schrift, die nuttig is προς διδασκαλιαν, -προς ἐλεγμον, προς ἐπανορθωσιν, προς παιδειαν την ἐν δικαιοσυνῃ, 2 -Tim. 3:16. En zulk een tucht heeft Christus ook in zijne gemeente -ingesteld. In het O. T. bestond er nog geen eigenlijke kerkelijke tucht, -al werd Adam ook gebannen uit het paradijs en al werden in Israel -onbesnedenen, melaatschen en onreinen uit het heiligdom geweerd, Lev. -5v., Ezech. 44:9, want voor onopzettelijke zonden bestond er altijd -verzoening, op zonden met opgeheven hand stond de uitroeiing, en de -cherem was tegelijk eene burgerlijke straf. Eerst toen Israel eene -gemeente werd, kwam de uitsluitend kerkelijke straf op, de afzondering -uit de gemeente der geloovigen, Ezr. 10:8, en deze ban wordt nog door -de Joden in sommige gevallen toegepast, Gunning, De Chasidim bl. 55. -Misschien in aansluiting aan deze synagogale tucht, heeft Christus de -tucht in zijne gemeente verordend. In Mt. 16:19 geeft Hij de sleutelen -van het hemelrijk aan Petrus, in Mt. 18:18 aan de gemeente, in Joh. -20:23 aan de apostelen, zoodat zij de macht hebben om op grond van de -belijdenis van Christus en onder de voorlichting des Geestes te binden -en te ontbinden, iemand de zonden te houden of te vergeven. Alleen -omdat Christus deze macht aan zijne gemeente geeft, is deze tot het -oefenen van tucht bevoegd. In Mt. 18:15-17 wijst Hij dan aan, hoe deze -tucht geoefend moet worden. God wil niet, dat een der kleinen, die -in Jezus gelooven, verloren ga. Mt. 18:1-14. Als dus iemand door zijn -broeder beleedigd of onrechtvaardig behandeld is, dan moet hij eerst -door persoonlijke bestraffing, dan door bestraffing onder twee of -drie getuigen, en daarna door bestraffing vanwege heel de gemeente -beproeven hem te winnen; en eerst, als dat alles niet baat, dan mag hij, -de beleedigde (σοι, vs. 17, in sing.) hem beschouwen als een heiden -en tollenaar, dan heeft hij alles aan hem beproefd, en is hij vrij van -zijn bloed. Zulk een oordeel heeft dan kracht in den hemel. Dit is de -gewone weg, waarlangs de tucht in de gemeente naar Jezus’ bevel loopen -moet. Maar daarvan is wel te onderscheiden de tucht, die God zelf, die -Christus, en die ook de apostelen soms oefenen in zijn naam en kracht. -God kan zonden in de gemeente, bijv. het onwaardig gebruik van het -avondmaal bezoeken met krankheid en dood, 1 Cor. 11:30. Ananias en -Saffira vielen om hun liegen tegen den Geest Gods dood voor Petrus’ -voeten neer, Hd. 5. Paulus strafte Elymas, Hd. 13:11 met blindheid. In -1 Cor. 5 beveelt Paulus aan de gemeente, om, terwijl zij met zijn geest, -die reeds over den bloedschender in haar midden het oordeel heeft -uitgesproken, vs. 3, saamvergaderd en alzoo verbonden is met de macht -van den Heere Jezus Christus, in Christus’ naam den zoodanige aan den -Satan over te geven, opdat hij door dezen in zijn lichaam geslagen en -alzoo toch weder naar den geest in den dag van Christus behouden worde. -Paulus berispt daarbij de Corinthiërs vs. 2, dat zij hem al niet eerder -uit hun midden hadden weggedaan en onderstelt dus, dat zij daartoe het -recht en de verplichting hadden. En juist wijl zij dat niet gedaan, maar -den zondaar gedragen en alzoo aan zijne zonde deel gekregen hadden, -daarom acht hij thans een radicalen maatregel noodig. Hij zelf heeft als -apostel reeds voor zichzelf het oordeel geveld, en eischt nu, dat de -gemeente, in volle vergadering, terstond, zonder verder vermaan, naar -de thans door den apostel haar verleende volmacht, ja naar de macht van -Christus zelven, in zijn naam den booze oordeele; en niet maar eenvoudig -buiten de gemeente plaatse, gelijk in vs. 2 van haar verlangd werd, -doch bepaaldelijk ter lichamelijke bestrijding aan den Satan overgeve. -Er is hier dus sprake, niet van gewone excommunicatie, zooals bijv. in -Mt. 18:17, maar van eene bijzondere, apostolische machtsdaad. Dit blijkt -ook uit 1 Tim. 1:20, 2 Tim. 2:17, waar Paulus als apostel, geheel -alleen, zonder de gemeente, op dezelfde wijze Hymeneus en Alexander -aan den Satan overgeeft, opdat zij getuchtigd zouden worden niet meer -te lasteren. Er is daarom groot verschil tusschen deze buitengewone -straffen en de gewone tuchtoefening, die aan de gemeente is opgedragen. -Van deze laatste handelde Paulus in 1 Cor. 5:2 en nog nader in vs. -9-13. Daar zegt hij n.l., dat hij in een vroegeren brief, die dus aan -dezen „eersten” brief is voorafgegaan, hen vermaand heeft, om zich -niet te vermengen, d. i. geen omgang te hebben met hoereerders. Maar -de Corinthiërs hadden dat verkeerd opgevat en daaruit afgeleid, dat zij -hoegenaamd geen verkeer, ook niet in het burgerlijke, mochten hebben -met hoereerders, geldzuchtigen, roovers, afgodendienaars buiten de -gemeente. Maar dat was de bedoeling van den apostel niet; dat ware een -onmogelijke eisch geweest, daarmede gelijk staande, dat zij uit de wereld -moesten gaan. Alleen had hij verlangd, dat zij geen omgang zouden hebben -met een hoereerder enz., indien zoo iemand een broeder genoemd werd -en lid der gemeente was. Ja, in dat geval wenscht hij, dat zij met zulk -een gevallen broeder ook geen maaltijd zullen houden, niet bij hem gaan -eten noch hem te eten vragen, niet vriendschappelijk en broederlijk met -hem zullen verkeeren, maar dat zij, terwijl zij hen, die buiten zijn, aan -Gods oordeel overlaten, zulk een booze, die in hun kring verkeert, -uit hun midden zullen verwijderen, cf. 2 Cor. 2:5-10. Evenzoo spreekt -Paulus elders van het recht en den plicht der gemeente, om acht te -geven op en af te wijken, ἐκκλινειν, van hen, die tweedracht en ergernis -aanrichten, Rom. 16:17; om in Jezus’ naam zich te onttrekken, af te -scheiden, στελλεσθαι ἀπο, van iederen broeder, die ongeregeld wandelt, -2 Thess. 3:6, 14; om na eerste en tweede, d. i. na herhaalde vermaning -zich te onttrekken aan, niet in te laten met (παραιτεισθαι, zich door -beden van iets of iemand afmaken, loslaten, ontslaan) een ketterschen -mensch, die (als lid der gemeente, of ook misschien van buiten af) in -de gemeente de eenheid des geloofs verbreekt, Tit. 3:10. Hetzelfde zegt -Johannes; als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, dan moogt gij -hem niet ontvangen in uw huis als een broeder, niet vriendschappelijk -en broederlijk met hem omgaan, en hem niet als een broeder begroeten en -verwelkomen. 2 Joh. 10. En eindelijk wordt in Op. 2:2 de gemeente van -Efeze geprezen, omdat zij de boozen niet verdraagt; in Op. 2:14, 20, -24 die van Pergamus en Thyatire berispt, wijl zij kettersche leeringen -en heidensche gruwelen dulden. Cf. Meyer, Die Lehre des N. T. von der -Kirchenzucht, Zeits. f. kirchl. Wiss. u. kirchl. Leben 1881. - -Deze leer der H. Schrift is het zuiverst in de tuchtoefening der -Gereformeerde kerken toegepast. Volgens haar toch zijn 1º geen -onpersoonlijke dingen, geschriften, gebouwen, landen, maar altijd -personen het object; en geen menschen in het algemeen, want die buiten -zijn, oordeelt God, 1 Cor. 5:10, geen gestorvenen, geen klasse of groep -van menschen, maar altijd bepaalde, individueele personen, die of alleen -door doop, of ook door belijdenis leden der gemeente zijn. 2º Oorzaak -der tucht zijn niet allerlei zwakheden die in geloovigen vallen, ook -niet zulke schrikkelijke zonden, welke de christelijke overheid straft, -hoewel de kerk dan volgt en haar tucht niet overbodig is, Calv. -Inst. IV 11, 3. Bucanus 539, maar zulke zonden, die in het midden der -gemeente ergernis wekken en door de overheid niet of zeer zacht worden -gestraft, Mastricht, Theol. VII 6, 8. 3º Bij deze zonden, op welke de -kerkelijke tucht van toepassing is, moet tusschen verborgene en openbare -zonden onderscheiden worden. De eerste worden behandeld naar den -regel van Mt. 18, en krijgen eerst het karakter van openbare zonden, -als particuliere vermaningen niet baten en dus de gansche gemeente, -of hare vertegenwoordiging in den kerkeraad erin gemoeid wordt. 4º Bij -deze door hardnekkigheid openbaar geworden en bij de van huis uit door -haar karakter (bijv. moord, overspel) openbare zonden is de procedure -aldus: zoodra de overtreder oprechte boetvaardigheid toont, houdt alle -kerkelijke tucht in engeren zin op. Het avondmaal mag dan nog onthouden -worden, opdat de ergernis uit de gemeente worde weggenomen en de -oprechtheid der schuldbelijdenis aan het licht trede; maar van tucht -is geen sprake meer. Wie zijn zonde belijdt, vindt bij God en dus ook bij -zijne gemeente barmhartigheid. De tucht, die tot afsnijding leidt, vangt -altijd eerst aan na gebleken onboetvaardigheid en hardnekkigheid. Opdat -de gemeente hiervan ten volle overtuigd zij en niet lichtvaardig tot -het wegdoen van den booze uit haar midden overga, begint de kerkeraad -met vermaningen. Als de overtreder zich hiertegen verhardt, volgt -eerst met onthouding van het avondmaal de bekendmaking van de zonde -zonder den naam van den zondaar in het midden der gemeente; daarna de -bekendmaking van de zonde met den naam van den zondaar, doch niet dan -na een welgegrond advies van de classis; vervolgens de bekendmaking -dat hij, indien hij blijft volharden, zal afgesneden worden; en eindelijk -de afsnijding zelve met het formulier van den ban. De tijd, die tusschen -al deze vermaningen en tuchtmaatregelen verloopen moet, is niet vast -te stellen, wijl hij met den aard van de zonde, het gedrag van den -overtreder, de ergernis in en buiten de gemeente in verband staat. -5º De straffen, die de kerk hierbij toepast, zijn zuiver geestelijk. Zij -bestaan niet en mogen niet bestaan in geldboete, lichamelijke kastijding, -brandmerk, pijniging, gevangenis, eerloosheid, verbanning, doodstraf -enz., gelijk Rome beweert, noch ook in ontbinding van familie-, -burgerlijke, staatkundige betrekkingen, gelijk de Anabaptisten leerden; -evenmin in uitsluiting uit de openbare godsdienstoefeningen, gelijk -de christelijke kerk in den eersten tijd dit toepaste. Want de wapenen -der gemeente zijn niet vleeschelijk maar geestelijk en daarom krachtig -voor God, 2 Cor. 10:4. Maar de tucht der gemeente is eene ernstige -beproeving, of iemand, die zich misdroeg en tegen alle vermaning -zich verhardt, nog als een broeder kan en mag beschouwd worden. De -excommunicatie is daarom ten slotte niets anders maar ook niets -minder dan een opzeggen van den broederlijken omgang en de broederlijke -gemeenschap; een zich onttrekken der gemeente; een eindelijk, met smart -loslaten van dengene, die zich als een broeder voordeed maar geen -broeder bleek te zijn. Zij is geen overgave aan den Satan, wat in het -N. T. alleen als eene apostolische daad voorkomt, geen verdoemenis -of vervloeking, geen ἀναθεμα, dat in het N. Test. nooit, ook niet in -Rom. 9:3, van de kerkelijke tucht gebezigd wordt, cf. Cremer s. v., -maar alleen en toch ook niet minder dan eene plechtige verklaring der -gemeente in Jezus’ naam, dat de zondaar openbaar is geworden als niet -zijnde een oprecht broeder in Christus, en dus een hem stellen buiten de -gemeente en hare gemeenschap, opdat God alleen over hem oordeele. 6º -De excommunicatie is een uiterste remedie, opdat de verwijderde uit den -broederlijken omgang tot inkeer kome. Zelfs de apostolische overgave aan -den Satan had nog deze beteekenis, 1 Cor. 5:5, 1 Tim. 1:20. Al mag de -gemeente den uitgeworpene ook als een heiden en tollenaar beschouwen, -omdat zij alle moeite aan hem, zonder vrucht, heeft ten koste gelegd; -al moest zij hem uitwerpen, om zelve geen gemeenschap aan zijne zonden -te hebben, 1 Cor. 5:6, 7, 11:30; toch blijft de hope bestaan, dat hij -nog een broeder zij, die door vermaning van zijne dwaling zal terecht -gebracht worden, 2 Thess. 3:14. 7º Daarom blijft wederopneming in de -gemeente altijd weer mogelijk, Mt. 16:18, 18:18, Joh. 20:23, 2 Cor. -2:5-10; maar daarbij is dan voorafgaande openbare belijdenis noodig, die -in alle andere gevallen slechts met alle voorzichtigheid en naar het -oordeel van den ganschen kerkeraad geeischt mag worden. Cf. Calvijn, -Inst. IV 12. Ursinus, Explic. Cat. qu. 83-85. Zanchius, Op. IV 736. -Polanus, Syst. Theol. p. 544. Martyr, Loci 411. Junius, Theses Theol. -47. Bucanus, Instit. theol. 531. Heidegger II p. 600. Synopsis pur. -theol. disp. 48. Voetius, Pol. IV 770-982. Mastricht, Theol. VII c. -6. Moor VI 400-422. M. Vitringa IX 1 p. 498-573 enz. Uit den nieuweren -tijd: Scheele, Die Kirchenzucht 1852. Fabri, Kirchenzucht im Sinne und -Geiste des Evang. 1854. Art. Bann, Kirchenzucht, Schlüsselgewalt, -Gerichtsbarkeit in Herzog. Müller, Dogm. Abh. 496 f. Vilmar, Von der -christl. Kirchenzucht 1872. Id. Kirchenzucht u. Lehrzucht 1877. - - -10. In de derde plaats is Christus ook priester en oefent dit ambt nog -altijd van uit den hemel in zijne gemeente door voorbede en zegening -uit. Gelijk Hij als profeet de zijnen leert en als koning hen regeert, -zoo bewijst Hij hun als priester den rijkdom zijner barmhartigheid. -Toen Hij op aarde was, omging Hij de steden en vlekken, niet alleen -leerende in de synagogen en predikende het evangelie des koninkrijks, -maar ook genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk, Mt. -9:35. En dit was geen bijkomstige en toevallige werkzaamheid maar een -hoofdbestanddeel van het werk, dat de Vader Hem opgedragen had om -te doen, Mt. 8:17, Joh. 5:36, 9:3, 4 enz. De volheid van zijn macht -en de rijkdom zijner barmhartigheid werd erin openbaar; de werken van -zonde en Satan werden er door verbroken; de gevolgen der zonde in de -physische wereld werden er aanvankelijk door weggenomen; zij liepen -uit en ontvingen hun zegel en voleinding in de opstanding, die de -overwinning van den dood en het beginsel der vernieuwing aller dingen -was. Als Hij dan ook zijne discipelen uitzendt, geeft Hij hun niet -alleen den last, om het evangelie te prediken, maar even stellig en -nadrukkelijk, om de onreine geesten uit te werpen en om alle ziekte -en alle kwale te genezen, Mt. 10:1, 8, Mk. 3:15, Luk. 9:1, 2, 10:9, -17. De discipelen volbrachten dien last, niet alleen tijdens Jezus’ -verblijf op aarde maar ook na zijne hemelvaart, Hd. 5:16, 8:7 enz. Zelfs -werden er naar Jezus’ eigen belofte, Mk. 16:17, 18 in den eersten -tijd aan de geloovigen vele buitengewone gaven van gezondmaking en -werkingen van krachten geschonken, Hd. 2:44, 45, 4:35, Rom. 12:7, -8, 1 Cor. 12:28. Gelijk het echter ging met de gaven der leer en de -gaven der regeering, zoo ging het ook met die der barmhartigheid. De -buitengewone toestand der kerk werd allengs normaal. En al werden de -gaven niet onderdrukt of vernietigd, zij werden toch langzamerhand meer -en meer verbonden met het ambt. De leer werd aan den didaskalos, de -regeering aan den presbyter en evenzoo de dienst der barmhartigheid -aan den diaken opgedragen, Hand. 6. En de gaven zelve schoon gaven des -H. Geestes blijvende, kregen een meer eenvoudig en gewoon karakter. -Rome beweert wel, dat de wonderkracht bij haar voortduurt, deel I -270, maar schooner dan die wonderen, waarop zij zich beroemt, zijn de -werken der barmhartigheid, die van haar geloof en liefde een krachtig -getuigenis afleggen. Want toen het diakonaat in de christelijke kerk -langzamerhand geheel van karakter veranderde, heeft de schat van liefde -en barmhartigheid, dien Christus in zijne gemeente uitstort, in private -weldadigheid zich rijk geopenbaard. Al laat de regeling van den dienst -der barmhartigheid in Rome veel te wenschen over, toch neemt zij in -werken der liefde onder de christelijke kerken de eerste plaats in. -Want wel heeft de Gereformeerde kerk het ambt van diaken hersteld, -maar zij heeft zijn plaats en dienst niet behoorlijk geregeld en zijne -werkzaamheid niet tot ontwikkeling gebracht. Deze ontwikkeling, waartoe -de nood der tijden tegenwoordig dringt, kan in hoofdzaak niet anders -dan in deze richting geschieden: 1º dat het ambt van diaken meer dan -tot dusver geëerd worde als een zelfstandig orgaan van de priesterlijke -barmhartigheid van Christus, 2º dat de liefde en de barmhartigheid als -de christelijke deugden bij uitnemendheid worden erkend en beoefend, -3º dat aan diakenen opgedragen wordt, om alle leden der gemeente, -inzonderheid de vermogende, in den naam van Christus te bewegen tot -barmhartigheid, en voor de zonde der gierigheid, die een wortel is van -alle kwaad, te waarschuwen en te behoeden, 4º dat het diakonaat de -private weldadigheid niet doode, maar opwekke, regele en leide, 5º dat -de dragers van dit ambt, zoo noodig, in groote gemeenten zich bedienen -van de hulp van diakonessen, op dezelfde wijze als de beide andere -ambten gebruik maken van catechiseermeesters en ziekentroosters, 6º dat -zij hunne gaven uitdeelen, in Christus’ naam, als van de tafelen des -Heeren genomen, waarop zij door de gemeente neergelegd en aan Christus -zelven geschonken zijn, Mt. 25:40, 7º dat zij hunne hulp uitstrekken tot -alle armen, kranken, vreemdelingen, gevangenen, idioten, krankzinnigen, -weduwen, weezen, in één woord tot alle ellendigen en nooddruftigen, -die er zijn in het midden der gemeente, en hen in hun lijden tegemoet -komen met woord en met daad, 8º dat de dienst der barmhartigheid -veel breeder plaats verkrijge op de agenda van alle kerkelijke -vergaderingen dan tot dusver het geval is, 9º dat de diakenen met -leeraren en ouderlingen tot de meerdere vergaderingen der kerken worden -afgevaardigd en in alle zaken, rakende den dienst der barmhartigheid, -keurstem verkrijgen, 10º dat op deze vergaderingen de dienst der -barmhartigheid naar algemeene beginselen geregeld worde, behoudens -het verschil van gemeentelijke toestanden; voor generale behoeften -gemeenschappelijk worde ter hand genomen, en van de plaatselijke gemeente -tot ondersteuning van andere kerken, en voorts ook tot hulpbetoon aan -arme, verdrukte geloofsgenooten in den vreemde worde uitgebreid, en 11º -dat deze diakonale arbeid in zijne zelfstandigheid gehandhaafd blijve en -niet onderga in of vermengd worde met het werk der inneren Mission, of -ook met de staatsarmenzorg, die een geheel ander karakter dragen. Cf. -Calvijn, Inst. IV 3, 9. Musculus, Loci Comm. 425. Bullinger, Huysboeck -V 3. Zanchius, Op. IV 765. Junius, Op. I 1566. Bucanus, Inst. 494. -Voetius, III 496-513. M. Vitringa IX 272-296. G. Uhlhorn, Die christl. -Liebesthätigkeit, Stuttgart 1882-’90. Bonwetsch, das Amt der Diakonie -in der alten Kirche, 1890. Seesemann, Das Amt der Diakonissen in der -alten Kirche, 1891. Schäfer, Diakonik in Zöcklers Handb. der theol. -Wiss. III 538-572. Achelis, Prakt. Theol. II 324-451. Wurster, Die -Lehre v. d. inneren Mission, Berlin 1895. Kuyper, Enc. III 535-545. - - -11. Deze macht, door Christus aan zijne gemeente geschonken, komt in -de plaatselijke kerk saam in den kerkeraad. Elke plaatselijke kerk is -volgens het N. Test. zelfstandig, eene ecclesia completa, en draagt -daarom evengoed als de kerk in haar geheel den naam van tempel -Gods, 1 Cor. 3:16, 17, 2 Cor. 6:16, bruid, 2 Cor. 11:2, of lichaam -van Christus, 1 Cor. 12:27. De geloovigen staan niet op zichzelf -maar vormen eene eenheid, en zoo ook blijven de ambtsdragers in eene -plaatselijke kerk niet los naast elkander staan maar sluiten zich -tot een raad der kerk aaneen. Sporen daarvan zijn er reeds in het N. -Test. In Jeruzalem kwamen de geloovigen, nadat zij door den doop der -gemeente waren ingelijfd, van tijd tot tijd saam, volhardende in de leer -der apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods, in de -gebeden, Hd. 1:14, 2:41v., 5:12 enz.; en stonden zij onder leiding -van het college der apostelen, die spoedig daarin door de presbyters -werden bijgestaan, Hd. 6:2, 15:2, 6, 22. Allerlei omstandigheden, de -gaven des H. Geestes, inzonderheid die van didaskalie, profetie en -glossolalie, de samenkomsten der geloovigen, de bediening van woord -en sacrament, de inzameling der collecten, de verzorging der armen -enz., maakten leiding en regeling en daarbij ook raad en overleg -vanzelf noodzakelijk. Eerst voorzagen de apostelen zooveel mogelijk -in al die behoeften, namen maatregelen en maakten bepalingen, Hd. -15:28v., 1 Cor. 11:4-6, 34, 14:27v., 16:1, 1 Tim. 3 enz. Want alles -moest in de gemeente van Christus betamelijk en met orde, in vrede en -tot stichting geschieden, 1 Cor. 14:26, 33, 40. Maar toen het ambt van -ouderlingen was ingesteld, werden dezen met de leiding en regeering der -gemeente belast; en dezen vormden onderling al spoedig een college, -πρεσβυτηριον, 1 Tim. 4:14. Onder de leiding van zulk een college -genoot de gemeente echter in de eerste tijden eene groote mate van -zelfstandigheid, zij werd bij gewichtige zaken geregeld geraadpleegd. -In Hd. 1 komen de discipelen saam tot het kiezen van een apostel; in -Hd. 6 kiest de gemeente de diakenen; in Hd. 15 woont zij de vergadering -van apostelen en ouderlingen bij; in 1 Cor. 5 oefent zij de tucht uit. -De eerste synoden waren samenkomsten der plaatselijke kerk. Maar ook de -plaatselijke kerken alle te zamen vormen eene eenheid. Zij dragen ook -alle saam den enkelvoudigen naam van ἐκκλησια; zij staan allen onder de -apostelen, wien de leiding en regeering der gansche kerk is opgedragen; -zij zijn met elkander één in Christus, één dus in leer, in geloof, in -doop, in liefde, zij groeten elkander, Rom. 16:16, 1 Cor. 16:20, 2 Cor. -13:12, dienen elkander met gaven der liefde, Rom. 15:26, 1 Cor. 16:1, -2 Cor. 8:1, 4, 9:1, Gal. 2:10, en laten elkander de brieven lezen, -die zij ontvangen van de apostelen, Col. 4:16. Het lag dus in den aard -der zaak, dat deze gemeenten, die geestelijk één waren, eventueel met -elkander zouden beraadslagen over zaken van algemeen belang. Het eerste -voorbeeld komt daarvan voor in Hd. 15, naar aanleiding van de vraag, -of de Heidenen zalig konden worden zonder besnijdenis. De gemeente van -Antiochië zond Paulus en Barnabas en eenige anderen naar Jeruzalem, om -over dit belangrijk vraagstuk met de apostelen en ouderlingen aldaar van -gedachten te wisselen en tot eenstemmigheid te komen. De apostelen en -ouderlingen hielden daarom met deze afgevaardigden van Antiochië eene -vergadering, 15:6, die misschien ook door de gemeente bijgewoond werd, -15:12, 22 (in vers 25 moet echter και οἱ vóór ἀδελφοι waarschijnlijk -wegvallen). Na veel ζητησις, onderzoek, redetwist, werd niet maar een -advies gegeven, doch in den H. Geest eene beslissing genomen, die de -broederen in Antiochië, Syrië en Cilicië bond, per brief hun meegedeeld -en door Judas en Silas nog mondeling, in eene vergadering der gemeente, -toegelicht werd, Hd. 15:22-31. Al deze vergaderingen, waarvan het N. T. -bericht, waren vergaderingen der plaatselijke gemeente, slechts in Hd. -15 door afgevaardigden van elders bijgewoond. Deze gewoonte werd later, -ook reeds in de tweede eeuw nagevolgd. Bij gewichtige aangelegenheden, -zooals benoeming en afzetting van een bisschop, excommunicatie, -absolutie van doodzonden enz., gaf niet alleen het presbyterium zijn -leiding maar ook de gemeente hare toestemming. Cyprianus zegt nog, -dat hij van het begin van zijn episcopaat af niets deed zonder den raad -van zijn presbyterium en de toestemming der gemeente, Ep. 14, 4. Op de -synoden der tweede en derde eeuw zijn daarom niet alleen bisschoppen -maar ook presbyters, diakenen en gewone gemeenteleden tegenwoordig. -Zelfs het concilie van Nicea werd, behalve door bisschoppen, ook door -presbyters, diakenen en leden bijgewoond, die aan de debatten deelnamen. -En de afgevaardigden, die op gemeentevergaderingen uit naburige -gemeenten werden uitgenoodigd, waren in den eersten tijd volstrekt -niet alleen bisschoppen maar ook wel presbyters, diakenen of andere -leden der gemeente. Maar de ontwikkeling der hierarchische idee bracht -mede, dat de toestemming der gemeente steeds minder gevraagd werd, -dat presbyters en diakenen van de gemeente werden losgemaakt en in -raadgevers en helpers van den bisschop veranderd, en dat de synoden -langzamerhand alleen door bisschoppen gehouden werden. Voorts waren -in de tweede en derde eeuw alle gemeentevergaderingen, bijgewoond -door afgevaardigden van naburige gemeenten, gelijk in rang; er was -nog geen hierarchie van kerkelijke vergaderingen, er waren nog geen -provinciale, metropolitane, oecumenische conciliën; alle vergaderingen -der kerken hadden plaats in den naam van Christus, maakten besluiten -in den H. Geest, en golden voor de gansche Christenheid (concilium -universale, catholicum). Maar ook daarin kwam verandering. Reeds in -de derde eeuw zijn er hier en daar bepaald provinciale synoden, d. i. -vergaderingen van bisschoppen in eene bepaalde provincie gehouden. In -de vierde eeuw kwamen er, tengevolge van de groote twisten, die de kerk -verdeelde, synoden van bisschoppen uit verschillende provinciën bij. -En het concilie van Nicea, ofschoon volstrekt geen vertegenwoordiging -van de gansche Christenheid, wijl het maar door enkele bisschoppen uit -het Westen werd bijgewoond, was toch door den keizer van alle kanten -saamgeroepen. Zoo kwam er allengs eene rangordening van provinciale, -nationale, patriarchale, oecumenische conciliën, Sohm, Kirchenrecht -247-344. Maar het karakteristieke kenmerk van een oecumenisch -concilie is moeilijk aan te wijzen. Het kan niet daarin liggen, dat -het door den paus is saamgeroepen, want van de vierde tot de tiende -eeuw werd het geconvoceerd door den keizer; noch ook in de algemeene -geldigheid en de groote beteekenis zijner besluiten, want dikwijls zijn -de canones van oecumenische conciliën verworpen en die van provinciale -synoden aangenomen; noch ook daarin, dat een oecumenisch concilie de -gansche Christenheid vertegenwoordigt, want dit is lang niet altijd -met de dusgenaamde conciliën het geval geweest. Tegen het einde der -Middeleeuwen is wel de theorie opgekomen, dat een concilie dan alleen -oecumenisch en onfeilbaar was, wanneer het bestond uit afgevaardigden -van alle kerken. Maar deze theorie was van revolutionairen oorsprong, -leidde in de practijk tot allerlei moeilijkheden en werd door Rome ook -nooit geaccepteerd. Voor Rome is een concilie alleen oecumenisch, -wanneer zijne besluiten door den paus zijn goedgekeurd en daardoor -een onfeilbaar, de gansche Christenheid bindend karakter verkrijgen, -Bellarminus, de conciliis et ecclesia lib. I II. Heinrich, Dogm. II 476 -f. Scheeben, Dogm. I 230 f. Vering, Kirchenrecht 613 f. enz. - -In de Protestantsche kerken is het synodale kerkregiment het eerst -op Franschen bodem tot ontwikkeling gekomen. In de Luthersche kerk -kwamen wel synoden voort, maar deze bestonden alleen in samenkomsten -van pastores. Zwingli stelde in 1528 te Zurich synoden in, die door -den raad werden saamgeroepen, uit de predikanten van stad en land -en enkele leden van den raad bestonden en vooral klachten tegen -leer en leven van de predikanten moesten overwegen, Mörikofer, Ulr. -Zwingli, Leipzig 1869 II 118 f. Calvijn bepaalde evenzoo in de -Ordonnances ecclesiastiques, dat de predikanten alle drie maanden -moesten samenkomen, om op elkanders leer en leven toe te zien en -voerde bovendien 1546 een jaarlijksche visitatie in, Kampschulte, Joh. -Calvin I 408. Franz Lambert ontwierp 1526 voor Hessen een kerkenorde, -waarin zoowel gemeentevergaderingen als synoden, bestaande uit de -predikanten en door de gemeenten benoemde afgevaardigden, waren -opgenomen, maar deze kerkenorde trad niet in werking, Lechler, Gesch. -d. Presb. n. Syn. Verf. 14 f. Eene synodale kerkregeering kwam er -eerst in Frankrijk, waar de kerken zich sterk uitbreidden en door -behoefte aan eenheid den 26{en} Mei 1559 voor het eerst in synode -te Parijs samenkwamen en zich in eene gemeenschappelijke belijdenis en -kerkenorde vereenigden, Lechler ib. 69. Opmerkelijk is daarbij, dat -de generale synode het eerst is ontstaan, dat deze de provinciale -synoden invoerde en dat later, in 1572, tusschen deze en de kerkeraden -nog de classis ingeschoven werd, ib. 81, cf. evenzoo in Schotland -97. Zulk een synodale kerkregeering werd dan later ook in andere -Geref. kerken ingevoerd, in Polen, Boheme, Hongarije, Duitschland, -Nederland, Schotland, Engeland, Amerika enz. Maar er kwam spoedig van -twee kanten oppositie tegen. De Remonstranten, zich aansluitende bij -Zwingli en Erastus, kenden de kerkelijke macht aan de overheid toe en -leidden daaruit af, dat synoden wel geoorloofd maar niet geboden en -voor het zijn of welzijn der kerk niet noodig waren, en dat, wanneer zij -gehouden werden, het recht tot samenroeping, tot afvaardiging, tot -het vaststellen der agenda, tot presideering aan de overheid toekwam, -Uitenbogaert, Tractaat van ’t ampt ende auctoriteit enz. 1610 bl. 107v. -cf. Limborch, Theol. Chr. VII 19. En de Independenten gingen onder -invloed der anabaptistische dwaling nog verder, hielden elke groep van -geloovigen voor independent, en verwierpen alle bindend classicaal of -synodaal verband, Robinson bij Kist en Roijaards, Ned. Arch. voor Kerk. -Gesch. VIII 1848 bl. 371v. Neal, Historie der rechtz. Puriteinen II 1 -bl. 96. De gronden, die tegen de synodale kerkregeering kunnen worden -ingebracht, zijn ook inderdaad niet van gewicht ontbloot. Immers zijn de -plaatselijke kerken in het N. T. alle volkomen zelfstandig ten opzichte -van elkander; van een wettelijk, bindend classicaal of synodaal verband -is er met geen woord sprake. Zoodanig verband schijnt ook met de -zelfstandigheid der plaatselijke kerken geheel in strijd te zijn, omdat -het vergaderingen invoert, die boven de plaatselijke kerken staan en -met gezag tegenover deze optreden, en alzoo in de kerk van Christus -wederom eene ongeoorloofde hierarchie en tirannie invoert. En daarbij -komt dan nog, dat de geschiedenis der synoden van hare nuttigheid niet -altijd een gunstig getuigenis aflegt, en ze dikwerf doet voorkomen -als oorzaak van allerlei twist en verdeeldheid, zoodat Gregorius -Naz. reeds zeggen kon, μηδεμιας συνοδου τελος εἰδον χρηστον; en het -spreekwoord niet ten onrechte luidt: omne concilium parit bellum. Maar -daartegenover stellen toch andere overwegingen de noodzakelijkheid en -nuttigheid der synoden duidelijk in het licht. 1º In het N. T. is er -nog geen classicaal of synodaal verband der kerken, maar er was daar -ook toen nog geen behoefte aan, wijl de apostelen zelven leefden, de -gemeenten met raad bijstonden en ze ook door evangelisten als hunne -plaatsvervangers verzorgden. 2º De gemeenten waren ook toen reeds -op allerlei wijze door geestelijke banden aan elkander verbonden, en -kregen het recht, niet alleen om zelve te vergaderen, maar ook om naar -andere gemeenten afgevaardigden te zenden en daar beslissing in zekere -geschillen te vragen; Hd. 1, 6, 15, 21 toonen, dat synoden in gansch -algemeenen zin zijn juris divini permissivi. 3º Synoden zijn niet beslist -ad esse ecclesiae noodzakelijk en zijn ook niet bepaald door Gods Woord -bevolen, maar zij zijn geoorloofd en ad bene esse ecclesiae noodzakelijk. -4º De noodzakelijkheid ligt daarin, dat de eenheid van leer, tucht en -cultus, waartoe de gemeente geroepen is; de orde, vrede en liefde, die -zij te bewaren heeft; en de gemeenschappelijke belangen, die haar zijn -opgedragen (zooals opleiding, roeping, zending van dienaren; missie -onder de Heidenen; ondersteuning van hulpbehoevende kerken enz.) -niet anders dan door middel van synoden tot hun recht kunnen komen. -5º Synoden zijn geen voetstuk voor maar eene ondermijning van alle -hierarchie; zij handhaven de zelfstandigheid der plaatselijke kerken en -bewaren haar voor verwarring, verdeeldheid, hierarchie van den pastor, -overheersching van enkele leden; zij bevestigen de vrijheid der enkele -leden, door hun een steun te geven in het verband met andere kerken -en beroep op meerdere vergaderingen toe te staan. 6º Ook zijn zij geen -oorzaak van verdeeldheid en twist, maar een middel, om geschillen, -die er in de kerk hier op aarde altijd weer over leer, tucht, dienst -oprijzen, op eene vreedzame wijze, door nauwkeurig onderzoek en ampele -bespreking tot beslissing te brengen. 7º Opdat zij aan haar doel -beantwoorden, behooren synoden altijd vergaderingen van kerken te -zijn, wier leden (pastores, presbyters, diakenen of gewone leden) -afgevaardigden van kerken zijn en aan lastbrieven van kerken gebonden, -die door de kerken zelve en niet door overheid, paus enz. saamgeroepen -en door kerkelijke daartoe gekozen personen geleid worden, en die vrij -en zelfstandig, zonder inmenging der overheid, over kerkelijke zaken -oordeelen en besluiten. 8º De kerkelijke vergaderingen (plaatselijke, -classicale, provinciale, generale, oecum.) zijn niet wezenlijk van -elkander verschillend. De eene vergadering is niet per se hooger, -gewichtiger, minder aan dwaling blootgesteld of meer van de leiding des -H. Geestes verzekerd dan de andere. Want elke kerk en elke groep van -kerken is zelfstandig tegenover de andere; en alle zijn zij in dezelfde -mate gebonden aan het Woord en de belofte des Geestes deelachtig. In -de kerkelijke vergaderingen komen geen volksvertegenwoordigers maar -kerkelijke ambtsdragers saam, die van Christus’ wege tot regeering zijner -kerk geroepen zijn. Zij zijn dus onderscheiden, niet door andersoortige -of hoogere maar alleen door meerdere macht, die er samengebracht wordt -en over wijder gebied zich uitstrekt. 9º Het gezag van alle kerkelijke -vergaderingen is geen ander dan van de kerken zelve; het is onderworpen -aan het Woord van Christus. Christus is de eenige, die in de kerken -en in hare verschillende vergaderingen gezag heeft; zijn Woord alleen -beslist; wat den H. Geest in en door de leden goeddunkt, dat alleen is -bondig in de kerk van Christus. Maar ook deze hare naar Gods Woord en -in den H. Geest genomen besluiten kan de kerk niet anders handhaven -dan door zedelijke middelen. Zij heeft geen heerschende, dwingende maar -alleen eene dienende macht. Cf. Calvijn, Inst. IV c. 9. Polanus, Synt. -541. Bullinger, Van de Conciliën, Dordr. 1611. Martyr, Loci Comm. 407. -Junius, Op. II 1029. Theses Salmur. III 505. Amyraut, Du gouvernement -de l’Eglise contre ceux qui veulent abolir l’usage et l’autorité des -synodes, Saumur 1653. Heidegger, Corp. Theol. II 613. Turretinus, -Theol. El. XVIII qu. 33. Synopsis pur. theol. disp. 49. Voetius, Pol. -Eccl. IV 114-272. Redevoering van C. Vitringa over de Synoden enz., -uit het latijn door S. H. van Idsinga, Harl. 1741. Moor VI 439-461. M. -Vitringa IX 1 p. 574-653. Ch. Hodge, Discussions on Church polity, -New-York 1878 p. 364-456. Karl Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 -S. 254-275. Stahl, Die Kirchenverfassung u. s. w. 332 f. - - -12. Zoo staat de kerk met een eigen oorsprong, wezen, werkzaamheid en -doel in het midden der wereld. Zij is in elk opzicht van die wereld -onderscheiden, maar staat er toch nooit gescheiden naast. Wel hebben -verschillende richtingen in de Christenheid kerk en wereld in eene -volstrekte, ethische tegenstelling tegenover elkander geplaatst, en -schepping en herschepping met zonde en genade vereenzelvigd. Maar -deze richtingen, hoe machtig zij nu en dan ook geweest zijn, hebben -toch nooit de geschiedenis van het Christendom beheerscht, en konden -altijd slechts naast de kerken een sectarisch leven leiden. Afgezien -van deze richtingen, zijn er maar twee wijzen, waarop principieel de -verhouding van kerk en wereld bepaald kan worden, de Roomsche en de -Protestantsche, de supranatureele en de ethische. Rome beschouwt -het natuurlijke niet als zondig gelijk het Anabaptisme en komt niet -tot mijding en scheiding, maar leert wel, dat het natuurlijke van -lager orde is, licht oorzaak van zonde wordt en daarom den teugel -van het bovennatuurlijke behoeft. Gelijk het beeld Gods als een donum -supernaturale aan den natuurlijken mensch werd toegevoegd, zoo komt -van boven mechanisch de genade aan de natuur, de kerk aan de wereld, -de hoogere aan de lagere moraal toe; wie naar het ideaal van Rome wil -leven, moet asceet worden, het natuurlijke onderdrukken en zich geheel -aan de religie wijden; wie dat niet kan, krijgt voor het natuurlijke de -noodige speelruimte, en vindt in het bovennatuurlijke de grens, die deze -bepaalt. Gansch anders was de verhouding, welke het Protestantisme -aannam tusschen kerk en wereld. Het verving de quantitatieve, -supranaturalistische tegenstelling door de ethische. Het natuurlijke -was niet van lager orde maar was in zijn soort even goed en rein als -het bovennatuurlijke, want het was geschapen door dienzelfden God, -die in de herschepping zich openbaarde als Vader van den Heere Jezus -Christus. Alleen was het door de zonde bedorven en moest daarom door -de genade van Christus verzoend en vernieuwd worden. De genade dient -dus hier niet, om het natuurlijke te mijden, te onderdrukken, te dooden, -maar juist om het van zijne zondige bedorvenheid te bevrijden, en weer -echt natuurlijk te doen zijn. Het is waar, dat Luther bij de toepassing -dezer beginselen halverwege is blijven staan, het natuurlijke ongemoeid -heeft gelaten en het Christendom al te zeer tot het ethisch-religieuse -terrein beperkt heeft. Maar Calvijn, de man van de daad, die na Luther -kwam en daarom aan Luther zich spiegelen kon, zette het werk der -reformatie voort en trachtte heel het leven door het Christendom -te hervormen. Mijding is het woord der Anabaptisten; ascese dat der -Roomschen; vernieuwing en heiliging dat van den Protestantschen, -bepaaldelijk van den Gereformeerden Christen. Deze laatste beschouwing -is zonder twijfel de rijkste en schoonste. Immers is er maar één God in -schepping en herschepping beide. De God der schepping, van het Oude -Testament, is geen lagere God dan die van de herschepping, dan de Vader -van Christus, dan de God des N. Verbonds. Christus, de middelaar des -N. Verbonds, is ook degene, door wien God alle dingen geschapen heeft. -En de H. Geest, die auteur is van wedergeboorte en heiligmaking, is -dezelfde, die in den beginne zweefde over de wateren en de hemelen -heeft versierd. Schepping en herschepping kunnen dus niet als lager -en hooger tegenover elkander staan. Zij zijn beide goed en rein, beide -heerlijke werken van den éénen en drieëenigen God. Voorts heeft de -zonde, die in de wereld is ingekomen, wel alles, niet alleen het -geestelijke, het ethisch-religieuse leven maar ook al het natuurlijke, -het lichaam, het huisgezin, de maatschappij, de gansche wereld bedorven. -Maar zij is toch geen substantie, geen materia, doch forma, en dus niet -met het geschapene identisch, maar in en aan het geschapene wonend -en daarvan altijd door de genade Gods los te maken en te verwijderen. -Substantieel en materieel is de schepping na den val dezelfde als -vóór dien tijd; zij blijft een werk Gods, en als zoodanig te eeren en te -prijzen. Tot herwinning van die gevallen wereld brengt God nu wel de -krachten der genade in die schepping in. Maar ook die genade is geen -substantie of materia, opgesloten in woord of sacrament en uitgedeeld -door den priester, maar zij is eene vernieuwende, herscheppende kracht. -Zij is niet per se bovennatuurlijk, maar zij draagt dat karakter alleen -vanwege de zonde, en draagt het dus in zekeren zin toevallig en -tijdelijk, om de schepping te herstellen. Deze genade wordt in tweeërlei -vorm uitgedeeld, als algemeene genade ter beteugeling, als bijzondere -genade ter vernieuwing. Beide hebben haar eenheid in Christus, die -koning in het regnum potentiae en gratiae is; beide zijn tegen de -zonde gericht; beide brengen en houden schepping en herschepping in -verband met elkander. Ook de wereld is na den val niet aan zichzelve -overgelaten, en niet van alle genade ontbloot, maar zij wordt door -de algemeene genade gedragen en gespaard, geleid en bewaard voor de -bijzondere genade in Christus. Scheiding en onderdrukking is daarom -ongeoorloofd en onmogelijk. Mensen en Christen zijn geen twee wezens. De -schepping wordt in de herschepping opgenomen en hersteld. De mensch, -die wedergeboren is, is substantieel geen andere dan die hij was vóór -de wedergeboorte. In de kerk ingelijfd, blijft hij toch in de wereld, -en heeft zich alleen te bewaren van den booze. Gelijk Christus, de -zone Gods, uit Maria de volle menschelijke natuur heeft aangenomen -en daarmede niets menschelijks en niets natuurlijks zich vreemd heeft -geacht, zoo is de Christen niet anders dan de herboren, vernieuwde -en daarom de waarachtige mensch. Dezelfde menschen, die Christenen -zijn, zijn en blijven in dezelfde roeping, waarmede zij geroepen zijn; -zij blijven leden des gezins, burgers der maatschappij, onderdanen der -overheid, beoefenaars der wetenschap en kunst, mannen of vrouwen, -ouders of kinderen, heeren of knechten enz. De verhouding, die -tusschen kerk en wereld bestaan moet, is daarom in de eerste plaats -van organischen, zedelijken, geestelijken aard. Christus is profeet, -priester, koning ook nu nog, en Hij werkt door zijn Woord en Geest op -heel de wereld in. Door Hem gaat er van ieder, die in Hem gelooft, -een vernieuwende, heiligende invloed uit in gezin, maatschappij, -staat, beroep, bedrijf, kunst, wetenschap enz. Het geestelijk leven is -bestemd, om het natuurlijk en zedelijk leven in volle diepte en omvang -weer aan de wet Gods te doen beantwoorden. Langs dezen organischen weg -worden Christelijke waarheid en Christelijk leven ingedragen in alle -kringen van het natuurlijke leven, zoodat huisgezin en familieleven -in eere hersteld, de vrouw weer als de gelijke van den man beschouwd, -wetenschap en kunst gekerstend, het peil van het zedelijk leven -verhoogd, maatschappij en staat hervormd, wetten en instellingen, zeden -en gewoonten christelijk gestempeld worden. Maar er is nog eene andere -regeling van de verhouding van kerk en wereld, die veel moeilijker -is en waarover het grootste verschil van gevoelen bestaat. Christus -regeert zijne kerk n.l. ook door ambten en instellingen; en de vraag is, -of de verhouding van de kerk tot de verschillende terreinen van het -natuurlijke leven ook ambtelijk en institutair te regelen zij. Papalisme -en Cesareopapisme staan hier tegenover elkaar. Het Cesareopapisme -regelt de verhouding zoo, dat de kerk aan den christelijken staat -onderworpen is en naar zijne wetten zich heeft te gedragen. Er ligt -hier eenige waarheid in; de verhouding der kerk tot den staat is een -gansch andere, sedert deze christelijk is geworden. Voordat de overheid -christelijk was, vielen bijv. veel meer zonden onder de christelijke -tucht dan na dien tijd. Het bijwonen van heidensche feesten, afgoderij, -aanbidding van den keizer, sabbatsschennis, eedbreuk, Godslastering, -huwelijken in verboden graad, gruwelijke zonden van hoererij, overspel -enz., werden wel door de kerk maar niet door den staat als zonden -erkend en gestraft. Sedert de overheid gekerstend is, is er in de -zedelijke beschouwing en beoordeeling veel grooter overeenstemming -gekomen. In menig geval kan de kerk dus wachten op de behandeling van -ergerlijke overtredingen door de justitie en heeft geen eigen rechtbank -noodig. Maar toch wordt daaruit te veel afgeleid, wanneer alle macht -aan de kerk ontnomen en aan de christelijke overheid opgedragen wordt. -Want wezenlijk is de macht der kerk dezelfde gebleven, al is hare -uitoefening ook belangrijk gewijzigd. Immers is de bediening van woord -en sacrament het onvervreemdbaar recht der kerk; voorts blijven er -altijd vele zonden, zooals sabbatsschennis, hoererij, dronkenschap, -vloeken enz., die door de overheid in het geheel niet of slechts, -wanneer zij zeer openbaar en ergerlijk zijn, matig worden gestraft; en -eindelijk heeft de kerk ook bij die zondaars, welke de overheid straft, -een eigen taak, want de overheid is met de straf tevreden, maar de -kerk zoekt te overtuigen, tot bekeering te brengen en te behouden, -Calvijn, Inst. IV 11, 4. Aan de andere zijde staat het papale stelsel, -dat wel in zoover lof verdient, als het de zelfstandigheid en vrijheid -der kerk handhaaft, maar overigens, indien niet de gansche wereld, -dan toch heel de gedoopte christenheid in al haar levenskringen en -verhoudingen, rechterlijk en wettelijk aan den paus onderwerpen wil; -gezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap enz. moeten kerkelijk zijn, -want kerkelijk is met christelijk, roomsch, pauselijk identisch. Deze -aanspraak van Rome is niet zedelijk en geestelijk bedoeld, zoodat ieder, -die zich niet aan den paus onderwerpt, voor God schuldig staat; maar -zij draagt bepaald dit karakter, dat elk, die gehoorzaamheid weigert -aan den paus, ook rechtens en wettelijk voor dezen vicarius Christi -schuldig staat, door hem, indien hij het nuttig oordeelt en er de -macht toe heeft, gestraft kan worden en niet alleen met geestelijke en -zedelijke middelen maar ook met lichamelijke en burgerlijke straffen tot -gehoorzaamheid gedwongen kan worden. Van deze pauselijke tirannie, heeft -de geloofsmoed en de geesteskracht van Luther en Calvijn ons bevrijd. -Hun machtige hervormingsdaad bestond daarin, dat zij het Christendom -in zijne religeus-ethische beteekenis, als religie der genade, hebben -hersteld en het natuurlijke, niet van dit Christendom, maar van de -jurisdictie der Roomsche kerk hebben bevrijd. Daaruit volgde vanzelf, -dat het verband tusschen kerk en wereld, behalve op de bovengenoemde -organische wijze, slechts contractueel kon worden gelegd. Het is waar, -dat Calvijn met hand en tand vasthield, dat de overheid aan Gods woord -onderworpen was, de beide tafelen der wet te handhaven, en naar de -kerk als uitlegster van Gods woord te luisteren en verschillende -zonden, waarover de kerk tucht oefende, ook burgerlijk te straffen had. -Hij trok de grenslijn tusschen kerk en staat wel duidelijk en scherp -maar hij trok ze anders dan wij; het gebied, waarop beiden wat te -zeggen hadden was veel grooter dan het thans door ons wordt bepaald; -de overheid als christelijke had ook op haar terrein en in hare mate -voor de eere Gods, voor den bloei zijner kerk, voor de uitbreiding van -zijn rijk te waken. Maar desniettemin, de verhouding tusschen kerk en -staat was contractueel en vrij. De kerk kon niet anders dan het woord -Gods prediken, in zijn naam van zijne geboden getuigen; maar als de -overheid of wie dan ook weigerde te luisteren, dan had de kerk, dan -had Calvijn zelf, dan had ieder Christen geen macht en ook geen recht -meer tot dwang. Dan bleef er niets over dan resistentia negativa, -lijdelijk verzet, Calvijn, Inst. IV 20, 29, cf. voor anderen Moor VI -513. Ook zulk een verzet was eene daad, want gelijk Doumergue, Calvin -le fondateur des libertés modernes, Montauban 1898 p. 14 zoo schoon -zegt, c’est la soumission, mais du corps et non de l’âme. Humilié -devant le Dieu, qui le châtie, le calviniste reste le juge inexorable -du despote qui l’oppresse. Il y a des soumissions plus mortelles à -la tyrannie que des révoltes! Maar alle recht tot dwang en straf was -toch aan de kerk tegenover de overheid en tegenover ieder mensch -ontnomen en het Christendom in zijn zuiver geestelijke macht hersteld -en geëerd. De overheid bleef, gelijk ieder mensch, voor haar ongeloof, -voor hare verwerping van Gods woord, voor hare overtreding van zijne -geboden, voor de vervolging en onderdrukking van zijne kerk alleen aan -God verantwoordelijk. Indien echter de overheid vrij en zelfstandig van -de christelijke, van de gereformeerde religie --gelijk trouwens als haar -plicht en roeping steeds gepredikt werd-- professie deed, dan vloeide -daaruit voort, dat zij in hare qualiteit en op haar gebied deze religie -had te bevorderen en ketterij en afgoderij had te weren en uit te roeien. -De fout was daarbij niet hierin gelegen, dat aan de christelijke overheid -de bevordering van Gods eer en dienst werd opgedragen, maar dat de -grenzen van staat en kerk verkeerd getrokken en ongeloof, ketterij enz. -als staatsmisdaad werden beschouwd. In de eeuw der Hervorming kon -dit wel niet anders. Maar sedert de taak der overheid beperkt is, de -volken vrij en mondig zijn geworden, de kerken hoe langer hoe meer zich -splitsen en verdeelen, en allerlei richtingen in denken en leven zijn -opgetreden, wordt het onderscheid tusschen misdaad en zonde helderder -ingezien en alle dwang als juist in strijd met de christelijke belijdenis -door steeds meerderen erkend. Bij de regeling der verhouding tusschen -kerk en staat is daarom het volgende vast te houden: 1º dat de kerk, -al is door hare pluriformiteit haar getuigenis verzwakt, niet van den -eisch kan aflaten, dat alle schepselen, kunst, wetenschap, huisgezin, -maatschappij, staat enz. zich onderwerpen aan des Heeren woord; 2º dat -deze eisch alleen eene prediking, een zedelijk getuigenis is en nooit -direct of indirect door dwang of straf mag aangedrongen worden; 3º dat -eene christelijke, gereformeerde overheid de roeping heeft, om Gods eer -te bevorderen, zijn kerk te beschermen en het rijk van den antichrist -te gronde te werpen; 4º dat zij dit echter nooit kan of mag doen dan -met middelen, die met den aard van het evangelie van Christus in -overeenstemming zijn, en alleen op dat terrein, dat haar ter bewaking -toebetrouwd is; 5º dat zij, zelve voor hare houding ten opzichte van -Gods woord aan Hem rekenschap verschuldigd, niet ingrijpen mag in -de rechten van den enkelen mensch noch ook in die van huisgezin, -maatschappij, kunst, wetenschap en dus niet verantwoordelijk is voor -hetgeen binnen deze terreinen tegen Gods woord en wet geschiedt; 6º -dat zij de grenzen tusschen zonde en misdaad te trekken heeft naar -den eisch van het evangelie en overeenkomstig de leiding van Gods -voorzienigheid in de geschiedenis der volken; welke grenzen echter -niet saamvallen met die tusschen de eerste en de tweede tafel der wet, -want vele zonden tegen de tweede tafel vallen buiten het toezicht en -de straf der overheid, en vele andere tegen de eerste tafel (eedbreuk, -sabbatschennis) zijn ook voor de christelijke overheid strafwaardig; -7º dat vaste grenzen door niemand in het afgetrokkene kunnen worden -aangegeven, wijl zij wisselen met volk en met eeuw en alleen door het -getuigenis der volksconscientie eenigermate in hunne richting kunnen -worden bepaald. - - - - -HOOFDSTUK X. - -Over de Middelen der Genade. - - -§ 50. HET WOORD. - -1. Alle heil en zaligheid vloeit den gevallen mensch toe uit de genade -als deugd Gods. Objectief is die genade met al hare weldaden verschenen -in Christus, die ze in den weg des verbonds verwierf en uitdeelt. De -gemeenschap dergenen, die Christus met al zijne weldaden deelachtig -zijn, draagt den naam van kerk of gemeente. Thans komt de vraag aan -de orde, of Christus bij de mededeeling van deze zijne weldaden al dan -niet van middelen zich bedient. De mystici zijn allen geneigd, om deze -vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. Geheel in overeenstemming -met hun dualistisch uitgangspunt, kunnen zij de genade niet denken als -afhankelijk van of gebonden aan uitwendige teekenen en handelingen; God -zelf alleen, of de Christus in ons, de Geest of het inwendig woord -of licht werkt in den mensch de genade, en woord en sacrament kunnen -niet anders doen dan die inwendige genade aanduiden en afbeelden; het -geschreven woord drukt uit wat in het hart van elk geloovige geschreven -staat, en de sacramenten stellen uiterlijk voor oogen, wat Christus -inwendig door zijn Geest geschonken heeft, cf. Moor I 359 sq. Het -mysticisme kwam ten slotte op hetzelfde neer als het rationalisme, dat -door Socinianisme, Fock II 559 f. en Remonstrantisme, Conf. en Apol. -Conf. c. 23. Limborch, Theol. V c. 66 vertolkt, in de sacramenten -slechts praecepta ceremonialia, herinneringsteekenen en belijdenisacten -zag. Vlak daartegenover staat het Romanisme, dat de genade absoluut aan -middelen gebonden denkt. Volgens Rome toch is de kerk, de zichtbare, -door den onzichtbaren Geest gedragen kerk het eigenlijke, waarachtige, -volkomene middel der genade, het sacrament bij uitnemendheid. In haar -toch zet Christus zijn Godmenschelijk leven op aarde voort, vervult Hij -zijn profetisch, koninklijk en vooral zijn priesterlijk ambt, deelt Hij de -volheid zijner genade en waarheid mede; de kerk is Christus op aarde, -Christus, gelijk Hij na zijn volbracht verlossingswerk in de aan ruimte -en tijd gebonden ontwikkeling van het menschelijk geslacht ingegaan is, -Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der Kath. Kirche I² 8. En die -genade, welke Christus verdiend en aan zijne kerk medegedeeld heeft, -dient bovenal, om den mensch van de natuurlijke tot de bovennatuurlijke -orde op te heffen; zij is eene gratia elevans, eene bovennatuurlijke, -physische kracht, welke den natuurlijken mensch door den priester in -het sacrament ex opere operato ingestort wordt, deel III 444. Gelijk -in Christus de Goddelijke en de menschelijke natuur, in de kerk de -onzichtbare Geest en het zichtbaar instituut, zoo zijn in het sacrament -de geestelijke genade en het zichtbaar teeken onlosmakelijk aan elkander -verbonden; buiten Christus, buiten de kerk, buiten den priester, buiten -het sacrament is er daarom geen zaligheid. Het is zoo, Christus zet -in de kerk niet alleen zijn priesterlijk, maar ook zijn profetisch en -koninklijk ambt voort. Maar de in de kerk verkondigde leer van Christus -dient alleen, om geloof, d. i. toestemming te wekken, en de in de kerk -gehandhaafde tucht dient alleen, om gehoorzaamheid aan de zedewet te -kweeken; geloof en gehoorzaamheid zijn echter geen van beide de genade -zelve, doch haar voorbereiding en haar vrucht, Oswald t. a. p. 10. Het -woord Gods, dat bovendien bij Rome in Schrift en traditie vervat is en -als eene wet wordt opgevat, heeft daarom alleen eene praeparatoire, -paedagogische beteekenis, en het geloof is slechts eene der zeven -praeparationes ad gratiam, deel III 442. Het door den priester -uitgereikte sacrament, is het eigenlijke genademiddel, waardoor vera -justitia vel incipit, vel coepta augetur, vel amissa reparatur, Trid. -sess. 7 prooem. Tusschen deze mystische geringschatting en magische -overschatting van de genademiddelen nam de Reformatie positie en bracht -in plaats en karakter van kerk, ambt en genademiddelen eene groote -verandering aan. Immers is volgens de Hervorming Christus de volkomene -Zaligmaker, de eenige Middelaar Gods en der menschen, en de kerk is -in de eerste plaats communio sanctorum, niet middelares der zaligheid, -maar vergadering der geloovigen, die in gemeenschap met Christus leven. -Wel heeft Christus in die gemeente ambten ingesteld, maar al die ambten -zijn geen sacerdotium doch een ministerium, aan Christus’ woord absoluut -gebonden en geen andere macht hebbende dan de macht van dat woord. -De verhouding van Schrift en kerk is dus in het Protestantisme eene -gansch andere dan in het Romanisme, deel I 367. Bij Rome gaat de kerk -aan de Schrift vooraf, is de kerk niet op de Schrift gebouwd maar de -Schrift uit de kerk voortgekomen, heeft de Schrift wel de kerk maar de -kerk niet de Schrift van noode. Maar de Reformatie plaatste de kerk -weer op den bodem der Schrift, en de Schrift weer hoog boven de kerk. -Niet de kerk, maar de Schrift, het woord Gods werd het genademiddel bij -uitnemendheid; zelfs het sacrament werd aan het woord ondergeschikt -en had zonder het woord hoegenaamd geen beteekenis en kracht. En nu -werd dat woord wel naar de instelling van Christus in het midden der -gemeente door den leeraar bediend; maar dat nam toch niet weg, dat -dat woord in aller hand werd gegeven, dat het duidelijk was voor een -iegelijk, die het heilbegeerig onderzocht, dat het zijne werking deed, -niet alleen als het in het openbaar verkondigd, maar ook, wanneer -het in huis onderzocht en gelezen werd. Zoo werd de Christenmensch, -die dat woord aannam niet slechts met een historisch geloof maar met -vertrouwen des harten, bevrijd van de priesterheerschappij; er stond -tusschen hem en Christus niemand of niets in; door het geloof had -hij de gansche zaligheid; en in het sacrament ontving hij daarvan het -teeken en zegel. Zoo wijzigde de Reformatie de Roomsche leer van de -genademiddelen. Maar aan den anderen kant dreigde het gevaar van het -mysticisme, dat de middelen der genade geheel verwierp en daarvoor -allerlei gronden aanvoeren kon. Immers mocht Gods almacht niet door -zulke uitwendige middelen gebonden worden; Hij was souverein en vrij -en kon, maar behoefde zich toch niet van zulke middelen te bedienen -tot uitdeeling van de schatten der genade. Die genade was ook geen -materielles Etwas, geen physische kracht, geen donum superadditum, geen -elevatio naturae humanae, maar zij bestond voornamelijk in het herstel -in de gunste Gods, in de vergeving der zonden, in de vernieuwing naar -zijn beeld. Daarom kon zij ook niet in een zinlijk teeken als in een vat -opgesloten noch ook door den bedienaar worden uitgedeeld. Christus was -en bleef de eenige, die ze, nadat Hij ze verworven had, ook uitdeelen -kon. Hij benoemde geen plaatsvervanger op aarde en stelde geen priester -aan, maar Hij bleef zelf van uit den hemel zijn profetisch, priesterlijk -en koninklijk ambt uitoefenen; het teeken mocht Hij toevertrouwen aan -zijn dienaar, maar Hij zelf bleef toch de eenige uitdeeler van de -beteekende zaak. En bleek dat ook niet in de werkelijkheid? Duizenden -ontvingen iederen dag het teeken van woord en sacrament, zonder de -genade deelachtig te zijn; en omgekeerd stierven er dagelijks duizenden -kinderkens des verbonds, die nooit een middel der genade ontvingen en -aan wier zaligheid toch de geloovigen op grond van Gods woord niet -twijfelen mochten. Door deze bedenkingen verschrikt, zijn de Lutherschen -op hunne schreden ten deele teruggekeerd, en hebben de genade weer -volstrekt aan de middelen gebonden, den nooddoop ingevoerd, den doop -als afwassching der zonden zelven beschouwd, aan de kinderkens het -geloof ontzegd. En ook in de Gereformeerde kerken, bepaaldelijk in de -Anglikaansche, is ditzelfde romaniseerend streven telkens boven en tot -heerschappij gekomen. Maar oorspronkelijk nam de Reformatie een ander -standpunt in. Men kon de almacht en de vrijheid Gods niet beperken; Hij -kon ook zonder uitwendige middelen zijne genade in het hart van zondaren -verheerlijken; als Hij van menschen en teekenen zich daarbij bediende, was -dat alleen aan zijn welbehagen, aan zijne groote liefde en genade toe -te schrijven. Daarom leerde Zwingli, dat God zelfs Heidenen, die nooit -van het evangelie hadden gehoord, uitverkoren, wedergeboren en tot -de hemelsche zaligheid had geleid. En al gingen de andere Hervormers -zoo ver niet, zij moesten toch, vooral in het geval van vroegstervende -kinderen des verbonds, toegeven, dat God ook zonder woord of sacrament -alleen door den H. Geest wederbaren en zaligen kon, Calvijn, Inst. IV -16, 17. 18. Toch stelden zij deze gevallen als uitzonderingen voor -en hielden als regel vast, dat woord en sacrament voor degenen, die -opwiesen, de gewone middelen waren, waardoor God zijnen Geest gaf en -zijne genade meedeelde. De werking van wedergeboorte en geloof door de -prediking des Woords is de ordinaria Domini oeconomia et dispensatio, -quam tenere in vocandis suis solet, Calvijn, IV 1, 5. 16, 19, cf. Conf. -Belg. 24. Cat. Heid. 64. Conf. Helv. II 18. Conf. Westm. c. 10. 14. -Form. Conc. Sol. Decl. 11, 27: Dominus non _solet_ homines immediate -vocare, Gerhard, Loc. XX 121, cf. boven bl. 17. Bevredigen doet dit -antwoord niet, wijl het aantal kinderen, dat zonder genademiddelen zalig -wordt, veel grooter is dan in het algemeen wordt vermoed, en niet als -uitzondering op den regel kan worden geboekt; en ook, omdat in degenen, -die opwassen, de wedergeboorte door den H. Geest aan den doop, aan het -gehoor van het woord Gods en aan het geloof, zoo niet altijd voorafgaat, -dan toch zeker voorafgaan kan. Vandaar, dat bij de Lutherschen -hoe langer hoe meer de genade aan de middelen, en bepaaldelijk de -wedergeboorte aan den doop verbonden werd, en dat bij de Gereformeerden, -die de sacramenten als teekenen en zegelen van geschonken genade -opvatten, de wedergeboorte als aan den doop voorafgaande werd gedacht, -zoodat de middelen der genade niet dienden om te wederbaren, maar om -de wedergeborenen tot geloof en bekeering te brengen. Toch was ook -deze latere ontwikkeling van eenzijdigheid niet vrij te pleiten. Die bij -de Lutherschen leidde tot Rome terug, en die bij de Gereformeerden liep -gevaar, om woord, sacrament, kerk en ambt, ja zelfs den persoon en -het werk van Christus voor de verwerving en toepassing der zaligheid -overbodig en alleen voor de openbaring van leven en waarheid naar -buiten in de wereld nog noodig te achten. Maar zoo wordt de beteekenis -der genademiddelen verzwakt en hun begrip al te zeer begrensd. Immers -de genademiddelen van woord en sacrament staan niet los op zichzelf -maar houden nauw verband met kerk en ambt, met Christus’ persoon -en werk. Men kan wel vragen, of God niet wederbaren en zaligen kon -zonder Christus en de zonden vergeven zonder voldoening. Maar zulke -vragen leiden tot niets; wij hebben te rusten in het welbehagen Gods, -dat de zaligheid niet anders uitdeelt dan in en door Christus. Hij is -de Middelaar Gods en der menschen, de eenige naam, onder den hemel -den menschen ter zaliging gegeven. Maar voorts is het evenzoo Gods -welbehagen geweest, om de zaligheid niet anders uit te deelen dan door -en in de gemeente van Christus. Of God, gelijk Zwingli leerde, zijne -verkiezende genade ook onder de Heidenen werken deed, kan hier, wijl -dit toch in elk geval, naar de belijdenis aller christelijke kerken, -eene uitzondering geldt, onbesproken blijven. Regel is, dat God de -uitdeeling zijner genade vrijwillig aan de gemeente van Christus bindt. -De kerk is de gemeenschap en daardoor ook de moeder der geloovigen. -God richt zijn verbond met de ouders en in hen met hunne kinderen op. -Hij deelt zijne weldaden uit in den weg des verbonds. In dien zin is het -juist, dat de kerk als gemeenschap der heiligen het groote genademiddel -is, waarvan Christus zich naar zijn welbehagen bedient, om zijne -uitverkorenen te vergaderen van het begin tot het einde der wereld. -De kerk in dezen zin bedoelt wel ter dege de salus electorum; dat is -niet haar eenige reden van bestaan; zij dient ook tot volmaking der -heiligen, tot opbouw van het lichaam van Christus, tot prediking van -het evangelie aan alle creaturen, tot verheerlijking Gods. Maar zij is er -dan toch ook, om hier op aarde dien heiligen kring te vormen, binnen -welken Christus al zijne weldaden, ook die der wedergeboorte, meedeelt. -Opdat zij daartoe in staat zou zijn, deelde Hij zijn Geest haar mede, -stortte Hij allerlei gaven in haar uit, stelde Hij de ambten bij haar -in, betrouwde Hij de bediening van woord en sacrament haar toe. En ook -dit zijn altemaal middelen, welke Christus bezigt, om de Hem gegevenen -van den Vader toe te brengen en tot de hemelsche zaligheid te leiden. -Ja, heel de leiding van het leven met zijne wisselingen van voor- en -tegenspoed is in de hand des H. Geestes menigmaal een middel, om de -uitverkorenen tot Christus of nauwer met Hem in gemeenschap te brengen. -Zelfs kan het begrip van genademiddel nog ruimer worden opgevat, -zoodat het ook insluit, wat onzerzijds noodig is, om de weldaden des -verbonds voor het eerst en bij den voortduur te genieten, zooals geloof, -bekeering, strijd tegen de zonde, gebed, cf. Calvijn, Inst. IV. Helv. II -art. 16. Westm. 14, 1. Schleiermacher, Chr. Gl. § 127. Nu verdient het -wel geen aanbeveling, om dit alles onder de media gratiae op te nemen. -Want Christus is niet middel maar middelaar, verwerver en toepasser -der zaligheid. De kerk is geen genademiddel naast woord en sacrament, -want al de macht, die haar toebetrouwd is, bestaat in niets anders dan -in de bediening van beide; kerk en ambt geven geen genade op zichzelf -maar alleen door woord en sacrament. En geloof, bekeering, gebed zijn -veeleer vruchten dan middelen der genade, zij zijn geen objectieve -instellingen maar subjectieve voorwaarden om de overige weldaden des -verbonds te bezitten en te genieten. In strikten zin zijn alleen -woord en sacrament als genademiddelen te beschouwen, d. w. z. als -uitwendige, zinnelijke handelingen en teekenen, welke Christus aan zijne -kerk geschonken en waaraan Hij de mededeeling zijner genade verbonden -heeft. Maar toch mogen deze geen oogenblik losgemaakt worden van den -persoon en het werk van Christus, noch ook van de kerk als organisme -en als instituut. Christus brengt de zijnen op velerlei wijze toe, en -Hij kan dit doen, wijl Hij alleen, gelijk de verwerver, zoo de uitdeeler -der genade is en blijft. Hij doet het daarom zonder of door het woord -en sacrament; maar Hij doet het toch altijd door de inwendige roeping -van dien Geest, dien Hij aan de gemeente schonk; in de gemeenschap dier -kerk, welke Hij opdroeg het evangelie te prediken aan alle creaturen; in -den weg van dat verbond, dat het evangelie tot inhoud en het sacrament -tot teeken en zegel ontving. Cf. art. Gnadenmittel in Herzog¹. Lange, -Dogm. § 109. Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S. 1 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 548. -Harless und Harnack, Die kirchl.-relig. Bedeutung der reinen Lehre v. -d. Gnadenmitteln 1869. Rohnert, Die Lehre v. d. Gnadenmitteln, Leipzig -1886. Lipsius, Dogm. § 783 f. Frank, Chr. Wahrheit II 298 f. Oosterzee, -Chr. Dogm. § 135. - - -2. Het eerste en voornaamste middel der genade is het woord Gods. -Lutherschen en Gereformeerden stemmen hierin met elkander overeen. -Toch brengen de laatsten het woord Gods niet onder de media gratiae -ter sprake, wijl zij gewoonlijk daarover in de dogmatiek reeds vroeger -hebben gehandeld in een afzonderlijk hoofdstuk, Calvijn, Inst. II 7-9. -Musculus, Loci Comm. § 11. 20. Junius, Theses Theol. § 23. 24. Synopsis -pur. theol. disp. 18. 22, of ook over de wet bij het werk-, en over het -evangelie bij het genadeverbond, Marck, Med. Theol. c. 11. 17. Deze -eigenaardige methode van behandeling geeft geen recht tot de bewering, -dat de Gereformeerden het woord Gods niet als middel der genade hebben -erkend, want telkens spreken zij het tegendeel uit, cf. bijv. Conf. Belg. -24. Cat. Heid. qu. 65. Maar wel mag eruit afgeleid, dat het woord Gods -voor de Gereformeerden nog eene veel rijkere beteekenis had dan dat -het alleen in den engeren zin van het woord als genademiddel dienst -deed. Het woord Gods is mede daarin van het sacrament onderscheiden, -dat dit laatste alleen dienst doet tot versterking van het geloof en -dus alleen een plaats heeft in het midden der gemeente. Maar het woord -Gods, beide als wet en als evangelie, is openbaring van den wil Gods, -is de promulgatie van werk- en genadeverbond, gaat alle menschen en -schepselen aan, en heeft eene universeele beteekenis. Het sacrament -kan alleen bediend worden door den wettig geroepen dienaar in de -vergadering der geloovigen, maar het woord Gods heeft ook daarbuiten -nog een bestaan en plaats en oefent ook dan zijne menigvuldige werking -uit. Als middel der genade in eigenlijken zin naast het sacrament -komt het woord Gods alleen ter sprake, voorzoover het openlijk door -den leeraar gepredikt wordt; op het in Gods naam en krachtens zijne -zending _gepredikte_ woord valt dan al de nadruk. Maar in den regel -zijn de menschen reeds lang in het gezin, op de school, door toespraak -of lectuur met dat woord in aanraking gekomen, voordat zij het openlijk -in de gemeente hoorden verkondigen. De openbare bediening des woords -omvat dus lang niet al de kracht, die van het woord uitgaat; zij dient -ook wel, om het geloof, bij wie het nog ontberen, te werken, maar toch -veelmeer om het bij de geloovigen in hunne vergadering te versterken. -In eene christelijke maatschappij komt het woord Gods tot den mensch op -allerlei manieren, in allerlei vormen, van allerlei kanten, en het -komt tot hem van zijne prilste jeugd af aan. Ja, God brengt dat woord -in de inwendige roeping dikwerf, reeds voordat het bewustzijn ontwaakt -is, tot de harten der kinderen, om hen te wederbaren en te heiligen, -evenals Hij in iederen mensch van zijn eerste bestaan af het werk der -wet in zijn hart schrijft en het semen religionis in hem inplant. Daarom -is hier tusschen woord Gods en Schrift wel te onderscheiden. Niet in -dien zin, alsof het woord Gods slechts in de Schrift te vinden en niet -de Schrift zelve ware; maar in dezen anderen zin, dat het woord Gods -lang niet altijd en zelfs niet in de meeste gevallen als Schrift, in -den vorm der Schrift tot ons komt, maar dat het, uit de Schrift in -het bewustzijn der gemeente opgenomen, van daaruit weer in den vorm -van vermaning en toespraak, opvoeding en onderwijs, boek en geschrift, -tractaat en vertoog tot de verschillendste menschen uitgaat en zijne -werking doet. En altijd staat God achter dat woord; Hij is het, die het -in die onderscheidene vormen tot de menschen doet uitgaan en ze alzoo -roept tot bekeering en leven. In de Schrift is dan ook de uitdrukking -woord Gods nooit met de Schrift identisch, al mag de Schrift door ons -zonder twijfel Gods woord worden genoemd. Eene enkele plaats moge zich -laten aanwijzen, waar de uitdrukking woord Gods op een gedeelte der H. -Schrift, bijv. op de geschreven wet wordt toegepast. Maar overigens -is woord Gods in de Schrift nooit hetzelfde als de Schrift, wat ook -daarom reeds onmogelijk is, wijl de Schrift toen nog niet compleet was. -De uitdrukking woord Gods heeft in de Schrift velerlei beteekenissen -en kan aanduiden de kracht Gods, waardoor Hij de wereld schept en -onderhoudt, of zijne openbaring aan de profeten, of den inhoud der -openbaring of het evangelie, dat door de apostelen verkondigd werd, -cf. deel I 338. Maar altijd is het een woord _Gods_, d. i. nooit een -klank alleen maar een kracht, geen loutere bekendmaking maar tevens -een volbrenging van zijn wil, Jes. 55:11. Door het woord schept en -onderhoudt God de wereld, Gen. 1:3, Ps. 33:6, 148:5, Jes. 48:13, Rom. -4:17, 2 Cor. 4:6, Hebr. 1:3, 11:3, stilt Jezus de zee, Mk. 4:39, -geneest de kranken, Mt. 8:16, werpt de duivelen uit, 9:6, wekt de -dooden op, Luk. 7:14, 8:54, Joh. 5:25, 28, 11:43 enz. Door het woord -werkt Hij ook op zedelijk en geestelijk gebied. - - -3. Het woord, dat God bezigt om op zedelijk en geestelijk gebied zijn -wil bekend te maken en te volbrengen, is in wet en evangelie te -onderscheiden. Als Jezus op aarde verschijnt, om de komst van het in het -O. T. beloofde koninkrijk aan te kondigen, Mk. 1:15, om aan tollenaren -en zondaren, aan armen en gevangenen het evangelie der vergeving en der -zaligheid te brengen, Mt. 5:1v, 11:5, 28-30, Luk. 4:18, 19, 19:10 enz., -komt Hij vanzelf in strijd met de farizeesche, nomistische opvatting -der religie, die er in zijn tijd heerschte. Toch al verwerpt Hij de -menschelijke inzettingen der ouden, Mt. 5:21v., 15:9 en al heeft Hij eene -andere opvatting van doodslag, Mt. 5:16, overspel, 5:27, eed, 5:33, -vasten, 6:16, echtscheiding, Mt. 19:9, sabbat, Mk. 2:27; Hij handhaaft -de gansche wet, ook in haar ceremonieele bestanddeelen, Mt. 5:23, 24, -17:24-27, 23:2, 3, 23, Mk. 1:44, 11:16; Hij verklaart haar in haar -geestelijken zin, Mt. 5-7, legt op haar ethischen inhoud den nadruk, -beschouwt de liefde tot God en den naaste als haar hoofdsom, Mt. 7:12, -9:13, 12:7, Mk. 7:15, 12:28-34 en verlangt een andere, overvloediger -gerechtigheid dan die der Farizeën, Mt. 5:20. Zelf heeft Hij, ofschoon -meer dan de tempel, Mt. 12:6, zich dan ook onder de wet gesteld, Mt. -3:15 en is gekomen, om de wet en de profeten te vervullen, 5:17. En -daarom weet Hij, dat, al dringt Hij nooit op afschaffing der wet aan, -zijne jongeren innerlijk vrij zijn van de wet, Mt. 17:26, dat zijne gemeente -niet op de wet maar op de belijdenis van zijne Messianiteit gegrond is, -Mt. 16:18, dat in zijn bloed een nieuw verbond wordt gesticht, Mt. -26:28, dat in één woord de nieuwe wijn ook nieuwe lederzakken eischt, -Mt. 9:17, en de dagen van tempel en volk en wet zijn geteld, Mk. 13:2. -Jezus wil geen revolutionaire omverwerping van de wettische bedeeling -des O. Verbonds, maar eene hervorming en vernieuwing, welke uit hare -volkomene vervulling vanzelf geboren wordt, cf. deel III 217. En zoo -is het ook feitelijk toegegaan. De gemeente te Jeruzalem hield zich in -den eersten tijd nog aan tempel en wet, Hd. 2:46, 3:1, 10:14, 21:20, -22:12. Maar eene nieuwe opvatting bereidde zich voor. Met de bekeering -der Heidenen kwam de vraag aan de orde naar de beteekenis der Mozaische -wet. En Paulus was de eerste, die ten volle begreep, dat in den dood -van Christus het handschrift der wet was uitgewischt, Col. 2:14. Paulus -verstaat onder νομος, tenzij eene nadere bepaling anders aanwijst, -bijv. Rom. 3:27, Gal. 6:2, altijd de Mozaische wet, de gansche thora, -inbegrepen ook de ceremonieele geboden, Rom. 9:4, Gal. 2:12, 4:10, -5:3, Phil. 3:5, 6. En hij beschouwt die wet niet, gelijk de brief aan de -Hebreën, als onvolkomene, voorbereidende, Oudtestamentische bedeeling -van het genadeverbond, die verdwijnt, als de hoogepriester en borg van -het betere verbond gekomen is, maar als openbaring van Gods wil, als -religieus-ethische eisch en vordering, als door God gewilde regeling -van de verhouding tusschen Hem en den mensch. En van deze wet, zoo -opgevat, leert Paulus nu, dat ze wel heilig en goed is, en door God -geschonken, Rom. 2:18, 7:22, 25, 9:4, 2 Cor. 3:3, 7, maar in plaats -van, zooals de Farizeën beweerden, gerechtigheid te kunnen schenken, is -ze krachteloos door het vleesch, Rom. 8:3, prikkelt de begeerte, 7:7, -8, vermeerdert de overtreding, 5:20, Gal. 3:19, bewerkt toorn, vloek en -dood, Rom. 4:15, 2 Cor. 3:6, Gal. 3:10 en is slechts voor een tijd, om -paedagogische redenen, tusschen beide ingekomen, Rom. 5:20, Gal. 3:19, -24, 4:2, 3. Daarom heeft dan nu ook die wet in Christus, het zaad der -belofte, haar einde bereikt, Rom. 10:4; de geloovige is vrij van de wet, -Gal. 4:26v., 5:1, wijl Hij door Christus van den vloek der wet verlost, -Gal. 3:13, 4:5, en den Geest van het kindschap, den Geest der vrijheid -deelachtig is, Rom. 8:15, 2 Cor. 3:16, 17, Gal. 5:18. Deze vrijheid des -geloofs heft echter de wet niet op maar bevestigt haar, Rom. 3:31, -wijl haar recht juist in degenen, die wandelen naar den Geest, vervuld -wordt, 8:4. Die Geest toch vernieuwt de geloovigen, zoodat zij een lust -hebben in Gods wet naar den inwendigen mensch en onderzoeken wat Gods -heilige wil is, Rom. 7:22, 12:2, Ef. 5:10, Phil. 1:10, terwijl zij door -allerlei drangredenen, de groote barmhartigheid Gods, het voorbeeld van -Christus, den duren prijs, waarvoor zij gekocht zijn, de gemeenschap des -H. Geestes enz. tot het doen van Gods wil worden aangespoord. Cf. over -de wet in het N. T. Weiss, Bibl. Theol. Holtzmann Neut. Theol. I 130 f. -II 22 f. L. Jacob, Jesu Stellung zum mos. Gesetz, Gött. 1893. Grafe, -Die Paulin. Lehre v. Gesetz², Leipzig Mohr 1893. Zehnpfund, Das Gesetz -in den paulin. Briefen, Neue Kirchl. Zeits. 1897 S. 384-419. Art. νομος -bij Cremer enz. - - -4. Deze antithese tusschen wet en evangelie werd in de christelijke kerk -aan de eene zijde, door het antinomisme in zijne verschillende vormen van -Gnosticisme, Manicheisme, Paulicianisme, Anabaptisme, Hattemisme enz., -nog verscherpt en tot een onverzoenlijken strijd gemaakt. Heel het O. T. -was van een lageren God afkomstig, van een toornenden, jaloerschen, -wrekenden God, en was nu door de gansch andere openbaring van den God -der liefde, van den Vader van Christus vervangen. Aan de andere zijde -werd de antithese tusschen wet en evangelie door het nomisme in zijne -verschillende vormen van Pelagianisme, Semi-pelagianisme, Romanisme, -Socinianisme, Rationalisme enz., verzwakt en uitgewischt. Wet en -evangelie werden reeds door de kerkvaders en later door scholastieke en -Roomsche theologen vereenzelvigd met Oud en Nieuw Testament en dan niet -antithetisch tegenover elkaar gesteld maar als een lagere en hoogere -openbaring van Gods wil beschouwd. Wet en evangelie verschillen niet -daarin, dat de eerste alleen eischt en het tweede alleen belooft, -want beide bevatten geboden, bedreigingen en beloften; mysteria, -promissiones, praecepta; res credendae, sperandae en faciendae; niet -alleen Mozes, ook Christus was legislator. Maar in dit alles gaat het -evangelie des N. T., de lex nova, de wet des O. T., de lex vetus, zeer -verre te boven; de mysteriën (triniteit, vleeschwording, voldoening -enz.) zijn in het N. T. veel duidelijker geopenbaard, de beloften -zijn veel rijker van inhoud en omvatten vooral geestelijke en eeuwige -goederen, de wetten zijn veel heerlijker en lichter, wijl ceremonieele en -burgerlijke wetten afgeschaft en door enkele ceremoniën vervangen zijn. -Voorts is de wet door Mozes gegeven, de genade en waarheid is door -Jezus Christus geworden. De wet was tijdelijk en voor één volk bestemd; -het evangelie is eeuwig en moet tot alle volken gebracht. De wet was -onvolmaakt, een schaduw en voorbeeld, het evangelie is volmaakt en het -lichaam der goederen zelve. De wet kweekte vrees en dienstbaarheid, -het evangelie wekt liefde en vrijheid. De wet kon niet rechtvaardigen -in vollen zin, zij gaf geen rijkdom van genade, zij schonk geen eeuwige -zaligheid, maar het evangelie schenkt in het sacrament de kracht der -genade, die in staat stelt om Gods geboden te volbrengen en het eeuwige -leven te verwerven. In één woord, de wet is het onvolkomen evangelie, -het evangelie de volkomene wet; het evangelie zat in de wet in als -arbor in semine, als granum in spica, cf. deel III 197 en voorts -Suicerus s. v. νομος en εὐαγγελιον. Augustinus, de civ. VIII 11. In ev. -Joh. tract. 30. de spir. et litt. 19. 20. Lombardus, Sent. III dist. -25. 40. Thomas, S. Theol. III qu. 106-108. Conc. Trid. VI can. 19-21. -Bellarminus, de Justif. IV c. 2 sq. enz. In zoover nu de Oud- en de -Nieuwtestamentische bedeeling van het genadeverbond naar haar in het -oog springenden vorm op voorgang van de H. Schrift met den naam van -wet en evangelie kan worden aangeduid, is de onderscheiding, door Rome -tusschen beide gemaakt, wel niet in alle deelen maar toch in hoofdzaak -goed te keuren. Doch Rome vereenzelvigde Oud en Nieuw Verbond met wet -en evangelie geheel en al, miskende het evangelie in het Oude en de wet -in het N. Test., vatte de gansche leer, door Christus en de apostelen -verkondigd, als evangelie op, nam daarin niet alleen beloften, maar ook -wetten en bedreigingen op, en maakte het evangelie dus tot eene tweede -wet. De Paulinische antithese van wet en evangelie werd uitgewischt. -Want al is het, dat Paulus onder de wet de gansche O. T. bedeeling -verstaat, hij beschouwt haar dan juist in haar _wettischen_ vorm en -stelt ze zoo lijnrecht tegen het evangelie over. En ook als hij dat doet, -erkent hij, dat de wettische bedeeling de belofte, die reeds aan Abraham -was geschied, geenszins heeft teniet gedaan, Gal. 3:17, 21, dat ook -in de dagen des O. V. het evangelie verkondigd is, Gal. 3:8, dat ook -toen de gerechtigheid verkregen is uit en door het geloof, Rom. 4:11, -12, 11:32, Gal. 3:6, 7. Van de wet als wet, afgedacht van de belofte, -aan welke zij in het O. T. dienstbaar gemaakt was, beweert Paulus, -dat zij niet rechtvaardigen kan, dat zij de zonde vermeerdert, dat zij -eene bediening der verdoemenis is en juist daardoor de vervulling der -belofte voorbereidt en eene andere gerechtigheid, n.l. de gerechtigheid -Gods in Christus door het geloof noodzakelijk maakt. En deze antithese -van wet en evangelie werd door de Hervorming weer ingezien. Wel komen -er uitspraken bij kerkvaders voor, die ook van een beter inzicht -getuigen, cf. citaten bij Suicerus, t. a. p., in Bibliotheca studii -theol. ex plerisque Doctorum prisci seculi monumentis collecta, apud -Is. Crispinum 1565 p. 195-216. Gerhard, Loc. XIV 16. Maar het komt tot -geen helderheid, omdat zij de onderscheiding tusschen wet en evangelie -altijd weer verwarren met die tusschen Oud en Nieuw Verbond. Doch de -Hervormers, eenerzijds de eenheid van het genadeverbond in zijne beide -bedeelingen tegen de Wederdoopers vasthoudende, hebben anderzijds het -scherpe contrast van wet en evangelie in het oog gevat en daardoor het -eigenaardig karakter van de christelijke religie als religie der genade -weer hersteld. Want al is het, dat wet en evangelie in ruimer zin -voor de oude en nieuwe bedeeling van het genadeverbond kunnen worden -gebezigd, in hun eigenlijke beteekenis duiden zij toch twee openbaringen -van Gods wil aan, die wezenlijk van elkander verschillen. Ook de wet is -Gods wil, Rom. 2:18, 20, heilig en wijs en goed, geestelijk, Rom. 7:12, -14, 12:10, het leven gevend aan wie haar onderhoudt, Rom. 2:13, 3:12; -maar zij is door de zonde krachteloos geworden, rechtvaardigt niet maar -prikkelt de begeerte, vermeerdert de zonde, werkt toorn, doodt en -vervloekt en verdoemt, Rom. 3:20, 4:15, 5:20, 7:5, 8, 9, 13, 2 Cor. -3:6v., Gal. 3:10, 13, 19. En daartegenover staat het evangelie van -Christus, het εὐαγγελιον, dat niets minder bevat dan de vervulling -der Oudtest. ἐπαγγελια, Mk. 1:15, Hd. 13:32, Ef. 3:6, dat van Gods -wege tot ons komt, Rom. 1:1, 2, 2 Cor. 11: 7, Christus tot inhoud -heeft, Rom. 1:3, Ef. 3:6 en niets anders brengt dan genade, Hd. 20:24, -verzoening, 2 Cor. 5:18, vergeving, Rom. 4:3-8, gerechtigheid, Rom. -3:21, 22, vrede, Ef. 6:15, vrijheid, Gal. 5:13, leven, Rom. 1:17, -Phil. 2:16 enz. Als eisch en gave, als bevel en belofte, als zonde -en genade, als krankheid en genezing, als dood en leven staan wet en -evangelie hier tegenover elkander. Ofschoon zij daarin overeenkomen, -dat zij beiden God tot auteur hebben, beide van eene zelfde volkomene -gerechtigheid spreken, beide zich richten tot den mensch om hem te -brengen tot het eeuwige leven, zoo verschillen zij toch daarin, dat -de wet uit Gods heiligheid, het evangelie uit Gods genade voortkomt; -dat de wet van nature, het evangelie alleen door bijzondere openbaring -bekend is; dat de wet volkomene gerechtigheid eischt en het evangelie -haar schenkt; dat de wet door de werken heen tot het eeuwig leven -leidt en het evangelie de werken doet voortkomen uit het in het geloof -geschonkene eeuwige leven; dat de wet thans den mensch verdoemt en -het evangelie hem vrijspreekt; dat de wet zich richt tot alle menschen -en het evangelie alleen tot degenen, die eronder leven enz. Naar -aanleiding van dit onderscheid, kwam er zelfs verschil over, of de -prediking van geloof en bekeering, die toch een voorwaarde en eisch -scheen, wel tot het evangelie behoorde en niet veeleer met Flacius, -Gerhard, Quenstedt, Voetius, Witsius, Coccejus, Moor e. a. tot de wet -moest worden gerekend. En inderdaad in den striksten zin zijn er in -het evangelie geen eischen en voorwaarden, maar alleen beloften en -gaven; geloof en bekeering zijn evengoed als rechtvaardigmaking enz. -weldaden des genadeverbonds. Maar zoo komt het evangelie, concreet, -nooit voor; het is in de practijk altijd met de wet verbonden en is -dan ook door heel de Schrift heen altijd met de wet saamgeweven. Het -evangelie onderstelt altijd de wet, en heeft haar ook bij de bediening -noodig. Het wordt immers gebracht tot redelijke en zedelijke menschen, -die voor zichzelven Gode verantwoordelijk zijn en daarom tot geloof en -bekeering moeten geroepen worden. De eischende, roepende vorm, waarin -het evangelie optreedt, is aan de wet ontleend; elk mensch is niet -eerst door het evangelie maar is van nature door de wet verplicht, -God op zijn woord te gelooven en dus ook het evangelie, waarin Hij tot -den mensch spreekt, aan te nemen. Daarom legt het evangelie van stonde -aan beslag op alle menschen, bindt het in hunne conscientie, want die -God, die in het evangelie spreekt is geen andere dan die zich in zijne -wet aan hen heeft bekend gemaakt. Geloof en bekeering worden daarom van -den mensch in naam van Gods wet, krachtens de relatie, waarin de mensch -als redelijk schepsel tot God staat, geeischt; en die eisch richt zich -niet alleen tot uitverkorenen en wedergeborenen, maar tot alle menschen -zonder onderscheid. Maar zij zijn zelve toch inhoud van het evangelie, -geen werkingen of vruchten der wet. Want de wet eischt wel geloof aan -God in het algemeen, maar niet dat speciale geloof, dat op Christus -zich richt, en de wet kan wel μεταμελεια, poenitentia werken maar geen -μετανοια, resipiscentia, die veeleer vrucht is van het geloof. En -juist wijl geloof en bekeering, schoon de mensch er van nature door de -wet toe verplicht is, inhoud van het evangelie zijn, kan er sprake zijn -van een wet, van een gebod, van een gehoorzaamheid des geloofs, Rom. -1:5, 3:27, 1 Joh. 3:23. van een ongehoorzaam zijn aan en een geoordeeld -worden naar het evangelie, Rom. 2:16, 10:16 enz. Wet en evangelie, in -concreto beschouwd, verschillen niet zoozeer daarin, dat de wet altijd -in bevelenden en het evangelie in belovenden vorm optreedt, want ook -de wet heeft beloften, en het evangelie vermaningen en verplichtingen. -Maar zij verschillen vooral in inhoud: de wet eischt, dat de mensch zijne -eigene gerechtigheid uitwerke en het evangelie noodigt hem, om van -alle eigengerechtigheid af te zien en die van Christus aan te nemen en -schenkt daartoe zelfs de gave des geloofs. En in die verhouding staan -wet en evangelie niet alleen vóór en bij den aanvang der bekeering; -maar in die verhouding blijven zij staan heel het christelijk leven door, -tot aan den dood toe. De Lutherschen hebben bijna alleen oog voor de -beschuldigende, veroordeelende werking der wet en kennen daarom geen -hooger zaligheid dan bevrijding van de wet. De wet is alleen noodig -om der zonde wil. In den volmaakten toestand is er geen wet. God is -vrij van de wet; Christus was volstrekt niet voor zichzelf der wet -onderworpen; de geloovige staat niet meer onder de wet. De Lutherschen -spreken wel is waar van een drieërlei usus der wet, niet alleen van -een usus politicus (civilis), om de zonde te beteugelen, en een usus -paedagogicus, om kennis der zonde te wekken, maar ook van een usus -didacticus, om den geloovigen tot regel des levens te zijn. Maar deze -laatste usus is toch enkel en alleen daarom noodig, wijl en in zoover de -geloovigen nog zondaren blijven en door de wet in toom gehouden en tot -voortdurende kennis der zonde geleid moeten worden. Op zichzelf houdt -met het geloof en de genade de wet op en verliest al haar beteekenis. -Maar de Gereformeerden dachten er gansch anders over. De usus politicus -en de usus paedagogicus der wet zijn maar toevallig noodig geworden -door de zonde; ook als deze wegvallen, blijft de voornaamste usus, -de usus didacticus, normativus over. De wet is toch uitdrukking van -Gods wezen; Christus was als mensch vanzelf voor zichzelf der wet -onderworpen; Adam had vóór den val de wet in zijn hart geschreven; bij -den geloovige wordt zij weer op de tafelen zijns harten gegrift door den -H. Geest; en in den hemel zullen allen wandelen naar des Heeren wet. -Het evangelie is tijdelijk maar de wet is eeuwig en wordt juist door het -evangelie hersteld. De vrijheid van de wet bestaat dan ook niet daarin, -dat de Christen met die wet niet meer te maken heeft, maar zij is hierin -gelegen, dat de wet van den Christen niets meer als voorwaarde der -zaligheid eischen, hem niet meer veroordeelen en verdoemen kan. Maar -overigens heeft hij een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen -mensch en bepeinst ze dag en nacht. En daarom moet die wet altijd in het -midden der gemeente, in verband met het evangelie, verkondigd worden. -Wet en evangelie, het gansche woord, de volle raad Gods is inhoud van -de prediking. Veel breeder plaats dan in de leer der ellende neemt de -wet bij de Gereformeerden in de leer der dankbaarheid in. Cf. Luther bij -Köstlin I 157 f. II 237 f. 496 f. Melanchton, Loci Comm. de evangelio. -Symb. Bücher, ed. Müller S. 87. 181. 533. 633. Gerhard, Loc. XII-XIV. -Quenstedt, Theol. IV 1-72. Hollaz, Ex. 996-1043. Schmid, Dogm. d. ev. -luth. K. § 52. Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 225-262. Schneckenburger, -Vergl. Darst. I 127 f. Frank, Dogm. Studien 1892 S. 104-135. Zwingli, -in mijne Ethiek van Zwingli 47v. 76v. Calvijn, Inst. II 7-9. Zanchius, -Op. VIII 509. Junius, Theses Theol. 23. 24. Ursinus, Explic. Cat. qu. -19. 92. Synopsis pur. theol. disp. 18 en 22. Voetius, Disp. IV 17. V -283. Witsius, Oec. foed. III 1. Misc. Sacr. II 840-848. Coccejus, de -foedere IV 72. VI 179. Moor III 377 sq. Vitringa VI 252-292 enz. - - -5. Behalve over de verhouding van wet en evangelie, bestaat er in de -christelijke theologie ook nog een belangrijk verschil over de kracht, -de efficacia, van het woord Gods en dus over de verhouding van woord -en Geest. Ook hier staan als uitersten ter linker- en ter rechterzijde -het nomisme en het antinomisme. Het nomisme, dat van het judaisme door -het pelagianisme heen tot in het nieuwere rationalisme doorloopt, -heeft aan eene uitwendige roeping, aan eene verstandelijke, zedelijke -of aesthetische werking van het woord genoeg en acht eene bijzondere, -bovennatuurlijke kracht des H. Geestes daarbij overbodig, cf. deel III -434v. 451v. Ook Rome toont duidelijk aan deze richting verwant te zijn, -inzoover het de gratia praeveniens verzwakt, aan het geloof slechts de -voorbereidende beteekenis van een historische toestemming toeschrijft, -meer en meer den kant van het Molinisme en Congruisme opgaat, en -de eigenlijke, bovennatuurlijke genade en de inwoning des H. Geestes -eerst laat meedeelen door het sacrament, cf. deel III 439-444. Het -tegenovergestelde uiterste wordt ingenomen door het antinomisme, dat -eerst tegen de wet en het Oude Testament maar dan weldra tegen alle -uitwendig woord en tegen alle objectieve, historische bemiddeling des -heils zich verzet en alles verwacht van de werking des H. Geestes, -van den Christus in ons, van het inwendige woord en het inwendige -licht. In het Anabaptisme van Schwencfeld, Franck, Denck e. a. sprak -deze richting zich op dit punt het duidelijkst uit. Uit- en inwendig -woord staan tot elkaar als lichaam en ziel, dood en leven, aarde en -hemel, vleesch en geest, schaal en kern, schuim en zilver, beeld en -waarheid, scheede en zwaard, lantaarn en licht, kribbe en Christus, -natuur en God, schepsel en Schepper. Kennis van het woord geeft daarom -op zichzelve niets en laat ons koud en dood. Om het te verstaan, is -vooraf reeds het inwendig woord van noode. Gelijk woorden alleen ons -leeren kunnen, wanneer wij de zaken kennen, zoo leert de Schrift ons dan -alleen iets, als Christus reeds inwendig in ons harte woont. Het woord -is maar een teeken, een schaduw, beeld, symbool en spreekt slechts -uit, wijst slechts aan, herinnert slechts wat inwendig in ons hart is -geschreven. Het inwendig woord gaat dus vooraf aan, staat hooger dan -de Schrift, die maar een papieren woord en bovendien ook duister en vol -tegenstrijdigheden is. En dat inwendig woord is niets anders dan God -of Christus of de H. Geest zelf, die één is in alle menschen, en de -gansche volle waarheid is. Om God te vinden en de waarheid te kennen, -hebben wij dus niet buiten ons zelven te gaan, naar de Schrift of den -historischen Christus; maar indalende in ons zelven, ons terugtrekkende -van de wereld, verstand en wil doodende en lijdelijk wachtende op de -inwendige, onmiddellijke openbaring vinden wij God, leven wij in zijne -gemeenschap en zijn wij in zijne aanschouwing zalig. Cf. boven bl. 193 en -voorts nog Cloppenburg, Op. II 200. Hoornbeek, Summa Controv. lib. V. -Episcopius, Op. I 527. Quenstedt, Theol. I 169. Maronier, Het inwendig -woord, Amst. 1890. A. Hegler, Geist und Wort bei Seb. Franck, Freiburg -1892. Feitelijk was dit Anabaptisme eene herleving van de pantheistische -mystiek, die in het eindige een eeuwig wisselenden verschijningsvorm -van het oneindige ziet en daarom gemeenschap met God zoekt in de -diepte van het gevoel, waar God en mensch één zijn. Tegenover deze -beide richtingen van nomisme en antinomisme hielden de Hervormers -gemeenschappelijk staande, dat het woord alleen ongenoegzaam is om te -brengen tot geloof en bekeering, dat de H. Geest wel kan werken maar -gemeenlijk toch niet werkt zonder het woord, en dat daarom woord en -Geest in de toepassing van het heil van Christus aan den mensch met -elkander gepaard gaan. Tusschen Lutherschen en Gereformeerden was -hierover eerst geen verschil. Ook de eerstgenoemden leerden, dat de H. -Geest, schoon werkende door woord en sacramenten als zijne instrumenten, -toch alleen door eene bijzondere kracht het geloof werkt en werken kan, -en dat Hij dat doet ubi et quando visum est, Symb. B. ed. Müller S. -39. 455. 456. 471. 524. 601. 712. 720. cf. Luther bij Köstlin II 494. -Otto, Geist u. Wort nach Luther, Gött. 1898. Melanchton, Ex. ordin. -C. R. 23, 15, 18, 37. Loci, ib. 21, 761, 765, en anderen, Flacius, -Chemniz, Hunnius, Hutter, Gerhard bij J, Müller, Das Verhältniss zw. der -Wirksamkeit des H. Geistes u. d. Gnadenmittel des göttl. Wortes, Dogm. -Abh. 1870 S. 155 f. Maar toch was er van huis uit al eenig onderscheid. -Terwijl de Gereformeerden het gewoonlijk zoo voorstellen, dat de H. -Geest zich paart met het woord, cum verbo, drukken de Lutherschen zich -liefst zoo uit en leggen er steeds sterker den nadruk op, dat de H. -Geest werkt door het woord als zijn instrument, per verbum. En terwijl -de Gereformeerden altijd onderscheid maakten tusschen de gewone en -buitengewone wijze, waarop God de genade werkte in het hart, lieten de -Lutheranen, uit vrees voor de Anabaptisten, de buitengewone wijze hoe -langer hoe meer weg en zeiden, Deum nemini spiritum vel gratiam suam -largiri nisi per verbum et cum verbo externo et praecedente, Smalc. -III 8, of zooals Luther telkens zeide: Deus interna non dat nisi per -externa. En toen nu in 1621 de Danziger predikant Hermann Rathmann † -1628 een geschrift uitgaf, waarin hij leerde, dat het woord alleen geen -kracht had om den mensch te bekeeren, tenzij de H. Geest met zijne genade -erbij kwam, Herzog² 12, 506, toen verhieven zich bijna alle Luthersche -theologen tegen hem en ontwikkelden als de echte Luthersche leer, dat -het woord Gods de kracht des H. Geestes tot bekeering in zich bezit, -dat die kracht door Goddelijke beschikking erin gelegd is en er zoo -onafscheidelijk mede verbonden is, dat zij in het woord ook zelfs nog -inzit ante et extra omnem usum legitimum, evenals de hand des menschen, -ook al werkt zij niet, toch altijd de vis operandi behoudt, Quenstedt, -Theol. I 169. Hollaz, Ex. 992. Buddeus, Inst. theol. 110. Schmid, Dogm. -d. ev. luth. K. § 51. Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S. 29 f. - -Nu is inderdaad het woord, dat van Gods mond uitgaat, altijd eene -kracht, die datgene volbrengt, waartoe God het zendt. Dat is het op -natuurlijk gebied in schepping en onderhouding, dat is het ook op -zedelijk en geestelijk terrein bij het werk der herschepping. En dit geldt -zelfs niet alleen van het evangelie maar ook van de wet. Paulus zegt -wel van de Oudtest. wettische bedeeling, dat το γραμμα ἀποκτεννει, 2 -Cor. 3:6, maar daardoor drukt hij juist zoo sterk mogelijk uit, dat zij -geen doode letter is; veeleer is zij zoo machtig, dat zij zonde, toorn, -vloek en dood werkt; ὁ νομος ὀργην κατεργαζεται, Rom. 4:15, is δυναμις -της ἁμαρτιας, 1 Cor. 15:56, διακονια της κατακρισεως, του θανατου, 2 -Cor. 3:7, 9. En daartegenover staat nu het evangelie als eene δυναμις -θεο εἰς σωτηριαν, Rom. 1:16, 1 Cor. 1:18, 2:4, 5, 15:2, Ef. 1:13; -het is, wijl geen menschen- maar Gods woord, Hd. 4:29, 1 Thess. 2:13, -levend en blijvend, 1 Petr. 1:25, levend en krachtig, Hebr. 4:12, geest -en leven, Joh. 6:63, een licht, dat schijnt in een duistere plaats, -2 Petr. 1:19, een zaad, dat in de harten gestrooid wordt, Mt. 13:3, -opwast en vermenigvuldigd wordt, Hd. 12:24, van groote waarde is, ook -al zijn degenen, die het planten en natmaken, niets, 1 Cor. 3:7, een -scherp tweesnijdend zwaard, dat doordringt in ’t binnenste wezen van -den mensch en al zijne gedachten en overleggingen oordeelt, Hebr. 4:12. -En daarom is het niet ledig en ijdel, maar het werkt, ἐνεργειται, in -degenen die gelooven, 1 Thess. 2:13; en de werken, die het tot stand -brengt, zijn wedergeboorte, 1 Cor. 4:15, Joh. 1:18, 1 Petr. 1:23, -geloof, Rom. 10:17, verlichting, 2 Cor. 4:4-6, Ef. 3:9, 5:14, 1 Tim. -1:20, onderwijzing, verbetering, vertroosting enz., 1 Cor. 14:3, 2 Tim. -3:15. Zelfs in degenen, die verloren gaan, oefent het evangelie zijne -werking uit; het is hun tot een val, tot een ergernis en dwaasheid, -tot een steen, waaraan zij zich stooten, tot een reuke des doods ten -doode, Luk. 2:34, Rom. 9:32, 1 Cor. 2:23, 2 Cor. 2:16, 1 Petr. 2:8. -Tegenover het spiritualisme is deze macht van het woord Gods en -bepaaldelijk van het evangelie met de Lutherschen in hare volle, rijke -beteekenis te handhaven. De tegenstelling van het in- en uitwendige, -van het geestelijke en het stoffelijke, van eeuwigheid en tijd, van -wezen en vorm enz. is uit eene valsche philosophie afkomstig en met -de Schrift in strijd. God is de Schepper van den hemel maar ook van -de aarde, van de ziel en van het lichaam beide, van geest en stof te -zamen. En daarom is ook het woord geen ijdele klank, geen ledig teeken, -geen koud symbool; maar alle woord, ook van den mensch, is eene macht, -grooter en duurzamer dan de macht van het zwaard; er zit gedachte, -geest, ziel, leven in. Indien dit geldt van het woord in het algemeen, -hoeveel te meer van het woord, dat van Gods mond uitgaat en door Hem -gesproken wordt? Dat is een woord, dat schept en onderhoudt, oordeelt -en doodt, herschept en vernieuwt, altijd zijn werking doet en nooit ledig -wederkeert. Bij een menschenwoord maakt het een groot verschil, of het -geschreven of gedrukt is, gelezen of gehoord wordt; en bij het gesproken -woord is wederom de vorm en voordracht van de grootste beteekenis. -Ook hangt de macht van het menschelijk woord af van de mate, waarin -iemand zijn hart, zijn ziel erin neergelegd heeft, van den afstand, die -tusschen den persoon en zijn woord bestaat. Maar bij God is dat anders. -Het is altijd zijn woord; Hij is er altijd bij tegenwoordig; Hij draagt het -steeds door zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht; Hij is het -altijd zelf, die in wat vorm en door wat middelen dan ook, het tot de -menschen brengt en er hen door roept. Daarom, al is het woord Gods, dat -vrij door de dienaren verkondigd of ook in vermaning, toespraak, boek of -geschrift tot de menschen gebracht wordt, wel uit de H. Schrift genomen -maar niet met die Schrift identisch, toch is het een woord Gods, dat -van Gods wege tot den mensch komt, door den H. Geest gesproken wordt -en daarom ook altijd zijne werking doet. Het woord Gods is nooit los -van God, van Christus, van den H. Geest; het heeft geen bestand in -zichzelf; het is niet deistisch van zijn schepper en auteur te scheiden. -Gelijk de Schrift niet eenmaal door den H. Geest geinspireerd is maar -voortdurend door dien Geest gedragen, bewaard, krachtig gemaakt wordt, -zoo is het ook met het woord Gods, dat, uit de Schrift genomen, op -eene of andere wijze aan menschen gepredikt wordt. Jezus sprak door den -Geest, Joh. 6:63; de apostelen, die dien Geest ontvingen, Mt. 10:20, -Luk. 12:12, 21:15, Joh. 14:26, 15:26, verkondigden het evangelie niet -alleen in woorden maar ook in kracht en in den H. Geest, 1 Thess. 1:5, -6, in betooning van Geest en kracht, 1 Cor. 2:4, en hanteerden het als -het zwaard des Geestes, Ef. 6:17. In zooverre hebben de Lutherschen ook -volkomen gelijk; het woord Gods is altijd en overal eene kracht Gods, -een zwaard des Geestes; semper huic verbo adest praesens Spiritus -Sanctus. Maar desniettemin leeren Schrift en ervaring, dat dat woord -Gods niet altijd dezelfde werking doet; efficax is het in zekeren zin -altijd, het is nooit krachteloos; indien het niet opheft, slaat het -neer; indien het niet tot een opstanding is, dan tot een val; indien -niet tot eene reuke des levens, dan tot eene reuke des doods. De -vraag rijst dus, wanneer het woord Gods in dien zin efficax is, dat -het tot geloof en bekeering leidt. De Lutherschen sluiten nu, om den -mensch onontschuldigbaar te stellen, deze Goddelijke, bovennatuurlijke -efficacia op in het woord, maar vorderen daarmede niets en moeten, om -de verschillende uitkomst van het woord bij den mensch te verklaren, tot -den vrijen wil de toevlucht nemen. Maar de Gereformeerden rekenden met -het feit van die dubbele uitkomst, beschouwden de efficacia niet als -eene onpersoonlijke, magische kracht, die in het woord was gelegd, maar -dachten dat woord altijd in verband met zijn auteur, met den Christus, -die het bedient door den H. Geest. En die H. Geest is geen onbewuste -kracht maar een persoon, die altijd bij het woord is, het altijd draagt en -werkzaam doet zijn maar niet altijd werkzaam doet zijn op dezelfde wijze. -Hij bezigt naar het onnaspeurlijk welbehagen Gods dat woord tot bekeering -maar ook tot verharding, tot een opstanding maar ook tot een val. Hij -werkt altijd door het woord, maar niet altijd op dezelfde wijze. En als -Hij er zoo door werken wil, dat het tot geloof en bekeering leidt, dan -behoeft Hij objectief aan het woord niets toe te voegen. Dat woord is -goed en wijs en heilig, een woord Gods, een woord van Christus, en de H. -Geest neemt alles uit Christus. Maar opdat het zaad des woords goede -vruchten drage, moet het in een weltoebereide aarde vallen. Ook de -akker moet voor de ontvangst van het zaad worden gereed gemaakt. Deze -subjectieve werkzaamheid des H. Geestes moet dus bij het objectieve -woord bij komen. Zij kan uit den aard der zaak niet in het woord -opgesloten en besloten zijn, zij is eene andere, eene bijkomende, eene -subjectieve werkzaamheid, niet eene werkzaamheid per verbum maar cum -verbo, een openen van het hart, Hd. 16:14, een inwendige openbaring, -Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16, een trekken tot Christus, Joh. 6:44, een -verlichting des verstands, Ef. 1:18, Col. 1:9-11, een werken van het -willen en het werken, Phil. 2:13 enz., cf. deel III 498. Daarmede wordt -de Geest niet van het woord losgemaakt of gescheiden, ook zelfs dan -niet, wanneer Hij, gelijk bij kinderkens, de wedergeboorte werkt zonder -eenig middel der genade. Want de Geest, die wederbaart, is niet de -Geest van God in het algemeen, maar de Geest van Christus, de Heilige -Geest, de Geest, dien Christus verworven heeft, door wien Christus -regeert, die alles alleen uit Christus neemt en die door Christus in -de gemeente uitgestort is en dus de Geest der gemeente is. Daargelaten -of de H. Geest, soms ook in Heidenen werkt en werken kan, wat in elk -geval exceptioneel is, in den regel werkt Hij de wedergeboorte alleen -in zulken, die leven onder de bediening des verbonds. Ook kinderkens, -die door Hem worden wedergeboren, zijn kinderen des verbonds, van dat -verbond, hetwelk het woord Gods tot inhoud heeft en het sacrament -tot teeken en zegel ontving. De H. Geest volgt Christus dus in zijnen -gang door de historie; Hij bindt zich aan het woord van Christus en -werkt alleen in den naam en naar het bevel van Christus. Individueel -en subjectief, wanneer bijv. een kind losgedacht wordt van heel zijne -omgeving, van de kerk, waarin het geboren wordt, moge het den schijn -hebben, alsof de Geest werkte zonder het woord; objectief en zakelijk -werkt de H. Geest slechts daar, waar het verbond der genade met de -bediening van woord en sacrament zich uitgebreid heeft. En daarom -wordt de wedergeboorte bij kinderkens, wanneer zij opwassen, altijd -daaraan gekend en in hare echtheid bewezen, dat zij in de daden van -geloof en bekeering overgaat en dan zich aansluit bij het woord Gods, -dat objectief in de H. Schrift voor ons ligt. De H. Geest, die in -de wedergeboorte niets anders toepast dan het woord, de kracht, de -verdienste van Christus, leidt vanzelf ook het bewuste leven naar dat -woord heen, dat Hij uit Christus nam en door profeten en apostelen -beschrijven deed, cf. deel III 484. 504. 525 en voorts Conf. Belg. 24. -Heid. Cat. qu. 65. 67. Helv. II 18. Can. Dordr. III 6. V 7. 14. Calvijn, -passim, bv. Inst. III 2, 33. IV 14, 11. adv. Libert. c. 9. Turretinus, -Theol. El. XV, 4, 23 sq. Hodge, Syst. Theol. III 466-485. Bartlett, -The letter and the spirit, Bampton Lectures 1888. Müller, Dogm. -Abhandl. 127-277. Dorner, Chr. Gl. II 799. Frank, Chr. Wahrheit II 243. - - -§ 51. DE SACRAMENTEN. - -1. Bij het woord komt als tweede genademiddel het sacrament. De H. -Schrift kent dezen naam niet en heeft ook geen leer over de sacramenten -in het algemeen. Zij spreekt wel van besnijdenis en pascha, van doop en -avondmaal, maar vat deze instellingen niet onder één begrip saam. Zoo -geschiedde ook nog niet in de eerste christelijke gemeenten. Ofschoon -wij Hd. 2:42 lezen, dat de gemeente te Jeruzalem volhardde in de leer -der apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods en in de -gebeden, en uit Hd. 6:4 kunnen opmaken, dat er eene bediening des -woords was, weten wij toch van de inrichting der gemeentevergadering -te Jeruzalem weinig af. Iets meer is uit 1 Cor. 11:1-14:40 ons bekend -van de godsdienstoefeningen der geloovigen uit de Heidenen. Nadat de -geloovigen op grond van persoonlijke belijdenis door den doop op den -naam van Christus in de gemeente, εἰς ἑν σωμα, opgenomen waren, Rom. -6:3-5, 1 Cor. 12:13, Gal. 3:27, kwamen zij geregeld op den dag des -Heeren saam, Hd. 20:7, 1 Cor. 16:2, Op. 1:10. Waarschijnlijk hielden zij -op dien dag twee vergaderingen, eene tot den dienst des woords, waarbij -de toegang ook voor niet-leden vrijstond, 1 Cor. 14:23, een gedeelte -uit de O. T. Schrift en later ook uit de apostolische geschriften -werd voorgelezen, ieder lid der gemeente vrij het woord kon nemen, -1 Cor. 14:26, en gebeden en gezongen werd, Hd. 2:42, Rom. 12:12, 1 -Cor. 14:14, 15, 26; en eene andere tot viering van het avondmaal, -εἰς το φαγειν, 1 Cor. 11:33, waaraan alleen de geloovigen mochten -deelnemen, 10:16v., 11:20v., waarin eerst gebeden en gedankt werd, -dan een gemeenschappelijke maaltijd (ἀγαπη) Jud. 12, 2 Petr. 2:13 -gehouden werd van de door de geloovigen saamgebrachte gaven, daarna -wederom gebeden en gedankt (εὐχαριστια) en het avondmaal gevierd -werd. Wel meenen Jülicher, Spitta, Haupt, Hoffmann, Drews e. a., dat -in den apostolischen tijd het avondmaal niet van den gewonen maaltijd -onderscheiden was, maar dat heel de ἀγαπη een εὐχαριστια, een δειπνον -κυριακον was, maar dit gevoelen wordt door Harnack, Zahn, Grafe e. a. -terecht verworpen; Jezus stelde het avondmaal na den gewonen maaltijd -in, Mt. 26:26, 1 Cor. 11:25, en Paulus onderscheidt beide in 1 Cor. -11:20, 21 en stelt voor, om ze geheel te scheiden, doordat de gewone -maaltijd te voren in huis gehouden worde, 1 Cor. 11:22, Weiszäcker, Das -apost. Zeitalter² S. 566 f. Moeller-von Schubert, Kirchengesch. I 96 -f. 130 f. Zahn art. Agapen en Drews art. Eucharistie in Herzog³. W. -Schmidt, Dogm. II 466. Maar in de tweede eeuw kwam hier allengs groote -verandering in. De viering van het avondmaal werd, om welke redenen -dan ook, cf. Drews in Herzog³ 5, 562, van de agapae losgemaakt, en -de beide vergaderingen, die tot den dienst des woords en die tot het -avondmaal, werden vereenigd. Voortaan had de viering van het avondmaal -in de gewone godsdienstoefening na de bediening des woords plaats; de -godsdienstoefening werd in twee gedeelten onderscheiden, bij het eerste, -de bediening des woords, mochten ook Heidenen of althans catechumenen -en poenitenten tegenwoordig zijn, maar het tweede, de viering van -het avondmaal, stond alleen voor de gedoopten open, en kreeg door -de bijvoeging van doopsbelijdenis, doopsbediening, oratio dominica en -allerlei ritueele en symbolische handelingen hoe langer hoe meer een -mysterieus karakter. Het wijd verbreide grieksche mysteriewezen kreeg -invloed op den christelijken godsdienst. In het N. T. is μυστηριον de -naam voor woorden en daden Gods, die vroeger verborgen waren maar -die nu openbaar zijn geworden, deel I § 30. Maar dit woord kreeg in -de christelijke kerk spoedig eene gansch andere beteekenis en werd de -aanduiding van al wat in den christelijken godsdienst geheimzinnig -en onbegrijpelijk was. In het latijn werd dit woord door sacramenten -overgezet, dat de beteekenis had van eed, vooral door den soldaat aan -het vaandel af te leggen, of van eene geldsom, die bij een proces in -een locus sacer moest neergelegd worden en bij verlies van het proces -aan de goden verviel, maar dat nu de gedachte van eene geheimzinnige, -heilige handeling of zaak in zich opnam. In dezen zin kon al wat met -God en zijne openbaring in eenig verband stond, een sacrament worden -genoemd, de openbaring zelve en haar inhoud, de leer, de triniteit, -de vleeschwording enz., voorts allerlei teekenen, zooals het teeken -van het kruis, het zout, dat aan de catechumenen gegeven werd, -eindelijk alle heilige handelingen, priesterwijding, huwelijk, exorcisme, -sabbatsviering, besnijdenis en alle ceremoniën; cf. behalve de werken, -deel I 530v. genoemd, Moeller-v. Schubert I 332 f. en daar aangehaalde -litteratuur. Herzog² art. Sakrament. Ziegert, Ueber die Ansätze zu -einer Mysterienlehre, Stud. u. Kr. 1894. Al treden nu onder deze met -den naam van sacrament aangeduide heilige handelingen doop en avondmaal -nog altijd duidelijk op den voorgrond, toch was de vaagheid van den -naam oorzaak, dat het getal der sacramenten langen tijd onbepaald -bleef. Ook Augustinus bezigt het begrip nog in ruimeren zin en gaat -bij zijne definitie van die beteekenis uit. Eerst Pseudodionysius in -de 6e eeuw telde in zijne eccl. hier. IV 2 sq. zes sacramenten: doop, -confirmatie, eucharistie, priesterwijding, monnikwijding en gebruiken bij -de begrafenis. Maar de scholastiek sloot zich in de bepaling van het -begrip sacrament bij Augustinus aan en rekende er verschillende heilige -zaken en handelingen onder. Hugo van St. Victor, de Sacr. I 9, 7 noemt -niet minder dan 30 sacramenten en verdeelt ze in drie klassen: zulke, -die tot de zaligheid noodig zijn (doop, confirmatie, eucharistie enz.), -zulke, die eene hoogere genade mededeelen (gebruik van wijwater enz.) -en zulke, die dienen tot voorbereiding voor de overige sacramenten -(wijding van heilige gereedschappen enz.). Abaelard telt er vijf: -doop, confirmatie, eucharistie, laatste oliesel en huwelijk, terwijl -Robert Pullus er ook vijf noemt, maar de beide laatste door biecht en -priesterwijding vervangt. Bernard geeft geen getal op maar noemt op -verschillende plaatsen doop, voetwassching, confirmatie, eucharistie, -biecht, laatste oliesel, priesterwijding, investituur, huwelijk met den -naam van sacramenten. Eerst Lombardus, Sent. IV dist. 2 heeft het -bekende zevental, maar ook na hem spreken theologen en synoden (bijv. -het lateraanconcilie van 1179) nog van sacramenten in ruimen zin. En -dit duurt, totdat de sententiae van Lombardus algemeen handboek voor -de studie der theologie werden en het concilie te Florence 1439 het -zevental vaststelde, cf. Schwane, D. G. III 584 f. Harnack, D. G. III -463. Met deze beperking van het getal ging de bepaling van het begrip -hand aan hand. Bij de kerkvaders werden vele heilige handelingen, vooral -doop en avondmaal, wel hoog verheven, en van eene bovennatuurlijke -kracht en genade voorzien gedacht. Maar eene leer der sacramenten -ontbreekt; de verhouding van het zinnelijk en geestelijk element wordt -niet duidelijk bepaald, en de wijze van werking niet helder omschreven. -Augustinus onderscheidt in de sacramenten twee bestanddeelen: dicuntur -sacramenta, quia in eis aliud videtur, aliud intellegitur. Quod -videtur, speciem habet spiritalem, Serm. 272. detrahe verbum et quid -est aqua nisi aqua? accedit verbum ad elementum et fit sacramentum, in -Ev. Joh. 80, 3. Soms legt hij zoozeer den nadruk op het woord en voor -de werking van het sacrament op het geloof van den ontvanger, dat het -teeken slechts een beeld wordt van de beteekende zaak. Maar aan de -andere zijde gaf hij zulk een ruime definitie van het begrip sacrament, -dat er allerlei kerkelijke handelingen onder vallen konden, en bond hij -tegen de Donatisten de sacramenten zoo aan de kerk, dat zij door de -ketters wel konden meegenomen worden maar toch alleen binnen de kerk de -genade konden meedeelen, Hahn, Die Lehre v. d. Sakr. Breslau 1864 S. 11 -f. Harnack, D. G. III 141. - -De eigenlijke leer der sacramenten is een product der middeleeuwsche -scholastiek; zij eerst stelde een nauwkeurig en dikwerf splinterig -onderzoek in omtrent het begrip, de instelling, den bedienaar, de -noodzakelijkheid, de doelmatigheid, het getal, de bestanddeelen, de -verhouding van het sacramentum en de res sacramenti, het onderscheid -tusschen de sacramenten in het paradijs, het oude en het nieuwe -testament, het onderling verschil der zeven sacramenten, de physische -of moreele werking, de onderscheidene genade, die zij mededeelen, -de vereischten voor de uitdeeling en de ontvangst der sacramenten, -Hugo Vict., de sacramentis. Lombardus, Sent. IV 1. 2. en comm. van -Thomas, Bonaventura, Duns Scotus. Thomas, S. Theol. III qu. 60-65. -Bonaventura, Brevil. VI 1-5. Schwane, D. G. III 579-605. Harnack, D. -G. III 466 f. Resultaat van deze scholastieke ontwikkeling was, dat -ten deele reeds op vroegere conciliën maar vooral te Trente over de -leer der sacramenten in het algemeen het volgende vastgesteld werd: -1º alle sacramenten des N. Verbonds zijn door Christus ingesteld en -zijn zeven in getal: doop, confirmatie, eucharistie, boete, laatste -oliesel, priesterwijding en huwelijk. 2º Deze zijn alle ware en eigenlijke -sacramenten, van die des O. Verbonds wezenlijk onderscheiden, maar -toch onderling in waarde verschillend. 3º Zij zijn, ofschoon niet alle -voor ieder mensch, tot zaligheid noodzakelijk, zoodat zonder hen of -althans zonder verlangen ernaar, door ’t geloof alleen, de genade der -rechtvaardigmaking niet te verkrijgen is. 4º Zij beteekenen niet alleen -de genade, maar bevatten haar ook en deelen haar ex opere operato mede. -5º Van de zijde des bedienaars wordt voor de waarachtigheid van het -sacrament minstens vereischt, dat hij de intentie hebbe om te doen, wat -de kerk doet, maar is het overigens onverschillig, of hij in doodzonde -verkeert. 6º Wettige uitdeelers der sacramenten zijn alleen de geordende -priesters, maar confirmatie en priesterwijding geschieden alleen door -den bisschop, en de doop mag in geval van nood ook door leeken bediend. -7º Van de zijde des ontvangers is alleen noodig, dat hij de intentie -hebbe om te ontvangen wat de kerk geeft en aan de genade geen hindernis -in den weg legge. 8º Ieder sacrament verleent eene bijzondere genade, -en doop, confirmatie en ordening verleenen een character indelebilis. -Cf. Conc. Trid. VII de sacr. Cat. Rom. II cap. 1. Bellarminus, -Controv. III de sacramentis in genere in 2 boeken. Theol. Wirceb. ed. -3 IX 1-151. Perrone, Prael. theol. ed. Lov. V 301-391. Simar, Dogm.³ -659-693. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der Kath. Kirche² I -20-132. Möhler, Symbolik § 28. Jansen, Prael. III 281-367 enz. Over -de sacramentsleer in de Grieksche kerk verg. Kattenbusch, Vergl. -Confessionskunde I 393 f. - - -2. De ontwikkeling dezer sacramentsleer toont, dat zij zich hoe langer -hoe verder van de Schrift had verwijderd. Vooral in drieërlei opzicht -is dit het geval. Ten eerste wordt de genade, welke het sacrament -mededeelt, door Rome alleen opgevat als eene gratia sanctificans, -d. i. als eene kracht, die in den mensch wordt ingestort, hem tot -de bovennatuurlijke orde verheft en der Goddelijke natuur deelachtig -maakt. De genade is van de schuld en vergeving der zonden schier -geheel losgemaakt en in eene aan den mensch van buitenaf toekomende, -bovennatuurlijke gave veranderd. Ten tweede is de band van het -sacrament aan het woord door Rome zoo goed als geheel verbroken; het -woord heeft wel eenige beteekenis, maar slechts eene voorloopige en -praeparatoire; het geloof, dat door het woord gewerkt wordt, is niets -dan een historisch geloof, dat ter zaligheid onvoldoende is en door -de liefde, d. i. door de gratia infusa moet aangevuld worden. En deze -gratia wordt alleen meegedeeld door het sacrament, dat daarom eene -eigene, zelfstandige plaats inneemt naast het woord en het in waarde -verre overtreft. Ten derde is het geloof volstrekt geen vereischte -meer in den ontvanger van het sacrament; de genade ligt als gratia -sanctificans, als iets materieels, in het sacrament besloten, wordt -erdoor medegedeeld ex opere operato, en onderstelt dus hoogstens, -dat de ontvanger geen onoverkomelijke hindernis in den weg legge. Het -sacrament werkt dus physisch en magisch, krachtens eene macht, door -God aan den priester geschonken, als een instrument in zijne hand. Op -alle drie punten heeft de Hervorming de Roomsche sacramentsleer naar de -Schrift herzien en gewijzigd; Zwingli, Luther, Calvijn waren hierbij met -elkander eenstemmig en spraken het gemeenschappelijk uit, dat de genade, -die in het sacrament werd meegedeeld, in de eerste plaats de vergevende -genade was en niet op de lagere, van het donum superadditum verstoken -natuur maar op de zonde betrekking had; dat het sacrament een teeken -en zegel was, aan het woord gehecht, geen enkele genade meedeelde, die -niet door het woord geschonken werd en dus zonder het woord hoegenaamd -geen waarde had; en dat niet het sacrament zelf maar toch wel zijne -werking en vrucht afhing van het geloof en in den ontvanger dus altijd -het zaligmakend geloof onderstelde. Maar overigens openbaarde zich -in de sacramentsleer tusschen de Hervormers al spoedig belangrijk -verschil. De sacramenten werden tusschen Roomschen, Lutheranen, -Zwinglianen, Gereformeerden, Anabaptisten enz. het middelpunt van den -strijd. Zij werden het schibboleth van elk dogmatisch systeem; daarin -belichaamden zich practisch en concreet de beginselen, van welke men -in kerk en theologie, in leer en leven uitging; de verhouding van God -en wereld, schepping en herschepping, Goddelijke en menschelijke natuur -van Christus, zonde en genade, geest en stof kwam in het sacrament -tot hare practische toepassing; alle strijd bewoog zich om de unio -sacramentalis, de vereeniging van teeken en beteekende zaak, het -verband van sacramentum en res sacramenti. Luther legde eerst, in 1518 -en 1519, al den nadruk op het geloof, dat alleen het sacrament werken -doet en zoo de gemeenschap aan Christus en zijne weldaden ons deelachtig -maakt; dan, van 1520 tot 1524, brengt hij het sacrament vooral in -verband met het woord, waarvan het een teeken en zegel is; en eindelijk, -na 1524, kwam hij er, uit vrees voor de Wederdoopers, meer en meer -toe, om de sacramenten onontbeerlijk te achten, hun objectief karakter -op grond van de instelling van Christus te handhaven, en het verband -tusschen teeken en beteekende zaak temporeel, corporeel en locaal op te -vatten, zoodat naar de latere Luthersche voorstelling de res coelestis -_in_, _met_ en _onder_ het element verborgen is, gelijk de kracht des -H. Geestes ingegaan is in het woord, en de genade door de sacramenten -werkt als door hare instrumenta, media, adminicula, vehicula, organa, -Luther bij Köstlin II 503 f. Heppe, Dogm. d. d. Prot. III 39 f. Symb. -Bücher ed. Müller S. 39. 41. 202. 264. 321 enz. Gerhard, Loc. XVIII. -Quenstedt, IV 73-88. Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § 53. Daartegenover -leerde Zwingli, dat de sacramenten, wijl zij alleen bediend worden -aan zulken, die het geloof en door dat geloof Christus en al zijne -weldaden deelachtig zijn, in de eerste plaats teekenen en bewijzen des -geloofs, belijdenisacten zijn, en dan in de tweede plaats ook middelen -tot versterking des geloofs, wijl zij ons herinneren de weldaden, waarop -ons geloof betrekking heeft, ons geloof steeds meer van onszelven af -op Gods genade in Christus richten en daardoor dat geloof oefenen en -sterken, Zwingli, Fidei ratio bij Niemeyer, Conf. Ref. 24-26. Expos. -chr. fidei, ib. 50-53, en voorts Zeller, Das theol. System Zw. 111 f. -Nu vat ook Calvijn de sacramenten wel op als belijdenisacten, als mutua -nostra erga Deum pietatis testificatio. Maar dat zijn zij bij hem toch -eerst in de tweede plaats; allereerst zijn de sacramenten divinae in -nos gratiae testimonia externo signo confirmata, teekenen en zegelen -van de beloften Gods in zijn woord, spiegels, waarin wij den rijkdom -zijner genade aanschouwen. Het onzichtbaar element, de materia en -substantia van het sacrament, is dus het woord, de belofte, het verbond -der genade, de persoon van Christus met al zijne weldaden. Maar het -zichtbaar element houdt deze geestelijke goederen niet in zich besloten, -het schenkt ze ons niet propria, intrinseca virtute, God staat zijn -werk niet aan de teekenen in het sacrament af, Hij en Hij alleen is de -bezitter en blijft ook de eenige uitdeeler van genade. De teekenen -doen alleen instrumenteelen, ministerieelen dienst; God bedient er -zich van, om zijne genade mee te deelen. Maar Hij deelt deze genade -alleen mede aan wie gelooven en versterkt en voedt dan hun geloof; -ongeloovigen ontvangen alleen het teeken zonder de beteekende zaak. Hoe -nu God van de sacramenten zich bedient ter uitdeeling zijner genade, -wordt bij Calvijn en ook bij de latere Gereformeerden niet duidelijk. Er -blijft daarom voor allerlei vragen plaats; is de genade altijd met het -teeken verbonden, zoodat het sacrament objectief steeds hetzelfde -blijft? of verbindt God de genade met het teeken alleen, wanneer het -sacrament door geloovigen ontvangen wordt? of biedt God de genade -met het teeken ook aan de ongeloovige gebruikers aan, zoodat het hun -schuld is, als zij alleen het teeken aannemen en ontvangen? waarin is de -sacramenteele genade onderscheiden van die, welke de geloovigen reeds -vroeger ontvingen, en waarin verschilt zij van de subjectieve werking -des H. Geestes, die het oog der geloovigen voor het sacrament opent -en hun hart ervoor ontsluit? gaat de uitdeeling der genade gepaard -met de bediening of de ontvangst van het teeken? heeft zij daarmede -tegelijkertijd plaats of kan zij ook vroeger of later geschieden en de -vrucht van het sacrament dus vóór en onder en na de ontvangst worden -genoten? cf. Calvijn, Inst. IV 14. Catech. Genev. 5. Cons. Tigur. -Usteri, Stud. u. Krit. 1884 S. 417-455. Conf. Gall. 34. 37. Belg. 33. -Cat. Heid. qu. 66. 67 enz. a Lasco, Op. ed. Kuyper I 115-232. 511-514. -Bullinger, Huysboek V 6. Sohnius, Op. I 55. Beza, Tract. Theol. I 206. -Junius, Theses Theol. 49. 50. Zanchius, Op. VIII 511. Polanus, Synt. -Theol. VI 49-51. Synopsis pur. theol. 43. Turretinus, Theol. El. XIX -qu. 1-10. Moor V 218-267. Vitringa VI 308 enz. - -Buiten de Luthersche en de Gereformeerde kerken, die in navolging van -Luther en Calvijn het objectief karakter der sacramenten handhaafden, -vond de leer van Zwingli hoe langer hoe meer ingang. De Wederdoopers -namen voetwassching, doop en avondmaal nog wel als sacramenten aan, -maar zagen er toch alleen teekenen en symbolen, geen zegelen in; de -sacramenten stellen wel zichtbaar de weldaden voor oogen, die de -geloovigen van God hebben ontvangen, maar zij doen dat als belijdenissen -van ons geloof en deelen geen genade mede, Cloppenburg, Op. II 238. De -Socinianen keurden evenals Zwingli den naam sacrament af, beschouwden -het avondmaal als een gedachtenismaaltijd en een verklaring van wat -wij in Christus hebben, en ontkenden, dat de doop op een bevel van -Christus berustte en eene blijvende instelling was, Fock, Der Socin. -559 f. De Remonstranten beleden in hunne confessie c. 23 nog wel, dat -God in de sacramenten zijne weldaden vertoont en certo modo exhibet -atque obsignat, maar hunne Apologie deed zien, dat zij daaronder geen -bezegeling van Gods belofte en geen meedeeling zijner genade verstonden; -de sacramenten zijn teekenen van het verbond tusschen God en menschen, -waarbij dezen zich verplichten tot een heilig leven en God zijne -genade hun zichtbaar voor oogen stelt, cf. Limborch, Theol. Christ. -V 66. Bij de Rationalisten werden de sacramenten tot herinnerings- -en belijdenisteekenen, wier doel was bevordering der deugd, en die -daarom licht met andere plechtige ceremoniën konden vermeerderd -worden, Wegscheider § 165. De Kwakers verwierpen de sacramenten als -joodsch ceremonieel, vatten den doop als Geestesdoop ons, die ons van -onze zonden reinigt, en het avondmaal als afbeelding van de voeding -onzer ziel door Christus, Barclay, Verantwoording 1757 bl. 325. Dit -ontbindend proces werd inzoover door Schleiermacher gestuit, als hij -eene poging waagde, om het objectief karakter der sacramenten te -handhaven en al de verschillende opvattingen in eene hoogere eenheid te -verbinden. Hij omschreef ze daartoe als fortgesetzte Wirkungen Christi, -in Handlungen der Kirche eingehüllt und mit ihnen auf das Innigste -verbunden, durch welche er seine hohepriesterliche Tätigkeit auf die -Einzelnen ausübt und die Lebensgemeinschaft zwischen ihm und uns, um -derentwillen Gott allein die Einzelnen in Christo sieht, erhält und -fortpflanzt, Chr. Gl. § 143. Maar deze poging tot verzoening slaagde -niet. De Wirkungen Christi, in Handlungen der Kirche eingehüllt, -lieten onbeslist, wat in de sacramenten het eerste en voornaamste -was. Zoo ging de theologie weldra weer in verschillende richtingen -uiteen. Sommigen bleven het bemiddelend standpunt innemen, Nitzsch, -Chr. Lehre § 191. Kaftan, Dogm. 595. Oosterzee, Dogm. II 815; anderen -reproduceerden het gevoelen van Zwingli, Lipsius, Dogm. § 807 f. -840 f. Schweizer, Chr. Gl. II 400 f. Biedermann, Chr. Dogm. II 632. -Ritschl, Unterricht in der christl. Rel. § 83. Scholten, L. H. K. -II 310, of keerden tot het confessioneele standpunt van de Luth. of -Geref. kerken terug, Philippi, Kirchl. Gl. V 2. Hodge, Syst. Theol. -III 485. En eindelijk werd door de Neolutheranen in Duitschland en door -de Zwinglianen en de Puseyisten in Engeland eene leer der sacramenten -voorgedragen, die veelzins aan Rome herinnerde, de genade door het -sacrament heen liet inwerken niet alleen op de ziel, maar ook op de -geistleibliche natuur en op het lichaam van den mensch, en het getal -der sacramenten dikwerf uitbreidde, Höfling, Das Sakr. der Taufe, Erl. -1859 I 18-20. Hofmann, Schriftbeweis II 2 S. 167 f. Thomasius, Christi -Person u. Werk II³ 355 f. Delitzsch, Bibl. Psych.² 340. 350. 354. -Martensen, Dogm. § 247-258. Vilmar, Dogm. II 226 f. Paget, Sacraments -in Gore’s Lux mundi 1892 p. 296-317. - - -3. De Schrift kent het woord sacrament niet en bevat ook in het -afgetrokkene geen leer over de sacramenten. Wel spreekt zij van -verschillende kerkelijke handelingen in O. en N. Test. maar zij vat die -niet onder een gemeenschappelijk begrip samen. En ook in de christelijke -kerk is niet het begrip maar de zaak het eerste; onderscheidene -leerstellingen en gebruiken der kerk werden allengs met den naam -van sacrament aangeduid. Daarom is het te begrijpen, dat zeer velen -tegen dezen naam bezwaar hadden en hem liefst door dien van teekenen, -zegelen, geheimteekens, mysteriën, Geheimnisse wilden vervangen. Niet -alleen Carlstadt, Zwingli, Socinus, Schleiermacher, Doedes enz. keurden -het woord af; maar ook Luther zeide in zijn praeludium de captivitate -Babylonica, dat de Schrift het woord niet kende in die beteekenis, -welke het had in de theologie; Calvijn, Inst. IV 14, 13 merkte op, -dat de kerkvaders in het latijnsche woord een nieuwen zin hadden -gelegd; Melanchton verving in de eerste uitgave zijner Loci het woord -sacramenta door signa, en ook Musculus, Hottinger, Burman, Coccejus -e. a. gaven aan de Schriftuurlijke namen van teekenen en zegelen de -voorkeur. Dit bezwaar tegen den naam wordt nog daardoor versterkt, dat -de grieksche beteekenis van het woord μυστηριον, in het latijn door -sacramentum vertaald, op de opvatting van de met dien naam aangeduide -kerkelijke plechtigheid invloed heeft geoefend. Toch is om dit alles -het woord niet verwerpelijk. Want de theologie bedient zich van vele -woorden, welke in de Schrift niet voorkomen en welke binnen haar kring -eene technische beteekenis hebben verkregen. Indien zij zich daarvan -onthouden moest, zou zij allen wetenschappelijken arbeid moeten staken -en zou alle prediking en uitlegging van Gods woord, ja zelfs alle -vertaling der H. Schrift ongeoorloofd zijn. Om die reden is het ook -niet af te keuren, om de behandeling van de leer der sacramenten aan -die van doop en avondmaal te laten voorafgaan. Want wel is er in de -Schrift geen afzonderlijke leer over de sacramenten te vinden en moet -deze veeleer opgebouwd worden uit hetgeen de Schrift over de bijzondere -instellingen van besnijdenis, pascha, doop en avondmaal leert; maar een -voorafgaand hoofdstuk over de sacramenten in het algemeen stelt ons -juist in staat, om hetgeen die bijzondere instellingen in de Schrift -gemeen hebben saam te vatten en deze juiste, Schriftuurlijke opvatting -te stellen tegenover de onzuivere leer, die over de sacramenten -allengs in de christelijke kerk is binnengedrongen. In de definitie -der sacramenten sloten daarom de Gereformeerden zich zoo nauw mogelijk -bij de Schrift aan. De scholastiek disputeerde erover, of er van de -sacramenten wel eene definitie te geven was, wijl zij, als saamgesteld -uit res en verba, geen ens reale, geen unum per se waren, cf. -Bellarminus, de sacr. in genere I 10. Toch leidde men uit Augustinus, -die meermalen in de sacramenten een zichtbaar en een onzichtbaar -bestanddeel onderscheidde, de definitie af, dat zij waren sacrum signum -of signum rei sacrae, Thomas, S. Theol. III qu. 60 art. 1. 2. Hugo -Vict. de sacr. I 9, of ook invisibilis gratiae visibilis forma, -Lombardus, Sent. IV 1. Hoewel niet onjuist, is deze bepaling toch te -ruim. Latere Roomsche theologen namen daarom gewoonlijk de bepaling van -den Catech. Rom. II 1, 6, 2, over en omschreven de sacramenten als -signa quaedam sensibus subjecta, quae ex Dei institutione sanctitatis -et justitiae tum significandae tum efficiendae vim habent. Hoewel -deze definitie goed kan verstaan worden, heeft zij toch in de Roomsche -theologie een zin verkregen, die met de H. Schrift in strijd is en haar -daarom voor de Reformatie onbruikbaar maakt. Immers vat de Roomsche -theologie het sacrament op als een res sacra, abdita atque occulta en -legt daarin den zin, niet van het Bijbelsch, maar van het grieksche -μυστηριον. En voorts legt zij er al den nadruk op, dat de sacramenten -de genade in zich bevatten, dat zij deze ex opere operato meedeelen, en -dat deze genade vooral bestaat in de gratia sanctificans. De Schrift -spreekt echter van den regenboog en de besnijdenis als אוֹת הַבְּרִית, -Gen. 9:12, 13, 17, 17:11, cf. Ex. 12:13, Hd. 7:8 en noemt de laatste -een σημειον περιτομης, een σφραγις της δικαιοσυνης της πιστεως, Rom. -4:11; en zij brengt evenzoo doop en avondmaal ten nauwste met het -verbond der genade, met den middelaar en de weldaden van dat verbond en -bepaaldelijk met de vergeving der zonden in verband, Mk. 1:4, 14:22-24 -enz. Dienovereenkomstig omschreef de Geref. theologie de sacramenten -als heilige zichtbare teekenen en zegelen, van God ingesteld, waardoor -Hij de beloften en weldaden van het genadeverbond aan de geloovigen -te beter te verstaan geeft en verzekert, en dezen hunnerzijds voor -God, engelen en menschen hun geloof en liefde belijden en bevestigen. -Hierbij verdient het de aandacht, ten eerste, dat God als de insteller -van de sacramenten wordt genoemd. In het algemeen is er hierover in -de christelijke kerken geen verschil. Alle belijden, dat God alleen de -auteur, de insteller, de causa efficiens van de sacramenten kan zijn. -Hij toch alleen is de bezitter en uitdeeler van alle genade; Hij alleen -kan bepalen, aan welke middelen Hij zich bij de uitdeeling zijner genade -binden wil. Voorts heeft ook Christus als middelaar het recht, om -sacramenten in te stellen, want Hij is als middelaar de verwerver van -alle genade Gods. Hominum non est instituere et formare Dei cultum, sed -traditum a Deo recipere et custodire, Helv. II 19. Maar Rome verkeert -hierbij in eene eigenaardige moeilijkheid. Wijl door Christus geen andere -sacramenten waren ingesteld dan die van doop en avondmaal, moest van de -andere sacramenten worden beweerd, dat zij òf geen sacramenten waren òf -dat ook de apostelen het recht hadden, tot instelling van sacramenten. -Vóór het concilie van Trente beweerden velen, Lombardus, Sent. IV dist. -3, Hugo Vict., de sacr. II 15, 2, Halesius, Bonaventura e. a., dat de -sacramenten, bijv. confirmatie, biecht, niet onmiddellijk door Christus, -maar door de apostelen waren ingesteld, Schwane, D. G. III 597. Doch -het concilie te Trente sess. 7 can. 1 bepaalde uitdrukkelijk, dat -alle zeven sacramenten door Jezus Christus onzen Heere zelven, (niet -middellijk want dat erkenden allen; dan ware geen conciliebesluit noodig -geweest, maar onmiddellijk, Bellarm. de sacr. I c. 23) waren ingesteld -en legden daarmede aan de theologie eene onuitvoerbare verplichting op. -Toch had het concilie in zoover gelijk, als het erkent, dat het recht -tot instelling van sacramenten zelfs niet door God op schepselen kan -worden overgedragen. Menschen kunnen de instelling van een sacrament -bekend maken, Ex. 12:1, Mk. 1:4, 11:30, 1 Cor. 11:23, kunnen het teeken -ervan uitreiken, kunnen de genade Gods aankondigen, maar zij kunnen -deze genade uit den aard der zaak niet realiter schenken. De genade -toch is geen stoffelijk goed, maar zij is de gunst, de gemeenschap Gods, -van Hem onafscheidelijk en daarom door geen schepsel, door geen mensch -of engel mede te deelen. Daarom is God in Christus door den H. Geest -de eenige insteller maar ook de eenige uitdeeler van het sacrament. -Alleen dat sacrament is het ware, dat door God zelf bediend wordt. -Het is Christus zelf, die in zijne kerk doopt en avondmaal houdt. Hij -heeft zijn ambt niet overgedragen en geen plaatsvervanger op aarde -aangesteld, Hij regeert zelf en gelijk Hij alleen als profeet het woord -bedient, zoo is Hij ook de eenige bedienaar van het sacrament, al -is het, dat Hij ook daarbij menschen als zijne instrumenten gebruikt, -Helv. II 19. Synopsis pur. theol. 43, 8. Turretinus, Th. El. XIX 1, -14. Amyraldus, Theses Salm. III 10. Vitringa VI 338. Ten tweede, in -de Geref. definitie van de sacramenten is ook opmerkelijk, dat ze als -teekenen omschreven worden. Ofschoon enkele Gereformeerden ze ook wel, -hetzij doorgaans, hetzij bij afwisseling, tot de ceremoniae, ritus of -actiones rekenden, Bullinger, Huisboek, V 6. Trelcatius Jr. Loci Comm. -p. 141, Junius, Theses Theol. 50, 6 enz., toch herleidden verreweg de -meesten ze tot het soortbegrip van signa, sigilla, imagines, symbola, -typi, antitypi, cf. Moor V 231. Vitringa VI 341. Zij weken hierin, ten -deele ook van de Roomschen maar vooral van de Lutherschen af, die op -de omschrijving door actiones bijzonder gesteld waren en daarin een -belangrijk geschilpunt met de Gereformeerden zagen, Gerhard, Loc. XVIII -22 sq. Dit is van Luthersche zijde daarom bevreemdend, wijl zij bij het -woord leeren, dat de kracht des H. Geestes erin besloten ligt, ook -vóór en buiten het gebruik. De analogie zou eischen, dat niet op de -handeling maar op het teeken in het sacrament de nadruk viel. Toch is -dit niet het geval. De Lutherschen zien in het sacrament allereerst -eene handeling, bestaande in mededeeling van de genade in, met en -onder het teeken. De Gereformeerden ontkenden nu volstrekt niet, dat -er in het sacrament eene handeling was. Maar dit was eene verborgene, -onzichtbare handeling van Christus, die inwendig in de harten door den -H. Geest de genade schenkt. Daarentegen ligt bij het sacrament niet -de hoofdzaak in de handeling van den dienaar, alsof die van zooveel -gewicht ware en zelfs eene con- of transsubstantiatie tot stand bracht, -maar in het teeken-zijn van het sacrament; het beeldt af en verzekert -de handeling van Christus, ja de handeling van den bedienaar van het -sacrament, ofschoon eene actio, is zelve eene actio significativa. En -de Schrift noemt daarom de sacramenten met den naam van teekenen en -zegelen en verplicht ook Roomschen en Lutherschen om deze benaming goed -te keuren, Bucanus, Instit. theol. 559. Maresius, Syst. Theol. XVIII 8. -Mastricht, Theol. VII 3, 14. Turretinus, Theol. El. XIX 3, 9. Vitringa -VI 341. Ten derde is de Geref. definitie van de sacramenten nog daarin -eigenaardig, dat zij de daad Gods en de belijdenis der geloovigen, -die daarin op te merken valt, met elkander vereenigt. Calvijn, Inst. -IV 14, 1 heeft op die wijze Luther en Zwingli met elkander verzoend. -Met Luther was hij eenstemmig, dat de daad Gods in het sacrament de -eerste en voornaamste plaats innam; maar met Zwingli oordeelde hij, -dat de geloovigen in het sacrament ook voor God, engelen en menschen -belijdenis deden van hun geloof en hun liefde. In het sacrament komt -God eerst tot de geloovigen, om hun zijne weldaden te beteekenen en te -verzegelen; Hij verzekert hun met zichtbare onderpanden, dat Hij hun God -is en huns zaads God; hij hecht zegels aan _Zijn_ woord, om _hun_ geloof -aan dat woord te versterken, Gen. 9:11-15. 17:11, Ex. 12:13, Mk. 1:4, -16:16, Luk. 22:19, Rom. 4:11 enz. Maar andererzijds zijn de sacramenten -ook acten van belijdenis; de geloovigen belijden daarin hun bekeering, -hun geloof, hunne gehoorzaamheid, hun gemeenschap met Christus en -met elkander; terwijl God hun verzekert, dat Hij hun God is, betuigen -zij plechtig, dat zij zijne kinderen zijn; elk sacramentsgebruik is een -verbondsvernieuwing, een gelofte van trouw, een eed, die tot den dienst -van Christus verplicht, Mk. 1:5, 16:16, Hd. 2:41, 8:37, Rom. 6:3v., 1 -Cor. 10:16v., cf. Ned. Gel. 36. Form. v. doop en avondmaal. Vitringa VI -423 sq. Heppe, Dogm. d. ref. K. 441. - - -4. In den naam van teeken en zegel ligt opgesloten, dat het sacrament -uit twee deelen bestaat, die als verbum en elementum, res sacramenti en -sacramentum (in enger zin), signatum en signum, res coelestis en res -terrestris, materia interna en externa onderscheiden worden. Teeken -en zegel toch wijzen beide heen naar iets anders, waarvan zij teeken en -zegel zijn. Teekenen zijn er vele en velerlei; er zijn, zooals Augustinus, -de doctr. christ. II 1 reeds opmerkte, natuurlijke en positieve, -aangenomene, ingestelde teekenen. Tot de eerste behooren bijv. de rook, -die aan het vuur, de dageraad, die aan de zon, de voetstap, die aan -den wandelaar, de geur, die aan de bloem, de lach, die aan de vreugde, -de traan, die aan de smart doet denken. Positieve teekenen zijn zulke, -die door afspraak, overeenkomst, gewoonte of gebruik vastgesteld en in -enger of ruimer kring aangenomen en erkend zijn; tot deze soort behooren -alle letterteekens, parolen, vaandels, insignes enz. Al deze teekens -zijn als gewone weder van de buitengewone onderscheiden, onder welke -de wonderen de voornaamste plaats innemen; in de Schrift worden deze -dikwerf met den naam σημεια aangeduid, omdat zij een bewijs en teeken zijn -van Gods tegenwoordigheid, van zijne genade of macht, van zijne waarheid -of gerechtigheid. Ook worden teekenen nog tot verschillende groepen -gebracht, naarmate zij, gelijk de gedenkteekenen, aan iets verledens, -Jos. 4:6, of, gelijk de voorspellende teekenen, aan iets toekomstigs, -Gen. 4:15, of ook, gelijk vele andere teekens, aan iets tegenwoordigs -en blijvends, Deut. 6:8, doen denken. Sacramenten nu behooren tot de -ingestelde, buitengewone teekenen, die door God, niet naar willekeur, -maar naar eene door Hem gepraeformeerde analogie, uit de zienlijke -dingen genomen en tot aanduiding en verduidelijking van onzienlijke en -eeuwige goederen gebezigd worden. Behalve teekens zijn de sacramenten -ook zegels, dienende tot bevestiging en versterking. Zegels zijn toch -van teekens daarin onderscheiden, dat zij de onzichtbare zaak niet -maar in onze gedachte terugroepen, doch ze ook voor ons bewustzijn -waarmerken en bekrachtigen. Wijl er zooveel bedrog en valschheid is in -de wereld, worden er allerlei middelen aangewend, om het ware van het -valsche, het echte van het onechte te onderscheiden. Zoo dient een -handelsmerk, om de echtheid van het fabricaat, een ijk, om de zuiverheid -van maten en gewichten, een munt, om de juiste waarde van het geld, -en een zegel, om de onvervalschtheid van geschriften te waarmerken en -te waarborgen. Van zegel is er ook menigmaal in de Schrift sprake, -wanneer iets als echt gewaarmerkt en voor vervalsching bewaard moet -worden. Brieven van vorsten, 1 Kon. 21:8, Neh. 9:38, Esth. 3:12, of -van andere personen, Jer. 32:10, en voorts wetten, Jes. 8:16, boeken, -Dan. 12:4, Op. 22:10. Daniels leeuwenkuil, Dan. 6:18, het graf van -Jezus, Mt. 27:66 enz. worden verzegeld en alzoo voor schennis behoed. -Ook God heeft een zegel, Op. 7:2; Hij verzegelt de sterren, als Hij ze -verbergt en met wolken bedekt, Job 9:7; Hij verzegelt het boek des -oordeels, zoodat niemand, dan alleen het Lam, het openen en lezen kan, -Op. 5:1; Hij verzegelt den afgrond, waarin Satan gesloten is, opdat -deze niet meer verleide, Op. 20:3; Hij verzegelt zijne dienstknechten -in de laatste verdrukking, opdat zij niet beschadigd worden, Op. 7:3, -9:4; Hij verzegelt alle geloovigen met den H. Geest, opdat zij als -erfgenamen voor de toekomstige zaligheid bewaard worden, 2 Cor. 1:22, -Ef. 1:13, 4:30; Hij verzegelt den Christus door allerlei teekenen als -den gever van de spijze, die blijft tot in het eeuwige leven, Joh. 6:27; -Hij geeft Paulus in den zegen op zijn arbeid een zegel, een bevestiging -van zijn apostelschap, 1 Cor. 9:2; Hij drukt zijn zegel op het gebouw -der gemeente tot een onderpand, dat zij zijn eigendom is, 2 Tim. 2:19. -Altijd zijn zegelen dus middelen, om de echtheid van personen en zaken -te waarborgen of ook om ze voor schending te bewaren. Zoo ontving nu -ook Abraham in het teeken der besnijdenis een zegel, dat is, eene -bevestiging, bekrachtiging, onderpand van de gerechtigheid, die hij had -door het geloof, Rom. 4:11. Sacramenten zijn daarom, behalve teekens, -ook zegels, door God aan zijn woord gehecht, om het, natuurlijk niet in -zichzelf want dan is het als woord Gods vast genoeg, maar voor ons -bewustzijn in geloofwaardigheid, in betrouwbaarheid te doen winnen. -Teeken en zegel zijn in de sacramenten echter de zichtbare elementen -van water, brood en wijn niet alleen, maar beteekenende en verzegelende -kracht hebben ook de verschillende ceremonieele handelingen, die er -mede gepaard gaan. De besprenging of onderdompeling bij den doop, de -zegening, breking, uitdeeling en aanneming des broods in het avondmaal -zijn geen willekeurige en onverschillige gewoonten, maar zij maken -mede de bestanddeelen uit van de sacramenten, geven ons de beloften -en weldaden des verbonds te beter te verstaan en vormen saam met de -elementen de sacramenten tot teekenen en zegelen van de onzichtbare -goederen des heils, Vitringa VI 352. - -De materia interna in het sacrament, de onzichtbare zaak, die erin -afgebeeld en verzegeld wordt, is het verbond der genade, Gen. 9:12, -13, 17:11, de gerechtigheid des geloofs, Rom. 4:11, vergeving der -zonden, Mk. 1:4, Mt. 26:28, geloof en bekeering, Mk. 1:4, 16:16, -gemeenschap aan Christus, aan zijn dood en opstanding, Rom. 6:3v., -aan zijn vleesch en bloed, 1 Cor. 10:16 enz. Saamvattende kan men -dus zeggen, dat Christus, de gansche, rijke, volle Christus, naar -zijne Goddelijke en menschelijke natuur, met zijn persoon en werk, in -den staat zijner vernedering en in dien zijner verhooging, de materia -interna, de res coelestis, de beteekende zaak in het sacrament is. -Deze Christus is toch met al zijne weldaden en zegeningen de middelaar -van het genadeverbond, het hoofd der gemeente, de ja en amen van alle -beloften Gods, de inhoud van zijn woord en getuigenis, de wijsheid, -gerechtigheid, heiligmaking en verlossing der geloovigen, de profeet, -priester en koning, in wien God alleen al zijn genade mededeelt en die -gister en heden en eeuwig dezelfde is. Jezus Christus is de waarheid -der sacramenten, zonder wien zij niet met al zijn zouden, Ned. Gel. 33, -cf. conf. Belg. 34. 35. Cat. Heid. 67. Conf. Helv. II 19. Scot. 21. -Westm. 27, 1. Calvijn, Inst. IV 14, 16. 17. Synopsis pur. theol. 43, -20. 21. Mastricht, Theol. VII 3, 7 enz. De Roomschen verstaan onder -de materia interna der sacramenten de heiligmakende, d. i. de aan de -natuur toegevoegde, tot het doen van goede werken en eenmaal tot de -aanschouwing Gods in staat stellende, geschapene genade, welke van -de ongeschapen genade, dat is van God zelf, niet wezenlijk verschilt, -want eigenlijk geeft God in iedere geschapene genade zichzelf, -Heinrich-Gutberlet, Dogm. VIII 550 f., en zij leeren, dat die genade -als iets zakelijks in het teeken ingegaan en vervat is, daarmede dus -ex opere operato meegedeeld wordt, en op geene andere wijze, n.l. -door het geloof alleen aan Gods woord, te verkrijgen is. Conc. Trid. -VII can. 4 sq. De Luthersche dogmatici noemden in den eersten tijd de -beide bestanddeelen van het sacrament verbum en elementum, en lieten -dus door het sacrament dezelfde genade meedeelen als door het woord. -Maar tengevolge van hunne consubstantiatieleer kwamen zij er allengs -toe, vooral sedert Gerhard, om in het sacrament bij het woord nog eene -materia coelestis aan te nemen. Door het woord der consecratie houdt -het element niet alleen op, gelijk de oudere dogmatici zeiden, een -gewoon, uitwendig element te zijn, maar neemt het ook eene bijzondere, -Goddelijke kracht in zich op, die van het woord onderscheiden is, -als materia coelestis aangeduid wordt en door het element werkt als -zijn medium en vehiculum. Er kwam daarom een verschil tusschen de -genadeweldaden, die door het woord, en die, welke door het sacrament -werden meegedeeld; in het avondmaal toch werd het eigen vleesch en -bloed van Christus genoten. Omdat echter zulk eene van de heilsweldaden -onderscheidene materia coelestis alleen bij het avondmaal en niet bij -den doop zich aanwijzen liet, kwamen Baier en anderen er tegen op, om -bij de sacramenten in genere van eene materia coelestis te spreken, -Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. 391 f. Toch heeft de nieuwere theologie -meermalen eene dergelijke voorstelling van het sacrament voorgedragen -en woord en sacrament zoo onderscheiden, dat het eerste eene Person-, -en het tweede eene Naturwirkung uitoefent; dat het eene een middel is -van de metanoetische en het andere een middel van de anagennetische -werking des H. Geestes; dat het woord het bewustzijn omzet, maar het -sacrament den geest, het ik, ja de geistleibliche natuur van den -mensch verandert. Dit alles is echter met de Schrift in strijd en -eene invoering van Roomsche dwaalleer. Het sacrament schenkt geen -enkele weldaad, die niet ook uit het woord Gods door het geloof alleen -ontvangen wordt. Immers, wie gelooft, is wedergeboren, Joh. 1:12, 13, -heeft het eeuwige leven, Joh. 3:36, is gerechtvaardigd, Rom. 3:28, -5:1, geheiligd, Joh. 15:3, Hd. 15:9, verheerlijkt, Rom. 8:30, heeft -gemeenschap aan Christus, Ef. 3:17, aan zijn vleesch en bloed, Joh. -6:47v., aan zijn Vader, 1 Joh. 1:3, aan den H. Geest, Joh. 7:39, Gal. -3:2, 5 enz. Het woord bevat alle beloften Gods, en het geloof neemt ze -alle aan. De inhoud van het woord is Christus, de gansche Christus, -en deze is ook de inhoud van het sacrament. Er is geen enkele weldaad -der genade, die in het woord teruggehouden en nu langs een bijzonderen -weg, door het sacrament, aan de geloovigen meegedeeld wordt. Er -is noch eene aparte doops-, noch eene aparte avondmaalsgenade. De -inhoud van woord en sacrament is volkomen dezelfde; beide bevatten -denzelfden middelaar, hetzelfde verbond, dezelfde weldaden, dezelfde -zaligheid, dezelfde gemeenschap met God; één zijn zij zelfs in modus en -instrumentum perceptionis, want ook in het sacrament wordt Christus -niet lichamelijk maar geestelijk, niet door den mond maar door het geloof -genoten. Zij verschillen alleen in forma externa, in de _wijze_, waarop -zij _denzelfden_ Christus ons aanbieden. In zekeren zin is ook het woord -een teeken en zegel; een teeken dat ons denken doet aan de zaak die het -aanduidt; een zegel, dat bevestigt, hetgeen in de werkelijkheid bestaat. -Dat geldt in het algemeen van alle woord, maar het geldt in bijzondere -mate van het woord Gods; wie dat loochent, maakt God tot een leugenaar, -1 Joh. 5:10. Maar het woord beteekent en verzegelt ons Christus door -het zintuig van het oor; het sacrament beteekent en verzegelt ons -Christus door het zintuig van het oog. Saam bieden zij Christus met al -zijne weldaden ons aan langs den weg van de beide hoogere zintuigen, -welke God aan den mensch heeft geschonken, zonder dat daarom de andere, -reuk-, smaak- en tastzin, geheel zijn buitengesloten. Uit dit verschil -in de _wijze_, waarop wij Christus met zijne weldaden ons aanbieden, -vloeit verder voort, dat het sacrament aan het woord ondergeschikt -is; het is een teeken van den inhoud des woords; een zegel, dat God -aan zijn getuigenis gehecht heeft; een zuil, zooals Calvijn zegt, die -op den grondslag van het woord is opgetrokken; een appendix, dat bij -het evangelie bijkomt en eraan toegevoegd wordt. Het woord is dus iets -en veel zonder het sacrament, maar het sacrament is zonder het woord -niets en heeft dan geenerlei waarde of kracht; het is niets minder -maar ook niets meer dan een verbum visibile. Alle goederen des heils -zijn te verkrijgen uit het woord en door het geloof alleen, maar er is -geen enkele weldaad, die uit het sacrament alleen zonder het woord -en buiten het geloof om ontvangen zou kunnen worden. Het woord werkt -en versterkt daarom het geloof, het richt zich tot ongeloovigen en -geloovigen beide; maar het sacrament zegt niets en bevat niets voor de -ongeloovigen, het is uitsluitend voor de geloovigen bestemd, het kan -alleen het geloof, dat aanwezig is, versterken; het is immers niets dan -een teeken en zegel van het woord. Daarin bestaat zijn eenige maar toch -ook naar Gods bedoeling zijn genoegzame waarde en kracht, om het woord -te verduidelijken en te bevestigen en daardoor het geloof te versterken. -In den strijd tegen Rome is handhaving van deze overeenstemming en van -dit verschil tusschen woord en sacrament van het hoogste belang. Wie -beide anders bepaalt en aan het sacrament eene andere genadewerking -toeschrijft dan aan het woord, deelt Christus en zijne weldaden, -verbreekt de eenheid van het genadeverbond, materialiseert de genade, -maakt het sacrament zelfstandig tegenover en boven het woord, keert de -verhouding van Schrift en kerk om, maakt het sacrament ter zaligheid -noodzakelijk en den mensch van den priester afhankelijk. Daarom werden -de Gereformeerden, evenals ook de Lutherschen in den eersten tijd, niet -moede, om deze juiste, Schriftuurlijke verhouding van woord en sacrament -telkens weer in het licht te stellen en altijd opnieuw te betoogen, -dat het sacrament aan het woord ondergeschikt is en dat beide daartoe -dienen, om ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis, -als den eenigen grond onzer zaligheid te wijzen. Cf. Luther bij Köstlin -II 503. Symb. B. ed. Müller 202. 320. 487. 500. Heppe, Dogm. d. d. -Prot. II 36. Calvijn. Inst. IV 14, 3. 5. 6. 14. Cons. Tigur. bij Niemeyer -204. 206. Conf. Gall. 34. Belg. 33. Cat. Heid. 66. Helv. II 19. -Polanus, Synt. VI 51. Mastricht, Theol. VIII 3, 11. Turretinus, Theol. -El. XIX 3, 6. - - -5. Het verband, dat tusschen teeken en beteekende zaak bestaat, werd -soms forma sacramenti, soms ook unio sacramentalis genoemd. Tegen -de laatste benaming maakte Gomarus, Theses theol. disp. 31 § 36 niet -zonder grond bezwaar; de relatie, zegt hij, die tusschen teeken en -beteekende zaak bestaat en beide in zekeren zin vereenigt, nova et -obscura phrasi, unio sacramentalis, Ubiquitariorum imitatione, non -satis recta, vulgo nominatur. Quia res significata nobis verius unitur -quam signis idque signis denotatur ac confirmatur, cf. ook Heidegger, -Corp. Theol. XI 58. Roomschen en Lutherschen kunnen tot op zekere -hoogte bij het avondmaal van eene unio tusschen de materia externa en -interna in het sacrament spreken, want zij leeren dat de beteekende zaak -in het teeken ingaat en vervat is; zij nemen eene physische, corporeele, -locale vereeniging aan. Maar zelfs op hun standpunt is er bezwaar; -want bij de Roomschen verandert het teeken in de beteekende zaak, en -is er dus geen eigenlijke vereeniging mogelijk; en bij de Lutherschen -is de beteekende zaak wel in, met en onder het teeken en dus met het -teeken op eene zelfde plaats en in eene zelfde ruimte saamgebracht, -maar zulk eene juxtapositie is toch nog iets gansch anders dan eene -vereeniging. Voorts draagt de unio sacramentalis bij woord en doop en -ook bij de andere door Rome aangenomene sacramenten een zoo verschillend -karakter van die in het avondmaal, dat het niet aangaat, zoo maar in -het algemeen van eene unio sacramentalis te spreken. Veel meer bezwaar -is er echter op Gereformeerd standpunt. De Schrift noemt de sacramenten -teekenen en zegelen en duidt daarmede het verband aan, dat tusschen -materia interna en externa bestaat. Niemand zal het verband tusschen -een woord en de zaak, die het aanduidt, tusschen een beeld en den -persoon, dien het voorstelt, tusschen een pand en datgene, waarvan -het pand is, eene vereeniging noemen. En toch van dienzelfden aard is -de relatie, welke tusschen teeken en beteekende zaak in het sacrament -bestaat. Het is geen physisch, locaal, corporeel, substantieel verband; -de teekenen van water, brood en wijn zijn geen miracula, medicamenta, -ὀχηματα, vehicula, canales, causae physicae van de beteekende zaak. -Maar het is een ethisch verband, eene relatie, volkomen gelijk aan -die tusschen Christus en het evangelie, tusschen de weldaden van het -genadeverbond en het woord Gods, dat ze ons bekend maakt. Mastricht, -Theol. VII 3, 8. Turretinus, Theol. El. XIX 4, 3. Bij het woord is dat -verband met de zaken, die het beschrijft, vanzelf gegeven. Maar bij de -teekenen in het sacrament is dit niet het geval. Water, brood, wijn zijn -niet van nature teekenen en zegelen van Christus en zijne weldaden. -Niemand zou dat erin kunnen of mogen zien, wanneer God het niet -bepaald verklaard had. Dat wil niet zeggen, dat deze teekenen gansch -willekeurig door God uit de zienlijke dingen gekozen zijn. Integendeel, -nu God het in zijn woord ons gezegd heeft, ontdekken wij tusschen teeken -en beteekende zaak de treffendste overeenstemming. Trouwens, het is -dezelfde God en Vader, die in het rijk der natuur en in het rijk der -genade regeert; Hij schiep het zienlijke zoo, dat wij er het onzienlijke -uit kunnen verstaan; het natuurlijke is een beeld van het geestelijke. -Maar toch was er een bijzonder woord van God noodig, om in de teekenen -van doop en avondmaal een afbeelding te zien van de geestelijke goederen -des heils. En dit was te meer noodig, wijl water, brood en wijn de genade -maar niet afbeelden doch ook verzegelen en dus in Gods hand dienst -doen, om ons geloof te versterken. In deze twee dingen bestaat dan ook -de forma sacramenti: in de bovengenoemde relatie tusschen teeken en -beteekende zaak (forma interna) en in de Goddelijke instelling, die door -het woord zulk een verband tusschen beide legt. Bucanus, Instit. theol. -561. Junius, Theses theol. 49, 8. Maresius, Syst. Theol. XVIII 19. M. -Vitringa VI 400. - -In overeenstemming met hunne leer van de unio sacramentalis kennen -Roomschen en Lutherschen aan het woord der instelling eene andere -kracht toe dan de Gereformeerden. Bij hen moet het n.l. dienst doen, om -het teeken in de beteekende zaak te veranderen of de beteekende zaak -in het teeken in te dragen. Het heeft daarom eene consecratorische -en operatieve kracht, is meer tot het element dan tot de hoorders -gericht en wordt om die reden in de Roomsche kerk door den priester op -geheimzinnige, fluisterende wijze en in de latijnsche taal gesproken, -Bellarminus, de sacr. I 19. Maar bij de Gereformeerden bezit het -woord der instelling, dat door den dienaar gesproken wordt, geen -verborgen, mysterieuse, magische kracht; het dient niet en behoeft -niet te dienen, om de beteekende zaak in het teeken te incorporeeren; -het is veeleer een verbum concionale seu praedicatum, dat luide tot -de gemeente gesproken wordt, dat hoegenaamd geen verandering in het -teeken aanbrengt, maar het alleen voor het bewustzijn der hoorders -van het gemeene gebruik afzondert en er hic et nunc eene bijzondere -bestemming aan geeft, Calvijn, Inst. IV 14, 4. Turretinus, Th. El. XIX -qu. 6. Zonder dat woord en buiten het gebruik zijn water, brood en wijn -niets dan gewone, dagelijksche spijs. Detrahe verbum et quid est aqua -nisi aqua; accedit verbum ad elementum et fit sacramentum. Daarom -houdt de dienaar, ook nadat hij het woord der instelling gesproken -heeft, niets dan het teeken in zijne hand, en niets dan het teeken deelt -hij aan de geloovigen uit. Alleen heeft God zich verbonden, om, waar -het sacrament naar zijn bevel bediend wordt, zelf door zijnen Geest de -onzichtbare genade te schenken. God en Hij alleen blijft de uitdeeler -der genade, en de Christen hangt ook bij het sacrament niet van den -dienaar maar van God alleen af en heeft alles van Hem te verwachten. -Deze afhankelijkheid van God alleen wordt door Roomschen en Lutherschen -in eene afhankelijkheid van den dienaar veranderd en deze laatste -bovendien bij Rome nog daardoor versterkt, dat in de dienaren, als zij -het sacrament uitreiken, ten minste de intentie vereischt wordt om te -doen, quod facit ecclesia, Trid. VII can. 11. In de dogmatiek wordt -deze intentie uitermate verzwakt; eene intentio generalis, niet om -dit, maar om een sacrament uit te reiken, is voldoende, en ook die -intentie behoeft niet actualis te zijn maar is reeds als virtualis -genoegzaam. Zelfs is het niet noodig de intentie te hebben, om te doen -wat de Roomsche kerk doet; als een dienaar in de kerk te Genève maar -de intentie heeft om te doen, wat de kerk doet, die hij voor de ware -houdt, dan beantwoordt hij aan den eisch, en Rome erkent het door hem -bediende sacrament, Schwane, D. G. III 600. Bellarminus, de sacr. in -genere I 27. Desniettemin blijft het vereischte der intentie, zonder -nadere verklaring, als eene onfeilbare uitspraak in de Trentsche -canones staan en houdt den ernstigen Roomschen Christen in voortdurende -onzekerheid. En als Calvijn in zijn Antidotum hierop de aandacht vestigt, -geeft Bellarminus alleen ten antwoord, dat de mensen in dit leven zulk -eene onfeilbare zekerheid van zijne zaligheid niet behoeft, dat eene -menschelijke, moreele zekerheid voldoende is, en dat deze genoegzaam te -verkrijgen is, ook al hangt men van de intentie van den dienaar af, cum -habere intentionem sit facillimum, ib. 28. Cf. M. Vitringa VI 458 sq. - -Al bestaat het verband tusschen teeken en beteekende zaak niet in -eene corporeele en locale vereeniging van beide, toch is het daarom -wel objectief, reëel, wezenlijk. Roomschen en Lutherschen hebben -echter van realiteit een ander begrip dan de Gereformeerden. Als de -beteekende zaak niet physisch met het teeken vereenigd is, meenen zij, -dat het verband van beide niet wezenlijk is en dat Christus met zijne -weldaden niet waarlijk in het sacrament medegedeeld en genoten wordt. -Toch loopt het verschil in de sacramentsleer niet daarover, of God -zijne genade werkelijk meedeelt, maar over de wijze, waarop Hij dat doet. -En de Gereformeerden zeiden: op geestelijke wijze, omdat zoo alleen de -genade waarlijk meegedeeld wordt en worden kan. Physische meedeeling -van Christus en zijne weldaden is met den aard der christelijke religie, -met het wezen der genade, met de natuur der herschepping in strijd, -en zou, ook al ware zij mogelijk, toch niets baten, Joh. 6:63. Maar de -geestelijke wijze, waarop in het sacrament Christus met zijne weldaden -wordt medegedeeld, vormt met waarachtige realiteit zoo weinig eene -tegenstelling, dat zij deze veeleer in vollen zin tot stand doet -komen en waarborgt. Het is met het sacrament niet anders dan met het -woord. In het woord wordt Christus waarlijk en wezenlijk aangeboden en -geschonken aan een iegelijk, die gelooft. En even reëel wordt Hij aan de -geloovigen medegedeeld in het sacrament. Het sacrament geeft denzelfden -vollen Christus als het woord en op dezelfde, dat is op geestelijke -wijze door het geloof, al is ook het middel verschillend, de eene maal -hoorbaar, en de andere keer zichtbaar. Daarom komt in de Gereformeerde -theologie de zoogenaamde phraseologia sacramentalis even goed tot -haar recht als in de Luthersche en Roomsche. De Schrift n.l. duidt, -om de relatie, die God tusschen signum en signatum gelegd heeft, de -beteekende zaak soms aan met den naam van het teeken, Rom. 2:29, of het -teeken met den naam van de beteekende zaak, Mt. 26:26, of schrijft ook -de eigenschap en werking van de beteekende zaak aan het teeken toe, Hd. -22:16, 1 Cor. 11:24. Want dit spraakgebruik doet niets af van het feit, -dat ook volgens Lutherschen en Roomschen God de eigenlijke uitdeeler en -werker der genade in de harten der menschen is. En hiermede stemmen -de Gereformeerden van harte in. Of God die genade meedeelt in, met, -onder het teeken, door het teeken als kanaal heen, dan of Hij het -doet in verband met het teeken, tast de realiteit van die mededeeling -zelve niet aan. Ook in de Scholastieke en Roomsche theologie was -er ten allen tijde verschil over de wijze, waarop de sacramenten de -genade werken. De Thomistische school schreef aan het sacrament eene -physische, de Scotistische eene moreele werking toe. Volgens Thomas -en zijne volgelingen werkt God door het sacrament zoo, dat dit zelf op -physische wijze de genade in den ontvanger veroorzaakt. Volgens Scotus -echter had God zich verbonden, om bij voltrekking van de sacramenteele -handeling de genade te laten volgen, zonder dat Hij ze daarom door het -teeken als door een kanaal henenleidt; hij stelde het sacrament als eene -schuldbekentenis voor, waarop de gebruiker van God genade ontvangt. -Rome leert dus wel, dat het sacrament werkt ex opere operato, maar laat -in het midden, op welke wijze God, de causa principaliter efficiens, -door het sacrament als de causa instrumentalis de genade mededeelt, cf. -Schwane, D. G. III 595. IV 363. Jansen, Prael. III 317. Al verwerpen -de Gereformeerden dan ook de leer, dat de genade door het teeken als -een kanaal ons toegevoerd wordt, zij hebben daarmede in geen enkel -opzicht te kort gedaan aan de waarachtigheid van het sacrament. Ja, zij -hebben daardoor de geestelijke natuur van de genade veel beter dan Rome -en Luther gehandhaafd. Voor het overige blijft de wijze, waarop God bij -het uitdeelen zijner genade van woord en sacrament zich bedient, eene -verborgenheid. De Schrift zegt ook van het woord Gods, dat het schept -en herschept, wederbaart en vernieuwt, rechtvaardigt en heiligt. Maar -wie beschrijft, op welke wijze God zich daarbij van het woord en evenzoo -van het sacrament bedient? - - -6. Alnaarmate het verband van teeken en beteekende zaak anders opgevat -wordt, verschilt ook de kracht en de werking, welke aan het sacrament -wordt toegeschreven. Wijl bij Rome het zichtbaar teeken de onzichtbare -genade in zich opgenomen heeft, werkt het sacrament ex opere operato, -zonder dat er iets anders of iets meer in den ontvanger geeischt wordt -dan het zuiver negatieve non obicem ponere, Trid. VII can. 6-8. Reeds -Augustinus had het verschil tusschen de sacramenten des O. en des N. -Verbonds daarin gezocht, dat sacramenta novi testamenti dant salutem, -sacramenta veteris testamenti promiserunt salvatorem, Enarr. in Ps. -73, 2. De scholastiek werkte dit zoo uit, dat de sacramenten des O. -V., wijl zij den toekomstigen Christus praefigureerden, geen kracht in -zichzelve hadden, om de genade mede te deelen maar alleen werkten uit -en door het geloof. Onder het O. Test. kwam dus alles aan op het opus -operans, d. i. op het geloovig subject, dat naar den toekomstigen -Christus heenzag. Maar bij de sacramenten des N. T. is dat anders; het -offer van Christus is gebracht, en daarom werken de sacramenten thans -per se, propria virtute, ex opere operato. Deze laatste uitdrukking, -die door Willem van Auxerre en Alexander van Hales in de theologie -werd ingevoerd, vormde eerst nog geen tegenstelling daarmede, dat -in den ontvanger van het sacrament een zekere dispositie geeischt -werd, --Thomas zegt bijv. nog, dat virtus sacramentorum praecipue est -ex _fide_ passionis Christi, S. Theol. III qu. 62 art. 5 ad 2-- maar -gaf alleen te kennen, dat de N. T. sacramenten uit het volbrachte -lijden van Christus de kracht ontvangen hadden ad conferendum gratiam -justificantem, Thomas, ib. art. 6. Maar de handhaving van dit -objectief, causatief karakter der sacramenten leidde er dan vanzelf -toe, om de vereischte dispositie in den ontvanger hoe langer hoe meer -te verzwakken en ten slotte tot het negatieve non obicem opponere te -verminderen. Vroeger werd bij deze uitdrukking, die reeds bij Augustinus, -Ep. 98, 9 voorkomt, aan eene positieve gezindheid, aan een bonus -motus inferior gedacht. Maar de N. T. sacramenten werkten ex opere -operato en sloten van de zijde des ontvangers alle kracht en verdienste -uit; een bonus motus is echter volgens Rome verdienstelijk en daarom -voor het sacrament onnoodig; ja zelfs de zeven praeparationes, die -in volwassenen aan den doop voorafgaan, hebben nog een meritum de -congruo en zijn daarom voor het sacrament overbodig; het sacrament -werkt de genade in elk, die niet opzettelijk zich verhardt, die geen -positieve hindernis in den weg legt, die negatief en passief er zich -onder verhoudt, Schwane, D. G. III 581. Harnack, D. G. III 479 f. -Bellarminus, de sacr. in genere II 1 sq. Simar, Dogm. 686. De genade, -die door de sacramenten meegedeeld wordt, is de gratia habitualis, -infusa, sanctificans, hetzij deze, gelijk in den doop, voor het eerst -wordt geschonken, of gelijk in de boete, na verlies vernieuwd, of -ook, als in de andere sacramenten, vermeerderd wordt. Daarvan is nog -onderscheiden de gratia sacramentalis, die aan de gratia sanctificans -nog een divinum auxilium ad consequendum finem sacramenti toevoegt, -bij de verschillende sacramenten verschillend is en in staat stelt, om -dat speciale doel te bereiken, dat aan ieder sacrament in het bijzonder -eigen is, Thomas, S. Theol. III qu. 62 art. 2. En eindelijk zijn er -nog drie sacramenten, doop, confirmatie en ordening, die, behalve -deze genade, nog een character indelebilis indrukken, Trid. VII c. -9. De kerkvaders zeiden reeds, dat de doop een geestelijk teeken en -zegel was, dat op den doopeling afgedrukt werd; evenals een teeken, -dat een soldaat in de hand gebrand wordt, dezen altijd kennen doet -en verplichten blijft. Zoo drukt ook de doop een πνευματικη σφραγις, -nota, character, op, dat nooit verloren gaat, Schwane, D. G. II 734. -De scholastiek bracht ook dit leerpunt tot verdere ontwikkeling. Zij -omschreef het character als een habitus of virtus, welke der ziel -werd ingedrukt en den mensch recht en macht gaf ad cultum divinum. -Drie sacramenten toch waren er, die den mensch inlijfden in een -verschillenden hierarchischen stand en hem onherroepelijk als lid -daarvan voor God, engelen en menschen deden kennen. De doop lijft in in -den status fidei genitae, scheidt de geloovigen van de ongeloovigen -af en maakt ons Christus als ons geestelijk hoofd gelijkvormig; de -confirmatie lijft in in den status fidei roboratae, scheidt de sterken -van de zwakken af en maakt ons tot strijders onder Christus als koning; -de ordening lijft in in den status fidei multiplicatae, scheidt de -priesters van de leeken en verheft hen tot gelijkvormigheid aan Christus -als hoogepriester. Het is een signum dispositivum, distinguitivum, -configurativum, obligativum, dat den mensch Gode toewijdt, hem tot zijn -dienst verplicht, en nooit, zelfs niet in de verlorenen, uitgewischt -wordt, Schwane, D. G. III 592. Thomas, S. Th. III qu. 63. Bonaventura, -Brevil. VI 6. Bellarminus, de sacr. II 18-22. - -Deze leer werd door de Reformatie eenparig verworpen. Immers leerde -de Schrift duidelijk, dat de sacramenten teekenen en zegelen van het -genadeverbond zijn, dat zij alleen voor de geloovigen bestemd zijn en dus -altijd het geloof onderstellen, Mk. 16:16, Hd. 8:37, 38, 9:11, 17, 18, -10:34, Rom. 4:11 enz. Dan alleen, wanneer het geloof aanwezig is, zijn -zij middelen in Gods hand, om de onzichtbare goederen der genade te -beteekenen en te verzegelen, Hd. 2:38, 22:16, Ef. 5:26. Voorts maakt de -Schrift volstrekt geen onderscheid tusschen de gratia sanctificans, -welke in het sacrament wordt geschonken, en eene daarvan verschillende, -speciale gratia sacramentalis; want de genade, die in het sacrament -verzegeld wordt, is geen mindere maar ook geen andere, dan die door -het woord in het geloof wordt geschonken en die allereerst in de -vergevende, daarna ook in de heiligende genade bestaat. En eindelijk is -er in de Schrift met geen woord van een character indelebilis sprake, -dat door doop, confirmatie en ordening ingedrukt wordt; de teksten, -2 Cor. 1:22, Ef. 1:13, 4:30, waarop Bellarminus, t. a. p. c. 22 zich -beroept, handelen wel van eene verzegeling der geloovigen door den H. -Geest tot de toekomstige zaligheid, maar gewagen van geen sacrament, -waaraan die verzegeling gebonden is, noch van een afzonderlijke habitus -of virtus, waarin die verzegeling zou bestaan. Al is het dan ook waar, -dat God een iegelijk houdt aan en oordeelt naar de mate der genade, -die hem geschonken is, toch is daarmede geen juridische aanhoorigheid -aan de kerk van Rome of eenige andere kerk ingedrukt, Calvijn, Antid. -7, 9. De Lutherschen zijn later van hun oorspronkelijk standpunt wel in -zoover afgeweken, als zij de wedergeboorte bij kinderen lieten bewerken -door den doop en ongeloovigen in het avondmaal het vleesch en bloed -corporeel lieten nuttigen. Maar toch handhaafden zij daarbij ten allen -tijde, dat in volwassenen het geloof tot een heilzame ontvangst van -het sacrament beslist van noode was. Daarmede kwamen de Protestanten -voor de taak te staan, om, in weerwil dat de werking der sacramenten -van het geloof afhing, hun objectief, reëel karakter te handhaven. -Bij de Roomschen en ook bij de Lutherschen schijnt dit karakter beter -bewaard, omdat de genadewerking in woord en sacrament geincorporeerd -is. Daarentegen verkeeren de Gereformeerden schijnbaar in eene dubbele -moeilijkheid. Ten eerste toch leeren zij, dat de genade door God wordt -uitgedeeld niet per verbum et sacramentum maar alleen cum verbo et -sacramento. En ten tweede houden zij staande, dat eene vocatio externa -tot zaligheid onvoldoende is, dat bij de roeping door het woord eene -roeping door den H. Geest bijkomen moet, en dat dus per consequentiam -het sacrament zonder meer, zonder bijzondere werking des H. Geestes -in het hart der geloovigen, aan zijn doel niet beantwoordt. Toch is -hiermede de realiteit en objectiviteit van het sacrament in het minst -niet te niet gedaan. Want 1º de band tusschen teeken en beteekende -zaak in het sacrament is geen andere maar ook geen mindere dan die, -welke tusschen het woord des evangelies en den persoon van Christus -bestaat. Wie het woord geloovig aanneemt, krijgt waarlijk naar Gods -belofte Christus tot zijn deel; en evenzoo, wie het sacrament geloovig -ontvangt, ontvangt op diezelfde wijze en naar diezelfde belofte Gods den -ganschen Christus met al zijne weldaden en goederen. Wie daarentegen -het woord door ongeloof verwerpt, verwerpt daarmede Christus zelven, -al is het dat hij het woord gehoord en zelfs historisch aangenomen -heeft; en op dezelfde wijze, wie het sacrament versmaadt, versmaadt -daarmede Christus zelven; al ontvangt hij het teeken, hij wordt niet -deelachtig de beteekende zaak. Eén regel geldt voor beide; objectief -blijft de band voor woord en sacrament met Christus bestaan; want die -band is door God zelven gelegd. Hij heeft gezegd: indien iemand mijn -woord en mijn sacrament geloovig ontvangt, hij zal niet verloren gaan -in der eeuwigheid. 2º Roomschen en Lutherschen verzekeren aan het -sacrament geen andere, betere realiteit, dan die er ook naar Geref. -belijdenis aan toekomt. Immers is er tot zaligheid niet anders maar -ook niet minder en meer noodig dan de gansche Christus, die in woord -en sacrament aangeboden en door het geloof aangenomen wordt; en men -kan niets schrikkelijkers doen, dan dienzelfden Christus in en met -het woord en sacrament verwerpen. Of ongeloovigen dan corporeel en -locaal in de teekenen van brood en wijn het eigen vleesch en bloed van -Christus eten, doet aan de objectiviteit van het sacrament niets af, -is geheel onnut, en strekt ook niet tot verzwaring van het oordeel, -want de zedelijke verwerping, d. i. het ongeloof is de groote zonde. -De genade Gods in Christus is van geestelijke natuur en kan daarom -alleen geestelijk aangenomen worden. 3º Ook de Lutherschen durven bij -volwassenen den eisch des geloofs voor de ontvangst van het sacrament -niet laten varen. Bij kinderen laten zij evenals de Roomschen de -wedergeboorte door den doop tot stand komen, maar kinderen vormen eene -eigene categorie, die volgens Geref. belijdenis in geen enkel opzicht -in ongunstiger conditie verkeert dan volgens Luthersche en Roomsche -confessie. Bij volwassenen echter is het geloof vereischte. En zelfs -de Roomschen eischen in dat geval, dat de ontvanger van het sacrament -geen hindernis in den weg leggen zal. Volgens beiden werkt dus het -sacrament niet absoluut ex opere operato. Er zijn gevallen, waarin het -sacrament niet werkt, d. i. geen genade schenkt, en toch zijn objectief -karakter behoudt. De scholastiek leerde nog eenparig, dat qui sine -fide vel ficte accedunt, sacramentum, non rem, suscipiunt, Lombardus, -Sent. IV dist. 4. En de Roomsche theologie handelt nog altijd over de -vraag, of het sacrament, dat eerst door een obex verworpen werd, ook -later zijne werking nog kan doen, Schwane D. G. IV 371. Jansen, Prael. -Theol. III 330. De genadewerking gaat volgens geen enkele belijdenis -altijd tegelijk met het sacrament gepaard. En toch wordt desniettemin de -objectiviteit, en de band van teeken en beteekende zaak gehandhaafd. -4º Roomschen en Lutherschen staan ten slotte voor dezelfde moeilijkheid -als de Gereformeerden, dat is, voor de vraag, wanneer en in welk geval -de sacramenten den ontvangers tot heil verstrekken en genade hun -meedeelen. De vraag is dezelfde, als die vroeger bij de roeping door het -evangelie zich voordeed. Daar werd zij beantwoord in dezen zin, dat bij -de vocatio externa eene vocatio interna bijkomen moest. En niet anders -is het bij het sacrament. De door Roomschen en Lutherschen geleerde unio -sacramentalis, hoe innig ook, is toch niet, zonder meer, in staat, om -de genade mede te deelen, want dan zou zij haar altijd en overal en in -alle gevallen moeten mededeelen. Er moet bij de volwassenen van den kant -van het subject iets bijkomen; de obex moet weggenomen en het geloof -moet er voor in de plaats gesteld worden. Objectief is het sacrament -wel voldoende; in het sacrament wordt even reëel als in het woord de -gansche Christus geschonken. Maar in het subject is noodig, dat zijn -verstand verlicht, zijn wil gebogen wordt, om het sacrament waarlijk te -verstaan en aan te nemen. Zegt men, dat het ongeloof de schuld is van -het subject, dan spreekt men de waarheid, maar noemt men de laatste en -diepste oorzaak van het onderscheid niet, hetwelk bij het gebruiken van -het sacrament, evenals bij het hooren van het woord, waar te nemen valt. -En daarom zeiden de Gereformeerden, dat al wordt Christus wel ter dege -objectief, waarlijk en ernstig aan alle gebruikers van het sacrament -aangeboden gelijk in het woord aan allen die het hooren, er toch -subjectief eene werking des H. Geestes noodig was, om de ware kracht -van het sacrament te genieten. Non omnibus promiscue, sed electis -Dei tantum, ad quos interior et efficax Spiritus operatio pervenit, -prosunt signa, Cons. Tigur. bij Niemeyer 209. 5º Voor de geloovigen, -voor hen, die de sacramenten in het geloof ontvangen en genieten, -zijn zij teekenen en zegelen van het verbond der genade. Met het oog -op de velen, die het sacrament ontvangen en toch niet gelooven, werd -reeds door Gomarus, disp. de sacr. § 31. Essenius, Comp. Theol. dogm. -XI 6. Kantt. op 1 Cor. 7:14, tusschen een in- en uitwendig verbond -onderscheid gemaakt. En toen de staat der kerk hoe langer hoe meer een -scheiding en tegenstelling tusschen beide aanwees, gaf deze distinctie -tot telkens herhaalden twist aanleiding. Aan de eene zijde werd beweerd, -dat er in het O. T. een uitwendig verbond had bestaan maar dat er nu -alleen een inwendig verbond was (C. Vitringa, Labadie enz.); aan de -andere zijde zeiden velen, dat er ook thans nog een uitwendig verbond -bestond, waarin allen, die belijdenis deden, deelgenooten waren en op de -sacramenten recht en aanspraak hadden (Swarte, van Eerde, Janssonius). -En tusschen beiden stonden zij in, die uit- en inwendig verbond op min -of meer gelukkige wijze trachtten te vereenigen (Koelman, Appelius, -Bachiene, Kessler), cf. Vitringa VI 361-398. Inderdaad weten de oudere -theologen en belijdenisschriften van zulk eene scheiding niets af. -In- en uitwendig verbond zijn evenmin twee verbonden, als onzichtbare -en zichtbare kerk twee kerken zijn. En de sacramenten kunnen daarom -niet alleen zijn teekenen en zegelen van een uitwendig verbond, waarop -ook „onergerlijke onbegenadigden” recht zouden hebben. Zij zijn geen -bevestiging alleen van de sententie des evangelies, dat, wie gelooft, -zalig wordt, maar zij zijn voor de geloovigen zegelen van het gansche -genadeverbond, van al zijne beloften, van den ganschen Christus en al -zijne weldaden. Zij verzekeren daarom niet maar eene algemeene waarheid, -doch zij zijn zegelen aan de belofte: Ik ben uw God en uws zaads God; -zij stellen ons voor, zoowel hetgene God ons te verstaan geeft door -zijn woord als hetgene Hij inwendig doet in onze harten, bondig en vast -makende de zaligheid, die Hij ons mededeelt, Ned. Gel. 33; zij geven ons -ze beter te verstaan en verzegelen ons, dat God ons van wege het eenige -slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden -en het eeuwige leven uit genade schenkt, Cat. Heid. 66v. Daarmede is -niet ontkend, dat zij, die het sacrament zonder geloof ontvangen, niet -eenige tijdelijke vrucht daarvan zouden genieten, want God is rijk in -barmhartigheid en schenkt zelfs vele weldaden aan hen, die zijn woord en -sacrament in ongeloof verwerpen, cf. deel III 491v. Maar de volle, ware -vrucht der sacramenten is, evenals die van het woord, alleen voor de -geloovigen. Zij worden er door verzekerd van hunne zaligheid. - -Uit dit alles volgt de waarde der sacramenten. Noodzakelijk zijn zij niet -op zichzelf, want God behoefde ze niet in te stellen; en zijn verbond -en genade, zijn woord en belofte zijn, als die van een waarachtig God, -vast genoeg, dan dat zij de bevestiging der sacramenten van noode zouden -hebben, Calvijn, Inst. IV 14, 3. 6. Noodzakelijk zijn zij ook niet in -absoluten zin ter zaligheid, want de Schrift bindt de zaligheid alleen -aan het geloof, Joh. 3:16, Mk 16:16, en Roomschen en Lutherschen, -ofschoon schijnbaar de volstrekte noodzakelijkheid leerende en daarom -den nooddoop verdedigende, houden dit in de practijk niet vol en -zeggen bijv. met Augustinus, dat in het geval van den moordenaar aan -het kruis de bloeddoop den waterdoop vervangt. Niet privatio maar -contemptus sacramenti maakt schuldig voor God. Maar desniettemin hebben -dé sacramenten groote waarde. Omdat wij geen geesten maar zinnelijke, -aardsche schepselen zijn, die het geestelijke niet anders dan onder -zinnelijke vormen kunnen verstaan, heeft God de sacramenten ingesteld, -opdat wij door het zien van die teekenen een beter inzicht zouden -verkrijgen in zijne weldaden, een krachtiger bevestiging zouden ontvangen -van zijne beloften en alzoo in ons geloof zouden gesteund en versterkt -worden. De sacramenten werken het geloof niet, maar zij versterken -het, gelijk de trouwring de liefde. Zij storten geen physische genade -in, maar schenken den ganschen Christus, dien de geloovigen reeds -bezitten door het woord, doch zij schenken hun dienzelfden Christus op -eene andere wijze en langs een anderen weg en versterken het geloof. En -voorts vernieuwen zij der geloovigen verbond met God, sterken hen in -de gemeenschap van Christus, sluiten hen onderling te nauwer aaneen, -zonderen hen af van de wereld, en betuigen aan engelen en menschen, dat -zij het volk Gods, de gemeente van Christus, de communio sanctorum zijn, -M. Vitringa VI 422. 437. - - -7. Het getal der sacramenten wordt zeer verschillend bepaald, -alnaarmate het begrip sacrament enger of ruimer genomen wordt. Als -met Augustinus gezegd wordt: omne signum sacrum est sacramentum, wordt -het getal zeer uitgebreid. En ook als met Calvijn onder sacramenten al -die teekenen worden verstaan, welke God ooit aan menschen gaf, om hen -te vergewissen van de waarheid zijner beloften, geeft de H. Schrift ons -eene gansche reeks van sacramenten, Inst. IV 14, 18. De Gereformeerden -telden er dan ook vele op, vooral toen later de leer der verbonden -uitgewerkt werd en ieder verbond en elke verbondsbedeeling het noodig -getal sacramenten hebben moest. Zoo telde men soms in het werkverbond -vóór den val, ofschoon er toen toch eigenlijk van geen middelen der -_genade_ sprake kon zijn, den sabbat en het paradijs, den boom der kennis -en den boom des levens als sacramenten op. En in de Oudtestamentische -bedeeling van het genadeverbond werden niet alleen besnijdenis en -pascha, maar dikwerf ook de uitdrijving uit het paradijs, het maken van -rokken, de offerande van Abel, de boog van Noach, de doorgang door -de Roode Zee, het manna, het water uit de rots, de koperen slang, -Aarons staf, Gideons vlies, Hiskia’s zonnewijzer enz. als sacramenten -beschouwd, Polanus, Synt. Theol. VI 50-54. Witsius. Oec. foed. I 6. IV -7. 10. Moor V 258-267. Aan de N. Test. sacramenten toegekomen, vatte -men echter het begrip terstond in enger zin op en beperkte hun getal -tot twee, al is het, dat Calvijn de handoplegging, Inst. IV 14, 20 en -Luther en Melanchton de absolutie, Symb. B. ed. Müller 173. 202 soms -nog een sacrament noemden. Rome echter breidde het getal sacramenten -tot zeven uit en voerde daarnaast nog een groot getal van zoogenaamde -sacramentalia in. Het onderscheid tusschen beide bestaat daarin, dat -de sacramenten door God, de sacramentaliën door de kerk zijn ingesteld; -gene werken door de van God hun verleende kracht, deze door de voorbede -en zegening der kerk; de eerste bewerken onmiddellijk des menschen -innerlijke heiliging, de laatsten dragen daartoe slechts bij door het -verleenen van ondergeschikte genaden en het bewaren voor tijdelijke -onheilen; de sacramenten zijn noodzakelijk krachtens Gods gebod, de -sacramentaliën zijn door de kerk als nuttig en heilzaam aanbevolen. Tot -de sacramentaliën behooren voorwerpen als kerken, altaren, priesterlijke -kleederen, kelken, klokken, water, olie, zout, brood, wijn, palmen -enz., die door de kerk gewijd en voor het godsdienstig gebruik worden -afgezonderd, en voorts de handelingen van bezweren en zegenen, welke -de kerk aanwendt, om zaken en personen aan den boosaardigen invloed -des duivels te onttrekken en op het heilig erf der kerk over te -brengen. Voor Rome toch is de schepping van veel lagere orde dan de -herschepping; de schepping is natuur, de herschepping is genade, d. w. -z. elevatio naturae; de wereld draagt een profaan karakter en staat -bovendien onder invloed van Satan; al wat daarom uit de wereld in den -dienst der kerk overgaat, moet aan de macht van den duivel onttrokken -en tot den dienst van God gewijd en gezegend worden. Terwijl alzoo de -sacramentaliën de groote omheining vormen, die de kerk scheiden van -de wereld, zijn de sacramenten de middelen, waardoor God de leden der -kerk inwendig heiligt, de bovennatuurlijke genade meedeelt en zijne -natuur deelachtig maakt. Zij zijn de middelen tot verlossing en opheffing -van de gansche zichtbare schepping, welke in de vier elementen, die -zij gebruiken, n.l. water, olie, brood en wijn, gerepresenteerd wordt, -en zijn zeven in getal, omdat zij, het getal der Godheid met het getal -der wereld verbindend, door de bovennatuurlijke genade de gansche -schepping heiligen en tot den dienst Gods wijden. De doop, door Christus -ingesteld, Mt. 28:19, neemt niet alleen alle schuld en straf der zonde -weg, maar bevrijdt ook van de smet der zonde, plant het beginsel der -genade en heiligheid, de kiem des nieuwen levens door de wedergeboorte -in de ziel in, en maakt alzoo den mensch tot een levend lid van -Christus’ mystieke lichaam en neemt hem op in de gemeenschap met den -drieëenigen God. Gelijk Adam door het donum superadditum in eene hoogere -wereld, in het rijk der genade, intrad, zoo wordt de gedoopte in den -stand der bovennatuurlijke heiligheid verheven. Maar evenals Adam de -geschonken genade door zijn vrijen wil te bewaren had, zoo moet ook de -Christen door zijn vrijen wil de doopsgenade zich toeeigenen. Om hem -daartoe kracht te schenken, dient het tweede sacrament, de confirmatie -of het vormsel. De Roomschen kunnen niet bewijzen, dat Christus dit -sacrament ingesteld en aan de apostelen bevolen heeft, maar zij moeten -dit toch gelooven omdat de kerk het zegt, en beroepen zich daarom op -Hd. 8:15, 19:6, Hebr. 6:2, waar alleen sprake is van buitengewone -gaven des H. Geestes, die door de apostelen met handoplegging werden -medegedeeld, gelijk uit Hd. 8:18, 10:44, 45 cf. 1 Cor. 14:1, 15, 37 -duidelijk blijkt. Behalve in handoplegging bestaat het vormsel voorts in -zalving en in het uitspreken van eene formule door den bisschop, welke -aan de H. Schrift geheel onbekend en eerst langzamerhand in de kerk -ingevoerd is. Volgens Rome verleent dit sacrament nu aan de gedoopte -kinderen, als zij tot het gebruik hunner rede gekomen zijn, de kracht des -H. Geestes, om het in den doop ontvangen leven der genade te bewaren en -het geloof standvastig met woord en daad te belijden. Deze kracht des -nieuwen levens wordt gevoed en versterkt door het derde sacrament, dat -des altaars of der eucharistie genoemd, waarin Christus zelf met zijne -Goddelijke en menschelijke natuur tegenwoordig is, zich op onbloedige -wijze voor de zonden opoffert en zijn waarachtig lichaam en bloed aan de -communicanten tot voeding hunner ziel te genieten geeft. Omdat echter -het leven der genade bij ’s menschen zwakheid door allerlei zonde schade -kan lijden en verloren kan gaan, heeft Christus een vierde sacrament, -dat der boete, ingesteld, ten einde zijne heiligmakende genade te -herstellen of te vernieuwen. Voor de instelling door Christus beroept -Rome zich op de macht, welke Christus aan zijne apostelen verleend heeft -om zonden te vergeven, Mt. 16:19, 18:18, Joh. 20:22, 23. Nu staat deze -lastgeving van Christus wel vast, maar met geen woord wordt gezegd, dat -zij het karakter draagt van een sacrament; een teeken ontbreekt eraan -en Rome weet niet anders te zeggen dan dat het berouw, de belijdenis -en de genegenheid om te voldoen het teeken in dit sacrament der boete -zijn. Het sacrament der boete is dan ook bij Rome een rechtbank geworden, -waarin de priester de in de biecht beleden zonden, naar den maatstaf -der libri poenitentiales beoordeelt en, ofschoon van de schuld en de -eeuwige straf vrijsprekend, toch met allerlei tijdelijke straffen op aarde -of in het vagevuur boeten doet, die echter dan weer door aflaten kunnen -worden kwijtgescholden. Het sacrament van het heilig oliesel dient niet -tot genezing van den kranke, gelijk de aangevoerde bewijsplaats Jak. -4:14 zou doen verwachten, maar tot voorbereiding van den stervende -voor den dood; de zalving met heilige olijfolie duidt de zalving des H. -Geestes, de mededeeling der genade aan, die de ziel van hare gebreken -bevrijdt en tot den laatsten strijd de noodige kracht verleent. Bij -deze vijf sacramenten komen dan nog het sacrament der ordening, dat -den priester door eene ambtelijke gave des H. Geestes van den leek -onderscheidt en hem de macht schenkt, om in de mis brood en wijn in het -lichaam en bloed van Christus te veranderen en den berouwhebbenden -zondaar in Christus’ naam de zonden te vergeven; en het sacrament des -huwelijks, dat den echtelijken staat naar het woord van Ef. 5:25 tot -een afbeeldsel van de vereeniging tusschen Christus en zijne gemeente -maakt, daartoe de gehuwden niet alleen door natuurlijke banden maar door -bovennatuurlijke genade aan elkander verbindt en hun de kracht schenkt, -om in wederzijdsche liefde te volharden tot den dood en hunne kinderen -in de vreeze Gods op te voeden. Cf. Lombardus, Sent. IV Thomas, S. -Theol. III qu. 65 sq. Trid. Sess. 7. 13. 14. 21-24. Catech. Rom. pars -II. Bellarminus, Controv. Tom. III enz. - -Van Protestantsche zijde is dit zevental sacramenten soms bovenmate -verheerlijkt, bijv. door Leibniz, Syst. der Theol. Mainz 1825 S. 195 -f. Goethe, Aus meinem Leben II 179. Vilmar, Dogm. II 227. Bilderdijk, -Opstellen I 61. Brieven IV 68. 174 V 42 enz. Zelfs kwam er telkens hier -en daar een streven op, om het aantal sacramenten en ceremoniën uit -te breiden en de Protestantsche kerken met den symbolischen ritus van -Rome te verrijken. Toch bestaat er geen reden, om op begrip en getal -van Rome’s sacramenten jaloersch te zijn. Bij alle waardeering van het -schoone, dat er zich in uitspreekt, is toch voor den Protestantschen -Christen dit reeds van te voren beslissend, dat voor de vijf door Rome -aan doop en avondmaal toegevoegde sacramenten het Schriftuurlijk bewijs -ontbreekt. Soms wordt dit van Roomsche zijde openhartig erkend. Zoo -zegt bijv. Deharbe, Verklaring der Kath. Geloofs- en Zedeleer IV 174 -van het vormsel, dat wij nergens lezen, dat Christus dit sacrament -ingesteld of aan zijne discipelen verordend heeft het toe te dienen. -En dit geldt in dezelfde mate van biecht en laatste oliesel, van -huwelijk en priesterwijding. Maar afgedacht hiervan, wat bereikt Rome -met al deze sacramenten? Het schijnt, dat de schat en de uitdeeling -der genade bij Rome buitengewoon rijk is, maar feitelijk is deze zoo -arm, dat telkens slechts een klein gedeelte der zonden en straffen -vergeven wordt en vergeven kan worden en dat er telkens een nieuw -sacrament van noode is, om genade mede te deelen en van straffen te -ontslaan. Ja, al heeft men doop en avondmaal, boete en laatste oliesel -genoten, dan blijft toch nog na dit leven een boetedoening in het -vagevuur noodig. Zonden en straffen worden door Rome zoo eindeloos -verdeeld en gesplitst, dat alle sacramenten saam met de aflaten erbij -daarvan nog niet volkomen bevrijden kunnen. Hier staat wel tegenover -dat de heiligen het zoover kunnen brengen, dat zij zelfs over verdienen -en den thesaurus meritorum vermeerderen. Maar dat is uitzondering; -het is slechts mogelijk voor heiligen, die behalve de praecepta de -consilia volbrengen en een uitsluitend religieus leven leiden, en -verschaft hunzelven geen zekerheid of troost. De gewone Roomsche -Christen, die te midden der wereld leeft, verkeert in nog grootere -mate in onzekerheid; hij blijft tot zelfs na zijn dood toe tegenover God -staan als tegenover een Rechter, aan wien hij te voldoen en dien hij -nog door allerlei boetedoeningen te verzoenen heeft. Zijn genadestaat -is nooit zeker en vast; altijd verkeert hij in vreeze of hij er zich -wel in bevindt en niet het volgend oogenblik eruit vallen zal. En -deze onzekerheid wordt in het minst niet daardoor weggenomen, dat de -sacramenten werken ex opere operato. Want ofschoon doop, confirmatie -en ordening een character indelebilis schenken, de heiligende genade, -die de sacramenten mededeelen, is toch altijd weer verliesbaar; -hare ontvangst is bij boete, communie, laatste oliesel, huwelijk van -berouwvolle stemming afhankelijk; en ook, waar zij geschonken wordt, -bevrijdt zij niet van alle straf; satisfactio operis blijft er altijd -nog noodig, tot na dit leven in het vagevuur toe. En wat soort van -genade is het, welke de Roomsche Christen in het sacrament ontvangt? -Geen genade der vergeving en der aanneming tot kinderen, maar eene -genade, die als een donum superadditum aan de natuur toegevoegd wordt, -die nooit één wordt met den mensch, en hem daarom òf het klooster -binnendrijft òf in de wereld een dualistisch leven doet leiden. -Daartegenover heeft de Protestantsche Christen aan het woord en aan -de twee door Christus ingestelde sacramenten genoeg. Hij heeft daarin, -indien hij ze in het geloof aanneemt, den ganschen Christus, den vollen -schat zijner verdiensten, de volkomene gerechtigheid en heiligheid, de -onverbrekelijke gemeenschap met God. Van alle schuld is hij bevrijd, van -alle straf ontheven. In den doop is hij daarvan verzekerd en in het -avondmaal wordt hij voortdurend in dat geloof versterkt en bevestigd. -Zoo heeft hij geen aparte genade in confirmatie, boete en laatste -oliesel meer van noode, want door woord, doop en avondmaal ontvangt -hij alle genade, welke hij in leven en sterven, voor tijd en eeuwigheid -behoeft. Zijn eenige troost is, dat hij het eigendom van Christus is; -in dien troost leeft, in dien troost sterft hij. Christus heeft alles -voor hem volbracht; van hem wordt geen boete of straf geeischt, noch in -dit noch in het toekomende leven. En al deze genade, die de Christen -ontvangt, staat zoo weinig boven de natuur of tegen haar over, dat zij -veeleer al het natuurlijke vernieuwt en heiligt. Als hij huwt, heeft hij -daarom geen nieuwe, sacramenteele genade van noode, want het huwelijk -is krachtens zijn oorsprong heilig, en behoeft dus niet boven zijne -instelling verheven maar moet slechts in zijne natuurlijke ordening -hersteld en vernieuwd worden. Of als hij een opzienersambt begeert, -wordt hij niet door een sacramenteele genade in een bijzonderen stand -ingelijfd maar van Gods wege tot een dienst in zijne kerk geroepen -en daartoe door dezelfde genade van Christus bekwaamd. In doop en -avondmaal bezit de Protestantsche Christen oneindig meer dan de -Roomsche in zijne zeven sacramenten; want niet het aantal sacramenten -beslist maar de instelling van Christus en de volheid van genade, welke -Hij erin meedeelt. Cf. over de Roomsche sacramenten: Calvijn, Inst. IV -19. Chamier, Panstr. cath. Loc. IV lib. 4. Synopsis pur. theol. disp. -47. Turretinus, Theol. El. XIX qu. 31. Moor V 330 sq. Gerhard, Loc. XIX -60 sq. Hase, Prot. Polemik⁵ 414 f. Tschackert, Evang. Polemik 67 f. enz. - - -§ 52. DE DOOP. - -1. De doop in het N. Test. werd in de dagen des O. Verbonds voorbereid -door de besnijdenis, die door God uitdrukkelijk aan Abraham werd -voorgeschreven, Gen. 17:1Ov. Volgens Herodotus II 36. 104 kwam de -besnijding ook bij de Egyptenaren, Pheniciërs en Syriërs voor. De -Gereformeerden, bijv. Witsius, Aegypt. III 6, 11. 12, Marck, Med. -Theol. 29, 8, trachtten dit getuigenis wel te weerleggen of ook -aan te toonen, dat deze volken haar van Israel hadden overgenomen. -Maar dit gevoelen is onhoudbaar. Bij de Egyptenaren was zij reeds in -overoude tijden, althans voor de priesters, in gebruik. En nieuwere -ethnologische onderzoekingen hebben boven allen twijfel in het licht -gesteld, dat de besnijdenis eene plechtigheid is, die bij tal van volken -in Azië, Amerika, Afrika en zelfs Australië voorkomt, Delitzsch op -Gen. 17. Art. Beschneidung in Herzog³. Glassberg, Die Beschneidung in -ihrer geschichtl. ethnogr. relig. u. medic. Bedeutung, Berlin Boas -1896. Evenals God bij de instelling van tempel en priesterschap, van -offer en altaar, van wetten en ordeningen onder Israel bij bestaande -gebruiken onder andere volken zich aansluit, zoo doet Hij ook bij de -besnijdenis. Hij neemt ze als het ware over, maar geeft er eene andere, -eene sacramenteele beteekenis aan. Want onder de volken kwam wel de -lichamelijke besnijdenis voor, maar zij droeg daar geenzins het karakter -van een sacrament. Ook werd ze daar dikwerf, gelijk bij de Egyptenaren, -alleen aan enkele personen, en gewoonlijk niet in de eerste levensdagen -maar op lateren leeftijd, voltrokken. Als God echter bij Abraham de -besnijdenis instelt, dan beveelt Hij, dat al wat mannelijk is besneden -zal worden, zoowel de dienstknecht als de zoon des huizes; dat die -besnijdenis plaats hebben moet ten achtsten dage; en dat zij dient als -teeken des verbonds, zoodat wie haar niet ontvangt, een verbondbreker -is en uit het midden van zijn volk moet worden uitgeroeid. Al moge de -besnijdenis dus ook een sanitaire maatregel zijn, zij vindt daarin toch -onder Israel haar doel niet; hier strekt zij tot teeken en bevestiging -van het verbond der genade, welks ééne, groote, allesomvattende -belofte is: Ik zal uw God zijn en de God van uw zaad, Gen. 17:7. -Bepaaldelijk is zij een zegel van twee weldaden van dat verbond, van de -gerechtigheid des geloofs, Rom. 4:11, en van de besnijdenis des harten, -Deut. 10:16, 30:6, Jer. 4:4, Rom. 2:28, 29, Col. 2:11, dat is, van de -rechtvaardigmaking of vergeving der zonden en van de wedergeboorte of -heiligmaking. Niet dat zij deze weldaden werktuigelijk schenkt, want -uitwendige besnijdenis zonder die des harten is zonder waarde, Hd. -7:51, Rom. 2:28, 29; 3:21, 30, 1 Cor. 7:19, zij is een zegel van de -gerechtigheid des geloofs en onderstelt dus het geloof. Toen de Joden -hoe langer hoe meer hunne eigene gerechtigheid uit de wet zochten -op te richten, werden zij evengoed als de Heidenen en in weerwil van -hunne uitwendige besnijdenis verdoemelijk voor God, Rom. 3:21. Daarom -stelde God reeds vóór het openbaar optreden van Jezus door Johannes -den waterdoop in. Ook deze doop was niet iets nieuws, evenmin als -oudtijds de besnijdenis. Heel de oudheid schreef in den godsdienst aan -het water eene symbolische beteekenis toe. Het water van Eufraat, -Indus, Ganges had eene verzoenende, heiligende kracht. Bij Grieken -en Romeinen waren bij allerlei gelegenheden, bijv. bij inwijding in de -mysteriën, wasschingen voorgeschreven, Pfanner, Syst. Theol. gent. 346. -Ook onder Israel waren reeds langen tijd vóór de Goddelijke instelling -van den doop allerlei wasschingen in gebruik, Schürer, Gesch. des jüd. -Volkes³ II 481, en voor de proselyten was behalve besnijdenis en offer -ook een doop noodig, om in de gemeente te worden opgenomen, ib. III -129. Maar sacrament, teeken en zegel van genade, wordt deze doop toch -eerst door de instelling Gods. Het N. Test. leert dan ook uitdrukkelijk, -dat er een ρημα θεου tot Johannes uitging om te doopen, Luk. 3:2, 3, -dat God hem daartoe zond, Joh. 1:33, dat zijn doop niet ἐξ ἀνθρωπων -maar ἐς οὐρανου was, Mt. 21:25, en dat de tollenaren, die zich lieten -doopen, God rechtvaardigden, terwijl de farizeën en wetgeleerden, den -doop van Johannes weigerende, den raad Gods verwierpen, Luk. 7:29, -30. Met dien doop predikte Johannes aan de Joden van zijn tijd, dat zij, -schoon besneden en de proselyten doopende, zelven schuldig en onrein -waren en den doop van noode hadden, om in te gaan in het koninkrijk -der hemelen. De doop van Johannes was dus eene aanklacht tegen, eene -veroordeeling van de Joden, eene prediking van hunne verdoemelijkheid, -maar --men vergete het niet-- hij was ook nog iets meer. Hij was het -onomstootelijk bewijs, dat God zijn verbond gedacht en zijne belofte -vervulde. Niettegenstaande de Joden schuldig en onrein waren, er was -toch vergeving bij God; en deze zou nu nog rijker zich gaan openbaren -dan in de dagen des O. T. Johannes de Dooper is daarom ook niet te -beschouwen als de laatste der O. T. profeten, want al de profeten -en de wet hebben tot Johannes toe, ἑως Ιωαννου, geprofeteerd, Mt. -11:13, maar als de aankondiger van het komende Godsrijk, Mt. 3:2, als -de prediker van het naderend evangelie, Luk. 3:18, als de wegbereider -van Christus, Mk. 1:2, als de getuige van het opgaande licht, Joh. -1:7, 29, 34, 36 cf. Mt. 3:11, Mk. 1:7, Luk. 3:16, Hd. 19:4, die straks -voor den meerdere plaats maakt en zijne jongeren naar dezen henenleidt, -Joh. 1:35v., 3:27v. Met dezen inhoud van zijne prediking komt zijn -doop overeen. Het was een βαπτισμα μετανοιας εἰς ἀφεοιν ἁμαρτιων, Mk. -1:4, hetgeen niet beteekent, dat Johannes’ doop slechts tot de later -door Christus te ontvangen vergeving voorbereidde (Meyer), maar zeer -bepaald, dat hij in den weg van bekeering de vergeving schonk. Immers -het heet op dezelfde wijze in Hd. 2:38 van den christelijken doop, dat -hij geschiedde εἰς ἀφεσιν ἁμαρτιων, omdat men door den doop als teeken -en zegel de vergeving verkrijgt. Voorts is Jezus zelf met den doop van -Johannes gedoopt, maakt tusschen den doop, door zijne jongeren bediend, -en dien van Johannes hoegenaamd geen onderscheid, Joh. 3:22, 23, 4:1, -neemt de door Johannes gedoopte jongeren eenvoudig over, zonder hen te -herdoopen, Joh. 1:37, Hd. 18:25, en stelt in Mt. 28:19 geen anderen of -nieuwen doop in, maar breidt hem alleen tot alle volken uit. Op deze -gronden werd door Gereformeerden, Calvijn, Inst. IV 15, 7. 8. Mastricht, -Theol. VII 4, 17. Turretinus, Theol. El. XIX 16, M. Vitringa VII 52 en -Lutherschen, Gerhard, Loc. XX 15 sq. 43 sq. bij gradueel verschil toch -de wezenlijke identiteit van den Johanneischen en den christelijken doop -vastgehouden. Maar deze werd bestreden door de Roomschen, Thomas, S. -Theol. III qu. 66 art. 4. Trid. sess. VII can. 1. Bellarminus, de bapt. -I 5, door de Anabaptisten, Socinianen, Arminianen en door vele nieuwere -theologen, Schleiermacher, Chr. Gl. § 136, 1. Steitz in Herzog¹ 15, -468. Höfling, Das Sakr. der Taufe I 26 f. van Oosterzee, Dogm. § 87, 2 -enz. Er zijn ook inderdaad tegen de identiteit gewichtige bezwaren in te -brengen. Ten eerste wordt aan Mt. 3:11, Mk. 1:8, Luk. 3:16 de bedenking -ontleend, dat de doop van Johannes en de christelijke doop tegenover -elkander staan als water- en als Geestes- en vuurdoop. Maar Hd. 1:5 -leert duidelijk, dat Johannes hier niet zijn doop tegen den christelijken -doop, maar tegen den overdrachtelijk zoo genoemden doop des H. Geestes -op den pinksterdag overstelt. De eigenlijke christelijke doop is immers -ook een doop met water, beteekenend de afwassching der zonden, en de -doop van Johannes was eveneens een doop met water, maar die tevens -verzegelde de bekeering en vergeving. Beide doopen komen dus in teeken -en beteekende zaak geheel overeen. Anders zou er ook het ongerijmde uit -volgen, dat niet alleen de doop van Johannes, maar ook de doop, dien -Jezus zelf vóór den pinksterdag door zijne discipelen bedienen liet, -niets dan een doop met water ware geweest. En dat durven zelfs de -bestrijders van de identiteit van den doop van Johannes en van Christus -niet aan. Zij zeggen gewoonlijk, dat de christelijke doop òf reeds bij -Jezus’ doop door Johannes òf bij het doopen van Jezus zelf door zijne -discipelen ingesteld is. Maar beide doopen, zoowel die van Jezus als -die van Johannes, waren onderscheiden van dien Geestesdoop, die op den -pinksterdag plaats hebben zou, al beteekenden en verzegelden zij beide -ook dezelfde weldaden van bekeering en vergeving der zonden. Maar nu -wordt toch weer --en dat is het tweede bezwaar tegen de bovenbedoelde -identiteit-- de Geestesdoop van den pinksterdag met den christelijken -waterdoop in verband gebracht. Volgens Hd. 19:1-7 toch trof Paulus te -Efeze eenige discipelen aan, die gedoopt waren εἰς το Ιωαννου βαπτισμα, -die μαθηται en πιστευσαντες heetten en toch den H. Geest niet ontvangen -hadden en zelfs niet wisten, εἰ πνευμα ἁγιον ἐστιν. Door Paulus beter -aangaande de prediking van Johannes onderricht, lieten zij zich doopen -εἰς το ὀνομα του κυριου Ιησον, en de handen opleggen en ontvingen -alzoo den H. Geest en begonnen te spreken in tongen en te profeteeren. -Uit dit laatste blijkt, dat bij πνευμα ἁγιον hier, evenals 8:15, 10:44, -11:15, 15:8 aan de Geestesgave der glossolalie en profetie moet worden -gedacht; deze hadden de discipelen in Efeze niet ontvangen en zij hadden -er zelfs niet van gehoord. De doop gaf niet altijd die gave, niet alleen -die van Johannes niet maar ook niet die van Jezus. Want in Hd. 8:15 -lezen wij, dat de geloovigen in Samaria wel gedoopt waren εἰς το ὀυομα -του κυριου Ιησου, maar nog geen van allen den H. Geest ontvangen hadden -en dien eerst verkregen door handoplegging der apostelen. En evenzoo -laat Hd. 19:6 deze gave niet een gevolg zijn van den doop maar van de -handoplegging. Doch het vreemde in Hd. 19 is, dat de discipelen in -Efeze vóór deze handoplegging in den naam van den Heere Jezus gedoopt -werden. Paulus moet dus den doop, dien zij ontvangen hadden, niet als -een waren, echten doop hebben erkend. Zij waren gedoopt εἰς το Ιωαννου -βαπτισμα. De doop van Johannes was wel goed, want hij doopte den doop -der bekeering tot geloof in Christus. Maar onder de discipelen van -Johannes, die bij hem gebleven en niet tot Jezus waren overgegaan, was -er allerlei dwaling binnengeslopen, ook aangaande den doop; en zoo -moesten de discipelen in Efeze niet op nieuw maar voor de eerste maal -in Jezus’ naam gedoopt worden, want hun doop tot den naam van Johannes -was geen ware doop, niet de echte christelijke en ook niet de echte, -oorspronkelijke Johanneische doop. Cf. Baldensperger, Der Prolog des -vierten Evang. Freiburg Mohr 1898, die meent, dat heel de proloog van -Joh. 1 tegen deze Baptisten of volgelingen van Johannes den Dooper -geschreven is. - - -2. De Goddelijke instelling van den doop valt dus reeds bij Johannes, -maar Jezus heeft hem, na hem zelf ondergaan te hebben, overgenomen, -door zijne jongeren laten bedienen, Joh. 3:22, 4:1, en in Mt. 28:19 -voor alle geloovigen uit alle volken verplichtend gesteld. De laatste -plaats wordt door velen als onecht beschouwd, wijl in den apostolischen -tijd de doop nog plaats had in den naam van Jezus en de trinitarische -formule eerst van later dagteekening is; en zelfs zijn er, die beweren, -dat Jezus den doop heel niet voor zijne gemeente ingesteld heeft. -Daartegen bestaan echter allerlei bezwaren. Het is wel niet voor -ontkenning vatbaar, dat Jezus zelf den doop van Johannes zich heeft -laten toedienen en dezen daarmede erkend heeft; Hij leidt hem, waar hij -er uitdrukkelijk over spreekt, uit een bevel Gods af, Mt. 21:25. Ook is -er geen grond om te ontkennen, dat Jezus den doop heeft overgenomen -en hem, zoo niet zelf, dan toch door zijne jongeren heeft bediend, -Joh. 3:22, 26, 4:1, 2, want Jezus trad met dezelfde prediking op als -Johannes, n.l. van de nabijheid van het koninkrijk der hemelen en stelde -voor den ingang daarvan dezelfde eischen, n.l. geloof en bekeering, -Mk. 1:15; het lag dus voor de hand, dat Hij evenals Johannes den doop -der bekeering toedienen liet aan een ieder, die tot den engeren -kring van zijne discipelen wilde behooren. In Joh. 3:5 is wel niet -van den doop sprake, deel III 501, maar de plaats bewijst toch, dat -de Geestesmeedeeling in de gemeente beschouwd werd als hebbende haar -symbool in het water. Naarmate de tegenstelling van het Joodsche volk -met Hem en zijne jongeren grooter werd, werd een acte van afzondering -eenerzijds en van opname in de gemeente van Jezus anderzijds te meer -noodzakelijk. De doop als inlijving in de christelijke gemeente moet -ook wel door Jezus zelf gewild en bedoeld zijn, wijl anders niet te -verklaren zou zijn, dat hij terstond, zonder eenigen strijd, in alle -christelijke gemeenten, zoowel in die uit de Joden als uit de Heidenen, -is ingevoerd en toegepast, Hd. 2:38, 41, 8:12, 13, 16, 38, 9:18 enz. -Rom. 6:3-5, 1 Cor. 1:13-17, Gal. 3:27, Ef. 5:26 enz. In 1 Cor. 1:17 -zegt Paulus wel, dat Christus hem niet gezonden heeft, om te doopen, -maar om het evangelie te verkondigen. Doch dit bewijst hoegenaamd niet, -dat Paulus den doop gering schat of onnoodig acht; Rom. 6 en andere -plaatsen leeren dit wel anders. Jezus zelf heeft echter ook den doop -niet bediend maar liet hem bedienen. En zoo ook hield Paulus zich -voornamelijk met de prediking van het evangelie bezig en liet het doopen -en andere werkzaamheden bij de stichting en den opbouw der gemeenten aan -zijne medearbeiders over. - -Nu heet de doop wel in den eersten tijd een doop ἐν τῳ ὀνοματι of εἰς -το ὀνομα Ιησου, Rom. 6:3, 1 Cor. 1:13, Gal. 3:27, Hd. 2:38, 8:16, -10:48, 19:5, maar daarmede is volstrekt niet gezegd, dat de doop met -die bepaalde formule bediend werd. Immers zegt Paulus in 1 Cor. 10:2, -dat de Israelieten εἰς τον Μωυσην, in 1 Cor. 1:13, dat de geloovigen te -Corinthe niet εἰς το ὀνομα Παυλου, in 1 Cor. 12:13, dat zij εἰς ἑν σωμα -gedoopt werden, en in Hd. 19:3 zeiden de discipelen te Efeze, dat zij -εἰς το Ιωαννου βαπτισμα waren gedoopt; in alwelke gevallen niemand aan -eene formule denkt, die bij den doop werd uitgesproken. De uitdrukking: -in den naam van Jezus, is niet als formule bedoeld, maar is omschrijving -van het karakter van den christelijken doop, Zahn, Einl. in das N. T. -II 309. De Israelieten lieten zich, uitgaande uit Egypte, in de wolk -en in de zee doopen εἰς τον Μωυσην, in betrekking tot Mozes, zoodat -zij hem erkenden als hun redder en verlosser, op hem hun vertrouwen -stelden en zich door hem lieten leiden. De discipelen te Efeze waren -gedoopt εἰς το Ιωαννου βαπτισμα en hadden zich daardoor bij Johannes -aangesloten. En zoo ook is en heet de christelijke doop een doop in of -tot den naam van Jezus, omdat hij de geloovigen in zijne gemeenschap -stelt en alleen op Hem al hun vertrouwen richt. Ditzelfde is nu ook -bedoeld, als Jezus Mt. 28:19 zegt, dat zijne discipelen gedoopt moeten -worden εἰς το ὀνομα του πατρος και του υἱου και του ἁγιου πνευματος. -Hij schrijft hier niet aan de apostelen voor, wat zij bij de bediening -des doops _zeggen_, maar wat zij _doen_ moeten; de christelijke doop -is en moet zijn eene inlijving in de gemeenschap met dien God, die zich -als Vader, Zoon en Geest heeft geopenbaard. De naam duidt God in zijne -openbaring aan, en de hoogste openbaring Gods bestaat daarin, dat Hij -zich kennen doet en noemen laat als Vader, Zoon en Geest, deel II 63v. -Het gedoopt worden in dien naam geeft dus niet maar te kennen, dat men -op last of bevel Gods of tot belijdenis van zijn naam gedoopt wordt; -immers kan de uitdrukking: in den naam, met den persoon zelf worden -afgewisseld, gelijk Paulus ook spreekt van gedoopt worden εἰς Χριστον, -Rom. 6:3, Gal. 3:27. Maar het geeft te kennen, dat de doopeling in -betrekking tot en in gemeenschap met dien God gesteld wordt, die zich -als Vader, Zoon en Geest heeft geopenbaard, en nu op grond daarvan ook -verplicht wordt, om dien naam te belijden en te verheerlijken. Cf. Julius -Böhmer, Das biblische „im Namen”. Eine sprachwiss. Untersuchung über -das hebr. בְּשֵׁם und seine griech. Aequivalente, Giessen Ricker 1898. -Ofschoon Jezus echter na zijne opstanding den doop als eene inlijving in -de gemeenschap met Vader, Zoon en Geest omschreven had, lag het voor de -hand, dat hij in den eersten tijd meest met den persoon van Christus in -verband werd gebracht. Het kwam bij de intrede in de gemeente allereerst -aan op bekeering en op geloof in Christus, om in dien weg vergeving -van zonden te erlangen, en daarvan was de doop het teeken en bewijs. -Daarom heet de doop in de Hand. nog even als bij Johannes een βαπτισμα -μετανοιας εἰς ἀφεσιν ἁμαρτιων, Hd. 2:38, 22:16. Maar er kwam in den -eersten tijd nog iets anders bij. Johannes en ook Jezus zelf hadden -dezen doop der bekeering gesteld tegenover den Geestesdoop, die op den -pinksterdag plaats hebben zou. Deze Geestesdoop was volstrekt niet -aan den waterdoop, den doop der bekeering tot vergeving der zonden, -gebonden, want in Hd. 2:33 ontvangen alle discipelen dien Geest zonder -doop; in Hd. 9:17, 10:44 worden de gaven des Geestes aan Paulus, -Cornelius e. a. reeds geschonken vóór den doop, cf. 11:15-17; in Hd. -8:1, 9:17, 19:6 wordt glossolalie en profetie niet door den doop maar -door de handoplegging verleend. Maar toch was voor degenen, die buiten -stonden, de doop der bekeering de gewone weg, waarlangs zij ook de -gaven des Geestes konden ontvangen, Hd. 2:38, 19:5, 6. Deze verbinding -was echter tijdelijk; glossolalie en profetie waren niet de eigenlijke -weldaden van den doop; de christelijke doop bleef wezenlijk een doop -der bekeering en des geloofs in Christus tot vergeving der zonden. Zoo -wordt hij ook overal in het N. T. verstaan en beschreven. Petrus zegt -1 Petr. 3:21, dat, gelijk Noach en de zijnen door het water, dat de ark -droeg, behouden zijn van den dood, zoo de geloovigen van het verderf -gered zijn door den doop; maar die doop moet dan worden opgevat, niet -als σαρκος ἀποθεσις ρυπου, niet gelijk hij uitwendig ons afleggen doet -de onreinheid des vleesches, maar als συνειδησεως ἀγαθης ἐπερωτημα εἰς -θεον, δι’ ἀναστασεως Ιησου Χριστου, d. i. waarschijnlijk, de bede tot -God om een goed, van schuld bevrijd, geweten, hetgeen de doop alleen -is en wezen kan door de opstanding van Jezus Christus als bewijs van -onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25. Dezelfde opvatting keert in den -brief aan de Hebr. terug; deze rekent wel de διδαχη βαπτισμων, d. i. -niet de leer van den christelijken doop maar van de wasschingen in het -algemeen, waarvan een rechte beschouwing voor Joodsche Christenen -dringend noodig was, cf. 9:10, tot de grondbeginselen van het -Christendom, maar onderscheidt in den christelijken doop twee elementen: -de wassching des lichaams met rein water en de reiniging des harten -van een kwaad, beschuldigend, geweten, 10:22, 23. Van eene andere zijde -wordt de doop door Paulus beschouwd; hij brengt hem niet zoozeer met de -rechtvaardigmaking als wel met de heiligmaking in verband. Als indalen -in en opkomen uit het water is de doop een afbeelding en onderpand -van het treden in gemeenschap met Christus, met zijn dood en met zijne -opstanding, Rom. 6:3-6, Col. 2:12. Zoovelen dan in Christus, in zijne -gemeenschap, gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan, Christus -zich toegeeigend, zoodat zij nu in Christus zijn, Hem toebehooren, Gal. -3:27-29, in nieuwigheid des levens wandelen, Rom. 6:4, 6v., Ef. 5:26, -Gode leven, Rom. 6:11, 13, ja het leven van Christus zelven in zich -dragen, Gal. 2:20. En even als zij door den doop in gemeenschap met -Christus getreden zijn, zoo ook met zijne gemeente, die zijn lichaam is; -zij zijn allen door éénen Geest tot één lichaam gedoopt, 1 Cor. 12:13, -Rom. 12:5. De waterdoop is bij Paulus tegelijk Geestesdoop, maar niet een -doop met de geestelijke gaven der glossolalie en profetie, doch met den -Geest als beginsel des nieuwen levens. Gedoopte menschen zijn nieuwe, -geestelijke menschen, πνευματικοι. Maar deze vernieuwing des menschen -door den H. Geest in den doop staat niet los naast en komt niet -toevallig bij de rechtvaardigmaking uit het geloof. Zij vallen samen; -de Corinthiërs zijn op hetzelfde oogenblik afgewasschen, geheiligd en -gerechtvaardigd in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes -Gods, 1 Cor. 6:11, cf. deel III 531. In den doop zijn al deze weldaden -saamgevoegd en aan de geloovigen geschonken, hetgeen echter niet -wegneemt, dat de Corinthiërs, trots hun doop, door Paulus nog σαρκικοι, -νηπιοι ἐν Χριστῳ genoemd en voor mogelijken afval ernstig worden -gewaarschuwd, 1 Cor. 3:1, 3, 10:1-12. Cf. Bossert, Die Bedeutung der -Taufe im N. T., Zeits. f. k. Wiss. u. k. Leben 1888 S. 339 f. Ehlers, -Das N. T. und die Taufe 1890. Holtzmann, Neut. Theol. I 378 II 178. - - -3. Eene vaststaande leer over en een algemeen geldende ritus bij den -doop wordt in de oude christelijke kerk nog niet aangetroffen. Maar -toch kent Didache 7, 1 reeds de trinitarische formule, terwijl Hermas, -Vis. III 7 nog spreekt van een doop in den naam des Heeren, of hem, -Sim. IX 16, een zegel noemt van den Zone Gods, dat het leven geeft. De -werkingen van den doop zijn vooral vergeving van de verledene zonden en -een nieuw, bovennatuurlijk, eeuwig leven door den H. Geest, Justinus, -Apol. I 61. Tertullianus, de baptismo 4. 5. Cypr. de grat. 3. 4. -Greg. Naz. Or. 40, 3 sq. Hoewel duidelijk gezegd wordt, dat het water -in den doop zijne natuur behoudt, wordt de verbinding van teeken en -beteekende zaak mystisch opgevat; εἰ τις ἐστιν ἐν τῳ ὑδατι χαρις, οὐκ -ἐκ της φυσεως ἐστι του ἱδατος, ἀλλ’ ἐκ της του πνευματος παρουσιας, -Basil. de spir. sancto c. 15. Λι’ ἐκεινου του ἱδατος ἡ θεια χαρις την -αἰωνιον δωρειται ζωην, Theodoretus, qu. 26 in Gen., bij Suicerus s. v. -βαπτισμα, cf. Tert. de bapt. 4. De doop wordt daarom ook met allerlei -aan de mysteriën ontleende namen aangeduid, φωτισμος, μυστηριον -τελετη, τελειωσις, μυησις, μυσταγωγια, en wordt beschouwd als ὀχημα -προς οὐρανον, ὀχημα προς θεον, κλεις οὐρανων βασιλειας, Schwane, D. G. -II 735. Hatch, Griech. u. Christ. 219. Suicerus s. v. En toen sedert -de tweede eeuw de godsdienstoefening uiteenviel in een openbaar en -bijzonder deel, nam de bediening van doop en avondmaal hoe langer hoe -meer een mysterieus, alleen voor de ingewijden verstaanbaar karakter -aan. Door het catechumenaat voorafgegaan, werd de doop zelf met -allerlei symbolische handelingen omringd, zooals de presentatie van den -doopeling door peetouders, het afleggen van belijdenis, het blazen op -het aangezicht en de teekening met het kruis, het leggen van gewijd zout -in den mond van den doopeling, het exorcisme, de driemaal herhaalde -indompeling of besprenging, de zalving met het chrisma, het geven -van een nieuwen naam, de omhanging met een wit kleed, de overreiking -van eene brandende kaars, de opname in de gemeente, de broederkus, -en soms daarna terstond de viering van het avondmaal, Suicerus s. v. -Moeller-von Schubert, Kirchengesch. I² 339, cf. Catech. Rom. II 2 qu. -45 sq. Bellarminus, de bapt. c. 24-27. Terwijl dus in den apostolischen -tijd de doop terstond op de bekeering volgde en op de eenvoudigste -wijze bediend werd, Hd. 2:38, 41, 8:12, 36, 10:47 enz., werd hij van de -tweede eeuw af in een altijd meer zich uitbreidend ritueel gehuld en -in een magisch en mystisch genademiddel veranderd. Zelfs Augustinus -bevorderde de ontwikkeling van de leer des doops in dezen geest, al is -het ook, dat hij bij volwassenen voor eene heilzame werking van den doop -voorafgaand geloof en bekeering vereischte. Want ten eerste zegt hij, -dat de doop de vergeving der zonden en de wedergeboorte slechts geeft -binnen de kerk; het sacrament is een sacrament van Christus en door Hem -aan zijne kerk gegeven; ketters en scheurmakers kunnen het wel medenemen -buiten de kerk, maar dan is het een gestolen en wederrechtelijk bezeten -goed en oefent daarom geen heilzame werking uit, maar strekt ad -perniciem, de unit. eccl. 68 de bapt. 3, 13. 5, 7 sq. Ten tweede schijnt -hij bij kinderen eene heilzame werking van den doop ex opere operato te -leeren; ongedoopt stervende kinderen gaan verloren, de anima I 9. III -12. de pecc. mer. I 20. de nat. et gr. 8., maar bij hen, die gedoopt -worden, vervangt de doop zelf of de voorbede der kerk of het geloof -der ouders het geloof, dat zij zelven nog niet oefenen kunnen, de pecc. -mer. I 19. 34 sq. En ten derde schrijft Augustinus aan den doop in -elk geval de werking van een character indelebilis toe, waardoor de -gedoopten rechtens Christus en zijne kerk toebehooren en desnoods met -dwang onder hare hoede mogen worden teruggebracht, de bapt. V 21 VI -1. c. epist. Parmen. II 16, cf. Dorner, Augustinus 248 f. Schwane, D. -G. II 744 f. Harnack, D. G. III 143 f. De scholastiek bleef eerst nog -wel bij Augustinus staan en erkende, dat de doop bij volwassenen het -geloof onderstelde en ook niet volstrekt ter zaligheid noodzakelijk -was. Maar zij bewoog zich toch hoe langer hoe meer in deze richting, -dat zij het sacrament ex opere operato liet werken, en de subjectieve -vereischten steeds meer aan beteekenis verliezen deed, Lombardus, -Sent. IV dist. 3-6, Thomas, S. Theol. III qu. 66-71. Bonaventura, -Brevil. VI 7. Schwane, D. G. III 605-622. Harnack, D. G. III 478 f. -Zoo werd de leer des doops bij Rome voorbereid, die in het kort hierop -neerkomt: de doop is het eerste sacrament, de deur tot het geestelijk -leven, de ingang tot de kerk; hij geeft de eerste bovennatuurlijke -genade, die door de andere sacramenten ondersteld en vermeerderd wordt -en is daarom ter zaligheid volstrekt noodzakelijk, behalve in enkele -gevallen, waarin hij door een baptismus sanguinis of flaminis (voti) -vervangen kan worden. Hij moet daarom ook zoo spoedig mogelijk en in -geval van nood door leeken of niet-christenen bediend worden. Door -dien doop toch worden meegedeeld: 1º het character indelebilis, dat -iemand onder de jurisdictie der kerk brengt, 2º de vergiffenis van alle -zonden, zoo erf-, als dadelijke zonden, die vóór den doop zijn bedreven -en kwijtschelding van alle eeuwige en ook van alle tijdelijke straffen, -voorzoover zij opera satisfactionis, maar niet, voorzoover zij natuurlijke -straffen der zonden zijn, 3º de geestelijke vernieuwing en heiliging -van den mensch, door de instorting der heiligmakende genade en de -bovennatuurlijke deugden van geloof, hoop en liefde, zoodat de smet der -erfzonde ganschelijk wordt te niet gedaan en slechts de van nature aan -den mensch als physisch wezen eigene concupiscentia overblijft, die -echter zelve geen zonde is doch wel aanleiding tot zondigen worden -kan. 4º De inlijving in de gemeenschap der heiligen en in de zichtbare -kerk der geloovigen. Deze werkingen oefent de doop daardoor uit, dat -onder het uitspreken der bekende formule het woord Gods of de kracht -des H. Geestes zich op geheimvolle wijze met het water verbindt en dit -tot een aqua viva et efficax, tot een uterus maternus van den nieuwen -mensch maakt. Feitelijk worden dan ook door het sacrament des doops -wedergeboren niet alleen alle kinderen, maar ook alle volwassenen, die -aan de zeven praeparationes hebben voldaan en geen obex in den weg -stellen. Cf. Conc. Flor. bij Denzinger n. 591. Trid. VI 4. VII de bapt. -XIV de poenit. 2, Cat. Rom. II 2. Bellarminus, de sacr. bapt. c. 1-27. -Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. I² 141 f. enz., en voor de leer -der Grieksche kerk, Damasc., de fide orthod. IV 14. Conf. orth. qu. -102. 103. Conf. Dosith. decr. 16. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 400 f. - - -4. De strijd, die door de Reformatie tegen de sacramentsleer van Rome -werd aangebonden, concentreerde zich niet om den doop maar om het -avondmaal. De Duitsche Hervormers waren zelfs van meening, dat de -doop in het pausdom vrij wel ongeschonden was bewaard en namen hem -daarom met geringe wijziging over. Vele ceremoniën, die langzamerhand -aan den doop waren toegevoegd, bleven ook bij de Lutherschen in -gebruik, zooals naamgeving, kruisteeken, excorcisme, peterschap, -handoplegging, witte kleeding, zegening enz. Voorts leerde Luther in -zijne beide Catechismi en in de Smalc. artikelen, dat het woord der -instelling het water van den doop maakte tot een divina, coelestis, -sancta et salutifera aqua; wel verwierp hij het gevoelen van Thomas en -de Dominicanen, die het woord der instelling miskenden en God eene -virtus spiritualis aan het water lieten mededeelen; maar hij nam toch -eene objectieve, reëele vereeniging van het woord en het water aan; -de doop is verbum Dei cum mersione in aquam, aqua divino mandato -comprehensa et verbo Dei obsignata; het water in den doop is, gelijk -Luther het elders in zijn Sermon von der Taufe uitdrukte, durch die -göttliche Majestät ganz durchgöttet, gelijk het ijzer door het vuur -verhit wordt. Latere dogmatici werkten dit uit en leerden, dat door -het woord der instelling de materia coelestis, d. i. tota trinitas of -sanguis Christi of Spiritus sanctus zich met de materia terrestris, -d. i. het water zoo verbond, dat God in, cum en per aquam baptismi, -non seorsim et actione peculiari sed conjunctim cum aqua baptismi -et per eam, una atque indivisa actione de wedergeboorte werkte. En -eindelijk liet Luther in den eersten tijd de heilzame werking van den -doop wel altijd afhangen van het geloof, waarmede de weldaden van den -doop werden aangenomen, maar later legde hij hoe langer hoe meer op -het objectief karakter van den doop nadruk, en zeide niet meer, dat -de kinderen geloovigen zijn of kunnen zijn, doch liet den kinderdoop -alleen rusten op Gods bevel. De Lutherschen leerden daarom later, dat -de heilzame werking van den doop bij volwassenen wel van het geloof, -althans van eene passiva capacitas afhangt en dus, indien het geloof -aanwezig is, in obsignatio en confirmatio bestaat; maar bij kinderen -werkt de doop de wedergeboorte, is hij medium ordinarium regenerationis -et mundationis a peccatis, echter toch altijd zoo, dat wel de schuld -en macht maar niet de geheele smet der zonde wordt weggenomen; de -radix aut fomes peccati blijft. Cf. Symb. B. ed. Müller 30. 40. 163. -320. 361. 384. 485. 768. 780. Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 507 -f., en Harnack, D. G. III 748. Melanchton, Loc. de baptismo. Gerhard, -Loc. XX. Quenstedt, Theol. IV 106-176. Hollaz, Ex. theol. 1077-1103. -Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § 54. De Gereformeerden echter verwierpen -niet alleen de meeste ceremoniën, die allengs met den doop verbonden -waren en keerden tot den eenvoud der H. Schrift terug. Maar zij gingen -ook uit van de gedachte en trachtten deze vast te houden, dat de doop -voor de geloovigen was ingesteld en dus het geloof niet werkte maar -versterkte. Daardoor kwamen zij bij den kinderdoop voor eene dubbele -moeilijkheid te staan. Ten eerste moesten zij, voornamelijk tegenover de -Anabaptisten maar dan voorts ook tegenover Roomschen en Lutherschen -aantoonen, dat de kinderen der geloovigen ook reeds vóór den doop als -geloovigen te beschouwen waren en als zoodanig behoorden gedoopt te -wezen. En ten andere waren zij verplicht een antwoord te geven op de -vraag, waarin bij de kinderen de genadewerking des doops bestond, daar -zij, als nog niet tot hun verstand gekomen zijnde en dus nog niet de -fides actualis bezittende, ook moeilijk in dit geloof konden versterkt -en bevestigd worden. Aan de laatste vraag werd echter gewoonlijk weinig -aandacht gewijd; men bepaalde er zich in het algemeen toe, om te zeggen, -dat de doop voor de ouders een bewijs was, dat hun zaad in het verbond -Gods was opgenomen, voor de kinderen later bij hun opwassen tot een -rijken troost en zegen was, en ook reeds in hun onbewusten staat hun -een recht gaf op de goederen van het genadeverbond, Witsius, Misc. -Sacra II 648-667. De eerste vraag werd echter van den aanvang af zeer -verschillend beantwoord. Voor het recht van den kinderdoop beriep men -zich eenparig op de H. Schrift, bepaaldelijk op hare leer aangaande het -genadeverbond. Naar den regel van dat verbond moesten de kinderen en -ook de volwassenen beoordeeld worden; geloof en bekeering geven geen -recht op den doop, maar alleen het verbond. De kinderen, uit geloovige -ouders geboren, waren geen heidensche kinderen, lagen niet onder den -toorn Gods, verkeerden niet onder de macht van Satan, zoodat er eerst -een exorcisme bij hen moest plaats hebben. Maar zij waren vóór den doop -reeds kinderen des verbonds; de doop was daarom ook niet absoluut tot -zaligheid noodig, en aan nooddoop bestond er geen behoefte. Zoodra -men echter nadacht over wat dit begrepen zijn van de kinderen in het -genadeverbond inhield, ging men uiteen. Er waren er, die de eenheid -van verkiezing en verbond zoo lang en zoo nauw mogelijk wenschten vast -te houden; zij beweerden daarom, dat alle kinderen, uit geloovige -ouders geboren, naar het oordeel der liefde voor wedergeboren gehouden -moesten worden, totdat zij in leer of leven duidelijk het tegendeel -openbaarden, of dat althans de uitverkoren kinderkens in den regel -reeds vóór den doop of zelfs reeds vóór de geboorte door Gods Geest -waren wedergeboren, a Lasco, Ursinus, Acronius, Voetius, Witsius e. -a. Maar anderen, lettend op de bezwaren der practijk, die zoo dikwerf -leert, dat gedoopte kinderen opgroeien, zonder eenig teeken van -geestelijk leven te toonen, durfden van deze wedergeboorte vóór den doop -geen regel maken. Zij erkenden wel allen zonder uitzondering, dat Gods -genade niet aan de middelen gebonden is en ook in het hart van jonge -kinderen de wedergeboorte kan werken, maar zij lieten in het midden, -of die wedergeboorte bij de uitverkoren kinderkens vóór of onder of -ook, soms zelfs vele jaren, na den doop plaats heeft, Calvijn, Beza, -Zanchius, Bucanus, Walaeus, Amesius, Heidegger, Turretinus e. a. Deze -voorstelling kreeg de overhand, toen de kerk door verwaarloozing der -tucht tot verval kwam. Verkiezing en kerk, in- en uitwendige zijde -des verbonds, vroeger zooveel mogelijk verbonden maar sedert Gomarus -hoe langer hoe meer onderscheiden, vielen steeds verder uit elkaar; -in de ecclesia vormde zich eene ecclesiola. De doop werd daarom -allengs geheel van de wedergeboorte losgemaakt, en, wijl men hem toch -voor de kinderen wilde handhaven, opgevat en gerechtvaardigd als een -sacrament der kerk en onderpand van het zaad der geloovigen in het -algemeen, of als eene bevestiging van de objectieve, conditioneele -belofte des evangelies, of als bewijs van gemeenschap aan het uitwendig -genadeverbond, of als waarborg van eene verliesbare, met de zaligheid -niet onverbrekelijk verbondene, en later door persoonlijk geloof te -bevestigen wedergeboorte, of als een opvoedingsmiddel, dat de -gedoopten op later leeftijd tot oprechte bekeering aanspoort. Cf. -Voetius, Disp. II 408 sq. Witsius, Misc. Sacra II 611-618. G. Kramer, -Het verband van doop en wedergeboorte, Breukelen 1897. De strijd -ontbrandde daarbij telkens weer op het punt van het doopsformulier. -Sommigen verstonden de uitdrukking: in Christus geheiligd zijn, van de -inwendige vernieuwing door den H. Geest en hadden daarom bezwaar, om -deze vraag van het doopsformulier voor te leggen aan ouders, die hun -kind nog wel ten doop presenteerden maar overigens om God noch zijn -gebod zich bekommerden; onder pietistischen invloed hechtten zij aan -de uitwendige doopshandeling hoe langer hoe minder waarde, drongen -op persoonlijke bekeering aan en trokken zich in den engen kring der -gezelschappen terug, Lodenstein, Gentman, Koelman, Brakonier, van de -Putt, Kelderman, Vos e. a. bij Proost, Jod. van Lodenstein 1880 bl. -160. 229. Ypey en Dermout, Gesch. der N. H. Kerk III 261-263. Ypey, -Gesch. der Chr. Kerk in de achttiende Eeuw VI 164. M. Vitringa VII 108. -115 sq. Moor V 489. Anderen verstonden de uitdrukking in objectieven, -verbondmatigen zin, zagen in den doop niets meer dan een teeken van het -uitwendig verbond, waarop een historisch geloof en een onergerlijk leven -voldoende recht gaven, Ostervald, Comp. Theol. II 6, 4, 4. Vernet, -Christ. Onderw. 300. en vooral Janssonius en van Eerde tegen Appelius, -cf. M. Vitringa VI 426 sq. 498 sq. VII 125 sq. - -Zoo werd in de Gereformeerde kerken zelve de doop schier geheel van -zijne waarde beroofd en feitelijk die doopsleer ingevoerd, welke in de -eeuw der Hervorming reeds door Socinianen en Anabaptisten en later -door Remonstranten en Rationalisten gehuldigd werd. Dezen komen toch -bij alle onderling verschil daarin overeen, dat de doop niet als zegel -der genade van Gods zijde maar in de eerste plaats als belijdenisacte -van ’s menschen zijde waarde heeft. De doop werkt niets en geeft niets, -maar is alleen een symbool van den overgang uit het Joden- en Heidendom -tot het Christendom, een teeken van geloof en bekeering, een belofte -van gehoorzaamheid en daarom òf in het geheel niet door Christus -als een blijvend sacrament ingesteld òf in elk geval voor kinderen -hoogstens geoorloofd en nuttig, doch niet noodzakelijk en geboden; de -Kwakers gingen zelfs zoo ver, dat zij den waterdoop geheel verwierpen -en alleen den doop des Geestes erkenden, en de Rationalisten streden -erover, of de doop, die toch niet meer dan een plechtig zinnebeeld -was, niet beter kon worden afgeschaft, cf. M. Vitringa VII 297-415. -Strauss, Dogm. II 549-558. Wegscheider, Instit § 171. 172. Kant, -Religion ed. Rosenkranz 233. Het moderne Protestantisme staat nog op -dit standpunt en maakt den doop facultatief, Scholten, Initia 247, -Ehlers, Das N. T. und die Taufe, Giessen 1890; en bij vele anderen werkt -de geringschatting van het sacrament daarin na, dat het zwaartepunt -uit den doop in de later volgende, steeds plechtiger ingerichte -aanneming en bevestiging van leden verlegd wordt. Maar daartegenover -werd in deze eeuw van verschillende zijden weer eene poging beproefd, -om het objectief karakter van den doop te handhaven. Schleiermacher -zag in den doop wel allereerst eene handeling der kerk, waardoor zij -den geloovige in hare gemeenschap opneemt, maar dan vervolgens daarin -tegelijk eene opneming in de levensgemeenschap met Christus, Chr. Gl. § -136-138, cf. Schweizer, Chr. Gl. § 171. Lipsius, Dogm. § 846. Anderen -plaatsten weder de genadedaad Gods in het sacrament op den voorgrond -en leerden, dat de doop geen wedergeboorte onderstelt maar toch de -kracht der wedergeboorte of deze zelve verleent, een aanknooping is -van den liefdeband van Christus’ zijde en den grondslag legt voor -alle latere, echter dan slechts in den weg des geloofs te verkrijgene -weldaden, Philippi, Kirchl. Gl. V 2, 83 f. Kahnis, Luth. Dogm. II 333. -Dorner, Chr. Gl. II 832. Frank, Chr. Wahrheit II 266 f. Althaus, Die -Heilsbedeutung der Taufe im N. T. Gütersloh 1898. H. Cremer, Wesen und -Wirkung der Taufgnade, ib. 1899. W. Schmidt, Dogm. II 461. Oosterzee, -Dogm. § 138 9v. Vele Lutheranen keerden zelfs tot de oude leer terug, -dat de H. Geest in en door het water des doops de wedergeboorte werkt -en lieten deze niet alleen in eene geestelijke vernieuwing maar ook in -de inplanting van eene hemelsche lichaamlijkheid bestaan, Vilmar, Dogm. -II 233. Martensen, Dogm. 398 f. Höfling, Das Sakrament der Taufe I 17 -f. Thomasius, Christi Person u. Werk II 297 f. In Engeland trad het -Tractarianisme op met de leer van een baptismal regeneration, daarin -bestaande, dat de kinderen door den doop zoo werden vernieuwd, dat zij -later zelfstandig de genade door het geloof konden aannemen, Newman, -Lectures on Justification 1838, Waterland, Works, Oxford 1843 IV -425-458 cf. Hodge, Syst. Theol. III 591-604 en Cunningham, Historical -Theol. II 133-142. Ryle, Knots untied, 11{th} ed. London Hunt 1886 p. -105-196. Hier te lande trachtte Dr. Kuyper het objectief karakter van -den doop te handhaven, door er eene bijzondere genade aan toe te kennen. -Deze bestaat niet in de wedergeboorte, welke bij den doop ondersteld -wordt en dus niet meer behoeft geschonken te worden, maar in eene -bijzondere, anders niet te verkrijgen weldaad, n.l. in de inlijving in het -lichaam van Christus, of liever in de inplanting in ons geloof van de -hebbelijkheid of den drang, om niet op onszelf te staan, maar om ons één -te voelen met heel het lichaam van Christus, Heraut 646v. - - -5. De meeste kerken kennen tegenwoordig den doop bijna niet anders dan -als kinderdoop. Behalve op het gebied der zending en in de baptistische -genootschappen komt de doop van volwassenen niet anders dan als -uitzondering voor. Toch is in de Schrift het omgekeerde het geval; -van den kinderdoop spreekt zij nergens met zoovele woorden, altijd -gaat zij van den bejaardendoop uit; en ook de christelijke confessies -en theologen zijn haar daarin altijd in zooverre gevolgd, als zij van -den doop van volwassenen hun uitgangspunt namen en daarna eerst tot -den kinderdoop overgingen. Deze doop werd nu op Gods bevel door -Johannes en daarna door Jezus ingesteld, omdat de gansche wereld voor -God verdoemelijk was. Dat gold niet alleen van de Heidenen, maar ook -van de Joden, die immers hunne eigene gerechtigheid zochten op te -richten uit de werken der wet en daarom niet kwamen tot de wet der -rechtvaardigheid, Rom. 9:31. Reeds de profeten verkondigden toch, dat -God, die getrouw is en zijns verbonds gedenkt, in de toekomst aan Israel -bekeering en leven, een nieuw hart en een nieuwen geest zou geven, alle -zonden hun vergeven, zijn Geest op hen uitstorten, rein water op hen -sprengen en van alle onreinigheden hen reinigen zou, Hos. 6:2, Joel -2:28, 29, Mich. 7:18-20, Jes. 1:16, 40v., Jer 31:31-34, 33:8, Ezech. -11:17-20, 36:25-28, 37:1-14, 39:29, Zach. 13:1 enz. Wedergeboorte, -bekeering, geloof was noodig, zoo voor Israel als de Heidenen, om in -te gaan in het koninkrijk der hemelen en aan zijne goederen deel te -krijgen. Johannes en Jezus traden met die prediking op, en wie haar -aannamen, werden gedoopt. Aan den doop ging dus de aanbieding en de -aanneming van het woord des evangelies vooraf. De Schrift laat er -niet den minsten twijfel over bestaan, dat de doop uitsluitend voor -geloovigen ingesteld is. Er worden geen andere personen gedoopt, dan -die belijdenis doen van hunne zonden en bewijs geven van bekeering en -geloof, Mt. 3:2, 6, Hd. 2:37, 38, 8:12, 37, 18:8; de doop heet daarom -een doop der bekeering, opdat men in dien weg de vergeving der zonden -erlange, Mk. 1:4, Hd. 13:24; in Mt. 28:19 duiden de beide participia -βαπτιζοντες en διδασκοντες wel den weg aan, waarin het μαθητευειν -παντα τα ἐθνη volbracht moet worden, maar het doopen in den naam des -Vaders, des Zoons en des H. Geestes onderstelt juist de voorafgaande -prediking van en het geloof in dien naam, gelijk dit Mk. 16:15, 16 ook -duidelijk uitgesproken wordt en in Joh. 4:1 het discipelen maken aan het -doopen voorafgaat; het zijn kinderen Gods door het geloof in Christus -Jezus, die door den doop Christus hebben aangedaan, Gal. 3:26, 27. -Zoolang er van den doop der volwassenen sprake is, bestaat er hierover -tusschen de christelijke kerken geen verschil; geen enkele kerk doopt -een volwassene zonder voorafgaand onderricht in de waarheid, zonder te -voren afgelegde belijdenis des geloofs. Zelfs Rome erkent, dat in den -volwassene de zeven praeparationes aan den doop moeten voorafgaan, en -maakt niet de objectieve geldigheid maar toch de subjectieve werking -van eene intentio virtualis als conditio sine qua non in den ontvanger -afhankelijk, Trid. VI c. 5. 7. Catech. Rom. II 2 qu. 30. 44. Maar -Rome heeft hoe langer hoe meer deze subjectieve voorwaarden in den -ontvanger verzwakt, en het zwaartepunt uit het woord en het geloof -in het sacrament verlegd; dit sacrament toch werkt ex opere operato, -zonder in den ontvanger iets anders te eischen dan een negatief obicem -non ponere; evenals de zonden, worden de weldaden der genade door -Rome eindeloos gesplitst, in stukjes en beetjes hier en hiernamaals -uitgedeeld; het is altijd hetzelfde denkbeeld van hierarchie, dat -hier in de leer der genade, evenals overal elders, zijn invloed -gevoelen doet. Daarom leert Rome dan ook, dat prediking en geloof -slechts praeparatoire beteekenis hebben; de eigenlijke, heiligmakende, -bovennatuurlijke genade wordt alleen medegedeeld door het sacrament van -den doop, dat daarom, behalve in enkele gevallen, waarin het door den -baptismus sanguinis of flaminis vervangen wordt, voor alle menschen, -volwassenen en kinderen, ter zaligheid volstrekt noodzakelijk is. De -Reformatie heeft daartegenover dit Schriftuurlijk beginsel gesteld, dat -het sacrament geen enkele weldaad meedeelt of meedeelen kan, welke -de geloovige niet reeds bezit door zijn vertrouwen op het woord Gods. -Het geloof alleen, afgedacht van alle sacrament, stelt in het bezit -en genot van alle weldaden des heils. Indien nu de doop dit geloof -onderstelt, blijft er geen enkele weldaad meer over, die door den doop -nog aan den geloovige zou kunnen medegedeeld worden. De doop kan niet -anders dan de weldaden, die door het geloof ontvangen zijn, beteekenen -en verzegelen en daardoor het geloof versterken, Ned. Gel. art. 33. -34. Heid. Cat. qu. 69. Ook de Lutherschen stemmen dit toe voor den -doop der volwassenen, die vooraf wedergeboren zijn en belijdenis deden -van hun geloof; evenals het geloof en de gave des H. Geestes door de -prediking des woords in de wedergeborenen vermeerderd wordt, ita quoqae -idem fit per baptismum, quin et baptismus donum regenerationis in illis -efficaciter obsignat, Gerhard, Loc. XX 123. Quenstedt IV 145. Schmid, -Dogm. d. ev. luth. K. 400. 407. Er is hier een Protestantsch beginsel -mede gemoeid; wie aan den doop eene mededeeling van genade toeschrijft, -welke door het woord en het geloof niet verkregen kan worden, zet voor -de Roomsche sacramentsleer de deur open. - -De forma des doops bestaat in een door God gelegd verband tusschen een -zichtbaar teeken en een onzichtbaar geestelijk goed. Als teeken doet -het water dienst, Mt. 3:6, Hd. 8:36, dat niet toevallig of willekeurig -maar om zijne treffende overeenkomst met de beteekende zaak gekozen is. -Wat het onreine, vervuilende en verstikkende stof is voor het lichaam, -dat is de zonde voor de ziel; en gelijk water de onreinheid des lichaams -afwascht, zoo reinigt het bloed van Christus van alle zonden. Schier -bij alle volken en in alle godsdiensten heeft daarom het water eene -rijke, symbolische beteekenis; dienst doende bij allerlei wasschingen, -schaduwde het de geestelijke reiniging af, welke ieder mensch behoeft, -om te verkeeren in de gemeenschap met God; in den Oudtest. eeredienst -nam het water eene breede plaats in, Ex. 30:18-20, 40:30, Lev. 6:28, -8:6, 11:32, 15:12, Num. 8:7, 19:7v. enz., en de profeten stelden de -geestelijke reiniging van het volk als eene besprenging met water voor, -Ezech. 36:25, 37:23, Zach. 13:1. Uit zichzelf en van nature, d. i. -krachtens den aard, dien God er bij de schepping aan gaf, is het water -dus uitnemend geschikt, om in den doop de afwassching der zonden en -de geestelijke vernieuwing af te beelden en te verzekeren. Daarom is -het ook niet noodig, gelijk Rome beweert, dat het doopwater te voren -op Paasch- of Pinkster-Zaterdag gewijd en met olie gemengd zij, Catech. -Rom. II 2 qu. 47. Veel minder mag met de Paulicianen het gebruik van -het water nagelaten worden, wijl Christus het levende water is, of -met andere secten de doop door inbranding van een merkteeken of door -geeseling ten bloede toe vervangen worden, Moor V 409-411. Zelfs is -het overbodig, om met Beza en anderen toe te geven, dat, als water -ontbreekt eene andere vloeistof gebruikt mag worden, want zulk een -geval is zoo goed als onmogelijk, M. Vitringa VII 14. In den eersten tijd -bestond de handeling van het doopen daarin, dat de doopeling in het -water ondergedompeld en na een oogenblik daaruit weer opgetrokken werd. -Het grieksche woord βαπτιζω wijst daar reeds op, want het beteekent -letterlijk doopen, indoopen, Joh. 13:26, en geeft ook dan, wanneer het -in ruimer zin voor wasschen, Mt. 15:2, Mk. 7:4, Luk. 11:38, Hebr. -9:10 of overdrachtelijk, Mt. 3:11, 20:22, Hd. 1:5 enz. wordt gebezigd, -zulk eene handeling te kennen, waarbij de persoon of zaak, die gedoopt -wordt, geheel en al wordt ondergedompeld en gereinigd. Voorts toonen de -gevallen, welke de Schrift verhaalt, duidelijk aan, dat de doop in den -apostolischen tijd bij wijze van onderdompeling plaats had, Mt. 3:6, Joh. -3:23, Hd. 8:38. En eindelijk is de phraseologia sacramentalis geheel en -al op deze wijze van doopsbediening gebouwd, Rom. 6:3, 4, Gal. 3:27, -Col. 2:12. Eeuwenlang is de immersio dan ook in de christelijke kerk in -gebruik gebleven; de Grieksche kerk houdt er nog aan vast, besprenging -(adspersio) of liever begieting (infusio) kwam in oude tijden alleen -voor, als er geen water genoeg was, Didache c. 7, of als kranken op -hun leger gedoopt moesten worden (baptismus clinicorum); Cyprianus, -Ep. 69, 12, verdedigde in dit laatste geval de adspersio of perfusio -met beroep op Ezech. 36:25, maar overigens spreken de kerkvaders altijd -van den doop als van eene onderdompeling in het water, Suicerus, s. v. -ἀναδυω. Paus Stephanus II stond in 754 den doop per infusionem in geval -van noodzakelijkheid bij kinderen en kranken toe, maar een concilie van -het jaar 816 schreef nog aan de priesters voor, ut non effundant aquam -super capita infantium sed semper mergantur in lavacro. Thomas zeide, -tutius est baptizare per immersionem, quia hoc habet usus communis, S. -Theol. III qu. 66 art. 7. Het Concilie van Ravenna 1311 liet de keuze -tusschen immersio en superfusio vrij. Tot de 13e eeuw toe komt dus in -het Westen de indompeling nog naast de besprenging voor; dan echter -wordt de laatste hoe langer hoe meer algemeen. Als in het gekerstend -Europa de bejaardendoop uitzondering en de kinderdoop regel werd, -kwam er niet uit dogmatische maar uit hygiënische overwegingen ook -verandering in de wijze van doopsbediening; kinderen waren in zekeren -zin allen in infirmitate positi. De Hervormers sloten zich bij dit -gebruik aan; Luther gaf aan onderdompeling de voorkeur, Calvijn hield de -vraag voor een adiaphoron, maar de Anabaptisten maakten er een beginsel -van en keerden daarom tot de immersio terug. En dit is het, wat alleen -bestreden dient te worden. Er is geen twijfel aan, of de onderdompeling -was oudtijds algemeen in gebruik, is nog geoorloofd en doet de rijke -beteekenis van den doop ook beter dan de besprenging uitkomen. Maar -er is hier geen beginsel van te maken. Want 1º het water is niet het -bloed van Christus zelf en bewerkt niet zelf de afwassching der zonden, -maar is daarvan een teeken en zegel; zoo kan het bij den doop dus niet -aankomen op de hoeveelheid waters, die op den doopeling uitgestort of -in welke hij gedompeld wordt. 2º De geestelijke weldaad, die door den -doop wordt afgebeeld, wordt niet alleen eene afwassching der zonden -maar ook eene besprenging met rein water en met het bloed van Christus -genoemd, Ezech. 36:25, Hebr. 12:24, 1 Petr. 1:2, cf. Ex. 24:6, 29:16, -20. 3º Schoon de onderdompeling eeuwenlang in gebruik bleef, werd toch -van de oudste tijden af in gevallen van noodzakelijkheid de besprenging -geoorloofd geacht; nooit dacht de christelijke kerk eraan, om den doop -als ongeldig te beschouwen, alleen omdat hij bij wijze van besprenging -was toegediend; en de voorstanders der onderdompeling deinzen meestal -in de practijk zelven voor deze consequentie terug. 4º Hoewel, in -weerwil van de van oude tijden af gebruikelijke immersio triplex, Did. -c. 7, met Gregorius M. is vast te houden: utrum unica an trina ablutio -fiat, nihil referre existimandum est, Catech. Rom. II 2 qu. 14, toch -mag de besprenging niet in zoo geringe mate geschieden, dat alle -denkbeeld van afwassching teloor gaat. Evenals het avondmaal, hoe ook -ingekrompen, een maaltijd blijven moet, behoort ook in de besprenging -met het doopwater de symboliek der afwassching behouden te worden. Cf. -Calvijn, Inst. IV 15, 19. Voetius, Pol. Eccl. I 683-694. Moor V 413-421. -M. Vitringa VII 16-30. Höfling, Das Sakr. der Taufe I 46-60. De Hoop -Scheffer, Overzicht der gesch. van den doop bij onderdompeling, Amst. -1882. - - -6. Dit water wordt tot een sacrament door het woord der instelling. In -de Schrift wordt de doop nu eens omschreven als een doop in den naam -van Christus, Hd. 2:38, 8:16, 10:48, 19:5 cf. Rom. 6:3, 1 Cor. 1:13-15, -6:11, Gal. 3:27 en dan weer als een doop in den naam des Vaders, des -Zoons en des H. Geestes, Mt. 28:19. Deze uitdrukkingen bedoelen niet, -eene formule aan de hand te geven, welke bij den doop moet uitgesproken -worden, maar zij beschrijven het wezen van den christelijken doop; deze -moet zijn een doop in den naam van Christus en dus in den naam van God -Drieëenig. Dat zij niet als eene formule bedoeld zijn, blijkt daaruit, -dat bij besnijdenis en pascha, bij den doop van Johannes en bij het -avondmaal van zulk eene formule geen sprake is. Maar zeker werd er bij -het bedienen en ontvangen van den doop reeds van den aanvang af het -een of ander gesproken; er werd belijdenis van zonden. Mt. 3:6, en van -het geloof in Christus, Hd. 8:37, afgelegd, cf. 1 Tim. 6:12. Daarvoor -kwam spoedig uit den aard der zaak eene vaststaande formule in gebruik, -die aan de instellingswoorden in Mt. 28:19 werd ontleend. De Didache -spreekt van de Christenen als βαπτισθεντες εἰς ὀνομα κυριου, 9:5 maar -kent toch reeds de trinitarische formule, 7, 1. 3, cf. Justinus, -Apol. I 61. Hoewel nu een doop in den naam van Christus of met de -belijdenis, dat Jezus Christus de Zone Gods is, Hd. 8:37 in den eersten -tijd volkomen voldoende was, moest toch later, toen allerlei ketterijen -opkwamen, juist tot handhaving van het christelijk karakter van den -doop de trinitarische formule hoe langer hoe meer als noodzakelijk -beschouwd worden, cf. Cypr. Ep. 73, 16-18 en andere kerkvaders bij -Suicerus s. v. βαπτισμος. Maar ook deze trinitarische formule luidt -in de verschillende kerken niet gelijk. De Grieksche kerk bedient zich -van de woorden: βαπτιζεται ὁ δουλος του θεου ὁ δεινα εἰς το ὀνομα -του πατρος--ἀμην, και του υἱου--ἀμην, και του ἁγιου πνευματος--ἀμην, -νυν και εἰς τους αἰωνας των αἰωνων. Hoewel de Latijnsche kerk den -alzoo bedienden doop erkent, bezigt zij zelve toch de formule: ego te -baptizo in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti, Catech. Rom. II -2 qu. 10. 11, en de Protestantsche kerken namen gewoonlijk deze over. -De Syrische en Armenische kerken hebben weer eene formule, die zoowel -van de Grieksche als van de Latijnsche afwijkt, Höfling, Das Sakr. der -Taufe I 44. Alles bewijst, dat de geldigheid van den doop op zichzelf -niet afhangt van de letterlijke woorden, die daarbij door den bedienaar -gesproken zijn. De trinitarische formule is alleen noodig geworden, om -ketterij te weren, om waarborg te geven, dat de doop, die bediend werd, -de ware, christelijke doop is, en om gewenschte vastheid te brengen in -het liturgisch gebruik. Daarbij is het nog van belang op te merken, dat -de trinitarische doopsformule geen magische kracht bezit, om het water -in het bloed van Christus te veranderen. De Gereformeerden ontkennen -dit niet alleen, maar ook de Grieksche, Roomsche en Luthersche kerk -spreken bij den doop anders dan bij het avondmaal. Bij dit laatste -sacrament valt op de recitatio van de woorden der instelling, op hun -consecratorische kracht, en op de daardoor teweeggebrachte trans- of -consubstantiatie de nadruk. Maar al spreekt men bij den doop ook van -eene divina virtus, die aan het water medegedeeld is, van aqua vivida, -sancta, divina, van eene regeneratio per aquam in verbo, zoo zegt toch -zelfs de Catech. Rom., dat de instellingswoorden klaar en duidelijk, -tot onderwijs voor het volk, moeten uitgesproken worden, II 2, 10, en -ontkent, dat er bij den doop eene transsubstantiatie, eene verandering -van het water in het bloed van Christus plaats heeft, II 4, 9. De unio -sacramentalis is hier dus eene andere dan bij het avondmaal. Zeker -blijft er ook dan nog verschil. Roomschen en Lutherschen denken zich -de werking des H. Geestes bij den doop als heengaande per aquam. De -Gereformeerden verwerpen deze locale, physische vereeniging en nemen in -plaats daarvan een verband aan, gelijk aan dat bij het woord. Evenals de -H. Geest wel werkt cum verbo maar zijne kracht en werking niet besluit -binnen het woord, zoo is het ook bij het water van den doop. In Ef. -5:26 zijn de woorden ἐν ρηματι niet, gelijk de Lutherschen willen, eene -nadere bepaling van λοντρῳ of ἱδατος, want dan hadden zij het artikel -vóór zich vereischt: τῳ of του ἐν ρηματι. Maar zij behooren bij ἁγιαση: -Christus heiligde zijne gemeente door het woord des evangelies, terwijl -Hij ze reinigde door het bad des waters. Paulus onderscheidt hier juist -de werking van Christus door het woord van die door het water, evenals -dat ook geschiedt in Hebr. 10:22 en 1 Petr. 3:21. Niet de dienaar en -niet het water, maar Christus heiligt en geeft de beteekende zaak, Mt. -3:11, 1 Cor. 6:11, Hebr. 9:14, 1 Joh. 1:7. Als het water des doops de -wedergeboorte bewerkte, had Paulus in 1 Cor. 1:14 niet kunnen zeggen, -dat Christus hem niet zond, om te doopen, maar om het evangelie te -verkondigen. Doch hoezeer er verschil is over de wijze, waarop teeken -en beteekende zaak in den doop verbonden zijn, er is overeenstemming -ten aanzien van de realiteit dier verbinding. Ook de Gereformeerde -kerk belijdt, dat Christus in den doop aan een iegelijk, die hem in -den geloove ontvangt, toezegt en verzekert, dat hij zoo zekerlijk met -Zijn bloed en Geest van de onreinheid der ziel is gewasschen, als hij -uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt -weg te nemen, gewasschen is, Heid. Catech. 69. - -Ook over de weldaden, die in den doop aan de volwassen geloovigen -geschonken worden, bestaat er in hoofdzaak overeenstemming. Zij zijn -alle begrepen in de gemeenschap met den drieëenigen God, in welke de -geloovige door den doop wordt ingelijfd, Mt. 28:19. De Vader betuigt -ons in den doop, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, -en ons tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, Gen. 17:7, 10, Hd. -2:39. De Zoon verzegelt ons, dat Hij ons wascht in zijn bloed en ons -inlijft in de gemeenschap zijns doods en zijner wederopstanding, Rom. -6:3, Gal. 3:27. De H. Geest verzegelt ons, dat Hij in ons woont en ons -tot lidmaten van Christus heiligt, 1 Cor. 6:11, 12:13, Tit. 3:5. Nader -uitgewerkt, zijn deze weldaden: 1º de rechtvaardigmaking of de vergeving -der zonden, Mk. 1:4, Hd. 2:38, 22:16, 1 Petr. 3:21, Hebr. 10:22. Doedes -meent, dat deze weldaad niet bij den doop maar eerst bij het avondmaal -in aanmerking komt, wijl de doop een doop der bekeering _tot_ vergeving -der zonden wordt genoemd, Leer der Zaligheid 326. Maar deze opvatting -wordt door Hd. 22:16, 1 Petr. 3:21, Hebr. 10:22 duidelijk weersproken; -de bekeering is wel de weg, waarlangs de door Christus verworven -vergeving in ons bezit en genot komt, maar de doop is juist van die in -den weg van bekeering verkregen vergeving bewijs en onderpand; immers -gaat de belijdenis der zonden en het rechtvaardigend geloof aan den doop -vooraf. In den doop worden daarom ook alle zonden met al haar schuld en -straf vergeven, niet alleen de verledene maar ook de tegenwoordige en -toekomstige, want de rechtvaardigmaking is eene juridische daad, eene -verandering van staat en daarom in eens, volkomen en voorgoed tot stand -gebracht, cf. III 548. 2º De wedergeboorte, bekeering, afsterving van -den ouden en opstanding van den nieuwen mensch door gemeenschap aan -den dood en de opstanding van Christus, Mk. 1:4, Rom. 6:2-10, 1 Cor. -6:11, Ef. 5:26, Col. 2:12. Volgens Rome wordt in den doop diezelfde -genade teruggeschonken, welke Adam als donum superadditum ontving maar -door de zonde verloor. Evenals nu in Adam als homo naturalis ook vóór -den val de concupiscentia woonde, die door het donum superadditum -beteugeld werd, zoo is dit bij den gedoopte het geval. De concupiscentia -blijft in hem, maar deze is op zichzelve geen zonde en den mensch -als bestaande uit vleesch en geest, van nature eigen. Alleen kan ze -gemakkelijk aanleiding tot zonde worden, als de mensch, in plaats van -door de bovennatuurlijke genade zich te laten leiden, naar haar luistert -en haar inwilligt. Doch afgedacht van dit gevaar, dat den gedoopte -altijd blijft dreigen, is hij door de genade, die hij in den doop ontvangt, -niet alleen van alle schuld maar ook van alle smet der zonde bevrijd. -Daartegenover sprak de Ned. Geloofsbel. art. 15 uit: de erfzonde is -ook zelfs door den doop niet ganschelijk te niet gedaan noch geheel -uitgeroeid (oorspr. in den Walschen tekst van 1561: et n’est pas aboli -mesme par le baptesme, door de synode van 1566 vermeerderd met de -woorden: ou desraciné du tout). Hoewel velen met Doedes, Ned. Gel. -173 deze woorden afkeuren, zijn zij toch volkomen correct en met de H. -Schrift in overeenstemming. Immers leert deze in de boven aangehaalde -plaatsen zeer duidelijk, dat de doop, wel te verstaan als teeken en -zegel, den mensch wederbaart en vernieuwt, de kracht der erfzonde in -hem breekt, hem in nieuwigheid des levens doet wandelen, doch zoo, dat -de zonde nog altijd in zijn vleesch blijft wonen en hem tegen zijn wil -onder haar wet gevangen neemt. De erfsmet wordt dus wel ten deele en -in beginsel maar niet ganschelijk door den doop als sacrament te niet -gedaan; ofschoon zij den geloovige niet meer verdoemt, blijft zij toch -nog in hem tot aan den dood toe eene onzalige fontein van allerlei -zonde. 3º de gemeenschap, niet alleen met Christus zelven, maar ook -met de gemeente, die zijn lichaam is. De gedoopte wordt behouden van -het verkeerd geslacht, afgezonderd van de wereld, Hd. 2:40, 41, tot -een discipel van Jezus gemaakt, Mt. 28:19, Joh. 4:1, in zijne gemeente -ingelijfd, 1 Cor. 12:13, en dus ook tot een wandel in oprechtheid, Gen. -17:1, en in nieuwigheid des levens, Rom. 6, tot belijdenis van Gods -naam en tot onderhouding van Jezus’ geboden verplicht, Mt. 28:19. Al -deze weldaden zijn den gedoopte reeds geschonken vóór den doop in het -woord des evangelies; ze zijn zijnerzijds aangenomen door het geloof; -maar nu worden zij hem in den doop nog beteekend en verzegeld. Het mag -dus niet zoo voorgesteld, alsof in het geloof vóór den doop slechts -enkele of in elk geval niet alle weldaden werden geschonken, en dat -de ontbrekende dan nog in den doop worden verleend. Want het woord -bevat alle beloften en het geloof neemt ze alle aan. Er is geen enkele -genade, die niet door het woord en alleen door het sacrament wordt -uitgedeeld. Ook de inlijving in het lichaam van Christus geschiedt door -het geloof en ontvangt in den doop haar teeken en zegel. De doopsgenade -bestaat en kan naar Schrift en Ger. belijdenis nergens anders in bestaan -dan in declaratio en confirmatio, Heid, Catech. 66. 69. Cf. voorts -Calvijn, Inst. IV 15. Martyr, Loci Comm. p. 435. Polanus, Synt. p. 495. -Bullinger, Huysboek 1612 fol. 254. Ursinus, Explic. Cat. qu. 69 sq. enz. - - -7. Tot zoover is er tusschen de christelijke kerken in hoofdzaak -overeenstemming in de leer des doops. Maar allerlei verschil openbaart -zich, zoodra de kinderdoop ter sprake komt. Van het begin zijner -invoering af tot op den huidigen dag toe wordt deze door een aanzienlijk -deel der Christenheid verworpen, vooral op deze twee gronden, dat hij -in de Schrift niet voorkomt en naar zijne oorspronkelijke instelling -altijd geloof en bekeering onderstelt, welke in kinderen niet vallen of -in elk geval niet geopenbaard en onderkend kunnen worden, cf. William -Wall, The history of Infant Baptism., 4 vol. new ed. Oxford 1836. -A. H. Newman, A history of Antipaedobaptism from the rise of -Paedobaptism. to A. D. 1609. Philad. American Baptist Publication -Society 1897. Strong, Syst. Theol. 534-538. Inderdaad ontbreekt ook tot -den tijd van Tertullianus toe alle rechtstreeksch en stellig getuigenis, -dat de doop aan kinderen der geloovigen bediend werd. Maar uit dit -stilzwijgen mag toch niet te veel worden afgeleid. Het spreekt vanzelf, -dat in de eerste en tweede eeuw, toen de christelijke kerk zich snel -in de wereld uitbreidde, de proselietendoop veel meer de aandacht -trok dan de kinderdoop. Eerst was de bejaardendoop de gewone, telkens -voorkomende doop; daarnaast kwam toen langzamerhand de kinderdoop -op; en eindelijk, toen de kerk gevestigd en het eene na het andere -volk gekerstend was, werd de kinderdoop regel en de proselietendoop, -behalve in Heidenlanden, uitzondering. Als Tertullianus dan ook voor -het eerst van den kinderdoop gewag maakt, de bapt. 18, bestrijdt hij -hem wel is waar, maar niet op grond daarvan, dat hij eene nieuwigheid -is en in den apostolischen tijd niet gebruikelijk, maar omdat zijne -overtuiging in het algemeen deze is, dat cunctatio baptismi utilior -est. Si qui pondus intelligant baptismi, magis timebunt consecutionem -quam dilationem. In deze overtuiging stond Tertullianus niet alleen. -Zoolang het Christendom zich nog in de dorpen, steden en landen, waar -het gevestigd was, onder Heidenen uitbreiden kon en er dus altijd nog -overgangen plaats hadden, waren velen van meening, dat men niet beter -doen kon dan den doop zoo lang mogelijk uit te stellen, omdat men anders -gevaar liep, om later weer in zonden te vallen en de in den doop -ontvangen genade te verliezen. Maar Tertullianus was de eenige, die -deze beschouwing ook bij de kinderen der geloovigen wilde laten gelden. -De kerk, ook in Afrika, stoorde zich echter aan deze bestrijding niet, -en ging met den kinderdoop voort; Origenes getuigt, dat de kinderdoop -in zijne dagen algemeen in gebruik en van de apostelen afkomstig was; -en Cyprianus verdedigt in overeenstemming met het in 256 te Carthago -gehouden concilie, dat de kinderdoop niet eerst op den achtsten maar -reeds op den tweeden of derden dag na de geboorte moet worden bediend. -Cf. Höfling, Das Sakr. der Taufe I 104 f. Zoodra de kinderdoop regel -en de bejaardendoop uitzondering werd, moest natuurlijk zijne beteekenis -nader in het licht gesteld en zijne rechtmatigheid tegenover allerlei -bestrijders verdedigd worden. Dit geschiedde op verschillende manier. -1º Toen Augustinus tegenover de Pelagianen de erfzonde en dus ook -de noodzakelijkheid van den doop voor kinderen verdedigde, moest hij -zich rekenschap geven van het recht, dat kinderen hadden op den doop. -Belijdende, dat de doop alleen voor geloovigen ingesteld was en toch -erkennende, dat kinderen niet zelf gelooven konden, deed hij daarom een -beroep op het geloof der ouders, die het kind ten doop presenteerden -en in zijne plaats antwoordden. Pie recteque creditur, prodesse parvulo -eorum fidem, a quibus consecrandus offertur, de lib. arb. III 23. -Kinderen van geloovigen moeten zelf onder de geloovigen gerekend -worden, want zij gelooven fide parentum. Credit in altero, qui peccavit -in altero, de verbis apost. sermo de bapt. parv. c. Pelag. c. 14. En -niet alleen ’t geloof der ouders maar van heel de kerk komt hun ten -goede: offeruntur quippe parvuli ad percipiendum spiritalem gratiam, -non tam ab eis quorum gestantur manibus, quamvis et ab ipsis, si et -ipsi boni fideles sunt, quam ab universa societate sanctorum atque -fidelium, ad Bonif. ep. 25. Op dezen grond hebben de kinderen der -geloovigen volgens Augustinus recht op den doop, en in dien doop worden -zij zelven de vergeving der zonden en de wedergeboorte deelachtig, -echter met dien verstande, quod baptizatur parvulus, si ad rationales -annos veniens non crediderit, nec se ab illicitis concupiscentiis -abstinuerit, nihil ei proderit quod parvus accepit, de pecc. mer. et -rem. I 20, cf. Bibl. studii theol. Chrispin 1565 p. 115-128, en voorts -dezelfde voorstelling bij theologen van allerlei richting, Lombardus e. -a. op Sent. IV dist. 4. Thomas, S. Theol. III qu. 68 art. 9. Bonav. -Brevil. VI 7. Catech. Rom. II 2 qu. 27. 30. Bellarminus, de bapt. I 10. -11. Luther bij Köstlin I 236. 352. II 88. Calvijn, C. R. VIII 483. 493. -Beza, Tract. theol. III 345 en vele anderen, Oecolampadius, Zanchius, -Perkins, Bucanus, Marlorat, Rivetus, Venema, Hartmann, cf. M. Vitringa -VII 136. Quenstedt, Theol. IV 148. C. Vitringa, Observ. Sacrae II c. 6. -Kalchreuter, Der stellvertretende Glaube und die Kindertaufe, Jahrb. -f. d. Th. 1866 S. 523-544. 2º Zulk een fides aliena kan echter het -gemis van persoonlijk geloof bij het kind niet vergoeden en leidt daarom -ongemerkt tot de leer van eene wedergeboorte door den doop. Het geloof -der ouders of der kerk moge aan het kind recht geven, om gedoopt te -worden, in het kind zelf is toch niets vereischt dan hoogstens eene van -nature aanwezige capacitas passiva, een negatief obicem non ponere. -Daarom ontvangt het kind, dat om zoo te zeggen door de gansche kerk -met gebeden aan God opgedragen wordt, in den doop zelf de genade, -die het behoeft. Maar die genade, welke het kind ontvangt, wordt dan -weer zeer verschillend omschreven. Sommige scholastici zeiden, dat -den kinderen bij den doop geen deugden werden ingestort noch actu noch -habitu noch radice, maar dat deze hun later werden medegedeeld, wanneer -zij opgroeiden, of ook, wanneer zij stierven, geschonken werden bij de -scheiding der ziel van het lichaam; anderen meenden, dat de kinderen -bij den doop de deugden ontvingen, hetzij secundum radicem, of secundum -habitum, Comm. op Sent. IV dist. 4, bijv. Bonaventura ib. pars 2 art. -2 qu. 2. Thomas, S. Theol. III qu. 69 art. 6. Trente stelde vast, -dat de sacramenten des N. Test. de genade in zich bevatten en allen -mededeelen, die geen hindernis in den weg stellen, zoodat ook de -kinderen in den doop de genade en de deugden ontvangen ex opere operato -en niet van te voren geloovigen zijn maar door den doop geloovigen -worden, Trid. VII can. 6-8, de bapt. c. 13. 14. cf. Bellarminus, de -bapt. I 10. 11. De Lutherschen bestreden, dat de kinderen vóór den -doop geloof hadden en eveneens, dat zij in aliena fide werden gedoopt, -maar leerden, dat zij in den doop het geloof ontvingen, en wel niet -habitu of potentia slechts, doch zelfs actu. Per baptismum et in -baptismo Spiritus S. fidem veram, salvificam, vivificam et _actualem_ -accendit in infantibus, unde et infantes baptizati vere credunt, -Quenstedt IV 147. Ook enkele Gereformeerde theologen Pareus, Baronius, -Forbesius à Corse, Davenant, Ward, de Brais in Saumur e. a. leerden, -dat aan alle kinderen in den doop eene zekere genade van vergeving -en wedergeboorte geschonken werd, welke, wanneer zij jong stierven, -voldoende ter zaligheid was, maar anders hunnerzijds door persoonlijk -geloof aanvaard en bevestigd moest worden, cf. Witsius, de efficacia -baptismi in infantibus, Misc. Sacra II 618. Voetius, II Disp. 409. M. -Vitringa VII 72. En hiermede komt de leer der High Churchmen van -een baptismal regeneration overeen. 3º Maar deze leer wordt door -vele bezwaren gedrukt. De fides aliena, die eerst bij Augustinus e. -a. nog als eene herinnering aan het volgens de Schrift voor den doop -vereischte geloof gehandhaafd werd, wordt geheel overtollig, als de -doop ex opere operato de genade meedeelt en in het kind niets anders -dan eene capacitas passiva onderstelt. Wanneer kinderen dan reeds de -genade des doops kunnen ontvangen, als zij geen obex in den weg stellen, -verdient het aanbeveling, om zooveel mogelijk kinderen, ook heidensche, -te doopen, want zij zijn allen passief en dus allen vatbaar voor de -ontvangst der genade; de Scotistische school verdedigde dit dan ook -tegenover de Thomistische en bepaalde de practijk der Roomsche kerk, -Schwane, D. G. III 621. Ten tweede wordt de doop van zijn Schriftuurlijk -karakter beroofd, wijl hij losgemaakt wordt van het geloof en het woord, -ophoudt teeken en zegel van Gods beloften te zijn, een zelfstandig, -onafhankelijk, ex opere operato werkend genademiddel wordt en zelfs -onder de genademiddelen de eerste en voornaamste plaats inneemt. -En eindelijk worden de weldaden, welke de doop mededeelt, eenerzijds -overdreven en andererzijds verzwakt. Want met het oog op de feiten, -die Schrift en ervaring aan de hand doen, kan niemand volhouden, -dat alle gedoopte kinderen later blijken geloovigen te zijn en zalig -te worden. Zoo moet men dan aannemen, dat de weldaden, in den doop -geschonken, verliesbaar zijn en later door persoonlijk geloof aanvaard -moeten worden. Zij zijn genoegzaam ter zaligheid voor jongstervende, en -ongenoegzaam voor opwassende kinderen, en plaatsen deze laatste in een -twijfelachtigen toestand tusschen geloovigen en ongeloovigen in, Ex. v. -h. Ontw. v. Tol. VI 282-287. VII 493-495. Moor V 489. Witsius t. a. p. -De Gereformeerden keerden daarom tot de Schrift terug en namen bij de -verdediging van den kinderdoop eenparig hun standpunt in het verbond -der genade, dat naar Gods belofte niet alleen de geloovigen maar ook -hun zaad omvatte. Niet wedergeboorte, geloof of bekeering, en veel -minder ons vermoeden dienaangaande, maar alleen het verbond der genade -gaf, beide bij volwassenen en bij kinderen, recht op den doop, Calvijn, -Inst. IV 16, 23. 24, cf. Kramer. Het verband van doop en wedergeb. -122. Dit verbond was de vaste, Schriftuurlijke, objectieve grond, -waarop alle Gereformeerden gemeenschappelijk en zonder onderscheid -het recht van den kinderdoop deden rusten; een anderen, dieperen, -hechteren grond hadden zij niet. Maar de Anabaptisten voerden altijd nog -een tweede bewijs tegen den kinderdoop aan; zij beweerden, niet alleen -dat de kinderdoop in de Schrift niet voorkwam, maar ook, dat kinderen -geen geloof en bekeering konden hebben of toonen en daarom ook niet -gedoopt mochten worden. Daartegenover betoogden de Gereformeerden, -dat kinderen wel niet, gelijk de Lutherschen, den actus fidei, maar -toch zeer zeker den habitus fidei konden bezitten. Zij drukten zich -zeer verschillend uit; men sprak van fides in semine, in radice, in -inclinatione, in potentia, in habitu, in principio, in virtute interna -Spiritus, van semen regenerationis enz., cf. M. Vitringa VII 134. Maar -in de zaak zelve was er volkomen overeenstemming. Alle Gereformeerden -hielden op grond van de Schrift, Jer. 1:5, Luk. 1:5 en overeenkomstig -de katholiciteit van de christelijke religie tegenover de Anabaptisten -staande, dat kinderkens evengoed als volwassenen door God in genade -aangenomen, door zijn Geest wedergeboren en met het zaad des geloofs -begiftigd konden worden. En hieraan hadden zij tegenover de Anabaptisten -genoeg. De onderlinge verschillen die zich voordeden, zoodra zij hunne -beginselen gingen uitwerken en toepassen, boven bladz. 226, traden bij -deze gemeenschappelijke overtuiging op den achtergrond. - - -8. Het recht van den kinderdoop hangt uitsluitend daarvan af, hoe de -Schrift de kinderen der geloovigen beschouwt en dus wil, dat wij ze -beschouwen zullen. Als de Schrift over zulke kinderen op dezelfde -wijze als over volwassen geloovigen spreekt, dan staat het recht en -ook daarmede de plicht van den kinderdoop vast; want wij mogen aan -kinderen niet onthouden wat wij aan volwassenen schenken. Bij den doop -van kinderen is het dus niet geoorloofd, om minder, doch evenmin, om -meer dan bij den doop van bejaarden te eischen. In het laatste geval zijn -wij en moeten wij naar de Schrift er mede tevreden zijn, dat iemand zijn -geloof belijdt. Nooit zijn wij volkomen zeker, dat iemand geen huichelaar -is en dus ongerechtigd het sacrament ontvangt; maar daarover komt ons -het oordeel niet toe, de intimis non judicat ecclesia. Zoo is het -ook bij den kinderdoop. Wie volstrekte zekerheid wil, kan nooit eenig -sacrament uitdeelen. De vraag is alleen, of de zekerheid, dat wij in -de kinderen der geloovigen met geloovigen te doen hebben, dezelfde is -als die, welke wij bezitten aangaande hen, die op volwassen leeftijd hun -geloof belijden. Eene andere, sterkere zekerheid hebben wij niet noodig -en mogen wij niet eischen. Zoo de vraag gesteld, geeft de Schrift een -duidelijk antwoord. 1º Allereerst dient de bevreemding weggenomen, dat -het N. Test. nergens met zooveel woorden van den kinderdoop spreekt. -Dit feit is daaruit te verklaren, dat de doop van volwassenen in -de dagen des N. T. de regel en de kinderdoop, zoo hij al voorkwam, -uitzondering was. Het was de tijd, waarin de christelijke kerk door -overgang uit Jodendom en Heidendom gesticht en uitgebreid werd. En -het was juist die overgang, die duidelijk in den doop afgebeeld werd. -De bejaardendoop is daarom de oorspronkelijke doop; de kinderdoop is -afgeleid; gene moet niet naar dezen, maar deze moet naar genen worden -geconformeerd. Daarmede vervalt het recht van den kinderdoop niet, -noch ook heeft het ter zijner handhaving naar Roomsche bewering de -traditie van noode; want ook wat bij wettige gevolgtrekking uit de -Schrift afgeleid wordt, is even bondig als wat er uitdrukkelijk in -vermeld staat. Zoo handelt de kerk ieder oogenblik in de bediening -des woords, in de practijk des levens, in de ontwikkeling der leer; zij -blijft nooit bij de letter staan maar leidt uit de gegevens der Schrift -onder de leiding des H. Geestes gevolgtrekkingen en toepassingen -af, die haar leven en ontwikkeling mogelijk maken en bevorderen. En -zoo handelt zij ook, als zij van den bejaardendoop tot den kinderdoop -overgaat. De Schrift geeft den algemeenen regel aan, wanneer de doop -mag en moet worden toegepast, en de kerk past dezen regel concreet in -het leven toe. Zij behoeft nergens te zeggen, dat kinderen mogen gedoopt -worden; zij zegt genoeg, als zij kinderen beschouwt op dezelfde wijze -als volwassenen, die tot belijdenis des geloofs zijn gekomen, en nooit -gewag maakt van eene doopsbediening aan zulke volwassenen, die uit -Christenouders geboren waren. 2º In het O. Test. werd de besnijdenis -bediend aan kinderen van het mannelijk geslacht op den achtsten dag na -hunne geboorte. Volgens Col. 2:11, 12 is deze besnijdenis vervangen -door den doop. Immers de Colossers zijn, ofschoon Christenen uit de -Heidenen, evengoed besneden als de Joden. Maar zij zijn besneden, niet -met eene vleeschelijke, door handen verrichte besnijdenis, welke bestaat -in de uittrekking van het σωμα της σαρκος, van heel de vleeschelijke, -zondige natuur. En zij heeft plaats gehad in Christus, door middel en -uit kracht van de besnijdenis, welke Christus zelf ten opzichte van de -zonde in zijn dood heeft ondergaan, op het oogenblik toen zij in den -doop met Christus begraven en opgewekt zijn. Door den dood van Christus -heen, die eene volkomene aflegging en overwinning van de zonde was en -dus de idee van de besnijdenis ten volle realiseerde, is die besnijdenis -verouderd en in den doop tot hare antitypische vervulling gekomen. De -doop is dus meer dan de besnijdenis, niet in wezen maar in graad; de -besnijdenis wees naar den dood van Christus heen, de doop wijst ernaar -terug; gene eindigt, deze begint met dien dood. Indien nu echter die -besnijdenis reeds als teeken des verbonds aan kinderen mocht en moest -worden bediend, dan geldt dit a fortiori van den doop, die niet armer -maar veel rijker aan genade is. Dat komt mede daarin uit, dat het -sacrament des O. V. alleen aan mannelijke, maar dat des N. V. ook aan -vrouwelijke personen wordt bediend; en ook de tegenstanders van den -kinderdoop erkennen in dit opzicht de rijkere genade van den doop. De -zonde draagt n.l. bij menschen het karakter van σαρξ; zij openbaart zich -vooral in de organen der voortplanting en toont daar hare macht. De -besnijdenis stelt dat in het licht, evenals ook de onreinheid der vrouw -na het baren. Maar Christus heeft door zijn dood, die de ware besnijdenis -is, alle zonde weggenomen, ook die, welke aan de voortplanting kleeft; -Hij heeft de vrouw in zelfstandige betrekking tot zichzelven gesteld; -Hij doet haar even goed als den man in zijne genade deelen; in Hem is er -geen man of vrouw; en daarom worden beiden in den doop met Christus -begraven en tot een nieuw leven opgewekt. En eindelijk blijkt de rijkere -genade van het sacrament des N. V. ook nog daarin, dat de besnijdenis -eerst op den achtsten dag na de geboorte mocht worden voltrokken, want -de kinderen deelden zoolang nog in de onreinheid der moeder; maar -nu, in de dagen des N. T. hebben de kinderen van hunne geboorte af -recht op den doop, wijl zij van het eerste oogenblik van hun bestaan af -deelen in de genade van Christus. 3º De besnijdenis is lang niet het -eenige bewijs, dat het O. T. de kinderen beschouwt als deelgenooten des -verbonds. Heel de verbondsidee brengt deze beschouwing mede. Daarin -toch is het verbond van de verkiezing onderscheiden, dat het aantoont, -hoe deze zich langs organischen en historischen weg realiseert. Het -wordt nooit alleen met één enkel persoon gesloten maar in dien enkele -ook terstond met zijn zaad. Het omvat nooit den persoon des geloovigen -alleen, in het afgetrokkene, maar dien persoon concreet, gelijk hij -historisch bestaat en leeft, dus hem niet alleen, maar ook al wat -zijns is; hem voor zijn persoon niet alleen maar hem ook als vader of -moeder, met zijn gezin, met zijn geld en goed, met zijn invloed en macht -enz., deel III 226. Bepaaldelijk worden de kinderen in hem gerekend. -Er is eene gemeenschap van ouders en kinderen aan zonde en ellende, -ib. 129v. Maar er is daartegenover ook door God eene gemeenschap van -ouders en kinderen aan genade en zegen gesteld. Kinderen zijn een zegen -en een erfdeel des Heeren, Ps. 127:3. Zij worden altijd bij de ouders -gerekend en met hen samengenomen; het gaat hun samen wel, Ex. 20:6, -Deut. 1:36, 39, 4:40, 5:29; 12:25, 28. Zij dienen samen den Heere, -Deut. 6:2, 30:2, 31:12, 13, Jos. 24:15, Jer. 32:39, Ezech. 37:25, -Zach. 10:9; de daden en inzettingen Gods moeten door de ouders aan -de kinderen worden overgeleverd, Ex. 10:2, 12:24, 26, Deut. 4:9, 10, -40, 6:7, 11:19, 29:29, Jos. 4:6, 21, 22:24-27; het verbond Gods met -zijn weldaden en zegeningen zet zich voort van kind tot kind en van -geslacht tot geslacht, Gen. 9:12, 17:7, 9, Ex. 3:15, 12:17, 16:32, -Deut. 7:9, Ps. 105:8 enz. Genade is geen erfgoed maar zij wordt toch in -den regel uitgedeeld in de lijn der geslachten. Piorum infantibus primus -ad salutem aditus est ipsa ex piis parentibus propagatio, Beza, Resp. -ad coll. Mompelg. II 103 bij Gerhard, Loc. XX 211. 4º Deze beschouwing -gaat over in het N. Testament. Jezus treedt evenals Johannes met de -prediking op: bekeert u en gelooft het evangelie; Hij neemt den doop van -Johannes over en verkondigt daarin, dat de Joden in weerwil van hunne -besnijdenis bekeering en vergeving van noode hebben; de tegenstelling -wordt langzamerhand zoo sterk, dat Jezus heel geen verwachting meer -van zijn volk heeft en het volk Hem verwerpt en hangt aan het kruis. En -toch desniettegenstaande blijft Hij de kinderen beschouwen als kinderen -des verbonds, Mt. 18:2v., 19:13v., 21:15v., Mk. 10:13v., Luk. 9:48, -18:15. Hij roept ze tot zich, omhelst hen, legt hun de handen op, zegent -ze, zegt dat hunner is het koninkrijk der hemelen, stelt hen aan de -volwassenen ten voorbeeld, waarschuwt dezen, om hen te ergeren, zegt -dat hunne engelen over hen waken, en ziet in hun Hosannageroep eene -vervulling der profetie, dat God het spreken der kinderen tot een macht -heeft gemaakt, waardoor zij, die Hem haten, tot zwijgen worden gebracht, -en uit hun mond zich lof, αἰνον naar de LXX, heeft toebereid. 5º Van -dezelfde gedachte gaan de apostelen uit. Het verbond der genade, met -Israel opgericht, is wel gewijzigd, wat de bedeeling betreft, maar in -wezen hetzelfde gebleven, deel III 216v. De ἐκκλησια is in de plaats -getreden van het Oudtest. Israel, zij is het volk Gods en God is haar -God en Vader, Mt. 1:21, Luk. 1:17, Hd. 3:25, Rom. 9:25, 26, 11:16-21, -2 Cor. 6:16-18, Gal. 3:14-29, Ef. 2:12, 13, Tit. 2:14, Hebr. 8:8-10, -1 Petr. 2:9, Op. 21:3. Evenals in het O. Test., zijn onder dat volk -Gods ook de kinderen der geloovigen begrepen. Immers, de gemeente -des N. Test. is geen groep van individuen, maar een organisme, een -lichaam, een tempel en is als zoodanig, als een volk, in de plaats van -Israel getreden. Zij is als een wilde olijfboom, terwijl eenige takken -zijn afgehouwen, op den stam van den tammen olijfboom geënt en alzoo -zijn wortel en vettigheid deelachtig geworden, Rom. 11:16, 17. Daarom -gaan soms gansche huisgezinnen tot het Christendom over. Het huisgezin -zelf is eene instelling Gods, een organisch geheel, dat deelt in een -gemeenschappelijken zegen of vloek. Jezus’ discipelen brengen vrede -aan het huis, dat zij binnengaan, Luk. 10:5, en Hij zegt zelf, dat, -als Zacheus gelooft, zijnen huize zaligheid is geschied, Luk. 19:9. -De apostelen leeren niet alleen in den tempel maar verkondigen het -evangelie van Christus ook telkens in de huizen, Hd. 5:42, 20:20. Met -het hoofd des gezins wordt heel het huisgezin zalig, Hd. 11:14, 16:31, -en gansche huisgezinnen gelooven en worden gedoopt, Hd. 16:15, 34, -18:8, 1 Cor. 1:16. Hieruit is wel niet te bewijzen, dat de kinderdoop -reeds door de apostelen is toegepast, maar uit het stilzwijgen is -het tegendeel evenmin af te leiden; uit de vroege invoering van den -kinderdoop, uit de algemeene erkenning, die hij terstond gevonden heeft, -en uit het getuigenis van Origenes volgt de mogelijkheid en zelfs de -waarschijnlijkheid, dat hij reeds was een apostolisch gebruik. Voorts zegt -Petrus, dat de belofte des O. V., dat God de God der geloovigen en van -hun zaad zou zijn, overgaat in de bedeeling des N. T., Hd. 2:39. Wel -geldt dit allereerst de Joden, en is er van de Heidenen eerst sprake in -de woorden: en allen die daar verre zijn. Maar dit neemt niet weg, dat -de Joden, die zich tot Christus bekeeren, niet alleen voor zichzelven -maar ook voor hunne kinderen de belofte des verbonds ontvangen; en de -Heidenen, die tot het geloof komen, deelen in dezelfde voorrechten en -staan volgens heel het N. T. in geen enkel opzicht bij de geloovigen -uit de Joden ten achteren. Volgens Paulus, 1 Cor. 7:14, zijn zelfs -de kinderen uit een huisgezin, waarvan een der beide ouders geloovig -is geworden, heilig. Als zulk een geval zich voordeed, moest n.l. de -geloovige echtgenoot niet denken, dat hij het huwelijksleven met de -wederhelft niet voortzetten mocht. Integendeel, door het geloof van -den eenen echtgenoot, wordt heel het huwelijk, wordt ook de andere -echtgenoot geheiligd, ἡγιασται. En dit bewijst Paulus daarmede, dat -immers de kinderen uit zulk een huwelijk niet ἀκαθαρτα maar ἁγια zijn. -Dat stond dus vast, was algemeen aangenomen en kon daarom als argument -dienst doen. Kinderen in een huisgezin, waarvan vader of moeder -geloovig is, worden gerekend naar den geloovigen echtgenoot, zelfs al -is deze de vrouw des huizes. De christelijke belijdenis geeft in zulk -een huis den toon aan; zij is de maatstaf, waarnaar heel het gezin -beoordeeld moet worden; het geloof is het hoogere, dat over het lagere -domineert. De heiligheid, van welke Paulus hier spreekt, is niet als -eene subjectieve, inwendige, maar als eene objectieve, theocratische te -denken, want anders waren de kinderen en de man niet door de geloovige -moeder en vrouw maar door zichzelven heilig. Ook denkt Paulus hier -ganschelijk niet aan den kinderdoop, noch aan iets, dat als een grond -daarvoor dienst moet doen. Maar het is er hem alleen om te doen, om aan -te toonen, dat het christelijk geloof de natuurlijke levensordeningen -niet verbreekt maar bevestigt en heiligt, cf. vs. 18-24. Voor den -kinderdoop is deze plaats echter in zoover van belang, als zij leert, -dat heel een gezin naar de belijdenis van den geloovigen echtgenoot -gerekend wordt; de geloovige heeft de roeping, om niet alleen voor -zichzelf maar met al wat het zijne is en met heel zijn gezin den Heere te -dienen. Daarom worden de kinderen der geloovigen door de apostelen ook -als Christenkinderen in den Heere vermaand, Hd. 26:22, Ef. 6:1, Col. -3:20, 1 Joh. 2:13, 2 Tim. 3:15; ook kleinen kennen den Heere, Hebr. -8:11, Openb. 11:18, 19:5, en worden gesteld voor den troon, Op. 20:5. -Van eene neutrale opvoeding, die de kinderen op gevorderden leeftijd -volkomen vrij en zelfstandig wil laten kiezen, weet de H. Schrift niets -af, Trid. de bapt. c. 14. De kinderen der geloovigen zijn geen Heidenen, -zijn ook geen duivelskinderen, die nog, gelijk Roomschen en Lutherschen -leeren, bij den doop moeten geexorciseerd worden; maar het zijn kinderen -des verbonds, wien de belofte even goed als den volwassenen toekomt, -zij zijn in het verbond begrepen en zijn heilig non natura, Job 14:4, Ps. -51:7, Joh. 3:6, Ef. 2:3, sed foederis privilegio, Heid. Cat. 74. Can. -Dordr. I 17. 6º Dit alles klemt te meer, omdat de genade, vooral in de -bedeeling des N. T. veel overvloediger is dan de zonde, Rom. 5:12-21. -Indien de verwerping van den kinderdoop enkel en alleen daaruit -voortkwam, dat hij niet met letterlijke woorden in de Schrift wordt -geboden, zou zij met toegevendheid te beoordeelen zijn. Maar gewoonlijk -hangt zij met geheel andere overwegingen saam en vloeit voort uit eene -beperking der genade en uit eene miskenning van de catholiciteit van -het Christendom. Immers stelt het Anabaptisme aan de genade, tenzij -het de erfzonde ontkent en wedergeboorte voor kinderen onnoodig acht, -een grens in den kinderlijken leeftijd, in het nog niet gekomen zijn tot -jaren des onderscheids, dat is dus, in wetten en ordeningen, die door -God zelven bij de schepping in de natuur zijn vastgesteld. Zulke perken -kent echter de genade niet. Onder het O. Test. moge zij in zekeren zin -binnen het volk van Israel besloten zijn geweest; te midden van dat -volk was zij zoo ruim mogelijk. En in het N. T. is alle grens van volk -en land, van geslacht en leeftijd, volkomen uitgewischt. In Christus -is geen man of vrouw, geen Jood of Griek, geen kind of grijsaard, maar -alleen een nieuw schepsel. De Vader heeft de wereld liefgehad; Christus -is eene verzoening voor de geheele wereld en heeft ook voor kinderen -zijn bloed vergoten; en de H. Geest, die Jezus ontvangen deed in Maria’s -schoot en reeds van het eerste oogenblik van hun bestaan af aan een -Jeremia en Johannes geschonken werd, heeft toegang tot ieder hart en -wordt daarin door geen leeftijd of jonkheid belemmerd. Kinderen kunnen -daarom, gelijk zij zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig -zijn, op diezelfde wijze weder in Christus tot genade aangenomen worden. -Al kunnen zij niet actu gelooven, zij kunnen toch wedergeboren worden en -daarin tevens het vermogen des geloofs ontvangen. 7º Door dit alles -is het recht en dus ook de plicht van den kinderdoop overvloedig -betoogd. Want als kinderen der geloovigen zoo te beschouwen zijn, als -de Schrift ons leert, dan hebben zij naar de Goddelijke instelling van -den doop aanspraak op dit sacrament, in dezelfde en zelfs in sterkere -mate dan de volwassenen, die belijdenis doen. Volstrekte zekerheid is -er toch in geen van beide gevallen te verkrijgen. Bij de bejaarden -kunnen wij evenmin over het hart oordeelen als bij de kinderen. Er -is voor ons, die aan het uitwendige gebonden zijn, altijd slechts -mogelijk een oordeel der liefde. Naar dat oordeel houden wij hen, die -belijdenis doen, voor geloovigen en deelen hun de sacramenten uit; en -naar datzelfde oordeel rekenen wij de kinderen der geloovigen tot de -geloovigen zelven, omdat zij met hunne ouders in het verbond der genade -begrepen zijn. Zelfs is de waarschijnlijkheid, dat de gedoopten ware -geloovigen zijn, bij de kinderen grooter dan bij de volwassenen. Want -niet alleen sluipt in eene baptistische kerk de verzwakking van de -beteekenis van den doop, de verwaarloozing der tucht en de doodende -macht van de gewoonte evengoed in als in eene kerk, die den kinderdoop -in practijk brengt; maar bijna de helft der menschen sterft weg, voordat -zij tot jaren des onderscheids zijn gekomen. Voor die allen ligt er in -de Schrift, inzoover zij in het verbond der genade begrepen zijn, eene -belofte des Heeren, welke zij niet met bewustheid en vrijwillig verwerpen -kunnen. Indien zij vóór den tijd, dat zij dat doen kunnen, sterven, mogen -godzalige ouders aan hunne verkiezing en zaligheid niet twijfelen, -Can. Dordr. I 17, cf. Voetius, Disp. II 408. 417. M. Vitringa II 51. -En zelfs bij die kinderen, die opwassen, mag en moet zoolang naar het -oordeel der liefde, welke in de kerk van Christus heerschen moet, aan -hun zaligheid worden geloofd, als het tegendeel niet duidelijk blijkt. -Uit de kinderen der geloovigen wordt toch voortdurend de gemeente, de -vergadering der ware Christgeloovigen, gebouwd. 8º Daarbij mag echter -nooit vergeten worden, dat dit zoowel bij volwassenen als bij kinderen -een oordeel der liefde is. Het is geen onfeilbare uitspraak, die -de zaligheid van elken gedoopte vaststelt, maar alleen een regel, -waarnaar de Schrift gebiedt, dat wij in de practijk van het kerkelijk -leven handelen zullen. Grond voor den doop is niet het vermoeden, dat -iemand wedergeboren is en zelfs die wedergeboorte zelve niet, maar -alleen het verbond Gods. Op de subjectieve opinie van den dienaar -des woords over den geestelijken staat van den doopeling komt het -ganschelijk niet aan; of hij al dan niet voor zichzelven overtuigd zij -van de oprechtheid des geloofs bij den doopeling, hij heeft daarmede -niet te rekenen maar te handelen naar den geopenbaarden wil Gods en -den regel van zijn woord. Maar bovendien, het baat niets om de oogen -te sluiten voor het feit, dat de doop menigmaal toebediend wordt aan -zulken, die later blijken niet te wandelen in den weg des verbonds. -Schrift en ervaring leeren beide, dat niet alles Israel is wat Israel -heet, dat er kaf is onder het koren, dat er in het huis Gods niet -alleen gouden en zilveren maar ook aarden vaten zijn. Lang niet allen -waren daarom wedergeboren, toen zij den doop ontvingen. Zelfs is het -niet te bewijzen, dat de uitverkorenen altijd in hun jeugd, vóór den -doop of zelfs vóór de geboorte, door den H. Geest zijn wedergeboren; -God is vrij in de uitdeeling zijner genade en kan de vrucht van den doop -ook op veel later leeftijd genieten doen. Daarom blijft er ook in de -christelijke gemeente plaats voor de prediking van het evangelie, van -wedergeboorte, geloof en bekeering. De profeten, Johannes de Dooper -en Jezus zijn daarmede opgetreden te midden van hun volk, dat toch het -eigendom des Heeren was; en ook de apostelen hebben het woord niet -slechts bediend, om het verborgen leven tot openbaring te brengen, maar -het ook als een zaad der wedergeboorte en als een middel tot werking -des geloofs gepredikt. 9º Toch mag daarom het wezen van den doop niet -afhankelijk gesteld worden van zijne uitwerking in het leven. Evenals -het oprechte geloof blijft wat het naar de beschrijving van den Heid. -Cat. 21 is, ook al vertoont de werkelijkheid er allerlei afwijkingen -en misvormingen van, zoo ook is de doop en mag hij niet anders wezen -dan wat de Schrift ervan leert. De echte, wezenlijke, christelijke doop -is die, welke aan geloovigen toebediend wordt. Ofschoon de doop, -evenals de uitwendige roeping, ook voor de ongeloovigen nog menigen -zegen afwerpt, deel III 492, toch wordt zijne echte vrucht en volle -kracht alleen door de geloovigen genoten. Objectief blijft de doop, -evenals het woord, hetzelfde. Wie het woord, en zoo ook wie den doop -in den geloove ontvangt, krijgt werkelijk deel aan de beloften, die God -er mede verbonden heeft. God blijft zichzelf getrouw en schenkt de -zaligheid aan een iegelijk, die gelooft. Maar het geloof is niet aller. -Ten slotte wordt de vrucht van den doop alleen genoten door hen, die -uitverkoren zijn en daarom op ’s Heeren tijd ook komen tot het geloof. -In die uitkomst moeten allen berusten, hetzij zij Roomsch of Protestant, -Luthersch of Gereformeerd zijn. Sacramenta in solis electis efficiunt -quod figurant, zeide Augustinus en de scholastiek sprak het hem na, -cf. Lombardus, Thomas, Bonaventura op Sent. IV dist. 4, en voorts ook -Calvijn op Ef. 5:26. Inst. IV 14, 9. 10. C. R. VII 694. Beza, Tract. III -124. Voetius, Disp. II 408. Westm. Conf. 28, 6. M. Vitringa VI 90. VII -378. De uitverkorenen hebben het gegrepen maar de anderen zijn verhard -geworden. De kinderen der belofte worden voor het zaad gerekend. 10º De -weldaden van den doop zijn bij kinderen dezelfde als bij volwassenen, n.l. -de vergeving der zonde, de wedergeboorte en de inlijving in de gemeente -van Christus. En deze worden niet eerst in den doop geschonken maar zijn -reeds door het geloof het deel van hem, die overeenkomstig den wille -Gods den doop ontvangt. De doop schenkt geen enkele weldaad, welke niet -in het woord reeds beloofd en door het geloof werd aangenomen, maar hij -schenkt dezelfde weldaden als het woord slechts op eene andere wijze en -in een anderen vorm, zoodat het geloof, naar de mate, welke God aan een -iegelijk geschonken heeft, er door bevestigd en versterkt wordt. Ook -voor kinderen gaat deze regel door. Want gelijk zij onbewust door den H. -Geest wedergeboren en met het geloofsvermogen begiftigd kunnen worden, -zoo kunnen zij ook door dienzelfden H. Geest buiten hun weten in dat -geloofsvermogen versterkt worden. Er is hier, als op zoo menig terrein, -eene geheimzinnige Wechselwirkung. Gelijk het licht en het oog elkander -onderstellen en steunen, zoo geniet het geloof van het sacrament te -meer naarmate het sterker is en wordt er tevens in diezelfde mate -door verzegeld en bekrachtigd. De sacramenten nemen daarom voor den -geloovige, als hij opwast, niet langzamerhand in beteekenis af maar -winnen voortdurend voor hem aan waarde. Zij spreiden altijd schooner -en heerlijker voor het oog des geloofs den rijkdom van Gods genade ten -toon. Zij zijn voor ieder geloovige en voor heel de kerk een bewijs van -ontvangen genade, een teeken van Gods trouw, een pleitgrond voor het -gebed, een steunpilaar voor het geloof, eene vermaning tot nieuwe -gehoorzaamheid. Cf. over den kinderdoop: Calvijn, Inst. IV c. 16. -Ursinus, Tract. theol. 1584 p. 597-619. Junius, Theses Theol. 52. G. -J. Vossius, Disput. XX de baptismo, disp. 13. C. Vitringa, Observ. -Sacrae lib. II c. 6. Turretinus, Theol. El. XIX qu. 20. Moor V 476. M. -Vitringa VII 99. Martensen, De Kinderdoop 1842. Wormser, De Kinderdoop -1853. Pieters en Kreulen, De Kinderdoop 1861. Van Oosterzee, Dogm. § -138. Thym, De beteekenis van den Christ. doop en het goed recht van -den Kinderdoop 1884. Kuyper, Heraut 652v. Steitz art. Taufe in Herzog². -Bartels, Die bibl. Lehre v. d. Taufe in Gegensatz zur bapt. Entw., -Jahrb. f. d. Theol. 1874 S. 69 f. Boy. Die Begründung der Kindertaufe, -Neue Jahrb. f. deutsche Theol. 1895 S. 500-511. Lobstein, Zur Rechtf. -der Kindertaufe, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1896 S. 278-298. Dorner, -Chr. Dogm. II 818. 835 f., enz. - - -9. Van dezen doop is Christus de bedienaar. En alleen als Hij doopt -en met het teeken ook de beteekende zaak schenkt, is iemand waarlijk -gedoopt. Maar bij de bediening van den doop maakt Christus van menschen -gebruik, wien hij de uitdeeling der verborgenheden Gods opdraagt. Onder -het O. T. was de besnijdenis aan geen ambt gebonden; ieder Israeliet -mocht ze voltrekken; gewoonlijk deed het de huisvader, Gen. 17:23, in -geval van nood ook de moeder, Ex. 4:25, 1 Makk. 1:60, later gewoonlijk -de arts en tegenwoordig meest een bijzonder daarvoor aangestelde mohel. -Maar in het N. T. wordt de doop alleen bediend door zulken, die in het -ambt zijn gesteld, Johannes, Mk. 1:4, Jezus’ discipelen, Joh. 4:2, de -apostelen, Hd. 2:38, aan wie het Mt. 28:19 door Christus bepaaldelijk -was opgedragen, Philippus, die in Jeruzalem diaken was maar later als -evangelist optrad, Hd. 21:8, en als zoodanig den doop bediende, Hd. -8:38, Ananias, die aan Paulus de handen oplegde en hem waarschijnlijk -ook doopte, Hd. 9:17, 18, Paulus, die soms zelf doopte maar overigens -het doopen aan zijne medearbeiders overliet, wijl hij als apostel der -Heidenen in de eerste plaats geroepen was tot verkondiging van het -evangelie, 1 Cor. 1:14-17, cf. Hd. 10:48. De bediening der sacramenten -blijkt hieruit duidelijk, ondergeschikt te zijn aan de prediking van het -woord, maar daarmede toch ten allen tijde verbonden te zijn geweest. Het -sacrament volgt het woord, en daarom ging het recht, om de sacramenten -te bedienen, van de apostelen en evangelisten vanzelf op de leeraars -over, op die presbyters, die arbeidden in het woord en de leer. Toen -deze leeraars later als bisschoppen werden beschouwd, die in ambt -van de presbyters onderscheiden en boven hen verheven waren, werd -de doopsbediening een recht van den bisschop geacht, Tert. de bapt. -c. 17. Maar de uitbreiding van de gemeenten en ook de meer en meer -ingang vindende beschouwing, dat de doop ter zaligheid volstrekt -noodzakelijk was, leidden er toe, dat de doop ook door presbyters, -diakenen, parochi, en in geval van nood zelfs door ieder mensch, die -zijn verstand heeft, bediend mocht worden. De Roomsche kerk erkent den -doop, die door een ketter, ja zelfs dien, die door een ongeloovige, -door een Jood of Heiden, bediend is, al is de vereischte intentio -faciendi quod facit ecclesia hier moeilijk aan te wijzen, en behoudt -zich daarin het recht, om op alle gedoopten het cogite intrare toe te -passen; alleen het se ipsum baptizare erkent zij niet. Om zeker te gaan, -heeft zij zelfs, indien er eenige twijfel bestaat of de doop bediend of -juist bediend is, den conditioneelen doop ingevoerd, waarbij de dienaar -zegt: si non baptizatus es, ego te baptizo etc., cf. Suicerus s. v. -βαπτισμος. Comm. op Sent. IV dist. 5. Thomas, S. Theol. III qu. 67. -Trid. VII de bapt. 4. Cat. Rom. II qu. 18. 23. 42. Bellarminus, de -bapt. c. 7. Ook andere kerken, zooals de Grieksche, de Luthersche enz. -leeren de noodzakelijkheid van den doop en stonden daarom in geval van -nood zijne bediening aan leeken toe. Maar ten slotte durven zij geen van -alle de consequentie aan, dat iemand enkel en alleen daarom, dat hij -geheel buiten zijne schuld ongedoopt stierf, verloren zou gaan; allen -laten uitzonderingen toe, waarin een baptismus sanguinis of flaminis -voldoet. Conversio cordis potest inesse non percepto baptismo, sed -contempto baptismo non potest, Lombardus, Sent. IV 4, 4. De Conf. Aug. -art. 9 zegt in den lat. tekst wel van den doop, quod sit necessarius -ad salutem maar leert in den duitschen tekst alleen, dass sie nöthig -sei. De Luthersche theologen ontzeggen de zaligheid niet aan kinderen, -die buiten de schuld der ouders ongedoopt gestorven zijn, Quenstedt, -Theol. IV 164. En allen, die eene bijzondere genade door den doop -laten meedeelen, erkennen, dat deze ook wel op andere wijze door God -geschonken kan worden, Heraut 651. Daarom oordeelden de Gereformeerden -ook anders. De doop was immers geen oorzaak maar teeken en zegel van -de wedergeboorte, welke God schenkt vóór en zonder het sacrament; geen -enkele weldaad werd door den doop verleend, die niet geschonken was -door het woord en aangenomen door het geloof. Zoo kon dus de doop niet -volstrekt noodzakelijk ter zaligheid zijn; niet de privatio baptismi op -zichzelve, maar de contemptus baptismi maakt schuldig voor God. In -Mk. 16:16 wordt daarom bij het tweede lid de doop weggelaten en in -Joh. 3:5, welke plaats van de andere zijde algemeen van den doop wordt -verstaan, Trid. VII de bapt. c. 2. Catech. Rom. II 2 qu. 31, is volgens -Calvijn enz. van den doop geen sprake, al wordt er misschien ook aan den -doop gedacht, want het water komt hier, evenals in Mt. 3:11 het vuur, -als symbool van de werkzaamheid des H. Geestes voor en wordt in vs. 6 -en 8 in het geheel niet meer genoemd. Daarom is er ook geen reden, om -van het apostolisch gebruik af te wijken en de bediening des doops in -gevallen van nood ook aan andere personen dan de leeraars der gemeente -toe te staan, Calvijn, Inst. IV 15, 20. Bucanus, Inst. 613. Perkins, -Werken I 461. Voetius, Pol. Eccl. I. 631. M. Vitringa VII 75. 163. Moor -V 435. Daarom waren de Gereformeerden er ook op gesteld, dat de doop -steeds bediend zou worden in het midden der gemeente. Hoewel in het N. -T. de doopsbediening plaats had overal, waar maar water was, Mt. 3:6, -Joh. 3:23, Hd. 8:36, zoo werd het toch weldra, toen de geloovigen eigen -vergaderplaatsen kregen, gebruik, om ze in deze te doen plaats hebben. -Toch werd in gevallen van nood, in wintertijd, bij ziekten, voor vorsten -en aanzienlijke personen eene uitzondering gemaakt en de doopsbediening -in private woningen toegestaan. Dit is zeker met den algemeenen regel, -die in de kerk gelden moet, in strijd. Al zijn er gevallen denkbaar, -waarin de bediening des doops in de huizen mag plaats hebben; zij -kunnen en mogen niet anders dan hooge uitzondering zijn, staan niet -aan den dienaar des woords alleen maar aan den ganschen kerkeraad ter -beoordeeling, en eischen ook dan zelfs, dat de bediening niet plaats -hebbe dan in bijzijn van den kerkeraad. Want het komt bij de uitdeeling -van het sacrament niet aan op het gebouw, maar wel op de vergadering -der gemeente. Het sacrament is een bestanddeel van den openbaren -eeredienst, is een goed, dat door Christus aan zijne kerk is geschonken -en moet daarom met het woord openlijk in de gemeente bediend worden. -Immers is het sacrament steeds vereenigd met het woord; Christus zelf -heeft de bediening van den doop verbonden met die van het woord, Mt. -28:19. Bij de planting der kerk onder eene niet-christelijke bevolking -kan de doop uit den aard der zaak niet terstond in het midden van de -vergadering der geloovigen plaats hebben. Maar zoodra deze er is, -moeten bediening van woord en sacrament in haar worden overgebracht, -want zij zijn een bestanddeel van den openbaren eeredienst en een goed -der gemeente. Zoo werd in den apostolischen tijd het avondmaal in het -midden der gemeente gevierd, 1 Cor. 11:20. En zoo behoort niet minder -met den doop te geschieden, die immers juist de inlijving in Christus -en zijne gemeente afbeeldt, 1 Cor. 12:13, en daarom het passendst in de -openbare vergadering der geloovigen bediend wordt, Calvijn, Inst. IV 15, -16. Voetius, Pol. Eccl. I 726-730. Moor V 510-512. M. Vitringa VII 171. -Syn. Dordr. sess. 163. 175 K. O. art. 56. - -Over den tijd, waarop de doop bediend moest worden, heerschte in de kerk -geen gering verschil. De besnijdenis werd voltrokken op den achtsten -dag; de doop werd in het N. T. gewoonlijk terstond bediend, als iemand -geloofde en belijdenis deed, Mt. 3:6, Hd. 2:41, 8:12, 36, 9:18, 10:47, -16:15, 33, 18:8. Maar toen in het vervolg allerlei personen zich -bij de kerk wilden voegen, die met haar leer en leven ten eenenmale -onbekend waren, kwam reeds in de tweede eeuw het catechumenaat op, -dat vervolgens steeds meer geregeld werd en volgens de synode van -Elvira ± 300, twee jaren duren moest. Aan het einde daarvan werden -de catechumenen, liefst op een der groote feestdagen, op plechtige -wijze gedoopt en in de gemeente ingelijfd. Door de gedachte geleid, dat -de doop alleen de verledene zonden vergaf, stelden velen zelfs den -doop zoo lang mogelijk en tot op het sterfbed toe uit. Maar de meer -en meer in gebruik komende kinderdoop en de leer van de volstrekte -noodzakelijkheid van den doop dreven de kerk toch in eene andere -richting. Het werd gewoonte, niet om den doop zoo lang mogelijk uit te -stellen, maar om hem zoo spoedig mogelijk na de geboorte te bedienen. -Eerst pleitten velen er nog voor, dat de doop bediend zou worden in -het derde of dertigste levensjaar; maar anderen zagen hem het liefst -bediend op den achtsten of op den veertigsten dag na de geboorte; de -synode van Carthago 252 onder voorzitterschap van Cyprianus bepaalde -reeds, dat de kinderen zoo spoedig mogelijk, op den tweeden of derden -dag na hunne geboorte, gedoopt moesten worden, Cypr. Ep. 59; en dit -werd spoedig algemeen gebruik en voor eene apostolische gewoonte -aangezien, cf. Suicerus, s. v. βαπτισμος en κλινικος. Schwane, D. G. -I 378. II 755. Moeller-Schubert, Kirchengesch. I 338. De Grieksche -kerk heeft geen bepaling over den tijd, maar stelt den doop toch -gewoonlijk niet langer dan tot den achtsten dag uit en bedient hem in -geval van nood ook reeds vroeger, zelfs terstond na de geboorte. De -Roomsche kerk dringt er op aan, dat het kind zoo spoedig mogelijk na -de geboorte gedoopt worde, Trid. VII de bapt. c. 12. Catech. Rom. II -2 qu. 28. Met dezen algemeenen regel stemmen de Lutherschen, Gerhard, -Loc. XX 245 en ook de Gereformeerden in. De prov. synode van Dordrecht -1574 art. 57 verklaarde zelfs, dat de affectie der ouderen, die den -doop haarder kinderen begeeren uit te stellen, ter tijd toe, dat de -moeders zelve hare kinderen presenteren, ofte op de gevaders lange -wagten, en is geen wettelyke oorzake om den doop uit te stellen. Maar -geen andere synode nam deze uitspraak over. Ofschoon alle noodeloos -uitstel afgekeurd en telkens op spoedige presentatie van het kind -ten doop aangedrongen wordt, is het toch volstrekt de bedoeling van -de kerkordeningen niet, om, als zij alleen spreken van de vaders, de -moeders uit te sluiten, maar om het stelsel van getuigen tegen te gaan -en dezen niet de plaats der vaders te laten innemen, cf. Bucanus, Inst. -634. Bullinger, Huysboek 1612 f. 249 f. Synopsis pur. theol. 44, 52. -Voetius, Pol. eccl. I 724. Moor V 512. M. Vitringa VII 176. Het stelsel -van doopgetuigen, ἀναδοχοι, sponsores, fidejussores, susceptores, -compatres, commatres, patrini, matrinae, patres et matres spirituales, -kwam op, toen de kinderdoop algemeen gebruik werd, en wordt reeds door -Tertullianus, de bapt. 18, vermeld. Er waren nu personen van noode, -die in de plaats van het kind belijdenis deden en de gebruikelijke -vragen beantwoordden; die als het ware als borgen, sponsores, voor -het kind optraden, en beloofden, om het later op den grondslag van -den doop christelijk op te voeden. Zij waren de vertegenwoordigers der -kerk, die immers zelve eigenlijk in haar geheel het kind ten doop houdt -en het draagt met haar gebed. Nu lag het voor de hand, om de ouders -als zulke sponsores bij den doop van het kind te laten optreden. En in -den eersten tijd geschiedde dit ook alzoo. Maar langzamerhand werden -vaderschap en peterschap naast elkander gesteld, evenals geboorte en -wedergeboorte, natuurlijke en geestelijke verwantschap. Ouders waren -vanzelf al verplicht tot christelijke opvoeding van hun kind en schenen -eene bijzondere gelofte daartoe niet meer op zich te kunnen nemen. Zij -waren de natuurlijke ouders van het kind, maar het peterschap was eene -gansch andere geestelijke verwantschap, en werd daarom allengs een -impedimentum matrimonii tusschen de susceptores eener- en den doopeling -en zijne ouders anderzijds en ook tusschen hen zelven. Het concilie van -Mainz 813 verbood dan ook reeds: nullus proprium filium vel filiam -de fonte baptismatis suscipiat, cf. Catech. Rom. II 2 qu. 20-24. -Maar deze zelfde Catechismus moest reeds klagen, dat deze dienst in -de kerk zoo verwaarloosd was, ut nudum tantum hujus functionis nomen -relictum sit. Lutherschen en Gereformeerden achtten dit stelsel van -doopgetuigen volstrekt niet noodzakelijk, dewijl het in de Schrift niet -voorgeschreven of vermeld was, maar hielden het toch gewoonlijk voor -een adiaphoron, dat soms wel van eenig nut kon zijn, Gerhard, Loc. XX -267. Buddeus, Inst. p. 1071. Dordsche Kerkenorde 57. Synopsis pur. -theol. 44, 54. Bucanus, Inst. theol. 640. Voetius, Pol. eccl. I 704. -Moor V 509. M. Vitringa VII 159. Maar de Gereformeerden legden er toch -vooral nadruk op, dat in de eerste plaats de _ouders_ de vragen bij den -doop zouden beantwoorden en als susceptores en sponsores voor hun kind -zouden optreden, en eischten, dat als er getuigen werden genomen, dezen -van zuivere belijdenis en wandel zouden zijn. Calvijn, Op. ed. Amst. IX -142. Hooyer, Oude Kerkenordeningen bl. 7. 11. 17. 46. 69. 105. 153. -205. 265. 314. 344. 456. Daar komt nog bij, dat in de Roomsche kerk de -peters en meters dienst moeten doen, om het kind in de leer des geloofs -te onderwijzen, wijl de pastoors, zooals de Catech. Rom. II 2 qu. 20 -zegt, er geen tijd voor hebben. Maar de Gereformeerde kerk voerde op -voorgang van Calvijn de catechese der gedoopte jeugd in en droeg deze -aan de leeraar op. Zoo is in eene goed ingerichte Gereformeerde kerk -het stelsel van getuigen, dat overigens spoedig in een nudum nomen -ontaardde, behalve in enkele bijzondere gevallen overbodig en onnoodig -geworden en practisch ook zoo goed als verdwenen. Cf. Suicerus, s. v. -ἀναδοχοι. Höfling, Das Sakr. der Taufe II 4-20. Steitz in Herzog² 15, -247. - -Heel deze leer des doops, gelijk zij door de Gereformeerden ontwikkeld -werd, stelt in het licht, hoe eng zij zich aansloten bij de H. Schrift. -Des te meer verdient het de aandacht, dat zij desniettemin of liever -juist daarom in hunne erkenning en bediening van den doop alle -sectarisme wisten te vermijden en eene echt-christelijke ruimte van -hart en breedte van opvatting bewaarden. In overeenstemming met de -katholieke kerk in haar strijd tegen de Afrikaansche kerken leerden -ook de Gereformeerden eenparig, dat de ketterdoop, mits bediend in -den naam van God drieëenig, erkend moest worden; maar wijl zij de -doopsformule niet magisch opvatten en den doop niet losmaakten van kerk -en ambt, voegden zij er de nadere beperking aan toe, dat hij bediend -moest zijn door een in eene christelijke gemeente erkenden dienaar. Cf. -Dr. G. van Goor, De strijd over den Ketterdoop. Utr. 1872. Herzog² -art. Ketzertaufe. Calvijn bij Herzog, Das Leben Joh. Calvins II 486. -Voetius, Pol. eccl. I 631-645. Turretinus, Th. El. XIX qu. 15. Moor -V 443-453. Syn. Dordr. 1574 vr. 10. Midd. 1578 vr. 29. Dordr. 1618 -sess. 162. En van den doop sloten zij wel uit alle zaken en voorwerpen, -alle doode, omgekomene of nog slechts ten deele geboren personen, alle -monstra, alle kinderen ook van Heidensche ouders, die gevangen genomen -waren, Syn. Dordr. 1618 sess. 18. 19, maar zij lieten tot den doop toe -alle kinderen, die na den dood hunner ouders of als vondelingen in -christelijke familiën waren opgenomen, die uit een onwettig huwelijk of -uit excommunicati, schismatieken, ketters geboren waren, indien er maar -eenige grond voor het vermoeden bestond, dat de lijn des verbonds niet -geheel was afgebroken. Voetius I 645-670. Moor V 500-509. M. Vitringa -VII 95. 142-159. De Gereformeerden zijn eer van te ruime dan van te enge -erkenning en bediening des doops te beschuldigen. Maar daardoor hebben -zij toch op uitnemende wijze de eenheid en catholiciteit der kerk van -Christus op aarde gehandhaafd. Alle christelijke kerken erkennen nog -elkanders doop en spreken daarmede feitelijk uit, dat in haar alle nog -zooveel waarheid aanwezig is, dat de mogelijkheid van zalig te worden -niet is uitgesloten. Er is ééne belijdenis, op welke zij alle gebouwd, -één geloof, dat zij alle deelachtig zijn. In weerwil van alle verschil en -strijd, erkennen allen toch één Heer, één geloof, één doop. - - -§ 53. HET AVONDMAAL. - -1. Bij den doop komt als tweede sacrament het avondmaal, dat onder het -O. Test. zijn voorbeeld in het pascha had. Evenals bij de Heidenen, Num. -25:2 waren ook bij Israel met de offers dikwerf maaltijden verbonden. -Soms werden de offers op het brandofferaltaar geheel verbrand, maar -bij andere werd slechts een gedeelte verbrand en het overige voor -gebruik bewaard, hetzij door de priesters alleen bij het altaar, Lev. -2:3, 10, 6:16, 25-30, 7:1-10, 10:12, 13, ter verzoening, Num. 10:17; -hetzij door den dienstdoenden priester met zijne familie op eene reine -plaats tot zijn onderhoud, Lev. 7:12-14, 31-34, 10:14; hetzij door -den offeraar met zijne familie en gasten, mits levietisch rein, en -buiten het heiligdom, Lev. 7:19-21, Deut. 12:7, 12, 1 Sam. 9:13v., 2 -Sam. 6:19. De beteekenis dezer maaltijden was, dat God met zijn volk -samenkwam en op grond van de gebrachte en aangenomen offerande in -vreugde zich met zijn volk vereenigde. In dit heiligdom komt God tot -de kinderen Israels en woont onder hen, Ex. 20:24, 29:42-46, 33:7, -Num. 11:25, 12:5, 17:4, Deut. 31:15; Hij is de gastheer, die een deel -der Hem gebrachte offerande afstaat en zijn volk ten maaltijd noodigt; -wie eraan deelnam, trad met Hem in verbond. Het deelnemen aan de -Heidensche offermaaltijden was daarom aan Israel verboden, Ex. 34:15; -het was גצמד, een zich verbinden met, een zich aansluiten bij de valsche -goden, Num. 25:3, 5, Ps. 106:28; de apostelen verboden ze later aan -de Christenen, Hd. 15:29, 21:25, of waarschuwden er tegen om der -zwakgeloovigen wil, 1 Cor. 8:1v., 10:18v. Als zulke vereenigingen -van God met zijn volk en ook onderling, droegen deze maaltijden een -karakter van blijdschap en vreugde en gaven menigmaal wel aanleiding -tot brasserijen en dronkenschappen, 1 Sam. 1:13, Jes. 28:8, Spr. 7:14, -maar dienden andererzijds ook tot beelden en onderpanden der hoogste -vreugde in God, Deut. 27:7, Ps. 22:26v., Jes. 25:6, 62:8, 9, cf. art. -Opfermalzeiten in Herzog². Zulk een offermaaltijd had er vooral bij het -pascha plaats. Vele Protestanten hielden tegenover Rome staande, dat -het pascha daarin geheel en al opging, Moor V 322. Witsius, Oec. foed. -IV 9, 6. Maar dit is ongetwijfeld onjuist; het pascha was allereerst -een sacrificium en daarna een sacramentum. In Ex. 12:27, 34:25 heet -het een זֶבַח voor den Heere; de handeling, die ermede gepaard ging, -heet עֲבֹדָה, Ex. 12:26; en het vieren ervan wordt Num. 9:7 een brengen -van een קָרְבַּן aan den Heere genoemd. Voorts moest de huisvader, -nadat hij vier dagen vóór het feest, op den 10{en} Abib of Nisan, een -eenjarig, mannelijk, volkomen lam heeft afgezonderd, dit op den 14{en} -dier maand tusschen de twee avonden slachten en van het bloed met een -bosje hyzop strijken aan de twee posten en den bovendorpel der huisdeur, -Ex. 12:3v. Dit bloed diende ter verzoening. Op zichzelf had Israel -evengoed als de Egyptenaren den dood verdiend; maar het wordt toch -niet als Egypte behandeld doch door den Heere genadig uit den dood -gered en uit het land der dienstbaarheid verlost. Daarvoor moest het -bloed ten teeken zijn. Als de Heere dat bloed aan de huisdeur zag, was -Hij verzoend, legde Hij zijn toorn af en ging Hij sparend voorbij, (פסח, -over iets heenschrijden, voorbijgaan, Jes. 31:5, vandaar פֶּסַח, πασχα), -Ex. 12:13, 23, 27. Nog duidelijker blijkt het sacrificieel karakter van -het pascha uit de wijze, waarop het later in Kanaän gevierd wordt. -Daar wordt het lam niet meer door den huisvader maar door de Levieten -geslacht, 2 Chr. 30:16, 35:11, Ezr. 6:19; het bloed wordt door de -priesters op het altaar gesprengd, 2 Chron. 30:16, 35:11; de vetdeelen -op het altaar verbrand, 2 Chron. 35:14; en de maaltijd bij het heiligdom -gehouden, Deut. 16:2. Maar al is het pascha dus in de eerste plaats -eene offerande, het gaat daarin toch niet op, het wordt straks een -maaltijd. Nadat het lam tusschen de twee avonden op den 14{en} Abib -geslacht en zijn bloed aan de huisdeur gestreken of in later tijd op het -altaar gesprengd was, moest het, zonder dat er een been aan gebroken -werd, geheel, met hoofd, schenkels en ingewand aan het vuur gebraden -en daarna in denzelfden nacht van den 14{en} Abib met ongezuurde -brooden en bittere kruiden door allen, die in het huis waren, dus ook -door de vrouwen, doch niet door onbesneden vreemdelingen, uitlanders -of huurlingen, in haast, met omgorde lenden, geschoeide voeten en een -staf in de hand, in huis of later bij het heiligdom gegeten en het -overblijvende met vuur verbrand worden, Ex. 12:1-28, 43-49, 13:3-9, -23:15, Lev. 23:5-14, Num. 9:10-14, 28:16-25, Deut. 16:1v. Het pascha -nam daardoor in den Israelitischen cultus eene geheel bijzondere plaats -in; het was eene offerande maar ging daarna terstond in een maaltijd -over; tot de zondoffers behoorde het niet, want het werd gegeten, noch -ook tot de dankoffers, want aan den maaltijd ging verzoening vooraf. -Het is trouwens ook bij eene bijzondere gelegenheid, vóór alle andere -offers, door God ingesteld en draagt een eigen natuur; het is eene -offerande ter verzoening en een maaltijd der gemeenschap met God en met -elkander; het is sacrificium en sacramentum tegelijk. Het N. Test. kent -aan dit pascha eene typische beteekenis toe, zoodat het niet alleen -eene herinnering is aan de bevrijding uit Egypte maar ook een teeken -en onderpand van de verlossing uit het diensthuis der zonde en van de -gemeenschap met God in den beloofden Messias. Jezus heeft hier zelf -op gewezen, als Hij opzettelijk de instelling van het avondmaal met de -viering van het pascha in verband heeft gebracht. Maar over de wijze, -waarop Hij dat gedaan heeft, bestaat er geen klein verschil. Sommigen -beroepen zich op de Synoptici en zeggen, dat Jezus op Donderdag den -14{en} Nisan met zijne discipelen het eigenlijke pascha gebruikt en bij -die gelegenheid het avondmaal heeft ingesteld. Anderen houden het met -Johannes, 12:1, 13:1, 2, 29, 18:28, 19:14, 31 en beweren, dat Jezus -op Donderdag den 13{en} Nisan een gewonen maaltijd met zijne discipelen -gehouden en daarbij hun de voeten gewasschen heeft, en dan op den 14{en} -Nisan, den eigenlijken dag des feestes, als het ware paaschlam gestorven -is. Hetzij men nu de Synoptici naar Johannes of Johannes naar de -Synoptici conformeere; of beiden onverzoend naast elkander laat staan; -of ook, op grond van de getuigenis der Quartadecimanen in de tweede en -derde eeuw, die voor hunne practijk, om het christelijk paaschfeest in -den avond van den 14{en} Nisan te vieren, zich o. a. op den apostel -Johannes beriepen, de echtheid van het vierde evangelie ontkenne, -cf. art. Passah, Herzog² 11, 270. Meyer op Joh. 18:28. Schäfer, Das -Herrenmahl nach Ursprung und Bedeutung 1897 S. 53-99. Zahn, Einl. in -das N. T. II 309 f.; altijd is er in zoover overeenstemming, dat Jezus -op Donderdagavond met zijne discipelen een maaltijd gehouden heeft, op -Vrijdag gestorven en op Zondag opgestaan is. Al ware nu deze maaltijd -niet het gewone pascha van 14 Nisan geweest maar daags te voren, op -Donderdag 13 Nisan gehouden; dan zou er toch niets tegen zijn om aan te -nemen, dat Jezus, die den volgenden dag sterven zou en dus het pascha -niet op den gewonen tijd met de Joden eten kon, het daags te voren -gebruikt en op deze wijze het avondmaal eraan verbonden had. Want dit -laatste is boven allen twijfel verheven. Zoowel Paulus, 1 Cor. 10:16, -11:24, 25 als de Synoptici laten Jezus het avondmaal instellen in het -nauwst verband met het pascha; aan den paaschdisch ontleent hij het -brood en den wijn, die als teekenen en zegelen bij het avondmaal dienst -moeten doen; terwijl Hij den doop terstond van Johannes overneemt, wacht -Hij met de instelling van het avondmaal tot het laatste paaschfeest en -doet dan den bondsmaaltijd des O. Verbonds in dien des N. Testaments -overgaan; en dit alles vindt bij Johannes geen tegenspraak, omdat hij -van de instelling van het avondmaal ganschelijk zwijgt. En voorts is de -datum van Jezus’ sterfdag op 14 of op 15 Nisan volkomen onverschillig -voor het feit, dat Jezus als het ware paaschlam gestorven is. Want -niet alleen het evangelie van Johannes laat dit uitkomen, 19:33, 36; -maar ook Paulus zegt uitdrukkelijk in 1 Cor. 5:7, dat ons pascha, n.l. -Christus, geslacht is en dat daarom de geloovigen den ouden zuurdeesem -der zonde moeten uitzuiveren, en als ἀζυμοι, als nieuwe schepselen, -onvermengd met de ongerechtigheid, behooren te wandelen. En daarbij -komt nog, dat het lam, dat ter slachting geleid wordt, Jes. 53:7, niet -onwaarschijnlijk eene toespeling op het paaschlam bevat en zoo in het N. -Test. op Christus wordt toegepast, Joh. 1:29, 36, Hd. 8:32, 1 Petr. -1:19, Op. 5:6 enz. Gelijk de besnijdenis een voorbeeld was van den doop -en door den dood van Christus heen in dien doop overging, zoo wees het -pascha vooruit naar het avondmaal en werd daardoor naar het bevel van -Christus vervangen. Terwijl echter het pascha nog in de eerste plaats -een sacrificium was, heeft het avondmaal dit karakter geheel verloren. -Immers heeft de offerande, die in het pascha gebracht werd, in den dood -van Christus hare volkomen vervulling verkregen. En het is op grond -dier eenmaal volbrachte en volkomene offerande, dat Christus de nieuwe -bedeeling van het genadeverbond sticht en zijne discipelen noodigt en -sterkt aan zijnen heiligen disch. - - -2. Nadat enkelen in vroeger tijd waren voorgegaan, is echter in de -laatste jaren door Jülicher, Spitta, Mensinga, Brandt, Grafe e. a. de -instelling van het avondmaal door Jezus zeer ernstig bestreden. Als -gronden voeren zij aan, dat de woorden: doet dat tot mijne gedachtenis, -bij Mattheus en Marcus ontbreken en alleen als een vrij toevoegsel -van Paulus in 1 Cor. 11:24, 25 en Luk. 22:19 voorkomen; dat sommige -handschriften, vooral D, in Luk. 22:19, 20 de woorden: το ἱπερ .... -ἐκχυννομενον weglaten en dus van een gegeven worden van het lichaam -van Christus, van een doen tot zijne gedachtenis en van den beker -der dankzegging niets weten; dat het evangelie van Johannes er geen -melding van maakt en de andere berichten onderling sterk afwijken; en -vooral, dat Jezus brood en wijn niet met zijn dood in verbinding kon -brengen, veel minder ze als teekenen van zijn lichaam en bloed te eten -kon geven, maar dat deze voorstellingen eerst konden opkomen, toen -in de gemeente zich zekere beschouwing over den persoon en over den -dood van Jezus gevormd had. Doch al deze argumenten zijn van weinig -kracht. Immers is het een feit, dat in den tijd, toen het evangelie van -Johannes geschreven werd, het avondmaal algemeen in de christelijke -kerk gevierd werd; de verzwijging der instelling kan daarom in geen -geval uit onkunde voortkomen. Evenzoo is het met Lukas; het ontbreken -der bovengenoemde woorden in cap. 22:19, 20 kan niet onderstellen, dat -men toentertijd dacht, dat er bij het laatste avondmaal niets anders -gebeurd was dan hetgeen vervat is in deze woorden: και λαβων ἀρτον -εὐχαριστησας ἐκλασεν και ἐδωκεν αὐτοις λεγων τουτο ἐστιν το σωμα μου. -Want dan zou de handeling, die toen plaats greep, volkomen onbegrijpelijk -zijn; de tekst in Codex D onderstelt, dat er bij die gelegenheid meer -is geschied en gesproken en is daarom òf corrupt òf in het gunstigst -geval een onvolledig bericht van wat bij het laatste avondmaal geschied -is. Van den tijd van Johannes en Lukas kunnen wij opklimmen tot dien van -Paulus; en dan blijkt, dat deze apostel van de onderstelling uitgaat, -dat de christelijke kerk algemeen het avondmaal als eene instelling van -Christus kent en viert; ja, hij zegt zelfs, dat hij hetgeen betrekking -heeft op de instelling van het avondmaal van den Heere ontvangen en -aan de Corinthiërs overgegeven heeft, παρελαβον ἀπο του κυριου, 1 Cor. -11:23. De tijd, waarin Paulus dit onderricht niet παρα maar ἀπο του -κυριου, van de zijde des Heeren ontving, valt ongetwijfeld saam met dien -van zijne bekeering, Hd. 9, en is alzoo slechts een paar jaren verwijderd -van den laatsten nacht, waarin Christus zijn avondmaal ingesteld heeft. -Daaruit volgt, dat reeds in de allereerste jaren na Jezus’ dood de -christelijke gemeente eenparig met al de apostelen het avondmaal als -eene instelling van Christus gekend heeft. Dit is meer dan voldoende, -om de waarheid dier instelling boven allen redelijken twijfel te -verheffen. - -Eene andere vraag is echter, hoe Christus dit avondmaal ingesteld en -wat Hij ermede bedoeld heeft. En dan verdient het allereerst opmerking, -dat Jezus zijn avondmaal bij gelegenheid van den paaschmaaltijd ingesteld -heeft. De viering van het pascha was in Jezus’ tijd met allerlei -ceremoniën uitgebreid en geschiedde in het kort op de volgende wijze. -Als het feest naderde, trokken duizenden bij duizenden Israelieten naar -Jeruzalem heen, kochten daar een lam en lieten het in den namiddag van -den 14{en} Nisan door de Levieten in het voorhof slachten; priesters -stonden daarbij gereed, om het bloed in zilveren en gouden schalen op -te vangen, deze van den een aan den ander over te geven, en ze ten -slotte ineens over het altaar uit te gieten. Middelerwijl werden, onder -het zingen van het hallel door de Levieten, de dieren opgehangen, van -de ingewanden ontdaan en de offerstukken door den priester in een vat -naar het altaar gebracht. Daarna namen zij, die het lam ter slachting -hadden aangeboden en wier getal gewoonlijk tusschen de tien en twintig -man bedroeg, het geslachte mede naar een private woning en braadden het -aldaar, zonder er een been aan te mogen breken. De maaltijd zelf begon -met het rondgaan van een beker en met dankzegging; dan werden bittere -kruiden en een schotel moes op tafel gebracht en genuttigd en daarna -het lam met ongezuurde koeken opgezet. Voordat hiervan gegeten werd, -verhaalde de huisvader of later een voorlezer de geschiedenis van den -uittocht, hieven de dischgenooten het eerste gedeelte, Ps. 113-114, -van het hallel, Ps. 113-118, aan en ging de tweede beker rond. Daarna -begon eerst de eigenlijke maaltijd. Na afloop daarvan werd de derde beker -door den huisvader gezegend en met de dischgenooten uitgedronken. En -het geheel werd dan besloten met het inschenken van den vierden beker, -met het zingen van het tweede gedeelte van het hallel, Ps. 115-118, -met de zegening van den vierden beker door den huisvader met de -woorden van Ps. 118:26 en met de lediging daarvan door de aanzittende -gasten. Deze vier bekers waren bij den maaltijd vereischt, maar soms -ging nog een vijfde beker rond onder het zingen van Ps. 120-137, cf. -Keil. Arch. § 81. Herzog² 11, 268-270. Waarschijnlijk stelde Jezus nu -het avondmaal in, nadat het paaschlam gegeten was, μετα το δειπνησαι, -Luk. 22:20, bij den derden beker, den beker der dankzegging. Hij neemt -daarbij van het gewone brood en den gewonen wijn, die bij het pascha -gebruikt waren, en brengt deze volgens het getuigenis van alle vier -berichten, Mt. 26:26-29, Mk. 14:22-25, Luk. 22:19, 20, 1 Cor. 11:23-25 -rechtstreeks met zijn dood in verband. Er is geen enkele reden, om -dit in twijfel te trekken; Jezus wist en zag zijn dood vooruit en had -de beteekenis daarvan reeds meermalen aan zijne discipelen verklaard, -deel III 354v. Bepaaldelijk vat Hij hier zijn dood als offerande op; zoo -toch alleen zijn de woorden en handelingen te verklaren, die met de -instelling van het avondmaal gepaard gaan. Het pascha was zoo even -genuttigd, en dat pascha was de aanvang en grondslag geweest van het -verbond, dat God met Israël oprichtte in de woestijn; immers deed het -eerst, doordat het lam geslacht en zijn bloed vergoten en op het altaar -gesprengd was, dienst als offerande der verzoening, en werd het daarna -gebruikt tot een offermaal om te beteekenen de gemeenschap van God -met zijn volk. Dit alles brengt Christus op zichzelf over; Hij is het -ware paaschlam, dat door zijn dood, door de breking van zijn lichaam -en door de vergieting van zijn bloed, de verzoening bewerkt bij God en -den grondslag legt van een nieuw verbond. Jezus wijst dit duidelijk -aan, door het avondmaal in te stellen bij gelegenheid van het pascha, -door te dien einde zich te bedienen van het brood en den wijn van den -paaschdisch, door het brood niet alleen te nemen en te zegenen maar -ook, volgens alle vier berichten, cf. Hd. 2:42, te breken, en vooral -ook door de woorden, die Hij daarbij uitsprak. Onder het breken en -uitdeelen des broods zeide Hij: τουτο ἐστιν το σωμα μου, Mt. Mr., τουτο -ἐστιν το σωμα μου, το ὑπερ ὑμων διδομενον, Luk., of τουτο μου ἐστιν -το σωμα το ὑπερ ὑμων, Paulus (κλωμενον ontbreekt in de voornaamste -handschriften en wisselt in andere met θρυπτομενον en διδομενον af). -En bij het geven van den drinkbeker sprak Hij: πιετε ἐξ αὐτου παντες, -τουτο γαρ ἐστιν το αἱμα μου της διαθηκης το περι πολλων ἐκχυννομενον -εἰς ἀφεσιν ἁμαρτιων, Mt., τουτο ἐστιν το αἱμα μου της διαθηκης το -ἐκχυννομενον ὑπερ πολλων, Mr., τουτο το ποτηριον ἐν τῳ ἁιματι μου -το ὑπερ ὑμων ἐκχυννομενον, Luk., τουτο το ποτηριον ἡ καινη διαθηκη -ἐν τῳ ἐμῳ αἱματι, Paulus. De afwijkende lezingen bewijzen genoegzaam, -dat Jezus evenmin bij het avondmaal als bij den doop eene vaststaande, -onveranderlijke formule heeft voorgeschreven; het is zelfs onmogelijk uit -te maken, welke woorden letterlijk door Jezus zelven bij die gelegenheid -zijn uitgesproken; Hij heeft niet bepaald, wat er bij het avondmaal gezegd -moest worden, maar Hij heeft omschreven, wat het avondmaal was en wezen -moest. En dit is uit de vier berichten volkomen duidelijk. Jezus heeft -het brood en den wijn van den paaschdisch verheven tot teekenen van zijn -lichaam en bloed, en wel van dat lichaam en dat bloed, gelijk het straks -in den dood als eene offerande der verzoening zou worden overgegeven. -De bedenking, dat Jezus’ lichaam toch aan het kruis niet aan stukken -gebroken is gelijk het brood, en zijn bloed daar ook niet vergoten is -als de wijn bij het avondmaal en dat daarom deze beelden niet passen, is -van weinig kracht. Jezus gaat immers van het pascha en van de O. Test. -offerande uit, neemt de daarbij gebruikelijke handeling en terminologie -over en past deze toe op zijn dood. Daarom voegen Lukas en Paulus aan -de woorden: τουτο ἐστιν το σωμα μου de verklaring toe: το ὑπερ ὑμων -διδομενον of alleen το ὑπερ ὑμων. Hetzij Jezus deze woorden letterlijk -zoo gesproken heeft of niet; in dien zin heeft Hij het toch bedoeld, als -Hij in het brood een teeken van zijn lichaam aanwees. Het is een teeken -van het lichaam van Jezus, gelijk het in den dood ter verzoening der -zonden geofferd wordt. Vandaar ook, dat de beteekenis van het tweede -teeken in alle vier berichten zooveel breeder omschreven wordt. In -de offerande is de bloedstorting de hoofdzaak, Hebr. 9:22. Het bloed -van Christus, waarvan de wijn een teeken is, is offerbloed, bloed -der verzoening, dat voor velen vergoten wordt, en daardoor aanvang -en inwijding van een nieuw verbond. Gelijk pascha en oud verbond, zoo -behooren avondmaal en nieuw verbond bij elkaar. De drinkbeker is daarom -το αἰμα μου της διαθηκης of ἡ καινη διαθηκη ἐν τῳ αἰματι μου, d. w. z. -bondsbloed, Ex. 24:8, hetwelk als offerbloed ter voltrekking van het -verbond met God noodig en dienstig was, of het verbond zelf, dat door -dat bloed, wijl bewerkende en medebrengende de vergeving der zonden, tot -stand komt en daarin rust. De discipelen waren bedroefd, zagen tegen -den dood van Christus op en begrepen hem niet; maar Jezus verklaart -hun hier bij de instelling van het avondmaal, dat die dood hun nut is; -daardoor komt toch die vergeving en dat verbond tot stand, welke in -het O. Test. werden afgeschaduwd en voorspeld; de tijd der belofte is -voorbij, die der vervulling breekt aan; het oude is voorbijgegaan, ziet -het is alles nieuw geworden. - -Maar Jezus laat het hier niet bij. Hij geeft in de teekenen van brood -en wijn niet alleen eene verklaring van zijn dood, maar Hij deelt die -teekenen ook ter nuttiging aan zijne discipelen mede. Volgens Mt. -gebruikte Jezus uitdrukkelijk de woorden λαβετε, φαγετε, en πιετε ἐξ -αὐτου παντες; en hoewel Marcus alleen het woord λαβετε vermeldt en -Lukas en Paulus van al deze woorden geen gewag maken, toch staat op -grond van alle berichten vast, dat Jezus het brood en den wijn niet -alleen tot teekenen van zijn lichaam en bloed verhief maar ze als -zoodanig ook aan zijne discipelen uitreikte en te genieten gaf. Nadat -het pascha gebruikt was, stelde Jezus een nieuwen maaltijd in, welks -bestanddeelen brood en wijn waren, niet op en voor zichzelf, maar als -teekenen van zijn gebroken lichaam en vergoten bloed. Er is hiertegen -door Spitta ingebracht, dat het eten van het gedoode lichaam van -Jezus en het drinken van zijn bloed „ebenso schaurige wie für ein -israelitisches Bewustsein unverträgliche Gedanken” zijn. En men heeft -daarom gemeend, dat, ook al heeft Jezus brood en wijn als teekenen van -zijn lichaam en bloed aangeduid, Hij ze toch niet als zoodanig aan zijne -discipelen heeft te genieten gegeven; dat Hij alleen verklaard heeft, -wat er straks met Hem geschieden zou, maar niet, wat zijne discipelen -ontvangen en genieten zouden; dat het eten van Jezus lichaam en het -drinken van zijn bloed op dat oogenblik, toen Jezus zelf aan tafel -zat, niet mogelijk was; dat, indien dit genieten het eigenlijk karakter -van het avondmaal was, het avondmaal dan later na Jezus’ dood eene -andere natuur had dan bij de instelling; en dat het zoo weinig op het -nuttigen van brood en wijn als zulke teekenen aankomt, dat tot het -midden der tweede eeuw toe, althans in de kerken van Rome en Efeze, het -avondmaal niet met wijn maar met water werd gevierd. Er ligt in deze -tegenwerpingen een bestanddeel van waarheid. Al wees het pascha in het -O. T. naar Christus heen, het eten van het paaschlam was toch geen -eten van Christus’ gebroken lichaam, gelijk het genieten van het brood -in het avondmaal thans is. En het bloed werd wel bij de offeranden des -O. Verb. vergoten en gesprengd, maar het werd toch nooit gedronken. -De voorstelling, dat Jezus’ vleesch gegeten en zijn bloed gedronken -moest worden, was dan ook voor de Joden zoo vreemd, dat zij er zich aan -ergerden en Jezus verlieten, Joh. 6:52, 60, 66. De instelling van het -avondmaal geschiedt wel in aansluiting bij de O. T. offervoorstellingen -maar gaat er toch weer boven uit. Het avondmaal is verwant aan maar -niet identisch met het pascha. Gelijk nieuw tot oud verbond, gelijk de -offerande van Christus tot die des O. Test., zoo staat avondmaal tot -pascha. Het pascha was een sacramentum op grond van een sacrificium -maar in beide deelen een schaduw en profetie van de goederen des N. -T. Nu echter is door Christus de waarachtige en volkomene offerande -gebracht, en daarom is op grond van die offerande de gemeenschap met -God in het avondmaal veel rijker en voller, dan zij in de dagen des O. -T. wezen kon. Het avondmaal is een maaltijd, de wezenlijke maaltijd van -God en zijn volk; een offermaal, het offermaal bij uitnemendheid, waar -de geloovigen Christus zelf genieten, gelijk Hij voor hen gestorven is. -Dat drukt Jezus daardoor uit, dat Hij brood en wijn als teekenen van zijn -gebroken lichaam en vergoten bloed aan zijne discipelen te genieten -geeft. Hij geeft zich niet alleen _voor_ de zijnen; Hij geeft zich ook -_aan_ de zijnen. Drinkbeker en brood in het avondmaal zijn κοινωνια του -αἰματος και του σωματος του Χριστου, 1 Cor. 10:16. De bovengenoemde -tegenwerpingen hebben voorts nog in zooverre kracht, als zij duidelijk -aantoonen, dat een kapernaïtisch eten en drinken van het lichaam en -bloed van Christus ten eenenmale uitgesloten is. Het avondmaal, dat -Christus zelf, terwijl Hij aan tafel zat, instelde, is hetzelfde als wat -na zijn dood in de christelijke kerk tot op den huidigen dag gevierd -is. Brood en wijn hebben geen betrekking op den persoon van Christus -zonder meer, maar bepaaldelijk op Christus als gekruisigde. Hij stelt -daarin zijne offerande ons voor oogen, maar doet ons die ook genieten. -En op dat genieten komt het in het avondmaal wel terdege aan. Jezus -_gaf_ de teekenen van brood en wijn; Hij hield ze niet in de hand, maar -Hij deelde ze uit; Hij beval zijne discipelen, om ze te nemen en te eten; -en Hij voegde er volgens Lukas (alleen bij het uitdeelen van het brood) -en Paulus (ook bij het overgeven van den drinkbeker) de woorden aan -toe: τουτο ποιειτε εἰς την ἐμην ἀναμνησιν. Dat deze woorden bij Mt. en -Mk. ontbreken, bewijst in het minst niet, dat zij òf door Jezus niet -gesproken òf in strijd met zijn bedoelen door Lukas en Paulus eraan -toegevoegd zijn. Want in het eten en drinken van het brood en den wijn -als teekenen van Jezus’ gebroken lichaam en vergoten bloed ligt het -doen tot zijne gedachtenis vanzelf opgesloten; het eerste is zonder -het laatste niet mogelijk. Deze woorden houden voorts niet in, dat -het avondmaal slechts een herinneringsmaal is, maar zij drukken uit, -dat heel het avondmaal, hetwelk in zijn wezen een offermaal is en eene -gemeenschapsoefening met Christus, geschieden moet tot gedachtenis aan -Hem. Zij omschrijven niet het wezen van het avondmaal maar onderstellen, -dat Jezus straks afwezend zal zijn en schrijven voor, dat dan toch het -avondmaal tot zijne gedachtenis, als eene voortdurende verkondiging -van zijn dood, 1 Cor. 11:26, gevierd moet worden. Daarom staan er bij -Paulus ook de woorden nog bij: zoo dikwijls als gij dit brood zult eten -en dezen drinkbeker zult drinken, 1 Cor. 11:25, 26. Het avondmaal -is door Christus ingesteld als een blijvend goed voor zijne gemeente; -het is een weldaad, aan alle andere weldaden toegevoegd, om deze te -beteekenen en te verzegelen. En blijven zal het tot de wederkomst van -Christus. Zijn dood moet verkondigd worden, totdat Hij komt. Want het -kruis is en blijft in deze bedeeling de oorzaak aller zegeningen, het -middelpunt van de gedachtenis der gemeente. Jezus zeide zelf, dat Hij -van nu aan, van de instelling en het gebruik van het avondmaal af, niet -meer drinken zou van de vrucht des wijnstoks, totdat Hij hem met zijne -discipelen nieuw zou drinken in het koninkrijk zijns Vaders, Mt. 26:29, -Mk. 14:25, cf. Luk. 22:16, 18. Hij ging immers naar den hemel, om zijne -discipelen plaats te bereiden. En eerst wanneer Hij wederkomt en zijne -discipelen tot zich genomen zal hebben, zal Hij met hen aanzitten aan -de bruiloftstafel des Lams en met hen drinken van den nieuwen wijn, -dien het Koninkrijk zijns Vaders in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde -opleveren zal. Voor dien tusschentijd heeft Hij het avondmaal ingesteld, -tot eene gedachtenis aan zijn lijden, tot eene verkondiging van zijn dood, -tot een middel zijner rijke genade. Cf. Cremer, art. Abendmahl I in -Herzog³ 1, 32-38 met de daar aangehaalde litteratuur en voorts nog J. -G. Boekenoogen, De oorsprong des avondmaals, Amst. 1883. Rogaar, Het -avondmaal en zijne oorspronkelijke beteekenis, Gron. 1897. Schultzen, -Das Abendmahl im N. T., Göttingen 1895. Josephson, Das H. Ab. und das -N. T., Gütersloh 1895. R. A. Hoffmann, Die Abendmahlsgedanken Jesu -Christi, Königsberg 1896. Holtzheuer, Das Ab. und die neuere Kritik, -Berlin 1896. Schaefer, Das Herrenmahl nach Ursprung und Bedeutung mit -Rücksicht auf die neuesten Forschungen, Gütersloh 1897. Eichhorn, Das -Ab. im N. T., Leipzig 1898. Clemen, Der Ursprung des h. Ab. Leipzig -1898. W. Schmidt, Chr. Dogm. 1898 II 466. Lichtenstein, Des Ap. Paulus -Ueberlieferung von der Einsetzung des h. Ab. Berlin 1899. - - -3. Dit avondmaal nam van den aanvang af in de christelijke -godsdienstoefening eene voorname plaats in. Het werd gewoonlijk in eene -bijzondere samenkomst der gemeente op den dag des Heeren des avonds -en in verbinding met een gewonen maaltijd gevierd, boven bl. 216. -Van de wijze dezer viering is ons weinig bekend; alleen weten wij uit -Did. 9. 10. 14, dat er eerst eene belijdenis van zonden plaats had, -daarna over den beker en over het brood afzonderlijk een dankgebed -werd uitgesproken, dan de maaltijd gehouden en het geheel met eene -dankzegging besloten werd. Maar in de tweede eeuw kwam er allengs in -heel de kerk scheiding tusschen de ἀγαπαι en de εὐχαριστια. De eerste -gingen haar eigen weg en ontaardden al spoedig, Zahn, art. Agapen in -Herzog³; en de tweede werd in de morgengodsdienstoefening verlegd en -met de bediening des woords in verbinding gebracht. Daarmede gingen -verschillende veranderingen gepaard. De ééne godsdienstoefening werd -spoedig in twee gedeelten gesplitst, waarvan het eerste, de bediening -des woords, ook voor catechumenen, poenitenten en ongeloovigen -openstond, maar het tweede, de viering van het avondmaal, alleen voor -de gedoopten toegankelijk was. Dit laatste kreeg hoe langer hoe meer -een mysterieus karakter, boven bl. 217; doop en avondmaal werden een -μυστηριον, een sacramentum, Tert. adv. Marc. 4, 34, en door dezen naam -alsmede door allerlei bijkomende plechtigheden in een geheimzinnig -donker gehuld. Geheel verkeerd is het daarom ook, om de opvattingen -dier eerste tijden te interpreteeren naar de meeningen, die in het -Westen later, en vooral in de 16e eeuw gekoesterd werden over de unio -sacramentalis. De Schrift zeide, dat het brood het lichaam en de wijn -het bloed van Christus is, en dit spraakgebruik werd overgenomen -en door ieder op zijne wijze verstaan en uitgelegd. Eene officieele -interpretatie ontbrak; strijd ontstond er niet over; en de vraag naar -den aard dier vereeniging van teeken en beteekende zaak kwam niet op; -eene realistische con- of transsubstantiatie lag even ver buiten het -bewustzijn van dien tijd als eene uitsluitend symbolische of figuratieve -beteekenis van het avondmaal. Symbool en zaak was voor het Oostersch -denken veel inniger verbonden dan voor het Westersche; wij verstaan, -zegt Harnack, D. 6. I² 397 terecht, onder symbool eene zaak, die niet -is, wat zij beduidt, maar toen verstond men veelmeer onder symbool -eene zaak, die op eene of andere wijze ook is, wat zij beduidt. Het -stond van den aanvang af in de christelijke kerk vast, dat brood en -wijn het lichaam en bloed van Christus waren; maar de wijze, waarop -zij zich beider vereeniging dachten, is niet klaar en daarom voor -verschillende uitlegging vatbaar. Dat geldt van Ignatius, Smyrn. 7. -Ef. 20. Justinus, Apol. I 66. Iren. adv. haer. IV 18, 5 en van vele -andere schrijvers. Maar de ontwikkeling der avondmaalsleer werd vooral -in verkeerde baan geleid door de toepassing der offeridee. In het N. -T. wordt wel de heiliging des lichaams, Rom. 12:1, het gebed, Hebr. -13:15, cf. Op. 5:8, 8:3, de weldadigheid en mededeelzaamheid, Hebr. -13:16, Phil. 4:18, maar nooit het avondmaal eene offerande genoemd. Nu -was echter in den eersten tijd het avondmaal met een gewonen maaltijd -verbonden, en voor dien maaltijd brachten de meer gegoede gemeenteleden -de noodige ingrediënten mede, brood, wijn, olie, melk, honing enz., -die waarschijnlijk door de diakenen in ontvangst genomen, voor den -bisschop op hoofd- en bijtafels (de latere zijaltaren) neergelegd, bij -den maaltijd bediend en daarna tot onderhoud van de dienaren en tot -ondersteuning der armen bestemd werden. Deze gaven kregen den naam van -προσφοραι, oblationes, θυσιαι, sacrificia, offeranden, en werden door -den bisschop met een dankgebed, εὐχαριστια, gezegend. Deze opvatting -werd op heel het avondmaal overgedragen. Naar het dankgebed, dat over -de gaven gesproken werd, heette weldra het avondmaal zelf en ook de -beide avondmaalselementen εὐχαριστια, Did. 9. Ign., Philad. 4. Smyrn. -7. 8. Justinus, Apol. I 66, en werd het ook spoedig opgevat als eene -offerande, die door de gemeente Gode toegebracht werd, Did. θυσια -καθαρα, reeds met beroep op Mal. 1:11. Dit was nu nog zoolang vrij -onschuldig, als het avondmaal werkelijk als een maaltijd beschouwd en de -dankzegging in naam van de gansche gemeente gedaan werd; de inhoud der -offerande was niet het lichaam en bloed van Christus maar de door de -gemeente saamgebrachte gaven, zoodat men in den eersten tijd dus alleen -aan een dank- doch hoegenaamd niet aan een zoenoffer dacht. Maar er lag -toch een gevaarlijk element in, dat te zijner tijd verkeerd zou werken, -vooral toen het door de clericale opvatting van het ambt versterkt -werd. Reeds Clemens vergelijkt de episcopi en diaconi met de priesters -en levieten des O. T., omschrijft hun werkzaamheid als een προσφερειν -τα δωρα της ἐπισκοπης en brengt hun εὐχαριστια met de O. T. θυσιαι in -verband, 1 Cor. 40-44. En toen avondmaal en agapae, de aanbieding van -brood en wijn voor het avondmaal en de bijdragen voor het onderhoud der -dienaren en de ondersteuning der behoeftigen uit elkander vielen, kreeg -het avondmaal hoe langer hoe meer het karakter van eene offerande, die -niet door de gemeente maar door den bisschop werd gebracht, niet in -hare aanbieding maar in zijne dankzegging en wijding bestond, en niet op -de gaven voor maar op de elementen van het avondmaal betrekking had, -Justinus, Dial. 41. 70. Iren. adv. haer. IV 18, 5. Deze opvatting van -het avondmaal als eene offerande had nu weer invloed op de gedachte, -welke men zich vormde van de unio sacramentalis, gelijk omgekeerd deze -op gene. Naarmate de bisschop als priester, de dankzegging als wijding, -het avondmaal als een offer beschouwd werd, moest ook de realistische -vereeniging van brood en wijn met het lichaam en bloed van Christus zich -te sterker aanbevelen. De symbolische, spiritualistische opvatting van -Origenes, die in het wezen der zaak ook bij Eusebius Caes., Basilius, -Gregorius Naz. e. a. gevonden wordt, maakt in verband met de Oostersche -Christologie bij Cyrillus, Gregorius Nyss., Chrysostomus en Johannes -Damascenus voor de realistische leer der μεταβολη, μεταποιησις of -transformatie plaats, welke dan later nog in de leer der μετουσιωσις -of transsubstantiatie overging, Damascenus, de fide orthod. IV 14. -Conf. orthod. qu. 107. Conf. Dosith. decr. 17, cf. Steitz, Die -Abendmahlslehre der gr. K. in ihrer gesch. Entw. Jahrb. f. d. Theol. -1864 S. 409-481. 1865 S. 64-152. 399-463. 1866 S. 193-252. 1867 S. -211-286. 1868 S. 2-67. 649-700. Kattenbusch, Vergl. Konf. I 410 f. -Loofs, art. Abendmahl in Herzog³ 1, 38-57. - -De ontwikkeling ging in het Westen veel langzamer, al leidde zij later -tot een zelfde resultaat. Cyprianus stelde wel het sacrificieel -karakter van het avondmaal sterk op den voorgrond maar zag daarin toch -slechts eene imitatie van wat Christus in waarheid op Golgotha gedaan -had, Ep. 63, 2. 14. En hoewel Augustinus telkens in de taal der Schrift -het brood het lichaam en den wijn het bloed van Christus noemt, toch is -er bij hem nog niets te vinden van de latere transsubstantiatie-theorie. -Integendeel, Augustinus maakt zoo sterk mogelijk onderscheid tusschen -verbum en elementum, accedit verbum ad elementum et fit sacramentum; -brood en wijn worden daarom sacramenten genoemd, quia in eis aliud -videtur, aliud intelligitur. Het teeken wordt wel dikwerf met den -naam van de beteekende zaak genoemd, maar dat komt, wijl het er eene -gelijkenis van vertoont. Si enim sacramenta quendam similitudinem earum -rerum, quarum sacramenta sunt, non haberent, omnino sacramenta non -essent. Ex hac autem similitudine plerumque etiam ipsarum rerum nomina -accipiunt. Sicut ergo secundum quendam modum sacramentum corporis -Christi corpus Christi est, sacramentum sanguinis Christi sanguis -Christi est, ita sacramentum fidei fides est, Ep. 23 ad Bonif. Brood en -wijn zijn similitudines, signa, commemorationes van het lichaam en bloed -van Christus; Dominus non dubitavit dicere: hoc est corpus meum, cum -signum daret corporis sui, c. Adam. c. 12. Christus is lichamelijk ook -niet meer bij ons, maar is opgevaren ten hemel; secundum praesentiam -majestatis semper habemus Christum, secundum praesentiam carnis, recte -dictum est discipulis: me autem non semper habebitis, tract. 1 in Ev. -Joann. Als Augustinus het avondmaal dan ook menigmaal een sacrificium -noemt, verstaat hij daaronder niet, dat Christus andermaal in waarheid, -zij het ook op onbloedige wijze, geofferd wordt; maar dan noemt hij het -zoo, wijl het eene gedachtenis is van Christus’ offerande aan het -kruis. Hujus sacrificii caro et sanguis ante adventum Christi per -victimarum similitudinem promittebatur; in passione Christi per ipsam -veritatem reddebatur; post ascensum Christi per sacramentum memoriae -celebratur, c. Faustum 20, 21. Christus se ipsum obtulit holocaustum -pro peccatis nostris et ejus sacrificii similitudinem celebrandam in -suae passionis memoriam commendavit, 83 qu. qu. 61. de doctr. chr. -III 16. Of ook verstaat hij onder het lichaam van Christus, dat in -het avondmaal geofferd wordt, de gemeente. Hoe is, zoo vraagt hij, -het brood het lichaam van Christus? en hij antwoordt: corpus Christi -si vis intelligere, apostolum audi dicentem fidelibus: vos estis -corpus Christi et membra. Si ergo vos estis corpus Christi et membra, -mysterium vestrum in mensa propositum est, mysterium Dei accipitis. -En het brood is daar het teeken van, quia panis non fit de uno grano -sed de multis, Serm. ad infantes, cf. de civ. 10, 6. 22, 10. Daarom -wordt Augustinus ook niet moede, om te verzekeren, dat het gebruik -van het avondmaal op zichzelf niet voldoende is, dat het alleen voor -de geloovigen ten zegen maar voor anderen ten verderve is, dat het -ware eten van Christus’ lichaam in het gelooven bestaat: crede et -manducasti, Tract. 25 in Joann. en zoo passim, cf. Bibl. studii theol. -apud J. Crispinum 1565 p. 89-100. Dorner, Augustinus 263-276 enz. De -leer van Augustinus hield door haar machtigen invloed nog langen tijd de -volle ontwikkeling der realistische theorie tegen, en domineerde nog -onder de karolingische theologen, maar werd in den strijd van Ratramnus -tegen Paschasius Radbertus en later in dien van Berengarius tegen -Lanfranc meer en meer teruggedrongen en eindelijk geheel en al door de -metabolische theorie vervangen. Het woord transsubstantiatie ontmoeten -wij het eerst bij Hildebert van Tours † 1134, maar deze gebruikt het in -eene preek, zoodat het toen reeds vrij algemeen bekend moet geweest -zijn, cf. Deutsch in Schürer’s Theol. Lit. Z. 1898 col. 442. De zaak -die er door uitgedrukt werd, stond reeds vroeger vast. Berengarius -moest 1079 de formule onderteekenen, panem et vinum... per mysterium -sacrae orationis et verba nostri Redemptoris substantialiter converti -in veram et propriam ac vivificatricem carnem et sanguinem Domini -nostri J. C. etc. En het vierde Lateraanconcilie 1215 bepaalde, dat -het lichaam en bloed van Christus in sacramento altaris sub speciebus -panis et vini veraciter continentur, transsubstantiatis pane in corpus -et vino in sanguinem potestate divina, Denzinger, Enchir. 298. 357. -Dit dogma stelde aan den dialectischen geest der scholastiek een -reeks van problemen over aard, tijd en duur der verandering, over de -verhouding van substantie en accidentiën, over de wijze, waarop Christus -tegenwoordig was in beide elementen en in elk gedeelte daarvan, over -bewaring en aanbidding der hostie enz., Lombardus, Thomas, Bonaventura, -Duns Scotus op Sent. IV dist. 8-13. Thomas, S. Theol. III qu. 73-83. -c. Gent. IV 61-69. Bonaventura, Brevil. VI 9, cf. Schwane, D. G. -III 628-661. Harnack, D. G. III 488-498 enz. Van het sacrament des -avondmaals leert dan Rome aldus: de teekenen in dit sacrament zijn -ongezuurd brood en met een weinig water vermengde wijn. Deze elementen -worden door het woord der consecratie veranderd in het eigen lichaam -en bloed van Christus. Toen de Heiland n.l. bij den laatsten maaltijd -de woorden sprak: dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed; toen heeft -Hij niet alleen voor deze ééne maal brood en wijn in zijn lichaam en -bloed doen veranderen, maar Hij heeft tegelijk daarin zijne discipelen -tot priesters aangesteld en in de woorden, die Hij sprak, eene kracht -gelegd tot verandering der substantie van brood en wijn. De bediening -van de eucharistie is daarom het priesterlijk werk bij uitnemendheid en -mag nooit door een ander dan een geordend priester worden waargenomen. -Als de priester de woorden der consecratie uitspreekt, verandert de -substantie van brood en wijn in de substantie van het lichaam en bloed -van Christus. De lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in de -eucharistie kan immers niet daardoor tot stand komen, dat Christus -den hemel verlaat en in het sacrament gaat inwonen, want Christus -is en blijft gezeten aan de rechterhand des Vaders; noch ook kan zij -door schepping bewerkt worden, want dan ware het brood niet het eigen -lichaam van Christus, niet hetzelfde, waarmede Hij uit Maria geboren -en aan het kruis gestorven is; zij kan daarom alleen op die wijze -geschieden, dat de substantie van brood en wijn in de substantie van -Christus’ lichaam en bloed overgaat, ongeveer gelijk de spijze, die -wij nuttigen, omgezet wordt in een bestanddeel van ons lichaam. De -accidentia van brood en wijn, n.l. de vorm, smaak, reuk, kleur en zelfs -de voedende kracht, blijven wel na de consecratie, maar zij inhaereeren -niet meer in een subject; de substantie, waarvan zij de eigenschappen -waren, is weggenomen en door eene gansch andere vervangen, van -welke zij geen eigenschappen zijn, maar die zij alleen door hun schijn -bedekken voor het oog. Wijl nu Christus’ lichaam en bloed niet van zijne -menschelijke natuur en deze niet van zijne Godheid is af te scheiden, -zoo is de gansche Christus in ieder element en in elk gedeelte der -beide elementen ten volle tegenwoordig. Daarom is het niet noodig, al -is het ook niet ongeoorloofd en soms toe te staan, dat de eucharistie -sub utraque specie genoten wordt, want in het kleinste stukske brood is -toch de gansche Christus aanwezig. En deze Christus is in de elementen -aanwezig van het oogenblik der consecratie af tot den tijd toe dat zij -verbruikt zijn, dus ook ante en extra omnem usum. De eucharistie is -daarom van alle andere sacramenten onderscheiden. Want deze worden -alle door het gebruik voltrokken; de doop bijv. is dan eerst een -sacrament, als de mensch er werkelijk door afgewasschen wordt. Maar dit -is met de eucharistie niet het geval. De formule, die hierbij gesproken -wordt, richt zich niet tot den ontvanger, maar richt zich tot het -element en dient, om dit element in het lichaam en bloed van Christus -te veranderen. Bij de eucharistie is dus het gebruik, de communie, -secundair; het behoort tot de perfectio maar niet tot de necessitas van -het sacrament. Het sacrament der encharistie bestaat wezenlijk in de -consecratie zelve, in de daardoor teweeggebrachte transsubstantiatie, -in de handeling van den priester, dat is in de offerande. De -eucharistie is bij Rome niet alleen een sacramentum, zij is in de eerste -plaats een sacrificium. Toen Christus de woorden sprak: dit is mijn -lichaam, heeft Hij op datzelfde oogenblik zich Gode opgeofferd; en als -Hij zeide: doet dat tot mijne gedachtenis, heeft Hij daarin verordend -dat zijne priesters deze offerande herhalen zouden van dag tot dag, -Mal. 1:11. De offerande, die door den priester in de mis geschiedt, -is dezelfde als die volbracht werd aan het kruis; zij is er maar geen -beeld, symbool, herinnering van, maar zij is er volkomen identisch mede, -zij is geheel dezelfde offerande, alleen met dit verschil, dat die aan -het kruis eene bloedige en deze in de mis eene onbloedige offerande -is. Immers is het ook dezelfde priester, die zich aan het kruis en die -zich hier offert, want Christus zelf is het, die door middel van den -priester zich Gode opoffert en daarom door zijn mond de woorden spreekt: -dit is mijn lichaam. Daarom is het misoffer niet alleen een lof- en een -dank-, maar ook een waarachtig zoenoffer, niet minder rijk in werking -en vrucht dan de offerande aan het kruis. Terwijl de eucharistie als -sacrament het geestelijk leven voedt, voor doodzonden bewaart, tijdelijke -straffen kwijtscheldt, de geloovigen vereenigt en de toekomstige -heerlijkheid waarborgt, bewerkt zij als misoffer de kwijtschelding van -tijdelijke straffen en de genade der boete, niet alleen voor hen, die de -mis bijwonen maar ook voor de afwezigen; niet slechts voor de levenden -maar ook voor de boetenden in het vagevuur. De mis is het middelpunt -van den Roomschen cultus, φρικτον μυστηριον, tremendum mysterium. En -omdat de gansche Christus lichamelijk in de elementen van brood en wijn -aanwezig is, moeten deze zorgvuldig bewaard, in een monstrans aan het -volk ter aanbidding voorgehouden, op het festum corporis Christi in -plechtige processie rondgedragen worden en kunnen ze ook aan kranken in -hunne woning bediend en aan gestorvenen tot een viaticum medegegeven -worden. Cf. Trident. 13. 21. 22. Catech. Rom. II 2 cap. 4. Bellarminus, -de sacr. eucharistiae 1. IV en de sacrificio missae, 1. II in deel III -van zijne Controversiae p. 150-376. Perrone, Prael. Theol. Lovan. 1841 -VI 136-364. Möhler, Symbolik § 34. Jansen, Prael. theol. dogm. III -408-596. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der Kath. Kirche 2e -Aufl. 1864 I 301-584. C. Pesch, Prael. dogm. VI 238-399. Gihr. Das h. -Messopfer, 6e Aufl. Freiburg Herder 1897 enz. - - -4. De Reformatie verwierp eenstemmig de Roomsche leer van -transsubstantiatie en misoffer, van asservatio, adoratio en -circumgestio der hostie, van kelkonthouding en het gebruik der -latijnsche taal, maar zij ging in de positieve opvatting van het -avondmaal spoedig uiteen. Luther leerde eerst, dat brood en wijn -teekenen en onderpanden waren van de vergeving der zonden, welke -door Christus’ dood verworven was en door het geloof ontvangen -werd. Maar spoedig kwam hij hierop terug en hield, vooral sedert -1524 tegen Carlstadt en Zwingli, op grond van de synecdochisch -verklaarde instellingswoorden, staande, dat het lichaam van Christus -overeenkomstig den wil en de almacht Gods en zijne eigene ubiquiteit -reëel en substantiëel in, met en onder het avondmaal tegenwoordig was, -gelijk zijne Goddelijke in de menschelijke natuur en gelijk de warmte in het -ijzer, en daarom ook lichamelijk door onwaardigen, zij het ook tot hun -eigen verderf, gegeten werd, Köstlin, Luthers Theol. I 163 f. 290 f. II -116 f. 511 f. Deze leer ging over in de Luthersche belijdenisschriften, -ed. Müller S. 41. 164. 248. 320. 365. 499. 538. 645. 779, en werd door -de dogmatici breeder uitgewerkt, Gerhard, Loc. XXI. Quenstedt, Theol. -IV 176-255. Hollaz, Ex. 1103-1141. Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § -55. Maar velen waren reeds in de eeuw der Hervorming van een gansch -ander gevoelen. Op voorgang van Honius, cf. de Hoop Scheffer, Gesch. -d. Kerkherv. I 86v., vatte Zwingli de woorden der instelling figuurlijk -op en verklaarde het woordeke: is door beteekent, evenals ieder dat -telkens elders doet, bijv. Gen. 41:26, Joh. 10:9, 15:1. Brood en wijn -in het avondmaal zijn dus teekenen van en herinneringen aan den dood -van Christus, en de geloovigen, hierop vertrouwende, genieten in die -teekenen het lichaam en bloed van Christus. Zwingli bestrijdt beslist -de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal, maar -hij ontkent daarmede volstrekt niet, dat Christus op geestelijke wijze -tegenwoordig is voor het geloof. Integendeel, Christus wordt wel -terdege in het avondmaal genoten, gelijk Joh. 6 duidelijk leert, maar -Christus is in het avondmaal niet anders tegenwoordig en wordt daarin -niet anders genoten dan in het woord en door het geloof, dat is op -geestelijke wijze. Dit genieten van Christus bestaat in niets anders dan -in vertrouwen op zijn dood. Spiritualiter edere corpus Christi nihil -est aliud quam spiritu ac mente niti misericordia et bonitate Dei -per Christum. En wie zoo door het geloof Christus geniet en dan ten -avondmaal komt, die geniet Hem daar ook sacramentaliter in de teekenen -van brood en wijn. In het avondmaal belijden wij daarom ons geloof, -spreken wij uit, wat wij door het geloof voortdurend aan Christus hebben -en van Hem genieten; en wij doen dat tot Christus’ gedachtenis, tot -verkondiging van en dankzegging voor zijne weldaden, Zwingli, Opera II -1 S. 426. II 2 S. 1 f. III 239. 326. 459. IV 51. 68. Weldra kwam er -tusschen de Duitsche en Zwitsersche Reformatie scheuring en twist, die -door het religiegesprek te Marburg en door de bemiddelende pogingen -van Bucer van Geref. en Melanchton van Luth. zijde niet bijgelegd werd. -Men verstond elkander niet; beiderzijds werd erkend, dat Christus -waarachtig, met zijne Goddelijke en menschelijke natuur, met zijn eigen -lichaam en bloed in het avondmaal aanwezig was en genoten werd, maar -men hechtte aan deze „waarachtige” tegenwoordigheid een verschillende -beteekenis. Toen Calvijn optrad, was er reeds aan geen verzoening -meer te denken, al nam hij ook met zijne leer van het avondmaal een -standpunt tusschen en boven beide partijen in. Immers staat Calvijn -beslist aan Zwingli’s zijde, inzoover hij alle lichamelijke, plaatselijke, -substantieele tegenwoordigheid van Christus in de teekenen van brood -en wijn ten eenenmale verwerpt; zulk eene tegenwoordigheid toch is in -strijd met de natuur van een lichaam, met de waarachtige menschheid -van Christus, met zijne hemelvaart, met den aard der gemeenschap, die -tusschen Christus en de zijnen bestaat en van eene onnutte oralis -manducatio hemelsbreed verschilt. Maar verder voelt Calvijn zich -door Zwingli niet bevredigd; hij heeft vooral twee dingen op zijne -avondmaalsleer tegen, 1º dat Zwingli de gave Gods in het avondmaal al -te zeer laat terugtreden achter hetgeen de geloovigen daarin doen en -dus het avondmaal eenzijdig opvat als eene belijdenisacte, en 2º dat hij -in het eten van Christus’ lichaam niets anders en hoogers ziet dan het -gelooven in zijn naam, het vertrouwen op zijn dood. Daarom stelt Calvijn -zich voorts aan den kant van Luther en zegt, dat Christus, ofschoon -niet lichamelijk en plaatselijk, toch wel waarachtig en wezenlijk, met -zijn ganschen persoon, ook met zijn lichaam en bloed, in het avondmaal -tegenwoordig is en genoten wordt. Niet over het feit, alleen over -de wijze dier tegenwoordigheid bestaat er tusschen hem en Luther -verschil. En het eten van Christus’ lichaam in het avondmaal gaat in -het gelooven, in het vertrouwen op zijn dood niet op. Het eten is niet -met het gelooven één, al komt het altijd slechts door het gelooven tot -stand, maar het is er veeleer de vrucht van, evenals in Ef. 3:17 het -inwonen van Christus in ons wel door het geloof geschiedt maar toch -van dat geloof onderscheiden is. Het is Calvijn blijkbaar te doen om -de unio mystica, om de gemeenschap der geloovigen met den ganschen -persoon van Christus. Deze komt nu niet eerst door het avondmaal tot -stand, want Christus is het brood onzer ziel reeds in het woord, maar -ze wordt ons toch in het avondmaal illustrius geschonken en in de -teekenen van brood en wijn verzegeld en bekrachtigd. In het avondmaal -is er eene gemeenschap niet alleen aan de weldaden maar ook aan den -persoon van Christus, en wederom niet alleen aan zijne Goddelijke maar -ook aan zijne menschelijke natuur, aan zijn eigen lichaam en bloed; en -deze gemeenschap wordt een eten genoemd. Dit bestaat dus niet in een -lichamelijk neerdalen van Christus uit den hemel noch ook in eene -mixtura vel transfusio carnis Christi cum anima nostra, maar in eene -verheffing onzer harten hemelwaart, in eene vereeniging met Christus -door den H. Geest, in eene communio aan zijn lichaam, tengevolge waarvan -Christus spirat e carnis suae substantia vitam in animas nostras, imo -propriam vitam in nos diffundit, Inst. IV c. 17 en voorts C. R. 37, -461-524. 681-688 enz. cf. mijn opstel over Calvijns avondmaalsleer in de -_Vrije Kerk_ 1887 bl. 459-487. De voorstelling van Calvijn is niet in elk -opzicht duidelijk, vooral niet wat de gemeenschap aan het eigen vleesch -en bloed van Christus en het daaruit voortvloeiende leven betreft. -Utenhove verzocht hem daarom niet ten onrechte, om, wanneer hij handelde -over het avondmaal, van min of meer duistere uitdrukkingen zich te -onthouden, Pijper, Jan Utenhove, Leiden 1883 bl. 40. En zoo was er ook -in de belijdenis en leer van de Gereformeerde kerken en theologen wel -verschil van uitdrukking. Sommigen, zooals Bucer, zochten toenadering -tot de Luthersche voorstelling en zeiden, dat het lichaam van Christus -substantialiter, quoad substantiam, in het avondmaal tegenwoordig was, -M. Vitringa VIII 265. 299. Maar de hoofdgedachte van Calvijn, dat er in -het avondmaal door den H. Geest eene geestelijke gemeenschap geoefend -wordt met den persoon en dus ook met het lichaam en bloed van Christus -en dat de geloovigen daardoor gespijsd en gelaafd worden ten eeuwigen -leven, is in verschillende Geref. belijdenisschriften overgenomen, -Tigur. Gall. 36. Belg. 35. Cat. Heid. 75-80. Scot. 21. Helv. II 21. -Westmon. 29, en gemeengoed geworden van de Geref. theologie, Beza, -Tract. Theol. I 30. 206. 211. 259. II 121. III 148. Martyr, Loci Comm. -445. Zanchius, Op. VII 387. VIII 517. Junius, Theses theol. disp. 52. -Ursinus, Tract theol. 359. a Lasco, Op. I 190. 549. Polanus, Synt. -theol. VI 56. Bucanus, Instit. theol. 649. enz., cf. M. Vitringa VIII 1 -p. 266. Heppe, Dogm. 471. - -Maar er kwam toch al spoedig oppositie tegen deze Calvinistische leer -van het avondmaal. De uitdrukking in de Conf. Gall. 36, dat Christus -ons voedt en levend maakt de la substance de son corps et de son sang, -wekte in de Zwitsersche kerken niet geringe bedenking. Zij wendden -zich ten jare 1572 tot de nationale Synode in Frankrijk met verzoek om -wijziging dezer woorden, maar vonden geen gehoor. Toch bleef bij velen -het bezwaar bestaan, en dit nam toe, toen Bossuet in zijne Exposition -de la doctrine de l’église cath. sur les matières de controverse -1671 er sterkte in zocht voor de Roomsche leer van het avondmaal, -M. Vitringa VIII 1 p. 302 sq. Langzamerhand won de Zwingliaansche -opvatting weer veld, volgens welke het eten niets anders dan gelooven -en de gemeenschap met Christus niets anders dan het aannemen zijner -weldaden was, Ostervald, Verhandeling v. d. geopenb. godsd. 1742 bl. -385. De verslapping der tucht werkte deze veruitwendiging van het -avondmaal in de hand en deed in de sacramenten slechts teekenen zien -van een uitwendig verbond, waarop alle onergerlijk levenden recht en -aanspraak hadden, Swarte, van Eerde, Janssonius, cf. Ypey en Dermout, -Gesch. v. d. Ned. Herv. Kerk III 612. Zoo werd de weg gebaand voor -het rationalisme, dat de gedachten van Socinianen, Remonstranten, -Mennonieten enz., cf. M. Vitringa VIII 2 p. 1014 sq. herhaalde en -in het avondmaal niets hoogers zag dan een gedachtenismaaltijd, -belijdenisacte, en zedelijk opvoedingsmiddel, Wegscheider, Instit. § 178. -179. Door Schleiermacher, die niet alleen de leer van de Roomschen, -maar ook die van de Socinianen enz. verwierp en die van Luther, -Zwingli en Calvijn alle als rechtzinnig erkende, ontwaakte er echter -een streven, om het avondmaal als objectief genademiddel te handhaven -en er eene versterking aan toe te kennen van de levensgemeenschap -met Christus. Dit geschiedde echter op zeer verschillende manieren. -Sommigen gingen van het avondmaal als eene symbolische handeling en -belijdenisacte uit maar voegden er aan toe, dat de geloovigen daarin -betuigden, dat zij Christus aannamen als voor zich gestorven, Doedes, -Leer der Zal. § 144v. Ned. Gel. 502. Heid. Catech. 352. Anderen vatten -het op als eene handeling der kerk, maar die naar Gods bestel dienst -doet, om langs ethischen en psychologischen weg het geloof aan de -vergeving der zonden en de gemeenschap met God te versterken, Lipsius, -Dogm. § 853. Biedermann, Chr. Dogm. § 927. Pfleiderer, Grundniss § 156. -Vele Vermittelungstheologen verwerpen de Luthersche consubstantiatie -en manducatio oralis, en naderen de leer van Calvijn, als zij zeggen, -dat Christus op eene geestelijke wijze in het avondmaal tegenwoordig -is, gelijk als in het woord, en zichzelf en zijne weldaden, (vergeving, -leven, geestelijke kracht, zaligheid) aan den geloovige meedeelt, -Kahnis, Luth. Dogm. II 339. Dorner, Chr. Gl. II 848 f. Müller, Dogm. -Abhandl. 467. Ebrard, Dogm. § 545. Nitzsch, Ev. Dogm. 567-569. -Schmidt, Chr. Dogm. II 471. 478. De oud-luthersche leer werd wederom -voorgedragen door Scheibel, Rudelbach, Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S. -260 f. en door de neolutheranen nog aangevuld met de theosophische -voorstelling, dat Christus door brood en wijn niet alleen de ziel maar -ook rechtstreeks het lichaam voedt, door de krankheden des lichaams -te genezen en den nieuwen mensch der opstanding te versterken, die in -het verborgene door den doop is geschapen, Martensen, Dogm. § 265. -Thomasius, Christi Person u. Werk II³ 327. 341, Hofmann, Schriftbeweis -II 2 S. 220. Vilmar, Dogm. II 245. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. II² -290. Rocholl, Spiritualismus und Realismus, Neue Kirchl. Zeits. 1898, -cf. Luther zelf bij Köstlin II 163. 516. In de Engelsche kerk eindelijk -nam de ritualistische partij meer en meer de leer en gebruiken van het -avondmaal bij Rome over, Wilberforce, The Doctrine Of The Holy -Eucharist 1853. Pusey, The presence of Christ in the holy eucharist -1853 cf. Ryle, Knots untied 1886 p. 205. Williams, The crisis -in the Church of England, Presb. and Ref. Rev. July 1899. Over de -geschiedenis der avondmaalsleer handelen voorts de dogmenhistorische -werken van Hagenbach, Münscher-v. Coelln, Harnack, Schwane enz., de -artikelen Abendmahl, Transsubstantiation, Messe in Herzog². Abendmahl, -Eucharistie in Herzog³. Rückert, Das h. Ab., sein Wesen u. seine Gesch. -in d. alten Kirche 1856. Ebrard, Das Dogma v. h. Ab. u. seine Gesch. 2 -Bde 1845/6. Stahl, Die luth. Kirche u. die Union, Berlin 1859. Kahnis, -Dogm. II 360-438, en verdere litteratuur bij Dorner, Chr. Gl. II 848. -Luthardt, Komp. d. Dogm. § 72. - - -5. In de Schrift wordt het avondmaal aangeduid met de namen δειπνον -κυριακον, 1 Cor. 11:20, τραπεζα κυριου, 1 Cor. 10:21, κλασις ἀρτου, Hd. -2:42, 20:7, ποτηριον τον κυριου, 1 Cor. 11:27, ποτηριον της εὐλογιας, 1 -Cor. 10:16. En de kerk voegde daaraan later nog vele andere toe, zooals -ἀγαπη, omdat in den eersten tijd het avondmaal met een liefdemaaltijd -verbonden was; εὐχαριστια, reeds bij Did. 9. Ign. Smyrn. 7. 8. Just. M. -Apol. I 66, omdat de geloovigen aan het avondmaal God dankten voor de -gaven zijner genade; εὐλογια, omdat over brood en wijn door dankzegging -en lofprijzing Gods de zegen uitgesproken werd; συναξις, κοινωνια, wijl -de geloovigen, aan het avondmaal samenkomende, gemeenschap oefenden met -elkander; προσφορα, θυσια (ἁγια, πνευματικη, μυστικη, ἀναιμακτος enz.), -omdat de geloovigen de ingrediënten tot den maaltijd meebrachten en Gode -offerden, of omdat het avondmaal een beeld en herinnering was van de -offerande van Christus aan het kruis; en voorts nog δειπνον μυστικον, -εἰωχια, ἐφοδιον, viaticum, λατρεια, λειτουργια, φρικτον μυστηριον, -tremendum mysterium, sacramentum corporis et sanguinis Domini, -sacramentum altaris, missa, ontleend aan de missio catechumenorum na -afloop van het didactisch deel der godsdienstoefening enz. Hoewel -Luther nog van sacramentum altaris bleef spreken, Art. Smalc. III 6. -Cat. maj. 5, gaven de Protestanten over het algemeen aan den naam sacra -coena of coena Domini de voorkeur en hielden ook daarin vast, dat het -avondmaal een wezenlijke maaltijd was. Sommige Roomsche theologen, zooals -Maldonatus op Mt. 26:25, merkten daartegen wel op, dat de uitdrukking -δειπνον κυριακον in 1 Cor. 11:20 niet op het avondmaal sloeg maar -op den maaltijd, die na het avondmaal gehouden en door de rijkere -gemeenteleden aan de armere aangeboden werd, M. Vitringa VIII 10; doch -het avondmaal werd niet vóór maar na den gewonen maaltijd gehouden, vs. -21 en is onder de uitdrukking zoo niet alleen dan toch mede begrepen. -Maar al ware dit zelfs niet het geval, dan zou daarmede de onjuistheid -der benaming nog geenszins bewezen zijn. Want het avondmaal is toch naar -luid van de Schrift een wezenlijke maaltijd. De verbinding met de agapae, -de instelling bij gelegenheid van het paaschmaal, de bestanddeelen van -brood en wijn, het eten en drinken daarvan--alles wijst erop, dat wij in -het avondmaal met een wezenlijken maaltijd te doen hebben, en er dit -karakter nooit aan mogen ontnemen. Maar het is een δειπνον κυριακον, -een maaltijd des Heeren. Jezus is er de insteller van en volbracht ook -daarin den wil des Vaders, welken te doen zijne spijze was. Het avondmaal -is evenals de doop van Goddelijken oorsprong en moet dat zijn, om een -sacrament te kunnen wezen; want God alleen is uitdeeler der genade en -Hij alleen kan hare uitdeeling aan door Hem verordende middelen binden. -En Jezus stelt dit avondmaal bepaald als middelaar in; Hij treedt erin -op als profeet, die zijn dood verkondigt en verklaart; Hij handelt erin -als priester, die zichzelven voor de zijnen overgegeven heeft aan het -kruis; Hij komt erin voor als koning, die vrij over de verworvene genade -beschikt en haar onder de teekenen van brood en wijn aan zijne discipelen -te genieten geeft. En gelijk de insteller, zoo is Hij ook de gastheer en -de bedienaar van het avondmaal; Hij neemt zelf het brood en den wijn, -zegent ze en deelt ze aan zijne jongeren uit. En gastheer en bedienaar -was Hij niet alleen, toen Hij lichamelijk met zijne discipelen aanzat; -maar is en blijft Hij overal en altijd, waar _zijn_ maaltijd gevierd wordt. -Elk avondmaal, overeenkomstig zijne instelling bediend, is een δειπνον -κυριακον. Want Christus is insteller niet alleen door voorbeeld maar -ook door voorschrift. Het is een maaltijd tot zijne gedachtenis, 1 Cor. -11:24, tot verkondiging van zijn dood, vs. 26, tot gemeenschap aan -het lichaam en bloed van Christus, 1 Cor. 10:16, 21, 11:27. In het -avondmaal komt Christus met de gemeente en de gemeente met Christus -samen, getuigenis afleggend van hunne geestelijke gemeenschap, cf. -Op. 3:20. De dienaar, die brood en wijn zegent en uitdeelt, doet dit -daarom in den naam van Christus en is slechts een instrument in zijne -hand. Omdat Paulus in 1 Cor. 10:16 in den pluralis spreekt van hen, -die den drinkbeker zegenen, en Tertullianus, Exhort. ad cast. 7 zegt, -ubi ecclesiastici ordinis non est consessus, et offert et tingit -sacerdos, qui est ibi solus; sed et ubi tres, ecclesia est, licet -laici, beweerden sommigen, zooals Grotius, Salmasius, Episcopius e. a., -dat, indien een priester of leeraar ontbrak, het avondmaal ook door een -gewoon lid der gemeente bediend mocht worden. Maar deze meening mist -genoegzamen grond. In Mt. 28:19 wordt de bediening des doops tegelijk -met die des woords aan de apostelen opgedragen; zij met de leeraars zijn -uitdeelers der verborgenheden Gods, verkondigers van de mysteriën, -die God in het evangelie van Christus heeft geopenbaard, 1 Cor. 4:1; -huisverzorgers Gods, die zijne genade hebben uit te deelen, 1 Cor. 9:17, -Tit. 1:7. Ongetwijfeld is bij deze verborgenheden allereerst aan het -woord des evangelies te denken. Maar het sacrament volgt het woord en -is altijd met het woord verbonden. De apostelen in Jeruzalem oefenden -aldaar den dienst der gebeden en des woords, Hd. 6:4; bij de breking des -broods, Hd. 20:7, 11, voert Paulus het woord; het uitspreken van de -dankzegging bij het avondmaal was een deel van de bediening des woords -en alzoo aan den leeraar opgedragen, al wordt het evenals het breken -des broods in 1 Cor. 10:16 als eene handeling der gemeente voorgesteld, -Sohm, Kirchenrecht 69. Volgens Did. 10, 7 komt het εὐχαριστειν dan ook -aan de profeten toe, volgens Ign. Smyrn. 8 aan den bisschop, volgens -Just. Apol. I 65 aan den προεστως, terwijl de diakenen daarbij hun -dienst verleenden en brood en wijn aan de communicanten overgaven, cf. -Suicerus, s. v. διακονος en συναξις, Voetius, Pol. eccl. I 756-751. -Moor V 638-641. M. Vitringa VIII 1 p. 327 sq. Deze enge verbinding -van de bediening des avondmaals met die van het woord bewijst, dat -de dienaar optreedt in den naam van Christus en als huisverzorger -en uitdeeler zijner verborgenheden werkzaam is. Het avondmaal is een -maaltijd, waarvan Christus de gastheer is. - -Voorts komt de idee van maaltijd bij het avondmaal zeer sterk uit in de -spijze en den drank, welke er bij uitgedeeld en genoten wordt. Evenmin -als het water in den doop, zijn de teekenen van brood en wijn in het -avondmaal naar willekeur of toeval gekozen. Bij de offeranden des O. -Test. waren vleesch en bloed de hoofdzaak, wijl zij typisch heenwezen -naar de offerande van Christus aan het kruis. Maar het avondmaal -is zelf geen offerande doch eene gedachtenis van de offerande aan -het kruis en drukt de gemeenschap der geloovigen aan die offerande -uit. Daarom kiest Christus geen vleesch en bloed maar brood en wijn -tot spijze en drank in het avondmaal, om te kennen te geven, dat het -geen offerande maar een maaltijd is, een maaltijd op grond van, ter -herinnering aan, ter gemeenschapsoefening met den gekruisten Christus. -En daartoe zijn de teekenen van brood en wijn bij uitnemendheid geschikt; -zij waren in het Oosten de gewone bestanddeelen van den maaltijd, zij -zijn nog gemakkelijk overal en ten allen tijde te verkrijgen, zij zijn de -voornaamste middelen tot versterking en verheuging van het hart des -menschen, Ps. 104:15, en zijn een sprekend symbool van de gemeenschap -der geloovigen met Christus en met elkander, M. Vitringa VIII 1 p. 43. -Daarbij is het onverschillig, of het brood uit tarwe, rogge of gerst -bestaat en de wijn eene witte of roode kleur draagt; of het brood naar -het gebruik der Grieksche kerk gezuurd of naar dat der Roomsche kerk -ongezuurd genoten wordt; en of de wijn naar de leer der Armenische -Christenen onvermengd of naar de stellige uitspraak van Trente XX c. 7 -met water vermengd gebruikt wordt. Christus heeft van dit alles niets -bepaald of voorgeschreven. Zelfs aarzelden de Gereformeerden niet te -zeggen, dat, ingeval brood en wijn beslist ontbraken, ook een andere -spijze en drank, bijv. rijst en brood als teekenen in het avondmaal -gebruikt mochten worden, Voetius, Pol. Eccl. I 732. 738. Moor V 575. -M. Vitringa VIII 1 p. 46. Maar daarmede is willekeurige afwijking van -de instelling van Christus nog niet geoorloofd verklaard. Evenals -in dezen tijd waren er ook in de eerste eeuwen sommige Christenen -(Tatianen, Severianen, Gnostieken, Manicheën, Aquarii), die uit -ascetisch beginsel bij het avondmaal den wijn door water vervingen. -Maar wij moeten niet wijzer zijn dan Christus, die uitdrukkelijk den wijn -als teeken van zijn bloed verordend heeft, en wiens gebod in dezen -door de christelijke kerk ten allen tijde is opgevolgd, M. Vitringa -VIII 1 p. 71-78. Want de bewering van Harnack, dat de gewoonte, om -bij het avondmaal water te gebruiken, in de eerste en tweede eeuw -vrij algemeen was en nog in de vijfde eeuw bestreden moest worden; en -dat ook Paulus zelfs, sprekende van den drinkbeker, niet beslist -aan een beker met wijn denkt, is voldoende door Zahn, Brot und Wein -im Abendmahl der alten Kirche, Erlangen 1892 weerlegd, cf. ook W. -Schmidt, Christl. Dogm. II 465. Evenzoo is het gebruik der Roomsche -en Luthersche Christenen af te keuren, om het brood toe te dienen -in den vorm van een ouwel (oblie, oblata, wijl de geloovigen oudtijds -zelf de benoodigdheden tot het avondmaal aanboden; hostie, hostia, -wijl het brood een teeken is van de offerande van Christus). Want al -is de quantiteit van het brood evenmin als de qualiteit bepaald, toch -moet het karakter van een maaltijd behouden blijven en dit gaat bij het -gebruik van een kleinen, ronden ouwel schier geheel teloor, Voetius, -Pol. Eccl. I 733. M. Vitringa VIII 1 p. 49. Eindelijk doet ook de plaats -en de tijd, waarin het avondmaal ingesteld en oudtijds gevierd werd, -duidelijk uitkomen, dat het een wezenlijke maaltijd is. Immers stelde -Jezus het avondmaal in bij gelegenheid dat Hij met zijne discipelen -aanlag bij den paaschdisch. En in den eersten tijd werd het avondmaal -in verbinding met een gewonen maaltijd, Hd. 20:7, 11, 1 Cor. 11:21, in -de openbare vergadering der gemeente, 1 Cor. 10:17, 11:18, 20, 21, -33, en dagelijks of althans elken rustdag, Hd. 2:46, 20:7, gevierd. -Eerst langzamerhand werd het avondmaal van de agapae losgemaakt, uit -de avond- naar de morgengodsdienstoefening verplaatst, buiten de -vergadering der gemeente ook aan kranken en stervenden in hunne huizen -bediend, als mis geheel en al buiten en zonder eene samenkomst der -gemeente gevierd, en het gebruik van het avondmaal voor de geloovigen -op drie, of op eene enkele maal des jaars als minimum vastgesteld, -Trid. sess. 13 can. 9. Hoewel nu enkele Gereformeerden van oordeel -waren, dat het avondmaal in zeer bijzondere gevallen ook wel aan kranken -in hunne woning, maar dan toch in bijzijn van anderen, mocht bediend -worden, Calvijn bij Henry II 210. Voetius, Pol. Eccl. I 764, hielden zij -toch algemeen de gedachte vast, dat het als een deel van den cultus -publicus in de vergadering der gemeente thuis behoorde en niet privaat -gevierd mocht worden. En al is de practijk sterker gebleken dan de leer -en de viering van het avondmaal gewoonlijk tot zes of vier malen in het -jaar beperkt, Dordr. 1578 art. 73. Midd. 1581 art. 45. ’s Grav. 1586 -art. 56. Dordr. 1618 art. 63, toch was het oorspronkelijk de wensch -van Calvijn, om het minstens eenmaal per maand te vieren, Kampschulte, -Joh. Calvin I 460, cf. a Lasco, bij Dalton 383. Voetius, Pol. Eccl. -I 758-767. 801. 802. Moor V 660 sq. 671 sq. M. Vitringa VIII 1 p. -406-414. Indien de doop als inlijving in de christelijke kerk reeds in -de openbare vergadering der geloovigen behoort plaats te hebben, dan -geldt dit nog veel meer van het avondmaal, dat wezenlijk een δειπνον, -συναξις, convivium is en niet alleen eene gemeenschap met Christus -maar ook eene gemeenschap der geloovigen insluit. Daarom concentreert -zich de bepaling van het karakter van het avondmaal ten slotte geheel -om de vraag, of het op een tafel dan wel op een altaar bediend moet -worden. Jezus en zijne discipelen zaten aan eene tafel aan, toen zij het -avondmaal gebruikten en ook de eerste Christenen wisten van een altaar -niets. Maar langzamerhand ging het onderscheid tusschen de Oud- en de -Nieuwtest. bedeeling teloor; de vergaderplaats werd veranderd in een -tempel, de dienaar in een priester, het avondmaal in eene offerande, -en de tafel in een altaar. In de Roomsche en Grieksche kerk wordt -geheel de cultus door deze beschouwing beheerscht; de Anglikaansche -kerk nam ze grootendeels over en neigt er thans hoe langer hoe meer -heen; de Luthersche kerk behield het altaar en beschouwde het als -een adiaphoron. Maar de Gereformeerden herstelden het schriftuurlijk -denkbeeld van den maaltijd des Heeren ook in de tafel des avondmaals. -Immers bestaat het onderscheid tusschen den cultus des O. en des -N. Testaments daarin, dat tempel en altaar, priester en offerande -niet meer op aarde doch in de hemelen zijn. Het Jeruzalem dat boven -is, is ons aller moeder, Gal. 4:26; daar is Christus, de eeuwige -Hoogepriester, voor ons ingegaan, Hebr. 6:20, nadat Hij door ééne -offerande eene eeuwige verlossing had teweeggebracht, 9:12, om te -verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons, 9:24; en daar hebben -de Christenen hun heiligdom, in hetwelk zij met vrijmoedigheid ingaan -in het bloed van Jezus, 4:16, 10:19, 12:22. Hier op aarde hebben wij -slechts eene onderlinge bijeenkomst, waarin voor geen offerande plaats -is, 10:25. Het eenige altaar der Christenen is het kruis, op hetwelk -Christus zijne offerande heeft gebracht, 13:10, cf. 7:27, 10:10. Van -dat altaar, dat is, van de daarop gebrachte offerande eten zij, als ze -door het geloof gemeenschap hebben aan Christus en zijne weldaden. De -geloovigen hebben geen andere offerande te brengen, dan offeranden -des lofs, dat is vrucht van lippen, die zijnen naam prijzen, 13:15. Het -avondmaal is een offermaal, een maaltijd van de geloovigen met Christus -op grond van zijne offerande en daarom niet op een altaar maar op eene -tafel te bedienen. Certissimum est, everti Christi crucem, simulac -erigitur altare, Calvijn, Inst. IV 18, 3. Voetius, Pol. eccl. I 792. -Moor V 659. M. Vitringa VIII 1 p. 414. Herzog³ art. Altar. - - -6. Het avondmaal is dus een wezenlijke maaltijd, maar heeft als zoodanig -toch eene eigene, geestelijke beteekenis en bestemming. Christus heeft -het niet ingesteld, opdat het lichamelijk maar opdat het geestelijk -ons voeden zou. Voordat Hij brood en wijn uitdeelt, zegent Hij beide en -zegt, dat het brood zijn lichaam en de wijn zijn bloed is; als zoodanig, -als zijn verbroken lichaam en vergoten bloed, moeten brood en wijn -door zijne jongeren genomen en genoten worden. De materia sacramenti, -de beteekende zaak in het avondmaal is dus het lichaam en bloed van -Christus, gelijk het in zijn offerdood voor zijne gemeente gebroken en -vergoten is tot vergeving der zonden, dat is de gekruiste en gestorven -Christus met al de door zijn dood verworvene weldaden en zegeningen, -ipse Christus cum omnibus suis beneficiis, Heppe, Dogm. 466. 467. In -de moreele, rationalistische opvatting van het avondmaal komt deze -beteekenis niet tot haar recht. Immers 1º het avondmaal is ook wel -een gedachtenismaaltijd, maar het is dit eerst op grond daarvan, dat -Christus brood en wijn tot teekenen van zijn lichaam en bloed heeft -ingesteld. Het komt in de eerste plaats bij het avondmaal aan, niet op -wat wij doen, maar op hetgeen God doet. Vóór alles is het avondmaal -eene gave Gods, een weldaad van Christus, een middel voor zijne -genade. Indien het avondmaal niets dan een gedachtenismaal en eene -belijdenisacte ware, zou het ophouden een sacrament in eigenlijken zin -te zijn; slechts zijdelings en indirect ware het dan, evenals het gebed -een middel der genade te noemen. Het avondmaal staat echter met -woord en doop op ééne lijn en is dus allereerst, evenals deze, als een -prediking en verzekering van Gods genade aan ons te beschouwen. 2º -Christus verheft brood en wijn niet in het algemeen tot teekenen van -zijn lichaam en bloed, maar Hij doet dit bepaald ten aanzien van dat -brood en dien wijn, welke Hij in de hand houdt en aan zijne discipelen -meedeelt. En Hij zegt niet, dat zij in dat brood en dien wijn zijn lichaam -en bloed slechts hebben te zien, maar Hij verklaart uitdrukkelijk, dat -zij beide als zoodanig nemen, eten en drinken moeten. Hij maakt er een -maaltijd van, waarin de discipelen zijn lichaam en bloed genieten en dus -met Hem in de innigste gemeenschap treden. Die gemeenschap bestaat -niet daarin alleen, dat zij samen aan ééne tafel aanzitten, maar zij -eten van één brood en drinken van één wijn; ja de gastheer biedt onder -de teekenen van brood en wijn zijn eigen lichaam en bloed tot spijze en -drank van hunne zielen aan. Dat is eene gemeenschap, welke die in een -gedachtenismaal en belijdenisacte zeer verre overtreft. Zij is geen -herinnering slechts aan, geen overdenking van Christus’ weldaden, maar -zij is een allerinnigst verband met Christus zelven, gelijk de spijze en -drank zich vereenigt met ons lichaam. 3º In het avondmaal ontvangen -wij wel geen andere en meerdere, maar toch ook geen mindere weldaden -dan in het woord. Nu heeft Jezus, Joh. 6:47-58, uitdrukkelijk gezegd, -dat wij in het woord en door het geloof zijn vleesch eten en zijn bloed -drinken en alzoo het eeuwige leven ontvangen. Al is er nu in Joh. -6 niet rechtstreeks van het avondmaal sprake, toch mag en kan het -dienen tot verklaring van dit tweede sacrament. Door het woord en in -het geloof krijgen wij zulk eene innige gemeenschap met Christus, met -zijn lichaam en bloed, als er ontstaat tusschen de spijze en dien, die -haar geniet. En dit is de leer niet alleen van Joh. 6, maar van heel -de Schrift. Het woord schenkt in letterlijken zin die gemeenschap niet -noch ook het geloof, maar God heeft zich verbonden, om dengene, die zijn -woord gelooft, zijne gemeenschap in Christus en al de daaraan verbonden -weldaden mede te deelen. Terecht merkte daarom Calvijn tegen Zwingli op, -dat het eten van Christus’ lichaam en het drinken van zijn bloed niet -in het gelooven opgaat. Het gelooven is een middel, een middel zelfs -dat tijdelijk is en eens in aanschouwen overgaat, maar de gemeenschap -met Christus, die daardoor ontstaat, gaat veel dieper en duurt in -eeuwigheid. Zij is eene unio mystica, die ons slechts eenigszins -duidelijk is te maken onder de beelden van wijnstok en rank, hoofd en -lichaam, bruidegom en bruid, hoeksteen en gebouw, cf. deel III 556. En -het is deze unio mystica, welke in het avondmaal beteekend en verzegeld -wordt. - -De christelijke kerk heeft deze unio mystica zoo goed als eenparig -in het avondmaal gehandhaafd; Grieksche en Roomsche, Luthersche en -Gereformeerde Christenen zijn daarin met elkander eenstemmig, dat er -in het avondmaal eene objectieve en reëele mededeeling plaats heeft -van den persoon en de weldaden van Christus aan een iegelijk, die -gelooft. Maar onderling verschillen zij zeer over de wijze, waarop -die mededeeling geschiedt. De eerstgenoemden zijn niet tevreden, -tenzij het lichaam en bloed van Christus ook physisch en locaal in -de teekenen aanwezig zij en door den lichamelijken mond ontvangen en -genoten worde. De Gereformeerden echter leeren, dat Christus in het -avondmaal wel waarachtig en wezenlijk aan de geloovigen medegedeeld -wordt, maar op eene geestelijke wijze en zoo, dat Hij alleen door den -mond des geloofs ontvangen en genoten kon worden. En daarvoor levert -de Schrift overvloedige bewijzen. 1º In de woorden τουτο ἐστι το σωμα -μου kan het subject τουτο op niets anders slaan dan op het brood, -hetwelk Jezus in de hand houdt. Het praedicaat is το σωμα μου, en -duidt daarmede op het eigen lichaam van Christus, dat Hij uit Maria -aangenomen en voor de zijnen in den dood heeft overgegeven. De copula -is ἐστι, welke door Jezus in het arameesch in het geheel niet is -uitgesproken maar in elk geval twee disparate begrippen, brood en -lichaam, verbindt en dus geen copula van het werkelijk _zijn_ kàn -wezen. Zoo moet ἐστι hier dus significatieve, figuratieve beteekenis -hebben, want disparatum de disparate non potest praedicari nisi -figurate. De zin bevat een tropus, en deze ligt niet in het subject -of in het praedicaat, maar gelijk Zwingli juist inzag, in de copula -ἐστι, evenals dat in de Schrift zoo dikwerf het geval is, bijv. Gen. -17:13, 41:26, 27, Ex. 12:11, Ezech. 5:5, Luk. 12:1, Joh. 10:9, 15:1, -enz. Gal. 4:24, 1 Cor. 10:4, Hebr. 10:20, Op. 1:20 enz. En dat bij de -instellingswoorden zulk een tropus moet aangenomen worden, wordt ten -overvloede nog daaruit bewezen, dat Jezus volgens Lukas en Paulus bij -het tweede teeken niet zegt: deze wijn, maar deze drinkbeker is het -nieuwe testament in mijn bloed. Zelfs de Roomschen en Lutherschen -zijn gedwongen, hier een tropus aan te nemen. 2º Wanneer het subject -τουτο niet slaat op het natuurlijk brood en op den natuurlijken wijn, -maar reeds op de substantie van Jezus’ lichaam en bloed, welke onder -den vorm of binnen in de teekenen van brood en wijn verborgen zijn, -dan zijn brood en wijn reeds in Jezus’ lichaam en bloed veranderd of -hebben zij deze reeds in zich opgenomen, voordat de woorden: dit is -mijn lichaam, dit is mijn bloed, uitgesproken zijn en verliezen zij al -de kracht en waarde, welke Roomschen en Lutherschen eraan toekennen. -Immers is de trans- of consubstantiatie dan niet door die woorden tot -stand gekomen maar reeds daaraan voorafgegaan; en de woorden, waarop -zooveel nadruk ligt, houden niets dan eene verklaring in van wat reeds -bestaat en vroeger tot stand kwam. Moeilijk, ja onmogelijk is dan te -zeggen, wanneer en hoe de trans- of consubstantiatie tot stand kwam; -want wel is er van voorafgaande zegening en dankzegging sprake, maar -de inhoud daarvan is met geen enkel woord vermeld; wij weten volstrekt -niet, wat Jezus daarin gezegd heeft en dus ook niet, wat wij moeten -zeggen, om de trans- en consubstantiatie tot stand te doen komen. -En bovendien, als Paulus 1 Cor. 10:16 zegt: de drinkbeker, dien wij -zegenen, is gemeenschap aan het bloed van Christus, dan gaat hij van -de veronderstelling uit, dat de drinkbeker wijn en geen bloed bevat, -want anders konden wij hem niet zegenen, en dat hij als zoodanig, als -wijn bevattende, door de zegening gemeenschap is aan Christus’ bloed. -3º De woorden, die Jezus bij de instelling van het avondmaal gesproken -heeft, zijn als geen vaststaande formule bedoeld. Dat blijkt daaruit, dat -Mattheus, Marcus, Lukas en Paulus ze in verschillende lezing weergeven -en dat het liturgisch gebruik der christelijke kerken onderling allerlei -afwijking vertoont. Volgens de Grieksche kerk behoort de zoogenaamde -epiklese, de aanroeping van den H. Geest, wezenlijk tot de woorden der -consecratie, Schwane, D. G. II 810. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 413, -terwijl volgens Rome de transsubstantiatie tot stand komt door het -uitspreken der woorden: hoc enim est corpus meum, waarbij het woordeke -enim willekeurig is ingevoegd en de woorden: dat voor u verbroken -wordt, willekeurig zijn weggelaten. Veel minder is nog te bewijzen, -dat de woorden --onderstel, dat vaststond, welke bepaald te bezigen -waren-- eene consecratorische, operatieve, conversieve kracht bezitten. -Want Jezus zegt niet: dit _wordt_, maar: dit is mijn lichaam en heeft -dus reeds te voren het brood van het gemeene gebruik afgezonderd en -door zegening en dankzegging voor een hooger doel bestemd. 4º Toen -Jezus het avondmaal instelde, zat Hij lichamelijk met zijne discipelen -aan den disch. Dezen konden daarom niet op de gedachte komen, dat zij -met den lichamelijken mond Jezus’ eigen lichaam en bloed genoten en -konden nog veel minder dat lichaam zelf eten en dat bloed drinken. -Het baat niets, om met Philippi te zeggen, dat zij über das Mass ihres -gewöhnlichen Verständnisses durch den erleuchtenden Geist emporgehohen -wurden, K. Gl. V 2 S. 451, of met Hollaz, Ex. theol. 1119, dat Jezus -naturali modo aan tafel zat maar sacramentaliter zich te eten gaf. Want -niet alleen staat hier niets van in de Schrift, maar de vraag loopt -juist over de wijze, waarop Jezus bij het eerste avondmaal zijn lichaam en -bloed te genieten gaf en mag niet met een petitio principii beantwoord -worden. Indien de wijze, waarop Roomschen en Lutherschen met hunne -trans- en consubstantiatie zich dit genieten van Jezus’ lichaam en -bloed voorstellen, door het eerste avondmaal uitgesloten of daarbij niet -anders dan door een beroep op een wonder of door allerlei uitvluchten, -waarvoor de Schrift geen grond biedt, kan gehandhaafd worden, dan -behoort zij door den Christen, die aan Gods woord zich onderwerpt, te -worden losgelaten. En indien bij het eerste avondmaal geen trans- of -consubstantiatie en geen manducatio oralis plaats had, dan mag zij ook -niet aangenomen worden bij het avondmaal, dat de christelijke kerk na -Jezus’ dood op zijn bevel en naar zijne instelling viert. 5º Evenzeer -toch als met zijn lichamelijk aanzitten aan den disch, is de trans- en -consubstantiatie thans met zijne lichamelijke hemelvaart en met zijn -plaatselijk verblijf in den hemel in strijd. Indien toch brood en wijn bij -het avondmaal in Jezus’ lichaam en bloed veranderd worden of deze in -zich opnemen, moet dat lichaam uit den hemel neerdalen of reeds, naar -de Luthersche ubiquiteitsleer, cf. Kübel, art. Ubiquität in Herzog², -van te voren overal aanwezig zijn. In het laatste geval is er toch -nog weer een acte noodig, waardoor de tegenwoordigheid van Christus’ -lichaam in het avondmaal op eene bijzondere wijze teweeggebracht wordt, -want de ubiquiteit is daarvoor uiteraard niet voldoende; en daarom -zeiden Luther, Brenz e. a., dat het nog iets anders is, wenn Gott -da ist und wenn er _dir_ da ist. Dann aber ist er _dir_ da, wenn er -sein Wort dazu tut und bindet sich damit an und spricht: hie sollst -du mich finden, bij Kübel, art. Ubiquität in Herzog² 16, 123. 128. Het -woord bewerkt dus bij Rome en bij Luther eene zoodanige tegenwoordigheid -van Christus’ lichaam en bloed in het avondmaal, dat Hij niet alleen -lichamelijk in den hemel maar ook op aarde, in de teekenen van brood en -wijn aanwezig is. En deze tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal -wordt bovendien dan nog zoo gedacht, dat Christus geheel, niet alleen -naar zijne Goddelijke maar ook naar zijne menschelijke natuur, aanwezig is -in elk avondmaal, waar en wanneer het gevierd wordt; dat Hij met zijne -gansche Goddelijke en menschelijke natuur aanwezig is in elk teeken van -het avondmaal, ja in elk deeltje van het brood en in elken druppel van -den wijn, totus in tota hostia et in qualibet parte. Dit nu is eene -eindelooze multiplicatie van Christus, die met de leer der Schrift over -zijne menschelijke natuur, over zijne hemelvaart en over zijn verblijf in -den hemel in lijnrechten strijd is. Want zeker is die menschelijke natuur -bij de opstanding en de hemelvaart verheerlijkt maar daarom niet van -hare wezenlijke eigenschappen van eindigheid en beperktheid beroofd, -deel III 414v. Jezus stelt juist het avondmaal tot zijne gedachtenis -in, omdat Hij heengaat en straks niet meer lichamelijk bij zijne jongeren -zal zijn, gelijk Hij elders ook uitdrukkelijk verklaart, Mt. 26:11. En bij -de hemelvaart voer Hij henen en werd Hij opgenomen, Hd. 1:9-11, in den -hemel, die eene plaats is, Joh. 14:2, 4, 17:24, Hd. 7:56, Col. 3:1, Ef. -4:10, Hebr. 7:26, om daar te blijven tot zijne parousie, Hd. 1:11, Phil. -3:20, 1 Thess. 1:10, 4:16. 6º Maar al ware Christus in het avondmaal -lichamelijk en plaatselijk tegenwoordig, men ziet niet in, waartoe dit -noodig en dienstig is. Het nut der manducatio oralis is op geenerlei -wijze aan te toonen, cf. Köstlin, Luthers’ Theol. II 516. Onderstel al, -dat wij met den lichamelijken mond Jezus’ eigen lichaam eten, wat bate -hebben wij daarvan? Het komt toch in het avondmaal daarop aan, dat onze -ziel, dat ons geestelijk leven gevoed en versterkt wordt. En dit kan uit -den aard der zaak niet geschieden door het eten van Christus’ lichaam -met den lichamelijken mond; want wat wij daarmede eten, gaat deels in -bestanddeelen van ons lichaam over en wordt deels uitgeworpen. Nieuwere -theologen zijn daarom op de gedachte gekomen, dat de manducatio oralis -van Christus’ lichaam de kiem van een nieuw, van een opstandingslichaam -in ons plantte. Maar deze voorstelling druischt geheel tegen de Schrift -in en is vrucht van eene valsche theosophie. Toch, als deze vrucht niet -aan het eten van Christus’ lichaam verbonden is, is er geen andere -aan te wijzen. De manducatio oralis is onnut en ijdel en in den grond, -hoezeer men het bestrijde, kapernaïtisch. De Kapernaieten konden zich -geen ander eten van Jezus’ vleesch voorstellen dan met den lichamelijken -mond, Joh. 6:41, 52. En al nemen Roomschen en Lutherschen wel terdege -een geestelijk eten van Jezus’ lichaam aan, zij verbinden dit toch met, -zij maken het toch afhankelijk van het lichamelijk eten, zonder de wijze -van die verbinding of den aard dier afhankelijkheid ook maar eenigszins -duidelijk te maken. Jezus bedoelde echter in de gansche rede, die Hij -tegen de Kapernaieten houdt, niet anders dan een geestelijk eten, een -eten door het geloof en maakt van een lichamelijk eten geen oogenblik -gewag. - -Al de hiermede genoemde bezwaren gelden tegen Roomsche en Luthersche -leer beide; tegen de eerste komen er dan nog de volgende bij. 7º De -transsubstantiatie wordt door het getuigenis onzer zintuigen, door -gezicht en tastzin, door reuk en smaak beslist weersproken. En onze -zintuigen hebben hierbij recht van meespreken, omdat brood en wijn onder -hun bereik vallen en door hen kunnen en mogen beoordeeld worden. Zij -zijn ook, indien zij nauwkeurig waarnemen, hier evengoed als elders te -vertrouwen, omdat anders het sceptisch nominalisme voor de deur staat -en alle zekerheid des geloofs en der wetenschap verdwijnt. Ook Rome -moet dan ook voor hunne getuigenis wijken maar heeft erop gevonden, -dat de substantia verandert en de accidentia dezelfde blijven. Hoe dit -te denken zij, blijft onbeantwoord. Te Kana werd het water wijn, maar -zoo dat substantie en accidentiën veranderden. Accidentiën kunnen ook -niet van de substantie gescheiden en als in zichzelve rustend gedacht -worden, want zij houden dan op accidentiën te zijn en worden zelve -substanties. Bovendien, in het brood en den wijn van het avondmaal -blijven alle accidentiën onveranderd, zoowel die door reuk en smaak als -die door gezicht en tastzin worden waargenomen; zwaarte, vastheid, -kleur, verderfelijkheid, voedingskracht enz., alles blijft; wat rest -er dan voor de substantie nog, dat veranderen kan en veranderd is? -8º De transsubstantiatie strijdt met het tweetal teekenen, dat door -Jezus bij het avondmaal verordend is. Hoewel ook vroeger soms bij -bediening van het avondmaal in private woningen, aan kranken, aan -gevangenen, aan anachoreten, aan virgines abstemiae, en in missis -praesanctificatorum alleen het teeken des broods werd uitgereikt, -en omgekeerd aan onmondigen, gelijk thans nog in de Grieksche kerk, -alleen de wijn werd toebediend; kwam toch eerst sedert de twaalfde -eeuw de gewoonte in zwang, om de kelk aan de leeken te onthouden, en -verhief pas het concilie te Constanz 1415, deze gewoonte tot kerkelijke -wet. In weerwil van de oppositie, die er door de Hussieten en de -Hervormingsgezinden tegen gevoerd werd, hechtte ook het concilie te -Trente aan de kelkonthouding hare goedkeuring en werd daartoe geleid -gravibus et justis causis, Sess. 21. De synode noemt deze redenen niet -op, maar ze zijn toch licht te bevroeden. Behalve door den tegenzin -van sommigen, om met anderen uit één beker te drinken, den afkeer van -wijn, het gevaar van te storten en zoo het sacrament te onteeren enz., -werd de Roomsche kerk tot deze kelkonthouding vooral bewogen door de -zucht, om den priesterstand boven de leeken te verheffen, en door -de overtuiging, dat elk teeken en elk deel daarvan in den ganschen -Christus veranderd was, Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. I 501. -De transsubstantiatie maakt een tweede teeken in het avondmaal geheel -overbodig; in het brood alleen en zelfs in het kleinste stukske daarvan -is reeds de gansche stof der genade vervat. Daardoor komt de Roomsche -kerk met een rechtstreeksch gebod van Christus, Mt. 26:27 in strijd, -waartegen haar beroep op de conjunctie ἠ in 1 Cor. 11:27 niets baat, en -tegelijk, naar haar eigen bekentenis, met de gewoonte der christelijke -kerk in de eerste eeuwen. Zij weet zich alleen te verdedigen met de -bewering, dat zij macht bezit, om bij de uitdeeling der sacramenten te -werk te gaan gelijk zij goedvindt, Trid. sess. 21 c. 2. Omgekeerd is -de instelling van het avondmaal onder twee teekenen een sterk bewijs, -dat de transsubstantiatie niet de leer der Schrift is. Samen toch -stellen zij ons den gekruisten Christus voor oogen en deelen Hem aan de -geloovigen mede, niet op lichamelijke maar op geestelijke wijze, niet in -en onder maar tegelijk met de teekenen; zij vormen saam één sacrament, -als beelden en onderpanden van het ééne geestelijk goed, de gemeenschap -aan Christus en zijne weldaden. 9º De transsubstantiatie wordt eindelijk -nog weerlegd door de afgodische practijken, die haar gevolgd zijn. Al is -de mis voorbereid door de offer- en priesteridee, welke reeds vroeg met -het avondmaal in verbinding werd gebracht, zij is toch wezenlijk gebouwd -op de eerst in de Middeleeuwen uitgewerkte transsubstantiatieleer. -En deze wordt evenzeer door de asservatio, adoratio en circumgestio -ondersteld. Door de leer van de wezensverandering is het avondmaal -in de mis overgegaan, en daardoor van zijn oorspronkelijk karakter -geheel en al beroofd. Ofschoon de communio trots allerlei beperking is -blijven bestaan, is toch de mis het middelpunt van den Roomschen cultus -geworden. Zij is dan ook niets minder dan de volledigste uitwerking van -de Roomsche gedachte, dat de kerk met haar priesterschap de middelares -der zaligheid, de voortdurend op aarde zich realiseerende Godmensch -is. In de mis herhaalt Christus altijd door en telkens opnieuw zijne -offerande aan het kruis; Hij offert zich daarin wezenlijk en waarachtig, -zij het ook op onbloedige wijze, en bewerkt daardoor bij God, dat de -vruchten van zijne offerande aan het kruis, die daar slechts gansch -in het algemeen en in het afgetrokkene verworven zijn, nu toegepast -worden, cf. Trid. 22 c. 1, aan allen, die in de gemeenschap der kerk -leven, hetzij op aarde hetzij in het vagevuur, hetzij zij bij de mis -tegenwoordig of afwezig zijn, hetzij zij haar begeeren voor zichzelven of -voor anderen, voor geestelijke of lichamelijke nooddruft, tot vergeving -van zonden en tot voorkoming of afwending van krankheid en ongeval, -droogte en overstrooming, oorlog en veepest enz. Dat heeft Rome van -het avondmaal van onzen Heere Jezus Christus gemaakt! Aan gronden, -die toch bij zulk een gewichtig leerstuk als de mis in overvloed -aanwezig en onwankelbaar hecht zouden moeten zijn, ontbreekt het geheel -en al. In Gen. 14:18, waar Melchizedek aan Abraham brood en wijn ter -verkwikking aanbiedt, is met geen woord van eene offerande sprake, al -volgt er ook terstond op, niet: want, maar: en hij (Melchizedek) was -een priester des allerhoogsten Gods. Mal. 1:11 handelt misschien niet -eens van de toekomst; maar ook indien dit het geval is, beschrijft -déze plaats slechts in Oudtest. vormen, dat des Heeren naam groot zal -zijn onder de Heidenen en dat hem reukwerk en een rein offer (מִנְחָה, -offergave in het algemeen) gebracht zal worden; en deze vormen zijn in -het N. T. juist door het gebed en door de geestelijke offerande der -geloovigen vervangen, Rom. 12:1. Bij de instelling van het avondmaal -zeide Jezus wel: τουτο ποιειτε εἰς την ἐμην ἀναμνησιν, Luk. 22:19, -maar dat Jezus daarbij het avondmaal als een offer instelde en de -discipelen tot priesters verhief, is in deze woorden in het minst niet -begrepen en wordt zeker daarmede niet bewezen, dat het hebr. עשׂה en -het lat. facere wel eens in de beteekenis van offeren gebruikt wordt. -In 1 Cor. 10:21 stelt Paulus de tafel des Heeren tegenover de tafel -der duivelen; maar omdat de tafel der duivelen een altaar was, volgt -daaruit nog in geenen deele, dat ook de tafel des Heeren een altaar -is, waarop geofferd moet worden. Dit zijn de voornaamste en sterkste -bewijzen, welke de Roomschen uit de Schrift voor hunne leer van de mis -kunnen bijbrengen. En weinig sterker is hun beroep op de kerkvaders, -want zij vergeten daarbij, dat dezen, op het avondmaal de offeridee -toepassende, daaraan een gansch anderen zin hechtten dan Rome er -later mede verbond. En tegenover al deze schijnargumenten staat eene -reeks van bewijzen, die het onschriftuurlijk karakter van de mis in het -helderste licht stellen. Aan de instelling en de in de apostolische -kerk gebruikelijke viering van het avondmaal is al wat op de mis gelijkt -ten eenenmale vreemd. De eeuwigheid van Christus’ priesterschap, Hebr. -5:6, 7:17, 21-25, en de volkomenheid zijner kruisofferande, Hebr. 7:27, -9:12, 28, 10:10, 12, 14 maken eene, zij het ook onbloedige, herhaling -van zijne zelfofferande overbodig en ongeoorloofd; alle weldaden der -genade, vergeving, heiligmaking, verlossing, de gansche zaligheid, zijn -verworven door de offerande aan het kruis en kunnen noch behoeven te -worden aangevuld. Ja, wijl Christus eenmaal aan het kruis zich geofferd -en in den dood heeft overgegeven, kan Hij dit zelfs voor de tweede maal -niet meer doen, zijne offerande in den dood is voor geen herhaling -vatbaar, Hebr. 9:26-28. Zijne priesterlijke werkzaamheid duurt wel in -den hemel nog voort, maar bestaat toch niet in eenige zoenofferande -doch in zijne voorbede en verschijning voor Gods aangezicht ten gunste -van zijn volk, Hebr. 7:25, 9:24; en in die voorbede en verschijning voor -Gods aangezicht werkt de offerande, aan het kruis volbracht, altijd ten -behoeve der zijnen door. Omdat Christus zelf in den hemel leeft, om voor -de geloovigen te bidden en in die voorbede zijne offerande doorwerken -laat, daarom is er voor de herhaling zijner offerande op aarde geen -plaats, deel III 419v. Zijn staat van verhooging, zijne verhevenheid -boven alle lijden, smart en dood, zijne koninklijke heerschappij als -hoofd der gemeente zijn in lijnrechten strijd met een sacrificium -propitiatorium en impetratorium, dat Hij nog op aarde iederen dag en -op duizenden plaatsen te brengen zou hebben. Hoezeer Rome dan ook -bewere, dat de onbloedige offerande de bloedige aan het kruis niet -verzwakt maar werkzaam maakt, feitelijk is zij toch eene verloochening -van de eenige offerande aan het kruis; want een offer, dat niets anders -dan de vruchten van een ander offer genieten doet, is eene tastbare -ongerijmdheid. Indien de offerande aan het kruis genoegzaam is, zijn -andere overbodig; indien deze noodig zijn, is de eerste onvolkomen. -En dit wordt bevestigd door de Roomsche practijk; de aandacht van -den geloovige wordt van Christus en zijn kruis afgeleid en naar den -priester en zijne mis heengeleid. Voor de minste genade is de Roomsche -Christen van den priester en van de kerk afhankelijk. Hen kan hij geen -oogenblik ontberen. In theorie wordt vastgehouden, dat Christus alle -genade verworven heeft; maar in de practijk wordt de genade successief, -bij stukjes en beetjes, door den priester toebedeeld. Het avondmaal is -in de handen van Rome geworden tot een tremendum mysterium, dat de -geloovigen in den staat der onmondigheid houdt, hen voor hun gansche -leven en welzijn aan de hierarchische priesterschap bindt en hen in -afgodische adoratie neerknielen doet voor een God van eigen maaksel. -Cf. tegen de leer van trans- en consubstantiatie: Calvijn, Inst. IV 18. -Beza, Tract. theol. I 211 sq. 507 sq. III 148 sq. Martyr, Loci Comm. IV -c. 12. Ursinus op Heid. Cat. 78-80 en Tract. theol. 359-596. Chamier, -Panstr. Cath. IV l. 6. Amesius, Bellarminus enervatus l. IV. Rivetus, -Op. III 339-376. Turretinus, Theol. El. XIX qu. 21. M. Vitringa VIII -769. Art. Messe e. a. in Herzog². Hase, Prot. Polemik⁵ 488-535 enz. - - -7. Beter nog dan de Lutherschen, hebben de Gereformeerden het avondmaal -van de Roomsche inmengselen gezuiverd en in zijn oorspronkelijke -beteekenis hersteld. Het avondmaal was naar de instelling van Christus -een maaltijd, een wezenlijke maaltijd, waarin brood en wijn gebruikt -werden als spijze en drank tot versterking des lichaams, en bovenal -als teekenen en zegelen dienst deden tot gemeenschapsoefening met den -gekruisten Christus. Het is een gewone, natuurlijke maar tevens een -buitengewone, geestelijke maaltijd, waarin Christus de gastheer zijn eigen -gekruiste lichaam en vergoten bloed tot voeding onzer zielen aanbiedt. -Daarom is in dien maaltijd, welken Christus ingesteld heeft, alles -belangrijk; niets erin is zonder beteekenis; alles heeft een diepen -zin. Ten eerste zijn de teekenen van brood en wijn niet willekeurig -gekozen maar bij uitnemendheid geschikt, om ons een denkbeeld te geven -van de geestelijke spijze en drank, welke Christus in zijn dood voor onze -zielen heeft bereid. Ten tweede zijn al de handelingen van beteekenis, -welke Jezus bij de instelling van het avondmaal verricht. Hij neemt het -brood en den wijn niet zooals eerst bij het pascha, uit de hand van -anderen over, δεξαμενος, Luk. 22:17, maar Hij neemt ze zelf van den -disch, λαβων, vs. 19, ten bewijze dat Hij de gastheer is en de spijze -en den drank beschikt. Hij zegent (εὐλογησας, Mt. 26:26, Mk. 14:22, -afwisselend bij den drinkbeker met εὐχαριστησας, Mt. 26:27, Mk. 14:23, -terwijl Luk. 22:19, 20 en Paulus, 1 Cor. 11:24, 25 alleen εὐχαριστησας -hebben) het brood en later evenzoo den drinkbeker; onder dien zegen -is niet te verstaan, dat Christus over brood en wijn van God een zegen -vraagt, maar de verwisseling met εὐχαριστησας bewijst, dat Jezus God -zegent, d. i. prijst en dankt voor de gaven, die door Hem geschonken -zijn. De inhoud van die lofprijzing en dankzegging wordt niet vermeld, -maar had zeker wel betrekking op de gaven der schepping, in brood en -wijn vertegenwoordigd, en voorts vooral op de gaven der genade, die door -den dood van Christus verworven zouden worden en in zijn lichaam en -bloed aan de discipelen werden aangeboden. Door die dankzegging reeds -werden brood en wijn van het gemeene gebruik afgezonderd en voor een -hooger doel bestemd, en werden tevens de discipelen voorbereid voor een -recht verstaan van de beteekenisvolle woorden, dit is mijn lichaam enz., -die Jezus straks ter verklaring uitspreken zou. Voorts brak Jezus het -brood, waarin de Gereformeerden terecht eene handeling zagen, welke wel -niet tot de essentia maar toch tot de integritas sacramenti behoorde; -want niet alleen wordt dit breken in alle vier berichten vermeld, -maar het gansche avondmaal wordt er naar genoemd, Hd. 2:42; gelijk -het breken van het brood noodig is, om het voor de gasten genietbaar -te maken, zoo moet Christus zijn lichaam in den dood geven, opdat het -eene spijze voor onze zielen zij, Joh. 6:51, 12:24. Eindelijk deelt Jezus -zelf het brood en den wijn aan zijne discipelen uit, opdat zij daarvan -eten en drinken zouden; Hij doet het met de uitdrukkelijke woorden: -λαβετε, φαγετε, πιετε ἐξ αὐτου παντες, die de Roomsche mis zonder -communicanten ten sterkste veroordeelen; de communio behoort tot het -wezen des avondmaals. Ten derde zijn de woorden belangrijk, welke Jezus -bij het uitdeelen van brood en wijn uitspreekt; als Hij het brood aan -zijne discipelen gaf, zeide Hij: dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven -is, Luk. 22:19; en bij het uitreiken van den drinkbeker sprak Hij: deze -drinkbeker is mijn bondsbloed, of het nieuwe testament in mijn bloed, dat -voor u of voor velen vergoten is tot vergeving der zonden. Dat deze -woorden eene consecratorische, operatieve kracht bezitten, vindt in -den tekst der berichten hoegenaamd geen steun. Maar nadat Jezus door -de dankzegging brood en wijn van het gemeene gebruik afgezonderd, voor -een hooger doel bestemd en zijne discipelen voorbereid heeft, spreekt -Hij nu de woorden: dit is mijn lichaam en bloed. Hij zegt niet: dit brood -worde mijn lichaam; Hij gebiedt en beveelt niet, maar Hij verklaart en -licht toe. Het is immers een zinnebeeldige handeling, die Hij verricht; -een geestelijke maaltijd, dien Hij instelt. En van dien maaltijd is zijn -lichaam en bloed, gelijk het in den dood wordt overgegeven, de spijze en -de drank. Al de teekenen, handelingen en woorden in het avondmaal zijn -daarhenen gericht, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus -aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid, wijzen. Toch -gaat daarom het avondmaal niet op in een maaltijd ter gedachtenis aan -Christus en zijne weldaden. Onder de teekenen van brood en wijn geeft -Jezus immers zijn eigen lichaam en bloed te genieten; de avondmaalsdisch -brengt eene waarachtige gemeenschap tusschen Christus en de geloovigen -tot stand, eene gemeenschap niet alleen aan de weldaden maar ook en -vóór alles aan den persoon van Christus, zoowel naar zijne menschelijke -als naar zijne Goddelijke natuur. - -Over de realiteit dier gemeenschap is er tusschen Roomsche, Luthersche -en Gereformeerde Christenen geen verschil; te dezen opzichte staan zij -samen tegenover Zwingli geschaard. Maar wel verschillen zij onderling -over den aard dier gemeenschap en over de wijze, waarop zij in het -avondmaal genoten wordt. Roomschen en Lutherschen meenen, dat zij niet -anders waarlijk en ten volle tot stand kan komen, tenzij zij Christus -lichamelijk uit den hemel op aarde laten dalen en zijn lichaam en bloed, -niet alleen geestelijk, maar ook met den lichamelijken mond eten en -drinken. Daartegenover heeft Calvijn van den beginne af en altijd weer -op nieuw er den nadruk op gelegd, dat de gemeenschap der geloovigen -met Christus, ook naar zijne menschelijke natuur, geestelijk is van -aard, en dat zij tot stand komt, niet doordat Christus lichamelijk naar -beneden daalt, maar daardoor, dat wij geestelijk onze harten opwaarts -naar den hemel verheffen, waar Jezus Christus is, onze voorspraak, -ter rechterhand zijns hemelschen Vaders. En deze leer steunt op de -Schrift en komt met den aard der N. T. bedeeling overeen. Want 1º -de gemeenschap van Christus en de geloovigen is wel zoo innig en -onverbreekbaar, dat zij schier in geen woorden uit te drukken en -alleen onder beelden, zooals van hoofd en lichaam, wijnstok en rank, -bruidegom en bruid, eenigermate te verduidelijken is. Maar zij is toch -geen pantheistische vermenging of vereenzelviging, geen overvloeiing -der substantie, geen wezenseenheid als van de drie personen in de -drieëenheid, geen personeele vereeniging als van de twee naturen -in Christus. Christus en de geloovigen blijven onderscheiden; hun -persoonlijkheid wordt gehandhaafd; de unio mystica is eene vereeniging -van personen, zij het dan ook niet alleen naar hun wil en gezindheid, -maar ook naar hun wezen en natuur. 2º Deze gemeenschap wordt bewerkt -door den H. Geest, die in Christus als het hoofd en in de geloovigen -als zijne leden woont. Een andere weg, om die gemeenschap deelachtig -te worden, is er niet. Eene physische vereeniging, gelijk trans- en -consubstantiatie met de daaraan verbonden manducatio oralis tot stand -wil doen komen, is geheel ijdel en onnut. Alleen de H. Geest, die de -Geest Gods en de Geest van Christus is, kan menschen met Christus zoo -vereenigen, dat zij aan zijn persoon en weldaden deel hebben en door -geen dood of graf, door geen wereld of satan van Hem te scheiden zijn. -En daarom is die gemeenschap ook altijd geestelijk van aard. Zij omvat -ook wel de menschelijke natuur van Christus en de geloovigen naar hunne -lichamen. Want Christus is als middelaar niet zonder zijne menschelijke -natuur te denken en Hij kocht de geloovigen niet alleen naar hun ziel -maar ook naar hun lichaam. Doch de vereeniging blijft geestelijk van -aard, wijl zij niet anders dan door den H. Geest tot stand komt. 3º De -gemeenschap met Christus, die in het avondmaal versterkt wordt, is geen -andere, dan die ook door het genademiddel des woords tot stand komt. -Het sacrament voegt geen enkele genade toe aan die, welke in het woord -aangeboden wordt; het versterkt en bevestigt alleen, wat uit het woord -door het geloof is aangenomen. Wanneer Roomschen en Lutherschen dus -inbrengen, dat de gemeenschap met Christus in het avondmaal volgens de -Geref. opvatting geen waarachtige gemeenschap is met het eigen lichaam -en bloed van Christus, dan dient daartegen alleen te worden opgemerkt, -dat de gemeenschap, in het avondmaal verzekerd, geen andere is noch -zijn kan dan die door het woord. Volkomen op dezelfde wijze, als de -mensch door het geloof Christus wordt ingelijfd, wordt hij ook in die -gemeenschap door het avondmaal versterkt en bevestigd. Eene andere, -hoogere gemeenschap is er niet. Wie het woord gelooft, wordt Christus’ -eigendom naar lijf en ziel; en wie het avondmaal in den geloove -ontvangt, wordt daarvan vergewist en verzekerd. Het sacrament schenkt -geen andere genade maar schenkt dezelfde genade, tot versterking des -geloofs, slechts op eene andere wijze. 4º Ook bij de Gereformeerden is -Christus dus wel waarlijk en wezenlijk, met zijne Goddelijke en menschelijke -natuur in het avondmaal tegenwoordig, doch op geen andere wijze dan -Hij tegenwoordig is in het evangelie. Hij is niet lichamelijk in brood -en wijn besloten evenmin als in het verkondigde woord, maar wie het -teeken geloovig aanneemt, ontvangt naar de ordinantie Gods waarachtig -gemeenschap aan den ganschen Christus. Niet in en onder, maar met het -teeken schenkt Christus de beteekende zaak, dat is, zichzelven met al -zijne weldaden. Want terwijl bij Roomschen en Lutherschen de genade iets -zakelijks en passiefs is, dat zelfs lichamelijk door den ongeloovige -ontvangen wordt, is het bij de Gereformeerden de persoonlijke, levende -Christus zelf, die in het avondmaal zich als geestelijke spijze aan -de geloovigen mededeelt, Müller, Dogm. Abh. 458. Tegenwoordig is Hij -dus volgens de Gereformeerden in het avondmaal niet minder, maar -veel sterker en waarachtiger dan volgens Rome en Luther, want Hij is -tegenwoordig, niet physisch, locaal binnen de teekenen maar geestelijk, -als de handelende Christus zelf, in de harten der geloovigen, Aliud -est praesentem Christi substantiam, ut nos vivificet, in pane sistere; -aliud vivificam esse Christi carnem, quia ex ejus substantia vita -in animas nostras profluit, Calvijn, adv. Westph. bij Müller 443 cf. -Conf. Angl. 28 en Ryle, Knots untied 235-254. 5º Daarom is geloof -voor de ontvangst van het sacrament onmisbaar vereischte. De waarheid -van het sacrament hangt wel van dat geloof niet af. Want evenals bij -het woord, heeft God bij het avondmaal zich verbonden, om Christus en -zijne weldaden waarlijk te schenken aan een iegelijk, die gelooft. Maar -de ongeloovige ontvangt uiteraard slechts het teeken, gelijk hij bij -het woord alleen de klanken hoort en niet de zaak zelve, die erdoor -aangeduid wordt, deelachtig wordt. Om aan de beloften en weldaden -van woord en sacrament deel te krijgen, is daarom eene werking des -H. Geestes in het hart des menschen van noode; en het is juist deze -werking des Geestes, die buiten en in het avondmaal de gemeenschap -met Christus tot stand brengt en in stand houdt. 6º De weldaden, die -in het avondmaal genoten worden, zijn hieruit gemakkelijk af te leiden. -Op den voorgrond staat de versterking der gemeenschap met Christus. -De geloovige is die gemeenschap reeds door het geloof deelachtig en -ontvangt in het avondmaal geen andere, dan die hij door het geloof -reeds geniet. Maar als Christus zelf door de hand des dienaars hem -onder de teekenen van brood en wijn zijn lichaam te eten en zijn bloed -te drinken geeft, dan wordt Hij door den H. Geest in die gemeenschap -versterkt en bevestigd, en altijd inniger naar lichaam en ziel met den -ganschen Christus beide naar zijne Goddelijke en naar zijne menschelijke -natuur vereenigd. Want manducatio corporis Christi nihil aliud est, -quam arctissima cum Christo conjunctio, Junius, Theses theol. 52, 7. -Van den doop is daarbij het avondmaal hierin onderscheiden, dat de doop -het sacrament is van de inlijving, het avondmaal het sacrament van de -opwassing in de gemeenschap met Christus. Door den doop worden wij met -Christus in zijnen dood begraven en in zijne opstanding opgewekt, en zijn -wij dus passief; maar in het avondmaal treden wij zelf handelend op, -eten het lichaam en drinken het bloed van Christus en worden alzoo -door zijne gemeenschap gevoed ten eeuwigen leven. Maar indien wij deel -hebben aan den persoon van Christus, dan hebben wij het vanzelf ook -aan al zijne weldaden. Onder deze wordt de vergeving der zonden in de -Schrift in de eerste plaats en met den meesten nadruk genoemd. In het -avondmaal geeft Christus zijn lichaam en bloed tot spijze onzer zielen, -maar dat lichaam en bloed is zulk eene spijze niet, quia est corporea -substantia, quo modo esset cibus corporalis sed quatenus corpus Christi -est datum pro mundi vita, Junius t. a. p. Daarom wordt lichaam en -bloed afzonderlijk, ieder onder een eigen teeken, in het avondmaal voor -oogen gesteld. Daarom zegt Christus uitdrukkelijk, dat zijn lichaam -gegeven en zijn bloed vergoten wordt tot vergeving der zonden. Daarom -wordt de beteekenis van het bloed in de instellingswoorden nog breeder -toegelicht en verklaard dan die van het lichaam, want het is het bloed, -dat op het altaar voor de zonden verzoening doet. Al is Christus thans -dan ook verheerlijkt, de gemeenschap, die door het geloof tot stand -komt en in het avondmaal versterkt wordt, is en blijft eene gemeenschap -aan zijn gekruiste lichaam en aan zijn vergoten bloed. Op het standpunt -der trans- en consubstantiatie is dit onmogelijk; daar treedt de -gestorven Christus achter den verheerlijkten terug. Maar indien het -eten van Christus’ lichaam en het drinken van zijn bloed gelijk staat -met intima nostri cum Christo conjunctio, Bucanus, Inst. theol. 677, -dan is deze en elke andere weldaad uitsluitend eene vrucht van den -dood van Christus en worden wij daarom alleen uit Christus gevoed, wijl -Hij voor ons gekruisigd is. En onder de weldaden, die Christus door zijn -dood verwierf, staat dan de vergeving der zonden bovenaan. Ook deze -weldaad wordt in het avondmaal niet voor de eerste maal geschonken; -want de Christen bezit haar reeds door het geloof en heeft daarvan -in den doop het teeken en zegel ontvangen. Onjuist is het daarom, de -verschillende genaden met Rome over de sacramenten zoo te verdeelen, -dat telkens in ieder sacrament eene bijzondere groep van zonden vergeven -en eene bijzondere genade geschonken wordt, want de vergeving, welke -het woord, de doop en het avondmaal ons aanbiedt, is altijd dezelfde. -De vergeving, welke in het avondmaal medegedeeld wordt, heeft daarom -volstrekt niet alleen op culpae quotidianae, op peccata venialia -betrekking, Trid. sess. 13 c. 2. 22 c. 1. Maar het is dezelfde volle, -rijke weldaad van vergeving, welke in het woord wordt aangeboden, door -het geloof wordt aangenomen en door het sacrament van doop en avondmaal -beteekend en verzegeld wordt. Bij deze weldaad komt het duidelijk uit, -dat het sacrament geen enkele nieuwe genade aan het woord toevoegt; -het geeft dezelfde genade alleen, om onzer zwakheid wil, op eene andere -wijze, opdat wij vastelijk gelooven en van allen twijfel genezen zouden -worden. Bij deze weldaad der vergeving komt die van het eeuwige leven. -Het avondmaal is een geestelijke maaltijd, waar Christus onze zielen -voedt met zijn gekruist lichaam en vergoten bloed. Het eten en drinken -daarvan dient tot versterking van het geestelijke, eeuwige leven, want -wie het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt -heeft het eeuwige leven en wordt opgewekt ten uitersten dage, Joh. -6:54. Duidelijk blijkt hieruit, dat het eeuwige leven eene weldaad is, -die aan den ganschen mensch geschonken wordt, niet alleen naar zijne -ziel maar ook naar zijn lichaam. Ten onrechte is hieruit door sommigen -afgeleid, dat er uit Christus’ lichaam, dat in het avondmaal genoten -wordt, eene rechtstreeksche werking op ons lichaam uitgaat, zoodat -dit van allerlei krankheid en zwakte genezen en in beginsel tot een -nieuw opstandingslichaam herschapen wordt. Het is te begrijpen, dat -men vooral op Luthersch standpunt tot dit gevoelen kwam; want indien -de manducatis oralis _deze_ nuttigheid niet heeft, heeft zij in ’t -geheel geen waarde. Toch leert de H. Schrift dienaangaande niets. In -1 Cor. 11:30 zegt Paulus wel, dat er tengevolge van het schromelijk -misbruik van het avondmaal in Corinthe vele krankheden en sterfgevallen -voorkwamen; maar dit is duidelijk een κριμα, vs. 29, een straf, die God -op dit misbruik van het avondmaal liet intreden, en bewijst hoegenaamd -niet, dat gebruik of een geloovig gebruik van het avondmaal ook strekt -tot genezing van de krankheden des lichaams. Bovendien, Joh. 6 mag wel -gebezigd worden tot illustratie van het avondmaal, maar handelt er niet -rechtstreeks over; en ook dit hoofdstuk leert alleen, dat wie door het -geloof, ook zonder het avondmaal, Christus’ vleesch eet en zijn bloed -drinkt, het eeuwige leven heeft en opgewekt zal worden ten uitersten -dage, cf. 6:40. Volstrekt dus niet alleen door de manducatio oralis, -maar in het algemeen door het geloof wordt de mensch het eeuwige leven -en de hope der opstanding deelachtig. De H. Geest, die in de geloovigen -woont, is het zekerste onderpand voor de opstanding des lichaams en -den dag der verlossing, Rom. 8:11, Ef. 1:14, 4:30. Maar deze Geest van -Christus bedient zich dan wel van het avondmaal, om den geloovige te -versterken in de hope des eeuwigen levens en der zalige opstanding aan -het einde der dagen. Denn wo die Seele genesen ist, da ist dem Leibe -auch geholfen, Luther bij Müller, Dogm. Abh. 419. Praesentia corporis -affert non modo indubitatam vitae aeternae fiduciam animis nostris, sed -de carnis etiam nostrae immortalitate securos nos reddit, siquidem ab -immortali ejus carne jam vivificatur et quodammodo ejus immortalitati -communicat, Calvijn, Inst. IV 17, 32, cf. ook bij Ebrard, Dogm. v. h. Ab. -II 460, en voorts Philippi, K. Gl. V 2 S. 282 f. Müller, Dogm. Abh. -417. In dezen zin mag het avondmaal heeten φαρμακον ἀθανασιας, Ign. -Ef. 20. Eindelijk strekt het avondmaal nog als gedachtenisviering en -verkondiging van Christus’ dood tot belijdenis van ons geloof tegenover -de wereld en tot versterking van de gemeenschap der geloovigen -onderling. In 1 Cor. 10:17 betoogt de apostel, dat het brood wel moet -zijn gemeenschap aan het lichaam van Christus, want hoe konden anders de -geloovigen, die op zichzelf beschouwd velen zijn, één zijn? Die eenheid -komt alleen daardoor tot stand, dat zij in het ééne brood gemeenschap -hebben aan het ééne lichaam van Christus. De geloovigen zijn één in -Christus en daarom ook onderling. Gelijk uit vele graankorrels één -brood gebakken wordt en uit vele beziën, saamgeperst zijnde, één wijn en -drank vliet, zoo zijn allen, die door het waarachtig geloof Christus -ingelijfd zijn, te zamen één lichaam; en dat belijden zij aan het avondmaal -tegenover de wereld, die hunne eenheid niet kent. - - -8. Evenals de doop, is het avondmaal alleen voor de geloovigen -ingesteld. Jezus gebruikte het alleen met zijne discipelen. Of Judas -daarbij nog tegenwoordig was dan wel vóór de inzetting des avondmaals -de zaal heeft verlaten, is niet met zekerheid te zeggen. Mt. 26:21-25, -Mk. 14:18-21, Joh. 13:21-35 geven den indruk, dat Judas vóór dien tijd -is heengegaan, maar Luk. 22:21-23 verhaalt de ontdekking van Judas -als verrader na de instelling van het avondmaal in vs. 19. 20. Het -is echter mogelijk, dat Lukas zich hierbij niet aan de chronologische -orde houdt. Maar hoe dit zij, dogmatisch belang heeft de vraag niet. -Indien Judas het avondmaal gebruikte, dan zat hij aan als discipel van -Jezus; dat was hij, zoo deed hij zich voor, wat hij innerlijk in zijn hart -tegen Jezus overlegde, bleef voor zijne eigene rekening. M. Vitringa -VIII 347. Evenzoo werd later het avondmaal uitsluitend in den kring -der gemeente door de geloovigen gevierd, Hd. 2:42, 20:7. Ongeloovigen -hadden wel toegang tot de vergadering der gemeente, waarin het woord -werd bediend, 1 Cor. 14:22-24, maar waren uitgesloten van die, waarin -de agapae werden gehouden en het avondmaal werd gevierd, 1 Cor. -11:18, 20, 33. Zoo bleef het ook, toen allengs in de tweede eeuw het -avondmaal van de agapae werd losgemaakt en in dezelfde vergadering als -de bediening des woords des morgens plaats had. Het eerste deel was -voor allen toegankelijk, maar het tweede deel nam eerst een aanvang, als -ongeloovigen, catechumenen, geëxcommuniceerden enz. verwijderd waren. -In dit tweede gedeelte der godsdienstoefening werden de sacramenten -bediend; en het was oude en algemeen verbreide gewoonte, dat zij, die -na beeindiging van het catechumenaat gedoopt werden, terstond daarop -het avondmaal ontvingen. Toen de kinderdoop in gebruik kwam, werd deze -gewoonte ook bij de kinderen gevolgd en bovendien aangedrongen door -de heerschende exegese van Joh. 6:53, volgens welke dit vers van het -avondmaal gold en dit sacrament dus even noodzakelijk ter zaligheid was -als de doop. In het Westen sleet echter deze gewoonte vooral sedert de -twaalfde eeuw weer uit en werd zij allengs door verschillende synoden -onnoodig verklaard, cf. Trid. 21 c. 4. Maar in de Grieksche en andere -Oostersche kerken bleef ze bestaan en wordt nog heden ten dage aan -pasgedoopte kinderen het avondmaal bediend in den vorm van een in wijn -gedoopt stukske brood, Art. Kinderkommunion in Herzog² 7, 671. M. -Vitringa VIII 368. 612. Maar de magische opvatting van het avondmaal -had nog erger misbruiken ten gevolge. De oorspronkelijke eenvoud -ging onder allerlei plechtige ceremoniën teloor. Niet alleen door -zelfbeproeving, maar ook door vasten, wassching der handen, kleeding -enz. moesten zich de communicanten voor het avondmaal voorbereiden. -Het brood werd eerst met de bloote hand, later in een linnen doekje of -een gouden bakje, en nog later, sedert de elfde eeuw, met den mond en -in knielende houding bij het altaar van den priester aangenomen. Het -geconsacreerde brood werd niet alleen genoten door de communicanten -in de kerk, maar ook aan de kranken in hunne woning bediend, als een -viaticum aan stervenden medegegeven en tot afwering van allerlei rampen -en verkrijging van allerlei zegeningen en weldaden nuttig geacht. Niet -alleen tot de levenden maar ook tot de dooden strekte de werking van -het sacrament zich uit. Reeds van ouds bestond het gebruik, om niet -alleen voor zichzelf maar ook voor gestorven verwanten op hun sterfdag -offergaven te brengen en voor hunne ziel te bidden. En toen nu de leer -van het vagevuur door Gregorius M. was vastgesteld, het avondmaal -als eene offerande van het eigen lichaam en bloed van Christus werd -opgevat en de deelneming der gemeente hoe langer hoe minder werd, toen -stond het weldra vast, dat de mis niet alleen voor aan- of afwezige -levenden maar ook voor de gestorvenen in het vagevuur vermindering van -boetedoeningen en tijdelijke straffen bewerken kon, M. Vitringa VIII -733. Herzog² 9, 623 f. Al deze verbasteringen maakten terugkeer tot -de H. Schrift noodzakelijk, volgens welke het avondmaal een maaltijd -is, zonder aanzittende gasten niet bestaanbaar, en uitsluitend voor -geloovigen bestemd. Om zuiver te gaan en de Schrift te dezen opzichte -ten volle tot haar recht te laten komen, stelden de Gereformeerden -gewoonlijk twee vragen: 1º wie recht op het avondmaal hebben en ertoe -moeten naderen, en 2º wie door de kerk tot het avondmaal moeten worden -toegelaten of daarvan moeten geweerd worden, Heid. Cat. 81. 82. De -eerste vraag handelt over den plicht der communicanten, de tweede -over den plicht der kerk en van hare dienaren. Op de laatste vraag -werd ten antwoord gegeven en kon het antwoord naar de H. Schrift -niet anders luiden, dan dat de kerk van het avondmaal had te weren, -allen, die zich met hunne belijdenis en hun leven als ongeloovige en -goddelooze menschen aanstellen. Het avondmaal is een goed der kerk, -door Christus aan zijne gemeente gegeven en dus alleen te genieten -door huisgenooten des geloofs. Ongedoopten, ongeloovigen, ketters, -scheurmakers, openbare zondaren, geëxcommuniceerden waren daardoor -vanzelf buitengesloten. Maar het getal dergenen, die op het avondmaal -recht hadden, werd nog veel meer beperkt. Ten eerste werd door de -verwerping van mis en vagevuur ook de bediening van het avondmaal -voor de gestorvenen afgeschaft. In de Schrift komt iets dergelijks dan -ook met geen enkel woord voor. Wel spreekt Paulus 1 Cor. 15:29 van -zulken, die zich ὑπερ των νεκρων lieten doopen. Maar ook al moest (wat -echter volstrekt niet bewezen is, cf. Cremer³, 156) deze plaats zoo -worden verstaan, dat er in dien tijd Christenen waren, die zich ten -nutte van ongedoopt gestorven vrienden lieten doopen, dan nog bedient -de apostel zich van dit gebruik niet anders dan als een bewijs voor -de opstanding en laat hij het zonder goed- of afkeuring staan. De -kerk heeft den doop voor de dooden, die bij enkele secten in gebruik -was, op het concilie te Carthago 397 beslist veroordeeld en kan er -daarom geen argument aan ontleenen voor de bediening van het avondmaal -ten nutte van gestorvenen. Ten tweede hadden vele Gereformeerden -er bezwaar tegen, dat het avondmaal buiten de openbare vergadering -der geloovigen in eene private woning aan kranken en stervenden zou -worden bediend, Musculus, Bullinger, Beza, Danaeus, Aretius enz., de -Geref. kerken van Frankrijk, Schotland, Nederland enz. En wel stonden -anderen, zooals Calvijn, Oecolampadius, Martyr, Zanchius, de kerken van -Engeland, Polen, Hongarije enz. dit soms toe. Maar ook dan beperkten zij -het toch gewoonlijk zoo, dat er eene kleine vergadering van geloovigen -bij tegenwoordig moest zijn en daardoor alle aanleiding tot superstitie -voorkomen of vermeden werd, Voetius, Pol. Eccl. I 758. M. Vitringa -VIII 356. Moor V 660. Ten derde zijn ook de kinderen van het avondmaal -uitgesloten. Trente veroordeelde alleen de noodzakelijkheid, maar niet -de geoorloofdheid van het avondmaal voor kinderen. En op dat standpunt -plaatste zich van de Gereformeerden ook Musculus in zijne Loci Communes -p. 471-473. Hij voerde daarvoor deze gronden aan, dat wie de beteekende -zaak bezit ook recht heeft op het teeken; dat kinderen, die blijkens den -doop de genade der wedergeboorte kunnen ontvangen ook zonder bewustzijn -in dat geestelijk leven gevoed kunnen worden; dat Christus de zaligmaker -van heel zijne gemeente, ook van de kinderen is en hen allen spijst en -drenkt met zijn lichaam en bloed; dat de vermaning tot zelfbeproeving -1 Cor. 11:26-29 niet als algemeene eisch door den apostel is bedoeld. -Maar al deze gronden verliezen hun gewicht tegenover deze overwegingen: -1º in het O. T. was er een groot verschil tusschen besnijdenis en -pascha. De besnijdenis was voor alle kinderen van het manlijk geslacht -voorgeschreven, maar het pascha werd, niet terstond bij de instelling, -maar later in Palestina bij den tempel te Jeruzalem gevierd; zeer jonge -kinderen waren er dus vanzelf van uitgesloten. 2º Evenzoo is er een -groot onderscheid tusschen doop en avondmaal. De doop is het sacrament -der wedergeboorte, waarbij de mensch passief is; het avondmaal is -het sacrament van de opwassing in de gemeenschap van Christus, van -de voeding des geestelijken levens en onderstelt bewust, handelend -optreden bij dien, die het ontvangt. 3º Christus stelde het avondmaal -te midden zijner jongeren in, zeide tot hen allen: neemt, eet, drinkt, -en onderstelt, dat zij het brood en den wijn uit zijne hand aannemen. En -Paulus zegt, dat de gemeente te Corinthe samenkwam om te eten en geeft -geen anderen indruk, dan dat alleen bewuste, volwassen personen aan het -avondmaal deelnemen. 4º In 1 Cor. 11:26-29 stelt de apostel bepaald -den eisch, dat men voor het avondmaal zichzelf beproeve, opdat men -het lichaam des Heeren kunne onderscheiden en niet onwaardiglijk ete -en drinke. Deze eisch is gansch algemeen gesteld, tot alle deelnemers -aan het avondmaal gericht en sluit daarom vanzelf de kinderen uit. -5º Onthouding van het avondmaal aan de kinderen doet hen geen enkele -weldaad van het verbond der genade derven. Dit ware wel het geval, -wanneer hun de doop werd onthouden. Want dit kan niet doen dan wie -meent, dat de kinderen buiten het verbond der genade staan. Maar met -het avondmaal is het anders gesteld. Wie aan kinderen den doop maar -niet het avondmaal bedient, erkent, dat zij in het verbond en alle -weldaden daarvan deelachtig zijn. Hij onthoudt hun slechts eene bijzondere -_wijze_, waarop dezelfde weldaden beteekend en verzegeld worden, wijl -deze aan hun leeftijd niet past. Het avondmaal geeft toch geen enkele -weldaad, welke niet te voren reeds in het woord en den doop door het -geloof werd geschonken. - -Dit onderscheid tusschen doop en avondmaal maakte al spoedig eene -voorbereiding voor de waardige ontvangst van het tweede sacrament -noodzakelijk. In den apostolischen tijd, toen er in den regel slechts -volwassenen gedoopt werden, was er zulk eene voorbereiding nog niet. -Wie het woord des evangelies hoorde en aannam, werd terstond gedoopt -en tot het avondmaal toegelaten. Doch toen in de volgende eeuw de -overgangen tot het Christendom talrijker maar ook minder betrouwbaar -werden, kwam allengs het catechumenaat op, dat eerst voor den doop en -later, na het algemeen worden van den kinderdoop, voor het avondmaal -moest voorbereiden. In de Roomsche kerk ging deze voorbereiding allengs -geheel op in het sacrament van het vormsel, dat uit de oorspronkelijk -met den doop verbonden handoplegging zich ontwikkelde en met eene -zalving zich verbond. De Reformatie verwierp dit sacrament, wijl het in -de Schrift geen grond had, en stelde er de catechese en de openbare -belijdenis voor in de plaats, cf. Höfling, Das Sakr. der Taufe II 347 -f. Bachmann, Die Gesch. der Einführung der Confirmation, Berlin 1852. -Caspari, Die evang. Confirmation vornehmlich in der luth. K. Erl. 1890. -Art. in Herzog² 8, 143. Daardoor werd de overgang gemaakt van den doop -tot het avondmaal en de kerk tevens voor verbastering behoed. Calvijn -wilde, dat, als een kind genoegzaam in den catechismus onderwezen -was, het openbaar in de gemeente belijdenis van zijn geloof zou doen, -bij Bachmann t. a. p. 70. à Lasco wenschte, dat kinderen, die veertien -jaren oud geworden waren, belijdenis voor de gemeente zouden doen en -den volgenden Zondag aan het avondmaal zouden gaan; maar wie slecht -leefden, werden vermaand en eindelijk, bij gebleven hardnekkigheid, op -achttien- of twintigjarigen leeftijd van de gemeente afgesneden, ib. -115. De Ned. Kerkenordeningen schrijven evenzoo een belijdenis voor den -kerkeraad of in het midden der gemeente voor, en spreken soms nog van -een voorafgaand onderzoek voor den kerkeraad. Deze theorie liep zuiver: -de kinderen der geloovigen worden als geloovigen gedoopt, dan in de -waarheid onderwezen, bij voldoend onderzoek en na openbare belijdenis -tot het avondmaal toegelaten of bij onchristelijke leer of ongeregelden -wandel na herhaalde vermaning uit de gemeente verwijderd. Naar deze leer -is nog ons kerkelijk leven in te richten, al stuit zij ieder oogenblik -op bezwaren der practijk. Want piëtisme en rationalisme zijn altijd -geneigd om te scheiden wat God heeft saamgevoegd en met minachting -van het sacrament op persoonlijke bekeering of op kerkelijke aanneming -of bevestiging den nadruk te leggen. Maar de regel des verbonds is -deze, dat de kerk hare jeugdige leden, die als kinderen des verbonds -geboren en door den doop haar ingelijfd zijn, opvoede tot zelfstandige, -persoonlijke belijdenis en op dien grond hen toelate tot het avondmaal. -Over het hart oordeelt zij niet en kan zij niet oordeelen. Terwijl zij dus -eenerzijds van het avondmaal allen weert, die met belijdenis of leven -zich als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen, laat zij aan -de andere zijde nimmer van de ernstige prediking af, dat het avondmaal -alleen is ingesteld voor hen, die zichzelven vanwege hunne zonden -mishagen, nochtans vertrouwen, dat deze hun om Christus’ wil vergeven -zijn en ook begeeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun -leven te beteren. - - - - -HOOFDSTUK XI. - -Over de Laatste Dingen. - - -§ 54. DE TUSSCHENTOESTAND. - -1. Gelijk oorsprong en wezen, zoo is ook het einde der dingen ons -onbekend. Op de vraag: waarheen, geeft de wetenschap een evenmin -bevredigend antwoord als op die, vanwaar alle dingen zijn. En toch -heeft de religie dringend behoefte, om iets te weten van de bestemming -van den enkelen mensch, van menschheid en wereld. Alle volken hebben -daarover dan ook eene of andere gedachte en alle godsdiensten bevatten -eene soort van eschatologie. Wel zijn er nog, die beweren, dat het -geloof aan de onsterfelijkheid der ziel oorspronkelijk volstrekt niet -aan alle menschen eigen is en nog heden ten dage, bijv. bij de Weddas -op Ceylon, bij de indische Seelongs e. a. ontbreekt, Büchner, Kraft -und Stoff{16} 423. Häckel, Die Welträthsel, Bonn 1899 S. 223. Op het -standpunt der evolutie kan ook het geloof aan God, aan het zelfstandig -bestaan der ziel en aan hare onsterfelijkheid geen oorspronkelijk -bestanddeel der menschelijke natuur hebben uitgemaakt, maar moet het -langzamerhand en toevallig door allerlei omstandigheden ontstaan -en ontwikkeld zijn. Voorvadervereering, liefde tot afgestorven -bloedverwanten, levenslust en de wensch tot levensverlenging, hoop op -betere levensverhoudingen aan de andere zijde des grafs, vrees voor -straf en hoop op belooning enz. zijn dan de oorzaken geweest, die het -onsterfelijkheidsgeloof allengs hebben doen opkomen. Maar daartegenover -getuigen de meeste en de beste beoefenaars van de geschiedenis -der godsdiensten, dat het geloof aan de onsterfelijkheid bij alle -volken voorkomt en een bestanddeel is ook van de laagste en ruwste -godsdiensten. Wij treffen het overal en op iederen trap van ontwikkeling -aan, waar geen wijsgeerige twijfelingen het ondermijnd of andere oorzaken -het op den achtergrond gedrongen hebben en overal is het ook met den -godsdienst verbonden, Tiele, Inl. tot de godsdienstwetenschap, tweede -reeks Amst. 1899 bl. 97. Peschel, Volkerkunde⁵ 257. Men kan zelfs -zeggen, dat dit geloof oorspronkelijk iets zeer natuurlijks was. Evenals -de auteur van het paradijsverhaal in Genesis, zegt Tiele, t. a. p. bl. -197, gaan de volken allen uit van de overtuiging, dat de mensch van -nature onsterfelijk is en dat niet de onsterfelijkheid bewezen, maar de -dood moet verklaard worden. De dood schijnt iets tegennatuurlijks. Er -moet wat gebeurd zijn, waardoor iets zoo onlogisch in de wereld kwam. -De sagen van allerlei volken, verschillend in afkomst en ontwikkeling, -drukken dat denkbeeld uit. Er was een tijd, dat er noch ziekte noch -dood was op aarde. De „eenvoudige natuurmensch” kan zelfs nog niet -gelooven aan den dood, als hij hem ziet voor zijne oogen. Het is een -slaap, zegt hij, een toestand van bewusteloosheid; de geest heeft -het lichaam verlaten maar kan nog terugkeeren. Daarom wacht hij nog -eenige dagen, om te zien of dit niet geschieden zal. En als de geest -van den doode niet terugkeert, houdt men het ervoor, dat hij slechts -verdwenen is, om ergens, waar ook, in een ander lichaam in te gaan -of met de bovenaardsche geesten te verkeeren. De vormen, waarin dit -leven der ziel na den dood werd voorgesteld, waren zeer verschillend -en werden dikwerf ook met elkander verbonden en vermengd. Nu eens -dacht men, dat de zielen na den dood in de nabijheid van het graf -bleven voortleven en tot haar bestaan de voortdurende verzorging der -bloedverwanten behoefden, of ook in de onderwereld, in den hades, -ver verwijderd van goden en menschen, een treurig, schimachtig leven -leidden. Dan weder geloofde men, dat de zielen der afgestorvenen, -evenals zij soms reeds vóór haar wonen in het menschelijk lichaam -allerlei gedaanteverwisselingen hadden ondergaan, zoo ook na het -verlaten daarvan nog een tijd lang in andere lichamen van dieren en -menschen moesten vertoeven, om zich te louteren, de volmaaktheid -te bereiken en in de Godheid of in een bewusteloos Nirvana op te -gaan. Of ook werd geleerd, dat de zielen terstond na den dood in het -Goddelijk gericht kwamen, en indien zij het goede gedaan hadden, over -de gevaarlijke doodenbrug ingingen in het land der zaligen, waar -zij leefden in gemeenschap der goden, of ook, indien zij het kwade -hadden gedaan, neerstortten in eene plaats van eeuwige duisternis en -pijniging. Cf. het tweede deel van C. W. Flügge, Gesch. des Glaubens an -Unsterblichkeit, Auferstehung, Gericht und Vergeltung, Leipzig 1795. -Spiess, Entwicklungsgesch. der Vorstellungen vom Zustande nach dem Tode -auf Grund vergl. Religionsforschung 1877. Knabenhauer, Das Zeugniss -des Menschengeschlechts über die Unsterblichkeit der Seele, Freib. -1878. Merschmann, Die Idee der Unsterblichkeit in ihrer gesch. Entw., -Berlin 1870. Pfleiderer, Religionsphilos. 1896 S. 625 f. Runze, art. -Unsterblichkeit in Herzog² 16, 189 vooral 198 f. Id. Die Psychologie -des Unsterblichkeitsglaubens und der Unsterblichkeitsleugnung, Berlin -1894. - -De leer van de persoonlijke onsterfelijkheid ging uit de religie over -in de philosophie. Nadat Pythagoras, Heraclitus en Empedocles reeds -waren voorgegaan, trachtte vooral Plato zijn religieus geloof aan de -onsterfelijkheid in den Phaedo met philosophische redeneeringen te -staven. Zijne bewijzen komen hierop neer, dat de ziel, die de kennis der -ideeën uit de herinnering put, reeds vóór haar wonen in het lichaam -bestaan heeft en zoo ook na het verlaten van dat lichaam voortbestaan -zal; dat zij door haar denkende beschouwing van de eeuwige ideeën aan -het goddelijke wezen verwant en door hare beheersching van het lichaam -en zijne begeerten als iets zelfstandigs en eenvoudigs verre boven het -lichaam verheven is; en vooral, dat zij als principe des levens en -met het leven identisch, niet als niet-levend en vergankelijk gedacht -worden kan. Met deze leer over de onsterfelijkheid der ziel verbindt -hij dan allerlei voorstellingen over voorbestaan, val, vereeniging met -het lichaam, oordeel, zielsverhuizing, die voor een voornaam deel een -mythisch karakter dragen en ook door Plato zelven zeker niet alle in -wetenschappelijken zin bedoeld zijn. Hoewel andere wijsgeeren, zooals -Democritus, Epicurus, Lucretius de onsterfelijkheid der ziel bestreden -of er zich, gelijk Aristoteles, niet beslist over uitspraken, had de -leer van Plato op theologie en philosophie een verbazend grooten -invloed. De mythische bestanddeelen van praeëxistentie, metempsychose -enz. vonden dikwerf bij sectarische richtingen ingang. En de theologie -wijdde onder Plato’s invloed aan de onsterfelijkheid der ziel veel -grooter aandacht dan de H. Schrift. De leer van de natuurlijke -onsterfelijkheid der ziel werd een articulus mixtus, welks waarheid nog -meer uit de rede dan uit de openbaring werd betoogd, Tert., de an. 22. -Orig., de princ. VI 36. Iren., adv. haer. II 34 enz., bij de Geref., -Heppe, Dogm. 166. Toch bleef er altijd eenig verschil. Het besef stierf -nooit geheel en al uit, dat de H. Schrift aan leven en dood, behalve -eene physische, ook steeds eene religieus-ethische beteekenis hecht. -Leven is bij haar nooit alleen voortbestaan en dood is nimmer aan -vernietiging gelijk, maar leven sluit in gemeenschap met God en dood -is gemis van zijne genade en gunst. Vandaar dat de kerkvaders telkens -zeggen, dat Christus gekomen is, om ons de ἀθανασια te schenken en -het soms den schijn hebben kan, alsof zij de natuurlijke onsterfelijkheid -der ziel loochenden. En daar kwam nog bij, dat men Plato’s leer van de -praeëxistentie, dat is van de ongeschapenheid der ziel bestrijden moest -en om die reden soms bezwaar maakte, om de ziel van nature onsterfelijk -te noemen, wijl God alleen onsterfelijk was door zichzelven en de ziel -slechts onsterfelijk kon wezen door zijn wil, Just. Dial. 5. Theophylus, -ad Autol. II 27. Dit moet men in het oog houden bij het onderzoek, of -er onder de kerkvaders ook voorstanders waren van de conditioneele -onsterfelijkheid. Want al leerde ook een enkele, zooals Arnobius, eene -vernietiging der booze zielen en al nam Tatianus aan, dat de ziel bij -den dood met het lichaam stierf, om aan het einde der dagen wederom op -te staan, het geloof was toch algemeen, dat de ziel krachtens de door -God haar geschonken natuur onsterfelijk was, Münscher- v. Coelln, D. -G. I 333 f. Harnack, D. G. I 449. Dr. Jonker, Theol. Studiën I 167v. -Atzberger, Gesch. d. christl. Eschat. 118 f. 187 f. 222 f. 338 f. 577 -f. Ook in de wijsbegeerte behield Plato’s leer van de onsterfelijkheid -eene belangrijke plaats. Cartesius vatte geest en stof, ziel en lichaam -op als twee gescheiden substantiën, die ieder haar eigen attribuut -hadden, n.l. denken en uitgebreidheid, ieder voor zichzelf konden -bestaan en daarom niet anders dan mechanisch vereenigd konden zijn. -Spinoza nam deze zelfde twee attributen aan maar beschouwde ze als -verschijningsvormen der ééne, eeuwige, oneindige substantie, als twee -zijden van dezelfde zaak, die niet uit elkander kunnen vallen maar -altijd bij elkaar zijn als subject en object, als beeld en tegenbeeld, -als idea en res. Voor de onsterfelijkheid was er in zijn stelsel geen -plaats, en hij had er ook geen behoefte aan, want quamvis nesciremus, -mentem nostram aeternam esse, pietatem et religionem et absolute omnia, -quae ad animositatem et generositatem referri ostendimus in quarta -parte, prima haberemus, Eth. V 41. De wijsbegeerte der achttiende eeuw -was echter Spinoza niet genegen; zij droeg een deistisch karakter, -vergenoegde zich met de trilogie van God, deugd en onsterfelijkheid en -achtte van deze drie de laatste nog de meeste. Op voorgang van Leibniz, -Wolf, Mendelssohn e. a. werd hare waarheid met allerlei metaphysische, -theologische, kosmische, moreele en historische bewijzen betoogd en -met sentimenteele beschouwingen over een zalig herkennen en wederzien -aan gene zijde des grafs aangedrongen, litt. bij Bretschneider, Syst. -Entw. 824. De uitspraak van den dichter in Ps. 73:25 werd naar het -woord van Strauss omgezet in deze andere: wenn ich nur mein Ich in -Sicherkeit habe, so frage ich nichts nach Gott und Welt. Aan die -zekerheid werd echter door Kant een einde gemaakt, doordat hij de -ongenoegzaamheid aantoonde van alle bewijzen, voor de onsterfelijkheid -der ziel aangevoerd, en deze alleen aannemelijk achtte als postulaat -der practische rede. Schleiermacher stelde tegenover de egoistische -wenschen van het rationalisme zijn woord: wer nicht gelernt hat, mehr zu -sein als er selbst, der verliert wenig, wenn er sich selbst verliert, -en kende geen andere en hoogere onsterfelijkheid, dan om mitten in der -Endlichkeit eins zu werden mit dem Unendlichen und ewig zu sein in -jedem Augenblick, Reden über die Religion II, cf. Chr. Gl. § 158, 1. En -de idealistische philosophie van Fichte, Schelling, Hegel, liet voor de -onsterfelijkheid der ziel in ’t geheel geen plaats over, al aarzelde zij, -om op dit punt haar intieme gedachte open uit te spreken. Het boek van -Fr. Richter, Die Lehre Von Den Letzten Dingen 1833, bracht echter de -consequentie van Hegels stelsel aan het licht en baande, in weerwil van -veler tegenspraak, den weg tot het materialisme, dat reeds luide door -Feuerbach gepredikt en later door Vogt, Moleschott, Büchner, Häckel -e. a. met zoogenaamd natuurwetenschappelijke argumenten gesteund werd. -Op de philosophie hebben deze redeneeringen zooveel indruk gemaakt, -dat zij de onsterfelijkheid der ziel geheel prijs geeft, Strauss, Chr. -Gl. II 738. Id. Der alte und der neue Glaube² 123 f. Schopenhauer, Die -Welt u. s. w. I 330. Hartmann, Religionsphilos. II 232, of hoogstens -hare mogelijkheid betoogt en slechts van eene hope der onsterfelijkheid -spreekt, Hoekstra, De hoop der onsterfelijkheid 1867. Rauwenhoff, -Wijsbeg. v. d. godsd. 811. Ook theologen hechten dikwerf aan de bewijzen -voor de onsterfelijkheid der ziel slechts geringe of in het geheel geen -waarde, Vilmar, Dogm. II 295. Runze in Herzog² 16, 211 f. Frank, Chr. -Wahrheit II 437 f. Maar tegenover hen staan nog altijd vele mannen van -naam, die alle of sommige of althans een enkel van de bewijzen sterk -genoeg achten, om daarop een vast geloof aan de onsterfelijkheid der -ziel te bouwen, Weisse, Philos. Dogm. § 952-972. Fichte, Die Idee der -Persönl. u. d. indiv. Fortdauer 1834. Id. Die Seelenfortdauer u. die -Weltstellung des Menschen 1867. Göschel, Von den Beweisen für die -Unsterbl. der menschl. Seele 1835. Art. Unsterblichkeit in Herzog{1 en -2}. Kahnis, Dogm. II 485 f. Dorner, Gl. II 916 f. Luthardt, Komp. d. -Dogm. § 75. W. Schmidt, Christl. Dogm. 492 f. Doedes, Leer v. God 248. -Oosterzee, Dogm. § 68 enz. - - -2. De bewijzen voor de onsterfelijkheid der ziel, aan historie en rede -ontleend, geven geen afdoende zekerheid maar zijn toch niet van belang -ontbloot. In de eerste plaats is het al van beteekenis, dat het geloof -aan de onsterfelijkheid bij alle volken, op iederen trap van ontwikkeling -voorkomt. De consensus gentium is hier even sterk als bij het geloof -aan God, Cic. Tusc. I 3. De verschillende overwegingen, waaruit men -het geloof aan de onsterfelijkheid afgeleid heeft, zooals bijv. uit de -vrees voor den dood en den dorst naar het leven, de ervaringen van -droom en extase, het raadsel van den dood en de onmogelijkheid, om -zich eene absolute vernietiging van het denkend wezen des menschen -voor te stellen, de vrees voor straf en de hoop op belooning, cf. -Herzog² 16, 206-211, kunnen het geloof aan de onsterfelijkheid wel -aposteriori steunen en bevestigen, maar zij geven geen bevredigende -verklaring van zijn ontstaan. Ook waar dergelijke overwegingen -ontbreken of waardeloos worden geacht, komt toch het geloof aan de -onsterfelijkheid voor. De wensch, om voort te bestaan, is dikwerf bij -vele menschen zwakker dan die, dat met den dood aan het bestaan een -einde kwame. De hoop op belooning verklaart het geloof niet bij hen, -die alle zelfzucht afgestorven zijn en in de gemeenschap met God de -hoogste zaligheid hebben gevonden. De gedachte aan vergelding is -vreemd aan de voorstellingen van het voortbestaan als een schaduwachtig -schimmenleven. Het raadsel van den dood doet niet, dan bij hooge -uitzondering, tot de onsterfelijkheid van dieren en planten besluiten. -En de ervaringen van droom en extase dooven het besef niet uit van het -wezenlijk onderscheid, dat tusschen deze verschijnselen en het sterven -bestaat. Veeleer hebben wij bij dit geloof aan de onsterfelijkheid der -ziel evenals bij dat aan het bestaan van God met eene overtuiging te -doen, die niet uit nadenken en redeneering verkregen is maar aan alle -reflectie voorafgaat en spontaan uit de menschelijke natuur opkomt. -Het is vanzelf sprekend en natuurlijk en wordt overal aangetroffen, -waar geen wijsgeerige twijfelingen het ondermijnd hebben. Met het -bewustzijn van het eigen, zelfstandig, individueel bestaan ontwaakt -ook dat van den persoonlijken voortduur. Het zelfbewustzijn, niet het -afgetrokken zelfbewustzijn, waarvan de psychologie handelt, maar het -zelfbewustzijn van den mensch als persoonlijk, zelfstandig, redelijk, -zedelijk, godsdienstig wezen sluit overal en altijd het geloof aan de -onsterfelijkheid in, dat daarom ook geen bloote wensch of begeerte, -geen conclusie uit praemissen is, maar een machtig, onuitroeibaar, -tegen alle redeneering en bestrijding zich handhavend getuigenis -der menschelijke natuur zelve. En de zoogenaamde bewijzen voor de -onsterfelijkheid zijn niets anders dan verschillende pogingen, welke -dit geloof in den weg der redeneering aanwendt, om zich denkende -eenigermate rekenschap van zichzelf te geven, zonder dat het daarvan -ooit in werkelijkheid afhangt of zichzelf afhankelijk maakt. Daarin ligt -hun kracht en tegelijkertijd hun zwakheid; getuigenissen zijn het van, -geen gronden voor het geloof; het weten blijft verre achter het gelooven -terug. - -Het _ontologisch_ bewijs, dat uit de idee der onsterfelijkheid tot hare -waarheid besluit, overbrugt, evenmin als het ontologisch bewijs voor -het bestaan van God, deel II 53, de klove, die het denken scheidt -van het zijn. Het formuleert alleen het besef, dat het geloof aan -onsterfelijkheid bij den mensch geen willekeur of toeval is, maar met -zijne natuur is gegeven en in zedelijken zin voor hem noodzakelijk is. De -mensch ontleent de idee der onsterfelijkheid niet aan de wereld om hen -heen, want deze predikt hem niets dan vergankelijkheid en dood; maar -zij wordt hem opgedrongen door zijn eigen natuur. Gelijk God zich niet -onbetuigd laat maar tot ons spreekt uit al de werken zijner handen, -zoo dringt zich aan den mensch uit zijn eigen wezen de overtuiging -op, dat hij niet vergaat als de dieren des velds. En dat beoogt het -ontologisch bewijs aan te toonen; het overschrijdt de grens van het -denken tot het zijn niet, maar het geeft uiting aan de algemeenheid, -de noodzakelijkheid en de aprioriteit van het onsterfelijkheidsgeloof. -Een stap verder gaat het _metaphysisch_ bewijs, dat uit de natuur der -ziel tot hare onsterfelijkheid concludeert. Het kan dit echter doen en -doet het op verschillende wijzen. Men kan er op wijzen, dat de ziel als -principe des levens en met het leven identisch, onaantastbaar is voor -den dood; of dat zij blijkens de eenheid van het zelfbewustzijn, eene -ondeelbare, eenvoudige eenheid vormt, alle samenstelling mist en daarom -voor geen ontbinding vatbaar is; of dat zij, onder alle wisselingen -van de stof en alle veranderingen van het lichaam, wederom blijkens -het zelfbewustzijn steeds met zichzelf identisch blijft en dus een van -het lichaam onafhankelijk, zelfstandig bestaan en leven geniet; en -langs deze verschillende wegen kan men dan trachten te komen tot het -besluit, dat de ziel onsterfelijk is. Maar er zijn tegen dit argument -zeer ernstige bezwaren ingebracht. Al is de ziel ook een actief, -levend principe, zij is toch nooit met het leven zelf identisch. God -alleen is het leven zelf; Hij alleen is onsterfelijk, 1 Tim. 6:16. -Indien de ziel blijft voortbestaan, kan dat alleen geschieden door Gods -alomtegenwoordige en almachtige kracht. De ziel is een schepsel, en dus -beperkt, eindig, relatief, nooit van alle passiviteit en samenstelling, -van alle verandering en wisseling volkomen vrij. Trouwens, wij zien het -voor onze oogen, dat zij verandert, toeneemt of afneemt in kennis en -kracht, afhankelijk is van het lichaam en allerlei invloeden ondergaat. -En de subjectieve eenheid en identiteit van het ik bewijst volstrekt -niet de objectieve eenheid en eenvoudigheid der ziel of zou, indien -zij deze bewees, ook de onsterfelijkheid van planten of althans van -dieren bewijzen, gelijk deze dan ook consequent door Leibniz, Bonnet, -Bilderdijk e. a. aangenomen werd. Maar tegenover deze bedenkingen staat -het onwedersprekelijk feit, dat het leven uit mechanische stofwisseling -niet is te verklaren en op een eigen principe terugwijst. Omne vivum ex -vivo is nog heden ten dage het laatste woord der wetenschap. En wat -van het leven in het algemeen geldt, geldt in nog sterkere mate van -het bewuste leven; de primitiefste gewaarwording is reeds door eene -ondempbare klove van elke zenuwtrilling gescheiden. Wij treden daarmede -eene gansch nieuwe, hoogere wereld in, die wezenlijk verschilt van -die der zinnelijke, tastbare, weeg- en meetbare dingen. Dat het leven -en zoo ook het bewuste leven aan de zinnelijke wereld gebonden en met -haar ten nauwste vereenigd is, was reeds lang bekend en is waarlijk -geen ontdekking der nieuwere wetenschap te noemen. Maar dat het in -de zinnelijke wereld zijn oorzaak heeft, is wel menigmaal beweerd maar -tot dusver door niemand bewezen. Het metaphysisch bewijs behoudt zijne -waarde, voorzoover het uit de eigensoortige psychische verschijnselen -tot een van de stof onderscheiden, zelfstandig, geestelijk principe -besluit. Toch blijft dan nog altijd het bezwaar bestaan, dat op dezelfde -wijze bij planten of althans bij dieren geredeneerd en geconcludeerd -worden kan, en dat hunne onsterfelijkheid toch niet aannemelijk is. -Daarom moet aan het metaphysisch vervolgens het _anthropologisch_ -bewijs worden toegevoegd, dat uit het eigenaardige van het psychisch -leven van den mensch tot een van dieren en planten onderscheiden -geestelijk bestaan besluit. De ziel van het dier, ofschoon ook -eenvoudig en zelfstandig tegenover de wisseling der stof, is op het -zinnelijke gericht; zij is beperkt binnen het eindige; zij leeft in het -tegenwoordige; zij is zoo gebonden aan het lichaam, dat zij daarbuiten -niet kan bestaan. Maar de mensch heeft niet alleen gewaarwording en -waarneming, maar ook verstand en rede; door het denken gaat hij boven -de zinnelijke, stoffelijke, eindige wereld uit; hij verheft zich tot -het ideale, het logische, tot het ware, goede en schoone, dat met de -oogen niet gezien en de handen niet getast worden kan; hij zoekt een -duurzaam, eeuwig geluk, een hoogste goed, dat deze wereld hem niet -schenken kan, en is door dit alles burger en inwoner van een ander, -hooger rijk dan dat der natuur. Het redelijk, zedelijk, godsdienstig -bewustzijn van den mensch duidt op een psychisch bestaan, dat boven de -zienlijke wereld uitgaat; wat krachtens zijne natuur het eeuwige zoekt, -moet voor de eeuwigheid bestemd zijn. Daarbij komt nog het _moreele_ en -het _vergeldingsbewijs_, dat de disharmonie aantoont, die er in dit -leven tusschen ethos en physis bestaat, en daaruit tot een ander leven -besluit, waarin beide verzoend zijn. Men brenge hiertegen niet in, dat -dit bewijs op egoisme berust en dat de deugd haar loon en de zonde -haar straf in zichzelve draagt, Spinoza, Eth. V 41. 42. Strauss, Gl. -II 706 f. Want dit wisten de vromen van alle eeuwen wel, dat God om -zichzelf gediend worden moest en niet om eenig loon, cf. ook Calvijn, -Inst. III 2, 26. 16, 2. Maar desniettemin hielden zij staande dat zij, -indien zij alleen in dit leven op Christus waren hopende, de ellendigste -van alle menschen zouden zijn, 1 Cor. 15:17, 19, 30, 32. Want er is -hier volstrekt niet de bevrediging van een zelfzuchtig verlangen in -het spel, maar er is hiermede niet minder gemoeid dan de heerschappij -en de triumf van het recht. De vraag, die aan het moreele bewijs ten -grondslag ligt, is deze: zal aan het einde het goede of het kwade, -God of Satan, Christus of Antichrist het winnen? De historie geeft -daarop geen afdoend antwoord. Van het standpunt van het Diesseits is -er geen bevredigende verklaring der wereld mogelijk; dan is er maar al -te veel grond voor pessimistische vertwijfeling. En daarom eischt het -rechtsgevoel, hetwelk de rechtvaardige God zelf diep in des menschen -hart heeft geplant, dat er rechtsherstel kome aan het einde der -dagen, dat er harmonie zij tusschen deugd en geluk, tusschen zonde en -straf, dat de waarheid het eeuwiglijk winne van de leugen en het licht -van de duisternis. Al is terecht gezegd, dat le néant fut toujours -l’horizon des mauvaises consciences, zelfs zij, die van een leven na -dit leven niets goeds te hopen hebben, worden door hun rechtsbesef -van de noodzakelijkheid van dit rechtsherstel overtuigd. Indien het -recht niet zegepraalt aan het einde, dan is er geen recht. En indien -God ten slotte niet blijkt, de overwinnaar van Satan te zijn, is het -leven de moeite van het leven niet waard. Niet een egoistische wensch, -maar een diep rechtsgevoel, de dorst naar harmonie, verlangen naar -de volkomene verheerlijking Gods, in wien heiligheid en zaligheid één -zijn, komt in het moreele bewijs tot uiting. Zelfs de kunst profeteert -van zulk eene toekomst, als zij het ideaal in zichtbare gestalte ons -voorstelt. Al deze bewijzen, en nog meer die, welke aan ’s menschen -volmakingsvatbaarheid, aan zijne zedelijke persoonlijkheid, aan de vele -onbewoonde sterren, aan de spiritistische verschijningen enz. worden -ontleend, zijn geen bewijzen in dien zin, dat zij alle tegenspraak tot -zwijgen brengen, maar zij zijn toch getuigenissen en aanduidingen, dat het -onsterfelijkheidsgeloof gansch natuurlijk en spontaan uit de menschelijke -natuur zelve opkomt. Wie het ontkent en bestrijdt, doet zijne eigene -natuur geweld aan. Der Gedanke an die Unsterblichkeit ist schon der -erste Akt der Unsterblichkeit, Von Baer bij Splittgerber, Tod, Fortleben -und Auferstehung³ 1879 S. 93. - - -3. Hoeveel waarde deze indicaties ook hebben mogen, welke natuur en -geschiedenis ons bieden voor het geloof aan de onsterfelijkheid der -ziel, de Schrift neemt ten opzichte van deze leer een standpunt in, -dat bij de eerste kennisneming niet anders dan bevreemden kan. De -onsterfelijkheid der ziel schijnt van de grootste beteekenis te zijn voor -godsdienst en leven; en de Schrift maakt er nooit met even zoovele -woorden gewag van; zij kondigt haar nooit als een Goddelijke openbaring -af en stelt haar nergens op den voorgrond; en nog veel minder stelt zij -ooit eenige poging in het werk, om hare waarheid te betoogen of deze -tegenover hare tegensprekers te handhaven. Het is daarom te verklaren, -dat er vroeger en later velen beweerd hebben, dat de leer van de -onsterfelijkheid der ziel in het Oude Testament, of althans in de oudste -boeken daarvan in het geheel niet voortkwam en eerst van buiten af -onder Israel ingevoerd werd, cf. Oehler, Unsterblichkeit in Herzog¹ 21, -409 f. Himpel, Die Unsterblichkeitslehre der A. T. 1857. Atzberger, -Die christl. Eschatologie, Freib. 1890 S. 17. Maar langzamerhand is -men hiervan toch teruggekeerd, en tegenwoordig erkent men algemeen, -dat Israel evenals alle volken wel terdege aan een voortbestaan na -den dood heeft geloofd. Zelfs hebben Stade, Gesch. des Volkes Israel -I 387-427 en Ueber die altt. Vorstellungen vom Zustande nach dem -Tode 1877, voorts Oort, De doodenvereering bij de Israelieten, Theol. -Tijdschr. 1881 bl. 358-363 en vooral Fr. Schwally, Das Leben nach dem -Tode nach den Vorstellungen des alten Israel u. s. w. Giessen 1892 -trachten te betoogen, dat oudtijds onder Israel evenals bij de andere -volken de dooden vereerd werden, en dus ongetwijfeld gedacht werden te -bestaan. De bewijzen daarvoor ontleenden zij aan het bij een sterfgeval -gebruikelijke ritueel, zooals het inscheuren van kleederen en dragen -van rouwgewaad, het bedekken van gelaat en hoofd, het afleggen van -sieraden, bijzondere haardracht en zelfverminking, het werpen met stof -en asch, het nietwasschen en zalven, het vasten en maaltijd houden, -het aanheffen van klaagzangen en het brengen van offers, al welke -gebruiken niet anders dan uit vroegere doodenvereering verklaarbaar -zouden zijn. Maar Schwally t. a. p. 75 moet zelf erkennen, dass in -der Zeit, als Israel in die Geschichte eintritt, die animistische -Naturreligion im Princip bereits überwunden ist. En tegen zijne -afleiding van de rouwgebruiken uit een oorspronkelijk animisme, heeft -Joh. Frey, Tod, Seelenglaube und Seelenkult im alten Israel, Leipzig -1898, zulke ernstige bezwaren in het midden gebracht, dat de hypothese -van oorspronkelijken doodencultus bij Israel eerst door andere en nieuwe -bewijzen aannemelijk kan worden gemaakt. Toch is het duidelijk, dat er -in Israel een groot onderscheid was tusschen den volksgodsdienst, die -allerlei bijgeloovige en afgodische bestanddeelen bevatte, en den dienst -van Ihvh, die door Mozes en zijne volgelingen voorgestaan werd. Het -Jahvisme heeft dien volksgodsdienst eensdeels tegengestaan, verboden -en uitgeroeid, maar heeft anderzijds ook verschillende godsdienstige -voorstellingen en gebruiken, die op zichzelf niet verkeerd waren, -stil laten bestaan of overgenomen en gesanctioneerd, cf. Wildeboer, -Jahvedienst en volksreligie in Israel 1898. Bij zijne openbaring aan -Israel heeft God zich aangesloten bij de historische omstandigheden, -onder welke het leefde; de genade deed de natuur niet teniet maar heeft -ze vernieuwd en geheiligd. Zoo is het ook gegaan met het volksgeloof -aan het voortbestaan na den dood. Reeds de gewoonte van het begraven -en de groote beteekenis, die daaraan gehecht werd, is van dat geloof -een bewijs. Verbranding der lijken was in Israel niet inheemsch; zij had -alleen plaats na voltrokken doodstraf, Gen. 38:24, Lev. 20:14, 21:9, -Jos. 7:15, 25; uit 1 Sam. 31:12 en Am. 6:10 laat zich niets afleiden, -wijl de tekst misschien gecorrumpeerd is of anders slechts van op -zichzelf staande gevallen bericht; en 2 Chr. 16:14, 21:19, Jer. 34:5 -handelen alleen van het verbranden van welriekende specerijen bij het -begraven. Begrafenis werd echter op hoogen prijs gesteld en wordt daarom -telkens in het O. Test. afzonderlijk vermeld; onbegraven te blijven, -was eene groote schande, 1 Sam. 17:44, 46, 1 Kon. 14:11, 13, 16:4, 2 -Kon. 9:10, Ps. 79:3, Pred. 6:3, Jes. 14:19, 20, Jer. 7:33, 8:1, 9:22, -16:6, 25:33, Ezech. 29:5. Een gestorvene behoort niet meer in het land -der levenden; zijn onbegraven lijkt wekt afschuw op; het vergoten bloed -roept om wraak, Gen. 4:10, 37:26, Job 16:18, Jes. 26:21, Ezech. 24:7, -wijl het bloed de zetel der ziel is, Lev. 17:11; en daarom moet het -gestorvene bedekt, verborgen, aan het oog onttrokken worden. Door den -dood komen alle zielen in het doodenrijk, in den Scheol, שׁאול, een -woord, dat van onzekere afleiding is en volgens sommigen komt van שׁאל, -vragen, eischen, of ook invorderen, tot beslissing brengen, volgens -anderen van שׁעל, שׁול, slap zijn, naar beneden hangen, zinken, -Delitzsch, Neuer Comm. über die Genesis 444. Atzberger, Christl. -Eschat. 24. Deze Scheol bevindt zich in de diepte der aarde, zoodat -men erin nederdaalt, Num. 16:30, Ps. 30:4, 10, 55:16, Jes. 38:18, -behoort tot de onderste plaatsen der aarde, Ps. 63:10, Ezech. 26:20, -31:14, 32:18, ligt nog beneden de wateren en de grondvesten der bergen, -Deut. 32:22, Job 26:5, Jes. 14:15, en wordt daarom meermalen door het -attribuut תַּחְתִּית, onderste, versterkt, Deut. 32:22, Ps. 86:13, -88:7. Daarom staat de Scheol ook met het graf of den kuil, קֶבֶר of -בּוֹר, in nauw verband; beide zijn niet identisch, want gestorvenen, -die niet begraven zijn, bevinden zich toch in den Scheol, Gen. 37:33, -35, Num. 16:32; maar evenals lichaam en ziel den éénen mensch vormen -en ook na den dood nog in eenige wederkeerige relatie gedacht worden, -zoo zijn graf en Scheol niet los van elkander te denken. Beide behooren -tot de onderste plaatsen der aarde, worden voorgesteld als de woning -der dooden, en wisselen met elkander herhaaldelijk af; de Scheol is het -ééne groote graf, dat alle graven der gestorvenen omvat; het rijk der -dooden, de onderwereld, en daarom ten onrechte in onze Statenvertaling -dikwerf door hel overgezet. De Scheol toch is de plaats, waar alle -gestorvenen zonder uitzondering saam komen, 1 Kon. 2:2, Job 3:13v., -30:23, Ps. 89:49, Jes. 14:9v., Ezech. 32:18, Hab. 2:5, en waaruit -terugkeer niet dan alleen door een wonder mogelijk is, 1 Kon. 17:22, -2 Kon. 4:34, 13:21; het doodenrijk is als het ware eene stad, die van -gegrendelde poorten is voorzien, Ps. 9:14, 107:18, Job 17:16 (tot de -grendels der onderwereld daalt mijne hope af), 38:17, Jes. 38:10, Mt. -16:18, en door haar macht, Ps. 49:16, 89:49, Hos. 13:14, alle menschen -als in een kerker gevangen houdt, Jes. 24:22. De Scheol is een eeuwig -huis, Pred. 12:5; de vijanden van Israel, die er in nedergestort zijn, -kunnen niet wederopstaan, Jes. 26:14; wie in het graf daalt, komt niet -weder op, Job 7:9, 10, 14:7-12, 16:22. Lijnrecht staat dit doodenrijk -daarom tegen het land der levenden over, Job 28:13, Spr. 15:24, Ezech. -26:20, 32:23v. Wel worden de gestorvenen als bestaande en levende -gedacht; zij worden dikwerf zoo voorgesteld en beschreven, als zij hier -op aarde zich vertoonden, en worden daarom ook door elkander herkend, -en bij de ontmoeting ontroerd, 1 Sam. 18:14, Jes. 14:9v., Ezech. 32:18v. -Ook is er sprake van binnenste, diep naar binnen gelegen kameren in -den Scheol, Spr. 7:27, Ezech. 32:23, en bestaat er in zoover onder de -gestorvenen onderscheid, als elk tot zijne vaderen, Gen. 15:15, Richt. -2:10, of tot zijn volk, Gen. 25:8, 17, 35:29, 49:29 verzameld wordt, en -de onbesnedenen bij elkander worden gelegd, Ezech. 32:19. Maar overigens -wordt de Scheol altijd van zijne negatieve zijde, in tegenstelling met -de aarde als het land der levenden, beschreven. Hij is het gebied der -duisternis en der doodsschaduw, Job 10:21, 22, Ps. 88:13, 143:3, de -plaats des verderfs, ja het verderf zelf, אֲבַדּוֹן, Job 26:6, 28:22, -31:12, Ps. 88:12, Spr. 27:20, zonder ordeningen, d. i. zonder vaste -omtrekken en klare onderscheidingen, Job 10:22, een land der rust, der -stilte, der vergetelheid, Job 3:13, 17, 18, Ps. 115:17, waar God en -menschen niet meer te zien zijn, Jes. 38:11, God niet meer geprezen en -gedankt, Ps. 6:6, 115:17, zijne deugden niet meer verkondigd, Ps. 88:6, -12, 13, Jes. 38:18, 19, en zijne wonderen niet meer aanschouwd worden, -Ps. 88:11, 13, waar de dooden niet met al weten, geen werk meer doen, -geen berekening meer maken, geen wijsheid en wetenschap meer bezitten -en hoegenaamd geen deel meer hebben aan al wat onder de zon geschiedt, -Pred. 9:5, 6, 10. Zij zijn רְפָאִים, van het adjectief רָפֶה, slap, Job -26:5, Spr. 2:18, 9:18, 21:6, Ps. 88:11, Jes. 14:9, verzwakt, Jes. -14:10, zonder kracht, Ps. 88:5. - -Heel deze voorstelling van den Scheol is gevormd van uit het standpunt -van dit aardsche bestaan, en geldt slechts in tegenstelling met den -rijkdom van leven, welken de mensch hier op aarde geniet. Dan is het -sterven inderdaad eene verbreking van alle aardsche banden, een -dood-zijn voor het rijke leven op aarde, een rusten, een slapen, een -stil-zijn, een niet-zijn in betrekking tot de dingen aan deze zijde -des grafs. De toestand in den Scheol is geen vernietiging van het -bestaan, maar toch eene vreeselijke levensvermindering, eene berooving -van al wat in dit leven de vreugde des levens uitmaakt. Voor eene -beschouwing, die alleen het lichaam sterven laat en zich troost met de -onsterfelijkheid der ziel, is in het O. Test. geen plaats. De gansche -mensch sterft, als bij den dood de geest, Ps. 146:4, Pred. 12:7, of de -ziel, Gen. 35:18, 2 Sam. 1:9, 1 Kon. 17:21, Jon. 4:3, uit den mensch -uitgaat. Niet alleen zijn lichaam maar ook zijne ziel verkeert in den -staat des doods en behoort der onderwereld toe; daarom kan er ook van -een sterven der ziel gesproken worden, Gen. 37:21, Num. 23:10, Deut. -22:20, Richt. 16:30, Job 36:14, Ps. 78:50, en van verontreiniging door -aanraking van de ziel van een doode, d. i. van een lijk, Lev. 19:28, -21:11, 22:4, Num. 5:2, 6:6, 9:6, 7, 10, Deut. 14:1, Hagg. 2:13. Gelijk -de gansche mensch in den weg der gehoorzaamheid voor het leven bestemd -was, zoo vervalt hij ook door zijne overtreding geheel, naar ziel en -lichaam beide, aan den dood, Gen. 2:17. Deze gedachte moest diep -ingeprent worden in het bewustzijn der menschheid; en het werd ook in -de oudheid door alle volken beseft, dat de dood eene straf is, dat hij -iets onnatuurlijks is, met het wezen en de bestemming des menschen in -strijd. De openbaring, welke God aan Israel gaf, sluit zich daarbij dan -ook aan; zij laat haar bestaan en neemt haar over, gelijk zij zoovele -gebruiken en ceremoniën overneemt (offerande, priesterschap, besnijdenis -enz.); alleen reinigt zij haar van de onreine elementen, die er zich -bij de volken allengs mede verbonden hadden, zooals de zelfverminking, -Lev. 19:28, 21:5, Deut. 14:1 en het dooden vragen, Lev. 19:31, 20:6, -27, Deut. 18:10, 11. Maar de openbaring doet nog iets anders en meer. -Zij handhaaft en versterkt niet alleen de tegenstelling, die er tusschen -het leven en den dood bestaat, maar zij brengt in dit leven zelf eene -nog scherpere tegenstelling aan. Dit leven toch is het ware leven -niet, omdat het een zondig, onrein, door lijden gekweld en voor den -dood bestemd leven is. Het wordt eerst leven in waren zin en krijgt -eerst een wezenlijken levensinhoud door den dienst van Ihvh en in de -gemeenschap met God. Geheel in overeenstemming met de toenmalige -bedeeling des genadeverbonds en met de verkiezing van Israel tot volk -van God, denkt het O. T. het verband tusschen godsvrucht en leven zoo, -dat gene in een lang leven op aarde haar vrucht en haar loon ontvangt, -Ex. 20:12, Deut. 5:16, 29, 6:2, 11:9, 22:7, 30:16, 32:47 enz. In de -algemeen bekende, natuurlijke tegenstelling van leven en dood weeft -zich eene andere, zedelijke, geestelijke tegenstelling in, die n.l. -tusschen een leven in den dienst der zonde en een leven in de vreeze -des Heeren. Aan het kwade is de dood, aan het goede is het leven -verbonden. Deut. 30:15. Zij, die met geweld de wijsgeerige leer van de -onsterfelijkheid der ziel in het Oude Testament hebben willen vinden, -hebben de openbaring Gods aan Israel niet verstaan en Westersche, -rationalistische ideeën ingelegd in de religie van het Oostersche -volk. Veelmeer naar waarheid zegt Pfleiderer, Religionsphilos. -626: was man oft für eine Schwäche der prophetischen Jahvereligion -Israels gehalten hat (n.l. dat het Jenseits er zoo geringe plaats in -bekleedt), ist in Wahrheit ihre auszeichnende Stärke gewesen; der -lebendige Gott, der in geschichtlichen Thaten sich offenbart, hat -nichts gemein mit den Schatten des Scheol. De God van Israel is niet -een God der dooden maar der levenden. Daarom richtte de verwachting -van het vrome Israel zich schier uitsluitend op de aardsche toekomst -des volks, op de verwerkelijking van het Godsrijk. De vraag naar de -toekomst van de individueele personen in den Scheol trad daarbij -geheel op den achtergrond. God, volk en land waren onlosmakelijk met -elkander verbonden, en de individuën waren in dat verbond opgenomen -en werden daarnaar gerekend. Eerst als Israel na de ballingschap eene -godsdienstige gemeente wordt en de religie zich individualiseert, dan -dringt de vraag naar ieders toekomstig lot zich op den voorgrond; -de geestelijke tegenstelling, welke de openbaring in de natuurlijke -ingeweven had, werkte door; de onderscheiding van rechtvaardigen en -goddeloozen verving hoe langer hoe meer die van Israel en de volken, en -zette zich voort ook aan de overzijde des grafs. De gegevens daarvoor -waren trouwens ook reeds in de openbaring van vroeger tijd aanwezig. -De mensch, die God dient, blijft leven, Gen. 2:17; aan de onderhouding -zijner geboden is het leven verbonden, Lev. 18:5, Deut. 30:20; zijn -woord is het leven, Deut. 8:3, 32:47. In de Spreuken wordt onder -leven wel dikwerf lengte van dagen verstaan, 2:18, 3:16, 10:30; maar -opmerkelijk is toch, dat zij dood en Scheol meestal alleen in verband -brengen met de goddeloozen, 2:18, 5:5, 7:27, 9:18, en daartegen het -leven schier uitsluitend aan de rechtvaardigen toekennen. De wijsheid, -de gerechtigheid, de vreeze des Heeren is de weg ten leven, 8:35, 36, -11:19, 12:28, 13:14, 14:27, 19:23; de goddelooze wordt omgestooten, -als hem ongeluk treft, maar de rechtvaardige behoudt ook in zijn dood -nog vertrouwen en troost, 14:32. Zalig is hij, die Ihvh tot zijn God -heeft, Deut. 33:29, Ps. 1:1, 2:12, 32:1, 2, 33:12, 34:9 enz., ook in de -zwaarste tegenspoeden, Ps. 73:25-28, Hab. 3:17-19; daarentegen komen -de goddeloozen om en nemen een einde, ook al genieten zij tijdelijk nog -zooveel voorspoed, Ps. 73:18-20. Van dit standpunt uit verwachten de -vromen niet alleen bevrijding van druk en tegenspoed in den tijd, maar -dringen zij met het oog des geloofs ook menigmaal door tot de overzijde -des grafs en verwachten een zalig leven in de gemeenschap met God. De -plaatsen, die hiervoor gewoonlijk bijgebracht worden, Gen. 49:18, Job -14:13-15, 16:16-21, 19:25-27, Ps. 16:9-11, 17:15, 49:16, 73:23-26, -139:18 zijn van onzekere uitlegging, en slaan volgens velen alleen op -tijdelijke redding van den dood. Maar al zou dit ook het geval zijn, heel -het Oude Testament leert, dat God Schepper is van hemel en aarde, dat -zijne macht geen grenzen kent en dat Hij ook volstrekte heerschappij bezit -over leven en dood. Het is God de Heere, die den mensch het leven -heeft geschonken, Gen. 1:26, 2:7, en nog iederen mensch, gelijk al wat -bestaat, schept en onderhoudt, Job 32:8, 33:4, 34:14, Ps. 104:29, -Pred. 12:7. Hij verbindt vrijmachtig aan zijne wet het leven en bepaalt -op hare overtreding den dood, Gen. 2:17, Lev. 18:5, Deut. 30:20, -32:47. Hij woont in den hemel maar is ook met zijn Geest in den Scheol -tegenwoordig, Ps. 139:7, 8. Scheol en abaddon liggen naakt en open -voor den Heere uitgebreid, evenals de harten der menschenkinderen, Job -26:6, 38:17, Spr. 15:11. De Heere doodt, behoudt in het leven en maakt -levend, doet in den Scheol nederdalen en daaruit weder opkomen, Deut. -32:39, 1 Sam. 2:6, 2 Kon. 5:7. Hij heeft uitwegen voor den dood, kan -bevrijden, als de dood reeds dreigt, Ps. 68:21, Jes. 38:5, Jer. 15:20, -Dan. 3:26, enz., kan Henoch en Elia zonder den dood tot zich nemen, -Gen. 5:24, 2 Kon. 2:11, en gestorvenen in het leven terug doen keeren, -1 Kon. 17:22, 2 Kon. 4:34, 13:21. Hij kan den dood te niet doen en door -opwekking van de dooden over diens macht volkomen triumfeeren, Job -14:13-15, 19:25-27, Hos. 6:2, 13:14, Jes. 25:8, 26:19, Ezech. 37:11, -12, Dan. 12:2. Cf. over de onsterfelijkheid in het Oude Test., behalve -Oort, Schwally, Frey, Stade ook nog Oehler, Theol. des A. T. § 78. -245 f. en art. Unsterbl. in Herzog¹. Schultz, Alttest. Theol.⁴ 697 -f. Schmend, Altt. Rel. 112 f. 497 f. 504 f. Atzberger, Die christl. -Eschat. 1890 S. 15 f. Bertholet, Die israel. Vorstellungen vom Zustande -nach dem Tode, Freiburg 1899. Matthes, Rouw en doodenvereering bij de -Israel. Theol. Tijdschrift 1900. - - -4. Deze leer des Ouden Testaments ging in de latere Joodsche -litteratuur wel niet geheel verloren, maar zij werd toch door allerlei -uitheemsche elementen gewijzigd en uitgebreid. In het algemeen komen -de geschriften dezer categorie daarin overeen, dat zij den godsdienst -meer individualistisch opvatten, onder den invloed van de idee der -vergelding reeds terstond bij den dood eene voorloopige scheiding -laten intreden tusschen rechtvaardigen en goddeloozen, en van de -verschillende plaatsen, waar dezen zich ophouden, eene meer uitgewerkte -beschrijving geven. Toch zijn zij duidelijk in twee groepen, eene -Palestijnsche en eene Alexandrijnsche, in te deelen. De eerstgenoemde, -waartoe vooral de apocriefe geschriften van de Makkabeën, Baruch, 4 -Ezra, Henoch, het Testament der twaalf patriarchen enz. behooren, -schrijven aan den tusschentoestand slechts een voorloopig karakter -toe. Wel nemen ook zij reeds vreemde bestanddeelen op en leeren eene -zekere scheiding tusschen rechtvaardigen en goddeloozen terstond bij -den dood. De Apocalypse van Henoch plaatst den Scheol in het Westen, -beschrijft hem als door stroomen doorsneden en omgeven, en onderscheidt -er vier afdeelingen in, twee voor de goeden en twee voor de boozen, -17:5, 6, 22:2v.; bovendien neemt zij nog een paradijs aan, dat hoog boven -en aan de einden der aarde gelegen is en terstond bij hun sterven de -verblijfplaats werd van Henoch en Elia, 12:1, 87:3, 89:52 en het ook -worden zal voor allen, die in hunne wegen wandelen, 71:16, 17. Maar het -zwaartepunt ligt toch bij al de schrijvers dezer groep in de universeele -eschatologie, in de komst van den Messias en de oprichting van het -Godsrijk aan het einde der dagen. Tot zoolang worden de zielen der -afgestorvenen in den hades, zij het ook in verschillende afdeelingen en -in voorloopig onderscheiden lot, bewaard als in ταμιεια, promptuaria -animarum, Apoc. Baruch 21:23, 4 Ezr. 4:35, 5:37; rustende en slapende -wachten zij het laatste oordeel af, 4 Ezr. 7:32-35. Apoc. Baruch -21:24, 23:4, 30:2. Maar de geschriften van de tweede groep, zooals -de Spreuken van Jezus Sirach, het boek der Wijsheid, Philo, Flavius -Josephus enz., leggen juist op de individueele eschatologie nadruk en -laten daarbij de komst van den Messias, de opstanding, het eindgericht -en het Godsrijk op aarde geheel in de schaduw treden of spreken er -zelfs met geen woord van. Hoofddogma is de onsterfelijkheid der ziel, -die volgens Philo praeëxistent was, van wege haar val tijdelijk in den -kerker van het lichaam werd opgesloten en al naarmate van haar gedrag -na den dood in andere lichamen verhuist, of in elk geval terstond na -het sterven de definitieve beslissing van haar lot ontvangt, Sir. -1:12, 7:17, 18:24, 41:12, Wijsh. 1:8, 9, 3:1-10, en naar den heiligen -hemel of naar den donkeren hades gaat, Josephus, Bell. Jud. III 8, 5. -Ten tijde van Christus kruisten daarom bij het volk van Israel allerlei -eschatologische denkbeelden dooreen. De Phariseën geloofden aan een -voortbestaan en eene voorloopige vergelding na den dood, maar hielden -daarbij vast de verwachting van den Messias, van de opstanding der -dooden, zoo niet van alle menschen dan toch van de rechtvaardigen, en -de oprichting van het Godsrijk op aarde. De Sadduceën loochenden de -opstanding, Mt. 22:23, Mk. 12:18, Luk. 20:27, Hd. 23:8, en volgens -Josephus, Bell. Jud. II 8, 14. Ant. XVIII 1, 4 ook de vergelding na den -dood en de onsterfelijkheid. De Esseners namen, volgens Josephus, Bell. -Jud. II 8, 11, aan, dat het lichaam sterfelijk maar de ziel onsterfelijk -was. De zielen woonden oorspronkelijk in den fijnsten aether, maar werden -door zinlijken lust bevangen en in lichamen geplaatst, waaruit zij dan -weer door den dood worden bevrijd. De goede zielen ontvangen een zalig -leven aan gene zijde van den oceaan in eene plaats, die door geen regen, -sneeuw of hitte wordt geplaagd, maar de slechte moeten in een duister, -koud oord altijddurende pijnen lijden. Cf. Gröbler, Die Ansichten über -Unsterbl. u. Auferst. in der jüd. Lit. der beiden letzten Jahrh. v. -Chr., Stud. u. Krit. 1879 S. 651-700. Wünsche, Die Vorst. v. Zustande -nach dem Tode nach Apokr., Talmud u. Kirchenvätern, Jahrb. f. prot. -Theol. 1880 S. 355-383. 435-523. Weber, Syst. der altsyn. pal. -Theol. 322 f. Oehler in Herzog¹ 21, 424 f. Runze in Herzog² 16, 193. -Atzberger, Christl. Eschatol. 96-156. Schwally, Das Leben nach d. Tode -131-192. - -Op het voetspoor van wet en profeten, wijdt het N. Test. veel meer -aandacht aan de algemeene dan aan de bijzondere eschatologie. Toch is -het onjuist, zoowel om met Episcopius, Op. II 2 p. 455, Limborch, -Theol. Christ. VI 10, 4, Oertel, Hades S. 4-6, Schleiermacher, Chr. Gl. -§ 159, 2, Hofmann, Schriftbeweis III 462 te beweren, dat de Schrift -over den tusschentoestand zoo goed als niets zegt of althans geene -voor ons geldende leer bevat, als om met Kliefoth, Eschatologie 37 het -er voor te houden, dat het N. T. daarover waarschijnlijk alles zegt, -wat erover te zeggen valt. Immers ontbreekt het niet aan uitspraken, -die over den tusschentoestand zooveel licht verspreiden, als ons in -en voor dit leven van noode is. Sterker nog dan het Oude, doet het N. -T. uitkomen, dat de dood een gevolg en straf der zonde is, Kom. 5:12, -6:23, 8:10, 1 Cor. 15:21; en die dood strekt zich tot alle menschen -uit, 1 Cor. 15:22, Hebr. 9:27; slechts een enkele, als Henoch, is -weggenomen, opdat hij den dood niet zien zoude, Hebr. 11:5; en ook zij, -die de parousie van Christus beleven, worden ineens veranderd zonder -tusschenkomst van den dood, 1 Cor. 15:51, 1 Thess. 4:14-17, cf. Joh. -21:22, 23, zoodat Christus oordeelen zal niet alleen de dooden maar -ook de levenden, Hd. 10:42, 2 Tim. 4:1, 1 Petr. 4:5. Maar die dood -is het einde des menschen niet; de ziel kan niet gedood worden, Mt. -10:28, het lichaam wordt eens weder opgewekt, Joh. 5:28, 29, Hd. 23:6, -Op. 20:12, 13 en de geloovigen zijn zelfs een eeuwig leven deelachtig, -dat niet sterven kan, Joh. 3:36, 11:25. Alle gestorvenen bevinden zich -tot de opstanding toe ook volgens het N. T. in den hades, die het rijk -der dooden is. In Mt. 11:23 geeft de καταβασις ἑως ᾁδου te kennen, dat -het trotsche Kapernaum ten diepste vernederd zal worden. In Mt. 16:18 -belooft Jezus aan zijne gemeente, dat de πυλαι ᾁδου over haar geen macht -zullen hebben, dat de dood over haar niet triumfeeren zal. Volgens -Luk. 16:23 wordt de arme Lazarus door de engelen gedragen in Abrahams -schoot en komt de rijke man terstond door den dood en de begrafenis in -den hades; waarbij het dan niet te bewijzen is, dat hades reeds hetzelfde -is als plaats der pijniging, wijl deze eerst aangeduid wordt door de -nadere bijvoeging: ὑπαρχων ἐν βασανοις. Ook Jezus is, zoolang Hij in den -staat des doods verkeerde, in den hades geweest, ook al werd Hij niet -door hem gehouden, Hd. 2:27, 31; Hij daalde immers neder εἰς τα κατωτερα -της γης, Ef. 4:9. En zoo zijn alle gestorvenen καταχθονιοι, Phil. -2:10; niet alleen de goddeloozen maar ook de geloovigen bevinden zich -na den dood in den hades, zij zijn νεκροι ἐν Χριστῳ, 1 Thess. 4:16, cf. -1 Cor. 15:18, 23; bij de opstanding geven de zee, de dood en de hades -al de dooden weer, die in hen waren, opdat zij geoordeeld worden naar -hunne werken, Op. 20:13; de hades volgt met en na den dood, zoodat de -dood altijd eene verplaatsing in den hades teweegbrengt, Op. 6:8. Deze -opvatting, dat ook de geloovigen volgens de Schrift van den dood tot de -opstanding toe in den hades zijn, wordt versterkt door de uitdrukking -ἀναστασις ἐκ νεκρων, Mt. 17:9, Mk. 6:14, Luk. 16:30, Joh. 20:9 enz., ἐκ -των νεκρων, Ef. 5:14, dat is, niet uit den dood, maar uit de dooden, -uit het rijk der afgestorvenen. Dit gemeenschappelijk zich bevinden in -den staat des doods sluit echter niet uit, dat het lot van geloovigen -en ongeloovigen daar reeds zeer onderscheiden is. Ook het O. T. sprak -deze gedachte al uit, maar veel klaarder treedt zij ons in het N. T. -tegemoet. Volgens de gelijkenis in Luk. 16 wordt de arme Lazarus door de -engelen gedragen in Abrahams schoot, waarmede te kennen gegeven wordt, -dat Lazarus in den hemel, waar immers de engelen wonen, in de nabijheid -van en in de gemeenschap met Abraham de zaligheid geniet, cf. Mt. 8:11. -Aan een zijner medekruiselingen belooft Jezus, dat hij heden met Hem in -het paradijs zal zijn, Luk. 23:43. Het woord paradijs is van Perzischen -oorsprong en duidt in het algemeen een tuin, een lusthof aan, Neh. -2:8, Pred. 2:5, Hoogl. 4:13; de LXX bezigde het als vertaling van den -hof in Gen. 2:8-15; de Joden gaven er de plaats mede te kennen, waar -God aan de rechtvaardigen na hun dood zijne gemeenschap schenkt, Weber, -Syst. der alts. pal. Theol. 330. Ongetwijfeld is ook volgens het N. T. -het paradijs, evenals de schoot Abrahams, in den hemel te denken; kort -nadat Jezus aan den moordenaar beloofd had, dat hij heden met Hem in -het paradijs zou zijn, beval Hij zijn geest in de handen zijns Vaders, Luk. -23:46; in 2 Cor. 12:2, 4 wisselt het paradijs met den derden hemel af; -in Op. 2:7, 12:2 duidt het de plaats aan, waar in de toekomst God onder -zijn volk wonen zal. Daarmede in overeenstemming leert het evangelie van -Johannes, dat de geloovigen, die hier op aarde reeds het beginsel des -eeuwigen levens hebben en aan het gericht Gods zijn ontkomen, 3:15-21, -5:24, eene gemeenschap met Christus deelachtig zijn, die noch door zijn -heengaan, 12:32, 14:23, noch door den dood, 11:25, 26 wordt verbroken, -en eens in een eeuwig bijeenzijn voltooid wordt, 6:39, 14:3, 19, 16:16, -17:24. Stervende bidt Stephanus, dat de Heere Jezus zijnen geest bij zich -in den hemel opneme, Hd. 7:59. Paulus weet, dat de geloovige een leven -deelachtig is, hetwelk boven den dood verheven is, Rom. 8:10, en dat -niets, ook geen dood, hem scheiden kan van de liefde Gods in Christus, -8:38, 14:8, 1 Thess. 5:10; ofschoon hij nog een tijd lang in het vleesch -moet blijven om der gemeenten wil, verlangt hij toch ontbonden te worden -en met Christus te zijn, Phil. 1:23, 2 Cor. 5:8. Volgens Op. 6:8, 7:9, -bevinden zich de zielen der martelaren bij Christus onder het voor den -troon Gods in den tempel des hemels staande brandofferaltaar, cf. 2:7, -10, 17, 26, 3:4, 5, 12, 31, 8:3, 9:13, 14:13, 15:2, 16:17, en ook Hebr. -11:10, 16, 12:23. En evenals de geloovigen reeds terstond na den dood -bij Christus in den hemel eene voorloopige zaligheid genieten, zoo komen -de ongeloovigen, zoodra zij gestorven zijn, in eene plaats der pijniging. -De rijke man was in de pijn, toen hij in den hades zijne oogen ophief, -Luk. 16:23. De ongeloovigen, die Christus verwerpen, blijven onder den -toorn Gods en zijn reeds op aarde geoordeeld, Joh. 3:18, 36, en hebben -terstond na den dood met alle menschen een oordeel te wachten, Hebr. -9:27. Maar toch is deze plaats der pijniging nog niet met de γεεννα -of de λιμνη του πυρος identisch, want de gehenna is de plaats van -het onuitblusselijke en eeuwige vuur, dat den duivelen bereid is, Mk. -9:43, 47, 48, Mt. 18:8, 25:4, 46, en de poel des vuurs is nog niet de -tegenwoordige, maar wel de toekomstige strafplaats van het wereldrijk -en den valschen profeet, Op. 19:20, van Satan, Op. 20:10 en van alle -goddeloozen, Op. 21:8, cf. 2 Petr. 2:17, Jud. 13. Veeleer worden zij -allen nu in eene φυλακη, 1 Petr. 3:19, of in den ἀβυσσος, Luk. 8:31, -cf. Mt. 8:29, Rom. 10:7, Op. 9:1, 2, 11, 11:7, 17:8, 20:1, 3 voor het -laatste oordeel en den poel des vuurs bewaard, 2 Petr. 2:17, Jud. 6. -13. Dit onderscheid in den tusschentoestand der goeden en der boozen -strijdt niet daarmede, dat zij allen te zamen zich in den hades bevinden, -want alle gestorvenen zijn als zoodanig καταχθονιοι, behooren vóór -de opstanding nog tot het rijk der dooden, en worden eerst door die -opstanding volkomen, naar ziel en lichaam beide, van de heerschappij -des doods bevrijd, 1 Cor. 15:52-55, Op. 20:14. Cf. Cremer s. v. ἁδης, -ἀβυσσος, γεεννα enz. en voorts over de Nieuwtest. eschatologie in het -algemeen, behalve de bekende werken van Weiss, Holtzmann e. a. over N. -T. theologie, Briet, De Eschatologie of leer der toek. dingen volgens -de Schriften des N. V. 2 deelen, Tiel 1857/58. Haupt, Die eschatol. -Aussagen Jesu in den synopt. Evang., Berlin 1895. Schwartzkopff, Die -Weissagungen Jesu Christi von seinem Tode, seiner Auferstehung und -Widerkunft und ihrer Erfüllung, Gött. 1895. Kabisch, Die Eschatologie -des Paulus in ihrem Zusammenhange mit dem Gesammtbegriff des -Paulinismus, Gött. 1893. Teichmann, Die paulin. Voraussetzungen von -Auferstehung und Gericht und ihre Beziehung zur jüd. Apokalyptik, -Freiburg 1896. Atzberger, Die christl. Eschatologie in den Stadien -ihrer Offenbarung im A. u. N. T., Freiburg 1890 S. 190 f. - - -5. In den eersten tijd bepaalde de christelijke theologie zich tot -deze eenvoudige gegevens der H. Schrift. De apostolische vaders -hebben nog geen leer over den tusschentoestand en zijn algemeen van -oordeel, dat de vromen bij het sterven terstond de hemelsche zaligheid -en de goddeloozen de helsche straf deelachtig worden. Burnet in zijn -tractatus de statu mortuorum et resurgentium 1727 en anderen na hem, -zooals Blondel, Ernesti, Baumgarten-Crusius enz. trachtten wel aan te -toonen, dat de oudste christelijke schrijvers de eigenlijke zaligheid -der geloovigen eerst na het wereldgericht een aanvang lieten nemen, -maar zij konden daarvoor geen afdoende bewijzen bijbrengen, Atzberger, -Gesch. der christl. Eschatologie innerhalb der vornicän. Zeit, -Freiburg Herder 1896 S. 75-99. Eerst toen de parousie van Christus -niet zoo spoedig kwam, als aanvankelijk algemeen verwacht werd, en -verschillende ketters de leer der laatste dingen misvormden of -bestreden, begon men over den tusschentoestand meer met opzet na te -denken. Het Ebionitisme trachtte de nationale voorrechten van Israel -tot nadeel van het christelijk universalisme vast te houden en was -daarom over het algemeen chiliastisch gezind; het Gnosticisme verwierp -krachtens zijn dualistisch beginsel heel de christelijke eschatologie -en had geen andere verwachting dan de bevrijding des geestes van de -materie, en zijne terstond bij den dood plaats hebbende opname in het -Goddelijk pleroma, Atzberger, ib. 172-218. De christelijke theologie -werd daardoor genoodzaakt, zich helderder rekenschap te geven van het -karakter van den tusschentoestand en van zijn verband, zoowel met dit -leven als met den eindtoestand na het laatste oordeel. Justinus zeide -reeds, dat de zielen der vromen na den dood in eene betere en die der -onrechtvaardigen in eene slechtere plaats vertoefden, om den tijd van -het gericht af te wachten, dial. c. Tryph. 5, en veroordeelde het als -eene onchristelijke leer, dat er geen opstanding der dooden is en dat -de zielen terstond bij den dood in den hemel worden opgenomen, ib. 80. -Volgens Irenaeus komen de zielen der vromen bij den dood niet terstond -in hemel, paradijs of stad Gods, welke na het laatste oordeel drie -onderscheidene woonplaatsen der rechtvaardigen zullen zijn, adv. haer. -V 36, maar in eene onzichtbare, door God bepaalde plaats, waar zij de -opstanding en de daarna volgende aanschouwing Gods afwachten, want -Christus vertoefde ook eerst drie dagen daar, waar de dooden waren, -in inferioribus terrae, om zijne heilige dooden eruit te verlossen, en -werd, na alzoo de lex mortuorum vervuld te hebben, opgewekt en in den -hemel opgenomen, V 31. Daar, in de schaduw des doods, in den hades, -ontvangt ieder mensch dignam habitationem, etiam ante judicium, de -vrome waarschijnlijk in den schoot Abrahams, die dus eene afdeeling -van den hades is, II 34. Dezelfde voorstelling van verschillende -receptacula in den hades, waar de gestorvenen de eindbeslissing -ten jongsten dage afwachten, treffen wij ook aan bij Hippolytus, -Tertullianus, Novatianus, Commodianus, Victorinus, Lactantius, -Hilarius, Ambrosius, Cyrillus, en ook nog bij Augustinus, Enchir. 109. -110, cf. Atzberger t. a. p. 275 f. 301 f. Schwane, D. G. II 585. Maar -naarmate de parousie van Christus terugweek in een ver verschiet, viel -het te moeilijker, om de oude voorstelling van den hades te handhaven en -het verblijf aldaar voor een korten, voorloopigen, min of meer neutralen -toestand te houden. Voor de martelaren maakte men reeds vroeg eene -uitzondering; dezen waren volgens Irenaeus, Tertullianus e. a. terstond -na hun dood den hemel ingegaan en tot de aanschouwing Gods toegelaten. -De hadesvaart van Christus werd in verband daarmede zoo geduid, dat -zij de geloovigen, die vóór Christus’ offerande gestorven waren, uit -den limbus patrum had bevrijd en naar den hemel had overgebracht. En de -leer van de noodzakelijkheid en de verdienstelijkheid der goede werken, -die meer en meer in de kerk indrong, leidde vanzelf tot de gedachte, -dat zij, die heel hun leven in bijzonderen zin Gode hadden gewijd, nu -ook bij hun dood terstond de hemelsche zaligheid waardig waren. Zoo -werd de hades allengs van zijne bewoners beroofd. Wel bleven nog de -ongeloovigen over, maar dit had juist ten gevolge, dat de hades hoe -langer hoe meer als strafplaats beschouwd en met den tartarus of de -gehenna vereenzelvigd werd. Van de Christenen konden alleen zij nog een -tijd lang in den hades vertoeven, die het hier op aarde niet zoover -in heiligmaking hadden gebracht, dat zij bij hun sterven onverwijld de -hemelsche heerlijkheid konden ingaan. Daarmede werd allengs de gedachte -van een louteringsvuur in verband gebracht, die het eerst door Origenes -werd uitgesproken. Volgens hem waren alle straffen geneesmiddelen, -φαρμακα, en heel de hades, de gehenna inbegrepen, eene plaats der -reiniging, c. Cels. III 75. VI 25. 26; en bepaaldelijk werden de zonden -verteerd en de menschen gereinigd door het πυρ καθαρσιον, dat aan het -einde van deze bedeeling de wereld in vlam zetten zou, ib. VI 12. -13. 21. 64. V 15. 16. Op het voetspoor van Origenes namen daarom de -Grieksche theologen later aan, dat de zielen van vele afgestorvenen -nog wel smarten moesten lijden en daarvan alleen door de voorbeden en -offeranden der levenden konden worden verlost, Conf. orth. qu. 64-68, -maar zij hielden toch bezwaar tegen een bijzonder reinigingsvuur, gelijk -de Westersche kerk dat leerde; eerst op het concilie te Florence deed -men op dit punt eenige concessie, Münscher-v. Coelln, D. G. II 313. -Schwane, D. G. II 587 III 486. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 327. In het -Westen daarentegen werd het reinigingsvuur, waarvan Origenes gesproken -had, uit het eindgericht naar den tusschentoestand overgebracht. -Augustinus zeide soms, dat na de algemeene opstanding of bij het laatste -oordeel nog eenige poenae purgatoriae werden opgelegd, de civ. XX 25. -XXI 24. Maar toch laat hij de ontwikkeling van het Godsrijk gewoonlijk -met het laatste oordeel sluiten, en acht het daarom niet onmogelijk, -nonnullos fideles per ignem quendam purgatorium, quanto magis minusve -bona pereuntia dilexerunt, tanto tardius citiusve salvari, Enchir. -69. Caesarius van Arles en Gregorius Magnus werkten dit zoo uit, dat -bepaaldelijk de peccata venialia hier of hiernamaals konden worden -geboet. En toen met deze leer de reeds door Tertullianus, de monog. -10. 11, de exhort. cast. 11 vermelde kerkelijke practijk, om voor de -gestorvenen voorbeden en offeranden te doen, in verband werd gebracht, -was het dogma van het vagevuur voltooid. De scholastiek gaf er breeder -ontwikkeling aan, Lombardus e. a. op Sent. IV 21. Thomas, S. Theol. -appendix qu. 2. Bonaventura, Brevil. VII 2. 3; het concilie te Florence -1439 en te Trente, sess. 6 can. 30. sess. 22 c. 2 can. 3. sess. 25 -stelde het vast, en de latere theologie gaf er voor het godsdienstig en -kerkelijk leven eene steeds grootere beteekenis aan. Volgens de Roomsche -leer komen de zielen der verdoemden terstond in de hel (gehenna, -abyssus, infernus), waar zij met de onreine geesten in een eeuwig en -onuitblusschelijk vuur gepijnigd worden. De zielen dergenen, die na -ontvangst van den doop niet meer door de zonde besmet zijn of van die -smet hier of hiernamaals gereinigd zijn, worden onverwijld in den hemel -opgenomen en aanschouwen daar het aangezicht Gods, zij het ook naar -gelang van hunne verdiensten in onderscheidene mate van volmaaktheid, -bij Denzinger n. 870. 875. Door de nederdaling van Christus ter helle -zijn ook de zielen der heiligen, die vóór dien tijd gestorven waren, -uit den limbus patrum (schoot Abrahams) naar den hemel overgebracht. -Ongedoopt stervende kinderen, over wier lot reeds door de kerkvaders -nu eens zachter dan harder geoordeeld werd, worden naar den infernus -verwezen, waar echter de straffen zeer ongelijk zijn, bij Denzinger -ib., en komen volgens de meest gewone voorstelling in eene bijzondere -afdeeling (limbus infantum), waar zij alleen eene aeterna poena damni, -maar niet een poena sensus lijden, Lombardus, Thomas, Bonaventura op -Sent. II dist. 33. Thomas, S. Theol. suppl. qu. 69 art. 4. Maar zij, -die, na in den doop of ook wederom in de boete de heiligmakende genade -ontvangen te hebben, aan peccata venialia zich schuldig maken en de -daarvoor bepaalde tijdelijke straffen in dit leven niet hebben kunnen -voldoen, zijn niet zuiver genoeg, om terstond te worden toegelaten tot -de zalige aanschouwing van God in den hemel; zij komen in eene plaats -tusschen hemel en hel in, niet om nieuwe deugden en verdiensten te -verwerven, maar om de hindernissen op te ruimen, welke aan hare intrede -in den hemel in den weg liggen. Daartoe worden zij in het eerste moment -na het sterven door een acte van berouw, per actum peccato veniali -contrariae dispositionis, van de schuld der vergefelijke zonden bevrijd -en hebben zij vervolgens nog de tijdelijke straffen te dragen, die ook -na vergeving op die zonden gesteld blijven. Het purgatorium (vagevuur -van vagen, vegen, d. i. reinigen, zuiveren) is daarom geen plaats der -bekeering, der beproeving, der heiliging, maar eene strafplaats, in -welke het meestal stoffelijk gedachte vuur dienst doet, om idealiter, -door de voorstelling van de smart, reinigend op de „arme zielen” -in te werken. Bovendien kan de kerk krachtens de gemeenschap der -heiligen deze lijdende zielen ter hulp komen en haar straf verzachten -en verkorten door voorbeden, misoffers, goede werken en aflaten. Wel -weet niemand, welke zielen bepaald in het vagevuur komen, hoelang zij -er blijven moeten en onder welke voorwaarden harerzijds de gebeden en -offeranden der levenden haar ten goede komen; maar deze onzekerheid -doet aan den cultus der gestorvenen geen schade. Want hoe langer -hoe meer geldt als regel, dat op enkele uitzonderingen na, zooals -martelaars en bijzondere heiligen, de groote massa der geloovigen eerst -in het vagevuur komt. In elk geval zijn zij de levenden, die ook door dat -purgatorium heen naar den hemel moeten gaan, ver vooruit; arme zielen -eenerzijds, zijn zij toch, van een anderen kant beschouwd, gebenedijde -zielen, die met de engelen en de zaligen door de levenden in nood om -hulp worden aangeroepen. Cf. Catech. Rom. I c. 6 qu. 3. Bellarminus, -de purgatorio, Controv. II 228-269. Perrone, Prael. III 309. Möhler, -Symbolik § 23. Oswald, Eschatologie² 1869 S. 81. Simar, Dogm. § 164. -Atzberger, Chr. Eschatologie 269. Deharbe, Kath. geloofs- en zedeleer -II 328. Jansen, Prael. III 975. - - -6. De Reformatie zag in dit vagevuur eene beperking van de verdiensten -van Christus en leerde krachtens haar beginsel van de rechtvaardiging -uit het geloof alleen, dat de mensch terstond na een judicium -particulare in agone mortis inging in de zaligheid des hemels of in het -verderf der hel. Luther zelf stelde den tusschentoestand der vromen -nog dikwerf als een slaap voor, waarin zij rustig en stil de toekomst -des Heeren verbeidden, Köstlin, Luthers Theol. II 568; maar latere -Luthersche theologen wischten het onderscheid van tusschentoestand en -eindtoestand schier geheel uit en zeiden, dat de zielen der vromen -terstond na den dood eene plena et essentialis beatitudo genoten en -die der goddeloozen terstond eene perfecta ac consummata damnatio -ontvingen, Quenstedt, Theol. IV 540. 567. Gerhard, Loc. XXVI § 160. -191. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 63. In hoofdzaak was dat nu ook -wel het gevoelen der Gereformeerden, Catech. Heid. 57. 58. Ned. Gel. -37. Helv. II 26. Westm. c. 32. Junius, Theses theol. 55. 56. Voetius, -Disp. V 533-539. Maar gewoonlijk lieten zij toch beter dan de Lutherschen -het verschil uitkomen, dat in den toestand der gestorvenen vóór en -na den jongsten dag bestond. Calvijn zeide in zijn geschrift over de -psychopannychie, dat schoot Abrahams niet anders wilde zeggen, dan dat -de zielen der vromen na den dood vollen vrede zullen genieten, dat -haar dan echter nog tot den opstandingsdag toe iets blijft ontbreken, -n.l. summa et perfecta Dei gloria, ad quam semper aspirant, en dat -onze zaligheid dus altijd in cursu bleef usque ad diem illum, qui omnem -cursum claudit et terminabit, C. R. 33, 177-232, cf. Inst. III 25, -6, en voorts, schoon meestal iets zwakker zich uitdrukkende, Ned. -Gel. 37. Synops. pur. theol. 40. 17. Witsius, Oec. foed. III 14, 33, -Heidegger, Corpus Theol. 28, 38. Anderen gingen nog verder en namen -een bepaalden tusschentoestand aan. Lud. Cappellus zeide, dat de -zielen der vromen na den dood in een toestand kwamen, die wel zalig -heeten kon in vergelijking met dien hier op aarde, maar die longe -diversus was van die zaligheid, welke na de opstanding een aanvang -nam; immers bestond de tusschentoestand bijna geheel in spe atque -exspectatione futurae gloriae, non vero in ipsa gloriae fruitione. En -evenzoo kwamen de zielen der goddeloozen na den dood in een toestand, -waarin zij de vastbepaalde toekomstige straf in angst en vreeze -afwachtten, maar toch die straf zelve nog niet leden, want exspectatio -supplicii non est ipsum supplicium. En zoo dachten in hoofdzaak ook -William Sherlock, Thomas Burnet en vele andere Engelsche theologen, -en onder de Lutherschen Calixtus, Hornejus, Zeltner, Tresenreuter, -J. H. Ursinus e. a., cf. M. Vitringa IV 63-69. Zelfs keerden sedert -de vorige eeuw in de Protestantsche theologie al de gedachten terug, -die vroeger door Heidenen en Christenen, door philosofen en theologen -over den tusschentoestand waren uitgesproken. De leer van het Roomsche -purgatorium werd weer opgenomen door vele mystici en pietisten, zooals -Böhme, Antoinette Bourignon, Poiret, Dippel, Petersen, Arnold, Schermer -enz., cf. M. Vitringa IV 81. 82, en voorts door Leibniz, Syst. der -Theol. 1825 S. 340, Lessing, Erziehung des Menschengeschl., J. F. v. -Meyer, Blätter f. höhere Wahrheit VI 233. Jung-Stilling, Theorie der -Geisterkunde § 211. Lange, Dogm. II 1250 f. Rothe, Ethik § 793-795. -Martensen, Dogm. § 276. 277. Dorner, Gl. II 952 f. Oosterzee, Dogm. § -142 enz. In navolging van enkele oud-christelijke schrijvers, leerden -de Socinianen, dat, gelijk de lichamen tot de aarde, zoo de zielen tot -God terugkeerden en bij Hem tot de opstanding toe een bestaan leidden -zonder waarneming of gedachte, zonder lust of onlust, Fock, Der Socin. -714 f. Nauw daarmede verwant was de leer van een zieleslaap, welke -vroeger reeds door enkele ketters, later door de Anabaptisten werd -voorgestaan en sedert de vorige eeuw weer bij Artobe, Heyn, Sulzer, -cf. Bretschneider, Dogm. II 395, bij Fries, Jahrb. f. d. Theol. 1856. -Ulrici, Gott und die Natur² 332 f. en bij de Irvingianen ingang vond. -Door anderen werd deze leer van de psychopannychie zoo gewijzigd, dat -de zielen wel een inwendig bewustzijn behielden maar van het verkeer -met de buitenwereld waren afgesloten, Episcopius, Op. II 2, 455. -Limborch, Theol. Christ. VI 10, 8. J. Müller, Lehre v. d. Sünde II -402-408. Martensen, Dogm. § 276. Ebrard, Dogm. § 570. Dorner, Gl. -II 952 f. Frank, Chr. Wahrh. II 460. Anderen vermeden deze leer van -den zieleslaap door aan te nemen, dat de zielen bij de aflegging van -het stoffelijk omhulsel den organisch en grondvorm van het lichaam -behielden, of ook, dat zij na den dood een nieuw, uit allerfijnste stof -samengesteld lichaam ontvingen, waardoor zij met de buitenwereld in -gemeenschap konden blijven, Paracelsus, Helmont, Böhme, Oetinger, Ph. -M. Hahn, Swedenborg, Priestley, Schott, Jean Paul, cf. Bretschneider, -Dogm. II 396, en voorts Rothe, Ethik § 111 f. 793 f. Hamberger, Die -Rationalität der himml. Leiblichkeit, Jahrb. f. d. Th. 1863. Delitzsch, -Bibl. Psych. 426 f. Martensen, Dogm. § 276. Ulrici, Gott u. die -Natur² 333. Güder, Lehre v. d. Erscheinung Christi unter den Todten -321 f. Splittgerber, Tod, Fortleben u. Auferst.³ 45 f. Rinck, Vom -Zustande nach dem Tode 1885 S. 114 f. Mühe, Das enthüllte Geheimniss -der Zukunft³ 14 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 619. Grétillat, Théol. syst. IV -548 enz. Zelfs zijn er, die tot de oude leer der zielsverhuizing zijn -teruggekeerd en haar in dezen vorm hebben aangeprezen, dat de zielen -door voortgezette overgangen uit het eene in het andere menschelijke -lichaam allengs de volmaaktheid deelachtig worden, Lessing, Erz. d. -Mensch., Schlosser, Ungern-Sternberg, Dr. D. Burger, De Plat. leer -der zielsverhuizing, Amersf. 1877, Carl Andresen, Die Lehre v. d. -Wiedergeburt auf theist. Grundlage, 2e Aufl. Hamburg 1899, die de -reincarnatie in Joh. 3:3-17 geleerd vindt, en anderen bij M. Vitringa -IV 95-97. Bretschneider, Dogm. II 388. Spiess, Entw. Gesch. der -Vorstellungen vom Zustande nach d. Tode 1877 S. 31. Falke, Die Lehre -v. d. ewigen Verdammnis, 1892 S. 59 f. De idee van ontwikkeling is -tegenwoordig zoo de allesbeheerschende, dat zij ook op den toestand aan -de overzijde des grafs wordt toegepast. De leer van den limbus patrum -werd wederom overgenomen door Martensen, Dogm. § 277. Delitzsch, -Bibl. Psych. 407 f. Vilmar, Dogm. II 290. Splittgerber t. a. p. 110 -f. Cremer, Ueber den Zustand nach dem Tode 1883 S. 9 f. De meening, -dat er in den tusschentoestand nog prediking van het evangelie en -mogelijkheid van bekeering is, is een lievelingsdenkbeeld der nieuwe -theologie, Lange II 1250 f. Rothe § 796. 797. Delitzsch 413. Martensen -§ 277. Dorner II 952 f. Ebrard § 576. Cremer t. a. p. 48. 62 f. -Kliefoth, Eschatologie 97-113. Falke t. a. p. 152 f. Krauss, Lehre v. -d. Offenbarung 112. Rinck t. a. p. 79-88. Mühe t. a. p. 30 f. Grétillat -IV 540. 549. Oosterzee § 142. Doedes, Ned. Gel. 521 enz. Zelfs vatten -velen heel het Jenseits als eene voortgaande loutering op, waarvan het -resultaat is, dat sommigen mogelijk eeuwig verloren gaan (hypothetisch -universalisme), of dat degenen, die in het kwade volharden, ten slotte -vernietigd worden (conditioneele onsterfelijkheid) of dat aan het einde -allen behouden worden (apocatastasis), cf. § 56. - - -7. De geschiedenis van den tusschentoestand bewijst, dat het den -theoloog en den mensch in het algemeen moeite kost, om zich te houden -binnen de grenzen der H. Schrift en niet wijs te zijn boven hetgeen -men behoort wijs te zijn. De gegevens, welke de H. Schrift over den -tusschentoestand bevat, zijn genoegzaam voor het leven, maar laten -vele vragen, die er kunnen oprijzen in het nieuwsgierig verstand, -onbeantwoord. Indien men deze toch wil oplossen, kan men niet anders -dan den weg van gissingen betreden, en loopt men gevaar, om het -Goddelijk getuigenis door vindingen van menschelijke wijsheid teniet -te doen. Reeds terstond komt dit uit bij het spreken over dood en -onsterfelijkheid. De wijsbegeerte handelt hierover op eene gansch andere -wijze dan de H. Schrift. Gene acht den dood iets natuurlijks en meent -aan de onsterfelijkheid, dat is aan het voortbestaan der ziel genoeg -te hebben. Maar de Schrift oordeelt gansch anders. De dood is niet -natuurlijk, maar heeft zijn oorzaak in de overtreding van Gods gebod, -Gen. 2:17, in den duivel, inzoover deze door zijne verleiding den -mensch vallen en sterven deed, Joh. 8:44, in de zonde zelve, wijl zij -ontbindend inwerkt op heel het menschelijk leven en als het ware den -dood uit zichzelve voortbrengt, Jak. 1:15, in het oordeel Gods, wijl -Hij de zonde met den dood bezoldigt, Rom. 6:23. En die dood is in de -Schrift nooit met vernietiging, met niet-zijn identisch, maar bestaat -altijd in verbreking der harmonie, in afsnijding van de verschillende -levensverhoudingen, waarin een schepsel overeenkomstig zijne natuur -geplaatst is, in terugkeer tot het elementaire, chaotische zijn, dat -aan den ganschen kosmos, althans logisch, ten grondslag ligt. Volgens -Herbert Spencer bestaat leven in voortdurende aanpassing van in- aan -uitwendige verhoudingen, deel I 416. Al is met deze bepaling het wezen -des levens geenszins verklaard, toch is het waar, dat het leven te -rijker is, naarmate de verhoudingen, waarin het tot zijne omgeving staat, -meerder in aantal en gezonder van nature zijn. Het hoogste schepsel -is daarom de mensch; krachtens zijne schepping staat hij met natuur en -menschenwereld, zienlijke en onzienlijke dingen, hemel en aarde, God en -engelen in verband. En hij leeft, indien hij en naarmate hij tot deze -gansche omgeving in de rechte, door God gewilde verhouding staat, cf. -Drummond, Das Naturgesetz in der Geisteswelt S. 121 f. Dood is daarom -in zijn wezen en in zijn ganschen omvang verstoring, verbreking van al -deze verhoudingen, waarin de mensch oorspronkelijk gestaan heeft en nog -steeds behoort te staan. Zijne oorzaak is daarom geen andere en kan geen -andere zijn dan de zonde, dat is verstoring der rechte verhouding tot en -verbreking der levensgemeenschap met God. De zonde heeft den dood in -dezen zin niet maar ten gevolge doch valt er mede samen; zonde is dood, -dood in geestelijken zin; wie de zonde doet, staat daarmede in hetzelfde -oogenblik tegen God over, is dood voor God en Goddelijke dingen, heeft -aan de kennis zijner wegen geen lust, wendt zich in vijandschap en haat -van Hem af. En wijl deze verhouding tot God, dit geschapen zijn naar zijn -beeld en gelijkenis, geen donum superadditum is maar tot ’s menschen -wezen behoort en een centraal karakter draagt, moet de verstoring van -deze verhouding verwoestend inwerken op alle andere verhoudingen, -waarin de mensch tot zichzelven, tot zijne medemenschen, tot de natuur, -tot de engelen, tot de gansche schepping stond. De zonde had eigenlijk -naar haar aard, op hetzelfde oogenblik, dat zij bedreven werd, den -vollen, ganschen dood ten gevolge moeten hebben, Gen. 2:17, terugkeer -van heel den kosmos tot zijn chaotisch bestaan. - -Maar God is tusschen beide getreden en heeft de macht der zonde en -des doods verbroken. Wel ligt, gelijk Schelling zeide, aan al het -bestaande een irrationeele rest ten grondslag. Alwat aan zichzelf -wordt overgelaten, gaat tot ontbinding over. De natuur, die niet -gecultiveerd wordt, verwildert; de mensch, die niet opgevoed wordt, -ontaardt; het volk, dat buiten de beschaving komt te staan, verbastert. -Van nature staat alles in en buiten den mensch in vijandschap tegen -elkander over. Verstand en wil, geweten en neiging, plicht en begeerte, -ziel en lichaam, de mensch en zijn naaste, menschen- en dieren- en -engelenwereld, allen bevinden zich op voet van oorlog tegen elkaar -en verkeeren in een staat van ontbinding en ondergang. Maar toch is -God met zijne genade tusschen beide getreden, eerst met zijne algemeene -genade, om de macht van zonde en dood te beteugelen, dan met zijne -bijzondere genade, om ze te breken en te overwinnen. De lichamelijke -dood wordt niet alleen uitgesteld en door allerlei maatregelen eene -menschelijke existentie en ontwikkeling mogelijk gemaakt; maar Christus -behaalt door zijn kruis principieel over zonde en dood de overwinning -en brengt het leven en de onsterfelijkheid aan het licht, Rom. 5:12v., -1 Cor. 15:45, Hebr. 2:14, 2 Tim. 1:10, Op. 1:18, 20:14, zoodat wie -in Hem gelooft het eeuwige leven heeft en niet sterven zal in der -eeuwigheid, Joh. 3:36, 5:24, 8:51, 52, 11:25. Dit leven nu is het en -deze onsterfelijkheid, welke in de H. Schrift op den voorgrond treedt. -De onsterfelijkheid in wijsgeerigen zin, het voortbestaan der ziel na den -dood, heeft bij haar een ondergeschikte waarde; zij ontkent haar niet -maar zij leert ze ook niet opzettelijk en is allerminst, gelijk het deisme -meende, daartoe gegeven, dat zij ons deze onsterfelijkheid als eene der -gewichtigste godsdienstige waarheden bekend maken zou. Immers is deze -waarheid den mensch genoegzaam van nature bekend. Wat de Schrift ons -had te leeren, was dit, dat naakt bestaan, louter zijn zonder meer nog -geen leven is, gelijk het bij menschen hoort en aan menschen past. Dat -is het niet aan deze, en dat is het nog veel minder aan de overzijde -des grafs. Hier op aarde staat het leven van den mensch, ook van -dengene, die de gemeenschap Gods mist, nog in velerlei verhoudingen -en ontvangt daardoor eenigen inhoud en waarde. Maar als dit alles -wegvalt en al deze banden verbroken worden, dan zinkt het leven tot -een arm, ledig, inhoudloos, schaduwachtig bestaan terug. Van deze zijde -vat het Oude Testament het Jenseits gewoonlijk in het oog. Sterven -is een uittreden uit dit leven, een verbreken van _alle_ banden met -_deze_ wereld; de dood is in betrekking tot het leven dezerzijds een -niet-zijn, een rusten, een slapen, in één woord een volkomen dood-zijn -voor het gansche rijke, vreugdevolle leven op aarde. De dooden hebben -geen deel meer voor eeuwig aan al wat onder de zon geschiedt, Pred. -9:5, 6. In het begrip van den Scheol staat de negatie van dit aardsche -leven en werken op den voorgrond en vormt er zoo niet het eenige, dan -toch het voornaamste bestanddeel van. Of er nu in den Scheol voor dit -volkomen afgebroken aardsche leven een ander in de plaats komt en -de gestorvenen aldaar naar eene andere zijde in nieuwe verhoudingen -treden, wordt in het O. T. slechts enkele malen uitgesproken, als -het geloofsoog der vromen door de schaduwen des doods heendringt tot -het eeuwige leven in de gemeenschap met God. Genoeg was het op het -standpunt der O. T. openbaring, dat de groote gedachte werd ingedragen -in het menschelijk bewustzijn, dat het waarachtige leven alleen gevonden -wordt in de gemeenschap met God. De angst der hel bleef evengoed als -de vreugde des hemels voor den geloovige van den ouden dag in nevelen -gehuld. Eerst toen Christus gestorven en opgestaan was, werd het leven -in onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Christus heeft niet de -onsterfelijkheid in wijsgeerigen zin, het voortbestaan der zielen na -den dood, verworven of geopenbaard. Maar Hij heeft het door de zonde -uitgemergelde en ontledigde leven van den mensch hier en hiernamaals -weer met den positieven inhoud van Gods gemeenschap, met vrede en -vreugde en zaligheid gevuld. De dood is geen dood meer voor wie in -Christus Jezus is, doch een doorgang tot het eeuwige leven, en het -graf eene geheiligde rustplaats tot den morgen der opstanding. - - -8. Wie deze leer der Schrift over de onsterfelijkheid uit het oog -verliest, komt tot allerlei dwalingen. Wij kunnen ons toch van een -zuiveren geest, van zijn bestaan en leven en werkzaamheid geen -voorstelling maken. Van God, die louter geest is, vermogen wij niet -anders te spreken dan op anthropomorphistische wijze, waarin trouwens -de Schrift zelve ons voorgaat, deel II 65v. De engelen zijn geestelijke -wezens, maar worden menschelijk voorgesteld en nemen bij verschijning -dikwerf menschelijke lichamen aan, ib. 435v. En menschen zijn niet -alleen lichamelijke wezens, maar alle hunne werkzaamheden zijn aan -het lichaam gebonden en van het lichaam afhankelijk; niet alleen de -vegetatieve en animale maar ook de intellectueele werkzaamheden van -denken en willen. Al zijn de hersenen niet de oorzaak van het hooger -ken- en begeervermogen, zij zijn er toch de drager en het orgaan van; -elke storing in de hersens heeft een abnormale werking van de anima -rationalis ten gevolge. Wijl het lichaam geen kerker der ziel is maar -tot het wezen van den mensch behoort, kunnen wij van het leven en werken -eener van het lichaam gescheidene ziel geen voorstelling vormen en zijn -daarom licht tot vermoedens en gissingen geneigd. Drie hypothesen zijn -er daarom in hoofdzaak uitgedacht, om het bestaan der zielen na den -dood eenigszins begrijpelijk te maken. - -Ten eerste hebben velen onder de Heidenen en ook onder de Christenen -gemeend, dat de zielen, na van het lichaam gescheiden te zijn, -niet anders dan een slapend leven konden leiden. Inderdaad is de -verandering, die bij den dood intreedt, van buitengewone beteekenis. -Heel de inhoud van ons zieleleven toch is aan de buitenwereld ontleend, -alle kennis begint met de zinnelijke waarneming, heel onze denkvorm is -stoffelijk; zelfs van de geestelijke dingen spreken wij in woorden, die -oorspronkelijk eene zinlijke beteekenis hadden. Als de dood nu, gelijk de -Schrift leert, eene plotselinge, gewelddadige, algeheele en volstrekte -breuke met de diesseitige wereld is, dan schijnt er werkelijk geen andere -mogelijkheid te bestaan, dan dat de ziel voor de buitenwereld volkomen -gesloten wordt, al haar inhoud verliest en als het ware in zichzelve -terugzinkt. In den slaap trekt de ziel zich ook uit de buitenwereld -terug en breekt het verkeer met haar af; maar zij doet dit bij den slaap -toch slechts in betrekkelijken zin, daar zij in verband met het lichaam -blijft staan en het rijke leven behoudt, dat zij uit de wereld zich -verworven heeft; zelfs blijft zij daar, zij het ook op verwarde wijze, in -den droom mede werkzaam. En niettemin, welk eene verandering brengt de -slaap reeds in het menschelijk leven aan; ken- en begeervermogen staken -hunne werkzaamheid; het bewustzijn staat stil; alle gewaarwording en -waarneming houdt op; slechts het vegetatieve leven zet zijn geregelden -arbeid voort. Hoeveel te meer zal dan alle werkzaamheid der ziel -ophouden, wanneer de dood intreedt en alle banden met deze wereld ten -eenenmale verbreekt! Alles schijnt er dus voor te pleiten, dat de zielen -na den dood in een slapenden, bewusteloozen toestand verkeeren. En de -H. Schrift is er, naar zich oppervlakkig laat aanzien, zooverre van -af, dat zij deze leer van den zieleslaap veroordeelt, dat zij veeleer -haar aanprijst en begunstigt. Immers noemt zij niet alleen in het Oude, -maar ook in het Nieuwe Test. het sterven meermalen een slapen, Deut. -31:16, Jer. 51:39, 57, Dan. 12:2, Mt. 9:24, Joh. 11:11, 1 Cor. 7:39, -11:30, 15:6, 18, 20, 51, 1 Thess. 4:13-15, 2 Petr. 3:4 enz.; de Scheol -is een land der stilte, der rust, der vergetelheid, waar geen deel -meer is voor eeuwig aan al wat onder de zon geschiedt, boven bl. -366; Jezus spreekt van den nacht des doods, waarin niemand werken -kan, Joh. 9:4; en nergens maakt de Schrift er eenig gewag van, dat -de uit den dood in het leven teruggekeerden, zooals Lazarus e. a., -iets verhaald hebben van hetgeen zij in den tusschentoestand gezien of -gehoord hebben. Toch zijn al deze redeneeringen niet in staat, om de -leer der psychopannychie te bewijzen. Want 1º is het duidelijk, dat de -afhankelijkheid der ziel van het lichaam toch hare zelfstandigheid niet -uitsluit. De buitenwereld moge de aanleiding zijn voor het ontwaken van -ons zelfbewustzijn en de eerste bron onzer kennis; het denken moge aan -de hersens gebonden zijn en daarin zijn zetel en orgaan hebben; het is -onbewezen en onbewijsbaar, dat het psychische leven van den mensch in -de physische verschijnselen zijn bron en oorsprong vindt. Het denken en -kennen zijn werkzaamheden der ziel; niet het oor hoort en het oog ziet, -maar het is het psychische Ik van den mensch, dat hoort door het oor en -ziet door het oog; het lichaam is een instrument van den geest. Daarom -is er ook niets ongerijmds in om te denken, dat de ziel desnoods zonder -het lichaam hare werkzaamheden voortzetten kan. Trouwens, wie aan den -geest als zoodanig het bewuste leven zou willen ontzeggen, zou ertoe -moeten komen, om bewustzijn en wil ook bij God en de engelen onmogelijk te -achten. Want al spreken wij van God op menschelijke wijze en al stellen -wij ons de engelen dikwerf lichamelijk voor, zij zijn toch in zichzelven -geest en niettemin bewustzijn en wil deelachtig. 2º De Schrift leert zoo -duidelijk mogelijk, dat de dood eene totale breuke is met dit gansche -aardsche leven en in zoover een slapen, een rusten, een stilzwijgen -is. De toestand des doods is een slaap, de gestorvene slaapt, omdat -het verkeer met de diesseitige wereld opgehouden heeft; maar nergens -zegt de Schrift, dat de ziel van den gestorvene slaapt; integendeel -stelt zij deze altijd na den dood als meer of minder bewust voor; en als -de openbaring voortgaat, treedt het hoe langer hoe duidelijker in het -licht, dat, terwijl in den dood alle relaties tot deze wereld worden -afgesneden, er terstond daarvoor andere verhoudingen tot eene andere -wereld in de plaats treden. De groote gedachte der Schrift, dat aan den -dienst des Heeren het leven en aan zijne verwerping de dood verbonden -is, werpt haar schijnsel ook over de andere zijde des grafs. Terwijl de -rijke man terstond na zijn dood in de pijn verkeert, wordt de arme Lazarus -gedragen in Abrahams schoot, Luk. 16:23. En al de geloovigen, die -immers hier reeds op aarde een eeuwig leven deelachtig zijn, verliezen -dit niet door den dood, Joh. 11:25, 26, maar genieten het na den dood -veel rijker en zaliger in de gemeenschap met Christus, Luk. 23:43, -Hd. 7:59, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op. 6:8, 7:9. Het inwonen in het -lichaam is juist een uitwonen van den Heere, en het sterven dus de -weg tot eene nadere en nauwere gemeenschap met Christus. 3º Daarbij -behoeft het niet te verwonderen, dat de door opstanding in het leven -teruggekeerden niets vermelden van wat zij aan gene zijde des grafs -hebben gezien en gehoord. Want afgedacht van de mogelijkheid, dat zij -wel het een en ander hebben medegedeeld, hetwelk in de Schrift niet is -opgeteekend, is het allerwaarschijnlijkst, dat zij ons niets hebben mogen -en kunnen berichten van hunne ervaringen aan de overzijde des grafs. -Wij hebben aan Mozes en de profeten genoeg, Luk. 16:29; en Paulus kon, -nadat hij opgetrokken was geweest in den derden hemel, niet anders -zeggen, dan dat hij onuitsprekelijke woorden had gehoord, welke het -een mensch niet geoorloofd is te spreken. Cf. tegen de leer van den -zieleslaap: Tertullianus, de an. 58. Calvijn, Psychopannychia, C. R. -33, 177-232. Bullinger, Huisboek Dec. 4 serm. 10. Cloppenburg, Op. II -413-417. Voetius, Disp. I 832-835. Witsius, Oec. foed. III 14, 18-22. -Gerdesius, Exerc. Acad. 592 sq. Moor VI 594-602. M. Vitringa IV 82-86. -Gerhard, Loc. XXVI 293. Delitzsch, Bibl. Psych. 419. Splittgerber, Tod, -Fortleben und Auferstehung³ 102. Rinck, Vom Zustande nach dem Tode -1885 S. 19. Kliefoth, Christl. Eschatologie 1886 S. 66. Atzberger, Die -christl. Eschatol. 212. - - -9. Anderen zijn van meening, dat de zielen na den dood eene nieuwe -lichamelijkheid ontvangen en daardoor weer met de buitenwereld in -gemeenschap kunnen treden, boven bl. 381. Voor dit gevoelen beroept -men zich daarop, dat van het leven en de werkzaamheid der ziel zonder -lichaam geen voorstelling te vormen is, en voorts op die plaatsen der -Schrift, welke aan de zielen der gestorvenen eene zekere lichaamlijkheid -schijnen toe te kennen. De bewoners van het doodenrijk worden juist -zoo beschreven, als zij er op aarde hebben uitgezien. Samuel wordt -voorgesteld als een oud man en met een mantel bekleed, 1 Sam. 28:14; -de koningen der Heidenen zitten op tronen en gaan den koning van Babel -tegemoet, Jes. 14:9; de Heidenen liggen er als onbesnedenen neer, -Ezech. 31:18, 32:19v. Jezus spreekt bij de gestorvenen nog van oogen -en vingers en tong, Luk. 16:23, 24. Paulus verwacht, dat, zoo het -aardsche huis des tabernakels gebroken wordt, hij een gebouw van God -hebben zal en niet ontkleed maar overkleed zal worden, 2 Cor. 5:1-4. -En Johannes zag eene groote schare, staande voor den troon en het Lam, -bekleed met lange, witte kleederen en met palmtakken in hunne handen, -Openb. 6:11, 7:9. Maar 1º is uit deze spreekwijze der H. Schrift niets -af te leiden voor de lichamelijkheid der zielen na den dood. Want zij -kan van God en de engelen, van de zielen in het doodenrijk, van de -vreugde in den hemel en de smart in de hel niet anders spreken dan -in menschelijke taal, onder beelden, die aan aardsche toestanden en -verhoudingen zijn ontleend. Maar daarnaast verklaart zij toch duidelijk -en beslist, dat God geest is en dat de engelen geesten zijn, en geeft -daarmede den regel aan de hand, waarnaar al deze anthropomorphe -spreekwijzen moeten worden opgevat. En zoo doet zij ook in betrekking tot -de gestorvenen. Zij kan van hen niet anders spreken dan als van menschen -van vleesch en bloed, maar zegt daarnaast, dat zij, terwijl hun lichaam -rust in het graf, zielen, geesten zijn, Pred. 12:7, Ezech. 37:5, Luk. -23:46, Hd. 7:59, Hebr. 12:23, 1 Petr. 3:19, Op. 6:9, 20:4. Aan deze -duidelijke uitspraken hebben wij ons te houden. Wie desniettemin aan de -zielen een soort lichaam toeschrijft, moet er ook toe komen, om met de -theosophen God en de engelen zich in zekeren zin lichamelijk voor te -stellen. 2º De sterkste plaats, die voor eene Zwischenleiblichkeit -der zielen spreekt, is 2 Cor. 5:1-4. Maar ook deze tekst verliest bij -gezonde uitlegging al zijne bewijskracht. Want over de hoofdgedachte, -welke Paulus hier uitspreekt, is geen verschil; de apostel weet dat -hij, wanneer zijn aardsche lichaam ontbonden wordt, een gebouw uit God -heeft; maar hij zucht toch en is bezwaard in dit lichaam, wijl hij opziet -tegen den dood, en zou daarom liever wenschen, niet van dit lichaam -ontkleed, maar in eens naar ziel en lichaam tegelijk door de hemelsche -woonstede overkleed te worden, opdat het sterfelijke door het leven -verslonden werd. Al is dit echter ook zijn liefste wensch, hij weet, dat -hij na verbreking van dit aardsche lichaam, al is het ook dat hij van -het lichaam ontkleed wordt (de lezing in vs. 3 εἰ γε και ἐκδυσαμενοι -verdient m. i. boven εἰπερ of εἰ γε και ἐνδυσαμενοι de voorkeur), -toch daarom niet naakt bevonden zal worden maar bij den Heere zal -inwonen, vs. 1. 3. 8. Indien dit echter de hoofdgedachte is, dan kan -bij de woonstede uit God niet aan het opstandingslichaam en nog veel -minder aan een tusschenlichaam gedacht worden. Want Paulus verlangt -juist, om zonder te sterven, terwijl hij het aardsche lichaam behoudt, -met die woonstede uit God overkleed te worden; het opstandingslichaam -nu staat niet naast het aardsche lichaam en wordt er niet over heen -aangetrokken, maar komt door Gods machtwoord eruit voort of gaat er -bij degenen, die levend overblijven, door verandering in over, 1 Cor. -45:42, 51; en van een tusschenlichaam is er nog veel minder sprake, wijl -Paulus dan niet minder dan drie lichamen kennen zou, die het een over -het ander achtereenvolgens zouden worden aangetrokken. Holtzmann, Neut. -Theol. II 199 zegt daarom terecht: von einem Zwischenleib redet man am -besten gar nicht mehr, Paulus kennt zwei, nicht drei σωματα die echter -dan ook niet dualistisch na en naast elkander te stellen zijn. Om deze -reden kan de οἰκοδομη ἐκ Θεον niets anders zijn dan de als een plaats -en tegelijk als een kleed gedachte hemelsche heerlijkheid, het eeuwige -licht, waarin God zelf woont, 1 Tim. 6:16, hetwelk uit God, zonder -handen gemaakt, uit en in den hemel is, en waarin de geloovigen bij het -sterven of bij de opstanding worden overgezet, cf. Col. 1:12, Joh. 14:2, -17:24. Eindelijk 3º is de lichaamlijkheid, welke men aan de zielen na den -dood toeschrijft, een begrip, waarbij zich niets bepaalds laat denken en -waarover de meeningen dan ook zeer verre uiteenloopen. Delitzsch neemt -op zijn trichotomisch standpunt aan, dat de ziel dezen dienst van het -tusschenlichaam voor den geest vervult. De ziel staat bij hem tusschen -geest en stof in; zij is het uit den geest afgeleide levensbeginsel van -het lichaam, de lichamelijke, uitwendige bekleeding van den geest en -toch ook weer de onstoffelijke, inwendige zijde van het lichaam. Güder -leert, dat de kracht, die ons aardsche lichaam organiseerde, behouden -blijft en aan de overzijde des grafs uit de daar aanwezige elementen een -nieuw lichaam vormt. Splittgeber zegt, dat de organische grondvorm van -het lichaam met de ziel medegaat en haar in den tusschentoestand eene -onvolkomene, voorloopige lichamelijkheid geeft. Binck is van meening, -dat het Nervenleib, een fijn, inwendig lichaam, dat de drager van het -zieleleven is, de ziel na den dood vergezelt en bij de wedergeborenen -door den Geest Gods overkleed en door de bestraling van het verheerlijkt -lichaam van Christus tot een Zwischenleib gevormd wordt, terwijl het bij -de goddeloozen meer en meer van zonde en duisternis doortrokken wordt -enz. Maar wat men er ook van zegge, het blijft er even onduidelijk om. Wij -kennen niets anders dan geest en stof; eene immaterielle Leiblichkeit -is eene tegenstrijdigheid, die ter kwader ure uit de theosophie in de -christelijke theologie is overgebracht en het valsche dualisme van geest -en stof, van thesis en antithesis, te vergeefs door eene ondenkbare -synthesis tracht te verzoenen, cf. deel II 193. 537. - - -10. In de derde plaats zijn er velen, die meenen, dat de zielen na den -dood nog in eenig verband tot het aardsche leven blijven staan. Bij vele -volken heerschte de gedachte, dat de zielen na den dood in de nabijheid -van het graf bleven, en ook de Joden meenden, dat zij nog een tijd lang -na het sterven om het lijk bleven zweven en verklaarden daaruit, dat de -tooveres te Endor den geest van Samuel nog oproepen kon, Weber, Syst. -der altsyn. pal. Theol. 324. Wijd verbreid was het gebruik, om den -gestorvenen voedsel, wapenen, bezittingen, soms zelfs ook zijne vrouwen -en slaven in het graf mede te geven; en gewoonlijk werd deze vereering -der gestorvenen niet tot den dag der begrafenis of den rouwtijd beperkt, -maar ook daarna voortgezet en in den gewonen, privaten of publieken, -cultus opgenomen. Vereerd werden niet alleen de dooden in het algemeen, -maar ook de gestorven bloedverwanten, de ouders en voorouders; de -vaders en hoofden van den stam; de heroën van het volk; de vorsten -en koningen des lands, soms reeds bij hun leven; en in het Buddhisme -en den Islam ook de heiligen. De cultus bestond daarin, dat men hun -graven onderhield, hun lijken verzorgde (bijv. door balseming), van tijd -tot tijd bloemen en spijzen op hun graf nederlegde, aan hun beelden en -reliquiën hulde bewees, maaltijden en spelen ter hunner eere aanrichtte, -gebeden tot hen opzond en hun offeranden bracht. Tusschen de vereering -van deze gestorven menschen en van de goden maakte men daarbij dikwerf, -zooals in Perzië, Indië, Griekenland wel onderscheid, maar niettemin -was de doodencultus een voornaam bestanddeel van den godsdienst. Met -hunne vereering bedoelde men ten deele, om hun zelf ter hulpe te komen, -maar vooral ook, om het onheil, dat zij stichten konden, af te weren -en hun zegen en bijstand, hetzij op gewone, hetzij op buitengewone wijze, -door orakels en wonderen, zich te verzekeren, cf. Ch. de la Saussaye, -Lehrb. der Religionsgesch. I 79-87. Alle deze elementen drongen reeds -van de tweede eeuw af ook in den christelijken cultus door. Gelijk in -het Buddhisme de monniken en in den Islam de mystici, zoo werden in -de christelijke kerk de martelaren spoedig voorwerp van godsdienstige -vereering; op de plaats, waar zij gestorven of hunne reliquiën bijgezet -waren, werden altaren, kapellen, kerken gebouwd; daar kwamen vooral -op de sterfdagen (dies natales) der martelaren, de geloovigen samen, -om hunne gedachtenis te vieren door vigiliën en psalmgezang, door -het lezen der acta martyrum en het aanhooren van eene prediking ter -hunner eere en vooral ook door het celebreeren der heilige eucharistie. -En na de vierde eeuw breidde deze cultus van Maria, de engelen, -de patriarchen, de profeten en de martelaars ook tot bisschoppen, -monniken, kluizenaars, confessores, virgines en tot allerlei heiligen -en tot hunne reliquiën en beelden zich uit, Schwane D. G. I 389 f. -II 620 f.; en in weerwil van alle verzet zoowel in als buiten de -Roomsche kerk, heeft zij zich niet alleen tot op dezen dag toe staande -gehouden maar neemt zij nog altijd op schrikbarende wijze toe en dringt de -aanbidding van den éénen waarachtigen God en van Jezus Christus, dien -Hij gezonden heeft, hoe langer hoe meer op den achtergrond. Rome viert -in dezen cultus op practische wijze de gemeenschap der heiligen. De ééne -christelijke kerk heeft drie afdeelingen, de ecclesia triumphans in den -hemel, de ecclesia patiens in het vagevuur, en de ecclesia militans -op aarde. Het aandeel, dat de ecclesia patiens in deze gemeenschap -neemt, bestaat daarin, dat de zaligen in den hemel met hunne voorbeden -de arme zielen in het vagevuur te hulp komen; dat de kerk op aarde de -straffen dier zielen door gebeden, aalmoezen, goede werken, aflaten -en vooral door het misoffer verzacht en verkort; en eindelijk ook nog -daarin, dat de zielen in het vagevuur, die in elk geval de meeste -leden der strijdende kerk ver vooruit zijn, en daarom aangeroepen -mogen worden, de geloovigen op aarde door hare voorbeden helpen en -sterken. Dit laatste element, hoewel ook reeds in de gemeenschap met -de ecclesia patiens hoe langer hoe breeder plaats innemend, vormt -toch het hoofdbestanddeel van de gemeenschap der strijdende met de -triumfeerende kerk. De zaligen in den hemel zijn, evenals de engelen, -de volmaakte, bovennatuurlijke heiligheid deelachtig; en daarom zijn zij -objecten van aanbidding en vereering. In die heiligheid deelen zij niet -allen in dezelfde mate; evenals de engelen, vormen zij eene geestelijke -hierarchie; bovenaan staat Maria en na haar volgen de patriarchen, -de profeten, de apostelen, de martelaren, de confessores enz. Het is -eene dalende reeks, maar in allen blinkt iets van de Goddelijke deugden -uit. En daarin deelt dan ook al wat met de heiligen in eenig verband -heeft gestaan of nog staat, hun lichaam, ledematen, kleederen, woning, -beeltenis enz. En in dezelfde mate, als iets dichter bij God staat en -meer zijne heiligheid deelachtig is, is het voorwerp van godsdienstige -vereering. Ook in deze is er dus allerlei verschil. Er is latria, die -alleen Gode toekomt; de menschelijke natuur van Christus en al hare -leden, bijv. het heilige hart, is wel niet per se en propter se maar -toch in se voorwerp van latria; Maria heeft aanspraak op hyperdulia; de -heiligen op dulia; hun reliquien op cultus religiosus relativus enz.; -tot sunt species adorationis, quot sunt species excellentiae, adoratio -est diversa pro diversitate excellentiae, deel II 451v. III 262. 300. -De vereering der heiligen bestaat over het algemeen in gebeden, vasten, -waken, feestdagen, gaven, bedevaarten, processies enz., en heeft ten -doel, om door hunne voorbeden de gunst van God te verwerven en een of -andere weldaad van Hem te verkrijgen. Maar deze vereering en voorbede is -niet alleen generaal, doch ook particulier; er zijn bepaalde heiligen -voor bepaalde volken, familiën, personen, en er zijn bijzondere heiligen -voor de onderscheidene nooden en behoeften. De heilige George is de -schutspatroon van Engeland, Jakobus van Spanje, Stephanus van Hongarije; -de schilders vereeren den heiligen Lukas, de timmerlieden Jozef, de -schoenmakers Crispinus; de heilige Sebastiaan helpt vooral in pest, -Ottilia bij oogziekte, Antonius, in geval men iets verloren heeft; -zelfs dieren hebben hun beschermheilige, de ganzen worden bijzonder -door den heiligen Gallus en de schapen door den heiligen Wendelinus -bewaard enz. Cf. Trid. sess. 25 en andere kerkelijke bepalingen bij -Denzinger 243. 273. 866 enz. Catech. Rom. III 2 qu. 4-14. Hieronymus, -Contra Vigilantium bij Migne XXXIII 339-452. Damascenus, de imaginibus, -Id. de fide orthod. IV 15. 16. Lombardus e. a. op Sent. IV dist. 45. -Thomas, S. Theol. II 2 qu. 83 art. 11. Suppl. qu. 71. 72. Bellarminus, -de ecclesia triumphante sive de gloria et cultu sanctorum, Controv. -II 269-368. Oswald, Eschatologie² 121-233. Atzberger, Die christl. -Eschatol. 263-269 enz. Vele van deze voorstellingen zijn telkens ook in -de Protestantsche theologie teruggekeerd. De Lutherschen gaven toe, dat -de engelen en ook de heiligen bidden pro ecclesia universa in genere, -Apol. conf. 21. Art. Smalc. II 2. Evenals Hugo Grotius reeds vroeger -in zijn Votum pro pace de aanroeping der heiligen verdedigd had, zoo -nam Leibniz later deze en zelfs de vereering van beelden en reliquiën -in bescherming, Syst. der Theol. 1825 S. 116-195. Het ritualisme in -Engeland gaat denzelfden kant uit, Ryle, Knots united p. 491 etc. Vele -theologen nemen aan, dat er na den dood een zeker verband tusschen de -ziel en het lichaam blijft bestaan, Beck, Seelenlehre 40 f. Delitzsch, -Bibl. Psych. 444 f., dat de zielen nog eenig verkeer met de aarde -onderhouden, van de gewichtigste gebeurtenissen kennis dragen, voor ons -bidden en zegenend op ons nederzien, Splittgerber, Tod, Fortleben und -Auferstehung 157 f. In de vorige eeuw meenden velen, zooals Swedenborg, -Jung-Stilling, Oberlin in direct verkeer met de afgestorven geesten te -staan, cf. vooral J. C. Wötzel, Meiner Gattin wirkliche Erscheinung -nach ihrem Tode, Chemnitz 1804. De mogelijkheid van hunne verschijningen -werd en wordt nog door velen erkend, zooals door Kant, Träume eines -Geistersehers, Lessing, Dramaturgie, J. H. Fichte, Anthropologie, -Jung-Stilling, Theorie der Geisterkunde 1808. Kerner, Die Seherin von -Prevorst 1829. Eschenmayer, Das Mysterium des inneren Lebens, erläutert -aus der Gesch. der Seherin van Prevorst 1830. Daarbij is sedert 1848 het -spiritisme gekomen, dat zich opzettelijk in rapport met de geestenwereld -tracht te stellen en werkelijke openbaringen (door teekens, slagen, -schrift, psychographie), werkingen (opheffen en verplaatsen van -meubels, ontbinden van knoopen, bespelen van muziekinstrumenten) en -verschijningen (materialisaties) van geesten meent ontvangen te hebben. -Van de rijke litteratuur van het spiritisme zij alleen genoemd het werk -van den Russischen staatsraad Alexander Atsakow, dat al het materiaal -bevat en getiteld is: Animismus und Spiritismus 2 B{de}, Leipzig Mutze -1894. - -Om nu met het laatste te beginnen, verdient het 1º de aandacht, dat -bijgeloovige practijken bij alle volken voorkomen, ook bij die, met -welke Israel in aanraking kwam, zooals de Egyptenaren, Gen. 41:8, -Ex. 7:11, de Kananieten, Deut. 18:9, 14, de Babyloniërs, Dan. 1:20, -2:2 enz. Ook onder Israel drongen ze door en werden menigmaal druk -beoefend, 1 Sam. 28:9, 2 Kon. 21:6, Jes. 2:6. Tot deze practijken -behoorde ook het vragen der dooden, en zij, die zich daarmede bezig -hielden, heetten אֹבוֹת of יִדְּעֹנִים. Het woord אוב geeft eerst -te kennen den waarzeggenden geest, die in iemand woont, Lev. 20:27, -dien iemand bezit, 1 Sam. 28:7, 8, die door iemand ondervraagd wordt, -1 Sam. 28:8, door wien iemand een doode doet opkomen, 1 Sam. 28:9, -en die, gelijk men zich van de dooden voorstelde, op fluisterende, -geheimzinnige wijze orakels verkondigt, Jes. 8:19, 19:3, 29:4; en duidt -dan vervolgens den waarzegger zelven aan, 1 Sam. 28:3, 9, 2 Kon. 21:6, -2 Chron. 33:6, LXX ἐγγαστρομυθος, buikspreker. Het andere woord, -ידענים, wetenden, wijzen, is maar eene nadere bepaling van אֹבוֹת en -duidde eerst de waarzeggende personen aan en daarna den waarzeggenden -geest, die in hen was, Lev. 19:31, 20:6, 27, Jes. 19:3. Dit waarzeggen -kon geschieden op velerlei wijze, maar o. a. ook door het vragen van -dooden, Deut. 18:11, cf. Stade, Gesch. des Volkes Israel I 443 f. -505. Schwally, Das Leben nach dem Tode 69 f. Maar wet en profetie -verklaarden zich daar beslist tegen, en riepen het volk tot den Heere, -tot zijn openbaring en getuigenis terug, Ex. 22:18, Lev. 19:26, 31, -20:6, 27, Deut. 18:11, 1 Sam. 28:19, Jes. 8:19, 47:9-15, Jer. 27:9, -29:8, Micha 3:7, 5:11, Neh. 3:4, Mal. 3:5; en het Nieuwe Testament -drukt daarop zijn zegel, Luk. 16:29, Hd. 8:9v., 13:6v., 19:13v., Gal. -5:20, Ef. 5:11, Op. 9:21, 21:8, 22:15. Zelfs is het 2º onbewijsbaar, -dat de H. Schrift de mogelijkheid van het oproepen en verschijnen der -gestorvenen aanneemt. Wel hebben er soms door Gods wondere macht -doodenopwekkingen plaats, en erkent de Schrift daemonische krachten -en werkingen, die menschelijk vermogen te boven gaan, Deut. 13:1, -2, Mt. 24:24, 2 Thess. 2:9, Op. 13:13-15. Maar nergens leert zij de -mogelijkheid of de werkelijkheid van eene doodenverschijning. De eenige -plaats, welke hiertegen aangevoerd kan worden, is 1 Sam. 28, waar -Saul tot de tooveres te Endor de toevlucht neemt; want de verschijning -van Mozes en Elia met Christus op den berg der verheerlijking Mt. 17, -Luk. 9, is zonder menschelijke bemiddeling door God alleen bewerkt. -Maar al is de rationalistische verklaring te verwerpen, welke in deze -geschiedenis niets anders ziet dan eene opzettelijke bedriegerij van de -vrouw; eene objectieve, reëele verschijning van Samuel is evenmin aan -te nemen. Want Saul ziet Samuel niet, vs. 14; de vrouw ziet hem wel -maar verkeert in hypnotischen toestand, vs. 12, en zij ziet hem, gelijk -hij er bij zijn leven uitzag, als een oud man en in een profetenmantel -gehuld, vs. 14. De schrik der vrouw, vs. 12, had dan ook zijne oorzaak -niet daarin, dat zij tegen hare verwachting in Samuel werkelijk zag, -maar hierin, dat zij, Samuel ziende, in haar hypnotischen toestand ook -terstond Saul den koning herkende en voor hem vreesde. Nadat Saul onder -den indruk gebracht is, dat een onderaardsch, geestelijk wezen, אלהים, -uit de aarde opgekomen en Samuel zelf verschenen was, spreekt deze uit -en door de vrouw tot Saul en kondigt hem het oordeel aan. Er is niets -in 1 Sam. 28, wat boven de bekende verschijnselen van hypnotisme en -somnambulisme uitgaat en niet op dezelfde wijze te verklaren is. 3º Daar -zijn er echter velen, die juist uit de verschijnselen van hypnotisme, -somnambulisme, spiritisme enz. tot de werking van geesten meenen te -moeten besluiten. Maar deze hypothese schijnt vooralsnog volstrekt -niet gerechtvaardigd. Afgedacht van de vele bedriegerijen, die op dit -gebied hebben plaats gehad, is hetgeen van verschijning en werking der -geesten verhaald wordt zoo kinderachtig en nietsbeteekenend, dat de -bemoeienis der geestenwereld er volstrekt niet voor aangenomen behoeft -te worden. Daarmede wordt niet ontkend, dat er allerlei verschijnselen -zich voordoen, die nog niet verklaard zijn; maar deze zijn alle van -dien aard (zooals bijv. het plotseling kennen en spreken van vreemde -talen, clairvoyance, hypnose, suggestie, secondsight, voorgevoel, -wetenschap van hetgeen op hetzelfde oogenblik elders gebeurt, -telepathie enz.), dat zij door de hypothese der geestenverschijning -hoegenaamd niet duidelijker worden. Wanneer wij daarbij nog bedenken, -dat de mensch bij zijne waarnemingen gebonden is aan en beperkt is -binnen een bepaald aantal aethertrillingen, zoodat eenige wijziging -daarin hem een gansch ander beeld der wereld zou vertoonen en hij zelf -een diep en rijk zieleleven bezit, dat in het zelfbewustzijn maar zeer -ten deele tot verschijning komt, cf. mijne Beginselen der Psychologie -70v. 78v.; dan ligt er binnen de grenzen van het Diesseits voor het -occultisme nog zulk een uitgestrekt terrein open, dat wij vooreerst tot -de inwerking der geestenwereld nog geen toevlucht behoeven te nemen. -Cf. Kirchner, Der Spiritismus, die Narrheit unseres Zeitalters, Berlin -Habel 1883. Ed. v. Hartmann, Der Spiritismus, Leipzig Friedrich 1885. -Id. Die Geisterhypothese des Spiritismus und seine Phantome, ib. 1891. -Voorts gaat 4º heel de Schrift van de gedachte uit, dat de dood eene -totale breuke is met het leven aan deze zijde des grafs. Wel behouden -de gestorvenen herinnering aan hetgeen hier op aarde met hen gebeurd -is. De rijke man en de arme Lazarus weten, wie en wat zij hier geweest -zijn en in welke omgeving zij geleefd hebben, Luk. 16. In het laatste -gericht zijn de menschen zich bewust van wat zij op aarde gedaan hebben, -Mt. 7:22. De werken volgen hen na, die in den Heere gestorven zijn, Op. -14:13. Wat wij hier op aarde gedaan hebben, wordt ons zedelijk eigendom -en gaat met ons mede in den dood. Ook is er geen twijfel aan, dat de -gestorvenen herkennen, die zij op aarde gekend hebben; de onderaardsche -bewoners begroeten spottend den koning van Babel, Jes. 14; de machtige -helden spreken uit het midden van den Scheol Egypte’s vorst en volk -toe, Ezech. 32; de rijke man kent Lazarus, Luk. 16. De vrienden, die wij -hier door weldoen ons verwerven, ontvangen ons eens met vreugde in de -eeuwige tabernakelen, Luk. 16:9. Maar overigens stelt de Schrift het -altijd zoo voor, dat de gemeenschap met deze aarde bij den dood totaal -verbroken wordt. De gestorvenen hebben geen deel meer in alles, wat -onder de zon geschiedt, Pred. 9:5, 6, 10. Of hunne kinderen tot eere -komen of in armoede vervallen, zij weten het niet, Job 14:21. Abraham -weet niet van de kinderen Israels en Jakob kent hen niet, en daarom -roepen zij tot den Heere, die immers hun Vader is, Jes. 63:16. Van een -verkeer der gestorvenen met de levenden is nergens sprake; zij behooren -tot een ander rijk, dat van de aarde totaal gescheiden is. Ook Hebr. -11:1 leert niet, dat de wolke van getuigen ons ziet en gadeslaat in -onzen strijd. Want de μαρτυρες daar zijn geen ooggetuigen van onzen strijd -maar geloofsgetuigen, die dienen tot onze bemoediging. 5º Daarom is er -ook voor aanroeping en vereering der heiligen geen plaats. Op zichzelf -is er niets vreemds of onbehoorlijks in de gedachte, dat engelen en -zaligen voor de menschen op aarde voorbede doen; eene belangstelling -in de geschiedenis der strijdende kerk, eene generale voorbede werd ook -menigmaal door de Protestanten wel aangenomen. Maar des te opmerkelijker -is het, dat de Schrift, die van voorbede der menschen op aarde zoo -dikwerf gewag maakt en ze bepaald aanbeveelt en voorschrijft, Mt. 6:9v., -Rom. 15:30, Ef. 6:18, 19, Col. 1:2, 3, 1 Tim. 2:2, en bovendien leert, -dat God anderen dikwerf spaart om der uitverkorenen wil en op hunne -voorbede, Gen. 18:23v., Ex. 32:11v., Num. 14:13v., Ezech. 14:14, 20, -Mt. 24:22 enz., van eene voorbede der engelen en der zaligen voor de -op aarde levenden nooit met een enkel woord spreekt. Ten aanzien van -de voorbede der engelen is dit reeds vroeger bewezen, deel II 449v., -en van de voorbede der zaligen geven de Roomschen het zelven toe, dat -zij in de Schrift niet voorkomt, cf. bijv. Oswald, Eschatologie² 132; -alleen 2 Makk. 15:12-14 maakt melding van een voorbede van Onias en -Jeremia voor hun volk in een droomgezicht aan Judas en bewijst alleen, -dat de Joden in dien tijd van de voorbede der zalige afgestorvenen -overtuigd waren. 6º Nog minder grond is er voor de aanroeping en -vereering der heiligen. De H. Schrift zegt wel, dat de geloovigen -op aarde elkanders voorbede mogen inroepen, Num. 21:7, Jer. 42:2, 1 -Thess. 5:25, maar gewaagt nergens van een verzoek tot de afgestorvenen -om hunne voorbede; en engelen en menschen weren uitdrukkelijk alle -godsdienstige vereering van zich af, die alleen Gode toekomt, Deut. -6:13, 10:20, Mt. 4:10, Hd. 14:10, Col. 2:18, 19, Op. 19:10, 22:9, -cf. deel II 451v. Ook van de vereering der reliquiën is geen sprake; -al verricht God er soms wonderen door, 2 Kon. 13:21, Mt. 9:21, Luk. -6:19, Hd. 5:15, 19:12, zij mogen niet zijn voorwerp van vereering, -Deut. 34:6, 2 Kon. 18:4, 2 Cor. 5:16. Oswald t. a. p. 143 rekent de -invocatie en veneratie der heiligen dan ook tot de Traditionsdogmen. -Ook al wordt eene generale voorbede der heiligen voor de geloovigen -op aarde toegegeven, dan volgt daaruit nog in het minst niet, dat zij -daartoe mogen aangeroepen en vereerd worden. Want wel is een verzoek -om iemands voorbede op zichzelf volstrekt niet ongeoorloofd, en heeft -dan ook telkens onder de geloovigen plaats. Maar zulk een verzoek -onderstelt steeds een of ander middel van verkeer, en moet mondeling of -schriftelijk kunnen worden overgebracht. En dat juist ontbreekt hier en -is ook met de leer der Schrift over den toestand der afgestorvenen in -lijnrechten strijd. Rome durft daarom ook niet zeggen, dat de aanroeping -en vereering der heiligen geboden en noodzakelijk is, maar spreekt -alleen uit, bonum atque utile esse, suppliciter eos invocare, Trid. -sess. 25. De theologie weet hoegenaamd niet duidelijk te maken, hoe de -heiligen van onze gebeden kennis bekomen, en draagt allerlei gissingen -voor. Sommigen meenen, dat zij hun door de engelen, die hier telkens -op aarde komen, worden medegedeeld, of dat de heiligen evenals de -engelen zich wondersnel verplaatsen kunnen en quodam modo ubique zijn; -anderen zijn van oordeel, dat de heiligen door God zelven van den inhoud -onzer gebeden in kennis worden gesteld, of alle dingen, die zij noodig -hebben te weten, in het Goddelijk bewustzijn aanschouwen; en ook zijn er, -die zeggen, dat het niet noodig is, dat zij alles weten, mits zij maar -gansch in het algemeen van onze behoeften kennis dragen, of ook, dat -wij over de wijze, waarop zij van onze gebeden kennis bekomen, ons niet -hebben te bekommeren, Thomas S. Theol. II 2 qu. 83 art. 4. Suppl. qu. -72 art. 1. Oswald, Eschatologie² 139. Daarbij komt nog, dat de Roomschen -volstrekt niet met zekerheid weten, wie van de afgestorvenen in den -hemel zijn en tot de volmaakte heiligen behooren. De vromen des O. T. -verkeerden eerst in den limbus patrum en werden wel door Christus in -den hemel overgebracht, maar staan toch te ver van ons af, om veel -door ons te worden aangeroepen, Oswald t. a. p. 132. 167. Van enkele -vromen in het N. T., zooals Maria, de apostelen, en ook van de latere -martelaren neemt Rome wel aan, dat zij in den hemel zijn opgenomen. Maar -dat zijn enkelen, en vergissing is hierbij niet uitgesloten. In vroegere -tijden was het de stem des volks, die aan een gestorvene het praedicaat -der heiligheid toekende; en daarbij kwam het voor, dat mannen, die -dit praedicaat bezaten, het weder verloren, gelijk bijv. Clemens -Alexandrinus door Benedictus XIV. Om deze dwalingen te voorkomen, is -daarom sedert Alexander III en Innocentius III de kerkelijke verklaring -van iemands heiligheid, dat is de canonisatie, een recht geworden van -den apostolischen stoel. Echter is het hierbij wederom eene vraag, of -de paus in deze canonisatie onfeilbaar is al dan niet. En al moge -dit ook het geval zijn, uit den aard der zaak maakt de paus er een -spaarzaam gebruik van. Verreweg de meeste heiligen worden aangeroepen -en vereerd, zonder dat men nauwkeurig weet, of zij in den hemel dan -wel in het vagevuur vertoeven. Men moet zich daarom met eene zedelijke -overtuiging tevreden stellen, voorts bedenken, dat eene mogelijke -vergissing geen schadelijke gevolgen meebrengt, en veiligheidshalve de -aanroeping ook maar tot de „arme zielen” in het vagevuur uitstrekken, -gelijk in de practijk steeds meer en meer geschiedt, Oswald t. a. p. 148. -164. De aanroeping der heiligen is 7º bij Rome volstrekt niet alleen -meer een verzoek om hunne voorbede (ora pro nobis), maar is allengs -overgegaan in eene adoratie en veneratie; de heiligen zijn object van -een cultus religiosus, zij het ook, dat deze geen latria maar dulia -heet. Nu is er geen twijfel aan, dat wij aan de engelen en zaligen -eerbiedige hulde zouden moeten bewijzen, indien wij hen ontmoetten en -eenig verkeer met hen hadden, deel II 455. Maar juist dit laatste komt -niet voor. En daarom loopt alle aanroeping der engelen en der zaligen -op eene godsdienstige vereering uit, die door den naam van dulia niet -goedgemaakt wordt, ib. 451v. Op den weg, dien Rome met deze vereering -van het schepsel bewandelt, is er geen stilstand. De heiligheid wordt -door Rome gedacht als een donum superadditum, als iets substantieels, -dat aan alle schepselen in verschillende mate kan meegedeeld worden, -en in diezelfde mate dan godsdienstig vereerd mag worden. Voorzoover -een persoon of zaak deel hebben aan de Goddelijke heiligheid, hebben -zij aanspraak op een cultus religiosus. Allereerst deelen daarin dus -Maria, de apostelen, de martelaren, de heiligen, maar voorts allen -en alles, wat met dezen in aanraking geweest is of nog met hen in -betrekking staat, dus ook reliquiën, beelden, woonplaatsen enz. Naar -dit beginsel kan alle schepsel godsdienstig vereerd worden, quod et -quatenus respectum habeat ad Deum, tot zelfs de handen der soldaten, -die Jezus grepen, en de lippen van Judas, die hem kusten, toe, -Voetius, Disp. III 880. 896. In elk geval is niet in te zien, waarom -de heiligen, die op aarde zijn, niet reeds door de Roomsche Christenen -aangeroepen en vereerd worden, en onder hen dan vooral de paus, die de -heilige bij uitnemendheid is. Es spricht an sich nichts dagegen, dass -auch die Heiligkeit auf Erden religiös veneriert werde. Wäre man also -von der Gottseligkeit einer Person vollkommen überzeugt, so durfte -sie an sich wohl eine Verehrung geniessen, wie sie den Heiligen im -Himmel zukommt. In einzelnen Fällen mag es privatim geschehen sein und -geschieht vielleicht noch, Oswald t. a. p. 157. Wat er door Oswald nog -tegen aangevoerd wordt, is aan de utiliteit ontleend en doet zien, dat -de vereering der levende heiligen, bepaaldelijk van den paus, bij Rome -slechts eene quaestie is van tijd. De gemeenschap der heiligen ontaardt -in eene onderlinge veneratie, die den middelaar Gods en der menschen op -den achtergrond dringt. - - -11. Tot dusverre was er alleen sprake van, of de afgestorvenen nog in -eenig rechtstreeksch verkeer met de aarde staan; thans komt de vraag -aan de orde, of de H. Schrift ons iets leert van de nieuwe verhoudingen -en toestanden, in welke de gestorvenen zich bevinden aan gene zijde des -grafs. Veel is het niet, wat de Schrift ons daarover bericht. Toch -zijn reeds in het Oude Test. de lijnen aanwezig, die doorgetrokken, -leiden tot een onderscheid in den toestand van rechtvaardigen en -goddeloozen na den dood. De vreeze des Heeren is de weg ten leven, -maar de goddeloozen komen om en nemen een einde, boven bl. 369. En -volgens het Nieuwe Test. komt de rijke man terstond in eene plaats der -pijniging, welke echter nog niet met de gehenna of den abyssus identisch -is. Waar deze plaats te zoeken is, wordt in de Schrift niet vermeld. -Wel wordt de scheol, de hades, de gehenna, de abyssus altijd voorgesteld -als beneden ons zich bevindende. Maar dit kan en mag toch niet in -topographischen zin worden verstaan. Want de begrippen boven en beneden -zijn, locaal genomen, zeer relatief en hebben in dit verband slechts -eene ethische beteekenis; wij plaatsen het rijk der duisternis vanzelf -lijnrecht tegenover dat des lichts en zoeken volgens eene natuurlijke -symboliek het eerste beneden en het tweede boven ons. Alle bepaling -van de strafplaats der gestorvenen, in de aarde, onder de aarde, in -de zee, in de zon, in de lucht of op eene der planeten is niets meer -dan eene gissing. Alleen kan gezegd worden, dat het Jenseits niet -alleen een toestand maar ook eene plaats is, want zielen mogen niet -circumscriptive in tijd en ruimte zijn, zij zijn toch nog veel minder -eeuwig en alomtegenwoordig en moeten ergens zijn en ook eene successie -van tijdsmomenten hebben. Overigens is het meer in overeenstemming met -de weinige gegevens, welke de Schrift ons biedt, om van alle bepaling -van de strafplaats der dooden af te zien; μη ζητωμεν που ἐστι, ἀλλα πως -αὐτην φυγοιμεν (Chrysostomus). Even weinig weten wij van den toestand -af, waarin de ongeloovigen en goddeloozen zich bevinden na den dood -tot het laatste gericht toe. Alleen kunnen wij met zekerheid zeggen, -dat, wanneer de toorn Gods hier reeds op de ongeloovigen blijft, deze -na den dood terstond veel zwaarder moet gevoeld worden, wijl alle -afleiding van het aardsche leven ontbreekt en het naakte bestaan met -niets dan het bewustzijn en het gevoel van dien toorn gevuld wordt. De -vraag is echter opgeworpen, of er voor dezulken, die hier op aarde -het evangelie niet of slechts zeer gebrekkig hebben gehoord, aan de -overzijde des grafs nog niet eene gelegenheid zal bestaan, om zich te -bekeeren en te gelooven in Christus. De eersten, die in de christelijke -kerk daarop een toestemmend antwoord gaven, waren Clemens, Strom. VI -6 en Origenes, c. Cels. II 44. Zij leidden uit 1 Petr. 3:18, 19 af, -dat Christus en ook de apostelen aan de gestorvenen in den hades, die -er vatbaar voor waren, het evangelie hadden verkondigd. Hoewel dit -gevoelen nu door Augustinus, de haeresi c. 79 en anderen weerlegd en -de nederdaling van Christus ter helle gewoonlijk anders opgevat werd, -deel III 378v., keerde het toch telkens terug en vond het vooral in -deze eeuw, waarin men een helder besef kreeg van de groote menigte -en de snelle uitbreiding der niet-Christenen, bij zeer velen ingang, -boven bl. 382. Inderdaad is het een feit van de grootste beteekenis, -dat er millioenen menschen geweest zijn en nog zijn, die van den weg der -zaligheid in Christus nooit eenige kennis hebben gedragen en dus ook -nooit in de gelegenheid zijn gesteld, om Hem met een geloovig hart aan -te nemen of met beslistheid van wil te verwerpen. Tot de ongeloovigen -in engeren zin zijn dezen niet te rekenen, en de Schrift zegt zelve, dat -zij naar een anderen maatstaf beoordeeld worden dan Joden en Christenen, -Mt. 10:15, 11:20-24, Luk. 10:12-25, 12:47, 48, Joh. 15:22, 24, Rom. -2:12, 2 Petr. 2:20-22. - -Toch volgt daaruit in het minst niet, dat er ook eene prediking des -evangelies is of moet zijn aan de overzijde des grafs. Want 1º de -Schrift spreekt daarvan met geen enkel woord. Vele plaatsen, die er -wel eens voor bijgebracht zijn, zooals Mt. 12:40, Joh. 20:17, Hd. 2:24, -27, 31, 13:29, 30, 34-37, 1 Tim. 3:16, hebben niet de minste kracht -van bewijs en handelen volstrekt niet van eene prediking van Christus -in de hel. Ook Ezech. 16:53-63 opent hierop geen uitzicht; er wordt -daar door den Heere beloofd, dat Hij Jeruzalem, in weerwil van de -gruwelen, die zij bedreven heeft en die erger zijn dan die van hare -zusters, Sodom en Samaria, toch in het einde weder herstellen en in -genade aannemen zal. Om echter alle valsch vertrouwen op Gods belofte -en alle zelfverheffing bij Israel weg te nemen, wordt er bijgevoegd, -dat de Heere niet alleen de gevangenis van Jeruzalem maar ook die -van Sodom en Samaria wenden zal, vs. 53, zoodat ook deze terugkeeren -zullen tot haren vorigen staat. Hieruit hebben sommigen besloten tot -eene mogelijkheid van bekeering in den tusschentoestand; want Sodom -en hare zusteren, d. i. de andere steden in het Siddimdal, waren in -Ezechiels dagen allen reeds lang verdelgd en konden dus niet in haren -vorigen staat hersteld en door God in genade aangenomen worden, indien -hare vroegere inwoners niet in den scheol door de prediking van -het woord Gods tot bekeering kwamen. Maar deze gedachte ligt verre -buiten den tekst. De Heere belooft hier alleen, dat Hij Jeruzalem in -weerwil van haar hoererij toch weer in genade aannemen zal; en dat -niet alleen, maar ook Sodom en Samaria, die bepaald, blijkens vs. 61, -typen zijn van al de heidensche volken, zullen in haar vorigen staat -worden hersteld, d. w. z. de toekomst zal deze zijn, dat Jeruzalem -hersteld en de heidensche steden haar onderworpen zullen wezen. Van -eene prediking en bekeering in den Scheol en van eene opstanding en -terugkeer der vroegere bewoners is geen sprake. 2º De eenige plaatsen, -waarop men zich voor eene prediking van het evangelie in den hades -met schijn van recht beroepen kan, zijn 1 Petr. 3:19-21 en 4:6. Maar -ook deze teksten bevatten niet, wat men er in lezen wil. Ook al zou -daar sprake zijn van eene prediking, welke Christus na zijne opstanding -tot de tijdgenooten van Noach in den hades hield, dan zou alleen dit -feit daarmede vaststaan maar geenszins recht geven tot de leer, dat er -in den hades eene voortdurende verkondiging van het evangelie plaats -had aan allen, die het op aarde niet hebben gehoord. Want immers de -tijdgenooten van Noach waren juist niet zoodanige menschen, die het -woord Gods nooit tijdens hun leven op aarde hadden gehoord; zij hadden -het woord van Noach, den prediker der gerechtigheid, in moedwillige -boosheid versmaad en waren der stemme des Heeren in volle bewustheid -ongehoorzaam geweest. Met hen was het dus een gansch bijzonder geval, -dat tot geen verdere conclusiën recht geeft; de aoristus ἐκηρυξεν wijst -ook aan, dat deze prediking door Christus maar eenmaal is geschied. -Voorts kan deze prediking geen verkondiging van het evangelie tot -zaligheid zijn geweest, want als men bedenkt, hoe streng de Schrift -steeds over alle goddeloozen oordeelt en hoe zij het geslacht der -menschen tijdens Noach altijd beschrijft als overgegeven tot alle boosheid -en ongerechtigheid, dan wordt de gedachte ongerijmd, dat Christus -juist aan hen in onderscheiding van zoovele anderen het evangelie -der zaligheid zou hebben verkondigd. Hoogstens kan er dan sprake zijn -van eene plechtige bekendmaking van zijn triumf aan de bewoners der -onderwereld, gelijk de oude Lutherschen den tekst verklaarden. Bovendien -is er aan zulk eene voortdurende prediking van het evangelie in den -hades allerlei moeilijkheid verbonden. Volgens 1 Petr. 3:18, 19 heeft -Christus, bepaaldelijk nadat Hij levendgemaakt en opgestaan was, die -prediking gehouden. Is Hij dan met zijn lichaam plaatselijk naar den hades -gegaan? Wanneer heeft Hij dat gedaan? Hoelang heeft Hij er vertoefd? En -laat dit alles nu mogelijk zijn, hoe onwaarschijnlijk het op zichzelf al -zij, wie brengt die prediking dan in den hades na dien tijd en nu altijd -door? Is er dan ook eene kerk in de onderwereld? Is daar eene zending, -eene roeping, eene ordening? Zijn het menschen of engelen, zijn het de -apostelen of andere dienaren des woords, die na hun dood daar het -evangelie verkondigen? De leer van eene Missionsanstalt in den hades -komt op allerlei manier met de Schrift in strijd. Maar zij vindt ook, -gelijk vroeger reeds werd aangetoond, deel III 422 cf. 379, in 1 Petr. -3:18-22 hoegenaamd geen steun. Daar wordt alleen gezegd, dat Christus, -na zijne opstanding, levendgemaakt zijnde als Geest, naar den hemel is -gegaan en door deze zijne hemelvaart aan de geesten in de gevangenis -gepredikt en de engelen, machten en krachten aan zich onderdanig -gemaakt heeft. Evenmin is er in 1 Petr. 4:6 van zulk eene prediking -des evangelies in den hades sprake. Reeds de aoristus εὐηγγελισθη doet -denken, niet aan eene voortdurende prediking maar aan een bepaald feit. -Die verkondiging van het evangelie had eenmaal plaats, en wel met het -doel, dat zij, die haar hoorden, naar der menschen wijze in het vleesch -geoordeeld zouden worden, d. i. sterven zouden, maar naar de wijze Gods -in den geest leven zouden. De prediking van het evangelie ging dus aan -het sterven vooraf; de νεκροι zijn zij, die nu dood zijn, maar die bij hun -leven het evangelie hoorden. De reden, waarom Petrus deze menschen -νεκροι noemt, ligt in het voorgaande vers. Daar werd gezegd, dat -Christus gereed staat, om te oordeelen de levenden en de dooden. Welnu, -evenals aan de levenden thans, zoo werd vroeger aan hen, die thans dood -zijn, het evangelie verkondigd, opdat zij, ja nog wel sterven zouden in -het vleesch, maar toch nu reeds in den geest bij God leven zouden. 3º -Met deze bezwaren, aan de Schrift ontleend, valt reeds geheel de leer -van de prediking van het evangelie in den tusschentoestand. Want indien -de Schrift ze niet behelst, staat het der christelijke theologie niet -vrij, haar desniettemin voor te dragen. Maar er zijn toch ook nog vele -andere bedenkingen. Aangenomen, dat het evangelie in den hades nog -gepredikt wordt, gaat die prediking uit tot allen zonder onderscheid? -Gewoonlijk zegt men van neen en laat het alleen brengen tot diegenen, -die het hier op aarde niet leerden kennen. Dit is nu niet alleen met -hunne exegese van 1 Petr. 3:18-22 in strijd, want _indien_ daar sprake -is van eene evangelieprediking van Christus in den hades, dan heeft -deze daar juist plaats tot zulken, die het evangelie door Noach wel -hadden gehoord, maar ook doet het dan vanzelf de vraag oprijzen, of -het leven hier op aarde voor die prediking van het evangelie in den -hades totaal onverschillig is. Ook hierop durft men begrijpelijkerwijze -in den regel geen ontkennend antwoord geven, want dan ware dit leven -geheel zonder waarde of beteekenis. Daarom zegt men gewoonlijk met -Clemens en Origenes, dat het evangelie in den tusschentoestand alleen -gebracht wordt aan zulken, die vatbaar voor bekeering zijn, die zich -hier op aarde door hunne houding tegenover de vocatio realis voor het -geloovig aannemen van het evangelie hebben geprepareerd, cf. bijv. ook -Ebrard, Dogm. § 576. Feitelijk wordt daarmede het zwaartepunt toch weer -in dit leven verlegd en brengt de evangelieverkondiging in den hades -slechts aan het licht, wat hier op aarde reeds in de harten verborgen -was. Dat is, de beslissing over zaligheid en verderf staat niet bij -het evangelie maar bij de vocatio realis, bij de wet. En dit is in het -wezen der zaak hetzelfde gevoelen, dat ook door de Pelagianen, de -Socinianen, de Deïsten enz. omhelsd werd, n.l. dat er drie wegen tot -de zaligheid zijn, de lex naturae, de lex Mosaica en de lex Christi. 4º -Daarbij komt nog, dat de leer van eene evangelieprediking in den hades -van allerlei onjuiste onderstellingen uitgaat. Er ligt n.l. aan ten -grondslag, dat het Gods bedoeling is, om alle menschen te zaligen; -dat de prediking van het evangelie volstrekt universeel moet zijn; dat -alle menschen persoonlijk en individueel voor de keuze vóór of tegen -het evangelie moeten geplaatst worden; dat de beslissing bij die keuze -staat in de macht van den mensch; dat erf- en dadelijke zonden niet -genoegzaam zijn om te verdoemen maar dat alleen het besliste ongeloof -ten opzichte van het evangelie het eeuwig verderf waardig maakt enz. Al -deze onderstellingen zijn in strijd met besliste uitspraken der Schrift -en maken de leer van de evangelieprediking in den tusschentoestand -onaannemelijk. En als dan ten slotte gevraagd wordt, of het niet hard -is te gelooven, dat allen, die hier op aarde geheel buiten hun -schuld het evangelie niet hoorden, verloren gaan, dan dient daarop -ten antwoord: _a._ dat in deze hoogernstige zaak niet ons gevoel maar -Gods woord beslist; _b._ dat de leer van eene evangelieprediking aan -de gestorvenen deze hardheid in het minst niet verzacht, wijl zij alleen -ten goede komt aan hen, die zich hier op aarde reeds voldoende voor het -geloof hadden toebereid; _c._ dat zij de hardheid nog toenemen doet, wijl -zij aan het belang van de millioenen kinderkens, die jong sterven, niet -denkt en hen feitelijk buiten de mogelijkheid plaatst om zalig te worden; -en _d._ dat zij niet rekent met de vrijmacht en de almacht Gods, welke -ook behouden kan zonder de uitwendige prediking des woords, alleen door -de inwendige roeping en de wedergeboorte des H. Geestes. - - -12. De toestand der gestorven geloovigen, die hier op aarde nog niet de -volmaakte heiligheid hebben bereikt, wordt door Rome gedacht als eene -reiniging der zielen door de straffe des vuurs. Het denkbeeld van zulk -een louteringstoestand is van heidenschen oorsprong en kwam vooral in -twee vormen voor. De leer der zielsverhuizing, die bij de Indiërs, de -Egyptenaren, de Grieken, de Joden enz. wordt aangetroffen, houdt in, -dat de ziel, voordat zij in het menschelijk lichaam kwam, reeds in andere -lichamen heeft gewoond en ook, nadat zij het menschelijk lichaam verlaten -heeft, in nieuwe organismen ingaat, om zich te louteren en eindelijk de -volmaaktheid te bereiken. Deze leer is echter te zeer met de Schrift -in strijd, dan dat zij ooit binnen de grenzen van het Christendom anders -dan bij enkele secten en individueele personen instemming verwerven -kon. Immers gaat zij uit van de gedachte, dat de zielen praeëxistent -zijn, oorspronkelijk geen lichaam bezaten en indifferent tegenover alle -lichamen staan. Voorts strijdt zij met de leer der verlossing, die door -Christus volbracht is en beschouwt de reiniging en volmaking als -het eigen werk van den mensch. En eindelijk maakt zij in het geheel -niet duidelijk, hoe de zielen, door telkens in andere lichamen over -te gaan, van de zonden bevrijd en tot de heiligheid opgeleid zouden -kunnen worden, cf. M. Vitringa IV 87-97. Moor II 1081. Bretschneider, -Syst. Entw. 846. Spiess, Entwicklungsgesch. der Vorst. v. Zustande -nach dem Tode 31. 558. J. F. von Meyer, Blätter für höhere Wahrheit -1830 I 244-299 enz. Meer invloed op de christelijke theologie had de -andere voorstelling, dat de zielen na den dood nog een tijd lang door -allerlei straffen gereinigd moeten worden, om eerst daarna deel aan de -hoogste zaligheid te verkrijgen. In het Parzisme vinden wij het geloof, -dat er na de algemeene opstanding eene driedaagsche loutering volgt in -vloeiend metaal, welke voor de goeden zacht maar voor de boozen zeer -pijnlijk is, Saussaye, Rel. Gesch. II 51. De Joden leerden, dat alleen -de volmaakt rechtvaardigen terstond naar den hemel gingen; de anderen -werden naar Gehinnom verwezen, dat volgens sommigen voor alle menschen -maar in elk geval voor de Joden een purgatorium was, Weber, Syst. 327. -Sedert Origenes drong deze voorstelling ook onder de Christenen door -en leidde daar tot de leer van het Roomsche vagevuur of van eene door -vele Protestanten aangenomene louteringsperiode, boven bl. 381. Bij het -eerste hooren heeft deze gedachte veel aantrekkelijks. De geloovigen -toch zijn in het moment van hun sterven allen nog met zonde behept; -zelfs de allerheiligsten bezitten nog maar een klein beginsel der -volmaakte gehoorzaamheid. Deze zonde, welke den geloovigen aankleeft, -zetelt voorts niet in het lichaam maar in de ziel, welke daarom in den -hemel niet kan ingaan, tenzij zij vooraf niet alleen van de schuld der -zonde bevrijd maar ook van haar smet volkomen gereinigd zij. Het laat -zich moeilijk denken, hoe deze reiniging door of bij den dood plotseling -tot stand kon komen. Want niet alleen gaat de heiligmaking in dit leven -langzaam voort, maar op elk gebied zien wij geen plotselinge overgangen, -doch geleidelijken wasdom en ontwikkeling. Alles pleit er dus voor, dat -de zielen der geloovigen na den dood eene loutering moeten ondergaan, -om daarna eerst in den hemel opgenomen en tot de aanschouwing Gods -toegelaten te worden. - -Doch welke menschelijke redeneering zulk een vagevuur ook aanbevele, -het eerste en op zichzelf reeds afdoende bezwaar is, dat de Schrift -er nergens van spreekt. Wel halen de Roomschen eenige teksten aan, -maar geen van alle bewijst den dienst, die ervan verlangd wordt. Mt. -5:22 spreekt met geen woord van een purgatorium maar wel van de -gehenna, cf. deel III 99. Bij de φυλακη in Mt. 5:25 aan het vagevuur -te denken, is willekeur; veeleer is zij een beeld van de gehenna, want -wie erin komt, is vooraf door den rechter veroordeeld en heeft nooit -gelegenheid meer, om de schuld af te doen en de gevangenis te verlaten; -het ἑως in vs. 26 geeft een onbereikbaren termijn aan, cf. 18:30, 34. -In Mt. 12:32 zegt Jezus, dat de lastering tegen den H. Geest noch -in deze noch in de toekomende eeuw vergeven zal worden. De woorden: -noch in de toekomende eeuw, dienen alleen, om de onvergefelijkheid -van de lastering tegen den H. Geest te versterken en behoeven daarom -geenszins te onderstellen, dat sommige zonden ook na dit leven nog -vergeven kunnen worden. Maar ook al ware dit zoo, dan zou deze tekst -toch nog niets voor de leer van het vagevuur bewijzen, want hier is van -vergeving der zonde sprake, terwijl het vagevuur juist geene plaats -is voor vergeving maar alleen een oord voor afbetaling van tijdelijke -straffen; en de tekst spreekt van vergeving in de toekomende eeuw, dat -is de tijd na de parousie, terwijl het vagevuur valt vóór die parousie -en met het laatste gericht ophoudt te bestaan. Volgens 1 Cor. 3:12-15 -zal het werk van de dienaren der gemeente in den dag van Christus’ -parousie de proef moeten doorstaan; wie op het fundament Christus -goud, zilver, kostelijke steenen zal gebouwd hebben, d. i. wie in zijn -ambt en dienst goed, deugdelijk werk verricht heeft, die zal wel in zijn -werk beproefd worden, maar wijl dat werk bestand blijkt tegen het vuur -des gerichts, zal hij loon ontvangen; wie daarentegen op het fundament -hout, stroo, stoppelen gebouwd heeft, welke tegen het vuur niet bestand -zijn, die zal gestraft worden, zijn loon verliezen, al is het ook, dat -hijzelf door het vuur des gerichts heen behouden wordt. Inderdaad wordt -hier dus gesproken van een ignis revelatorius, vs. 13, een ignis -probatorius, vs. 13 en een ignis exarsorius, vs. 15; maar Paulus stelt -zoo het vuur des gerichts voor in de toekomst van Christus en heeft -daarom juist voor een vagevuur geen plaats, dat thans de geloovigen -reinigen en vóór het laatste gericht eindigen zou. Andere teksten zijn -er niet, waarop Rome zich voor de leer van het purgatorium, al ware -het alleen met eenigen schijn van recht, beroepen kan. Slechts ééne -plaats in de apocriefe boeken des O. Test., n.l. 2 Makk. 12:42-46 -leert, dat de Joden van dien tijd offeranden en gebeden voor de in -zonden gestorvenen noodig en goed achtten, hetgeen trouwens ook van -elders bekend is. Maar des te meer verdient het de opmerkzaamheid, -dat dit onder de Joden bestaande volksgeloof noch in het Oude, noch -in het Nieuwe Testament vermeld en veel minder goedgekeurd wordt. -2º De leer van het vagevuur hangt ten nauwste saam met die over -de rechtvaardigmaking. Rome verstaat daaronder de instorting der -bovennatuurlijke, heiligmakende genade, welke dan den mensch in staat -stelt, om goede werken te doen en daardoor het eeuwige leven te -verdienen. Deze genade is echter voor vermeerdering en vermindering -vatbaar; wie door doodzonde ze verliest en dan sterft, is verloren, -wie het door het houden van praecepta en consilia in de ure des -stervens tot de volmaaktheid bracht, gaat terstond den hemel binnen; -maar wie de schuld en de tijdelijke straf voor eene vergefelijke zonde -nog heeft te voldoen of wie, na de door eene doodzonde verloren gratia -infusa in de boete te hebben terugontvangen, toch bij zijn dood nog -achterstallig was in het afbetalen der tijdelijke straffen, wordt naar -het vagevuur verwezen en blijft daar, totdat hij den laatsten penning -heeft betaald. De rechtvaardigmaking, de heiligmaking, de heerlijkmaking -is bij Rome het werk van den mensch zelf, zij het ook op grond van de -hem ingestorte bovennatuurlijke genade; als hij deze ontvangen heeft, -moet hij zichzelf het eeuwige leven en de zalige aanschouwing Gods in -den hemel naar een meritum ex condigno waardig maken; en indien hij het -dus hier op aarde zoover niet brengt, moet hij, evenals de Heidenen -zich dit voorstelden, het aangevangen werk hiernamaals voortzetten -zoolang, totdat hij de volmaaktheid heeft bereikt. Maar de Reformatie -leerde uit de Schrift weer kennen de rechtvaardigmaking des zondaars -door het geloof en moest daarom komen tot de verwerping van het -louteringsvuur. Christus heeft alles volbracht, niet alleen de straf -gedragen maar ook door zijne wetsonderhouding voor ons het eeuwige -leven verworven. En al die weldaden, welke Christus door zijn lijden en -sterven verworven heeft en die in Hem gansch volmaakt gereed liggen, -worden terstond het deel van iemand, als hij in waarheid gelooft. Wie -gelooft, _heeft_ het eeuwige leven. In de rechtvaardigmaking wordt den -mensch niet alleen toegerekend de verdienste van Christus’ lijdelijke -maar ook van zijn dadelijke gehoorzaamheid. Hij ontvangt in die weldaad -niet alleen de vergeving, de straffeloosheid, en komt er niet door -in den stand van Adam vóór den val, die met de hem geschonken kracht -de wet onderhouden en het eeuwige leven verdienen moest. Maar hij -heeft ook op grond van Christus’ volmaakte gehoorzaamheid terstond -recht op het eeuwige leven; de heilige werken, die Christus heeft -volbracht, worden hem toegekend; hij heeft door wetsvolbrenging niet -het eeuwige leven te verdienen maar doet goede werken uit het beginsel -des eeuwigen levens, dat hem reeds in het geloof is geschonken. De -heiligmaking is hier dus geen zelfvoorbereiding voor den hemel, geen -zelfvolmaking, maar niets anders dan de ontplooiing in den geloovige -van wat hij in Christus reeds heeft, een wandelen in de goede werken, -welke God in Christus voorbereid heeft, Ef. 2:10. God behoeft dus niet -te wachten op eenige meerdere goede werken, eer hij den geloovige in -den hemel opnemen kan, want in Christus is die hemel terstond geopend -voor een iegelijk, die gelooft. Wie gelooft, die heeft vergeving en -eeuwig leven, die is „rijp” voor den hemel, en behoeft noch hier noch -hiernamaals door een purgatorium heen. Zelfs het lijden, dat hij hier op -aarde menigmaal nog en zelfs ten gevolge der zonde te dragen heeft, -is geen straf, geen boete, geen afbetaling van een eisch der wet, -maar eene vaderlijke kastijding, die tot zijne opvoeding dient. 3º De -eenige vraag op reformatorisch standpunt is dus deze: wanneer komt -de geloovige in het volle bezit van de hem geschonken weldaden van -Christus. Wie gelooft, ontvangt deze terstond in juridischen zin; hij -heeft in Christus recht op alle goederen des verbonds, op de gansche -zaligheid. Maar deze wordt op aarde toch nog niet in zijn volle bezit -gesteld; wanneer heeft dit dan plaats, wanneer houdt de geloovige op -een pelgrim te zijn en komt hij in het vaderland aan? Daarop heeft de -Schrift maar één antwoord: bij den dood. Nergens stelt zij ons de vromen -voor, als nog na den dood door straf of lijden der zonde gekweld. Altijd -spreken de vromen hunne zekere verwachting uit, dat met den dood het -einde van hun pelgrimsbaan en de ingang in het eeuwige, zalige leven -des hemels bereikt is, Ps. 73:23, 24, Luk. 23:43, Hd. 7:59, 2 Cor. -5:1, Phil. 1:23, 2 Tim. 4:7. Na den dood is er geen heiligmaking meer, -maar treedt er een toestand van heiligheid in, waarin de geesten der -volmaakte rechtvaardigen, Hebr. 12:23, bekleed zijn met lange, witte -kleederen en staan voor den troon en voor het Lam, Op. 7:9, 14. Van den -bescheiden de Saci van Port-Royal wordt verhaald, dat hij altijd stond -in de vreeze Gods en daarom niet op eene onmiddellijke zaligheid na den -dood durfde hopen maar stervende uitriep: o bienheureux purgatoire! -Maar zulk een gemoedstoestand is aan de vromen des O. en N. Verbonds -geheel vreemd en is alleen daaruit te verklaren, dat iemand, ziende -op zichzelven, geen oog heeft op het volbrachte werk van Christus. -4º Op welke wijze de toestand van heiligheid terstond bij den dood van -den geloovige intreedt, is natuurlijk niet te begrijpen noch duidelijk -te beschrijven. Ook de wedergeboorte en de heiligmaking, welke hier op -aarde door den H. Geest gewerkt wordt, is eene geheimenis. Maar zonder -twijfel doet daarbij de dood als een middel dienst. Niet in den zin van -het platonisch dualisme, als ware de bevrijding van het lichaam zonder -meer reeds de heiliging der ziel, want de zonde heeft haar zetel juist -in de ziel. Noch ook in den zin van het sentimenteel rationalisme, dat -den mensch door den dood, als een bode des vredes, tot een engel laat -worden, want de dood is op zichzelf eene openbaring van Gods toorn en -eene bezoldiging der zonde. Maar wel naar de meening der H. Schrift, -die in den dood voor den geloovige een afsterven van de zonde ziet. -Immers, alle kastijding dient den geloovigen tot hun nut, opdat zij -de Goddelijke heiligheid deelachtig worden, Hebr. 12:10. Wie evenals -Christus om der zonde wil aan het vleesch lijdt, die houdt op van de -zonde, 1 Petr. 4:1. Maar dit geldt vooral van den dood. De ethische -dood, d. i. het sterven in gemeenschap met Christus aan de zonde, heeft -ten gevolge, dat iemand van de zonde gerechtvaardigd en der zonde dood -is en voortaan Gode leeft in Christus, Rom. 6:6-11, 8:10, 1 Petr. 2:24. -En deze ethische dood voleindt zich in den physischen dood, Rom. 7:24, -2 Cor. 5:1, Phil. 1:21, 23. De dood is eene geweldige verandering, eene -verbreking van alle banden met dit aardsche leven, en een intreden in -eene nieuwe wereld met gansch andere verhoudingen en toestanden. Er -is niets vreemds in, dat God, gelijk van alle lijden, zoo van den dood -zich bedient, om de ziel van den geloovige te heiligen en van alle smet -der zonde te reinigen. Hiertegen geldt niet als bezwaar, dat zulk eene -heiliging mechanisch is en met een sprong geschiedt, want de dood is de -grootste sprong, dien iemand maken kan, eene plotselinge verplaatsing -van den geloovige in de tegenwoordigheid van Christus, en daardoor eene -algeheele verderving van den uitwendigen en eene totale vernieuwing van -den inwendigen mensch. 5º Daarbij komt, dat de leer van het vagevuur -deze heiliging van den geloovige hoegenaamd niet begrijpelijker maakt. -Want vooreerst moet ook de Roomsche theologie aan den dood nog eene -soortgelijke critische beteekenis toekennen als de Protestantsche. Het -vagevuur toch is geen plaats, waar nog zonden vergeven worden, maar -alleen een oord, waar overgebleven tijdelijke straffen kunnen afbetaald -worden. Wie dus peccata venialia begaan heeft en daarvoor in dit leven -geen vergeving ontving, moet deze in den dood deelachtig worden; en -zoo leeren de Roomsche theologen dan ook, dat de in vergefelijke zonden -stervende ziel terstond in den dood vergeving der schuld ontvangt, om -dan in het vagevuur de daarvoor bepaalde tijdelijke straffen te voldoen, -Oswald, Eschat.² 87. Vervolgens is niet in te zien, op welke wijze -het purgatorium de heiliging der zielen bewerkt. Afgedacht daarvan, -dat het vagevuur door de Roomschen meest beschreven wordt als een -materieel vuur, dat daarom niet dan idealiter op de ziel inwerken kan, -rijst vanzelf de vraag, hoe pijn zonder meer heiligen kan. Dat ware wel -mogelijk, indien door middel van die pijniging berouw, verootmoediging, -bekeering, geloof, liefde enz. in de ziel mocht gewerkt worden. -Maar dat mag op Roomsch standpunt niet aangenomen worden. Want het -purgatorium is geen Missionsanstalt, geen bekeeringsinstituut, geen -school ter heiligmaking, maar eene strafplaats, waar alleen tijdelijke -straffen afbetaald worden. De arme zielen kunnen dus eenerzijds niet -meer zondigen en nieuwe schuld op zich laden, en andererzijds kunnen -zij zich ook niet verbeteren, want alle verbetering sluit bij Rome -verdienste in en in het vagevuur kan niet meer verdiend worden. Van den -toestand der arme zielen in het vagevuur is dus geen goede voorstelling -te maken. Indien zij nog te denken zijn als meer of minder door de zonde -besmet, dan is het op Roomsch standpunt niet te begrijpen, dat zij niet -nog zondigen en zelfs de ontvangen genade wederom geheel verliezen -kunnen. Is dit uitgesloten, dan zijn de zielen in zichzelve rein en -heilig en hebben zij alleen nog enkele tijdelijke straffen te dragen, -welke zij op aarde niet konden voldoen, waarbij het dan weer onbegrijpelijk -is, dat volmaakte rechtvaardigen nog tijdelijk buiten den hemel gesloten -en aan de pijniging van het vagevuur kunnen worden overgegeven. En -in beide gevallen blijft het een raadsel, hoe het vagevuur een ignis -purgatorius kan zijn; het is niets anders dan een ignis vindicativus. -Oswald t. a. p. 116 zegt terecht, dat dit louterend karakter van het -vagevuur tot de quaestiones difficiliores behoort! Eindelijk zijn er nog -verschillende vragen, waarop de leer van het vagevuur het antwoord -schuldig blijft. De vromen des O. T. gingen volgens het Roomsche geloof -naar den limbus patrum; is deze limbus als een purgatorium te denken, -of was voor hen geen vagevuur noodig? En hoe worden zij gelouterd, -die korten tijd vóór de parousie sterven en daarom niet meer in het -vagevuur kunnen komen, wijl dit met het einde dezer wereld ophoudt te -bestaan? De zielen van de in vroeger eeuwen gestorvenen hebben het veel -zwaarder te verantwoorden, dan die later in het vagevuur komen, want -de mogelijke duur van de pijniging in het purgatorium wordt hoe langer -hoe korter. Hoe is dit op Roomsch standpunt overeen te brengen met de -gerechtigheid Gods en met de louteringsbehoefte der zielen? Indien men -zegt, dat naarmate het einde der wereld nadert, de heiliging te meer in -het lijden van den tegenwoordigen tijd en in den dood verlegd wordt, dan -ondermijnt men de leer van het vagevuur op bedenkelijke wijze en nadert -men het standpunt, dat de Reformatie tegenover dit Roomsche leerstuk -innam. 6º Indien de leer van het vagevuur onhoudbaar is, dan vervalt -daarmede ook vanzelf alle offerande en gebed voor de afgestorvenen. -Vereering der dooden door offers en gebeden was bij de Heidenen gewoon. -Voorbede voor de afgestorvenen kwam later onder de Joden in gebruik, 2 -Makk. 12:40-45 en bleef dit tot den huidigen dag, Schwally, Das Leben -nach dem Tode 188-190. In de christelijke kerk kwam spoedig de gewoonte -op, om de gestorvenen pax, lux, refrigerium toe te wenschen en hunner -in de gebeden en bij de avondmaalsviering te gedenken. In den eersten -tijd had dit plaats ten aanzien van alle in den Heere gestorvenen zonder -onderscheid en werden deze oblationes en sacrificia alleen gevierd ob -commemorationes eorum, Cypr. Ep. 12, 2. 39, 3. Const. Ap. VI 30. VIII -13. 41-44. Maar langzamerhand werd er onderscheid gemaakt tusschen die -zielen, welke terstond in den hemel werden opgenomen en andere, die nog -een tijdlang in het purgatorium vertoeven moesten. De gemeenschap met de -eerste werd daarop allengs geoefend door aanroeping en yereering, die -met de tweede door voorbeden, goede werken, aflaten en zielmissen, cf. -Trid. sess. 22 c. 2. 3. en sess. 25. Bellarminus, de purg. II 15-18. -Perrone, Prael. VI 289. VIII 29. Simar, Dogm. 900. Jansen, Prael. III -1 030 enz. In den oudkatholieken zin, als bede tot God, dat Hij de -zaligheid der in Christus ontslapenen vermeerderen en hunne gebeden -voor de levenden aannemen mocht, en tevens als gedachtenisviering -van en gemeenschapsoefening met de afgestorvenen, werd de voorbede -voor de dooden ook goedgekeurd door de Grieken, M. Vitringa VIII 509, -vele Anglikanen, ib. 515, de Lutherschen, ib. IV 79, Grotius, ib. 80 -en door vele nieuwere theologen, Franz, das Gebet für die Todten in -seinem Zusammenhang mit Kultus und Lehre nach dem Schriften des h. -Augustinus, Nordhausen Büchting 1857. K. M. Leibbrand, Das Gebet für -die Todten in der evang. Kirche zulässig und recht, Stuttgart 1864. -Maar de Gereformeerden verwierpen de voorbede voor de afgestorvenen, -wijl hun lot bij den dood onveranderlijk beslist was, Suicerus s. v. ταφη. -Vossius, Disp. de orationibus et oblationibus pro defunctis, Op. VI 458 -sq. Rivetus in zijne polemiek tegen Grotius, Op. III 962. 1026. Moor V -30-32. In Oud of Nieuw Testament is er dan ook met geen woord van zulk -eene voorbede sprake. De eenige plaats, waarop men zich beroepen kan, -is 1 Cor. 15:29, waar Paulus melding maakt van zulken, die zich lieten -doopen ὑπερ νεκρων. Er is hier echter niet uit af te leiden, dat zulk -een doop door de levenden ondergaan werd, opdat hij den gestorvenen ten -goede zou komen. Want er is geen enkel bewijs, dat zoodanig gebruik in -den tijd van Paulus of later voorkwam. Wel melden Tertullianus e. a., -dat deze gewoonte bij de volgelingen van Cerinthus en Marcion gevonden -werd, maar ten eerste is de juistheid van dit bericht volstrekt niet -boven allen twijfel verheven, en ten andere zou er uit volgen, dat het -een kettersch gebruik was, hetwelk in de christelijke kerk nooit bestaan -heeft of ingang vond. Wie dezen tekst wilde laten gelden als bewijs -voor het recht, om voor de dooden te bidden, zou allereerst beginnen -moeten, om levenden ten behoeve der gestorvenen te doopen. Paulus zegt -echter ook niet, dat de levenden zich voor de dooden lieten doopen, -opdat die doop den gestorvenen ten goede zou komen. De dooden worden -door Paulus voorgesteld als het motief, waarom de levenden zich lieten -doopen. Omdat zij, die in Christus ontslapen waren, zouden opstaan, -daarom lieten hunnentwege, hunshalve de levende geloovigen zich doopen. -De apostel spreekt geen andere gedachte uit dan deze, dat de doop het -geloof aan de opstanding van Christus en de geloovigen onderstelt; -neem de opstanding weg en de doop wordt eene ijdele ceremonie. De -voorbede voor de afgestorvenen vindt daarom niet den minsten grond in -de Schrift, gelijk trouwens Tertullianus reeds erkende. Want nadat hij de -cor. mil. c. 3 gesproken had van verschillende kerkelijke gebruiken en -daarbij ook van de offeranden voor afgestorvenen, voegde hij er in c. 4 -aan toe: harum et aliarum ejusmodi disciplinarum, si legem expostules -scripturarum, nullam invenies; traditio tibi praetenditur auctrix, -consuetudo confirmatrix, et fides observatrix, cf. ook Bellarminus, de -missa II c. 7. Oswald, Eschat. 95. Omdat er geen praeceptum Patris is, -moet men zich vergenoegen met de institutio matris, d. i. der kerk, -die alzoo weder naast en boven Gods Woord komt te staan. Wijl alzoo de -voorbede der afgestorvenen voor de Schrift niet kan bestaan, komt de -vraag naar hare nuttigheid en troost niet meer te pas. Toch zijn ook -deze moeilijk aanwijsbaar. Want al schijnt het schoon, dat levenden door -hunne voorbeden de afgestorvenen helpen kunnen en kunnen goedmaken, -wat zij misschien tegenover hen tijdens hun leven hebben misdreven; -feitelijk leidt deze kerkelijke practijk de christelijke vroomheid in -een gansch verkeerd spoor. Zij doet het voorkomen, alsof in strijd met -Mt. 8:22 zorg voor de dooden van hooger waarde is dan liefde tot de -levenden; zij schrijft aan eigen werken en gebeden eene verdienstelijke, -satisfactorische kracht toe, welke haar werking zelfs oefent aan de -overzijde des grafs en daar den gestorvenen ten goede kan komen; zij -is gebouwd op en bevorderlijk aan de leer van het vagevuur, welke -eenerzijds, vooral bij de rijken, de zorgeloosheid voedt en ter andere -zijde de onzekerheid der geloovigen bestendigt; zij verzwakt in het -christelijk bewustzijn het geloof aan de genoegzaamheid der offerande en -voorbede van Christus. Cf. tegen het purgatorium: Calvijn, Inst. III 5. -Polanus, Synt. Theol. VII 25. Chamier, Panstr. Cath. T. III lib. 26. -Amesius, Bellarminus enervatus, T. II lib. 5. Voetius, Disp. II 1240. -Forbesius a Corse, Instruct. hist. theol. lib. XIII. Gerhard, Loc. XXVI -181 sq. Quenstedt, Theol. IV 555. Kliefoth, Eschatologie, 82 f. Charles -H. H. Wright, The intermediate state and prayers for the dead, -examined in the light of Scripture and of ancient Jewish and Christian -literature, London Nisbet 1900. - - -13. Al is er voor eene vereering der heiligen en eene voorbede voor de -afgestorvenen geen plaats, er is en blijft toch eene onverbrekelijke -gemeenschap tusschen de strijdende kerk op aarde en de triumfeerende -in den hemel. De geloovigen op aarde zijn, toen zij Christen werden, -toegetreden tot het hemelsche Jeruzalem, dat boven en aller moeder is; -tot de vele duizenden van engelen, die aldaar God dienen en loven; tot -de gemeente der eerstgeborenen, d. i. van de vromen des O. Verbonds, -die in de hemelen opgeschreven zijn en daar het burgerrecht hebben -ontvangen; tot de geesten der rechtvaardigen, d. i. van de Christenen, -die reeds ontslapen zijn en de volmaaktheid, de voleindiging, hebben -bereikt; tot Christus, den middelaar des Nieuwen Testaments en -tot God, den rechter van alle schepselen, Hebr. 12:22-24. Deze -gemeenschap sluit niet in, dat er een rechtstreeksch verkeer moet -bestaan tusschen de leden der strijdende en der triumfeerende kerk; -want ofschoon dit ook ontbreekt tusschen de verschillende menschen en -volken in de onderscheidene tijden en plaatsen, is toch de menschheid -een organisme, uit éénen bloede gesproten. De persoonlijke omgang, -dien elk geloovige hier op aarde heeft, is tot weinige personen -beperkt, maar desniettemin is hij lid van de ééne, heilige, algemeene, -christelijke kerk. De eenheid, die alle geloovigen, zoowel de gestorvene -als de levende, saam verbindt, ligt in Christus, en door Hem in de -gemeenschap met denzelfden Vader, in het bezit van denzelfden Geest, -in het deelgenootschap aan dezelfde goederen des verbonds. De liefde, -die blijft, ook als geloof en hope verdwijnen, houdt alle geloovigen -met Christus en onderling verbonden. En die liefde uit zich onzerzijds -daarin, dat wij de heiligen, die ons voorgegaan zijn, met eerbied -gedenken, dat wij waardiglijk van hen spreken, dat wij hen navolgen -in geloof en goede werken, en door hun voorbeeld aangespoord met -lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is, dat wij één met -hen ons gevoelen en leven in de verwachting, van tot hen te gaan, dat -wij met hen en alle schepselen den naam des Heeren grootmaken. Onder de -vormen, waarin de gemeenschap van de strijdende met de triumfeerende -kerk zich openbaart, neemt de hope des wederziens eene breede plaats -in. Er is door het rationalisme daarvan schrikkelijk misbruik gemaakt; -het scheen, alsof de zaligheid des hemels niet in de gemeenschap met -Christus maar in de sentimenteele genieting van elkanders bijzijn gelegen -was. Maar desniettemin ligt er eene goede, ware gedachte in. De hope op -het wederzien aan de overzijde des grafs is volkomen natuurlijk, echt -menschelijk en ook in overeenstemming met de H. Schrift. Want deze leert -geen naakte onsterfelijkheid van schimachtige zielen, maar eeuwig leven -van individueele menschen. Wedergeboorte wischt de individualiteit, -de persoonlijkheid, het karakter niet uit maar heiligt ze en stelt ze -in dienst van Gods naam. De gemeente is de nieuwe menschheid, welke -allerlei schakeering en onderscheid in zich draagt en in de eenheid de -rijkste verscheidenheid openbaart. De vreugde des hemels ligt daarom -wel allereerst in de gemeenschap met Christus, maar vervolgens toch -ook in de gemeenschap der zaligen onderling. En evenmin als deze -op aarde, schoon zij hier altijd gebrekkig is, inbreuk maakt op de -gemeenschap der geloovigen met Christus, maar deze veeleer bevestigt -en verrijkt, alzoo is het ook in den hemel. Het hoogste, wat Paulus -wenschte, was ontbonden te zijn en met Christus te wezen, Phil. 1:23, -1 Thess. 4:17. Maar Jezus stelt zelf de vreugde des hemels voor onder -het beeld van een maaltijd, waar allen aanzitten met Abraham, Izak en -Jakob, Mt. 8:11, cf. Luk. 13:28. De hope op het wederzien is daarom op -zichzelve niet verkeerd, indien zij maar ondergeschikt blijft aan het -verlangen naar de gemeenschap van Christus. En andererzijds is het ook -geen ongerijmde gedachte, dat de zaligen in den hemel verlangen naar -de geloovigen, die op aarde zijn. Immers behouden zij de herinnering -aan de personen en toestanden, die zij op aarde gekend hebben, Luk. -16:27-31. De zielen onder het altaar roepen om wraak over het vergoten -bloed, Op. 6:10. De bruid, d. i. de gansche gemeente zoowel in den -hemel als op aarde, bidt om de komst van den Heere Jezus, Op. 22:17. -Al geeft de Schrift ons geen recht om te gelooven, dat de zaligen -in den hemel alles weten, wat hier op aarde gebeurt, toch is het -waarschijnlijk, dat zij van de strijdende kerk op aarde minstens evenveel -weten als deze van hen. En dat weinige, gevoegd bij de kennis, die zij -uit de herinnering bezitten en die misschien telkens door mededeelingen -van engelen en pas ontslapenen uitgebreid wordt, is genoegzaam, om -hen steeds met belangstelling te doen denken aan deze aarde en aan -de machtige worsteling, die hier gestreden wordt. Daarbij komt nog, -dat de toestand der zaligen in den hemel, hoe heerlijk ook, toch om -verschillende redenen nog een voorloopig karakter draagt. Immers zijn -zij thans alleen in den hemel en tot dien hemel beperkt, en nog niet -in het bezit der aarde, wier erfenis hun met die des hemels toegezegd -is. Voorts zijn zij verstoken van het lichaam, en dit lichaamloos bestaan -is niet, gelijk het dualisme meenen moet, eene winst maar een verlies, -geen vermeerdering maar vermindering van zijn, wijl het lichaam tot het -wezen van den mensch behoort. En eindelijk kan het deel niet volmaakt -zijn zonder het geheel; eerst in de gemeenschap van al de heiligen -wordt de volheid van Christus’ liefde gekend, Ef. 3:18; de eene groep -van geloovigen kan zonder de andere de voleindiging niet bereiken, -Hebr. 11:40. Daarom is er bij de zaligen in den hemel ook nog plaats -voor geloof en hope, voor verlangen en gebed, Op. 6:10, 22:17. Evenals -de geloovigen op aarde strekken zij zich uit naar de wederkomst van -Christus, de opstanding der dooden en de wederoprichting aller dingen. -Dan eerst is het einde bereikt, 1 Cor. 15:24. Deze gedachte staat in -de Schrift zoozeer op den voorgrond, dat de tusschentoestand tot eene -korte spanne tijds inkrimpt, die bij het eindgericht in het geheel niet -in aanmerking komt. Nergens wordt gezegd, dat ook hetgeen door de -gestorvenen in dien tusschentoestand wordt verricht, in den laatsten -dag voor den rechterstoel van Christus geoordeeld zal worden. Het -oordeel gaat uitsluitend over wat in het lichaam geschied is, hetzij -goed hetzij kwaad, 2 Cor. 5:10; het judicium universale is in zoover -met het judicium particulare identisch. Daaruit is echter nog niet met -Kliefoth, Eschatologie 61-66 af te leiden, dat de zielen na den dood -buiten tijd en ruimte leven en van alle ontwikkeling of vooruitgang -verstoken zijn. Want al is er zeker geen ontwikkeling, gelijk die op -aarde, en al is er nog veel minder aan eene mogelijke verandering -ten goede of ten kwade te denken, toch is een waarachtig bestaan en -leven der zielen zonder activiteit niet mogelijk, tenzij men ze in -bewustloozen slaap verzonken acht. Want de gestorvenen blijven eindige -en beperkte wezens en kunnen niet anders bestaan dan in ruimte en tijd. -De afmetingen der ruimte en de berekeningen van den tijd zijn zonder -twijfel aan gene zijde des grafs geheel andere dan hier op aarde, waar -mijlen en uren onze maatstaf zijn. Maar ook de zielen, die daar wonen, -worden niet eeuwig en alomtegenwoordig als God; zij moeten, evenals de -engelen, deel II 438, een ubi definitivum hebben, kunnen niet op twee -plaatsen tegelijk zijn en zijn altijd ergens op eene bepaalde plaats, -in het paradijs, in den hemel enz. En evenzoo zijn zij niet boven allen -tijdvorm, dat is boven alle successie van oogenblikken verheven, want zij -hebben een verleden, dat zij zich herinneren, een heden waarin zij leven, -en eene toekomst, die zij te gemoet gaan. De rijke man weet, dat zijne -broeders nog leven, Luk. 16:28; de zielen onder het altaar zien uit -naar den dag der wrake, Op. 6:10; de bruid verlangt naar de komst van -Christus, Op. 22:17; zij, die uit de verdrukking gekomen zijn, dienen God -dag en nacht, Op. 7:15; en die het beest hebben aangebeden, hebben geen -rust dag en nacht, Op. 14:11. - -Indien nu de zielen in eenigen vorm van ruimte en tijd bestaan, kunnen -zij ook niet zonder alle werkzaamheid gedacht worden. Wel zegt Jezus, -dat in den nacht des doods niemand werken kan, Joh. 9:4, en wordt de -hemelsche zaligheid dikwerf in de Schrift als een rusten voorgesteld, -Hebr. 4:9, Op. 14:13. Maar evenmin als het met elkander strijdt, dat God -rust van zijn scheppingswerk, Gen. 2:2 en toch altijd werkt, Joh. 5:17, -of dat Christus zijn werk op aarde had volbracht, Joh. 17:4 en toch -in den hemel plaats voor de zijnen bereidt, Joh. 14:3; evenmin sluit -het een het ander uit, dat de geloovigen rusten van hunne werken en -toch God dienen in zijnen tempel. Hun werk op aarde is af, maar daarom -hebben zij in den hemel nog wel andere werken te doen. De Schrift leert -dit duidelijk. Die in den Heere ontslapen zijn, zijn bij Jezus, Phil. -1:23, staan voor den troon Gods en van het Lam, Op. 7:9, 15, roepen -en bidden, loven en dienen, Op. 6:10, 7:10, 15, 22:17. Trouwens, als -zij bewustheid hebben en God, Christus, de engelen, elkander kennen, -dan oefenen zij daarmede vanzelf werkzaamheden uit van verstand en van -wil, nemen toe in kennis en worden bevestigd in liefde. Als Paulus -zeggen kan, dat de geloovigen op aarde, door de heerlijkheid des -Heeren in den spiegel van zijn woord te aanschouwen, naar zijn beeld in -gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, 2 Cor. 3:18; -hoeveel te meer zal dat dan het geval zijn, als zij toegelaten worden -tot zijne onmiddellijke tegenwoordigheid en Hem zien van aangezicht -tot aangezicht? Verandering van staat is er niet; er is ook geen -ontwikkeling in aardschen zin; zelfs geen heiligmaking, gelijk in de -strijdende kerk, want de heiligheid zelve is aller deel. Maar gelijk -Adam vóór den val en Christus als mensch, schoon volkomen heilig, -toch toenemen konden in genade en wijsheid, zoo is er in den hemel -eene voortgaande bevestiging van staat, een altijd meer gelijkvormig -worden den beelde des Zoons, een nimmer eindigend opwassen in de -kennis en liefde van God. En daarbij heeft ieder zijn eigen taak en -plaats. De Roomschen nemen aan, dat de vromen des O. T. na hun dood -in den limbus patrum vertoefden en daaruit eerst door Christus bij -zijne nederdaling ter helle werden bevrijd; en tevens meenen zij, dat de -ongedoopt stervende kinderen noch in de hel noch in den hemel maar in -een afzonderlijk receptaculum, den limbus infantum, worden opgenomen. -Maar voor geen van beide receptacula is er grond in de Schrift. Wel -spreekt het vanzelf, dat wie de eenheid des genadeverbonds uit het -oog verliest en de weldaden, door Christus verworven, opvat als eene -nieuwe substantie, die vroeger niet bestond, de vromen des O. T. in -den limbus patrum moet laten wachten op deze verwerving en mededeeling -van Christus’ weldaden. Maar wie de eenheid des verbonds erkent, en -de weldaden van Christus opvat als de goede gunste Gods, die met het -oog op Christus reeds vóór zijn lijden en sterven kon worden uitgedeeld, -die heeft aan geen limbus patrum behoefte. De weg naar de hemelsche -zaligheid was onder het O. dezelfde als onder het N. Test., al is er -ook verschil in het licht, waarbij de geloovigen toen en nu wandelen, -cf. deel III 196v. 211v. En evenzoo is er aan de overzijde des grafs -geen plaats voor een limbus infantum; want de kinderen des verbonds, -gedoopt of ongedoopt, gaan stervende ten hemel in; en over het lot -der andere is ons zoo weinig geopenbaard, dat wij het best doen van -een stellig oordeel ons te onthouden, cf. B. B. Warfield, The -development of the doctrine of infant salvation, in zijn Two Studies -in the history of doctrine, New-York 1897. Maar toch ligt er in den -limbus patrum en infantum deze ware gedachte, dat er verschillende -graden zijn zoowel in de straf der goddeloozen als in de zaligheid der -vromen. Er is onderscheid van rang en werkzaamheid in de wereld der -engelen. Er is verscheidenheid onder alle schepselen en het rijkst -onder de menschen. Er is verschil van plaats en taak in de gemeente -van Christus; aan ieder geloovige wordt hier op aarde een eigen gave -geschonken en een eigen taak opgedragen. En bij den dood volgen ieders -werken dengene na, die in den Heere ontslaapt. Zonder twijfel wordt -deze verscheidenheid in den hemel niet uitgewischt maar integendeel -van al het zondige gereinigd en op het rijkst vermenigvuldigd, Luk. -19:17-19. Toch ontneemt dit verschil in graad niets aan de zaligheid, -welke elk naar zijne mate geniet. Want allen wonen in bij denzelfden -Heere, 2 Cor. 5:8, zijn opgenomen in denzelfden hemel, Op. 7:9, genieten -dezelfde rust, Hebr. 4:9 en vinden hun vreugde in denzelfden dienst van -God, Op. 7:15. - - -§ 55. DE WEDERKOMST VAN CHRISTUS. - -1. Gelijk het den mensch gezet is, om eenmaal te sterven, zoo moet er -ook eens een einde komen aan de geschiedenis der wereld. Niet alleen -de religie, ook de wetenschap was daarvan ten allen tijde overtuigd. -Enkelen, zooals Aristoteles in de oudheid en Czolbe, Friedrich Mohr -e. a. in den nieuweren tijd, hebben wel gemeend, dat deze wereld -eeuwig was en geen begin noch einde had. Maar de onhoudbaarheid dezer -meening wordt thans algemeen toegestemd; er zijn vele overwegingen, -die den eindigen duur der wereld boven allen twijfel verheffen. De -omdraaiingssnelheid der aarde neemt volgens berekening minstens ééne -seconde in 600,000 jaren af; hoe weinig dit ook zij, het brengt na -billioenen van jaren toch op aarde een omkeer in de verhouding van dag -en nacht teweeg, welke aan alle leven een einde maakt. Voorts wordt -de rotatie der aarde voortdurend door den invloed van ebbe en vloed -vertraagd, wijl deze de deelen der aarde verplaatst en den voorraad -kinetische energie vermindert; de aarde nadert daarom steeds de zon -en moet eindelijk in haar verdwijnen. Vervolgens is de ruimte, waarin -de planeten zich bewegen, niet volstrekt ledig, maar met aether of -verdunde lucht gevuld, die, hoe zwak dan ook, de beweging tegenhoudt, -de omdraaiingssnelheid vermindert, de baan der planeten doet inkrimpen -en ze alzoo steeds meer in de nabijheid der zon doet komen. Verder -kan ook de zon niet altijd duren; hetzij zij hare warmte produceere -door invallende meteorieten of door voortdurende inkrimping of door -chemische werkingen, zij verbruikt die warmte allengs, verkleint -haar omvang, trekt zich saam en gaat haar einde te gemoet; volgens -Thompson zou de middellijn der zon jaarlijks 35 meter afnemen en zou -zij, daar zij reeds 20 millioen jaren geschenen had, nog slechts een -10 millioen jaren kunnen bestaan. Kinetische energie toch kan zich -wel in warmte omzetten, maar warmte niet meer in kinetische energie, -tenzij zij uitstroome op een kouder lichaam. Als de temperatuur dus -eens overal gelijk zal zijn, houdt de omzetting van warmte op en is -het einde der dingen bereikt. De vraag is dus maar, wie van beide, -de zon of de aarde, het het langst uithouden zal; indien de zon, -dan wordt de aarde ten slotte door haar verslonden en eindigt alles -met verbranding; indien de aarde, dan houdt eens alle warmte op en -gaat het leven onder in den dood der verstijving. Daarbij komen nog -allerlei andere gronden voor de eindigheid der wereld; het water der -aarde moet wegens zijne chemische verwantschap met de mineralen steeds -afnemen; water en zuurstof worden almeer aan vaste stoffen verbonden; -de producten der aarde, steenkolen, hout, turf, voedingsmiddelen, -verminderen; de aarde, hoe rijk ook, raakt eenmaal uitgeput, en dit te -spoediger, naarmate het menschelijk geslacht toeneemt en het gevaar van -overbevolking dreigt. Voor eene optimistische verwachting aangaande -de toekomst is er daarom op het standpunt der wetenschap volstrekt -geen plaats. Toch hebben velen zich daaraan overgegeven en van een -gestadigen vooruitgang en een toekomstig paradijs der menschheid in het -Diesseits gedroomd. Humanisten en materialisten wedijveren met elkander -in het koesteren van dergelijke illusiën, achten door het principe der -kosmische evolutie hunne broodprofetieën gewaarborgd en oordeelen, dat -door de vermeerdering van ideale goederen, zooals wetenschap, kunst, -zedelijkheid, of door den vooruitgang in stoffelijke welvaart, door -overvloed van voedsel en deksel en kleeding, het geluk der menschheid -eenmaal ten volle bereikt worden zal. Kant, Lessing, Herder, Fichte, -Schelling enz., achtten eene toekomst aanstaande, waarin het ethische -Godsrijk allen omvatten, de Aufklärung aller deel en de humaniteit het -beginsel van aller leven zou zijn. Zelfs Darwin spreekt aan het slot -van zijn boek over het Ontstaan der soorten en in het laatste hoofdstuk -van zijne Afstamming des menschen de hope uit, dat de mensch, die van -zijn dierlijken oorsprong thans reeds zoo hoog is opgeklommen, eene -nog hooger bestemming in eene verwijderde toekomst tegemoet gaat. In -die toekomst zal volgens Pierson, Eene Levensbeschouwing 269, het -huwelijk door de edelsten niet meer worden begeerd, maar zal de man -met de vrouw als met zijne zuster verkeeren en de wellust niet meer de -dood van den levenslust zijn, of zal volgens anderen het huwelijk bij een -hoogbeschaafd volk mettertijd den vorm van een dubbelhuwelijk aannemen -en twee vrienden gezamenlijk twee vrouwen huwen. Nog buitensporiger zijn -de verwachtingen van de socialisten, deze chiliasten van het ongeloof, -die meenen, dat in den toekomststaat naar hun model alle zonde en -strijd verdwenen en een onbezorgd, tevreden leven aller voorrecht -zal zijn. Maar, gelijk gezegd is, veel grond bestaat er voor zulke -verwachtingen niet. En al zou er ook een tijd van meerdere welvaart -en grooter geluk voor de menschheid aanbreken, wat zou het voordeel -daarvan zijn, als toch alle ontwikkeling, gelijk de wetenschap leert, -ten slotte moest ondergaan in den dood? Fr. van Hellwald weet aan het -slot van zijne Kulturgeschichte op de vraag, waartoe alles geweest is, -waartoe ook de mensch met zijn worstelen en streven, zijn beschaving -en ontwikkeling bestaan heeft, niet het minste antwoord te geven. En -Otto Henne-Am Rhyn eindigt zijne Kulturgeschichte met de voorspelling, -dat heel de menschheid met haar cultuur eens spoorloos verdwijnen zal; -einst wird Alles, was wir gethan, nirgends mehr aufzufinden sein; en -hij kan zich daartegenover alleen troosten met de gedachte, dat het -nog langen tijd duren zal, eer het zoover is. Wie zonder God en zonder -Christus leeft, en alles van het Diesseits, van immanente, kosmische -krachten verwachten moet, is ook zonder hope in de wereld. Zelfs de -cultuur is niet eindeloos te denken. Milliarden van jaren kunnen in -het verleden of in de toekomst der wereld wel willekeurig aangenomen -maar niet concreet, gevuld met geschiedenis, gedacht worden. Als bijv. -de menschheid eens duizend millioen jaren oud werd, zou een leerboek -over de wereldgeschiedenis, dat eene eeuw op tien bladzijden afhandelde, -niet minder dan tweehonderdduizend deelen vormen, elk deel gerekend -op vijfhonderd bladzijden, of nog twintigduizend deelen, als aan elke -eeuw slechts ééne bladzijde, of nog vijfhonderd deelen, indien aan elke -eeuw niet meer dan één regel gewijd werd. En zoo zou het zijn met al -wat den inhoud onzer cultuur vormt. De mensch en de menschheid zijn -eindig, en daarom is ook hunne beschaving niet eindeloos te denken. -Een oneindige tijd is zoowel voor de aarde als voor ons geslacht eene -ongerijmdheid, die nog tastbaarder is dan de dwaasheid van de millioenen -van jaren, uit heidensche mythologieën ons bekend. Op het standpunt der -wetenschap is er veel meer grond, om het pessimisme van Schopenhauer -en Ed. von Hartmann aan te nemen, dat de verlossing der wereld stelt -in de bestrijding van den alogischen wil door de logische voorstelling, -in de absolute Willensverneinung, dat is in de vernietiging der wereld -zelve. Maar ook dan is er niet de minste waarborg, dat de absolute wil -niet tot een ander wereldproces overgaat en tot in het oneindige toe -altijd weer van voren aan begint. Vele Grieksche wijsgeeren hielden het -ervoor, dat aan deze wereld vele andere voorafgegaan waren en op haar -vele andere zouden volgen; zelfs waren de Pythagoreërs en de Stoicijnen -van oordeel, dat alles precies zoo terugkeeren zou, als het op deze -wereld bestond en in vroegere bestaan had; en ook thans zijn velen, bijv. -Haeckel, Die Welträthsel 430, tot dergelijke gevoelens teruggekeerd, -ofschoon Windelband, Geschichte und Naturwissenschaft, Strassburg 1900 -S. 22 het terecht eene pijnlijke gedachte noemt, dat in der periodischen -Wiederkehr aller Dingen auch die Persönlichkeit mit allem ihrem Thun -und Leiden wiederkehren soll. Cf. Lange, Gesch. des Materialismus⁴ -552 f. Pesch, Die grossen Welträthsel² II 352 f. Mühlhäusser, Die -Zukunft der Menschheit Heilbron 1881. Reiff, Die Zukunft der Welt² -Basel 1875. Fürer, Weltende und Endgericht, Gütersloh 1896. Siebeck, -Religionsphilos. 1893 S. 399-427. Caro, La question du progrès, in zijne -Problèmes de morale sociale, Paris 1887 p. 251. Orr, Christian View 369. - - -2. De religie heeft zich nooit met deze idee van eene eindelooze -ontwikkeling of van een algeheelen ondergang der wereld verzoend. -Verschillende redenen hielden haar van het overnemen dezer wijsgeerige -theorieën terug. Immers is het voor geen tegenspraak vatbaar, dat al -dergelijke voorstellingen aan de waarde der persoonlijkheid tekort doen -en deze opofferen aan het geheel. Voorts miskennen zij de beteekenis van -het godsdienstig-zedelijk leven en stellen dit verre beneden de cultuur. -En eindelijk bouwen zij voor het heden en voor de toekomst alleen op de -krachten, die in den kosmos immanent zijn en rekenen hoegenaamd niet met -eene Goddelijke macht, die de wereld bestuurt en haar ten slotte door -rechtstreeksche ingrijping beantwoorden doet aan het door haar gestelde -doel. Alle godsdiensten hebben daarom eene andere verwachting voor de -toekomst. Zij kennen alle in meer of minder duidelijke mate een strijd van -het goede en kwade; alle koesteren zij de hope van de zegepraal van het -goede, waarbij de deugdzamen beloond en de goddeloozen gestraft worden; -en meestal achten zij die toekomst ook niet anders bereikbaar dan door -eene openbaring van bovennatuurlijke krachten, cf. deel III 229. In de -perzische religie werd zelfs aan het einde der derde wereldperiode de -verschijning van den derden zoon van Zarathustra, Sosiosh, verwacht, -die een duizendjarig vrederijk inleiden en het verlossingswerk van -zijn vader voltooien zou, Saussaye, Religionsgesch. II 51. Hartmann, -Rel. I 239. Herzog² 11, 239. En onder de Mohammedanen kwam naast het -geloof aan de wederkomst van Jezus ook langzamerhand de verwachting -van een Mahdi op, die de geloovigen weder in den gouden tijd van de -„vier rechtvaardige Khalifs” terugvoeren zou, Dr. C. Snouck Hurgronje, -Der Mahdi, Separatabdruck von der „Revue Coloniale Internationale” -1885. Bij Israel werd de verwachting aangaande de toekomst gebouwd op -den grondslag van het verbond, dat God met Abraham en zijn zaad had -opgericht. Dit verbond toch draagt een eeuwig karakter en wordt door -’s menschen ontrouw niet teniet gedaan, deel III 195. Reeds in de wet -betuigt God herhaaldelijk aan het volk van Israel, dat Hij, wanneer het -zijn verbond overtreedt, het met de zwaarste straffen bezoeken maar zich -daarna toch weer zijner ontfermen zal. Als Israel om zijne zonden onder -de volken verstrooid en zijn land verwoest zal zijn, dan zal de Heere in -dien tijd door het aannemen van andere volken Israel tot jaloerschheid -verwekken en daarna het bekeeren en terugvoeren in zijn land, het -zegenen met allerlei geestelijke en stoffelijke zegeningen en wrake doen -over al zijne vijanden, Lev. 26, Deut. 4:23-31, 30:1-10, 32:15-43. Na -de belofte aan Davids huis, dat het bestendig en zijn stoel vast zou -zijn tot in eeuwigheid, 2 Sam. 7:16, 23:5, 1 Chr. 17:14, krijgt in de -verwachting aangaande Israels toekomst dit element hoe langer hoe meer -beteekenis, dat de bekeering en het herstel van Israel niet anders zal -tot stand komen dan door den gezalfden koning uit Davids geslacht. -In de profetie worden deze gedachten breeder ontwikkeld en nemen zij, -ondanks de eigenaardigheid, die zij bij elk der profeten dragen, steeds -vaster vormen aan. - -In de verwachting, welke het Oude Test. koestert aangaande de toekomst -van het volk Gods, zijn de volgende momenten duidelijk te onderscheiden. -Alle profeten verkondigen 1º aan Israel en Juda _een dag des gerichts -en der straf_. De יום יהוה, dat is, de tijd, waarin de Heere zich over -zijn volk ontfermen en zich aan zijne vijanden wreken zal, werd door de -profeten gansch anders dan door het volk opgevat. Het volk misbruikte -deze verwachting en dacht, dat Ihvh het, afgedacht van zijn geestelijken -toestand, tegen alle gevaar beschermen zou, Am. 5:18, 6:13, Jer. 29, -Ezech. 33:23v. Maar de profeten zeiden, dat de dag des Heeren ook voor -Israel een dag des gerichts zou zijn; het volk zou in ballingschap gaan -en zijn land aan de verwoesting worden prijs gegeven, Am. 2:4v., 5:16, -18, 27, 6:14 enz., Hos. 1:6, 2:11, 3:4, 8:13, 9:3, 6, 10:6, 11:5, -13:12, 14:1, Joël 2:1v., Mich. 3:12, 4:10, 7:13, Zef. 1:1-18, Hab. -1:5-11, Jes. 2:11v., 5:5v., 7:18v., Jer. 1:11-16 enz. Maar toch, die -straf is 2º _tijdelijk_. Er komt een einde aan na vele dagen, Hos. 3:3, -na enkele dagen, dat is na een korten tijd, 6:2, na zeventig jaren, Jer. -25:12, 29:10, na driehonderd en negentig jaren voor Israel en veertig -jaren voor Juda, Ezech. 4:4v. God kastijdt zijn volk met mate, Jes. -27:7v., Jer. 30:11, Hij verlaat het slechts voor een kleinen tijd; zijn -toorn is klein, maar zijne goedertierenheid is eeuwig, Jes. 54:7, 8. Hij -heeft zijn volk lief met eene eeuwige liefde, en zal zich daarom weder -ontfermen, Mich. 7:19, Jer. 31:3, 20. Hij kan zijn volk niet verderven, -al schudt Hij het ook als in eene zeef, Am. 9:8, 9. Zijn berouw is in -Hem ontstoken, Hos. 11:8. Hij gedenkt zijn verbond, Ezech. 16:60. Hij -zal zijn volk verlossen, niet om Israels wil, maar om zijns naams wil, -om zijn roem onder de Heidenen, Deut. 32:27, Jes. 43:25, 48:9, Ezech. -36:22. Aan het einde van den straftijd zendt God 3º _den Messias_ uit -Davids huis. Obadja spreekt nog in het algemeen van heilanden, die -de op Zion ontkomene gemeente beschermen, vs. 17, 21, cf. Jer. 23:4, -33:17, 20, 21, 22, 26. Amos zegt, dat God na het gericht over Israel -de vervallen hut van David weer oprichten zal, 9:11. Hosea verwacht, -dat de kinderen Israels zich bekeeren zullen en den Heere zoeken en -ook David hunnen koning, 1:11, 3:5, cf. Jer. 30:9, Ezech. 34:23, 24, -37:22-24. Micha profeteert, dat Israel niet eerder uit de macht der -vijanden verlost zal worden, voordat uit het Davidisch koningshuis -te Bethlehem de Heerscher geboren zal zijn, 5:1, 2. Dat Hij niet uit -Jeruzalem maar, evenals David zelf, uit Bethlehem zal voortkomen, -bewijst, dat het Davidisch koningshuis den troon verloren heeft en tot -een staat van nederheid vervallen is. Jesaja zegt dan ook, dat er -een rijsje zal voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, 11:1, 2, -en Ezechiël drukt dezelfde gedachte aldus uit, dat de Heere van den -oppersten tak des hoogen ceders een klein, teeder takje nemen zal, -17:22. God zal hem als eene spruite aan Davids huis doen uitspruiten, -Jes. 4:2, Jer. 23:5, 6, 33:14-17, zoodat hij daarnaar ook den naam van -Spruite draagt, Zach. 3:8, 6:12. In Israels lijdenstijd geboren, zal deze -Davidide opgroeien in armoedige omstandigheden, Jes. 7:14-17; Hij is een -koning, maar rechtvaardig, zachtmoedig, nederig en daarom rijdende op -het veulen eener ezelin, Zach. 9:9; met de koninklijke verbindt hij de -profetische, Deut. 18:15, Jes. 11:2, 40-66, Mal. 4:5 en de priesterlijke -waardigheid, Jes. 53, Jer. 30:21, Zach. 3, 6:13, Ps. 110; het rijk, -dat Hij komt stichten, is een rijk van gerechtigheid en vrede, Jes. 11, -40-66, Mich. 5:9, Ps. 72, 110; Hij is en verwerft zelf de gerechtigheid -en het heil voor zijn volk, Jes. 11, 42, 53, Jer. 23:5, 6, Ps. 72 -enz. Zijne verschijning heeft daarom niet eerst plaats na den dag des -gerichts, maar gaat daaraan vooraf; Juda wordt eerst verlost, als God -aan David eene spruite schenken zal, Jes. 9:1-16, 11:1v., Jer. 23:5, -6, 33:14-17. Tot de weldaden 4º, die door dezen Gezalfde aan zijn volk -geschonken zullen worden, behoort allereerst de _terugkeer_ uit het -land der ballingschap. Land, volk, koning en God behooren bijeen; het -herstel van Israel begint daarom met terugkeer uit de ballingschap, -Am. 9:14, Hos. 11:11, Mich. 4:6, Joel 3:1, Jes. 11:11, Jer. 3:18, -Ezech. 11:17 enz. Die terugkeer zal volgens de schildering van Jesaja -buitengewoon heerlijk zijn; de wildernis zal bloeien als eene roos, -bergen zullen geslecht en dalen gevuld worden; er zal een gebaande weg -zijn, waarop ook de blinde niet dwalen kan, 35:1-9, 41:17-20, 42:15, 16, -43:19, 20 enz. In dien terugkeer zal zoowel Israel als Juda deelen, Am. -9:9-15, Hos. 1:11, 14:2-9, Jes. 11:13, Jer. 3:6, 18, 31:27, 32:37-40, -Ezech. 37:17, 47:13, 21, 48:1-7, 23-29. Maar aan deze verwachting -beantwoordde de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap slechts -zeer ten deele. De na-exilische profeten zien daarom in dien terugkeer -slechts een begin van de vervulling der beloften, maken hunne -verwachting los van een terugkeer uit de ballingschap, en spreken, -behalve Zach. 8:13, niet meer van de tien stammen; de teruggekeerden -beschouwden zich als de vertegenwoordiging van het gansche Israel, -Ezr. 6:17. Trouwens vatten al de profeten 5º den terugkeer uit de -ballingschap tevens in ethischen zin, als eene _bekeering_ van Israel, -op. Vergadering uit de volken en besnijdenis des harten gaan saam, Deut. -30:3-6. Lang niet allen zullen terugkeeren en zich bekeeren tot den -Heere; velen, de meesten zullen in het gericht, dat de dag van Ihvh ook -over Israel brengen zal, omkomen. De Heere zal het huis Jakobs wel niet -ganschelijk verderven, maar Hij zal het toch schudden als in een zeef -en de zondaars doen sterven door het zwaard, Am. 9:8-10. Als de Heere -Israel en Juda wederbrengt, zal Hij hen eerst in de woestijn leiden en -daar met hen richten en de goddeloozen uitzuiveren, Hos. 2:13, Ezech. -20:34v. Vele mannen zullen dan vallen, zoodat zeven vrouwen éénen man -zullen aangrijpen, Jes. 3:25-4:1. De verdelging is vastelijk besloten, -slechts een overblijfsel zal wederkeeren, Jes. 4:13, 6:13, 7:3, 10:21, -11:11. De Heere zal de kinderen Israels dorschen en dan één bij één -oplezen, Jes. 27:12. Hij zal de hoogmoedigen verdoen, maar een arm en -ellendig volk doen overblijven, Zeph. 3: 21, en zijn werk in het leven -behouden, Hab. 3:2. Eén uit eene stad en twee uit een geslacht zullen -wedergebracht, Jer. 3:14, twee deelen zullen uitgeroeid maar het -derde deel gelouterd worden, Zach. 13:8, 9. Maar deze overgeblevenen -zullen dan den Heere tot een heilig volk zijn, dat Hij zich ondertrouwt -in eeuwigheid, Hos. 1:10, 12, 2:15, 18, 22, Jes. 4:3, 4, 11:9. De -Heere vergeeft hun alle ongerechtigheid, wascht hen van al hunne -onreinheid, geeft hun een nieuw hart, stort zijnen Geest op allen uit, -doet alle afgoderij en tooverij uit haar midden verdwijnen, en richt een -nieuw verbond met hen op, Mich. 5:11-14, Joel 2:28, Jes. 44:21-23, -43:25, Jer. 31:31, Ezech. 11:19, 36:25-28, 37:14, Zach. 13:2 enz. Een -onreine zal er onder hen niet meer zijn, Jes. 52:1, 11, 12; allen zijn -zij rechtvaardigen, Jes. 60:21, die, door God geleerd, Hem kennen, op -zijn naam vertrouwen en geen onrecht doen of leugen spreken, Jes. -54:13, Jer. 31:31, Zeph. 3:12, 13. Alles zal er heilig zijn, tot zelfs -de bellen der paarden toe, Zach. 14:20, 21. Want de heerlijkheid des -Heeren is over hen opgegaan, Zach. 2:5, Jes. 60:1, en God zelf woont -onder hen, Ob. 21, Joel 3:17, Hos. 2:22, Zach. 2:10, 8:8 enz. Deze -geestelijke weldaden sluiten 6º voor de Oudtest. profetie de verwachting -in van _het herstel van tempel en eeredienst_. Volgens Obadja zal er -op Sion ontkoming zijn; daar wonen de heilanden, die Israel beschermen -en zijne vijanden richten zullen, vs. 17, 21. Joel profeteert, dat de -Heere wonen zal op Sion, zijnen heiligen berg en dat Jeruzalem eene -heiligheid zal zijn, die niet meer voor vreemden toegankelijk en eeuwig -van duur zal zijn, 3:17, 20. Amos verwacht, dat de steden van Palestina -herbouwd en bewoond en Israel er nimmermeer uit verdreven zal worden, -9:14, 15. Micha verkondigt, dat, al zal Sion ook als een akker geploegd -en Jeruzalem tot een steenhoop worden, 3:12, toch de berg van het -huis des Heeren vastgesteld zal zijn op den top der bergen, dat uit -Sion de wet zal uitgaan en des Heeren woord uit Jeruzalem, en dat de -Heere op Sion wonen zal, 4:1, 2, 7, 7:11. Dezelfde gedachte wordt door -Jesaja uitgesproken, 2:2, die er voorts nog aan toevoegt, dat Sion en -Jeruzalem, koningschap en priesterschap, tempel en altaar, offeranden -en feestdagen hersteld zullen worden, 28:16, 30:19, 33:5, 35:10, 52:1, -56:6, 7, 60:7, 61:6, 66:20-23. Evenzoo verwacht Jeremia, dat Jeruzalem -herbouwd, des Heeren troon aldaar gevestigd, en de eeredienst in den -tempel vernieuwd zal worden, 3:16, 17, 30:18, 31:38, 33:18,21. Haggaï -voorspelt, dat de heerlijkheid van den tweeden tempel grooter zal zijn -dan die van den eersten, 2:6-10, en Zacharia verkondigt, dat Jeruzalem -herbouwd en uitgebreid, dat priesterschap en tempel vernieuwd zal -worden en dat God in Jeruzalem te midden van zijn volk wonen zal, 1:17, -2:1-5, 3:1-8, 6:9-15, 8:3v. Maar door geen der profeten wordt dit beeld -der toekomst zoo minutieus uitgewerkt als door Ezechiël. Nadat hij in -hoofdst. 34-37 gezegd heeft, dat Israel en Juda weder door den Heere -vergaderd, als één volk onder den eenigen herder uit Davids huis Hem -ten eigendom aangenomen en met een nieuw hart en een nieuwen geest -begiftigd zal worden, en dan in hoofdst. 38 en 39 voorspeld heeft, dat -Israel, in zijn land teruggekeerd, nog één laatsten aanval van Gog uit -Magog heeft te doorstaan, geeft hij in hoofdst. 40-48 eene uitgewerkte -teekening van het Palestina der toekomst. Het land aan de westzijde van -den Jordaan zal door evenwijdige lijnen verdeeld worden in bijna gelijke -strooken. De bovenste zeven worden bewoond door de stammen Dan, Aser, -Naftali, Manasse, Efraïm, Ruben, Juda, en de benedenste vijf door -Benjamin, Simeon, Issaschar, Zebulon en Gad. Tusschen deze bovenste en -benedenste deelen des lands wordt eene strook lands afgezonderd voor -den Heere. In het midden van deze 25000 el breede en lange strook ligt -een hooge berg; en daarop is de met de heerlijkheid des Heeren vervulde -tempel gebouwd, die 500 el in het vierkant bedraagt en door eene ruimte -van 500 el aan elke zijde is omringd. Daaromheen ontvangen de priesters, -die allen zonen Zadoks moeten zijn, in het zuiden en de Levieten in het -noorden hun woonplaats van 25000 el lengte en 10000 el breedte, terwijl -in het oosten en westen een gedeelte van de heilige strook toegewezen -wordt aan den vorst. De stad Jeruzalem is van den tempel gescheiden en -ligt ten zuiden van het land, dat den priesters is toegewezen, in eene -vlakte van 25000 el lengte en 5000 el breedte. Aan elke zijde van de -stad bevinden zich in den muur drie poorten, naar het getal der stammen -Israels. Op de groote feesten komt heel Israel naar den tempel om te -offeren, maar aan de Heidenen is de toegang tot den tempel verboden. -Indien Israel zoo naar Gods inzettingen leeft, zal het rijken zegen -genieten; van onder den dorpel van de tempeldeur stroomt eene beek, -die voortdurend zich verdiept, het land vruchtbaar en zelfs het water -der doode zee gezond maakt; en aan hare oevers staat geboomte, welks -vruchten tot spijze en welks bladeren tot genezing dienen. - -Bij deze geestelijke weldaden komen 7º allerlei _stoffelijke zegeningen_. -Israel zal onder den vredevorst uit Davids huis in veiligheid wonen. -Oorlog zal er niet meer zijn; boog en zwaard worden verbroken, Hos. -2:17, paarden en wagenen verdaan, vestingen vernield, Mich. 5:9, 19, -zwaarden tot spaden en spiesen tot sikkelen geslagen, en allen zullen -neerzitten onder hun wijnstok en vijgeboom, Jes. 2:4, Mich. 4:3, 4, want -het koninkrijk is des Heeren en Hij is hunne sterkte, Ob. 21, Joel 3:16, -17. Het land zal eene buitengewone vruchtbaarheid ontvangen, zoodat -de bergen van zoeten wijn druipen en de heuvelen van melk vlieten; -eene fontein, uitgaande uit het huis des Heeren zal het dorre land -bevochtigen en de woestijn in een Eden herscheppen; het boos gedierte -zal verdreven zijn, vijanden zullen den oogst niet meer rooven, en alle -geboomte, te rechter tijd door malschen regen verkwikt, zal overvloedig -vruchten dragen, Am. 9:13, 14, Hos. 2:17, 20, 21, 14:6, Joel 3:18, Jes. -32:15-20, 51:3, 60:17, 18, 62:8, 9, 65:9, 22, Jer. 31:6, 12-14, Ezech. -34:14, 25, 26, 29, 36:29, 47:1-12, Zach. 8:12, 14:8, 10. Er zal zelfs -een groote omkeer in heel de natuur plaats hebben; de dieren ontvangen -een anderen aard, Jes. 11:6-8, 65:25, hemel en aarde worden vernieuwd -en de vorige dingen niet meer gedacht, Jes. 34:4, 51:6, 65:17, 66:22; -zon en maan worden veranderd, het licht der maan wordt als de zon en -het licht der zon wordt zevenvoudig versterkt, Jes. 30:26; ja zon -en maan houden op, het wordt een eenige dag, want de Heere zal zijn -tot een eeuwig licht, Jes. 60:19, 20, Zach. 14:6, 7. En ook in de -menschenwereld zal de verandering groot zijn. Als Israel vergaderd zal -zijn, zal Palestina van menschen deunen, Mich. 2:12, 13; het zaad der -kinderen Israels zal zijn als het zand der zee, en vooral zal dat van -Davids huis en van de levieten vermenigvuldigd worden, Hos. 1:10, -Jes. 9:2, Jer. 3:16, 33:22. Vanwege de veelheid der menschen en der -beesten zal Jeruzalem niet te meten zijn en dorpsgewijze bewoond moeten -worden, Zach. 2:1-4. Deze wonderbare vermeerdering heeft verschillende -oorzaken. Vele Israelieten zullen, als een gedeelte reeds teruggebracht -is, naar Jeruzalem komen en in den zegen Israels willen deelen, Zach. -2:4-9, 8:7, 8, Jer. 3:14, 16, 18; ja, als de boden des Heeren dien -zegen onder de Heidenen bekend maken, zullen dezen de onder hen nog -wonende Israelieten in wagenen en draagstoelen, met paarden, muildieren -en snelle loopers naar Jeruzalem brengen, Jes. 66:19, 20. Voorts zullen -ook de gestorven Israelieten in die zegeningen deelen. Heel Israel kan -gezegd worden, uit den dood in het leven te zijn wedergebracht, Hos. -6:2, 13:14, Jes. 25:8, Ezech. 37:1-14, maar bepaaldelijk verkondigen -Jesaja, 26:19 en Daniel, 12:2, dat ook de verslagen Israelieten zullen -opstaan en althans voor een deel ten eeuwigen leven zullen ontwaken. En -eindelijk zullen ook alle burgers van het Godsrijk een hoogen ouderdom -bereiken. Er zal daar niet meer zijn een zuigeling van slechts weinige -dagen, noch een oud man, die zijne dagen niet vol maakt, want wie -sterft als een knaap zal honderd jaren oud worden, en de zondaar, die -honderd jaren oud sterft, zal geacht worden, om zijne zonde door een -vloek getroffen en daarom zoo vroeg gestorven te zijn, Jes. 65:20, -cf. Zach. 8:4, 5. Ook zal er geen ziekte meer wezen en geen rouw en -gekrijt, 25:8, 30:19, 65:19, ja de Heere zal den dood vernietigen en -verslinden tot overwinning, 25:8. Eindelijk 8º zullen in dien zegen van -het Godsrijk ook de _Heidenen_ deelen. Door heel de Oudtest. profetie -loopt de gedachte, dat God het bloed zijner knechten aan zijne vijanden -wreken zal. Aan verschillende volken, Philistea, Tyrus, Moab, Ammon, -Edom, Assur, Babel, kondigen daarom de profeten Gods oordeelen aan. -Maar die oordeelen strekken toch niet tot verderf maar tot behoud der -Heidenen; in Abrahams zaad worden alle volken der aarde gezegend. -Wel treedt bij den eenen profeet meer de politieke zijde van deze -onderwerping van de Heidenen onder Israel op den voorgrond, en bij een -ander de godsdienstige, geestelijke zijde. Maar allen verwachten toch, -dat de heerschappij van den Messias zich tot alle volken uitbreiden zal, -cf. Ps. 2, 21, 24, 45, 46, 47, 48, 68, 72, 86, 89, 96, 98 enz. Israel -zal de Heidenen erfelijk bezitten, Am. 9:12, Ob. 17-21; zij zullen wel -geoordeeld worden, Joel 3:2-15, maar alwie den naam des Heeren zal -aanroepen, zal behouden worden, want op Zion is ontkoming, 2:32. De -Heerscher uit Bethlehem zal groot zijn tot aan de einden der aarde en -Israel tegen zijne vijanden beschermen, Mich. 5:3v., maar de Heidenen -zullen toch naar Zion gaan, om des Heeren wegen te leeren, 4:1, 2. -Nadat de Heere alle goden der volken verdelgd heeft, Zef. 2:4-11, -3:8, zullen de eilanden der Heidenen zich voor Hem buigen, en zal Hij -allen volken reine lippen geven, om zijnen naam aan te roepen, 2:11, -3:9. Ethiopië zal den Heere geschenken brengen in Zion, Jes. 18:7, -Egyptenaren en Assyriërs zullen Hem dienen, 19:18-25, Tyrus zal haar -loon den Heere afstaan, 23:15-18, en allen volken zal Hij op Zion een -vetten maaltijd bereiden, 25:6-10; ja de knecht des Heeren zal ook tot -een licht der Heidenen zijn, de heerlijkheid des Heeren door zijne boden -ook onder de volken der aarde bekend maken, en ook door dezen gediend -worden; het huis des Heeren zal een bedehuis zijn voor alle volken; -allen zullen daar offers brengen, den Heere aanbidden en naar zijnen -naam zich noemen, en Israels kudde weiden en zijne akkers bouwen, terwijl -de Israelieten zich als priesters geheel aan den dienst van Ihvh wijden -kunnen, 40-66 passim. Als Israel hersteld en Jeruzalem des Heeren troon -zal zijn, zullen aldaar alle Heidenen om den naam des Heeren vergaderd -worden, zich in den Heere zegenen en in Hem zich beroemen, Jer. 3:17, -4:2, 16:19-21, 33:9. Alle volken zullen aan het eind erkennen, dat de -Heere God is, Ezech. 16:61, 17:24, 25:5v., 26:6, 28:22, 29:6, 30:8v. -Alle Heidenen zullen hunne kostbaarheden naar Jeruzalem brengen en het -huis des Heeren met heerlijkheid vervullen, Hagg. 2:7-10. Zij zullen -komen en zeggen: laat ons heengaan, om te smeeken het aangezicht des -Heeren; en tien mannen zullen de slip van een Joodschen man grijpen -en met hem willen gaan, omdat God met hem is, Zach. 2:11, 8:20-23, -14:16-19. Het volk der heiligen ontvangt de heerschappij over alle -natiën der aarde, Dan. 7:14, 27. Cf. de litteratuur, opgenoemd deel III -232 en voor de Messiaansche verwachtingen bij de Joden in Jezus’ tijd: -Schürer, Gesch. des jüd. Volkes im Zeitalter J. Chr. 3{te} Aufl. II -496-556. - - -3. Deze Messiaansche verwachtingen des Ouden Testaments dragen, gelijk -ieder terstond inziet, een zeer eigenaardig karakter; zij bepalen zich -tot eene toekomstige zaligheid op aarde. In het O. T. moge een enkele -maal de geloovige zijne hope uitspreken, dat hij na zijn dood in eeuwige -heerlijkheid zal worden opgenomen, deze verwachting is individueel en -staat op zichzelve; doorgaans richt het oog der profetie zich naar die -toekomst heen, waarin het volk Israels onder den koning uit Davids huis -veilig in Palestina wonen en over alle natiën der aarde heerschen zal. -Van eene opneming der geloovigen aan het einde der tijden in den hemel -der heerlijkheid is geen sprake, de zaligheid wordt niet in den hemel -maar op aarde verwacht. In verband daarmede kent de Oudtest. profetie -slechts ééne komst van den Messias. Wel weet zij, dat de Gezalfde -uit Davids huis geboren zal worden, als dit huis tot verval gekomen -is, en dat Hij aan het lijden van zijn volk deel zal hebben, ja dat Hij -als knecht des Heeren voor zijn volk lijden en zijne ongerechtigheden -dragen zal; Hij zal een gansch ander koning zijn dan de vorsten der -aarde, nederig, zachtmoedig, recht doende, zijn volk beschermende; Hij -zal niet alleen koning maar tevens profeet en priester zijn. Maar de -Oudtest. profetie scheidt in het leven van den Messias den staat der -vernedering en den staat der verhooging nimmer vanéén; zij vat beide in -één beeld saam; zij onderscheidt geen eerste en tweede komst en stelt -de laatste, die ten gerichte is, niet geruimen tijd na de eerste, welke -ter behoudenis strekt. Het is ééne komst, waarbij de Messias aan zijn -volk de gerechtigheid en de zaligheid schenkt en het tot heerschappij -brengt over alle volken der aarde. Het rijk, dat Hij komt stichten, is -daarom ook het voltooide Godsrijk. Zelf zal Hij wel als koning over zijn -volk regeeren maar Hij is dan toch niets meer dan een theocratisch -koning, die niet eigenmachtig heerscht maar in volstrekten zin Gods -regeering verwezenlijkt. De Oudtest. profetie maakt geen onderscheid -tusschen eene Christus- en eene Godsregeering; zij verwacht niet, dat de -Messias uit Davids huis, na tijdelijk geregeerd te hebben, zijn koninkrijk -Gode overdraagt; zij houdt de toekomst, welke zij schildert in het -Messiaansche rijk, niet voor «en tusschentoestand, die aan het einde -voor eene Godsregeering in den hemel plaats moet maken; zij beschouwt -het Messiaansche rijk als den eindtoestand en laat duidelijk het gericht -over de vijanden, het afslaan van den laatsten aanval, de verandering -der natuur, de opstanding uit de dooden aan de stichting en bevestiging -van dit rijk voorafgaan. En dit rijk wordt door alle profeten geschetst -in verven en kleuren, onder vormen en beelden, welke alle ontleend zijn -aan de historische omstandigheden, onder welke zij leefden. Palestina -zal hernomen, Jeruzalem herbouwd, de tempel met zijn offerdienst -hersteld, Edom en Moab en Ammon, Assur en Babel onderworpen, aan -alle burgers een lang leven, een rustig nederzitten onder wijnstok en -vijgeboom geschonken worden; het beeld der toekomst is door en door -Oudtestamentisch, het is geheel en al historisch en nationaal bepaald. -Maar in die aardsche, zinnelijke vormen legt de profetie een eeuwigen -inhoud; de schaal wordt drager van eene onvergankelijke kern, die ook in -het O. Test. er soms door henenbreekt. Terugkeer uit de ballingschap -en waarachtige bekeering vallen samen; de religieuse en de politieke -zijde van Israels overwinning over de vijanden zijn ten nauwste verbonden; -de Messias is een aardsch vorst maar ook een eeuwig koning, een koning -der gerechtigheid, een eeuwig vader voor zijn volk, een vredevorst, een -priesterkoning; de vijanden worden aan Israel onderworpen maar erkennen -daarin, dat de Heere God is en dienen Hem in zijnen tempel; deze tempel -met zijn priesterschap en offerdienst zijn het zichtbaar bewijs, dat alle -burgers des rijks met een nieuw hart en een nieuwen geest den Heere -dienen en wandelen in zijne wegen; en de buitengewone vruchtbaarheid des -lands onderstelt eene gansche verandering der natuur, de schepping van -een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. - -Het latere Jodendom bracht in deze Oudtest. verwachtingen allerlei -wijzigingen aan. Van zijne politieke heerschappij beroofd en onder de -volken verstrooid, begon het meer en meer rekening te houden met -het toekomstig lot der individuen en breidde zijn gezichtskring tot -de menschheid en tot heel de wereld uit. Israel zou wel eenmaal op -grond van zijne eigene, wettische gerechtigheid door den Messias tot -eene politieke heerschappij over alle volken gebracht worden; maar dit -Messiaansche rijk droeg een voorloopig, tijdelijk karakter en zou aan -het einde plaats maken voor een rijk Gods, voor eene zaligheid der -rechtvaardigen in den hemel, welke door de opstanding aller menschen -en door het algemeene wereldgericht werd ingeleid. De politieke en -de religieuse zijde, welke in het profetische beeld der toekomst ten -nauwste vereenigd waren, werden op die wijze uiteengerukt. Israel -verwachtte in Jezus’ dagen een zinnelijk, aardsch Messiasrijk, welks -toestand in de vormen en beelden der Oudtest. profetie beschreven werd. -Maar deze beelden en vormen werden nu in letterlijken zin opgevat; de -schaal werd met de kern, de zaak met het beeld, het wezen met den -vorm verwisseld; het Messiaansche rijk werd een politieke heerschappij -van Israel over de volken, eene periode van uitwendigen voorspoed en -bloei. En aan het einde daarvan had eerst na de algemeene opstanding -het wereldgericht plaats, waarbij een ieder geoordeeld werd naar zijne -werken en òf de zaligheid in den hemel tot loon òf de pijniging in de -gehenna tot straf voor zijne daden ontving. Op die wijze ontstond de leer -van het Chiliasme. Wel blijft een groot gedeelte der joodsche apocriefe -litteratuur nog bij de Oudtest. verwachtingen staan. Maar dikwerf, -vooral in de Apoc. van Baruch en in het vierde boek van Ezra, komt -toch de voorstelling voor, dat de heerlijkheid van het Messiaansche -rijk de laatste en de hoogste niet is, maar na een bepaalden tijd, die -menigmaal berekend en in den Talmud bijv. op 400 of op 1000 jaren -gesteld wordt, voor de hemelsche zaligheid van het Godsrijk plaats maken -zal. Het Chiliasme is dus niet van christelijken maar van joodschen -en voorts ook van perzischen oorsprong, boven bl. 426. Het berust -altijd op een compromis tusschen de verwachtingen van eene aardsche -en van eene hemelsche zaligheid en tracht de Oudtest. profetie in -dien zin tot haar recht te laten komen, dat het door haar een aardsch -Messiasrijk voorspeld acht, hetwelk na een bestemden tijd door het -Godsrijk vervangen zal worden. De sterkte van het Chiliasme schijnt nu -wel het Oude Testament te zijn, maar feitelijk is dit niet zoo; het Oude -Testament is beslist niet chiliastisch, het teekent in het Messiasrijk -het voltooide Godsrijk, dat zonder einde is en eeuwig duurt, Dan. 2:44, -en dat door gericht, opstanding en wereldvernieuwing voorafgegaan -wordt. Desniettemin vond het bij de Joden en ook bij vele Christenen -geloof en kwam telkens weer op, als de wereld hare Gode vijandige macht -ontwikkelde en de kerk deed lijden onder vervolging en druk. In den -oudsten tijd treffen wij het aan bij Cerinthus, in het testament der -XII patriarchen, bij de Ebionieten, bij Barnabas, Papias, Irenaeus, -Hippolytus, Apollinaris, Commodianus, Lactantius, Victorinus. Maar -het Montanisme maande tot voorzichtigheid; Gnostieken, Alexandrijnsche -theologen en vooral ook Augustinus bestreden het ten sterkste, en -de veranderde toestand der kerk, die de wereldmacht overwonnen had -en zichzelve hoe langer hoe meer voor het Godsrijk op aarde hield, -deed het langzamerhand geheel uitsterven. Bij vernieuwing kwam het op -vóór en tijdens de Reformatie, toen velen Rome als de valsche hoer en -den paus als den antichrist gingen beschouwen; het herleefde bij de -Wederdoopers, de Davidjoristen, de Socinianen, en stierf sedert niet -meer uit, ofschoon de officieele kerken het verwierpen. De politieke -beroeringen, de godsdienstoorlogen, de vervolgingen, de sectarische -bewegingen schonken er telkens nieuw leven aan. In Boheme werd het -gepredikt door Paul Felgenhauer en Comenius; in Duitschland door Jakob -Böhme, Ezechiel Meth, Gichtel, Petersen, Horche, Spener, J. Lange, S. -König; in Engeland door Joh. Archer, Newton, Joseph Mede, Jane Leade en -vele Independenten; in Nederland door Labadie, Ant. Bourignon, Poiret -enz. Zelfs Gereformeerde theologen neigden tot een gematigd Chiliasme, -zooals Piscator, Alsted, Jurieu, Burnet, Whiston, Serarius, Coccejus, -Groenewegen, Jac. Alting, d’Outrein, Vitringa, Brakel, Jungius, Mommers -e. a., cf. H. Brinck, Toetssteen der waarheid en meeningen 1691 bl. -656v. Voetius, Disp. II 1266-1272. Maresius, Syst. Theol. VIII 38. -Moor VI 155. M. Vitringa IX. Marck, Exspectatio gloriae futurae Jesu -Christi, 2 tomi, L. B. 1730. In de 18e en 19e eeuw vond het onder den -druk der maatschappelijke en staatkundige revolutiën niet alleen ingang -bij de Swedenborgianen, de Darbysten, de Irvingianen, de Mormonen, de -Adventisten enz., maar werd het na de realistische richting, ingeslagen -door Bengel, Oetinger, Ph. M. Hahn, J. M. Hahn, Hasenkamp, Menken, -Jung-Stilling, J. F. von Meyer enz., ook omhelsd door vele theologen in -de kerken der Reformatie, zooals Rothe, Theol. Ethik § 586 f. Hofmann, -Weiss. u. Erf. II 372 f. Delitzsch, Die bibl. proph. Theol. 6 f. Beck, -Christl. Gl. II. Auberlen, Der Prophet Daniel und die Offenb. Joh. 2e -Aufl. 1857 S. 372 f. Martensen, Dogm. § 280. Lange, Dogm. II 1271 f. -Luthardt, Die Lehre v. d. letzten Dingen³ 1885. Komp. d. Dogm. § 76. -Frank, Chr. Wahrh. II 463 f. Vilmar, Dogm. II 307. Ebrard, Dogm. § 572 -f. Oosterzee, Dogm. § 146. Saussaye, cf. mijne Theol. v. Ch. d. l. S. -71. Bogue, Redevoeringen over het duizendj. rijk, Gron. 1825. Guers, -Israels toekomst en herstel benevens eene schets van het duizendj. rijk -Amst. 1863. John Cumming, De groote verdrukking Amst. 1861. Id. De -verlossing nabij 1862. Id. De duizendj. rust 1863. Id. Beschouwingen -over het duizendj. rijk 1866 enz. Seiss, De komende Christus, Brussel -1892. Art. Chiliasmus in Herzog³ 3, 805-817 en de daar aangehaalde litt. - - -4. De grondgedachten van het Chiliasme zijn vrijwel bij allen dezelfde; -zij komen hierop neer, dat er eene tweeërlei wederkomst van Christus -en eene dubbele opstanding te onderscheiden valt; dat Christus bij -zijne eerste wederkomst de antichristelijke macht overwinnen, den Satan -binden, de gestorven geloovigen opwekken, de gemeente, inzonderheid -de gemeente van het bekeerde en naar Palestina teruggebrachte Israel -rondom zich vergaderen, van uit die gemeente over de wereld heerschen -en voor zijn volk een tijdperk van geestelijken bloei en stoffelijke -welvaart zal doen aanbreken; en dat Hij aan het einde van dien tijd -nog eenmaal wederkomen zal, om alle menschen uit den dood op te -wekken, voor zijn richterstoel te oordeelen en hun eeuwig lot te -bepalen. Maar deze grondgedachten laten toch allerlei wijzigingen toe. -De aanvang van het duizendjarig rijk werd verschillend bepaald; op -voorgang van den brief van Barnabas leerden vele kerkvaders en later -ook de Coccejanen, dat het beginnen zou met het zevende millennium -der wereld; de Fifth-monarchmen lieten het aanvangen na den val van -het vierde wereldrijk; Hippolytus stelde zijn begin in het jaar 500, -Groenewegen in 1700, Whiston in 1715 en later in 1766, Jurieu in 1785, -Bengel in 1836, Stilling in 1816 enz. De duur werd bepaald op 400 -(4 Ezra) of 500 (Evang. van Nicodemus) of duizend (Talmud enz.) of -tweemaal duizend (Bengel) of slechts 7 (Darby) of ook een onbepaald -aantal jaren, zoodat het getal in Op. 20:2, 3 symbolisch opgevat -wordt (Rothe, Martensen, Lange enz.). Enkelen meenen, dat er voor -de oprichting van het duizendjarig rijk geen wederkomst van Christus -(Kurtz); of althans geen zichtbare wederkomst (Darby), of eene slechts -voor de geloovigen zichtbare wederkomst (Irving) zal plaats hebben, -en dat er geen opstanding der geloovigen vóór het millennium behoort -aangenomen te worden (Bengel). Velen nemen wel aan, dat Christus na -zijne eerste wederkomst op aarde blijft, maar anderen zijn van meening, -dat Hij slechts even verschijnt, om zijn rijk op te richten en daarna -weder in den hemel zich terugtrekt. De regeering van Christus in het -millennium geschiedt volgens Piscator, Alsted enz. van uit den hemel. -In die heerschappij deelen dan de opgestane martelaren, die of in den -hemel werden opgenomen (Piscator) of op aarde achterbleven (Alsted), -of al de opgestane geloovigen, die hier op aarde blijven (Justinus, -Irenaeus enz.) of die Christus bij zijne verschijning in de wolken -tegemoet gevoerd worden in de lucht (Irving), of vooral het volk -Israel. Want doorgaans verwachten de chiliasten eene volksbekeering -van Israel, en de meesten stellen zich voor, dat het bekeerde Israel -naar Palestina zal teruggebracht worden en daar de voornaamste burgers -van het duizendjarig rijk zullen zijn (Jurieu, Oetinger, Hofmann, -Auberlen enz.). Als men een blijven van Christus op aarde na zijne eerste -wederkomst aanneemt, bepaalt men gewoonlijk het herbouwde Jeruzalem -als zijne woonplaats, hoewel de Montanisten indertijd aan Pepuza en -de Mormonen thans aan hun Zoutzeedal denken. Herstel van tempel en -altaar, van priesterschap en offerande werd in den regel, als al te -duidelijk met het Nieuwe Testament in strijd, verworpen, maar vond toch -nog verdediging bij de Ebionieten en in den nieuweren tijd bij Serarius, -Oetinger, Hess e. a. Van karakter en toestand van het duizendjarig -rijk maakt men zich zeer verschillende voorstellingen. Soms wordt het -beschreven als een rijk van zinnelijke genietingen (Cerinthus, Ebionieten -enz.); dan weer wordt het meer geestelijk opgevat, en alle genot van -spijze en drank, alle huwelijk en voortplanting eruit verwijderd (Burnet, -Lavater, Rothe, Ebrard). Meestentijds wordt het millennium beschouwd -als een overgangstoestand tusschen het Diesseits en het Jenseits; het -is een rijk, waarin de geloovigen voor de aanschouwing Gods worden -voorbereid (Irenaeus); waarin zij rust en vrede genieten, zonder nog -geheel van de zonde verlost en boven den dood verheven te zijn; waarin -de natuur (Irenaeus) en ook de menschen (Lactantius) buitengewoon -vruchtbaar zullen zijn; en waarin naar eene later geliefkoosde gedachte -de gemeente vooral haar zendingswerk aan de menschheid volbrengen zal -(Lavater, Ebrard, Auberlen enz.). Al deze wijzigingen formuleeren even -zoovele bezwaren tegen het Chiliasme; reeds voor de profetie van het -Oude Testament, waarop het zich bij voorkeur beroept, kan het niet -bestaan. Want, behalve dat, gelijk boven reeds gezegd is, het Oude -Testament in het Messiaansche rijk geen voorloopigen, tijdelijken toestand -maar het eindresultaat der wereldgeschiedenis ziet, maakt het Chiliasme -in de verklaring der profetie aan de grootste willekeur zich schuldig. -Het verdubbelt de wederkomst van Christus en de opstanding der dooden, -zonder dat het Oude Testament daar iets van weet. Het mist alle -regel en methode bij de uitlegging en maakt willekeurig halt, naar de -subjectieve meening van den interpreet. De profeten verkondigen allen -even luide en even krachtig, niet alleen de bekeering van Israel en -van de volken, maar ook den terugkeer naar Palestina, den herbouw van -Jeruzalem, het herstel van tempel, priesterschap en offerdienst enz. En -het is niets dan willekeur, den eenen trek van dit beeld letterlijk en -den anderen geestelijk op te vatten. Het is één beeld der toekomst, dat -de profetie ons teekent. En dit beeld is òf letterlijk te nemen, gelijk -het zich geeft, maar dan breekt men met het Christendom en valt in het -Jodendom terug; òf er is van dit beeld eene gansch andere verklaring te -geven, dan het Chiliasme beproeft. Zulk eene verklaring wordt door de -Schrift zelve ons aan de hand gedaan en moet door ons aan haar worden -ontleend. - - -5. Reeds in het Oude Test. zijn er vele aanwijzingen voor eene andere en -betere verklaring, dan het Chiliasme van de profetische verwachtingen -biedt. Zelfs de moderne geschiedbeschouwing van Israel erkent, dat -het Jahvisme der profeten door zijn zedelijk karakter zich onderscheidt -van de natuurgodsdiensten en allengs aan de godsdienstige wetten en -gebruiken onder Israel een geestelijke beteekenis heeft geschonken. -De ware besnijdenis is die des harten, Deut. 10:16, 30:6, Jer. 4:4; -de offeranden, die Gode aangenaam zijn, zijn een gebroken hart en een -verslagen geest, 1 Sam. 15:22, Ps. 40:7, 50:8v., 51:19, Hos. 6:6, Am. -5:21v., Mich. 6:6v., Jes. 1:11v., Jer. 6:20, 7:21v. enz.; het ware -vasten is het losmaken van de strikken der goddeloosheid, Jes. 58:3v., -Jer. 14:12; voor een groot deel is de strijd der profeten tegen den -uitwendigen, eigengerechtigen cultus van het volk gericht. Het wezen -van de bedeeling der toekomst bestaat dan ook daarin, dat de Heere een -nieuw verbond met zijn volk zal oprichten, dat Hij hun een nieuw hart -zal schenken en daarin zijne wet zal schrijven en dat Hij op allen zijnen -Geest zal uitstorten, zoodat zij Hem liefhebben met hun gansche hart -en in zijne wegen wandelen, Deut. 30:6, Jer. 31:32, 32:38v., Ezech. -11:19, 36:26, Joel 2:28, Zach. 12:10. En wel wordt nu die toekomst -geschilderd in beelden, aan de historische omstandigheden ontleend, -zoodat Zion en Jeruzalem, tempel en altaar, offerande en priesterschap -daarin eene groote plaats blijven innemen. Maar 1º bedenke men, dat ook -wij hetzelfde doen en van God en Goddelijke zaken, van geestelijke en -hemelsche dingen niet anders kunnen spreken dan in aardsche, zinnelijke -vormen. De Oudtest. eeredienst is door God ook daartoe ingesteld, opdat -wij niet in eigengemaakte maar in door Hemzelf ons gegeven, juiste -beelden van de hemelsche dingen naar waarheid zouden kunnen spreken. -Het Nieuwe Test. neemt daarom ook dit spraakgebruik over en gewaagt in -het toekomstige Godsrijk van Zion en Jeruzalem, van tempel en altaar, -van profeten en priesters; het aardsche is een beeld van het hemelsche, -Alles Vergängliche ist nur ein Gleichniss. Men vergete 2º niet, dat -alle profetie poezie is, die naar haar eigen natuur verklaard moet -worden. De fout van de vroeger heerschende exegese bestond niet in -hare vergeestelijking zonder meer, maar wel daarin, dat zij alle tot -illustratie dienende détails in een geestelijken zin wilde omzetten en -daarbij, evenals bij de gelijkenissen van Jezus, de hoofdgedachte dikwerf -uit het oog verloor. Als er bijv. gezegd wordt, dat de Heere een rijsje -verwekken zal uit den afgehouwen tronk van Isaï, dat Hij den berg -Zions verheffen zal op den top der bergen, dat Hij van de verbannenen -één uit eene stad en twee uit een geslacht zal wederbrengen, dat Hij -rein water op allen sprengen en hen van hunne zonden reinigen zal, -dat Hij de bergen van zoeten wijn zal doen druipen en de heuvelen zal -doen vlieten van melk enz., dan gevoelt elk, dat hij hierin met eene -poëtische beschrijving te doen heeft, die niet letterlijk kan of mag -worden opgevat. De realistische verklaring komt hier met zichzelve in -strijd en miskent het karakter der profetie. Ook is het 3º onjuist, dat -de profeten zelf het onderscheid van zaak en beeld zich volstrekt niet -bewust zouden geweest zijn. Niet alleen zijn de bovengenoemde poëtische -omschrijvingen zonder twijfel door de profeten als beeld opgevat, maar -met de namen van Sodom, Gomorra, Edom, Moab, Philistea, Egypte, Assur, -Babel duiden zij meermalen de macht der Heidenwereld aan, die eens aan -Israel onderworpen zal worden en in zijne zegeningen zal deelen, Ob. -16, 17, Jes. 34:5, Ezech. 16:46v., Dan. 2, 7v., Zach. 14:21. Zion is -dikwerf de naam voor het volk, voor de gemeente Gods, Jes. 49:14, 50:1, -51:3, 52:1, 54:1. En al kan de Oudtest. profetie zich het toekomstige -Godsrijk niet voorstellen zonder tempel en offerande, toch gaat zij -telkens boven alle nationale en aardsche verhoudingen uit en verkondigt -zij, dat er geen ark des verbonds meer wezen zal, wijl heel Jeruzalem -Gods troon is, Jer. 3:16, 17, dat het rijk van den Messias eeuwig zal -zijn en de gansche wereld omvatten, Ps. 2:8, 72:8, 17, Dan. 2:44, dat -alle inwoners profeten en priesters zullen zijn, Jes. 54:13, 61:6, Jer. -31:31, dat alle onreinheid en zonde, alle krankheid en dood er gebannen -zal zijn, 25:8, 33:24, 52:1, 11, Zach. 14:20, 21, Ps. 104:35, dat het -gesticht zal worden in een nieuwen hemel en op eene nieuwe aarde, en -geen zon of maan meer noodig zal hebben, Jes. 60:19, 20, 65:17, 66:22. -Zelfs het realistische toekomstbeeld van Ezechiel bevat elementen, die -eene symbolische verklaring noodzakelijk maken; de gelijke deelen, die -aan alle stammen, schoon zeer onderscheiden in getalsterkte, worden -toegewezen; de afgepaste strooken, die voor priesters, levieten en -vorst bestemd zijn; de scheiding van tempel en stad, de hooge ligging -van den tempel op een berg en de beek, die van onder den dorpel van -de oostelijke tempeldeur naar de doode zee stroomt; en ten slotte -de kunstmatige ineenzetting en de practische onuitvoerbaarheid, zij -verzetten zich tegen eene zoogenaamd realistische uitlegging. Eindelijk -4º is het bij de exegese des Ouden Testaments de vraag niet, of de -profeten zich geheel of ten deele bewust waren van het symbolisch -karakter hunner voorspellingen, want zelfs in het woord van klassieke -schrijvers ligt meer, dan zijzelven erbij gedacht of ermede bedoeld -hebben. Maar wel is het de vraag, wat de Geest van Christus, die in hen -was, ermede betuigden en openbaren wilde. Dat nu wordt uitgemaakt door -het Nieuwe Testament, dat de voltooiing, de vervulling en daarom de -verklaring van het Oude is, want in de vrucht wordt de natuur van den -boom openbaar. Zelfs de moderne kritiek erkent, dat niet het Jodendom -maar dat het Christendom de volle verwezenlijking is van de religie der -profeten. - -Hierover kan toch geen twijfel bestaan, dat het N. Testament zichzelf -beschouwt als de geestelijke en dus als de volkomene en waarachtige -vervulling van het Oude Testament. Het vergeestelijken van het O. T., -mits in goeden zin verstaan, is niet een uitvindsel van de christelijke -theologie, maar heeft in het N. T. zelf een aanvang genomen. Het -vergeestelijkte Oude Testament, dat is, het Oude Testament van zijn -tijdelijken, zinnelijken vorm ontdaan, is het Nieuwe Testament. De -eigenaardigheid van de oude bedeeling was juist, dat het verbond der -genade onder aanschouwelijke beelden voorgesteld en in nationale, -zinnelijke vormen ingekleed werd. Zonde werd gesymboliseerd in de -levietische onreinheid. Verzoening kwam tot stand door de offerande -van een geslacht dier. Reiniging werd afgeschaduwd in lichamelijke -wasschingen. Gemeenschap met God was gebonden aan het opgaan naar -Jeruzalem. Behoefte aan Gods gunst en nabijheid uitte zich in een -verlangen naar zijne voorhoven. Het eeuwige leven werd gedacht als een -lang leven op aarde enz. Al het geestelijke, hemelsche en eeuwige werd -overeenkomstig de vatbaarheid van Israel, dat als een kind onder de -tucht der wet was gesteld, in aardsche schaduwen gehuld. Ofschoon de -groote massa des volks dikwerf bij die uitwendige vormen staan bleef, -evenals vele Christenen in het sacrament aan het teeken blijven hangen, -drongen de vrome Israelieten met hunne harten wel tot de geestelijke -kern door, die in de schaal verborgen was, maar toch zagen ook zij dat -geestelijke niet anders dan in schaduw en beeld. Daarom zegt het Nieuwe -Testament, dat het Oude was σκια των μελλοντων, το δε σωμα Χριστου, -Col. 2:17, ὑποδειγμα και σκια των ἐπουρανιων, Hebr. 8:5. De schaduw -is het lichaam niet, maar wijst toch heen naar het lichaam, en valt -weg, als dit zelf gekomen is. Het Nieuwe Testament is de waarheid, -het wezen, de kern, de eigenlijke inhoud van het Oude Testament; Vetus -Test. in Novo patet, Novum Test. in Vetere latet. Daarom is er in het -N. Test. zoo telkens van de waarheid sprake. Tegenover de wet, die door -Mozes is gegeven, staat de waarheid, die in Jezus Christus geworden is, -Joh. 1:14, 17. Hij is de waarheid, Joh. 14:6; de Geest, dien Hij uitzond, -is de Geest der waarheid, Joh. 16:13, 1 Joh. 5:6; het woord Gods, dat -Hij predikte, is het woord der waarheid, Joh. 17:17; het onder het O. -Test. beloofde en afgeschaduwde heilsgoed is in Christus als eeuwige, -waarachtige realiteit voor allen openbaar geworden; alle beloften -Gods zijn in Hem ja en amen, 2 Cor. 1:20; het Oude Testament is niet -afgeschaft maar is in de nieuwe bedeeling tot zijne vervulling gekomen -en komt daarin nog altijd door tot vervulling tot op de parousie van -Christus toe. Christus is daarom de ware profeet, priester en koning; -de echte knecht des Heeren, het ware zoenoffer, Rom. 3:25, de ware -besnijdenis, Col. 2:11, het ware pascha, 1 Cor. 5:7, de waarachtige -offerande, Ef. 5:2, en zijne gemeente is het ware zaad Abrahams, het -ware Israel, het ware volk Gods, Mt. 1:21, Luk. 1:17, Rom. 9:25, 26, -2 Cor. 6:16-18, Gal. 3:29, Tit. 2:14, Hebr. 8:8-10, Jak. 1:1, 18, 1 -Petr. 2:9, Op. 21:3, 12, de ware tempel Gods, 1 Cor. 3:16, 2 Cor. 6:16, -Ef. 2:22, 2 Thess. 2:4, Hebr. 8:2, het ware Zion en Jeruzalem, Gal. -4:26, Hebr. 12:22, Op. 3:12, 21:2, 10; haar geestelijke offerande is -de ware godsdienst, Joh. 4:24, Rom. 12:1, Phil. 3:3, 4:18, cf. deel -III 217. Alle begrippen des Ouden Testaments leggen hun uitwendige, -nationaal-israelietische beteekenis af en worden in hun geestelijken, -eeuwigen zin openbaar; het semietische behoeft niet meer door ons, -gelijk Bunsen wilde, in het japhetische te worden overgezet; het N. -Test. zelf heeft aan de particularistische ideeën des O. Test. eene -universalistische, kosmische beteekenis gegeven. Geheel verkeerd is -dus de beschouwing van het Chiliasme, volgens welke het N. Test. met -de gemeente uit de Heidenen een intermezzo is, een zijweg, die door God -is ingeslagen, omdat Israel zijn Messias verwierp, zoodat de eigenlijke -voortzetting en vervulling des Ouden Testaments eerst bij de tweede -komst van Christus een aanvang zou nemen. Veeleer is het omgekeerde -waar. Niet het Nieuwe, maar het Oude Testament is een tusschenbedrijf. -Het verbond met Israel is tijdelijk, de wet is tusschen de belofte aan -Abraham en hare vervulling in Christus ingeschoven, opdat zij de misdaad -vermeerderen en als een tuchtmeester tot Christus opleiden zou, Rom. -5:20, Gal. 3:19. Daarom gaat Paulus altijd tot Abraham terug, Rom. -4:11v., Gal. 3:6v., en knoopt aan de belofte, die tot hem is geschied, -zijn evangelie vast. Abraham is de vader van de geloovigen, van alle -geloovigen, niet alleen uit de Joden maar ook uit de Heidenen, Rom. -4:11; de kinderen der belofte zijn zijn zaad; Rom. 9:6-8; de zegening van -Abraham komt in Christus tot de Heidenen, Gal. 3:14; wie van Christus -zijn, zijn Abrahams zaad en naar de beloftenis erfgenamen, Gal. 3:29. -Het volk van Israel is in de dagen des O. Test. tijdelijk verkoren, -opdat het heil straks in de volheid des tijds aan heel de wereld ten -goede zou komen. Israel is niet verkoren tot schade maar ten bate der -volken. De belofte aan Adam en Noach had van haar eerste begin af eene -universalistische strekking en heeft deze, na haar tijdelijke, wettische -gedaante onder Israel te hebben afgelegd, in Christus ten volle voor -alle natiën geopenbaard. Het voorhangsel is gescheurd, de scheidsmuur -is gevallen, het handschrift der wet is aan het kruis genageld; en nu -zijn de geloovigen uit de Heidenen met die uit de Joden medeërfgenamen, -medeburgers der heiligen, huisgenooten Gods, nabij geworden in Christus, -en op hetzelfde fundament van apostelen en profeten gebouwd, Ef. -1:9-11, 2:11-22. Het Nieuwe Testament is daarom geen intermezzo, geen -tusschenbedrijf, geen zijweg, geen afbuiging van de lijn des O. Verbonds, -maar het lang te voren beoogde doel, de directe voortzetting, de -waarachtige vervulling van het Oude Testament. Het Chiliasme, anders -oordeelende, komt met het Christendom zelf in conflict. Principieel -beschouwd, is het met het Judaisme één en moet er toe komen, om aan -het Christendom, aan den historischen persoon van Christus, aan zijn -lijden en sterven, eene tijdelijke, voorbijgaande waarde toe te kennen -en de eigenlijke zaligheid eerst te verwachten van Christus’ tweede -komst, van zijne verschijning in heerlijkheid. Evenals het Judaisme, -maakt het het geestelijke aan het stoffelijke, het ethische aan het -physische ondergeschikt, stijft de Joden in hun vleeschelijke gezindheid, -verontschuldigt hunne verwerping van den Messias, verzwaart het -deksel, dat op hun aangezicht ligt bij het lezen des Ouden Testaments, -en bevordert de inbeelding, dat de vleeschelijke afstammeling van -Abraham nog als zoodanig een prerogatief zal hebben in het koninkrijk -der hemelen. De Schrift echter zegt, dat de ware lezing en verklaring -van het O. Test. te vinden is bij hem, die tot den Heere Christus is -bekeerd, 2 Cor. 3:14-16, dat die een Jood is, die het in het verborgene -is en de besnijdenis des harten deelachtig, Rom. 2:29, dat er in -Christus geen man of vrouw, geen Jood of Griek is, maar dat zij allen -één zijn in Christus Jezus, 1 Cor. 12:13, Gal. 3:28, Col. 3:11. De Jood, -die Christen wordt, was niet maar werd door zijn geloof een kind van -Abraham, Gal. 3:29. Cf. tegen het Chiliasme: Augustinus, de civ. XX c. -6-9. Luther bij Köstlin II 564 f. Gerhard, Loc. XXIX c. 7. Quenstedt, -Theol. IV 649. Calvijn, Inst. III 25, 5. Walaeus, Op. I 537-554. -Voetius, Disp. II 1248-1272. Turretinus, Theol. El. XX qu 3. Moor VI -149-162. Hengstenberg in zijn comm. op de Openb. van Johannes. Keil op -Ezechiel 1868 S. 495 f. Kliefoth, Eschatologie 1886 S. 147 f. Philippi, -Kirchl. Gl. VI 214 f. Hodge, Syst. Theol. III 805-812. 861-866. Kuyper, -Heraut 981-1003 enz. - - -6. Ofschoon hiermede in het algemeen het resultaat reeds volkomen -vaststaat, dat het Nieuwe Testament antichiliastisch is, Kuenen, Prof. -II 271, moet dit toch nog in bijzonderheden nader worden aangetoond. -Het Chiliasme sluit de verwachting in, dat er tegen de wederkomst van -Christus eene volksbekeering van Israel zal plaats hebben, dat de Joden -dan naar Palestina terug zullen keeren, en vandaar uit onder Christus -over de volken heerschen zullen. Daarbij is er onder de chiliasten -verschil over, of de bekeering aan den terugkeer of deze aan gene zal -voorafgaan, cf. bijv. Guers, Israels toekomst en herstel 171. Wijl -het moeilijk te denken is, dat de verstrooide Joden eerst successief -bekeerd worden en dan samen het plan opvatten, om naar Palestina te -gaan, meenen sommigen, dat de Joden eerst langzamerhand naar Kanaän -terugkeeren en daar dan later gezamenlijk tot Christus zullen bekeerd -worden, of trachten anderen beide gevoelens zoo te vereenigen, dat -er eerst een groot deel van de Joden naar Palestina trekken, en dat -dezen, na eerst stad en tempel en eeredienst hersteld te hebben en -daarna tot Christus bekeerd te zijn, langzamerhand door hunne andere -volksgenooten gevolgd worden. En zij wijzen erop, dat deze verwachting -aanvankelijk reeds vervuld wordt. Er zijn reeds duizenden Joden in -Palestina; de Oostersche quaestie gaat hare oplossing tegemoet, want -Turkije dankt zijn bestaan alleen aan den onderlingen naijver der groote -mogendheden; en wordt Turkije eenmaal vernietigd, dan is er alle kans, -dat Palestina toegewezen wordt aan de Joden, aan wie het rechtmatig -toekomt; voorts werkt er in vele Joden, gelijk uit het in laatsten tijd -opgetreden Zionisme blijkt, een verlangen, om naar Palestina terug te -keeren en daar een zelfstandig rijk te vormen; en eindelijk maakt de -groote verbetering der verkeermiddelen, die men reeds in Nah. 2:3, 4, -Jes. 11:16, 66:20 voorspeld acht, zulk een terugkeer ook eenvoudig en -gemakkelijk. Hoe men nu ook oordeele over deze politieke combinatiën, -het Nieuwe Testament biedt aan zulk eene verwachting niet den minsten -steun. Toen de volheid des tijds gekomen was, stonden de Joden, als volk -beschouwd, met de Heidenen op ééne lijn; zij waren samen verdoemelijk -voor God, omdat zij eene eigene gerechtigheid uit de wet zochten op te -richten en de gerechtigheid, die uit het geloof is, verwierpen, Rom. -3:21. Daarom zond God Johannes tot hen met den doop der bekeering -en liet het hun daarin aanzeggen, dat zij, schoon besneden zijnde en -proselieten doopende, zelven schuldig en onrein stonden voor zijn -aangezicht en evengoed als de Heidenen de wedergeboorte en de bekeering -van noode hadden, om in te gaan in het koninkrijk der hemelen. Door -den doop zonderde Johannes de ware Israelieten reeds van de massa des -volks af. En Jezus ging op dit voetspoor voort; Hij nam den doop van -Johannes over en liet hem bedienen door zijne discipelen. Wel trad Hij -evenals Johannes aanvankelijk op met de prediking, dat het koninkrijk -Gods nabij was gekomen. Maar Hij vatte dat koninkrijk gansch anders dan -zijne tijdgenooten op; Hij verstond er niet onder eene politieke, maar -eene religieus-ethische heerschappij en leerde, dat geen vleeschelijke -afstamming uit Abraham maar alleen wedergeboorte uit water en geest den -toegang tot dat koninkrijk der hemelen ontsloot, deel III 232v. Daardoor -vergaderde Hij allengs rondom zich eene schare van discipelen, die zich -onderscheidde en afzonderde van het volk der Joden. En dezen waren de -ware ἐκκλησια, het echte volk Gods, gelijk Israel dat had behooren te -zijn maar nu in zijne verwerping van den Messias betoonde niet te wezen. -Deze scheiding tusschen het volk der Joden en de Nieuwtest. ἐκκλησια -werd hoe langer hoe scherper. Wel waren er velen, die in Christus -geloofden, maar het volk, geleid door de Phariseën en Schriftgeleerden, -verwierp Hem. Ofschoon voor sommigen tot eene opstanding, was Hij -voor velen tot een val en tot een teeken, dat weersproken werd, Luk. -2:34. Hij kwam tot het zijne, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen, -Joh. 1:11. Jezus zegt zelf, dat een profeet niet geëerd is in zijn -vaderland, Mt. 13:17. Telkens ervaart Hij, dat de Joden niet tot Hem -komen willen, Joh. 5:37-47, 6:64; Hij getuigt, dat zij in hunne zonden -zullen sterven, 8:21, dat zij kinderen des duivels zijn, 8:44, planten, -niet door den Vader geplant, Mt. 15:13, 14 en ziet in hun ongeloof geen -toevallige, onvoorziene omstandigheid maar vervulling der profetie, Mt. -13:13v., Joh. 12:37v. Doch niet alleen heeft Jezus van de Joden in het -heden niets te hopen, ook in de toekomst verwacht Hij niets voor hen. -Integendeel Hij kondigt de geheele verwoesting van stad en tempel aan, -zoodat er geen steen op den ander zal gelaten worden, Joh. 2:18-21, Mt. -22:7, 23:37-39, 24:1v., Mk. 13, Luk. 21:6v. Bij zijn intocht in Jeruzalem -weent Hij over de stad, Luk. 19:41-44. Des Maandags vóór zijn dood vloekt -hij op den weg naar Bethanië den vijgeboom, die daarin, dat hij nog geen -vruchten maar wel reeds bladeren had, een beeld was van het schijnvrome, -eigengerechtige Israel, en sprak, dat niemand eenige vrucht meer van -hem eten zou in der eeuwigheid, Mk. 11:12-14. Bij zijn kruisgang beveelt -Hij de vrouwen, niet over Hem maar over Jeruzalem te weenen, Luk. 23:28. -Zelfs predikt Hij, dat de zaligheid, door Israel verworpen, het deel -der Heidenen zal worden. Het koninkrijk Gods zal Israel ontnomen en -aan een ander volk gegeven worden, dat zijne vruchten voortbrengt, Mt. -21:43; de wijngaard wordt aan andere landlieden verhuurd. Mt. 21:41; -tot de bruiloft worden geroepen degenen, die op de uitgangen der wegen -zijn, Mt. 22:9; de verloren zoon gaat vóór den oudsten zoon, Luk. 15. -En zoo zegt Hij, dat velen zullen komen van Oosten en Westen en met -Abraham, Izak en Jakob zullen aanzitten in het koninkrijk der hemelen, -Mt. 8:10-12; dat Hij nog andere schapen heeft, die van dezen stal niet -zijn, Joh. 10:16; en verblijdt er zich over, dat, als eenige Grieken -Hem begeeren te zien, Hij nu als een tarwegraan in de aarde vallen en -sterven en alzoo veel vrucht zal dragen, Joh. 12:24. Na zijne opstanding -beveelt Hij dan ook aan zijne discipelen, om het evangelie te prediken -aan alle volken, Mt. 28:18. En eenzelfde oordeel over Israel treffen wij -bij alle apostelen aan. Wel moeten zij als Jezus’ getuigen van Jeruzalem -uit hun arbeid beginnen, maar dan hem voortzetten tot aan het uiterste -der aarde, Hd. 1:8. Petrus brengt daarom het evangelie terstond aan de -Joden, Hd. 2:14, 3:19, 5:31, doch ziet in een gezicht, dat voortaan -niemand onrein is, maar dat Gode aangenaam is een iegelijk, die Hem -vreest, uit wat volk hij ook voortkome, Hd. 10:35, 43. Paulus begint -zijne prediking altijd eerst bij de Joden, maar keert zich, als dezen -het verwerpen, tot de Heidenen, Hd. 13:46, 18:6, 28:25-28. Eerst den -Jood, maar ook den Griek, is de regel, dien hij op zijne zendingsreizen -in acht neemt, Rom. 1:16, 1 Cor. 1:21-24. Immers, Joden en Heidenen -zijn beide verdoemelijk voor God en hebben hetzelfde evangelie van -noode, Rom. 3:19v. Er is slechts voor allen één weg tot de zaligheid, -n.l. het geloof, gelijk dat reeds vóór de wet door Abraham geoefend en -hem tot gerechtigheid gerekend is, Rom. 4, Gal. 3. Wie van de Joden -Christus verwerpen, zijn geen ware, echte Joden, Rom. 2:28, 29; zij zijn -niet de besnijding maar de versnijding, Phil. 3:2, zij zijn ongeregelden, -ijdelheidsprekers, verleiders van zinnen, wien men den mond moet -stoppen, Tit. 1:10, 11; zij hebben den Heere Jezus en hunne eigene -profeten gedood, zij vervolgen de geloovigen, zij behagen God niet en zijn -allen menschen tegen, zij verhinderen de apostelen, om tot de Heidenen -te spreken, en maken de mate hunner zonden vol, zoodat de toorn over -hen tot zijn uiterste grens gekomen is en thans zich over hen ontlaadt, -1 Thess. 2:14-16. De Joden, die de gemeente van Smyrna lasteren, -zeggen wel, dat zij Joden zijn, maar zij zijn het niet, zij zijn veelmeer -eene synagoge des satans, Op. 2:9, 3:9. Echte Joden, ware kinderen -Abrahams zijn zij, die in Christus gelooven, Rom. 9:8, Gal. 3:29 enz. Zoo -oordeelt het N. Test. over de Joden; de gemeente der geloovigen heeft -in alle opzichten het nationale, vleeschelijke Israel vervangen; het -Oude Testament is in het Nieuwe vervuld. - - -7. Slechts enkele plaatsen schijnen met deze doorgaande leer der -Schrift in strijd te zijn en iets anders in te houden. De eerste plaats -is Mt. 23:37-39, Luk. 13:33-35, waar Jezus tot de inwoners van -Jeruzalem zegt, dat hun huis woest gelaten zal worden, en dat zij Hem -niet zullen zien, totdat zij zullen zeggen: gezegend is Hij, die komt -in den naam des Heeren. Hier spreekt Jezus inderdaad de verwachting -uit, dat de Joden Hem eenmaal, n.l. bij zijne wederkomst, als Messias -erkennen zullen. Wanneer nu van elders een duizendjarig rijk en eene -daarmede samenvallende bekeering van Israel vaststond, zou deze plaats -daarnaar verklaard kunnen worden. Maar wijl dit niet het geval is, -ook niet in Op. 20, gelijk later blijken zal, kan hier alleen gedacht -worden aan de Messiaserkenning der Joden bij Christus’ wederkomst ten -oordeele. En zoolang, zegt Jezus uitdrukkelijk, zal Jeruzalem woest -gelaten worden; een herbouw van stad en tempel wordt dus in elk geval -door Jezus vóór zijne wederkomst niet verwacht. Ten tweede komt Luk. -21:24 in aanmerking, waar Jezus zegt, dat Jeruzalem van de Heidenen -vertreden zal worden, totdat de tijden der Heidenen vervuld zullen zijn. -De conjunctie ἀχρι οὑ sluit nog niet in, dat bij het aanbreken van den -daardoor aangeduiden termijn het tegenovergestelde, n.l. het herbouwd -en bewoond worden van Jeruzalem door de Joden plaats hebben zal. Maar -ook al ware dit zoo, dan zegt Jezus daarmede nog niet, dat aan de -vertreding van Jeruzalem een einde zal komen vóór zijne parousie, want -Hij gaat terstond, na het oordeel over Jeruzalem te hebben uitgesproken, -tot de bespreking van de teekenen vóór en bij zijne wederkomst over, -Luk. 21:25v.; de tijden der Heidenen duren tot zijne wederkomst voort. -Wederom, indien het N. T. eene tweevoudige wederkomst van Christus -leerde, zou deze plaats in overeenstemming daarmede kunnen worden -uitgelegd, maar het zal straks duidelijk worden, dat daarvoor geen grond -in het N. T. aanwezig is. De derde tekst, die hier ter sprake komt, is -Hd. 3:19-21. Daar vermaant Petrus de Joden tot bekeering, opdat hunne -zonden uitgewischt worden en opdat καιροι ἀναψυξεως, tijdpunten van -verkwikking, mogen komen van de zijde van het aangezicht des Heeren en -Hij, n.l. God, den voor u (de Joden) bestemden Christus Jezus zenden -zal, welken de hemel moet opnemen tot de tijden van de wederoprichting -aller dingen. Sommigen meenen, dat de tijden der verkwikking, waarvan -hier gesproken wordt, dan zullen aanbreken, wanneer het Joodsche volk -bekeerd wordt en alle dingen weer naar hun oorspronkelijke bestemming in -het duizendjarig rijk worden opgericht, en dat zij dan duren zullen tot -de tweede wederkomst van Jezus toe. Maar tegen deze uitlegging bestaat -groot bezwaar. De χρονοι ἀποκαταστασεως παντων zijn moeilijk te verstaan -van de herstelling der natuurlijke en zedelijke verhoudingen, die door de -Chiliasten in het millennium verwacht wordt, want er staat duidelijk, -dat deze tijden het eindpunt zijn van het verblijf van Jezus in den hemel; -tot zoo lang vertoeft Jezus dus aan ’s Vaders rechterhand, en wijl de -Schrift slechts ééne wederkomst van Christus kent, vallen de tijden van -de wederoprichting aller dingen met de voleindiging der wereld saam; -bovendien is ἀποκαταστασις παντων veel te sterke uitdrukking voor dat -herstel van het Joodsche rijk, dat het Chiliasme verwacht. De tijden der -verkwikking zijn daarom niet identisch met maar gaan aan de tijden van de -wederoprichting aller dingen vooraf. Want Petrus geeft een tweeledig -doel aan van de bekeering der Joden, opdat tijden van verkwikking -voor hen aanbreken en opdat God hun den voor hen bestemden Christus -zenden moge. De tijden der verkwikking vallen vóór de wederkomst van -Christus en slaan dan òf op den geestelijken vrede, die het gevolg is -van bekeering en vergeving der zonden, òf op bepaalde toekomstige tijden -van Goddelijken zegen en gunst. Het laatste is het waarschijnlijkste, -omdat de tijden der verkwikking niet onmiddellijk met de uitwissching der -zonden maar met de zending van Christus in verband worden gebracht. En -de gedachte, welke Petrus hier uitspreekt, is dan deze: bekeert u, o -Joden, tot uitwissching uwer zonden, opdat er ook voor u als volk, die -Christus overgeleverd, verloochend en gedood hebt, vs. 13-15, tijden -van verkwikking van Gods aangezicht mogen aanbreken en God daarna van -den hemel zenden moge dien Christus, die in de eerste plaats voor u -bestemd en daarom ook het eerst tot u gekomen is, vs. 26, om ook u ten -heil alle dingen weder op te richten. Of zulke tijden ooit voor de Joden -zullen aanbreken, zegt Petrus niet; dat hangt af van hunne bekeering, -en of deze te wachten is, wordt hier met geen woord vermeld. - -De laatste plaats is Rom. 11:11-32. In Rom. 9-11 behandelt Paulus het -ontzaglijk probleem, hoe Gods belofte aan Israel te rijmen is met de -verwerping van het evangelie door de overgroote meerderheid van Israel. -De apostel geeft daarop in de eerste plaats ten antwoord, dat de -belofte Gods niet het vleeschelijk maar het geestelijk zaad van Abraham -geldt en werkt dit in den breede uit, Rom. 9 en 10. En ten tweede -merkt hij op, dat God ook onder Israel nog altijd zijne uitverkorenen -heeft, en dus dat volk niet verstooten heeft; hij zelf is daarvoor ten -bewijs en velen met hem; hoevelen er ook verhard en verblind zijn, de -uitverkorenen hebben de zaligheid toch verkregen, er is steeds een -overblijfsel naar de verkiezing der genade, Rom. 11:1-10. Maar deze -verharding, die over het grootste gedeelte van Israel gekomen is, is -toch Gods einddoel niet; veeleer is zij in zijne hand een middel, om de -zaligheid tot de Heidenen te brengen, opdat dezen, die zaligheid in -het geloof aannemende, op hun beurt Israel weder tot jaloerschheid -mogen verwekken, 11:11-15. Na de geloovigen uit de Heidenen vermaand -te hebben, om zich hierop niet te verheffen, vs. 16-24, werkt Paulus -deze gedachte nog nader uit en zegt, dat over een deel van Israel de -verharding gekomen is, totdat het pleroma der Heidenen, het volle -getal der uit hun midden voor de zaligheid bestemden, vervuld zal zijn. -En op die wijze zal gansch Israel naar Gods belofte zalig worden. De -ongeloovige Joden zijn dus nu wel door God gehaat in betrekking tot het -evangelie, opdat de door hen verworpene zaligheid tot de Heidenen zou -komen; maar naar de verkiezing zijn zij beminden om der vaderen wil, -want Gods beloften zijn onberouwelijk. Zooals het dus met de Heidenen is -gegaan, zal het ook met de verharde Joden gaan; de Heidenen waren eerst -ongehoorzaam en zijn nu ontfermd geworden, en zoo ook zijn de Joden nu -ongehoorzaam, opdat zij door de barmhartigheid, aan de Heidenen bewezen, -ook barmhartigheid ontvangen mogen. Want God heeft allen, Heidenen -en Joden, onder de zonde besloten, opdat Hij hun allen barmhartig zou -zijn, vs. 25-32. De meeste uitleggers meenen, dat de vraag, of God zijn -volk verstooten heeft, 11:1, niet ten volle daarmede beantwoord is, -dat God onder Israel altijd zijne uitverkorenen houdt, die successief -in den loop der eeuwen worden toegebracht, 11:1-10, en zij oordeelen -daarom, dat al hetgeen in hoofdst. 11 volgt, niet maar eene nadere -explicatie, doch eene aanvulling van het in vs. 1-10 gegeven antwoord -is, een nieuw antwoord, dat eerst ten volle de bedenking ontzenuwt, -alsof God zijn volk verstooten zou hebben. Onder πας Ισραηλ in vs. -26 verstaan zij daarom het volksgeheel van Israel, dat in de laatste -dagen bekeerd zal worden. Maar hoe algemeen deze verklaring ook zij, er -bestaan gewichtige bezwaren tegen. _a._ Indien het de bedoeling van den -apostel ware, om in 11:25-32 een nieuw, aanvullend antwoord te geven, -zou hij zijne redeneering aan het einde met haar begin en uitgangspunt in -strijd brengen. Immers heeft hij 9:6v. gezegd, dat de beloften Gods niet -uitgevallen zijn, omdat zij het geestelijk zaad van Abraham gelden, en in -dit geestelijk zaad nog altijd door hare vervulling erlangen, 11:1-10. A -priori is het zeer onwaarschijnlijk, dat Paulus later op deze redeneering -teruggekomen zou zijn en haar in dezen zin zou aangevuld en verbeterd -hebben, dat de beloften Gods in deze zaliging van het geestelijk Israel -niet ten volle tot hare vervulling komen maar dan eerst volledig -verwezenlijkt worden, wanneer in den laatsten tijd eene volksbekeering -van Israel plaats heeft. _b._ In elk geval is er in hoofdst. 9:1-10:11 -met geen enkel woord van zulk eene verwachting voor het volk van -Israel sprake, en er is geen enkele uitdrukking, die haar vermoeden -doet en voorbereidt. En ook hoofdst. 11:11-24 bevat nog niets, wat op -zoodanige verwachting heenwijst. Wel wordt 11:11-15 in dien zin door -velen opgevat. Maar ook al zijn deze woorden niet hypothetisch, als -een element in de redeneering maar als beschrijving van een feit te -verstaan, dan behelzen zij toch alleen deze gedachte: het verwerpen van -Christus door Israel is voor de Heidenen een groot gewin geweest, want -daardoor is de door Christus’ dood tot stand gekomene verzoening het -deel der Heidenen geworden; een veel grooter gewin zal dan de aanneming -van Israel door God voor de Heidenen zijn, want als Israel zijn pleroma, -zijn volle getal van uitverkorenen, zal bereikt hebben, en ook het -pleroma der Heidenen ingegaan is, dan zal dat het leven uit de dooden, -de opstanding uit de dooden van de nieuwe menschheid ten gevolge -hebben. Aan Israels ἡττωμα dankt middelijkerwijze de Heidenwereld haar -verzoening, aan Israels πληρωμα dankt zij eens haar leven uit de dooden. -_c._ Indien Paulus in 11:25 een nieuw feit wilde mededeelen, bevreemdt -de wijze ten zeerste, waarop hij dit doet. Hij zegt toch niet: _en dan_, -_daarna_, n. l. nadat de volheid der Heidenen is ingegaan, zal gansch -Israël, maar: και οὑτως πας Ισραῃλ σωθησεται, en _op die wijze_ zal -gansch Israel zalig worden. Dat kan niet anders beteekenen dan: op die -wijze, als in de vorige verzen beschreven is. Vlak vooraf, in vs. 24, -heeft Paulus gezegd, dat de verharding altijd maar _voor een deel_, ἀπο -μερους over Israel gekomen is. De geloovigen uit de Heidenen konden -wel gaan denken, evenals Israel vroeger, dat zij alleen het uitverkoren -volk van God waren, en dat Israel geheel verworpen was. Maar Paulus -zegt, dat dit niet zoo is. Neen, Israel is niet als zoodanig verworpen; -er is onder hen altijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade; -er zijn wel eenige takken afgebroken, waarvoor de wilde olijfboom van -de Heidenwereld in de plaats is gekomen, maar de stam van den tammen -olijfboom is gebleven; de verharding is maar _voor een deel_ over -Israel gekomen; terwijl het pleroma uit de Heidenen ingaat, wordt ook -het pleroma uit Israel toegebracht; en op die wijze wordt gansch Israel -zalig. _d._ Dit feit, n.l. dat de verharding maar _voor een deel_ -over Israel gekomen is, noemt Paulus een μυστηριον, 11:25. Elders -noemt hij zoo dikwerf het feit, dat de Heidenen thans medeërfgenamen -en medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods zijn, en hier duidt -hij met hetzelfde woord het feit aan, dat de Joden maar voor een deel -verhard zijn en dat God vele uitverkorenen voortdurend uit hen tot zijne -gemeente toebrengt. Want die _gedeeltelijke_ verharding zal duren, -totdat het pleroma der Heidenen zal ingegaan zijn. Nooit, tot aan het -einde der tijden toe, zal God zijn oude volk ganschelijk verwerpen; altijd -zal naast een deel uit de Heidenwereld ook een deel uit Israel tot -het geloof in Christus worden gebracht. De Heidenen maar ook de Joden -hadden zoo gansch anders verdiend. Doch dit is het groote mysterium, -dat God rijk is in barmhartigheid, dat Hij uit alle volk, ook uit het -volk der Joden, dat Hem verwierp, zijne uitverkorenen vergadert, dat Hij -allen onder de zonde besloot, opdat Hij allen barmhartig zou zijn. Dat -mysterium brengt den apostel in verrukking en doet hem bewonderend de -diepte van Gods wijsheid en kennis aanbidden, 11:33-36. _e._ Πας Ισραηλ -in 11:25 is dus niet het volk van Israel, dat aan de einden der dagen -in massa bekeerd zal worden; het is ook niet de gemeente uit Joden en -Heidenen saam, maar het is het pleroma, dat in den loop der eeuwen -uit Israel toegebracht wordt. Israel blijft als volk, zoo voorspelt -Paulus, naast de Heidenen bestaan; het zal niet ondergaan noch van -de aarde verdwijnen; het blijft tot het einde der eeuwen, levert zijn -pleroma voor het Godsrijk evengoed als de Heidenen, en behoudt voor dat -Godsrijk zijn bijzondere taak en plaats; uit _alle_ volken en natiën en -tongen wordt de gemeente Gods vergaderd. _f._ Hoe groot dat pleroma -uit Israel zijn zal, berekent Paulus niet. Het is best mogelijk, dat het -getal der uitverkorenen uit Israel in de laatste tijden veel grooter -zal zijn, dan het in Paulus’ of in latere of in onze dagen was; er is -geen enkele reden, om dit te ontkennen; veeleer doet de verbreiding -van het evangelie onder alle volken verwachten, dat zoowel uit Israel -als uit de Heidenen een steeds grooter aantal zalig zal worden. Maar -dat bedoelt Paulus niet te zeggen; hij telt niet, maar hij weegt. Uit -de Heidenwereld zal het volle pleroma komen, en ook uit Israel, en -dat pleroma zal πας Ισραηλ zijn. In dat pleroma wordt gansch Israel -behouden, zooals in de gemeente in haar geheel de gansche menschheid -wordt gered. _g._ Eene andere bekeering van Israel, dan op de door -Paulus aangegeven wijze laat zich ook moeilijk denken. Wat toch is eene -volksbekeering, en hoe en wanneer zal zij bij Israel plaats hebben? Er -is natuurlijk niets tegen, veeleer pleit het feit van het voortbestaan -van het volk Israels in verband met de profetie ervoor, dat er ook -uit Israel nog een zeer groot getal tot het geloof in Christus worden -gebracht; maar hoe groot dit getal ook zij, het blijft een overblijfsel -naar de verkiezing der genade. Ook de sterkste chiliast zal toch niet -denken, dat eenmaal aan het einde alle Joden zonder uitzondering zullen -worden bekeerd. En ook al nam hij dat aan, meenende, dat zoo alleen Rom. -11:25 ten volle vervuld werd, dan zou zulk eene volksbekeering aan -het einde toch nog niet ten goede komen aan de millioenen Joden, die -door de eeuwen heen tot op dien eindtijd toe in ongeloof en verharding -zijn weggestorven. Indien men werkelijk meent, dat Gods belofte aan -Israel dan alleen waarlijk vervuld wordt, wanneer niet een ἐκλογη uit -het volk, maar het volk zelf toegebracht wordt, dan komt men met de -geschiedenis in conflict. Altijd, alle eeuwen door, ook in de dagen des -O. T., toen het nationale Israel Gods volk was, was het slechts een -klein deel des volks, dat in waarheid God diende en vreesde. En zoo -is het niet alleen bij de Joden, maar zoo is het ook bij de Heidenen. -Altijd is het een overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat uit de -Christenvolken de zaligheid in Christus deelachtig wordt. Bovendien -blijft er voor zulk eene volksbekeering van Israel, als de Chiliasten -verwachten, in Paulus’ schets van de toekomst geen plaats over. Hij zegt -toch uitdrukkelijk, dat de verharding over een deel van Israel gekomen -is, _totdat_ het pleroma der Heidenen is ingegaan, en dat niet _daarna_ -maar dat _op die wijze_ gansch Israel zalig wordt, Rom. 11:25, 26. De -verharding over een deel van Israel duurt dus zoolang, totdat het -pleroma uit de Heidenwereld toegebracht is, en volgens de Chiliasten -moet dan daarna de volksbekeering van Israel vallen. Maar ligt er dan -nog eene tijdruimte tusschen het ingaan van het pleroma der Heidenwereld -en het einde der eeuwen? Zoo ja, zijn er in dien tijd dan ook nog -Heidensche volken, en wordt er uit hen geen enkele meer bekeerd? Het -ingaan van het pleroma der Heidenen laat zich niet denken als tijdelijk -voorafgaande aan het zalig worden van gansch Israel. Rom. 11:26 noemt -geen nieuw feit, dat _na_ het ingaan van de volheid der Heidenen plaats -grijpt. Maar het ingaan van de volheid der Heidenen en het zalig worden -van gansch Israel loopen parallel, omdat de verharding maar voor een -deel over Israel gekomen is. Ten slotte merke men nog op, dat, al zou -Paulus aan het einde ook eene volksbekeering van Israel verwachten, -hij toch met geen woord melding maakt van een terugkeer der Joden naar -Palestina, van een herbouw van stad en tempel, van eene zichtbare -Christusregeering; in zijn toekomstbeeld is voor dat alles geen plaats. -Cf. over de bekeering der Joden, behalve de commentaren op Rom. 11, -Voetius, Disp. II 124 sq. Witsius, Oec. foed. IV 15, 20-32. Moor VI -127-130. Hodge, Syst. Theol. III 805. Kliefoth, Eschatologie 147. - - -8. Bij het bespreken van de verwachtingen, welke het N. Test. in de -toekomst koestert ten aanzien van het volk Israels, werd nog in het -midden gelaten, of het N. Test. misschien op andere plaatsen dan -de daar ter sprake gebrachte een tusschenstaat leert tusschen deze -bedeeling en de voleinding der eeuwen. Indien dit, zoo werd erkend, -het geval was, dan konden Mt. 23:37-39, Luk. 21:24 en Hd. 3:19-21, -ofschoon zij op zichzelve tot het aannemen van zulk een overgangstijd -volstrekt geen aanleiding gaven, toch in dien geest worden opgevat en -verklaard. Thans komt daarom de vraag aan de orde, of er volgens Jezus -en de apostelen voor de gemeente een tijd van macht en heerlijkheid te -wachten is, welke aan de algemeene opstanding en het wereldgericht -voorafgaat. Indien dit zoo ware, zouden wij daarvan duidelijk melding -verwachten in de eschatologische rede, welke Jezus in de laatste dagen -van zijn leven tot zijne jongeren hield, Mt. 24, Mk. 13, Luk. 21. Maar -er is daarin geen woord, zelfs geen zinspeling op zulk een rijk vervat. -De Chiliasten trachten hun millennium wel op de eene of andere plaats -in deze rede in te lasschen, en zeggen bijv., dat de eerste komst van -Christus in Mt. 24:27 en de tweede komst in vs. 30 vermeld wordt, -maar deze exegese mist toch allen grond. In zijne eschatologische rede -geeft Jezus antwoord op twee vragen, die zijne discipelen Hem doen, -n.l. wanneer de dingen geschieden zullen, die Hij aangaande Jeruzalem -gesproken heeft, n.l. dat er van den tempel geen steen op den ander -gelaten zal worden, en welk het teeken zal zijn van zijne toekomst en van -de voleinding der wereld. Jezus beantwoordt eerst de eerste vraag, en -wel zoo, dat Hij eerst handelt over de voorteekenen, Mk. 13:1-8, cf. Mt. -24:1-8, Luk. 21:5-11, daarna over het lot der jongeren, Mk. 13:9-13, -cf. Mt. 24:9-14, Luk. 21:12-18, en eindelijk over de catastrophe in -Judea, Mk. 13:14-23, cf. Mt. 24:15-26, Luk. 21:20-24. De tweede vraag -naar de parousie van Jezus en de voleinding der wereld wordt beantwoord -in Mk. 13:24-31, cf. Mt. 24:29-35, Luk. 21:25-33; en daarbij sluit -Jezus zijne parousie terstond bij de verwoesting van Jeruzalem aan; in -den val dezer stad ziet Hij de aankondiging en de voorbereiding van de -voleinding der wereld; Mt. 24:29 εὐθεως, Mk. 13:24 ἐν ἐκειναις ταις -ἡμεραις. Hij zegt zelfs, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, -totdat alle deze dingen geschied zullen zijn, Mt. 24:34, Mk. 13:30, -Luk. 21:32. Hoe nu deze verwachting van zijn spoedige, terstond na de -verwoesting van Jeruzalem volgende parousie bij Jezus ook te verstaan -zij (waarover straks nader); in elk geval blijkt duidelijk, dat er in -deze rede geen plaats is voor een duizendjarig rijk. Jezus somt eerst, -Mk. 13:1-8, eenige algemeene voorteekenen op, waaraan de discipelen -zien kunnen, dat alles saam, n.l. de verwoesting van Jeruzalem en het -einde der wereld nadert; en deze signa communia zijn: het opstaan van -valsche Christussen, oorlogen en geruchten van oorlogen, beroering -en opstand der volken met aardbeving, hongersnood enz., voorts de -prediking van het evangelie in de geheele wereld tot een getuigenis -aller volken, Mk. 13:10, en eindelijk, als voorspel van het einddrama, -hetgeen voorvalt in Judea en Jeruzalem, Mk. 13:14-23. Daarna volgen -de aan de parousie onmiddellijk voorafgaande voorteekenen, de signa -propria, n.l. verduistering van zon en maan, nedervallen der sterren, -beweging van de krachten in de hemelen, Mk. 13:24, 25. Met de parousie -van Christus is dan onmiddellijk het gericht, de scheiding van goeden en -boozen, de voleinding der wereld verbonden, Mk. 13:26, 27. Daarmee komt -overeen, wat Jezus zegt in Mt. 13:37-43 en 47-50; het saam opgroeien -van onkruid en tarwe, en het saambrengen van allerlei soorten van -visschen duurt voort tot de voleinding der eeuwen, tot den tijd van den -oogst en van het wereldgericht toe. Jezus kent maar twee aeonen, de -tegenwoordige en de toekomende. In de tegenwoordige eeuw hebben zijne -discipelen niet anders dan verdrukking en vervolging te wachten en -moeten zij alles om zijnentwil verlaten. Nergens voorspelt Jezus aan zijne -jongeren eene heerlijke toekomst op aarde vóór de voleinding der wereld; -integendeel, zooals het Hem gegaan is, zal het ook zijne gemeente gaan; -een discipel is niet boven zijn meester en een dienstknecht niet boven -zijn heer; eerst in de toekomende eeuw ontvangen zijne jongeren alles -met het eeuwige leven terug, Mt. 5:3-12, 8:19, 20, 10:16-42, 16:24-27, -19:27-30, Joh. 16:2, 33, 17:14, 15 enz. Als dan ook de jongeren in -Hd. 1:6 aan Jezus vragen, of Hij in dezen tijd aan Israel het koninkrijk -weder oprichten zal, dan ontkent Hij niet maar geeft stilzwijgend toe, -dat dit eens geschieden zal; doch Hij zegt, dat de Vader de tijden of -gelegenheden daarvoor in zijne eigene macht gesteld heeft, en dat de -discipelen in dezen tijd de roeping hebben, om als zijne getuigen op -te treden van Jeruzalem uit tot aan het uiterste der aarde. In dezen -zelfden geest spreekt heel het Nieuwe Testament, dat vanuit het -standpunt der kruisgemeente geschreven is. De geloovigen, die niet vele -wijzen en machtigen en edelen zijn, 1 Cor. 1:27, hebben hier op aarde -niets dan lijden en verdrukking te wachten, Rom. 8:36, Phil. 1:29, zij -zijn gasten en vreemdelingen, Hebr. 11:13, hun burgerschap is in de -hemelen, Phil. 3:20, zij merken niet aan de dingen, die men ziet, 2 -Cor. 4:18, maar bedenken de dingen, die boven zijn, Col. 3:2, zij hebben -hier geen blijvende stad maar zoeken de toekomende, Hebr. 13:14. Maar -zij zijn toch in hope zalig, Rom. 8:24, en weten, dat, indien zij met -Christus lijden, zij ook met Hem zullen verheerlijkt worden, Rom. 6:8, -8:17, Col. 3:4. Daarom strekken zij zich met heel het zuchtend schepsel -reikhalzend uit naar de toekomst van Christus en naar de openbaring van -de heerlijkheid der kinderen Gods, Rom. 8:19, 1 Cor. 15:48v. enz., tegen -welke heerlijkheid het lijden van den tegenwoordigen tijd niet opweegt, -Rom. 8:18, 2 Cor. 4:17. Nergens straalt in het N. Test. eenige hope -door, dat de gemeente van Christus nog eenmaal hier op aarde tot macht -en heerschappij zal komen. Het hoogste, dat zij zich voorstelt, is, dat -zij onder de koningen en allen die in hoogheid zijn een gerust en stil -leven leiden moge in alle godzaligheid en eerbaarheid, Rom. 13:1v., 1 -Tim. 2:2. En daarom beveelt het N. Test. niet in de eerste plaats die -deugden aan, welke tot overwinning der wereld in staat stellen, maar -noemt, ofschoon alle valsche ascetisme vermijdende, Rom. 14:14, 1 Tim. -4:4, 5, Tit. 1:15, als vruchten des Geestes de deugden van liefde, -blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, -zachtmoedigheid, matigheid, Gal. 5:22, Ef. 4:32, 1 Thess. 5:14v., 1 -Petr. 3:8v., 2 Petr. 1:5-7, 1 Joh. 2:15 enz. - -Zelfs is het de doorgaande verwachting des N. Test., dat, naarmate -het evangelie des kruises zich verbreidt, ook de vijandschap der -wereld openbaar wordt. Christus is bestemd, om voor velen tot eene -opstanding maar ook voor velen tot een val te zijn en hunne vijandige -overleggingen tot openbaring te brengen; Hij is tot eene crisis in -de wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen en die -zien, blind worden, Mt. 21:44, Luk. 2:34, Joh. 3:19-21, 3:39, Rom. -9:32, 33, 1 Cor. 1:23, 2 Cor. 2:16, Hebr. 4:12, 1 Petr. 2:7, 8. In -de laatste tijden, in de dagen, die aan de wederkomst van Christus -voorafgaan, zal de goddeloosheid der menschen tot eene schrikbarende -hoogte stijgen; de dagen van Noach keeren terug; wellust, zingenot, -losbandigheid, geldzucht, ongeloof, hoogmoed, spotternij, lastering -zullen op schrikkelijke wijze uitbreken, Mt. 24:37v., Luk. 17:26v., 2 -Tim. 3:1, 2 Petr. 3:3, Jud. 18; ook onder de belijders zal de afval -groot zijn; de verleiding zal zoo machtig worden, dat zij zelfs, indien -het mogelijk ware, de uitverkorenen ten val zou brengen; de liefde zal -bij velen verkoelen en de waakzaamheid zoo afnemen, dat de wijze met de -dwaze maagden in slaap vallen; het zal zulk een algemeene afval worden, -dat Jezus de vraag kan doen, of de Zoon des menschen bij zijne komst -nog geloof op aarde vinden zal, Mt. 24:24, 44v., 25:1v., Luk. 18:8, 1 -Tim. 4:1. Het boek der Openbaring van Johannes stemt daarmede overeen. -De brieven aan de zeven gemeenten behandelen wel concrete toestanden, -gelijk zij toenmaals in die kerken bestonden en zijn wel allereerst aan -die gemeenten gericht, om ze tot waakzaamheid aan te sporen en ze -voor te bereiden op de aanstaande vervolgingen en de wederkomst van -Christus. Maar zij hebben toch duidelijk eene veel verdere strekking. -Het zevental, dat in de Openbaring steeds zoo groote beteekenis heeft, -wijst daar reeds op; het is het getal der volkomenheid en doet de zeven -gemeenten, die uit de vele gemeenten in Klein-Azië hier zijn uitgelezen, -voorkomen als typen van de gansche christelijke kerk. De brieven, door -Johannes aan haar gericht, hebben niet eerst afzonderlijk bestaan, en -zijn niet elk voor zich eerst aan de respectieve gemeente verzonden, -maar zij behooren bijeen, zijn te zamen opgesteld en bij elkander gevoegd, -en zijn aan de gansche kerk gericht; alwie ooren heeft, hoore wat -de Geest tot al de gemeenten zegt. Maar al hebben de brieven dus -ongetwijfeld eene beteekenis, die zich veel verder uitstrekt dan tot de -zeven met name genoemde, toenmaals in Klein-Azië bestaande gemeenten, -toch is deze niet hierin gelegen, dat zij opeenvolgende perioden in de -historie van Jezus’ gemeente zouden beschrijven en een klein compendium -der gansche kerkgeschiedenis zouden zijn. Maar zij teekenen kerkelijke -toestanden, die toenmaals aanwezig waren en die tevens typisch zijn voor -de gansche kerk van Christus, die dus telkens in de kerk zich kunnen -voordoen en die vooral terugkeeren zullen aan het einde der dagen. -Want het is duidelijk, dat zij allen geschreven zijn onder den indruk van -de aanstaande vervolging en de spoedige wederkomst van Christus. Alle -bevatten zij eene heenwijzing naar de parousie, en sporen met het oog -daarop de gemeenten tot waakzaamheid en getrouwheid aan. Zij dienen, -om de Christenheid, die meer en meer der wereld gelijkvormig werd, tot -de eerste liefde terug te roepen, uit de onverschilligheid te doen -opwaken, en met het oog op de kroon, die haar wacht, aan te gorden tot -den strijd en met onbezweken trouw te doen volharden tot den dood. Want -de dag des Heeren nadert; nadat Johannes eerst de toestanden beschreven -heeft, die er in zijn tijd, en later, vooral tegen het wereldeinde, in -de kerk van Christus bestaan, gaat hij ertoe over, om te vermelden, wat -daarna geschieden zal, 4:1. Het boek van Gods raadsbesluit over het -einde der dingen wordt in den hemel door het Lam geopend, hoofdst. 4 -en 5, en in het bijzonder dat door een engel aan Johannes vertoond, wat -betrekking heeft op den allerlaatsten tijd, hoofdst. 10, en alle volken -der aarde aangaat, 10:11. Beurtelings verplaatst Johannes ons nu op -aarde en in den hemel. In den hemel, daar is reeds alles beslist en -bepaald, daar wordt reeds eere gebracht aan God en het Lam, als ware de -strijd reeds gestreden en de overwinning behaald, hoofdst. 4 en 5; daar -zijn de zielen der martelaren reeds in lange witte kleederen gekleed en -wachten nog slechts op de vervulling van hun getal, 6:9-11; daar ziet -Johannes reeds proleptisch de gansche schare der verlosten staande voor -den troon, 7:9-19; daar zijn de gebeden der heiligen door God reeds -verhoord, 8:1-4; daar zijn reeds, ook proleptisch, opgenomen de 144000, -die verzegeld waren, 7:1-8, als eerstelingen de anderen voorgaan, -14:1-5, en over het beest en zijn beeld de overwinning hebben behaald, -15:1-4; daar brengt de gansche schare der verlosten reeds heerlijkheid -en eere aan God, wijl de bruiloft des Lams is gekomen, 19:1-8. De -gemeente op aarde behoeft dus niet bang te zijn voor de gerichten, -waarmede God aan het einde de wereld bezoekt. De 144000 dienstknechten -Gods uit alle geslachten der kinderen Israels worden van te voren -verzegeld, 7:1-8; de tempel en het altaar en degenen, die daarin -aanbidden, worden niet aan de Heidenen overgegeven en de twee getuigen, -die aldaar geprofeteerd hebben, worden wel gedood maar ook opgewekt -en in den hemel opgenomen, 11:1-12, en de christelijke gemeente, -schoon om Christus’ wil door Satan vervolgd, vindt in de woestijn eene -schuilplaats, 12:1-14. In beginsel is de strijd reeds beslist. Want -Christus is in den hemel opgenomen, 12:5; en Satan is door Michael en -zijne engelen overwonnen en uit den hemel op aarde geworpen, 12:7-11. -Thans heeft hij op aarde nog slechts een kleinen tijd, 12:12. Maar dien -tijd maakt hij zich ten nutte. Hij veroorzaakt het opkomen van het beest -uit de zee of den afgrond, 13:1, 11:7, 17:8, en geeft er macht en -heerlijkheid aan. Dit beest is het Romeinsche keizerrijk, 13:1-10, wordt -door een ander beest, het beest van de aarde, dat is, den valschen -profeet, de valsche religie, den antichrist gesteund, 13:11-18, -realiseert zich ten volle in één persoon, die zelf daarom het beest -heeten kan, 13:3, 12, 18, 17:8, 10, 11 en heeft zijn centrum in de stad -Babylon, dat is Rome, de groote hoer, welke over alle volken heerscht, -hoofdst. 17 en 18. Maar al deze machtsontwikkeling is ijdel. Door de -ontsluiting der zeven zegelen, door het blazen der zeven bazuinen, door -het uitgieten der zeven fiolen openbaart God zijn toorn, bezoekt Hij -natuur en menschheid met zijne oordeelen, en bereidt Hij het eindgericht -voor. Eerst valt Babel, hoofdst. 18. Dan verschijnt Christus, 19:11-16, -overwint het beest uit de zee en het beest van de aarde, 19-21 en -straks ook den Satan, 20:1-3. - - -9. Nu is het zeer bevreemdend, dat deze laatste overwinning over Satan -in twee tempo’s geschiedt. Eerst wordt hij voor duizend jaren gebonden -en in den afgrond geworpen, en daarna verleidt hij opnieuw de volken, -voert krijg tegen de gemeente en wordt dan voorgoed overwonnen en -geworpen in den poel van vuur en sulfer, 20:1-10. De voorstanders van -het Chiliasme vinden, behalve in het Oude Testament, in deze pericoop -hun sterksten steun en de tegenstanders zijn er in niet geringe mate -verlegen mede en hebben er al hun exegetische kunst aan beproefd. De -gedachte, dat er na de overwinning van het wereldrijk nog een laatste -aanval van de volken moest afgeslagen worden, is ongetwijfeld door -Johannes aan Ezechiel ontleend. Deze profeet verwacht, dat Israel, -nadat het in zijn land zal zijn wedergekeerd en daar zeker wonen zal, -nog eenmaal aangevallen zal worden door Gog van het land Magog, vorst -van Rosch, Meschech en Tubal, dat is door het volk der Scythen, in -verbinding met allerlei andere volken uit het noorden, oosten en -zuiden. De aanval eindigt echter daarmede, dat God zelf deze volken -op de bergen Israels in zijn toorn verdelgen zal, c. 38 en 39. In -hoofdst. 38:17 zegt de Heere, dat Hij van die volken reeds vroeger door -den dienst zijner profeten gesproken heeft. En inderdaad verkondigden -reeds vroegere profeten, dat niet alleen die historische volken, in -wier midden Israel leefde en met wie het in aanraking kwam, maar ook -alle veraf wonende Heidenen door den Heere in zijnen dag gericht zouden -worden, Joel 2:32, 3:2, 11v., Mich. 4:5, 11, 5:6-8, Jes. 25:5-8, 26:21, -Jer. 12:14-16, 30:23, 24. Zeer duidelijk komt soortgelijke profetie -bij Zacharia voor, die in hoofdst. 12-14 schetst, hoe tegen den dag -des Heeren Jeruzalem door de volken belegerd, en deze dan door den -Heere gericht zullen worden. En Daniel ziet niet alleen in Antiochus -Epiphanes de belichaming van het Gode vijandige wereldrijk, maar verwacht -ook, dat deze Gode vijandige macht nog eenmaal zich verheffen en -alzoo voor het gericht rijp worden zal, 11:40v. Tweeërlei was dus de -verwachting der profetie, eerst van eene overwinning van het volk Gods -over de volken, in wier midden het woonde, en daarna van een zegepraal -over de volken, die tot dusver nog niet verschenen waren op het tooneel -der wereldgeschiedenis. Deze dubbele verwachting ging over in de -apocriefe litteratuur, Schürer, Gesch. des jüd. Volkes II³ 532. 551, -maar ook in het Nieuwe Testament. Natuurlijk staat de eerste verwachting -op den voorgrond. De verschijning van Christus roept het antichristelijk -beginsel wakker. Jezus spreekt van ψευδοπροφηται en ψευδοχριστοι, die -zich stellen zullen tegenover Hem en zijn rijk, Mt. 7:15, 24:5, 24, Mk. -13:21, 22, Luk. 17:23. Om het ongeduld der Thessalonicensen bij hunne -verwachting van Jezus’ spoedige wederkomst te temperen, wijst Paulus er -in 2 Thess. 2 op, dat die dag van Christus niet aanbreekt, tenzij eerst -kome de apostasie en geopenbaard worde de mensch der zonde. Deze kan -nu nog niet komen, wijl er iets is, wat hem wederhoudt. Wel is thans -ook reeds werkzaam το μυστηριον της ἀνομιας, maar toch kan de mensch -der zonde niet komen, voordat hij, die hem wederhoudt, uit het midden -weggedaan zij. Daarna eerst zal de ἀνομος geopenbaard maar ook aanstonds -door Jezus teniet gedaan worden. De Apocalypse ziet de antichristelijke -macht belichaamd in het beest uit de zee, dat is, het Romeinsche rijk, -hetwelk de stad Rome tot centrum en een bepaalden keizer tot hoofd -heeft, en daarbenevens in het beest van de aarde, dat is, de valsche -profetie, welke tot huldiging van het wereldrijk en zijn keizer verleidt. -Dezen tegenstander van Christus noemt Johannes in zijne brieven dan het -eerst met den naam van αντιχριστος, in 1 Joh. 2:18 waarschijnlijk zelfs -zonder artikel; en hij ziet zijn wezen gerealiseerd in hen, die de komst -van Christus in het vleesch principieel loochenen, 1 Joh. 2:22. 4:2, -3, 2 Joh. 7. De voorstellingen van den antichrist zijn in de Schrift -dus verschillend. Daniel ziet zijn type in Antiochus Epiphanes; Jezus -maakt het antichristelijk beginsel los uit de Oudtest. tegenstelling van -Israel en de volken en ziet het belichaamd in vele valsche Christussen -en vele valsche profeten, die opstaan zullen na en tegen Hem; Paulus -laat den mensen der zonde opkomen uit eene algemeene apostasie en noemt -hem den ἀνομος en den ἀντικειμενος, n.l. van Christus, maar teekent hem -ook, met trekken aan Daniel ontleend, als dengene, die zich verheft -boven alles, wat God heet en wat door menschen vereerd wordt, zoodat hij -in Gods tempel als een God zich nederzet en als een God zich vertoont. -Johannes in zijne brieven acht den antichrist gekomen in de ketters -zijner dagen. En de Apocalypse ziet zijne macht zich ontwikkelen in het -wereldrijk, dat door de valsche profetie wordt gesteund. Daaruit blijkt, -dat bij den antichrist niet uitsluitend aan één persoon of aan eene -groep van personen, bijv. de ketters der eerste eeuwen, het Romeinsche -rijk, Nero, de Joden, Mohammed, den paus, Napoleon enz., gedacht moet -worden. De Schrift leert duidelijk, dat de antichristelijke macht hare -geschiedenis heeft, in verschillende tijden op verschillende wijzen zich -openbaart en ten slotte zich volledig ontwikkelt in een algemeenen -afval en verbreking van alle natuurlijke en zedelijke banden, die thans -nog zulk eene apostasie tegenhouden, en zich dan belichaamt in een -wereldrijk, dat de valsche kerk in dienst neemt en in de vergoding van -het hoofd van dat rijk zichzelf apotheoseert. Aan deze antichristelijke -macht in haar hoogste en laatste ontwikkeling maakt dan Christus -zelf door zijne verschijning een einde. Cf. de nieuwere litt. over den -antichrist: Lünemann in zijn comm. op Thess., 3{te} Aufl. S. 219-225. -Rinck, Die Lehre der H. S. von Antichrist. 1867. Boehmer, Zur Lehre -vom Antichrist, Jahrb. f. d. Th. 1859 S. 405-467 F. Philippi, Die -bibl. kirchl. Lehre v. Antichrist 1877. Kliefoth, Eschatologie 205 f. -Renan, L’antéchrist 1877. Bousset, Der Antichrist 1877. Wadstein, Die -eschatol. Ideengruppe Antichrist, Weltsabbat, Weltende und Weltgericht, -Leipzig 1896. Ebbes, Der Antichrist in den Schriften des N. T. (Theol. -Arb. aus d. rhein. westf. Pred. Verein. N. F. Heft 1 S. 1-57). Art. in -Herzog³ van Seuffert. - -Maar daarmede is nog niet de volledige overwinning behaald. Het -antichristelijk beginsel kan uiteraard alleen optreden onder die natiën, -die het evangelie gekend en ten slotte in bewuste en opzettelijke -vijandschap verworpen hebben. Maar er zijn altijd geweest, er zijn nog -en er zullen tot het einde der dagen volken zijn, die, als afgesneden -takken, buiten de geschiedenis en de cultuur der menschheid staan. Wel -zegt Jezus, Mt. 24:14, dat het einde eerst komt, nadat het evangelie -in heel de bewoonde wereld gepredikt is tot een getuigenis allen -volken. Maar deze profetie sluit toch niet in, dat het Christendom -eens onder alle volken de heerschende godsdienst zal zijn, of dat het -aan ieder mensch, hoofd voor hoofd, bekend zal wezen; want de historie -leert, dat millioenen menschen en tal van volken, ook in de eeuwen -na Christus’ komst op aarde, weggestorven zijn, zonder eenige kennis -van het evangelie te hebben gehad. Maar Jezus’ woord houdt alleen in, -dat de prediking van het evangelie tot alle volken doordringen zal -en bepaalt geenszins nauwkeurig de mate, waarin, noch de grens, tot -welke dit geschieden zal. De profetie vervult zich ook niet in eens -maar successief door den loop der eeuwen heen, zoodat vele volken, -die eertijds in het licht des evangelies wandelden, later daarvan weer -beroofd zijn geworden. Terwijl in deze negentiende eeuw het evangelie -onder de Heidenen zich verbreidt, neemt onder de Christenvolken de -afval hand over hand toe. En daarom is het meer dan waarschijnlijk, dat -tegen den tijd van de parousie wederom vele volken op aarde van de -kennis van Christus verstoken zullen zijn. En met dit feit rekent het -twintigste hoofdstuk van Johannes’ Openbaring. Omdat daar sprake is -van eene duizendjarige binding van Satan en van een gedurende dien tijd -leven en heerschen der martelaren met Christus, hebben velen gemeend, -dat hier klaar en onwedersprekelijk het zoogenaamde duizendjarig rijk -werd geleerd. Maar feitelijk is dit een verklaren van Op. 20, niet -naar de analogie der Schrift, maar naar de analogie der apocriefe -litteratuur. Op. 20 bevat op zichzelf niets van al wat tot het wezen -van het chiliastisch geloof behoort. Immers, 1º er wordt met geen -enkel woord melding gemaakt van eene bekeering en een terugkeer der -Joden, van een herbouw der stad Jeruzalem, van een herstel van tempel -en eeredienst, van eene aanvankelijke vernieuwing der aarde. Veeleer is -dit alles buitengesloten. Want ook al zouden de 144000 in hoofdst. 7 -van het pleroma uit Israel te verstaan en van die in 14:1 onderscheiden -zijn, dan ware daarmede toch niets anders en niets meer bedoeld, dan -dat ook vele Christenen uit de Joden in de groote verdrukking zullen -staande blijven en onder de schare voor Gods troon een eigen plaats -zullen innemen; maar er wordt volstrekt niet gezegd, dat zij opstaan -en in Jeruzalem wonen zullen. De Christenen zijn de echte Joden, en -de Joden, die zich verharden in hun ongeloof, zijn eene synagoge des -Satans, 2:9. Al heet misschien het aardsche Jeruzalem nog eene enkele -maal de heilige stad en de tempel aldaar de tempel Gods, 11:1, 2, -toch wordt dat Jeruzalem in geestelijken zin Sodom en Egypte genoemd, -11:8; het echte Jeruzalem is boven, 3:12, 21:2, 10, en daar is ook de -tempel Gods, 3:12, 7:15, 11:19 enz., en de ark, 11:19 en het altaar, -6:9, 8:3, 5, 9:13, 14:18, 16:7. En dat Jeruzalem daalt niet reeds in -Op. 20 maar eerst in Op. 21 op aarde neer. 2º Het leven en heerschen -der in de groote verdrukking trouw gebleven geloovigen heeft niet op -aarde maar in den hemel plaats. Van de aarde is met geen woord sprake. -Johannes ziet den engel, die Satan bindt, uit den hemel opkomen, -20:1; de tronen, die hij aanschouwt, 20:4, bevinden zich in den hemel, -4:4, 11:16; en de zielen der martelaren worden door Johannes hier, -20:4, evenals overal elders in den hemel gezien, 6:9, 7:9, 14, 15, -11:12, 14:1-5, 18:20, 19:1-8. De geloovigen zijn reeds op aarde door -Christus Gode tot koningen en priesters gemaakt, 1:6; zij zijn dit in -den hemel, 5:10, en verwachten, dat zij het eenmaal ook op aarde zullen -zijn, 5:10, maar deze verwachting wordt eerst in het nieuwe Jeruzalem, -dat van boven neerdaalt, vervuld; dan zullen zij koningen zijn in der -eeuwigheid, 22:5. Thans echter, in den hemel, is hun koningschap -tijdelijk, het duurt duizend jaren. 3º Ook weet Johannes niet van eene -eerste lichamelijke opstanding, die aan het duizendjarig rijk vooraf -zou gaan, en eene tweede, die daarop volgen zou. Nergens wordt in de -Schrift zulk eene eerste opstanding geleerd. Wel is er sprake van eene -geestelijke opstanding uit de zonde, Joh. 4:25, 26, Rom. 6:4 enz. Ook -is er eene ἀναστασις ἐκ νεκρων, die op enkele gevallen ziet, zooals -de opstanding van Christus, 1 Petr. 1:3, cf. Hd. 26:23, 1 Cor. 15:23, -of alleen op de geloovigen betrekking heeft, Luk. 20:35, 36, Hd. 4:2, -maar in dit geval volstrekt niet temporeel door een duizendjarig rijk -van de algemeene αναστασις νεκρων onderscheiden is, Mt. 22:31, Joh. -5:28, 29, Hd. 24:15, 1 Cor. 15:13, 42. Wel heeft men dit in 1 Cor. -15:20-28 en 1 Thess. 4:13-18 meenen te vinden, maar ten onrechte. In -1 Cor. 15:20-28 handelt Paulus zeer zeker alleen van de opstanding -der geloovigen, terwijl hij van die der goddeloozen hier in het geheel -niet spreekt en niet behoeft te spreken; maar van die opstanding der -geloovigen zegt hij duidelijk, dat zij plaats hebben zal bij de parousie -van Christus en dat daarna het einde zal zijn, waarin Hij het koninkrijk -den Vader overgeeft, vs. 23, 24. Men zou uit deze plaats op zichzelve -wel kunnen afleiden, dat er geen opstanding der goddeloozen volgens -Paulus is, maar onmogelijk, dat deze door een duizendjarig rijk van die -der geloovigen gescheiden is. Want op de opstanding der geloovigen -volgt terstond het einde en de overgave van het koninkrijk, omdat alle -vijanden overwonnen zijn en de laatste vijand, dat is de dood, te niet -gedaan is. Evenmin staat er iets van zulk eene eerste, lichamelijke -opstanding der geloovigen in 1 Thess. 4:13-18. In Thessalonica maakte -men zich ongerust over het lot dergenen, die in Christus gestorven -waren. Van welken aard die ongerustheid was, weten wij niet. De -Chiliasten meenen, dat de Thessalonicensen niet twijfelden aan de -opstanding en het eeuwig leven der in Christus ontslapenen, maar dat zij -aan twee opstandingen geloofden, eene vóór en eene na het duizendjarig -rijk, en nu bezorgd waren, dat de reeds gestorven geloovigen eerst bij -de tweede opstanding zouden opstaan en dus geen deel zouden hebben -aan de heerlijkheid van het duizendjarig rijk. Maar deze meening is ver -gezocht en vindt hoegenaamd geen steun in den tekst; indien er eene -eerste opstanding der geloovigen was, zou men juist verwachten, dat -de gemeente in Thessalonica zich niet bezorgd maakte over het lot der -gestorvenen, want dezen zouden dan immers juist in het voorrecht dier -eerste opstanding deelen. En indien men antwoordt, dat men dat juist in -Thessalonica niet wist, dat er eene eerste opstanding der geloovigen -was, dan had de apostel hun dat eenvoudig met een paar woorden kunnen -zeggen. Maar dat doet hij in het geheel niet; hij spreekt niet van eene -eerste en eene tweede opstanding; hij betoogt alleen, dat de geloovigen, -die bij Jezus’ komst nog levend overgebleven zijn, niets zullen vóór -hebben bij hen, die reeds vroeger in Christus ontslapen zijn. Waarin -de Thessalonicensen meenden, dat de laatsten bij de eersten zouden -achterstaan, is ons onbekend. Maar dit doet er ook niet toe; het feit -staat vast, dat men zoo in Thessalonica oordeelde. En daartegenover -zegt Paulus nu, dat dit niet het geval is, want God zal de ontslapen -geloovigen door middel van Jezus, die hen opwekken zal, terstond met -Hem (met Jezus) doen zijn in zijne toekomst, zoodat Hij hen als het ware -meebrengt, en de levend overgebleven geloovigen zullen hen volstrekt -niet vooruit zijn, want de opstanding der dooden gaat vooraf, en -daarna worden alle geloovigen, zoowel de opgestane als de veranderde -geloovigen, te zamen opgenomen in de wolken, den Heere tegemoet. De -tekst bevat dus niets van eene eerste en eene tweede opstanding. Indien -nu nergens in de Schrift zulk eene tweeërlei opstanding voorkomt, zal -men wel doen, ze niet al te spoedig in Op. 20 te vinden. En werkelijk -komt ze daar ook niet voor. Er staat daar in vers 4 en 5 alleen dit, -dat de zielen der in de groote verdrukking trouw gebleven geloovigen -als koningen met Christus duizend jaren leven en heerschen en dat dit -de eerste opstanding is. Johannes zegt duidelijk, dat hij de zielen, τας -ψυχας, van de martelaren zag, cf. 6:9, en maakt van opstanding hunner -lichamen geen melding. Hij zegt voorts, dat die zielen, niet opstonden -of opgewekt werden of in het leven ingingen, maar dat zij _leefden_ en -dat zij terstond als koningen met Christus leefden en heerschten duizend -jaren. Hij spreekt verder van de overige dooden, οἱ λοιποι των νεκρων, -en onderstelt dus, dat de geloovigen, wier zielen hij in den hemel zag, -ook nog in zekeren zin tot de dooden behooren, maar toch leefden en -heerschten; daartegenover zegt hij van de overige dooden, niet, gelijk -in de Statenvertaling staat, dat zij niet weder levend werden, maar dat -zij _niet_ leefden, οὐκ ἐζησαν. En hij voegt er eindelijk met nadruk aan -toe, dat dit leven en heerschen van de zielen der getrouw gebleven -geloovigen in tegenstelling met het niet leven der overige dooden de -eerste opstanding is. Men voelt als het ware de tegenstelling: dàt is -niet de eerste opstanding, die door sommigen, ook reeds in Johannes’ -dagen, aangenomen werd, alsof er eene lichamelijke opstanding der -geloovigen aan het duizendjarig rijk vooraf zou gaan; maar de eerste -opstanding bestaat in het leven en heerschen der getrouw gebleven -geloovigen in den hemel met Christus. De geloovigen, aan wie Johannes -schrijft en die straks de verdrukking tegemoet gaan, moeten niet denken, -dat zij eerst zalig zullen worden aan het einde der dagen. Neen, zalig -zijn de dooden, die in den Heere sterven _van nu aan_, ἀπαρτι, 14:13; -zij ontvangen terstond rust van hun moeiten; zij worden aanstonds bij hun -sterven gekroond; zij leven en heerschen met Christus in den hemel van -het eerste oogenblik na hun dood af; en daarom kunnen zij gemoedigd -de verdrukking tegengaan, de kroon des levens ligt voor hen gereed, -2:10. Johannes herhaalt hier, 20:4, 5, in het kort, wat hij vroeger aan -de zeven gemeenten geschreven heeft. De beloften, welke daar aan de -geloovigen, indien zij volhardden tot het einde, gegeven werden, kwamen -alle hierop neer, dat wie overwint, gekroond zou worden. Wie overwint, -ontvangt te eten van den boom des levens, 2:7, van het verborgen manna, -2:17, krijgt macht over de Heidenen, 2:26, ontvangt de morgenster, -2:28, wordt bekleed met witte kleederen, 3:5, wordt gemaakt tot een -pilaar in Gods tempel, 3:12, houdt avondmaal met Jezus, 3:20. In één -woord, die overwint, Ik zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon, -2:21. Wat Johannes eerst in de belofte zag, ziet hij thans in hoofdst. -20 in de vervulling; zij, die trouw blijven tot den dood, leven en -heerschen terstond met Christus in zijnen troon in den hemel; en _dat_ -is de _eerste_ opstanding. Maar Johannes voegt er nog iets aan toe, -en bevestigt daarmede de boven gegeven verklaring. Hij zegt namelijk: -zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over -hem heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters Gods en -Christi zijn, en met Hem heerschen de duizend jaren. De tweede dood is -volgens 20:14 niets anders dan het geworpen worden in den poel des -vuurs. Wat nu het lot der in vs. 5 genoemde overige dooden moge zijn, in -elk geval zijn de getrouw gebleven geloovigen, die met Christus leven -en heerschen, voor dien tweeden dood gevrijwaard. Zij hebben reeds de -kroon des levens en eten reeds van het manna des levens, en behoeven -dus voor het later volgend gericht niet te vreezen; wie overwint, zal -van den tweeden dood, die bij het eindgericht intreedt, niet beschadigd -worden, 2:11. Indien Johannes de eerste opstanding in chiliastischen -zin verstond, als eene lichamelijke opstanding der geloovigen vóór het -duizendjarig rijk, dan had hij zulk eene vertroosting aan de geloovigen -niet behoeven te geven. Hij had dan kunnen volstaan met te zeggen, -dat zij nog vóór het duizendjarig rijk zouden opstaan. Maar neen, de -geloovigen blijven nog tot het eindgericht toe in zekeren zin tot de -dooden behooren; doch geen nood, indien zij volharden tot het einde, dan -worden zij terstond gekroond en kunnen, ook al heerscht de _eerste_ dood -nog over hunne lichamen, door den _tweeden_ dood niet beschadigd worden. - - -10. Tegen deze verklaring kan men echter inbrengen, dat Johannes toch -duidelijk spreekt van eene duizendjarige heerschappij der geloovigen -met Christus, zij het ook in den hemel, en dat hij deze plaatst na de -wederkomst van Christus, 19:11-16 en den val van het wereldrijk en -van den valschen profeet, 19:20. Toch weegt deze bedenking niet zoo -zwaar als het lijkt. Want 1º de plaatsing van het visioen in Op. 20 na -dat in hoofdst. 19 beslist op zichzelf hoegenaamd nog niet over de -chronologische volgorde. In het algemeen kan de kunst van het woord, -in onderscheiding bijv. van de schilderkunst, datgene wat gelijktijdig -plaats heeft, slechts successief, het een na het ander, verhalen. -De Schrift maakt hierop geene uitzondering en verhaalt dikwerf na -elkaar, wat in de werkelijkheid naast elkaar voorkomt. Bij de profeten -gebeurt het menigmaal, dat zij successief zien en beschrijven, wat -gelijktijdig of ook zelfs in eene gansch andere orde plaats grijpt of -plaats grijpen zal. Vooral is dat, gelijk meer en meer erkend wordt, in -het boek der Openbaring het geval. De brieven aan de zeven gemeenten -zijn geen beschrijvingen van in diezelfde orde op elkander volgende -kerkelijke toestanden. De zeven zegelen, de zeven bazuinen en de -zeven fiolen vormen geen chronologische reeks maar loopen parallel -en voeren ons telkens tot aan het einde, tot de laatste worsteling -van de antichristelijke macht. En zoo is er op zichzelf niets tegen om -aan te nemen, dat hetgeen in Op. 20 verhaald wordt evenwijdig loopt -met de gebeurtenissen der vroegere hoofdstukken. 2º Erkend dient -te worden, dat Johannes bij het wereldrijk, dat hij teekent, denkt aan -het Romeinsche imperium. De profetie, in het Oude en ook in het -Nieuwe Testament beweegt zich niet hoog in de lucht maar staat op -historischen bodem en ziet in de concrete machten, in wier midden -zij leeft, de worsteling belichaamd van het wereldrijk tegen het rijk -van God. Het boek Daniel bijv. loopt tot Antiochus Epiphanes toe en -ziet in hem de personificatie der vijandschap tegen God en zijn volk. -En zoo ook ontleent Johannes de trekken voor zijn wereldrijk aan het -Romeinsche keizerrijk zijner dagen. Ofschoon al wat te voren geschreven -is, ook tot onze leering geschreven is, zoo is toch de Openbaring van -Johannes in de eerste plaats een troostboek voor de kruisgemeente van -zijn tijd, om haar aan te sporen tot volharding in den strijd en om haar -te bemoedigen door het gezicht van de kroon, die haar wacht. Indien -Johannes voor zichzelven gemeend heeft, dat in het Romeinsche keizerrijk -de allerlaatste ontwikkeling van het wereldrijk was opgetreden en dat -Christus binnen enkele jaren komen zou, om daaraan een einde te maken, -dan zou daarin niets ongewoons te vinden zijn, niets dat in strijd ware -met den geest der profetie. Wij zijn niet aan Johannes’ persoonlijke -meening, maar aan het woord zijner profetie gebonden; en de profetie, -die haar licht over de geschiedenis werpt, wordt op haar beurt ook door -de historie verklaard en onthuld. 3º Indien Johannes werkelijk voor -zichzelven geloofd heeft, dat het Romeinsche keizerrijk binnen enkele -jaren door de verschijning van Christus te niet gedaan zou worden, dan -heeft hij in elk geval gemeend, dat de geschiedenis der wereld daarmede -nog niet was afgeloopen, want in dat geval ware er voor de heerschappij -van de geloovigen met Christus in den hemel daarnaast geen plaats en -moest deze eerst na dien tijd aanvangen. Maar deze zeitgeschichtliche -opvatting geeft, hoeveel waars zij ook moge bevatten, niet de volledige -gedachte van Johannes’ Openbaring weer. Want duidelijk blijkt, dat in -hoofdst. 19 de geschiedenis der wereld haar einde heeft bereikt. Babel -is gevallen, hoofdst. 18, God heerscht als koning, 19:6, de bruiloft -des Lams is gekomen, 19:7-9, Christus is verschenen, 19:11-16, de -laatste strijd van alle koningen der aarde en van hunne heirlegers is -gestreden, 19:17-19, het wereldrijk en de valsche profeet zijn vernietigd -en geworpen in den poel des vuurs, die als de tweede dood eerst -geopend wordt na het gericht, 19:20, cf. 20:14, en de overigen werden -gedood, 19:21. Het 19e hoofdstuk loopt dus duidelijk door tot datzelfde -wereldeinde, dat in 20:10-15 geteekend wordt. Er is geen stof meer voor -het vervolg der wereldgeschiedenis. De zeitgeschichtliche exegese laat -de herkomst der volken, die in 20:3, 8 optreden, onverklaard of komt -anders met 19:17-21 in strijd. Gelijk echter de brieven aan de zeven -gemeenten en evenzoo de zeven zegelen, bazuinen en fiolen allereerst -zien op de toestanden en gebeurtenissen in Johannes’ dagen doch dan -eene verdere strekking hebben voor de kerk aller eeuwen en voor heel -de geschiedenis der wereld, zoo geldt het ook van het wereldrijk, in -de Openbaring geteekend, dat het zijn type heeft in het Romeinsche -keizerrijk der eerste eeuwen maar daarin toch nog niet zijn volle -realiseering ontvangt. Het verheft zich telkens weer en moet altijd -opnieuw bezwijken voor de verschijning van Christus, totdat het eindelijk -zijne uiterste krachten inspant, zich in eene laatste reusachtige -worsteling uitput en dan voorgoed door de komst van Christus vernietigd -wordt. 4º Indien deze opvatting juist is, bedoelt het visioen van Joh. -20 niet, om ons te verhalen, wat in chronologische orde na het in Op. -19 gebeurde voorvallen zal, maar heeft het eene zelfstandige plaats -en bericht ons, wat met het voorafgaande parallel loopt. Er is n.l. -tweeërlei uiteinde van de geschiedenis der wereld te verhalen, een van -de historische volken, waaronder het Christendom optreedt, en een ander -van de wilde volken, die, gelijk Op. 20:8 zoo duidelijk zegt, in de vier -hoeken der aarde wonen, en dus buiten het centrum van de geschiedenis -en de cultuur der menschheid hebben geleefd. Onder gene kon alleen het -wereldrijk en de valsche profetie optreden, want het antichristendom -onderstelt de bekendheid met het evangelie; deze brengen het alleen -tot een woesten aanval op de gemeente van Christus. Maar het is toch -dezelfde Satan, die ginds en hier werkt. Telkens als hij onder de -cultuurdragende volken teruggedrongen en verslagen wordt, organiseert -hij in de wilde volken een nieuw instrument tot den strijd tegen -Christus. Eerst is hij uit den hemel geworpen; daarna werkt hij op aarde -en richt er tegen Christus zijn wereldrijk op; en eindelijk laat hij de -wilde volken verschijnen op de breedte der aarde, om den laatsten strijd -tegen Christus te strijden. Maar dit alles niet in tijdrekenkundigen -doch in logischen, geestelijken zin. 5º De duizend jaren zijn een -symbolisch getal, gelijk thans algemeen erkend wordt; zij staan tegenover -de weinige dagen, gedurende welke de getrouw gebleven geloovigen hier -op aarde verdrukt en vervolgd zijn geworden, 12:14, maar ook tegenover -de voltooide heerlijkheid, die eeuwig is, 22:5. Zij zijn eene aanduiding -van de heilige, zalige rust der gestorven geloovigen in den hemel bij -Christus en tevens van het verlangen, waarmede zij uitzien naar den dag -der wrake van hun bloed, 6:9, terwijl op aarde de strijd van wereldrijk -en volkerenwereld tegen Christus nog voortduurt. En als Johannes dan -in Op. 20:1-9 de geschiedenis der wilde volken verhaald heeft tot dat -einde toe, waarop ook die der cultuurdragende volken in 19:17-21 is -uitgeloopen, dan wordt de draad van beide visioenen opgenomen en het -allerlaatste einde der gansche wereldgeschiedenis verhaald. Daar, in -19:21, werden de menschen gedood door het zwaard van Christus; hier in -20:9, worden zij verteerd door vuur uit den hemel. Maar nadat wereldrijk, -valsche profeet en Satan veroordeeld en in den poel geworpen zijn, -19:20, 20:10, staan alle dooden op en worden geoordeeld naar hunne -werken, 20:11-15. - - -11. De dusver ontwikkelde leer der Schrift stelt duidelijk in het licht, -dat de gang en de uitkomst der wereldgeschiedenis eene gansch andere -is, dan menschen haar gewoonlijk zich voorstellen. Indien ergens, dan -geldt het bovenal ten aanzien van het einde der dingen, dat Gods -wegen hooger dan onze wegen zijn, en zijne gedachten hooger dan onze -gedachten. Het koninkrijk Gods, ofschoon gelijk aan een mostaardzaad en -een zuurdeesem en een zaad, dat uitspruit en lang wordt buiten weten -en toedoen des menschen, Mt. 13:31, 33, Mk. 4:27, bereikt toch zijne -voltooiing niet in den weg van geleidelijke ontwikkeling of van een -ethisch proces. Veeleer loopt de geschiedenis der menschheid, zoowel -bij de cultuurdragende als bij de cultuurlooze volken, volgens het -onwraakbaar getuigenis der Schrift uit op eene algemeene apostasie en -op eene ontzettende laatste worsteling van alle satanische machten -tegen God en zijn rijk. Maar dan is ook het einde daar; de wereld heeft -in den tijd en met de macht, haar door God geschonken, niet anders -gedaan dan, evenals in de dagen van Noach, zich rijp gemaakt voor het -gericht; op het hoogtepunt van haar macht, stort zij plotseling bij -de verschijning van Christus ineen. Eene catastrophe, eene ingrijpende -daad Gods maakt ten slotte aan de heerschappij van Satan hier op aarde -een einde en brengt de voltooiing van het onbewegelijk koninkrijk der -hemelen tot stand. Gelijk bij den geloovige de volmaaktheid niet vrucht -is van eene langzaam voortgaande heiligmaking maar terstond na het -sterven bij hen intreedt, zoo ook komt de volmaking van menschheid en -wereld niet langzamerhand maar plotseling door de verschijning van -Christus tot stand. Bepaaldelijk is het Christus, die door den Vader -aangewezen is, om aan de geschiedenis van menschheid en wereld een -einde te maken. En Hij is daartoe aangewezen, omdat Hij de Zaligmaker, de -volkomene Zaligmaker is. De arbeid, dien Hij op aarde volbracht, is maar -een stuk van het groote werk der verlossing, dat Hij op zich genomen -heeft; en de tijd, dien Hij hier doorbracht, is maar een klein gedeelte -van de eeuwen, over wie Hij als Heer en Koning aangesteld is. Van -eeuwigheid gezalfd door den Vader, is Hij zijne profetische, priesterlijke -en koninklijke werkzaamheid terstond beginnen uit te oefenen, nadat -de zonde in de wereld gekomen was; Hij zette die werkzaamheid voort -door al de wentelende eeuwen heen; en Hij zal ze eenmaal voltooien -aan het einde der tijden. Wat Hij op aarde door zijn lijden en sterven -verwierf, dat past Hij van uit den hemel door de kracht van zijn woord -en de werking zijns Geestes toe; en wat Hij alzoo toegepast heeft, dat -handhaaft en beschermt Hij tegen alle aanvallen van Satan, om het eens -aan het einde, gansch volkomen, zonder vlek of rimpel, voor te stellen -aan zijnen Vader, die in de hemelen is. De wederkomst van Christus -ten oordeele is daarom niet een willekeurig toevoegsel, dat van zijn -voorafgaand werk losgemaakt en op zichzelf gesteld kan worden; maar -zij vormt van dat werk een noodzakelijk, onmisbaar bestanddeel, zij -brengt dat werk tot zijne voltooiing en zet er de kroon op; zij is de -laatste en hoogste trap in den staat zijner verhooging. Omdat Christus -de Zaligmaker der wereld is, komt Hij eenmaal weder als haar Rechter; -de κρισις, welke Hij door zijne eerste komst teweeg bracht, voleindt Hij -bij zijn tweede komst; de Vader gaf Hem macht, om κρισιν ποιειν, wijl Hij -Zoon des menschen is, Joh. 5:27. De eschatologie wortelt daarom in -de Christologie en is zelve Christologie, leer van den eindelijken, -volkomen triumf van Christus en van zijn rijk over al zijne vijanden. Zelfs -kunnen wij met de Schrift nog verder teruggaan. De Zoon is niet alleen -vanwege de zonde mediator reconciliationis, maar ook afgedacht van de -zonde mediator unionis tusschen God en zijn schepsel. Hij is niet alleen -de causa exemplaris, maar ook de causa finalis van de schepping; de -wereld heeft in den Zoon haar grondslag en voorbeeld en daarom heeft -zij in Hem ook haar doel; zij is door Hem en ook tot Hem geschapen, Col. -1:16. Omdat de schepping zijn werk is, kan en mag zij geen buit van Satan -blijven; de _Zoon_ is Hoofd, Heer en Erfgenaam aller dingen. Saamgevat -in den Zoon, onder Hem als Hoofd vergaderd, keeren de schepselen weer -tot den Vader, de fontein aller goeden, terug, deel II 408. De tweede -komst van Christus wordt dus door zijn eerste geeischt; zij is in deze -begrepen, vloeit er te harer tijd noodzakelijk uit voort, brengt ze tot -haar volle uitwerking en voltooiing en werd daarom door de Oudtest. -profetie met de eerste komst in één beeld samengevat. En niet slechts -hangt de tweede komst met de eerste idealiter en logisch saam, maar er -bestaat tusschen beide ook een reëel verband. Gelijk het Oude Testament -een voortdurend komen van God tot zijn volk was, totdat Hij in Christus -lichamelijk onder hen wonen ging; zoo ook is de bedeeling des Nieuwen -Testaments een altijd door komen van Christus tot zijn erfdeel, om het -eindelijk voorgoed in zijn bezit te nemen. Christus is niet alleen -degene, die in de dagen des Ouden Test. komen zou en in de volheid des -tijds gekomen is; maar Hij is ook de komende, ὁ ἐρχομενος, en degene, die -komen zal, ὁ ἐρχομενος ἡξει, Hebr. 10:37, cf. Op. 1:4, 8 enz. De tweede -komst van Christus is het complement der eerste. - - -12. Dit ideëele en reëele verband van Christus’ eerste en tweede komst -verklaart ook de wijze, waarop in het N. Test. over den tijd zijner -parousie gesproken wordt. Eene gansche reeks van plaatsen stelt deze -parousie zeer nabij. Jezus knoopt de profetie van de voleinding der -eeuwen onmiddellijk vast aan die van de verwoesting van Jeruzalem, Mt. -24:29 c. parall. Paulus acht het mogelijk, dat hij en zijne medegeloovigen -de parousie van Christus nog beleven zullen, 1 Thess. 4:15, 1 Cor. -15:51. En alle apostelen zeggen, dat zij zijn in den laatsten tijd, dat -de toekomst des Heeren nabij is, en ontleenen daaraan eene drangrede -tot waakzaamheid, Rom. 13:11, 1 Cor. 10:11, Hebr. 3:14, 6:11, 10:25, -37, Jak. 5:7-9, 1 Petr. 1:6, 20, 4:17, 5:10, 1 Joh. 2:18, Op. 1:3, -3:11, 20, 22:7, 10, 12, 20. Er is in de opvatting van deze Nieuwtest. -verwachting aangaande de spoedige wederkomst van Christus zoowel -aan de eene als aan de andere zijde gedwaald. Het N. Testament bevat -volstrekt geen leer over den tijd van Christus’ wederkomst. Het stelt -in geenen deele vast, dat die wederkomst nog vóór of onmiddellijk na -de verwoesting van Jeruzalem plaats hebben zal. Wel is dit door velen -uit Mt. 10:23, 16:28, 24:34, 26:64 c. parall. afgeleid, maar ten -onrechte. Want het is voor geen redelijken twijfel vatbaar, dat Jezus -van zijn komen in verschillenden zin heeft gesproken. In Joh. 14:18-24, -cf. 16:16-24 spreekt Hij tot zijne discipelen van zijn komen in den Geest -na den pinksterdag of volgens andere uitleggers van zijn komen na de -opstanding, wanneer Hij weder voor een kleinen tijd aan zijne jongeren -verschijnen zal. In Mt. 26:64 bevestigde Jezus voor den hoogen raad -niet alleen zijn Messiasschap met een eed, maar zeide Hij ook, dat Hij -hen hiervan overtuigen zou, doordat zij Hem van nu aan, ἀπαρτι, zouden -zien zitten aan de rechterhand van Gods kracht en zouden zien komen -op de wolken des hemels. Van een dergelijk komen in zijne heerlijkheid -is ook elders sprake. Mt. 16:28, cf. Mk. 9:1, Luk. 9:27, verheft dit -boven alle bedenking. Jezus zegt daar, dat sommigen van zijne omstanders -den dood niet zullen smaken, totdat zij den Zoon des menschen hebben -zien komen in zijn koninkrijk. Vlak vooraf had Hij vermaand, om vooral op -redding der ziel bedacht te zijn; en Hij drong deze vermaning aan, met te -zeggen, dat de Zoon des menschen komen zou, met Goddelijke heerlijkheid -bekleed, en dan een ieder naar zijne werken zou vergelden. Maar zóó -lang, voegt Hij er in vs. 28 als het ware verklarend aan toe, zal dit -zelfs niet duren, want nog voordat al zijne omstanders gestorven zijn, -komt de Zoon des menschen reeds in zijn koninkrijk, ἐν τῃ βασιλειᾳ αὐτου, -dat is, met de koninklijke macht en waardigheid, welke de Vader Hem -geven zal. Door zijne opstanding en hemelvaart toch wordt Christus van -den Vader tot Hoofd, Koning, Heer aangesteld, Hd. 2:33, 5:31; en van -dat oogenblik af komt Hij voortdurend in zijne koninklijke waardigheid, -naarmate zijn koninkrijk op aarde gesticht en uitgebreid wordt. En -daarom wordt in Mk. 9:1 en Luk. 9:27 de uitdrukking alzoo verklaard, -dat velen den dood niet smaken zullen, totdat zij het koninkrijk Gods -hebben gezien of hebben zien komen in kracht. Op dezelfde wijze is Mt. -10:23 te verklaren: de discipelen zouden hunne rondreis door de steden -Israels niet volbracht hebben, totdat de Zoon des menschen komen zou; -ofschoon het komen hier in het geheel niet nader verklaard wordt, kan -toch onmogelijk de parousie bedoeld zijn, wijl Jezus dan met zichzelf in -tegenspraak zou komen; in Mt. 24 laat Hij zijne parousie in elk geval -volgen op de verwoesting van Jeruzalem. Hoe lang zij na deze ontzettende -gebeurtenis plaats hebben zou, wordt door Jezus niet gezegd. Wel bindt -Hij ze in zijne profetie onmiddelijk aan den val van Jeruzalem vast; de -vertaling van εὐθεως in Mt. 24:29 door _plotseling_ in plaats van door -_terstond_, ook door van Leeuwen, De Parousie-verwachting in het N. -T. Utrecht 1898 bl. 37 voorgestaan, brengt daarin geen verandering, -want er staat duidelijk bij, dat de teekenen der parousie een aanvang -zullen nemen εὐθεως na de verdrukking dier dagen, in die dagen, na -die verdrukking, Mk. 13:24, cf. Luk. 21:25-27. Dit wordt bevestigd -door Mt. 24:34 cf. Mk. 13:29, Luk. 21:32, waar Jezus zegt, dat dit -geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen geschied zijn. De -woorden ἡ γενεα αὑτη kunnen niet verstaan worden van het volk der -Joden, maar slaan ongetwijfeld op het toen levend geslacht, cf. Cremer -s. v. Daarentegen is het duidelijk, dat de woorden παντα ταυτα niet -de parousie zelve insluiten, maar alleen doelen op de teekenen, die -haar voorafgaan en aankondigen. Immers, nadat Jezus de verwoesting -van Jeruzalem en de voorteekenen en zijne wederkomst en zelfs de -bijeenvergadering zijner uitverkorenen door de engelen voorspeld en dus -zijne eschatologische rede eigenlijk geeindigd heeft, gaat Hij in vers 32 -er toe over, om haar practisch toe te passen en zegt Hij, dat, evenals -het uitspruiten der bladeren bij den vijgeboom den zomer aankondigt, -zoo ook παντα ταυτα voorteekenen daarvan zijn, dat het einde nabij is -of dat de Messias nabij is voor de deur. Hier slaat παντα ταυτα zonder -eenigen twijfel op de voorteekenen der parousie, niet op deze zelve, -want anders ware het ongerijmd om te zeggen, dat, wanneer παντα ταυτα -geschieden zullen, het einde eerst nabij is. In vers 34 hebben de -woorden παντα ταυτα denzelfden zin; en Jezus zegt dus niet, dat zijne -parousie nog binnen den tijd van het thans levend geslacht zal plaats -hebben, maar dat hare voorteekenen en aankondigingen, gelijk die in de -verwoesting van Jeruzalem en de daarbij plaats hebbende gebeurtenissen -te zien zouden zijn, nog in den tijd van het thans levend geslacht een -aanvang zouden nemen. En daarvan is Jezus zoo zeker, dat Hij zegt, dat -hemel en aarde wel zullen voorbijgaan, maar dat zijne woorden geenszins -zullen voorbijgaan. Doch overigens onthoudt Jezus zich van alle nadere -tijdsbepaling. Het is Hem niet te doen, om zijne discipelen het juiste -tijdstip van zijne parousie te doen weten, maar om hen tot waakzaamheid -aan te sporen. En daarom zegt Hij niet, wanneer Hij komen zal, maar wat -de teekenen der tijden zijn, die zijne komst aankondigen. Het letten op -de teekenen der tijden is voor Jezus’ discipelen plicht; het berekenen -van den juisten tijd zijner komst is hun verboden en ook onmogelijk. Het -eerste eischt, dat Jezus zijn licht late vallen op de gebeurtenissen, -die plaats zullen hebben; en zoo doet Hij dan ook, evenals vóór Hem al -de profeten en na Hem al zijne apostelen gedaan hebben. Daarom zegt Hij -ook niet, dat er tusschen de verwoesting van Jeruzalem en zijne parousie -nog vele eeuwen verloopen zouden; dat zou de vermaning tot waakzaamheid -terstond weder krachteloos hebben gemaakt. Evenals de profetie ten -allen tijde doet, kondigt Jezus in de gebeurtenissen van zijn tijd de -nadering van het einde aan. En de apostelen volgen zijn voorbeeld en -teekenen ons in de ketterij en leugen, in de oordeelen en gerichten, in -Jeruzalems val en Rome’s imperium de voorboden van Christus’ wederkomst -en de aanvankelijke vervulling zijner profetie. Want alle geloovigen -behooren ten allen tijde zoo te leven, alsof de komst van Christus -aanstaande ware. Die Nähe der Parusie ist gewissermaassen nur ein -anderer Ausdruck für die absolute Gewissheit derselben, Baldensperger -bij Holtzmann, Neut. Theol. I 312. Maar daarom is ook het tweede, dat -is, het berekenen van het juiste tijdstip der parousie, den Christenen -niet betamend. Immers heeft Jezus dit met opzet gansch onbeslist -gelaten. Zijn komst zal plotseling, onverwacht, verrassend wezen evenals -die van een dief in den nacht, Mt. 24:43, Luk. 12:39, cf. als een -valstrik, Luk. 21:35. Er moeten vele dingen geschieden, eer het einde -daar is, Mt. 24:6. Het evangelie moet in de geheele wereld gepredikt -zijn, Mt. 24:14. De bruidegom vertoeft en de heer der dienstknechten -vertrok buitenslands voor een langen tijd, Mt. 25:5, 13, 19. Onkruid -en tarwe moeten samen opgroeien tot den dag des oogstes, Mt. 13:30. -Het mostaardzaad moet tot een boom worden, en de zuurdeesem alles -doorzuren, Mt. 13:32, 33. Ja, Jezus zegt uitdrukkelijk, bij gelegenheid -dat Hij over zijne parousie handelt, dat de dag en de ure van zijne komst -aan niemand, aan engelen noch menschen, ja zelfs niet aan den Zoon -bekend is, Mk. 13:32, en getuigt nog na zijne opstanding, dat de Vader -de tijden en gelegenheden voor de oprichting van zijn koninkrijk in zijne -macht heeft gesteld, Hd. 1:7. En desgelijks spreken al de apostelen; -Christus komt als een dief in den nacht, 1 Thess. 5:1, 2, 2 Petr. -3:10, Op. 3:3, 16:15; Hij verschijnt niet, dan nadat eerst de antichrist -gekomen zij, 2 Thess. 2:2v.; de opstanding heeft plaats in eene vaste -orde, eerst van Christus, daarna die van de geloovigen in zijne -toekomst, 1 Cor. 15:23; en die toekomst toeft, wijl de Heere een anderen -maatstaf voor den tijd heeft dan wij en in zijne lankmoedigheid wil, dat -allen tot bekeering komen, 2 Petr. 3:8, 9. - -Even sober als over den tijd spreekt de H. Schrift over de wijze van -Jezus’ wederkomst. De tweede komst van Christus wordt in het N. T. -dikwerf aangeduid met den naam van παρουσια, hetzij absoluut, Mt. 24:3, -hetzij nader omschreven als παρουσια του υἱου του ἀνθρωπου of παρουσια -του κυριου ἡμων Ιησου Χριστου, Mt. 24:27, 37, 39, 1 Thess. 3:13, 4:15, -5:23 enz., of παρουσια της του θεου ἡμερας, 2 Petr. 3:12. Het woord -sluit eigenlijk niet het begrip van wederkomst in, maar duidt aan, -dat Jezus, na een tijd lang afwezig en verborgen te zijn geweest, Hd. -3:21, Col. 3:3, 4, en daarna op nieuw gekomen te zijn, Mt. 16:27, 24:30 -enz., cf. Luk. 19:12, 15, weder aanwezig en tegenwoordig zal zijn en -dan aanwezig zal blijven. Daarom wisselt het ook af met ἐπιφανεια, Mt. -24:30, 1 Tim. 6:14, Tit. 2:13, ἀποκαλυψις, Luk. 17:30, 1 Cor. 1:7, -2 Thess. 1:7, 1 Petr. 1:7, 13, φανερωσις, Col. 3:4, 1 Petr. 5:4, 1 -Joh. 2:28; in 2 Thess. 2:8 wordt zelfs gesproken van ἡ ἐπιφανεια της -παρουσιας αὐτου. Deze parousie is een werk Gods, in zoover deze zijnen -Christus zenden zal en daarvoor de tijden en gelegenheden bepaalt, -Hd. 1:7, 3:20, 1 Tim. 6:14-16, maar zij is ook eene daad van Christus -zelven, als Zoon des menschen, wien door den Vader het oordeel gegeven -is en die als koning heerschen moet, totdat alle vijanden onder zijne -voeten gelegd zijn, Joh. 5:27, 1 Cor. 15:25. Wijl Hij bij zijn heengaan -van de aarde opgenomen is in den hemel, komt Hij bij zijne parousie van -den hemel weer, Phil. 3:20, 1 Thess. 1:10, 2 Thess. 1:7, Op. 19:11; -en gelijk eene wolk Hem bij zijne hemelvaart opnam en verbergde voor -het oog zijner discipelen, Hd. 1:9, zoo wordt Hij in Oudtestamentische -taal ook beschreven als wederkeerende op wolken des hemels, die als -een zegewagen Hem heendragen naar deze aarde, Mt. 24:30, 26:64, Mk. -13:26, 14:62, Luk. 21:27, Op. 1:7, 14:14. Immers keert Hij niet weer -in dienstknechtsgestalte, maar met groote kracht en met zijne en zijns -Vaders heerlijkheid, Mt. 16:27, 24:30, Mk. 8:38, 13:26, Luk. 22:27, Col. -3:3, 4, 2 Thess. 1:9, 10, Tit. 2:13, als een Koning der koningen en -Heer der heeren, Op. 17:14, 19:11-16, omgeven door zijne engelen, Mt. -16:27, 25:31, Mk. 8:38, Luk. 9:26, 2 Thess. 1:7, Op. 19:14, door zijne -heiligen, onder wie misschien ook de reeds gezaligden begrepen zijn, 1 -Thess. 3:13, 2 Thess. 1:10, Jud. 14. Ofschoon zijne parousie vanwege het -onverwachte met het inbreken van een dief in den nacht overeenkomt, -zal zij toch voor alle menschen over de gansche aarde zichtbaar zijn, -aan een bliksem gelijk wezen, die van de eene zijde des hemels licht tot -de andere, Mt. 24:27, Luk. 17:24, Op. 1:7, en aangekondigd worden door -de stem van een archangel en de bazuin der engelen, Mt. 24:31, 1 Cor. -15:52, 1 Thess. 4:16. In verband met hunne leer van de hemelvaart, -deel III 414, zeiden de Lutherschen, dat de wederkomst van Christus -aan geen successie van oogenblikken was onderworpen maar in niets -anders bestond dan in de plotselinge zichtbaarwording van het eenmaal -bij de verhooging onzichtbaar en alomtegenwoordig geworden lichaam van -Christus. Hoewel men over het algemeen erkende, dat de wederkomst -van Christus visibilis en localis was, verstond men daaronder toch -alleen, dat de menschelijke natuur van Christus door eene singularis -Dei dispositio voor het speciale doel des gerichts een tijd lang op -eene bepaalde plaats zichtbaar werd, zonder dat zij daarmede hare -tegenwoordigheid op andere plaatsen varen liet, Gerhard, Loc. XXVII -de extr. jud. n. 35. Quenstedt, Theol. IV 614. Hollaz, Ex. 1249. -Maar de Gereformeerden schreven aan de wederkomst van Christus een -lichamelijk, plaatselijk, tijdelijk karakter toe; zij erkenden zelfs, dat -die wederkomst, ook al zou zij zeer plotseling zijn, toch successiva -was, aan eene successie van oogenblikken onderworpen; ook op den -hoogsten trap van hare verhooging, bij de wederkomst ten oordeele, bleef -Christus zijne waarachtig menschelijke natuur behouden, cf. M. Vitringa -IV 160. Cf. over de wederkomst van Christus in het algemeen, behalve de -reeds bovenaangehaalde werken, ook nog: Thomas, S. Theol. III qu. 59 -art. 2 Suppl. qu. 90 art. 1. 2. Oswald, Eschat. 234 f. Jansen, Prael. -III 1038. Atzberger, Die christl. Eschat. 300 f. Simar, Dogm. § 166. -Gerhard, Loc. XXVIII de extr. jud. c. 3. Quenstedt, Theol. 649. Hollaz, -Ex. 1249. Polanus, Synt. VI c. 65. Voetius, Disp. II 51 sq. Marck, -Exspect. Jesu Chr. I c. 1-24. M. Vitringa IV 160. Kliefoth, Eschat. 228 -f. Nitzsch, Ev. Dogm. 607 f. - - -§ 56. DE VOLEINDING DER EEUWEN. - -1. Met de verschijning van Christus op de wolken begint de יום יהוה, ἡ -ἡμερα του κυριου ἡμων Ιησου Χριστου, Mt. 24:36v., Luk. 17:24v., 21:34, -Hd. 17:30, 1 Cor. 1:8, 5:5 enz. De Schrift wil daarmede geenszins te -kennen geven, dat al wat tot de laatste dingen behoort, wederkomst, -opstanding, gericht enz., in eene tijdruimte van twaalf of vierentwintig -uren afloopt. Onder het Oude Testament was de dag des Heeren die -tijd, waarin God op wonderbaar heerlijke wijze als koning tot zijn volk -zou komen, om het van al zijne vijanden te verlossen en het bij zich in -Jeruzalem in vrede en veiligheid te doen wonen. Met dat komen Gods trad -het groote keerpunt in, waarbij de oude tijd in den nieuwen overging en -alle toestanden en verhoudingen in natuur en menschenwereld gansch en -al veranderen zouden. Later werd dit door de Joden zoo voorgesteld, dat -met den dag des Heeren de tegenwoordige wereldtijd, עולם הזה, overging -in den toekomstigen, עולם הבא, die dan dikwerf nog weer nader in de -drie geslachten of in de 40 of 100 of 600 of 1000 of 2000 of 7000 jaren -durende dagen van den Messias, ימות המשיח, en de daarna intredende -eeuwigheid, עולם הבא of עתיד הבא onderscheiden werd, Weber, System 354. -Volgens het Nieuwe Testament heeft met de eerste komst van Christus -het laatste gedeelte van den αἰων οὑτος een aanvang genomen, zoodat -wij nu leven in de laatste dagen of in de laatste ure, 1 Cor. 10:11, -Hebr. 1:1, 19:26, Joh. 2:18, en treedt met zijne tweede komst de αἰων -μελλων in, Mt. 19:28, Mk. 10:30, Luk. 18:30, 20:35, 1 Cor. 15:23, -Hebr. 2:5 enz., cf. Cremer s. v. αἰων. En deze αἰων μελλων begint -met de ἡμερα του κυριου, dat is de tijd, waarin Christus verschijnt, -de dooden opwekt, het oordeel velt en de wereld vernieuwt. Deze tijd -wordt in het N. Test. nergens voorgesteld als lang te zullen duren; -Paulus zegt 1 Cor. 15:52, dat de verandering der levend overgebleven -en de opstanding der gestorven geloovigen in een punt des tijds, in -een oogenblik plaats hebben zal, cf. 1 Thess. 4:15-17; opstanding en -laatste oordeel worden ten nauwste, als tot ééne acte, verbonden, Luk. -14:14, 2 Cor. 4:14, Op. 20:11-13; en het oordeel wordt op een dag, Mt. -10:15, 11:22 enz., ja zelfs op een ure gesteld, Op. 14:7. Maar deze -laatste bepaling bewijst, dat de Schrift er niet aan denkt, om al de -gebeurtenissen in de parousie van Christus, precies binnen eene ruimte -van vierentwintig uren of van zestig minuten te beperken; ὡρα, oorspr. -jaargetijde, duidt dikwerf een veel langeren tijd dan een uur van zestig -minuten aan, Mt. 26:45, Joh. 4:21, 5:25, 16:2, 32, Kom. 13:11, 1 Joh. -2:18. De gebeurtenissen, welke in de parousie van Christus moeten -plaats grijpen, zijn ook zoo omvangrijk, dat zij zeker een geruimen tijd in -beslag nemen. De uitvindingen van deze eeuw hebben voor het onderling -verkeer, voor de oefening van gemeenschap, voor het hooren en zien -van wat in groote verte geschiedt, de afstanden tot een minimum doen -inkrimpen; en ze zijn waarschijnlijk nog maar aanvang en profetie van wat -in volgende eeuwen ontdekt worden zal. Maar hoezeer met dit alles ook -bij de leer der laatste dingen rekening behoort gehouden te worden; toch -zijn verschijning van Christus, zoodat allen Hem zien, opstanding van -alle dooden en verandering der levend overgeblevenen, oordeelvelling -over alle menschen naar al hunne werken, verbranding en vernieuwing -der wereld zulke ontzettende gebeurtenissen, dat zij niet anders dan in -zeker tijdsverloop plaats kunnen hebben. - -De eerste gebeurtenis, die op de verschijning van Christus volgt, -is de opstanding der dooden. Deze is niet het resultaat van eene -ontwikkeling der lichamen in het algemeen, of in het bijzonder van -het in de geloovigen door wedergeboorte en sacrament ingeplante -opstandingslichaam, cf. Kübel, Herzog² 1, 764, maar de uitwerking van -eene almachtige, scheppende daad Gods, Mt. 22:29, 1 Cor. 6:14, 15:38, 2 -Cor. 1:9. Bepaaldelijk oefent de Vader dit werk uit door den Zoon, wien -Hij gegeven heeft het leven te hebben in zichzelven, Joh. 5:28, 6:29, -40, 44, 1 Cor. 6:14, 2 Cor. 4:14, 1 Thess. 4:14, die de opstanding en -het leven, de eerstgeborene uit de dooden is, Joh. 11:25, Hd. 16:23, -1 Cor. 15:20, Col. 1:18, Op. 1:5, en daarom de opstanding der zijnen -noodzakelijk tot stand moet doen komen, Joh. 6:39, 40, 1 Cor. 15:20-23, -47-49. De Schrift leert zonder twijfel eene algemeene opstanding, eene -opstanding van geloovigen niet alleen maar ook van ongeloovigen en van -alle menschen, Dan. 12:2, Mt. 5:29, 30, 10:28, Joh. 5:29, Hd. 24:15, -Op. 20:12, 13, en zij schrijft ook deze aan Christus toe, Joh. 5:29. -Maar zij spreekt over deze algemeene opstanding toch zeer zelden, wijl -zij tot Christus in een gansch ander verband staat dan de opstanding -der geloovigen. De opstanding der dooden in het algemeen is toch niet -dan zijdelings eene vrucht van het werk van Christus; zij is alleen -noodzakelijk geworden, omdat de tijdelijke dood is ingetreden; en deze is -van den eeuwigen dood gescheiden geworden, omdat God met zijne genade -tusschenbeide kwam. De straf op de zonde was oorspronkelijk de dood, de -dood in zijn vollen omgang en zwaarte. Maar omdat God uit het gevallen -menschelijk geslacht zich eene gemeente ten eeuwigen leven verkoren had, -stelde hij terstond bij Adam en Eva den tijdelijken dood reeds uit, liet -Hij hen zich voortplanten van geslacht tot geslacht en verwijst eerst -aan het einde der eeuwen hen, die zijn wet en evangelie ongehoorzaam -zijn, naar het eeuwig verderf. De algemeene opstanding dient dus alleen, -om de ter wille van de genade in Christus tusschen beide gekomen, -tijdelijke verbreking van den band tusschen ziel en lichaam bij alle -menschen te herstellen en hen allen als _menschen_, naar ziel en -lichaam samen, voor Gods rechterstoel te plaatsen en hen uit zijnen mond -het oordeel te doen vernemen. Ook deze algemeene opstanding brengt de -Vader door Christus tot stand, omdat Hij niet alleen het leven maar ook -het oordeel aan den Zoon heeft gegeven en dit oordeel den ganschen -mensch moet treffen, naar ziel en lichaam beide, Joh. 5:27-29, cf. M. -Vitringa IV 149. De opstanding der dooden in het algemeen is dus in -de eerste plaats eene richterlijke daad Gods. Maar deze daad is voor de -geloovigen vol van rijke vertroosting. En daarom staat in de Schrift -de opstanding der gemeente allerwege op den voorgrond, zoozeer zelfs, -dat de opstanding van alle menschen soms geheel ter zijde gelaten en -verzwegen wordt, Job 19:25-27, Ps. 73:23-26, Hos. 6:2, 13:14, Jes. -26:19, 20, Ezech. 37, Mk. 12:25, 1 Cor. 15, 1 Thess. 4:16, Phil. 3:11. -Deze opstanding is de eigenlijke, ware opstanding en is rechtstreeks -door Christus verworven, want zij is niet maar eene hereeniging van ziel -en lichaam, doch eene levendmaking, eene vernieuwing, een terstond -naar ziel en lichaam beide in gemeenschap treden met Christus, een -herschapen worden naar Gods evenbeeld, Rom. 8:11, 29, Phil. 3:21. -Daarom laat Paulus de opstanding der geloovigen samenvallen met de -verandering der levend overgeblevenen; de laatsten hebben bij de eersten -niets voor, want het opstaan gaat aan het veranderd worden vooraf, en -samen worden zij dan den Heere tegemoet gevoerd in de lucht, 1 Cor. -15:51, 52, 2 Cor. 5:2, 4, 1 Thess. 4:15-17. - - -2. Bij deze opstanding blijft de identiteit van het opstandingslichaam -met het gestorven lichaam bewaard. Bij de opwekkingen, die in Oud en -Nieuw Test. plaats vinden, wordt het gestorven lichaam met nieuw leven -bezield. Jezus staat op met datzelfde lichaam, waarin Hij geleden -heeft aan het kruis en dat neergelegd was in het graf van Jozef van -Arimathea. Toen Jezus stierf, werden vele lichamen der heiligen -opgewekt en gingen uit uit hunne graven, Mt. 27:52. In de opstanding -ten jongsten dage zullen allen, die in de graven zijn, Jezus’ stem -hooren en uitgaan, Joh. 5:28, 29; uit de graven, uit de zee, uit den -dood en den hades keeren de dooden naar de aarde terug, Op. 20:13. En -Paulus leert, dat het opstandingslichaam voortkomt uit het lichaam, -dat gestorven is, gelijk God uit het gezaaide graan een ander verwekt, -1 Cor. 15:36v. Deze identiteit van het opstandingslichaam met het -lichaam, dat bij den dood werd afgelegd, is in de christelijke religie -van groote beteekenis. Want ten eerste staat zij daarmede lijnrecht over -tegen alle dualistische leer, volgens welke het lichaam slechts eene -toevallige woonplaats of zelfs een kerker van de ziel is. Het wezen -van den mensch bestaat juist in de allernauwste vereeniging van ziel -en lichaam tot ééne persoonlijkheid. De ziel behoort van nature bij het -lichaam en het lichaam bij de ziel; zelfs heeft elke ziel, ofschoon -zij zich niet zelve het lichaam schept, toch haar eigen lichaam. In -de identiteit van het lichaam wordt evengoed als in die van de ziel -de continuiteit van het individueele, menschelijke wezen gehandhaafd. -En ten andere is de verlossing door Christus geen tweede, nieuwe -schepping maar eene herschepping. Veel eenvoudiger ware het geweest, -als God heel de gevallen wereld vernietigd en door eene gansch nieuwe -vervangen had. Maar het was zijn welbehagen, om de gevallen wereld -weder op te richten, en dezelfde menschheid, die gezondigd had, van de -zonde te bevrijden. Deze bevrijding bestaat daarin, dat Christus zijne -gemeente van alle zonde en van alle gevolgen der zonde verlost, en dus -ook volkomen doet triumfeeren over den dood. Dat is de laatste vijand, -die teniet gedaan moet worden. En daarin komt de macht van Christus -uit, dat Hij niet alleen aan de zijnen het eeuwige leven geeft maar hen -dientengevolge ook opwekt ten uitersten dage. De wedergeboorte uit -water en geest voltooit zich in de wedergeboorte aller dingen, Mt. -19:28. De geestelijke verlossing van de zonde wordt eerst voleindigd -in de lichamelijke verlossing aan het einde der dagen. Christus is -een volkomen Zaligmaker; gelijk Hij eerst verscheen, om het koninkrijk -der hemelen op te richten in de harten der geloovigen, zoo komt Hij -eenmaal weer, om het eene zichtbare gedaante te geven en zijne absolute -macht over zonde en dood onwedersprekelijk voor aller schepselen oog -tot openbaring en erkenning te brengen. Leiblichkeit ist das Ende der -Wege Gottes. De zorg voor de dooden staat hiermede in rechtstreeksch -verband. Lijkenverbranding is niet daarom te verwerpen, wijl zij aan Gods -almacht paal en perk zou stellen en de opstanding onmogelijk zou maken. -Maar zij is toch van heidenschen oorsprong, was onder Israel en bij de -Christenvolken nooit in gebruik en strijdt met de christelijke zede. -Daarentegen is begraving veel meer in overeenstemming met Schrift en -belijdenis, historie en liturgie, met de leer van het beeld Gods, dat -ook in het lichaam uitkomt, en van den dood als eene straf der zonde, -met den aan de dooden verschuldigden eerbied en de opstanding ten -jongsten dage. De Christen conserveert de lijken niet kunstmatig, gelijk -de Egyptenaren; hij vernielt ze ook niet mechanisch, zooals thans velen -begeeren, maar hij vertrouwt ze aan den schoot der aarde toe, en laat ze -rusten tot den opstandingsdag, Kuyper, Ons Program 802v. Sartorius, Die -Leichenverbrennung innerhalb der christl. Kirche, Basel 1886. - -De christelijke kerk en theologie hield dan ook de identiteit van het -opstandingslichaam met het gestorven lichaam ten strengste vast. Zelfs -sloeg zij dikwerf tot een ander uiterste over en beleed niet alleen -eene opstanding des _vleesches_, maar leerde soms, dat de totalitas -materiae, welke bij een lichaam behoord had, in de opstanding door God -uit alle hoeken der aarde saamvergaderd en in dezelfde wijze en mate als -weleer tot de verschillende deelen des lichaams teruggeleid werd, cf. -Iren. adv. haer. V 12. 13. Augustinus, Enchir. 26. de civ. XX 4. 13 -sq. Thomas, S. Theol. III qu. 75-86 enz. Maar deze voorstelling stuit -op onoverkomelijke bezwaren. Want 1º leidt zij tot allerlei spitsvondige -en curieuse onderzoekingen, die voor de leer der opstanding van geen -waarde zijn. De vraag wordt dan, of haren en nagels, bloed en gal, semen -en urina, intestina en genitalia zullen opstaan en uit dezelfde, in -getal en soort gelijke, atomen zullen gevormd worden als waaruit zij -hier in de lichamen bestonden. Met gebrekkige menschen, die een of -meer ledematen misten, en met kinderen, die jong en soms al vóór de -geboorte stierven, kwam men door deze voorstelling in niet geringe -verlegenheid; men moest toch, of men wilde of niet, in al deze en -soortgelijke gevallen tot de onderstelling de toevlucht nemen, dat -de opstandingslichamen aangevuld werden door bestanddeelen, die er -vroeger niet toe behoorden. De opstanding kan niet bestaan in terugkeer -en levendmaking van de totalitas materiae. 2º De physiologie leert, -dat het menschelijk lichaam evenals alle organismen aan voortdurende -stofwisseling onderhevig is, zoodat na zeven jaren geen enkel -stofdeeltje meer aanwezig is van die, welke vóór dien tijd de substantie -van het lichaam vormden. De stoffen, waaruit onze lichamen bestaan, -zooals zuur-, water-, stikstof enz., zijn dezelfde in soort, als die in -andere schepselen rondom ons voorkomen, maar zij wisselen onophoudelijk; -en deze wisseling bewijst afdoende, dat de identiteit der lichamen niet -daarin gelegen kan zijn, dat zij steeds uit dezelfde stoffen in getal -bestaan. Het is genoeg, dat zij bestaan uit dezelfde stoffen in soort. -3º Dit wordt versterkt door de velerlei metamorphosen, welke de natuur -in al hare rijken te aanschouwen geeft. Door inwerking van lucht, water -enz. gaan planten over in turf en steenkool, koolstof in diamant, -klei in kleisteen en gesteente in vruchtbare aarde. In planten- -en dierenrijk is er binnen de grenzen der soorten eene eindelooze -varieteit. En elk organisme ondergaat in den tijd van zijn bestaan eene -reeks van veranderingen; de made wordt eene vlieg, elke larve gaat -uit den onontwikkelden toestand in een meer ontwikkelden over, het -embryo doorloopt verschillende phasen en komt dan tot een exuterinaal -bestaan, de rups wordt een pop en daarna een vlinder enz. Wat onder -al deze gedaanteverwisselingen hetzelfde blijft, weten wij niet. Stof -en vorm veranderen, er schijnt in heel het organisme niets stabiels te -zijn; en toch blijft de identiteit gehandhaafd, die daarom van de grove -stofmassa, van hare wisseling en quantiteit onafhankelijk is. - - -3. Indien wij deze gegevens in verband brengen met hetgeen de Schrift -ons over de opstanding leert, zien wij ons den weg geopend, om zoowel de -substantieele eenheid als ook het qualitatieve onderscheid tusschen het -tegenwoordig en het toekomstig lichaam te handhaven. De Schrift toch -leert in strikten zin geen opstanding des vleesches maar des lichaams. -Uit de opwekkingen, waarvan zij ons bericht, en uit de opstanding van -Christus is wel wat het wezen, maar niet wat den vorm en de wijze -betreft, tot de opstanding der dooden in het laatste der dagen te -besluiten. Want bij al die opwekkingen bestond het lichaam nog in zijn -geheel, en het lichaam van Christus werd zelfs aan geen verderving -overgegeven, Hd. 2:31. Maar de lichamen dergenen, die opstaan in -de parousie, zijn in hunne bestanddeelen ontbonden en op allerlei -wijze verstrooid en in andere schepselen overgegaan. Van vleesch kan -daarbij in eigenlijken zin geen sprake meer zijn, want vleesch is altijd -bezield; wat ophoudt bezield en levend te zijn, houdt daarmede ook op, -vleesch te wezen en keert tot stof weder, Gen. 3:19. Wel kan Job, -gesteld zelfs, dat deze vertaling de juiste is, zeggen, dat hij uit zijn -vleesch God aanschouwen zal, 19:26, en kan Jezus na zijne opstanding -getuigen, dat een geest geen vleesch en beenen heeft, gelijk Hij had, -Luk. 24:39. Maar dit levert toch geen afdoend bewijs voor de opstanding -des vleesches in den strikten zin van dit woord. Want het vleesch, -waaruit Jobs lichaam bestond, was inderdaad het substraat voor het -lichaam der opstanding, maar vormde daarom nog niet de substantie -ervan. En Jezus stond met datzelfde lichaam op, waarin Hij gestorven -was en dat zelfs geen verderving had gezien, en verkeerde bovendien -tot aan zijne hemelvaart toe in een overgangstoestand, zoodat Hij ook -nog spijze nuttigen kon. Zeer duidelijk leert Paulus toch, dat vleesch -en bloed, wijl der verderfelijkheid onderworpen, de onverderfelijkheid -in het koninkrijk der hemelen niet beërven kunnen. Geheel ten onrechte -is hieruit door Holsten, Holtzmann e. a. afgeleid, dat volgens Paulus -het gestorven lichaam in het geheel niet opstaat en dat de eigenlijke -opstanding al bij het sterven plaats heeft. Want de apostel belijdt -uitdrukkelijk zijn geloof aan de lichamelijke opstanding en verdedigt -haar tegen degenen, die haar in de gemeente van Corinthe zoowel bij -Jezus als bij de geloovigen ontkenden. En ook is hij wel terdege van -meening, dat hetzelfde lichaam, dat in het graf wordt neergelegd, in de -opstanding opgewekt wordt, cf. Bornhäuser, Das Recht des Bekenntnisses -zur Auferstehung des Fleisches, Gütersloh 1899. Maar tevens betoogt hij, -dat de opstanding geen restauratie doch eene reformatie is. Het lichaam -staat op, doch niet als vleesch en bloed, zwak, verderfelijk, sterfelijk, -doch als een lichaam, dat met onverderfelijkheid en heerlijkheid is -bekleed. Het uit vleesch en bloed bestaande lichaam is wel het zaad, -waaruit het opstandingslichaam voortkomt, 1 Cor. 15:35-38. Maar -desniettemin is er tusschen beide een groot onderscheid. Reeds op -aarde is er veel verschil in vleesch bij de organische wezens, en in -lichaam bij de anorganische schepselen, vs. 39-41. En evenzoo is er -een belangrijk onderscheid tusschen het tegenwoordig en het toekomstig -lichaam, gelijk ook de tegenstelling van Adam en Christus bewijst, vs. -42-49. Het eerste is een σωμα ψυχικον, bestaande uit door ψυχη bezield, -aan verandering onderworpen vleesch en bloed; maar het laatste is een -σωμα πνευματικον, het is wel een waarachtig σωμα doch het wordt niet -meer door de ψυχη doch door het πνευμα beheerscht; het bestaat niet -meer uit vleesch en bloed, het is boven het geslachtsleven, Mt. 22:30, -boven de behoefte aan spijze en drank verheven, 1 Cor. 6:13, en daarin -zelfs onderscheiden van het lichaam, dat de mensch bezat vóór den val; -het is onsterfelijk, onverderfelijk, vergeestelijkt, verheerlijkt, 1 Cor. -15:42v., Phil. 3:21. Ook volgens Paulus is daarom de identiteit van -het opstandingslichaam met het aan den schoot der aarde toebetrouwde -lichaam onafhankelijk van de stofmassa en hare voortdurende wisseling. -Alle organismen en zoo ook de menschelijke lichamen bestaan wel steeds -uit dezelfde stoffen in soort maar niet in getal. En zoo ook is het -voor het opstandingslichaam volstrekt niet noodig, dat het juist uit -diezelfde atomen in getal bestaat, als waaruit het bestond, toen -het in het graf werd gelegd. Maar wel is het voor de identiteit een -vereischte, dat in het opstandingslichaam diezelfde organisatie en -vorm, datzelfde schema en type bewaard wordt, welke hier het lichaam -stempelden tot het eigen lichaam van een bepaald persoon. Onder de -gedaanteverwisselingen, waaraan alle schepselen onderworpen zijn, blijft -hunne identiteit en continuiteit bewaard. Het lichaam des menschen -moge na den dood vergaan en naar zijne stofmassa in allerlei andere -organismen worden omgezet, er blijft op aarde iets van over, dat het -substraat van het opstandingslichaam uitmaakt. Wat dat is, weten wij -niet en kunnen wij nimmer uitvinden. Maar het bevreemdende daarvan -verdwijnt, zoodra wij bedenken, dat de allerlaatste bestanddeelen der -dingen ons volkomen onbekend zijn. Elk kleinste atoom is nog weer voor -ontleding vatbaar; de chemische analyse zet zich eindeloos voort maar -bereikt nooit het volstrekt eenvoudige zijn. En toch moet er bij alle -organismen en zoo ook bij het menschelijk lichaam iets zijn, dat in de -steeds voortgaande gedaanteverwisseling zijne identiteit behoudt. Wat -ongerijmds is er dan in, om aan te nemen, dat zulk een „organische -grondvorm”, zulk een „schema der individualiteit” ook na den dood -van het menschelijk lichaam overblijft, om als zaad te dienen voor -het lichaam der opstanding? Want dit staat volgens de Schrift vast, -dat het lichaam der opstanding niet door de zaligen uit den hemel -meegebracht of uit geestelijke, hemelsche elementen gevormd wordt. Het -lichaam der opstanding komt niet uit den hemel maar uit de aarde; -het is geen eigengevormd product van pneuma of psyche, maar komt op -uit het lichaam, dat bij den dood in het graf werd gelegd; en het is -daarom niet geestelijk in dien zin, dat het pneuma tot zijne substantie -zou hebben, maar het is en blijft stoffelijk, al is die stof niet meer -tot verderfelijk vleesch en bloed maar tot een verheerlijkt lichaam -georganiseerd. Cf. Tertullianus, de resurrectione carnis. Augustinus, -de civ. XXII c. 12-20. Enchir. 84-93. Lombardus, Sent. IV dist. 43. -Thomas, suppl. qu. 82-87. Oswald, Eschat. 262 f. Jansen, Prael. III -1044. Simar, Dogm. § 168. Gerhard, Loc. XXVI tract. 2. Quenstedt, -Theol. IV 576-605. Polanus, Synt. VI c. 66. Synopsis pur. theol., -disp. 51. Mastricht, Theol. VIII 4, 6. Amyraldus, Theses Salm. III -840. Turretinus, Theol. El. XX qu. 1-3. Marck, Exspect. J. C. II c. -1-18. M. Vitringa IV 109-156. Kliefoth, Eschat. 248 f. Splittgerber, -Tod. Fortleben und Auferstehung³ 1879. Nitzsch, Ev. Dogm. 614 f. Art. -Auferstehung in Herzog³. - - -4. Na de opstanding volgt het gericht, dat in het Oude Testament -voorgesteld wordt als eene overwinning door den Messias van alle -vijanden Israels, maar in het Nieuwe Testament meer geestelijk beschreven -wordt als een richterlijk werk van Christus, waarbij Hij alle menschen -oordeelt en vonnist overeenkomstig de wet, door God hun gegeven. -Jezus toch is de eerste maal op aarde gekomen, niet om de wereld -te veroordeelen doch om haar te behouden, Joh. 3:17, 12:47; maar -toch heeft Hij terstond bij zijne verschijning eene κρισις in het leven -geroepen, die tot gevolg en tot doel heeft, dat degenen, die niet -zien, zien mogen en die zien, blind worden, 3:19, 20, 9:39. Jezus -houdt voortdurend als Zoon des menschen gericht, als Hij aan degenen, -die gelooven, reeds hier op aarde het eeuwige leven schenkt en op -hen, die niet gelooven, den toorn Gods laat rusten, 3:36, 5:22-27. -Er is dus ongetwijfeld een inwendig, geestelijk oordeel; eene crisis, -die zich voltrekt van geslacht tot geslacht; een immanent, diesseitig -gericht, dat in de gewetens der menschen gespannen wordt. Geloof en -ongeloof brengen reeds hier op aarde hun vrucht en hun loon mede; -gelijk het geloof gevolgd wordt door rechtvaardigmaking en vrede -bij God, zoo leidt het ongeloof tot voortgaande verduistering en -verharding en tot overgave aan allerlei ongerechtigheid. Ja zelfs -buiten de tegenstelling van geloof en ongeloof dragen deugd en ondeugd -elk hare eigene vruchten; het goede en het kwade heeft ook in het -natuurlijk leven zijn eigen loon, niet alleen in de ontschuldiging of -beschuldiging van het geweten, maar ook in den uitwendigen voor- of -tegenspoed, die er dikwerf mede verbonden zijn. Schrift en geschiedenis -leeren het bovendien als om strijd, dat zegen en vloek, ontferming en -toorn, gunstbewijzen en gerichten elkander afwisselen in het leven der -menschen en der volken. Er ligt eene groote waarheid in het woord van -den dichter: die Weltgeschichte ist das Weltgericht. Maar toch is in -deze spreuk de waarheid met de leugen vermengd. Zij is niet theistisch -maar pantheistisch gedacht, en ondermijnt alle gericht, in plaats dat -zij het bevestigt en hoog houdt. Immers, indien de wereldgeschiedenis -_het_ wereldgericht is, houdt zij ten eenenmale op een gericht te zijn -en wordt zij een natuurproces, dat om de ontzachlijke tegenstelling -van goed en kwaad in het geheel zich niet bekommert en deze tot den -verborgen schuilhoek van het geweten, en ook daar nog maar voor een -tijd, terugdringt. Er is dan immers geen God meer, die de natuurorde -aan de zedelijke orde dienstbaar kan maken, maar er is niets anders -dan eene natuurmacht, die heel de physische wereld beheerscht en -straks ook dat beperkte terrein, dat aanvankelijk voor de zedelijke -heerschappij van het goede nog werd ingeruimd, inkrimpt en verdwijnen -doet. Want het goede is geen macht, die tegen de natuur bestand is, -indien het zijn steun niet heeft in een almachtig God, die Schepper is -van natuur en zedelijke orde beide. Wel brengt het pantheisme hiertegen -altijd weder in, dat het goede toch om zichzelf en niet uit hoop op -loon of uit vrees voor straf gedaan moet worden. Maar het verlangen -der ziel naar den triomf van het goede, naar de zegepraal van het -recht, heeft hoegenaamd niets gemeen met den zelfzuchtigen wensch -naar aardsch geluk en zinnelijke bevrediging. Integendeel, hoezeer de -Schrift ermede rekent, dat de mensch een zinnelijk wezen is, en hem -een loon voorspiegelt, groot in de hemelen; dat loon is altijd aan de -eere van Gods naam ondergeschikt en met de goede werken, waarin de -geloovigen wandelen, door Christus verworven. Het zijn juist de vromen, -die reikhalzend naar dien dag uitzien, waarin God zijn naam voor het -oog van alle schepselen verheerlijkt en in hunne zaak de zijne over -allen tegenstand doet triumfeeren. En dit verlangen wordt te sterker, -naarmate het bloed, dat om wrake roept, in breeder en dieper stroom -over de aarde vloeit, naarmate het onrecht zegeviert, de goddeloosheid -toeneemt, de leugen triumfeert en Satans rijk zich uitbreidt en tegen -het rijk der gerechtigheid zich verheft. Heel de geschiedenis roept om -een wereldgericht; het gansche schepsel zucht er naar; alle volken -getuigen ervan; de martelaren in den hemel roepen erom met groote -stem; de gemeente bidt om de komst van Christus; en Christus zelf, -die de Alpha en de Omega is, zegt: Zie, Ik kom haastelijk en mijn loon -is met mij, om een iegelijk te vergelden naar zijn werk. Hoezeer de -Schrift dus, vooral in het evangelie van Johannes, een geestelijk, in -de geschiedenis doorloopend gericht erkent, zij spreekt toch allerwege -ook van een eindgericht, dat het rijk van Christus triumfeeren doet over -alle ongerechtigheid. De wereldgeschiedenis moge een wereldgericht -zijn; _het_ wereldgericht heeft plaats aan het einde der dagen, als -Christus komt om te oordeelen de levenden en de dooden. Meermalen -schrijft de H. Schrift daarbij aan den Vader het oordeel toe, Mt. 18:35, -2 Thess. 1:5, Hebr. 11:6, Jak. 4:12, 1 Petr. 1:17, 2:23, Op. 20:11, -12; maar Hij oefent dit werk toch uit door Christus, wien Hij al het -oordeel gegeven, dien Hij tot Rechter aangesteld heeft, Joh. 5:22, 27, -Hd. 10:42, 17:31, Rom. 14:9, en die daarom eenmaal alle menschen voor -zijn rechterstoel dagen en naar hunne werken oordeelen zal, Mt. 25:32, -Rom. 14:9-13, 2 Cor. 5:10, 2 Tim. 4:1, 8, 1 Petr. 4:5, Op. 19:11-21. -Christus is immers de Zoon des menschen, die door zijne verschijning -reeds eene crisis teweegbracht, die haar voortzet in de geschiedenis -en aan het einde der dagen voltooit. De verhouding tot Hem bepaalt -des menschen eeuwig wel of wee; in het gericht over levenden en -dooden viert Hij zijn hoogsten triomf en bereikt Hij de voleinding van -zijn rijk en de volkomen onderwerping van al zijne vijanden. Daarom is de -hoofdvraag bij het laatste oordeel ook die naar geloof of ongeloof. -Geloof in Christus is toch het werk Gods bij uitnemendheid, Joh. 6:29, -1 Joh. 3:23. Wie gelooft, komt niet in het gericht, Joh. 5:24, en wie -niet gelooft, is alreede geoordeeld en blijft onder Gods toorn, Joh. -3:18, 36. Maatstaf in het eindgericht is dus in de eerste plaats het -evangelie, Joh. 12:48. Maar dat evangelie staat niet tegenover en is -zelfs niet los te denken van de wet; de eisch tot geloof is immers -zelf reeds in de wet gegrond, en het evangelie is de herstelling en -vervulling der wet. Daarom komen bij het eindgericht ook al de werken -in aanmerking, welke door de menschen volbracht en in de boeken voor -Gods aangezicht opgeteekend zijn, Pred. 12:14, 2 Cor. 5:10, Ef. 6:8, -1 Petr. 1:17, Op. 20:12, 22:12. Die werken toch zijn uitingen en -vruchten van bet levensbeginsel, dat binnen in het hart woont, Mt. -7:17, 12:33, Luk. 6:44, en omvatten alles wat door den mensch, niet -in den tusschentoestand, maar in zijn lichaam geschied is, niet alleen -de daden, Mt. 25:35v., Mk. 9:41, 42, Luk. 6:35, 14:13, 14, 1 Cor. 3:8, -1, Thess. 4:6 enz., maar ook de woorden, Mt. 12:36, en de verborgen -raadslagen des harten, Rom. 2:16, 1 Cor. 4:5; want er blijft niets -verborgen en alles wordt openbaar, Mt. 6:4, 6, 18, 10:26, Ef. 5:11-14, -1 Tim. 5:24, 25. Norma is dus in het eindgericht het gansche woord -Gods, naar zijne beide deelen: wet en evangelie. Maar daarbij zegt de -Schrift toch duidelijk, dat rekening gehouden zal worden met de mate der -openbaring, welke iemand ten deel is gevallen. Die den wil des Heeren -kenden en niet deden, zullen met dubbele slagen geslagen worden, Luk. -12:47. Het zal Tyrus en Sidon in den dag des oordeels verdragelijker zijn -dan Jeruzalem en Kapernaum, Mt. 10:15, 11:22, 24, Mk. 6:11, Luk. 10:12, -14, Hebr. 2:3. Wie het evangelie niet hoorden, worden ook niet naar het -evangelie maar naar de wet geoordeeld; en de Heidenen, die de Mozaische -wet niet kenden maar zondigden tegen de wet, die hun van nature bekend -is, komen ook om zonder die Mozaische wet, terwijl de Joden juist door -deze geoordeeld worden, Rom. 2:12. Hoewel de Schrift het oordeel laat -gaan over alle menschen zonder uitzondering, Mt. 25:32, Hd. 17:31, Rom. -2:6, 14:10, 2 Cor. 5:10, 2 Tim. 4:1, Op. 20:12, maakt zij daarbij toch -onderscheid tusschen die natiën, welke het evangelie gekend en ten -slotte het antichristendom hebben voortgebracht, en die andere volken, -welke nooit van Christus hebben gehoord en daarom voor de eerste maal -bij zijne parousie van Hem vernemen, terwijl zij voorts nog bijzonder -spreekt van het oordeel over de kwade engelen, en van de plaats, welke -de goede engelen en de geloovigen in het eindgericht innemen. - -Zeker kost het moeite, om van dat gericht zich eene eenigszins heldere -voorstelling te vormen. Het draagt zonder twijfel niet uitsluitend een -inwendig en geestelijk karakter, zoodat het alleen zou plaats hebben -in het geweten van den mensch; maar het is bepaald een gericht, dat -ook uitwendig ten aanschouwe van alle schepselen voltrokken wordt. -Beeld en zaak mogen nog zoo ineenvloeien, de verschijning van Christus, -de opstanding en evenzoo al wat van het gericht wordt verhaald is -te realistisch geteekend, dan dat het vrij zou staan, om alles te -vergeestelijken. Doch dan is voor het houden van dit gericht ook -een plaats en eenige ruimte van tijd van noode. En de Schrift geeft -ons aanleiding om te denken, dat het een successief verloop heeft. -De engelen vergezellen Christus bij zijne komst op de wolken, om hem -in de uitvoering van het vonnis behulpzaam te zijn; zij vergaderen -de rechtvaardigen, scheiden de boozen van hen af en drijven hen van -voor zijn aangezicht weg, Mt. 13:30, 49, 24:31. Bovendien is Hij -omringd door de gezaligden, 1 Thess. 3:13, 4:16, 2 Thess. 1:10, Jud. -14, Op. 17:14, 19:14. Nadat dan de opstanding der gestorven en de -verandering der levend overgebleven geloovigen heeft plaats gehad, -worden dezen saam opgenomen in de wolken, den Heere tegemoet, in de -lucht, 1 Thess. 4:17. Niet onmogelijk is het, dat, evenals bij Christus -opstanding en hemelvaart uiteenvielen en zelfs door veertig dagen -van elkander gescheiden waren, zoo ook de opstanding of verandering -van de geloovigen aan het einde der dagen nog niet in eens die volle -heerlijkheid hun toevoegt, welke na de wereldvernieuwing in den nieuwen -hemel of op de nieuwe aarde hun deel zal zijn, Lampe en Gerdes bij M. -Vitringa IV 143. Maar hoe dit zij, de opstanding of verandering sluit -voor de geloovigen, evenals voor Christus, de rechtvaardiging in. Wel -zegt de Schrift, dat alle menschen zonder onderscheid, dus ook de -geloovigen, voor den rechterstoel van Christus moeten verschijnen. Maar -zij getuigt tevens, dat wie gelooft niet geoordeeld wordt en niet in -het gericht komt, want hij heeft reeds het eeuwige leven, Joh. 3:18, -5:24; dat de gestorven geloovigen reeds in den hemel bij Christus zijn -en met lange, witte kleederen zijn bekleed, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op. -6:11, 7:9, 14; en dat Christus komt, om verheerlijkt te worden in zijne -heiligen en bewonderd te worden in allen die gelooven, 2 Thess. 1:10. -Voordat Christus het vonnis uitspreekt over de kwade engelen, over de -antichristelijke wereld en over de cultuurlooze volken, heeft Hij de -schapen reeds aan zijne rechterhand gesteld en is Hij door zijne engelen -en zijne heiligen omstuwd. Dit blijkt ook uit 1 Cor. 6:2, 4, waar Paulus -uitdrukkelijk zegt, dat de heiligen de wereld en de engelen zullen -oordeelen, M. Vitringa IV 163. Want deze uitspraak mag niet verzwakt -worden tot een goedkeuren door de geloovigen van het oordeel, dat -Christus over wereld en engelen velt, maar duidt bepaald blijkens het -verband aan, dat de heiligen deel zullen nemen aan het oordeel over -de wereld en engelen. Trouwens beloofde Jezus reeds aan zijne twaalf -discipelen, dat zij met Hem zitten zouden op twaalf tronen, oordeelende -de twaalf geslachten Israels, Mt. 19:28, Luk. 22:30, en Johannes zag -rondom den troon Gods tronen in den hemel, bezet door de ouderlingen -der gemeente, Op. 4:4, 11:16, 20:4, 6. Christus toch en zijne gemeente -zijn één; wat wereld en engelen tegen haar hebben misdaan, dat rekent -Hij, als ware het tegen Hem geschied, Mt. 25:40, 45, Mk. 9:41, 42. Zelfs -tot de goede engelen breidt dit oordeel van Christus en zijne gemeente -zich uit, 1 Cor. 6:4, want de engelen zijn gedienstige geesten, die -tot den dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid -beerven zullen en daarom in het toekomstig Godsrijk eene plaats erlangen -naar den dienst, welken zij in betrekking tot Christus en zijne gemeente -hebben verricht. In het visioen van Johannes trekt daarom Christus, -door zijne heirlegers omringd, de antichristelijke macht tegemoet, -Op. 19:11-21; de triumfeerende kerk heeft deel aan zijne koninklijke -heerschappij, Op. 20:4-6 en maakt ten slotte met Christus aan allen -tegenstand een einde, als hij de volken oordeelt, die in de vier hoeken -der aarde wonen, Op. 20:7-10. Cf. over het laatste oordeel: Lombardus, -Sent. IV dist. 43 sq. Thomas, Suppl. qu. 88-90. Oswald, Eschat. 334f. -Atzberger, Die christl. Eschat. 356-370. Jansen, Prael. III 1062. -Simar, Dogm. § 169. Gerhard, Loc. XXVIII. Quenstedt, Theol. IV 605-634. -Polanus, Synt. VI c. 69. Synopsis pur. theol., disp. 51. Mastricht, -Theol. VIII 4, 7. Turretinus, Theol. XX qu. 6. Marck, Exspect. J. C. 1. -III c. 1-18. Moor VI 706-718. Kliefoth, Eschat 236f. 275f. Nitzsch, Ev. -Dogm. 620f. Art. Gericht in Herzog³. - - -5. De plaats, waarheen de goddeloozen na het gericht verwezen worden, -draagt in het N. Test. den naam van gehenna. Het hebr. גֵּי הִנּוֹם was -oorspronkelijk de naam van het dal van Hinnom, dat ten zuidoosten van -Jeruzalem lag en volgens Jos. 15:8, 18:16 de grensscheiding tusschen -twee stammen vormde. Onder Achaz en Manasse werd dit dal een plaats -voor den cultus van Moloch, ter wiens eere kinderen werden geslacht -en verbrand, 2 Kon. 16:3, 21:6, 2 Chr. 28:3, 33:6, Jer. 32:34, 35. -Daarom werd deze plaats onder Josia verwoest en door de priesters -onrein verklaard, 2 Kon. 23:10. Jeremia profeteerde, dat hier een -vreeselijk bloedbad voor de Israelieten aangericht en de naam van het -dal Tofeth in dien van moorddal veranderd zou worden, Jer. 7:32, 19:6. -En het apocriefe boek Henoch uitte de verwachting, dat in dit dal de -goddeloozen verzameld zouden worden tot het gericht. Om deze reden werd -later de naam Gehinnom overgedragen op de strafplaats der goddeloozen -na den dood. Volgens anderen echter had deze overdracht eene andere -oorzaak. Nadat het dal van Hinnom door Josia verwoest was, werd het -volgens de latere Joden gebruikt voor het nederwerpen en verbranden -van allerlei onreinigheid. Evenals Gan Eden de plaats aanduidde, waar -na den dood de rechtvaardigen vertoefden, werd Gehinnom de naam van -het oord, waarheen de onreinen en goddeloozen werden verwezen, om er -straf te lijden in het eeuwige vuur. Vuur was trouwens al van ouds een -openbaring en symbool van den toorn en de grimmigheid des Heeren. -Israels God is een verterend vuur, een eeuwige gloed, Deut. 4:24, -9:3, Jes. 33:14; Hij sprak tot de kinderen Israels uit het midden des -vuurs, Deut. 4:12, 33, 5:4, 22-26, 9:10, 10:4, cf. Ex. 3:2; zijn toorn -is een brandend vuur, uitgaande uit zijn neus, Ps. 18:9, 79:5, 89:47, -Jer. 4:4; vuur, uitgaande van het aangezicht des Heeren, verteert de -offerande, Lev. 9:24; door vuur verdelgt Hij Nadab en Abihu, Lev. 10:2, -de murmureerders des volks, Num. 11:1, Ps. 106:18, de Korachieten, Num. -16:35, de benden, die tegen Elia worden afgezonden, 2 Kon. 1:10v.; en -in vuur komt Hij eenmaal, om recht te doen op aarde en de goddeloozen -te straffen, Deut. 32:22, Ps. 11:6, 83:15, 97:3, 140:11, Jes. 30:33, -31:9, 66:15, 16, 24, Jer. 4:4, 15:14, 17:4, Am. 1:4v., Joel 2:30; -en dat vuur brandt tot in den benedensten Scheol, Deut. 32:22, het -wordt nimmer uitgebluscht, Jes. 66:24, en brandt eeuwig, Jer. 17:4. -Deze voorstelling ging over in het Nieuwe Testament. Gehenna is de -strafplaats der goddeloozen na den oordeelsdag, onderscheiden van -ἁδης, φυλακη, ἀβυσσος, boven bl. 374, maar identisch met de καμινος -του πυρος, Mt. 13:42, 50 en de λιμνη του πυρος, Op. 19:20, 20:10, 14, -15, 21:8. Het is de plaats, bestemd voor het beest uit den afgrond en -voor den valschen profeet, Op. 19:20, voor Satan en zijne engelen, Op. -20:10, voor dood en hades, Op. 20:14, en voor alle goddeloozen, Op. -20:15, 21:8. En dezen worden er allen ingeworpen na de opstanding, -Mt. 5:29, 30, 10:28, en na het eindgericht, Op. 19:20, 20:10, 14, 15, -21:8, terwijl vóór dien tijd de hades, de gevangenis, φυλακη, 1 Petr. -3:19, Op. 20:7 of de abyssus hun verblijfplaats zijn, en de straffe van -het eeuwige vuur of de donkerheid der duisternis nog voor hen bewaard -wordt, Mt. 8:29, 25:41, 46, 2 Petr. 2:17, Jud. 13. In die gehenna toch -brandt het eeuwige, onuitblusschelijke vuur, Mt. 18:8, Mk. 9:43, 44, 48, -knaagt de worm, die niet sterft, Mk. 9:44, 48, en is er eene eeuwige -pijniging, Mt. 25:46, 2 Thess. 1:9, Op. 14:11; het is een γεεννα of -καμινος του πυρος, Mt. 5:22, 13:42, 50, 18:9, en tevens eene plaats -der uiterste en buitenste duisternis, Mt. 8:12, 22:13, 25:30, 2 Petr. -2:17, Jud. 13, cf. Deut. 5:22, Ps. 97:2, 3, buiten gelegen, Op. 22:15, -in de diepte, zoodat men erin geworpen wordt, Mt. 5:29, 30, Op. 19:20, -20:10, 14, 15, ver van de bruiloftstafel des Lams, Mt. 8:11, 12, 22:13, -ver van de gemeenschap met God en met Christus, Mt. 7:23, 25:41, Luk. -13:27, 28, 2 Thess. 1:9, in het gezelschap van Satan en zijne engelen, -Mt. 25:41, Op. 20:10, 15. De toorn Gods openbaart zich daar in al zijne -verschrikkelijkheid, Rom. 2:5-8, 9:22, 1 Thess. 1:10, Hebr. 10:31, Op. -6:16, 17, zoodat de gehenna niet alleen een oord is van gemis, maar -ook van smart en pijn, beide naar ziel en naar lichaam, eene plaats van -κολασις, Mt. 25:46, Op. 14:10, 11, van κλαυθμος en βρυγμος των ὀδοντων, -Mt. 8:12, 13:42 enz., van θλιψις en στενοχωρια, Rom. 2:9, 2 Thess. 1:6, -van ἀπωλεια, Mt. 7:13, Rom. 9:22, Phil. 1:28, 3:19, 2 Petr. 3:7, Op. -17:8, 11, van φθορα, Gal. 6:8, ὀλεθρος, 1 Thess. 5:3, 2 Thess. 1:9, -1 Tim. 6:9; de gehenna is het gebied van den tweeden dood, Op. 2:11, -20:6, 14, 15, 21:8. - -Op dezen vasten grond der Schrift werd in de christelijke kerk de leer -van de eeuwigheid der helsche straf gebouwd; en theologie en prediking, -poezie en schilderkunst wedijverden menigmaal met elkaar in plastische -beschrijving en realistische teekening van de pijnen, welke daar naar -lichaam en ziel in het eeuwige vuur werden geleden. Maar van tijd tot -tijd werden er toch bezwaren tegen deze leer ingebracht. En sedert de -Aufklärung in de vorige eeuw eene zachtere beoordeeling van zonde en -misdaad deed opkomen, de pijnbanken afschafte, de straffen matigde en -allerwege een gevoel van humaniteit ontwaken deed, kwam er ook een -gansch andere beschouwing over de straffen der hel en werden deze door -velen of gewijzigd voorgesteld of ganschelijk verworpen, Lecky, Gesch. -d. Ursprungs und Einflusses der Aufklärung in Europa, Leipzig 1873 I -259f. De gronden, waarop de eeuwigheid der helsche straf bestreden -wordt, komen dan altijd hierop neer: _a._ eeuwige straf strijdt met -de goedheid, de liefde, de barmhartigheid Gods en maakt Hem tot een -tiran, die behagen schept in plagen en pijnigen en zich lof bereidt uit -het eeuwig gekerm van millioenen ongelukkige schepselen. _b._ Eeuwige -straf strijdt met de rechtvaardigheid Gods, wijl zij geen verband houdt -met en niet evenredig is aan de zonde, die, hoe schrikkelijk ook, toch -altijd een beperkt, eindig karakter draagt. Het is niet te denken, -dat God, die de volmaakte liefde en de hoogste gerechtigheid is, een -menschenkind, ook al had het duizend jaren gezondigd, straffen zal -met een eeuwigdurende pijniging. _c._ Zulk eene eeuwige straf is ook -onvoorstelbaar en ondenkbaar. De Schrift spreekt van vuur en worm en -duisternis, maar dit zijn alle beelden; letterlijk opgevat, zouden zij -elkander uitsluiten. Doch afgedacht daarvan, wat is de waarde eener -eeuwige straf, die geen ander doel heeft dan om den zondaar eeuwig -te pijnigen? Wat nuttigheid heeft zij voor hem, die haar ondergaat, -dewijl zij waar berouw uiteraard uitsluiten moet en hem steeds doet -voortgaan met zondigen? Wat eere brengt zij toe aan Gods naam, als zij -de zonde niet overwint en vernietigt maar bestendigt en eeuwig doet -voortduren? En hoe is het mogelijk, dat de verlorenen onder zulk eene -eeuwige straf zich voortdurend verharden, zonder ooit tot inkeer te -komen en zich voor God te verootmoedigen? _d._ De Schrift leert dan ook -geen eeuwige, eindelooze straf in de hel. Wel spreekt zij van eeuwige -pijn enz., maar eeuwig heeft daar evenals elders niet de beteekenis -van eindeloos, doch duidt een tijdduur aan, waarvan de grens zich -aan de waarneming of berekening onttrekt; αιωνιος is, wat boven een -langeren of korteren αἰων uitgaat. Dit wordt nog daardoor versterkt, -dat αἰωνιος, in bonam partem</la> van de goederen des heils, bijv. van -het leven gebruikt, vooral eene innerlijke qualiteit aanduidt, waardoor -al deze heilsgoederen worden voorgesteld als boven de vergankelijkheid -verheven. Daartegenover wordt de toestand der verlorenen als ἀπωλεια, -φθορα, ὀλεθρος, θανατος aangeduid, hetgeen er op wijst, dat zij zoo niet -eeuwig kunnen blijven bestaan maar of ten eenenmale vernietigd of eens -geheel en al hersteld worden. _e._ Voor het laatste biedt de Schrift -hope, als zij leert, dat Christus eene verzoening is voor de zonden der -gansche wereld, 1 Joh. 2:2, Col. 1:19, 20, en dat God in dien weg aller -zaligheid wil, 1 Tim. 2:4, 4:10. Gelijk alle menschen in Adam sterven, -zoo worden zij ook allen in Christus levend gemaakt, 1 Cor. 15:22, Rom. -5:18. Thans vergadert God alle dingen onder Christus als hoofd bijeen, -Ef. 1:10, opdat eens alle knie voor Christus zich buige, Phil. 2:10, en -God alles in allen moge wezen, 1 Cor. 15:28. God heeft allen onder de -zonde besloten, opdat Hij allen barmhartig zou zijn, Rom. 11:32. - -Op deze overwegingen worden dan aangaande het uiteinde der goddeloozen, -indien wij afzien van het pantheisme en materialisme, dat alle -onsterfelijkheid en eeuwigheid loochent, de volgende drie hypothesen -gebouwd. Ten eerste zijn er, die leeren, dat er eene mogelijkheid van -bekeering open blijft, niet alleen in den tusschentoestand tot op het -eindgericht toe, boven bl. 382, maar ook daarna nog en tot in alle -eeuwigheid. Of er dus eene hel en eene eeuwige straf is, hangt geheel -van den mensch en van zijn vrijen wil af. Indien hij zich voortdurend -tegen de roepstem tot bekeering verzet, wikkelt hij zich steeds vaster -en dieper in de zonde in en verlengt zijne straf. Wijl echter de -prediking van geloof en bekeering nooit ophoudt en de wil des menschen -steeds vrij blijft, wordt de mogelijkheid van eene eeuwige straf in de -hel zeer onwaarschijnlijk en vleit men zich liever met de hope, dat -ten slotte allen tot bekeering komen en in het eeuwige leven ingaan. -Eeuwige pijn in de Schrift beteekent dus alleen, dat zij, die zoo laat -zich bekeeren, altijd de herinnering aan hun hardnekkig verzet blijven -behouden en bij hen, die in dit leven het evangelie geloofden, eeuwig -zullen achterstaan. Dit hypothetisch universalisme komt dus op eene -voortdurende loutering neer en is eene hernieuwing van de leer der -zielsverhuizing. Het verschil is alleen, dat de metempsychose deze -loutering laat plaats vinden in het Diesseits, terwijl het hypothetisch -universalisme haar in het Jenseits stelt. Deze leer vond vooral in de -vorige eeuw bij de Rationalisten ingang, maar wordt ook thans door vele -theologen verdedigd, cf. Wegscheider, Instit. § 200. Bretschneider, -Dogm. II 468 f. 581 f. Reinhard, Dogm. 706 f. Lange, Posit. Dogm. -§ 131. Dorner, Gl. II 972. Nitzsch, Ev. Dogm. 624. W. Schmidt, -Christl. Dogm. II 517. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 71-75. -H. Ernst, Geloof en Vrijheid 1886 blz. 407-444. Voorts in Engeland de -voorstanders van de zoogenaamde future (second) probation of van -de wider hope, zooals Robertson, Maurice, Theol. Essays 1853 p. -442: the word eternal and the punishment of the wicked. Thomas de -Quincey, On the supposed scriptural expression for eternity 1852. -Tennyson, In Memoriam. Farrar, Eternal Hope 1878 en Mercy and -Judgment 1881 met de door deze beide werken te voorschijn geroepen -litteratuur, cf. The wider hope, essays and strictures on the -doctrine and literature of future punishment by numerous writers, lay -and clerical, London Unwin 1890. In Amerika de verdedigers van de -Andover position, ingenomen door de vijf professoren van Andover -College, Churchhill, Harris, Hincks, Tucker en Egb. C. Smith, die van -verschillende artikelen der belijdenis afweken, ook van dat aangaande -de eeuwige straf, cf. Andover Review April 1890 p. 434 enz. -Vanzelf leidt dit gevoelen van een voortgaande bekeering en loutering -tot de leer van de zoogenaamde universalisten, die meenen, dat aan -het einde alle schepselen de zaligheid en de heerlijkheid deelachtig -zullen worden. Wat daar gewenscht en gehoopt wordt, wordt hier zeker -verwacht en als dogma verkondigd. De leer van den terugkeer aller -dingen in God komt reeds voor in de indische en grieksche philosophie, -ging vandaar over in Gnosticisme en Neoplatonisme en werd dan het -eerst in de christelijke theologie voorgedragen door Origenes. Deze -spreekt wel herhaaldelijk van eene eeuwige straf in de hel maar ziet -daarin toch slechts eene practische leer, die voor de onontwikkelden -noodig is doch door de gnostici geheel anders opgevat wordt. Volgens -Origenes toch zijn alle geesten oorspronkelijk door God gelijk geschapen, -doch de daden van den vrijen wil brengen ongelijkheid en veroorzaken, -dat de zielen der menschen ter loutering in eene stoffelijke wereld -verplaatst en aan lichamen verbonden worden. Doch deze loutering zet -ook na den dood en na het eindgericht zich voort, totdat uit en door -de grootst mogelijke verscheidenheid de gelijkheid weer te voorschijn -treedt en alle geesten weder tot God terugkeeren in dienzelfden -toestand, waarin zij oorspronkelijk bij Hem verkeerden. Wijl echter de -vrije wil altijd dezelfde blijft, kan hij evengoed als van het kwade tot -het goede, zoo weder van het goede tot het kwade terugkeeren, en is -er dus eene voortdurende wisseling van afval en wederbrenging aller -dingen, eene eindelooze schepping en vernietiging der stoffelijke -wereld, cf. Atzberger, Gesch. der christl. Eschat. 1896 S. 366-456. -Deze gedachte van de wederherstelling aller dingen vond in de oudheid -weerklank bij Gregorius Naz., Gregorius Nyss., Didymus, Diodorus van -Tarsus, Theodorus van Mopsuestia, e. a., cf. Petavius, de angelis III -7. 8, in de Middeleeuwen bij Scotus Erigena, Amalrik van Bena en de -broeders en zusters van den vrijen geest, na de Hervorming bij Denck en -vele Wederdoopers, bij Jane Leade, J. W. Petersen, Ludwig Gerhard, F. -C. Oetinger, Michael Hahn, Jung-Stilling, Swedenborg enz., en in den -nieuweren tijd bij Schleiermacher, Chr. Gl. § 117-120 en § 163 Anhang. -Schweizer, Gl. II 577 f. 591. 604. Schoeberlein, Prinzip und System -der Dogm. 679. Riemann, Die Lehre von der Apokatastasis² Magdeburg -1897. Scholten, Initia 268 sq. W. Francken, Geloof en Vrijheid 1886. Cf. -Köstlin, art. Apokatastasis in Herzog³. Veel grooter instemming vond -echter nog een derde gevoelen, dat onder den naam van conditioneele -onsterfelijkheid bekend staat. Hoewel de vroegere theologie zeer dikwerf -van de onsterfelijkheid sprak in geestelijken zin, als eene gave, door -Christus verworven, toch dacht daarom schier niemand eraan, om de -natuurlijke onsterfelijkheid der ziel te loochenen. Het eerst leerden de -Socinianen onder den invloed van hun abstract supranaturalisme, dat -de zielen niet van nature onsterfelijk waren maar dit eerst werden in -geval van gehoorzaamheid door eene gave Gods. Daaruit volgde, dat de -goddeloozen en de duivelen krachtens eene natuurlijke vergankelijkheid -eenmaal moesten ophouden te bestaan. Socinus sprak dit nog niet zoo -duidelijk uit, maar zijne volgelingen leerden zonder omwegen, dat de -tweede dood in vernietiging bestond; en deze had dan volgens Crell, -Schmalz e. a. niet bij of spoedig na den dood, doch eerst na de -algemeene opstanding en het wereldgericht plaats, Fock, Der Socin. -714 f. Van de Socinianen werd deze leer overgenomen door Locke, -Warburton, Whiston, Dodwell, Walter e. a., en in deze eeuw door Rothe, -Theol. Ethik § 470-472 en Weisse, Ueber die philos. Bedeutung der -christl. Eschat. Stud. u. Krit. 1836. Vooral echter begon zij opgang -te maken en aanhangers te vinden, sedert zij in 1885 verdedigd werd -door Edward White in zijn Life in Christ, a study of the Scripture -doctrine on the nature of man, the object of the divine incarnation -and the conditions of human immortality, 3 ed. Stock London 1878. Dit -boek bracht vele pennen in beweging en lokte niet alleen ernstige -bestrijding doch ook velerlei betuiging van instemming uit. Overal vindt -het conditionalisme thans talrijke verdedigers, zooals bijv. Schultz, -Voraussetzungen der christl. Lehre von der Unsterblichkeit 1861. H. -Plitt, Evang. Glaubenslehre 1863. II 413. Weisse, Philos. Dogm. § 970. -Lemme, Endlosigkeit der Verdammnis und allgemeine Wiederbringung, -Lichterfelde-Berlin, Runge. (voordracht, geh. 12 Aug. 1898). Charles -Byse, L’immortalité conditionelle ou la vie en Christ, Paris 1880. -Petavel-Olliff, Le problème de l’immortalité, Paris 1891. Dr. Jonker, -De leer der condit. onsterfelijkheid, Theol. Stud. I. - - -6. Indien nu bij de leer van de eeuwige straf het menschelijk gevoel -te beslissen had, zou zij zeker moeilijk te handhaven zijn en thans ook -maar weinig verdedigers vinden. Dankbaar dient het te worden erkend, -dat sedert de vorige eeuw de idee der humaniteit en het gevoel van -sympathie krachtig ontwaakt zijn en aan de wreedheid, die vroeger -vooral ook op het gebied van het strafrecht heerschte, een einde -hebben gemaakt. Maar niemand kan er toch blind voor zijn, dat ook deze -humanitaire beschouwing hare eenzijdigheden en gevaren medebrengt. -De machtige omkeer, die plaats gegrepen heeft, laat zich in dezen -éénen zin beschrijven, dat, terwijl vroeger de krankzinnigen zelfs als -misdadigers werden behandeld, thans de misdadigers als krankzinnigen -beschouwd worden. Voorheen werd in elke abnormaliteit schuld gezien; -thans worden alle begrippen van schuld, misdaad, verantwoordelijkheid, -toerekenbaarheid enz. van hunne realiteit beroofd, cf. Simons, Nieuwe -richtingen in de strafrechtwetenschap, Gids April 1900 bl. 48-84. Het -besef van recht en gerechtigheid, van wetsovertreding en schuld wordt -op bedenkelijke wijze verzwakt, naarmate de maatstaf van al deze dingen -niet in God, maar in den mensch en in de maatschappij wordt verlegd. -Daarmede gaat allengs alle zekerheid en veiligheid teloor. Want als -het belang der maatschappij den doorslag geeft, dan wordt niet alleen -elke grens tusschen goed en kwaad uitgewischt, maar loopt ook het -recht gevaar, aan de macht te worden opgeofferd. Het is u nut, dat -één mensch voor het volk sterve en niet heel het volk verloren ga, -Joh. 11:50, wordt dan de taal der hoogste rechtspleging. En hetzelfde -menschelijk gevoel, dat eerst voor de humanitaire behandeling van den -misdadiger pleitte, ontziet zich niet, om straks den marteldood van den -onschuldige te eischen; het hosanna maakt voor het kruis hem plaats; -de vox populi, die dikwerf ten onrechte als eene vox Dei wordt geëerd, -schrikt voor geen gruwelen terug; en terwijl de rechtvaardige er nog -mede rekent, hoe het zijn vee te moede is, is zelfs het ingewand, het -hart, het gemoed van den goddelooze nog wreed, Spr. 12:10. Op het -menschelijk gevoel valt daarom weinig te bouwen; dat mag en kan bij de -bepaling van recht en wet de beslissing niet geven; zelfs als de schijn -er tegen is, is het toch oneindig veel beter, in de hand des Heeren, -dan in die van menschen te vallen, 1 Chron. 21:13. En dit geldt ook -bij de leer van de eeuwige straffen in de hel. Want 1º verdient het -opmerking, dat deze leer, hoezeer zij in kerk en theologie dikwerf veel -te realistisch is uitgewerkt, toch in de Schrift is gegrond. En niemand -spreekt er in de Schrift vaker en breedvoeriger over dan onze Heere -Jezus Christus, wien niemand diepte van menschelijk gevoel en medelijden -ontzeggen kan, en die de zachtmoedigste en nederigste was onder alle -kinderen der menschen. Het is de hoogste liefde, die met de zwaarste -straffen dreigt. Tegenover de zaligheid van het eeuwige leven, welke Hij -voor de zijnen verwierf, staat de rampzaligheid van het eeuwig verderf, -dat Hij den goddeloozen aankondigt. Beide waren in het Oude Test. in -schaduwen gehuld en werden onder beelden voorgesteld. Maar in het -Nieuwe Test. is het Christus, die het vergezicht opent zoowel in de -diepten van de buitenste duisternis als in de woningen van het eeuwige -licht. 2º Dat de straf in deze plaats der buitenste duisternis eene -eeuwige is, valt met de Schrift in de hand niet te betwijfelen. Wel is -waar, geeft αἰωνιος (van αἰων, hebr. עולם, d. i. tijdduur, levensduur, -levensloop, menschenleeftijd, onbepaald lange tijd in verleden of -toekomst; de tegenwoordige wereldtijd, αἰων οὑτος; de toekomende eeuw, -αἰων μελλων) zeer dikwijls een tijdduur te kennen, die wel menschelijke -berekening te boven gaat maar volstrekt niet eindeloos of eeuwig is. -Dikwerf wordt het ook in het N. T. nog gebruikt van den ganschen tot -op de verschijning van Christus toe voorbijgeganen wereldtijd, waarin de -raad Gods door de profeten verkondigd werd maar toch niet ten volle -geopenbaard was, Luk. 1:70, Hd. 3:21, Rom. 16:25, Col. 1:26, 2 Tim. -1:9, Tit. 1:2. Doch het woord αἰωνιος dient in het N. T. vooral, om -de onvergankelijke, boven alle bederf en verderf verheven natuur van -de door Christus verworvene heilsweldaden aan te duiden, en wordt dan -inzonderheid zeer dikwerf met ζωη verbonden; het eeuwige leven, dat -Christus schenkt aan een iegelijk die gelooft, heeft zijn begin reeds -hier op aarde maar wordt toch eerst in de toekomst volkomen openbaar; -het behoort wezenlijk tot den αἰων μελλων, Luk. 18:30, is onverderfelijk, -Joh. 11:25, 26, en heet eeuwig, evenals de οἰκοδομη ἐκ θεου, 2 Cor. -5:1, de σωτηρια, Hebr. 5:9, de λυτρωσις, 9:12, de κληρονομια, 9:15, de -δοξα, 2 Tim. 2:10, de βασιλεια, 2 Petr. 1:11, evenals God, Christus, de -H. Geest ook eeuwig worden genoemd, Rom. 16:26, Hebr. 9:14, 13:8 enz. -Daartegenover wordt gezegd, dat de straf der goddeloozen bestaan zal in -το πυρ το αἰωνιον; Mt. 18:8, 25:41, Jud. 7, κολασις αἰωνιος, Mt. 25:46, -ὀλεθρος αἰωνιος, 2 Thess. 1:9, κρισις αἰωνιος, Mk. 3:29. Evenals het -eeuwige leven, wordt door deze omschrijving de eeuwige straf voorgesteld -als te behooren tot den αἰων μελλων, waarin geen verandering van staat -meer mogelijk is. Nergens duidt de Schrift met eenig woord aan of -laat zij zelfs de mogelijkheid open, dat er aan den toestand, die daar -intreedt, nog een einde komen kan. En positief spreekt zij uit, dat het -vuur daar onuitblusschelijk is, Mt. 3:12, dat de worm niet sterft, Mk. -9:44, dat de rook der pijniging opgaat in alle eeuwigheid, Op. 14:11, -en voortduurt dag en nacht in alle eeuwigheid, 20:10, en dat zij als -eeuwige pijn staat tegenover het eeuwige leven der rechtvaardigen, Mt. -25:46. Onbevangen exegese kan hier niet anders vinden dan eene eeuwige, -nimmer eindigende straf. Cf. Cremer s. v. 3º De toestand der verlorenen -wordt beschreven als ἀπωλεια, Mt. 7:13, φθορα. Gal. 6:8, ὀλεθρος, -2 Thess. 1:9, θανατος, Op. 2:11 enz., in overeenstemming daarmede, -dat in O. en N. Test. menigmaal gezegd wordt, dat de goddeloozen -verdelgd, uitgeroeid, verwoest, verdorven, verdaan, buitengeworpen, -afgesneden, als kaf verbrand zullen worden enz. De voorstanders van -de conditioneele onsterfelijkheid verstaan al deze uitdrukkingen in -den zin van eene volkomen vernietiging, cf. White, Life in Christ -358-390. Maar deze opvatting mist allen grond. Leven beteekent -in de Schrift nooit puur bestaan, en dood is nooit hetzelfde als -vernietiging. Van den tijdelijken, lichamelijken dood kunnen ook de -conditionalisten dit niet ontkennen; zij nemen meest als de Socinianen -aan, dat de goddeloozen ook na den dood nog blijven voortbestaan, hetzij -om eerst na opstanding en eindgericht door God vernietigd te worden, -hetzij om langzamerhand weg te sterven en ten slotte ook physisch te -gronde te gaan. Het laatste is zoowel wijsgeerig als Schriftuurlijk eene -onmogelijke gedachte. Zonde toch is geen substantie, geen materia maar -forma, die een zijn onderstelt en dat zijnde niet vernietigt maar in -eene verkeerde, van God afgewende richting stuurt, deel III 81v. En de -lichamelijke dood is niet maar een natuurlijk gevolg doch eene positieve, -door God bedreigde en voltrokken straf op de zonde, ib. 176v. In dien -dood vernietigt God den mensch niet, maar scheidt Hij ziel en lichaam -tijdelijk vaneen, om beide in stand te houden en bij de opstanding -weder te vereenigen. De Schrift leert duidelijk en onwedersprekelijk -de onsterfelijkheid van den mensch. Het conditionalisme verwart het -ethische met het physische zijn, als het in ἀπωλεια, die de straf der -zonde is, eene vernietiging van de substantie des menschen ziet. En -evenals God in den eersten dood den mensch niet vernietigt, zoo doet -Hij dit ook niet in den tweeden dood. Immers wordt deze in de Schrift -ook omschreven als pijniging, Mt. 25:46, weening en knersing der tanden, -Mt. 8:12, verdrukking en benauwdheid, Rom. 2:9, onuitblusschelijk vuur, -Mt. 18:8, nooit stervende worm, Mk. 9:44 enz., welke uitdrukkingen -alle het bestaan der verlorenen onderstellen. Maar hun toestand kan -toch ἀπωλεια, φθορα, ὀλεθρος, θανατος heeten, wijl zij in zedelijken, -geestelijken zin geheel te gronde zijn gegaan en in volstrekten zin die -levensvolheid missen, welke den geloovigen door Christus geschonken -wordt. Zoo heet de verloren zoon νεκρος en ἀπολωλος, Luk. 15:24, 32, de -Efeziërs in hun vroegeren toestand νεκροι in hun zonden en misdaden, -Ef. 2:3, vervreemd van het leven Gods, Ef. 4:18, die van Sardes νεκροι, -Op. 3:1 enz., zonder dat iemand hierbij aan hun niet-bestaan denkt. 4º -Aan eene zelfde miskenning van het ethisch karakter der zonde maken de -voorstanders van de apokatastasis zich schuldig. Het woord is aan Hd. -3:21 ontleend maar houdt daar, gelijk thans iedereen erkent, volstrekt -niet in, wat er thans mede bedoeld wordt. De Schrift leert nergens, -dat eenmaal alle menschen en zelfs alle duivelen zalig zullen worden. -Wel spreekt zij dikwerf zeer universalistisch, omdat het werk van -Christus intensief van oneindige waarde is en aan de geheele wereld en -menschheid in haar organisch bestaan ten goede komt, deel III 390v. -Maar zij sluit beslist uit, dat alle individuen onder de menschen of -ook zelfs de duivelen eenmaal burgers zouden worden in het koninkrijk -Gods. Ten allen tijde is de leer van de wederbrenging aller dingen dan -ook slechts door enkele op zichzelf staande personen geleerd, en zelfs -heden ten dage vindt onder de theologen nog eer het conditionalisme -dan de apokatastasis voorspraak. Feitelijk is deze leer ook niet -van christelijken doch van heidenschen oorsprong, en draagt zij geen -Schriftuurlijk doch een wijsgeerig karakter. Het is het pantheisme, dat -er aan ten grondslag ligt en alle dingen, gelijk zij uit God voortkomen, -zoo ook successief tot Hem terugkeeren doet. God is hier geen Wetgever -en Rechter, die eenmaal de wereld in rechtmatigheid oordeelen zal, maar -eene onbewuste, immanente kracht, die alles voortstuwt tot het einde -en eens alles tot zich hereent. De zonde is hier geen ἀνομια, maar -een noodzakelijk moment in de wereldontwikkeling. En de verlossing in -Christus is geen juridisch herstel en geen ethische vernieuwing maar -een physisch proces, dat alles beheerscht. 5º Om de eeuwige straf te -billijken is daarom vóór alle dingen noodig, dat men met de Schrift -de onkreukbare rechtvaardigheid Gods en het diep zondig karakter der -zonde erkenne. Zonde is geen zwakheid, geen gebrek, geen tijdelijke en -allengs verdwijnende onvolkomenheid, maar zij is naar haar oorsprong -en wezen ἀνομια, overtreding van de wet, opstand en vijandschap tegen -God, negatie van zijn recht, van zijn gezag, zelfs van zijn bestaan. Wel -is de zonde eindig in dien zin, dat zij door een eindig schepsel in -een eindigen tijd wordt volbracht, maar Augustinus heeft reeds terecht -opgemerkt, dat niet de tijdduur, waarin de zonde gepleegd wordt, -maar haar innerlijke aard de maatstaf is van hare straf. Een uur van -onbedachtzaamheid kan maken, dat men jaren schreit. Op zonden van een -enkel oogenblik volgt heel een leven van schande en straf. Wie eene -misdaad begaat, wordt soms gestraft met den dood en door de aardsche -overheid in een onherstelbaren toestand overgebracht. Zoo doet God -ook; want wat op aarde de doodstraf is, is de straf der hel in het -eindgericht. Hij beoordeelt en straft de zonde naar haar innerlijke -qualiteit. En dan is de zonde oneindig in dien zin, dat zij begaan wordt -tegen de hoogste Majesteit, die een absoluut recht op onze liefde en -onze vereering heeft. God is onze gehoorzaamheid en toewijding waardig -op absolute, oneindige wijze; de wet, waarin Hij deze eischt, is daarom -absoluut verbindend, hare verbindbaarheid oneindig groot; en de -overtreding van die wet is dus, intensief beschouwd, een absoluut, -een oneindig kwaad. Bovendien komt hier niet zoozeer de diuturnitas -peccandi in aanmerking, als wel de voluntas peccantis, quae hujusmodi -est ut semper vellet peccare si posset, Aug. de civ. 21, 11. Wie de -zonde doet, is een dienstknecht der zonde en wil en kan niet anders dan -zondigen. Het ligt waarlijk niet aan hem, als hij buiten de gelegenheid -wordt gesteld, om op den zondigen weg voort te gaan; naar zijn innerlijke -begeerte zou hij niet anders willen, dan eeuwig blijven leven, om eeuwig -te kunnen zondigen. Wie zou dan, lettende op deze zondige natuur van -de zonde, durven zeggen, dat God onrechtvaardig is, als Hij haar niet -alleen met tijdelijke maar ook met eeuwige straffen bezoekt? 6º Gemeenlijk -wordt dit argument, aan de rechtvaardigheid Gods ontleend, dan ook -slechts schuchter en aarzelend aangevoerd. Des te meer wordt de eeuwige -straf in strijd geacht met de goedheid en de liefde Gods. Indien zij -echter niet met de rechtvaardigheid Gods in strijd is, dan is zij dit -ook niet en kan het zelfs niet zijn met zijne goedheid. Er is hier geen -keus. Indien de eeuwige straf onrechtvaardig is, dan is zij daarmede -geoordeeld en behoeft de goedheid Gods er niet meer bij te pas gebracht -te worden. Indien zij echter beantwoordt aan Gods rechtvaardigheid, dan -blijft de goedheid Gods daarbij ongedeerd; wat rechtvaardig is, is ook -goed. Het argument, aan Gods goedheid tegen de eeuwige straf ontleend, -brengt dus op het voetspoor van Marcion heimelijk een conflict tusschen -Gods gerechtigheid en zijne goedheid en offert de eerste aan de laatste -op. Eene goedheid echter, die de rechtvaardigheid te niet doet, is -geen ware, wezenlijke goedheid meer. Zij is niets anders dan menschelijke -zwakheid en weekheid, en, op God overgebracht, een verzinsel van het -menschelijk brein, op geenerlei wijze beantwoordend aan den levenden, -waarachtigen God, die zich in de Schrift en ook in de natuur heeft -geopenbaard. Want indien de eeuwige straf met Gods goedheid -onbestaanbaar is, dan is het ook de tijdelijke straf. Doch deze is een -feit, dat door niemand kan worden ontkend. De menschheid vergaat onder -Gods toorn en door zijne verbolgenheid wordt zij verschrikt. Wie kan het -lijden der wereld rijmen met Gods goedheid en liefde? Toch moet het er -mede overeen te brengen zijn, want het bestaat. Indien nu het bestaan -van het ontzettende lijden in deze wereld ons niet mag doen twijfelen -aan Gods goedheid, dan mag ook de eeuwige straf ons niet leiden tot -hare loochening. Als deze wereld bestaanbaar is met Gods liefde, gelijk -zij is en moet zijn, dan is het ook de hel. Want buiten de H. Schrift -is er geen sterker bewijs voor het bestaan der hel, dan het bestaan -dezer wereld, aan wier ellende de trekken van het beeld der hel zijn -ontleend. 7º Bovendien bestaat er voor den mensch, die de eeuwige straf -bestrijdt, groot gevaar, om tegenover God den schijnheilige te spelen. -Hij doet zich voor als de liefderijke, die in goedheid en medelijden den -Vader van onzen Heere Jezus Christus zeer verre overtreft. Dat neemt -niet weg, dat diezelfde mensch, zoodra _zijne_ eer wordt aangerand, in -woede ontsteekt en zijn beleediger alle kwaads toewenscht in dit en in -het toekomende leven. Nijd, haat, toorn, wraakgierigheid komen op in -het hart van iederen mensch tegen elk, die hem in den weg staat. Wij -zoeken onze eigene eer, maar om de eer van God bekommeren wij ons niet; -wij komen op voor ons eigen recht, maar het recht van God laten wij met -voeten treden. Dat is toch waarlijk een afdoend bewijs, dat de mensch -niet de geschikte beoordeelaar is van de woorden en de handelingen -Gods. En toch, ook in dat opkomen voor eigen recht en eere ligt iets -goeds. Hoe verkeerd de mensch het ook toepasse, er ligt toch in, dat -recht en eere boven goed en leven gaan. Er sluimert ook in den zondaar -nog een diep rechts- en eergevoel. En als dat aangerand wordt, ontwaakt -het en onderdrukt het alle medelijden. Als het in een strijd tusschen -twee menschen of tusschen twee volken gaat om het recht, dan bidt elk -van ganscher harte, dat God het recht doe triumfeeren en de schenders -ervan met zijn oordeel treffe. Alle menschen beseffen nog iets van het -fiat justitia, pereat mundus, en billijken het, dat het recht triumfeere -ten koste van duizenden menschenlevens. Om het recht gaat het ook in -den oordeelsdag, en niet om een of ander privaat recht, maar om _het_ -recht bij uitnemendheid, om het recht in zijne gansche beteekenis en in -zijn vollen omvang, om de gerechtigheid Gods, om God zelven als God te -prijzen in der eeuwigheid. 8º Er is dan ook geen twijfel aan, of God zal -zich in den oordeelsdag, ook als Hij de eeuwige straf over de zondaren -uitspreekt, voor het oog van alle schepselen ten volle rechtvaardigen. -Thans kennen wij ten deele en kennen ook de schrikkelijkheid der zonde -slechts ten deele. Maar als wij hier reeds bij het hooren van sommige -gruwelen de zwaarste straf reeds niet zwaar genoeg achten, wat zal -het dan zijn, als wij aan het einde der dagen een inzicht ontvangen in -de diepten der ongerechtigheid? En daarbij zijn wij hier op aarde altijd -eenzijdig; rechtsbesef en medelijden komen telkens in conflict; wij zijn -of te zacht of veel te streng in ons oordeel. Maar alzoo is het niet -en kan het niet zijn bij den Heere onzen God. In Christus heeft Hij zijne -volle liefde geopenbaard, en die liefde is daarom zoo groot, wijl zij -eene verlossing heeft geschonken van den toekomenden toorn en van het -eeuwig verderf. De bestrijders van de eeuwige straf doen niet alleen -aan de doemwaardigheid der zonde, aan de strengheid van het Goddelijk -recht tekort; zij maken ook inbreuk op de grootte van Gods liefde en -van de verlossing, die in Christus is. Indien het niet gegaan had om -de redding van een eeuwig verderf, ware de prijs van het bloed van -Gods eigen Zoon veel te duur geweest. De hemel, dien Hij door zijn -zoendood ons verwierf, onderstelt eene hel, waarvan Hij ons bevrijdde. -Het eeuwige leven, dat Hij ons schonk, onderstelt een eeuwigen dood, -waarvan Hij ons verlost heeft. De gunst en het welbehagen Gods, waarin -Hij ons eeuwig doet deelen, onderstelt een toorn, onder welken wij -anders eeuwig hadden moeten verzinken. En daarom zal deze Christus -ook eenmaal het gericht houden en het oordeel uitspreken. Een mensch, -een waarachtig, volkomen mensch, die weet wat in den mensch is, die -de zachtmoedigste aller menschen is, zal de rechter der menschen zijn, -zoo rechtvaardig, dat allen het zullen erkennen en alle knie voor Hem -zich buigen en alle tong belijden zal, dat Christus de Heer is, tot -heerlijkheid Gods des Vaders. God zal aan het eind, zoo niet gewillig, -dan onwillig door alle schepselen als God worden erkend. 9º Dit moet -ons genoeg zijn. Onderzoekingen over de ligging en grootte der hel, -over de hoedanigheid van vuur en worm, over den psychischen en den -physischen toestand der verlorenen leiden tot geen resultaat, omdat -de Schrift er het zwijgen over bewaart. Alleen dit weten wij nog, dat -de straf der hel eerst een aanvang neemt na den oordeelsdag, dat zij -steeds gedreigd wordt aan degenen, die de waarheid Gods hardnekkig -tegenstaan, aan de vreesachtigen en ongeloovigen en gruwelijken en -doodslagers en hoereerders en toovenaars en afgodendienaars en -leugenaars, Op. 21:8, en dat zij ook dan nog verschilt naar de mate van -ieders ongerechtigheid. Nergens leert de Schrift, dat er dan nog plaats -voor bekeering en vergeving is. De toevoeging in Mt. 12:32: noch in -deze eeuw noch in de toekomende, strekt niet, om de vergefelijkheid der -zonde tegen den Zoon des menschen ook nog in de toekomende eeuw, maar -om de volstrekte onvergefelijkheid der zonde tegen den H. Geest in het -licht te stellen. Straf is in haar wezen handhaving der gerechtigheid -en dient bepaaldelijk na het oordeel, niet om te louteren maar om een -iegelijk te vergelden naar zijn werk. Maar toch leert de Schrift zeer -duidelijk, dat er in die straf graden zijn; de poena damni is gelijk, maar -de poena sensus verschilt; een ieder ontvangt naar zijne werken, Mt. -10:15, 11:24, 23:14, 24:51, Luk. 10:12, 14, 12:46, 47, 2 Cor. 5:10 enz. -En daarin spreekt zich nog iets van Gods barmhartigheid uit, deel II -362. 365. Alle zonde staat absoluut tegen de gerechtigheid over, maar -toch rekent God bij de straf met het relatief verschil, dat tusschen de -zonden bestaat. Ook al wordt daarom niet met Augustinus, Enchir. 110, -cf. Lombardus, Thomas, Bonaventura op Sent. IV 46 toegegeven, poenas -damnatorum certis temporum intervallis aliquatenus mitigari, toch -betoont zich zijne gerechtigheid in de eeuwige straf op die wijze, dat -zijne goedheid en liefde ongeschonden blijven en nooit rechtmatig kunnen -worden aangeklaagd. Ook in de hel geldt het woord, dat Hij de menschen -niet van harte plaagt, Klaagl. 3:33; de smart, die Hij toezendt, is geen -voorwerp van zijne of van der zaligen verlustiging, maar een middel -tot verheerlijking van zijne deugden en dus door dit einddoel in hare -zwaarte en hare mate bepaald. Cf. Augustinus, Enchir. 110-113. de civ. -XXI. Lombardus e. a. op Sent. IV 46-50. Thomas, S. Theol. suppl. qu. -97-99. Dante, De Hel. Petavius, Theol. dogm. t. IV de angelis III c. -4-8. Simar, Dogm. § 163. Jansen, Prael. III 946-975. Bautz, Die Hölle, -Mainz 1882. Sachs, Die ewige Dauer der Höllenstrafen, Paderborn 1900. -Gerhard, Loc. IX tract. 5 en Loc. XXX. Quenstedt, Theol. I 560-565. -Vilmar, Dogm. II 323. Philippi, Kirchl. Gl. III 389. Kähler, Art. -Höllenstrafen in Herzog³. Limborch, Theol. Christ. VI 13. Calvijn, Inst. -III 25, 12. Synopsis pur. theol. disp. 52. Turretinus, Theol. El. XX -qu. 7. Marck, Exspect. J. Chr. III c. 12. 13. Moor III 354-358. VI 798. -M. Vitringa IV 175 II 305. 320. J. A. Turretinus, Op. II 612. Swinden, -An inquiry into the nature and place of hell. Lond. 1727. Jon. -Edwards, Works, New-York 1881 I 612-642 IV 254-321. Id. Betoog voor de -eeuwigheid der straffen in een toekomstig leven, Utrecht 1792. Hodge, -Syst. Theol. III 818. Shedd, Dogm. Theol. II 667. Oosterzee, Dogm. § -149. - - -7. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der wereld. Sommigen hebben -deze met Thomas, S. Theol. suppl. qu. 74 art. 7 wel vóór het laatste -oordeel geplaatst, maar de gewone voorstelling is toch deze, dat zij -daarop volgt en dan eerst intreedt, als de goddeloozen reeds van de -aarde verbannen zijn. Ongetwijfeld komt deze orde ook het meest met die -in de H. Schrift overeen. In het Oude Test. wordt de dag des Heeren wel -door allerlei schrikkelijke teekenen voorafgegaan en heeft het gericht -over de volken onder allerlei ontzettende gebeurtenissen plaats, maar -de nieuwe aarde met hare buitengewone vruchtbaarheid neemt dan eerst -een aanvang, als de overwinning over de vijanden behaald en het volk -Israels in zijn land wedergekeerd en hersteld is. Evenzoo gaan volgens -het Nieuwe Test. aan den dag des gerichts vele teekenen vooraf, zooals -verduistering van zon en maan en sterren, beweging van de krachten -des hemels enz., Mt. 24:29, maar de verbranding der aarde heeft toch -eerst in den dag des Heeren plaats, 2 Petr. 3:10, en daarna komt dan de -nieuwe hemel en de nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont, 2 Petr. -3:13. Als het oordeel voltrokken is, ziet Johannes het nieuwe Jeruzalem -neerdalen van God uit den hemel, Op. 21:1v. Bij deze verwachting -eener wereldvernieuwing neemt de Schrift een standpunt tusschen twee -uitersten in. Eenerzijds is door velen, zooals Plato, Aristoteles, -Xenophanes, Philo, Maimonides, Averroes, Nolanus, Peyrère, Edelmann, -Czolbe enz. beweerd, dat deze wereld eeuwig in hare tegenwoordige -gedaante zou voortbestaan. En andererzijds waren Origenes, de -Lutherschen, de Mennonieten, de Socinianen, Vorstius, de Remonstranten -en ook enkele Gereformeerden, zooals Beza, Rivetus, Junius, Wollebius, -Prideaux van meening, dat zij niet slechts in gedaante veranderd -doch in substantie vernietigd en door eene gansch nieuwe wereld -vervangen zou worden, M. Vitringa IV 194-200. Doch geen van deze beide -gevoelens vindt steun in de Schrift. De Oudtest. profetie verwacht -eene buitengewone verandering in heel de natuur maar leert toch geen -vernietiging van de tegenwoordige wereld. De plaatsen, waarin men deze -laatste geleerd acht, Ps. 102:27, Jes. 34:4, 51:6, 16, 65:17, 66:22, -beschrijven de verandering, welke na den dag des Heeren intreden zal, -wel in zeer sterke bewoordingen, maar houden toch geen vernietiging van -de wereldsubstantie in. Vooreerst toch is de beschrijving, welke daar -gegeven wordt, veel te beeldrijk, dan dat er eene letterlijke reductio -ad nihilum van heel de wereld uit afgeleid zou kunnen worden. Voorts -wordt het vergaan, אבד, van hemel en aarde, Ps. 102:27, dat op zichzelf -reeds nooit eene volstrekte vernietiging der substantie te kennen -geeft, daardoor verklaard, dat zij als een kleed verouderen, als een -gewaad veranderen, als een blad afvallen, als rook verdwijnen zullen, -Ps. 102:27, Jes. 34:4, 51:6. En eindelijk geeft het woord scheppen, -ברא, dat van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde gebezigd wordt, Jes. -65:17, volstrekt niet altijd een voortbrengen uit niets te kennen, -maar duidt het dikwerf zulk eene werkzaamheid Gods aan, waardoor Hij -uit het oude iets nieuws te voorschijn doet komen, Jes. 41:20, 43:7, -54:16, 57:19; daarom wisselt het ook af met planten, gronden, maken, -Jes. 51:16, 66:22, en kan de Heere in Jes. 51:16 zeggen, dat Hij die -nieuwe schepping daarmede begint, dat Hij zijn woord in Israels mond legt -en het dekt met de schaduw zijner hand. Het nieuwe Test. verkondigt -op dezelfde wijze, dat hemel en aarde zullen voorbijgaan, Mt. 5:18, -24:35, 2 Petr. 3:10, 1 Joh. 2:17, Op. 21:1, dat zij zullen vergaan, en -verouden als een kleed, Hebr. 1:11, ontbonden, 2 Petr. 3:11, verbrand, -2 Petr. 3:10, veranderd worden, Hebr. 1:12. Maar deze uitdrukkingen -sluiten geen van alle eene vernietiging der substantie in. Immers -leert Petrus uitdrukkelijk, dat de oude aarde, die door scheiding der -wateren ontstond, door het water van den zondvloed vergaan is, 2 Petr. -3:6, en dat de tegenwoordige wereld evenzoo, ofschoon krachtens Gods -belofte niet meer door water, toch door vuur zal vergaan. Aan eene -vernietiging van de substantie bij het vergaan der tegenwoordige wereld -valt dus evenmin te denken als bij de verderving der vroegere wereld in -den zondvloed; vuur verbrandt, reinigt, zuivert maar vernietigt niet. -De tegenstelling in 1 Joh. 2:17: die den wil Gods doet, blijft in der -eeuwigheid, leert, dat met de woorden: de wereld gaat voorbij met hare -begeerlijkheid, niet bedoeld is eene vernietiging van de substantie der -wereld, maar eene verdwijning der wereld in haar door de zonde verwoeste -gedaante. Paulus zegt daarom ook zeer duidelijk, dat de gedaante, το -σχημα, van deze wereld voorbijgaat, 1 Cor. 7:31. Trouwens komt zulk -een wereldvernieuwing alleen overeen met wat de Schrift over de -verlossing leert. Deze is immers nooit eene tweede, nieuwe schepping, -maar eene herschepping van het bestaande. Daarin bestaat juist Gods -eere, dat Hij dezelfde menschheid, dezelfde wereld, denzelfden hemel en -dezelfde aarde verlost en vernieuwt, welke door de zonde verdorven en -verontreinigd waren. Zooals een mensch in Christus een nieuw schepsel -is, bij wien het oude voorbijgegaan en alles nieuw is geworden, 2 Cor. -5:17, zoo gaat ook deze wereld in haar tegenwoordige gedaante voorbij, -om op het machtwoord Gods uit haar schoot aan eene nieuwe wereld het -aanzijn te geven. Gelijk bij den enkelen mensch, zoo heeft er aan het -einde der dagen ook bij de wereld eene wedergeboorte plaats, Mt. 19:28, -die geen physische schepping maar eene geestelijke vernieuwing is. -Cf. Thomas, S. Theol. Suppl. qu. 74 art. 1 en qu. 91. Atzberger, Die -christl. Eschat. 372 f. Gomarus, Op. I 131-133. 416. Spanheim, Dubia -Evang. III 670-712. Turretinus, Th. El. XX qu. 5. Moor VI 733-736. M. -Vitringa IV 186-215. Kliefoth, Eschat. 297 f. - - -8. Deze vernieuwing der zienlijke wereld stelt de eenzijdigheid van het -spiritualisme in het licht, dat de toekomstige zaligheid tot den hemel -beperkt. Bij de Oudtest. profetie is er geen twijfel mogelijk, dat zij -de zaligheid als eene aardsche beschrijft; zij verwacht, dat het volk -Gods na den grooten dag in veiligheid en vrede onder den gezalfden -koning uit Davids huis in Palestina wonen en door de heidensche -natiën omringd en gediend worden zal. Er ligt waarheid in de woorden -van Delitzsch op Jes. 66:24: Das ist ja eben der Unterschied des -A. und N. T., dass das A. T. das Jenseits verdiesseitigt, das N. -T. das Diesseits verjenseitigt; dass das A. T. das Jenseits in den -Gesichtskreis des Diesseits herabzieht, das N. T. das Diesseits in -das Jenseits emporhebt. Maar toch doen zij de N. T. verwachting van de -toekomstige zaligheid niet geheel tot haar recht komen. Er ligt in -het N. Test. ongetwijfeld eene vergeestelijking der Oudtest. profetie; -wijl Jezus’ komst in eene eerste en tweede uiteenvalt, wordt eerst het -koninkrijk Gods in geestelijken zin in het hart der menschen geplant; -en de goederen van dat rijk zijn alle inwendig en onzienlijk, vergeving, -vrede, gerechtigheid, eeuwig leven. Dienovereenkomstig wordt het wezen -van de toekomstige zaligheid ook meer geestelijk opgevat, vooral door -Paulus en Johannes, als een altijd bij den Heere zijn, Joh. 12:26, 14:3, -17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, 1 Thess. 4:17, 5:10, 1 Joh. 3:2. Maar -toch wordt die zaligheid daarmede niet binnen den hemel opgesloten. -Dat dit niet het geval kan zijn, blijkt principiëel reeds daaruit, dat -het N. T. de vleeschwording des Woords en de lichamelijke opstanding -van Christus leert, aan het eind der dagen zijn lichamelijke wederkomst -verwacht en terstond daarna de lichamelijke opstanding van alle -menschen, en inzonderheid die van de geloovigen, laat plaats hebben. -Dit alles werpt het spiritualisme omver, dat, indien het aan zijn -beginsel getrouw bleef, evenals Origenes na den oordeelsdag niets dan -geesten in een ongeschapen hemel mocht laten overblijven. De Schrift -leert echter gansch anders. Volgens haar bestaat de wereld uit hemel -en aarde, de mensch uit ziel en lichaam, en heeft dienovereenkomstig -ook het koninkrijk Gods eene geestelijke, verborgene en eene uitwendige, -zienlijke zijde. Terwijl Jezus de eerste maal gekomen is, om dat koninkrijk -in geestelijken zin te stichten, keert Hij aan het einde der dagen weder, -om er ook eene zichtbare gestalte aan te geven. De reformatie gaat -van binnen naar buiten; de wedergeboorte der menschen voltooit zich -in de wedergeboorte der schepping; het Godsrijk is dan eerst ten volle -gerealiseerd, als het ook zichtbaar over de aarde uitgebreid is. Zoo -verstonden het ook de jongeren, als zij aan Jezus na zijne opstanding -vraagden, of Hij nu aan Israel het koninkrijk weder oprichten zou. En -Jezus ontkent in zijn antwoord op die vraag niet, dat Hij eenmaal zulk -een koninkrijk oprichten zal, maar zegt alleen, dat de tijden daarvoor -door den Vader zijn vastgesteld en dat zijne jongeren thans de roeping -hebben, om in de kracht des H. Geestes zijne getuigen te zijn tot aan -het uiterste der aarde, Hd. 1:6-8. Elders getuigt Hij uitdrukkelijk, -dat de zachtmoedigen de aarde zullen beërven, Mt. 5:5, en stelt Hij -de toekomstige zaligheid als een maaltijd voor, waar men aanzit met -Abraham, Izak en Jakob, Mt. 8:11, spijze en drank geniet, Luk. 22:30, -eet van het nieuwe, volmaakte pascha, Luk. 22:16, en drinkt van de -vrucht van den nieuwen wijnstok, Mt. 26:29. Wel is in deze bedeeling, -tot de parousie toe, het oog der geloovigen naar boven, naar den hemel -gericht. Daar is hun schat, Mt. 6:20, 19:21; daar is Jezus, die hun -leven is, gezeten aan de rechterhand Gods, Joh. 14:3, 17:24, Col. -3:1-3; daar is hun burgerschap, terwijl zij hier vreemdelingen zijn, -Phil. 3:20, Hebr. 11:13-16; daar wordt voor hen de erfenis bewaard, -Hebr. 10:34, 1 Petr. 1:4. Maar die erfenis is bestemd, om geopenbaard -te worden. Christus komt eenmaal zichtbaar weer, en doet dan in -zijne heerlijkheid de gansche gemeente, ja heel de wereld deelen. De -geloovigen worden niet alleen naar zijn beeld veranderd, Joh. 17:24, -Rom. 8:17, 18, 28, Phil. 3:21, Col. 3:4, 1 Joh. 3:2, maar de gansche -schepping zal van de dienstbaarheid des verderfs worden vrijgemaakt tot -de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, Rom. 8:21; aarde en hemel -worden zoo vernieuwd, dat er de gerechtigheid in woont, 2 Petr. 3:13, -Op. 21:1; het hemelsch Jeruzalem, dat thans boven is en het voorbeeld -van het aardsche Jeruzalem was, daalt dan op aarde neer, Gal. 4:26, -Hebr. 11:10, 13-16, 12:22, 13:14, Op. 3:12, 21:2v. Dit nieuw Jeruzalem -is niet met de gemeente identisch, al kan het ook overdrachtelijk de -bruid des Lams heeten, Op. 21:2, 9, want Hebr. 12:22, 23 maakt zeer -duidelijk onderscheid tusschen het hemelsche Jeruzalem en de gemeente -der eerstgeborenen (vromen des O. T.) en der volmaakte rechtvaardigen -(ontslapen Christenen). Het hemelsch Jeruzalem is eene stad, door God -zelven gebouwd, Hebr. 11:10; zij is de stad des levenden Gods, omdat God -niet alleen haar bouwmeester is maar er ook zelf in woont, Op. 21:3; de -engelen zijn daarin de dienaren en vormen den hofstoet van den grooten -Koning, Hebr. 12:22; de zaligen zijn daarin de burgers, Op. 21:27, -22:3, 4. De beschrijving, welke Johannes van dat Jeruzalem geeft, Op. -21 en 22, mag zeker evenmin als zijne voorafgaande visioenen letterlijk -worden opgevat; dit wordt reeds daardoor uitgesloten, dat Johannes -haar voorstelt als een kubus, waarvan lengte, breedte en hoogte gelijk -zijn, n.l. 12000 stadiën, d. i. 300 Duitsche mijlen, terwijl de hoogte -van den muur toch maar 144 el is, Op. 21:15-17. Johannes bedoelt met -zijne beschrijving geen teekening van de stad, maar hij geeft gedachten -en vertolkt die in beelden, wijl de heerlijkheid van het Godsrijk op geen -andere wijze tot ons bewustzijn te brengen is. En die beelden ontleent -hij aan het paradijs, met zijn rivier en levensboom, Op. 21:6, 22:1, 2, -aan het aardsche Jeruzalem met hare poorten en straten, Op. 21:12v., -aan den tempel met zijn heilige der heiligen, waarin God zelf woonde, -Op. 21:3, 22, aan heel het rijk der natuur met al zijne schatten van -goud en edele gesteenten, Op. 21:11, 18-21. Maar al zijn het gedachten, -welke op die wijze door beelden vertolkt worden, die gedachten zijn toch -geen inbeeldingen of verdichtselen doch diesseitige beschrijvingen van -jenseitige realiteiten. Alwat waarachtig is, al wat edel is, al wat -rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat welluidt, -in de gansche schepping, in hemel en aarde, wordt in de toekomstige -Godsstad saamgebracht, maar vernieuwd, herschapen, tot zijne hoogste -heerlijkheid opgevoerd. De substantie ervoor is in deze schepping -aanwezig. Gelijk de rups zich ontwikkelt tot vlinder, gelijk koolstof -zich omzet tot diamant, gelijk het tarwegraan, stervend in de aarde, -een ander voortbrengt, gelijk de gansche natuur in de lente herleeft en -in feestdosch zich tooit, gelijk de gemeente gevormd wordt uit Adams -gevallen geslacht, gelijk het opstandingslichaam opgewekt wordt uit het -lichaam, dat gestorven en in de aarde begraven is; zoo komt ook eenmaal -door de herscheppende macht van Christus uit de door vuur gelouterde -elementen van deze wereld de nieuwe hemel en aarde te voorschijn, -stralend in onvergankelijke heerlijkheid en van de δουλεια της φθορας -voor eeuwig bevrijd. Heerlijker dan deze schoone aarde, heerlijker dan het -aardsche Jeruzalem, heerlijker zelfs dan het paradijs zal de heerlijkheid -van het nieuwe Jeruzalem zijn, waarvan God zelf de kunstenaar en de -bouwmeester is. De status gloriae zal geen zuivere restauratie zijn van -den oorspronkelijken status naturae, maar eene reformatie, die, dank -zij de macht van Christus, alle ὑλη tot εἰδος, alle potentia tot actus -doet overgaan en heel de schepping voor Gods aangezicht zal stellen, -stralend in onverwelkelijke pracht en bloeiend in de lente eener -eeuwige jeugd. Substantieel gaat er niets verloren. Buiten zijn wel -de honden en de toovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de -afgodendienaars en een iegelijk, die de leugen liefheeft of doet, Op. -22:15. Maar in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde wordt de wereld -hersteld; in de gemeente wordt het menschelijk geslacht behouden; in die -gemeente, die uit alle natiën en talen en tongen door Christus gekocht -en vergaderd is, Op. 5:9 enz., behouden alle de volken, ook Israel, -elk zijne onderscheidene plaats en roeping, Mt. 8:11, Rom. 11:25, Op. -21:24, 22:2; en alle die volken brengen in het nieuwe Jeruzalem saam, -al wat zij elk naar zijn onderscheiden aard van God ontvangen hebben aan -heerlijkheid en eere, Op. 21:24, 26. - - -9. De zegeningen, waarin de gezaligden deelen, zijn daarom niet alleen -geestelijk maar ook stoffelijk of lichamelijk van aard. Zoo verkeerd als -het is, om de laatste met de heidensche volken en ook met sommige -Chiliasten tot het hoofdbestanddeel der toekomstige zaligheid te -maken, zoo eenzijdig is het ook, om ze op stoische wijze onverschillig -te rekenen of ook van de zaligheid ten eenenmale uit te sluiten. De -Schrift houdt het geestelijke en het natuurlijke steeds in nauw verband; -wijl de wereld uit hemel en aarde en de mensch uit ziel en lichaam -bestaat, behooren heiligheid en heerlijkheid, deugd en geluk, zedelijke -en natuurlijke wereldorde ook ten slotte harmonisch verbonden te zijn. De -zaligen zullen daarom niet alleen vrij zijn van alle zonde, maar ook van -alle gevolgen der zonde, van onwetendheid en dwaling, Joh. 6:45, van -den dood, Luk. 20:36, 1 Cor. 15:26, Op. 2:11, 20:6, 14, van armoede en -krankheid, smart en vreeze, honger en dorst, koude en hitte, Mt. 5:4, -Luk. 6:21, Op. 7:16, 17, 21:4, van alle zwakheid, oneer en verderf, 1 -Cor. 15:42 enz. Maar de geestelijke zegeningen zijn toch de voornaamste -en zijn ontelbaar vele: heiligheid, Op. 3:4, 5, 7:14, 19:8, 21:27, -zaligheid, Rom. 13:11, 1 Thess. 5:9, Hebr. 1:14, 5:9, heerlijkheid, Luk. -24:36, Rom. 2:10, 8:18, 21, aanneming tot kinderen, Rom. 8:23, eeuwig -leven, Mt. 19:16, 29 enz., aanschouwing van en gelijkvormigheid aan -God en Christus, Mt. 5:8, Joh. 17:24, Rom. 8:29, 1 Cor. 13:12, 2 Cor. -3:18, Phil. 3:21, 1 Joh. 3:2, Op. 22:4, gemeenschap met en dienen en -prijzen van God en Christus, Joh. 17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op. -4:10, 5:9, 13, 7:10, 15, 21:3, 22:3 enz. Omdat al deze weldaden in -beginsel reeds op aarde aan de geloovigen worden geschonken, zooals -bijv. de aanneming tot kinderen, Rom. 9:4, 8:15, Gal. 4:5, Ef. 1:5, en -het eeuwige leven, Joh. 3:15, 16, 36 enz., hebben velen de zaligheid, -welke Christus schenkt, uitsluitend als eene tegenwoordige opgevat, -die alleen in den weg van een ethisch proces zich hoe langer hoe meer -realiseert, Pfleiderer, Grundriss § 177. Biedermann, Dogm. § 974 f. -Scholten, Initia c. 7. Ook Ritschl en vele zijner aanhangers leggen -eenzijdig den nadruk op de diesseitige Weltstellung des Menschen, -houden de zedelijke vrijheid, welke de Christen in het geloof tegenover -de wereld ontvangt, voor de voornaamste weldaad, en spreken weinig of -niet van de eeuwige zaligheid, welke Christus in de toekomst den zijnen, -bereidt, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 459 f. 484 f. 534 f. 600 f. -Tegenover het abstracte supranaturalisme der Grieksche en Roomsche -kerk, dat de zaligheid uitsluitend transcendent opvat en dus hier -op aarde het christelijk levensideaal in den monnik belichaamd acht, -verdedigt deze beschouwing eene belangrijke waarheid. De Reformatie -heeft, teruggaande tot de Schrift, deze supranaturalistische en -ascetische levensopvatting principieel verwonnen. Wie gelooft, heeft -op datzelfde oogenblik vergeving van zonden en eeuwig leven; hij is -een kind van God, dat den Vader dient, niet als knecht uit hoop op -loon, maar als een zoon, die uit liefde en dankbaarheid den wil des -Vaders volbrengt; en hij volbrengt dien wil, niet door uit de wereld -weg te vluchten maar door trouw te zijn in de roeping, welke hem hier -op aarde toebetrouwd is. Het leven voor den hemel vormt daarom geen -tegenstelling met het leven in het midden der wereld; juist in die -wereld bewaart Christus zijne discipelen van den Booze. De nieuwe hemel -en aarde wordt immers opgebouwd uit de elementen der wereld, die thans -bestaat, en de gemeente is de herstelde menschheid onder Christus als -Hoofd. Maar hoezeer de zaligheid in zekeren zin reeds het deel is van -de geloovigen op aarde, zij is dat toch maar in beginsel en niet in -volle werkelijkheid. De geloovigen zijn in hope zalig, Rom. 8:24; Jezus -spreekt de armen van geest enz., zalig, omdat hunner het koninkrijk -der hemelen is, dat in de toekomst op aarde gesticht worden zal, Mt. -5:3-10. De geloovigen zijn kinderen Gods en verwachten toch nog de volle -verwezenlijking van dat kindschap, Mt. 5:9, Rom. 8:23. Zij hebben het -eeuwige leven, en moeten het toch nog bij de opstanding ontvangen, ook -volgens Johannes, 5:20-29, 6:40, 44, 54. Beide is dus waar, dat het -koninkrijk der hemelen er is en dat het toch nog komt. En deze dubbele -waarheid bepaalt heel het karakter van den staat der heerlijkheid. -Gelijk de nieuwe hemel en aarde gevormd wordt uit de elementen dezer -wereld en de gemeente eene herschepping is van het in Adam gevallen -menschelijk geslacht, zoo is ook het leven der zaligen hiernamaals te -denken als in analogie met het leven der geloovigen hier op aarde. Het -bestaat eenerzijds niet in eene visio Dei in Roomschen zin, waartoe de -menschelijke natuur slechts door een donum superadditum kan opgebeurd -worden, en het is aan de andere zijde ook niet eene langzame en -geleidelijke ontwikkeling van het christelijk leven, dat hier reeds op -aarde door de geloovigen geleid wordt. Het is een echt natuurlijk leven, -maar door de genade tot zijne hoogste heerlijkheid opgeheven, en in zijn -rijkste schoonheid ontvouwd; de materia blijft, doch de forma verschilt. -De religie, dat is de gemeenschap met God, neemt er daarom de eerste, -de centrale plaats in. Maar die gemeenschap zal rijker, dieper, zaliger -zijn, dan zij hier op aarde ooit was of wezen kon, want zij zal door geen -zonde verstoord, door geen afstand verbroken, door geen natuur of -Schrift bemiddeld zijn. Nu zien wij in den spiegel van Gods openbaring -slechts zijn beeld; dan zien wij aangezicht tot aangezicht, en kennen, -gelijk wij gekend zijn. Visio, comprehensio, fruitio Dei maken het wezen -der toekomstige zaligheid uit. De zaligen zien God, wel niet met -lichamelijke oogen, maar toch op eene wijze, die alle openbaring in deze -bedeeling door middel van natuur en van Schrift zeer verre te boven -gaat; en dienovereenkomstig zullen zij Hem allen kennen, schoon elk -naar de mate zijner bevatting, met eene kennis, die in de kennisse Gods -haar beeld en gelijkenis heeft, rechtstreeks, onmiddellijk, zuiver en -rein, deel II 150-155. Zij ontvangen en bezitten dan alles, wat zij hier -slechts in hope hebben verwacht. En alzoo God aanschouwende en God -bezittende, genieten zij God en zijn in zijne gemeenschap zalig; zalig -naar ziel en naar lichaam, in verstand en in wil. In de theologie was -er verschil over, of de zaligheid hiernamaals formaliter zetelde in het -verstand of in den wil, en dus in kennis of in liefde bestond. Thomas -zeide het eerste, S. Theol. I 2 qu. 3 art. 4, en Duns Scotus beweerde -het laatste, Sent. IV dist. 49 qu. 4. Maar Bonaventura vereenigde beide -en merkte op, dat de fruitio Dei niet alleen eene vrucht was van de -cognitio Dei maar ook van den amor Dei en in beider vereeniging en -samenwerking haar oorzaak had, Sent. IV dist. 49 p. 1 art. unic. qu. 4. -5, cf. Voetius, Disp. II 1217-1239. - - -10. De zaligheid der gemeenschap met God wordt genoten in en verhoogd -door de gemeenschap der heiligen. Reeds op aarde is deze gemeenschap -eene heerlijke weldaad des geloofs. Wie om Jezus’ wil huis of broeders -of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten -hebben, ontvangen reeds in dit leven met de vervolgingen huizen en -broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers terug, Mk. 10:29, -30, want allen, die den wil des Vaders doen, zijn Jezus’ broeder en -zuster en moeder, Mt. 12:50. De geloovigen komen door den Middelaar des -Nieuwen Testaments in gemeenschap, niet alleen met de strijdende kerk -op aarde, maar ook met de triumfeerende kerk in den hemel, de gemeente -der eerstgeborenen, de geesten der volmaakte rechtvaardigen, zelfs met -de vele duizenden der engelen, Hebr. 12:22-24. Maar deze gemeenschap, -ofschoon in beginsel reeds op aarde bestaande, boven bl. 28, zal toch -onvergelijkelijk veel rijker en heerlijker zijn, wanneer alle scheidsmuren -van afstamming en taal, van tijd en ruimte geslecht, alle zonde en -dwaling uitgebannen en alle uitverkorenen in het nieuwe Jeruzalem -saamgebracht zullen zijn. Dan zal het gebed van Jezus ten volle worden -verhoord, dat al zijne schapen ééne kudde vormen onder éénen Herder, -Joh. 10:16, 17:21. Alle heiligen zullen dan te zamen ten volle -begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij van de -liefde van Christus, Ef. 3:18; zij zullen saam vervuld worden tot al de -volheid Gods, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10, want Christus, dien God vervult, -Col. 1:19, vervult op zijne beurt de gemeente met zichzelven en maakt ze -tot zijn pleroma, Ef. 1:23, 4:10, cf. deel III 417. En aanzittende met -Abraham, Izak en Jakob aan éénen disch, Mt. 8:11, heffen zij uit éénen -mond het loflied aan tot eere van God en van het Lam, Op. 4:11, 5:12 -enz. Van de gemeente op aarde zegt de Schrift menigmaal, dat zij een -klein kuddeken vormt, Mt. 7:14, 22:14, Luk. 12:32, 13:23, hetgeen door -de historie tot op den huidigen dag bevestigd wordt. En zelfs tegen -het einde der dagen, als het evangelie onder alle volken gepredikt zal -zijn, zal de afval toenemen en het getal der getrouwen gering zijn; reeds -de profetie des O. Test. verkondigde, dat slechts een overblijfsel van -Israel zich tot den Heere bekeeren en behouden zou worden, boven bl. -429; en het N. Test. koestert evenzoo de verwachting, dat degenen, die -volharden tot den einde toe, weinigen zullen zijn, Mt. 24:13, 25:1v., -Luk. 18:8. Maar aan de andere zijde spreekt de Schrift dikwerf toch -zeer universalistisch. Het verbond der genade wordt in Adam aan heel -de menschheid bekend gemaakt, Gen. 3:15. Het verbond der natuur, dat -na den zondvloed gesloten wordt, omvat alle schepselen, Gen. 9:9, 10. -In Abraham worden alle geslachten der aarde gezegend, Gen. 12:3. De -verlossing, welke eens aan Israel geschonken zal worden, komt allen -Heidenen ten goede, boven bl. 433. Jezus zegt, dat Hij zijne ziel zal -geven tot een rantsoen voor _velen_, Mt. 20:28, en dat _velen_ zullen -komen van Oosten en Westen en zullen aanzitten met Abraham, Izak en -Jakob in het koninkrijk der hemelen, Mt. 8:11. De genade, die in Hem -is verschenen, is veel meer overvloedig dan de overtreding van Adam; -zij komt over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens, Rom. -5:12-20, 1 Cor. 15:22. Nu worden in deze bedeeling alle dingen in den -hemel en op de aarde onder Christus tot één vergaderd, Ef. 1:10. En -eens aan het einde, zal alle knie voor Christus zich buigen en alle -tong Hem als den Heer belijden, Phil. 2:10, 11. Dan zal eene groote -schare, welke niemand tellen kan, staan voor den troon en het Lam, Op. -7:9, 19:1, 6. Het zijn volkeren, die zalig worden en in het licht van -het nieuwe Jeruzalem wandelen, Op. 21:24, 26, 22:2. En God zal dan in -allen alles zijn, 1 Cor. 15:28. In aansluiting bij en met beroep op deze -laatste reeks teksten hebben velen de hope gekoesterd, dat ten slotte, -zoo niet alle schepselen, dan toch alle menschen en, indien ook dit -niet het geval mocht zijn, dan toch verreweg de meeste menschen zalig -zouden worden; de hel zou in het geheel niet bestaan of slechts een -kleine uithoek zijn in het heelal. Zij grondden deze hunne verwachting -òf op de mogelijkheid, om ook zalig te worden door de werken der wet -(Pelagianen, Socinianen, Deisten enz.), òf op de gelegenheid, om ook na -den dood in den tusschentoestand of zelfs nog na den oordeelsdag het -evangelie te hooren en in den geloove aan te nemen (Universalisten). -Deze gevoelens zijn vroeger reeds besproken en behoeven dus thans -niet meer aan de Schrift getoetst te worden, cf. deel I 232. II 318 -f. 340 f. 350 f. III 390-408 en boven bl. 499v. Maar ook onder hen, -die de belijdenis vasthouden, dat niemand tot den Vader komt dan door -Christus en dat er maar één naam onder den hemel ter zaligheid gegeven -is, Joh. 14:6, Hd. 4:12, zijn er altijd enkelen geweest, die aan de -mogelijkheid der zaligheid in dit leven buiten de prediking van het -evangelie hebben geloofd. Zij leerden alzoo ten aanzien van de kinderen -des verbonds, van al de jongstervende kinderen binnen en buiten de -grenzen des Christendoms, van idioten, krankzinnigen, doofstommen, -die feitelijk van de prediking des evangelies verstoken waren, en -ook van sommige of van vele Heidenen, die in hun helder inzicht en -deugdzaam leven bewijzen gaven van eene waarachtige godsvrucht. Sommige -kerkvaders namen een werkzaamheid van den Logos in de Heidenwereld -aan, deel I 238. Augustinus geloofde, dat er van den beginne af aan -niet alleen onder Israel maar ook onder andere volken altijd enkelen -waren geweest, die in den Logos geloofden en naar zijne geboden vroom -en rechtvaardig leefden, Ep. 102. de civ. 18, 47 en andere plaatsen -bij Reuter, Aug. Studien 1887 S. 90 f. Abaelard beweerde, dat ook -Heidenen de zaligheid konden deelachtig worden, bij Münscher-v. Coelln, -D. G. II 147. Volgens Strauss, Chr. Gl. I 271 sprak Luther eenmaal -den wensch uit, dat God ook mannen als Cicero en Seneca genadig mocht -zijn, en wilde Melanchton in het midden laten, of Hij soms langs een -bijzonderen weg aan Solon, Themistocles e. a. eenige kennis van de -vergeving in Christus had medegedeeld. Zwingli sprak beslister en -geloofde dat God ook onder de Heidenen zijne uitverkorenen had, Chr. -fidei expos. Op. IV 65. Maar anderen lieten alleen de mogelijkheid open -en durfden niet meer dan hopen en wenschen, zooals bijv. à Lasco, bij -Kuyper, Heraut 1047. Zanchius, bij Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. -Bilderdijk, Brieven V 81. Kuyper, Heraut 594 cf. 1047. Ebrard, Das Dogma -v. h. Ab. II 77. Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. Dit gevoelen bleef -echter altijd het gevoelen van enkelen; de kerken lieten er zich in -hare confessies niet over uit en de meeste theologen kwamen er tegen -op, cf. litt. bij M. Vitringa I 29. Iets gunstiger oordeelde men over -de zaligheid der jongstervende kinderen. De Roomschen leeren, dat -alle Christenkinderen, die, voto of re gedoopt, sterven, zalig worden -en alle andere vroegstervende kinderen in den limbus infantum eene -poena damni, niet sensus, lijden, Lombardus e. a. op Sent. II dist. -33. De Lutherschen oordeelen ten aanzien van de Christenkinderen als -de Roomschen en laten de anderen aan Gods oordeel over, Gerhard, Loc. -XVI § 169. Buddeus, Inst. theol. V I, 6. De Gereformeerden neigden -ertoe, om te gelooven, dat alle in het verbond der genade geboren en -dan vóór de jaren des onderscheids door den dood weggenomen kinderen -de hemelsche zaligheid deelachtig worden, Can. Dordr. I 7. Voetius, -Disp. II 417, hoewel velen ook hier tusschen verkoren en verworpen -kinderen onderscheid maakten en niet aan elk dezer kinderen individueel -met zekerheid de zaligheid durfden toekennen, Martyr, Loci Comm. p. -76. 436, Beza, Pareus, Zanchius, Perkins e. a. Wat de vroegstervende -kinderen buiten het verbond betreft, oordeelden sommigen vrij mild; -Junius vermoedde liever uit liefde, dat zij behouden dan dat zij verloren -waren, Op. II 333, en Voetius zeide: of zij verloren zijn dan of sommigen -onder hen uitverkoren zijn en vóór hun sterven wedergeboren worden, -nolim negare, affirmare non possum, Disp. II 413, cf. verdere litt. bij -M. Vitringa II 51. 52, en vooral B. Warfield, The development of -the doctrine of infant salvation, in: Two studies in the history -of doctrine, New-York, Christ. Lit. Comp. 1897 p. 143-239. Met de -Schrift in de hand kunnen wij, zoowel in betrekking tot de zaligheid -der Heidenen als tot die der vroegstervende kinderen, niet verder -komen, dan dat wij van een beslist en stellig oordeel in positieven -of negatieven zin ons onthouden. Alleen verdient het opmerking, dat -de Gereformeerde theologie bij deze ernstige vragen in veel gunstiger -conditie verkeert dan eenige andere. Want alle andere kerken kunnen -hierbij dan alleen een zachter oordeel koesteren, wanneer zij op hare -leer van de volstrekte noodzakelijkheid der genademiddelen terugkomen -of op die van de verdoemelijkheid der zonde inbreuk maken. Maar de -Gereformeerden wilden ten eerste de mate der genade niet vaststellen, -waarmede een mensch ook onder vele dwalingen en zonden nog aan God -verbonden kan zijn noch den graad der kennis bepalen, die tot zaligheid -onmisbaar noodig is, Voetius, Disp. II 537. 538. 781. Witsius, Apost. -Geloof II 2 en 15. Spanheim, Op. III 1291. En ten andere hielden -zij staande, dat de middelen der genade niet absoluut noodzakelijk -waren tot de zaligheid en dat God ook buiten woord en sacramenten -kon wederbaren ten eeuwigen leven, Calvijn, Inst. IV 16, 19. In de -tweede Helv. Confessie, art. 1 luidt het: agnoscimus Deum illuminare -posse homines, etiam sine externo ministerio, quos et quando velit; -id quod ejus potentiae est. En de Westminstersche belijdenis spreekt -in cap. X § 3 uit, dat uitverkoren kinderen, die in hun kindsheid -sterven, wedergeboren en behouden worden door den Geest van Christus, -qui quando et ubi et quo sibi placuerit modo operatur, en dat dit ook -geldt van de overige uitverkorenen, quotquot externae vocationis per -ministerium verbi sunt incapaces. Reuter zegt daarom terecht, als hij -de leer van Augustinus op dit punt heeft uiteengezet: In der That, es -lässt sich das Paradoxon rechtfertigen, gerade die _partikularistische_ -Prädestinationslehre habe jene _universalistisch_ klingenden Phrasen -ermöglicht, Aug. Studien 92. In de Gereformeerde theologie komen zelfs -de bovenaangehaalde universalistische teksten der Schrift het best en -het schoonst tot haar recht. Want universalistisch in dien zin, dat -alle menschen of zelfs alle schepselen worden behouden, zijn die teksten -zeker niet bedoeld en ook door geen enkele christelijke kerk opgevat. -Alle belijden zonder uitzondering, dat er niet alleen een hemel maar ook -eene hel is. Hoogstens is er dus verschil over het getal dergenen, die -zalig worden en die verloren gaan. Maar daarover valt niet te twisten; -want dat getal is alleen Gode bekend. Op de vraag: Heere, zijn er ook -weinigen, die zalig worden, gaf Jezus alleen ten antwoord: strijdt om -in te gaan door de enge poort, want velen zullen zoeken in te gaan en -zullen niet kunnen, Luk. 13:24. Dit alleen is rechtstreeks voor ons van -belang; het getal der uitverkorenen behoeft ons niet bekend te zijn. -Maar in elk geval staat dit vast, dat het getal der uitverkorenen in de -Gereformeerde theologie om geen enkele reden en in geen enkel opzicht -kleiner behoeft gedacht te worden, dan in eenige andere theologie. -Als het er op aankomt, is de Geref. belijdenis ruimer van hart en -breeder van blik, dan eenige andere christelijke confessie. Zij vindt -de laatste, diepste oorzaak der zaligheid alleen in Gods welbehagen, -in zijne eeuwige ontferming, in zijne ondoorgrondelijke barmhartigheid, -in den onnaspeurlijken rijkdom zijner almachtige en vrije genade. Welke -vastere, breedere grondslag zou daarnaast voor de zaligheid van een -schuldig en verloren menschengeslacht te vinden zijn? Laten velen dan -afvallen; hoe ontroerend dit zij, in Christus wordt toch de gemeente, -de menschheid, de wereld behouden. Het organisme der schepping wordt -hersteld. De goddeloozen worden van de aarde verdaan, Ps. 104:35, zij -worden buitengeworpen, Joh. 12:31, 15:6, Op. 22:15. Maar onder Christus -worden alle dingen, in den hemel en op de aarde, vergaderd tot één, Ef. -1:10. Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen, Col. 1:16. - - -11. De gemeenschap met God, die in de gemeenschap der heiligen genoten -wordt, sluit zeker in de toekomende eeuw evenmin als in deze bedeeling -alle handeling en alle werkzaamheid uit. De christelijke theologie -heeft hier in den regel wel weinig aandacht aan gewijd en meest van -de hemelsche zaligheid als een kennen en genieten van God gesproken. -En dit is zonder twijfel ook de kern en het middelpunt, de bron en de -kracht van het eeuwige leven. Ook biedt de Schrift weinig gegevens, -om ons van de werkzaamheid der gezaligden eene heldere voorstelling -te vormen. Zij beschrijft de zaligheid meer als een rusten van den -aardschen arbeid dan als het volbrengen van eene nieuwe werkzaamheid, -Hebr. 4:9, Op. 14:13. Maar toch is de rust, die in het nieuwe Jeruzalem -genoten wordt, evenmin bij God, Joh. 5:17, als bij zijne kinderen, als -een zalig niets-doen te denken. De H. Schrift zegt zelve, dat het -eeuwige leven bestaat in een kennen en dienen, in een loven en prijzen -van God, Joh. 17:3, Op. 4:11, 5:8 enz. Zijne kinderen blijven ook zijne -knechten, die Hem dienen dag en nacht, Op. 22:3. Zij zijn profeten, -priesters en koningen, die op de aarde heerschen in alle eeuwigheid, -Op. 1:6, 5:10, 22:5. Naarmate zij op aarde over weinig getrouw zijn -geweest, worden zij in het koninkrijk. Gods over veel gezet, Mt. 24:47, -25:21, 23. Ieder behoudt zijn eigen persoonlijkheid, want van allen, die -ingaan in het nieuwe Jeruzalem, zijn de namen geschreven in het boek -des levens des Lams, Op. 20:15, 27, en elk ontvangt een eigen, nieuwen -naam, Jes. 62:2, 65:15, Op. 2:17, 3:12, cf. 21:12, 14. De dooden, -die in den Heere sterven, rusten van hunne moeiten, maar worden elk -door zijn eigen werken gevolgd, Op. 14:13. Geslachten, volken, natiën -dragen het hunne tot verrijking des levens in het nieuwe Jeruzalem -bij, Op. 5:9, 7:9, 21:24, 26. Wat hier gezaaid wordt, wordt in de -eeuwigheid gemaaid, Mt. 25:24, 26, 1 Cor. 15:42v., 2 Cor. 9:6, Gal. -6:7, 8. De groote verscheidenheid, die in allerlei opzicht onder de -menschen bestaat, wordt in de eeuwigheid niet vernietigd maar van al -het zondige gereinigd en aan de gemeenschap met God en met elkander -dienstbaar gemaakt. En gelijk de natuurlijke verscheidenheid in de -gemeente op aarde nog met de geestelijke verscheidenheid vermeerderd -wordt, 1 Cor. 12:7v., zoo neemt dit natuurlijk en geestelijk verschil -in den hemel nog weer daardoor toe, dat er onderscheidene graden van -heerlijkheid zijn. Uit oppositie tegen de verdienstelijkheid der goede -werken hebben sommige Gereformeerden, zooals Martyr, Loci C. III 17, -8, Camero, Schoenfeld, Tilenus, Spanheim, evenals in de vierde eeuw -reeds Jovinianus en later sommige Socinianen en thans nog Gerlach, -alle onderscheid in de heerlijkheid hiernamaals geloochend. En het is -ook waar, dat aan alle geloovigen dezelfde weldaden in de toekomst van -Christus worden beloofd; zij ontvangen allen hetzelfde eeuwige leven, -dezelfde woonplaats in het nieuwe Jeruzalem, dezelfde gemeenschap -met God, dezelfde zaligheid enz. Maar desniettemin stelt de Schrift -het buiten allen twijfel, dat er in die eenheid en gelijkheid eene -zeer groote afwisseling en verscheidenheid is. Zelfs de gelijkenis, -Mt. 20:1-16, waarop men zich menigmaal voor het tegendeel beroept, -pleit voor zulk een onderscheid; want Jezus wil met die gelijkenis -leeren, dat velen, die naar eigen en anderer meening lang en zwaar -hebben gearbeid, in het toekomstig Messiasrijk volstrekt niet zullen -achterstaan bij degenen, die veel korter tijd in den wijnberg zijn werkzaam -geweest; de laatsten halen de eersten in, want velen zijn wel geroepen -en arbeiden in den dienst van het koninkrijk Gods, maar weinigen zijn er, -die daarvoor hiernamaals eene bijzondere onderscheiding genieten en een -uitgelezen plaats ontvangen. Veel duidelijker wordt zulk een gradueel -verschil in de heerlijkheid op andere plaatsen in de Schrift geleerd, -vooral daar, waar sprake is van een loon, dat een iegelijk geschonken -zal worden naar zijne werken. Dat loon wordt thans in de hemelen -bewaard, Mt. 5:12, 6:1v., Luk. 6:23, 1 Tim. 6:19, Hebr. 10:34-37, -en wordt eerst in het openbaar uitgedeeld bij de parousie, Mt. 6:4, -6, 18, 24:47, 2 Thess. 1:7, 1 Petr. 4:13. Het wordt dan geschonken -als vergoeding voor hetgeen de discipelen van Jezus hier op aarde -om zijnentwil verloochend en geleden hebben, Mt. 5:10v., 19:29, Luk. -6:21v., Rom. 8:17, 18, 2 Cor. 4:17, 2 Thess. 1:7, Hebr. 10:34, 1 Petr. -4:13, en verder ook als vergelding voor de goede werken, die zij hebben -verricht, zooals bijv. voor goede besteding der talenten, Mt. 25:15v., -Luk. 19:13v., voor vijandsliefde en belangelooze milddadigheid, Luk. -6:35, voor verzorging der armen, Mt. 6:1, voor bidden en vasten, Mt. -6:6, 18, voor het dienen der broederen, Mt. 10:40-42, voor trouwen -dienst in het rijk Gods, Mt. 24:44-47, 1 Cor. 3:8 enz. Dat loon zal in -verband staan met en evenredig zijn aan de werken, Mt. 16:27, 19:29, -25:21, 23, Luk. 6:38, 19:17, 19, Rom. 2:6, 1 Cor. 3:8, 2 Cor. 4:17, -5:10, 9:6, Gal. 6:8, 9, Hebr. 11:26, Op. 2:23, 11:18, 20:12, 22:12. De -zaligheid is wel voor allen dezelfde, maar er is verschil in glans en -heerlijkheid, Dan. 12:3, 1 Cor. 15:41; er zijn in het Vaderhuis, dat alle -kinderen opneemt, vele woningen, Joh. 14:2; en de gemeenten ontvangen -alle naar de mate van hare getrouwheid en toewijding, van den koning -der kerk een eigen sieraad en kroon, Op. 1-3. De Roomschen hebben -op deze uitspraken der Schrift de leer van de verdienstelijkheid der -goede werken gebouwd, Trid. VI can. 31. 32, en het recht op bijzondere -belooningen in den hemel, die naar Ex. 25:25 aureolae genoemd en aan -de allen ten deel vallende corona aurea toegevoegd worden, vooral aan -de martelaren, de coelibatairen en de leeraars toegekend, Thomas, S. -Theol. III qu. 96. Bonaventura, Brevil. VII 7. Maar dit misbruik neemt -de waarheid niet weg, dat er onderscheid in de heerlijkheid is naar -gelang van de werken, die door de geloovigen hier op aarde verricht -zijn. Er is geen loon, waarop de mensch van nature aanspraak zou kunnen -maken, want de wet Gods is absoluut verplichtend en laat den eisch tot -volbrenging niet afhangen van de vrije keuze van den mensch. Indien -deze daarom de gansche wet heeft volbracht, past hem toch niets anders -te zeggen, dan dat hij een onnutte dienstknecht is, die maar gedaan -heeft wat hij schuldig was te doen, Luk. 17:10. Alle aanspraak op loon -kan daarom alleen voortvloeien uit een verbond, uit eene vrijmachtige -en genadige beschikking Gods, en is daarom een gegeven recht, deel II -553. Zoo was het in het werkverbond en zoo is het nog veel meer in het -genadeverbond, deel III 563. Want Christus heeft alles volbracht, -niet alleen de straf geleden maar ook door het volbrengen der wet het -eeuwige leven verworven. De eeuwige zaligheid en heerlijkheid, welke -Hij ontving, was voor Hem het loon op zijne volmaakte gehoorzaamheid. -Maar als Hij deze zijne gerechtigheid door het geloof den zijnen schenkt -en daaraan het eeuwige leven verbindt, dan zijn beide, zoowel die -geschonken gerechtigheid als de toekomstige zaligheid, gaven van zijne -genade, welke alle verdienste van de zijde der geloovigen ten eenenmale -uitsluit. De geloovigen zijn immers Gods maaksel, geschapen in Christus -Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij in dezelve -zouden wandelen, Ef. 2:10. Het wordt hun uit genade gegeven in de zaak -van Christus, niet alleen in Hem te gelooven maar ook voor Hem te -lijden, Phil. 1:29, Hd. 5:41. Niet alleen in de gave van het eeuwige -leven aan een iegelijk, die gelooft, maar ook in de uitdeeling van eene -verschillende mate van heerlijkheid aan wie uit dat geloof goede werken -hebben voortgebracht, kroont God zijn eigen werk. Maar dat doet Hij dan -ook, opdat er, gelijk hier, zoo hiernamaals in de gemeente eene rijke -verscheidenheid zijn zou en in die verscheidenheid de heerlijkheid zijner -deugden uitkomen zou. Door die verscheidenheid toch neemt het leven -der gemeenschap met God, met de engelen, en van de zaligen onderling -in diepte en in innigheid toe. In die gemeenschap heeft elk, gelijk in -de gemeente hier op aarde, Rom. 12:4-8, 1 Cor. 12, in verband met zijn -persoon en karakter, een eigen plaats en taak. Van de werkzaamheid -der zaligen mogen wij ons geene zuivere voorstelling kunnen vormen, -de Schrift leert toch, dat het profetisch, priesterlijk en koninklijk -ambt, hetwelk de mensch oorspronkelijk bezat, in hen door Christus ten -volle hersteld is. De dienst van God, de onderlinge gemeenschap en de -bewoning van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde biedt ongetwijfeld -voor de uitoefening van deze ambten overvloedige gelegenheid, ook al -is de vorm en wijze ervan ons onbekend. Maar dat werken is een rusten -en genieten tevens. Het onderscheid van dag en nacht, van sabbat en -werkdagen heeft opgehouden; de tijd is doordrongen van de eeuwigheid -Gods; de ruimte is vol van zijne tegenwoordigheid; het eeuwige worden -is gehuwd met het onveranderlijke zijn. Zelfs de tegenstelling van -hemel en aarde is verdwenen. Want al wat in den hemel en op aarde -is, is tot één vergaderd onder Christus als Hoofd, Ef. 1:10. Alle -schepselen zijn en leven en bewegen zich in God, die alles in allen is, -die in den spiegel zijner werken al zijne deugden weerkaatst en daarin -zichzelven verheerlijkt. Cf. over de hemelsche zaligheid: Augustinus, -de civ. XXII c. 29. 30. Lombardus, Sent. IV dist. 49. Thomas, suppl. -qu. 92-96. Bonaventura, Brevil. VII c. 7. Oswald, Eschat. 38-57. -Atzberger, Die christl. Eschat. 238 f. Simar, Dogm. § 162. Jansen, -Prael. III 903-946. O. Ritschl, Luthers Seligkeitsvorstellung in ihrer -Entstehung und Bedeutung, Christl. Welt 1889 S. 874-880. Gerhard, Loc. -XXXI. Quenstedt, Theol. I 550-560. Hollaz 451 sq. Polanus, Synt. VI c. -72-75. Amyraldus, Theses Salm. III 859. Synopsis pur. theol., disp. -52. Mastricht, Theol. VIII 4, 10. Turretinus, Theol. El. XX qu. 8-13. -Marck, Exspect J. C. III c. 8. 10. 11. Moor VI 718-733. M. Vitringa IV -179. Kliefoth, Eschat. 311 f. Titius, Die N. T. Lehre von der Seligkeit -im Reiche Gottes und ihre Bedeutung für die Gegenwart 1895-1900. - - - - -BREEDERE INHOUDSOPGAVE. - - -EERSTE DEEL. - -INLEIDING. - -§ 1. _Naam en begrip der Dogmatiek_ bl. 1-9. Namen der dogmatiek n. -1[A]. Het woord dogma 2. Gezag van het dogma 3. Materieele inhoud van -het dogma 4. 5. - - [A] Deze cijfers duiden de nummers aan, waaronder de stof der - verschillende paragrafen verdeeld is.] - -§ 2. _Encyclopaedische Plaats der Dogmatiek_ bl. 9-14. In de system. -Theologie 1. Onderscheid der Dogmatiek van de Symboliek, Catechetiek 2 -en Ethiek 3. - -§ 3. _Methode der Dogmatiek_ bl. 14-31. Schrift, kerk en persoonlijke -overtuiging als factoren, waarmede de Dogmatiek te rekenen heeft 1-3. -Kritische richting, die de kennis put uit het subject 4. Kerkelijke, die -de traditie onfeilbaar acht 5. Bijbelsche, die de Schrift raadpleegt -buiten de historie om 6. Beteekenis der kerk en van hare belijdenis voor -de Dogmatiek 7. Van de Schrift (en de openbaring Gods in de natuur, -theol. naturalis) 8. Van de persoonlijke overtuiging 9. - -§ 4. _Indeeling der Dogmatiek_ bl. 31-51. Bij Clemens, Orig., -Theodoretus, Damascenus, Augustinus 1, Lombardus, Bonaventura, Thomas -2, latere Roomsche theologen 3. Bij Melanchton, Calvijn 4, en latere -Geref. en Luth. theologen 5. Reactie tegen de synthet. methode bij -Calixtus, Coccejus 6, en nog sterker bij het Rationalisme 7, en is de -nieuwe theologie 8. Indeeling in algemeen en bijzonder deel, en van dit -laatste naar de synthetische orde 9. 10. - -§ 5. _Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek_ bl. 51-139. -Wetenschappelijke theologie, die bij de Apost. vaders nog niet voorkomt -1, wordt na de bestrijding van het geloof door Lucianus, Celsus, -Porphyrius, Julianus, de Gnostieken ter zelfverdediging bij de -Apologeten noodzakelijk 2, en gaat dan in de richting der N. Afr., -Klein-Az., of Alex. School uiteen 3, en krijgt in den twist tegen het -monarchianisme in de 3e eeuw een vasten grondslag 4. Vaststelling en -verdediging van het trinitarisch en christologisch dogma in het Oosten -in de 4e tot de 8e eeuw 5. De dogmatische ontwikkeling loopt in het -Oosten uit op Joh. Damascenus 6, en zet zich dan wel voort maar is voor -een groot deel nog onbekend 7. De dogmatiek in het Westen draagt van -den aanvang af, reeds bij Tert., Cypr., Iren., een eigen karakter, al is -zij ook van het Oosten afhankelijk 8, en krijgt haar uitnemendsten tolk in -Augustinus 9. Gregorius leidde kerk en theologie over naar de nieuwe -volken, die eerst beide eenvoudig overnamen (Isidorus, Alcuinus) 10, -maar dan zelfstandig werden en in de scholastiek een eigen theologie -voortbrachten 11. De scholastiek verliep in drie perioden 12, en had -de mystiek naast zich 13. In het laatst der M. E. kwam zij in verval -en stond aan veel critiek bloot, maar zij herstelde zich na de Herv. -weer 14, en kwam vooral in Spanje tot bloei 15. In de 18e eeuw kwam de -Roomsche theologie onder invloed van het Rationalisme 16, en bleef daar -ook nog ten deele onder in de 19e eeuw (Hermes, Günther); maar zij wist -zich toch weer vrij te maken en trad als traditionalisme, romantisme, -bemiddelingstheologie en vooral als Thomisme weer zelfstandig op -17. De Luthersche Reformatie kreeg haar eersten dogmaticus in -Melanchton en haar consensus in de Form. Conc. 18, werd in de 17e -eeuw scholastisch ontwikkeld 19, maar in de 18e eeuw verzwakt door -Pietisme, Hernhuttisme, Rationalisme 20, 21, en sloot zich in deze -eeuw vooral bij de verschillende stelsels van wijsbegeerte aan, bij Kant -22, Jacobi 23, Schleiermacher 24, Hegel 25, Schelling 26, of trad op -als confessionalisme, Bijbelsche theologie 27, of neokantianisme 28. De -Zwitsersche Reformatie, die principieel van de Duitsche verschilt 29, -ontving haar dogmatisch systeem van Calvijn en vond ingang in Frankrijk, -Nederland, Engeland, Schotland, Duitschland 30. Tegen het einde der -16e eeuw kwam in de Geref. theologie de scholastische methode op, die -haar in verschillende landen tot grooten bloei bracht 31, maar door -Anab., Arm., Cartes., Coccejanisme 32, Amyraldisme, Independentisme, -Baptisme, Kwakerisme, Deisme tot verval kwam 33. Tolerantie, neologie, -supranaturalisme, neonomisme kwamen nu aan het woord 34. Maar tegenover -de negatieve richtingen in ons vaderland van supranaturalisme, -Groninger en moderne theologie kwam er eene herleving van de positieve -theologie door Afscheiding en Reveil, Utrechtsche en ethisch-iren. -richting en door het ontwakend Calvinisme 35, eene herleving, die ook -elders voorkomt, maar gewoonlijk een minder beslist Geref. karakter -draagt, Duitschland 35, Zwitserland en Frankrijk 36. Engeland en -Schotland 37, Amerika 38, 39. - -HOOFDSTUK I. PRINCIPIA IN HET ALGEMEEN. - -§ 6. _Beteekenis der principia_ bl. 140-145. De naam ἀρχη, principium -1. Principium essendi 2. Principium cognoscendi, externum en internum -3. Eenheid en onderscheid dezer drie principia 4. - -§ 7. _Principia in de wetenschap_ bl. 145-170. Het _Rationalisme_, -dat door heel de geschiedenis der philosophie heenloopt 1, leidt alle -kennis af uit het subject 2, maar miskent het princ. cogn. externum en -vervalt tot idealisme en illusionisme 3. Het _Empirisme_ zoekt de bron -der kennis in de zinlijke waarneming 4, maar miskent het princ. cogn. -internum en leidt tot materialisme 5. Daarentegen gaat het _Realisme_ -uit van de algemeene, natuurlijke zekerheid aangaande de objectiviteit -en waarheid der kennis 6, erkent zoowel het princ. cogn. internum als -externum 7, laat alle kennis aanvangen met de zinlijke waarneming 8, -maar schrijft aan het verstand het vermogen toe, om uit de phaenomena -tot de noumena door te dringen 9, omdat de rede in ons en de rede -buiten ons saam haar oorsprong hebben in den Logos 10. - -§ 8. _Principia in de Religie_ bl. 171-214. Het _wezen_ der religie, -wier naam van onzekere afleiding is 1, is volgens de H. S. als religio -objectiva identisch met Gods openbaring en als religio subjectiva met -de gezindheid, om in zijne wegen te wandelen 2. Deze onderscheiding -is ter bepaling van het wezen der religie onmisbaar. Als religio -objectiva bevatten alle godsdiensten de elementen van traditie, dogma, -ethos, cultus 3. En als religio subjectiva zijn zij pietas, die cultus -tot vrucht heeft 4. Deze religio subjectiva, die een habitus is, werd -door de zonde bedorven, wordt door wedergeboorte vernieuwd, en bestaat -volgens de H. S. in geloof 5, dat in een cultus naar Gods wil zich -openbaart 6. De _zetel_ der religie is vooral onderzocht, sedert het -wezen der religie, ten onrechte, alleen in de religio subjectiva werd -gesteld 7, 8, is niet uitsluitend het verstand 9, want godsdienst en -wetenschap zijn onderscheiden 10, noch ook de wil 11, want godsdienst -en zedelijkheid zijn twee 12, noch ook het gevoel 13, want godsdienst -is iets anders dan kunst 14, maar da gansche mensch, die God geheel -en altijd en overal dienen moet 15. De _oorsprong_ der religie is -niet vrees, priesterbedrog, onkunde, animisme enz., 16, noch ook de -zucht, om zich tegenover de wereld te handhaven 16, 17. Historische en -psychologische methode zijn tot verklaring van wezen en oorsprong der -religie onvoldoende 18. Godsdienst is alleen verklaarbaar, wanneer het -bestaan van God en de waarachtigheid zijner openbaring aangenomen wordt -19. - -HOOFDSTUK II. PRINCIPIUM EXTERNUM. - -§ 9. _Algemeene Openbaring_ bl. 215-244. Openbaring is een religieus -begrip, dat alleen in het theisme te handhaven is 1, en bestaat in -het algemeen in eene daad Gods, waardoor Hij den mensch tot zichzelven -in eene religieuse verhouding plaatst 2. De onderscheiding in -natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring is reeds van de oudste -kerkelijke schrijvers afkomstig, maar werd bij Rome tot eene rationeele -tegenstelling 3, die door de Reformatie wel gewijzigd werd, maar toch -in het Socinianisme enz. bleef voortleven en heel het begrip der -openbaring ondermijnde 4. De Schrift maakt geen begripmatig onderscheid -tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, wijl alle openbaring -het persoonlijk, boven de natuur verheven bestaan Gods erkent, en alleen -verschilt in de middelen, waardoor zij tot ons komt 5. Bovennatuurlijke -openbaring is niet met onmiddellijke identisch, want alle openbaring -geschiedt middellijk, maar verschilt van de natuurlijke in de wegen, -waarlangs zij tot ons komt. Daarom verdient de onderscheiding van -algemeene en bijzondere openbaring de voorkeur 6. De algemeene -openbaring is onvoldoende, wijl zij niets bevat van Gods genade in -Christus 7, maar is toch voor de Heidenwereld 8, 9, en ook voor de -gemeente van groote waarde. - -§ 10. _Bijzondere Openbaring_ bl. 224-295. Gelijk alle godsdiensten, -beroept het Christendom zich op eene bijzondere openbaring, φανερωσις, -ἀποκαλυψις, die op drieërlei wijze geschiedt 1, door theophanie -2, profetie (spreken Gods, lot, urim, droom, visioen, inwendige -verlichting) 3, wonderen 4. De H. Schrift doet ons daarmede de -bijzondere openbaring kennen, niet als loutere mededeeling van leer -of als religieuse inspiratie of als instorting van nieuw leven of -als bewustwording Gods in den menschelijken geest 5, maar als een -systeem van woorden en daden Gods, die zich concentreeren in den -persoon van Christus en na zijne verschijning en na de voltooiing der -Schrift gewijzigd, in de bedeeling des H. Geestes zich voortzetten -en voltooien. 6. In dezen rijken zin wordt zij echter miskend, zoowel -door het abstracte supranaturalisme van Rome enz., 7, 8, als door -het rationalistisch naturalisme 9, dat echter onvoldoende is ter -verklaring van de openbaringsverschijnselen 10, en in een pantheistisch -of materialistisch monisme zijn grond heeft 11. Maar dit monisme wordt -door eene juiste natuurbeschouwing zoowel 11, als door de Schrift -weersproken; in haar wereldbeschouwing neemt de bijzondere openbaring -eene passende, harmonische plaats in 12. - -§ 11. _De Heilige Schrift_ bl. 295-362. De bijzondere openbaring, die -historie is en als zoodanig voorbijgaat, wordt tot de menschheid en -wereld uitgebreid, doordat zij in den vorm der Schrift optreedt 1. De -Schrift is daarom niet al de openbaring noch ook slechts oorkonde -der openbaring maar de laatste acte, de sluitsteen der openbaring 2. -Want de openbaring valt in haar geheel in twee bedeelingen uiteen; de -eerste brengt de vleeschwording van den Logos en de Schriftwording -van zijn woord tot stand, de tweede past de schatten van Christus en -van zijn getuigenis in de gemeente toe, die daarom met die Schrift -steeds in levend, organisch verband staat 3. Van die Schrift is de -Goddelijke ingeving steeds door de kerk beleden, van de oudste tijden -af 4, door de scholastiek 5, door de Roomschen 6, de Hervormers 7, -maar ook dikwerf van buitenaf bestreden en dan tot eene dualistische -of dynamische inspiratie verzwakt of ook geheel ontkend 8. De Schrift -leert echter duidelijk hare eigene inspiratie, zoowel in het Oude -Test. 9, en in het N. T. aangaande het O. T. 10, als ook in het N. T. -aangaande zichzelf 11 en geeft zich daarom uit voor het Woord Gods -12. Dit zelfgetuigenis der Schrift is onwraakbaar 13, onderscheidt de -inspiratie, waardoor de Schrift ontstond, van alle andere, geniale -inspiratie, van Gods immanente werkzaamheid in de wereld, van revelatie -en van wedergeboorte, al staat ze ook met al deze in verband 14. Zij is -een spreken Gods door middel van profeten en apostelen, echter niet -in mechanischen maar in organischen zin 15, en niet tot bezieling der -personen of tot ingeving van hoofdzaken te beperken 16. De bezwaren, -tegen deze inspiratie ingebracht, staan zonder twijfel voor een deel -in verband met de vijandschap van het menschelijk hart 17, en worden -anderdeels verminderd door eene organische opvatting 18, en door eene -duidelijke omschrijving van het doel, waartoe de Schrift gegeven is 19. - -§ 12. _Eigenschappen der Schrift_ bl. 363-415. De leer der -eigenschappen van de Schrift ontwikkelde zich in den strijd tegen Rome, -dat de verhouding van Schrift en kerk gansch anders dan de Hervorming -bepaalt 1, 2. Het _gezag_ der Schrift rust bij Rome op de kerk 3, -en volgens de Reformatie, zonder miskenning van de paedagogische -beteekenis der kerk, op de Schrift zelve 4. Hoewel bij dat gezag de -auctoritas historiae et normae te onderscheiden is 5, is zijn Goddelijk -karakter toch niet voor een menschelijk, historisch, zedelijk gezag in -te ruilen 6. Want in de religie is een Goddelijk gezag, dat echter -heel iets anders is dan geweld, onmisbaar 7. De _noodzakelijkheid_ der -Schrift wordt door Rome, door vele mystieke richtingen 8, en ook door -Schleiermacher ontkend 9, maar staat toch vast, wijl de kerk altijd -rustte op een ongeschreven of geschreven Woord Gods 10, zonder zulk een -woord tot dwaling en leugen vervalt 11, en daaraan in deze bedeeling -steeds behoefte blijft houden 12. De _duidelijkheid_ der Schrift wordt -eveneens door Rome ten bate der kerk verworpen 13, maar is, goed -opgevat, op de Schrift zelve gegrond, door de oude kerk algemeen -erkend 14, en ter handhaving van de vrijheid des Christens 15, en van -de facultas S. Scr. se ipsam interpretandi van de grootste beteekenis -16. De _genoegzaamheid_ der Schrift eindelijk, door Rome ten gunste der -traditie bestreden 17, die echter ten slotte geen ander kenmerk voor -hare waarheid behoudt dan de pauselijke uitspraak 19, en de Schrift aan -de kerk, dat is aan den paus onderwerpt 19, werd door de Hervorming -wederom tegenover de traditie gehandhaafd 20, wijl zij door de Schrift -zelve geleerd wordt en met den aard der tegenwoordige bedeeling -overeenkomt 21, zonder dat daarmee het betrekkelijk recht der traditie -wordt ontkend 22. - -HOOFDSTUK III. PRINCIPIUM INTERNUM. - -§ 13. _Beteekenis van het principium internum_ bl. 416-421. Aan het -objectief principe moet een subjectief beantwoorden, dat bij ieder van -kindsbeen af in overeenstemming met den godsdienst, waarin hij geboren -is, een bepaalden vorm aanneemt 1, en in zijn diepsten grond schier -aan alle onderzoek zich onttrekt 2. Daarom worden voor het geloof -ook vele en verschillende gronden genoemd (historisch-apologetische, -speculatieve, ethisch-practische), die echter de zelfstandigheid der -religie en het werk des Geestes miskennen 3. - -§ 14. _De historisch-apologetische methode_ bl. 423-431 werd vooral -door Rome 1, en door verschillende supranaturalistische richtingen -toegepast 2, maar is, schoon eene geloovige apologetiek recht van -bestaan heeft, theoretisch en practisch onhoudbaar 3. - -§ 15. _De speculatieve methode_ bl. 431-444, door Hegel 1, door de -Vermittlungstheologie 2, en in gewijzigden vorm door Hofmann en Frank -gevolgd 3, bood wel belangrijke voordeelen boven de apologethische, maar -verviel in de dwaling der oude gnostiek en offerde het zijn aan het -denken, de historie aan de idee op 4. Ook de poging van Frank, om de -objectieve waarheid der dogmata uit de subjectieve zekerheid van den -Christen af te leiden, is niet geslaagd 5, en berust op eene onjuiste -Erkenntnistheorie 6. - -§ 16. _De ethisch-psychologische methode_ bl. 444-465, schoon van ouds -gebruikelijk, kwam in eere door Pascal en Vinet 1. Zij is verwant aan het -moreele bewijs van Kant 2, en vindt in dezen vorm bij velen hier te lande -3, en vooral ook bij Ritschl en Lipsius c. s. steun 4, 5. Maar, ofschoon -religie het element van den troost niet missen kan, ervaring des harten -kan 6, evenmin als religieuse waardeering, bewijs voor de waarheid der -religie zijn 7, en leidt bovendien tot een onhoudbaar dualisme tusschen -gelooven en weten 8. - -§ 17. _Het geloof_ bl. 465-484. Wijl het principium internum aan het -princ. ext. beantwoorden moet, kan het niet liggen in den natuurlijken, -maar alleen in den door Gods Geest verlichten mensch, zoodat de -dogmaticus daarmede een subjectief standpunt inneemt 1. De Schrift -noemt als dit princ. internum het geloof, dat een acte van het -bewustzijn is, verwant aan het geloof op natuurlijk terrein 2, maar -daarvan toch wel te onderscheiden 3, en ook niet met nudus assensus te -vereenzelvigen 4. Dat geloof brengt eene eigen zekerheid mede 5, die -naast de wetenschappelijke en moreele zekerheid recht van bestaan heeft -6. - -§ 18. _De grond des geloofs_ bl. 484-509. Wijl dit geloof door geen -bewijzen of redeneeringen, maar alleen door Gods genade gewerkt kan -worden 1, neemt Rome daarmede in beginsel hetzelfde subjectieve -standpunt in als de Hervorming 2. Het testimonium Sp. S. is de laatste -grond des geloofs, gelijk de Hervorming, inzonderheid Calvijn, erkende -maar het rationalisme ten onrechte bestreed 3. Want het komt overeen -met het getuigenis, dat onze geest in het algemeen aan de waarheid -geeft 4, beantwoordt aan de bijzondere openbaring in Christus en -handhaaft hare autopistie 5. Het sluit voorts het argumenteeren niet -uit, is sterk als getuigenis der gansche Christenheid, onderstelt de -wedergeboorte en komt daaruit op spontaan en vrij 6. Ook heeft het niet -eenzijdig betrekking op de autoriteit der H. S., maar staat met heel het -geloofsleven in verband, verzekert subjectief van al de waarheid Gods -en daarin ook van de divinitas der H. S. 7, en wordt door de onderlinge -verschillen der Christenen niet van zijne waarheid beroofd 8. - -§ 19. _Geloof en Theologie_ bl. 509-532. Ofschoon in het geloof -zeker van de waarheid, streefde de christelijke kerk toch altijd, -niettegenstaande alle bestrijding, naar eene wetenschappelijke theologie -1, die dan ook, in weerwil van haar vele afdwalingen, recht van bestaan -heeft en zonder welke de openbaring, de religie, de dogmenhistorie, de -kerk gevaar loopen van miskenning 2. Deze theologie is een vrucht van -het denkend bewustzijn der gemeente en heeft de hulp der philosophie -van noode 3. Geloof is daarom van theologie onderscheiden, gelijk ook -vroeger blijkens de leer van de fides implicita 4, de onderscheiding -van theologia infusa en acquisita en die tusschen fundamenteele en -nietfundamenteele artikelen aangenomen werd 5. Maar beider verwantschap -is even groot als hun verschil 6. En wijl de theologie niet in het -geloof als zoodanig maar in het geloovig denken haar oorsprong heeft, -is ter harer beoefening de ontwikkelde rede en dus de philosophie -onmisbaar 7, al is het ook, dat de kennis, welke de theologie -verschaft, nooit een begrijpen wordt en in bewondering van het mysterie -eindigt 8. - - -TWEEDE DEEL. - -HOOFDSTUK IV. OVER GOD. - -§ 20. _De onbegrijpelijkheid Gods_ bl. 1-24. De dogmatiek leeft in -het mysterie, want zij heeft altijd te doen met God, die volgens de -H. S. onbegrijpelijk en zelfs met geen naam te noemen is 1. Deze -onbegrijpelijkheid Gods is ook buiten het terrein der bijz. openbaring -erkend 2, in de christ. theol. van de kerkvaders 3, 4, van de -scholastici 5, van de reformatoren opgenomen 6, en in de nieuwere -philosophie vervangen door de volstrekte onkenbaarheid Gods 7, 8. De -gronden, welke dit agnosticisme aanvoert 9, zijn, al is er zeer zeker -geen adaequate kennis van God, niet houdbaar, wijl het agnosticisme -alle spreken bij ons over God en alle openbaring van Gods zijde aan ons -onmogelijk zou maken 10. De loochening van de kenbaarheid Gods sluit in, -dat God zich niet heeft willen en niet heeft kunnen openbaren, en dat -wij ook zelfs den grond missen, om zijn bestaan aan te nemen 11. - -§ 21. _De kenbaarheid Gods_ (_cognitio Dei insita_) bl. 24-44. God is -kenbaar, voorzoover Hij zich openbaart. En dat Hij zich openbaart, staat -vast volgens Schrift en natuur en wordt door alle menschen bevestigd; -atheisten zijn er schier niet 1. De natuurlijkheid, algemeenheid en -noodzakelijkheid der Godskennis hebben velen geleid tot het geloof aan -aangeboren begrippen 2, 3. Maar de christ. theol. verwierp deze leer, -niet alleen patres en scholastici 4, maar ook Luth. en Geref. 5, wijl -zij tot rationalisme of mysticisme voerde 6. Doch daarmede werd niet -ontkend, dat de mensch de potentia en inclinatio meebrengt, om vanzelf, -zonder wetenschappelijke redeneering tot eenige kennisse Gods te komen 7. - -§ 22. _De kenbaarheid Gods_ (_cognitio Dei acquisita_) bl. 44-62. -De cognitio Dei insita wordt vermeerderd door de langs den weg van -nadenken en redeneering verkregen cognitio Dei acquisita 1. Beide -behooren tot de theologia naturalis, die geen product is van de -menschelijke rede maar in de Schrift is opgenomen en door den geloovige -uit de natuur wordt afgeleid 2. De H. S. bewijst Gods bestaan niet -maar getuigt ervan 3. De zoogen. bewijzen voor Gods bestaan, deels -over-, deels onderschat 4, n.l. het ontologisch 5, kosmologisch 6, -teleologisch 7, en moreel bewijs 8, heeten ten onrechte bewijzen maar zijn -signa en testimonia, dat God zich niet onbetuigd laat aan den mensch 9. - -§ 23. _De Namen Gods_ bl. 62-78. Al wat van God door zijne openbaring -kenbaar wordt, vat de H. S. saam onder de namen, waarmede God, op grond -van zijne openbaring (nomen editum), genoemd wordt (nomen inditum) 1. Al -die namen zijn anthropomorphistisch 2, en naar de analogie in schepselen -gevormd 3, maar dit terecht, wijl God zelf in en door de schepselen zich -openbaart en op geen andere wijze noembaar is 4. Zij geven daarom wel -geen adaequate doch ook geen onware 5, maar eene ectypische, analoge -kennis van God 6. - -§ 24. _Indeeling der namen Gods_ bl. 78-102. De H. S. eert gelijkelijk -alle deugden Gods en kent de onderscheiding niet tusschen wezen -en eigenschappen 1, die later in de theologie opkwam en het wezen -Gods deed omschrijven als het Absolute of als Souverein of als Vader -enz., 2-4, en de eigenschappen daarvan afzonderde 5. Maar er is -bij God geen onderscheid tusschen wezen en eigenschappen 6, al zijn -ook de eigenschappen onderling verschillend ratione ratiocinata 7. -De eigenschappen werden op velerlei wijze ingedeeld 8, maar al die -indeelingen komen zakelijk overeen en worden door dezelfde bezwaren -gedrukt, zoodat eene goede indeeling moeilijk te vinden is 9. - -§ 25. _De eigennamen Gods_ bl. 102-115, in ruimer zin zoo genomen, zijn -die, waarmede God benoemd en aangesproken wordt, zooals θεος, deus, God -1, in de H. S., El, Elohim, Eljon, Adonai 2, El Schaddai, Ihvh 3, Ihvh -Zebaoth 4, κυριος, πατηρ, Vader, Zoon en H. Geest 5. - -§ 26. _De wezensnamen Gods_ bl. 115-227, welke vóór de leer der -triniteit dienen behandeld te worden, bevatten eerst die, waarmede -God als de _Zijnde_ in volstrekten zin wordt aangeduid, n.l. de -onafhankelijkheid 1, de onveranderlijkheid 2, de oneindigheid, welke -weder insluit de eeuwigheid 3, en de alomtegenwoordigheid 4. Vervolgens -zijn er namen, die ons God doen kennen als den Levende, als _Geest_, -n.l. de eenvoudigheid 5, de geestelijkheid 6, de onzienlijkheid 7. -Verder zijn er namen, die het Goddelijk wezen omschrijven als volkomen -zichzelf bewust, als _Licht_, n.l. kennis van zichzelven en van de -wereld (waarbij de praescientia en de scientia media ter sprake komt) -8, wijsheid (ideeën in God) 9, waarachtigheid 10. Voorts zijn er namen, -die ons wijzen op de ethische natuur van Gods wezen en Hem doen kennen -als den _Heilige_, n.l. goedheid (goedertierenheid, barmhartigheid, -lankmoedigheid, genade, liefde) 11, heiligheid 12, heerlijkheid 13, -gerechtigheid 14. En eindelijk zijn er namen, waarin God ons tegemoet -treedt als de absolute macht, als _Souverein_, n.l. de wil, die als -propensio Dei in se ipsum (necessaria) en als propensio in creaturas -(libera) onderscheiden wordt 15, in laatstgenoemden zin wel als vrij -maar niet als pure willekeur te denken is 16, voorts in voluntas -beneplaciti en signi uiteenvalt 17, en eindelijk als almacht te eeren is -18. - -§ 27. _De personeele namen Gods_ bl. 227-312 doen ons in het ééne -Goddelijke wezen de zelfonderscheidingen kennen, welke reeds in het -O. T. (Elohim of Ihvh brengt alles tot stand door Woord en Geest) -voorkomen 1, maar, vooral ook in tegenstelling met de dwaalleer der -tusschenwezens in de Joodsche philosophie 2, 3, in het N. Test. veel -helderder worden geopenbaard. Het N. Test. leert niet alleen, dat alles -in natuur en genade tot stand komt door Vader, Zoon en Geest 4, maar -doet ons ook iets kennen van de relatiën tusschen deze drie personen, -als het den Vader in metaph. zin den Vader van Christus 5, Christus in -specialen zin het Woord, den Zoon, het Beeld Gods 6, en den Geest in -bijzonderen zin Geest des Vaders en des Zoons noemt 7. Deze gegevens der -H. S. leidden de kerk tot de belijdenis van de triniteit, een leerstuk, -dat in den eersten tijd door Justinus, Irenaeus, Tertullianus, Origenes -ontwikkeld 8, vervolgens vooral door Athanasius 9 en Augustinus -uitgewerkt en verdedigd werd 10, maar door Arianisme en Sabellianisme -11, en de daarbij zich aansluitende richtingen sterk bestreden werd -12, 13. De termen, die bij dit dogma gebruikelijk zijn, wezen, personen, -drieëenheid enz., zijn wel niet uit de Schrift genomen maar zijn daarom -niet ongeoorloofd 14. Het woord wezen duidt de Godheid, de Goddelijke -natuur aan, gelijk die in de personen bestaat 15. Personen heeten de -drie zelfstandige modi subsistendi in het ééne Goddelijk wezen 16, die -van dat wezen niet re maar toch realiter verschillen en onderling -onderscheiden zijn in namen, personeele eigenschappen en wijze van werken -17. De eerste persoon heeft als personeele eigenschap de paternitas -18. De tweede persoon is de Zoon, die door geestelijke, eenvoudige, -eeuwige generatie uit het wezen des Vaders is gegenereerd 19. De derde -persoon is de Geest, wiens persoonlijkheid en Godheid, schoon in de kerk -later erkend dan die des Zoons, voor leer en leven van het hoogste -belang is 20, en wiens personeele eigenschap de εκπορευσις is, niet -alleen uit den Vader 21, maar ook uit den Zoon, Filioque 22. Deze -ontologische triniteit spiegelt zich af in de oeconomische, welke met -de eenheid ook het onderscheid der drie personen in de openbaring doet -uitkomen 23, maar zij is, schoon het zeer veel beproefd is, moeilijk door -beelden op te helderen of door redeneeringen te bewijzen 24. Toch is zij -voor de leer van God, van schepping en herschepping, ja voor heel de -christelijke religie van de grootste beteekenis 25. - -§ 28. _De Raad Gods_ bl. 313-385, die, als omvattend de opera -essentialia ad intra, het verband aanwijst tusschen God en zijne werken -(opera ad extra), komt in het O. T. vooral voor als feit in de -historie 1, en blijkt in het N. T. duidelijk te zijn eeuwig, persoonlijk -en betrekking hebbende op de bestemming hiernamaals 2. Maar in de -christ. kerk werd de leer der praedestinatie door de Grieksche kerk, -door Pelagianisme, Semipelagianisme 3, door de Roomsche kerk 4, en -zelfs door de Lutherschen verzwakt 5, terwijl de Gereformeerden haar -wel handhaafden, maar over de methode van behandeling 6, en over de -infral. of supral. orde der decreten verschilden 7, en vele anderen, -Socin., Remonstr. enz., ze ontkenden of in een wijsgeerig determinisme -omzetten of in pelag. of semipel. zin wijzigden 8. Nu is Gods raad niets -anders dan zijn eenvoudig en eeuwig besluit over al wat in den tijd zijn -of geschieden zal 9, allereerst omvattend de providentia in den zin -van ratio ordinis rerum 10, en vervolgens de praedestinatio, die -door het Pelag. voor de praescientia ingeruild 11, en vooral op drie -punten bestreden wordt 12. Onder de Geref. was er verschil over hare -infral. of supral. orde 13, die beide iets voor en iets tegen hebben -14 en geen van beide de ware oplossing bieden 15. De reprobatio, die -in de H. S. herhaaldelijk voorkomt, behoort in zekeren zin beslist tot -de praedestinatie 16, maar behoort er toch in een anderen zin toe dan -de electie 17, in welke de praedestinatie haar einde bereikt en tot -haar volle realiteit komt 18, want de verkiezing heeft Christus en zijne -gemeente tot voorwerp en de eere Gods in de redding van de gevallen -wereld tot doel 19. - -HOOFDSTUK V. OVER DE WERELD IN HAAR OORSPRONKELIJKEN STAAT. - -§ 29. _De Schepping_ bl. 386-424 is het begin der uitvoering van Gods -raad. Haar leer neemt in de H. S. eene breede plaats in 1, en is alleen -te verstaan door het geloof, zoodat de Heidenen haar niet kenden en -de philosophie haar gewoonlijk verwierp, om de wereld pantheistisch of -materialistisch te verklaren 2. Pantheisme en materialisme zijn echter -beide onbekwaam, om ons den oorsprong der dingen te doen kennen 3. De -christelijke kerk hield zich dan ook aan de leer der H. S. 4, en leerde -eene schepping uit niets 5, welke door God drieëenig, Vader, Zoon en -Geest, tot stand was gebracht 6, en bepaaldelijk den Zoon tot Middelaar -heeft 7. Zij had niet plaats in, maar viel saam met de schepping van -den tijd 8, en had haar oorzaak niet in Gods overvloeiende volheid van -zijn noch in zijne armoede en behoefte 9, maar in Gods wil, die daarbij -de heerlijkheid van zijn naam beoogt 10. Als product van Gods wil, is de -wereld één geheel, dat de grootste verscheidenheid in zich bevat. - -§ 30. _De geestelijke wereld_ bl. 424-456 omvat de wezens, die -gewoonlijk den naam van engelen dragen. Hun bestaan wordt schier in -alle godsdiensten aangenomen, maar is toch ook menigmaal verworpen -1; wijsgeerig en historisch onbewijsbaar, is het voor de religie, -schoon geen centraal dogma, toch van belang 2. De Schrift heeft -voor hen niet één gemeenschappelijken naam, maar noemt verschillende -klassen 3. Zij zijn echter daarin toch één, dat zij allen geschapene -4, geestelijke, onlichamelijke 5, redelijke 6, zedelijke wezens zijn 7, -wezenlijk onderscheiden van den mensen, die beeld Gods is 8, tot een -buitengewonen en gewonen dienst in het koninkrijk der hemelen geroepen, -die echter geen personeele bescherming en voorbede insluit 9, en op -geen godsdienstige vereering aanspraak geeft 10. - -§ 31. _De stoffelijke wereld_ bl. 456-489 blijft in haar oorsprong -buiten de H. S. onverklaard 1, maar ontstaat volgens Gen. 1:1 door -schepping uit niets (creatio prima) en wordt in de zes dagen toebereid -(creatio secunda) 2, waarbij eene bepaalde orde valt op te merken 3. Dit -hexaemeron werd in de christ. theologie dikwerf uitvoerig behandeld -en zonder bezwaar naar de heerschende wereldbeschouwing (ptolem. -kopernik.) gewijzigd 4. Maar de hypothese van Kant en Laplace 5, alsmede -die van de op de aardlagen gebouwde ontwikkelingsperioden der aarde zijn -met de Schrift moeilijk overeen te brengen 6. De pogingen tot verzoening -kunnen niet geslaagd heeten 7, al bevatten zij ook goede elementen -8. Maar eene juiste opvatting van het scheppingsverhaal 9, en eene -zuivere schifting tusschen het zekere en het onzekere in de geologische -wetenschap brengen toch eene voorloopige overeenstemming 10. - -§ 32. _De oorsprong van den mensch_ bl. 490-507 is in het eerste en -tweede scheppingsverhaal verschillend beschreven maar volgens beide -verhalen aan Gods scheppende almacht te danken 1. De christ. kerk hield -dezen goddelijken oorsprong van den mensch tegen alle materialistische, -evolutionistische verklaring in vroeger en later tijd vast 2, en vond -daarin ook bij vele mannen van wetenschap, die het darwinisme bestreden, -steun 3. En voorts is tusschen de H. S. en de hedendaagsche wetenschap -niet alleen de oorsprong van den mensch in geschil, maar ook de -ouderdom 4, de eenheid 5, en de bakermat der menschheid 6. - -§ 33. _Het wezen van den mensch_ bl. 508-545 ligt volgens de H. S. -daarin, dat hij beeld Gods is 1. De inhoud van dit beeld werd in de -christ. kerk verschillend opgevat. Vooral kwamen er allengs twee -opvattingen tegenover elkander te staan, de naturalistische 2, die -door historie, Schrift en gezonde redeneering gelijkelijk weersproken -wordt 3, en de supranaturalistische, die in de Roomsche leer van het -donum superadditum tot ontwikkeling kwam 4, maar op eene valsche -conceptie van den mensch en van zijne bestemming berust 5. De Hervorming -leerde daarom, dat het beeld Gods wezenlijk eigen was aan den mensch -6, niet als eene substantie, maar als eene bij het wezen des menschen -behoorende qualiteit 7. De gansche mensch is toch beeld Gods, gelijk -de Gereformeerden met hun onderscheiding van beeld Gods in ruimer en -enger zin tegen de Lutherschen erkenden, naar ziel en geest, die geen -twee substantiën zijn, en naar al hun vermogens 8, naar de deugden van -kennis, gerechtigheid en heiligheid (justitia originalis) en zelfs -in zekeren zin naar het lichaam 9. De menschelijke natuur is onder de -werken der schepping de hoogste openbaring Gods 10. - -§ 34. _De bestemming van den mensch_ bl. 545-571. Adam, schoon Gods -beeld, had volgens de H. S. terstond het hoogste nog niet en werd -daarom in het verbond der werken geplaatst 1. De christ. theologie -heeft deze waarheid niet ten volle erkend en Adams toestand beurtelings -te laag of te hoog geschat. Maar de Geref. hebben haar in de leer van -het foedus operum opgenomen 2, eene leer, die, schoon al te schoolsch -ontwikkeld, toch eene diepe gedachte bevat, wijl zij de religie als -gemeenschap met God handhaaft 3, met Adams staat vóór den val ten volle -rekening houdt 4, den rijkdom van het beeld Gods eerst in het menschelijk -geslacht zich ontvouwen laat 5, en daarom ook verklaart, waarom -Roomschen en Gereformeerden, in onderscheiding van de Lutherschen, over -het algemeen aanhangers van het creatianisme waren 6, 7. - - -DERDE DEEL. - -HOOFDSTUK VI. OVER DE WERELD IN HAAR GEVALLEN STAAT. - -§ 35. _De voorzienigheid_ bl. 1-34. Het werk der schepping gaat in het -werk der voorzienigheid over, dat in de H. S. duidelijk geleerd wordt -maar ook ten deele uit de natuur bekend is 1. Toch is de christ. leer -der voorzienigheid eene andere dan die der wijsbegeerte, al ontleende -zij daaraan ook den in de H. S. niet gebruikelijken naam. Want de -providentia, als executio ordinis van de bij den raad Gods behoorende -ratio ordinis wel te onderscheiden, is geen nuda praescientia maar -eene almachtige en alomtegenwoordige daad Gods 2, die noodlot en -toeval, pantheisme en deisme beide vermijdt 3, als onderhouding zoowel -het verband met als het onderscheid van de schepping handhaaft 4, als -medewerking de eigen natuur der schepselen met hare causae secundae -juist door hunne volstrekte afhankelijkheid van God waarborgt 5, en als -regeering heel de schepping, ook door den val in zonde heen, heenleidt -tot het door God vastgestelde einde 6. - -§ 36. _De oorsprong der zonde_ bl. 34-72 ligt volgens de H. S. -niet in God, al schiep Hij ook de mogelijkheid der zonde, maar in -vrijwillige overtreding van Gods gebod, waartoe de mensch wederom door -den gevallen engel verleid werd 1. Ofschoon zulk een val buiten de -bijzondere openbaring niet geheel onbekend is, heeft men de zonde toch -gewoonlijk anders trachten te verklaren, hetzij deistisch uit den altijd -vrij en onschuldig blijvenden wil, zooals ook Pelagius deed 2, 3, of -pantheistisch uit de natuur der dingen, en wel uit de zinlijkheid van -den mensch, of uit den kosmos, of uit God 4. Al deze verklaringen -echter zijn onbevredigend, zoowel die uit den altijd vrijen wil en uit -de zinlijkheid 5, als die uit de wereld en uit God 6. Wel gaat Gods -voorzienigheid ook over de zonde, en niet met eene nuda doch met eene -efficax permissio. Maar de zonde, waarbij de materia en de forma wel -te onderscheiden zijn, heeft toch in God niet haar causa efficiens 7. -Hij wilde, dat zij zijn zou, maar Hij wilde ze niet als zonde en niet op -dezelfde wijze, als Hij het goede wil en als menschen haar willen 8. De -oorsprong der zonde ligt in den wil van het schepsel, dat veranderlijk -goed en met de mogelijkheid, om te zondigen, geschapen was en die -mogelijkheid op onbegrijpelijke wijze in werkelijkheid deed overgaan 9. Deze -val was niet eeuwig en had ook niet in het moment der schepping maar, -hetzij langer of korter tijd na de schepping, eerst bij de engelen en -daarna bij de menschen plaats 10. - -§ 37. _Het wezen der zonde_ bl. 72-104. Do eerste zonde sloot reeds -alle andere in zich en maakte haar waren aard openbaar 1, die volgens -de namen en de beschrijving van de zonde in de H. S. in ἀνομια bestaat -en dus haar maatstaf heeft in Gods wet 2. Dienovereenkomstig vatte de -christ. kerk de zonde, tegen alle richtingen die in haar een substantie -of een noodzakelijk, voorbijgaand ontwikkelingsmoment zagen, als eene -privatio op 3, die daarom alleen aan het goede kan bestaan, als eene -deformitas te beschouwen is en den wil tot haar eigenlijk subject heeft -4. Ofschoon één in wezen, zijn de zonden toch in graad onderscheiden. -Er zijn duivelsche en menschelijke zonden 5, en de laatste verschillen -weer, naarmate zij met meer of minder kennis en opzet, tegen God of -den mensch, in verzwarende of verzachtende omstandigheden gepleegd -zijn. Daarom zijn ze ook verschillend in te deelen, maar de Roomsche -onderscheiding in peccata mortalia en venialia is te verwerpen 6, en de -lastering tegen den H. Geest draagt een bijzonder karakter 7. - -§ 38. _De verbreiding der zonde_ bl. 104-154. Schrift en ervaring -leeren beide, dat de zonde gansch algemeen is, en dus over alle -menschen en in den enkelen mensch over zijn gansche wezen zich -uitbreidt, en dat krachtens hun afstamming uit den eersten mensch -1. De christ. kerk bouwde daarop de leer der erfzonde, die door het -Pelagianisme wel geloochend 2, en door het Semipelagianisme verzwakt -werd 3, maar vooral door Augustinus ontwikkeld en verdedigd, en, na -miskenning door Rome 4, door de Reformatie weder opgenomen werd 5. Tot -recht verstand is de erfzonde te onderscheiden in peccatum originans en -peccatum originatum; de eerste is de toerekening van Adams zonde aan -al zijne nakomelingen op grond niet alleen van hun physische maar ook -van hun foederale eenheid 6. De tweede is een gevolg en in zekeren zin -een straf der eerste, bestaande in algeheele zedelijke verdorvenheid 7, -die niet door imitatie maar door generatie, gelijk ook de nieuwere leer -der herediteit tot op zekere hoogte erkent, het deel van alle menschen -wordt 8, ook van Maria doch niet van Christus 9, en in den enkelen -mensch ziel en geest en lichaam en alle vermogens en krachten heeft -aangetast en hem onbekwaam maakt tot alle geestelijk goed 10. - -§ 39. _De straf der zonde_ bl. 155-186. De straf, welke door God op de -eerste zonde gedreigd werd, is door tusschenkomende genade uitgesteld -en gewijzigd. Maar toch wordt zij, ook reeds op aarde, ten deele -voltrokken, tot herstel en handhaving van het recht Gods 1, en bestaat -altijd in zeker lijden, dat den overtreder toegevoegd wordt en hem buigen -doet onder het recht 2. Zij omvat schuld, d. i. verbintenis tot straf -3, smet, d. i. zedelijke verdorvenheid 4, lijden naar lichaam en ziel 5, -dood, d. i. scheiding van ziel en lichaam 6, en heerschappij van Satan 7. - -HOOFDSTUK VII OVER CHRISTUS. - -§ 40. _Het verbond der genade_ bl. 187-228. De genade neemt terstond -na den val een aanvang, mengt zich zelfs in de straf over de zonde, -en krijgt terstond het karakter van een verbond 1, dat dan later meer -formeel bij Noach, Abraham en Israel aan den Sinai opgericht wordt en -allengs steeds duidelijker als eene Goddelijke beschikking, als eene -διαθηκη, aan het licht treedt 2. Deze bondsidee ging uit de Schrift -in de theologie over en werd daar, ter handhaving van de eenheid -en het onderscheid tusschen Oud en Nieuw Testament, eerst tegen -Gnosticisme en Judaisme 3, en later, vooral door de Gereformeerden, -tegen het Anabaptisme verdedigd en tot rijkere ontwikkeling gebracht -4. Voor kerk en theologie heeft deze leer van het genadeverbond dan -ook de grootste beteekenis. Het rust op het pactum salutis 5, het -staat in verband met het foedus gratiae in ruimer zin, dat met heel -de gevallen wereld opgericht is 6, het handhaaft de eenheid en het -onderscheid in de bedeeling der genade onder Oud en Nieuw Test. 7, het -is louter genade en ligt vast in God alleen, zoodat het, schoon het -verbroken werkverbond in zich opnemend, toch daarvan onderscheiden is -en ook niet met het pactum salutis identisch is 8, het handhaaft Gods -souvereiniteit in het werk der verlossing en doet tevens, ofschoon geen -eischen in eigenlijken zin kennende, de redelijke en zedelijke natuur des -menschen tot haar recht komen; en laat eindelijk de verkiezing zich -realiseeren door de geslachten, door het organisme der menschheid heen -9. - -§ 41. _De persoon des Middelaars_ bl. 228-302. Het verbond der genade -heeft in Christus een middelaar der verzoening, die zelf door zijn Geest -in Israel met zijne instellingen en ambten, van zijn eigen persoon en -werk vooraf getuigen liet 1, en dan in de volheid des tijds op aarde -verscheen, het koninkrijk der hemelen stichtte en als Zoon Gods en -Zoon des menschen, beide in geheel eenigen zin, zich openbaarde 2. -De gegevens der Schrift verzamelend en Ebionitisme en Gnosticisme -tegelijk vermijdend, kwam de christ. kerk weldra tot de belijdenis der -persoonlijke eenheid van de twee naturen in Christus 3, welke echter -in de Grieksche en Roomsche, in de Luthersche en Gereformeerde weder -verschillend opgevat 4, en door allerlei richtingen rechts en links, -vooral ook in de nieuwere theologie (Kant, Schleiermacher, Ritschl -c. s.) bestreden werd 5. Dit verwondert niet, omdat de persoon van -Christus, wel niet uitgangspunt maar toch middelpunt is van Schrift, -religie en dogmatiek. De incarnatie, die apriori op pantheistisch -en deistisch standpunt onaannemelijk is, onderstelt de triniteit en -bepaaldelijk daarin de eeuwige generatie, want de persoon des Zoons is -mensch geworden 6. Zij onderstelt voorts de creatie, ook al is zij niet -onmiddellijk met deze gegeven en al is de leer van de vleeschwording -buiten de zonde verwerpelijk 7. Zij onderstelt eindelijk de revelatie -onder Israel met de verkiezing en toebereiding van Maria als moeder van -Jezus, ook al is hare onbevlekte ontvangenis in de Schrift niet geleerd -8. Toch, al sluit Christus in zijne vleeschwording bij de voorafgaande -openbaring zich aan, Hij is geen product van het verleden, maar bestond -persoonlijk van eeuwigheid en was en bleef waarachtig God 9, die de -menschelijke natuur aannam door ontvangenis van den H. Geest en door -geboorte uit Maria 10, 11, en die daarom, in tegenstelling met het -Docetisme, waarachtig, en, in tegenstelling met Apollinaris, volkomen -mensch was 12, zoodat God en mensch, twee onderscheidene naturen, -ongedeeld en ongescheiden (tegen Nestorius), onveranderd en on vermengd -(tegen Entyches) in Hem vereenigd zijn 13. Deze vereeniging is daarom -niet anders dan als eene personeele te denken, als vereeniging van -den persoon des Zoons met eene onpersoonlijke menschelijke natuur 14, -en brengt noodzakelijk mede de communicatio idiomatum, de communicatio -apotelesmatum en de communicatio charismatum, die vooral in de Geref. -theologie, tot handhaving van de waarachtig menschelijke natuur -van Christus, ontwikkeld werd 15, en ten slotte ook nog den honor -adorationis 16. - -§ 42. _Het werk van den Middelaar_ bl. 302-424. Onder alle volken komen -heilige personen, profeten, koningen en vooral priesters voor, die -door offeranden de gemeenschap met God bewerken en in stand houden 1. -Ook onder Israel was een priesterstand verkoren en waren offeranden -door God voorgeschreven, die duidelijk eene typische beteekenis hadden -en heenwezen naar de ware offerande van den knecht des Heeren, die -de waarachtige priester en tevens de ware profeet en koning zou zijn -2. Volgens het N. T. is Jezus, de zoon van Maria, deze knecht des -Heeren, die in zijn drievoudig ambt het groote werk Gods volbrengt, -als profeet de wet en het evangelie verkondigt, als priester door -zijne zelfovergave, die alle offers des O. T. vervult, voor de zijnen -de gansche zaligheid verwerft, en deze als koning hun toepast 3. Dit -werk van Christus werd in de christ. theologie verschillend beschreven, -nu eens meer als verlichting of als mededeeling van nieuw leven, dan -weer als loskooping van de macht van Satan of als voldoening aan Gods -recht. De laatste voorstelling won vooral door Anselmus ingang en -ging, ofschoon belangrijk gewijzigd, over in de Protest. theologie 4. -Maar zij werd bestreden niet alleen door allerlei mystieke, maar ook -door vele rationalistische richtingen, en vooral door de Socinianen, -die alles aanvoerden wat er tegen de leer der voldoening te zeggen -viel 5. In de nieuwere philosophie en theologie werd zij daarom geheel -verworpen of in mystischen of ethischen zin gereconstrueerd 6. Maar -reeds door zijne namen wordt Jezus aangeduid als de middelaar Gods en -der menschen, die dit was naar zijne beide naturen, die van eeuwigheid -reeds door den Vader tot profeet, priester en koning gezalfd was en -deze ambten ook reeds bediende in de dagen des O. T. 7, zoodat de leer -van het munus triplex ten onrechte door Ritschl e. a. bestreden is 8. -Als zoodanig is Christus eene openbaring van Gods liefde maar tegelijk -van zijne gerechtigheid, die met de liefde niet strijdt 9, en in verband -met Gods heilige natuur, met de schrikkelijkheid der zonde, met het -onverbreekbaar karakter der zedewet de voldoening noodzakelijk maakt 10. -De Socinianen c. s. hebben deze noodzakelijkheid wel bestreden, maar -daarmede eene valsche tegenstelling tusschen recht en genade gemaakt -11. De offerande der voldoening, welke Christus bracht, bestond in zijne -volmaakte gehoorzaamheid, die niet uitsluitend, gelijk vroeger dikwerf, -o. a. met Piscator, als passieve te denken is maar ook de actieve omvat -12, en ook niet uitsluitend, zooals veelal in de nieuwere theologie, -als actieve mag opgevat worden doch ook de passieve inhoudt 13. Deze -gansche gehoorzaamheid draagt het karakter eener satisfactio en wel -van eene satisfactio vicaria 14, die tegen allerlei bedenkingen nadere -verklaring en verdediging behoeft 15, en wier mogelijkheid door den -weg des verbonds wordt geopend 16. Christus volbracht dit werk in den -staat der vernedering, van zijne ontvangenis af tot de nederdaling ter -helle toe 17, verwierf erdoor de gansche zaligheid met al de daaronder -begrepen weldaden van verzoening (ἱλασμος en καταλλαγη), rechtvaardig-, -heilig-, heerlijkmaking, die daarom niet tot één enkel begrip van -satisfactio, meritum, Erlösung of Versöhnung kunnen beperkt worden -18, en Hij verwierf deze, niet voor alle schepselen of menschen, gelijk -de universalisten beweerden en de Gereformeerden over het algemeen -bestreden 19, maar voor zijne gemeente, zooals de Schrift duidelijk leert -20, al is het ook dat het werk van Christus voor heel de schepping -beteekenis heeft 21. Dit werk, in den staat der vernedering volbracht, -voert Christus uit en past Hij toe in den staat der verhooging met zijne -verschillende trappen, die allereerst voor Christus zelven het loon op -zijn arbeid was 22, maar voorts ten goede komt van zijne gemeente, want -ook in den hemel blijft Hij haar profeet, priester en koning, totdat Hij -de gansche herschepping tot stand heeft gebracht 23. - -HOOFDSTUK VIII. OVER DE WELDADEN DES VERBONDS. - -§ 43. _De Heilsorde_ bl. 425-485. Terwijl in de heidensche godsdiensten -de mensch zijn eigen zaligheid moet uitwerken, is het in de H. S. God -zelf, die den mensch opzoekt, hem in den weg des verbonds uit genade -zijne weldaden meedeelt en dan op grond daarvan hem tot eene nieuwe -gehoorzaamheid verplicht 1. Als Jezus optreedt met het evangelie -des koninkrijks, stelt Hij geen anderen eisch dan dien van geloof en -bekeering, welke ook zelve weer genadegaven Gods zijn. Want Hij is -het zelf, die door zijn dood al de goederen des koninkrijks voor de -zijnen verwierf en ze nu van uit den hemel hun meedeelt door den -H. Geest als werkmeester van het geloof en van een nieuw leven 2. -Deze leer der genade werd in de christ. theologie reeds spoedig, -vooral door Pelagius, ten bate van de wilsvrijheid, verzwakt 3, en -kwam, niettegenstaande de krachtige verdediging van Augustinus en in -weerwil van de handhaving der gratia praeveniens 4, ook in de Roomsche -theologie, van wege de semipelagiaansche richting, welke zij meer en -meer insloeg, niet tot haar recht 5. De Luthersche Reformatie kwam -daartegen in verzet maar verviel toch spoedig weer tot het synergisme -6. Veel beter werd de leer der genade, ook in de toepassing des -heils, door de Gereformeerden gehandhaafd 7, maar naast hen kwamen -toch de richtingen van mysticisme en rationalisme, van antinomianisme -en neonomianisme op, die de toepassing des heils met de verwerving -vereenzelvigden of er haar geheel van losmaakten 8, 9, en ook in de -nieuwe philosophie en theologie nog nawerken 10. De heilsorde echter, -welke den weg aanwijst, waarlangs de zondaar in het bezit van Christus -en zijne weldaden komt, loopt dan alleen zuiver, wanneer zij de beide -gevaarlijke klippen van het nomisme en het antinomisme vermijdt 11, en op -den grondslag der trinitarische belijdenis in de toepassing des heils -een werk des H. Geestes ziet, dat van de verwerving door Christus -wel onderscheiden maar niet gescheiden is, wijl de H. Geest alles uit -Christus neemt 12. De weldaden, welke Christus verwierf en door den H. -Geest toepast, kunnen alle saamgevat worden onder den naam van genade, -maar deze wordt door de Reformatie gansch anders dan door Rome opgevat -13, en bevat vele bijzondere weldaden, die langzamerhand in de dogmatiek -breeder werden uitgewerkt maar tot drie groepen te herleiden zijn 14. - -§ 44. _Roeping en wedergeboorte_ bl. 485-511 vormen de eerste groep. -Gelijk God de schepping tot stand brengt door Woord en Geest, zoo -ook de herschepping. Hij roept in zekeren zin reeds door de natuur -(vocatio realis), maar toch vooral door zijn woord (vocatis verbalis) -1, welke roeping algemeen, ernstig en van groote waarde is 2. Maar -de vocatio verbalis zonder meer is niet voldoende en moet daarom op -grond van de H. S. in eene externa en interna onderscheiden worden 3, -en komt in laatstgemelden zin in het nauwste verband te staan met de -wedergeboorte, welke in engeren zin de instorting van het beginsel des -nieuwen levens is 4, en, zonder aan den mensch te kort te doen, het -pelagianisme bij den wortel afsnijdt en de genade, ook in de toepassing -des heils, onverzwakt handhaaft 5. - -§ 45. _Geloof en rechtvaardigmaking_ bl. 511-552. De geestelijke mensch, -die in de wedergeboorte wordt ingeplant, komt te zijner tijd door de -verlichting des H. Geestes tot het geloof, dat, schoon eene gave Gods, -geen den mensch vreemde substantie noch een bovennatuurlijk toevoegsel -is maar hem, in overeenstemming met het nieuwe leven, aan het woord van -Christus bindt 1. Want het draagt in de Schrift een dubbel karakter, -het is een als waarheid aannemen van de apostolische getuigenis -aangaande Christus en het is een persoonlijk vertrouwen op Christus -als machtig, om de zonden te vergeven en alle weldaden der genade te -schenken; en deze beide staan met elkander in onlosmakelijk verband 2. -Ofschoon zij in leer en practijk dikwerf van elkander gescheiden worden, -behooren zij steeds saam te gaan, wijl er eenerzijds geen gemeenschap -aan Christus’ weldaden is dan na en door gemeenschap aan zijn persoon, -en anderzijds deze gemeenschap niet anders tot stand komt dan door -middel van de apostolische getuigenis 3. Van dat geloof is eene der -heerlijkste vruchten de rechtvaardigmaking, welke naar de Schrift niet -eene ethische, maar eene juridische daad is 4, haar grond heeft, niet -in des menschen, in eene ἰδια δικαιοσυνη, maar in eene δικαιοσυνη -θεου, welke in Christus geopenbaard is en gereed ligt, den mensch -door God uit genade wordt toegerekend en zijnerzijds door het geloof -wordt aangenomen 5. Wel wordt deze leer van de justitia imputata sterk -bestreden, maar deze bestrijding komt grootendeels voort uit eene geheel -verkeerde opvatting van de toerekening van Christus’ gerechtigheid 6. -Deze rechtvaardigmaking geschiedt in zekeren zin in het besluit, in de -opstanding van Christus, in de vocatio interna, maar heeft toch naar de -doorgaande voorstelling der H. S. vooral plaats uit en door het geloof -en staat juist als zoodanig tegen die uit de werken over 7. Zij omvat -niet alleen de volkomen vergeving van alle zonden, van schuld en straf -beide, hetgeen echter de dagelijksche belijdenis van schuld en bede om -vergeving niet te niet doet, maar voorts de aanneming tot kinderen en -de toekenning van het recht op het eeuwige leven 8. - -§ 46. _Heiligmaking en volharding_ bl. 553-572. Op de rechtvaardigmaking -volgt de heiligmaking, die er wezenlijk van onderscheiden is, maar -er geen oogenblik van gescheiden mag worden, want Christus schenkt -zichzelven aan de zijnen niet alleen objectief maar ook subjectief (unio -mystica) 1. Deze heiligmaking is in de eerste plaats een werk Gods, -bestaande niet alleen in uitwendige afzondering van de wereld maar ook -in inwendige vernieuwing door den H. Geest, zonder dat deze daarom in -eens of allengs in dit leven reeds hare voltooiing bereiken zou; maar -voorts is zij ook een werk van de geloovigen, in zoover deze op grond -van de ontvangen weldaden geroepen worden, zichzelven te heiligen en -goede werken voort te brengen als vruchten van hun geloof 2. Evenzoo is -de volharding der heiligen eene daad en eene gave Gods, maar die door -de geloovigen zelven heen, in den weg der middelen, zich realiseert, en -daarom hunne zelfwerkzaamheid niet uitsluit maar hun wel rijken troost -en zekerheid biedt 3. - - -VIERDE DEEL. - -HOOFDSTUK IX. OVER DE KERK. - -§ 47. _Het wezen der kerk_ bl. 1-59. De gemeenschap dergenen, die -Christus en zijne weldaden deelachtig zijn, draagt den naam van de -kerk, die hare analogieën bij de heidensche godsdiensten vindt en in -het O. Test. voorbereid werd 1, maar in eigenlijken zin toch eerst -in de dagen des N. T. werd gesticht 2. Na den apostolischen tijd -ontwikkelde zij zich spoedig tot een katholiek, zichtbaar, onfeilbaar, -hierarchisch heilsinstituut 3, zoodat reformatie dringend noodig -was. Luther, Zwingli en Calvijn brachten deze, ieder op eigene wijze -tot stand 4, maar ter linker- en rechterzijde werd door rationalisme -en mysticisme het kerkbegrip vervalscht, zoodat het ook thans nog, -trots vele pogingen tot herstel, aan groote verwarring lijdt 5. De -naam, dien de kerk draagt, duidt haar reeds aan als eene vergadering -van Christgeloovigen, en de Schrift stelt dit op allerlei wijze, onder -allerlei beelden, vooral ook door wat zij zegt aangaande de gemeenschap -der heiligen, in het helderste licht 6. Als zoodanig kan zij in ruimer -en enger zin genomen worden (ecclesia generalis, triumphans, militans, -universalis, nationalis, particularis). Maar nooit sluit zij naar haar -idee de ongeloovigen in, al zijn dezen ook op aarde steeds in de kerk -aanwezig 7. Ook is zij niet als eene vergadering van praedestinati, -perfecti, communicantes, vocati, baptizati te omschrijven, maar als -eene vergadering van geloovigen, welke zoowel eene zichtbare als eene -onzichtbare zijde heeft. Zichtbare en onzichtbare kerk zijn dus geen -twee kerken, zijn niet aan den kring van ongeloovigen en geloovigen -in de kerk, noch aan de kerk als instituut en als organisme gelijk, -maar zijn twee zijden van dezelfde kerk 8. Kenteekenen der kerk zijn -niet de 15 notae, welke Ballarminus opgeeft 9, maar het Woord Gods, -dat in prediking, sacrament, belijdenis, leven bediend en beleden, en -ten onrechte van Roomsche zijde verworpen wordt 10. Want al is met -dit kenteeken de mogelijkheid van groote scheuring en verdeeldheid -der kerken gegeven, ook Rome kan deze niet verhoeden, en de -pluriformiteit der kerk sluit, hoe zondig en smartelijk eenerzijds ook, -toch ter andere zijde een zegen in 11. Daarmede in overeenstemming -hebben de eigenschappen der kerk, eenheid, heiligheid, katholiciteit, -apostoliciteit, onvergankelijkheid en onfeilbaarheid bij ons een anderen -zin dan bij Rome 12. - -§ 48. _De regeering der kerk_ bl. 59-131. De kerk is zonder regeering -niet denkbaar en heeft daarom ook altijd eene regeering gehad. Zij was -altijd tegelijk instituut en organisme 1, zoowel in het O. als in het N. -Test. Het apostolaat is vooral een sterk bewijs voor het institutair -karakter der kerk; en bij dit ambt kwam nog dat van de evangelisten en -profeten, terwijl Petrus onder de apostelen primus inter pares was 2, -en later dat van regeer- en leerouderlingen en van diakenen 3. Deze -aristocratisch-presbyterale kerkregeering ging na den apostolischen -tijd spoedig over in eene monarchisch-episcopale, die nog in vele -kerken heerscht, en bij Rome in eene papale kerkregeering, die in de -onfeilbaarverklaring van den paus hare consequentie trok 4. Beide -deze vormen van kerkregeering zijn echter met de leer der H. S. -over de verhouding van clerus en leeken, over het episcopaat, over -het apostolaat, over Petrus’ primaat, en voorts ook met de oudste -getuigenissen der kerk in strijd 5. De oppositie tegen de Roomsche -hierarchie bracht velen tot verwerping van alle regeering der kerk, -maar ook dit weerspreekt de Schrift, die der kerk een eigen regeering -toeschrijft. Vandaar dat de Gereformeerden deze hebben gehandhaafd in -hare onderscheidenheid van de politieke macht 6. Immers is Christus -het eenige hoofd der gemeente, zoowel van de plaatselijke als van alle -kerken saam. Hij stort er zijne gaven in uit, zalft allen tot profeten, -priesters en koningen 7, en stelt voorts verschillende ambten in, -die niet het orgaan der gemeente zijn, maar hun gezag aan Christus -ontleenen, en die in den weg van vocatie, examinatie en ordinatie -verkregen worden 8. Deze ambten zijn in de kerk wel willekeurig -vermeerderd en van karakter veranderd, maar zijn twee, resp. drie in -getal (leer- en regeerouderlingen en diakenen). - -§ 49. _De macht der kerk_ bl. 132-192. De kerk is, evenals de staat, -eerst na de zonde ontstaan, en van den staat allengs duidelijker -onderscheiden. Zelfs in Israel waren beide, schoon nauw vereenigd, niet -één 1, en in het N. T. gaf Christus aan zijne kerk eene macht, die door -haar geestelijk karakter van die der overheid wezenlijk verschilt 2. Deze -geestelijke macht der kerk ontaardde echter bij Rome in eene juridische, -dwingende macht, die in tegenstelling met het Cesareopapisme der -Grieksche kerk, alle terreinen des levens, ook dat van den staat, -aan zich onderwerpt en dienstbaar maakt 3, en in de plena et suprema -potestas van den paus culmineert. Deze macht, bepaaldelijk de -onfeilbaarheid van den paus, vindt echter niet alleen geen steun in -de Schrift, maar is ook in zichzelve onbepaald, ongegrond, in strijd -met het episcopaat en antichristelijk 4. De Reformatie verwierp daarom -eenparig deze macht, maar ging weer uiteen, inzoover Luther en Calvijn -anders oordeelden over de biecht, over presbyteraat en tucht, over de -verhouding van de kerkelijke en de wereldlijke macht. De onderscheiding -dezer beide laatste machten ging in de eeuwen na de Hervorming hoe -langer hoe meer in eene, althans relatieve, scheiding over 5. Nu is -het echter voor geen twijfel vatbaar, dat Christus aan zijne kerk eene -macht heeft geschonken, die een eigen oorsprong, orgaan, natuur en -doel heeft, en door Romanisme en Anabaptisme evenzeer wordt miskend. -Deze macht der kerk is drieërlei 6, n.l. ten eerste potestas docendi, -dat is, de macht, om het woord Gods te prediken, uit te leggen, te -verdedigen, te belijden 7, ten tweede potestas gubernationis, dat is, -de macht om de gemeente te regeeren 8 en de tucht uit te oefenen 9, en -ten derde potestas misericordiae, dat is, de macht om barmhartigheid -te bewijzen aan de ellendigen 10. Deze macht komt in de plaatselijke -kerk saam in den kerkeraad en voor meerdere kerken in de meerdere -vergaderingen, die reeds van oude dagteekening en voor den welstand der -kerken noodig en goed zijn 11. Met deze macht staat de kerk in de wereld -zelfstandig en vrij, maar haar dienende met de goederen, welke Christus -haar schenkt 12. - -HOOFDSTUK X. OVER DE MIDDELEN DER GENADE. - -§ 50. _Het Woord_ bl. 193-215. Bij de uitdeeling zijner genade bedient -Christus zich van middelen, die door mysticisme en rationalisme ten -onrechte miskend, door Rome verkeerdelijk in absoluten zin opgevat, -maar door de Hervorming, bepaaldelijk door Calvijn in hun rechte waarde -hersteld werden 1. Tot deze genademiddelen behoort in de eerste -plaats het woord Gods, dat ook buiten de ambtelijke bediening werkt 2, -en als genademiddel in wet en evangelie te onderscheiden is 3. Deze -onderscheiding is echter geen onverzoenlijke tegenstelling, gelijk het -antinomisme leert, en evenmin eene wezenlijke identiteit, gelijk het -nomisme wil, want beide verschillen principieel maar gaan toch in de -prediking steeds samen 4. En evenzoo is het woord als genademiddel -noch van de werking des Geestes te scheiden noch ook met deze te -vereenzelvigen. De H. Geest werkt niet sine verbo noch per verbum maar -cum verbo 5. - -§ 51. _De Sacramenten_ bl. 215-252. Het tweede genademiddel is het -sacrament. De naam komt in de Schrift niet voor, was eerst voor -allerlei kerkelijke handelingen en plechtigheden gebruikelijk en werd -eerst in de Middeleeuwen tot een zevental ceremoniën beperkt. Ook de -leer der sacramenten werd eerst door de scholastiek uitgewerkt en -vertoonde hoe langer hoe grootere afwijking van de Schrift 1. Rome -toch verstaat onder de genade, door het sacrament medegedeeld, alleen -de gratia sanctificans, en maakt het sacrament los van het woord -en evenzoo van het geloof. De Hervorming verwierp deze dwalingen -maar droeg toch in de personen van Luther, Zwingli en Calvijn eene -verschillende opvatting voor, die de kerken verdeelde en, trots de -verzwakking van de beteekenis der sacramenten door mysticisme en -rationalisme, nog heden ten dage kerk en theologie uiteen doet gaan -2. Ofschoon de naam van sacrament in de Schrift niet voorkomt, is -hij daarom nog niet te verwerpen. En ook is de behandeling van de -algemeene leer der sacramenten vóór die van doop en avondmaal niet -af te keuren, wijl daardoor het verschil in opvatting duidelijk aan -het licht treedt en de dwaling gemakkelijk ingezien wordt. Volgens de -Schrift zijn de sacramenten teekenen en zegelen van Gods genade en -tevens belijdenisacten des geloofs 3. Als zichtbare teekenen en zegelen -duiden zij aan en bevestigen zij de onzichtbare genade, door God in -Christus geschonken dat is, _dezelfde_ genade, welke ook in het woord -wordt aangeboden, zij het ook op andere wijze 4. Het verband tusschen -teeken en beteekende zaak is niet physisch, corporeel, locaal, maar -een verband van relatie, dat door het woord der instelling tot stand -komt, en, schoon van geestelijken aard, toch niettemin objectief en -reëel is 5. Daarom werken de sacramenten ook niet ex opere operato -maar onderstellen bij den ontvanger het geloof, hetgeen aan hunne -objectiviteit geen afbreuk doet en hunne waarde ongeschonden laat 5. -Het getal der sacramenten bedraagt niet zeven, maar slechts twee, doch -deze twee wegen in waarde tegen het zevental van Rome op 6. - -§ 52. _De Doop_ bl. 252-299. In het O. T. door de besnijdenis -voorbereid, werd de doop op Goddelijken last het eerst door Johannes -aan de Joden bediend. Deze doop van Johannes verschilt niet wezenlijk -van den christelijken doop, maar werd door Jezus overgenomen en vóór -zijne hemelvaart tot alle volken uitgebreid, tot teeken en zegel van de -vergeving der zonden en van de inlijving in Christus en zijne gemeente -2. Na den tijd der apostelen werd hij reeds spoedig met de trinitarische -formule bediend, als een mysterium der inwijding opgevat, met allerlei -ceremoniën omgeven en steeds meer magisch in zijne werking voorgesteld. -Volgens Rome schenkt hij door de innige verbinding van teeken en -beteekende zaak ex opere operato, behalve een character indelebilis, -de heiligmakende genade, die van alle schuld, straf en smet der zonde -bevrijdt 3. De Lutherschen leerden eene soortgelijke nauwe vereeniging -van het water des doops met de Goddelijke genade, en lieten althans -bij kinderen de wedergeboorte tot stand komen door den doop, maar de -Gereformeerden hielden staande, dat de doop, als een sacrament, ook -bij kinderen het geloof onderstelde en rustte op den grondslag van het -genadeverbond. Maar dit verbond werd steeds meer veruitwendigd; en -rationalisme en mysticisme miskenden de waarde van den doop zoozeer, -dat in den nieuweren tijd verschillende pogingen tot handhaving van het -objectief karakter van den doop beproefd zijn 4. De Schrift spreekt -alleen van den doop van volwassenen, en leert duidelijk, dat hij alleen -voor geloovigen ingesteld is en na belijdenis mag bediend worden. Het -teeken in den doop is water, waarin de doopeling ondergedompeld of -waarmede hij besprengd wordt 5. Dit water wordt tot een sacrament door -het woord der instelling, dat in de Schrift niet als eene formule -bedoeld maar toch in de kerk weldra zoo toegepast is, en tusschen -teeken en beteekende zaak wel eene reëele maar geen physische en locale -vereeniging tot stand brengt. De weldaden van den doop zijn in hoofdzaak -vergeving en wedergeboorte 6. Tot hen die recht hebben op den doop, -behooren ook de kinderen der geloovigen. Dit recht werd tegenover de -bestrijders van den kinderdoop op verschillende wijze betoogd 7, en rust -op vele schriftuurlijke gronden 8. Bedienaar van den doop is Christus, -die daarbij van menschen, bepaaldelijk van de leeraars gebruik maakt; hem -bedienen laat in de openbare vergadering der gemeente; op onbepaalde -tijden; in geval van den kinderdoop, in tegenwoordigheid der ouders; aan -alle personen, die nog gerekend kunnen worden te behooren binnen den -kring des verbonds 9. - -§ 53. _Het Avondmaal_ bl. 299-352. Het tweede sacrament is het -avondmaal, dat in het O. T. door het pascha afgebeeld en voorbereid 1, -en in het N. T. door Christus ingesteld werd, tot een teeken en zegel -van de gemeenschap aan zijne offerande op het kruis 2. Dit avondmaal was -spoedig het middelpunt van den christelijken cultus en werd allengs, -vooral sedert de scholastiek, opgevat als eene onbloedige offerande van -het lichaam en bloed van Christus, waaraan de communie ondergeschikt -is 3. De Reformatie verwierp deze Roomsche leer wel eenparig, maar -liep in de positieve uiteenzetting van de leer des avondmaals ver -uiteen. Luther, Zwingli, Calvijn droegen elk een eigen opvatting -voor, die, na hen gewijzigd en verlaten, toch tot den huidigen dag -voortbestaan 4. De namen voor het avondmaal zijn zeer vele in aantal, -maar de beste is die van heilig avondmaal of maaltijd des Heeren, wijl -het een wezenlijke maaltijd is met Christus als gastheer, de leeraars -als zijne dienaren, met brood on wijn tot spijze en drank, in den eersten -tijd met een gewonen maaltijd verbonden, aan eene tafel en niet op een -altaar te vieren 5. Maar deze maaltijd heeft een geestelijke beteekenis, -is niet bloot een gedachtenismaal of een belijdenisacte, doch eene -gemeenschapsoefening door het geloof met den gekruisten Christus. -Wel is Christus niet physisch en locaal in de teekenen aanwezig, -want trans- en consubstantiatie zijn beide om vele schriftuurlijke en -natuurlijke redenen uitgesloten 6. Maar desniettemin is die gemeenschap -met Christus in het avondmaal objectief en reëel, zoo echter, dat zij -van de zijde des ontvangers het geloof onderstelt en juist daardoor als -gemeenschap aan den persoon en aan de weldaden van Christus, versterkt -wordt 7. Evenals de doop, is ook dit avondmaal alleen voor de gemeente -ingesteld, en wel voor gedoopte on levende geloovigen, die belijdenis -van hun geloof hebben afgelegd en niet door de kerk om leer en leven -zijn geweerd 8. - -HOOFDSTUK XI. OVER DE LAATSTE DINGEN. - -§ 54. _De Tusschentoestand_ bl. 353-422. Alle godsdiensten bevatten -eene zekere eschatologie en leeren bepaaldelijk de onsterfelijkheid der -ziel; en de philosophie nam menigmaal dit laatste leerstuk over 1. De -bewijzen, voor de onsterfelijkheid der ziel bijgebracht, hebben tegenover -het ongeloof geen dwingende kracht maar zijn toch als getuigenissen -en rechtvaardigingen des geloofs belangrijk 2. De Schrift bevat ook -wel reeds in het O. T. de leer der onsterfelijkheid, gelijk hare -voorstelling van den Scheol duidelijk bewijst, maar zij voegt daaraan -de veel rijkere openbaring toe, dat het waarachtige leven alleen -verkregen en genoten wordt in de gemeenschap met God, die over dood -en graf triumpheert 3. De latere Joodsche literatuur liet aan deze -openbaring geen recht wedervaren, maar het N. Test. doet nog beter dan -het O. Test. uitkomen, dat de dood eene straf der zonde is, dat de -geloovigen door Christus een leven deelachtig worden, hetwelk verre -boven den dood is verheven, en dat zij, ofschoon na het sterven in -zekeren zin tot het doodenrijk behoorend, toch terstond in een anderen -toestand intreden dan de ongeloovigen 4. De christelijke kerk bleef -eerst bij deze weinige gegevens der Schrift over den tusschentoestand -staan, maar wijdde er meer aandacht aan, naarmate de wederkomst van -Christus toefde, en kwam allengs tot het aannemen van vijf receptacula -aan de overzijde des grafs, onder welke vooral het vagevuur voor den -tusschentoestand van beteekenis is 5. De Reformatie verwierp deze -leer, maar zag spoedig allerlei meeningen over den tusschentoestand -opkomen, zooals die van een voorloopigen toestand, van een purgatorium, -van een zieleslaap, van eene zekere lichamelijkheid der zielen, van -zielsverhuizing en voortgaande loutering, van limbus patrum, limbus -infantum en mogelijke bekeering na den dood 6. De Schrift bevat weinig -over den tusschentoestand, omdat zij, schoon de onsterfelijkheid der -ziel aannemende, vooral het nieuwe leven wil doen kennen, dat Christus -aan het licht heeft gebracht en zonder hetwelk het menschelijk leven -hier reeds op aarde en vooral hiernamaals in den Scheol zijn inhoud en -waarde verliest 7. De leemten, welke de Schrift in onze voorstelling -van den tusschentoestand openlaat, mogen niet aangevuld worden met -menschelijke gissingen, zooals de zieleslaap 8, de lichamelijkheid der -zielen na den dood 9, het blijvend verkeer der dooden met de levenden, -dat dan misoffer, voorbede, heiligenvereering, doodenbezwering en -reliquiëncultus medebrengt, 10. Van de plaats van den tusschentoestand -is weinig te zeggen, maar zeker is, dat er terstond bij den dood een -verschillende toestand intreedt voor geloovigen en ongeloovigen, -waarin geen verandering door bekeering, gelijk velen thans meenen, meer -mogelijk is 11. Ook is de toestand der gestorven geloovigen niet als een -vagevuur te denken, want zij komen naar de leer der Schrift terstond na -den dood in den hemel bij Christus. Ofschoon er dus van eene vereering -der heiligen en van eene voorbede voor de afgestorvenen geen sprake -kan zijn 12, blijft er toch eene gemeenschap der triumfeerende met de -strijdende kerk bestaan. Ook de zaligen in den hemel zijn niet zonder ons -volmaakt; zij zien verlangend uit naar de parousie van Christus, en zijn -ook niet boven alle ruimte, tijd en werkzaamheid verheven 13. - -§ 55. _De wederkomst van Christus_ bl. 422-481. Gelijk er een einde komt -aan het leven van den enkelen mensch, zoo ook aan dat van menschheid -en wereld. De wetenschap bevestigt dat 1, de godsdiensten koesteren -algemeen deze verwachting, en de Oudtest. profetie verkondigt aan -het einde van deze bedeeling de oprichting van het Messiaansche rijk, -dat, rijk aan geestelijke en stoffelijke zegeningen, tot de einden der -aarde zich uitbreiden zal 2. Het O. T. beschrijft in dit Messiaansche -rijk geen tusschenperiode maar een eindtoestand, doch de latere -Joodsche litteratuur ging tusschen een voorafgaand Messiasrijk en een -daarna volgend Godsrijk onderscheid maken en deed zoo de leer van het -chiliasme opkomen, welke ook door vele Christenen, vooral in tijden van -vervolging en druk, werd overgenomen 3. Ofschoon in sommige hoofdzaken -overeenstemmend, zijn de Chiliasten onderling toch zeer met elkander in -strijd en maken zij zich allen bij de uitlegging der Schrift aan groote -willekeur schuldig 4. Reeds het O. Test. doet zelf van de profetie -eene betere verklaring aan de hand, dan het chiliasme ons biedt, en -het N. Test. beschouwt zich als de geestelijke en dus waarachtige -vervulling van het O. Test. 5. Maar niet alleen is het chiliasme met -deze hoofdgedachte der Schrift in strijd, doch voorts, ook met vele -andere gegevens, vooral met de doorloopende verwachting des N. T. -aangaande het Joodsche volk 6, die door enkele plaatsen, vooral Rom. -11:11-32, niet weersproken wordt 7. Voorts verwacht het N. T. nergens -een staat van heerlijkheid en eere voor de gemeente van Christus in deze -bedeeling, maar veeleer toenemende vervolging en druk, waaraan eerst -de eenige wederkomst van Christus een einde maakt 8. Wel is er in Op. -20 van eene duizendjarige binding van Satan sprake. Maar dit hoofdstuk -bevat eigenlijk niets van al wat aan het chiliasme wezenlijk eigen is, -evenmin als andere plaatsen der Schrift 9. En de gebeurtenissen, in -Op. 20 verhaald, vallen niet chronologisch na die der vorige capita, -maar loopen daarmede parallel. Zij bedoelen, het einde ons te schetsen -van de cultuurlooze volken, gelijk de vorige hoofdstukken dat deden -ten aanzien van die natiën, in wier midden het evangelie gepredikt -is en dus de anti-christelijke macht zich ontwikkelen kan 10. Aan de -wereldgeschiedenis maakt dus Christus, wien als Zoon des menschen het -oordeel gegeven is, door zijn tweede komst een einde 11. De tijd dier -wederkomst is in het N. T. niet bepaald, al nemen hare voorteekenen -reeds met den val van Jeruzalem een aanvang. En even sober is de -Schrift in de beschrijving van de wijze, waarop die wederkomst plaats -heeft 12. - -§ 56. _De Voleinding der eeuwen_ bl. 481-529. Met de wederkomst van -Christus begint de Dag des Heeren, welks duur niet te bepalen is. De -eerste gebeurtenis, die daarop plaats grijpt, is de opstanding der -dooden 1, waarbij de identiteit van het opstandingslichaam met het -gestorven lichaam bewaard blijft 2, 3. Dan volgt het gericht, dat over -alle menschen en engelen en over al hun gedachten, woorden en daden -zich uitstrekt 4. De plaats, waarheen de goddeloozen verwezen worden en -eeuwige straffen lijden, is de gehenna. De eeuwigheid der helsche straf -is wel menigmaal op allerlei gronden bestreden en beurtelings door de -leer van het hypothetisch universalisme, van de wederherstelling aller -dingen of van de conditioneele onsterfelijkheid vervangen 5. Maar zij -is in de Schrift vervat, en door de natuur der zonde en de Goddelijke -gerechtigheid geeischt, ofschoon zij zeer verschillende graden in hare -toepassing niet uitsluit 6. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der -wereld, welke in geen vernietiging van hare substantie maar in eene -herschepping van hare forma bestaat 7. Deze vernieuwing der wereld -bewijst, dat de zaligheid niet uitsluitend als eene hemelsche maar ook -als eene aardsche te denken is 8, en niet alleen geestelijke maar ook -stoffelijke zegeningen omvat, welke beide hier wel aanvangen doch eerst -in de eeuwigheid worden voltooid. De gemeenschap met God, die het wezen -der toekomstige zaligheid is en met verstand en wil beide genoten -wordt 9, wordt verhoogd door de gemeenschap der heiligen, wier getal, -ook al omvat het niet alle menschen en al is er over de zaligheid -van Heidenen en jongstervende kinderen weinig te zeggen, toch eene -schare zal vormen, die niemand tellen kan 10, en die zelve allerlei -verscheidenheid van persoonlijkheid, gaven, loon en werkzaamheid insluit -11. - - - - -REGISTER - -van min of meer verklaarde Schriftuurplaatsen. - - Gen. 1 II, 457v. - Gen. 1:1-3 II, 397, 457v, 460, 469, 478. Volgens de - restitutietheorie II, 473; III, 69. - Gen. 1:26, 27 II, 508, 509, 512. - Gen. 2:4{b}v. II, 490. - Gen. 2:7 II, 536, 540. - Gen. 2:17 III, 155, 176, 187. - Gen. 3 III, 35v., 108, 191. - Gen. 3:7v. III, 188. - Gen. 3:9-13 III, 188v. - Gen. 3:14, 15 III, 189, 213. - Gen. 3:16 III, 189. - Gen. 3:17-19 III, 190. - Gen. 3:22-24 III, 190. - Gen. 4:26 IV, 3. - Gen. 6:2 II, 436. - Gen. 9:1-7 II, 560. - Gen. 14:18 IV, 337. - Gen. 18 II, 231. - Exod. 6:3 II, 109v. - Deuteron. 32:8 II, 449. - Joz. 10:12, 13 II, 465v. - 1 Sam. 28 IV, 396v. - 2 Kon. 20:9 II, 465v. - Job III, 32. - Job 33:23 II, 450. - Job 38:7 II, 434. - Ps. 2:7 II, 243. - Ps. 51:7 III, 105. - Ps. 73 III, 32. - Ps. 104:4 II, 437. - Spr. 8:22v. II, 242. - Jes. 53 III, 363. - Jes. 53:11 III, 531. - Jes. 65:20 IV, 433. - Ezech. 16:53-63 IV, 403v. - Ezech. 38 en 39 IV, 462. - Ezech. 40-48 IV, 431, 442v. - Dan. 10:13, 20 II, 449. - Dan. 12:3 III, 531. - Hos. 6:7 II, 547. - Mich. 5:1 II, 243 III, 231. - Hab. 1:4 III, 17. - Zach. 6:13 III, 203. - Mal. 1:11 IV, 337. - - Matth. 5:22 III, 99v. IV, 408. - Matth. 7:12 III, 77. - Matth. 10:23 IV, 477. - Matth. 11:23 IV, 372. - Matth. 12:31 III, 101 - Matth. 12:32 IV, 409, 510. - Matth. 16:18 IV, 4v., 71, 100v., 372. - Matth. 16:19 IV, 135. - Matth. 16:28 IV, 476. - Matth. 18:10 II, 450. - Matth. 18:15-17 IV, 4v., 172. - Matth. 20:1-16 IV, 526. - Matth. 20:28 III, 363. - Matth. 22:30 II, 437. - Matth. 23:37-39 IV, 450. - Matth. 24 IV, 457, 477. - Matth. 24:14 IV, 465. - Matth. 24:29 IV, 477. - Matth. 24:34 IV, 477. - Matth. 26:39-42 III, 355. - Matth. 26:64 IV, 476. - Matth. 28:19 IV, 257, 258v., 270, 274. - Mark. 10:45 III, 363. - Luk. 13:33-35 IV, 450. - Luk. 15:7 II, 450. - Luk. 16:23 IV, 373. - Luk. 21:24 IV, 450. - Luk. 22:19 IV, 338. - Luk. 22:32 IV, 100, 101v. - Luk. 23:34 III, 400, - Luk. 23:43 IV, 373. - Joh. 1:1-18 III, 261. - Joh. 3:5 IV, 295. - Joh. 3:6 III, 105. - Joh. 6 IV, 330, 346. - Joh. 7:39 III, 430. - Joh. 8:44 III, 39. - Joh. 14:18-24 IV, 476. - Joh. 14:28 II, 245. - Joh. 21:15-17 IV, 100, 102. - Handel. 2:39 IV, 287. - Handel. 3:19-21 IV, 451. - Handel. 6 IV, 79v. - Handel. 11:30 IV, 80. - Handel. 13:48 II, 316. - Handel. 14:23 IV, 79. - Handel. 15 IV, 180v. - Handel. 19:1-7 IV, 256v., 258. - Rom. 1:3, 4 III, 415. - Rom. 2:12-16 III, 75. - Rom. 3:25, 26 III, 312, 339, 533. - Rom. 4:17 II, 399. - Rom. 5:12-21 II, 547, III, 75, 109v. - Rom. 7:7-26 III, 106v., 561. - Rom. 8:30 III, 485. - Rom. 9 II, 316v., 318. - Rom. 11:11-32 IV, 452v. - 1 Cor. 3:12-15 IV, 409. - 1 Cor. 5:1v. IV, 173 - 1 Cor. 6:2, 4 IV, 494. - 1 Cor. 6:11 III, 531. - 1 Cor. 7:14 IV, 288. - 1 Cor. 9:9 III, 18. - 1 Cor. 10:2 IV, 258. - 1 Cor. 10:15 I, 336. - 1 Cor. 10:17 IV, 347. - 1 Cor. 10:21 IV, 338. - 1 Cor. 11:10 II, 437. - 1 Cor. 11:30 IV, 346. - 1 Cor. 15:20-28 IV, 467. - 1 Cor. 15:21v. III, 109. - 1 Cor. 15:29 IV, 349, 415. - 1 Cor. 15:35-38 IV, 488. - 1 Cor. 15:45-49 II, 545, III, 65v. - 2 Cor. 3:17 III, 417. - 2 Cor. 5:1-4 IV, 390. - 2 Cor. 5:21 III, 366. - Gal. 3:13 III, 366. - Ef. 1:4 II, 380, 382. - Ef. 1:10 II, 444, III, 406. - Ef. 1:23 III, 417v. - Ef. 2:3 III, 105. - Ef. 4:9 III, 377. - Ef. 4:11 IV, 76v. - Ef. 4:24 II, 509. - Ef. 5:26 IV, 275v. - Fil. 2:5-11 III, 375, 412. - Fil. 3:9 III, 536. - Col. 1:15 II, 245. - Col. 1:19, 20 II, 444, III, 406. - Col. 2:11, 12 IV, 284. - Col. 3:10 II, 509. - 1 Thessal. 4:13-18 IV, 467. - 2 Thessal. 2 IV, 463. - 1 Tim. 2:4, volgens Augustinus II, 321, III 391; volgens de - Semipelag. III, 391v. volg. de Schol. II, 323; III, 393, - vgl. III, 398v. - 1 Tim. 3:6 III, 39. - 1 Tim. 3:15 IV, 167. - 1 Tim. 5:17, 18 IV, 74, 78. - 2 Tim. 3:16 I, 329v., 342. - Tit. 3:5 III, 500. - Tit. 3:7 III, 532. - Tit. 3:10 IV, 174. - Hebr. 1:3 II, 244. - Hebr. 2:10 III, 412. - Hebr. 2:17 III, 182. - Hebr. 5:7 III, 355. - Hebr. 5:9 III, 412. - Hebr. 6:4-8 III, 103, 567. - Hebr. 7:22 III, 204. - Hebr. 10:25-29 III, 103, 567. - Hebr. 11:3 II, 399. - Hebr. 12:22-24 IV, 417. - 1 Petr. 1:23 III, 500v. - 1 Petr. 3:19-21 III, 377, 380, 422, IV, 404v. - 1 Petr. 3:21 IV, 260. - 1 Petr. 4:6 IV, 405. - 2 Petr. 1:19-21 I, 345. - 2 Petr. 2:18-22 III, 567. - 1 Joh. 2:17 IV, 513. - 1 Joh. 5:7 II, 239. - 1 Joh. 5:16 III, 103. - Jud. 6 III, 39. - Openb. van Joh. IV, 460v. - Openb. 1:20v. II, 450, IV, 78, 85, 97. - Openb. 8:3 II, 450. - Openb. 20 IV, 462v. - Openb. 21 en 22 IV, 515v. - Openb. 22:11 III, 532. - - - - -Register van Namen. - - A. - - Abaelard, Over de Schrift I, 311. - Over de voldoening III, 317. - Agobard van Lyon, Over de Inspiratie I, 311. - Alcuinus, I, 79. - Alexandrijnsche Theologen, Hun eigenaardigheid I, 59v. - Alsted, Zijn Theol. naturalis I, 223. - Alting, Jac. Over het lijden van Christus III, 350v, 352. - Ambrosius, I, 71; - over de erfzonde III, 119. - Amesius, Over de Theologie III, 455. - Amyraldus, I 122; II, 341; III, 454. - Anselmus, Zijn methode in ’t alg. I, 82; - zijn voldoeningsleer III, 317v., 349, 411. - Apollinaris, Zijn christologie I, 63; III, 277. - Apologeten, I, 55v., 423v., 445, 484; - over de Heilige Schrift I, 307; - over de Triniteit II, 250v., 405v. - Apostolische vaders, Karakter hunner geschriften I, 52; - over de Heilige Schrift I, 307; - over de Triniteit II, 249; - over den tusschentoestand IV, 375. - Appelius, I, 126. - - Aristoteles, Over de ἀρχαι I, 140; II, 29; - over oorsprong en wezen der zonde III, 42. - - Arius, Over de Triniteit II, 260v.; - over de menschheid van Christus III, 277. - - Arminius, Over de Praedestinatie II, 340; - over den eisch van gehoorzaamheid na den val III, 220. - - Athanasius, Zijn beteekenis voor de Theologie I, 62v., - II, 256; - Over den Heiligen Geest II, 289v. - - Augustinus, Zijn indeeling der dogmatische stof I, 32v.; - beteekenis voor de Theol. I, 72v., - over de menschelijke kennis I, 165v., 168; - over de ongenoegzaamheid der algemeene openb. I, 231; - over de elementen van waarheid in het Heidendom I, 238; - over de wonderen I, 291v.; - over Kerk en Schrift I, 367, 368; - over de noodzakelijkheid der Schrift I, 381; - over de beteekenis v. h. geloof in algem. zin I, 470; - over de onbegrijpelijkheid Gods II, 6; - over ’s menschen kennis van de alg. noodzak, waarheden II, 33v.; - over de essentia Dei II, 79, 80, 87, 175; - over de deugden Gods II, 89, 92, 140; - over de onveranderlijkheid Gods II, 120; - over de alomtegenwoordigh. Gods II, 136; - over de alwetendheid Gods in verband met ’s menschen vrijheid - II, 162; - over de ideeën in God II, 170, 407; - over de schoonheid d. schepselen en de schoonheid Gods II, - 193v., 421v.; - over de almacht Gods II, 225; - over de Triniteit II, 258v., 276, 291, 301v., 539; - over de praedestinatie II, 320v., 334v., 358; - over het getal der engelen II, 433; III, 407; - over de kennis der engelen II, 439; - over het paradijs II, 505; - over den staat van Adam II, 549v.; - over de permissio III, 56v.; - over het privatief karakter der zonde III, 78v., 80; - over de erfzonde III, 119v.; - over het werk van Christus III, 316; - over de particuliere voldoening III, 391; - over de genade III, 436v., 443; - over de volharding III, 565, 566; - over de kerk I, 75; IV, 9v., 32, 262; - over de Sacramenten IV, 218; - over den Doop IV, 252; - over den Kinderdoop IV, 262, 279v.; - over het Avondmaal IV, 313v. - - Augustinus Steuchus, over de alomtegenwoordigheid Gods II, 133; - over de ligging van het paradijs II, 505. - - Aureolus, Zijn Nominalisme I, 84. - - - B. - - Baader, Franz von I, 95. - - Bajus, I, 92. - - Basilius, Over de verhouding van wezen en eigenschappen Gods II, 86; - over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92. - - Baudissin, over de heiligheid Gods II, 185. - - Baumgarten, S. J. I, 101. - - Baxter, Richard I, 118; III, 395. - - Beck, Zijne Theologie I, 15, 108. - - Bekker, Balthazar, over de engelen II, 425. - - Bellarminus, Over de efficacia der roeping III, 497v., tegen de - justitia imputata III, 538v.; - over de ongeloovigen in Bellarminus, de kerk IV, 32v.; - over de kenteekenen der kerk IV 39, 40v., 45v. - - Berti, Over de gratia III, 441. - - Biedermann, Zijn dogmatisch standpunt I, 107, 432. - - Böhl, Over het beeld Gods II, 510. - - Böhme, Over de Drieëenheid II, 266; - over het werk van Christus III, 321. - - Bonaventura, Zijn beteekenis voor de indeeling der dogmatische stof - I, 34; - over de H. Schrift I, 310v.; - over de kennis van God en van de prima principia II, 34v. - - Bonfrerius, Over de inspiratie I, 313. - - Bonnet, Over de wonderen I, 292. - - Boston, Thomas I, 128; III, 395. - - Bourignon, Antoinette, Over het werk van Christus III, 321. - - Bradwardina, I, 87. - - Brahé, J. I, 126; III, 453. - - Bretschneider, I, 102. - - Briggs, Charles I, 139. - - Bruining, Dr. A. I, 185. - - Bull, George III, 454. - - Bullinger, Zijn verschil van Calvijn I, 115. - - Büsching, A. F. I, 15. - - Bushnell, Horace, Over het werk van Christus III, 331. - - Byzantijnsche Theologen I, 67v. - - - C. - - Calixtus, Zijn indeeling van de dogmatische stof I, 40v.; - zijn reactie tegen de scholast. behandeling der Dogm. en zijn - syncretisme I, 100. - - Calovius, Over het object der Theol. I, 7. - - Calvijn, Zijn Institutie I, 38v.; - zijn beteekenis voor de Geref. Dogmatiek I, 112v.; - over de inspiratie I, 315v.; - over het testimonium spir. sancti I, 490v.; - over de nat. Godskennis II, 37; - over de potentia absoluta Dei II, 226; - over de praedestinatie II, 330v.; - in betrekking tot het vraagstuk v. supra- en infralapsarisme - II, 336v.; - over het beeld Gods II, 531; - over de erfzonde III, 125; - over de heilsorde III, 448; - over de kerk IV, 17v.; - als vader v. d. presbyteriale kerkregeering IV, 129v.; - zijn oordeel over afscheiding van de kerk IV, 48; - over de kerkel. tucht IV, 155; - over Kerk en Staat IV, 190v.; - over de Sacramenten IV, 222, 228v.; - over het H. Avondmaal IV, 319v., 330, 342v.; - over den tusschentoestand IV, 380. - - Camero, I, 122; III, 454. - - Campbell, John M. Leod, Over het werk van Christus III, 330. - - Canus, Over den laatsten grond v. h. geloof in de openb. I, 487. - - Cappellus, I, 122, over den tusschentoestand IV, 380. - - Cartesius, Over de aangeboren begrippen II, 30; - over de creatio secunda II, 474; - over het primaat v. d. wil in God II, 124; - zijn Dualisme IV, 356. - - Cassianus, Zie Semipelagianisme. - - Celsus, Als bestrijder van het Christendom I, 53, 317v. - - Chalcedon, Concilie van, over den persoon van Christus III, 241, - 283. - - Chemnitz, I, 99. - - Chrismann, Over de inspiratie I, 313. - - Cicero, Over de aangeboren begrippen II, 30; - over Gods alwetendheid en ’s menschen vrijheid II, 161, 352. - - Clemens Alexandrinus als dogmaticus I, 31, 60. - - Coccejus, Zijn Theologie I, 41v., 121; III, 200v.; - over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134; - over het beeld Gods II, 531. - - Comrie, I, 126; - over rechtvaardigmaking en geloof III, 453; - over de vereeniging van Christus en de gemeente II, 339, 362; - III, 260. - - Crell, Over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134. - - Cremer, B. S. III, 453. - - Cusanus, Over de kennisse Gods II, 9. - - Cyprianus, Over de kerk van Rome in verhouding tot de andere IV, 88. - - Cyrillus, Over de naturen van Christus III, 241, 283. - - - D. - - Damascenus, Zijn Dogmatiek I, 32, 66. - - Darby, J. Over de kerk IV, 22. - - Darmesteter, J. Over de verhouding v. Parzisme en Judaisme II, 425. - - Darwin, Over den oorspr. der religie I, 202; - zijn evolutietheorie II, 492v. - - Delitzsch, Franz, Over het tusschenlichaam na d. dood IV, 391. - - Delitzsch, Friedrich, Over de ligging van het Paradijs II, 506. - - Dionysius, Areopagita (Pseudo), Zijn geschriften I, 66; - over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7; - over den oorsprong der wereld II, 389; - over de hemelsche en kerkelijke hierarchie II, 432v. - - Dippel, J. C. Over het werk van Christus III, 321. - - Doedes, Zijn drieërlei Dogmatiek I, 11; - zijn scheiding van gelooven en weten I, 451; - zijn verdeeling v. d. eigenschappen Gods II, 89; - over den Doop IV, 276. - - Dorner, Over de onveranderlijkheid Gods II, 122v.; - zijn christologie III, 252, 282. - - Durand de St. Porciano, Zijn Nominalisme I, 84. - - - E. - - Ebrard, Karakter zijner Dogmatiek I, 434. - - Edwards, Jon. Sr. I. 137; - over de erfzonde III, 127, 139; - over de onmacht des menschen ten goede III, 150. - - Edwards, Jon. Jr. I, 137. - - Eerde, van Over het uitwendig verbond en de Sacramenten IV, 322. - - Erasmus, Over de inspiratie I, 313. - - Erastus, IV, 155. - - Erigena, Joh. Scotus I, 79v.; - over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7, 400; - over den oorsprong der wereld II, 389. - - Ernesti, Over de ambten van Christus III, 326. - - Erskine, Ralph en Ebenezer I, 128v.; III, 395. - - Erskine, Thomas, Over het werk van Christus III, 330. - - Eunomius, Over het wezen Gods II, 19, 86, 91, 141, 279. - - Eutyches, Over de vereeniging van de naturen in Christus III, 283. - - - F. - - Farrar, F. W. I, 134. - - Feuerbach, I, 106; - over de Godsidee II, 14. - - Fichte, J. G. Over het Godsbegrip II, 13, 17, 82; - over de zedelijke wereldorde II, 17, 59, 82; - over de religio I, 191; - over den persoon v. Christus III, 248. - - Flacius, Over de erfzonde III, 125. - - Frank, Zijn System der christlichen Gewissheit I, 434v., 439v. - - Frohschammer, I, 95. - - - G. - - Gomarus, Over de uitdrukking: unio sacramentalis IV, 235. - - Gotti, Over het wezen Gods II, 81. - - Gregorius, Magnus I, 77. - - Gregorius v. Nyssa, Over de verhouding van wezen en eigenschappen - Gods II, 86; - over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92; - zijn Realisme in de Trin. leer II, 271. - - Grotius, Zijn voldoeningsleer III, 325, 358; - over de verkiezing van kerkedienaren IV, 122. - - Günther, I, 95; - over de bewijsbaarheid der Trin. II, 306. - - - H. - - Halesius, Alexander, Zijn methode in de Theol. I, 82v.; - over het donum superadditum II, 518v. - - Hamelius, Over de inspiratie I, 312. - - Hamilton, William Over de kenbaarheid Gods II, 15. - - Harnack, Zijn strijd met Zahn over de geschiedenis van den N. T. - kanon I, 337; - over de theologische dogmata I, 511, 513v.; - over het Art. „ontvangen van den Heiligen Geest” III, 268v. - - Hartmann, Ed. von, Over h. onbewuste II, 56v., 148, 156v.; - over de heilsorde III, 459v. - - Hase, I, 104. - - Hatch, Edwin, Over de theolog. dogmata I, 135, 511v. - - Hegel, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theol. I, 106, 432, - 436v.; - over de religie I, 187v.; - over de openbaring I, 266; - zijn verdienste en fout I, 436v.; - over de kenbaarheid Gods II, 14, 19; - over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52; - zijn Godsbegrip II, 83, 267; - over de geestel. natuur Gods II, 148; - over den oorsprong der wereld II, 203, 391; III, 47; - zijn dialectische methode en haar tripliciteit II, 300; - over het Jodendom III, 202; - over den persoon van Christus III, 249; - symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327; - over de heilsorde III, 460, 468; - over de Kerk IV, 20. - - Helmholtz, Over de qualitatieve eigenschappen d. dingen I, 147v. - - Herbert van Cherbury, I, 125. - - Hermes, I, 94. - - Herrmann, Over den grond van het geloof in den persoon van Christus - I, 453v. - - Hieronymus, I, 72; - zijn beperking van Gods alwetendh. II, 160; III, 11. - - Hilarius Pictaviensis I, 71. - - Hodge, Ch. I, 138. - - Hoekstra, Zijn aansluiting aan Kant I, 450. - - Hofmann, Over de Dogmatiek I, 434. - - Holden, Over de inspiratie I, 313. - - Holtius, I, 126; III, 453. - - Honert, J. van den, Over geloof en rechtvaardigmaking III, 454. - - Hopkins, Sam. I, 137. - - Huss, Joh. I, 87. - - - I. - - Ignatius, Over het episcopaat IV, 84, 85. - - Irenaeus, Zijn beteekenis voor de Theol. I, 57v.; - over de Trin. II, 253v.; - over de twee naturen in Christus III, 240; - over het werk van Chr. III, 316; - over de kerk van Rome in verhouding tot andere IV, 88; - over den tusschentoestand IV, 376. - - Isidorus, Hispalensis I, 33, 78. - - - J. - - Jacobi, I, 104, 196; - over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52, 60. - - Jansonius, Over het uitwendig verbond en de sacramenten IV, 322. - - Joris, David, Zijn Triniteitsleer, II, 265. - - Justinus, Martyr I, 56; - over de Trin. en de Godheid van Christus II, 250v.; - over de schepping uit niets II, 388; - over het werk van Christus III, 315; - over den tusschentoestand IV, 376. - - - K. - - Kant, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theologie der 19e eeuw - I, 103v., 450v., 481; - over de religie I, 12, 190v.; - zijn postulaats-theorie I, 447v., 480v.; - over de verschillende soorten van zekerheid I, 480v.; - over de kenbaarheid Gods II, 12, 17; - over de bewijzen voor Gods bestaan II, 51v.; - over de Triniteit II, 267; - over de intelligibele daad III, 70; - over het radikale Böse III, 70, 153; - over het Jodendom III, 202; - - over den persoon van Christus III, 247v., 327; - over de heilsorde III, 459; - over de kerk IV, 20; - over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357. - - Karg, (Parsimonius) Over de obed. activa III, 322, 350. - - Karolingische theologen I, 79. - - Keckermann, I, 41. - - Kleman, Zijn orde des heils III, 454, 497. - - Kleutgen, I, 97. - - König, Over het karakter der profetische visioenen I, 255; - over de werkzaamheid des Geestes in betrekking tot de - openbaring I, 256. - - Kuyper, A. Over de genade in den Doop IV, 269. - - - L. - - Labadie, J. de, Over de Kerk IV, 21. - - Leibniz, Over de wonderen I, 292; - over de aangeboren begrippen II, 30v.; - over deze wereld als de beste II, 213. - - Leidenroth, Zijn afleiding van het woord religie I, 171. - - Lessing, Over de Heilige Schrift I, 374, 382. - - Lessius, Over de inspiratie I, 312. - - Leydecker, Zijn indeeling der Dogm. I, 42. - - Liguori, Alphonsus von I, 94. - - Lipsius, Vergeleken met Ritschl I, 109; - zijn theologisch standpunt I, 455v.; - over de engelen II, 426. - - Lombardus, Zijn Sententiae I, 33, 82. - - Lugo, Over den grond van het geloof in de openbaring I, 488. - - Luther, M. Zijn beteekenis voor de Theol. I, 98; - over de rede in religieuse dingen I, 222; - over de inspiratie I, 315; - over de praedestinatie II, 327; - over de verhouding van O. T. en N. T. III, 199; - over de twee naturen in Christus III, 244; - over boete en geloof III, 444v.; - over de Kerk IV, 14v.; - over de regeering der kerk IV, 108v.; - over de ambten in de kerk IV, 119, 128v.; - over de kenteekenen der kerk IV, 44; - over de private biecht IV, 153v.; - over natuur en genade I, 222v.; IV, 155v., 187; - over de Sacramenten IV, 221; - over den H. Doop IV, 264v.; - over het H. Avondmaal IV, 318. - - - M. - - Mansel, Henr. Longueville, Over de kenbaarheid Gods II, 15v. - - Marcion, Over het O. T. I, 317; II, 200; III, 196, 339. - - Mariana, Over de inspiratie I, 313. - - Marshall, Zijn bestrijding van de alg. voldoening III, 396. - - Maurice, Over het werk van Christus III, 331. - - Melanchton, Zijn Loci Communes I, 2, 37, 98; - zijn afwijking van Luther I, 98; II, 327; III, 446; - over de kenteekenen der kerk IV, 44. - - Menken, G. Over de heiligheid Gods II, 185. - - Milligan, W. III, 419. - - Milton, Zijn Arianisme II, 263. - - Molina, Over de praedestinatie II, 326. - - Mosheim, J. L. von I, 101. - - Müller, Max, Over den oorsprong der religie I, 203. - - Musculus, Over het Avondmaal voor kinderen IV, 350. - - - N. - - Nestorius, Over de twee naturen van Christus I, 63; III, 281v.; - over de aanbidding van Christus III, 298. - - Nicea, Conc. van II, 256. - - - O. - - Occam, Zijn Nominalisme I, 84; II, 212. - - Oort, Over de doodenvereering onder Israel IV, 363v. - - Opzoomer, I, 130. - - Origenes, Zijn indeeling van de dogmat. stof I, 32; - zijn theologie I, 60v.; - over praescientia en praedestinatie II, 162; - over de Trin. II, 255; - over de schepping als een eeuwige daad Gods II, 409; - over de oorspronkelijke gelijkheid aller schepselen II, 442, 549; - III, 70; IV, 500; - over de beschermengelen II, 447; - over de wederherstelling aller dingen III, 390; IV, 500; - over het louteringsvuur IV, 377, 500. - - Os, van den, Over het geloof III, 454. - - Osiander, Over het archetype van het beeld Gods in den mensch - II, 535, 542; - over het werk van Christus III, 320, 332. - - Osterwald, I, 127. - - Owen, I, 123. - - - P. - - Pascal, Als verdediger van het Christendom I, 446. - - Payon, Claude I, 123; III, 454, 497. - - Pelagius, Over zonde en genade II, 319v., 349; III, 434v.; - over den status integritatis en het beeld Gods II, 512; - over de erfzonde III, 112. - - Perrone, I, 97. - - Peyrère, Isaac de la, Zijn Praeadamitisme II, 501. - - Pfleiderer, I, 107, - - Philaret, I, 68. - - Philippi, I, 108. - - Philippisten in Duitschland I, 98. - - Philo, Over den naam Ihvh in verband met de onbegrijpelijkheid Gods - II, 4, 80; - zijn Logosleer II, 86, 233v. - - Photius, I, 66. - - Piscator, Over de obed. activa III, 322, 350v. - - Placaeus, I, 122; III, 127. - - Plato, Over de mogelijkheid v. h. leeren II, 29; - over de ideeën II, 85v., 232; - over oorsprong en wezen der zonde III, 42, 46, 70, 129; - over de onsterfelijkheid der ziel IV, 355. - - Plotinus, Over de onbegrijpelijkheid Gods II, 4; - over het worden Gods II, 123, 204. - - Pobedonoszew, IV, 22. - - Poiret, Over het werk van Christus III, 321. - - Porphyrius, Als bestrijder van het christendom I, 54, 318. - - Procopowitsch I, 68. - - - R. - - Ramus, Petrus III, 455. - - Rathmann, H. Over Woord en Geest IV, 211. - - Rauwenhoff, I, 186, 198, 461v. - - Raymund de Sabunde I, 220. - - Reinhard, I, 102. - - Reland, Over de ligging van het Paradijs II, 505v. - - Richer, Over de ambten in de kerk IV, 119. - - Ritschl, Karakter zijner Theol. I, 15, 109v., 452v.; - vergeleken met Lipsius, I, 109; - over de openbaring I, 267; - zijn Godsbegrip II, 84v., 88; - over den persoon van Chr. II, 264; III, 252v., 266; - over de erfzonde III, 43, 113, 115; - over de aanbidding van Christus III, 299; - over het werk van Christus en zijne ambten III, 329v., 335, - 350v.; - over Mark. 10:45 III, 363; - over de vrucht van Christus werk III, 386v., 397, 398; IV, 518; - vergeleken met Schleiermacher III, 387; - over de heilsorde III, 462v. - - Rothe, Over Dogmatiek en Ethiek I, 12; - over de openbaring I, 265; - over het onderscheid tusschen Jezus en de Apost. in hun - verhouding tot de O. T. Schrift I, 340; - zijn speculatieve methode I, 434; - zijn Christologie III, 251v. - - Rufinus, I, 71. - - - S. - - Sabellius, II, 262. - - Sanseverino, I, 97. - - Schelling, Grondgedachte van zijn wijsbegeerte uit de 2e periode - I, 107, 191; II, 203v., 393; - in zijn 1e periode over de openbaring I, 266; - zijn Godsbegrip II, 83, 267; - zijn Trin. leer II, 304v.; - zijn verklaring van den oorsprong aller dingen, II, 304v., 390v.; - III, 47, 169v.; - over de goede engelen II, 426; - zijn polygenisme II, 502; - over Christus, in zijn 1e periode III, 248; - in zijn 2e periode III, 251; - zijn symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327; - over de heilsorde III, 459. - - Scherer, E. I, 131. - - Schleiermacher, Over wezen en karakter v. een dogma I, 4; - over de plaats der Dogm. in de Encycl. I, 9, 45; - over het onderscheid van Dogm. en Eth. I, 12; - zijn Theol. en invloed I, 104v., 433v.; III, 249v.; - over de religie I, 180, 197; - over de openbaring I, 265; - over de inspiratie I, 319v.; - over de H. Schrift I, 383; - zijn subjectief uitgangspunt I, 437v.; - over de kenbaarheid Gods II, 13; - over het symbolisch karakter d. kennisse Gods II, 76; - over de eigenschappen Gods II, 76, 92, 98v.; - over de Trin. II, 267; - over de praedestinatie II, 342; - over de engelen II, 426, 429; - over h. Jodendom III, 202; - over Christus III, 249v., 328v., 354, 371; - over de vrucht van Christus’ werk III, 386v.; - vergeleken met Ritschl III, 387; - over de heilsorde III, 461; - over de kerk IV, 24, 38, 61; - over de onderscheiding van Protestantisme en Romanisme IV, 61; - over de Sacram. IV, 223v., 322; - over den Doop IV, 268; - over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357. - - Scholten, I, 432. - - Schopenhauer, Over het egoisme der menschel. natuur III, 153; - over de heilsorde III, 459. - Zie voorts Pessimisme. - - Schultens, J. J. Over rechtvaardigmaking en geloof III, 454. - - Schultz, Over de heiligheid Gods II, 185. - - Schwally, Over de doodenvereering in Israel IV, 363v. - - Schweizer, Zijn vereenzelviging van Theologia natur. en foedus - operum I, 47v. - - Scotus (Duns, Joh) Zijn bestrijding van Thomas I, 83; - over de kennisse Gods II, 9; - over het wezen Gods II, 81, 89; - over den wil Gods II, 210v.; - zijn bestrijding van de noodzakelijk h. der voldoening II, 211; - III, 317, 366v.; - over de werking der sacramenten IV, 239. - - Servet, Over de Triniteit II, 266. - - Shedd, I, 138; III, 497; - zijn Realisme in de leer d. erfzonde III, 131 - en van Christus III, 371v. - - Sherlock, Th. Zijn Tritheisme II, 264. - - Smith, Henry I, 139. - - Socrates, Over oorsprong en wezen der zonde III, 42. - - Sohm, IV, 152v. - - Spencer, Herbert, Zijn Agnosticisme II, 15v. - - Spener, Zie Pietisme. - - Spinoza, Zijn bestrijding van de openbaring I, 279; - over de substantie II, 127, 134; - over de attributen der subst. II, 91; - over den oorsprong d. wereld II, 390; - over de onsterfelijkh. d. ziel IV, 356. - - Stade, Over het begrip חטא in het O. T. III, 75, 95; - over de doodenvereering in Israel IV, 363v. - - Stancarus, Over het werk van Christus III, 322, 332v. - - Stead, W. T. I, 134. - - Stearns, Lewis I, 139. - - Stoa, Haar Logosleer II, 232; - over den oorsprong der zonde III, 42. - - Strausz, D. F. I, 106v., III, 249; - over de engelen II, 426. - - Suarez, Over den grond des geloofs in de openbaring I, 487v. - - Swedenborg, Over de Triniteit II, 267; - over de engelen II, 426; - over het werk van Christus III, 321v. - - - T. - - Tertullianus, Zijn beteekenis voor de Theol. I, 57v.; - over de natuurl. Godskennis II, 33; - over de lichamel. natuur Gods II, 146v.; - over de Triniteit II, 254v., 276; - over de twee naturen van Christus III, 240v.; - over het werk van Christus III, 316; - over de kerk v. Rome in verhouding tot andere IV, 88; - over den kinderdoop IV, 279. - - Theodoretus, Zijn indeeling van de dogmatische stof I, 32. - - Thomas, Zijn Summa I, 34v.; - over de virtutes en de religie I, 177v.; - over het geloof v. d. articuli mixti I, 220v.; - over de H. Schrift I, 309v.; - over de kennisse Gods II, 8v.; - over de voorzienigheid Gods II, 347v.; III, 6; - over de voldoening III, 317v.; - over de superabundantie der vold. III, 367; - over de noodzakelijkheid der gratia interna III, 439. - - Thuijnen, van, III, 453. - - Til, Sal. van, Over de Theol. naturalis I, 43. - - - V. - - Victorinus Rhetor I, 71. - - Vincentius Lerinensis, Over de kenmerken der traditie I, 402. - - Vinet, Alex. I, 131; - als verdediger van het Christend. I, 447. - - Vlak, III, 454. - - Voetius, Zijn bestrijding van Cartesius’ leer der ideae innatae - II, 38. - - Vorstius, Over de eenvoudigh. Gods, II, 141; - de onveranderlijkh. Gods II, 121; - over de menschvormige natuur Gods II, 147. - - Vrolikhert, III, 453. - - - W. - - Wegscheider, I, 102; - over de openbaring I, 280. - - Weismann, Over de herediteit, III, 141. - - Wernle, Paul, Over de heiligmaking III, 558. - - Wette, de, Zijn dogmat. standpunt I, 104. - - Whiston, W. Zijn Arianisme II, 263. - - White, Edward (Als voorstander v. d. Condit. onsterfelijkheid) - IV, 502. - - Wiclif, I, 87. - - - Z. - - Zinzendorf, Zie Herrnhuttisme. - - Zwingli, Als Geref. dogmaticus I, 112; - over de inspiratie I, 315; - over de zaligheid van Heidenen I, 232; IV, 196, 522; - over de praedestinatie II, 330; - over de causae secundae III, 26; - over de onzichtbare en zichtbare kerk IV, 17; - zijn Dualisme IV, 155; - over de uitoefening der kerkel. macht IV, 155; - over de Sacramenten IV, 221v.; - over het H. Avondmaal IV, 318v. - - - - -Register van Zaken. - - A. - - Aanbidding van Christus, III, 298v. - - Aanbod der genade, Strijd daarover in Schotland III, 395; - algemeenheid III, 399, 488v. - - Aangeboren begrippen, I, 159; II, 29v. - - Aanneming tot kinderen, III, 551v. - - Aanschouwing Gods, II, 150v.; IV, 519. - - Aarde als middelpunt der Schepping, II, 466. - - Ἄβυσσος, IV, 374. - - Acceptilatie in de voldoening van Christus, III, 367v. - - Actus purissimus, van God gebezigd. II, 123. - - Adam en Christus, vergeleken naar hun natuur en persoon II, 545v.; - III, 65v., 258. - Als verbondshoofden II, 563v.; III, 134v., 226v., 351, 361, 373, - 547. - - אֲדֹנָי, II, 105. - - Adoptianisme, II, 244. - - Afscheiding van de kerk. Oordeel van de Geref. daarover. IV, 48, - cf. 52. - - Ἀγαπαι, in de eerste Chr. kerk IV, 216, 311. - - Ἀγεννησια, als person. eigenschap van den Vader II, 279v. - - Agnosticisme, II, 15v. - - Αιων οὑτος en μέλλων in het N. T., IV, 482. - - Αἰωνες, als naam der wereld II, 420v. - - Αἰωνιος, in het N. T. IV, 498, 503v. - - Almacht Gods II, 222v. - - Alomtegenwoordigheid Gods II, 132v. - - Ambt der geloovigen IV, 117v. - - Ambten van Christus III, 313v., 334v., 353v. - - Ambten in de kerk. Ontstaan IV, 73v.; - karakter IV, 119v.; - aantal IV, 126v.; - verhouding tot de gaven IV, 63. - - Amerika, Gesch. v. d. Dogmatiek in I, 135v. - - Anabaptisme, over natuur en genade, I, 222; IV, 20, 162, 186; - over de H. Schrift, I, 381v.; III, 198; IV, 209v.; - over de Trin. II, 265; - over het beeld Gods II, 512; - over de menschel. natuur van Christus III, 275v.; - over de kerk IV, 20; over de kerkelijke macht en tucht IV, 155, - 162; - over de Sacramenten IV, 223; - over den kinderdoop IV, 282v., 289. - - Analogia fidei bij de uitlegging der H. Schrift I, 398v. - - Analytische indeeling der Dogmatiek. Zie Dogmatiek. - - Andover position, in Amerika IV, 500. - - Anglikaansche kerk IV, 87. - - Anthropologisch bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel IV, 361v. - - Anthropomorphieten in de Chr. kerk, II, 147. - - Anthropomorphisme in de openbaring Gods I, 228v., 268v., 358; - II, 65v., 536. - - Antichrist IV, 464. - - Anti-geologische theorie tot verzoening van Schrift en - natuurwetenschap, II, 474v. - - Antinomianisme over de satisfactio vicaria III, 365; - over de heilsorde III, 451v., 467v., 525, 527, 553; IV, 209; - over de wet IV, 203v. - - Antinomianisme in Engeland I, 118; III, 453. - - Ἀποκαλύπτειν en φανερουν I, 244v. - - Apologetiek I, 429v.; - waarde daarvan bij Rome I, 424v. - - Apostolaat I, 334v.; IV, 64v., 69v., 99v.; - in ruimeren zin IV, 66v. - - Apostoliciteit der kerk IV, 57v. - - Ἀρχή, in de Philos. I, 140; - in de H. Schrift en Theol. I, 141. - - Arianisme II, 260v., 262v., 309, 401, 404. - - Aristotelisch-ptolemeische wereldbeschouwing II, 464. - - Armenie-hypothese over de ligging van het Paradijs II, 505v. - - Arminianisme in Engeland I, 117v.; - in Nederland I, 120. - - Atheisme II, 25v. - - Atomen in het Materialisme II, 394v. - - Aufklärung in Duitschland I, 102. - - Augustinianen in de Roomsche kerk, I, 93; - over de praedestinatie II, 326; - over de genade III, 441, 497. - - Autoritas historica et normativa der H. Schrift. Zie Gezag der - H. S. - - Avesta, over den val der menschen, III, 40. - - Avondmaal, IV, 299v.; - viering in de 1e Chr. kerk IV, 216, 311; - opvatting bij Rome IV, 249, 315v.; - instelling IV, 302v., 340v.; - als offer opgevat IV, 312v.; - bedienaren IV, 324v.; - plaats van bediening IV, 327v., 348; - wijze v. bediening IV, 328v., 348; - in private woningen IV, 327, 350; - voor kinderen IV, 348, 350v.; - en Doop IV, 344, 350v. - - - B. - - Baptisme in Engeland, I, 123v. - - ברא I, 396; IV, 512. - - Barmhartigheid Gods II, 180v.; - in de hel II, 362, 365; IV, 510. - - Bath-Kol bij de Joden I, 252. - - Bedeeling des O. V., Eigenaardigheid III, 176, 213v., 229; IV, 443v. - - Bediening des Woords, IV, 165v.; - bij Rome IV, 138v., 163. - - Beeld Gods als naam v. d. 2{en} persoon II, 244v., 511; - niet de engelen, maar de mensch, II, 442v., 542, 568; - leer v. b. II, 508v.; III, 82v.; - grens van het, II, 557; III, 64v.; - in hoeverre verloren door de zonde III, 82v., 165v. - - Beeldenstrijd in de 8e en 9e eeuw I, 66. - - Begrafenis van Christus III, 377. - - Begraven, Het, in Israel IV, 364; - in ’t algemeen, IV, 485. - - Begrippen, Hun verhouding tot de werkelijkheid, I, 166v. - - Bekeering, III, 480v.; - eisch van IV, 206v. - - Belijdenis, Als onvolledige uitdrukking van het geloof der kerk, - I, 5v.; - verhouding tot de Schrift, I, 25; IV, 168; - tot de Dogmatiek, I, 27; - geen kenbron der Dogmatiek, I, 26v. - - ברית, III, 192v. - - Beschermengelen, II, 447v. - - Besnijdenis in het O. T., IV, 252v.; - overgang in den Doop, IV, 284v. - - Besnijdenis van Christus, III, 375. - - Besprenging in den Doop, IV, 272v. - - Bestaan Gods als onderstelling der religie, I, 209v. - - Bewijzen voor Gods bestaan, II, 48v. - - Bezetenen onder het N. T., III, 184v. - - Biecht, Zie Boete. - - Bijgeloof, I, 247; III, 180v. - - Bisschoppelijk ambt, bij Rome enz. IV, 9v., 96v., 126v.; - ontstaan, IV, 82v.; - kritiek, IV, 96v.; - verh. tot andere ambten, IV, 127v.; - tot den Paus, IV, 147v., 150v.; - bij somm. Geref., IV, 99, 130. - - Bloed van Christus, III, 377. - - Boek des levens, II, 314v., 318. - - Βουλή, van den wil Gods gebruikt, II, 315. - - Boete in de 1e Chr. kerk, III, 434; - bij Luther, III, 444v., 480; - bij de Geref., III, 480; - als sacrament in de Roomsche kerk, IV, 139v., 163v., 170, 249. - - Boom der kennis des goeds en des kwaads, II, 559; III, 35v. - - Boom des levens, II, 559. - - Borgtocht van Christus, III, 204v. - - Bovennatuurlijk, Opvatting in de Theol., I, 222, 273v. - - Breedkerkelijke partij in Engeland, I, 133v. - - Buddhisme, III, 41, 426; IV, 2. - - - C. - - Calvinisme, II, 371v. - - Calvinistische Theologie in Frankrijk, I, 113, 122v., 127, 131; - in Nederland, I, 114, 116, 125v., 129v.; - in Engeland en Schotland, I, 114v., 117v., 123v., 128, 132v.; - in Duitschland, I, 115, 130; - in Amerika, I, 135v. - - Canonisatie in de Roomsche kerk, IV, 400. - - Cartesianisme in de Theol. I, 120v. - - Catechese, bij de Reform. IV, 352. - - Causa sui, op God toegepast, II, 122, 123, 124. - - Causae secundae, III, 22, 25v. - - Cesareopapisme, IV, 189; - in het Oosten, IV, 142. - - Chaldeeuwsche Genesis, II, 388. - - Character indelebilis bij Rome, IV, 241v. - - Charismata in de gemeente IV, 29, 117; - verhouding tot de ambten, IV, 63. - - Cherubim, II, 430v. - - Chiliasme, IV, 436v. - - Chochma bij Israel, II, 169. - - Christendom, in betrekking tot het Heidendom, I, 240, 247v.; - III, 228v.; - en natuurwetenschap, II, 422v., 465; III, 23v.; - volgens Rome, II, 528v. - - Christus, Is hij causa electionis? II, 380; III, 356; - als object van praedestinatie en electie II, 382v.; - in zijn relatie tot de engelen II, 444v.; III, 405v.; - zijn zondeloosheid, III, 145, 295v., 366; - zijn persoon, III, 228v.; - zijn Godheid, III, 239, 264v.; - zijn ontvangenis van den H. Geest, III, 268v, 272v.; - als Davidide, III, 274; - als openbaring Gods, III, 342; - zijn menschheid, III, 275v., 287v., 291v.; - zijn getuigenis over het O. T., I, 333; III, 295; - zijn werk, III 302v.; - zijn verhouding tot de Wet, IV, 201v.; - heeft Hij ook iets voor zichzelven verdiend? III, 312v., 411v.; - in de nieuwere Theol. en Philos., III, 247v., 276, 328. - - Chronologie der Schrift, II, 470v., 488. - - Clerus bij Rome, IV, 86, 95v., 126v.; - indeeling, IV, 127v. - - Coadamitisme, II, 501. - - Coccejanisme, I, 121. Zie voorts Coccejus. - - Communicatio apotelesmatum, III, 290. - - Communicatio charismatum, III, 290. - - Communicatio idioimatum, III, 290: - bij Rome en de Lutherschen, III, 243v., 290v. - - Communisme, II, 561. - - Concilie van Constanz, I, 87. - - Concilie van Trente, I, 88; - over de verhouding van bisschopp. en pauselijk ambt, IV, 147. - - Concordistische theorie tot verzoening van Schrift en - natuurwetenschap, II, 473v., 479. - - Concupiscentia, III, 86v., 125; - bij Augustinus, III, 86, 120; - bij Rome, III, 86, 122; IV, 277. - - Concursus, III, 8, 16, 20v., 25v.; - verschillende opvatting in de Roomsche Theol., III, 11v. - - Confucianisme, III, 41. - - Congruisten in de Roomsche kerk, I, 93; III, 441, 497v. - - Constantinopel als mededingster van Rome, I, 70; IV, 90v. - - Creatianisme, II, 565v.; - met het oog op de voortplanting der erfzonde, II, 567; III, 144. - - Creatio prima et secunda, II, 459. - - Cultus Dei en religie bij de Geref., I, 179, 182. - - Cultuur en religie, I, 201. - - - D. - - Dag des Heeren in de profetie, I, 261v.; IV, 427, 481; - in de Joodsche Theol. en het N. T., IV, 481v. - - Δαιμων, als naam Gods, II, 103. - - Darwinisme, II, 492v., 513v.; - als polygenisme, II, 502, 506v.; - beteekenis voor de handhaving van de eenheid van het menschelijk - geslacht, II, 503. - - David als theocratisch koning, III, 230. - - Decretum horribile, van Calvijn, II, 371. - - Deisme, Alg. karakter, I, 17; II, 308; III, 13v.; - over de religie I, 194; - over de eeuwigh. Gods, II, 128; - over de alomtegenwoordigh. Gods, II, 134, 137v.; - over de voorzienigh. Gods, III, 11v.; - over de causae secundae, III, 26; - over den oorsprong der zonde, III, 43v. - - Deisme in Engeland, I, 124v.; - betreffende het histor. karakter der openb., I, 297; - over de genoegzaamh. der alg. openb., I, 232. - - Determinisme, in zijn onderscheiding van de praedestinatie, - II, 341v.; III, 9v. - - Deugden Gods, II, 78v.; - als hypostasen opgevat, II, 85v.; - in verh. tot het wezen Gods, II, 86v.; - subjectieve opvatting, II, 91v.; - indeelingen, II, 95v. - - Deugden der Heidenen en ongeloovigen, I, 238v.; III, 149, 152, 210v. - - Διαθηκή in LXX en N. T. III, 195. - - Diakonaat, IV, 78v., 165, 177v.; - bij Rome, IV, 128. - - Διακονία, in het N. T. IV, 80. - - Dicta duriora bij Augustinus en de Geref., II, 372v.; III, 57v. - - Δικαιοσυνή θεοῦ bij Paulus, III, 533v. - - Diocese bij Rome, IV, 85. - - Doctorenambt, IV, 130. - - Dogma, I, 3v.; - ontstaan v. h., I, 514v.; - volg. Harnack en Hatch, I, 511v. - - Dogmatiek, Naam I, 1v.; - formeel begrip, I, 6; - materieel begrip, I, 6v.; II, 1; - plaats in de Encyclopedie, I, 9v.; - methode, I, 14v.; - indeeling, I, 31v.; - geschiedenis, I, 51v.; - kerkelijk karakter, I, 14, 23; - persoonl. karakter, I, 28v.; - kritische richting in de I, 16v. - - Dogmatische terminologie, I, 528; II, 268; IV, 225. - - Δόξα, II, 191. - - Donatisme, over de lapsi IV, 139. - - Donum superadditum bij Rome; - in de engelenwereld, II, 441; - bij de menschen, II, 517v., 555. - - Dood als straf der zonde, III, 176v.; IV, 367, 372, 383, 505; - voor de geloovigen, IV, 411v. - - Dood van Christus. Zie Kruis, werk van Christus. - - Doodenvereering in de versch. godsdiensten, IV, 392; - in Israel, IV, 363v. - - Doodenvragen in de H. S., IV, 395v. - - Doop, IV, 252v.; - in verband tot de wedergeboorte, IV, 197v., 266, 290v.; - tot het Avondmaal, IV, 344v., 350; - van Joh. den Dooper, IV, 254v., 447; - bedienaren, IV, 293v.; - plaats v. bediening, IV, 295v.; - tijd van bediening, IV, 296v.; - wettigh., IV, 299; - objecten, IV, 299; - bij Rome, III, 442; IV, 248, 262v., 270, 275, 277. - - Doop van Christus, III, 375. - - Doopgetuigen, IV, 297v. - - Δουλεια en λατρεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v. - - Drie. Getal in natuur en Schrift, II, 298v., 311. - - Drieëenheid, II, 227v.; - in verband met de eenvoudigheid Gods, II, 144v.; - met de leer v. d. mensch, II, 539; - als onderstelling van de vleeschwording, III, 254v.; - belang voor de heilsorde, III, 469v. - - Droomen als openbaringsmiddel, I, 253v. - - Dualisme op metaphys. gebied in betr. tot den persoon van Christus, - III, 278v.; - van gelooven en weten in de N. Theol., I, 463v., 482, 512; - II, 456. - - Duidelijkheid der Schrift. Zie Schrift. - - Duivelen, III, 90v.; - aard hunner zonde, III, 92v.; - macht over de wereld, III, 199v. - - Duizendjarig rijk. Zie Chiliasme. - - - E. - - Ebionitisme over Christus, III, 240; - over Zijn werk, III, 320; - over de toekomst, IV, 375. - - אֵל, II, 104. - - ברית, II, 104, 228. - - אֵל שַׁדַּי, II, 106. - - Eenheid der kerk, IV, 7v., 31, 53v. - - Eenvoudigheid Gods, II, 88, 94, 140v. - - Eeuwigheid Gods, II, 128v., 412. - - Eeuwigh. en tijd, II, 128v., 410v., 412v. - - Eigennamen Gods, II, 102v. - - Eigenschappen Gods. Zie Deugden Gods. - - Eigenschappen der Schrift. Zie Schrift. - - Ἐκκλησία. Beteekenis en gebruik, IV, 4, 6, 25, 448. - - Εκλογή, II, 316. - - Emanatie-leer, II, 400v., 414. - - Empirisme, I, 151v. - - Engel des Heeren. Zie Malak Ihvh. - - Engelen, II, 425v.; - als bemiddelaars der openbaring, I, 249; II, 428, 445, 454; - gedacht als bewoners der planeten, II, 426v.; - getal, II, 431, 433; - bestaan, II, 425v.; - namen, II, 429v.; - rangorde onder de, II, 432v.; - hun schepping, II, 434v.; - geestelijke natuur, II, 435v.; - verschijningen, II, 437; - redelijke natuur, II, 438v.; - zedel. natuur, II, 440v.; - vergeleken met de menschen, II, 442v., 567v.; - dienst en werkzaamheid, II, 445v.; - voorbede, II, 448v.; IV, 394, 398; - vereering, II, 451v.; - heeft Christus iets voor hen verdiend? II, 444v.; III, 405v.; - zijn zij leden der kerk, II, 445; IV, 30v.; - beteekenis v. h. geloof aan de II, 428, 451v. - - Episcopaat. Zie Bisschoppelijk ambt. - - Episcopale stelsel van kerkregeering, IV, 82v., 96v. - - Επισκοποι en πρεσβυτεροι, IV, 74v., 97v. - - Erfelijkheid volgens de nieuwere wetenschap, III, 140 v. - - Erfzonde, III, 108v.; - bij Rome, II, 525,; III, 116, 121v. - - Ervaring als bewijs voor de waarheid der religie, I, 458v. - - Esseners. Hun Eschatologie, IV, 371. - - Essentia, als aanduiding v. h. wezen Gods, II, 270; - Dei, bij de kerkvaders, II, 79, 87, 117. - - Ethicisme, I, 191v. - - Ethiek, Verb. tot de Dogmatiek, I, 12v. - - Evangelie en Wet, IV, 201v.; - bij het eindgericht, IV, 492v. - - Evangelieprediking aan de overzijde van het graf, IV, 382, 402v., 499. - - Evangelisten in het N. T., IV, 67v. - - Evolutie theorie, I, 236v., 345; II, 491v., 513v.; - over het bederf des menschen, III, 153v. - - Examinatie, IV, 123v. - - Expromissio en fidejussio, III, 204. - - Extase bij het profetisch visioen, I, 255, 256. - - - F. - - Fatum. Zie Noodlot. - - Fidejussio en expromissio, III, 204. - - Fides implicita bij Rome, I, 518v. - - Filioque. Strijd over het, tusschen het O. en het W., II, 291v. - - Foederalisme in de leer der erfzonde, III, 131v. - - Formula Concordiae, I, 99; - over de praedest. en wilsvrijheid, II, 328v.; III, 446. - - Fundamenteele Artikelen bij do Prot. I, 520v. - - Future probation theorie in Engeland, IV, 500. - - - G. - - Gabriel, II, 431. - - Gallikanisme, I, 403. - - חַטָּאת, III, 74v., 95. - - Gaven, geestelijke. Zie Charismata. - - Geest, Heilige II, 246v., 285v.; - als principe der openb. I, 256v.; II, 230v.; - als principe d. schepping, II, 228v., 405; - zijn uitgang, II, 246v., 287v.; - zijn persoonlijkh. en Godh., II, 247, 285v.; - bij den mensch in den staat der rechtheid, II, 540v.; - zonde tegen den, III, 101v.; - werkzaamheid in betr. tot de menschel. natuur van Christus, - III, 268v., 272v., 416v., 430, 471v.; - in betrekking tot de uitverkorenen, III, 430v., 469v., 556v.; - IV, 342; - uitstorting op den Pinksterdag, III, 217, 430v.; IV, 5; - zijn werking ten opz. van het Woord, IV, 209v.; - als uitdeeler v. d. gaven in de kerk, IV, 29. - - Geest des menschen, II, 537; - en ziel, II, 537v. - - Geestenverschijningen, IV, 395, 396v. - - Geestelijke natuur Gods, II, 145v. - - Geestelijke wereld, II, 424v.; - beteekenis v. h. geloof daaraan voor de religie, II, 428, 454v. - - Geestelijk leven in verh. tot natuurlijk en zedelijk leven, IV, 188. - - Gehenna, IV, 374, 495. - - Gehoorzaamh. van Christus. Dadelijke, - Zie obedientia activa. Lijdelijke, - zie obedientia passiva. - - Geloof in alg. zin, I, 469v.; III, 514; - in relig. zin, I, 174, 181v., 472v.; III, 450, 514v.; - als princ. internum v. d. rel. openb. Theol. I, 468v.; - opvatting in de eerste Chr. kerk, I, 475v.; - bij Rome, I, 476, 523; III, 442, 521v.; - in de Reform. I, 477v., 523; III, 522; - en Theologie I, 509v.; - bij Christus, III, 294v., 515; - eisch van IV, 206v.; - in verh. tot de rechtv. making, III, 452v., 535v.; - beteek. voor de Sacramenten IV, 241v., 344. - - Geloofsstandpunt, onmisbaar voor den dogmaticus, I, 467v., 524. - - Gelooven en weten, I, 463v., 483v. - - Gelooven op gezag, I, 374v., 376v. - - Gemeenschap der heiligen, IV, 28v., 520v.; - der strijdende en triomf. kerk, IV, 417v., 520. - - Gemeente en kerk, IV, 25v.; - haar beteekenis en invloed in de regeering der kerk, IV, 73, 79, - 122v., 180v. - - Gemeente godsdienstoefeningen in den apost. tijd en verv. IV, 215v., - 311. - - Genade Gods, II, 181; - hare openbaring terstond na den val, III, 155, 187v., 207v.; - geen tegenstelling van de gerechtigheid Gods, II, 200v.; - III, 339v., 346v., 381v. - - Genade, III, 474v.; - karakter bij Rome, II, 524, 528; III, 443v., 475v.; - bij de Geref. III, 476v., 508v; IV, 187v.; - alg. zie gratia communis; voorber., zie gratia praeparans. - - Generatie v. d. Zoon, II, 282v.; - in verband tot de schepping, II, 282, 310v., 401; III, 257. - - Geologie over de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, II, 469v., - 482v.; III, 208; - verschil met de openb. II, 470v.; - waarde v. d. II, 477. - - Geologische perioden, Bezwaren daartegen, II, 482v. - - Gerechtigheid Gods, II, 194v; III, 157, 340, 533. Vgl. ook genade - Gods. - - Gerechtigheid bij menschen, II, 197v.; III, 427. - - Gereformeerden, verschil van de Lutherschen, I, 111; II, 328, 418; - schakeeringen onder hen, I, 115; II, 331v.; - over de Heid. religies, I, 239; - over de inspiratie, I, 315v.; - over de onbegrijpelijkh. Gods II, 10v.; - over de nat. Godskennis, II, 37v.; - hun omschrijving Gods, II, 81v.; - over de praedestinatie, II, 330v., 358v., 373; - over het beeld Gods, II, 531, 535; - over den staat der rechtheid, II, 557v.; - over de erfzonde III, 126v.; - hun verbondsleer, III, 199v.; - hun Christologie, III, 246, 291v., 294, 300v.; - over de particul. voldoening, III, 394v.; - over het koningschap van Christus, III, 424; - over de heilsorde, III, 447v., 463v.; - verschillen met het oog op de heilsorde, III, 452v.; - over de kerk, IV, 16v.; - over de kenteekenen der kerk, IV, 44; - over de onderscheidene ambten in de kerk, IV, 130v.; - over de macht der kerk, IV, 153v., 164v.; - hun verwerping van de biecht, IV, 154, 170; - over de genademiddelen, IV, 196v., 199; - over de wet, IV, 208; - over de verhouding van Woord en Geest, IV, 210v.; - over de Sacramenten, IV, 226v., 236v.; - over den Doop, IV, 265v., 275v.; - over den Kinderdoop, IV, 281v., 297, 298; - over het Avondmaal, IV, 321, 331v., 341v.; - over den tusschentoestand, IV, 380; - over de vroegsterv. kinderen, IV, 523. - - Gereform. Dogmatiek. Geschiedenis I, 111v, vgl. Dogmatiek. - - Gevoel als kenbron der Dogmatiek, I, 16v.; - als zetel der religie, I, 195v. - - Gevoelsrichting in Duitschland in de 18e eeuw, I, 104. - - Geweten, III, 164. - - Gezag in gezin en maatschappij, I, 376; - in wetenschap en kunst, I, 377; - in religie en Theol. I, 378v. - - Gezag der Heilige Schrift. Zie Schrift. - - Giesseusche en Tubinger theologen over de exinanitio Christi - III, 245. - - עֶלְיוֹן, II, 105. - - Gnesio lutheranen in de 16e eeuw, I, 98v. - - Gnosimachi, I, 509. - - Gnosticisme, I, 54v.; - over de Schrift, I, 380; - over de onbegrijpelijkh. Gods, II, 4; - over het Oude Test., III, 196v.; - over de schepping, II, 401; - over Christus, III, 240, 275; - over het werk van Christus, III, 320; - over de kerk, IV, 9; - over de Eschatologie, IV, 375v. - - God, als de Wordende in de panth. philos., II, 122, 124v.; - als de Zijnde, II, 115v.; - als Geest, II, 140v.; - als Licht, II, 155v.; - als de Heilige, II, 176v.; - als Souverein, II, 202v.; - afleiding v. d. naam, II, 103; - als nomen personale v. d. eersten persoon, II, 240v.; - toegepast op den Zoon, II, 245v.; III, 239, 264v., 266v. - - Godheid van Christus. Zie Christus. - - Godsbegrip, Geschied. v. h. II, 78v. - - Godsdienstwetenschap, nieuwere I, 183v.; - methode, I, 185v., 208v.; - over den oorsprong der religie, I, 204v., 236v.; - over oorspr. karakter v. h. Heidendom, I, 236v. - - Goede, Het II, 177. - - Goede werken, III, 564v., 571v. - - Goedertierenheid Gods, II, 180. - - Goedheid Gods, II, 176; - in abs. zin als volmaaktheid, II, 178; - voor anderen, II, 179v.; - als motief der wereldschepping, II, 415v. - - Goedheid des menschen, II, 539v. - - Gottschalksche strijd, II, 322v. - - Graden in de zonde, III, 89v.; - in de helsche straffen, IV, 421v., 510; - in de toek. zaligheid, IV, 421v., 526v. - - Gratia communis bij de Geref. I, 239; - III, 2O7v.; - IV, 188, 384. - - Gratia praeparans, III, 493v. - - Gratia praeveniens bij Rome, II, 326; III, 439, 440v. - - Grieksche kerk. Haar karakter en Theol. I, 68v.; - II, 292v., 319, 539; - III, 116, 242; - over de nederdaling ter helle, III, 378; - over de kerkelijke macht, IV. 153, 164. - - Gronden des geloofs. Moeilijkheid v. h. onderzoek daarnaar, I, 418v.; - volg. de histor. apolog. bewijsvoering, I, 420, 423v.; - volg. de speculatieve bewijsvoering, I, 420, 431v.; - volg. de ethisch psycholog. bewijsvoering I, 420, 444v.; - in de Christ. kerk en Theol. I, 484v. - - Groninger Theologie, I, 129; - haar Godsbegrip, II, 84; - over Christus’ werk, III, 330, 354. - - Grootheid Gods, II, 194. - - - H. - - Haat Gods, II, 196. - - הָדָר, II, 191. - - Hades in het N. T., IV, 372v. Vgl. verder Scheol. - - Haeresie. Zie ketterij. - - Handoplegging, III, 306; IV, 124v. - - Hart des menschen, II, 538v. - - Hattemisten, III, 452. - - Hebreën, III, 452. - - Heerlijkheid Gods, II, 191v. - - Heidendom, Oorspr. en kar. volg. de Schrift, I, 234v.; III, 425; - volg. de nieuwere godsdienstwetenschap, I, 236v.; - elementen van waarheid in het, I, 238v., 247v., III, 228v.; - vergeleken met de rel. v. Israel, I, 247v., III, 211v.; - met het Christendom, I, 240, 247v. - - Heidenen. Mogelijkheid hunner zaligheid, I, 232; IV, 522v. - - Heilig, als attribuut van personen en zaken, II, 186; III, 557. - - Heiligen, als daad Gods, II, 186v. - - Heiligheid Gods, II, 184v. - - Heiligheid der kerk, IV, 54v. - - Heiligmaking, III, 553v.; IV, 411; - in betrekking tot de rechtvaardigmaking, III, 431v., 540, 553v.; - volkomene, bij den dood, IV, 411v. - - Heiligverklaring in de Roomsche kerk. Zie Canonisatie. - - Heilsorde, III, 425v. - - Hellenistisch Grieksch in het N. T., I, 348, II, 236. - - Helsche straffen, IV, 496v. - Vergel. Gehenna. - - Hemel in de H. Schrift, II, 434v. - - Hemelvaart van Christus, III, 410v. - - Herediteit. Zie Erfelijkheid. - - Herrnhutisme, I, 101; II, 266v.; III, 300, 321, 457v.; IV, 21. - - Hexaemeron. Zie Scheppingsdagen. - - Historische boeken des O. T., I, 327. - - Historisch-kritisch onderzoek der H. Schrift in verb. met de - inspiratie, I, 318v., 340v., 360. - - הוֹד, II, 191. - - Hoog-kerkelijke partij in Engeland, I, 133. - - Huisgemeenten, IV, 6, 73, 116. - - Huwelijk als Sacr. bij Rome, IV, 250. - - - I. - - Ideäe innatae. Zie Aangeboren begrippen. - - Ideale theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetensch., - II, 471v., 476. - - Idealisme. Zie Rationalisme. - - Ideën in ’t alg., II, 171v.; - in God, II, 170v. - - IJver Gods, II, 197. - - Ἱλασμος en καταλλαγη, III, 313, 381v., 524. - - Immanentie Gods. Physische en ethische, II, 138v. - - Independentisme, I, 123; IV, 21v., 115, 116, 183. - - Indifferentisme, (religieus) I, 174, 184v. - - Infralapsarisme. Zie Supra- en Infralapsarisme. - - Inspiratie, I, 306v.; - in ruimeren zin, I, 251; - subsequens, I, 313; - als negatieve assistentie des H. Geestes, I, 313; - alleen v. h. religieus-ethische bij Rome, I, 313; - onder de Protest, I, 318v., 349, 351v.; - realis bij Rome, I, 314; - dynamische, I, 319v., 351 v.; - organisch op te vatten, I, 346v.; - bezwaren tegen de, I, 353v. - - Irvingisme, IV, 23. - - Islam over praedest. en wilsvrijheid, II, 318; - over de verlossing, III, 425v.; - over den Mahdi, IV, 426. - - Israel, godsd. v. vergeleken met andere. I, 247v.; III, 211v.; - Kerk en Staat in, IV, 3, 132v.; - toekomst v. volgens het O. T., IV, 426v.; - volgens het N. T., IV, 446v.; - vgl. ook Bedeeling des O. Verbonds. - - - J. - - יָהּ, II, 110. - - יהוה, II, 107v., 116. - - Jahvisme en volksgodsdienst in Israel, IV, 364. - - Jakobus en Paulus over de rechtvaardigmaking, III, 546v. - - Jezuïten, Hun invloed op de schol. beoefening der Theol., I, 91, 97; - Hun leer v. d. inspiratie, I, 312v.; - v. d. scientia media, II, 162v. - - Jezus, Beteekenis v. d. naam, III, 332. - Vgl. verder Christus. - - Johannes de Dooper, IV, 254v. - - Joodsche Theologie over inspiratie en traditie, I, 306v.; - over de versch. hypostasen en sefiroth Gods, II, 86, 127, 147, - 234; - over den oorsprong der zonde, III, 41, 45, 112; - over den tusschentoestand, IV, 370v.; - over de toekomst van Israel, IV, 436v. - - Judaisme, III, 196. - - Judas, Zijn tegenwoordigheid bij het Avondmaal, IV, 347. - - Justitia originalis, II, 526v., 532, 540. - - - K. - - כָּבוֹד יה, II, 191. - - Kant, Laplace’sche hypothese, II, 467v. - - Καταλλαγή en ἱλασμος, III, 313, 381v., 524v. - - Katholiciteit der kerk, IV, 8v., 55v. - - Kennisse Gods als inhoud der Dogm. I, 6v.; II, 1v., 77v.; - haar grondslag: openbaring II, 22v., 24v., 40, 41, 45; - niet adaequaat, II, 5, 25, 73, 75v.; - niet symbolisch, II, 76v.; - ingeschapene, II, 24v.; - verkregene, II, 44v. - - Κενωσις, Leer v. d., in de nieuwere Theologie, II, 122v., III, 252, - 283v. - - Kerk, Haar wezen, I, 422; IV, 1v.; - zichtbare en onzichtbare, IV, 15v. 33v., 37v.; - als instituut, IV, 34v., 60v., 197v.; - kenteekenen, IV, 38v.; - gedeeldheid, IV, 41v., 49v.; - eigenschappen, IV, 53v.; - ware en valsche, IV, 47v., 52; - regeering, IV, 59v.; - macht, IV, 132v.; - belijdend karakter, IV, 168v.; - in haar verhouding tot de Schrift, I, 24, 304, 363v., 366v., - 380, 383, 385, 424v.; IV, 39, 43v., 195; - als grond v. h. geloof aan de Schrift, bij Rome, I, 424, vgl. 431; - IV, 39v.; - hare roeping in betr. tot de uitlegging der Schrift, I, 399; - IV, 167v.; - in hare verhouding tot de Theol., I, 517, 525; - tot den Staat, zie Staat; - tot het Godsrijk, IV, 27; - tot de wereld, IV, 186v. - - Kerkenorde, Beteekenis, IV, 110. - - Kerkeraad, IV, 127, 179v. - - Kerkvaders, Over de Heilige Schrift, I, 308v. - - Kerkverband, IV, 115. - - Kerspelvorming, IV, 116v. - - Ketterdoop, IV, 299. - - Ketterij, IV, 52. - - Kinderdoop, IV, 265, 278v. - - Kinderen, jongstervende. Hun toekomstig lot. Zie zaligheid. - - Knecht des Heeren bij Jesaja, III, 231v., 308v. - - קדשׁ, II, 185. - - Koningschap Gods, III, 2v., 28v. - - Koningschap onder Israel, III, 230. - - Koninkl. ambt van Christus, III, 335v., 421v.; IV, 111v.; - als Materialprinzip v. d. Geref. kerkregeering, IV, 113v. - - Koninkrijk Gods in de profetieën, IV, 435v.; - in de Joodsche Theol. IV, 436v.; - bij Jezus, III, 233v., 429; IV, 447v., 514; - en kerk, IV, 27. - - Kopernikaansche wereldbeschouwing, II, 465. - - Kosmogonieën der Heidenen, II, 387v., 457. - - Kosmologisch bewijs voor het bestaan van God, II, 54v. - - Kritiek, nieuwere, Over de bondsidee, III, 191v.; - over het O. Test. in ’t alg., III, 202v. - - Kruisdood van Christus, III, 376v. - - Kunst en religie, I, 199v. - - Κυριος, als naam Gods, II, 103, 113. - - - L. - - Lankmoedigheid Gods, II, 181. - - Lastering tegen d. H. Geest, III, 101v. - - Λατρεια en δουλεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v. - - Leeraarsambt, IV, 76v., 166v. - - Leger des heils, IV, 22. - - Leven in de H. Schrift, IV, 356, 367v., 383, 384v., 505. - - Levens van Jezus. Oordeel daarover, III, 374v. - - Levensduur, langere, der menschen vóór den zondvloed, III, 208. - - Lezen der Schrift, door de leeken bij Rome, I, 394, 396. - - Libertinisme, III, 55. - - Lichaam des menschen, II, 541v.; - vereeniging met de ziel, II, 541v. - - Lichamelijkheid der gestorven zielen, IV, 381, 389v. - - Licht, van God gebruikt, II, 155, 192v.; - natuur van het II, 460v. - - Liefde Gods, II, 183v.; - en de voldoening van Christus, III, 357, 381v. - - Liefde in de gemeente, IV, 30, 169. - - Lijden, het, in betr. tot de regeering Gods, III, 32v., als straf - der zonde, III, 159v., 167v. - - Lijkenverbranding, IV, 485. - - Limbus infantum bij Rome, IV, 378, 421. - - Limbus patrum bij Rome, IV, 378, 421; - bij anderen, IV, 382. - - Loci, Beteekenis dezer uitdrukking in de Roomsche Theol., I. 2. - - Loci Communes, Beteekenis bij Cicero, I, 1; - als naam d. Dogmatiek, I, 2. - - Logos, als benaming van Christus in de Schrift, I, 339; II, 234v., - 241v., 283, 407v.; - bij de Stoa, II, 232; bij Philo, II, 233v.; - bij de Apolog., II, 405; - opgevat als de wereldidee, II, 405v. - - Loon in de H. Schrift, II, 553v.; III, 563v.; IV, 526v. - - Lot als openbaringsvorm, I, 252. - - Luthersche Dogmatiek, Geschiedenis, I, 98v. - - Lutherschen, Verschil van de Geref., I, 110v.; II, 328v., 418, 556v., - 567v.; III, 446v.; - verwantschap met de Remonstranten, II, 329v.; - over de duo hemisphaeria, I, 223; II, 35v., 534v.; III, 152; - IV, 156, 187; - over de cognitio Dei insita, II, 36v.; - over de deugden Gods (indeeling), II, 98; - over de praedestin., II, 328v.; - over het beeld Gods, II, 529v., 530v., 534v., 556v., 565, 567v.; - over de erfzonde, II, 567, 569; III, 125v.; - over de verhouding van O. en N. Test., III, 199; - over de twee naturen in Christus, III, 244v., 290, 294, 350, - 412v.; - over de aanbidding van Christus, III, 300; - over de nederdaling ter helle, III, 379; - over de verhooging van Christus, III, 412v.; - over de heilsorde III, 446v.; - over de kerk, IV, 23; - over de regeering der kerk, IV. 108v., 128v., 156, 164; - over het episcopaat, IV, 99; - over de genademiddelen, IV, 196; - over de wet, IV, 207v., vgl. II, 556; III, 350; - over Woord en Geest, IV, 210v.; - over de Sacram. IV, 228, 232, 235v., 242, 243; - over den Doop, IV, 264v., 271, 281; - over het Avondm., IV, 318, 331v., 341v.; - over den tusschentoestand, IV, 379v.; - over de wederkomst van Christus, IV, 480. - - Λύτρον, van Christus gebruikt, III, 363. - - - M. - - Magie, I, 246. - - Mahdi, volgens het Mohammedanisme, IV, 426. - - Majesteit Gods, II, 194. - - Mal’ak Ihvh, I, 250; II, 229v. - - Manicheisme, II, 388; III, 54. - - Mantiek, I, 246. - - Maria, III, 261v.; Haar onbevlekte ontvangenis, volg. Rome - III, 145v. 262v.; - haar voortdurende virginiteit, III, 271. - - Marrow Controversy in Schotland, I, 128; - III, 395v. - - Materialisme, I, 285; II, 391, 392v., 394v., 419v.; - over het zedelijke leven, II, 59. - - Mensch De, Vergeleken met de engelen, II, 442v., 567v.; - met de dieren, II, 490, 557v.; - zijn oorsprong, II, 490v.; - ouderdom, II, 498v.; - eenheid, physisch en ethisch, II, 500v., 563v., 568v.; - III, 129v.; - oorspronk. woonplaats, II, 504v., 543; - wezen, II, 508v.; - heerschappij over de aarde, II, 543v.; - zijn verhouding tot de natuur, volgens de christelijke - wereldbeschouwing, II, 422v.; III, 24v.; - zijn bestemming, II, 545v.; - verlossingsvatbaarheid, III, 188. - - Menschwording van den Zoon, III, 253v.; - als centrum der openbaring, I, 268, 269; III, 257v.; - buiten de zonde, II, 406; III, 258v.; - voorbereiding daartoe, III, 210v, 211v., 256v.; - in haar verband tot de religie, III, 285v.; - was ze een vernedering? III, 291, 375. - - Meritum ex congruo bij Rome, II, 324, 356; III, 442. - - Messiasverwachting in de profetieën, III 230v., 308v.; IV, 427v.; - in de apocr. litteratuur, III, 232v.; - bij de Joden in Jezus’ dagen, III, 232v. - - Metaphysisch bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel, IV, 360v. - - Methodisme, I, 132; III, 458, 466v., 481v., IV, 21v. - - Michael, II, 431. - - Middelaarschap van Christus, III, 332v.; - van eeuwigheid, III, 206, 334. Vgl. verder verbond der genade, - werk van Christus. - - Middelen der genade, IV, 193v. - - Mis in de Roomsche kerk, IV, 249, 317, 337v.; voor gestorvenen, - IV, 317, 349. - - Modernen in Nederl., I, 129v.; - ethische, I, 192, 451; - hun Godsbegrip, II, 84; III, 13; - hun positie tusschen creatie en evolutie, II, 514v.; - over het werk van Christus, III, 328; - over de heilsorde, III, 460. - - Molinisten, I, 93; - over de praedestinatie, II, 326, 327; - over den concursus, III, 11; - over de genade, III, 441v. - - Monarchianisme, I, 61. - - Monisme, I, 285v. - - Monophysitisme in het Oosten, I, 64, III, 242. - - Montanisme, I, 381; III, 320; - over de kerk, IV, 9; - over de lapsi, IV, 139. - - Morale indépendante, I, 192, II, 59. - - Moreel bewijs voor het bestaan Gods, II, 58v.; - voor de onsterfelijkh. der ziel, IV, 361v. - - Moreele theorie over het werk van Christus, III, 329, 358v., 364. - - Motazelieten, II, 318. - - Motiva credibilitatis in de Roomsche Theol. I, 36, 424v., 485v. - - Μυστηριον, I, 530v.; IV, 217. - - Mysterien volg. Rome, I, 221; IV, 217. - - Mysticisme, I, 380v.; II, 34, 39, 539; III, 320v., 450v.; IV, 193, - 195v. - - Mystiek in de Middeleeuwen, I, 85v.; - vgl. Mysticisme. - - Mystische theorie over het werk van Christus, III, 320v., 328, 358v., - 364. - - - N. - - Naam Gods in de H. Schrift, II, 62v. - - Naturalisme, I, 227; - over de bijzondere openb., I, 279v.; - over het beeld Gods, II, 513v. - - Naturen, Twee, van Christus, III, 240v., 279v. - - Natuur, De, en hare orde volgens de theistische wereldbeschouwing, - I, 259, 273, 286v., 290v.; II, 420v.; III, 10, 21v.; - invloed van den val des menschen op de, II, 548v., 558, 560v.; - III, 173v.; - als kenbron der Theologie, Zie Theol. naturalis. - - Natuur en genade, I, 240v., 278v.; II, 534v.; III, 471, 476v.; - IV, 155v., 186v.; - bij Rome, I, 276v.; II, 524; III, 475v.; IV, 162, 186, 248; - bij de Luth. II, 534v.; - in het Anabapt. I, 222; IV, 162, 186, 289. - - Natuurwetenschap en Christendom, I, 289v.; II, 422v., 465; III, 23v. - - Natuurwetten, I, 287v.; III, 21v. - - Navolging van Christus. Opvatting daarvan in de chr. kerk, III, 349, - 434. - - Nederdaling ter helle, III, 377v.; - bij de Lutherschen, III, 379, 413. - - Ned. Geloofsbelijd., Art. 15, IV, 277. - - Neokantianisme, I, 109; II, 15, 84. Vgl. verder Ritschl. - - Neolutheraansche opvatting v. d. werking der Sacr., IV, 224; - van den Doop, IV, 268; - v. h. Avondmaal, IV, 322v., 334v., 346. - - Neonomianisme in Engeland, I, 118; III, 454, 455; - in ’t alg. in betr. tot de heilsorde, III, 454v. - - Neo-Scholastiek na Trente, I, 88v.; - in de 19e eeuw, I, 97. - - Nestorianisme, III, 281v. - - New-England Theology in Amerika, I, 137, 138; III, 127, 326, 396. - - Nieuw-Jeruzalem, IV, 515. - - Nieuw-Testament, Gezag, I, 333v.; - over het Oude Test., I, 329v. - Vgl. verder Bedeeling des O. V. en Oude Testament. - - Nominalisme in de Middeleeuwen, I, 83v., 166; - over de kennisse Gods, II, 9; - over Gods wil en macht, II, 210v., 224v. - - Nomisme, III, 553; IV, 203v., 209. - - Nooddoop, IV, 294v. - - Noodlot, III, 9v. - - Noodzakelijkheid der Schrift. Zie Schrift. - - Novatianisme over de lapsi, IV, 139. - - - O. - - Obedientia activa van Christus, III, 349v.; vgl. met de obed. - passiva, III, 361v. - - Obedientia passiva van Christus, III, 353v.; vgl. met de obed. - activa, III, 361v. - - Oecumenische conciliën, IV, 92, 182. - - Offerande, Oorsprong en wezen, III, 303v.; - bij Israel, III, 305v., 362v.; - - van Christus, III, 311v., 364; IV, 338. - - Offermaaltijden, IV, 300v. - - Oliesel, heilig, bij Rome, IV, 249. - - Onafhankelijkheid Gods, II, 116v. - - Onbegrijpelijkheid Gods, II, 1v. - - Onderdompel. bij den Doop, IV, 272v. - - Oneindig. Opvatting in de N. Phil., II, 17, 20, 127, 144. - - Oneindigheid Gods, II, 126v. - - Onfeilbaarheid van de kerk en den Paus bij Rome, I, 364, 387, 403v. - 406; IV, 58v., 94v., 144v.; - van de kerk in goeden zin, IV, 59. - - Onmacht des menschen ten goede, III, 147v., 477v. - - Onschuld der kinderen, III, 114. - - Onsterfelijkh. van den eersten mensch, II, 542v.; - van de ziel, IV, 353v., 384; - conditioneele, bij de kerkvaders, IV, 356, 501; - in den nieuweren tijd, IV, 501v. - - Onthouding van de kelk in het Avondmaal bij Rome, IV, 336. - - Ontologisch bewijs voor het bestaan van God, II, 53v.; - voor de onsterfelijkheid der ziel, IV, 359v. - - Ontologisme, I, 96; II, 31, 35. - - Ontvangenis van den Heiligen Geest. Zie Christus. - - Onveranderlijkheid Gods, II, 119v.; III, 382; - in verband tot de schepping, II, 409v. - - Onzienlijkheid Gods, II, 150v. - - Oordeel, Laatste, IV, 490v. - - Oostersche kerk en Theologie in onderscheiding van de Westersche, - I, 69; II, 289v.; III, 242; IV, 90, 142; - invloed op het Westen, I, 71v.; III, 242v. - - Openbare Belijdenis, IV, 352. - - Openbaring. Begrip, I, 217v.; - verh. tot de religie, I, 175v., 210v., 215v., 226; II, 428; - altijd supranatureel, I, 218, 225; II, 428; - in zekeren zin ook natuurlijk, I, 290v.; - onderscheiding in de, I, 219v.; - volgens de Schrift, I, 224v.; - altijd middellijk, I, 228; - Algemeene I, 229v.; - Bijzondere I, 244v.; - middelen, I, 245v.; - begrip, I, 263v.; - bovennat. kar. I, 273v.; - bestrijding door het Naturalisme, I, 279v.; - historisch karakter, I, 268, 297v., 371v.; - menschelijk kar., I, 228v., 268v., 348v., 358; II, 65v.; - verhouding tot de Schrift, I, 299v.; - tot de natuur, I, 278, 289v.; - geschied. der, I, 270, 302v., 421. - - Opleiding van dienaren des Woords, IV, 167. - - Opstanding van Christus, III, 409v. - - Opstanding der dooden, IV, 482v. - - Opzieners. Zie ouderlingenambt. - - Ordinatie tot het ambt, IV, 124v.; - bij Rome, IV, 125, 138, 139, 249v. - - Orthodoxe Theol. in Duitschl. in de 19e eeuw, I, 108. - - Oude Testament. Gezag bij Israel, I, 306v., 328; - bij Jezus en de Apostelen, I, 307, 329v.; - citaten in het N. Test., I, 329, 331v.; - gesch. van het, in de Chr. kerk, in zijn verhouding tot het N. T., - III, 196v.; IV, 203; - verhouding tot het N. T., I, 332; III, 206v., 216v.; IV, 202, - 443v., 513v. - - Ouderlingenambt. Instelling, IV, 74v.; - taak, IV, 75v., 169v.; - verkiezing door de gemeente, IV, 79; - bij Rome, IV, 127v.; - bij de Luth. IV, 129; - bij de Geref, IV, 129v. - - Ουσία, Gebruik van dit woord in de Theol., II, 269, 271. - - Overheid als regeerder der kerk volgens de Lutherschen enz., - IV, 108v., 111, 160v., 189. - - Oxforder beweging in Engeland, I, 133. - - - P. - - Pactum salutis, III, 203v., 256; - verh. tot het Genadeverbond, III, 221v. - - Palaeontologie, II, 485v.; III, 174. - - Pantheisme. Alg. karakter, I, 17, 149, 285; II, 121v., 227, 308, - 392v.; III, 278v.; - over de religie en openb., I, 194, 216; - over de onveranderlijkh. Gods, II, 121v.; - over de eeuwigh. Gods, II, 129; - zijn Godsbegrip, II, 20v., 82v., 91, 127, 144; - over het bewustzijn - - Gods, II, 156v.; - over de geestel. natuur Gods, II, 146, 148; - over den oorspr. der dingen, II, 388v., 392v., 409, 411v., - 414v., 419v.; - in betrekking tot het Voorzienigheidsgeloof, III, 9; - tot de causae secundae, III, 25v.; - Dualisme in het, III, 278. - - Papale stelsel, I, 403v.; IV, 87v., 144v, 189v. - - Paradijs, II, 504v.; IV, 373. - - Parochie bij Rome, IV, 115. - - Paroesie. Zie wederk. van Christus. - - Parzisme, Verh. tot het Judaisme, II, 425; - over oorsprong der zonde, III, 41, 54; - over de toek., IV, 426. - - Pascha. IV, 299v. - - Pasi-tigris hypothese over de ligging van het Paradijs, II, 505. - - Paulus als Apostel, I, 335v.; IV, 65v. - - Paus. Zijn primaat, I, 403v.; IV, 87v.; - zijn macht, I, 407; IV, 143v.; - Vgl. verder onfeilbaarheid, Papale stelsel. - - Pelagianisme, II, 319v., 349v., 371, 377v., 512, 513v., 539; - III, 43v., 63v., 112, 136, 464v., 496, 505v.; - over de genoegzaamh. der algem. openb., I, 232; - over den wil Gods, II, 220; - over de volgorde der besluiten, II, 333v. - - Peremtoir examen, IV, 123, 124. - - Permissio, II, 334, 336v., 363v.; III, 31, 55v. - - Persoon in de Triniteitsleer, II, 273v. - - Persoonlijk karakter der Dogmatiek. Zie Dogmatiek. - - Persoonlijkh. Gods, II, 17, 21v.; - in verband tot de geestelijke natuur Gods, II, 150. - - Pessimisme, III, 47, 55, 169v.; IV, 425. - - Petrus als Apostel, IV, 71v.; - zijn primaat volg. Rome, IV, 93v., 100v.; - zijn verblijf in Rome; IV, 103. - - Phariseën. Hun eschatol. denkbeelden, IV, 371. - - Phraseologia sacramentalis, IV, 238v. - - Pietisme in Duitschl., I, 100v.; III, 456v.; - in de Geref. kerk, III, 455v.; - beoordeeling, III, 466v., 481v.; - over de kerk, IV, 21. - - Pilatus, Pontius als rechter v. Jezus, III, 376. - - Plaatselijke kerken in hare verh. tot de algem. kerk, IV, 7, 32, - 114v.; - hun gelijkheid, IV, 115. - - Plaatsvervanging op zedelijk gebied, III, 134v., 369v. - - Planeten. Zijn zij bewoond? II, 426v. - - Poetische boeken des O. T., I, 327v. - - Polygenisme, II, 501, 502. - - Potentia absoluta Dei, volg. het Nominalisme, II, 212, 224; - volg. de Geref., II, 226, 373. - - Potestas docendi der kerk, IV, 165v.; - bij Rome, IV, 138v., 163. - - Potestas gubernationis, IV, 164v., 169v. - - Potestas juris-dictionis bij Rome, IV, 139v. - - Potestas misericordiae, IV, 165, 177v. - - Potestas ordinis bij Rome, IV, 139. - - Praeadamitisme, II, 501, 502. - - Praedestinatie, II, 316v.; - plaats in de Dogmatiek, II, 332v.; - complete en incomplete sumpta bij Rome, II, 325. - - Praedestinatio gemina, II, 323, 335, 358, 365, 369, 372. - - Praedestinatus, Het boek, II, 322, 324. - - Praeexistentianisme, II, 564v.; III, 70v., 129. - - Praeparatoir examen, IV, 124. - - Praescientia Dei, II, 161v.; - in verband met ’s menschen vrijheid, II, 161v., 351v. - - Πρεσβυτεροι en ἐπισκοποι in het N. T., IV, 74v., 97v. - - Presbyterale kerkregeering, IV, 129v. - - Priesterschap, III, 302; - van Christus, Zie werk van Christus. - - Princeton College en Theology in Amerika, I, 138. - - Principium. Beteek. dezer uitdr. in de Philos., I, 141; - in de Theol. I, 141; - essendi der Theol., I, 141v.; - cognoscendi der Theol., I, 142v.; - externum en internum, I, 143v.; - in de wetenschap, I, 145v.; - in de religie, I, 171v.; - externum der Dogm., I, 24v., 215v.; - internum, I, 416v. - - Προγνῶσις, II, 316, 351. - - Proefgebod in het Paradijs, II, 555, 558v. - - Profeten des O. T., Hun zelfbewusth. I, 323v.; - hun schrijven, I, 324v.; - hun verh. tot de Thora, I, 325; - hun geschiedbeschrijving, I, 327, vgl. Profetie. - - Profeten in het N. T., IV, 68. - - Profetie, I, 251v., 323v. - - Profetiën des O. T. over Israels toek. en herstel, IV, 426v., 441v. - - Profetisch ambt van Christus, I, 257v.; III, 310v., 388; - in de verhooging, III, 418. - - Προορισμος, II, 316. - - Προσωπον, als aanduiding van de 3 personen, II, 273v. - - Προθεσις, II, 316. - - - Q. - - Quakerisme, I, 124; III, 321, 401, 403; IV, 21v.; - over de Sacr., IV, 223, 267. - - - R. - - Raad des vredes. Zie Pactum Salutis. - - Raad Gods, II, 313v. - - Ratio ratiocinans et ratiocinata. Beteek. dezer onderscheiding, - II, 75, 93. - - Rationalisme in de kenleer, I, 145v. - - Rationalisme der 18e eeuw, I, 101, 427v.; III, 451; - verschillende vormen, I, 279v.; - over de openb. I, 280v.; - over de kenbaarh. Gods, II, 11v.; - over de heilsorde III, 451; - over de kerk, IV, 20; - over de Sacram., IV, 223; - over het Avondm., IV, 322. - - Realisme in de Erkenntnistheorie, I, 157v.; - in de verklaring d. erfzonde, II, 569; III, 129v.; - in de beschouwing van het lijden van Chr., III, 371v. - - Reatus culpae et poenae bij Rome, III, 162. - - Reatus potentialis et actualis bij de Geref. III, 162, 549. - - Recht en religie, II, 84v.; III, 345v. - - Rechtsorde, II, 201; III, 157v., 346v. - - Rechtvaardigmaking, III, 529v.; IV, 410; - in haar verhouding tot het geloof, III, 452v., 481v., 522v., - 535v., 544v. - - Rede, Haar natuur, I, 169; - taak in de Theol., I, 525v. - - Reformatie, De, over natuurl. en bovennat. openb., I, 221v.; - over het geloof, I, 477; - over de verhoud. van geloof en Theol., I, 520v.; - over de mysteriën des geloofs, I, 531; - over het werk van Christus, III, 319v.; - over de kerk, IV, 14v., 33v.; - haar oordeel over de Roomsche kerk, IV, 47; - over de genademidd., IV, 194v.; - over Wet en Evang, IV, 205v.; - over de Sacram. IV, 220v., 271; - over den tusschentoestand, IV, 379v. - - Reformatie der kerk, IV, 118v. - - Regeering Gods, III, 28v. - - Regeering der kerk. Zie kerk. - - Religie, Principia, I, 171v.; - wezen, I, 171v.; II, 552v.; - objectieve, I, 172v., 175v.; - subjectieve, I, 172v., 177v.; - zetel, I, 183v.; IV, 1; - intellectualist. opvatting, I, 186v.; - moralistische opvatting, I, 190v.; - aesthetische opvatting, I, 195v.; - en wetenschap, I, 189, 210, 376; - en zedelijkheid, I, 193v., 462; III, 553; - en kunst, I, 199v., 210; - oorsprong, I, 202v.; - in hare verhouding tot de openb., I, 175, 210. vgl. openbaring; - tot het verbond, II, 551v.; - tot de vleeschwording, III, 285; - tot het recht, II, 84; III, 346v.; - sociaal element in de IV, 1v. - - Remonstrantisme, over de inspiratie, I, 318; - over de kenbaarh. Gods, II, 11; - over de eenvoudigh. Gods, II, 142; - over de praedest., II, 340v.; - over de voorzienigh., III, 12; - over het O. V., III, 199; - over de aanbidding van Christus, III, 298; - over het werk van Chr., III, 325, 401; - hun acceptilatie-theorie, III, 367; - over de heilsorde, III, 451; - over de kerk, IV, 20; - over de kerk. macht, IV, 155; - over de synoden, IV, 183; - over de genademidd., IV, 193; - over de confessie, IV, 167v.; - over de sacr., IV, 223, 267. - - Restitutie-theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetenschap, - II, 473, 478. - - Reveil. Karakter, I, 131. - - Rijk der zonde, III, 96, 167, 184. - - Ritualisme in de Eng. kerk, IV, 23. - - Roeping, III, 485v.; - object, III, 399, 488; - in verband tot de wedergeb., III, 480, 483v., 500v.; - niet universeel, II, 354; III, 488. - - Roeping tot het ambt, IV, 121v. - - Romantiek, I, 196, 431. - - Rome. Grondgedachte, I, 221, 276, 277, 426v.; II, 517v., 526; - III, 243, 443v.; IV, 162, 186, 248; - over het principium der Dogm., I, 17v.; - over de inspiratie, I, 312v.; - over de verh. van Schrift en kerk, Zie kerk; - over de noodzakelijkh. der Schrift, I, 380v.; - over de duidelijkh. der Schrift, I, 392v.; - over de motiva credibilitatis, I, 36v., 424v., 485v.; - over het geloof, I, 476v.; III, 442, 521v.; - over den grond des geloofs, I, 485v.; IV, 40; - over de fides implicita, I, 518v.; - over de verhouding van geloof en Theol., I, 517v.; - over de mysteriën I, 531; - over de visio Dei per essentiam, I, 152v., 518; - over de praedestinatie, zonde en genade, II, 323v.; III, 394, - 439v., 442v., 475v.; IV, 410; - over de kenbron v. d. leer der schepping, II, 387; - over λατρεια en δοίλεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.; - over het beeld Gods en het donum superadditum, II, 518v., 555, - 570; - over de erfzonde, II, 525; III, 116v.; - over de concupiscentia, III, 86, 122; - over de onderscheiding van peccata venialia en mortalia, - III, 98v.; - over de onbevlekte ontvangenis van Maria, III, 145v., 262 v.; - over reatus culpae et poenae III, 162; - zijn bescherming van het bijgeloof, III, 181v.; - over het onderscheid van O. en N. Test., III, 198; - over de twee naturen van Chr., III, 243v., 291, 414; - over de aanbidding van Chr., III, 243v., 299v.; - over het werk van Chr., III, 318v., 333v.; - over de obed. activa, III, 349; - over de nederdaling ter helle, III, 378v.; - over de heilsorde, zie praedest., zonde en genade; - over de kerk, IV, 11v., 32v., 35; - over de kenteekenen der kerk, IV, 12v., 38v.; - over de eigenschappen der kerk, IV, 53v.; - over het „extra ecclesiam nulla salus”, IV, 42v.; - over de macht der kerk, IV, 138v., 162v.; - over de genademidd., IV, 193v.; - over Wet en Evangelie, IV, 204v.; - over het getal der sacr., IV, 218v.; - over de sacr. in ’t alg., IV, 218v., 226, 232, 236v., 239v., - 247v.; - over den Doop, IV, 248, 262v., 270, 275, 277, 281; - over het Avondmaal, IV, 315v., 331v.; - over het vagevuur, IV, 378v.; - over de aanroeping en vereering der heiligen, IV, 392v., 398v.; - over den toekomstigen staat der kinderen, IV, 523. - - Roomsche Theologie, na Trente. I, 88v. - - Ruimte, Begrip v. d. II, 135v. - - Russische kerk, I, 68v.; IV, 22, 142. Zie voorts Grieksche kerk. - - Ruste Gods op den 7{en} dag, II, 462; III, 1. - - - S. - - Sabbatsgebod in den staat der rechtheid, II, 559. - - Sabellianisme, II, 262, 264v., 310. - - Sacramentaliën bij Rome, IV, 247. - - Sacramenten, IV, 215v.; - verhoud. tot het Woord, IV, 166, 199v., 220, 232v.; - getal der, IV, 217v., 246v. - - Sadduceën, IV, 371. - - Σαρξ bij Paulus, III, 49v., 66v. - - Satan, Leer v. d. in de Schrift, III, 90v.; - als verleider van den mensch, III, 38v.; - zijn macht, III, 182v.; - Christus en, III, 421v. - - Saumursche Theologie, I, 122v.; II, 341; III, 127, 454; - in Engeland, III, 395. - - Savoy Declaration, I, 123. - - Schaamte, III, 164; - gemis van, bij den eersten mensch, II, 515. - - Sche’ol in de H. S., IV, 365v., 385v. - - Schepping, II, 386v.; - als grondslag der openbaring, I, 225; - in verband tot de Triniteit, II, 228, 282, 310v., 401, 402v.; - uit niets, II, 397v.; - in hare verh. tot den Zoon, II, 405v.; IV, 475; - tot den tijd, II, 408v.; - tot de voorzienigheid, III, 16v.; - einddoel, II, 4l5v.; - haar infralapsarisch karakter, II, 546; III, 175, 258; - als onderstelling der vleeschwording, III, 256v. - - Scheppingsdagen. Volgorde, II, 460v.; - volg. de ideale theorie, II, 464, 471v.; - duur van de, II, 473v., 478v. - - Scheppingsverhaal, II, 457, 490. - - Schisma, IV, 52. - - Scholastiek in alg. zin, I, 80; - in de Geref. Theol., I, 115v.; - fout der I, 161. - - Scholastiek, Middel-Eeuwsche, I, 80v.; - invloed op de verdeeling der dogmat. stof, I, 36; - over de mensch. kennis, I, 165v.; - over de onderscheiding van Theol. natur. en supranat., I, 220v.; - over de onbegrijpelijkh. Gods, II, 8; - over de aangeboren begrippen, II, 35; - over de praedestinatie, II, 323v.; - over de uitgestrektheid der voldoening van Chr., III, 392v.; - over de genade, III, 438v. - - Schrift Het, in algem. zin, I, 296. - - Schrift Heilige, als principium der Theol., I. 25v., 241; - beteekenis der I, 305v.; - geen wetboek, I, 20, 372v., 527; - kerk en, I, 24, 304, 363, 366v., 380, 383, 385, 424; IV, 195v.; - in hare verhouding tot de openbaring, I, 299v., 344; - haar tijdelijk karakter, I, 143v., 300, 389v., 422; - hare beteekenis voor de wetenschappen, I, 359v.; II, 465, 476; - eigenschappen der I, 363v.; - gezag, I, 366v.; - noodzakelijkheid, I, 380v.; - duidelijkh., I, 392v.; - genoegzaamh. I, 400v.; - strijd tegen de I, 354v. - - Schriften Heilige, in de godsdiensten, I, 295. - - Schuld der zonde, III, 161v.; - in verb. tot de smet, III, 137v., 164v. - - Schuldbewustzijn, geen maatstaf der zonde, III, 95, 163; - in verband tot de object, schuld, III, 163v. - - Scientia media, II, 162v., 326. - - Semipelagianisme, II, 320; III, 43v., 115v., 391v., 435v. - - Serafim. II, 431. - - Simplicitas Dei. Zie eenvoudigh. Gods. - - Slang in het Paradijs, III, 37v. - - Sleutelmacht, IV, 135v.; - bij Rome, IV, 138v.; - bij Lutherschen en Geref. IV, 152v. - - Smet der zonde, III, 164v.; - in verb. tot de schuld, III, 137v., 164v. - - Socialisme, II, 561. - - Socinianisme, I, 120; - over de nat. Godskennis, I, 222; - over de inspiratie, I, 318; - over de kenbaarheid Gods, II, 11, 82; - over de eenvoudigh. Gods, II, 141, 147; - over Gods alwetendh. in verband met ’s menschen vrijheid, - II, 161v., 352; - over de Triniteit, II, 263v.; - over de praedestinatie, II, 340, 352; - over de schepping, II, 390; - over het beeld Gods, II, 512, 543; - over de voorzienigheid, III, 11v.; - over het O. T., III, 198v.; - over de menschwording, III, 254; - over de Godheid van Christus, III, 266, 412, 414, 424; - over de aanbidding van Chr., III, 298; - over de satisfactio vicaria, III, 322v., 345v.; - over het priesterambt van Christus, III, 323, 418v.; - over de heilsorde, III, 451; - over de kerk, IV, 20; - over de genademiddelen, IV, 193, 223; - over den Doop, IV, 267; - over den tusschentoestand, IV, 381; - over de toek. vernietiging der goddeloozen, IV, 501. - - Solidariteit onder menschen, III, 132v. - - Soorten, onveranderlijkheid der, bij de organische wezens, II, 495. - - Spiratie des H. Geestes. Zie H. Geest. - - Spiritisme, II, 427; IV, 395v., 397v. - - Spiritualisme, over de toek. zaligheid, IV, 513v. - - Spraakverwarring van Babel. Beteekenis, I, 235; II, 502v. - - Staat en kerk, IV, 111, 161v., 189v.; - onder Israel, IV, 3, 132v.; - in de oudheid, IV, 132; - bij Rome, IV, 141v., 148v.; - in het Oosten, IV, 142; - in de Ref., IV, 152v.; - bij de Geref., IV, 156v. - - Staten van Christus, III, 374v.; - staat van vernedering, III, 374v.; - van verhooging, III, 408v., 430. - - Status integritatis bij de Heid., II, 508; - volg. het Naturalisme, II, 512v., 548; - volg. de supranatur. opv., II, 517v., 548; - juiste opv., II, 529v., 546, 556v.; III, 64, 173. - - Status gloriae, II, 522v.; IV, 518v. - - Stellige straffen der zonde, III, 159v. - - Sterfdag van Jezus, IV, 302, 303. - - Stoffelijke wereld, II, 456v. - - Straf, wezen der, III, 156v.; - der zonde, III, 155v. - - Straffen, helsche. Zie Helsche straffen. - - Straffen, wereldlijke, in de Roomsche kerk, IV, 141v., 164. - - Subjectief uitgangspunt der christel. Theol., I, 467, 494. - - Subordinatianisme in de Trin. leer, II, 255, 263. - - Sufisme, II, 389. - - Supra- en infralapsarisme, II, 333v., 358v. - - Supranaturalisme der 18e eeuw in Duitschland, I, 102, 428; - in Nederland, I, 126, 129, 428. - - Supranaturalistische opvatting van het beeld Gods. Zie Beeld Gods. - - Symboliek, I, 10; - verh. tot de Dogmat. I, 27. - - Symbolisch karakter der Chr. Theol. volg. de nieuwere opvatting, - II, 77. - - Symbolische handelingen der profeten, I, 261. - - Synagogen onder Israel, IV, 3v., 134. - - Synode van Dordr. in betr. tot het vraagstuk van supra- en - infralapsarisme, II, 339. - - Synode van Orange, I, 76; II, 322; III, 438. - - Synoden, IV, 180v.; - in de Roomsche kerk, IV, 92, 181. - - Synthetische indeeling der Dogmatiek. Zie Dogmatiek. - - - T. - - Taal, Beteekenis v. d., I, 296. - - Teekenen, IV, 229. - - Teleologisch bewijs voor het bestaan van God. II, 56v., 157v. - - Teleologische- en mechanische wereldbeschouwing, II, 56v. - - Testament. Gebruik van dit woord in de Stat. vert., III, 195. - - Testimonium Spiritus Sancti, I, 421v., 490v. - - Tetradisme, II, 265. - - Theisme, I, 218, 227, 286v.; III, 16v. - - Theistische wijsgeeren. Hun Godsbegr., II, 21, 83. - - Theologia archetypa en ectypa, I, 142, 144. - - Theologia Biblica, I, 15, 19v., 108. - - Theologia naturalis, volgens de zuivere Geref. opv., I, 25v., 221v.; - II, 46v.; 50v.; - in lateren tijd, I, 43, 222v., 427v.; II, 46, 51. - - Theologie, als wetenschap, I, 509v.; - haar principium cogn. internum, I, 516v.; - en kerk, I, 517, 525; - en geloof, I, 509v., 517v.; - en Philosophie, Zie Wijsbegeerte. - - Theophanie, I, 248v. - - Theopneustie, als element der openb., I, 301, 302, 344; - als eigenschap der Schrift, I, 302, 305, 354. - - Θεός, als naam van God, II, 103. - - Theosophie. Alg. karakter, I, 107; - over de lichamelijkh. Gods, II, 147v., 192v.; - haar speculatie over de Trin. leer, II, 304v.; III, 47. - - Thomisten, over de praedest., II, 326; - over de genade, I, 92; III, 441, 497; - over de werking der sacr., IV, 239. - - Thora, I, 325v. - - Tijd, Begrip v. d., II, 129v., 411; - in verb. tot de schepping, II, 408v. - - Toepassing der zaligh. in hare relatie tot de verwerving, - III, 399v., 430v., 449, 469v.; - bij de Antinomianen, III, 451v., 467v. - - Toeval, III, 14. - - Toleranten in Nederland, I, 125. - - Toorn Gods, II, 196. - - Tractarianisme in Engeland, IV, 268. - - Traditie, volg. Rome, I, 400v.; - bij de Joden, I, 306v.; - volg. de Reform. I, 413v. - - Traditionalisme, I, 95v., 296v. - - Traducianisme, II, 565v. - - Transsubstantiatie, IV, 313, 315v., 331v. - - Trichotomisme, II, 537. - - Tridentinum, over de praedest., II, 325. - - Trinitarische formule bij den Doop, IV, 274v. - - Tritheisme in de Chr. kerk, II, 264v. - - Tubinger school, Roomsche over de inspiratie, I, 313v. - - Tucht, Kerkelijke, IV, 171v.; - in de 1e Chr. kerk, IV, 139v.; - bij Rome, IV, 140; - bij de Luth., IV, 154v.; - bij Calvijn en de Geref., IV, 155v. - - צֶדֶק, II, 194v. - - - U. - - Uitgang des Heiligen Geestes. Zie Heilige Geest. - - Unio mystica, III, 448, 555v.; IV, 342. - - Unitarisme in Engeland, I, 135. - - Universalisme, in de leer der voldoening, III, 390v., 489v.; - hypothetisch, IV, 499, 500v., 521v. - - Ὑποστασις, Gebruik van dit woord in de Theol., II, 269, 273. - - Urim en Thummim, I, 252. - - - V. - - Vader naam van God, II, 113v., 239v., 279v.; III, 29. - - Vagevuur bij Rome, IV, 377v., 407v.; - buiten Rome, IV, 380v., 408. - - Val der engelen, III, 39v., 66, 72; - tijd van dien, III, 69, 71. - - Val des menschen, III, 37v., 72v.; - tijd van dien, III, 68v., 71; - invloed op de natuur, II, 558v.; III, 173, 407. Vgl. voorts - zonde. - - Vaticaansch Concilie, over den Paus, IV, 94v. - - Verbeelding. Haar invloed op het ontstaan der zonde, III, 65. - - Verbond, in de H. S., III, 191v.; - als vorm der religie, II, 551v.; - leer v. h. in de Chr. Theol., II, 549; III, 196v.; - bij de Geref., II. 550v.; III, 199v., 221v. - - Verbond der genade, III, 187v.; - in ruimeren zin (Noachitisch), III, 209v., 218; - met Abraham, III, 212; - met Israel, III, 212v., 426; - monopleurisch karakter, III, 194, 225; - twee zijden v. h., III, 227v.; IV, 245; - in zijn verh. tot de verkiezing, III, 224v., 226v.; IV, 285v.; - tot het verbond der werken, II, 554, 564, 571; III, 219, 220v.; - tot het pactum salutis, III, 221v., 372v.; - weldaden, III, 425v.; - in betrekk. tot kinderen, IV, 265v., 282v., 286v. - - Verbond der werken, I, 226; II, 547v.; III, 131v., 219; - in hoeverre verbroken door de zonde, III, 83, 165, 219; - in zijn verh. tot het verbond der genade, II, 554, 564, 571; - III, 219, 220v. - - Vereering der martelaren en heiligen, IV, 392v., 398v. - - Vergeving der zonden, III, 548v.; - in verh. tot de voldoening, III, 348, bij Rome, III, 443. - - Verharding Gods, II, 369v. - - Verkiezing, II, 377v.; - van Israel, II, 314; - in het N. Test., II, 317v.; - verh. tot het verbond der genade, III, 224v., 226v.; IV, 285v.; - haar object, het mensch. geslacht, II, 366, 384. - - Verkiezing tot de ambten door de gemeente, IV, 73, 79, 122v. - - Verlichting, inw., als openbaringsvorm, I, 256v.; - des H. Geestes, III, 513. - - Verlossingsvatbaarheid des menschen, III, 188. - - Vermittlungstheologie van Clemens en Origenes, I, 60, 61; - in de Roomsche kerk, I, 96; - in de Luth. kerk der 19e eeuw, I, 105v., 433v., 438v.; - over de Heilige Schrift, I, 26, 319, 373, 383, 387; - over de heilsorde, III, 461. - - Vernieuwing der wereld, IV, 511v. - - Verwerping, II, 369v.; - bij Augustinus, II, 321, 334v., 358; - bij Rome, II, 326v.; - negatieve en positieve, II, 323, 335, 364, 369. - - Verzekerdheid des geloofs, III, 526v., 57Ov. - - Verzoeking van Christus, III, 297, 376. - - Verzoening als vrucht der voldoening, III, 381v.; - bij Ritschl, III, 329v., 386v. - - Viae, de drie, in de kennisse Gods, II, 96. - - Visioenen, als openbaringsmiddel, I, 254v. - - Visio Dei per essentiam, II, 151v., 518, 522; IV, 519. - - Vleescheten vóor den zondvl., II, 560v. - - Vloek Gods, III, 162v. - - Voldoening. Noodzakelijkh. II, 209, 214; III, 341v.; - tijd der III, 350v.; - in verb. tot Gods liefde, III, 356v., 381v.; - als plaatsvervangende, III, 359v.; - hare aequivalentie, III, 366v.; - vruchten, III, 380v.; - uitgestrektheid, III, 390v.; - bestrijding v. d. leer der III, 320v., 365v. - - Voleinding der eeuwen, IV, 481v. - - Volharding der heiligen, III, 565v. - - Volheid d. tijden, III, 210, 215v., 260v. - - Volkeren. Hun ontstaan, II, 502v. - - Volksgodsdienst en Jahvedienst in Israel, IV, 364. - - Volmaakbaarheid der geloovigen, III, 559v. - - Volmaaktheid Gods, II, 128, 178. - - Voorbede voor de afgestorvenen, IV, 414v. - - Voorbereidende genade. Zie gratia praeparans. - - Voorbidding van Christus, III, 419v.; IV, 338; - der zaligen, IV, 398v. Zie ook engelen. - - Voortplanting van het menschelijk geslacht, II, 564v. - - Voorzienigheid Gods, III, 1v.; - als besluit opgevat, II, 347v.; III, 5. - - Vormsel in de Roomsche kerk, IV, 248, 351. - - Vrouw, Schepping der, II, 563. - - - W. - - Waarachtigheid Gods, II, 173v. - - Waarheid, begrip, in het N. Test., IV, 444. - - Waarneming, zinnelijke, I, 161v. - - Waarzeggen in het O. T., IV, 395v. - - Wederdoopers, I, 120. Vgl. verder Anabaptisme. - - Wedergeboorte, III, 479v., 500v.; IV, 214v.; - bij Paulus en Johannes, III, 500v.; - en Doop, IV, 197, 266, 290v. - - Wederherstelling aller dingen, IV, 500v., 505v. - - Wederkomst van Christus, IV, 422v.; - tijd, IV, 475v.; - wijze, IV, 479v. - - Wederzien na den dood, IV, 417v. - - Wereld, Begrip, volgens het Theisme, I, 286, 290v.; II, 419v.; - III, 21v.; - kan ze eeuwig zijn? II, 410v.; IV, 422v.; - is ze de beste? II, 213, 423v.; - verh. tot Gods wezen, II, 159v., 346; - als object van verkiezing, II, 384; - van Christus’ werk, III, 390, 403v.; - hare vernieuwing, IV, 511v. - - Werkverbond. Zie verbond der werken. - - Werthurtheile, als inhoud en bewijs der Chr. religie, I, 454, 460v. - - Westersche kerk en Theol., in onderscheiding van de Oostersche. Zie - Grieksche, Oostersche kerk. - - Wet Gods, haar kar., II, 209, 214; III, 343v.; - in het Paradijs, II, 558v.; - verschill. gedaante, III, 75; - als maatstaf van zedelijk handelen, III, 75v., 84v., 151; - als kenbron der zonde, III, 84v.; - haar eenheid, III, 94; - hare beteekenis in het O. Verb., III, 215; - als deel van het woord Gods, IV, 201v.; - bij Paulus, IV, 202v., 205; - en Evangelie, IV, 201v.; bij het eindgericht, IV, 492v. - - Wetenschap, Principia in de, I, 145v.; - in hare verh. tot de religie, I, 189, 210, 376. - - Wetenschap Gods, II, 155v. - - Wezen Gods, in abstracto, II, 78; op onderscheidene wijze bepaald in - de Chr. Theol., II, 80v.; - en onderscheiden van de eigenschappen Gods, II, 86v.; - in betr. tot de eigenschappen, II, 90, 115; - in de Trin. leer, II, 270v. - - Wider hope theorie in Engeland, IV, 500. - - Wil, karakter v. d., II, 205v.; III, 87; - als subject der zonde, III, 53, 85v. - - Wil Gods, II, 202v.; III, 341v.; - in betr. tot z.z., II, 178, - 206, 418; - tot het geschapene, II, 207, 413v., 419; - als antecedens en consequens, II, 218v., 325, 354; III, 394; - des besluits en des bevels, II, 216v. - - Wilsvrijheid in Pelag. zin, II, 164v.; - in Ger. zin, II, 167; - in verband met de praescientia Dei, II, 167v.; - met de praedest., II, 318v. - - Wijsbegeerte. Hare verh. tot de Theol., I, 516v.; II, 456; - haar gebruik in de Theol. bij de Apolog. en Kerkvaders, I, 55, - 57v., 59v., 511v.; II, 252; - standpunt der Reformatie tegenover haar, I, 516v.; - haar invloed op de Dogmatiek in de 18e en 19e eeuw, I, 42v. - - Wijsheid Gods, II, 168v.; - als hypostase, II, 228v., 232, 242, 405. - - Wonderen, I, 258v., 275, 289v.; III, 22; IV, 229; - interpretatie door het Ration., I, 281v.; - van Christus, III, 311, 376; - geestelijke, als element der openb., I, 274v., 303v. - - Woord en feit in de openb. Gods, I, 258v., 283v., 304, 352. - - Woord Gods. Beteekenis in de Heilige Schrift, I, 338v., 372, IV, 201; - en Schrift, IV, 200v.; - als naam van Christus, zie Logos; - als kenteeken der kerk, IV, 44v., 51; - als genademiddel, IV, 62, 193v.; - en Geest, IV, 209v.; - en sacramenten, IV, 166, 199v., 220, 232v., 271; - zijn efficacia, IV, 211v. - - Wraak Gods, II, 196. - - - Z. - - Zaligheid Gods, II, 178v., 206. - - Zaligheid, als vrucht van Christus’ werk, III, 380v.; - toekomstige, IV, 517v.; - der jongstervende kinderen, IV, 522v. - - Zalving, III, 335; - van Christus, III, 336. - - Zebaoth, als naam Gods, II, 111. - - Zedelijke wereldorde, II, 59; III, 157v., 344, 347. - - Zedelijkheid en religie, I, 193v., 462, III, 553. - - Zegel in de H. Schrift, IV, 230. - - Zekerheid, Soorten van I, 158, 470v., 478v.; - des geloofs, I, 158, 469v., 478v.; III, 526v., 571v.; - der zaligheid volgens Rome, I, 479; III, 570v.; IV, 251; - moreele, bij Kant, I, 481v. - - Zelfbewustzijn Gods, II, 158v. - - Zelfbewustzijn van Jezus als Messias en Zone Gods, III, 237v. - - Ziel des menschen, II, 536; - en geest, II, 537; - vermogens der, II, 538; - vereeniging met het lichaam, II, 541v. - - Zieleslaap, leer v. d., IV, 381, 386v. - - Zielsverhuizing, leer v. d., in de oudheid, IV, 407; - in den nieuweren tijd, IV, 381v. - - Zielzorg bij de Gereform., IV, 170v. - - Zoenoffer, III, 304v. - - Zonde, In betr. tot de verwerping, II, 373; - tot de regeering Gods, II, 369v., 373v.; III, 30v., 34v., 55v., - 61v.; - oorsprong, III, 34v.; - invloed op de natuur, II, 558v.; III, 173, 407; - ethisch karakter, II, 53, 80, 81; - wezen, III, 72v.; IV, 506v.; - bij engelen en bij menschen, III, 51, 66v., 92, 188; - graden in de, III, 89v.; - principe, III, 96v.; - onderscheiding in vergeeflijke en doodel. bij Rome, III, 98v.; - tegen den H. Geest, zie lastering; verbreiding, III, 104v.; - straf, III, 155v.; - als straf v. zonde, III, 135v. - - Zondvloed. Zijn geolog. beteekenis, II, 474v., 487v. - - Zoon Gods. Gebruik van dezen naam in de H. Schrift, II, 243; - als naam van den 2{en} persoon, II, 243v.; III, 238; - in betrekking tot de schepping, II, 405v.; IV, 475. - - Zoon des menschen. Beteekenis van dezen naam, III, 235v. - - - * * * * * - - - Correcties: - - Pag. 5: „verkoor” vervangen door „verkoos” (maar Hij verkoos - ook een aantal jongeren). - - Pag. 33: ingevoegd „niet” (zij behooren niet tot het rijk van - Christus). - - Pag. 36: „institnut” vervangen door „instituut” (dat ook - instituut en organisme der kerk). - - Pag. 45: „uitsprekcn” vervangen door „uitspreken” (die klaar en - duidelijk dit uitspreken ). - - Pag. 46: „one” tweemaal vervangen door „ohne” (Gottes Wort kann - nicht ohne Gottes Volk sein, wiederum Gottes Volk kann nicht - ohne Gottes Wort sein). - - Pag. 68: „Huyper” vervangen door „Kuyper” (Dr. H. H. Kuyper, De - opleiding tot den dienst des Woords). - - Pag. 86: „toestemmiag” vervangen door „toestemming” (die met - toestemming der gemeenten verkoren werden). - - Pag. 100: „de elven” vervangen door „dezelven” (dat hij met - dezelven gemeen had). - - Pag. 143: „Poutif” vervangen door „Pontif” (Bellarminus, de - Rom. Pontif. V. de membris eccl. III. Hergenröther). - - Pag. 145: „snbordinationis” vervangen door „subordinationis” - (officio hierarchicae subordinationis veraeque obedientiae - obstringuntu). - - Pag. 152: „tnsschen” vervangen door „tusschen” (Evenzoo maakte - Calvijn tusschen kerk en staat onderscheid). - - Pag. 155: „qaalitatieve” vervangen door „qualitatieve” - (het wisselde de quantitatieve tegenstelling ... voor de - qualitatieve, ethische tegenstelling). - - Pag. 157: „pessim” vervangen door „passim” (Voetius, Pol. Eccl. - I 124 sq. en passim. Disp. sel. II). - - Pag. 185: „venlent” vervangen door „veulent” (contre ceux qui - veulent abolir l’usage et l’autorité). - - Pag. 187: „elkandar” vervangen door „elkander” (kunnen dus niet - als lager en hooger tegenover elkander staan). - - Pag. 220: „Confessionsknnde” vervangen door „Confessionskunde” - (Kattenbusch, Vergl. Confessionskunde I). - - Pag. 221: „eu” vervangen door „en” (op Gods genade in Christus - richten en daardoor dat geloof oefenen). - - Pag. 244: „Lomhardus” vervangen door „Lombardus” (sacramentum, - non rem, suscipiunt, Lombardus, Sent. IV). - - Pag. 246: de paragraafnummering is gecorrigeerd, „6” vervangen - door „7” (7. Het getal der sacramenten). - - Pag. 253: „Bedentung” vervangen door „Bedeutung” (Die - Beschneidung in ihrer geschichtl. ethnogr. relig. u. medic. - Bedeutung). - - Pag. 261: „in” vervangen door „im” (Die Bedeutung der Taufe im - N. T.). - - Pag. 294: „zijue” vervangen door „zijne” (dat hij geheel buiten - zijne schuld ongedoopt stierf). - - Pag. 368: „anszeichnende” vervangen door „auszeichnende” (ist - in Wahrheit ihre auszeichnende Stärke gewesen). - - Pag. 394: „unitied” vervangen door „united” (Ryle, - Knots united p. 491). - - Pag. 396: „18” vervangen door „28” (welke hiertegen aangevoerd - kan worden, is 1 Sam. 28, waar Saul). - - Pag. 401: „venerirt” vervangen door „veneriert” (die Heiligkeit - auf Erden religiös veneriert werde). - - Pag. 414: „III1” vervangen door „III 1” (Jansen, Prael. III 1 - 030 enz.). - - Pag. 424: „Deisseits” vervangen door „Diesseits” (en alles van - het Diesseits, van immanente, kosmische krachten). - - Pag. 435: „nimmen” vervangen door „nimmer” (en den staat der - verhooging nimmer vanéén). - - Pag. 451: „strak” vervangen door „straks” (maar het zal straks - duidelijk worden). - - Pag. 501: „znsters” vervangen door „zusters” (de broeders en - zusters van den vrijen geest). - - Pag. 501: „van” vervangen door „von” (Die Lehre von der - Apokatastasis² Magdeburg). - - Pag. 504: „dikwerk” vervangen door „dikwerf” (en wordt dan - inzonderheid zeer dikwerf met ζωη verbonden). - - Pag. 532: „cogu.” vervangen door „cogn.” (maar miskent het princ. - cogn. internum). - - Pag. 535: „Vermittelungstheologie” vervangen door - „Vermittlungstheologie” (door Hegel 1, door de - Vermittlungstheologie 2). - - Pag. 545: „zooodat” vervangen door „zoodat” (12, zoodat God en - mensch, twee onderscheidene naturen). - - Pag. 548: „geregtigheid” vervangen door „gerechtigheid” (van de - toerekening van Christus’ gerechtigheid 6). - - Pag. 557: „18” vervangen door „28” (1 Sam. 28 ... IV, 396v.) - - Pag. 557: „2S” vervangen door „28” (Matth. 20:28 III, 363.) - - Pag. 560: „79v.” vervangen door „279v.” (Augustinus ... over den - Kinderdoop IV, 262, 279v.) - - Pag. 560: „alomtetegenwoordigheid” vervangen door - „alomtegenwoordigheid” (Augustinus Steuchus, over de - alomtegenwoordigheid Gods). - - Pag. 561 „ziju” vervangen door „zijn” (Doedes, Zijn drieërlei - Dogmatiek I, 11; zijn scheiding van gelooven en weten I, - 451; zijn verdeeling v. d. eigenschappen Gods II, 89;). - - Pag. 564: „Max Müller” vervangen door „Müller, Max” (Müller, - Max, Over den oorsprong der religie). - - Pag. 565: „sehepselen” vervangen door „schepselen” - (Origenes ... over de oorspronkelijke gelijkheid aller - schepselen). - - Pag. 569: „vau” vervangen door „van” (Acceptilatie in de - voldoening van Christus). - - Pag. 576: „311v.” vervangen door „411v.” (Heiligmaking ... - volkomene, bij den dood, IV, 411v.) - - Pag. 588: „verh.” vervangen door „verk.” (Verkiezing, ... - verk. tot het verbond der genade). - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK, VIERDE -DEEL *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
