summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69005-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/69005-0.txt')
-rw-r--r--old/69005-0.txt23959
1 files changed, 0 insertions, 23959 deletions
diff --git a/old/69005-0.txt b/old/69005-0.txt
deleted file mode 100644
index aeec8e3..0000000
--- a/old/69005-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,23959 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Gereformeerde dogmatiek, Vierde deel,
-by Herman Bavinck
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Gereformeerde dogmatiek, Vierde deel
-
-Author: Herman Bavinck
-
-Release Date: September 17, 2022 [eBook #69005]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman, Hans Pieterse and the Online Distributed
- Proofreading Team at https://www.pgdp.net
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK,
-VIERDE DEEL ***
-
-
-
-
-
- +--------------------------------------------------------------+
- | |
- | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER. |
- | |
- | Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe |
- | afbeelding te geven van de originele versie. In het |
- | origineel wordt æ als ae weergegeven, œ als oe; deze |
- | schrijfwijze is hier gehandhaafd. |
- | |
- | Cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. {a} is gebruikt |
- | om een exponent weer te geven; bijvoorbeeld „den 12{en}” |
- | staat voor „den twaalfden”, „3{te} Aufl.” voor „dritte Aufl.”|
- | |
- | Hier en daar zijn spatiëring of punctuatie stilzwijgend |
- | gecorrigeerd. Ook zijn sommige samengestelde uitdrukkingen |
- | zoals „afaan” en „alwat” enz. stilzwijgend gesplitst tot |
- | „af aan”, „al wat” enz. |
- | |
- | Overduidelijke zet- en spelfouten in het origineel zijn |
- | gecorrigeerd. Aan het einde van het boek volgt een overzicht |
- | van de aangebrachte correcties. |
- | |
- | Eventuele zetfouten in het Grieks zijn onveranderd |
- | weergegeven. Duidelijke zetfouten in het Hebreeuws zijn |
- | gecorrigeerd, en waar nodig zijn de diakritische tekens |
- | stilzwijgend verbeterd of aangevuld. |
- | |
- +--------------------------------------------------------------+
-
-
-
-
-GEREFORMEERDE DOGMATIEK.
-
-
-
-
- _GEREFORMEERDE DOGMATIEK._
- DOOR
- DR. H. BAVINCK.
-
-
- VIERDE DEEL.
-
-
- KAMPEN. -- J. H. BOS. -- 1901.
-
-
-
-
-TYP. DER WEESINRICHTING TE NEERBOSCH.
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- HOOFDSTUK IX.
- OVER DE KERK.
-
- Paragraaf. Bladz.
-
- 47. Het wezen der Kerk 1
- 48. De regeering der Kerk 59
- 49. De macht der Kerk 132
-
- HOOFDSTUK X.
- OVER DE MIDDELEN DER GENADE.
-
- 50. Het Woord 193
- 51. De Sacramenten 215
- 52. De Doop 252
- 53. Het Avondmaal 299
-
- HOOFDSTUK XI.
- OVER DE LAATSTE DINGEN.
-
- 54. De tusschentoestand 353
- 55. De wederkomst van Christus 422
- 56. De voleinding der eeuwen 481
-
- Breedere inhoudsopgave Deel I-IV 530
- Register van min of meer verklaarde Schriftuurplaatsen 557
- Register van Namen 559
- Register van Zaken 569
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-Over de Kerk.
-
-
-§ 47. HET WEZEN DER KERK.
-
-1. De gemeenschap dergenen, die Christus en zijne weldaden deelachtig
-zijn, draagt den naam van de kerk. In strikten zin is er daarom van deze
-alleen binnen de grenzen van het Christendom sprake. Maar dat neemt
-toch niet weg, dat er, gelijk van priesterschap en offerande en altaar
-en allerlei andere elementen in dogma en cultus, zoo ook van de kerk
-analogieën zijn in de godsdiensten der volken. Van nature is de mensch
-reeds een gezellig wezen, een ζωον πολιτικον; hij wordt uit en in en
-tot de gemeenschap geboren en kan geen oogenblik zonder haar bestaan.
-Huisgezin, maatschappij, staat, vereenigingen van allerlei aard en voor
-allerlei doel binden de menschen saam en doen hen leven en handelen
-in gemeenschap met elkander. Sterker nog dan al deze instellingen en
-corporaties is de band, die in de religie de menschen vereent. Er ligt
-in den godsdienst een machtig sociaal element, Schleiermacher, Chr.
-Gl. § 6. A. Dorner, Kirche und Reich Gottes, Gotha 1883 S. 11-17. De
-reden daarvan is niet ver te zoeken; dieper dan iets anders wortelt
-de religie in het hart van den mensch. Zij is met zijne schepping naar
-Gods beeld onmiddellijk gegeven en daarom onuitroeibaar eigen aan zijne
-natuur. In die religie regelt de mensch zijne verhouding tot God, en
-deze is centraal en principieel. Zooals onze verhouding tot God is,
-zoo is die tot onze medemenschen en tot alle schepselen. Op den bodem
-van alle vragen ligt die van de religie. Wie in den godsdienst met ons
-samenstemt, is het met ons eens in de diepste, heiligste en alles
-beheerschende overtuigingen en komt vroeger of later ook op afgeleide
-punten tot hetzelfde inzicht; maar verschil van geloofsovertuiging doet
-bij ernstig nadenken in alle ondergeschikte vraagstukken steeds verder
-uiteengaan. Wat in den godsdienst de menschen verbindt, is sterker dan
-stoffelijk belang, natuurlijke liefde, of geestdrift voor wetenschap
-en voor kunst; voor den godsdienst heeft de mensch alles, heeft hij
-ook zijn leven veil. Want indien hij dezen verliest, dan verliest hij
-zichzelven; in den godsdienst staat volgens ieders overtuiging des
-menschen ziel en zaligheid op het spel. Daarom zoekt elke godsdienst
-zich ook te propageeren en missionair op te treden. De religie is nooit
-eene private aangelegenheid, eene subjectieve opinie, eene kwestie
-van smaak; zij sluit steeds de pretentie in, de ware en zaligmakende
-te zijn, en zoekt daarom ingang bij anderen, uitbreiding zoo mogelijk
-over heel de menschheid heen. Zij is nooit eene zaak van den individu
-alleen, maar steeds ook van het gezin, de familie, het volk en den
-staat. Zij brengt daarom altijd een gemeenschappelijk dogma en een
-gemeenschappelijken cultus voort, als het ware gedragen door het besef,
-dat niet de enkele mensch maar de menschheid het voltooide beeld Gods,
-zijn tempel en lichaam is. Buiten het terrein der bijzondere openbaring
-is echter algemeen het bewustzijn verloren van de eenheid Gods zoowel
-als van de eenheid der menschheid. De eenheid van godsdienst beperkt
-zich tot de stam- of volksgenooten; burgerlijke en godsdienstige
-gemeenschap vallen samen; de staat is zelf ook een Cultusgemeinschaft.
-Wel openbaart de religie zich ten deele ook in zelfstandige organisatie
-van priesterschap, offeranden, ceremoniën, godsdienstige vereenigingen
-en geheime genootschappen; de buddhistische religie in Tibet vertoont
-zooveel overeenkomst met die van Rome, dat de Jezuitenpaters, toen zij
-haar eerst leerden kennen, er een spel des duivels in zagen. Maar toch
-bracht geen der heidensche godsdiensten het tot zulk eene zelfstandige
-organisatie, als die, welke wij onder het Christendom in de kerk
-aantreffen. Het Mohammedanisme stichtte niet anders dan eene soort van
-theocratischen staat, waarin de Arabieren de heeren der onderworpen
-volken zijn en de koran het wetboek is ook voor het burgerlijk recht.
-En het Buddhisme vormde slechts vereenigingen van wereldontvluchtende
-monniken, die op de burgerlijke maatschappij een verlammenden druk
-oefenden en tegenover den staat nimmer zelfstandig werden. Cf.
-Saussaye, Religionsgesch. I 132. Pfleiderer, Religionsphilos.³ 727 f.
-Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 835v. Tiele, Inl. tot de godsdienstwet.
-Tweede reeks 1899 bl. 132-154. Falke, Buddha, Mohammed, Christus II
-155 f.
-
-Voorbereid werd echter de christelijke kerk in de dagen des O.
-Testaments. In den patriarchalen tijd waren de huisgezinnen der
-geloovigen de godsdienstige gemeenten en de huisvaders de priesters;
-een geregelde, gemeenschappelijke cultus bestond er nog niet, al ligt
-in Gen. 4:26 toch reeds opgesloten, dat de Sethieten tegenover de
-Kaïnieten den naam Gods begonnen uit te roepen en te prediken, en al
-kwam er na den zondvloed tusschen Semieten, Japhetieten en Chamieten
-eene scheiding tot stand. Bij Abraham kreeg deze scheiding zelfs voor
-eeuwen haar beslag. God liet van nu voortaan de Heidenen wandelen op
-hunne eigene wegen en richtte met Abraham en zijn zaad een verbond
-op, dat ook uitwendig door het teeken der besnijdenis de kerk van de
-wereld afscheidde en aan den voet van Sinai bevestigd en tot een
-nationaal verbond verheven werd. Onder Israel was kerk en staat niet
-één en hetzelfde; er was onderscheid tusschen priester en koning,
-tempel en paleis, godsdienstige en burgerlijke wetten. Maar beide
-waren toch zoo nauw vereenigd, dat burger en geloovige, natie en volk
-Gods saamvielen en het ééne Goddelijke wet was, die heel het leven van
-Israel beheerschte. Israel als volk was eene עֵדָה יהוה of eene קָהָל
-יהוה. Beide deze woorden worden in het O. T. van de vergadering of de
-gemeente Israels, zonder onderscheid van beteekenis, gebruikt. Maar
-na de ballingschap onderging Israels volksbestaan eene merkwaardige
-verandering; de Joden hielden op een volk te zijn als de andere volken
-der aarde en werden eene godsdienstige gemeente. Op alle plaatsen in
-en buiten Palestina ontstonden er samenkomsten der geloovigen op den
-sabbat, Ps. 74:8, Hd. 15:21, om de wet te lezen en in haar onderwezen
-te worden; het leeren was het voornaamste bestanddeel van den daarin
-geoefenden eeredienst, Mk. 1:21, 6:2 enz. Deze vergaderingen, כְנֵסֶת,
-συναγωγη, werden voor de Joden meer en meer het middelpunt van hun
-religieuse leven en kregen in plaatsen met gemengde of overwegend
-grieksche bevolking eene zelfstandige organisatie. De tempel te
-Jeruzalem bleef wel bestaan en werd nog altijd geëerd als de plaats van
-de bijzondere tegenwoordigheid Gods. Maar de Joden buiten Jeruzalem
-kregen toch allengs eene godsdienstoefening, die buiten tempel en
-altaar, buiten priesterschap en offerande omging, en geheel en al in
-prediking en in gebed bestond. Daardoor werd reeds in de dagen des O.
-T. de christelijke gemeente voorbereid. Evenals de beide hebreeuwsche,
-werden de grieksche woorden, συναγωγη en ἐκκλησια, oorspronkelijk
-voor deze godsdienstige samenkomsten der Joden dooreen gebruikt; de
-LXX zet עדה in den regel door συναγωγη over, en קהל door ἐκκλησια,
-behalve in Ex. Lev. Num. Jos., waar ook קהל gewoonlijk door συναγωγη
-wordt vertaald. Maar langzamerhand kwam er bij de Joden toch reeds dit
-onderscheid, dat συναγωγη meer de empirische, feitelijke samenkomst
-aanduidt (congregatio, vergadering), en ἐκκλησια het woord wordt voor
-de ideale gemeente, gelijk zij de door God tot zijn heil geroepenen
-omvat (convocatio, gemeente). Cf. Schürer, Gesch. des jüd. Volkes im
-Zeitalter Jesu Christi II³ 428-433.
-
-
-2. Hieruit wordt verklaard, dat het christelijk spraakgebruik het woord
-συναγωγη alleen van de godsdienstige vergaderingen der Joden en van de
-gebouwen, waarin zij plaats had, bleef bezigen, Mt. 4:23, Hd. 13:43, Op.
-2:9, 3:9, maar overigens van het woord ἐκκλησια zich ging bedienen. Wel
-komt dit woord in het N. T. enkele malen nog van volksvergaderingen
-voor, Hd. 7:38, 19:32, 39, 41; maar doorgaans heeft het een
-godsdienstig karakter en duidt het de N. Testamentische gemeente aan.
-In de patristische litteratuur en vooral bij de Ebionieten wordt de
-christelijke gemeente nog wel eens door συναγωγη aangeduid, maar weldra
-maakt dit woord toch geheel voor ἐκκλησια plaats, Schürer t. a. p. 432.
-Sohm, Kirchenrecht 16 f. Cremer s. v. Het was trouwens Christus zelf,
-die het eerst het woord קהל, ἐκκλησια toepaste op de gemeente, welke
-Hij rondom zich vergaderde, Mt. 16:18, 18:17. Vele nieuwere critici
-zijn van meening, dat dit woord Jezus later in den mond is gelegd,
-Holtzmann, Neut. Theol. I 210. Maar er bestaat hiervoor geen grond, en
-er is niets bevreemdends in, dat Jezus dat woord in dien zin gebruikte.
-Want wel trad Jezus op met de prediking van het koninkrijk der hemelen.
-Maar Hij droeg daarvan terstond eene gansch andere opvatting voor dan
-zijne tijdgenooten en leefde eerst volstrekt niet in de verwachting, dat
-het gansche volk zich bekeeren en Hem volgen zou. Johannes zonderde
-reeds door den doop der bekeering de ware Israëlieten van de massa des
-volks af. En Jezus was zich niet alleen van den aanvang zijn zoonschap,
-zijn messianiteit en zijn toekomstig lijden bewust, deel III 235v.; maar
-Hij verkoos ook een aantal jongeren en vergaderde hen rondom zich; Hij
-zond hen uit, om te prediken en discipelen te winnen; Hij gaf aan zijne
-volgelingen andere wetten, dan die in de kringen van het Joodsche
-volk golden, Mt. 5-7, 18:15-35, 20, 28 enz. Zoo kwam er allengs eene
-schare van discipelen rondom Hem te staan, die zich onderscheidde en
-afzonderde van het volk der Joden. En op deze schare paste Jezus nu
-het woord קהל, ἐκκλησια toe. Zij waren de ware ἐκκλησια, het echte volk
-Gods, gelijk Israël dat had behooren te zijn maar nu in de verwerping van
-den Messias betoonde niet te wezen. Jezus kwam immers niet, om iets
-volstrekt nieuws te scheppen, maar om de wet en profeten in vervulling
-te doen gaan en de echte, wezenlijke קהל te herstellen. Als Jezus dit
-woord dan ook in Mt. 16:18 en 18:17 bezigt van zijne gemeente, gebruikt
-Hij het daarom ook nog in gansch algemeenen zin. Hij zegt niet, dat
-die קהל, ἐκκλησια, plaatselijk zal zijn of over heel de aarde zich zal
-uitbreiden; de latere onderscheiding van plaatselijke en algemeene kerk
-is hier nog niet te vinden. Maar Jezus zegt heel in het algemeen, dat
-Hij _zijne_ ἐκκλησια, in tegenstelling met die der Joden, bouwen zal,
-niet op de wet, maar op Petrus’ belijdenis van zijne messianiteit, en
-dat Hij ze daarom ook zelfstandig inrichten en naar eigen wetten zal
-doen leven. In de discipelen, die Jezus zelf rondom zich vergaderde,
-zijn reeds de aanvangen aanwezig van de N.-Test. gemeente. Maar zoolang
-Jezus op aarde was, bleef Hij zelf het persoonlijk middelpunt en trad
-de gemeenschap der jongeren nog terug. Zij waren nog niet zelfstandig
-en moesten dagelijks door Hem geleerd en geleid worden. En de Heilige
-Geest was nog niet, overmits Christus nog niet was verheerlijkt. Maar na
-Jezus’ heengaan sluiten zij zich terstond nauwer aaneen, Hd. 1:14, en
-ontvangen op den pinksterdag in den H. Geest een eigen levensprincipe,
-dat hen zelfstandig maakt tegenover het volk der Joden en hen onderling
-ten nauwste verbindt. Dan wordt de gemeente van Christus in beginsel
-losgemaakt van Israels nationaal bestaan, van priester en wet, van
-tempel en altaar; zij wordt eene eigene, zelfstandige, godsdienstige
-vergadering; zij treedt in de plaats van het oude Israel op als het
-volk, als de gemeente Gods.
-
-Deze ἐκκλησια bestond eerst alleen te Jeruzalem. Maar spoedig kwamen
-er ook geloovigen te Samaria, te Antiochie en op vele andere plaatsen
-onder Joden en Heidenen; en ook hunne vergaderingen werden met den naam
-van ἐκκλησια aangeduid; ook zij waren daar ter plaatse het volk, de
-gemeente Gods. Zoo kreeg het woord allengs onderscheiden beteekenissen.
-Jezus gebruikt het woord nog in algemeenen zin, zonder aan de latere
-onderscheidingen te denken. Maar na zijn heengaan wordt het toegepast
-op den kring van geloovigen op eene bepaalde plaats, wijl deze daar het
-volk Gods uitmaakt. En dan wordt het op hen toegepast, hetzij zij al
-dan niet in eene bepaalde vergadering bijeen zijn gekomen. In Hd. 5:11,
-11:26, 1 Cor. 11:18, 14:19, 28, 35 slaat het woord ἐκκλησια duidelijk
-op de vergadering of samenkomst der gemeente; maar elders komt het
-meermalen voor van de gemeente zelve, ook al is zij niet vergaderd,
-en kan er dus van ἐκκλησιαι in plurali gesproken worden, Rom. 16:4,
-1 Cor. 16:1, Gal. 1:2, 1 Thess. 2:14 enz. Nog enger beteekenis krijgt
-het woord, wanneer het gebezigd wordt van een gedeelte der geloovigen,
-dat op eene bepaalde plaats in een private woning vergadert. In steden
-n.l., waar het getal Christenen zeer groot werd, moest men wel tot
-zoogenaamde huisgemeenten komen. De Joden hadden in verschillende
-plaatsen, bijv. in Rome, meer dan ééne synagoge; en de Christenen werden
-te meer genoodzaakt, zich bij de samenkomst te verdeelen, wijl zij in den
-eersten tijd geen kerkgebouwen hadden maar in de woning van een der
-gemeenteleden vergaderden. Volgens Hd. 19:9 kwamen de Christenen te
-Efeze een tijd lang saam in de misschien daarvoor gehuurde zaal van een
-zekeren Tyrannus, maar in den regel hadden zij hunne vergaderplaats in
-eene private woning. Bij eene eenigszins aanzienlijke uitbreiding der
-gemeente moesten zij daarom in verschillende woningen samenkomen en
-een soort van huisgemeenten vormen. Dit was het geval in Jeruzalem,
-waar de gemeente weldra duizenden zielen sterk was, Hd. 2:41, 46,
-47, 4:4, 5:14, 8:3, 11:21, 12:12, 17, 21:8, en zoo ook in Rome, Rom.
-16:23, Corinthe, 1 Cor. 16:19, Colosse, Philem. 2, Laodicea, Col. 4:15.
-Deze huisgemeenten werden elk voor zich eene ἐκκλησια geheeten. Maar
-daarbij wordt de eenheid geen oogenblik uit het oog verloren. Want al
-komen de geloovigen in dezelfde stad soms vanwege hun groot aantal in
-verschillende woningen saam, zij vormen toch daar ter plaatse met elkaar
-de ééne ἐκκλησια, Hd. 5:11, 8:1 enz. Indien de lezing van Tischendorf
-in Hd. 9:31 juist is, worden daar al de gemeenten van Judea, Galilea
-en Samaria onder den éénen naam van ἐκκλησια in singulari samengevat.
-En in Rom. 12:5, 1 Cor. 12:12-28, 15:9, Gal. 1:13, Phil. 3:6, Ef.
-1:22, 5:32, Col. 1:18, 24, 25 worden op dezelfde wijze alle gemeenten
-als ééne ἐκκλησια saamgenomen en omschreven als het lichaam, de bruid,
-het pleroma van Christus. Deze eenheid van alle gemeenten komt ook
-niet eerst aposteriori door belijdenis, kerkenorde en synodaal verband
-tot stand; de kerk is geen associatie van personen, die eerst buiten
-haar om tot het geloof zijn gekomen en daarna zich hebben vereenigd.
-Maar zij is een organisme, waarin het geheel aan de deelen voorafgaat;
-hare eenheid gaat aan de veelheid der plaatselijke gemeenten vooraf
-en ligt in Christus. Hij is het, die, in den staat der verhooging zijn
-middelaarswerk voortzettend, zijne gemeenten uit zich als het hoofd
-samenvoegt en opbouwt, Ef. 1:23, 4:16, 5:23, Col. 1:18, 2:19, die haar
-vergadert en regeert, Joh. 10:16, 11:52, 17:20, 21, Hd. 2:33, 47,
-9:3v., altijd bij haar blijft, Mt. 18:20, 28:20, ten nauwste met haar
-is vereenigd, Joh. 15:1v., 17:21, 23, 1 Cor. 6:15, 12:12-27, Gal.
-2:20, en door zijnen Geest in haar woont, Rom. 6:5, 8:9-11, 1 Cor.
-6:15v., Ef. 3:17 enz. In zoover is de bewering van Sohm, Kirchenrecht
-S. 20 juist, dat de algemeene ἐκκλησια aan de plaatselijke gemeenten
-voorafgaat; zij is wel niet het historische, maar toch het logische
-prius, Holtzmann, Neut. Theol. II 177; elke plaatselijke gemeente is
-het volk Gods, het lichaam van Christus, op het fundament van Christus
-gebouwd, 1 Cor. 3:11, 16, 12:27, omdat zij daar ter plaatse datzelfde
-is, wat de gemeente in haar geheel is, en Christus voor haar is, wat
-Hij voor de gansche gemeente is, Zahn, Einl. in das Neue Test. I 355 f.
-In de verschillende plaatselijke vergaderingen der geloovigen komt de
-ééne gemeente van Christus tot openbaring. Haar wezen ligt, zoo voor
-het geheel als voor elk der deelen in het bijzonder daarin, dat zij het
-volk Gods is, Rom. 9:25, 2 Cor. 6:16, 18, Tit. 2:14, Hebr. 8:10, 13:12,
-1 Petr. 2:9, 10, bestaande uit menschen, die den Heere toegedaan en
-tot Hem bekeerd zijn, Hd. 5:14, 14:15, die den naam van discipelen,
-broeders, uitverkorenen, geroepenen, heiligen, geloovigen dragen, Hd.
-1:15, 6:1, 9:1, 32, Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2 enz. In den ruimsten zin is
-ἐκκλησια de vergadering van al het volk Gods, op aarde niet alleen maar
-ook in den hemel, Hebr. 12:23, in het verleden en heden niet slechts
-maar ook in de toekomst, Joh. 10:16, 17:20.
-
-
-3. Deze geestelijke eenheid der gemeente van Christus treedt ook nog in
-den na-apostolischen tijd gedurig op den voorgrond. De Christenen zijn de
-heiligen, de uitverkorenen, zij hebben één God, één Christus, één Geest
-der genade, ééne roeping, Clem. 1 Cor. 46. De kerk is een toren, die
-met den rots Christus één steen vormt, Herm. Sim. IX 13. 18, uit welken
-de steenen, die onrein en zwart zijn en niet passen, verwijderd worden,
-ib. 6. 7; het geslacht der rechtvaardigen, waarvan de goddeloozen
-worden afgezonderd, ib. 17. 18. De Christenen zijn de ziel der wereld,
-Ep. ad Diogn. 6, het ware Israel, het gezegende volk Gods, Just. Dial.
-c. Tryph. 116. 123. 135; zij zijn allen priesters, Iren. adv. haer. IV 8,
-3. Tert. de exh. cast. 7, hebben allen den H. Geest ontvangen, Iren.
-ib. IV 36, 2 en vormen saam eene communicatio pacis et appellatio
-fraternitatis et contesseratio hospitalitatis, Tert. de praescr. 20
-enz. Daarbij maakt men dan, evenals Hermas, onderscheid tusschen ware
-en valsche leden der kerk. Met het oog op geëxcommuniceerden zeide
-Origenes: ita fit ut interdum qui foras mittitur intus sit et ille
-foris, qui intus videtur retineri. En elders spreekt hij meermalen uit,
-dat velen geroepen en weinigen uitverkoren zijn, dat er geestelijke en
-vleeschelijke leden zijn, dat er onkruid onder de tarwe is en veler
-wandel met hun belijdenis strijdt, Seeberg, Der Begriff der christl.
-Kirche, Erl. 1885 S. 29. Maar spoedig kwam er in deze opvatting van
-de kerk als communio sanctorum eene groote verandering. Toen er in de
-tweede eeuw allerlei secten en haeresieën opkwamen, rees vanzelf de
-vraag op, welke de ware kerk was. En daarop werd ten antwoord gegeven:
-die, welke bij het geheel blijft en de gemeenschap met de katholieke
-kerk onderhoudt. Katholiek werd de kerk reeds genoemd door Ignatius,
-Smyrn. 8, cf. Murat. en Mart. Polyc. 5. 16. 19, omdat zij over de
-gansche aarde, in alle tijden en plaatsen, alle geloovigen omvat en er
-buiten haar geen zaligheid is, Clem. 1 Cor. 57. Ign. Ef. 16. Trall.
-7. Phil. 3. Herm. IX 16. Deze katholiciteit der kerk werd echter
-tegenover de ketterij niet meer geestelijk opgevat, maar veruitwendigd
-en in een zichtbaar instituut belichaamd. De bisschop, in rechte lijn
-van de apostelen afstammend en in het bezit der zuivere traditie, werd
-het criterium der ware kerk. De algemeene kerk hield op een logisch
-prius te zijn en werd als een historisch prius van alle plaatselijke
-kerken gedacht. Zoo kwam er in het kerkbegrip een algeheele omkeer.
-Niet de plaatselijke kerken zijn het, die saam eene eenheid vormen, maar
-de katholieke kerk met het episcopaat gaat vooraf, en de plaatselijke
-kerken zijn deelen van het geheel en slechts zoolang ware kerken, als zij
-bij dat geheel zich houden en daaraan zich onderwerpen. De ontwikkeling
-van dit katholieke kerkbegrip werd bevorderd door den tegenstand,
-dien het van kettersche zijde ondervond. Het Gnosticisme maakte van de
-kerk eene school, waarin de πνευματικοι verre verheven waren boven de
-populaire voorstellingen van het historisch Christendom. Het Montanisme
-wilde de kerk vestigen op den grondslag van beweerde inspiratie en
-profetie, met loochening van alle ambt en gezag; ecclesia proprie et
-principaliter ipse est spiritus, Tert. de pudic. 21. Het Novatianisme
-en Donatisme ijverden voor de heiligheid der kerk ten koste van hare
-katholiciteit. Tegen al deze dwalingen traden de kerkvaders op en
-legden meer en meer op het bisschoppelijk kerkinstituut den nadruk. De
-kerk, welke door de bisschoppen geleid wordt, is de eenige bewaardster
-en predikster der waarheid, Iren. adv. haer. I 10, 2. Tert. de praescr.
-28, en daarom het onmisbare instituut des heils, de moeder aller
-geloovigen, de uitdeelster der genade, de middelares der zaligheid,
-scala ascensionis ad Deum. Ubi enim ecclesia, ibi et spiritus Dei, et
-ubi spiritus Dei, ibi ecclesia et omnis gratia, spiritus autem gratia,
-Iren. ib. III 24, 1. Tert. de or. 2. Clemens, Paed. I 6. Strom. VIII
-17. Gelijk er maar één God en één Heer is, zoo is er ook maar ééne kerk,
-ééne kudde, ééne moeder, uit welke alle geloovigen geboren worden en
-buiten welke er geen zaligheid is. De lichtstraal kan niet van de zon,
-de tak niet van den boom, de beek niet van de bron worden gescheiden,
-Cypr. de unit. ecll. 5. 7. Ook Augustinus beweegt zich in denzelfden
-kring van gedachten. Hoewel de kerk door hare eenheid, katholiciteit en
-majesteit reeds vroeger een diepen indruk op hem had gemaakt, werd hij
-toch eerst door zijn strijd tegen het Donatisme 393-411 genoodzaakt, om
-meer opzettelijk over haar wezen na te denken. Ook dan wordt echter niet
-de leer van de kerk, maar blijft de leer van de genade het middelpunt
-van zijn denken en leven, en de leer der kerk komt tot op zekere hoogte
-los, zelfstandig en onverzoend daarnaast te staan. Want als God de
-eenige en volstrekte oorzaak der genade is, gelijk Augustinus leert,
-dan kan de kerk dit niet wezen. Daarom onderscheidt hij al aanstonds
-tusschen de kerk als corpus verum en de kerk als corpus permixtum, de
-doctr. chr. III 32. Er zijn leden der ware kerk buiten de zichtbare
-kerk, zooals de engelen, Enchir. 29, de moordenaar aan het kruis, die
-alleen den bloeddoop ontving, de bapt. IV 22 en alle niet-Israëlieten,
-die vóór Christus’ komst zijn zalig geworden, de civ. XVIII 23. 47,
-want de christelijke religie is zoo oud als de wereld, Ep. 102. Tot de
-ware kerk behooren ook zij, die nu nog goddeloos leven of in bijgeloof
-en ketterij verstrikt zijn en toch door God worden gekend. Namque in
-illa ineffabili praescientia Dei multi qui foris videntur intus sunt,
-et multi qui intus videntur foris sunt. Ex illis ergo omnibus, qui ut
-ita dicam intrinsecus et in occulto intus sunt, constat ille hortus
-conclusus, fons signatus, puteus aquae vivae, paradisus cum fructu
-pomorum, de bapt. V 27. Omgekeerd zijn er velen binnen de zichtbare
-kerk, die niet tot de electi behooren. Er is kaf onder het koren, er
-zijn kwade visschen onder de goede, er zijn plurimae oves foris, plurimi
-lupi intus, hom. in Joann. 45. c. lit. Petul. III 3. de bapt. I 10.
-Multi sunt in communione sacramentorum _cum_ ecclesia, qui tamen non
-sunt _in_ ecclesia, de unit. eccl. 74. Vanwege deze onderscheiding werd
-Augustinus door de Donatisten beschuldigd, dat hij twee kerken leerde;
-maar hij gaf daarop ten antwoord, dat hij beide niet scheidde, evenmin
-als wie bij den mensch ziel en lichaam onderscheidt, en dat naar het
-woord van Christus onkruid en tarwe samen moesten opwassen. De kerk is
-voor Augustinus niet de uitdeelster der genade, maar toch de kring,
-binnen welken God in den regel zijne genade uitdeelt. En zoo verdedigt
-hij haar tegen de Donatisten. De kerk is de middelares der zaligheid,
-omdat in haar alleen de Geest, de liefde, de volharding aanwezig is.
-Buiten haar is er geen zaligheid. Want ketters en scheurmakers kunnen
-wel het woord en sacrament medenemen, maar niet de wedergeboorte en
-de liefde. welke door den H. Geest alleen binnen de kerk worden
-geschonken; hunc spiritum, quod illi non habeant, qui sunt ab ecclesia
-segregati, Judas apostolus 1:10 apertissime declaravit. Zij hebben den
-vorm maar missen het wezen, evenals afgesneden lichaamsdeelen nog wel
-een hand, vinger, oor enz. zijn maar geen leven hebben. Wie de kerk niet
-tot moeder heeft, heeft God niet tot vader, de bapt. VII 44. de unit.
-eccl. 1. c. lit. Petul. III 9. De kerk is pia mater, sponsa sine macula
-et ruga, unica columba, sancta ecclesia; en de kerk blijft heilig, ook
-al hebben de goddeloozen in haar de meerderheid, want hare heiligheid
-ligt, evenals hare eenheid en katholiciteit, voor Augustinus veel
-meer in het objectieve instituut van leer, genademiddelen en cultus,
-dan in de leden der kerk; scheiding is daarom altijd ongeoorloofd, een
-bewijs van hoogmoed en ongehoorzaamheid, de algemeene kerk voor eene
-particularistische of zelfs eene nationale inruilende, c. Cresc. II
-37. de unit. eccl. 12. 14. En juist door dezen sterken nadruk, dien
-Augustinus tegen de Donatisten op het instituut der kerk legt, heeft hij
-in niet geringe mate bijgedragen tot de ontwikkeling van het Roomsche
-kerkbegrip. Cf. behalve de dogmenhist. werken van Harnack, Schwane
-enz., Seeberg, Der Begriff der chr. Kirche 1-56. Köstlin, Die Kath.
-Auffassung v. d. Kirche in ihrer ersten Entw., Deutsche Zeits. für chr.
-Wiss. u. chr. Leben 1856. H. Schmidt, Aug. Lehre v. d. Kirche, Jahrb.
-f. deutsche Theol. 1861 S. 197-250. Reuter, August. Studien 1887 S.
-4-105. Dorner, Augustinus S. 276-295. Specht, Die Lehre v. d. Kirche
-nach dem h. Aug. Paderborn 1892.
-
-In de Middeleeuwen werd dit kerkbegrip practisch uitgewerkt in de
-ontwikkeling der hierarchie, in de machtige organisatie van het
-kerkelijk instituut, in den strijd der kerk met en hare verheffing boven
-den staat. Des te opmerkelijker is, dat het theoretisch bijna in het
-geheel niet behandeld werd. Niet de theologie maar de jurisprudentie
-heeft toen de ontwikkeling geleid, Harnack, D. G. III 400. Over de
-leer der kerk vinden wij alleen iets bij Hugo Vict., de sacr. II 2.
-Halesius, Summa IV qu. 4. Thomas, c. Gent. IV 76. S. Theol. I 2 qu.
-101 art. 2. II 2 qu. 10 art. 10. qu. 88 art. 12. III qu. 8 art. 3. 4.
-qu. 68 art. 9. Eerst na de bestrijding door Wiclef, Hus, de Hervormers
-enz. wordt het kerkbegrip van Roomsche zijde breeder ontwikkeld en
-verdedigd, vooral door Torquemada 1468, Catech. Rom. I c. 10. Canus,
-Loci theol. IV-VI, Bellarminus, Disp. de controv. Tom. I en II.
-Becanus, de ecclesia Christi itemque de ecclesia Romana 1615. Id.
-Manuale controv. I 1-5. Bossuet, Exposition de la doctrine de l’église
-cath. sur les matières de controverse 1671 enz. In dit kerkbegrip
-staat het zichtbaar instituut op den voorgrond. Christus heeft n.l.
-op aarde eene kerk gesticht, waaraan de zichtbare en de onzichtbare
-zijde onafscheidelijk verbonden zijn. Evenals in Christus eene Goddelijke
-en eene menschelijke natuur, in ieder mensen een ziel en lichaam, in
-het sacrament een teeken en eene beteekenende zaak vereenigd zijn,
-zoo zijn er in de kerk eene zichtbare en eene onzichtbare zijde. De
-zichtbaarheid der kerk berust op de vleeschwording des Woords. Christus
-is de causa efficiens, exemplaris en finalis van de kerk; Hij leeft zelf
-als profeet, priester en koning door den H. Geest in haar voort, en
-stort al de gaven zijner genade in haar uit. Hij deelt deze uitsluitend
-mede door middel van ambt en sacrament; het instituut gaat dus vóór
-het organisme; de kerk is eene moeder der geloovigen, voordat zij eene
-vergadering is; de ecclesia docens met haar hierarchische inrichting en
-haar genadewerkende sacramenten gaat aan de ecclesia audiens vooraf en
-staat hoog boven haar. Op deze ecclesia docens zijn dan ook in de eerste
-plaats al die eigenschappen toepasselijk, die de Roomsche Christen
-aan zijne kerk toekent. Zij is de ééne, eenige, alleen-christelijke,
-katholieke, door regelmatige successie van de apostelen afstammende,
-onvergankelijke, onfeilbare kerk, die aan alle andere zoogenaamde kerken
-het bestaansrecht betwist, intolerant is krachtens haar aard, geen
-andere kerken naast zich duldt of erkent, van welke af te wijken in
-de leer of te scheiden in het leven altijd zonde en nooit geoorloofd
-is. Want omdat Christus alle genade alleen mededeelt door ambt en
-sacrament, daarom is de ecclesia docens, het Roomsche kerkinstituut,
-de eenige middelares der zaligheid, de bewaardster en uitdeelster van
-alle genade voor alle menschen, de eenige ark des behouds voor heel het
-menschelijk geslacht. Zij alleen leidt den mensch tot de Schrift, tot
-den persoon van Christus, tot de gemeenschap met God. De heilsorde is
-niet deze, dat God door zijn Woord den mensch tot de kerk leidt, maar
-omgekeerd gaat zij van de kerk uit en voert dan tot de Schrift en tot
-Christus heen. Daarom behoort de kerk voor allen kenbaar, aanwijsbaar
-en zelfs bewijsbaar te zijn; door hare eigenschappen en kenteekenen
-moet zij zoo duidelijk in het oog springen, dat er ten haren aanzien
-geen twijfel mogelijk is en alleen moedwillig en schuldig ongeloof haar
-miskennen en verwerpen kan. Zij is de allereerste en voornaamste kenbron
-der waarheid en wordt om deze reden door vele Roomsche theologen
-in de leer der principia behandeld. Van deze ecclesia docens is de
-ecclesia audiens volkomen afhankelijk; zij heeft alleen passief deel
-aan al de heerlijke eigenschappen der kerk; haar eenige taak is, om de
-bovennatuurlijke genade uit de hand van den priester in het sacrament
-aan te nemen; geloof aan wat de kerk gelooft, gehoorzaamheid aan de
-hierarchie, onderwerping aan den paus is haar grootste deugd en tot de
-zaligheid noodzakelijk. Ubi papa, ibi ecclesia. Van de qualiteit dezer
-ecclesia audiens hangt daarom het wezen der kerk niet af. Wel is het
-goed en nuttig, dat de leden der kerk geloovigen zijn; decor ecclesiae
-principaliter in interioribus consistit, Thomas, Sent. IV dist. 15 qu.
-3 ad 1. Maar de ecclesia docens, het objectieve heilsinstituut blijft
-er evengoed de ware kerk om, ook al zijn hare leden ongeloovigen en
-goddeloozen. Geen leden der kerk van Christus zijn allen, die buiten de
-Roomsche kerk zich bevinden, zooals de catechumenen, de excommunicati,
-de schismatici enz. Hun christelijk geloof, hun vrome wandel baat hun
-niet; zij zijn buiten de alleenzaligmakende kerk. Maar leden van de
-kerk zijn wel allen, die in de gemeenschap met Rome blijven, al zijn zij
-ook openbare ongeloovigen en goddeloozen. Dezen zijn niet actu maar
-potentia de ecclesia; zij behooren niet tot de ziel maar tot het lichaam
-der kerk; zij zijn niet zoo perfectissime de ecclesia, als degenen,
-die gelooven en in de Roomsche kerk leven; maar zij zijn toch leden
-der kerk en behooren er evengoed toe als het lichaam tot ’s menschen
-wezen behoort. Om op eenigerlei wijze, meer of minder volmaakt, tot de
-kerk te behooren, is geen interna virtus van geloof of liefde noodig,
-maar alleen externa professio fidei et sacramentorum communio. Want
-de kerk is even visibilis et palpabilis, ut est coetus populi Romani
-vel regnum Galliae aut respublica Venetorum. Zij is in één woord coetus
-hominum ejusdem Christianae fidei professione et eorundem sacramentorum
-communione colligatus, sub regimine legitimorum pastorum ac praecipue
-Christi in terris vicarii Romani pontificis, Bellarminus, de eccl.
-mil. III 2. cf. Heinrich, Dogm. Theol. II 163 f. Perrone, Prael.
-theol. I 1838 p. 207 sq. Möhler, Symbolik § 36 f. Simar, Dogm. 576-592.
-Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 279-377. Jansen, Prael. I 325 sq. Concil.
-Vatic. ed. Lacensis VII Frib. p. 269 sq. 567 sq. enz.
-
-
-4. In dezelfde mate als dit Roomsche kerkbegrip in de Middeleeuwen
-practisch gerealiseerd werd, vond het van verschillende zijden
-tegenstand en bestrijding. De katholiseering der kerkidee was in de
-eerste eeuwen niet geschied dan onder krachtig en aanhoudend protest.
-De Grieksche Christenheid, schoon overigens in de leer van de kerk
-met Rome overeenstemmende, erkende nooit het primaat van den paus en
-weerstond daarmede het streven naar absolute eenheid en katholiciteit.
-En zoo ook kwamen in de Middeleeuwen verschillende secten tegen de
-ontwikkeling van de Roomsche kerkidee in verzet. De oppositie kwam uit
-verschillende beginselen voort. Bij Katharen, Albigenzen, Bulgaren,
-de volgelingen van Amalrik van Bena, de secten van den nieuwen en
-van den vrijen geest was zij de vrucht van dualistisch-manicheesche of
-gnostisch-pantheistische dwalingen. Bij anderen zooals de Waldenzen,
-Bradwardina, Wiclef, Hus enz. werkte de beschouwing van Augustinus na,
-volgens welke de kerk eene vergadering van praedestinati was. Maar de
-kenbaarheid dezer ware kerk werd dan niet objectief in de bediening
-van woord en sacrament, doch in het heilig leven, in het leven naar
-de wet van Christus, in liefde, armoede enz. gezocht; vandaar dat de
-overgang uit de idee der kerk tot de werkelijkheid ontbrak en de poging
-tot reformatie niet doorwerken kon of ook op teleurstelling uitliep,
-Harnack, D. G. III 392-419. Eerst in de zestiende eeuw werd door de
-Hervorming een principieel verschillend kerkbegrip tegenover dat van
-Rome geplaatst. Luther vond vrede voor zijne ziel, niet in het ex opere
-operato werkende sacrament noch ook in de goede werken, maar in de
-vergeving der zonden door het geloof alleen. En van dit standpunt
-uit viel hij de Roomsche kerk aan, verwierp priester, offerande,
-monnikenwezen, onfeilbaar kerkinstituut en magisch werkend sacrament,
-proclameerde de vrijheid van den christenmensch en vatte de kerk op
-als eene vergadering van geloovigen, als eene communio sanctorum,
-gelijk zij als voorwerp des geloofs in de twaalf artikelen beleden werd.
-Het kostte Luther hevigen strijd, om met de Roomsche kerk en haar
-kerkbegrip te breken; een program van reformatie had hij niet; het was
-hem eerst alleen te doen, om de misbruiken tegen te gaan. Maar hij vond
-en behield zijne vastigheid in de rechtvaardiging des zondaars door het
-geloof alleen en kwam van daar uit veel verder, dan hij oorspronkelijk
-had gedacht of bedoeld. Dit beginsel leidde hem ook tot eene andere
-opvatting van de kerk, tot die, welke hij vond in de Schrift. De kerk
-was geen vergadering van praedestinati zonder meer noch ook van zulken,
-die naar enkele voorschriften der bergrede wandelen. Maar zij was
-eene vergadering van geloovigen, van menschen, die door het geloof
-vergeving der zonden hadden ontvangen en dus allen kinderen Gods,
-profeten en priesters waren. Vanzelf had zij daarom eene onzichtbare
-en eene zichtbare zijde. Deze onderscheiding is volgens Seeberg, Der
-Begriff der christl. Kirche 91, het eerst niet door Zwingli maar door
-Luther gemaakt. Maar hij verstond daaronder geen twee kerken, doch
-twee zijden aan eene en dezelfde kerk. De kerk is voor Luther geen
-platonisch ideaal, geen idee zonder werkelijkheid, maar zij bestaat voor
-hem concreet in menschen, die leven en door het geloof de vergeving
-der zonden deelachtig zijn. Naar de eene zijde is zij onzichtbaar, een
-voorwerp des geloofs, want wat men gelooft, ziet men niet; naar de
-andere zijde is zij zichtbaar, want zij wordt openbaar en is kenbaar, niet
-aan pausdom, bisschoppen, misgewaden en andere uitwendigheden, maar
-aan de zuivere bediening van woord en sacrament. Waar deze is, kan men
-er zeker van zijn, dat er eene kerk is; daar zijn ware geloovigen, al
-was het alleen onder de kinderen in de wieg; Gottes Wort kann nicht
-ohne Gottes Volk sein. Want er kunnen in eene kerk wel ongeloovigen
-zijn, evenals er in een lichaam vreemde bestanddeelen kunnen wezen,
-maar het wezen der kerk wordt door de geloovigen bepaald, het geheel
-wordt genoemd naar het voornaamste deel, cf. Köstlin, Luthers Theol.
-I 317 f. II 534 f. Seeberg t. a. p. 84 f. Gottschick, Hus’, Luthers
-und Zwingli’s Lehre von der Kirche, Zeits. f. Kirchengesch. 1886.
-Dienovereenkomstig werd in de Luthersche symbolen de kerk omschreven
-als eene communio of congregatio sanctorum et vere credentium, in qua
-evangelium recte docetur et recte administrantur sacramenta. Zij is
-wel zichtbaar, heeft ambten en instellingen, maar ecclesia non est
-tantum societas externarum rerum ac rituum sed principaliter est
-societas fidei et Spiritus Sancti in cordibus, Conf. Aug. en Apol. 7.
-8. Smalc. art. 12. Cat. maj. II 3. De onderscheiding van zichtbare en
-onzichtbare kerk diende oorspronkelijk dus alleen, om tegenover Rome
-uit te spreken, dat het wezen der kerk in het onzichtbare lag, in het
-geloof, in de gemeenschap met Christus en zijne weldaden door den H.
-Geest, maar volstrekt niet, om aan de zichtbaarheid, aan de realiteit
-der kerk eenigermate afbreuk te doen. Spoedig werd zij echter in een
-anderen zin gebezigd. Men kon toch het oog niet sluiten voor het feit,
-dat er in de kerk in hac vita multi mali et hypocritae admixti sunt,
-die wel socii verae ecclesiae secundum externos ritus zijn maar toch
-niet de kerk vormen en veeleer tot het regnum diaboli behooren, Symb.
-B. ed. Müller 153. 154. 155. De kerk kon dus enger of ruimer genomen
-worden als ecclesia stricte et large dicta, ib. 153. Luther sprak soms
-van zwei Kirchen en Melanchton noemde dit een discrimen duorum corporum
-ecclesiae, C. R. 21, 507, en latere theologen, zooals Heerbrand,
-Chemniz, Hutter, Gerhard enz. pasten daarop de onderscheiding van
-onzichtbare en zichtbare kerk toe. Onzichtbaar werd de kerk nu genoemd,
-niet omdat ze eene geestelijke zijde had en daarom voorwerp des geloofs
-was, maar wijl de kring der geloovigen door ons niet kon gekend worden;
-en zichtbare kerk werd de naam, niet voor de openbaring der geloovigen
-in belijdenis en wandel, maar voor de ongeloovigen, die vroeger door
-Luther en de belijdenisschriften niet tot de kerk maar tot het regum
-diaboli gerekend werden. Idee en werkelijkheid, wezen en verschijning
-werden daardoor los naast elkander gesteld. De geloovigen vormden eene
-onzichtbare ecclesiola in de zichtbare ecclesia. Cf. Gerhard, Loc. XXII
-69 sq. Quenstedt, Theol. IV 493 sq. Hollaz, Examen theol. 1278 sq.
-Buddeus, Instit. theol. 1207 sq. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 434.
-440 f. Schultz. Das protest. Dogma v. d. unsichtbaren Kirche, Jahrb.
-f. prot. Theol. 1876 S. 673-690. Krauss, Das prot. Dogma v. d. uns.
-Kirche, Gotha 1876 S. 80 f. Seeberg, t. a. p. 104 f. 141 f. Nitzsch,
-Ev. Dogm. 529 f.
-
-Met de Luthersche leer van de kerk komt de Gereformeerde in
-hoofdzaak overeen, maar zij vertoont toch enkele niet onbelangrijke
-eigenaardigheden. Ten eerste neemt het instituut der kerk er eene
-eenigszins andere plaats in. Luther verstond onder de kerk wel de
-communio sanctorum, maar zocht toch hare eenheid en heiligheid meer
-in de objectieve instellingen van ambt, woord en sacrament dan in
-de subjectieve gemeenschap der geloovigen, die dikwerf zoo veel
-te wenschen overliet. Zoo werd de kerk meer en meer een Goddelijk
-instituut, dat de eenheid en heiligheid der geloovigen realiseeren
-moest. In denzelfden geest omschreef Melanchton in de Loci van 1543
-de kerk als coetus vocatorum en zeide, dat wij nec alibi electos ullos
-somniemus, nisi in hoc ipso coetu visibili. En latere Luthersche
-dogmatici vonden er een verschilpunt in, dat volgens hunne leer de
-uitverkorenen niet extra coetum vocatorum te zoeken zijn en volgens de
-Gereformeerden ook daarbuiten konden voorkomen. En werkelijk is het
-Gereformeerde leer, dat God wel ordinarie de weldaden van Christus
-schenkt door middel van woord en sacrament, maar toch daaraan niet
-gebonden is en, zij het dan ook rarissime, de zaligheid verleent buiten
-het instituut der kerk om, Calvijn, Inst. IV 16, 19. Ursinus, Expl.
-catech. qu. 21. Bucanus, Inst. theol. 400. Gomarus, Theses 30, 29. Ten
-tweede brachten de Gereformeerden de kerk ten nauwste met de verkiezing
-in verband en vatten daarom hare onzichtbaarheid dikwerf anders dan
-de Lutherschen op. Zwingli liet eerst wel de onzichtbaarheid slaan op
-de ecclesia universalis, die over de gansche aarde verspreid was en
-daarom door niemand empirisch kon waargenomen worden, in tegenstelling
-met de ecclesia particularis, die op eene bepaalde plaats aanwezig en
-zichtbaar is. Maar later verstond hij onder de ecclesia invisibilis de
-gezamenlijke uitverkorenen, gelijk zij in de twaalf artikelen voorwerp
-des geloofs is en eerst bij de parousie zichtbaar zal worden. En in
-onderscheiding daarvan noemde hij de ecclesia universalis en de ecclesia
-particularis eene zichtbare (visibilis, sensibilis) vergadering van
-geloovigen, waarin ook hypocrieten kunnen zijn, Fidei ratio, Op. IV
-8. In zijne Christianae fidei expositio van het jaar 1531 spreekt hij
-dan nog weer eenigszins anders en zegt, dat de kerk der geloovigen op
-aarde onzichtbaar is, inzoover zij alleen de ware geloovigen omvat, en
-zichtbaar, inzoover allen tot haar behooren, quotquot per universum
-orbem Christo nomen dederunt, Op. IV 58. Calvijn sluit zich bij dit
-spraakgebruik aan. Als hij de uitdrukking ecclesia invisibilis voor
-het eerst in de Institutie van 1543 opneemt, verstaat hij daaronder de
-gezamenlijke uitverkorenen, die alleen Gode bekend zijn, en onderscheidt
-daarna de kerk als universa hominum multitudo in orbe diffusa, die
-zichtbaar is en ook hypocrieten in zich bevat, maar toch ook in
-zooverre weer onzichtbaar en voorwerp des geloofs is, als wij niet weten
-kunnen, wie daarin de ware geloovigen zijn, Inst. IV 1, 1-9. Onzichtbaar
-kon de kerk dus reeds heeten in drieërlei opzicht: 1º als ecclesia
-universalis, omdat een bepaald persoon de kerk op andere plaatsen en in
-andere tijden niet waarnemen kan; 2º als coetus electorum, die eerst in
-de parousie voltooid en zichtbaar zal wezen; 3º als coetus electorum
-vocatorum, omdat wij in de kerk op aarde de ware geloovigen niet
-kunnen onderscheiden. Daarbij kwamen later nog andere gezichtspunten,
-waaronder de kerk onzichtbaar kon genoemd worden, omdat zij niet van
-deze wereld is, omdat haar hoofd Christus en dus ook zij zelve als zijn
-lichaam onzichtbaar is, omdat haar grootste deel in den hemel is, omdat
-zij tijdelijk en plaatselijk van bediening der genademiddelen verstoken
-kan zijn, omdat zij in tijden van vervolging in woestijnen en spelonken
-schuil gaat, omdat zij wel in hare uitwendige belijdenis maar niet in
-het inwendig geloof des harten waarneembaar is, omdat de kerk nooit op
-één plaats en in één tijd tegenwoordig is maar door de eeuwen en volken
-heen zich uitbreidt, Polanus, Synt. theol. 531. En zichtbaar heette dan
-de kerk daartegenover, wijl zij in belijdenis en wandel openbaar wordt,
-of als instituut met ambten en bedieningen optreedt, of niet alleen
-ware geloovigen doch ook hypocrieten bevat. Confessie en dogmatiek bij
-de Gereformeerden ging nu eens van deze en dan van gene opvatting uit.
-Sommigen stelden de kerk als de gemeenschap van alle uitverkorenen op
-den voorgrond en noemden deze de ecclesia invisibilis, Cat. Genev.
-bij Niemeyer 135. Scot. I 16. Westm. Conf. 25. Alsted, Theol. did.
-schol. 590. Wijl echter de uitverkorenen, die nog niet leven of nog
-niet geroepen zijn, alleen potentia leden van de kerk kunnen heeten,
-lieten anderen deze idee van de kerk rusten en gingen uit van de kerk
-als vergadering aller electi et vocati, Basil. I 5. Helv. I 15. Heid.
-Catech. 54. Belg. 27. Helv. II 17. Gomarus, Theses theol. disp. 30.
-Polanus, Synt. 530. Martyr, Loci 390. Dan moest men daarbij echter
-terstond onderscheiden tusschen ware geloovigen en hypocrieten en ging
-daarom spreken van ecclesia stricte en latius dicta, van het esse de
-ecclesia en het esse in ecclesia, of ook wel van ecclesia invisibilis
-en visibilis, Ursinus op qu. 54. Alsted, Theol. did. schol. 598.
-Heidegger, Corpus theol. XXVI 29 enz. Dit leidde in verband met het
-bederf, dat in de kerk intrad, tot de onderscheiding van twee kringen
-of groepen van menschen in de eene kerk, Turretinus, Theol. El. XVIII
-3, 3. 24. en bracht Janssonius, van der Eerde e. a. in de vorige eeuw
-er toe, om een uit- en een inwendig verbond naast elkander te stellen,
-om de forma externa en interna van de kerk te scheiden en om de leer
-te verkondigen, dat ook onbegenadigden, indien zij onergerlijk leefden,
-ware leden van de kerk konden zijn en rechtmatige aanspraak hadden op
-hare goederen en weldaden, cf. deel III 227. Tevergeefs trachtten
-daartegenover anderen de eenheid der kerk te handhaven, door te zeggen,
-dat onzichtbare en zichtbare kerk twee zijden waren van dezelfde zaak,
-Synopsis pur. theol. 40, 34. Turretinus, Theol. El. XVIII 7, 4.
-Mastricht, Theol. VII 1, 11. 13. Appelius, De Herformde Leer 1769 bl.
-300v.; de leer klopte hoe langer hoe minder op het leven. En dit was
-voor de Gereformeerde leer over de kerk te erger, wijl zij veel minder
-dan de Lutherschen in het instituut het wezen der kerk zag. Want, en
-dat is een derde onderscheid, dat later duidelijker in het licht zal
-treden, de Gereformeerden zochten het kenmerk der ware kerk wel ook in
-de zuivere bediening van woord en sacrament, maar zij voegden gewoonlijk
-daaraan nog de kerkelijke tucht en den christelijken wandel toe; de
-verkiezing was de grondslag der kerk maar werd eerst in het geloof en
-de goede werken openbaar. Cf. verder nog over de Ger. leer van de kerk:
-Beza, Tract. theol. 1582 I 32. Hyperius, Meth. theol. 529. Bullinger,
-Huysboeck 1612 fol. 204. Bucanus, Inst. theol. 455. Gomarus, Op. II 97.
-202. Voetius, Pol. Eccl. I p. 1 sq. Moor, Comm. VI 1-179. M. Vitringa,
-Doctr. chr. relig. IX enz., cf. Seeberg t. a. p. 159 f.
-
-
-5. De wijziging, welke de Reformatie in het Roomsche kerkbegrip
-aanbracht, had ook practische gevolgen. De uniformiteit maakte voorgoed
-plaats voor de pluriformiteit; verschillende kerken traden na en
-naast elkander op en gaven aan religie en kerk eene gansch andere
-gedaante. De Reformatie trachtte onzichtbare en zichtbare kerk nog
-in goed verband te houden; maar de historie bewees, hoe moeilijk dat
-ging. En bij andere kerken buiten de Gereformeerde en Luthersche
-werd het verband dikwerf geheel verbroken, en de onzichtbare kerk
-aan de zichtbare of deze aan gene opgeofferd. Het Socinianisme nam
-de onderscheiding nog wel aan, maar sprak toch bijna alleen van de
-zichtbare kerk, wijl het de christelijke religie opvatte als eene
-vrij wel voor allen aannemelijke leer, Fock, Der Socin. 690 f. Het
-Remonstrantisme wandelde niet alleen in hetzelfde spoor, maar ontnam
-aan de kerk ook nog alle zelfstandigheid en liet niets aan haar over
-dan het recht van prediking en vermaning, Conf. en Apol. conf. 21.
-22. Limborch, Theol. Christ. VII. Bij het Rationalisme werd de kerk
-eene vereeniging van menschen tot uitoefening van den godsdienst en
-tot verbetering der zeden, Wegscheider, Instit. § 188. Bretschneider,
-Syst. Entw. 760. Doederlein, Instit. theol. christ. 1787 S. 716. Kant
-duidde met de namen onzichtbare en zichtbare kerk het volk Gods aan
-naar zijne idee en naar zijne empirische verschijning; de laatste, dat
-is, de kerk met haar statutarisch geloof is bestemd, om meer en meer
-in de redelijke en zedelijke religie, in een Rijk Gods op aarde over
-te gaan, Religion ed. Rosenkranz 119 f. 146 f. Bij Hegel had de kerk
-evenzoo slechts eene tijdelijke, voorbijgaande beteekenis, want de staat
-is de ware realiseering der zedelijke idee, die vernünftlich-sittliche
-Substanz. De kerk heeft alleen zoolang recht van bestaan, als de
-staat nog niet ten volle aan zijne idee beantwoordt, Philos. der Rel.
-Werke XII 279. Voor de kerk als instelling van Christus blijft op het
-standpunt van het rationalisme geen plaats. En van een ander beginsel
-uit kwam het mysticisme tot gelijk resultaat. Het Anabaptisme ging uit
-van de volstrekte tegenstelling van schepping en herschepping, natuur
-en genade, wereld en Godsrijk en beschouwde de geloovigen daarom als
-menschen, die in de wedergeboorte iets gansch anders geworden waren
-en daarom gescheiden van de wereld moesten leven. Zijn program was:
-niet reformatie maar separatie; het wilde eene afgezonderde kerk,
-Menno Simons, Werken 262. Eeuwen lang was er geen kerk geweest, maar
-enkel Babel, en Babel moest verlaten en gemeden worden, ib. 33 v. 289
-v. 295. 409 v. In Munster zeide men, dat er in 1400 jaren geen waar
-Christen was geweest, Goebel, Gesch. d. christl. Lebens I 179. De
-ware kerk was eene kerk van heiligen, die na persoonlijke belijdenis
-gedoopt waren en door onthouding van eed, oorlog, overheidsambt en
-allerlei andere wereldsche practijken in spijze en drank, in kleeding
-en verkeer van anderen zich onderscheidden, De Bres, De wortel, den
-oorspronck ende het fundament der Wederd. 1589 bl. 39-45. Cloppenburg,
-Op. II 233. Goebel t. a. p. 134 f. Hetzelfde dualistisch beginsel
-ligt ten grondslag aan allerlei secten, die later binnen den kring
-van het Protestantisme zijn opgetreden. Labadie riep te Middelburg in
-1666, evenals vroeger te Genève en te Amiens, conventikelen in het
-leven, aan welke hij den naam van profetieën gaf en stichtte in 1669
-eene „evangelische gemeente”, die alleen uit ware geloovigen mocht
-bestaan, en later te Herford door een huiselijk familieleven, door
-eene bedenkelijke huwelijkspractijk en door gemeenschap van goederen
-zich onderscheidde, Goebel t. a. p. II 181-273. Ritschl, Gesch.
-d. Piet. I 194-268. Het pietisme, zoowel hier als in Duitschland,
-trok heel het leven saam in den engen kring der religie, werd
-onverschillig voor kerk en ambt, sacrament en formulier, vergaderde
-de geloovigen in afgezonderde gezelschappen en bevorderde het
-separatisme, Ritschl, ib. II 135 f. Zinzendorf organiseerde den 12{en}
-Aug. 1729 eene apostolische gemeente, welke in allerlei trekken
-met de gemeente van Labadie overeen kwam, Goebel, ib. II 271. In
-Engeland kwam onder anabaptistischen invloed bij Robert Browne en
-John Robinson het Independentisme op, dat de kerk geheel en al laat
-opkomen uit de samenvoeging van individueele geloovigen, Weingarten,
-Die Revolutionskinderen Englands 24 f. Na Cromwells revolutie in
-zijn enthousiasme getemperd, ging het, gelijk het Anabaptisme in het
-Mennonitisme, in de religie der Kwakers over, die eene van de wereld
-afgezonderde en in allerlei uitwendigheden onderscheiden gemeente
-vormden. Van al het historische en objectieve losgemaakt, werd de kerk
-bij hen de gemeenschap van allen, die de verlichting des H. Geestes
-deelachtig waren, en voorts de naam voor hen, die samen op ééne plaats
-vergaderden, als het ware één gezin vormden en krachtens het innerlijk
-licht ook uitwendig in belijdenis en leven overeenstemden, Barclay,
-Verantwoording 1757 bl. 212 v. Weingarten ib. 185. 186. Ook het
-Methodisme wordt door dezelfde tegenstelling beheerscht. Wel trachtte
-Wesley eerst de kerk zelve te reformeeren, maar in 1784 ging hij toch
-tot separatie van de staatskerk over; hij ordende predikers, stelde
-hen onder bescherming van de Tolerantie-acte en voegde de bekeerden
-in gezelschappen saam, die dagelijks tot gebed samenkwamen, van tijd
-tot tijd liefdemaaltijden, vastendagen, waaknachten, prayermeetings
-enz. hielden en tot voornaamste taak kregen, om aan de bekeering van
-anderen te arbeiden, Schneckenburger, Kleinere prot. Kirchenparteien
-1863 S. 103 f. Het heilsleger van generaal Booth is van dit Methodisme
-de consequentie; de bekeerden vormen geen kerk meer maar een staand
-leger van Christus, een corps van evangelisten onder een officier,
-door bijzondere kleeding en leefwijze van de wereld gescheiden, Kolde,
-Die Heilsarmee 1885 S. 49 f. Geen wonder, dat onder al dergelijke
-verschijnselen John Darby er toe kwam, om open en beslist alle kerk en
-kerkvorm te verwerpen. Naar zijne meening werd de N. T. bedeeling van
-het verbond der genade eerst wel door God met kerk en ambt begiftigd,
-maar deze zijn reeds in den apostolischen tijd door der menschen ontrouw
-ontaard en van Gods wege verworpen. Daarom zijn alle kerken sedert dien
-tijd niets dan Babel, voorbereidingen van den antichrist, geheel en al
-bedorven, door de geloovigen ten eenenmale te verwerpen. Dezen moeten
-thans niets anders doen dan zich uit de wereld terugtrekken, elkander
-in hunne bijeenkomsten met hunne verschillende gaven stichten en in
-stilte afwachten de wederkomst van Christus, Dr. G. J. v. d. Flier, Het
-Darbisme ’s Grav. 1879. Art. Plymouthbrüder in Herzog².
-
-Zoo schijnt alles te wijzen op eene ontbinding der kerk en op eene
-radicale wijziging van het kerkbegrip. Wel ontbreekt het daartegenover
-niet aan eene machtige reactie. De Russische kerk, wier opperbestuur
-bij de Heilige Synode berust en door middel van den procurator aan den
-keizer gebonden is, handhaaft haar aanspraak op den naam van eenigware,
-orthodoxe kerk en streeft met onderdrukking der secten naar eenheid des
-geloofs in het gansche rijk; Pobedonoszew, de tegenwoordige procurator,
-is voorstander van de absolute monarchie en van de staatskerk en
-verdedigt de leer, dat de massa in de macht den maatstaf der waarheid
-vindt, zie zijne Streitfragen, autor. Uebersetzung, Berlin Deubner
-1897. De Roomsche kerk is nog dezelfde, die zij te voren was, toen zij
-ketters en scheurmakers vervolgen en ter dood brengen liet en kan in
-beginsel geen kerken naast zich erkennen en dulden; als Roomschen
-spreken in het belang van godsdienstvrijheid en scheiding van kerk en
-staat, zijn zij te beschouwen als vrienden van beide uit berekening,
-maar als vijanden van beide uit beginsel, cf. bijv. Stöckl, Lehrb. d.
-Philos. III 474. Cathrein, Moralphilos. II³ 555 f. Hettinger, Apol. des
-Christ. IV² 407 f. In Engeland is eerst het Irvingisme opgetreden, dat
-de kerk reformeeren wilde door herstelling van het apostolaat, J. N.
-Köhler, Het Irvingisme, ’s Grav. 1876, en verbreidt zich thans in de
-Anglicaansche kerk het ritualisme, dat ambten, sacramenten, eeredienst,
-ceremoniën meer en meer naar Roomsche leer en practijk vervormt,
-art. Tractarianismus in Herzog¹. Mr. Walter Wash, Secret History of
-the Oxford movement 1897. Williams, The crisis in the church of
-England. Presb. and Ref. Rev. July 1899 p. 389-412. Zelfs onder de
-Lutherschen gingen vele confessioneelen tot het objectieve instituut
-van kerk, ambt en sacrament terug en bonden daaraan alle mededeeling
-der genade, Löhe, Drei Bücher von der Kirche 1845. Kliefoth, Acht
-Bücher v. d. Kirche 1854. Münchmeyer, Das Dogma v. d. uns. u. sichtb.
-Kirche 1854. Vilmar, Theol. der Thatsachen 1876 S. 48 f. Id. Dogmatik
-II 212. Stahl, Die Kirchenverfassung nach Lehre u. Recht der Prot.
-2e Ausg. 1862 S. 67 f. Maar ondanks dit alles verliest de kerk hoe
-langer hoe meer haar uniform karakter. Niet alleen in de Protestantsche
-landen, vooral in Engeland en Amerika, maar ook in Rusland breidt het
-aantal secten zich uit, J. Gehring, Die Sekten der Russischen Kirche
-1003-1897. Nach ihrem Ursprunge und inneren Zusammenhange dargestellt.
-Leipzig Richter 1898. Zelfs in de Roomsche kerk, die zoo gaarne aan
-de verdeeldheid van het Protestantisme zich te goed doet, is in veel
-opzichten de eenheid meer schijn dan wezen. Geloovigen en ongeloovigen
-staan binnen haar muren even ver van elkaar als in vele kerken der
-Hervorming. De verschillende orden staan dikwerf met elkander op alles
-behalve vriendelijken voet. Dieselben Motive besonderer Frömmigkeit,
-welche auf katholischem Boden zu neuen Ordensstiftungen führen, wirken
-auf protestantischen Boden zur Bildung von Sekten, Ritschl, Gesch.
-des Piet. III 303. En Reform-katholicismus en „Los-van-Rome”-beweging
-toonen, hoeveel onvrede er in menig hart onder den uiterlijken glans
-der eenheid verborgen is. Het geloof aan de ééne, onfeilbare,
-alleenzaligmakende kerk is tegenover het bestaan en den bloei van
-zoovele andere kerken niet meer te handhaven; de leer wordt door het
-leven en door de geschiedenis zoo sterk mogelijk weersproken.
-
-Terwijl Rome voor deze ontwikkeling van Christendom en kerk de oogen
-sluit, loopt de Protestantische theologie gevaar, om ter wille van de
-historie de Goddelijke instelling van de kerk voorbij te zien. Volgens
-Schleiermacher ontstond de kerk durch das Zusammentreten der einzelnen
-Wiedergeborenen zu einem geordneten Auf- und Miteinanderwirken, Chr.
-Gl. § 115. Wijl echter de wedergeboorte geen magische verandering maar
-eene ethische vernieuwing is, blijft er in de wedergeborenen nog altijd
-een stuk wereld over, en moet er dus in de kerk tusschen het blijvende
-en het veranderende en verdwijnende onderscheiden worden, ib. 125.
-126. Op deze onderscheiding past Schleiermacher de vroegere namen van
-onzichtbare en zichtbare kerk toe. Hun vroeger gebruik was verkeerd,
-want van de onzichtbare kerk is het meeste niet onzichtbaar, wijl
-de wedergeboorte naar buiten in belijdenis en leven openbaar wordt,
-en van de zichtbare kerk is het meeste niet kerk, wijl het tot de
-wereld behoort. Onzichtbare kerk duidt niet zoozeer personen, als wel
-werkingen des Geestes in de personen aan, en zichtbare kerk geeft te
-kennen, dat deze werkingen des Geestes bij alle geloovigen nog samengaan
-met nawerkingen der zonde, ib. 148. Beide staan dus tot elkander in
-verhouding als wezen en verschijning, als idee en werkelijkheid, en
-worden in dienzelfden zin ook door vele andere theologen opgevat,
-Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 186-188. Lange, Dogm. II 1090 f.
-Martensen, Dogm. § 191. Müller, Dogm. Abh. 332 f. Thomasius, Christi
-Person und Werk II³ 505. Frank, Chr. Wahrheit II² 369 f. Kaftan, Dogm.
-573. 585. Sommigen laten daarbij de oude namen varen en spreken liever
-van Godsrijk en kerk, A. Dorner, Kirche und Reich Gottes, Gotha 1883.
-Krauss, Das prot. Dogma v. d. uns. K. 1876, of ook van gemeente en
-kerk, Stahl, Kirchenverfassung 67. De la Saussaye in mijne Theol. van
-Ch. d. l. S. 61. Van Oosterzee § 129. Men kan deze zichtbare kerk dan
-nog met Stahl houden voor eene stichting van Christus; maar de meesten
-denken haar toch als een product, een noodzakelijke bestaansvorm van de
-gemeente, Lipsius, Dogm. § 859 f. Tiele, Inl. tot de godsdienstwet.
-II 1899 bl. 141v., of oordeelen zelfs, dat de institutaire kerk haar
-tijd heeft gehad, en in den staat, Strauss, Dogm. II 618. Rothe, Ethik
-§ 124 f. 440 f. 1167 f., of in de belijdende gemeente moet overgaan,
-Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 843. Pfleiderer, Religionsphilos. 1896
-S. 745. Sohm, Kirchenrecht passim. Chavannes, Qu’est ce qu’une église,
-Paris Fischbacher 1897.
-
-
-6. De naam קָהָל, ἐκκλησια, duidt reeds krachtens zijne afleiding van
-werkwoorden, die samenroepen beteekenen, eene vergadering van menschen
-aan, die voor een of ander, inzonderheid politiek of godsdienstig
-doel, saamgekomen, of, al zijn ze op een bepaald oogenblik niet
-vergaderd, toch voor zulk een doel onderling vereenigd zijn. Onder
-het Oude Testament was Israel het volk, dat door God voor zijn dienst
-saamgeroepen en bijeenvergaderd was; en in het Nieuwe Testament is
-dit volk van Israel vervangen door de gemeente van Christus, die nu
-het heilig volk, het uitverkoren geslacht, het koninklijk priesterdom
-Gods is. Het woord kerk, church, kirk, kirche, chiesa, waarmede
-ἐκκλησια is overgezet, drukt niet zoo duidelijk als het oorspronkelijke
-dit karakter van de gemeente van Christus uit. Waarschijnlijk is het
-afgeleid van κυριακη, scil. οἰκια, of κυριακον, scil. οἰκον en
-beteekende het dus oorspronkelijk, niet de gemeente zelve, maar de
-plaats van hare samenkomst, het kerkgebouw, Suicerus s. v. Herzog² 7,
-685. Thans bezigen wij dit woord in denzelfden zin van het kerkgebouw,
-of in dien van godsdienstoefening (bijv. de kerk begint om tien uur),
-of in dien van geinstitueerde groep van gemeenten (de Roomsche, de
-Anglikaansche kerk enz.). De beteekenis van het Nieuwtestamentisch
-woord ἐκκλησια staat bij het woord kerk op den achtergrond; in sommige
-tijden was het bewustzijn, dat kerk de benaming van het volk Gods is,
-schier geheel uitgesleten. Dit is ook de reden, waarom het woord
-ἐκκλησια in de Statenvertaling niet door kerk, maar door gemeente is
-overgezet; dit woord deed toch weer uitkomen, dat het wezen der kerk
-in de gemeenschap der heiligen ligt. Indien er geen bezwaren tegenover
-stonden, zou het overweging verdienen, om het woord kerk door dat van
-gemeente te vervangen. Maar maatschappij en staat hebben dit woord op
-burgerlijk gebied in beslag genomen, spreken van gemeente, gemeenteraad,
-gemeenteschool, gemeentehuis, en hebben daardoor dit woord veelszins
-voor het kerkelijk leven onbruikbaar gemaakt. Gemeente kan en mag wel op
-kerkelijk gebied gebezigd worden, maar heeft dan een bepaalden zin en
-is niet zoo plooibaar als het woord kerk, dat velerlei beteekenissen
-kan aannemen. Want ofschoon dit woord oorspronkelijk het kerkgebouw
-en dan ook de godsdienstoefening en het kerkelijk instituut aanduidde,
-zoo is er toch de beteekenis van volk Gods, van vergadering der
-Christgeloovigen, niet vreemd aan. In dien zin komt het voor in de
-twaalf artikelen, in de Ned. Geloofsbel. art. 27-29, in de Dordsche
-kerkenorde passim. Het komt er slechts op aan, om deze beteekenis in
-het bewustzijn te verlevendigen. De woorden gemeente en kerk kunnen dan
-naast elkander gebruikt worden maar zij zijn nooit zoo van elkander te
-onderscheiden, dat het woord gemeente de vergadering der geloovigen op
-eene bepaalde plaats, en het woord kerk de saamvoeging der gemeenten
-tot één geheel aanduidt. Want kerk en gemeente zijn beide vertalingen
-van hetzelfde woord ἐκκλησια en hebben daarom dezelfde beteekenis.
-Beide woorden zijn namen voor de vergadering der geloovigen, hetzij op
-eene bepaalde plaats, hetzij in een land, hetzij over de gansche aarde.
-Geheel verkeerd is het daarom, om bij gemeente aan de ware geloovigen,
-bij kerk aan de schijngeloovigen te denken, om beide begrippen te
-vereenzelvigen met die van onzichtbare en zichtbare kerk, of ook onder
-gemeente de vergadering der geloovigen en onder kerk het instituut te
-verstaan. Hoogstens verschillen zij daarin, dat gemeente meer denken
-doet aan de gemeenschap der geloovigen onderling, en kerk meer aan
-diezelfde geloovigen, gelijk zij institutair, onder ambt en bediening
-des woords, georganiseerd zijn. Beide malen is het dan echter toch
-dezelfde vergadering van geloovigen, die erdoor aangeduid wordt;
-slechts het gezichtspunt verschilt, waaruit zij beschouwd wordt. Terwijl
-deze beide woorden dus op kerkelijk terrein burgerrecht bezitten, is
-het gansch anders met het woord kerkgenootschap gesteld. Deze naam
-heeft een collegialistischen bijsmaak. Het kwam hier te lande in gebruik
-in 1773 door de eerste berijming van de twaalf geloofsartikelen,
-werd dan in den zin van plaatselijke of algemeene kerk opgenomen in
-de staatsregeling van 1798, 1801 en 1805, werd in de grondwet van
-1814 en 1815 vervangen door het woord godsdiensten en godsdienstige
-gezindheden en daarna in de grondwet van 1848 en 1887 en ook weer in
-de wet op de kerkgenootschappen van 10 Sept. 1853 naast den naam van
-godsdienstige gezindheden ingevoerd, Heraut 627. De saamvoeging van
-kerk en genootschap is eene mesalliance en moeder van vele dwalingen.
-Eene kerk is juist geen genootschap, want zij ontstaat niet door
-vrijwillige toetreding van volwassen personen maar uit de wedergeboorte
-door den H. Geest. Eindelijk verdient het ook geen aanbeveling, om
-het woord kerk in den zin van het volk Gods door dat van Godsrijk te
-vervangen. Want tusschen beide is er een niet onbelangrijk verschil.
-Het koninkrijk Gods, waarmede Jezus’ prediking begint, is in de eerste
-plaats een eschatologisch begrip voor het naderende Messiaansche rijk
-met al zijne goederen. En ook, inzoover dit rijk door wedergeboorte,
-vergeving en vernieuwing hier reeds op aarde in de harten aanwezig is,
-bestaat het veelmeer in geestelijke goederen, dan in gemeenschap van
-personen. Het koninkrijk der hemelen is of wordt juist een eigendom van
-de armen van geest, de reinen van hart, de kinderkens en bestaat zelf
-in vrede, vreugde, blijdschap door den H. Geest. Daarom is het, althans
-hier op aarde, niet georganiseerd; het is in beginsel overal, waar
-de geestelijke weldaden van Christus geschonken zijn, en is nergens op
-aarde afgerond en voltooid, deel III 233v. Maar de kerk is vooral een
-diesseitig begrip, een gemeenschap van personen, toegerust met ambten
-en bedieningen en in het zichtbare optredend als het vergaderde volk
-Gods. De kerk is dus het middel, waardoor Christus de weldaden van
-het Godsrijk uitdeelt en de voltooiing ervan voorbereidt. En op haar
-weg, om het Godsrijk te doen komen, neemt zij allerlei elementen op, die
-onzuiver zijn en eigenlijk niet tot haar behooren (hypocrieten en ook den
-ouden mensch in de geloovigen), terwijl het koninkrijk Gods, in goederen
-bestaande, zuiver en onvermengd is en alleen het wedergeborene omvat.
-Christus is der gemeente gegeven tot een hoofd, juist opdat God aan het
-einde als Koning van zijn volk optreden en alles in alles kunne zijn. Cf.
-Philippi, Kirchl. Gl. V 3, 203. Frank, Chr. Wahrheit II 375. Kaftan,
-Dogm. 584.
-
-Nu is er geen twijfel aan, dat volgens de H. Schrift het wezen der
-kerk daarin ligt, dat zij het volk Gods is. Immers, de kerk is eene
-realiseering der verkiezing, en deze is eene verkiezing in Christus
-tot roeping, rechtvaardigmaking, verheerlijking, Rom. 8:28, tot
-gelijkvormigheid aan den Zone Gods, Rom. 8:29, tot heiligheid en
-zaligheid, Ef. 1:4v. De zegeningen welke aan de kerk worden geschonken,
-zijn in de eerste plaats inwendig en geestelijk van aard en bestaan
-in roeping en wedergeboorte, in geloof en rechtvaardigmaking, in
-heiligmaking en verheerlijking. ’t Zijn goederen van het koninkrijk der
-hemelen, weldaden van het verbond der genade, beloften voor dit maar
-bovenal voor het toekomende leven. Op grond daarvan heet de kerk het
-lichaam van Christus, 1 Cor. 12:27, Ef. 5:23, Col. 1:18, de bruid van
-Christus, 2 Cor. 11:2, Ef. 5:32, Op. 19:7, 21:2, de schaapskooi van
-Christus, die zijn leven stelt voor de schapen en door dezen gekend
-wordt, Joh. 10, het gebouw, de tempel, het huis Gods, Mt. 16:18, Ef.
-2:20, 1 Petr. 2:5, opgetrokken uit levende steenen, 1 Petr. 2:5, op
-den hoeksteen Christus en op het fundament van apostelen en profeten,
-1 Cor. 3:17, 2 Cor. 6:16, 17, Ef. 2:22, Op. 21:2-4, het volk, het
-eigendom, het Israel Gods, Rom. 9:25, 2 Cor. 6:16, Hebr. 8:10, 1 Petr.
-2:9, 10. De leden der kerk heeten ranken aan den wijnstok, Joh. 15,
-levende steenen, 1 Petr. 2:5, uitverkorenen, geroepenen, geloovigen,
-geliefden, broeders en zusters, kinderen Gods enz., en zij, die dit
-niet in waarheid zijn, worden in de Schrift beschouwd als kaf aan het
-koren, Mt. 3:12, als onkruid onder de tarwe, Mt. 13:13, als kwade
-visschen in het net, Mt. 13:47, als een mensch zonder feestkleed op de
-bruiloft, Mt. 22:11, als geroepen doch niet uitverkoren, Mt. 22:14,
-als kwade ranken aan den wijnstok, Joh. 15:2, als niet Israel, schoon
-uit Israel zijnde, Rom. 2:28, 9:6, als boozen, die weggedaan moeten
-worden, 1 Cor. 5:12, als vaten ter oneere, 2 Tim. 2:20, als zulken, die
-uit ons uitgegaan zijn maar niet uit ons waren, 1 Joh. 2:19 enz. Dit
-alles verheft het boven allen twijfel, dat de kerk naar haar wezen een
-vergadering van ware geloovigen is. Zij, die het oprechte geloof niet
-deelachtig zijn, mogen uitwendig tot de kerk behooren; zij maken toch
-haar wezen, haar forma niet uit, zij zijn in, maar niet de ecclesia.
-
-Bevestigd wordt dit nog door de wijze, waarop de Schrift van de
-gemeenschap der heiligen spreekt. De geloovigen hebben één Heer, één
-geloof, één doop, één God en Vader van allen, en zoo ook hebben zij
-éénen Geest, Ef. 4:4-6, in wiens gemeenschap zij leven, door wien zij
-wedergeboren, tot één lichaam gedoopt en met Christus vereenigd zijn,
-Joh. 3:5, 14:17, Rom. 8:9, 14, 16, 1 Cor. 12:3, 13, 2 Cor. 1:22, 5:5,
-Ef. 1:13, 4:30, 1 Joh. 2:20. En deze Geest doet in de eenheid de
-verscheidenheid niet te niet, welke onder de geloovigen bestaat, maar
-Hij handhaaft en bevestigt ze. Gelijk Hij in schepping en onderhouding
-alle dingen op hunne wijze versierde en voltooide, deel II 295, en
-onder Israel allerlei natuurlijke en geestelijke gaven schonk, deel II
-230; zoo deelde Hij zichzelf op den pinksterdag met al zijne charismata
-aan de gemeente van Christus mede. Deze charismata omvatten in ruimer
-zin ook de weldaden der genade, die het deel van alle geloovigen zijn,
-Rom. 5:15, 16, 6:23; maar duiden in enger zin die bijzondere gaven
-aan, welke aan de geloovigen in verschillende mate en graad ten nutte
-van elkander geschonken zijn, Rom. 1:11, 1 Cor. 1:7, 2 Cor. 1:11, 1
-Tim. 4:14, 2 Tim. 1:6 en vooral Rom. 12:6-9 en 1 Cor. 12:12 v. Van
-al deze gaven is de H. Geest, die ze alle uit Christus neemt, Joh.
-16:13, 14, Ef. 4:7, de uitdeeler; Hij deelt ze aan een iegelijk uit,
-gelijkerwijs Hij wil, echter niet naar willekeur, maar in verband met de
-mate des geloofs, met de plaats, die iemand in de gemeente inneemt,
-en met de taak, waartoe hij geroepen is, Rom 12:3, 6, 2 Cor. 10:13,
-Ef. 4:7, 1 Petr. 4:10, zoodat elke gave eene φανερωσις του πνευματος
-is, 1 Cor. 12:7. Deze gaven zijn zeer vele in aantal. Paulus noemt er
-onderscheidene op, en bedoelt nog geenszins eene volledige lijst te
-geven. De Roomschen spreken, evenals van zeven hoofdzonden, zeven
-deugden, zeven zaligheden, zoo ook gaarne met beroep op Jes. 11:2,
-3 van zeven dona Spiritus Sancti, Lombardus, Sent. III dist. 34.
-Thomas, S. Theol. I 2 qu. 68. II 2 qu. 8. Bonaventura, Brevil. V 5.
-Meschler, Die Gabe des h. Pfingstfestes, 3{te} Aufl. Freiburg 1896 S.
-233 f. Simar, Dogm. 554. Heinrich-Gutberlet, Dogm. VIII 631. Maar dit
-zevental omvat niet de eigenlijke charismata, die door Paulus worden
-opgenoemd en die in de Roomsche theologie veeleer onder den naam van
-gratiae gratis datae ter sprake komen, Simar ib. 486. En deze zijn niet
-tot een zevental te beperken. Bij die, door Paulus opgeteld, kunnen
-ook nog gevoegd worden die van gebed en dankzegging, van vermaning
-en vertroosting, van mededeelzaamheid en herbergzaamheid enz. Eene
-indeeling is daarom ook moeilijk te geven. Sommige dragen duidelijk een
-bovennatuurlijk karakter of zijn eerst in of na de bekeering geschonken,
-andere vertoonen meer den aard van natuurlijke gaven, die door den
-H. Geest verhoogd en geheiligd zijn. Gene traden in den eersten tijd
-vooral sterk op den voorgrond, deze zijn meer eigen aan de kerk in hare
-historische, normale ontwikkeling. Maar welke die gaven ook zijn, zij
-dienen allen ten nutte van de gemeente. De communio sanctorum is eene
-sanctorum communicatio, Calvijn, Inst. IV 1, 3. De H. Geest deelt de
-charismata niet aan de leden der gemeente uit ten bate van zichzelven,
-maar ten bate van anderen. Zij mogen niet begraven of verzuimd, maar
-moeten ten nutte en ter zaligheid der andere leden gewilliglijk en
-met vreugde aangelegd worden, Heid. Cat. 55; zij dienen tot οἰκοδομη,
-1 Cor. 14:12, Ef. 4:12, en zijn ondergeschikt aan de liefde, welke
-de uitnemendste gave is. Deze liefde toch is nog eene andere dan de
-algemeene naastenliefde; zij is de liefde tot de broederen, tot de
-huisgenooten des geloofs. Jezus noemt deze liefde een nieuw gebod,
-Joh. 13:34, 35, 15:12, 17:26, omdat de liefde onder Israel niet een
-zuiver geestelijk karakter droeg maar met de banden des bloeds was
-samengestrengeld, en de liefde, die Hij thans onder zijne jongeren
-tot stand brengt, eerst volkomen zuiver, onvermengd en van aardsche
-betrekkingen onafhankelijk is. De leden van Jezus’ gemeente zijn broeders
-en zusters onder elkander, Mt. 12:48, 18:15, 23:8, 25:40, 28:10, Joh.
-15:14, 15, 20:17, Rom. 8:29, Hebr. 2:11 enz. Zij zijn kinderen van één
-gezin; God is hun Vader, Ef. 4:6, Christus hun eerstgeborene broeder,
-Rom. 8:29, Jeruzalem, dat boven is, hunne moeder, Gal. 4:26. En zoo
-hebben zij elkander met al hun geestelijke en natuurlijke gaven te dienen.
-De kerk is eene gemeenschap der heiligen. Cf. over deze geestelijke
-gaven de verklaringen over het geloofsartikel van de gemeenschap der
-heiligen en voorts, Amesius, Med. Theol. II 2 § 19-23. Voetius, Disp.
-II 1086-1100. Neander, Pflanzung u. Leitung d. christl. Kirche⁵ S. 180
-f. Pfleiderer, Der Paulinismus 242. Holtzmann, Neut. Theol. II 143.
-175. Art. Geistesgaben van Cremer in Herzog³. Lauterburg, Der Begriff
-des Charisma u. seine Bedeutung für die prakt. Theol. Gütersloh 1898.
-
-
-7. Zoolang wij dit wezen der kerk vasthouden, baart haar begrip geen
-overgroote moeilijkheid. De kerk is dan altijd in ruimer of in enger
-zin de vergadering der geloovigen. In den ruimsten zin omvat zij
-allen, die door het geloof in Christus zalig zijn geworden of het ook
-nog zullen worden. Adam en Eva vóór den val behooren er dan nog wel
-niet toe, want zij hadden toen nog geen middelaar van noode. En ook de
-engelen kunnen niet tot haar gerekend worden, ofschoon dit door velen
-geschiedde; want Christus is wel de Heer der engelen en heeft door zijn
-kruis alle dingen, ook engelen en menschen, in de rechte verhouding
-tot God en tot elkander geplaatst; maar engelen zijn toch niet naar
-Gods beeld geschapen, zijn niet gevallen en niet door Christus verlost
-en zijn dus ook geen leden van de kerk, welke Christus vergadert ten
-eeuwigen leven. De geloovigen komen volgens Hebr. 12:22 wel tot de
-gemeenschap met de duizenden van engelen, maar dezen worden duidelijk
-onderscheiden van de πανηγυρις και ἐκκλησια πρωτοτοκων, vs. 23, cf.
-deel II 442-445. III 405-408. Leden der kerk zijn alleen menschen,
-die door het geloof in Christus behouden zijn. Tot haar behooren dus
-alle geloovigen, die van de paradijsbelofte af tot op dit oogenblik
-toe op aarde geleefd en niet in den limbus patrum of in het vagevuur
-maar in den hemel zijn opgenomen, Hebr. 12:23. Tot haar behooren alle
-geloovigen, die thans nog op aarde leven. En tot haar behooren in
-zekeren zin ook al degenen, die later nog tot het einde der eeuwen
-toe in Christus gelooven zullen. Want de kerk, ook als zij in dezen
-ruimsten zin genomen wordt, is geen platonische staat, die alleen in
-de verbeelding bestaat en nooit werkelijkheid wordt, maar zij heeft
-den waarborg van haar existentie nu of in de toekomst in het besluit
-Gods, in de vastheid van het genadeverbond, in het middelaarschap van
-Christus, in de belofte des H. Geestes. Het grootste gedeelte der leden
-van deze kerk is dan echter op een gegeven oogenblik niet op aarde;
-want van het paradijs af tot heden toe zijn er reeds vele duizenden en
-millioenen in den hemel opgenomen en hun getal wordt dagelijks, van
-oogenblik tot oogenblik vermeerderd (ecclesia triumphans), en velen
-zijn er, die nu nog niet gelooven of zelfs nog niet geboren zijn en toch
-onfeilbaar zeker tot het geloof zullen komen. De kerk, als vergadering
-der geloovigen, die op een gegeven oogenblik op aarde leven (ecclesia
-militans), is dus maar een klein deel van de kerk, in haar ruimsten
-zin genomen. Toch is het goed en noodig, om den samenhang der kerk op
-aarde met die in het verleden en in de toekomst vast te houden. Want
-het is ééne vergadering, ééne ἐκκλησια van degenen, die in de hemelen
-zijn opgeschreven en die eenmaal als eene bruid zonder vlek of rimpel
-voor Gods aangezicht zullen staan. En het handhaven van deze eenheid
-der gansche kerk verhoogt het gemeenschapsgevoel, staalt den moed en
-prikkelt tot den strijd. Indien wij ons verder bepalen tot dat gedeelte
-der kerk, dat op aarde zich bevindt (ecclesia militans), dan kan dit
-nog weer ruimer of enger genomen worden. Wij kunnen erbij denken aan al
-de geloovigen saam, die thans in alle kerken, onder alle volken, in
-alle landen aanwezig zijn (ecclesia universalis), aan de geloovigen
-in één land of in eene provincie, Hd. 9:31 (ecclesia nationalis,
-provincialis) of ook aan de geloovigen op eene bepaalde plaats, hetzij
-stad of dorp (ecclesia particularis, localis). Daarbij verdient het dan
-opmerking, dat de ecclesia universalis (nationalis) aan de ecclesia
-particularis voorafgaat. De kerk van Christus is een organisme, waarin
-het geheel gaat vóór de deelen; zij heeft haar oorsprong in het paradijs,
-Gen. 3:15, of ook voor de dagen des N. Test. in Jeruzalem, Hd. 1:8;
-de kerk te Jeruzalem was, zoolang zij alleen bestond, de ecclesia
-universalis, de kerk van Christus op aarde, en de kerken, die straks
-naast haar optraden, kwamen niet autochthonisch maar van uit Jeruzalem
-door de prediking der apostelen en evangelisten tot stand.
-
-Tot dusver is het begrip der kerk duidelijk en klaar. Maar nu komt er
-eene dubbele moeilijkheid. De eerste bestaat daarin, dat dit begrip van
-kerk in de Schrift toegepast wordt op concrete, historisch bestaande,
-afgesloten groepen van personen, onder welke ook altijd ongeloovigen
-zijn. In het O. Test. heette het gansche volk volk Gods, ofschoon lang
-niet alles Israel was, wat uit Israel was. In de kerken des N. Test.
-was er ook, schoon in veel mindere mate, kaf onder het koren en onkruid
-onder de tarwe. En na den apostolischen tijd zijn de kerken telkens
-verwereldlijkt, verbasterd, verdeeld, en toch noemen wij ze alle nog
-met den naam van kerken. De theologie heeft, evenals de Schrift, dit
-feit ten allen tijde erkend en op haar voorgang steeds verklaard, dat
-het wezen der kerk niet door de ongeloovigen maar door de geloovigen
-werd bepaald, boven bl. 8 v. Augustinus helderde deze aanwezigheid van
-ongeloovigen in de kerk op door het schriftuurlijk beeld van kaf en
-koren, of ook door dat van lichaam en ziel, uit- en inwendigen mensch,
-kwade sappen in het lichaam; de ongeloovigen zijn in het lichaam van
-Christus quomodo humores mali, bij Seeberg t. a. p. 45. En zoo spraken
-ook de scholastieke en Roomsche theologen. Bellarminus bijv. tracht
-wel aan te toonen, dat ook ongeloovigen leden der kerk zijn, maar hij
-brengt het niet verder dan tot de bewering, dat zij het aliquo modo
-zijn, de eccles. mil. III 2; zij zijn alleen de corpore, niet de anima
-ecclesiae; de boni zijn pars interior, de mali zijn pars exterior van
-de kerk; de ongeloovigen zijn membra mortua, arida, die alleen externa
-conjunctione met de kerk verbonden zijn; zij behooren niet tot het rijk
-van Christus, quoad fidei professionem maar tot het rijk des duivels,
-quantum ad morum perversitatem; zij zijn filii propter formam pietatis,
-alieni propter amissionem virtutum; er mogen geen twee kerken zijn, er
-zijn toch twee partes in de kerk, ib. III 9. En de Catech. Rom. zegt,
-dat er in de strijdende kerk duo hominum genera zijn en dat er volgens
-de Schrift kwade visschen in het net zijn en onkruid op den akker en
-kaf op den dorschvloer, dwaze onder de wijze maagden en onreine dieren
-in de ark, I 10 qu. 6. 7. In theorie wijkt dit niet veel af van de
-leer der Reformatie; maar practisch zag het er met de kerk tegen het
-einde der Middeleeuwen gansch anders uit, en Rome voedt ook steeds het
-denkbeeld, dat uitwendig lidmaatschap, historisch geloof, onderhouding
-van de geboden der kerk en onderwerping aan den paus het wezen der kerk
-constitueeren. Daartegen kwam de Hervorming in verzet en stelde zij
-de onderscheiding over van zichtbare en onzichtbare kerk. Augustinus
-had reeds gezegd van de naamchristenen, quum intus _videntur_, ab
-illa _invisibili_ caritatis compage separati sunt, de bapt. III 19 bij
-Seeberg t. a. p. 42; en eigenlijk kan Rome tegen deze onderscheiding
-geen bezwaar hebben en aanvaardt ze ook zelve, inzoover zij in de
-ééne kerk duo hominum genera, duas partes onderscheidt. Bellarminus
-handelt, de eccl. mil. III 10, over de infideles occulti, en Möhler,
-Symb. § 49, prijst Luther, als deze de kerk opvat als eene gemeenschap
-der heiligen en zegt, dat de geloovigen, die Unsichtbaren, de dragers
-der zichtbare kerk zijn. Maar de onderscheiding van zichtbare en
-onzichtbare kerk kan verschillend opgevat worden, boven bl. 18. De
-meeste dezer opvattingen zijn echter te verwerpen of komen althans niet
-in de dogmatiek ter sprake. Onzichtbaar is de kerk niet te noemen,
-omdat Christus, omdat de ecclesia triumphans, omdat de aan het einde
-der eeuwen voltooide kerk thans niet voor ons waar te nemen valt;
-noch ook, omdat de kerk op aarde in vele plaatsen en landen door ons
-niet gezien wordt of in tijden van vervolging verborgen is of soms van
-bediening van woord en sacrament verstoken is. De onderscheiding van
-zichtbare en onzichtbare kerk is alleen op de ecclesia militans van
-toepassing en duidt dan aan, dat de kerk naar hare geestelijke zijde of
-in hare ware leden onzichtbaar is. Beide deze beteekenissen zijn bij
-Lutherschen en Gereformeerden ineengevloeid en kunnen ook niet uit
-elkander gehouden worden. De kerk is een voorwerp des geloofs. Het
-inwendig geloof des harten, de wedergeboorte, de waarachtige bekeering,
-de verborgen gemeenschap met Christus enz. zijn geestelijke goederen, die
-met het natuurlijk oog niet waar te nemen zijn, en die toch aan de kerk
-haar eigenlijke forma schenken. En aan geen enkelen mensch heeft God den
-onfeilbaren maatstaf in handen gegeven, waarnaar hij anderer geestelijk
-leven beoordeelen kan. De intimis non judicat ecclesia. De Heere alleen
-kent degenen, die zijne zijn. Zoo is het dus mogelijk en is het ook altijd
-in de christelijke kerk een feit geweest, dat er kaf onder het koren
-school en hypocrieten onder de ware geloovigen verborgen waren. De
-naam kerk, gebezigd van de ecclesia militans, van de vergadering der
-geloovigen op aarde, heeft daarom bij alle Christenen, zoo Roomsche als
-Protestantsche, altijd een overdrachtelijken zin. Zij wordt zoo geheeten,
-niet naar de ongeloovigen, die er zich in bevinden, maar naar de
-geloovigen, die er het essentieele bestanddeel van vormen en er het
-wezen aan geven. Het geheel wordt naar het deel genoemd. Eene kerk is
-en blijft eene vergadering van ware Christgeloovigen.
-
-
-8. Zoo opgevat, kan de onderscheiding van zichtbare en onzichtbare kerk
-door niemand gewraakt en moet zij veeleer door allen worden erkend. Maar
-er is nog eene andere moeilijkheid aan het begrip der kerk verbonden.
-De vergadering der geloovigen op aarde is niet alleen charismatisch
-maar ook institutair ingericht. Zij is niet alleen zelve het eigendom
-van Christus, maar doet ook dienst, om anderen voor Christus te winnen.
-Zij is coetus, doch ook mater fidelium; organisme doch ook instituut;
-doel en middel tegelijk. De verhouding van de kerk als organisme tot
-de kerk als instituut komt eerst in de volgende paragraaf, bij de
-regeering der kerk, ter sprake. Want evenals het begrip _staat_ moeilijk
-te omschrijven is en dan eerst duidelijk wordt, wanneer daarin volk en
-overheid onderscheiden en afzonderlijk behandeld wordt, zoo is er van
-het begrip kerk dan alleen eene goede definitie te geven, als tegen
-vereenzelviging van de vergadering der geloovigen met hare organisatie
-in het instituut gewaakt wordt, Turretinus, Theol. El. XVIII 3, 10.
-Stahl, Kirchenverfassung 46. Velen echter brengen de onderscheiding
-van de kerk als organisme en als instituut met die in onzichtbare en
-zichtbare in verband en geven daardoor aan deze laatste ongemerkt een
-zin, die haar niet toekomt. Aan de eene zijde staan zij, die niet alleen
-de kerk naar hare idee of de ecclesia triumphans maar ook de ecclesia
-militans op aarde omschrijven als vergadering van de praedestinati of
-electi (Wiclef), of van de perfecti (Pelagius volgens August., de haer.
-88, de Anabaptisten volgens Calvijn, Inst. IV 1, 8 en vele anderen), of
-van hen, qui nunquam lapsi sunt (Novatianus), of ook van die leden der
-kerk, die ten avondmaal gaan (communicanten, gelijk velen in Amerika
-de kerk opvatten). Aan de andere zijde bevinden zich de Roomschen, die
-het zwaartepunt der kerk uit de vergadering der geloovigen in het
-hierarchisch instituut, in de monarchia externa et suprema totius orbis
-verleggen en haar wezen veelmeer zoeken in de ecclesia docens dan
-in de ecclesia audiens. En dien kant gaan ook uit allen, die, om de
-ongeloovigen en hypocrieten althans eenigermate als ware leden vast te
-houden, de kerk omschrijven als vergadering van geroepenen (Melanchton,
-Löhe, Kliefoth enz.) of van gedoopten (Münchmeyer, Delitzsch, Vilmar
-enz.). Beide deze beschouwingen zijn eenzijdig en doen aan het wezen
-der kerk te kort. Op het eerste standpunt wordt de kerk geheel en al
-onzichtbaar, blijft zij eene idee en treedt niet in de werkelijkheid
-op. De verkiezing zonder meer maakt iemand nog niet tot een lidmaat
-der kerk op aarde. Wel behooren de uitverkorenen, die nog niet tot
-het geloof zijn gekomen, tot de kerk, gelijk zij in de gedachte en het
-besluit Gods bestaat; zij kunnen zelfs gezegd worden, potentia tot de
-kerk te behooren, maar zij zijn er toch actu nog geen leden van. En ook
-kan de kerk niet omschreven worden als vergadering van volmaakten, van
-niet-gevallenen of van communicanten, want de geloovigen bereiken in
-dit leven de volmaaktheid niet, zijn door de beloften Gods niet tegen
-elken val gewaarborgd en zijn niet tot het getal der avondmaalgangers
-beperkt. Evenmin is de tweede, bovengenoemde omschrijving met het wezen
-der kerk in overeenstemming. Want uitwendig lidmaatschap, roeping en
-doop zijn geen bewijs van waarachtig geloof; velen worden geroepen,
-die niet zijn uitverkoren; velen worden gedoopt, die niet gelooven;
-niet allen zijn Israel, die uit Israel zijn. Terwijl eerstgenoemden
-dus tot geen zichtbare kerk komen, verwaarloozen laatstgenoemden de
-onzichtbare kerk. Dan alleen komen deze beide tot haar recht, wanneer
-de kerk opgevat wordt als vergadering van geloovigen. Immers is het het
-oprechte, ware geloof, dat zalig maakt, vergeving der zonden en eeuwig
-leven ontvangt. Dat geloof is een zaak des harten, doch het blijft niet
-binnen den mensch besloten maar openbaart zich naar buiten in belijdenis
-en wandel, Rom. 10:10, en belijdenis en wandel zijn teekenen van het
-inwendig geloof des harten, Mt. 7:17, 10:32, 1 Joh. 4:2. Wel is waar
-zijn ook geloof en belijdenis lang niet altijd in overeenstemming; er is
-geloof, bijv. bij de kinderen der geloovigen, dat niet in daden openbaar
-wordt, en er is een belijden, dat in het roepen van Heere, Heere bestaat
-en niet uit waar geloof wordt geboren. Maar toch heeft de opvatting van
-de kerk als vergadering van geloovigen dit voor boven hare omschrijving
-als vergadering van geroepenen en gedoopten, dat zij datgene handhaaft,
-waarop het voor ieder mensch en voor heel de kerk aankomt. Niet het
-geroepen en het gedoopt zijn beslist, maar wie geloofd zal hebben en
-gedoopt zal zijn zal zalig worden, daarentegen die niet zal geloofd
-hebben, ook al werd hij geroepen en gedoopt, zal verdoemd worden, Mk.
-16:16.
-
-Hieruit volgt, dat de onderscheiding van de kerk als instituut en
-organisme eene gansch andere is dan die in zichtbare en onzichtbare
-kerk, en met deze niet vereenzelvigd mag worden. Want instituut en
-organisme zijn beide benamingen van de kerk naar hare zichtbare zijde.
-Men mag hierbij niet vergeten, dat ook instituut en organisme der kerk,
-in het zichtbare optredend, een onzichtbaren, geestelijken achtergrond
-hebben. Want ambt en gave, bediening van woord en sacrament,
-broederliefde en gemeenschap der heiligen berusten alle op werkingen,
-die er uitgaan van het verheerlijkt Hoofd der gemeente door den H.
-Geest. Afkeuring verdient daarom de voorstelling, alsof het instituut
-als iets toevalligs en uitwendigs op mechanische wijze aan de kerk
-als vergadering der geloovigen ware toegevoegd. Maar toch denken wij
-bij de kerk als instituut en als organisme in de eerste plaats aan de
-kerk naar hare zichtbare zijde, dat is, aan de ambten en bedieningen,
-waarmede zij toegerust is en aan de gemeenschap der heiligen, gelijk die
-in de broederliefde openbaar wordt. En juist in deze beide treedt
-de kerk naar buiten zichtbaar op. Onjuist is daarom ook de meening,
-dat de kerk alleen zichtbaar wordt in het instituut, in ambt en
-bediening, in woord en sacrament, in eenigen vorm van kerkregeering.
-Ook wanneer dit alles weggedacht wordt, is nochtans de kerk zichtbaar.
-Want elk geloovige openbaart zijn geloof in belijdenis en wandel op
-ieder terrein van het leven en alle geloovigen saam staan met hun
-geloof en leven tegen de wereld over. In den hemel is er geen ambt en
-bediening, geen woord en sacrament meer en zal toch de kerk ten volle
-zichtbaar zijn. Zichtbaarheid en onzichtbaarheid onderscheiden de kerk
-dus uit een geheel ander gezichtspunt dan instituut en organisme. De
-laatste onderscheiding zegt ons, waarin de kerk voor ons zichtbaar en
-kenbaar wordt; de eerste leert, dat die zichtbare verschijning eene
-onzichtbare, geestelijke zijde heeft, welke alleen Gode bekend is.
-Daarmede is nu vanzelf ook gegeven, dat zichtbare en onzichtbare kerk
-geen twee kerken zijn. Deze bedenking werd reeds door de Donatisten
-tegen Augustinus ingebracht en is later door de Roomschen tegen de
-Protestanten herhaald. Maar de aanklacht berust op misverstand. Rome
-zelf erkent, gelijk boven aangetoond is, dat er duo hominum genera in
-de kerk zijn, dat zij duas partes heeft, en tracht nu wel aan te toonen,
-dat de ongeloovigen aliquo modo tot de kerk behooren maar durft toch
-niet zeggen, dat zij het wezen der kerk uitmaken. Feitelijk staat zij dus
-voor dezelfde moeilijkheid als de Hervorming. Want dat de hypocrieten
-aliquo modo tot de kerk behooren, is geen punt van verschil. Ook de
-Protestanten erkennen, dat zij in ecclesia zijn en tot de kerk behooren,
-gelijk de kwade ranken tot den wijnstok en het kaf tot het koren. Alleen
-ontkennen zij, dat dezen aan de kerk haar forma geven, want het oprechte
-geloof is het en niets anders, dat zalig maakt en Christus inlijft. De
-ongeloovigen zijn dus het wezen der kerk niet, zij zijn niet de ecclesia.
-Onzichtbare en zichtbare kerk zijn dus ook volstrekt geen benamingen
-voor de groep van ongeloovigen en van geloovigen, die er in eene kerk
-zijn. In de kerk is over leer en leven de tucht te handhaven naar des
-Heeren gebod; maar elke poging, om de geloovigen en de ongeloovigen te
-scheiden, en eene ecclesiola in ecclesia op te richten, is evenzeer met
-des Heeren gebod in strijd; Mt. 13:30 verbiedt dit niet, want de akker,
-daar bedoeld, is niet de kerk doch de wereld, vs. 38, maar het volgt
-daaruit, dat wij aan belijdenis en wandel gebonden zijn en over het hart
-niet kunnen of mogen oordeelen. Ongeloovigen maken dus evenmin het
-wezen van de zichtbare als van de onzichtbare kerk uit; zij behooren tot
-de kerk in geen van beide opzichten, al ontbreekt ons het recht en de
-bevoegdheid, om hen van de geloovigen af te zonderen en uit te werpen.
-Zelfs kan nog sterker gezegd worden, dat ook de oude mensch, die in
-de geloovigen overblijft, niet tot de kerk behoort. Daarmede heeft
-Schleiermacher nog geen gelijk, als hij het wezen der kerk in werkingen
-des H. Geestes gelegen acht, want de kerk is geen vergadering van
-werkingen maar van personen; het zijn menschen, die door den H. Geest
-worden wedergeboren en tot het geloof gebracht en die als zoodanig,
-als nieuwe menschen, het wezen der kerk vormen. Maar toch, de kerk is
-eene vergadering van geloovigen, en al wat niet uit het geloof, uit den
-nieuwen maar uit den ouden mensch opkomt, behoort niet tot de kerk en
-wordt daarom eenmaal buitengeworpen. Zichtbare en onzichtbare kerk zijn
-om deze reden twee zijden van eene en dezelfde kerk; het zijn dezelfde
-geloovigen, die de eene maal beschouwd worden van de zijde des geloofs,
-dat in het hart woont en Gode alleen zeker bekend is, en de andere maal
-van de zijde der belijdenis en des levens, welke naar ons toegekeerd en
-voor ons waarneembaar is. Omdat de kerk hier op aarde wordende is, zijn
-deze beide zijden nooit, zelfs niet in de zuiverste kerk, aan elkander
-gelijk. Er zijn altijd ongeloovigen binnen, en geloovigen buiten de kerk;
-multi lupi intus, multae oves foris. Het laatste was bijv. onder het O.
-Test. het geval met Naäman den Syriër en geldt nu nog van allen, die om
-eene of andere reden buiten de gemeenschap der geinstitueerde kerken
-leven en toch het ware geloof deelachtig zijn. Maar dit alles doet toch
-niets af van het feit, dat het wezen der kerk alleen in de geloovigen
-ligt.
-
-
-9. Indien de kerk naar haar wezen eene vergadering van ware
-Christgeloovigen is en deze alleen Gode bekend zijn, wordt de vraag
-van gewicht, waaraan de kerk door ons kan worden gekend. De Roomsche
-Christen heeft daarom vooral bezwaar tegen het reformatorisch
-kerkbegrip, wijl het de zekerheid der kerk en dus van de zaligheid
-zijner ziel ondermijnt en voor twijfel, verdeeldheid, onverschilligheid
-de deur opent. Bellarminus zegt het zoo duidelijk mogelijk: necesse
-est, ut nobis certitudine infallibili constet, qui coetus hominum sit
-vera Christi ecclesia, nam cum Scripturae traditiones et omnia plane
-dogmata ex testimonio ecclesiae pendeant, nisi certissimi simus, quae
-sit vera ecclesia, incerta erunt prorsus omnia. Dit nu is onmogelijk,
-als het oprechte geloof iemand alleen waarlijk tot lid der kerk maakt,
-want dit kan nooit door ons zeker worden gekend, en eene cognitio
-conjecturalis is onvoldoende, wij hebben hier een certitudo infallibilis
-van noode, de eccl. mil. III c. 10, want tenemur omnes sub periculo
-mortis aeternae verae ecclesiae nos adjungere et in illa perseverare,
-ib. c. 12. De ware kerk moet daarom zoo visibilis en palpabilis
-wezen, ut est coetus populi Romani, vel regnum Galliae aut respublica
-Venetorum, ib. c. 2. Vandaar dat Bellarminus alle krachten inspant, om
-de waarheid der Roomsche kerk te bewijzen. Hij telt niet minder dan 15
-notae op, n.l. ipsum catholicae ecclesiae nomen, antiquitas, duratio
-diuturna, multitudo et varietas credentium, successio episcoporum,
-conspiratio in doctrina cum ecclesia antiqua, unio membrorum inter se
-et cum capite, sanctitas doctrinae, efficacia doctrinae, sanctitas
-vitae primorum patrum, gloria miraculorum, lumen propheticum, confessio
-adversariorum, infelix exitus eorum qui ecclesiam oppugnant, felicitas
-temporalis, de eccl. mil. IV c. 4-18. De Roomsche theologen volgen
-dit voorbeeld, maar herleiden het vijftiental notae gewoonlijk tot
-de vier, welke in het symbolum Nic.-Const. worden genoemd, n.l. de
-unitas, sanctitas, catholicitas en apostolicitas, Perrone, Prael. I
-248. Liebermann, Instit. theol. I 255. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV
-372. Jansen, Prael. I 659. Hettinger, Apol. 7{te} Aufl. IV 411, V 106.
-Daarbij verdient het nog de aandacht, dat Rome in eigenlijken zin geen
-notae of criteria heeft, waaraan de ware kerk kan gekend worden. Deze
-onderstellen toch een maatstaf, die boven de kerk ligt en waarnaar
-zij door ieder beoordeeld mag worden. En zulk een maatstaf heeft Rome
-niet, want de Schrift is afhankelijk van de kerk, en de kerk is zelve
-de hoogste maatstaf voor leer en leven. Notae ecclesiae zijn bij Rome
-dus niets anders dan indicia, eigenschappen, waarin de kerk uitkomt
-en zich openbaart. Bewijzen voor de kerk zijn dezelfde als die voor het
-Christendom, want beide zijn bij Rome één. En deze bewijzen maken de
-stelling, dat de Roomsche kerk de ware kerk is, wel niet evidenter
-veram maar toch evidenter credibilem, ib. IV c. 3. Evenzoo spreekt
-het Vaticanum, III c. 3: Deus per Filium suum unigenitum Ecclesiam
-instituit, suaeque institutionis manifestis notis instruxit, ut ea
-tamquam custos et magistra verbi revelati ab omnibus posset agnosci. Ad
-solam enim catholicam Ecclesiam ea pertinent omnia, quae ad evidentem
-fidei christianae credibilitatem tam multa et tam mira divinitus sunt
-disposita. Quin etiam Ecclesia per se ipsa, ob suam nempe admirabilem
-propagationem, eximiam sanctitatem et inexhaustam in omnibus bonis
-foecunditatem, ob catholicam unitatem invictamque stabilitatem,
-magnum quoddam et perpetuum est motivum credibilitatis et divinae
-suae legationis testimonium irrefragabile. Absoluut bewijsbaar is dus
-de waarheid der kerk voor een ieder niet; dan toch zou de kerk geen
-articulus fidei en het geloof niet vrij en verdienstelijk zijn. Er moet
-volgens het Vaticanum bij het getuigenis, dat van de kerk uitgaat een
-efficax subsidium ex superna virtute bijkomen. Feitelijk neemt Rome
-daarmede hetzelfde subjectieve standpunt in als de Hervorming. De
-motieven, hoe sterk ook, kunnen niet metterdaad bewegen tot het geloof.
-Het is Gods Geest alleen, die iemand inwendig vast en zeker overtuigen
-kan van de waarheid der Goddelijke openbaring. De diepste grond voor
-het geloof is ook bij Rome niet de Schrift of de kerk, maar het lumen
-interius. Rome heeft met zijne onfeilbare kerk en zijn onfeilbaren paus
-principieel niets vóór boven de kerken der Hervorming, want kerk en
-paus zijn, hoe zichtbaar ook, toch articuli fidei, cf. dl. I 425. 426.
-486-489.
-
-De kenteekenen, die Rome voor de ware kerk opgeeft, zijn dan ook in geen
-enkel opzicht duidelijker en krachtiger dan de zuivere bediening van het
-woord, welke door de Hervorming als kenteeken der kerk werd erkend.
-Sommige van de kenteekenen, door Bellarminus genoemd, zijn van zeer
-ondergeschikte waarde. De wondergave is volstrekt geen afdoend bewijs
-voor de waarheid der leer, welke iemand verkondigt, Deut. 13:1, 2, Mt.
-7:22, 23, 24:24 enz. cf. deel I 429v.; het ongelukkig uiteinde van de
-vijanden en vervolgers der kerk is meestentijds slechts eene legende,
-gelijk ook Roomschen thans erkennen, Nik. Paulus, Luthers Lebensende,
-Freiburg 1898; en de aardsche voorspoed der kerk is altijd tijdelijk,
-wisselt met vervolging en onderdrukking af, en kan even goed als een
-bewijs tegen de waarheid der kerk worden aangevoerd, Mt. 5:10, 16:24,
-Joh. 16:33, Hd. 14:22, 2 Tim. 3:12. Bij andere kenmerken hangt alles af
-van den zin, waarin zij worden verstaan; de naam katholiek wordt ook
-door Protestantsche kerken aangenomen en is op zichzelf evenmin een
-bewijs voor de waarheid der Roomsche kerk, als de naam Christus, dien
-de valsche Christussen zich toeeigenen, Mt. 24:24, of de naam Israel
-of Abrahams zaad, waarop de Joden zich verhoovaardigden, Joh. 8:33,
-Rom. 9:6; de oudheid, de historische continuiteit en de onafgebroken
-successie zijn niet alleen aan Rome, maar ook aan andere kerken, bijv. de
-Grieksche eigen, en bewijzen op zichzelf evenmin iets voor de waarheid
-der Roomsche kerk als zij dat deden voor die van de Joodsche gemeente
-in Jezus’ dagen; de eenheid en de katholiciteit zijn pretensies van
-Rome, welke het feit niet kunnen te niet doen, dat er millioenen
-Christenen leven buiten haar; er is niet maar ééne kerk, er zijn vele
-kerken, en er is geen enkele, die alle geloovigen omvat. De overige
-kenmerken, overeenstemming met de leer der apostelen, heiligheid der
-leer, vernieuwende kracht, welke van haar uitgaat, heilig leven van
-velen harer belijders, komen volstrekt niet alleen aan Rome maar ook aan
-vele andere kerken toe, en zijn aan dezelfde bedenkingen onderhevig,
-als welke door de Roomschen tegen de Protestantsche kenteekenen worden
-ingebracht en straks besproken worden. Cf. Beza, de eccl. cath. notis,
-Tract. theol. III 132. Polanus, Synt. p. 532 sq. Amesius, Bellarminus
-enervatus II 56-72. Maresius, Syst. theol. XVI 23 sq. Turretinus,
-Theol. El. XVIII qu. 13. Mastricht, Theol. VII 1, 34. Moor VI 50. M.
-Vitringa IX 1 p. 98. Gerhard, Loc. XXII c. 10. 11. Quenstedt, Theol.
-IV 503. De Roomsche kerk verheugt zich daarbij wel in hare eenheid
-en wijst met zelfbehagen op de verdeeldheid van het Protestantisme.
-Maar zij betaalt deze vreugde met een duren prijs. Ten eerste is het
-gedwongen, om het wezen der kerk hoe langer hoe meer van de vergadering
-der geloovigen op het instituut der hierarchie, d. i. ten slotte op
-den paus over te dragen. Met meer recht, dan Lodewijk XIV kon zeggen:
-l’état c’est moi, kan de paus verklaren: de kerk ben ik. Ubi papa,
-ibi ecclesia. Als dan ook bij de kerk, gelijk behoort, niet eens aan
-het instituut maar aan de vergadering der geloovigen gedacht wordt,
-is de verdeeldheid in de Roomsche kerk niet zoo veel minder dan in
-de Protestantsche kerken. Het verschil is alleen, dat Rome, in de
-coelibataire hierarchie hare kracht zoekend, in de kerk alle richtingen
-en meeningen stil naast elkaar laat bestaan en aan hare leden, zelfs de
-ongeloovigste, de energie, den vrijheids- en den waarheidszin ontneemt,
-om met de kerk en hun eigen onware positie te breken. Ten tweede
-betaalt Rome die vreugde met den duren prijs van het extra ecclesiam
-nulla salus. De leer der Schrift, dat de zaligheid gebonden is aan het
-geloof in Christus, werd spoedig tegenover schisma en haeresie zoo
-verstaan, dat ieder, die de zaligheid in Christus deelachtig wilde
-worden, verbonden moest zijn met den bisschop, Ign. ad Eph. 4. 5. Phil.
-3. Trall. 7. Wie behouden willen worden, moeten vluchten in de heilige
-kerken Gods, Theoph. ad Autol. II 14. Sola catholica ecclesia est, quae
-verum cultum retinet. Hic est fons veritatis, hoc domicilium fidei, hoc
-templum Dei; quo si quis non intraverit vel a quo si quis exiverit, a
-spe vitae ac salutis aeternae alienus est, Lact., Inst. div. IV 30.
-Dikwijls gebruikten de kerkvaders voor de kerk het beeld van de ark, en
-inzonderheid Cyprianus bediende zich daarvan, om het extra ecclesiam
-nulla salus, boven allen twijfel te verheffen, bijv. de unit. eccl. 6 Ep.
-69, 2. 74, 11. Augustinus had geen andere meening: manifestum est, eum
-qui non est in membris Christi, christianam salutem habere non posse,
-de unit. eccl. 2. Buiten de kerk kan iemand alles meenemen, sed nunquam
-nisi in ecclesia catholica salutem potest invenire, Super gestis e.
-Emerito. Concilies en pausen hebben deze leer bekrachtigd. Het vierde
-Lateraan-concilie verklaarde in c. 1, dat er ééne katholieke kerk der
-geloovigen is, buiten welke volstrekt niemand zalig wordt. Trente
-zeide, dat het zonder het katholieke geloof onmogelijk is, Gode te
-behagen, Sess. 5. Bonifacius VIII sprak uit, dat onderwerping aan den
-paus de necessitate salutis was. Eugenius IV leerde, dat niemand buiten
-de katholieke kerk het eeuwig leven deelachtig kan worden. En Pius
-IX verklaarde in de allocutie van 9 Dec. 1854: tenendum ex fide est,
-extra apostolicam Romanam ecclesiam salvum fieri neminem posse. Rome
-moet daarom intolerant zijn, zij kan geen kerken naast zich erkennen;
-zij is zelve de eenige kerk, de bruid van Christus, de tempel des H.
-Geestes. Toch zijn de feiten ook Rome te machtig geworden. Duizenden
-en millioenen hebben in den loop der eeuwen de gemeenschap met de
-Roomsche kerk verbroken, Novatianen, Donatisten, Grieksche Christenen,
-Arianen, Monophysieten, Monotheleten, vele secten in de Middeleeuwen
-en dan in de zestiende eeuw meer dan de helft der Christenheid. En al
-heeft Rome door de contrareformatie veel teruggewonnen, toch telt het
-thans van de 500 millioen Christenen ternauwernood de helft en gaat
-in getalsterkte eer achter- dan vooruit. Tegenover deze feiten is het
-niet vol te houden, dat er buiten de Roomsche kerk geen zaligheid is.
-Het valt Roomschen zelf moeilijk, aan deze leer getrouw te blijven;
-velen zijn tot concessiën geneigd. Zij maken onderscheid tusschen hen,
-die bewust, opzettelijk, pertinaciter en daarom culpabiliter de kerk
-verlaten, en hen, die meegesleept en verleid worden, bona fide buiten
-de kerk zijn en voto, desiderio, animo nog tot de kerk, ad animam
-ecclesiae behooren. In dienzelfden geest werd door den Roomschen stoel
-de stelling van Bajus verworpen; infidelitas pure negativa in his,
-quibus Christus non est praedicatus, peccatum est, en sprak Pius IX
-in de allocutie van 9 Dec. 1854 uit: pro certo habendum esse, eos qui
-verae religionis ignorantia laborant, si ea invincibilis set. nulla
-posse hujus rei culpa obstringi. Bellarminus, de eccl. mil. III c. 3.
-6. Perrone, Prael. I 331. Klee, Dogm. I 141. Jansen, Prael. I 344.
-Schanz, Apol. III 188. Dublanchy, De axiomate: extra ecclesiam nulla
-salus, dissertatio theologica. Bar-le-Duc, Contant-Laguerre 1895.
-
-
-10. Voor het Protestantisme had de leer van de kenteekenen der ware
-kerk eene geheel andere beteekenis. Door de Hervorming werd de eenheid
-der Westersche Christenheid voorgoed verbroken en kwamen verschillende
-kerken naast en tegenover elkander te staan. De Hervormers hadden te
-betoogen, dat de kerk van Rome de ware niet was, en dat de kerken der
-Reformatie aan het wezen der kerk, gelijk de Schrift het omschreef,
-beantwoordden. Hun reformatorische daad onderstelde, dat de kerk niet
-was αὐτοπιστος, dat zij dwalen en afwijken kon, en dat er een hooger
-gezag was waaraan ook zij zich te onderwerpen had. En dat kon niet
-anders zijn dan de H. Schrift, het Woord Gods. Eenparig gingen daarom
-alle Hervormers tot de Schrift terug, zagen in haar ook den maatstaf
-der kerk, en bepaalden dienovereenkomstig de kenmerken, waaraan de
-ware kerk van de valsche te onderscheiden was. In de opgave dier
-notae was er wel eenig verschil. In zijn geschrift Von den Concilien
-und Kirchen telde Luther er zeven op: zuivere bediening van het woord,
-van den doop, van het avondmaal, van de sleutelen, wettige keuze van
-de dienaren, het openbare gebed en onderwijs, en het kruis; maar elders
-noemde hij er maar twee, zuivere bediening van woord en sacrament. En
-zoo deden ook Melanchton in de Conf. Aug. art. 8 en in de Loci, en
-latere Luthersche theologen, Gerhard, Loc. XXII § 131. Quenstedt,
-Theol. IV 503; alleen voegde Melanchton in het Examen ordinandorum
-aan deze twee nog een derde vrij hiërarchisch kenmerk toe: obedientia
-ministerio debita juxta evangelium. Van de Gereformeerden gaven
-sommigen, zooals Beza, Sohnius, Alsted, Amesius, Heidanus, Maresius
-één kenteeken op, de zuivere bediening des woords; anderen, zooals
-Calvijn, Bullinger, Zanchius, Junius, Gomarus, Mastricht, Marck e. a.
-twee, n.l. zuivere bediening van woord en sacrament; velen, zooals
-Conf. Gall., Belg, Scot. I, Hyperius, Martyr, Ursinus, Trelcatius,
-Walaeus, Amyraldus, Heidegger, Wendelinus, voegden er als derde nog
-de rechte bediening der tucht of de heiligheid des levens aan toe.
-Maar terecht merkten Alsted, Alting, Maresius, Hottinger, Heidanus,
-Turretinus, Mastricht e. a. op, dat dit meer een verschil in naam dan
-in de zaak was, en dat er eigenlijk maar één kenteeken is, n.l. het
-ééne en zelfde woord, dat dan op verschillende wijze, in prediking,
-onderricht, belijdenis, sacrament, leven enz. bediend en beleden wordt,
-M. Vitringa IX 1 p. 101-109. Dat de Hervorming in het Woord Gods
-terecht het kenteeken der kerk zocht, is met de Schrift in de hand aan
-geen twijfel onderhevig. Immers, zonder woord Gods is er geen kerk,
-Spr. 29:18, Jes. 8:20, Jer. 8:9, Hos. 4:6; door woord en sacrament
-vergadert Christus zijne kerk, Mt. 28:19, die op de leer van apostelen
-en profeten gebouwd is, Mt. 16:18, Ef. 2:20; door het woord wederbaart
-Hij, 1 Petr. 1:23, Jak. 1:18, werkt Hij het geloof, Rom. 10:14, 1 Cor.
-4:15, reinigt en heiligt Hij, Joh. 15:3, Ef. 5:26. En zij, die alzoo
-door het woord Gods zijn wedergeboren en vernieuwd, hebben de roeping
-om Christus te belijden, Mt. 10:32, Rom. 10:9, hooren zijn stem, Joh.
-10:27, bewaren zijn woord, Joh. 8:31, 32, 14:23, beproeven de geesten,
-1 Joh. 4:1, vermijden wie deze leer niet brengt, Gal. 1:8, Tit. 3:10,
-2 Joh. 9. Het woord is inderdaad de ziel der kerk, Calvijn, Inst. IV
-12, 1. Alle dienst in de kerk is een dienst des woords. God geeft zijn
-woord aan de kerk, en deze neemt het aan, bewaart, bedient, onderwijst
-het, belijdt het voor God, voor elkander, voor de wereld in woord en
-in daad. In het ééne kenteeken des woords zijn de andere als nadere
-toepassingen begrepen. Waar Gods woord recht gepredikt wordt, daar
-wordt ook het sacrament zuiver bediend, de waarheid Gods naar de
-meening des Geestes beleden, de handel en wandel naar Gods getuigenis
-ingericht. Zelfs Rome kan niet ontkennen, dat Gods woord het kenteeken
-der kerk is. Gerhard, Loc. XXII § 138 haalt vele kerkvaders aan, die
-klaar en duidelijk dit uitspreken. Zoo zegt Tertullianus: illae sunt
-verae ecclesiae, quae tenent quod ab apostolis receperunt, de praescr.
-21. Vroeger, zegt Chrysostomus op Mt. 24:15, kon op velerlei wijze
-aangetoond worden, welke de kerk van Christus was, maar sedert de
-ketterijen zijn ingeslopen, is dit niet anders aan te wijzen dan door de
-Schriften; die Schriften toch, verklaart hij, hom. 33 in Act. Ap., zijn
-eenvoudig en waar, zoodat het gemakkelijk valt daarnaar te oordeelen,
-welke leer de ware is. Herhaaldelijk spreekt Augustinus in dezen geest:
-inter nos et Donatistas quaestio est, ubinam sit ecclesia. Quid ergo
-facturi sumus? in verbis Donati eam quaesituri an in verbis capitis
-sui Domini Jesu Christi? Puto, quod in illius verbis eam quaerere
-debeamus, qui veritas est et optime novit corpus suum, novit enim
-qui sunt ejus, de unit. eccl. 2. Bellarminus zelf omschrijft de kerk
-als coetus hominum ejusdem Christianae fidei professione et eorundem
-sacramentorum communione colligatus enz., neemt de sanctitas doctrinae
-onder de kenteekenen der kerk op, ib. IV 11, en geeft toe, dat in
-sommige gevallen, indien de Schrift als Gods woord aangenomen wordt, de
-Schrift bekender is dan de kerk en hare waarheid bewijst, ib. IV 2. Bij
-beantwoording der vraag, welke de onderscheidende kenmerken der kerk
-zijn, moet ook Rome de Schrift gebruiken als bewijsgrond, indien zij niet
-bij een sic volo, sic jubeo, stat pro ratione voluntas wil blijven staan,
-cf. anderen nog bij Gerhard ib. § 139. Turretinus, Theol. El. XVIII 12,
-16. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 375.
-
-Toch verwerpt Rome de kenteekenen, welke de Reformatie voor de ware
-kerk aangaf. Bellarminus brengt er ten eerste tegen in, dat zuivere
-bediening van het woord hoogstens alleen aanwijst, _waar_, maar niet,
-_welke_ de ware kerk is, d. i. wie de ware geloovigen zijn, die toch
-alleen naar de Protestantsche definitie het wezen der kerk uitmaken,
-de eccl. IV 2. Deze bedenking is tot op zekere hoogte juist, maar
-feitelijk ook zonder bezwaar. Want het is ons volstrekt niet noodig, om
-met onfeilbare zekerheid te weten, wie ware geloovigen zijn; daarvoor
-bijv. met J. Müller, Dogm. Abh. 346 f. onfeilbare kenteekenen op te
-zoeken, leidt op het dwaalspoor der Donatisten. De zuivere bediening
-van het woord is geen kenmerk van het oprechte geloof der individueele
-leden maar van de kerk als vergadering der geloovigen. De belofte Gods
-n.l., Jes. 55:11, 2 Cor. 2:15, 16 enz. staat er ons borg voor, dat het
-woord Gods allerwege, waar het gepredikt wordt, zijne werking zal doen
-en niet ledig zal wederkeeren. Gottes Wort kann nicht ohne Gottes Volk
-sein, wiederum Gottes Volk kann nicht ohne Gottes Wort sein (Luther).
-Daarom noemden de Reformatoren als eerste en voornaamste kenteeken der
-kerk niet de belijdenis en het leven der geloovigen, maar de bediening
-van woord en sacrament. De geloovigen toch, die het wezen der kerk
-uitmaken, worden op tweeërlei wijze openbaar, in de bediening van woord
-en sacrament, die onder hen plaats heeft en in belijdenis en wandel,
-waardoor zij zich van de wereld en ook van andere kerken onderscheiden,
-d. i. in de kerk als instituut en in de kerk als organisme. De aard
-der zaak brengt mede, dat het kenteeken, dat aan de bediening van
-woord en sacrament, aan de kerk als instituut ontleend wordt, een
-onbedriegelijker, vaster, bestendiger, duurzamer karakter draagt, dan
-dat, hetwelk in belijdenis en leven der geloovigen gevonden wordt. Aan
-het laatste kan veel ontbreken, zonder dat daarom het eerste ophoudt
-te bestaan. De Roomsche kerk bewijst dit in zeer sterke mate, maar
-het geldt toch ook van de Protestantsche kerken. Van hoeveel belang
-een zuivere belijdenis en een heilige wandel der geloovigen ook zij,
-hoofdzaak voor een iegelijk blijft de zuivere bediening van woord en
-sacrament. Daarom behoort dit als eerste en voornaamste kenteeken der
-kerk te gelden. Maar de Gereformeerden legden er toch terecht nadruk
-op, dat de kerk als vergadering der geloovigen niet alleen in het
-instituut, maar ook in het geloof, in het vlieden der zonden, in het
-najagen der gerechtigheid, in de liefde tot God en den naaste, in de
-kruisiging des vleesches openbaar wordt. Ned. Gel. 29. De zuivere
-bediening des woords sluit ook in de toepassing der kerkelijke tucht.
-
-Eene andere bedenking van Bellarminus luidt, dat de zuivere bediening
-des woords een veel te algemeen en te onduidelijk kenteeken is, dan
-dat de ware kerk daarnaar beoordeeld worden kan. Immers laat de
-bediening des woords eenerzijds in ware kerken, zooals bijv. te Corinthe
-en in Galatië, dikwerf aan zuiverheid nog veel te wenschen over,
-en is zij andererzijds in kettersche en sectarische kerken niet ten
-eenenmale teloor gegaan. Socinianen en Remonstranten redeneerden op
-dezelfde wijze en bestreden de noodzakelijkheid en de profijtelijkheid
-van kenmerken, waaraan de ware kerk te onderkennen was, Cat. Rac. qu.
-489. Episcopius, Disp. III 28 Op. II 2 p. 459. En hoewel Lutherschen
-en Gereformeerden in den eersten tijd zeer kras staande hielden, dat zij
-de ware kerk waren, maakte de toenemende onzuiverheid van eigen kerken
-en het optreden van andere kerken naast de hunne het hoe langer hoe
-moeilijker, om deze bewering in al hare strengheid te handhaven. Ja,
-van den beginne aan was de houding, welke de Protestantsche kerken
-tegenover de Roomsche kerk aannamen, eene gansch andere dan omgekeerd.
-Rome kan secten maar geen kerken naast zich erkennen, Hettinger, Apol.
-d. Christ. V⁷118. Doch de Protestanten, schoon de kerkelijke hierarchie
-van Rome beslist verwerpende, bleven het christelijke in Rome’s kerk
-ten volle erkennen. Hoe bedorven Rome ook zij, er zijn toch nog vestigia
-ecclesiae, ruinae dissipatae ecclesiae in, er is nog aliqua ecclesia,
-licet semirupta, in het pausdom overgebleven, Calvijn, Inst. IV 2, 11,
-cf. Op. ed. Schippers VIII 111. 309. IX Epist. 51. 57. Beza, Tract.
-theol. III 145. 192. Bullinger, Huijsboeck 1612 p. 206. 207. Zanchius,
-Op. II in de praef. vóór de natura Dei. Polanus, Synt. 535. cf. 496.
-Polanus a Polansdorf. Part. Theol. p. 196. Junius, Op. II 1018-1023.
-Alsted, Theol. schol. 696. Voetius, Desp. causa papatus 699-703.
-Mastricht, Theol. VII 1, 25. Turretinus XVIII 14, 24. 27. De Hervorming
-was eene afscheiding ab ecclesia Romana et Papali, maar niet a vera
-ecclesia, Turretinus, XVIII 15, 8. Id. de necessaria secessione nostra
-ab ecclesia Romana, et impossibili cum ea syncretismo, achter zijne
-Disp. de satisf. Christi 1691 en andere anti-Roomsche geschriften bij
-Vitringa IX 1 p. 116. Moor VI 58. Voorts waren of werden althans de
-Hervormers zich spoedig ervan bewust, dat de zuivere bediening van
-woord en sacrament niet als een absoluut kenmerk gelden kon. Calvijn
-waarschuwt ten sterkste tegen alle willekeurige afscheiding. Al
-ontbreekt er iets aan de zuiverheid der leer of der sacramenten, al
-laat de heiligheid des levens en de trouw der dienaren veel te wenschen
-over, men mag daarom niet aanstonds de kerk verlaten. Eerst als de
-summa necessariae doctrinae, de praecipua religionis doctrina voor de
-leugen ingeruild wordt, is scheiding plicht, Inst. IV 2, 12-16. 2,
-1. Comm. op Mt. 13:40, 41. 2 Thess. 3:6. Toen later het bederf in de
-staatskerken toenam en velen tot scheiding zich gedrongen voelden,
-kwamen de meeste leeraars op dezelfde gronden tegen het separatisme
-in verzet, Voetius, Pol. Eccl. IV 488. Brakel, Red. Godsd. c. 25. V.
-d. Waeyen en Witsius, Ernstige betuiginge der Geref. kercke aan hare
-afdwalende kinderen 1670. Koelman, Hist. Verhaal nopende der Labadisten
-scheuring en velerleye dwalingen met de wederlegging derzelver, 2
-deelen, Amst. 1683-84, cf. Hoe oordeelt de H. S. en hoe oordeelen de
-Geref. vaderen over Scheiding en Doleantie bij J. Campen te Sneek. Allen
-zagen zich gedrongen, om met Calvijn te erkennen, dat er in de ware
-kerk veel onzuivers in leer en leven voorkomen kan, zonder dat dit
-recht tot afscheiding geeft, en dat er in de gescheiden kerken dikwerf
-veel goeds wordt gevonden. Zoo onderging het begrip ware en valsche
-kerk eene belangrijke wijziging. Aan de eene zijde moest men toegeven,
-dat eene ware kerk in absoluten zin hier op aarde onmogelijk is; er is
-geen enkele kerk, die volstrekt en in alle deelen, in leer en leven,
-in bediening van woord en sacrament aan den eisch Gods beantwoordt. En
-aan den anderen kant werd het duidelijk, dat er ook eene valsche kerk in
-absoluten zin niet bestaan kan, wijl zij dan geen kerk meer ware; al was
-Rome eene valsche kerk, in zoover ze pauselijk was, er waren toch nog
-vele overblijfselen der ware kerk in. Er was dus onderscheid tusschen
-vera en pura ecclesia, Polanus, Synt. p. 532. Alsted, Theol. schol.
-601 sq. Synopsis 40, 37. Maresius XVI 20, Vitringa IX 1. 79. Ware kerk
-werd de naam, niet voor ééne kerk met uitsluiting van alle andere,
-maar voor velerlei kerken, die de hoofdwaarheden des Christendoms,
-de fundamenteele artikelen, cf. deel I 520v. nog vasthielden, doch
-overigens in graden van zuiverheid zeer verre van elkander afweken; en
-valsche kerk werd de naam van de hierarchische macht van bijgeloof of
-ongeloof, welke in de plaatselijke kerken zich opwierp en zichzelve en
-hare ordinantiën meer macht en autoriteit toeschreef dan den Woorde
-Gods, Ned. Gel. 29.
-
-
-11. Deze ontwikkeling van het kerkbegrip, die in de geschiedenis
-zelve valt waar te nemen, heeft hare onmiskenbare schaduwzijde; het
-denkbeeld van een eenig, alle geloovigen omvattend kerkinstituut is
-er voorgoed door verstoord. Ook is het niet te ontkennen, dat de
-eindelooze gedeeldheid van de belijders van Christus aan de wereld eene
-oorzaak biedt van vreugde en spot, en haar een reden geeft voor haar
-ongeloof aan den Gezondene des Vaders, wijl zij de eenheid der geloovigen
-in Christus niet ziet, Joh. 17:21. Wij kunnen ons als Christenen niet
-diep genoeg verootmoedigen over de scheuring en tweedracht, die alle
-eeuwen door in de kerk van Christus heeft bestaan; zij is eene zonde
-tegen God, in strijd met de bede van Christus, en veroorzaakt door de
-duisternis van ons verstand en de liefdeloosheid van ons hart, cf.
-Gunning, De eenheid der kerk 1896. Hooger dan de kerk 1897. Rekenschap
-1898. En het is te begrijpen, dat vele Christenen zich telkens weer
-hebben laten verleiden tot de poging, om die vurig begeerde eenheid
-der kerk van Christus, hetzij door gewelddadige middelen, vooral door
-den sterken arm der overheid, of op kunstmatige wijze, door syncretisme
-en fusie, tot stand te brengen of in stand te houden, cf. bijv. J. von
-Döllinger, Ueber die Wiedervereinigung der christl. Kirchen, Leipzig
-Mohr 1897. Maar ter anderer zijde mogen wij toch ook niet vergeten,
-dat de mislukking van al deze pogingen ons iets te leeren heeft. De
-historie is evenals de natuur een werk Gods; zij gaat niet buiten zijne
-voorzienigheid om; Christus is door zijne opstanding en hemelvaart
-verheven tot Koning aan des Vaders rechterhand en zal dat blijven,
-totdat al zijne vijanden onder zijne voeten gelegd zijn. Hij regeert, ook
-over de verdeeldheden en scheuringen van zijne kerk op aarde. En zijne
-bede om hare eenheid is niet voortgevloeid uit onbekendheid met hare
-geschiedenis noch ook uit onmacht tot hare regeering; in en door
-de verdeeldheid heen wordt zij dagelijks verhoord en hare volkomen
-vervulling tegemoet gevoerd. De diepe, geestelijke zin, waarin de
-eenheid zijner discipelen door Jezus opgevat wordt, sluit juist alle
-gewelddadige of kunstmatige poging tot hare invoering uit. Christus,
-die er om bad, kan ook alleen haar tot stand brengen; zijne bede is
-waarborg, dat zij in Hem reeds bestaat en te zijner tijd uit Hem ook
-in alle geloovigen openbaar worden zal. Daarom hebben wij tot recht
-verstand van de gedeeldheid der kerk van Christus, het volgende te
-bedenken: 1º Alle scheiding en scheuring, die er thans in de kerk van
-Christus bestaat, dagteekent principieel reeds uit den apostolischen
-tijd. In weerwil dat de kerken om allerlei redenen toen veel meer
-geestelijk één zich gevoelden, dan thans zelfs tusschen kerken van
-dezelfde belijdenis het geval is, waren zij in velerlei opzicht
-onderscheiden. De apostelen te Jeruzalem en Paulus, de gemeenten
-uit de Joden en uit de Heidenen, gingen op vele en zelfs belangrijke
-punten uiteen; het kwam tusschen Petrus en Paulus, Gal. 2:11, tusschen
-Paulus en Barnabas, Hd. 15:39 tot een ernstig verschil; ketterijen en
-scheuringen van allerlei aard kwamen ook toen reeds voor, 1 Cor. 1:10,
-11:18, 19 enz.; de gemeente van Corinthe was in partijen verdeeld, zag
-het schandelijk leven van een der broederen stilzwijgend aan, en geloofde
-voor een deel zelfs niet aan een zoo beteekenisvol feit, als de
-lichamelijke opstanding van Christus en de geloovigen; en de gemeenten
-van Klein-Azië waren enkele tientallen van jaren, nadat zij door Paulus
-gesticht werden, verre gezonken beneden het eerst door haar in leer
-en leven ingenomen standpunt. 2º Deze scheidingen en scheuringen in
-den apostolischen tijd maken daarom nog niet zoo diepen indruk, wijl
-wij het in het N. T. altijd in de eerste plaats te doen hebben met
-plaatselijke kerken. Er was nog niet anders dan een geestelijke band,
-die alle gemeenten verbond. Maar toen in de kerk van Christus de
-hierarchie zich ontwikkelde en deze zichzelve voor het wezen der kerk
-hield, toen is het deze valsche, onchristelijke kerkidee geweest, die
-alle eeuwen door de scheuringen en ketterijen uitgelokt en vele ware
-geloovigen van zich vervreemd heeft. Overal waar en in dezelfde mate
-als de hierarchie zich ontwikkeld heeft, in de Roomsche, de Grieksche,
-de Anglikaansche kerk, daar zijn telkens weer de secten opgestaan en
-hebben, indien zij niet gewelddadig onderdrukt en uitgeroeid werden, de
-officieele kerk teruggedrongen en zijn haar menigmaal boven het hoofd
-gegroeid. De hierarchische kerkidee, die allereerst op de eenheid der
-Christenheid bedacht is, heeft juist alle eeuwen door de verdeeldheid
-bevorderd en scheuring veroorzaakt. En het Protestantisme verloochent
-zijn beginsel, indien het de eenheid der Christenheid zoekt te handhaven
-door eenigen hierarchischen dwang. 3º Juist wijl het woord het kenteeken
-der kerk is en er geen onfeilbare uitlegging van dat woord bestaat,
-is aan ieder mensch door Christus zelven de vrijheid gegeven, om dat
-woord voor zichzelven te verstaan, gelijk hij het inziet. Zedelijk is
-hij daarbij natuurlijk wel aan Christus gebonden, en ieder zal voor
-zichzelven moeten verantwoorden, hoe hij het woord van Christus verstaan
-en beoefend heeft. Maar tegenover zijne medemenschen en medechristenen
-staat hij volkomen vrij. Rome vreest deze vrijheid, en werpt aan het
-Protestantisme zijn individualisme, subjectivisme en sectarisme voor
-den voet. Maar wat de zwakheid van Rome is, wijl het zichzelf door
-hierarchische middelen in stand houden moet, dat is de kracht van het
-Protestantisme, wijl geen schepsel maar Christus zelf zijne kerk regeert.
-Het is volkomen waar, dat, indien het woord kenteeken der kerk is
-en allen menschen in handen gegeven wordt, ieder daarmede het recht
-ontvangt, om over de kerk te oordeelen en, indien hij het goedvindt,
-van haar te scheiden. Maar deze vrijheid is volkomen te eerbiedigen en
-door geen staat of kerk te belemmeren. Zelfs het schrikkelijk misbruik,
-dat er van gemaakt kan worden en gemaakt is, mag geen oogenblik tot
-afschaffing van het gebruik verleiden. 4º De gedeeldheid der kerk van
-Christus heeft zonder twijfel in de zonde haar oorzaak; in den hemel is
-er geen plaats meer voor. Maar toch is daarmede niet alles gezegd. God
-heeft in de eenheid de verscheidenheid lief. Verscheidenheid was er
-onder alle schepselen, ook toen er nog geen zonde was. Door de zonde is
-zij ontaard en verbasterd, maar in zichzelve is zij goed en ook voor de
-kerk van Christus van beteekenis. Verschil van geslacht en leeftijd, van
-karakter en aanleg, van verstand en hart, van gaven en goederen, van
-plaats en van eeuw komt ook aan de waarheid, die in Christus is, ten
-goede. Hij neemt ze alle in zijn dienst en siert er zijn kerk mede. Ja, al
-heeft de gedeeldheid der menschen in volken en talen in de zonde haar
-aanleiding gehad, zij bevat iets goeds, dat in de gemeente ingedragen en
-alzoo voor de eeuwigheid bewaard wordt. Uit vele geslachten en talen en
-volken en natiën vergadert Christus zijne kerk op aarde. 5º Indien wij
-daarom weer naar het N. T. spraakgebruik onder kerken de plaatselijke
-kerken in de gansche Christenheid verstaan, dan zijn er geen ware en
-geen valsche kerken in _volstrekten_ zin. Eene kerk is eene vergadering
-van ware Christgeloovigen op eene bepaalde plaats. Indien ergens geen
-enkel geloovige meer is, noch actu noch potentia, dan is er ook het
-woord Gods onbekend, en is er geen kerk meer. En omgekeerd, indien het
-woord Gods op een bepaalde plaats nog eenigermate bekend is, zal het
-zekerlijk zijn werking doen en is er eene kerk van Christus, hoe onzuiver
-en vermengd dan ook. Daarmede wordt geen indifferentisme en syncretisme
-bedoeld. Onverschillig is er niets, allerminst in de waarheid, die naar
-de godzaligheid is. Het staat niet zoo, dat wij gerust de zoogenaamde
-articuli non fundamentales kunnen prijsgeven en loochenen, indien wij de
-articuli fundamentales maar aannemen. Terwijl wij echter in betrekking
-tot anderen het woord van Jezus in toepassing hebben te brengen: wie
-niet tegen mij is, die is voor mij, behooren wij ons voor onszelven te
-houden aan dat andere woord: wie niet voor mij is, die is tegen mij. Er
-is groot verschil in de zuiverheid van de belijdenissen en de kerken. En
-naar de zuiverste hebben wij te staan en te streven. Wie daarom tot de
-overtuiging komt, dat de Protestantsche kerk beter is dan de Roomsche,
-en de Gereformeerde zuiverder is dan de Luthersche of Remonstrantsche
-of Doopsgezinde, heeft, zonder daarmede zijne kerk als eene valsche
-te oordeelen, deze te verlaten en bij de andere zich aan te sluiten.
-En in de eigen kerk te blijven, in weerwil van veel onzuiverheid in
-leer en leven, is zoolang plicht, als zij ons niet verhindert, om naar
-de eigen belijdenis getrouw te zijn en zij het ook indirect, ons niet
-dwingt, om den menschen meer te gehoorzamen dan Gode. Want eene kerk,
-die hare leden daartoe dwingt, zou zich in datzelfde oogenblik aan
-de conscientie harer leden, in zooverre als zij dat deed, als eene
-valsche openbaren, die zichzelve en haren ordinantiën meer macht en
-autoriteit toeschrijft dan den woorde Gods. 6º Met de namen schisma
-en haeresie behoort men daarom voorzichtig te zijn. Zonder twijfel zijn
-dit beide groote zonden; aan schisma maken zij zich schuldig, die,
-ofschoon het fundament der leer intact latende, toch om ondergeschikte
-punten van eeredienst of kerkregeering zich van de kerk scheiden;
-haeretici zijn zij, die dwalen in de substantie der waarheid; genen
-verbreken de gemeenschap der kerk, dezen de gemeenschap der leer. Toch
-is het moeilijk, in de practijk de grens aan te wijzen, die wettige en
-plichtmatige verbreking van de gemeenschap met eenige kerk of leer van
-ongeoorloofde breuke scheidt. Voor Rome is dit wel gemakkelijk, wijl het
-maar ééne kerk en ééne belijdenis erkent en over al wat daarbuiten is
-het anathema uitspreekt. Maar het Protestantisme kan hoogstens eenige
-algemeene regelen aangeven en moet de toepassing daarvan in ieder
-concreet geval aan de conscientie der geloovigen overlaten. Het begrip
-van haeresie en schisma heeft daardoor eene rekbaarheid verkregen,
-welke in het gebruik tot voorzichtigheid maant. Sedert de Reformatie
-is de kerk overgegaan in de periode der pluriformiteit; en dit feit
-dwingt ons, om de eenheid der kerk veelmeer in den geestelijken band
-des geloofs dan in den uitwendigen vorm der regeering te zoeken. Cf.
-Gladstone, The place of heresy and schism in the modern Christian
-Church, Nineteenth Century Aug. 1894 p. 157-194. Kuyper, Encycl. II
-607v.
-
-
-12. In overeenstemming hiermede krijgen ook de zoogenaamde eigenschappen
-(attributa, proprietates, adjuncta, affectiones, epitheta, elogia) der
-kerk op Protestantsch standpunt een geheel anderen zin dan bij Rome.
-Rome heeft een absoluut en exclusief kerkbegrip; het kan de bediening
-van woord en sacrament niet erkennen als kenteeken der kerk, wijl deze
-ook buiten de Roomsche kerk, zij het in onzuiveren vorm, nog voorkomt;
-het kan daarom ook geen onderscheid maken tusschen kenteekenen en
-eigenschappen der kerk, want de eigenschappen zijn juist de indicia, die
-de eenige ware kerk aanwijzen; en het moet eindelijk die eigenschappen
-zoo zinnelijk, tastbaar en uitwendig opvatten, dat zij alleen op de
-Roomsche kerk van toepassing zijn en deze als de alleenzaligmakende aan
-allen in het oog doen springen. De eerste eigenschap, de _eenheid_ der
-kerk, duidt dan ook wel aan, dat de gemeente één Heer, één geloof,
-één doop heeft, maar toch komt zij volgens Rome vooral daarin uit, dat
-de door Christus gestichte kerk één zichtbaar hoofd in den paus heeft
-(unitas hierarchica, regiminis) en nooit eene andere kerk naast zich
-(unitas simultanea) of na zich (unitas successiva) hebben kan; eigenlijk
-is de paus het ééne, afdoende kenmerk der ware kerk, cf. Cat. Rom. I
-10, 10. Schema const. dogm. de eccl. Christi en de daarbij behoorende
-adnotationes op het Vaticaansch concilie, Collectio Lacensis VII 569.
-586-588. Bellarminus, de eccl. mil. IV 9. 10. Scheeben-Atzberger IV
-340. Schanz, Apol. d. Chr. III § 6. Door deze alzoo opgevatte eenheid
-der kerk is Rome verplicht, om tegenwoordig over de helft der gansche
-Christenheid het anathema uit te spreken. Zelfs de gedachte van Pusey
-in zijn Eirenikon en van Palmer, de doctrina christ. I c. 5, dat de
-Roomsche, Oostersche en Anglikaansche kerk saam de ééne kerk uitmaken,
-kan niet toegelaten worden. Buiten de gemeenschap met den paus is er
-geen zaligheid. Maar het Protestantisme denkt bij de eenheid der kerk
-allereerst aan de eenheid van het Hoofd der gemeente, Ef. 1:10, 5:22,
-aan de gemeenschap aller geloovigen door één en denzelfden Geest, 1
-Cor. 6:17, 12:13, 2 Cor. 12:11, Ef. 4:4 met Christus en met elkander,
-Joh. 10:16, 15:1, Rom. 12:5, 1 Cor. 12:12, 13, Ef. 1:22, en dan voorts
-aan de eenheid des geloofs, der liefde, der hope, des doops enz. Ef.
-4:3-5. Deze eenheid is wel in de eerste plaats geestelijk van aard,
-maar zij bestaat toch objectief en reëel en blijft ook niet geheel
-onzichtbaar. Zij openbaart zich, zij het ook op zeer onvolkomene wijze,
-naar buiten en treedt in datgene, wat alle christelijke kerken met
-elkander gemeen hebben, althans eenigermate aan het licht. Er is geen
-Christendom boven of beneden, maar er is wel een Christendom in de
-geloofsverdeeldheid aanwezig. Omdat ons oog het meest op de verschillen
-en scheuringen in de Christenheid gericht is, loopen wij steeds gevaar,
-om deze toch waarlijk bestaande eenheid te miskennen. Wat alle ware
-Christenen verbindt is altijd nog meer dan wat hen scheidt. Onder de
-_heiligheid_ der kerk verstaat Rome in de eerste plaats de liturgische,
-ceremonieele heiligheid, daarin bestaande, dat de kerk als instituut
-den rechtmatigen offerdienst en het heilzame gebruik der sacramenten
-bezit, waardoor God als door krachtige werktuigen der Goddelijke
-genade, in de geloovigen de ware heiligheid werkt, en dan ten tweede
-de persoonlijke heiligheid, die in de kerk wel niet het deel van allen
-of ook van de meesten is of behoeft te zijn, maar toch altijd in enkelen
-en dan weer in zeer verschillende graden gevonden wordt, Cat. Rom. I
-10, 12. Bellarminus, ib. c. 11-15. Scheeben-Atzberger IV 347. Schanz,
-Apol. III c. 10. Jansen, Prael. I 452. Omdat de Reformatie de kerk weer
-kennen deed als gemeenschap der heiligen, zocht zij de heiligheid niet
-allereerst in het bovennatuurlijk karakter van het heilsinstituut maar
-in de geestelijke vernieuwing van de leden der kerk. Heilig is de kerk,
-omdat zij eene gemeenschap van heiligen is. Maar daarbij is de Reformatie
-toch niet in het euvel van het Donatisme vervallen, en heeft zij veeleer
-in de practijk deze eigenschap der kerk al te zeer verwaarloosd. Doch
-dat neemt niet weg, dat naar het beginsel der Hervorming de kerk
-heilig is, wijl zij is eene gemeenschap van heiligen. En heilig heeten
-de geloovigen, allereerst omdat zij objectief in Christus krachtens de
-toerekening zijner gerechtigheid door God voor heiligen gerekend worden,
-en ten tweede, omdat zij, wedergeboren uit water en Geest en vernieuwd
-naar den inwendigen mensch, een lust en begeerte hebben, om niet alleen
-naar sommige maar naar alle geboden Gods in oprechtheid te wandelen,
-Joh. 17:19, Ef. 5:25-27, Tit. 2:14, 1 Thess. 4:3, Hebr. 12:14, 1 Petr.
-2:9. Ook deze eigenschap der kerk is geestelijk doch niet gansch en al
-onzichtbaar; al hebben de allerheiligsten, zoolang zij in dit leven
-zijn, nog slechts een klein beginsel der volmaakte gehoorzaamheid, zij
-wandelen toch naar den Geest en niet naar het vleesch.
-
-De derde eigenschap is de _katholiciteit_. Bij Rome draagt de kerk dezen
-naam ten eerste, omdat zij, hoewel één geheel en eene volkomene eenheid
-vormende, toch over de gansche aarde zich uitbreidt, terwijl de secten
-altijd tot eenig land, of deel der wereld beperkt blijven. Ten tweede
-is zij katholiek, wijl zij, hoewel vroeger in minder volmaakten vorm
-bestaande, toch altijd van het begin der wereld af op aarde geweest is
-en alle geloovigen van Adams dagen af in zich begrepen heeft, terwijl
-de secten altijd komen en gaan. En ten derde heet zij zoo, omdat zij
-alle door God tot mededeeling aan de menschen bestemde waarheid en
-genade volkomen deelachtig is, bewaart en uitreikt, en daarom voor
-alle menschen het eenige en noodzakelijke instituut ter zaligheid is,
-terwijl de secten altijd maar een gedeelte der waarheid bezitten. Wijl de
-katholiciteit bij Rome een duidelijk zichtbaar kenmerk der kerk moet zijn,
-is zij vooral in dien zin te verstaan, dat de kerk onder alle volken,
-waar zij bestaat, eene in het oog vallende menigte van leden telt. In
-den eersten tijd was dit nog wel niet het geval, maar spoedig kwam de
-kerk toch tot groote uitbreiding. En nu is het eisch der katholiciteit,
-dat het ledental der ware kerk wel niet grooter zij dan dat van alle
-buiten haar levende menschen, maar toch grooter dan het ledental
-van iedere secte afzonderlijk en waarschijnlijk ook van alle secten
-saam. Cf. Cat. Rom. I 10, 13. Bellarminus, de notis eccl. c. 4. 7.
-Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 351. Schanz, Apol. d. Chr. III § 7. Söder,
-Der Begriff der Katholicität der Kirche und des Glaubens nach seiner
-gesch. Entw. Würzburg 1881. In uitwendigen glans en heerlijkheid, in
-ruimtelijke uitbreiding en in getalsterkte der leden zoekt de Roomsche
-Christen dus een wezenlijk kenmerk van de ware kerk. Kerkvaders, zooals
-Tertullianus, Origenes, Augustinus, zijn al begonnen, om de verbreiding
-van het Christendom onder de volken te overdrijven. En nog altijd wordt
-hun voorbeeld door vele Roomschen, bijv. in de zendingsstatistiek,
-nagevolgd. Toch kon men tegenwoordig niet als vroeger het oog sluiten
-voor het feit, dat er nog bijna een duizend millioen niet-Christenen
-zijn en nauwelijks een vijfhonderd millioen Christenen, dat deze laatsten
-wederom verdeeld zijn in ongeveer 112 millioen Grieksche, 225 millioen
-Roomsche en 160 millioen Protestantsche Christenen, en dat de Roomsche
-Christenen in deze eeuw schier overal geregeld in getalsterkte
-achteruitgaan en door de Protestantsche Christenen op zij gestreefd
-worden. Naar dit kenmerk der katholiciteit, dat de Roomsche kerk
-zelve aangeeft, staat het met hare waarheid hoe langer hoe treuriger
-geschapen. De naam katholiek komt der Roomsche kerk steeds minder
-toe. Roomsch en katholiek zijn ook met elkander in tegenspraak; gelijk
-onder het O. T. de bedeeling der genade Jeruzalem tot middelpunt had
-en alle geloovigen aan die plaats verbond, zoo maakt de Roomsche kerk
-in de dagen des N. T. het geloof en de zaligheid der menschen van eene
-bepaalde plaats en van een bepaald persoon afhankelijk en doet daarmede
-aan de katholiciteit van het Christendom tekort. De naam van Roomsche
-of Pauselijke kerk drukt daarom haar wezen veel beter uit dan die van
-katholiek. Eene katholieke kerk wordt in het apostolisch symbool en
-soms ook in hunne eigene confessies door alle Protestanten geloofd en
-beleden, Ned. Gel. 27. Apol. Conf. Aug. art. 7. 8. Men verstond er
-gewoonlijk onder de ecclesia universalis, welke alle ware geloovigen
-omvatte en in de verschillende kerken meer of minder zuiver tot
-openbaring kwam, of ook de kerk des N. T., die in onderscheiding van
-die des O. T., voor alle volken en plaatsen der aarde bestemd was. Het
-woord katholiek komt in de Schrift niet voor. Maar de teksten, waarop
-de kerkvaders zich voor de katholiciteit der kerk beroepen, zooals
-Gen. 12:3, Ps. 2:8, Jes. 2:2, Jer. 3:17, Mal. 1:11, Mt. 8:11, 28:19,
-Joh. 10:16, Rom. 1:8, 10:18, Ef. 2:14, Col. 1:6, Op. 7:9 enz. bewijzen,
-dat hare beteekenis vooral hierin gelegen is dat het Christendom
-wereldgodsdienst is, voor alle volk en eeuw, voor iederen stand en
-rang, voor elke plaats en tijd bestemd en geschikt. Het meest katholiek
-is die kerk, welke dit internationaal en kosmopolitisch karakter van
-de christelijke religie het klaarst in hare belijdenis uitgedrukt en in
-de practijk toegepast heeft. De Gereformeerden hebben er een oog voor
-gehad, als zij in de verschillende landen en kerken de waarheid op
-eigene, vrije, zelfstandige wijze beleden en op de Synode te Dordrecht
-afgevaardigden uitnoodigden van de gansche Gereformeerde Christenheid,
-cf. mijne rede over de Katholiciteit van Christ. en Kerk, Kampen 1888.
-De vierde eigenschap der kerk is hare _apostoliciteit_. Volgens
-Rome komt deze haar toe, omdat zij door de apostelen is gesticht, in
-leer, inrichting en dienst met die der apostelen overeenstemt, maar
-vooral omdat hare ambtsdragers in onafgebroken lijn opvolgers van de
-apostelen zijn en hun macht en gezag ontvangen hebben van zulken,
-die ze zelven op hun beurt in wettige successie van de apostelen
-hadden ontvangen. De eerste beteekenis is daarbij geheel aan de tweede
-ondergeschikt. Het woord der apostelen, d. i. de H. Schrift, maakt
-niet uit, welke kerk apostolisch is, d. i. met de leer der apostelen
-overeenstemt; maar omgekeerd beslist de in onafgebroken successie
-van de apostelen afstammende kerk, wat apostolisch, wat de leer der
-apostelen is. Ja zelfs wordt na de afkondiging van het dogma der
-onfeilbaarheid de apostolische successie der ambtsdragers geheel en al
-door hunne gemeenschap met den paus bepaald. Al is een bisschop ook
-de apostolische successie deelachtig, deze wordt toch terstond ijdel,
-als hij de gemeenschap met den paus verbreekt. Omgekeerd kann der Papst
-vermöge seiner kirchlichen Vollgewalt jeden Mangel heben, der etwa
-der formalen Apostolicität irgend eines Kirchenvorstehers anhaftet.
-So ist die Einheit mit den Papste nothwendig, damit ein Vorsteher
-rechtmässiger Nachfolger der Apostel werden oder sein kann, es ist aber
-jene Einheit auch sofort hinreichend, um die wahre Apostolicität des
-letztern zu erkennen, Scheeben-Atzberger IV 1 S. 356. De paus maakt
-alles goed. Waar de paus is, daar is de ware kerk, de zuivere leer,
-de apostolische successie. Nu is zulk eene apostolische successie met
-geen woord in de Schrift te vinden en op zichzelf evenmin waarborg voor
-de zuiverheid der leer als de erfelijke hoogepriesterlijke waardigheid
-bij Kajafas een bewijs was voor het recht zijner uitspraken en daden. En
-daarom zeiden de Protestanten terecht, dat niet de successio locorum et
-personarum maar de successio doctrinae een kenmerkende eigenschap der
-ware kerk was. Indien deze laatste ontbrak, kon de eerste geen kerk tot
-eene ware kerk maken; en indien zij aanwezig was, was de eerste van zeer
-ondergeschikte beteekenis.
-
-Bij de eigenschappen der kerk behooren ten slotte ook nog de
-indefectibilitas en de infallibilitas. Jezus heeft aan zijne kerk
-beloofd, dat de poorten der hel niets tegen haar zouden vermogen en dat
-Hij ze bewaren zou tot aan het einde der wereld, Mt. 16:18, 28:20, Ef.
-4:11-13, 1 Tim. 3:15. De Roomschen leiden hieruit af, dat hun kerk, de
-pauselijke, blijven zal tot het einde der wereld toe, en dat niet alleen,
-maar ook dat die pauselijke kerk altijd de katholieke zal blijven, welke
-door de talrijkheid harer leden en door haar uitwendigen glans voor
-ieder zichtbaar en kenbaar zal zijn, Bellarminus, de eccl. milit. c. 11.
-13. 16. De notis eccl. c. 5. 6. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 359.
-Maar voor deze bewering ontbreekt genoegzame grond. Niet alleen is de
-kerk in verschillende tijden, b. v. van Noach, Abraham, Elia, Christus
-enz. tot enkele personen beperkt geweest, maar telkens zijn ook bepaalde
-kerken in bepaalde landen, bijv. in Klein-Azië te gronde gegaan. Ja,
-het N. T. zegt duidelijk, dat in het laatste der dagen het bederf
-toenemen en de kerk aan allerlei verleiding en vervolging blootstaan
-zal, Mt. 24:21, 22, Luk. 18:8, 2 Tim. 3:1. Jezus’ belofte waarborgt dus
-wel, dat er altijd eene vergadering van geloovigen op aarde zal zijn,
-hetgeen Socinianen en Remonstranten ten onrechte ontkennen, Moor IV
-122, maar zij houdt in het minst niet in, dat eene bepaalde kerk in een
-bepaald land steeds blijven en door hare grootte en heerlijkheid voor
-een ieder kenbaar zal zijn. En evenzoo is het met de onfeilbaarheid
-der kerk. De Roomsche kerk heeft lang geaarzeld, om een antwoord te
-geven op de vraag, bij wie ten slotte de onfeilbaarheid berust en heeft
-haar eindelijk op het Vaticaansche concilie ten gunste van den paus
-beslist. De paus waarborgt, dat de ecclesia docens niet kan dwalen in
-docendo. Maar de H. Schrift verbindt de onfeilbaarheid nergens aan een
-bepaald persoon of aan eene bepaalde, plaatselijke kerk. Er is wel eene
-onfeilbaarheid der kerk, die ook de Protestanten gaarne erkennen, maar
-deze onfeilbaarheid komt der kerk als vergadering van ware geloovigen
-toe en bestaat daarin, dat Christus als Koning zijner kerk ervoor zorgen
-zal, dat er steeds op aarde eene vergadering van geloovigen zal zijn,
-hoe klein en onaanzienlijk dan ook, die zijn naam belijden zal. Cf. over
-de eigenschappen der kerk van Prot. zijde: Martyr, Loci Comm. p. 226.
-Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 5 sq. Heidegger, Corp. Theol. XXVI 16
-sq. Maresius, Exeg. conf. Belg. art. 27. Witsius, Exerc. in Symb. 24.
-Vitringa IX 1 p. 81. Mastricht, Theol. VII 1, 9. Quenstedt, Theol. IV
-482. 497. Thomasius, Christi Person u. Werk II 543. Philippi, Kirchl.
-Gl. V 3 S. 16 f. Hase, Handb. d. prot. Polemik I c. 1. Van Oosterzee,
-Dogm. § 130.
-
-
-§ 48. DE REGEERING DER KERK.
-
-1. Bij de kerk als vergadering der geloovigen is eene regeering
-onmisbaar. Gelijk bij den tempel een bouwmeester, bij den akker een
-zaaier, bij den wijnberg een landman, bij het net een visscher, bij de
-kudde een herder, bij het lichaam een hoofd, bij het gezin een vader,
-bij het rijk een koning behoort, zoo is ook de kerk niet zonder een
-gezag te denken, dat haar draagt en leidt, verzorgt en beschermt. In
-nog specialer zin dan op politiek terrein berust dit gezag bij God,
-die niet alleen de Schepper aller dingen maar ook de Zaligmaker der
-gemeente is; de gemeente is als volk Gods, zoowel onder het Nieuwe
-als onder het Oude Verbond eene theocratie, de Heere is haar rechter,
-wetgever en koning, Jes. 33:22. Maar gelijk God op burgerlijk terrein de
-souvereiniteit op de overheid heeft overgedragen, zoo heeft Hij in de
-kerk Christus tot koning aangesteld. Van eeuwigheid reeds tot middelaar
-aangewezen, heeft deze zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt
-uitgeoefend van het paradijs af aan, zette het voort in de dagen des
-O. Test. en tijdens zijne omwandeling op aarde en voleindigt het thans
-in den hemel, waar Hij gezeten is aan des Vaders rechterhand, deel
-III 408-424. En deze werkzaamheid van Christus onderstelt niet de
-gemeente, tenzij dan als gedacht en gewild in Gods eeuwigen raad, maar
-gaat aan haar vooraf en heeft haar tot product; de gemeente wordt als
-een tempel op Christus als de rots gebouwd, als een lichaam uit Hem als
-het hoofd geboren; de koning is hier eer dan zijn volk. Maar ook nog
-in een anderen zin is de kerk niet zonder regeering denkbaar. Wel is
-waar had Christus zijn ambt kunnen uitoefenen zonder eenigen dienst van
-menschen; indien het Hem behaagde, kon Hij zijne geestelijke en hemelsche
-zegeningen uitdeelen zonder hulp van instellingen en personen. Maar
-dit heeft Hem alzoo niet goedgedacht. Het is zijn welbehagen geweest,
-om, zonder zijne souvereiniteit ook maar eenigszins op menschen over te
-dragen, toch bij hare uitoefening van hun dienst gebruik te maken en
-door hen het evangelie te prediken aan alle creaturen. En ook in dezen
-zin is de kerk nooit zonder regeering geweest; zij was altijd op eene of
-andere wijze georganiseerd en institutair ingericht. Dat was necessitate
-hypothetica noodig, wijl de gemeente hier op aarde eene _wordende_
-gemeente is. In den hemel valt alle ambt en alle genademiddel weg,
-omdat het Godsrijk voltooid en God alles in allen is. Maar op aarde is
-dit anders; de kerk als vergadering der geloovigen wordt zelve door
-Christus als een instrument gebruikt, om anderen tot zijne gemeente toe
-te brengen; door haar bedient Christus zijn middelaarsambt in het midden
-der wereld. Zoo treedt de kerk van den aanvang af in tweeërlei gedaante
-op; zij is eene vergadering van het volk Gods in passieven en actieven
-zin, is tegelijk een coetus en een mater fidelium, of naar eene andere
-benaming op hetzelfde oogenblik organisme en instituut. Gelijk boven
-bl. 36 reeds gezegd is, is deze onderscheiding eene gansch andere dan
-die tusschen onzichtbare en zichtbare kerk. Het is eene distinctie in
-de zichtbare kerk en zegt, dat de kerk als vergadering der geloovigen
-op tweeërlei wijze voor ons openbaar wordt, in ambten en genademiddelen
-als instituut, en in gemeenschap des geloofs en des levens als
-organisme. Bij deze onderscheiding wordt steeds de vraag opgeworpen
-naar de prioriteit. Sommigen stellen het zoo voor, dat het instituut
-der kerk met ambt en bediening altijd aan de kerk als vergadering van
-geloovigen voorafgaat en leggen dus op het mater fidelium den nadruk.
-Anderen oordeelen, dat de kerk als vergadering der geloovigen de
-eerste plaats inneemt en dan zelve naar den drang der omstandigheden
-zich op de eene of andere wijze institutair inricht. Zelfs wordt daarin
-dan het principieele verschil tusschen Protestantisme en Romanisme
-gezocht. De onderscheiding van de kerk als instituut en organisme met
-die in zichtbare en onzichtbare kerk verwarrend, zegt Schleiermacher,
-dat het Protestantisme das Verhältniss des Einzelnen zur Kirche
-abhängig macht von seinem Verhältniss zu Christo, terwijl het Romanisme
-omgekeerd das Verhältniss des Einzelnen zu Christo abhängig macht von
-seinem Verhältniss zur Kirche, Chr. Gl. § 24. En volgens Möhler gaat
-bij Rome de zichtbare kerk aan de onzichtbare, doch bij de Lutherschen
-deze aan gene vooraf, Symbolik § 48. Maar heel deze voorstelling is
-verre van volledig en juist te achten. Want 1º is van Tertullianus’
-dagen af aan, de orat. 2. de monog. 7. adv. Marc. V 4 de kerk door
-alle Christenen niet alleen een coetus maar ook een mater fidelium
-genoemd. De Protestanten zijn daarin met de Roomschen eenstemmig, en
-Calvijn legt er zelfs zeer sterken nadruk op, Inst. IV 1, 4. En dat was
-de kerk volgens hunne overtuiging, niet omdat zij vrij en zelfstandig
-zich tot instituut organiseerde en zichzelve eene eigene regeering gaf,
-maar omdat Christus haar alzoo ingericht had. Het instituut der kerk
-is volstrekt niet, althans niet volgens de Gereformeerde belijdenis,
-een product der gemeente, maar eene instelling van Christus. En dat
-deze overtuiging op goede, schriftuurlijke gronden steunt, zal in het
-vervolg duidelijk blijken. 2º De kerk als vergadering der geloovigen
-komt niet, gelijk Schleiermacher, Chr. Gl. § 115 zegt, durch das
-Zusammentreten der einzelnen Wiedergeborenen tot stand. Want de vraag
-blijft hierbij onbeantwoord, vanwaar die wedergeborenen zijn. Dezen
-komen er toch niet, doordat de H. Geest atomistisch en unvermittelt
-(niet: unmittelbar) menschen wederbaart en ze dan samenvoegt. Maar de
-H. Geest is in al zijne werkingen, ook in die der wedergeboorte, aan
-Christus gebonden, uit wien Hij alles neemt. En Christus is op aarde
-slechts daar, waar zijn woord is. Gods woord en Gods volk hooren bijeen.
-Wel is waar worden kinderkens menigmaal wedergeboren, zonder dat zij
-persoonlijk de prediking des woords hebben kunnen hooren. Maar dit zijn
-dan kinderkens, die in het verbond der genade zijn geboren, die in de
-gemeenschap der kerk leven en die inwendige roeping ontvangen, welke
-van Christus uitgaat door den H. Geest. 3º Het verschil tusschen
-Rome en de Hervorming op dit punt bestaat niet in de prioriteit van
-zichtbare of onzichtbare kerk, van instituut of organisme, van de
-gemeenschap met de kerk of de gemeenschap met Christus; althans bestaat
-het daarin niet zonder scherpere bepaling; maar het is hierin gelegen,
-dat Rome de zaligheid bindt aan priester en sacrament en de Hervorming
-aan de prediking des woords. Volgens Rome wordt de gratia infusa alleen
-medegedeeld door den doop en is deze dus absoluut noodzakelijk. Volgens
-de Hervorming is het woord het eerste en voornaamste genademiddel
-en geloof dus ter zaligheid genoegzaam. En dat woord werkt als
-genademiddel volstrekt niet alleen, als het ambtelijk bediend wordt in
-de vergadering der geloovigen, maar ook, wanneer het in huisgezin en
-school, door opvoeding en onderwijs tot ons gebracht wordt. Gods volk
-is, waar Gods woord is, maar dat volk en dat woord kan er wel zijn en is
-er ook menigmaal, waar geen priester en geen paus, geen pastor en geen
-presbyter is. 4º Ook volgens de Hervorming komt de kerk als vergadering
-der geloovigen niet unvermittelt tot stand, uit eene van het woord
-losgemaakte werking des Geestes. Tusschen Christus en den individueelen
-mensch staat zeker niet, gelijk bij Rome, de priester en het sacrament,
-de ecclesia docens, in maar toch wel het woord van Christus, want de
-gemeenschap met Christus is volgens het getuigenis der Schrift gebonden
-aan de gemeenschap met het woord der apostelen, Joh. 17:3, 1 Joh. 1:3.
-Gelijk het in het natuurlijke is, is het ook in het geestelijke. Ieder
-mensch is een product der gemeenschap en de individueele geloovige
-wordt uit den schoot der gemeente geboren. De ecclesia universalis gaat
-aan de ecclesia particularis en aan de afzonderlijke fideles vooraf,
-gelijk in elk organisme het geheel voor de deelen gaat. Eene moeder
-is daarom inderdaad de kerk van Christus, maar zij is dit volstrekt
-niet alleen als instituut doch ook als organisme. De geloovigen saam
-zijn tegelijk producent en product; in visibili ecclesia invisibilis
-colligitur et formatur; invisibilis in visibili haeret ac continetur,
-Synopsis pur. theol. 40, 34; door de kerk vergadert Christus zijne
-kerk. 5º Door dit standpunt in te nemen, vermeed de Reformatie zoowel
-de hierarchie der Roomschen als het enthousiasme der Wederdoopers,
-en deed de waarheid, die in beide aanwezig is, tot haar recht komen.
-Eenerzijds geen binding van de werking des H. Geestes aan priester en
-sacrament en anderzijds geen werking des H. Geestes buiten Christus en
-zijn woord om! De kerk als vergadering wordt in beide, instituut en
-organisme, openbaar; zij heeft tot kenteeken de zuivere bediening des
-woords en de belijdenis en den wandel der geloovigen; zij is institutair
-en charismatisch ingericht. Het ambt onderdrukt de gaven niet maar
-organiseert ze en houdt ze in het rechte spoor, en de gaven zetten het
-ambt niet ter zijde maar maken het krachtig en vruchtbaar. Irvingianisme
-en Darbysme bevatten beide eene waarheid, die erkend dient te worden.
-Ambten en gaven zijn samen door Christus aan zijne gemeente geschonken
-tot volmaking der heiligen en tot opbouw zijns lichaams, Rom. 12:5-8,
-1 Cor. 12:25, 28, Ef. 4:11, 12. Daarom getuigt 6º de vraag naar de
-prioriteit van het instituut of het organisme der kerk zelve reeds van
-eenzijdigheid. Beide zijn met elkander gegeven en werken voortdurend op
-elkander in. In den staat zijn volk en overheid steeds ten nauwste met
-elkander verbonden; men kan wel onderzoek doen naar het ontstaan bij
-eenig volk van een of anderen regeeringsvorm; men kan wel aantoonen,
-dat de politieke overheid eerst om der zonde wil is ingesteld, maar
-overal, waar menschen zijn, is er ook zekere vorm van regeering; Adam
-werd terstond als hoofd der menschheid geschapen. En zoo ook is de
-regeeringsvorm der kerk lang niet altijd dezelfde geweest, maar eene
-regeering heeft haar nimmer ontbroken, noch in het onzichtbare, waarin
-Christus haar hoofd is, noch ook in het zichtbare, waarin zij altijd eene
-zekere organisatie deelachtig was.
-
-
-2. De H. Schrift stelt dit in helder licht. Als Adam gevallen is en
-zich voor des Heeren aangezicht verbergt, is het God zelf, die den
-mensch opzoekt en roept, de belofte des evangelies hem predikt en
-daardoor zijne gemeente sticht. Met Noach richt hij zijn verbond op,
-deelt er een schat van zegeningen in mede en bezegelt het met den
-boog in de wolken. Abram roept Hij uit Ur der Chaldeën, maakt hem
-tot zijn bondgenoot en geeft hem het teeken der besnijdenis. In den
-patriarchalen tijd waren de huisgezinnen de gemeenten der geloovigen;
-de huisvaders waren de priesters, die de beloften meedeelden aan
-hunne kinderen en Gode offeranden brachten van aanbidding en dank.
-Het volk van Israel ontving bij den Sinai niet alleen eene burgerlijke
-maar ook eene godsdienstige organisatie en werd in priesterschap en
-offerande, in tabernakel en altaar, in allerlei wetten en instellingen
-als het volk Gods openbaar. Als bij den aanvang des N. Test. Johannes
-de Dooper optreedt, predikt hij den doop der bekeering tot vergeving
-der zonden, en zondert daardoor het volk Gods van het zondig Israel
-af. Jezus neemt deze prediking en dezen doop van Johannes over, voegt
-er later het avondmaal aan toe, vergadert eene ἐκκλησια rondom zich,
-regeert haar zelf rechtstreeks, zoolang Hij op aarde is, en stelt een
-twaalftal apostelen aan, die straks als zijne getuigen zullen optreden.
-De instelling van het apostolaat is vooral een krachtig bewijs voor het
-institutair karakter, dat Christus aan zijne kerk op aarde gaf. Christus
-is zelf de ἀποστολος, Hebr. 3:1, en zet deze ἀποστολη in de twaalven
-voort, Joh. 20:21. Dit twaalftal vormde zich niet allengs vanzelf,
-maar werd uitdrukkelijk door Jezus zelven geroepen en aangesteld. Er
-is bij hen, ofschoon Jezus van den aanvang wist, wie Hij tot apostelen
-verkiezen zou en daarom reeds terstond tot hen kon zeggen, dat hij hen
-tot ἁλεεις ἀνθρωπων, Mk. 1:17 zou maken, toch een duidelijk onderscheid
-te maken tusschen hunne eerste roeping tot het discipelschap, en hunne
-tweede roeping tot het apostelschap, Mt. 4:18-22 en 10:1, Mk. 1:16 en
-3:14, Luk. 6:1 en 13-16. Door velen, zooals Schleiermacher, Volkmar,
-Harnack, Seufert, Holtzmann enz. wordt deze speciale roeping tot
-het apostelambt door Jezus wel ontkend. Maar de feiten zijn met deze
-bewering in strijd. Het twaalftal apostelen stond toch reeds lang vóór
-het optreden van Paulus in de christelijke gemeenten vast, Mt. 26:33,
-28:18, Luk. 24:47, Joh. 20:19, 21, 1 Cor. 15:5, 7, Op. 21:14. Ook de
-naam van apostel, שָׁלוּחַ, is hun door Jezus gegeven, Luk. 6:13,
-cf. 11:49, Mt. 23:34, 10:2, Mk. 6:30, Luk. 9:10, 17:5, 22:14, 24:10,
-omdat zij door Hem werden uitgezonden om te prediken, Mk. 3:14. Jezus
-was zelf de gezondene van den Vader, Joh. 3:34, Hebr. 3:1 en had tot
-uitvoering van zijn werk getuigen van noode, die het in Hem verschenen
-evangelie bekend maakten onder heel het volk van Israel, Mt. 10:6. Deze
-naamgeving door Jezus wordt daardoor bevestigd, dat het woord apostel
-van den beginne aan, een ambtsnaam is geweest, zoozeer zelfs, dat
-het woord ψευδαποστολος gevormd kon worden, 2 Cor. 11:13. Het woord
-שָׁלוּחַ komt trouwens in LXX slechts eenmaal, 1 Kon. 14:6, en het
-woord ἀποστολος, in het profaan grieksch zelden voor. Toch schijnen deze
-feiten der Schrift over het apostolaat door andere gegevens weersproken
-te worden. Ten eerste is het onzeker, wie tot dit twaalftal apostelen
-gerekend moeten worden. Ook al wordt het verschil tusschen de vier
-apostellijsten, Mt. 10:2, Mk. 3:16, Luk. 6:14, Hd. 1:13 in dien zin
-opgelost, dat Lebbeus Thaddeus en Judas Jacobi vereenzelvigd worden,
-dan blijft toch nog over, dat Judas uitviel en door Matthias vervangen,
-Hd. 1:15-26, en later Paulus nog aan het twaalftal toegevoegd werd. De
-verhouding van Paulus tot de twaalven is daarbij verre van duidelijk. Wel
-maakt Paulus meermalen dit onderscheid, dat de apostelen te Jeruzalem
-onder Israel en hijzelf onder de Heidenen het evangelie verkondigen
-zou, Hd. 9:15, 13:47, 22:21, Rom. 11:13, Gal. 1:16, 2:7-9, Ef. 3:8,
-1 Tim. 2:7, 2 Tim. 1:11. Maar dit onderscheid is toch zeer relatief;
-want Paulus wendde zich bij zijne evangelieverkondiging altijd eerst
-tot de Joden, Hd. 13:5, 14, 46 enz. en de twaalf apostelen ontvingen
-van Christus na zijne opstanding den uitdrukkelijken last, om aan alle
-volken het evangelie te prediken, Mt. 28:19, Hd. 10:42, en hebben aan
-dien last ook in meerdere of mindere mate voldaan. Niet alleen de
-gemeente uit de Joden, maar geheel de Nieuwtestamentische gemeente
-rust op het fundament van apostelen en profeten, Ef. 2:20, Op. 21:14
-en heeft door hun woord gemeenschap aan Christus, Joh. 17:20, 1 Joh.
-1:3. Het apostolaat van Paulus draagt echter een van dat der twaalven
-zeer onderscheiden karakter. Wel handhaaft Paulus met alle macht den
-Goddelijken oorsprong, de zelfstandigheid en de waarachtigheid van zijn
-apostolisch ambt tegenover alle bestrijders, Gal. 1-2, 1 Cor. 1:10-4:21,
-2 Cor. 10:13. Maar desniettemin, hij heeft met Jezus niet verkeerd
-tijdens zijne omwandeling op aarde, hij heeft de gemeente Gods vervolgd,
-hij is geroepen door den verhoogden Christus op eene buitengewone
-wijze en een ongewonen tijd, hij is geweest de voornaamste der zondaren
-en de minste der apostelen, 1 Cor. 15:9, Ef. 3:8, 1 Tim. 1:15. Zijn
-apostolaat, hoe zelfstandig en uitnemend ook, is een middel geweest,
-om het apostolaat der twaalven tot grondslag van heel de gemeente te
-leggen. Paulus heeft door zijn apostolaat het apostolaat der twaalven
-niet beperkt of ondermijnd maar het integendeel bevestigd en uitgebreid.
-Hij heeft in de heidenwereld voor het apostolaat der twaalven den
-weg gebaand, heeft het eenerzijds ontdaan van al het Joodsche, dat
-de dragers ervan nog bleef aankleven en andererzijds de Heidenen als
-wilde takken ingeënt op den tammen olijfboom van Israel, Rom. 11:24.
-Op Christus als hoeksteen en de apostelen als fundament heeft Paulus
-de ééne gemeente, het ééne volk Gods, het geestelijk Israel gebouwd.
-Daarmede is in beginsel ook reeds eene tweede bedenking opgelost,
-welke tegen de aanstelling en naamgeving van de twaalf apostelen door
-Jezus ingebracht wordt. Het is n.l. een feit, dat het woord apostel,
-waarschijnlijk reeds in Jeruzalem, H. 14:4, 14, 2 Cor. 11:13, Op. 2:2,
-maar dan vooral door Paulus in ruimer zin is gebezigd en ook op anderen
-dan het twaalftal toegepast is. Paulus moest dat daarom wel doen, wijl
-hij zichzelf een geroepen dienaar van Jezus Christus wist, in ambt en
-eere aan de andere apostelen gelijk. Hij was apostel in een anderen zin
-dan de apostelen in Jeruzalem, op eene andere wijze en in een lateren
-tijd geroepen en met eene speciale taak belast. Maar één ding had hij
-met de apostelen in Jeruzalem gemeen; hij was een geroepen apostel van
-Jezus Christus, die zijne roeping, zijn evangelie, zelfs bepaaldelijk ook
-den eigenaardigen inhoud van zijn evangelie, n.l. dat de Heidenen zijn
-mede-erfgenamen, aan eene bijzondere openbaring van Christus en niet
-aan menschen te danken had, 1 Cor. 9:1, 15:8, Gal. 1:1, 12, 15, 2:2,
-Ef. 3:3. Maar voor zijn zendingsarbeid had hij hulp noodig. Behalve de
-apostelen had Jezus ook reeds andere zeventig uitgezonden, om in de
-steden en vlekken, waar Hij komen zou, zijne komst voor te bereiden,
-Luk. 10. Toen de gemeente in Jeruzalem door de vervolging verstrooid
-werd, ging Philippus, een van de in Hd. 6 verkozen zeven mannen, het
-evangelie prediken onder de Samaritanen, Hd. 8:5, aan den eunuch der
-koningin Candace, 8:26, cf. 11:20, en verder tot Cesarea toe, 8:40,
-21:8. En zoo bediende zich Paulus bij zijn zendingsarbeid van mannen
-als Barnabas, Markus, Lukas, Silas, Tychicus, Aristarchus, Epaphras,
-Apollos, Timotheus, Titus e. a., die als zijne συνεργοι, 1 Thess. 3:2
-hem ter zijde stonden. Deze hulpzendelingen der apostelen werden nu
-door Paulus soms ook apostelen genoemd, omdat zij wel niet rechtstreeks
-door Jezus Christus, maar toch onder leiding des H. Geestes door
-de gemeente gezonden waren, om op andere plaatsen het evangelie te
-verkondigen, Hd. 13:2, 3, cf. 2 Cor. 8:23, ἀποστολοι ἐκκλησιων. Het
-woord apostel kreeg naast den engeren dus ook een ruimeren zin, Hd.
-14:4, 14, Rom. 16:7, 1 Cor. 4:6, 9, 9:5, 15:7, 2 Cor. 11:5, 13, 12:11,
-Gal. 1:19, 1 Thess. 2:6, Op. 2:2 en leefde zoo ook nog later in den
-na-apostolischen tijd, bijv. in de Didache c. 11 voort. Elders dragen
-deze apostolische helpers den naam van evangelisten, Hd. 21:8, Ef.
-4:11, 2 Tim. 4:5, omdat zij, gelijk Christus door den Vader, Luk. 4:18,
-en de apostelen door Christus, Luk. 9:1, 6, zoo op hun beurt onder
-de leiding des Geestes door de gemeente werden afgezonderd voor de
-verkondiging van het evangelie, Hd. 8:5, 12, 40, 11:19, 20, 22, 13:2,
-2 Cor. 8:18, 19, 23, Phil. 2:25, 1 Tim. 4:14. Zij komen dus in drie
-opzichten met de apostelen in enger zin overeen, 1º daarin, dat zij ook
-dienaren Gods of van Christus zijn, 1 Thess. 3:2, 1 Tim. 4:6, 6:11, 2
-Tim. 2:24 en niet maar een charisma hebben ontvangen, 1 Tim. 4:14, 2
-Tim. 1:6, doch werkelijk krachtens eene bijzondere roeping en aanstelling
-een ambt dragen, onder een bepaalden naam, Hd. 21:8, met een eigen rang
-en plaats, Ef. 4:11, en met een speciale taak, 2 Tim. 4:5; 2º dat hun
-ambt niet tot eene plaatselijke kerk beperkt is, maar zich uitstrekt tot
-alle kerken, tot de ecclesia universalis, Hd. 13:4v., zoodat zij naar
-de oud-kerkelijke verklaring πανταχου περιιοντες ἐκηρυττον en macht en
-gezag hadden over alle kerken, Tit. 1:5, en 3º dat zij deelnemen aan
-den grondleggenden en gemeentestichtenden arbeid der apostelen; zij zijn
-hunne συνεργοι, 1 Thess. 3:2, συνεκδημοι, Hd. 19:29, συνστρατιωται,
-Phil. 2:25, συνδουλοι, Col. 1:7, 4:7, die natmaken wat de apostelen
-hebben geplant, 1 Cor. 3:6, en bij relatieve zelfstandigheid toch
-aan de apostelen onderworpen waren, Hd. 19:22, 1 Cor. 4:17, 1 Tim.
-1:3, Tit. 1:5 enz. en ten deele alleen, ten deele ook in gezelschap
-van de apostelen werkten, ib. en Hd. 11:30, 12:25, 13:2 enz. In den
-na-apostolischen tijd verdwijnt het ambt geheel en wordt de naam sedert
-Tertullianus, Origenes en Eusebius gebruikelijk voor de schrijvers
-der vier evangeliën, die als het ware de personen der evangelisten
-overbodig maken. Cf. over de evangelisten: Suicerus s. v. Witsius,
-Misc. Sacra I 315 II 564. Voetius, Pol. Eccl. III 364-369. Mastricht,
-Theol. VII 2, 18. Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 S. 220
-f. Philippi, Kirchl. Gl. V 3, 277. Sohm, Kirchenrecht 42. Zöckler,
-Diakonen und Evangelisten, München Beck 1893.
-
-Naast de evangelisten treden in het N. T. nog profeten op, die zelfs
-nog vóór hen genoemd worden, Rom. 12:6, 1 Cor. 12:28, 29, Ef. 4:11,
-soms zonder hen met de apostelen verbonden worden, Ef. 2:20, 3:5, en
-dus in rang en eere boven hen staan. Zij waren door Jezus beloofd, Mt.
-23:34, Luk. 11: 49, werden door den H. Geest, die op den pinksterdag
-uitgestort was, verwekt, Hd. 2:17, 18, 1 Cor. 12:10, Op. 1:10 en komen
-dan in grooten getale en in bijna alle gemeenten voor, in Jeruzalem, Hd.
-6:5, 8, 11:27, Antiochie, 11:27, 13:1, Cesarea 21:9, 10, Corinthe, 1
-Cor. 12, en allerwege, gelijk uit hunne vermelding in Rom. 12:6, 1 Cor.
-12:28, Ef. 2:20, 3:5, 4:11, 1 Thess. 5:20 blijkt. Zij worden besloten
-met Johannes, den apostel, Op. 1:1, en verdwijnen dan als stand uit de
-gemeente geheel. Wel spreken de apostolische vaders nog van profeten,
-Hermas, Mand. 11 Vis. 3. Didache 11. 15, maar zij denken daarbij aan
-zulke mannen, die rondreisden en in verschillende gemeenten over de
-christelijke waarheid spraken maar daarbij nauwkeurig onderzocht en
-van de valsche profeten onderscheiden moesten worden; de tijd voor
-de profetie was voorbij. Het Montanisme en andere enthusiastische
-richtingen van vroeger en later tijd trachtten de profetie wel te
-doen herleven; Rome beweert, dat de profetische gave nog voortduurt,
-Bellarminus, de notis eccl. c. 15; Zwingli en velen na hem voerden
-zoogenaamde profetieën in, waarbij de Schrift voor het volk werd
-verklaard, art. Prophezei in Herzog² en Dr. H. H. Kuyper, De opleiding
-tot den dienst des Woords bij de Gereformeerden 1891 bl. 104v. Maar
-dat alles is wezenlijk onderscheiden van de profetie, gelijk die in de
-eerste christelijke kerken bestond. Deze onderscheidt zich door het
-volgende: 1º de N. T. profeten kunnen wel ambtsdragers heeten, maar
-hun ambt is toch veel meer charismatisch dan dat van profeten en
-apostelen. Zij worden niet onmiddellijk door Christus noch ook door zijne
-gemeente geroepen en aangesteld, maar ontvangen een bijzonder charisma
-van den H. Geest, en zijn dientengevolge geroepen, om eene bijzondere
-taak te vervullen in de gemeente van Christus. 2º Met de apostelen en
-evangelisten hebben zij gemeen, dat zij een ambt bekleeden, hetwelk voor
-heel de kerk van Christus op aarde geldt en alzoo ook medearbeiden aan
-de grondlegging der gemeente, Ef. 2:20, maar terwijl de evangelisten
-de apostelen vooral helpen in hun missioneerenden en institueerenden
-arbeid, staan de profeten hun ter zijde in hun opbouwende, stichtende,
-leerende werkzaamheid. 3º De N. T. profetie is wel bewust en daarom
-hoog te achten boven de glossolalie, 1 Cor. 14:5, 32, maar zij is toch
-momentaan en buitengewoon, vrucht van ἀποκαλυψις, 1 Cor. 14:30; zij
-breidt de natuurlijke mate van het weten en kennen uit, omvat zoowel
-den vorm als den inhoud der rede, Mt. 10:19, 20, bewijst zich als
-waarheid door hare innerlijke, overtuigende kracht, 2 Cor. 2:14-17, en
-diende vooral, om aan het evangelie, dat door de apostelen verkondigd
-werd, dat den Joden een ergernis en den Grieken eene dwaasheid was, en
-nog niet in het geschreven Woord voor heel de kerk toegankelijk was,
-ingang te verschaffen bij geloovigen en ongeloovigen en de gemeente
-alzoo door leering, vermaning, vertroosting, 1 Cor. 14:3, op te bouwen
-in de genade en kennis van den Heere Jezus Christus. Cf. over de
-N. T. profeten: Voetius, Pol. Eccl. III 369 cf. Disp. Sel. II 1036
-sq. Witsius, Misc. Sacra I 282 sq. Neander, Geseh. d. Pflanzung u.
-Leitung der chr. K⁵. 182 f. Bonwetsch, Die Prophetie im ap. u. nachap.
-Zeitalter, Zeits. f. k. Wiss. u. k. Leben 1884 S. 408 f. Burger, art.
-in Herzog² 12, 265. Zöckler, t. a. p. 71 f. Weiszäcker, Das apost.
-Zeitalter, 584 f. enz.
-
-Maar hoe nauw profeten en evangelisten ook aan de eigenlijke apostelen
-verwant zijn, zij zijn er toch wezenlijk van onderscheiden. De apostelen
-vormen een eigen kring, hun ambt draagt een gansch bijzonder
-karakter, en is door de volgende trekken kenbaar. 1º De apostelen
-zijn aan Christus door den Vader gegeven, Joh. 17:6, door Hemzelven
-uitverkoren en geroepen, Joh. 6:70, 13:18, 15:16, 19, 1 Cor. 1:17, 2
-Cor. 5:20, Gal. 1:1, door God gekozen tot hun ambt, Hd. 10:41. 2º Zij
-zijn door Jezus zelf voor hunne taak opgeleid en bekwaamd, zijn oor-
-en ooggetuigen van zijne woorden en daden geweest, hebben het Woord
-des levens met de oogen aanschouwd en met de handen getast, en hun
-evangelie niet van eenig mensch maar van Christus zelven ontvangen,
-Luk. 24:48, Joh. 1:4, 15:27, Hd. 1:21, 22, 26:16, 1 Cor. 9:1, 15:8, 2
-Cor. 12:1v., Gal. 1:12, Ef. 3:2-8, 1 Tim. 1:12, 1 Joh. 1:1-3 enz. 3º
-Zij zijn in bijzondere mate den H. Geest deelachtig, die hen onderwijst en
-in alle waarheid leidt, Mt. 10:20, Joh. 14:26, 15:26, 16:7, 13, 14,
-20:22, 1 Cor. 2:10-13, 7:40, 1 Petr. 1:12. 4º Met dien Geest toegerust,
-Joh. 20:22, Hd. 1:8, Ef. 3:5, treden zij openlijk op als getuigen van
-Jezus, bepaaldelijk van zijne opstanding, Hd. 1:8, 21, 22, 2:14, 32,
-3:15, 4:8 enz., zijn betrouwbare getuigen, Luk. 1:2, Joh. 19:35, 21:24,
-1 Cor. 7:25, 1 Petr. 5:1,2 Petr. 1:16, Hebr. 2:3, Op. 1:3, 22:18, 19,
-en verkondigen Gods Woord, Joh. 1:14, 20:31, 1 Cor. 2:13, 2 Cor. 2:17,
-Gal. 1:7, 1 Thess. 2:13, 1 Joh. 1:1-4, Op. 22:18, 19. 5º Hun getuigenis
-wordt door God bezegeld met teekenen en wonderen en rijken geestelijken
-zegen, Mt. 10:1, 9, Mk. 16:15v., Hd. 2:43, 3:2, 5:12-16, 6:8 enz.,
-Rom. 12:4-8, 15:18, 19, 1 Cor. 12:10, 28, 15:10, 2 Cor. 11:5, 23, Gal.
-3:5, Hebr. 2:4. 6º Aan dit hun getuigenis is de kerk aller eeuwen
-gebonden. Er is geen gemeenschap met Christus dan door gemeenschap
-aan het woord en de personen der apostelen, Joh. 17:20, Gal. 1:7-9, 1
-Joh. 1:3; zij zijn het fundament der kerk, Mt. 16:18, 1 Cor. 3:10, Ef.
-2:20, Op. 21:14; hun woord, voor ons bewaard in de Schriften des N.
-T., is medium gratiae, Joh. 20:31, 1 Cor. 1:18v., 15:2, 1 Joh. 1:1-4.
-7º Hun ambt is dus niet voor een tijd en niet tot eene plaatselijke
-gemeente beperkt, maar het blijft en strekt zich tot de gansche kerk
-uit. Het is het eenige, dat rechtstreeks door Christus ingesteld is
-en sluit alle bevoegdheden en werkzaamheden, die in de latere ambten
-verdeeld zijn, in zich, de pastorale, presbyterale, diakonale, zelfs
-ook de evangeliseerende en profetische werkzaamheid. Van stonden aan
-genieten de apostelen dan ook in de kerk van Christus eene algemeen
-erkende autoriteit. Zij zijn niet alleen de opzieners van de gemeente
-te Jeruzalem, maar zij zijn de grondleggers, de vaders, 1 Cor. 4:15 en
-leiders der gansche kerk, hebben opzicht over de geloovigen te Samaria,
-Hd. 8:14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9:32, 11:22, stellen ambten in,
-Hd. 6:2, nemen besluiten in den H. Geest, Hd. 15:22, 28, treden op met
-apostolische volmacht, 1 Cor. 4:21, 5:2, 2 Cor. 2:9, geven bindende
-bevelen, 1 Cor. 7:40, 1 Thess. 4:2, 11, 2 Thess. 2:15, 3:6, 14 enz.
-en zijn nog met hun woord gezaghebbend voor de gansche Christenheid;
-apostoliciteit is een eigenschap en kenmerk der kerk van Christus.
-Cf. deel I 334v. en voorts Voetius, Pol. Eccl. III 351-363. Burmannus,
-Exerc. Acad. II 104 sq. Spanheim, Op. II 289 sq. Moor VI 250 e. a. bij
-Walch, Bibl. theol. III 444. Philippi, Kirchl. Cl. V 3, 258. Gloël, Der
-H. Geist in der Heilsverkündigung des Paulus, Halle 1888 S. 325 f. W.
-Seufert, Der Ursprung u. die Bedeutung des Apostolates in de chr. K.
-der ersten 2 Jahrh. Leiden 1887. Köppel, Der Ursprung des Apost., Stud.
-u. Krit. 1889 S. 257-331. Erich Haupt, Zum Verständniss des Apost.
-Halle Niemeijer 1896. Art. Apostel van Schmidt in Herzog³.
-
-Onder de apostelen staat Petrus bovenaan. Simon of Schimeon, zoon van
-Johannes of Jonas, broeder van Andreas, afkomstig uit Bethsaïda, Joh.
-1:45, doch waarschijnlijk sedert zijn huwelijk wonende in Kapernaum, Mk.
-1:29, ontving reeds bij zijne eerste ontmoeting van Jezus de toezegging,
-dat hij later zou genoemd worden Κηφας, gr. vorm voor het hebr. woord
-כֵּף met het aram. artikel, de rots, ἡ πετρα, als manl. eigennaam
-Πετρος, Joh. 1:43. Zonder twijfel zinspeelde Jezus daarmede op zijn
-trouw karakter, dat hem in weerwil van zijne sanguinische, bewegelijke
-natuur eigen was en het duidelijkst uitkwam bij Cesarea Philippi, toen
-hij tegenover het volk, dat met zijne aardschgezinde verwachtingen zich
-in Jezus teleurgesteld zag en Hem verliet, de belijdenis van Jezus’
-Messianiteit vasthield en openlijk in den naam zijner medediscipelen
-uitsprak, Mt. 16:13 tot 20, Mk. 8:27-29, Luk. 9:18-20, Joh. 6:66-69.
-Bij deze gelegenheid herinnerde Jezus dan ook aan den naam, dien Hij
-hem vroeger reeds gegeven had, Mt. 16:18. Door zijne vrijmoedige en
-standvastige belijdenis van Jezus als den Christus betoonde zich Petrus
-de rots te zijn, op welke Christus zijne gemeente zoo hecht en vast zou
-bouwen, dat de poorten van den Hades haar niet in kracht overtreffen
-zouden. Volgens Launoi dachten 17 kerkvaders bij de rots aan Petrus, 8
-aan de apostelen, 44 aan het geloof van Petrus en 16 aan Christus, bij
-Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 411; later hebben de Roomschen de rots
-meest op Petrus en de Protestanten op zijne belijdenis laten slaan. Maar
-er is hier geen dilemma. De woorden „deze petra” kunnen niet anders
-zien dan op den persoon van Petrus, maar een rots is hij en heeft hij
-zich bewezen te zijn door zijne belijdenis van Jezus als den Christus,
-eene belijdenis, die hij niet aan zichzelven maar aan de openbaring des
-Vaders heeft te danken. Juist daarom belooft Jezus hem, dat Hij op hem
-als belijder van zijn Zoonschap en Messianiteit zijne gemeente bouwen zal.
-Christus stelt dus zichzelf als den bouwmeester van zijne gemeente voor
-en Petrus den belijder als de rots, waarop zijne gemeente rusten zal.
-In Mt. 21:42, Hd. 4:11, 1 Cor. 3:10, Ef. 2:20, Op. 21:14, cf. 1 Petr.
-2:4-6 is hetzelfde beeld gebruikt, maar wordt het op eene andere wijze
-toegepast. Daar worden n.l. de apostelen gedacht als de bouwmeesters,
-die door hunne prediking op Christus als het fundament de kerk hebben
-gegrondvest. Maar hier in Mt. 16:18 is Christus de bouwmeester, die
-op den belijdenden Petrus zijne gemeente bouwt. En deze belofte heeft
-Christus gestand gedaan; Petrus is de eerste onder de apostelen, de
-voornaamste grondlegger der kerk, de voorganger en aanvoerder van
-al de belijders van Christus door de eeuwen heen. Daarom wordt hij in
-de apostellijsten altijd het eerst genoemd, Mt. 10:2, Mk. 3:16, Luk.
-6:14, Hd. 1:13, behoort hij met Johannes en Jakobus tot den intiemen
-vriendenkring van Jezus, die dezen volgen mag, als de anderen moeten
-achterblijven, Mt. 17:1, Mk. 5:37, 13:3, 14:33, is de woordvoerder en
-vertegenwoordiger der discipelen, Mt. 16:17, 17:24, 18:21, 26:40,
-treedt na Jezus’ hemelvaart als eerste getuige onder de apostelen op
-den voorgrond, Hd. 1:15, 2:14, 3:1v., 4:8, 5:3, 29, 8:14, 10:5v.,
-12:3v., 15:7v., en wordt als primus inter pares ook door Paulus geëerd,
-Gal. 1:18, 2:7-9. Cf. art. Petrus in Herzog² en de daar aangehaalde
-litt.
-
-
-3. Aan eene regeering heeft het der kerk dus nimmer ontbroken; en zij
-heeft zich deze niet zelve verschaft maar heeft ze van God ontvangen.
-Instituut en organisme der kerk zijn telkens tegelijk en in verband met
-elkander door God in het leven geroepen. Van het apostolaat kan zelfs
-gezegd worden, dat het aan de kerk des N. T. voorafging; de apostelen
-waren de grondleggers der gemeente, als het ware de patriarchen van
-het volk Gods in de dagen des N. T. Maar dit apostolaat is niet
-voortgezet en was als ambt voor de stichting der kerk uit den aard
-der zaak voor geen voortzetting vatbaar; het leeft voor ons alleen
-voort in het apostolisch woord, dat de grondslag der kerk blijft en in
-gemeenschap brengt met den Vader en met zijnen zoon Jezus Christus,
-1 Joh. 1:3. Zoodra de apostelen op verschillende plaatsen gemeenten
-hadden gesticht, stelden zij in die gemeenten ambten in, welke van
-het hunne wezenlijk verschilden en niet zonder medewerking van de
-gemeenten zelve tot stand kwamen. Er is een groot onderscheid tusschen
-de buitengewone ambten van apostelen, evangelisten en profeten, die
-tijdelijk voor de grondlegging der kerk werden ingesteld, en de gewone
-ambten van presbyters en diakenen, die onder apostolische leiding
-uit de kerken zelve opkwamen. Deze laatste ambten onderstellen de
-kerken, op dezelfde wijze als de regeering het volk onderstelt. Zij
-konden daarom niet rechtstreeks en onmiddellijk, gelijk het apostolisch
-ambt, door Christus worden ingesteld, maar konden eerst opkomen, toen
-de gemeenten gesticht waren en aan eene geregelde leiding behoefte
-kregen. Dit had al spoedig in de kerk van Jeruzalem plaats. Deze
-kreeg door den buitengewonen pinksterzegen spoedig eene zeer groote
-uitbreiding en was duizenden zielen sterk, Hd. 2:41, 47, 4:4, 21,
-32, 5:14, 6:1. Dit maakte natuurlijk organisatie dringend noodig,
-welke ook onder leiding der apostelen tot stand kwam. Ten eerste werd
-deze gemeente van duizenden zielen, in weerwil van hare eenheid, op
-de eene of andere wijze ingedeeld. Zij kon n.l. niet in één gebouw
-samenkomen maar moest bij gedeelten in private woningen vergaderen.
-Zonder twijfel ontstonden in Jeruzalem de eerste huisgemeenten, gelijk
-wij die ook elders in den apostolischen tijd aantreffen, boven bl. 6.
-Immers lezen wij, dat de geloovigen niet alleen in den tempel, maar ook
-κατ’ οἰκον (niet: van huis tot huis, maar: te huis, in verschillende
-huizen) vergaderden, Hd. 2:46, 5:42, o. a. in het huis van Maria en
-van Jacobus, Hd. 12:12, 17. Opdat alles eerlijk en met orde geschieden
-zou, was er voor deze vergaderingen allerlei regeling van noode;
-en misschien heeft daarbij het voorbeeld der joodsche synagogen met
-hare oudsten, beambten en dienaren en ook met haar Schriftlectuur,
-prediking, gebed en zegen eenigen, hoewel zeker niet zeer sterken
-invloed gehad, Schürer, Gesch. des jüd. Volkes im Zeitalter J. Chr.
-3{te} Aufl. II 437-459. Op zulk eene regeling wijst reeds de benaming
-van οἱ νεωτεροι, die in Hd. 5:6, 10 voorkomt; het artikel duidt aan,
-dat de jongere leden der gemeente, evenals de הַזָּגִים, ὑπηρεται,
-Luk. 4:20 in de synagogen, de vanzelf aangewezenen waren, om eenige
-ondergeschikte diensten te verrichten. Niet onwaarschijnlijk is, dat
-zij als zoodanig tegen de oudere leden der gemeente, οἱ πρεσβυτεροι,
-overstonden. Onder Israel waren de ouden van dagen om hun grijsheid
-en wijsheid geëerd. Uit hun midden werden de regeeringspersonen der
-burgerlijke gemeente en in later tijd ook de verzorgers en opzieners
-der synagogen benoemd. Zoo waren er ook van huis uit oudsten in de
-christelijke gemeente, dat is mannen en vrouwen, die niet alleen ouder
-waren in leeftijd, maar die Jezus persoonlijk hadden gekend of ontmoet,
-die zijne woorden hadden gehoord en van zijne wonderen getuigen waren
-geweest, die reeds vóór den pinksterdag Hem als den Messias hadden
-beleden of misschien wel tot de zeventigen hadden behoord, door Jezus
-uitgezonden naar de steden en vlekken van Palestina, Luk. 10:1, en die
-om dit alles gansch natuurlijk in hooge achting stonden bij hen, welke
-later tot de gemeenten werden toegedaan. Zij bekleedden geen ambt maar
-namen toch door hunne kennis en godzaligheid eene aanzienlijke plaats in
-de gemeente van Christus in. Tusschen πρεσβυτεροι en ἐπιστοποι dient
-daarom onderscheiden te worden. Bewijzen daarvoor zijn: 1º dat de naam
-πρεσβυτερος, ter aanduiding van het opzienersambt, langzamerhand door
-dien van ἐπισκοπος nader omschreven en vervangen wordt, Hd. 20:28,
-Phil. 1:1, 1 Tim. 3:2, Tit. 1:7, 1 Petr. 2:25; 2º dat Paulus, na in
-1 Tim. 3 over de ambten gesproken te hebben, toch nog in 1 Tim. 5 de
-houding aanwijst, welke Timotheus tegenover verschillende gemeenteleden,
-ouderen en jongeren, mannen en vrouwen, heeft aan te nemen, cf. 1 Petr.
-5:5; 3º dat de apostolische vaders, Clemens, 1 Cor. 1, 3. 3, 3. 21, 6.
-47, 6. 57, 1. 63, 3, 4 en Hermas, Vis. II 4. III 1 duidelijk spreken
-van een stand van oudsten, die naast de eigenlijke ambtsdragers in de
-gemeente voortbestaat en op eerbiedige gehoorzaamheid aanspraak heeft;
-en dat 4º de bekende tekst, 1 Tim. 5:17, zonder deze onderscheiding
-aan te nemen, gelijk straks blijken zal, geen goeden zin oplevert.
-Waarschijnlijk hebben wij het ons dus zoo voor te stellen, dat de twaalf
-apostelen het werk in de groote gemeente te Jeruzalem lang niet konden
-afdoen, en daarom al spoedig, evenals van de νεωτεροι voor lagere
-diensten, zoo van sommigen der πρεσβυτεροι voor hoogere diensten in de
-gemeente gebruik maakten. Wanneer en hoe dit geschied is, wordt ons
-in de Handelingen niet bericht. Het eerst vinden wij de πρεσβυτεροι
-vermeld Hd. 11:30, 14:23, 15:2, 6, 22, 16:4, 20:17, 28, 21:18, Jak.
-5:14, zonder dat van hun oorsprong iets wordt verhaald. Het is niet
-onmogelijk, dat zulk een in dienst nemen van de πρεσβυτεροι door de
-apostelen reeds vóór Hd. 6, d. i. vóór de instelling van het diakonale
-ambt heeft plaats gehad; οἱ νεωτεροι in Hand. 5:6, 10 wijst op eene
-onderscheiding van οἱ πρεσβυτεροι. Maar in elk geval leert ons het
-boek der Handelingen, dat er weldra in verschillende gemeenten onder
-leiding des H. Geestes mannen werden aangesteld, die opzicht moesten
-houden over de gemeente, en die eerst wel, omdat zij in den regel uit
-de oudsten gekozen werden, den naam van οἱ πρεσβυτεροι droegen maar
-later met het oog op hun werkkring dien van ἐπισκοποι kregen. Episcopi
-zijn dus zulke presbyteri, die voor een bepaalden dienst in de gemeente
-werden aangewezen; alle episcopi zijn dus presbyteri, maar lang niet
-alle presbyteri waren episcopi; presbyteri vormden een stand, episcopi
-droegen een ambt. Wanneer echter, gelijk eerst menigmaal geschiedde,
-de episcopi presbyteri genoemd werden, dan was er in den naam geen
-verschil; presbyteri en episcopi waren dan dezelfde personen en dragers
-van eenzelfde ambt, Hd. 20:17, 28, 1 Tim. 3:1, 4:14, 5:17, 19, Tit.
-1:5, 7, 1 Petr. 5:1, 2. Dit presbyterale of episcopale ambt werd eerst
-in Jeruzalem en in de gemeenten uit de Joden, Hebr. 13:7, 17, 24,
-Jak. 5:14, maar dan ook in die uit de Heidenen ingesteld. Volgens Hd.
-14:23 wezen Paulus en Barnabas in iedere gemeente ouderlingen aan.
-Nu wordt er in de brieven aan Rome en Corinthe door Paulus wel niet
-met zooveel woorden van dit ambt melding gemaakt. Maar verschillende
-plaatsen, Hd. 20:17, 28, Rom. 12:8, 16:5, 10, 11, 14, 15, 1 Cor. 14-16,
-16:15, 16, Phil. 1:1, 1 Thess. 5:12-14, 1 Tim. 3:1-7, Tit. 1:5-9, 1
-Petr. 5:1, Op. 4:4, 10, 5:6, 8v. bewijzen, dat het ouderlingenambt eene
-bekende, algemeen voorkomende, apostolische instelling was. En ter
-versterking komt daarbij het getuigenis van Clemens Romanus, 1 Cor. 42,
-dat de apostelen, predikende op het land en in de steden, de eerste
-bekeerlingen aanstelden tot opzieners en diakenen over degenen, die
-daarna geloovig zouden worden.
-
-De taak, die aan deze ouderlingen was opgedragen, wordt duidelijk
-uit de omschrijving van hun ambt. De naam van presbyters verspreidt
-daarover geen licht, en maakt daarom voor andere, vooral voor dien
-van opzieners plaats, Hd. 20:28, Phil. 1:1, 1 Tim. 3:2, Tit. 1:7,
-evenals ook Christus zelf, 1 Petr. 2:25, dien naam draagt. En voorts
-heeten zij προισταμενοι, Rom. 12:8, 1 Thess. 5:12, κυβερνησεις, 1 Cor.
-12:28, ἡγουμενοι, Hebr. 13:7, 17, 24, ποιμενες, Ef. 4:11, die niet
-om vuil gewin noch met heerschappij doch met een volvaardig gemoed
-voor de gemeente hebben zorg te dragen, haar als de kudde des Heeren
-hebben te regeeren, en daarom aan verschillende vereischten moeten
-voldoen, bepaaldelijk ook aan den eisch, dat zij hun eigen huis wel
-regeeren, Hd. 20:28, 1 Tim. 3:1-7, Tit. 1:5-9, 1 Petr. 5:1-3. Uit deze
-omschrijving blijkt, dat het ouderlingenambt in de eerste plaats met het
-opzicht, de regeering en de leiding der gemeente was belast. Natuurlijk
-was daarvoor ook eenige kennis van de waarheid noodig; volgens Hd.
-15:4, 22, 23 moesten zij zelfs op de vergadering te Jeruzalem met de
-apostelen mede oordeelen en beslissen over het gewichtige vraagstuk,
-dat door de bekeering der Heidenen aan de orde werd gesteld inzake
-de verhouding tot de Mozaische wet. Maar het opzienersambt was toch
-oorspronkelijk geen leer-, doch een regeerambt. Trouwens was aan een
-afzonderlijk leerambt in den eersten tijd nog geen dringende behoefte.
-Apostelen, evangelisten en profeten traden eerst als leeraars op,
-Hand. 13:1, 1 Cor. 14:3, 1 Tim. 2:7, 2 Tim. 1:11, en voorts werd het
-charisma der leer aan velen geschonken, die geen ambt bekleedden in
-de gemeente van Christus, Rom. 12:7, 1 Cor. 12:8, 28, 29, 14:26.
-De διδασκαλια was eerst vrij, evenals het in de synagoge iedereen
-geoorloofd was, om een gedeelte der Schrift toe te lichten, Luk. 4:16.
-Maar langzamerhand werd zij met het episcopale ambt in nauwer betrekking
-gebracht. Toen de gemeenten zich uitbreidden, kon in de behoefte aan
-woord en sacrament door apostelen, evangelisten en profeten niet meer
-worden voorzien; er was een plaatselijk en blijvend ambt van noode,
-dat met de zorg daarvoor was belast. Ook ging het op den duur niet
-aan, om de didaskalie geheel en al vrij te laten, want deze vrijheid
-gaf tot allerlei misbruiken aanleiding. Zoo drong alles er toe, om de
-didaskalie aan het opzienersambt op te dragen en alzoo eene blijvende
-plaats in de gemeente te verzekeren. Uit Hebr. 13:7 vernemen wij, dat
-ἡγουμενοι tevens de verkondigers van het woord Gods zijn. Als Paulus
-Ef. 4:11 zegt, dat Christus sommigen tot apostelen en sommigen tot
-evangelisten en dan voorts ook sommigen tot herders en leeraars gegeven
-heeft, dan leert hij daarmede duidelijk, dat deze beide laatstgenoemde
-personen geen wezenlijk onderscheiden ambt bekleeden maar werkzaamheden
-in de gemeente verrichten, die nauw verbonden zijn en toch onderling
-verschillen. Waarschijnlijk waren in den eersten tijd meer dan één of
-zelfs alle ouderlingen tot bediening van woord en sacrament bevoegd.
-Doch ook daarin moest spoedig verandering komen. Wel bleef de eisch
-voor alle opzieners, dat zij διδακτικοι, bekwaam om te leeren moesten
-zijn, 1 Tim. 2:2. Maar vooral twee omstandigheden bewerkten, dat er
-onder de opzieners onderscheid kwam tusschen hen, die alleen met
-de regeering, en anderen, die ook met de leer waren belast. In de
-eerste plaats werden de eischen hoe langer hoe zwaarder voor hen,
-die het woord der waarheid in de gemeente hadden te verkondigen; de
-apostelen en evangelisten stierven weg; de buitengewone gaven hielden
-op; allerlei dwalingen en ketterijen doken in en buiten de gemeente
-op; de bekwaamheid om te leeren bestond niet alleen in onderwijzing en
-vermaning, maar ook in wederlegging van de tegensprekers, 2 Tim. 3:16,
-Tit. 1:9; opleiding, voorbereiding, studie werd voor de uitoefening
-van dit ambt in de gemeente noodzakelijk. Trouwens, de Joodsche
-Schriftgeleerden hadden reeds hunne scholen; Jezus had zelf zijne
-discipelen opgeleid en tot hun dienst bekwaamd; Paulus had Timotheus
-onderwezen en droeg hem op, om deze leer als een kostelijk kleinood
-over te dragen aan betrouwbare menschen, die op hunne beurt weder
-bekwaam zouden zijn om anderen te leeren, 2 Tim. 2:2. En daarbij kwam
-nu in de tweede plaats nog het voorschrift van Jezus, dat de arbeider
-in den dienst des woords zijn loon waardig is, Mt. 10:10, Luk. 10:7;
-een voorschrift, dat in de christelijke gemeenten algemeen erkend en
-opgevolgd werd, Rom. 15:27, 1 Cor. 9:6, 11, 14, 2 Cor. 11:7-9, Gal.
-6:6, 1 Thess. 2:6, 1 Tim. 5:17, 18, 2 Tim. 2:6. Wel had dit allereerst
-op de apostelen en evangelisten betrekking, maar het gold toch verder
-ook van hen, die arbeidden in het woord en de leer en daaraan hun
-leven wijdden. Noodzakelijkheid van opleiding en voorziening in het
-levensonderhoud waren oorzaak, dat de dienst des woords niet aan alle
-maar slechts aan enkele opzieners werd opgedragen. De beroemde plaats,
-1 Tim. 5:17, 18 verheft dit boven allen twijfel. De πρεσβυτεροι aldaar,
-cf. vers 1 zijn geen opzieners, want dan zou Paulus eene tegenstelling
-maken tusschen zulke opzieners, die slecht en anderen, die goed
-regeeren en de eersten nog eenige eer doch de laatsten eene dubbele
-eer waardig achten. Maar πρεσβυτεροι zijn oudere leden der gemeente
-in het algemeen, die als zoodanig aanspraak hebben op eer. Van hen
-onderscheidt Paulus de καλως προεστωτες πρεσβυτεροι, zulke oudsten, die
-tegelijk goed regeeren, die προισταμενοι, Rom. 12:8, 1 Thess. 5:12, zijn,
-d. w. z. die het ambt van opzieners bekleeden; en dezen zijn nu, omdat
-zij tot de oudere leden der gemeente behooren en tevens opzieners zijn,
-eene dubbele eer waardig. En van hen worden dan nog weer onderscheiden
-οἱ κοπιωντες ἐν λογῳ και διδασκαλιᾳ, die opzieners, die bepaald
-arbeiden in het woord en de leer en daarvoor naar de Schrift aanspraak
-hebben op loon. Zoo is er dus naar deze plaats duidelijk onderscheid
-tusschen opzieners, aan wie alleen de regeering, en andere, aan wie
-tevens de leer en in het gevolg daarvan ook de bediening van het
-sacrament is opgedragen. En nog binnen de grenzen van het N. T. treffen
-wij dan in de Klein-Aziatische gemeenten dezen toestand aan, dat onder
-de opzieners slechts één enkele met den dienst des woords is belast; hij
-is de ἀγγελος, de gezant, die van Christus’ wege de gemeente te leeren
-en te leiden heeft en voor haar geestelijken en zedelijken toestand
-verantwoordelijk is, Op. 1:20v.
-
-Naast dit ambt van opziener, onderscheiden in dat van regeer- en
-leer-ouderling, werd spoedig een tweede ingesteld. In Jeruzalem n.l.
-was er volgens Hd. 6 spoedig ontevredenheid bij de uit de Grieksche
-proselieten bekeerde Christenen, dat hunne weduwen bij de toen reeds
-geoefende private weldadigheid door de uit de Joden toegebrachte
-Christenen achteruitgezet en verwaarloosd werden. De apostelen riepen
-daarop de gansche gemeente saam, en verklaarden daar, dat zij het
-niet goed vonden, om met vermindering van den arbeid in het woord
-zelven zich aan de zorg voor de armen te wijden. De gemeente moest dus
-uitzien naar zeven mannen en dezen verkiezen, en de apostelen zouden
-hen dan tot dezen dienst der barmhartigheid aanstellen en na gebed
-hun de handen opleggen. Duidelijk blijkt hieruit, dat de apostelen,
-ofschoon zij het aantal en de vereischten der διακονοι aangeven, het
-recht en de bevoegdheid tot het kiezen dezer mannen aan de gemeente
-toekennen. De apostelen zelven werden wel uitdrukkelijk door Christus
-aangesteld; maar Matthias werd toch reeds uit een tweetal, dat door
-de 120 vergaderde geloovigen opgemaakt was, door het lot als twaalfde
-apostel aangewezen. Volgens Hd. 13:1-3 werden Paulus en Barnabas
-door de in de gemeente te Antiochië aanwezige profeten en leeraars
-afgezonderd tot het evangelistenwerk. Timotheus werd tot dezen zelfden
-dienst verkozen door profetische aanwijzing, in het bijzijn van vele
-getuigen en met handoplegging door Paulus en het presbyterium, 1 Tim.
-1:18, 4:14, 6:12, 2 Tim. 1:6, 2:2. In 2 Cor. 8:19 cf. vs. 23 is sprake
-van een evangelist, die door de gemeenten benoemd is. De profeten
-en leeraars werden natuurlijk niet door de gemeenten gekozen, wijl zij
-vrij optraden, en meer een gave hadden dan een ambt; maar zij werden
-gansch anders dan de apostelen door de gemeenten beoordeeld en waren
-haar onderworpen, 1 Cor. 2:15, 12:10, 14:29, 1 Thess. 5:19-21, 1 Joh.
-2:20, 27, Op. 2:2, 6, 14, 15, 20, 3:1v. De onderstelling is daarom
-niet gewaagd, dat de verkiezing der opzieners, nog veel minder dan
-die van de evangelisten, buiten de gemeente is omgegaan. De woorden
-in Hd. 14:23, χειροτονησαντες δε αὐτοις κατ’ ἐκκλησιαν πρεσβυτερους,
-zeggen alleen, dat de apostelen sommige personen in iedere gemeente
-tot ouderlingen aanstelden, maar wijzen niet aan, hoe zij dit deden; en
-Tit. 1:5 cf. 2 Tim. 2:2 verspreidt daarover ook geen licht. Maar uit
-na-apostolische geschriften weten wij, dat bij de keuze van een episcopus
-de gemeente rechtstreeks of zijdelings gekend werd, Did. 15. Clemens, 1
-Cor. 44. Polycarpus, Phil. 11. cf. Ign. Philad. 10. Const. Apost. VIII
-4. En van de diakenen bericht ons het N. T. in Hd. 6 zeer duidelijk,
-dat zij door de gemeente werden aangewezen. Er is echter groot verschil
-over den aard van het ambt, dat hier door de apostelen ingesteld werd.
-Sommigen meenen, dat het een buitengewoon ambt was, hetwelk spoedig
-ophield te bestaan; anderen oordeelen, dat het het latere ouderlingen-
-en diakenambt in zich sloot, en nog anderen houden het er voor, dat
-in Hd. 6 de instelling van het presbyterambt wordt verhaald. Al deze
-meeningen zijn daarop gegrond, dat sommigen van de in Hd. 6 verkozenen,
-zooals Philippus, ook optreden als predikers van het evangelie, Hd.
-8:5, 26v., 21:8, en dat de presbyters in Jeruzalem ook gaven van de
-gemeente te Antiochië in ontvangst nemen ten dienste der broederen in
-Judea, Hd. 11:30. Dit laatste bewijs heeft echter weinig kracht; in Hd.
-11:30 is er sprake van een geheel exceptioneel geval, n.l. niet van
-het uitdeelen der naturalia, welke door de gemeente te Jeruzalem zelve
-voor hare armen op de tafelen werden neergelegd, maar van het overmaken
-van gelden, die in Antiochië bij eene bijzondere gelegenheid voor de
-broederen in Judea bijeengebracht en nu door de hand van Barnabas en
-Saulus aan de presbyters overgereikt werden. Maar blijkens Gal. 2:1 is
-er van deze reis niets gekomen; wij weten dus niet, hoe en waar die
-gelden zijn overgemaakt, noch ook door wie zij feitelijk in ontvangst
-genomen en uitgedeeld zijn. En wat Philippus betreft, hij was in
-Jeruzalem een van de zeven, maar trad, nadat de vervolging uitgebroken
-en de gemeente verstrooid was, in Samaria en elders op als evangelist
-en is dat gebleven; hij keerde later niet naar Jeruzalem terug maar
-vestigde zich in Cesarea, Hd. 21:8. Daarentegen pleit alles ervoor, dat
-wij in Hd. 6 de instelling hebben van het later zoogenoemde diakonaat.
-Ten eerste komt de naam in aanmerking; διακονια duidt in het N. T.
-alle ambt en gave aan, welke, door den Heere geschonken, in den dienst
-en ten nutte der gemeente aangewend wordt; ieder lid der gemeente is
-een δουλος van Christus en met al wat hij is en heeft een διακονος
-der broederen; er zijn daarom onderscheidene διακονιαι, 1 Cor. 12:5,
-vooral bediening des woords, Hd. 6:4, 20:24, 1 Tim. 1:12, en bediening
-der barmhartigheid aan armen, kranken, vreemden enz., Rom. 12:7, 1
-Cor. 12:28, 1 Petr. 4:11. Zonder twijfel was er nu in de gemeente te
-Jeruzalem van het begin af, zulk een dienst der barmhartigheid; er was
-eene διακονια καθημερινη, Hd. 6:1, die misschien wel onder toezicht der
-apostelen stond maar toch aan private personen overgelaten was. Maar de
-apostelen brachten hier regel in door de instelling van een bijzonder
-ambt. Er moet nu eene reden zijn, waarom het latere diakonaat juist
-bijzonder met den naam van διακονια werd aangeduid. Die reden is nergens
-anders te vinden dan in Hd. 6. Daar wordt verklaard, dat de dienst der
-barmhartigheid in bijzonderen zin eene διακονια is, wijl zij is een dienst
-der tafelen, διακονειν τραπεζαις. Ten tweede wordt aan de zeven mannen
-juist datgene opgedragen, wat elders in het N. Test. meer bepaald met
-den naam van διακονια wordt aangeduid. Immers bij de διακονια in Hd.
-11:29, Rom. 12:7, 1 Cor. 12:5, 2 Cor. 8:4, 9:1, 12, 13, Op. 2:19 en
-voorts overal, waar van het ambt van diakenen en diakonessen sprake
-is, hebben wij speciaal aan den dienst der barmhartigheid te denken. En
-deze wordt in Hd. 6 aan de zeven mannen toevertrouwd. Zij moeten zorgen,
-dat de weduwen van de Grieksche Christenen niet langer overgeslagen
-worden, en worden daartoe in het algemeen met den dienst der tafelen
-belast. Onder deze tafelen zijn niet de tafels in de huizen der weduwen
-noch ook de wisseltafels der bankiers, Mt. 21:12, maar eenvoudig de
-tafelen des Heeren te verstaan. In elke vergaderplaats der gemeente
-was er een of waren er meer tafels, waaraan men aanzat, om saam als
-leden der gemeente het liefdemaal, ἀγαπη, en des Heeren avondmaal te
-gebruiken. Op die tafels legden de rijkere leden der gemeente hunne
-gaven neder, meest bestaande in naturalia, opdat de armere leden
-daarvan mede genieten en later nog bediend zouden worden. Die tafels
-waren tafels des Heeren; wat er op neergelegd werd, behoorde den Heere
-toe; wat men aan die tafels gebruikte, was des Heeren spijze en drank;
-en wat ervan overbleef en uitgedeeld werd, was des Heeren gave. De
-zeven mannen in Jeruzalem werden nu aangewezen, om die tafelen te
-dienen, d. i. om bij de maaltijden behulpzaam te zijn en voorts de gaven
-des Heeren eerlijk onder de heiligen naar hunne behoeften te verdeelen.
-Ten derde wordt de stelling, dat Hd. 6 den oorsprong van het diakonaat
-verhaalt, daardoor gesteund, dat de eischen, eraan gesteld, zoo hoog
-zijn en in dit opzicht met die in 1 Tim. 3:8-10, 12 overeenkomen. Waarom
-er juist zeven mannen in Jeruzalem verkozen werden, weten wij niet;
-misschien wel, omdat de groote gemeente in zeven vergaderplaatsen
-samenkwam en in elk van deze een diaken noodig had. Maar in elk geval
-moesten het mannen zijn, die in de gemeente de getuigenis hadden, dat
-zij πληρεις πνευματος και σοφιας waren; en daarom moest de gemeente
-er eerst onderzoekend en kiezend naar uitzien. Zoo wil ook Paulus,
-dat de diakenen eerst beproefd worden en aan de vele eischen voldoen,
-welke met die voor de opzieners grootendeels overeenkomen. Hatch en
-Sohm gaan te ver, als zij hieruit afleiden, dat de vereischten voor
-presbyter en diaken nauwelijks te onderscheiden zijn. Want terwijl bijv.
-voor den ouderling op het διδακτικον εἰναι nadruk valt, wordt van
-den diaken zuiverheid des gewetens in betrekking tot den inhoud des
-geloofs geeischt, 1 Tim. 3:9. Maar overigens zijn de godsdienstige en
-zedelijke eischen voor ouderling en diaken vrijwel gelijk. Presbyteraat en
-diakonaat staan blijkens Hd. 6 en 1 Tim. 3 in nauw verband. Ten vierde
-is er weinig grond voor de bewering, dat het diakonaat eerst later
-ongeveer gelijktijdig met het bisschoppelijk ambt is opgekomen. Uit de
-διακονια, Rom. 12:7 en de ἀντιληψεις, 1 Cor. 12:28 moge weinig af te
-leiden zijn. Maar alles pleit er voor, dat met het presbyteraat ook het
-diakonaat door de apostelen van de Jeruzalemsche gemeente in andere
-gemeenten is overgeplant. Evenals aan ouderlingen, moest er toch elders
-ook spoedig voor den dienst der tafelen aan diakenen behoefte rijzen.
-In Phil. 1:1 worden zij dan ook terloops als iets heel gewoons naast en
-na de ouderlingen genoemd; in 1 Tim. 3 somt Paulus hunne vereischten
-op, en in Rom. 16:1, 2, 1 Tim. 3:11, 5:9, 10 is er van diakonessen
-sprake. Het apostolaat moge dus als buitengewoon ambt aan de kerk
-als vergadering der geloovigen voorafgaan; de ambten van leeraar,
-ouderling en diaken onderstellen de gemeente, die het recht heeft, de
-dragers ervan aan te wijzen en te verkiezen. Cf. over de organisatie
-der kerk in de dagen des N. T. Rothe, Die Anfänge der christl. Kirche
-1837. Lechler, Die neut. Lehre vom h. Amte 1857. Neander, Gesch. der
-Pflanzung u. Leitung d. christl. Kirche durch die Apostel⁵, Gotha
-1862. Hatch, Die Gesellschaftsverfassung d. chr. Kirche im Alt. Aus
-d. Engl. von A. Harnack, Giessen 1883. Harnack, Lehre der 12 Apostel,
-Texte und Unters. II 1. 2. 1884. Sohm, Kirchenrecht, Leipzig 1892.
-Loening, Die Gemeindeverfassung des Urchrist. Halle 1888. Loofs, Die
-urchr. Gemeindeverfassung mit spez. Bez. auf Loening u. Harnack, Stud.
-u. Krit. 1890 S. 619. Weiszäcker, Das apost. Zeitalter d. chr. K².
-1890. Lechler, Das apost. und nachapost. Zeitalter³ 1885. Zöckler,
-Diakonen und Evangelisten, München 1893. Moeller-v. Schubert, Lehrb.
-d. Kirchengesch. I² 1897 S. 88. Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. 13{te}
-Aufl. 1899 § 31.
-
-
-4. Deze aristocratisch-presbyterale kerkinrichting is niet lang blijven
-bestaan maar spoedig in eene monarchisch-episcopale overgegaan. Hoe
-dat toegegaan is, weten wij niet; voor gissingen en onderstellingen
-is hier dus een ruim veld, cf. Karl Sell, Forschungen der Gegenwart
-über Begriff und Entstehung der Kirche, Zeits. f. Theol. u. Kirche
-v. Gottschick, 1894 S. 347-417. Maar zeker hebben verschillende
-omstandigheden de kerk in deze richting gestuurd. Ten eerste lag
-het voor de hand, dat de kerken in den aanvang nog niet streng
-onderscheiden konden tusschen de buitengewone (apostelen, evangelisten,
-profeten) en de gewone (episcopi, diaconi) ambten. De op een charisma
-berustende ambten van apostel (in den ruimeren zin van evangelist),
-profeet en leeraar duurden, ook nadat de twaalf apostelen en Paulus
-gestorven waren, in de gemeenten nog voort, Did. 11 sq. Hermas, Mand.
-11. Euseb. H. E. III 37. Maar toen deze ophielden en hoe langer hoe
-meer ontaardden, zoodat tusschen ware en valsche steeds moeilijker te
-onderscheiden viel, toen werd de evangeliseerende, profetische en
-didaskalische werkzaamheid aan het ambt van de episcopi gebonden;
-_zij_ werden de ware evangelisten, profeten en leeraars, Did. 15.
-Gelijk altijd, zoo werd ook toen allengs de stroom van het vrije leven
-in de bedding eener vaste organisatie geleid. Ten tweede leeren ons
-de toestanden, die volgens het N. T. en de apostolische vaders in de
-gemeenten bestonden, duidelijk, dat de eerste Christenen lang niet in
-staat waren, om de waarheid van het evangelie in al haar rijkdom en
-zuiverheid in zich op te nemen. Vooral de denkbeelden van Paulus werden
-met allerlei vreemde, joodsche en heidensche bestanddeelen vermengd.
-De rechtvaardiging uit het geloof werd nergens zuiver geleerd. Het
-geloof aan Gods openbaring in Christus behield slechts beteekenis als
-motief voor een zedelijk, dikwijls reeds ascetisch gekleurd, leven;
-het evangelie werd een nieuwe wet, welker onderhouding het eeuwige
-leven, de ἀφθαρσια, schonk. Heel deze moreele, wettische richting
-kwam aan de verheffing van het ambt als orgaan van de Goddelijke
-openbaring ten goede, stempelde gehoorzaamheid en onderwerping aan de
-kerkelijke overheid (μαθετε ὑποτασσεσθαι, Clem. 1 Cor. 57) tot eersten
-Christenplicht, en haeresie en schisma tot de schrikkelijkste van alle
-zonden. Ten derde maakte het optreden van allerlei haeretische en
-sectarische richtingen organisatie en consolidatie der christelijke
-gemeenten dringend noodzakelijk. De vraag naar de ware kerk kreeg
-practisch belang. En het antwoord daarop luidde: de ware kerk is
-die, welke zich aan het geheel houdt, aan de catholica ecclesia, en
-deze is, waar de bisschop is, Ign. Smyrn. 8. Deze verandering in
-de regeering kwam niet in alle kerken tegelijk tot stand. De Didache
-kent ze nog niet; zij spreekt niet van presbyteri, maar alleen van
-episcopi en diaconi, die den Heere waardige mannen moeten zijn en
-den dienst der profeten en leeraars vervullen moeten, c. 15. Hermas
-noemt apostelen, episcopi, leeraars en diakenen naast elkaar, zonder
-van presbyteri gewag te maken, Vis. III 5, maar schijnt aan het hoofd
-van elke gemeente een college te onderstellen, dat uit presbyteri
-saamgesteld is, II 4, en maakt dus nog geen ambtelijk onderscheid
-tusschen presbyteri en episcopi. Omstreeks den tijd, waarin de Pastor
-van Hermas geschreven werd, dat is in elk geval in de eerste helft der
-tweede eeuw, bestond het monarchisch episcopaat dus in Rome nog niet.
-Het is trouwens ook niet in Rome, gelijk Sohm S. 157-179 beweert, en
-ook niet in het Westen maar in het Oosten ontstaan. De eerste brief
-van Clemens, aan het einde der eerste eeuw uit Rome geschreven, zegt
-wel, dat de apostelen de eerstbekeerden tot episcopi en diaconi hebben
-aangesteld en dat het zonde is hen te ontslaan, wanneer zij hun dienst
-op onberispelijke wijze vervullen, maar kent het onderscheid van episcopi
-en presbyteri nog niet en gebruikt beide namen dooreen, c. 42. 44. 47.
-Daarentegen heeft het monarchisch episcopaat zich in het Oosten zeer
-spoedig ontwikkeld; de brieven van Ignatius, bisschop van Antiochië,
-onder Trajanus ongeveer 110-115 als martelaar te Rome gestorven, zijn
-daarvoor een onwraakbaar getuige, en zouden dat zelfs in geval van
-onechtheid blijven, wijl zij dan toch niet jonger kunnen zijn dan de jaren
-130-140. Ignatius spreekt herhaaldelijk, tot 13 malen toe, van episcopi,
-presbyteri en diakenen als van drie onderscheidene ambtsdragers; hij
-ziet in den episcopus een gezondene van Christus, Ef. 6, eene χαρις
-θεου, Magn. 2, eene gelijkenis van God of van Christus, Magn. 7. Trall.
-2. 3. Smyrn. 8; en dringt er onophoudelijk in het belang van de eenheid
-der kerk op aan, dat de leden der gemeente zich naar Gods gebod met den
-bisschop vereenigen, niets kerkelijks buiten hem doen, en alle ketterij
-en scheuring ten strengste vermijden. Toch staat de bisschoppelijke
-idee bij Ignatius nog maar aan het begin van hare ontwikkeling; de
-bisschop is geen drager der traditie, geen priester des N. Testaments,
-geen opvolger der apostelen, hij wordt altijd omgeven door den raad van
-presbyters en diakenen, gelijk Christus door zijne apostelen, hij draagt
-een ambt in eene plaatselijke kerk en heeft daarbuiten geen gezag. In de
-gemeenten van Klein-Azië stonden in Paulus’ dagen, Hd. 14:23, 20:17,
-Phil. 1:1, Tit. 1:5 en ook later nog, Clemens, 1 Cor. 42, 4. 44, 2.
-4. 6 niet een maar onderscheidene episcopi aan het hoofd. Volgens 1
-Tim. 4:14 vormden zij samen reeds een college, een presbyterium. En
-een onder hen trad volgens Op. 1:20v. zoo op den voorgrond, dat hij
-als ἀγγελος aangeduid en als vertegenwoordiger der gansche gemeente
-beschouwd kon worden. Waarschijnlijk sloot de ontwikkeling van het
-monarchisch episcopaat zich daarbij aan. De presbyter, die met de
-leiding van de vergaderingen en misschien ook in onderscheiding van
-alle ambtgenooten alleen met den dienst des woords was belast, werd
-allengs als drager van een bijzonder ambt beschouwd. Hij alleen was
-episcopus, terwijl alle anderen slechts presbyters waren. Op deze wijze
-zou ook te verklaren zijn, dat Ignatius het monarchisch episcopaat reeds
-als lang bestaande onderstelt, dat Clemens Alexandrinus bij Eusebius,
-Hist. eccl. III 23, 6 van Johannes spreekt als ὁπου μεν ἐπισκοπους
-καταστησων, en dat dit episcopaat al spoedig, omstreeks het midden der
-tweede eeuw, overal ingevoerd was. Indien men daarin niet gemeend had
-te steunen op eene apostolische traditie, zou de snelle verbreiding
-schier onverklaarbaar zijn. Het nieuwe, dat bij Ignatius ons tegemoet
-treedt, bestaat dan daarin, dat hij den naam episcopus uitsluitend
-bezigt voor hem, die eerst slechts primus inter pares was, dat hij dezen
-episcopus wel nog altijd in verband houdt met maar toch ook reeds verre
-verheft boven de presbyteri en diaconi, dat hij hem telkens vergelijkt
-met God of met Christus, en dat hij voor hem van de leden der gemeente
-eene bijna onbeperkte gehoorzaamheid eischt. In deze richting heeft de
-ontwikkeling van dat episcopaat zich voortgezet. Als in eene gemeente
-maar één bisschop mocht zijn, dan sprak het vanzelf, dat in eene
-groote gemeente, met vele kerkgebouwen, die kerk een zekeren voorrang
-verkreeg, waaraan de bisschop verbonden was; dat de van uit de steden
-gestichte landelijke gemeenten filialen werden van de moedergemeente
-en eene διοικησις (dioecesis, eerst sedert 9e eeuw; vóór dien tijd
-παροικια), van den bisschop; dat deze alleen de eigenlijke kerkelijke
-handelingen, bijv. de eucharistie, de ordening, de absolutie verrichten
-kon enz. Daarmede werd in beginsel heel de vroegere verhouding
-omgekeerd; in den apostolischen tijd waren er eerst gemeenten,
-vergaderingen van geloovigen, in welke door de apostelen episcopi
-en diaconi werden aangesteld, die met toestemming der gemeenten
-verkoren werden en aan haar oordeel onderworpen waren. Maar nu werd
-het omgekeerd; de ware kerk, leer, doop, eucharistie, gemeenschap met
-God is daar, waar de bisschop is, gelijk Ignatius telkenmale zegt en
-Irenaeus, Cyprianus e. a. na hem uitwerken. De strijd tegen de gnosis,
-welke op de overlevering zich beriep en daarmede haar recht en waarheid
-trachtte te bewijzen, maakte het daarbij noodzakelijk, om de echte,
-apostolische traditie tegenover haar te stellen. En deze vond men in
-de bisschoppen als opvolgers der apostelen en dragers der traditie.
-Zij waren door de apostelen in de gemeenten aangesteld, in regelmatige
-successie elkander opgevolgd en daarom dragers van het charisma
-veritatis certum, Iren. adv. haer. III 2, 2. 3, 1, 2. IV 26, 2, cf. 1
-Clem. 42, 2. 44, 2. Cypr. Ep. 66, 4. 75, 16. de unit. 4. Deze gansch
-nieuwe opvatting van het episcopaat als voortzetting van het apostolaat
-en van zijne onaantastbare autoriteit in de kerk werd daarin voltooid,
-dat sedert de tweede helft der tweede eeuw de onderscheiding van clerus
-en leeken ingevoerd werd. Clerus, κληρος, lot, erfdeel, eigendom,
-duidde oorspronkelijk de gemeente van Christus aan als het erfdeel of
-eigendom Gods, Deut. 4:20, 9:29, 1 Petr. 2:5, Ignat. Eph. 11, 2. Trall.
-12, 3. Phil. 5, 1. Maar langzamerhand werd het gebruik van dit woord
-beperkt, en eerst alleen toegepast op de presbyters, Tert. de monog.
-12. de exhort. cast. 7. Cypr. Ep. 15, 1, dan ook op de diakenen, Clem.
-Alex. Quis dives 42, Tert. de fuga 11. 12. Hippol. Philos. IX 12 en
-eindelijk nog op al de ordines minores (acoluthi, exercistae, lectores,
-ostiarii), die in het begin der derde eeuw opkwamen, Cypr. Ep. 29. 34,
-4. 59, 9. Al deze dienaren der kerk werden toch langzamerhand meer en
-meer van de gemeente onafhankelijk en tot beambten van den bisschop
-gemaakt en dan met dezen als clerus, als ecclesia docens gesteld
-tegenover de leeken, de ecclesia audiens, die niets meer te zeggen
-maar alleen nog te luisteren en te gehoorzamen had, cf. Cremer s. v.
-Harnack D. G. I 383 Sohm, Kirchenrecht I 157-247. Zoo ontstond het
-episcopale stelsel van kerkregeering, dat in den bisschop den wettigen
-opvolger der apostelen en den geestelijken vorst der geloovigen ziet.
-Naar dat stelsel zijn verschillende christelijke kerken ingericht, de
-Grieksche kerk en vele andere Oostersche kerken en secten, Hofmann,
-Symboliek § 44. 55. 62v.; voorts de Roomsche kerk, die echter van het
-episcopale stelsel tot het papale is voortgeschreden en daarom steeds
-door de aanhangers van het zuivere episcopale stelsel, zooals de mannen
-der reformatorische conciliën, de Gallikanen, de Jansenisten, de
-Febronianen, de Oud-katholieken bestreden werd, Conc. Trid. sess. 23 c.
-4 en can. 6. Bellarminus, de membris ecclesiae militantis, Controv. II
-2. Petavius, de eccl. hierarchia, in 5 boeken, Theol. dogm. Paris. 1870
-VIII 97-406. C. Pesch, Prael. dogm. I prop. 33. Scheeben-Atzberger,
-Dogm. IV 1 S. 480. Simar, Dogm. 624. Conc. Vatic. sess. 4 prooem.; en
-eindelijk de Anglikaansche kerk, die in den eersten tijd bij monde van
-Cranmer, Parkington, Whitgift, Usher e. a. het episcopale stelsel nog
-slechts als een geoorloofd en nuttig jus ecclesiasticum, maar later,
-vooral na de aartsbisschoppen Bancroft en Laud als een jus divinum
-verdedigde, Richard Hooker, The laws of ecclesiastical polity 1593
-etc., meermalen herdrukt, beste ed. van Keble, Oxford 1845. Joseph
-Hall, Episcopacy by divine right asserted 1640. Makower, Die
-Verfassung der Kirche von England, Berlin 1894. Art. Anglik. Kirche in
-Herzog³.
-
-Doch de Roomsche kerk is bij het episcopale stelsel niet blijven staan
-maar heeft het verder ontwikkeld tot het papale systeem. Rome was reeds
-eeuwenlang de wereldstad en nam ook terstond in de christelijke kerk
-eene gewichtige plaats in. Paulus was wel niet de stichter der gemeente
-aldaar, maar verlangde toch zeer haar te zien, en richtte aan haar zijn
-grootsten en belangrijksten brief, Rom. 1:9v., 15:22v. Later verkeerde
-hij er een tijdlang evenals Petrus, en beiden vonden er den marteldood.
-Om haar milddadigheid en hulpvaardigheid ten opzichte van andere,
-zwakke gemeenten werd ze spoedig beroemd, Ign. Rom. Euseb. H. E. IV
-23, 10. VII 5, 2. Blijkens den eersten brief van Clemens droeg zij eene
-moederlijke zorg voor de gemeente van Corinthe. Bij al de groote vragen,
-die in de tweede en derde eeuw door Gnostiek en Montanisme aan de orde
-kwamen, werd zij betrokken en legde het grootste gewicht in de schaal.
-Daar werd omstreeks het midden der tweede eeuw de eerste bisschopslijst
-vervaardigd; daar kwam de idee van de successie der bisschoppen en
-van hun apostolische waardigheid op. Roomsch en katholiek stonden van
-huis uit met elkaar in verbinding en ontwikkelden zich hand aan hand,
-Harnack, D. G. I 400 f. De gemeente der wereldstad werd het middelpunt
-der christelijke kerk. De centrale beteekenis, welke Rome had in het
-heidensch keizerrijk, werd overgedragen op de gemeente en verhief haar
-tot hoofd der gansche Christenheid. Dit principaat van de gemeente
-te Rome droeg echter in den eersten tijd nog geen kerkrechtelijk, maar
-slechts een zedelijk-godsdienstig karakter. Rome was prima inter pares;
-alle andere gemeenten stonden met haar gelijk; alle bisschoppen hadden
-met dien van Rome gelijken rang. Irenaeus zegt wel in de beroemde
-plaats, adv. haer. III 3, dat elke kerk en alle geloovigen met de kerk
-van Rome propter potiorem principalitatem overeenstemmen moeten, wijl
-in haar de apostolische traditie zuiver is bewaard, maar hij haalt de
-kerk van Rome toch bij wijze van voorbeeld aan, schrijft aan alle door
-de apostelen gestichte kerken principalitas toe, en zegt alleen, dat
-Rome eene potior principalitas bezit, wijl zij de grootste, de oudste,
-de bekendste, de door de apostelen Paulus en Petrus gestichte kerk
-is. Ook spreekt hij met geen woord van het primaat van Petrus noch ook
-van den bisschop van Rome; allen nadruk legt hij op de kerk van Rome.
-Later bestreed hij dan ook de excommunicatie, welke Victor I over de
-Klein-Aziatische Quartodecimanen had uitgesproken, met het gevolg,
-dat deze ze herroepen moest, Euseb. H. E. V 24. Deze oppositie moge
-eene zaak van tucht gegolden hebben, zij bewijst toch de vrijmoedigheid
-en zelfstandigheid van Irenaeus en anderen tegenover den bisschop van
-Rome. Evenzoo stelt Tertullianus alle door de apostelen gestichte
-kerken, Efeze, Corinthe, Philippi enz. op ééne lijn, al zegt hij ook,
-dat Carthago in Rome hare autoriteit heeft en dat de apostelen in Rome
-totam doctrinam cum sanguine suo profuderunt, de praescr. 36, cf.
-20. de virg. vel. 2; in zijne montanistische periode bestreed hij het
-edict van Calixtus over de wederopneming der gevallenen, noemde hem
-spottend pontifex maximus, episcopus episcoporum, en zag daar eene
-verregaande aanmatiging in, de pudic. 1. 13. 21. Ook Cyprianus staat
-nog op hetzelfde standpunt; alle bisschoppen zijn gelijk, zijn eene en
-dezelfde bisschoppelijke waardigheid deelachtig, zijn als het ware één
-bisschop, staan aan het hoofd der kerk en moeten onderling caritas
-animi, collegii honor, vinculum fidei et concordia sacerdotii bewaren,
-Ep. 43, 5. 49, 2. 55, 24. 73, 26. de unit. eccl. 5. Daarom kwam hij in
-den strijd over den ketterdoop tegen den bisschop van Rome, Stephanus,
-nog in verzet, Ep. 71-74; de eenheid bewarend, is ieder bisschop toch
-in zekere mate zelfstandig en alleen Gode verantwoordelijk, Ep. 72, 3.
-Maar de bovengenoemde nieuwe opvatting van bet episcopaat moest uit
-den aard der zaak aan Rome ten goede komen. Het zwaartepunt was uit
-de gemeente in den bisschop verlegd. Deze werd beschouwd als opvolger
-van de apostelen, als drager van den schat der waarheid en van de
-apostolische macht. Indien dit zoo was, welke bisschop kon dan meer
-aanspraken maken en meer rechten doen gelden dan de bisschop van Rome?
-Geen kerk stond in macht en aanzien met die van Rome gelijk; zij liet ze
-alle achter zich en streefde ze alle voorbij, de kerken van Palestina
-en Klein-Azië, straks ook die van Antiochie en Alexandrie. En de
-bisschoppen van Rome wisten van hun positie gebruik te maken en gingen
-wat eerst zedelijke invloed was allengs vindiceeren als een recht. Toch
-kwam het niet zoo spoedig tot erkenning van dit recht. Tertullianus
-ontkende nog, dat Mt. 16:18 aan den bisschop van Rome eenige macht over
-andere kerken gaf, wijl het alleen eene belofte aan Petrus behelsde,
-de pudic. 21. Cyprianus legde wel sterken nadruk op de eenheid der
-kerk en deed haar ook rusten op de identiteit der episcopale macht,
-maar zag van die macht in de cathedra Petri te Rome toch niet meer dan
-eene symbolische eenheid, de unit. 4. De Synode te Nicea stelde in
-canon 6 de bisschoppen van Rome, Alexandrie en Antiochie nog gelijk,
-kende aan de beide laatsten in hunne provinciën dezelfde ἐξουσια toe,
-als de bisschop van Rome reeds in Italie bezat, ἐπειδη και τῳ ἐν τῃ
-Ῥωμῃ ἐπισκοπῳ τουτο συνηθες ἐστιν en hield voor deze en ook nog voor
-andere kerken het haar toekomend primaat, τα πρεσβεια of τα πρωτεια
-vast. Na de ontwikkeling der bisschoppelijke macht in de derde eeuw
-volgde die van de aartsbisschoppelijke of metropolitenwaardigheid in
-de vierde eeuw; niet Rome alleen, maar vele kerken naast haar hadden
-een zekeren voorrang of primaat in hare provinciën; de bisschoppen
-werden in den loop der vierde eeuw aan de aartsbisschoppen onderworpen.
-Het Oosten bleef steeds tegen het alles overheerschend primaat van
-den bisschop van Rome zich verzetten. Naast Alexandrie en Antiochie
-steeg sedert het midden der vierde eeuw Constantinopel hoe langer hoe
-meer in kerkelijke macht. Het concilie van Constantinopel in 381 can.
-2 zegt, dat de bisschop van Alexandrie alleen in Egypte kerkelijke
-macht bezit, dat Antiochie de rechten houdt, welke volgens Nicea
-eraan toekomen en dat de bisschoppen van het Oosten alleen het Oosten
-zullen besturen. En nadat het alzoo de macht van den bisschop van
-Alexandrie tot Egypte beperkt heeft, voegt het er in can. 3 aan toe,
-τον Κονσταντινου πολεως ἐχειν τα πρεσβεια της τιμης μετα τον της Ῥωμης
-ἐπισκοπον, δια το εἰναι αὐτην νεαν Ῥωμην. Na den bisschop van Rome
-zal niet die van Alexandrie, al heeft hij ook de oudste rechten en de
-oudste brieven, maar die van Constantinopel den voorrang der eere
-hebben, niet op grond van eenig kerkelijk of geestelijk prerogatief,
-maar alleen om de politieke overweging, dat Constantinopel het nieuwe
-Rome is. Het Westen werd aan den bisschop van Rome overgelaten, maar
-het Oosten weigerde zich voor hem te buigen en kwam meer en meer
-onder de jurisdictie van Constantinopel te staan. Het concilie van
-Chalcedon 451 can. 28 erkende den voorrang, τα πρεσβεια, van het
-oudere Rome, omdat het de keizerstad was, δια το βασιλευειν την πολιν
-ἐκεινην, maar schreef gelijken voorrang, τα ἰσα πρεσβεια, toe aan den
-heiligen stoel van het nieuwe Rome. In weerwil van de protesten van
-Rome, handhaafde Constantinopel zijne rechten. De pauselijke macht van
-den bisschop van Rome berustte voor een groot deel op het politieke
-aanzien der stad; deze zelfde aanspraken kon daarom Constantinopel
-als tweede Rome laten gelden. De bisschop van Rome is daarom nooit
-herder der gansche Christenheid geweest; hij werd het hoofd alleen van
-de Westersche, Latijnsche Christenheid. En dit werd hij rechtens eerst
-in de vierde eeuw. Reeds de later door de kerk niet erkende synode
-van Sardika 343 droeg aan den bisschop van Rome de beslissing op, of,
-ingeval een bisschop door eene synode was afgezet, eene nieuwe synode
-al dan niet zou worden saamgeroepen. In het jaar 380 vaardigde keizer
-Theodosius het beroemde edict uit, waarbij hij beval, cunctos populos,
-quos clementiae nostrae regit temperamentum, in tali volumus religione
-versari, quam divinum Petrum apostolum tradidisse Romanis religio usque
-nunc ab ipso insinuata declarat. Bij de kerkvaders der vierde en vijfde
-eeuw is er geen twijfel meer over, dat zij de gemeenschap met en de
-onderwerping aan Rome noodzakelijk achten voor het wezen der kerk. Van
-de kerk te Rome gaan alle rechten der kerkelijke gemeenschap uit, inde
-enim in omnes venerandae communionis jura dimanant, Ambros. Ep. cl. 2
-ep 2. Ecclesiae salus in summi sacerdotis dignitate pendet, Hier. c.
-Lucif. 9. Bij hem berust de onvervalschte overlevering der vaderen, hij
-is lux mundi, sal terrae, aurea vasa et argentea, Hier. Ep. 15 ad Dam.
-Roomsch is de maatstaf van het katholieke; indien Rufinus zich houdt
-aan het geloof van Rome, is hij katholiek; si Romanam responderit, ergo
-catholici sumus, Hier. c. Ruf. 1, 4. Als Innocentius I de besluiten der
-synode van Carthago en Mileve tegen het pelagianisme bekrachtigd en
-Pelagius en Coelestius veroordeeld heeft, zegt Augustinus: causa finita
-est, utinam aliquando finiatur et error! Ep. 132 de script. Klaar en
-welbewust ontwikkelt dan Leo I 440-461 dit primaat van den Roomschen
-stoel in verschillende brieven en verheft het tot den rang en de waarde
-van een godsdienstig dogma, dat in Mt. 16:18 zijn schriftuurlijken grond
-bezat, cf. bij Heinrich, Dogm. Theol. II 325 f.
-
-Toen de ontwikkeling zoover was voortgeschreden, moest vanzelf de vraag
-oprijzen, waaraan de paus zoo eminente plaats en zulk een hoog gezag
-te danken had. In den oudkatholieken tijd, ook nog na de invoering van
-het monarchisch episcopaat, viel de nadruk altijd op de plaatselijke
-kerk; de kerk te Rome was door Petrus en Paulus gesticht, en had
-daarom de zuiverste traditie; alle kerken moesten, om christelijk
-en katholiek te zijn, in geloof overeenkomen met haar, Iren. adv.
-haer. III 3. De bisschop was daarom van zijne gemeente afhankelijk, hij
-werd door haar gekozen en ging in alle gewichtige zaken, vooral bij
-excommunicatie, met haar te rade. Cyprianus zegt uitdrukkelijk in zijne
-brieven aan het Carthaagsche presbyterium, dat hij niets wil doen sine
-consilio vestro et sine consensu plebis, Ep. 14, 4. 17, 1. 3. 19, 2
-enz. In moeilijke gevallen werd de raad en hulp van afgevaardigden van
-naburige gemeenten ingeroepen, Hd. 15:2, Const. Apost. c. 1, Clemens,
-1 Cor. 63. Cypr. Ep. 17, 3; de oudste kerkelijke vergaderingen waren
-gemeentevergaderingen, hoogstens door afgevaardigden van naburige
-gemeenten bijgestaan. Maar toen de bisschop als opvolger der apostelen
-beschouwd en juist hierdoor van allen onderscheiden werd, toen kon hij
-niet meer door de gemeente gekozen worden noch van haar afhankelijk
-zijn; hij moest zijn ambt van boven in den weg van successie ontvangen,
-en dus door een synode van bisschoppen of door een kapittel benoemd
-en geordend worden; hij had met de gemeente niet meer te raadplegen
-maar was souverein en bepaalde alles alleen, hoogstens na overleg met
-het uit het presbyteraat allengs zich ontwikkelend kapittel. En wat
-alzoo sedert de vierde eeuw in de plaatselijke of dioecesale kerken
-geschiedde, herhaalde zich op grooter schaal in de algemeene kerk.
-Uit het episcopaat kwam in den loop der tijden het papale stelsel
-voort, en de oude gemeentevergaderingen breidden zich tot synoden en
-conciliën uit, die eerst ook nog wel uit presbyters, diakenen, lectores
-maar dan vervolgens alleen uit bisschoppen als vertegenwoordigers
-der gemeenten waren saamgesteld. Deze synoden beschouwden zich niet
-als onfeilbaar; in de vierde eeuw doet telkens eene volgende synode
-teniet, wat de vorige vastgesteld heeft; en ook droegen zij van dien
-tijd af tot de 9e eeuw toe een staatkundig karakter, waren rijkssynoden
-en werden door den keizer saamgeroepen, officieel of officieus geleid
-en bekrachtigd. Maar de paus steeg in macht; als bisschop van Rome
-en aartsbisschop van Italie had hij reeds macht, om provinciale en
-landssynoden saam te roepen en te leiden, evenals andere bisschoppen
-dat recht elders bezaten; sedert de 12e eeuw wist hij deze provinciale
-en landssynoden, evenals de bisschop van Constantinopel dat al met zijne
-συνοδοι ἐνδημουσαι voor de Grieksche kerk had gedaan, tot oecumenische
-synoden der gansche Westersche kerk uit te breiden. De oecumenische
-conciliën der Westersche Christenheid ontwikkelden zich dus uit
-de Roomsche synoden, en werden daarom door den paus saamgeroepen,
-geleid en bekrachtigd. Wel trachtten de reformatorische conciliën
-in de 15e eeuw, onder den invloed der humanistische theorie van de
-volkssuperioriteit, zich als vergaderingen van afgevaardigden der
-gansche kerk onafhankelijk van den paus te maken en zich als onfeilbaar
-boven hem te stellen. Maar de paus wist zich te handhaven ook tegenover
-en boven de oecumenische synoden en moest daarom wel een prerogatief
-deelachtig zijn, dat aan geen anderen bisschop geschonken was. Nadat van
-de dagen van Irenaeus af reeds langen tijd overeenstemming in geloof
-met de kerk te Rome voor het wezen der christelijke kerken noodzakelijk
-werd geacht, wijl daar met de rechtmatige successie het charisma
-veritatis certum berustte, werd het allengs hoe langer hoe klaarder
-uitgesproken, dat deze indefectibilitas der kerk van Rome haar grond
-had in eene bijzondere gave, welke door den H. Geest aan den bisschop
-van Rome, als opvolger van Petrus, geschonken werd. Eerst werd daarbij
-nog de nadruk op de kerk te Rome gelegd; deze kon niet afvallen, wijl
-zij door de apostelen Petrus en Paulus was gesticht en voortdurend
-door hunne wettige opvolgers werd geleid. Zoo zegt Irenaeus van de
-presbyteri, dat zij cum episcopatus successione charisma veritatis
-certum secundum placitum Patris acceperunt, adv. haer. IV 26. Maar
-dit gaf geen waarborg genoeg, vooral toen vele kerken in weerwil van
-hare apostolische stichting met hare rechtmatig opvolgende bisschoppen
-afvielen en geheel verdwenen. Daarom werd hoe langer hoe meer de grond
-voor de indefectibilitas der kerk te Rome daarin gezocht, dat aan
-haar hoofd een bisschop stond, die als opvolger van den ook onder de
-apostelen eene gansch bijzondere plaats innemenden Petrus eene bijzondere
-gave en leiding des H. Geestes deelachtig was. Augustinus leidde de
-onwankelbaarheid van Petrus’ geloof uit de voorbede van Christus af,
-Luk. 22:32, de corr. et gr. 8. Ephraem Syrus zeide in zijne lofrede
-op Petrus, Paulus en Andreas: lucerna Christus, candelabrum est
-Petrus, oleum autem subministratio S. Spiritus. Leo de Groote sprak
-in zijn brief aan de bisschoppen der kerkelijke provincie Vienna van
-een mirabile munus gratiae, waardoor de bouw van den eeuwigen tempel
-op de vastheid van Petrus bevestigd wordt, en verklaarde elders,
-dat de stoel van Petrus tanta divinitus soliditate munita est, ut
-eam neque haeretica unquam perrumpere pravitas, nec pagana potuerit
-superare perfidia. Paus Hormisdas getuigde in zijn libellus van het
-jaar 516, dat de waarheid van de belofte van Christus aan Petrus door
-de feiten bevestigd wordt, quia in sede apostolica immaculata est
-semper catholica servata religio. Evenzoo verklaarde Paus Agatho in
-een schrijven aan de keizers van het jaar 680, dat de kerk te Rome door
-de genade Gods en de bescherming van Christus nooit van den weg der
-waarheid is afgeweken en ook krachtens de belofte des Heeren daarvan
-nooit afwijken zal. Het was dus geen nieuwigheid meer, als Gregorius VII
-in zijn Dictatus Papae uitsprak: Romana ecclesia nunquam erravit, nec
-in perpetuum Scriptura testante errabit, en Bonifacius VIII in de bul
-Unam Sanctam 1302 decreteerde: subesse Romano Pontifici omni humanae
-creaturae declaramus, definimus et pronunciamus esse de necessitate
-salutis, cf. bij Heinrich, Dogm. Theol. II 357 f. Met deze practijk en
-theorie der pausen stemden de theologen overeen. Sommigen, zooals Beda,
-Alcuinus, Paschasius, Radbertus, Damiani, Anselmus, Lombardus, Sent.
-IV dist. 24 enz. spreken nog maar in het voorbijgaan en met enkele
-woorden over het gezag van den paus; zelfs is dat nog het geval bij
-Thomas, C. Gent. IV 76. S. Theol. II 2 qu. 1 art. 10. qu. 11 art. 2.
-Sent. IV dist. 7 qu. 3 art. 1. dist. 20 qu. 1 art. 4 enz. (cf. Leitner,
-Der h. Thomas v. Aq. über das unfehlbare Lehramt des Papstes 1872) en
-Bonaventura, Breviloquium adjectis illustrationibus ex aliis operibus
-ejusdem S. Doct. depromptis opera et studio Ant. Mar. de Vicetia, Frib.
-1881 VI c. 12. Maar de verschillende pogingen, die van de 14e tot de
-16e eeuw tot reformatie der kerk werden aangewend, brachten Rome tot
-zelfbewustzijn. Het eigenlijke papalisme of curialisme trad op, sprak de
-plenitudo potestatis en de onfeilbaarheid van den paus duidelijk uit
-en ontwikkelde haar menigmaal tot in haar uiterste consequentiën toe.
-Canus, Loci theol. lib. 6. Bellarminus, de summo pontifice, in Tom. I
-zijner Controv. p. 188-255. Becanus, Manuale Controv. I c. 4. Theol.
-Wirceb. ed. 3 Paris. 1880 I 267 sq. Joseph de Maistre, Du pape 1819.
-Perrone, Prael. Theol. 1843 VIII 295-536. Heinrich, Dogm. Theol. II
-163-476. Scheeben, I 220 f. IV 397-458. Simar, Dogm. 598 f. Jansen,
-Prael. Theol. I 512-658. Ermann, De Paus, Utrecht 1899 enz. Den 18e
-Juli 1870 werd op het Vaticaansch concilie de constitutio dogmatica de
-ecclesia Christi aangenomen, en daarbij bepaald: 1º dat het primatus
-jurisdictionis in universam Dei ecclesiam onmiddellijk en rechtstreeks
-door Christus aan Petrus beloofd en opgedragen is; 2º dat dit primaat
-van Petrus in den bisschop van Rome als zijn opvolger voortduurt; 3º
-dat dit primaat van den paus bestaat in plena et suprema potestas
-jurisdictionis in universam ecclesiam, non solum in rebus, quae ad
-fidem et mores, sed etiam in iis, quae ad disciplinam et regimen
-ecclesiae per totum orbem diffusae pertinent, zoodat hij judex supremus
-fidelium is, in alle zaken, die de kerken raken, de hoogste beslissing
-heeft, boven aller oordeel verheven en aan geen concilie onderworpen
-is; 4º dat in dit primaat ook begrepen is suprema magisterii potestas,
-zoodat de paus wel geen nieuwe openbaringen ontvangt en alleen onder de
-leiding des H. Geestes de overgeleverde openbaring zuiver bewaart en
-uitlegt, maar toch dit zoo doet, dat hij, wanneer hij ex cathedra spreekt
-en als Herder en Leeraar van alle Christenen eene leer over geloof
-of zeden vaststelt, door Goddelijke ondersteuning de onfeilbaarheid
-deelachtig is, uit zichzelven en niet eerst tengevolge van de
-toestemming der kerk. Cf. Acta et decreta sacr. conc. rec. Collectio
-Lacensis VII Friburg 1890 p. 262-498.
-
-
-5. Ofschoon deze hierarchische kerkregeering in haar oorsprong veel
-ouder is, dan vroegere Protestanten geneigd waren te erkennen en
-zelfs tot den aanvang der tweede eeuw teruggaat; ofschoon zij door
-den logischen gang harer ontwikkeling en door het imposante van
-hare verschijning nooit nalaat, indruk te maken; zij is desniettemin
-in beginsel en wezen met de regeering, welke Christus aan zijne kerk
-heeft geschonken, in lijnrechten strijd. _Ten eerste_ toch wordt de
-onderscheiding van clerus en leeken, die aan deze hierarchie ten
-grondslag ligt, in het N. T. nergens geleerd en door de inrichting der
-kerk der eerste eeuw ten stelligste weersproken. Rome beroept zich
-wel, behalve op de convenientia, op het O. T. priesterschap, op de
-ambten, welke Christus in zijne kerk ingesteld heeft, en op de macht,
-welke Hij daaraan toebetrouwd heeft. Maar dit bewijst niet hetgeen
-bewezen moet worden. De Schrift maakt zeer zeker onderscheid tusschen
-herders en kudde, bouwers en tempel, planters en akkerwerk, leeraars en
-discipelen, voorgangers en volgelingen enz.; indien met de namen clerus
-en leeken geen andere dan deze onderscheiding bedoeld werd, zouden zij
-zonder schade gebruikt kunnen worden. Maar het gebruik heeft er een
-gansch anderen zin aan gehecht. Clerus is in de Roomsche kerk de naam
-geworden van eene bijzondere klasse van kerkelijke personen, die door
-tonsuur en wijding van alle anderen afgezonderd zijn, een eigen stand
-van „geestelijken” vormen, in gansch bijzonderen zin het eigendom Gods
-zijn, met eene volstrekte souvereine macht over het volk zijn toegerust,
-en voor de leeken tot noodzakelijke en onmisbare middelaars des heils
-verstrekken, Cat. Rom. II 7, 13. Zulk een stand nu kent de Schrift
-niet. Zelfs op het Oude Testament is de tegenstelling van clerus en
-leeken niet toepasselijk; het gansche volk was clerus, eigendom en
-erve des Heeren, een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk, Ex.
-19:5, 6, Deut. 7:6, 14:2, 26:18, 32:9, 1 Kon. 8:51, 53, Ps. 135:4,
-Jes. 19:25, 41:8, Jer. 12:7, 8, Joel 2:17 enz.; de priesterschap, die
-niet benoemd maar krachtens afstamming uit Aäron tot dezen dienst
-geroepen werd, was toch ten strengste aan de wet Gods gebonden,
-Lev. 10:11 en aan het oordeel der profeten onderworpen, Jes. 28:7,
-Jer. 1:18, 2:26, 6:13, Ezech. 22:26, Hos. 4:9 enz., Israel was eene
-theocratie doch geen hierarchie. Veel minder is er nog in het N. T.
-van een clerus sprake: de H. Geest is op allen uitgestort, Hd. 2:17,
-en nu zijn allen πνευματικοι, Rom. 8:14, 1 Cor. 2:15, 3:1, Gal. 5:25,
-6:1, de zalving deelachtig, 1 Joh. 2:27, een koninklijk priesterdom,
-1 Petr. 2:5, 9, eene gemeente van heiligen en geroepenen, Rom. 1:7,
-een volk en eigendom Gods, 2 Cor. 6:16, 1 Petr. 2:10, Hebr. 12:22-24.
-Nergens maakt het N. T. gewag van een bijzonder priesterambt, door de
-dienaren der kerk waar te nemen, of van eene bijzondere offerande,
-door hen te offeren; het ambt in de kerk van Christus is geen
-magisterium maar een ministerium, geen ἱεραρχια maar een ἱεροδουλεια,
-een διακονια, οἰκονομια, welke alle heerschappij over het erfdeel
-des Heeren (των κληρων, 1 Petr 5:3, d. i. de aan de presbyters ter
-verzorging toevertrouwde gemeenten) ten eenenmale buitensluit, Mt.
-20:25, 26, 1 Cor. 3:5, 4:1, 2 Cor. 4:1, 2, Ef. 4:12. Cf. Luthers leer
-over het algemeene priesterschap der geloovigen bij Köstlin, Luthers
-Theol. I 316. 376. II 538. Gerhard, Loci Theol. Loc. 23 § 37. Calvijn,
-Inst. IV 4, 9. 12, 1. Comm. op 1 Petr. 5:3. Junius, Op. II 1181.
-Amesius, Bellarminus enervatus III c. 1. Voetius, Pol. Eccl. III p. 2.
-Cappellus, Synt. thesium theol. in Acad. Salmur. III p. 272-279. M.
-Vitringa IX 1 p. 423-437. Art. Geistliche van Caspari in Herzog³.
-
-_Ten tweede_ leert desniettemin de H. Schrift zeer duidelijk, dat
-Christus in zijne gemeente niet alleen gaven uitdeelt, maar ook bepaalde
-ambten ingesteld heeft, buitengewone zooals die van apostel, profeet
-en evangelist, en gewone zooals die van ouderling en diaken. Over
-het episcopaat is daarbij het grootste verschil. Grieken, Roomschen
-(ook Gallikanen en Oudkatholieken) en Anglikanen houden dit voor een
-ambt, dat wezenlijk en jure divino van het presbyteraat onderscheiden,
-door wettige en onafgebroken successie van het apostolaat afstamt
-en bepaaldelijk de potestas magisterii, jurisdictionis en ordinis
-bezit; de bisschoppen hebben eigenlijk alleen het leerambt, de macht
-om te prediken en de sacramenten te bedienen, zij bedienen zich
-daarbij van de priesters (pastoors) als hunne vicarii, en hebben het
-uitsluitend recht der zending en ordening; patriarchen, metropolieten,
-aartsbisschoppen dragen geen ander ambt maar zijn van de bisschoppen
-alleen door eene toevallige macht, door jurisdictie over een grooter
-gebied enz. onderscheiden. Bewijzen uit de H. Schrift zijn voor
-deze onderscheiding alleen te ontleenen aan de ambten, die door
-Timotheus, Titus e. a. werden bekleed, en aan den ἀγγελος in de zeven
-Klein-Aziatische gemeenten, Op. 1:20. Maar Timotheus en vele anderen
-waren in dien eersten tijd door de apostelen tot het buitengewone ambt
-van evangelist geroepen, boven bl. 66; en de engelen der gemeenten
-waren geen anderen dan de eersten onder hunne gelijken, zooals de
-pastores thans, zoodat de singularis in Openb. 2:10, 23, 24 ook met
-den pluralis afwisselt. Bellarminus, de membris eccl. milit. I c.
-14, Petavius, de eccl. hierarchia I c. 2 e. a. gewagen dan ook niet
-van Schriftuurlijke argumenten, maar beroepen zich op de traditie bij
-Irenaeus, Tertullianus, Eusebius enz., die zeggen, dat de apostelen
-in verschillende gemeenten een bisschop aanstelden en van sommige
-gemeenten de bisschopslijsten opgeven. Maar al is het monarchisch
-episcopaat ook zeer spoedig in de kerk opgekomen, er is daarin toch
-duidelijk eene afwijking te zien van de ordeningen der apostelen.
-Immers het N. T. weet nog niets van een ambtelijk onderscheid tusschen
-ἐπισκοπος, en πρεσβυτεροs. Ofschoon de naam πρεσβυτεροι in den eersten
-tijd waarschijnlijk eene ruimere beteekenis had, en soms ook de oude en
-eerwaardige leden der gemeente aanduidde, als ambtsnaam was hij toch
-met dien der ἐπισκοποι identisch. Immers waren er in de gemeenten
-vele ἐπισκοποι, Hd. 20:17, 28, Phil. 1:1; en dit επισκοπειν was juist
-aan πρεσβυτεροι opgedragen, Hd. 20:17, 28, 1 Tim. 3:1-7, 5:17, Tit.
-1:5, 7, 1 Petr. 5:1-3; Petrus noemt zich daarom ook een πρεσβυτερος,
-1 Petr. 5:1; van eene bijzondere instelling van het episcopaat naast
-het presbyteraat weet het N. T. dan ook niets; behalve de buitengewone
-ambten van apostel, profeet en evangelist, zijn er maar twee gewone
-ambten, dat van diakenen en dat van πρεσβυτεροι, Phil. 1:1, 1 Tim.
-3:1, 8, ποιμενες και διδασκαλοι, Ef. 4:11, 1 Tim. 5:17, κυβερνησεις,
-1 Cor. 12:28, προισταμενοι, Rom. 12:8, 1 Thess. 5:12, ἡγουμενοι,
-Hebr. 13:7, 17. Deze getuigenissen der Schrift zijn zoo sterk, dat
-niet alleen Aerius in de 4e eeuw, de Waldenzen, Wiclef, de Hervormers
-enz., het presbyterale en episcopale ambt identisch noemden, maar ook
-vele kerkvaders, zooals Theodoretus, Chrysostomus, Epiphanius e. a.
-zich gedrongen zagen tot de erkentenis, dat in het N. T. de namen van
-presbyter en episcopus door elkander werden gebruikt; en Hieronymus,
-Ep. 65 ad Evagrium en Comm. op Tit. 1:5 zegt zelfs, dat presbyteri
-en episcopi oorspronkelijk gelijk waren, doch dat er later één uit hen
-over de anderen gesteld werd, in schismatis remedium, bij Petavius,
-Dissert. eccles. I c. 1-3, cf. ook Lombardus, Sent. IV dist. 24, 9. De
-Roomschen kunnen met de Schrift op dit punt niet in het reine komen.
-Volgens Hd. 20:17, 28, Phil. 1:1 waren er ongetwijfeld onderscheidene
-episcopi in ééne gemeente; maar de Roomschen kunnen dit niet erkennen
-en zeggen daarom, dat de apostelen soms aan de presbyteri tegelijk de
-episcopale wijding gaven (Petavius) of dat daaronder tegelijk de episcopi
-der naburige gemeenten begrepen zijn (Franzelin), of dat de namen van
-presbyteri en episcopi nog niet onderscheiden waren, Scheeben, Dogm.
-IV 395. Ermann, de Paus, 2e ged. 96. In het laatste geval is echter
-het beweerde verschil tusschen het presbyterale en episcopale ambt
-niet te handhaven. Bij deze getuigenis der Schrift komt dan nog de les
-der historie, dat het Roomsche episcopaat de wortel is der hierarchie,
-den weg tot het pausdom opent, de ongelijkheid der gemeenten meebrengt
-en de geloovigen van de ambten slaafs afhankelijk maakt. Ook dit alles
-is met de Schrift ten eenenmale in strijd. Eene hierarchie is er in
-de kerk van Christus niet, Luk. 22:25, 26, 2 Cor. 1:24, 1 Petr. 5:3;
-eene dioecesane, cathedrale, patriarchale of metropolitaansche kerk
-bestaat er niet, want alle gemeenten zijn in het N. T. gelijk en hebben
-elk haar eigen ἐπισκοποι; en nergens wordt aan de geloovigen bevolen,
-om naar de legitima successio van hare dienaren onderzoek te doen maar
-om de Schrift te onderzoeken, in de leer te blijven enz., Joh. 5:39, Hd.
-17:11, 1 Tim. 4:13-16, 2 Tim. 1:13, 14, 3:14-17; wettelijke opvolging
-waarborgt niet de zuiverheid der leer, Joh. 8:39, Rom. 2:28, 9:6, en
-zou de zaligheid afhankelijk maken van bepaalde personen en van een
-onpractisch, feilbaar en dikwerf zelfs onmogelijk historisch onderzoek.
-Om deze redenen werd het episcopaat door de Hervormers eenparig
-verworpen. Wel waren de Lutherschen bereid, om het recht, dat het
-secundum ecclesiasticam politiam verkregen had, te erkennen, indien het
-wezenlijke in het bisschoppelijk ambt maar bleef het op goddelijk recht
-berustend ministerium verbi et sacramentorum, Symb. Bücher ed. Müller
-p. 62. 205. 286. 340. Ook werd de naam van bisschop soms behouden
-en op den landsheer overgedragen, of ook werd wel in enkele zoowel
-Gereformeerde als Luthersche kerken één uit een kring van dienaren
-onder den naam van bisschop of superintendent met de inspectie over
-een groep van gemeenten belast. Calvijn en vele anderen, Knox, a Lasco,
-Saravia, Tilenus, Scultetus, Bochartus, Spanheim enz. hadden daartegen
-geen overwegend bezwaar, M. Vitringa IX p. 210 sq. Maar dit was toch
-iets wezenlijk anders dan het bisschoppelijk ambt in de Roomsche kerk,
-dat volgens het concilie te Trente essentieel van het presbyteraat
-verschilt, op goddelijk recht berust en in de 17e eeuw ook in de
-Anglikaansche kerk ingevoerd en verdedigd werd. Cf. Calvijn, Inst. IV
-3, 8. 4, 2 sq. 5, 1 sq. Beza, Responsio ad tractationem de ministrorum
-evangelii gradibus ab Hadriano Saravia editam, 1592. Thomas Cartwright,
-† 1603, A directory for church government 1644. William Bradshaw,
-† 1618, English Puritanism, containing the main opinions of the
-rigidest sort of those called Puritans in the realm of England 1604.
-David Calderwood, Altare Damascenum seu politica ecclesiastica obtrusa
-ecclesiae Scoticanae 1621. Robert Parker, De politica ecclesiastica
-Christi 1616. Smectymnus, een antwoord op Hall’s Episcopacy door
-Stephen Marshal, Edmund Calamy, Thomas Young, Matthew Newcomen en
-William Spurstow 1641. Blondel, Apologia pro sententia Hieronymi de
-episcopis et presbyteris, 1646. Voetius, Pol. Eccl. III 832-869.
-Maresius, Examen quaestionis de episcoporum origine 1657. Cappellus,
-Synt. thes. theol. in acad. Salm. III 296. Buddeus, de origine et
-potestate episcoporum, Misc. Saera I 131. M. Vitringa IX 1 p. 141-229.
-
-_Ten derde_ staat volgens de H. Schrift vast, dat het apostolaat
-een exceptioneel, tijdelijk en onvernieuwbaar ambt is geweest in de
-gemeente des N. T. Ook al ware het episcopaat een ander ambt dan het
-presbyteraat, er zou toch volstrekt niet uit volgen, dat het met het
-apostolaat identisch en daarvan de voortzetting was. Natuurlijk kan wel
-in goeden zin gezegd worden, dat de episcopi of presbyteri opvolgers
-der apostelen zijn, want dezen stelden hen aan in al de gemeenten,
-welke zij stichtten, en droegen de verzorging dier gemeenten aan hen
-op. Maar dat neemt het groote en wezenlijke onderscheid tusschen beiden
-niet weg. Ook van Roomsche zijde kan dit onderscheid niet worden
-uitgewischt. Immers de apostelen deelden in eene gansch bijzondere
-leiding des H. Geestes, en droegen een ambt, dat tot heel de kerk, ja
-tot de gansche wereld, Mt. 28:20 zich uitstrekte. Maar hunne opvolgers,
-ook al zouden zij bisschoppen geweest zijn in Roomschen zin, hebben
-zulk een ambt geenszins; zij zijn ook volgens Rome niet onfeilbaar en
-zij hebben de zorg slechts over een klein gedeelte der kerk, over eene
-dioecese, Schwane D. G. IV 267. 285. 294. Simar, Dogm. 612. Heinrich,
-Dogm. II 247. Ermann, De Paus, 2e gedeelte 89v. Doch het onderscheid
-is nog sterker; de apostelen waren oor- en ooggetuigen van Jezus’
-woorden en daden, zij werden onmiddellijk door Christus zelven tot hun
-ambt geroepen, ontvingen den H. Geest in bijzondere mate, hadden eene
-geheel eenige taak, n.l. om den grondslag der kerk te leggen en in hun
-woord het blijvend middel der gemeenschap tusschen Christus, en zijne
-gemeente te bieden. In dit alles zijn zij van alle anderen onderscheiden,
-staan zij hoog boven al hunne navolgers, en bekleeden zij een ambt, dat
-onoverdraagbaar en onvernieuwbaar is. De buitengewone gaven, waarin zij
-mochten deelen, worden aan geen andere dienaren in de kerk geschonken.
-Als apostelen in eigenlijken zin hebben zij geen opvolgers, al is het
-ook, dat de leiding der gemeente, waartoe zij geroepen waren, ook op
-andere wijze en in beperkter kring aan anderen na hen toebetrouwd is.
-
-_Ten vierde_ is er in de Schrift geen bewijs voor te vinden, dat het
-primaat van Petrus wederom essentieel van het apostolaat, dat hij
-met dezelven gemeen had, onderscheiden was. Ook Roomsche theologen
-erkennen, dat al wat de Schrift verhaalt van den voorrang van Petrus
-boven de andere apostelen, nog niet in staat is, om zijn primatus
-jurisdictionis over de andere apostelen te bewijzen, Scheeben-Atzberger,
-Dogm. IV 405. De sedes doctrinae voor deze leer zijn alleen Mt. 16:18,
-Luk. 22:32 en Joh. 21:15-17. Maar ook deze houden niet in, wat Rome
-eruit afleidt. Mt. 16:18 leert, dat Petrus door zijne belijdenis de rots
-is, waarop Christus zijne gemeente bouwt. Dit is natuurlijk beeldspraak
-en geeft zonder beeld toch niet minder maar ook niet anders te kennen,
-dan dat Christus van den persoon van Petrus als den getrouwen belijder
-zich bedienen zou, om zijne gemeente te vergaderen. In de gemeente
-als het gebouw Gods zijn de geloovigen de levende steenen, die op de
-apostelen als de fundamentsteenen worden opgebouwd. Die plaats neemt
-Petrus in het Godsgebouw in, en hij niet alleen, maar al de apostelen
-met hem. Want Petrus legde de belijdenis van Jezus’ Messianiteit af in
-aller naam, Mt. 16:15, 16; al sprak hij haar het eerst en het klaarst
-uit, hij gaf toch uiting aan wat onbewust in aller hart leefde; en
-niet alleen Petrus doch alle apostelen legden door deze belijdenis,
-welke zij straks in het midden der wereld verkondigden, den grondslag
-der kerk van Christus; in beeld gesproken, waren zij dus allen met
-Petrus de rots, op welke Christus zijne kerk bouwde, of ook is, met
-eene andere toepassing van hetzelfde beeld, Christus de rots, welke
-de apostelen samen door hunne verkondiging legden tot grondslag der
-gemeente, Hd. 4:11, Rom. 9:33, 1 Cor. 3:10, 11, Ef. 2:20, 1 Petr.
-2:5, 6, Op. 21:14. De sleutelmacht, welke Petrus om zijne kloeke
-belijdenis reeds Mt. 16:19 ontvangt, wordt 18:18, Joh. 20:23 aan alle
-apostelen verleend. De bijzondere bekwaammaking en leiding des H.
-Geestes was niet alleen het deel van Petrus maar gelijkelijk van alle
-apostelen, Mt. 10:20, Joh. 14:26, 15:26, 16:13, 20:22, Hd. 1:8, Ef.
-3:5. Door de handhaving van het apostolaat als een exceptioneel en
-onoverdraagbaar ambt laat de Reformatie aan al deze teksten, ook aan
-Mt. 16:18, veel meer recht wedervaren dan Rome. De apostelen zijn en
-blijven de grondleggers der kerk; zij zijn door hun belijdenis de rots
-der gemeente; geen gemeenschap met Christus dan door de gemeenschap
-met hun getuigenis! Wat de andere plaats, Luk. 22:32 betreft, Jezus
-zegt daar tot zijne jongeren, dat Satan hen allen, ἱμας in plur., zal
-trachten tot verloochening van hun Meester te brengen, maar dat Hij
-bepaaldelijk voor Petrus, περι σου in sing., bidden zal, dat zijn geloof
-niet ophoude. Petrus zou dit vóór allen noodig hebben, omdat hij zijn
-Meester het eerst en het sterkst verloochenen zou. Dat zijn geloof dan
-niet ophoudt, zal hij alleen aan eene geheel bijzondere voorbede van
-Jezus te danken hebben. En als hij dan door dat gebed van Jezus bewaard
-zal blijven en uit zijn val weder zal opstaan, dan zal hij, door de
-beproeving geleerd en in zijn geloof bevestigd, juist zijne broederen
-kunnen sterken, als dezen later misschien eens in hun geloof zullen
-wankelen. Gelijk van Paulus met hetzelfde woord, στηριζω, gezegd wordt,
-dat hij de discipelen sterkte, Hd. 18:23, cf. Rom. 1:11, 16:25, 1 Thess.
-3:2, 13, 2 Thess. 3:3, 1 Petr. 5:10, zoo wordt hier aan Petrus beloofd,
-dat hij later zijn broederen tot bemoediging, volharding, bevestiging
-dienen zal. Van dezen heerlijken, geestelijken steun maakt het wettische
-Rome een primatus jurisdictionis! In Joh. 21:15-17 eindelijk wordt
-Petrus hersteld in den rang, dien hij vroeger met en onder de apostelen
-ingenomen had. Hij ontvangt geen nieuw ambt, uitgaande boven dat,
-hetwelk hij vroeger bezat. Want de aanspraak met den naam van Simon,
-Jona’s zoon, de drievoudige vraag en de omstandigheden, waarbij dit
-voorval plaats had, bewijzen onweerlegbaar, dat Petrus alleen hersteld
-wordt in den rang, dien hij door zijne verloochening van Jezus verbeurd
-had, dus in het apostolaat en in het primatus honoris, dat hem vroeger
-reeds geschonken was. En zoo ook wordt hem, als Jezus hem weder de
-zorg en leiding van zijne kudde in het algemeen en van de schapen in
-het bijzonder toevertrouwt, geen andere werkzaamheid opgedragen, dan
-die in het apostolaat als zoodanig lag opgesloten en dus ook aan alle
-andere apostelen toekwam, Mt. 28:19, Mk. 16:15, 2 Cor. 11:28. De
-voorrang, dien Petrus onder de apostelen genoot, nam dan ook ganschelijk
-niet weg, dat hij door Jezus, dien hij afhouden wilde van zijn aanstaand
-lijden, als een satan en ergernis teruggewezen wordt, Mt. 16:23, om
-zijne zelfverheffing boven de andere apostelen vernederd wordt, Joh.
-21:15, om zijn onoprechtheid in Antiochie door Paulus bestraft wordt,
-Gal. 2:11, met Johannes door de andere apostelen naar Samarie gezonden
-wordt, Hd. 8:14, over Paulus hoegenaamd geen jurisdictie had, Gal. 2:6,
-9, nooit in de Schrift afzonderlijk als hoofd en vorst der apostelen
-genoemd wordt, 1 Cor. 12:28, Ef. 2:20, 4:11, Op. 21:14, en zelf de
-bewaring der geloovigen alleen aan de kracht Gods toeschrijft, zichzelf
-een συμπρεσβυτερος noemt en tegen een heerschappij voeren over de
-gemeenten waarschuwt, 1 Petr. 1:5, 5:1, 3.
-
-_Ten vijfde._ Maar al zou de Schrift aan Petrus ook een primaat in
-Roomschen zin toeschrijven, wat echter geenszins het geval is, dan zou
-daarmede nog niets gewonnen zijn voor het primaat van den bisschop van
-Rome. Want hiertoe moet er nog heel wat meer bewezen worden, n.l. 1º
-dat Petrus te Rome geweest is, 2º dat hij daar het ambt van bisschop en
-primas heeft bekleed, en 3º dat hij met bewustheid en opzet deze beide
-ambten aan één bepaalden opvolger heeft overgedragen. Nu is het, in den
-laatsten tijd door Baur en Lipsius, ten onrechte bestreden, dat Petrus
-in Rome geweest is. Indien 1 Petr. 5:13 al niet beslist, waar volgens
-velen bij Babylon aan Rome moet gedacht worden, dan is de getuigenis der
-traditie, van den eersten tijd af, bij Clemens Rom., Ignatius, Marcion,
-Dionysius van Corinthe, Irenaeus, Canon Murat., Cajus, Tertullianus,
-Hippolytus, Origenes, Lactantius enz. zoo vaststaand en eenstemmig,
-dat haar waarheid redelijkerwijs niet te betwijfelen valt. Ook mag
-geacht worden vast te staan, dat Petrus in het jaar 64 onder Nero
-als martelaar gestorven is, hetzij in hetzelfde jaar met of een paar
-jaren vóór Paulus. Op. 18:20, cf. 17:6, 19:2 wijst erop, dat Rome het
-bloed van apostelen vergoten heeft, en de genoemde oud-christelijke
-schrijvers zeggen allen eenparig, dat Petrus en Paulus in Rome, soms met
-de nadere tijdsbepaling, onder Nero, den marteldood hebben ondergaan.
-Maar volstrekt onbewijsbaar is, dat Petrus 20 à 25 jaren in Rome heeft
-vertoefd, dat hij bisschop der gemeente aldaar en primas der gansche
-kerk is geweest, en dat Linus in episcopaat en primaat hem opgevolgd
-is. Immers, 1º Hand. 12:17 bericht, dat Petrus Jeruzalem verliet, niet
-lang vóór den dood van Herodes, vs. 23, die in het jaar 44 stierf. Dat
-hij toen naar Rome is gegaan, is niets dan een vermoeden en mist allen
-grond. Maar indien dit ook zoo ware, dan zou daarbij aan niets anders
-dan aan een kort bezoek te Rome gedacht kunnen worden, evenals hij toen
-volgens Harnack misschien ook in Corinthe is geweest, 1 Cor. 1-3, 9:5;
-in elk geval was Petrus bij de synode in Hd. 15, dat is in het jaar
-47, in Jeruzalem terug. 2º In den brief, dien Paulus van Corinthe uit
-ongeveer het jaar 54-58 aan de gemeente te Rome schreef, wordt met
-geen enkel woord van Petrus’ verblijf en arbeid te Rome gewag gemaakt;
-evenmin geschiedt dit in de brieven aan Philemon, Colosse, Efeze, welke
-Paulus waarschijnlijk, noch in dien aan Philippi, welken hij zeker uit
-Rome schreef in de jaren 57-58 of 61-63; en ook Petrus maakt in zijn
-eersten brief, dien hij uit Babylon, 1 Petr. 5:13, dat is misschien
-Rome, schreef, met geen woord van Paulus melding, zoodat Zahn vermoedt,
-dat Petrus juist in Rome geweest is tusschen de eerste en tweede
-gevangenschap van Paulus in, toen deze op reis was naar Spanje, en daar
-in het jaar 64 onder Nero en een paar jaren vóór Paulus den marteldood
-heeft ondergaan. Niet langer dan een halfjaar of een jaar heeft Petrus
-dus in Rome vertoefd. 3º In overeenstemming met deze feiten noemt de
-oudste traditie Petrus en Paulus steeds naast elkaar en zegt, dat niet
-Petrus alleen, maar Petrus en Paulus de gemeente te Rome gesticht en
-bevestigd hebben, Clemens 1 Cor. 5. Cajus en Dionysius van Corinthe bij
-Euseb. Hist. eccl. II 25, 7. 8. Ignatius, ad Rom. 4. Iren. adv. haer.
-III 1, 1. 3, 1-3. Tert. de praescr. 36. Van een jarenlang verblijf en
-van een episcopaat van Petrus te Rome weten deze oude geschiedenissen
-niets. Integendeel, volgens den brief van Clemens uit de jaren 93-95,
-den in Rome omstreeks 100 of 135-145 geschreven Pastor van Hermas, en
-den brief van Ignatius aan de Romeinen bestond toentertijd, dat is in
-elk geval omstreeks het einde der eerste eeuw, in Rome het monarchisch
-episcopaat nog niet, maar werd de gemeente geleid door een college
-van presbyters of episcopi. Uit de bisschopslijsten bij Hegesippus,
-Irenaeus, ’t Murat. fragment, Hippolytus, Tertullianus, Epiphanius
-blijkt, dat men op het einde der tweede en zelfs in het begin der derde
-eeuw Petrus nog niet als bisschop van Rome beschouwd heeft. De gewone
-voorstelling was toen nog deze, dat Petrus en Paulus de gemeente hadden
-gesticht en aan Linus den dienst van het episcopaat hadden opgedragen,
-Iren. adv. haer. III 3. En vanaf Linus als eersten bisschop worden dan
-de volgende als tweede, derde enz. aangeduid, zoo, dat de apostelen
-Petrus en Paulus als εὐαγγελιζομενοι και θεμελιουντες την ἐκκλησιαν,
-ib. III 1, 1 aan hen allen voorafgegaan zijn, en de bisschoppen na hen
-gekomen en elkander opgevolgd zijn ἀπο των ἀποστολων, d. i. van den
-tijd der apostelen af, Iren. I 27, 1. Euseb. Hist. Eccl. V praef., 28,
-3. Epiph. haer. 42, 1. 4º Eerst in den tijd van Victor of Zephyrinus,
-180-217 is deze oude traditie zoo gewijzigd, dat Paulus hoe langer hoe
-meer zijn aandeel in de stichting en bevestiging van de gemeente te Rome
-verloor en Petrus uitsluitend als de insteller van het episcopaat en
-daarna ook als de eerste bisschop van Rome voorgesteld werd. Volgens
-Tertullianus, de pudic. 21 noemde Calixtus zich reeds bisschop op den
-stoel van Petrus. Stephanus beweerde, per successionem cathedram Petri
-habere, Cypr. Ep. 71, 3. 75, 17. En Cyprianus duidde den stoel van den
-bisschop te Rome doorloopend als de cathedra Petri aan, Ep. 55, 8. 59,
-14. Omstreeks dienzelfden tijd kwam ook eerst de legende op, dat Petrus
-20 of 25 jaren lang in Rome gearbeid had en er zoolang bisschop was
-geweest. Eusebius spreekt in zijne kerkgeschiedenis nog niet van Petrus
-als bisschop en noemt Petrus en Paulus nog naast elkaar, III 2, maar
-noemt III 4, 9 Petrus alleen en zegt II 14, 6, dat Petrus reeds onder
-keizer Claudius naar Rome is gekomen, om Simon Magus te bestrijden.
-Hier wordt tegelijk de oorsprong der legende ontdekt. Reeds vóór het
-midden der tweede eeuw gold het in Rome als een feit, dat Simon Magus
-onder Claudius naar Rome was gekomen. De omstreeks 160 ontstane Acta
-Petri leerden in aansluiting aan Hd. 8, dat Petrus en Simon Magus veel
-met elkaar hadden gestreden. Deze overleveringen werden gecombineerd
-en gaven zoo geboorte aan de legende, dat Petrus onder Claudius naar
-Rome was gekomen en daar tot zijn dood in 64, dus een twintigtal
-jaren geleefd had. En Eusebius en Hieronymus maakten haar tot een
-bestanddeel van de Roomsche traditie. Cf. Herzog² 11, 375 f. Hase,
-Protest. Polemik⁵ S. 150 f. Kattenbusch, Vergl. Conf. 90 f. Harnack,
-Die Chronologie der altchristl. Litteratur bis Eusebius I 1897 passim,
-vooral S. 171 f. 240 f. 703 f. Th. Zahn, Einl. in das N. T. I 1897 II
-1899 passim, vooral II 17-27. Erbes, Die Todestage der Apostel Paulus
-und Petrus und ihre röm. Denkmäler, Leipzig Hinrichs 1899, die meent,
-dat Paulus den 22 Febr. 63 ter dood gebracht is, dat Petrus, daarvan
-gehoord hebbende, naar Rome is gekomen en in het volgend jaar aldaar
-als martelaar gestorven is.
-
-_Ten zesde_, de Roomschen, ofschoon in de traditie na Irenaeus steun
-vindende, verkeeren tegenover de oudste, uit de eerste en tweede eeuw
-afkomstige getuigenissen in niet geringe verlegenheid. Maar al zouden
-deze getuigenissen gunstiger en meer in hun voordeel zijn, zij moeten
-toch allen erkennen, dat het primaat van den bisschop van Rome gebouwd
-is op eene historische onderstelling, n.l. hierop, dat Petrus in Rome
-geweest is, dat hij daar het ambt van bisschop en primas heeft bekleed
-en dit aan zijn opvolger heeft overgedragen. Nu is deze traditie,
-onderstel al, dat zij dit alles bevestigde, toch slechts een historisch
-getuigenis, dat ook volgens Rome niet op onfeilbare zekerheid doch
-slechts op hooge waarschijnlijkheid aanspraak kan maken. Het primaat van
-den bisschop van Rome, de kerkelijke waardigheid van den paus, en dus
-de waarheid der Roomsche kerk en de zaligheid der Roomsche kerkleden
-is op eene historische waarschijnlijkheid gebouwd, die ieder oogenblik
-door nieuwe getuigenissen teniet gedaan kan worden. De eeuwigheid hangt
-hier aan een spinrag. Doch daarbij doet zich voor Rome nog eene andere
-moeilijkheid voor. De traditie bij Julius Africanus, Origenes, Eusebius
-enz. verhaalt, dat Petrus vóór zijne reis naar Rome in het tweede jaar
-van keizer Claudius in Antiochie is geweest en daar het episcopaat
-heeft ingesteld, Harnack, t. a. p. 118. 705. Laat deze traditie nu op
-zichzelve onbetrouwbaar zijn, voor de Roomschen is het toch moeilijk
-hare waarheid te loochenen, wijl zij dan den schijn aannemen, van met
-twee maten te meten. Doch ook afgezien van deze traditie, het is
-allerwaarschijnlijkst, dat evenals de andere apostelen, zoo ook Petrus
-in verschillende gemeenten het episcopaat heeft ingesteld. Waarom is
-dan bepaald de bisschop van Rome de opvolger van Petrus en de erfgenaam
-van het primaat? Petrus was volgens Rome toch ook primas, toen hij
-te Jeruzalem, te Antiochie en elders zich ophield. Bij hem bestond
-er dus in elk geval geen onverbrekelijke band tusschen zijn primaat
-en het episcopaat van de gemeente te Rome. Hij had dat primaat dus
-evengoed aan een anderen bisschop dan dien van Rome kunnen overdragen.
-Heeft hij, als hij, wat zeer waarschijnlijk is, ook elders episcopi in
-gemeenten aanstelde, het episcopaat wel overgedragen maar het primaat
-uitdrukkelijk gereserveerd, totdat hij dit aan den bisschop van Rome kon
-overdoen? En waarom deed hij dan zoo? Op welk gezag handelde hij aldus?
-Welk bewijs is er, dat Linus de opvolger van Petrus is, niet alleen
-in het apostolaat maar ook in het primaat? Een historisch, kerkelijk
-recht, dat het zoo altijd opgevat is, is hiervoor niet voldoende, want
-het betreft juist den grondslag, waarop heel de Roomsche kerk rust. Er
-moet een goddelijk recht voor bestaan. Maar dit is er niet; Christus
-heeft met geen woord van Petrus’ episcopaat te Rome noch van zijn
-opvolger aldaar gesproken; Petrus zelf heeft noch volgens de Schrift,
-noch volgens de traditie ook maar in de verste verte aangeduid, dat
-de episcopus te Rome zijn eenige, ware opvolger was. De verbinding van
-het primaat met het Roomsche episcopaat rust dus alleen op het feit,
-dat Petrus te Rome geweest is en op de onhistorische onderstelling,
-dat hij daar het ambt van bisschop en primas heeft bekleed. Ook al
-zou dit laatste historisch juist zijn, dan gaf het nog niet wat het
-geven moet. Want dan ontbrak nog het strikt noodzakelijk bewijs, dat
-Petrus welbewust, met opzet, krachtens apostolische volmacht en
-goddelijken last, dit episcopaat en dit primaat aan zijn opvolger te
-Rome heeft willen overdragen en werkelijk overgedragen heeft. Dat is,
-het primaat van den Roomschen bisschop over de gansche kerk hangt in
-de lucht; het kan geen jus divinum aanwijzen, waarop het rust; en het
-heeft zelfs geen betrouwbaren, historischen grondslag. De Roomsche
-theologen moeten dan ook huns ondanks erkennen, dat het primaat van
-den Roomschen bisschop neben einer unmittelbar göttlichen Grundlage,
-nämlich der Einsetzung des Primates als einer dauernden Institution
-(wat echter ook onbewijsbaar is), auch eine menschlich vermittelte
-Grundlage von geschichtlicher Natur bezit, Scheeben-Atzberger, Kath.
-Dogm. IV 1 S. 425. Daarom zijn eindelijk de Roomsche theologen onderling
-ook niet eenstemmig over den aard der verbinding van primaat en Roomsch
-episcopaat. Sommigen, zooals Dominicus Soto, Banner, Mendoza e. a.
-zijn van meening, dat die verbinding slechts is ex jure ecclesiastico
-en dat het primaat van den Roomschen bisschopszetel op een ander kan
-overgedragen worden. Ballerini, Veith e. a. laten de vraag onbeslist en
-achten ze hoogst moeilijk te beantwoorden. Maar Cajetanus, Canus, Suarez
-enz. zijn van oordeel, dat Petrus, nadat hij in Antiochie het episcopaat
-had ingesteld, eene bijzondere goddelijke openbaring ontving en krachtens
-deze het primaat onlosmakelijk met het episcopaat te Rome verbond,
-Schwane, D. G. IV 300. 303. 311. 341 en voorts Bellarminus, de Rom.
-pontif. lib. II. Theol. Wirceb. ed. Paris. 1880 I 267-306. Perrone,
-Prael. theol. Lov. 1843 VIII 295-419. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV
-424-435. Jansen, Prael. I 512-582. Hettinger, Apol. des Christ. IV 1897
-S. 499-618. W. Esser, Des h. Petrus Aufenthalt, Episkopat und Tod zu
-Rom., Breslau 1889. Joseph Hollweck, Der apost. Stuhl und Rom, Mainz
-1895. Hoewel dit geschil nog niet formeel tot beslissing is gebracht,
-spreken pausen, conciliën, theologen meest ten gunste van het laatste
-gevoelen; onwillekeurig gaan zij altijd van de onoplosbare verbinding van
-beide uit. Door den Syllabus van Pius IX prop. 35 is uitgemaakt, dat
-de kiesgerechtigden het primaat niet van de stad Rome en haar bisschop
-op een andere stad en bisschop mogen overdragen. Alleen blijft de vraag
-over, of de paus zelf dit zou mogen doen; en dit is natuurlijk alleen
-door den onfeilbare zelf te beslissen. De Roomsche Christen is dus
-gehouden te gelooven, dat de gemeenschap met de plaatselijke kerk te
-Rome noodzakelijk tot de zaligheid is. De zoogenaamde katholieke kerk is
-in der waarheid Roomsche kerk; dat is haar naam en haar wezen.
-
-
-6. De Roomsche hierarchie lokte, naarmate zij zich verder ontwikkelde,
-te ernstiger verzet en tegenstand uit. In de Middeleeuwen stonden
-er verschillende secten op, die Rome als Babel en den paus als
-den antichrist verwierpen. En in de eeuw der Hervorming breidde
-deze oppositie over heel de westersche Christenheid zich uit. Uit
-verklaarbare reactie kwamen velen er toe, om alle kerkinstituut te
-verwerpen, of om daarin slechts een vrije, willekeurige schepping van
-de gemeente te zien, of ook om alle regeering der kerk stilzwijgend
-toe te kennen aan de christelijke overheid, boven bl. 20v. Zelfs bij
-de Lutherschen kwam de zelfstandige regeering der kerk niet tot
-haar recht. Wel ging Luther oorspronkelijk uit van het algemeene
-priesterschap der geloovigen en van de kerk als gemeenschap der
-heiligen. Maar zijn standpunt was ook hier te anthropologisch, dan
-dat hij uit de belijdenis van het koningschap van Christus een eigen
-regeering voor zijne kerk afleiden kon. Den vorm van kerkregeering
-achtte hij tot op zekere hoogte eene uitwendige, onverschillige zaak;
-desnoods was eene pauselijke of bisschoppelijke regeering hem goed,
-mits ze maar geen hindernis in den weg legde voor de verkondiging van
-het evangelie, Art. Smalc. II 4. De kerk wordt alleen zichtbaar in
-woord en sacrament maar hoegenaamd niet in eenige wijze van inrichting
-of vorm van regeering; Christus regeert in zijne kerk alleen door het
-predikambt. Deze overtuiging, gevoegd bij zijne beschouwing van de
-overheid als praecipuum membrum ecclesiae, bracht Luther ertoe, om
-reeds in zijn geschrift An den christl. Adel deutscher Nation 1520 de
-overheid tot het werk der reformatie op te roepen. In 1526 verzocht hij
-zelfs den keurvorst van Saksen, om het werk der visitatie ter hand te
-nemen. Den 27 Aug. 1526 werd te Spiers de reformatie onder bescherming
-der vorsten en standen geplaatst. En van 1527 af berustte de regeering
-der kerk in handen van de landsoverheid. De ordo ecclesiasticus
-(de pastores) behield wel de bediening van woord en sacrament, de
-ordo oeconomicus (de gemeente) ontving het recht van consensus en
-approbatio; maar de ordo politicus (de overheid) kreeg heel de externa
-gubernatio, dat is, het recht tot aanstelling, onderhoud, ontslag
-der pastores, tot stichting van kerken en scholen, tot regeling der
-godsdienstoefeningen, tot reformatie der leer enz., en oefende deze
-macht onder Melanchtons inspiratie sedert 1529 door consistoria uit.
-De gronden, waarop de Lutherschen dit uitgebreide recht over de kerk
-aan de overheid toekenden, waren verschillend. Maar hetzij de overheid
-beschouwd werd als plaatsvervangster der bisschoppen, hetzij ondersteld
-werd, dat zij deze macht stilzwijgend van de kerk had ontvangen, hetzij ze
-als voornaamste lid der kerk werd geëerd, altijd kwam het toch hierop
-neer, dat de kerk schier van alle eigen regeering verstoken was. Maar
-al deze stelsels van kerkregeering, die tijdens en na de Reformatie in
-vele Protestantsche kerken opgekomen zijn, beantwoorden niet aan wat
-de Schrift dienaangaande leert. Immers, 1º hoe nauw onder Israel het
-godsdienstige en het burgerlijke leven verbonden was, er was toch ook
-toen reeds onderscheid; naast de koningen bestonden de priesters, die
-eene onafhankelijke positie innamen en tot eene eigene taak geroepen
-waren. Veel zelfstandiger is de gemeente als het volk Gods nog
-geworden in de dagen des N. Test. Want niet alleen is zij toen uit de
-nationale verhoudingen van Israel losgemaakt maar zij ontving ook op
-den Pinksterdag in den H. Geest een zelfstandig levensprincipe, dat
-haar tegenover staat en maatschappij een eigen aard en een onafhankelijk
-bestaan schenkt. 2º Het wezen der kerk bestaat daarin, dat zij eene
-vergadering van Christgeloovigen is. Als zoodanig is zij niet en kan
-ze niet wezen eene stichting van menschen. Zij ontstaat niet door den
-wil des vleesches noch door den wil des mans, maar door geboorte
-uit God. Zij is geen product van menschelijke associatie noch van het
-goedvinden van den staat, maar is in haar oorsprong en wezen een
-wonder, vrucht van eene bijzondere, genadige werkzaamheid Gods en
-daarom ook krachtens haar aard zelfstandig, onafhankelijk, vrij tegenover
-alle gunst of ongunst van menschen. 3º Reeds hieruit vloeit voort,
-dat de gemeente een eigen regeering hebben moet. Zij heeft een eigen
-leven, draagt in dat leven eene bijzondere levenswet, welke God erin
-gelegd heeft, en eischt daarvoor vanzelf ook eene vrije, zelfstandige
-uiting. Het is niet juist te zeggen, dat de wijze van inrichting en de
-vorm van regeering voor de kerk van Christus eene onverschillige zaak
-is. Zoo los en onverschillig staan wezen en vorm, het onzichtbare en
-het zichtbare, het in- en uitwendige nooit naast of tegenover elkaar.
-Wel is waar komt de kerk allereerst uit in de bediening van woord en
-sacrament, in de zuiverheid van leer en van leven, maar de regeering
-der kerk gaat niet buiten dit alles om, doch staat er zeer nauw mede in
-verband. Juist opdat woord en sacrament zuiver bediend en leer en leven
-daarnaar ingericht zij, is eene goede regeering van noode. De belijdenis
-is de hoofdzaak maar de kerkenorde is het middel, om de belijdenis te
-handhaven. En evengoed als een onzuivere belijdenis ook de regeering
-vervalscht, gaat er van eene slechte regeering een bedervende invloed
-op de belijdenis uit. 4º Christus heeft daarom aan zijne gemeente eene
-eigene regeering geschonken. Hij riep, bekwaamde en ordende zelf de
-apostelen, die het fundament der kerk zijn. En deze apostelen hebben op
-hun beurt onder zijne leiding de gewone ambten van opzieners en diakenen
-ingesteld, opdat de gemeenten van Christus in hunne afwezigheid en
-na hun dood niet van regeering verstoken zouden zijn. Ook deze gewone
-ambten hebben hun oorsprong in God, Hd. 20:28, 1 Cor. 12:28, Ef.
-4:11 en zijn niet in den apostolischen tijd geeindigd maar zijn daartoe
-ingesteld, dat zij blijven zouden tot het einde van deze bedeeling, Hd.
-14:23, 1 Tim. 3, Tit. 1:5. De Schrift is geen kerkenorde maar zij bevat
-toch beginselen van kerkregeering, welke niet zonder schade voor het
-geestelijk leven veronachtzaamd kunnen worden. 5º Daarom is het ook
-niet goed te zeggen, dat de gemeente van Christus zelve zich naar den
-eisch der omstandigheden eene regeering kan geven of deze stilzwijgend
-of opzettelijk aan de christelijke overheid opdragen kan. Want ofschoon
-in zekeren zin gezegd kan worden, dat de gemeente zelve zich hare
-regeering geeft en het instituut der kerk opricht, wijl de apostelen bij
-het instellen der gewone ambten de gemeenten raadpleegden en dezen de
-personen voor die ambten aanwezen, toch is dat slechts in zekeren zin
-het geval. Het is altijd Christus, die tot de ambten roept en bekwaamt;
-de gemeenten kunnen en mogen de personen aanwijzen, maar zij zijn daarbij
-niet zelfstandig en autonoom doch gebonden aan de inzettingen des
-Heeren; zij mogen bij de oprichting van het instituut niet willekeurig
-en naar eigen inzicht te werk gaan, maar hebben ook daarin te vragen,
-wat de Heere wil dat zij doen zullen. Daarom staat het ook niet vrij
-aan de gemeenten, om de ambten af te schaffen of de regeering aan
-de christelijke overheid op te dragen. Want al is het waar, dat er
-onder eene christelijke overheid en in eene christelijke maatschappij
-hoe langer hoe meer overeenstemming en samenwerking met de kerk zal
-komen in den maatstaf, in de beoordeeling en in de handhaving van leer
-en leven, toch blijft ook dan nog de taak van kerk en staat wezenlijk
-onderscheiden. Dezelfde zonde wordt anders in de kerk dan in den staat
-gestraft; de tucht, welke gene oefent, verschilt hemelsbreed van de
-straf, welke deze oplegt. De verzorging der armen, het opzicht over de
-kudde, de bediening van woord en sacrament, de roeping en verkiezing
-der dienaren blijft het onvervreemdbaar recht en de dure plicht der
-gemeente.
-
-Dit hebben de Gereformeerden ingezien, dank zij hun diep besef van de
-souvereiniteit Gods. Wie eenzijdig van de goedheid of de liefde of
-het vaderschap Gods uitgaat, komt daar niet toe. Maar wie niet eene
-van Gods deugden maar al die deugden saam op den voorgrond stelt en
-van God als God uitgaat, die kan niet anders dan alle schepsel in
-afhankelijkheid en ootmoed plaatsen onder Hem. God is souverein, altijd
-en overal, in natuur en genade, in schepping en herschepping, in wereld
-en gemeente. Zijne inzettingen en rechten zijn de regel van ons leven,
-want de mensch is zijn schepsel, aan Hem onderworpen en tot volstrekte
-gehoorzaamheid verplicht. In de kerk leidde dit vanzelf tot de heerlijke
-belijdenis van het koningschap van Christus. Want evenals God in het
-burgerlijke leven om der zonde wil de overheid had ingesteld, zoo heeft
-Hij zijnen Zoon gezalfd tot koning over Sion, den berg zijner heiligheid
-en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen, Ps,
-2:6, Ef. 1:20, Phil. 2:9-11. Christus is niet alleen profeet, die door
-zijn woord en voorbeeld onderwijst; niet alleen priester, die door zijne
-offerande verzoent, maar Hij is ook koning, die de zijnen bewaart en
-beschermt, die daartoe met macht in hemel en aarde is bekleed, en in
-veel waarachtiger zin koning is dan eenig wereldsch vorst. Hij is dat
-niet alleen naar zijne Goddelijke maar evenzeer naar zijne menschelijke
-natuur; de mensch Christus Jezus is verhoogd aan ’s Vaders rechterhand.
-En Hij was dit alles niet slechts van eeuwigheid en in de dagen des O.
-Test., en tijdens zijn verblijf op aarde, maar Hij is dit alles nog heden
-ten dage en tot het einde der eeuwen; Hij is gister en heden dezelfde en
-in der eeuwigheid. Ja, Hij is het thans in den staat der verhooging in
-nog veel rijker zin, dan Hij het was in den staat der vernedering en in
-den tijd, die daaraan voorafgegaan is. Want wel was Hij van eeuwigheid
-tot koning gezalfd en oefende Hij dit ambt met dat van profeet en
-priester terstond na den val en tot den dood des kruises uit. Maar om
-zijne vernedering heeft God Hem uitermate verhoogd en een naam gegeven
-boven allen naam. Door de opstanding is Hij verordineerd en aangesteld
-als Zoon Gods in kracht, is Hij κυριος geworden, heeft Hij alle macht
-ontvangen in hemel en op aarde, en regeert nu, totdat Hij het koninkrijk
-voltooid en alle vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben, deel
-III 415v. Dit koningschap van Christus valt in tweeën uiteen. Het is
-eenerzijds een regnum potentiae, Ps. 2:8, 9, 72:8, 110:1-3, Mt. 28:18, 1
-Cor. 15:27, Ef. 1:21, Phil. 2:9-11, Hebr. 1:6, 1 Petr. 3:22, Op. 17:14.
-Opdat Christus in waarheid koning over zijn volk zij, die het verlost,
-beschermt en bewaart, moet Hij macht hebben in hemel en aarde, over
-Satan en wereld. Het is een koningschap der macht, ondergeschikt aan en
-middel voor zijn koningschap der genade. Er ligt niet in, dat de Vader
-van de regeering der wereld afstand heeft gedaan, en dat alle gezag in
-de schepping nu van Christus afdaalt en in zijn naam wordt geoefend.
-Maar God heeft aan den Middelaar Christus op grond van zijne volmaakte
-gehoorzaamheid het recht en de macht geschonken, om zijn volk uit de
-wereld saam te vergaderen, tegen alle vijanden te beschermen en die
-vijanden zelven volkomen aan zich te onderwerpen. God regeert de wereld
-zoo, dat Christus de Heidenen mag eischen tot zijn erfdeel en de einden
-der aarde tot zijne bezitting. In de verhooging heeft de Vader zijnen
-Zoon erkend en aangesteld als een κληρονομος παντων, Hebr. 1:2. Maar
-andererzijds is het koningschap van Christus een regnum gratiae, Ps.
-2:6, Jes. 9:5, 6, Jer. 30:9, Ezech. 37:24, Luk. 1:33, Joh. 18:33, Ef.
-1:22, 4:15, 5:23, Col. 1:18, 2:19. En omdat dit koningschap een geheel
-ander karakter draagt dan dat van de vorsten der aarde, heet Christus
-in het N. T. veel meer hoofd dan koning der gemeente, deel III 421.
-Het is immers een koninkrijk der genade, waarin Christus heerscht door
-zijn Woord en Geest. Zijn Woord komt uit het verledene tot ons, bindt
-ons aan den historischen persoon en het in den tijd volbrachte werk van
-Christus, en vraagt van ons geloof in den zin van assensus, cognitio.
-Maar die nedergedaald is, is dezelfde ook, die opgevaren is verre boven
-alle hemelen, die gezeten is aan Gods rechterhand en met zijne Godheid,
-majesteit, genade en Geest in ons woont en nimmermeer van ons wijkt. Het
-is de levende, de aan de rechterhand Gods verhoogde Christus, die met
-bewustheid en vrijmacht zijne gemeente vergadert, zijne vijanden verwint
-en de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij
-is nog altijd in den hemel als middelaar werkzaam, en door zijn Geest
-op aarde in kerk en ambt, in woord en sacrament tegenwoordig. Ook de
-toepassing des heils is zijn werk. Hij is de handelende, en ambten en
-bedieningen zijn niets dan middelen in zijne almachtige hand. Ongerijmd is
-het daarom te denken, dat Hij de regeering zijner kerk op eenig mensch,
-op een bisschop of paus, op een instituut of sacrament zou hebben
-overgedragen. Hij is en blijft de Heer uit den hemel, die juist daartoe
-verhoogd is tot hoofd der gemeente, opdat Hij zelf regeeren en alle
-dingen vervullen zou, deel III 409. 449. Dit koningschap van Christus
-was het Materialprinzip van de Gereformeerde kerkregeering. Het werd
-reeds uitgesproken door Zwingli, en ontwikkeld en gehandhaafd door
-Calvijn; het vond een plaats in bijna alle belijdenisschriften en was van
-de 16e eeuw af tot den huidigen dag toe de drijfkracht tot bestrijding
-van alle menschelijke heerschappij in de kerk van Christus en tot
-herwinning en bewaring van hare vrijheid en zelfstandigheid. Cf. Helv. I
-18. Helv. II 17. Gall. 30. Belq. 31. Scot. 16. Westm. 25. 30. Calvijn,
-Inst. II 15, 3-5. Martyr, Loci 403. Bucanus, Inst. theol. 464. Synopsis
-pur. theol. disp. 41. M. Vitringa IX 125 enz. cf. Rieker, Grundsätze
-ref. Kirchenverf. Leipzig 1899 S. 105 f.
-
-
-7. Het koningschap van Christus over zijne kerk bestaat daarin, dat Hij
-de zijnen door Woord en Geest vergadert en regeert en bij de verworven
-verlossing beschut en behoudt, Heid. Cat. 31. 54. De kerk heeft haar
-grondslag en eenheid in den raad Gods, in het verbond der genade, in
-den persoon van Christus, maar zij moet, als bestaande uit menschen,
-vergaderd en toegebracht worden door Woord en door Geest. Deze
-vergadering geschiedt door Christus en gaat van Hem uit. Ook al bedient
-Hij zich daarbij van ambten en genademiddelen, Hij is het toch, die de
-weldaden des verbonds uitdeelt en daardoor zijne gemeente sticht. Hij
-bouwt zelf de gemeente op de rots der belijdende apostelen, Mt. 16:19
-en dezen zijn het, die als instrumenten in zijne hand de gemeente bouwen
-op Hem als het fundament, 1 Cor. 3:11. Christus is de wijnstok, en de
-geloovigen zijn de ranken, die uit Hem voortkomen, sappen trekken en
-vruchten dragen, Joh. 15. Christus is het hoofd, en de gemeente is het
-lichaam, dat uit Hem wordt saamgevoegd en zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16,
-Col. 2:19. Christus is de Herder, en de geloovigen zijn de schapen, die
-door Hem worden toegebracht en tot ééne kudde saamgevoegd, Joh. 10:16.
-Christus is de Heer, die degenen, die gered worden, tot de gemeente
-toevoegt, Hd. 2:47. Wijl de gemeente een organisme is, gaat het hoofd
-aan de leden en de ecclesia universalis aan de ecclesia particularis
-vooraf. De kerk in haar geheel komt niet tot stand door de atomistische
-saamvoeging van verschillende deelen. Maar de ecclesia catholica is er
-eerst, zij heeft haar bestand in Christus, kwam in de dagen des N. T.
-het eerst tot openbaring in de kerk te Jeruzalem en breidde zich dan
-vandaar in andere plaatsen uit. Elke ecclesia particularis (localis)
-is daar ter plaatse, waar zij optreedt, eene openbaring van de ecclesia
-catholica, van het volk Gods. Reeds krachtens haar oorsprong staat zij
-met deze in onlosmakelijk verband. Want geen enkele plaatselijke kerk
-komt autochthonisch uit het onbewuste op, maar werd geplant door het
-zaad des woords, dat een andere kerk daar ter plaatse strooien deed.
-Wel is naar de leer der H. Schrift iedere plaatselijke kerk zelfstandig,
-eene ecclesia completa, hoe klein en gering zij ook wezen moge. Er zijn
-geen moederkerken in dien zin, dat de eene kerk over de andere zou
-mogen heerschen; noch Jeruzalem noch Rome heeft op zulk eene regeering
-eenige aanspraak. Alle kerken staan gelijk, omdat zij alle, al is de
-eene middelijkerwijze ook door de andere gesticht, op dezelfde wijze,
-d. i. rechtstreeks en volstrekt van Christus afhankelijk en aan zijn
-woord gebonden zijn. Daarom hebben de Gereformeerden niet alleen het
-verband hunner kerken met die te Rome verbroken maar ook aan de diocese
-en de parochie een einde gemaakt. Een diocese toch is het kerkelijk
-gebied van een bisschop, die, aan de hoofdkerk verbonden, van daaruit
-heel den kring der geloovigen beheerscht. En eene parochie duidt de
-groep van geloovigen op eene bepaalde plaats slechts aan als object
-van de werkzaamheid van den parochus. Beide begrippen wijzen er op,
-dat bisschop en parochus van buiten af tot de geloovigen gezonden
-worden, en hoog als regenten boven hen staan. Maar dit is het geval
-niet. Elke kerk is zelfstandig, kiest en roept hare dienaren en staat
-in het kerkverband, waarin zij werd opgenomen, met alle andere kerken
-volkomen gelijk. Soms, bijv. bij de kerken der Hugenoten in Frankrijk,
-heeft het den schijn, alsof het verband geheel vrij door confederatie is
-ontstaan. Maar dat is toch de Geref. beschouwing niet, welke op dit
-punt beslist tegen die der Independenten overstaat. Bij de beschrijving
-van het wezen der kerk gingen alle Gereformeerde theologen van de
-ecclesia universalis uit en daalden zoo tot de ecclesiae particulares
-af, M. Vitringa IX 60. Deze laatsten zijn plaatselijke openbaringen
-van het ééne mystieke lichaam van Christus, zijn daarom geestelijk
-één, staan krachtens haar historischen oorsprong met elkander in
-verband en zijn tot het onderhouden der gemeenschap met allen, die
-hetzelfde geloof deelachtig zijn, van ’s Heeren wege verplicht. Elke
-plaatselijke kerk is daarom tegelijkertijd eene zelfstandige openbaring
-van het lichaam van Christus en een deel van een grooter geheel; eene
-ecclesia particularis, die opkomt uit en geestelijk en historisch met
-de ecclesia catholica in verband staat, cf. Rieker, Grundsätze ref.
-Kirchenverf. 80 f. En wat van elke plaatselijke kerk geldt, is ook op
-ieder harer leden in het bijzonder toepasselijk. Geen enkele kerk en
-geen enkel levend lidmaat dankt zijn ontstaan aan eigen wil of aan het
-werk van menschen. Christus heeft hem, zij het ook door middel van de
-bediening des woords, geroepen en vergaderd, en hem niet alleen maar
-allen, die leden der gemeente zijn. Zoo zijn het dan niet wij, maar is
-het Christus alleen, die bepaalt, wie leden der gemeente zijn en met
-wie wij in gemeenschap hebben te leven. Het staat niet aan ons believen
-al dan niet, om bij deze of bij gene kerk ons te voegen; maar het is
-schuldige plicht van alle geloovigen, om zich te voegen tot die kerk,
-die het zuiverst als de kerk van Christus tot openbaring komt, Ned.
-Gel. 28. Ook hier staan de Gereformeerden tegen de Independenten over.
-De geloovigen deelen zichzelven niet willekeurig in conventikels
-en congregaties in en lezen zelven niet uit, met wie zij willen
-saamvergaderen. Maar op eene bepaalde plaats behooren alle geloovigen
-bijeen en zijn daar te zamen het volk Gods en de gemeente van Christus.
-Gelijk God het is, die de tijden verordent en de bepalingen van ieders
-woning, Hd. 17:26, zoo is het ook Christus, die, bij deze ordinantie
-des Vaders zich aansluitend, de geloovigen plaatselijk vergadert en
-als eene zelfstandige ecclesia optreden doet. Natuur en genade werden
-ook op dit punt door de Gereformeerden niet uit elkander gerukt, noch
-vijandig tegenover elkander gesteld, want de genade herstelt de natuur
-en het evangelie is de vervulling der wet. Toch is met deze eenheid
-der plaatselijke kerk de zoogenaamde kerspelvorming niet in strijd.
-Verschillende gemeenten in het N. T., Jeruzalem, Rome, Corinthe enz.,
-waren elk op zichzelf eene eenheid; die te Jeruzalem stond onder
-hetzelfde college van apostelen en benoemde in haar geheel een zevental
-diakenen, en die te Rome, Corinthe, Colosse ontvingen van Paulus
-brieven, waarin alle geloovigen ter zelfde plaats door hem als eene
-eenheid worden saamgevat. Maar dat nam toch niet weg, dat die gemeenten
-bij hare vergaderingen in verschillende gebouwen samenkwamen en zoo weer
-onderscheidene huisgemeenten vormden. En daartoe moet elke kerk komen,
-die tot een ledental van duizenden zielen zich uitbreidt. Gelijk het
-dan geoorloofd en plichtmatig is, om in verschillende gebouwen saam te
-komen, zoo is het ook in het belang van den geestelijken welstand, de
-regeering en de verzorging der geloovigen geboden, om aan elke groep
-van geloovigen, die in een bepaald gebouw vergadert, een bepaald getal
-predikanten, ouderlingen en diakenen te verbinden. Aan de eenheid der
-kerk behoeft dit geen afbreuk te doen, wijl die zich in den kerkeraad,
-in het beheer, in het beroepen van predikanten enz. uitspreken kan. En
-soms zijn bij de groote uitbreiding van vele steden in den tegenwoordigen
-tijd stadsgedeelten meer in karakter van elkander verschillend, dan
-nabijgelegen dorpen of vlekken en de kerken die daar zijn geformeerd.
-
-In deze plaatselijke kerken stort Christus allerlei gaven uit, niet
-alleen zaligmakende gaven van wedergeboorte, bekeering, geloof enz.,
-maar ook geestelijke gaven, die onder den naam van charismata bekend
-staan, boven bl. 29. In den apostolischen tijd was er eene rijke
-bedeeling van; maar al zijn zij ten deele van aard en werkzaamheid
-veranderd, zij worden ook thans nog door den H. Geest aan de geloovigen
-geschonken, opdat zij daarmede elkander dienen en als één lichaam zich
-openbaren zouden. De gemeente is niet onmondig, zij is geen ecclesia
-audiens of ordo oeconomicus, die slechts te luisteren en te zwijgen
-heeft. Maar zij is de zalving van den Heilige deelachtig, bestaat uit
-vele leden, die alle elkander van noode hebben, en mag de gaven, haar
-geschonken, niet verzuimen. Elke gemeente is en moet zijn een leger des
-heils, dat onder Christus strijd voert tegen duivel, wereld en vleesch
-en geen soldaten kent in rust of op nonactiviteit; eene gemeenschap
-van heiligen, waarin allen lijden en zich verblijden met elkaar en
-hunne bijzondere gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten
-gewilliglijk en met vreugde aanwenden. En gelijk alle geloovigen eene
-gave hebben, zoo staan zij ook allen in het ambt. Zij hebben niet alleen
-in de kerk als organisme maar ook in de kerk als instituut eene roeping
-en taak, die hun van ’s Heeren wege opgelegd is. De apostelen gaan wel
-aan de kerk vooraf, zijn haar grondleggers en binden haar aan hun, d. i.
-aan Gods woord. Maar zij stellen niet van te voren en niet eigenmachtig
-ambtsdragers aan, doch stichten eerst gemeenten en laten dan door die
-gemeenten zelve ouderlingen en diakenen verkiezen. Aan het speciale
-ambt van opziener en armverzorger gaat daarom het algemeene ambt der
-geloovigen vooraf. Christus toch is in het midden, waar twee of drie
-in zijn naam vergaderd zijn, Mt. 18:19, 20. Hij heeft voor allen den H.
-Geest verworven, die in alle geloovigen als zijn tempel woont, Hd.
-2:17, 1 Cor. 6:19, Ef. 2:22 enz., zoodat zij, met dien Geest gezalfd,
-een heilig, koninklijk priesterdom zijn, 1 Petr. 2:5, 9; profeten, die
-de deugden Gods verkondigen, zijn naam belijden, en alle dingen weten,
-Mt. 8:38, 10:32, 1 Joh. 2:20, 27; priesters, die hunne lichamen
-stellen tot eene levende, heilige, Gode welbehagelijke offerande,
-Rom. 12:1, 1 Petr. 2:5, 9, Hebr. 13:16, Op. 1:6, 5:10; koningen,
-die den goeden strijd strijden, zonde en wereld en dood overwinnen en
-eens met Christus heerschen zullen, Rom. 6:12, 13, 1 Tim. 1:18, 19,
-2 Tim. 2:12, 4:7, 1 Joh. 2:13, 14, Op. 1:6, 2:26, 3:21, 20:6, en
-daarom den naam van Christenen, gezalfden, dragen, Hd. 11:26, 26:28,
-1 Petr. 4:16, cf. Heid. Cat. vr. 32. Deze profetische, priesterlijke
-en koninklijke werkzaamheid van de geloovigen mag de uitoefening van
-een ambt heeten. Immers reeds in het algemeen is de mensch er niet
-om zichzelf, maar om Gods wil. God schiep hem naar zijn beeld, opdat
-hij Hem kennen, liefhebben en verheerlijken zou, en dus als profeet,
-priester en koning Hem dienen zou. Maar bepaaldelijk is Christus door
-den Vader tot middelaar, tot knecht des Heeren, tot profeet, priester
-en koning aangesteld, om dit werk, dat de mensch nagelaten en verstoord
-had, wederom tot stand te brengen en te voltooien. En daartoe worden
-nu ook de geloovigen geroepen. Als gezalfden, die de gemeenschap met
-Christus deelachtig zijn, zijn zij geroepen tot eenzelfde werk, dienst en
-strijd, Joh. 12:26, 14:12. Van het oogenblik hunner roeping af zijn de
-geloovigen hun zelfs niet meer maar behooren zij Christus toe; zij zijn
-zijne dienstknechten, hebben zijn wil te doen en zijn werk te volbrengen.
-Zij zijn het zout der aarde, het licht der wereld en hebben in en ten
-opzichte van de kerk bepaaldelijk eene drieërlei taak. Ten eerste zijn zij
-verplicht, zich bij de kerk te voegen. Zij staan niet op zichzelf, maar
-zijn leden van het lichaam van Christus en hebben dus de gemeenschap
-daarmede te zoeken en te onderhouden. Ten andere zijn zij in die gemeente
-geroepen tot allerlei werkzaamheid, tot het aanleggen, der gaven
-ten nutte van anderen, tot het mede lijden en zich verblijden met de
-broederen, tot het bezoeken van de samenkomsten der geloovigen, tot het
-verkondigen van ’s Heeren dood, tot het opzicht hebben op elkander,
-tot het dienen en uitdeelen in barmhartigheid enz. En eindelijk zijn
-zij elk op zijne wijze en in zijne mate ook tot formatie en reformatie
-der kerk verplicht. Als er ergens ter wereld geloovigen zijn, en er
-bestaat geen gelegenheid, dat dienaren van elders de verkiezing tot
-de door Christus ingestelde ambten leiden en den verkozenen de handen
-opleggen, dan hebben zij zelven het recht, om samen in den naam des
-Heeren ambtsdragers te verkiezen en te ordenen. Zoo geschiedde feitelijk
-te Mainz en te Parijs in 1555, cf. Lechler, Gesch. d. Synodal- und
-Presb. Verfassung, 1854 S. 65. 66. Doumergue, Jean Calvin 1899 I 232;
-zoo oordeelden de Gereformeerden, Voetius, Desp. Causa Papatus p. 268
-sq., en zoo was ook het gevoelen van Luther, Köstlin, Luthers Theol.
-I 327. Het ambt hangt toch van geen successie af, het ontstaat niet
-door overdracht; het berust op de gave en de roeping van Christus en
-op de aanwijzing zijner gemeente. En die gemeente is zelve mondig en de
-gaven des H. Geestes deelachtig; de gaven, tot het ambt van noode,
-zijn niet essentieel verschillend van die, welke aan alle geloovigen
-geschonken worden; daarom kan zij uit haar midden diegenen aanwijzen,
-die in bijzondere mate met ambtelijke gaven versierd zijn en hen in
-Christus’ naam roepen en verkiezen tot het ambt. Maar daaruit vloeit
-ook voort, dat de geloovigen zelven desnoodig tot reformatie der kerk
-mogen voortschrijden. Als eene kerk in hare ambten en bedieningen toont,
-zichzelve en hare ordinantiën meer autoriteit toe te kennen dan den
-woorde Gods en zich duidelijk als eene valsche kerk openbaart, dan
-hebben de geloovigen het heilig officie en den schuldigen plicht, om
-zich af te scheiden en wederom kerkelijk te gaan leven naar des Heeren
-woord, Ned. Gel. art. 28. 29.
-
-
-8. Op de basis van deze gaven en dit ambt aller geloovigen heeft
-Christus ook bijzondere ambten in de gemeente ingesteld. De apostelen
-deden hierbij wel ministerieelen dienst maar Christus is het toch,
-die deze ambten geeft, en de personen ertoe bekwaamt en verkiest.
-In de Roomsche kerk beweerde echter Richer, de ecclesiastica et
-politica potestate 1611, dat Christus alle macht primarie, proprie et
-essentialiter aan de kerk en dan instrumentaliter, ministerialiter
-et quoad exsecutionem aan paus en bisschoppen had opgedragen,
-Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 404. Luther leidde in den eersten tijd
-uit het algemeene priesterschap der geloovigen af, dat bediening van
-woord en sacrament eigenlijk aan allen geschonken was maar ordeshalve
-door een hunner werd uitgeoefend, Köstlin, Luthers Theol. I 327.
-Gereformeerden drukken zich soms zoo uit, alsof de macht der dienaren
-eigenlijk aan de gemeente toebehoort en door hen in haar naam wordt
-uitgeoefend, Amesius, Med. I 35, 6. Turretinus, Theol. El. XVIII qu.
-24, 7. 8. 19. 26. Meermalen wordt het beeld gebruikt, dat, gelijk de
-mensch ziet door het oog en hoort door het oor, zoo de gemeente de
-institutaire werkzaamheden door de ambten verricht. En in den nieuweren
-tijd is de voorstelling algemeen, dat het ambt een orgaan der gemeente
-is. Dit alles is slechts ten deele juist. In Mt. 18:17 geeft Jezus
-de sleutelmacht wel aan heel de gemeente, maar Hij gebruikt dit woord
-daar nog in gansch algemeenen zin, zonder melding te maken van de
-organisatie, die later ingevoerd zou worden. Zoodra deze er is, zien
-wij, dat de sleutelmacht bij de apostelen en dan bij de opzieners berust.
-Ook kan de macht in het algemeen aan de kerk geschonken heeten, wijl zij
-tot haar heil en welstand strekt, en dus, indien niet formaliter, dan
-toch finaliter aan haar is geschonken. Zij is toti quidem ecclesiae ad
-illius ædificationem destinata, maar proprie a solis ejus ministris
-tractanda, Maresius, Syst. Theol. XVI 70, cf. tegen Richer Petavius,
-de eccl. hier. III c. 14-16. De ambten in de kerk van Christus zijn
-geen heerschappijvoerende maar een dienende macht; zij zijn er ter wille
-der gemeente, 1 Cor. 3:22, Ef. 4:12; Paulus noemt zich met zijne
-mededienaren zelfs δουλους ὑμων δια Ιησουν, 2 Cor. 4:5. Het doel van
-de kerk als instituut ligt in de vergadering der uitverkorenen, in
-den opbouw van het lichaam van Christus, in de volmaking der heiligen
-en alzoo in de verheerlijking Gods, Ef. 4:11. God had zeker ook wel
-zonder eenig middel van kerk of ambt, woord of sacrament zijn volk tot
-de zaligheid kunnen leiden. Maar zijn welbehagen is geweest, om zijne
-uitverkorenen te vergaderen door den dienst van menschen; de kerk heeft
-de salus electorum tot doel; de ambten zijn necessitate hypothetica
-noodzakelijk, Gall. 25. Belg. 30. Helv. II 18. Voetius, Pol. I 17. III
-213. Vitringa, IX 131 sq. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 22. Maar
-toch, al zijn de ambten in dien zin om de gemeente, zij zijn toch niet
-haar orgaan, en hebben niet van haar hun macht ontvangen. Immers,
-in het O. T. werden Mozes en Aaron, priesters en profeten door den
-Heere geroepen en aangesteld; in het N. T. zijn de apostelen, Paulus
-inbegrepen, rechtstreeks door Christus zelven verkoren en bekwaamd.
-Valsche profeten en apostelen hebben juist geen zending van Godswege
-en komen alleen in hun eigen naam, Jer. 32:21, 32, Joh. 5:43, maar de
-ware dienaren beroepen zich op hunne zending van Godswege en ontleenen
-daaraan hun macht en autoriteit, Jes. 6:8, Jer. 1:4, Hos. 1:1, Rom.
-1:1, Gal. 1:1 enz. Daarom, al zijn zij ook ten dienste van de gemeente,
-zij heeten toch διακονοι Χριστου, Col. 1:7, Hd. 20:24, 1 Tim. 1:12,
-δουλοι Χριστου, Rom. 1:1, Gal. 1:10, 2 Petr. 1:1, ὑπηρεται Χριστου,
-Hd. 26:16, 1 Cor. 4:1, δουλοι θεου, Hd. 16:17, συνεργοι θεου, 1 Cor.
-3:9, die, de mond Gods en gezanten ten behoeve van Christus zijnde, van
-Christus’ wege bidden, dat men zich met God late verzoenen, 2 Cor.
-5:20, en zonder menschen te behagen, het evangelie verkondigen, dat
-hun toebetrouwd is, 1 Thess., 2:4 en de verborgenheden van Christus
-uitdeelen, 1 Cor. 4:1. Daarom staan zij als opzieners en verzorgers ook
-boven de gemeente, zijn hare ἐπισκοποι, προισταμενοι, ἡγουμενοι, zijn
-voor haren geestelijken welstand verantwoordelijk, en hebben op hare
-achting en gehoorzaamheid aanspraak. En dit geldt niet alleen van
-de buitengewone maar ook van de gewone ambten. Ook deze worden door
-Christus gegeven, Mt. 9:38, 23:34, Hd. 20:28, 1 Cor. 12:5, 28, Ef.
-4:11. Er is geen prediking zonder zending, Rom. 10:15. Niemand mag zich
-deze eere nemen, dan die van God geroepen is, Joh. 10:1, 2, Hebr. 5:4.
-Al is het ook, dat alle geloovigen tot verkondiging van het evangelie
-geroepen zijn, Hd. 8:4, 13:15, 1 Cor. 14:26; dit te doen met macht en
-gezag in des Heeren naam, tot eene reuke des levens ten leven of eene
-reuke des doods ten doode, vereischt eene speciale zending en opdracht.
-
-De weg, waarlangs Christus zijne dienaren in het ambt zet, loopt over
-vocatie, examinatie en ordinatie. Sedert de roeping niet meer, gelijk
-tot profeten en apostelen, op buitengewone wijze tot iemand komt, is
-zij alleen kenbaar aan de samenstemming der in- en der uitwendige
-roeping. De inwendige roeping, welke dus van de bovennatuurlijke en
-buitengewone wel te onderscheiden is, bestaat 1º in de verleening der
-gaven, die tot het ambt vereischt worden, 2º in de zuivere, oprechte
-en standvastige begeerte, die iemand naar het ambt doet streven, en
-3º in de baning der wegen, welke tot het ambt leiden, Gerhard Loc.
-XXIII cap. 3, Voetius Pol. Eccl. III 529. Moor VI 282. Alting, Theol.
-probl. nova I 15. Brakel, Red. Godsd. XVII 12. Vitringa IX 298. Deze
-inwendige, subjectieve roeping moet haar waarmerk en zegel ontvangen
-in de uitwendige roeping door de gemeente, wijl ook op dit terrein
-dwaling en verleiding niet uitgesloten is, Ned. Gel. art. 31. Daarom
-staat deze uitwendige roeping niet tegenover de inwendige maar zij gaat
-evengoed als deze van Christus uit. Hij alleen kan roepen en roept in
-der waarheid. Maar deze uitwendige roeping is middellijk en geschiedt
-door de gemeente in Jezus’ naam. De Schrift laat hier geen twijfel over,
-Hd. 1:23, 6:2-6, 2 Cor. 8:19, cf. boven bl. 79. In de eerste eeuwen
-oefende de gemeente dit recht ook feitelijk uit; zelfs de bisschop werd
-door de gemeente gekozen, cf. Sohm, Kirchenrecht 59. 229. 271. 275.
-282. 285, Achelis, Lehrb. d. prakt. Theol. 1² S. 147 en oudere litt. bij
-Vitringa IX 308-310. De verkiezing van den paus, den bisschop van Rome,
-door de kardinalen, d. i. oorspronkelijk het presbyterie der plaatselijke
-gemeente aldaar, is nog een overblijfsel van het vroeger gebruik. Maar
-langzamerhand werd het recht der gemeente beperkt en ten laatste in de
-Roomsche hierarchie aan den paus, en onder invloed van een humanistisch
-staatsrecht door Erastianen en Remonstranten aan de overheid toegekend.
-Zelfs in de Gereformeerde kerken was hierover groot verschil. Al hield
-men in theorie staande, dat het recht tot beroeping van dienaren
-des woords bij de gemeente berustte, practisch werd dit dikwerf zeer
-beperkt en aan den kerkeraad of aan patronen of aan de overheid of
-aan gemengde colleges afgestaan, Calvijn, Inst. IV 3, 11-15. Voetius,
-Pol. Eccl. III 557 sq. 580 sq. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 24. M.
-Vitringa IX 311-321. Moor VI 288-298. Aan de andere zijde is echter ook
-de dwaling van Grotius, Pufendorf e. a. te vermijden, alsof de keuze
-der kerkedienaren een natuurrecht van de geloovigen ware, evenals het
-recht, om een bestuur te verkiezen, bij de leden eener vereeniging
-berust, cf. M. Vitringa IX 310. Want de kerk is geen vereeniging, die
-door den wil van menschen tot stand komt, maar eene stichting van
-Christus. Alle macht, welke der gemeente toekomt, is haar daarom door
-Christus geschonken; zij is geen recht maar eene gave. De gemeente
-is geen democratie, waarin het volk zichzelf regeert. Maar Christus
-regeert in haar, en de keuze der gemeente heeft geen andere beteekenis
-dan dat zij de gaven opmerkt en de personen aanwijst, welke Christus
-voor het ambt heeft bestemd. Vandaar dat de gemeente wel kiest, maar
-die keuze staat onder leiding van hen, die reeds in hun ambt zijn,
-van apostelen, evangelisten enz., Hd. 1:15, 6:2, 14:23, Tit. 1:5, en
-later van naburige bisschoppen, Sohm, t. a. p. Voorts is de keuze niet
-volstrekt vrij, maar gebonden aan voorwaarden en vereischten, die door
-Christus voor het ambt zijn aangegeven, Hd. 1:21, 6:3, 1 Tim. 3. En
-eindelijk staat iemand nog niet in het ambt, als hij door de gemeente
-gekozen is, maar moeten hem daarna de handen worden opgelegd, Hd. 6:6
-enz. Keuze door de gemeente en leiding door den kerkeraad behooren dus
-samen te gaan bij de roeping tot een ambt in de gemeente van Christus,
-hetzij de kerkeraad zich bij de beroeping binde aan eene nominatie der
-gemeente of aan eene keuze der gemeente uit eene nominatie van den
-kerkeraad.
-
-Maar met de keuze van de gemeente en de beroeping door den kerkeraad
-(vocatio stricte sic dicta), is de uitwendige roeping nog niet
-afgeloopen. Zij zet zich voort in de beproeving, het onderzoek of
-examen. Natuurlijk is deze niet volstrekt noodzakelijk; als de gemeente
-beslist weet, dat hij, dien zij roept, de vereischte gaven bezit, is
-verder onderzoek overbodig. Maar de gemeente is niet onfeilbaar en
-kan zich vergissen; zij deelt zelve de gaven niet uit maar kan alleen
-opmerken, aan wien Christus gaven tot zijn dienst heeft geschonken. Om
-daarin nu zoo veilig mogelijk te gaan, stelt zij na de roeping nog eene
-beproeving in, strekkende om der gemeente de zekerheid te verschaffen,
-dat de beroepene de vereischte gaven bezit. Reeds Paulus eischte daarom
-1 Tim. 3:30, dat de diakenen --en het και οὑτοι δε bewijst, dat dit ook
-reeds bij de presbyters gebruikelijk was-- op eene of andere ons onbekende
-wijze zouden beproefd worden en daarna, als zij onberispelijk bleken in
-leer en leven, zouden dienen. Daarop berustte het recht, waarvan de
-kerk later gebruik ging maken, om vóór de aanvaarding van het ambt een
-proeftijd te stellen of ook een examen af te nemen, Bingham, Origines
-eccles. or the Antiq. of the Christ. Church, London 1843 II 225.
-Hier te lande stonden de Geref. kerken, nadat de universiteit te Leiden
-was opgericht, het recht tot afneming van het (peremptoir) examen aan
-de professoren af en vergenoegden zich met hun testimonium academicum,
-Syn. Midd. vr. 3. ’s Gr. art. 18. Maar langzamerhand wisten zij overal,
-behalve in Groningen, het recht om het peremptoir en het praeparatoir
-examen af te nemen, met groote moeite en niet zonder veel tegenstand,
-zelfs van Voetius en Maccovius, aan de professoren te ontnemen en voor
-zichzelve te behouden. Daargelaten de vraag, of de kerken niet goed
-doen, als zij bij het afnemen der examina in de classes zich van de
-hulp der professoren bedienen, het recht tot het instellen van zulk
-een onderzoek komt naar de H. Schrift, de Geref. belijdenis en ook naar
-den aard der zaak aan de kerken toe. De school neme hare examens af,
-maar de kerken houden het recht, om te beroepen, om te beproeven, om
-te zenden, om macht te geven tot bediening van woord en sacrament.
-Het eigenlijke, kerkelijke examen is daarom het peremptoir examen;
-het praeparatoir is, ofschoon reeds vermeld ’s Grav. art. 18, van
-ondergeschikte beteekenis, werd eerst langzamerhand ingevoerd vooral
-ten gevolge van de Remonstrantsche twisten, en was volgens Voetius’
-getuigenis, Pol. Eccl. III 517, eerst in 1669 algemeen in gebruik. Het
-diende alleen, om de voorloopig geëxamineerden een tijd lang in het
-houden van propositiën onder leiding van een predikant en kerkeraad
-zich te laten oefenen.
-
-Bij de vocatie en examinatie komt ten slotte nog de ordinatie, die
-vooral door de handoplegging geschiedt. Deze was onder Israel in
-gebruik bij zegening, Gen. 48:14, Lev. 9:22, offerande, Ex. 29:10,
-Lev. 1:4, beschuldiging, Lev. 24:14, bij Levietenwijding, Num. 8:10, bij
-aanstelling tot een ambt, Num. 27:18-23, later ook bij installatie van
-rechters en promotie van leeraars, Schürer, Gesch. des jüd. Volkes
-II³ 199. Jezus legde de handen op, om te genezen, Mt. 8:15, 9:18, Mk.
-5:23 cf. 2 Kon. 4:34, 5:11 en te zegenen, Mt. 19:15, (Luk. 24:50),
-en het volk hechtte daaraan groote waarde, Mt. 9:18, Mk. 5:23, 7:32,
-maar nergens lezen wij, dat Hij alzoo ook deed bij de aanstelling tot een
-ambt. Zijne apostelen stelde Hij alleen aan met het woord, zonder eenige
-ceremonie, Mt. 10:1v., 28:19. Bij de aanstelling van Matthias, Paulus,
-Barnabas, Silas, Lukas enz. wordt nergens van eene handoplegging
-melding gemaakt; een algemeen gebruik bij de inleiding tot een kerkelijk
-ambt was zij zeker niet. Maar de handoplegging had plaats bij genezing,
-Hd. 9:12, 17, bij meedeeling van de gave des Geestes, Hd. 8:17-19, bij
-de aanstelling van diakenen, 1 Tim. 4:14, 2 Tim. 1:6; volgens 1 Tim.
-5:22 was zij bij de ordinatie tot een kerkelijk ambt algemeen in gebruik
-en volgens Hebr. 6:2 behoort zij tot de eerste beginselen der leer van
-Christus. Doch eene reëele mededeeling van de geestelijke ambtsgaven
-was zij niet. Want Hd. 6:3 leert, dat de diakenen, die verkozen werden,
-van te voren reeds moesten zijn vol des H. Geestes en der wijsheid. In
-Hd. 13:3. geschiedt de handoplegging niet bij de ordening, maar bij de
-uitzending van Barnabas en Paulus, die te voren reeds in het ambt
-stonden. Volgens 1 Tim. 1:18, 4:14 werd de aanstelling van Timotheus
-tot evangelist door profetische getuigenissen en door handoplegging
-van het presbyterium bekrachtigd. En wel wordt 2 Tim. 1:6 de ambtsgave
-gedacht als geschied δι ἐπιθεσεως, maar 1 Tim. 4:14 zegt, dat zij
-geschonken werd δια προφετειας en μετα ἐπιθεσεως; een bewijs daarvoor,
-dat profetie en handoplegging niet de oorsprong van de gaven waren,
-maar het middel, waardoor zij in den dienst der gemeente overgeleid
-en daarvoor bestemd werden. Van de apostelen ging dit gebruik der
-handoplegging over in de christelijke kerk, die haar toepaste bij den
-doop, bij genezing, bij de wederopname van gevallenen en ketters, bij het
-huwelijk, bij de boete en bij de ordening. In het laatste geval werd het
-recht, om haar toe te passen, in later tijd alleen aan den bisschop
-toegekend en als verleening van eene bijzondere ambtsgave opgevat.
-Tegenover Gnosticisme en Montanisme toch werd de waarheid der kerk
-daarmede betoogd, dat de bisschoppen in de gemeenten, die door de
-apostelen werden gesticht, de bewaarders der zuivere traditie waren.
-Zij hadden deze zelven van de apostelen ontvangen en ongeschonden aan
-hunne opvolgers overgegeven. De successio ab initio decurrens, met 2
-Tim. 2:2 betoogd, leverde daarvoor den waarborg, want het ambt sloot
-de meedeeling van een bijzonderen ambtsgeest in, dien de ambtsdrager
-behoudt ook al is hij persoonlijk nog zoo goddeloos. De handoplegging was
-in de oude kerk zeker gebruikelijk bij de ordening tot presbyter, diaken
-en de lagere ambten, ging altijd met gebed gepaard en werd nog langen
-tijd opgevat als symbolisch teeken van de meedeeling der ambtsgave.
-Manus impositio, quid est aliud nisi oratio super hominem? Aug. de
-bapt. 3, 16. Maar allengs werd zij beschouwd als een sacrament, dat
-ex opere operato een character indelebilis aanbracht, Trid. 23 c. 7.
-de ref. c. 3. 10. Cat. Rom. II 7, 29. Bellarminus, de clericis I 14.
-De Lutherschen verwierpen ze eerst, maar namen ze later weer op en
-kenden er soms groote waarde aan toe, Apol. Conf. art. 13, cf. Herzog²
-11, 80. De Gereformeerden oordeelden eenparig, dat de handoplegging
-geen bevel van Christus en dus niet volstrekt noodzakelijk was. Maar
-terwijl sommigen haar nuttig, eerbiedwaardig en navolgenswaard achtten,
-Calvijn, Inst. IV 3, 16. 14, 20. 19, 31, Aretius, Spanheim, Koelman,
-Pligt der ouderl. en diakenen 1889 bl. 53v., hielden anderen haar voor
-een adiaphoron en ontrieden haar gebruik uit vrees voor superstitie,
-Syn. Emden art. 16. Dordr. 1574 art. 24 Midd. 1581 art. 4. Dordr. 1578
-art. 5. Voetius, Pol. Eccl. III 452. 579. Moor V 352-356. VI 327-331.
-M. Vitringa IX 209. 353-357. Een wezenlijk element van de ordening is
-zij niet, want noch bij Jezus zelf, noch bij de apostelen, noch ook bij de
-ouderlingen, Hd. 14:23, 20:28, wordt er eenige melding van gemaakt. Ook
-kan en mag zij niet opgevat worden als mechanische mededeeling van een
-bijzonderen ambtsgeest. Want zij schenkt niet doch onderstelt naar de
-Schrift de voor het ambt vereischte charismata. Zij is ook niet met de
-verkiezing of roeping tot het ambt identisch maar volgt daarop en kan
-daarom niet anders zijn dan eene openbare aanwijzing van dengene, die tot
-een ambt geroepen is, en eene plechtige inleiding en bestemming tot dat
-ambt. Evenals het trouwen voor de overheid het wezen van het huwelijk
-niet is en de kroning den koning niet maakt, zoo is ook de ordinatio,
-met of zonder handoplegging, geen mededeeling van het ambt of van een
-ambtsgeest. Zij is alleen de plechtige, openlijke verklaring voor God
-en zijne gemeente, dat de geroepene langs wettigen weg en mitsdien
-van Godswege gezonden wordt, dat hij de vereischte gaven bezit en als
-zoodanig door de gemeente ontvangen, erkend en geëerd moet worden. Cf.
-Sohm, Kirchenrecht 56 f. Art. Handauflegung en Ordination in Herzog.
-Zahn, Einl. in das N. T. I 465. Achelis, Lehrb. der prakt. Theol.
-Leipzig 1898 I 139-173.
-
-
-9. Over het aantal ambten, dat Christus in zijne gemeente ingesteld
-heeft, bestaat er in de christelijke kerk groot verschil. In den
-apostolischen tijd was uit den aard der zaak de grens tusschen
-buitengewone en gewone ambten en zoo ook tusschen ambten en gaven nog
-niet scherp getrokken. Maar de hierarchische ontwikkeling, die met
-het opkomen van het episcopaat een aanvang nam, beroofde de gemeente
-van alle vrijheid en zelfstandigheid en zonderde de ambten door eene
-breede klove van haar af. De leden der gemeente werden de laici, die,
-van alle regeering uitgesloten en voor hun zaligheid van priester en
-sacrament volstrekt afhankelijk, niets hebben te doen dan te luisteren
-en te gehoorzamen. En door een speciaal karakter en een bijzonderen
-ambtsgeest van hen gescheiden, staan hoog boven hen de clerici, die
-een afzonderlijken stand vormen, door successie zich voortplanten,
-en ook zonder een bepaalden dienst in de gemeente tot de klasse
-der geestelijken kunnen behooren. Deze clerici zijn in twee rangen
-verdeeld, ordines minores (non sacri) en ordines majores (sacri).
-De ordines minores, waartoe de acoluthi, exorcistae, lectores en
-ostiarii behooren, waren eerst vrijwillige diensten van gemeenteleden
-maar werden in de eerste helft der derde eeuw in Rome georganiseerd
-tot lagere ambten, wijl zij tot het heilige in betrekking stonden en
-daaraan in mindere of meerdere mate deel hadden; hoewel dikwerf alleen
-in naam, zijn zij ook thans nog voorbereiding voor de hoogere ambten,
-Sohm, Kirchenrecht 128. Moeller-von Schubert, Kirchengesch. I 370.
-Wieland, Die genet. Entw. der sogen. ordines minores in den 3 ersten
-Jahrh., Freiburg Herder 1897 en daarbij Schürer’s Theol. Lit. Z. 1898
-n. 1. Reeds bij de ordines minores komt het streven voor den dag, om
-ze van de gemeente los te maken en ze in te lijven in de kerkelijke
-hierarchie. Maar veel sterker is dit bij de ordines majores het geval.
-Deze omvatten de drie ambten van bisschop, presbyter en diaken, maar
-van deze drie is eigenlijk het bisschoppelijk ambt alleen overgebleven.
-In dit episcopaat zijn wel allerlei onderscheidingen aangebracht van
-jurisdictie en digniteit, zoodat men spreekt van aartsbisschoppen,
-patriarchen, metropolieten enz., maar deze onderscheidingen maken
-op de eenheid en het wezen van het bisschoppelijk ambt geen inbreuk.
-Zelfs het pauselijk ambt is essentieel een bisschopsambt, slechts tot
-de gansche kerk uitgebreid en daartoe met bijzondere gaven toegerust,
-niet hieratisch maar alleen hierarchisch van het gewone bisschopsambt
-verschillend. Dit bisschoppelijk ambt is in de Roomsche kerk eigenlijk
-het eene, ware ambt. Nadat het in de tweede eeuw uit het presbyteraat
-zich ontwikkeld had, trok het de leer, de traditie, de jurisdictie aan
-zich, scheidde zich door successie, tonsuur, coelibaat van de gemeente
-af en maakte presbyters en diakenen allengs tot zijne organen. Nog
-binnen den kring des N. Test. treffen wij aan het hoofd der gemeente
-een raad van presbyters, een presbyterium, aan, 1 Tim. 4:14, en zulk
-een raad bleef, ook nadat een hunner tot bisschop zich verheven had,
-nog lang om hem heen bestaan. Maar deze raad verloor meer en meer
-elken band met de gemeente, werd een kapittel van den bisschop en
-diende, om onder hem krachtens eene door hem verleende volmacht als
-bedienaars van het heilige, vooral van het sacrament, op te treden.
-Evenzoo veranderde spoedig het diakonaat geheel van karakter. Toen de
-priester- en offeridee ingang vond, werd het διακονειν τραπεζαις, Hd.
-6:2, niet meer van de verzorging der behoeftigen maar van hulpdienst bij
-de eucharistie verstaan. De bisschop werd hoogepriester, de presbyters
-werden priesters en de diakenen werden levieten, die, de armenzorg
-aan particulieren en kloosterorden overlatende, den bisschop ter
-zijde stonden bij de bediening der mis. Terwijl op deze wijze presbyters
-en diakenen geheel en al van de gemeente afgezonderd en tot organen
-van den bisschop werden gemaakt, is deze zelf bepaaldelijk door ééne
-macht van alle andere onderscheiden. Het bisschoppelijk ambt is een
-priesterlijk ambt, maar verbonden met de macht om het voort te planten,
-met de vis generativa sacerdotii; het waarborgt het voortbestaan van
-het sacerdotium en dus de voortplanting van de kerk. De bisschop is het
-punctum saliens in de kerk; leeken, diakenen, presbyters kunnen tijdelijk
-ontbreken maar de bisschop niet; waar hij is, is de kerk, want hij is de
-drager der leer, de voortplanter der priesterschap. De presbyters zijn
-ook priesters, bevoegd om de sacramenten te bedienen, maar zij mogen
-niet ordenen, zij missen de vis generativa sacerdotii, hun priesterschap
-is onvruchtbaar, zij zijn dienaren en helpers van den bisschop, omdat
-deze niet overal kan zijn en niet alles kan doen. Presbytoraat en
-diakonaat zijn bij Rome verlengstukken van het episcopaat; het zijn drie
-graden in het ééne sacerdotium, niet geco- maar gesubordineerd. De
-presbyter is ook diaken, de bisschop is ook presbyter; telkens stijgt de
-ambtsgave een trap hooger, totdat zij culmineert in den bisschop, of,
-gelijk de volgende paragraaf zal aanwijzen, in den paus. Cf. Thomas, S.
-Theol. suppl. qu. 34-40. Lombardus e. a. op Sent. IV dist. 24. Bonav.,
-Brevil. VI 12. Conc. Trid. sess. 23. Cat. Rom. II c. 7. Bellarminus, de
-clericis I c. 11 sq. Dens, Theol. VII 50 sq. Oswald, Die dogm. Lehre v.
-d. h. Sakr. II² 315-335. Seydl, Der Diakonat, Regensburg 1884. Vering,
-Lehrb. des kath. orient. und prot. Kirchenrechts³, Freiburg 1893 S. 558
-f., enz.
-
-Tegenover deze hierarchie stelde Luther zich tevreden met de
-herstelling van het oorspronkelijk predikambt. Wel achtte hij tot
-oefening der tucht een raad van oudsten en tot verzorging der armen
-een raad van diakenen noodig. Maar deze ambten werden toch van wege de
-ongelegenheid der tijden niet hersteld; zij waren ook niet zoo noodig
-als het episcopale, geestelijke predikambt, het Pfarramt, dat het
-voornaamste ambt is en waardoor Christus in het bijzonder zijne kerk
-regeert. Het ouderlingen- en diakenambt werden daarom in de Luthersche
-kerk vervangen door consistorie en kerkvoogdij; de Roomsche ordines
-maakten plaats voor den ordo ecclesiasticus, politicus en oeconomicus.
-Cf. Köstlin, Luthers Theol. II 538 f. Conf. Aug. en Apol. art. 5.
-14. 28. Gerhard, Loc. XXIII vooral § 232. 233. Sohm, Kirchenrecht
-460-542. Achelis, Lehrb. d. prakt. Theol. I² 60 f. Daarentegen is de
-presbyterale kerkregeering te danken aan Calvijn. Wel werden er reeds
-vóór hem, o. a. door Oecolampadius te Bazel in 1530 pogingen beproefd,
-om ten behoeve der kerkelijke tucht het ambt van oudsten in te stellen,
-maar Calvijn heeft dit toch het eerst uitgevoerd en het ouderlingenambt
-tot een kenmerk der Gereformeerde kerkregeering gemaakt, Lechler,
-Gesch. der Presb. u. Syn. Verfassung, Leiden 1854 en art. Presbyter in
-Herzog². Hij ging daarbij uit van het woord Gods. Want al is het ook, dat
-karakter en omstandigheden Calvijns oog openden voor de beteekenis der
-ambten in de H. Schrift, toch is de presbyterale kerkregeering door
-hem niet uit eenig abstract beginsel maar uit het woord Gods afgeleid
-en op zijn gezag in de kerk ingevoerd. In den nieuweren tijd is men wel
-van een Gemeindeprinzip gaan spreken en heeft men daaruit een soort van
-presbyterale en diakonale ambten opgebouwd; eene gemeente had recht,
-om zichzelve te regeeren, evenals op staatkundig gebied het volk hoe
-langer hoe meer invloed op de regeering verkrijgt, zoo Stahl en vele
-jongere kerkordeningen bij Rieker, Grundsätze ref. Kirchenverf. 130 f.,
-en evenzoo had eene gemeente organen, d. i. diakenen en diakonessen
-noodig tot uitoefening van het werk der inneren Mission, Paul Wurster,
-Die Lehre v. d. inneren Mission, Berlin 1895 S. 128 f. Maar dit is eene
-gansch andere voorstelling, dan die men bij Calvijn en de Gereformeerden
-aantreft. Al is het ook, dat zij de regeering der kerk daarmede
-aandringen, dat zij anders evenmin als een volk of eene maatschappij kan
-bestaan, Calvijn, Inst. IV 11, 1. a Lasco, Op. II 45; toch leiden zij
-de ambten niet uit de gemeente maar uit de instelling van Christus
-af. De kerk als gemeenschap der heiligen is niet autonoom; zij is niet
-vrij, om zich al dan niet, zoo of anders in te richten, maar zij is ook
-op dit punt aan het woord Gods gebonden en vindt daarin de beginselen
-aangewezen en de lijnen getrokken, welke zij bij de regeering der kerk te
-volgen heeft. Het was algemeene overtuiging, dat de regeering der kerk
-in substantie op een jus divinum berusten moest, Calvijn, Inst. IV 3,
-1. 4, 1. Conf. Gall. 25. 29. Belg. 30. Helv. II 18, vooral de Westm.
-synode bij Neal, Historie der Purit. II 1 bl. 182v. Maar daarbij verloor
-men toch niet uit het oog, dat de Schrift geen wetboek was, noch in
-allerlei bijzonderheden afdaalde en zeer veel aan de vrijheid der kerken
-overliet, Syn. Wezel I 9. 10. Emden 19-21. Westm. I 6. Zelfs over de
-ambten, welke Christus in zijne kerk ingesteld had, was er niet gering
-verschil. Vooreerst waren er, die tegen een episcopaat in den zin van
-eene superintendentuur geen bezwaar hadden, a Lasco, Op. II 51. 57.
-Knox, First Book of Discipline, cf. Saravia, Scultetus, Bochartus,
-Spanheim Jr., Tilenus, Forbesius a Corse e. a. bij M. Vitringa IX
-210 sq. Dan was er verschil over, of het doctorenambt, opgevat als
-professoraat in de theologie, een afzonderlijk, kerkelijk ambt vormde dan
-wel of het, wijl van geen apostolische instelling, slechts in ruimer zin
-zoo genoemd kon worden, cf. mijne rede over het Doctorenambt, Kampen
-1899. Vervolgens spraken, afgedacht van het doctoraat, sommigen liever
-van drie ambten pastor, presbyter en diaken, Calvijn, Ordonn. eccl. Syn.
-Wezel c. 2. 4. 5. Emden 13. 14. Dordr. 12v. Midd. 2. ’s Grav. 2. Dordr.
-2; anderen noemden twee ambten, presbyter en diaken en verdeelden dan
-het eerste in leer- en regeerouderlingschap, a Lasco Op. II 51 en vele
-Schotsche en Amerikaansche kerkenorden, bij Rieker, Grundsätze ref.
-Kirchenverf. 104; zelfs waren er, die de presbyterale kerkregeering wel
-nuttig maar niet krachtens een jus divinum noodzakelijk vonden en de
-onderscheiding van leer- en regeerouderlingen verwierpen, Cappellus,
-Theses Salm. III 330. Burmannus, Synopsis VIII 7, 41v. e. a. bij M.
-Vitringa IX 235 sq. Voorts werd de onderscheiding van diakenen in die
-voor armen en voor kranken door Calvijn wel ingevoerd, Inst. IV 3, 9
-maar slechts zelden overgenomen, Zanchius, Op. IV 767. Syn. Wezel. c.
-5; en door anderen het ambt van diakonessen hersteld, Junius, Op. I
-1567. Walaeus, Op. I 466. Voetius, Pol. Eccl. II 508 sq. 529; en ook
-was volgens sommigen in Hd. 6 niet de instelling van het diakonaat
-bericht en dit ambt daarom niet van Goddelijken oorsprong, Cappellus
-e. a. bij M. Vitringa IX 277 sq. En eindelijk was er nog verschil over
-de wijze van verkiezing, over het bekleeden van een ambt zonder een
-bepaalden dienst in de gemeente, Heidegger, Corpus Theol. II 571, over
-het nut der handoplegging, zoowel in het algemeen als vooral bij de
-bevestiging van ouderlingen en diakenen, Voetius, Pol. Eccl. III 466,
-over de herhaling van de bevestiging bij herbenoeming van ouderlingen
-en diakenen, Moor VI 329, M. Vitringa IX 361, over den duur van het
-ouderlingschap, Rutgers in de Heraut 944-948 enz. De behandeling van al
-deze onderwerpen hoort in het kerkrecht thuis. Maar zooveel mag veilig
-gezegd, dat de Gereformeerden, door de herstelling van het ouderlingen-
-en het diakenambt naast dat van den dienaar des woords, het zuiverst
-de gedachte der Schrift hebben gegrepen en het krachtigst de rechten
-der gemeente hebben erkend. Over de kerk is Christus alleen koning;
-hare regeering is in het onzichtbare strikt monarchaal. En koning was
-Hij niet alleen in het verleden, maar Hij is het nog. Van uit den hemel
-regeert Hij zijne gemeente op aarde door zijn Woord en zijn Geest, door
-zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid. Deze drie
-ambten zet Hij op aarde voort, niet uitsluitend maar toch ook door
-middel van de ambten, die Hij ingesteld heeft. In het zichtbare is zijne
-regeering niet democratisch noch monarchaal noch oligarchisch, maar
-aristocratisch-presbyteraal. Het zijn de ἀριστοι, de besten, niet in
-geld en goed maar in geestelijke gaven, die Hij zelf bekwaamt en door de
-gemeente voor zijnen dienst aanwijzen laat. Door hen zorgt Hij voor de
-geestelijke en voor de stoffelijke belangen van zijne gemeente. Door het
-leeraarsambt onderwijst Hij, door het ouderlingenambt leidt Hij, door het
-diakenambt verzorgt Hij zijne kudde; en door alle drie bewijst Hij zich
-te zijn onze hoogste profeet, onze eeuwige koning en onze barmhartige
-hoogepriester.
-
-
-§ 49. DE MACHT DER KERK.
-
-1. De kerk behoort evenmin als de staat tot de oorspronkelijke
-instellingen van het menschelijk geslacht. De oudste vorm van
-samenleving was de familie, waarin het burgerlijk en het godsdienstig
-leven nog ineengestrengeld lagen en onder leiding stonden van den
-vader of aartsvader, die profeet, priester en koning was in zijn gezin.
-De zonde echter maakte voor het behoud van het menschelijk geslacht
-de instelling van kerk en staat noodzakelijk. In het gebod van de
-doodstraf op menschenmoord, Gen. 9:6, stelt God principieel de overheid
-in; en deze treedt dan ook weldra na den torenbouw onder de leiding
-van Gods voorzienigheid bij alle volken op, in welke de menschheid
-verdeeld wordt. Zoodra er eene overheid opstaat, komt er vanzelf ook
-eene zekere onderscheiding en scheiding tusschen het burgerlijke en
-het godsdienstige leven; naast de vorsten treden er priesters op.
-Daarmede is dan vanzelf de mogelijkheid van botsing gegeven; de grenzen
-worden bij de volken telkens verschillend getrokken en de banden op
-onderscheidene wijze gelegd. Terwijl in het Oosten over het algemeen
-de macht der vorsten aan de priesterschap onderworpen is, is in het
-Westen, bij Grieken en Romeinen, de godsdienst een politiek belang en
-zijn de priesters beambten van den staat. Eene volkomene scheiding kwam
-in de oudheid nergens voor; een neutrale staat is daar ten eenenmale
-onbekend. De staat onderhoudt en beschermt den godsdienst, desnoods
-met verbanning en doodstraf (Socrates), want deze is de grondslag
-en waarborg van zijn eigen bestaan. Ook Israel was van huis uit
-patriarchaal ingericht en in huisgezinnen, familiën, geslachten en
-stammen ingedeeld. Onder de koningen bleef de genealogische indeeling
-bestaan en gaf aan de staatsinrichting een democratischen stempel,
-zoodat de hoofden der stammen enz. in de volksvergaderingen over
-gewichtige zaken te beslissen hadden. Reeds onder dezen patriarchalen
-regeeringsvorm was er onderscheid tusschen burgerlijke en godsdienstige
-belangen, tusschen Mozes en Aaron, tusschen schrijvers, שֹׁטְרִים en
-richters, שֹׁפְתִים, ter eene, en priesters en levieten ter andere
-zijde. Alleen in het opperste gerechtshof, dat te Jeruzalem gevestigd
-was en over zeer moeilijke gevallen te oordeelen had, hadden ook
-priesters zitting, Deut. 17:8-13, 19:17, 18. Onjuist is het daarom,
-te zeggen, dat onder Israel kerk en staat één waren. Beide waren in
-wetten, instellingen, ambten, ambtsdragers, en ten deele zelfs in
-leden duidelijk van elkaar onderscheiden, cf. Hoedemaker, Kerk en Staat
-in Israel, in het tijdschrift Troffel en Zwaard 1898 bl. 208-237. De
-priesters moesten dienen in den tempel, met de offeranden des volks
-tot God naderen, aan het volk Gods genade en zegen uitdeelen, en
-het onderwijzen in de wet, Lev. 9:22, 10:11, 21:8, Num. 6:22, 16:5,
-Ezech. 44:23, maar zij moesten ook voor zichzelf offeren, Lev. 9:7,
-16:6, waren gebonden aan de wet, Deut. 33:10, Jer. 18:18 en voor hun
-levensonderhoud van het volk afhankelijk, Lev. 23:10, Num. 18:8-32
-enz. Ook hadden zij geen geheime leer of kunst, geen staatkundige of
-burgerlijke macht, geen hierarchische heerschappij; een priesterstaat
-is Israel nooit geweest, de vrijheid des volks was op alle manier
-tegenover den priesterstand gewaarborgd. De profeten traden vrij op,
-hadden het woord Gods te verkondigen, moesten zonder sparen aan
-Israel zijne zonden bekend maken en volk en overheid Gods oordeelen
-aanzeggen, maar zij hadden geen andere macht dan de macht van het
-woord. Vreemdelingen konden door de besnijdenis Israel worden ingelijfd,
-Ex. 12:48, en onreinen en melaatschen bleven burgers, ook al werden
-zij tijdelijk afgezonderd. Ondanks de scheuring had de godsdienstige
-eenheid des volks op zichzelve zeer goed kunnen blijven bestaan. Maar
-het eigenaardige van Israels inrichting bestond nu daarin, dat al deze
-wetten, ambten en instellingen door God gegeven en gehandhaafd werden;
-Israel was eene theocratie; God was zijn wetgever, rechter en koning,
-Jes. 33:22. Er was daarom op geen enkel gebied in Israel plaats voor
-eene onafhankelijke souvereiniteit; ook de koning mocht geen despoot
-zijn, maar moest door God verkozen, uit het midden der broederen genomen
-en aan Gods wet gebonden worden, Deut. 17:14-20, 1 Sam. 10:25. Boven
-alle ambten, instellingen en personen stond de wet Gods, die heel het
-leven van Israel regelde en door allen zonder onderscheid gehouden
-moest worden; Israel moest een heilig volk en een priesterlijk koninkrijk
-zijn, Ex. 19:3, Deut. 7:6. Daaruit vloeit voort, dat, zonder dat het
-onderscheid tusschen burgerlijk en godsdienstig leven werd uitgewischt,
-de overheid toch ook op haar terrein de wet Gods had te handhaven.
-Afgoderij, beeldendienst, tooverij, Godslastering, Sabbatschennis enz.,
-alle zonden tegen de eerste tafel, werden daarom menigmaal met den
-dood gestraft, Ex. 22:18, 20, Lev. 20:2, 6, 27, 24:11-16, Num. 25:5,
-7, Deut. 13:1-5, 17:2-7, 18:9-12, 20, 1 Kon. 15:12, 18:40, 2 Kon. 9:7,
-24, 33, 10:6, 11, 17, 18v., 11:15, 12:2, 18:4, 2 Chr. 15:13, 17:6,
-29:10, 31:1, 34:5, 33. De godsdienst was eene nationale zaak, zonde was
-misdaad, overtreding van de eerste tafel der wet was verbreking van
-het verbond. Maar daarbij dient toch bedacht, dat de wet slechts zeer
-weinige, algemeene regelen gaf, en de voltrekking der straf dikwerf aan
-God zelven overliet; dat het dooden van de Kananieten, van Agag, van
-Achabs huis op zichzelf staande gevallen waren, dat Jehu’s ijver veel
-verder ging dan het gebod Gods, dat de reformatie der koningen zich
-meest bepaalde tot het uitroeien der afgodsbeelden en tot herstel van
-den publieken dienst van Jahveh, dat ongeloof en ketterij onder Israel
-door geen inquisitie werden opgespoord en menigvuldig voorkwamen,
-dat gewetensdwang ten eenenmale onbekend was, dat vreemdelingen, op
-voorwaarde van zich te onthouden van publieke schennis van Israels
-godsdienst, niet alleen geduld maar ook met voorkomendheid werden
-behandeld, dat priesters en profeten nooit opwekten tot vervolging
-van de goddeloozen maar alleen hen vermaanden tot bekeering, bijv.
-ook in Ps. 2:10, en van God zelven de staatkundige en godsdienstige
-overwinning van Israel over al zijne vijanden verwachtten. Daarom kon
-ook, toen Israel meer en meer zijne politieke zelfstandigheid verloor,
-de godsdienstige gemeente blijven bestaan en zich op eigene wijze
-organiseeren. Al breidde de macht van priesters en hoogepriester na
-de ballingschap zich gaandeweg uit, straks kregen zij in farizeën en
-schriftgeleerden gevaarlijke concurrenten; in de synagoge werd het
-godsdienstig leven zelfstandig, niet alleen tegenover den staat, maar
-ook tegenover tempel en priesterschap; en heel dat leven werd meer
-en meer geconcentreerd om de wet, wier onderwijzing het hoofddoel der
-synagoge was, Mt. 4:23, Mk. 1:21 enz. Hd. 15:21, 2 Tim. 3:15. Die wet,
-of ruimer genomen, de Oudtest. Schrift was grondslag, middelpunt, bron
-van Israels godsdienstig leven; eene andere macht bezat het niet, dan
-die er lag in dat Woord. Vandaar dat het zich daaraan vastklemde met
-angstvallige nauwgezetheid en allen, die er niet naar wilden leven,
-door den ban גִּדּוּי‏‎, ‎‏חֵרֶםַ‏‎, ‎‏שַׁמַּתָא uit zijn midden wegdeed
-en zonder of met anathematismen, voor een tijd of voor goed buiten de
-gemeente sloot, Luk. 6:22, Joh. 9:22, 12:42, 16:2. Cf. Schürer, Gesch.
-d. jüd. Volkes im Zeitalter J. C. II³ passim, vooral 428 f.
-
-
-2. Toen Jezus, komende tot het zijne, door de zijnen niet aangenomen
-werd, organiseerde Hij zijne discipelen tot eene ἐκκλησια, die hopend
-en lijdend zijne tweede komst en de overwinning van al zijne vijanden
-verbeiden moest. Deze gemeente toont in inrichting en cultus wel
-eenige overeenkomst met de synagoge, maar is toch eene nog vrijere
-en meer zelfstandige organisatie van het nieuwe leven, dat Christus
-aan het licht gebracht had. Immers kan er geen twijfel over bestaan,
-of Christus zulk eene gemeente gesticht en haar eene zekere macht
-toebetrouwd heeft. Zelf toch spreekt Hij van haar als zoo hecht op eene
-rots gebouwd, dat de poorten der hel niets tegen haar zullen vermogen,
-Mt. 16:18, en voorts geeft Hij aan die gemeente ambten, bedieningen,
-instellingen, gaven, Rom. 12:6v., 1 Cor. 12-14, Ef. 4:11, die er
-alle op wijzen, dat zij een eigen, vrij, onafhankelijk bestaan en eene
-zelfstandige inrichting heeft. Maar deze macht, welke Christus aan
-zijne gemeente verleent, draagt een bijzonder karakter. Zij bestaat in
-niets anders maar ook in niets minder dan in de macht der sleutelen,
-die door Christus het eerst aan Petrus toebedeeld werd, Mt. 16:19.
-Nadat Petrus eerst om zijne belijdenis van Jezus’ Messianiteit eene
-rots was genoemd, op welke Christus zijne gemeente zou bouwen, stelde
-Hij hem daarna in vers 19 tot οἰκονομος van het koninkrijk der hemelen
-aan en droeg de sleutelen van dat rijk aan hem over. Sleutelen zijn een
-teeken van heerschappij, Jes. 22:22, Luk. 11:52, Openb. 1:8, 3:7, 9:1,
-20:1, en duiden hier de macht van Petrus aan, om het koninkrijk der
-hemelen te openen en te sluiten, d. i. om te bepalen, wie er in komen
-zal en wie niet. Zijn oordeel toch zal ook in den hemel gelden; wat hij
-binden of ontbinden (losmaken, bevrijden) zal, zal ook door God alzoo
-gerekend worden. In deze woorden wordt aan Petrus geen wetgevende macht
-geschonken, maar wel eene oordeelende of richtende; omdat hij belijder
-van Jezus als den Christus is, heeft hij in die belijdenis een maatstaf
-om te bepalen, wat tot de gemeente al dan niet behoort en dus al dan
-niet in het koninkrijk der hemelen zal ingaan. In Mt. 18:18 krijgt de
-gemeente in het algemeen de macht, om een onboetvaardige als een heiden
-en tollenaar te beschouwen, want haar oordeel is in de hemelen van
-kracht. En in Joh. 20:24 ontvangen al de apostelen, op grond van de hun
-in vers 22 geschonken Geestesgave, de macht, om der menschen zonden
-los te laten of vast te houden. Hieruit blijkt duidelijk, dat de macht
-der gemeente en bepaaldelijk van Petrus en de apostelen bestaat in het
-uitspreken van een rechterlijk oordeel over der menschen verhouding tot
-het koninkrijk der hemelen naar den maatstaf van de belijdenis van Jezus
-als den Christus en de gave des H. Geestes. Deze macht wordt in het N.
-T. telkens nader omschreven. Zij is geen autoritaire, onafhankelijke,
-souvereine heerschappij, Mt. 20:25, 26, 23:8, 10, 2 Cor. 10:4, 5, 1
-Petr. 5:3, maar een διακονια, λειτουργια. Hd. 4:29, 20:24, Rom. 1:1
-enz., gebonden aan Christus, die alle macht heeft in hemel en op
-aarde, Mt. 28:18, die het eenige hoofd der gemeente is, Ef. 1:22 en
-die als zoodanig alle gaven en ambten uitdeelt, Ef. 4:11; gebonden aan
-zijn Woord en Geest, door welke Christus zelf zijne gemeente regeert,
-Rom. 10:14, 15, Ef. 5:26, en uitgeoefend in zijn naam en kracht, 1
-Cor. 5:4. Zij is daarom wel eene macht, eene wezenlijke veelomvattende
-macht, bestaande in de bediening van woord en sacrament, Mt. 28:19,
-in de opening en sluiting van het koninkrijk der hemelen, Mt. 16:19,
-in het vergeven of houden der zonden, Joh. 20:20, in het oefenen van
-tucht over de leden der gemeente, Mt. 16:18, Rom. 16:17, 1 Cor. 5:4,
-2 Thess. 3:6, Tit. 3:10, 2 Joh. 10, 2 Tim. 2:17, Hebr. 12:15-17, Op.
-2:14, in het onderscheiden aller dingen, 1 Cor. 2:15, in het leeren,
-vertroosten, vermanen enz. der broederen, Col. 3:16, in het aanleggen
-der gaven ten nutte van anderen, Rom. 12:4-8, 1 Cor. 12:12v., in het
-doen van wonderen, Mk. 16:17, 18 enz. Maar al deze macht is geestelijk,
-zedelijk van aard, wezenlijk onderscheiden van alle andere macht, welke
-God aan menschen over menschen of over andere schepselen in gezin,
-maatschappij, staat, kunst, wetenschap geschonken heeft. Jezus toch
-is niet anders opgetreden dan als Christus, als profeet, priester en
-koning; een ander ambt heeft Hij niet bekleed, eene andere betrekking
-heeft Hij niet waargenomen. Hij was geen huisvader, geen geleerde,
-geen kunstenaar, geen staatsman; Hij heeft alle ordinantiën en werken
-des Vaders geeerbiedigd en kwam alleen, om de werken des duivels te
-verbreken, 1 Joh. 3:8. Zijn koninkrijk had in deze wereld zijn oorsprong
-niet, Joh. 18:36. En daarom erkent Hij alle overheid, hoogepriester,
-sanhedrin, Herodes, Pilatus enz., betaalt Hij de belasting, Mt. 17:24,
-weigert scheidsrechter te wezen tusschen twee broeders, die twisten
-over eene erfenis, Luk. 12:14, beveelt den keizer het zijne te geven,
-Mt. 22:21, bestraft Johannes, die vuur wil doen nederdalen van den
-hemel, Luk. 9:55, en Petrus, die Malchus het oor afhouwt, Joh.
-18:10, verbiedt dat zijne jongeren voor zijn naam en zaak strijden met
-het zwaard, Mt. 26:52. Het evangelie van Christus bindt nooit den
-strijd tegen de natuur als zoodanig aan, het kwam niet om de wereld
-te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3:16, 17; het laat huisgezin,
-huwelijk, verhouding van ouders en kinderen, van heeren en dienstbaren,
-van overheid en volk onaangetast; het vindt niets verwerpelijks in
-zichzelve en alle schepsel goed, indien het met dankzegging genomen
-wordt en geheiligd door het woord van God en door het gebed, 1 Tim.
-4:4; het laat een iegelijk blijven in de roeping, in welke hij geroepen
-werd, 1 Cor. 7:12-24, 1 Thess. 4:11, leert de overheid eerbiedigen,
-Rom. 13:1, 1 Tim. 2:2, 1 Petr. 2:13, en laat zelfs de slavernij
-bestaan, 1 Cor. 7:22, Philem. 11. Zelfs als het gebiedt, Gode meer te
-gehoorzamen dan den menschen, predikt het alleen lijdelijk verzet, Hd.
-4:19, 5:29. Maar desniettemin, schoon van alle revolutie afkeerig, is
-het des te meer op reformatie gesteld. Het bindt nooit tegen de natuur
-als zoodanig, maar wel overal en altijd, op ieder terrein en tot in de
-verborgenste schuilhoeken toe tegen de zonde en de leugen den strijd
-aan. En zoo predikt het beginselen, die niet langs revolutionairen maar
-langs zedelijken en geestelijken weg overal doorwerken en alles hervormen
-en vernieuwen. Terwijl het naar Jezus’ bevel gepredikt moet worden aan
-alle creaturen, Mk. 16:15, is het eene kracht Gods tot zaligheid een
-iegelijk die gelooft, Rom. 1:16; een tweesnijdend scherp zwaard, dat
-doordringt tot de verdeeling der ziel en des geestes, Hebr. 4:12; een
-zuurdeesem, die alles doorzuurt, Mt. 13:33; een beginsel, dat alles
-herschept; eene macht, die de wereld verwint, 1 Joh. 5:4.
-
-
-3. Deze apostolische leer van de kerkelijke macht bleef geruimen tijd in
-de christelijke kerk erkend. Het kwam eerst in de gedachte niet op, dat
-de arme, kleine gemeente nog eens eene wereldkerk zou worden, die aan
-vorsten en volken de wetten voorschreef. Alwat men begeerde, was, om
-onder de heidensche overheid een gerust en stil leven te mogen leiden
-in alle godzaligheid en eerbaarheid. Maar toen de kerk tot aanzien
-en heerschappij kwam, werd ook hare macht gansch anders opgevat. De
-ontwikkeling van episcopaat en traditie, van priester- en offeridee
-bracht mede, dat de ordinatie als eene sacramenteele handeling werd
-beschouwd, die, door den bisschop verricht, den ambtsgeest mededeelde
-en tot het voltrekken der kerkelijke ceremoniën recht en bevoegdheid
-schonk. En hoewel de sleutelmacht, in Mt. 16:18 aan Petrus geschonken,
-door combinatie met Mt. 18:18 en Joh. 20:23 in den eersten tijd van de
-vergeving der zonden verstaan werd, Cypr. de unit. eccl. 4. Ep. 75,
-16, kreeg zij vooral door het sacrament der boete allengs een juridisch
-karakter. De macht der kerk is daarom volgens Rome tweeërlei: potestas
-ordinis en potestas jurisdictionis, van welke de laatste dan weer in
-jurisdictio fori interni (sacramentalis) en fori externi (legifera,
-judiciaria en coactiva) onderscheiden wordt, Thomas, S. Theol. II 2
-qu. 39 art. 3. Catech. Rom. II 7, 6. Conc. Vat. ed. Lacensis col. 570.
-Klee, Kath. Dogm. I² 162. Dieringer, Kath. Dogm.⁴ 619. 715. Liebermann,
-Inst. Theol. I⁸ 290. Simar, Dogm. 593. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1
-S. 317 f. Schell, Kath. Dogm. III 1 S. 396. Jansen, Prael. theol. I 380
-sq. enz. Tot recht verstand van deze door Rome aan de kerk toegekende
-macht dient het volgende in acht genomen te worden. 1º De potestas
-docendi wordt soms door latere theologen wel afzonderlijk behandeld en
-komt natuurlijk volgens Rome ook wel aan de kerk toe. Maar eigenlijk is
-zij onderdeel van de potestas jurisdictionis. De Catech. Rom. II 7, 7
-zou kunnen doen vermoeden, dat de potestas docendi onder de potestas
-ordinis thuis behoort, omdat hij zegt, dat deze niet alleen inhoudt de
-macht, om de eucharistie te bedienen, sed ad eam accipiendam hominum
-animos praeparat et idoneos reddit; maar het Conc. Vatic. IV c. 3. 4
-brengt het magisterium uitdrukkelijk onder de potestas jurisdictionis.
-De bediening des woords is bij Rome rechtspraak, culmineerende in de
-onfeilbare beslissingen van den paus; zij is geen prediking maar eene
-afkondiging van dogmata, die als zoodanig het geweten binden, tot
-geloof, d. i. tot assensus verplichten, en desnoods met dwang kunnen
-opgelegd worden, Richter-Dove-Kahl, Kirchenrecht 305. Achelis, Prakt.
-Theol. I² 79. 2º De potestas ordinis, de macht, om de sacramenten te
-bedienen, is alleen verkrijgbaar door het door den bisschop verleende
-sacramentum ordinis, dat den ambtsgeest mededeelt en een character
-indelebilis indrukt, en is daarom onverliesbaar, Thomas, S. Theol. II
-2 qu. 39 art. 3; zelfs ketters en scheurmakers, die eens in Rome door
-den bisschop geordend werden, behouden deze macht, zij staat daarom
-ook los op zichzelve, en is geheel onafhankelijk van de bediening
-des woords. Het sacerdotium kan bij Rome ook zonder prediking van
-het evangelie bestaan. Si quis dixerit..., sacerdotium... non esse
-potestatem aliquam consecrandi et offerendi verum corpus et sanguinem
-Domini et peccata remittendi et retinendi, sed officium tantum et
-nudum ministerium praedicandi evangelium, vel eos, qui non praedicant,
-prorsus non esse sacerdotes, anathema sit, Conc. Trid. sess. 23 de
-sacr. ordinis can. 1. 3º In overeenstemming hiermede wordt bij Rome
-de vergeving der zonden niet geschonken in de prediking van het
-woord, welke slechts praeparatoire beteekenis heeft, maar in het
-sacrament, hetwelk de genade in zich bevat en ex opere operato in
-den ontvanger instort. Bepaaldelijk wordt zij medegedeeld in den doop
-en voor de na den doop bedreven zonden in het sacrament der boete.
-De tucht was n.l. in de eerste christelijke kerk zeer streng. Toen de
-ervaring leerde, dat lang niet allen, die Christen geworden waren,
-hunner roeping waardig wandelden en dikwerf vervielen in vleeschelijke
-zonden en tijdens de vervolgingen vooral ook in verloochening van het
-evangelie, namen de vermaningen toe, om, vooral vóór het gebruik
-des avondmaals, in het midden der gemeente belijdenis van zonden te
-doen, Did. 4:14, Clemens, 1 en 2 Cor. passim. Over den terugkeer van
-zulke gevallenen en uitgeslotenen in den schoot der kerk ontstond een
-langdurige strijd. Montanisme, Novatianisme en Donatisme wilden voor
-zulke gevallenen, bepaaldelijk voor hen, die zich schuldig gemaakt
-hadden aan verloochening, moord of ontucht, de deur der kerk sluiten
-en hen aan Gods genade overlaten, cf. Hebr. 6:4-6, 10:26, 1 Joh. 5:16.
-Maar Hermas, Mand. IV 1, zeide reeds in geval van echtbreuk, dat er
-ééne bekeering mogelijk was. In Tertullianus’ tijd werd al tusschen
-vergefelijke en doodzonden onderscheid gemaakt; de bedrijvers der eerste
-ondergingen, ook al werden zij tijdelijk van de gemeente uitgesloten,
-slechts eene castigatio, geen damnatio, Tert. de pudic. 7; die aan
-de laatste, vooral aan afgoderij, echtbreuk of moord zich schuldig
-maakten, werden bij berouw toch als ’t ware weer in den voorhof der
-kerk toegelaten. De ontwikkeling van de katholieke kerkidee (als
-heilsinstituut), de concentratie aller kerkelijke macht in den bisschop,
-de leer van de verdienstelijkheid der goede werken (satisfactio,
-meritum) kwamen aan de wederopname van gevallenen en gebannenen door
-middel van boete ten goede. De bisschop van Rome, Callistus verkondigde
-in 217, dat hij ook de zonden van ontucht bij berouwhebbenden vergaf.
-Een concilie te Carthago 252 stond aan alle gevallenen, in geval van
-boetvaardigheid, de reconciliatie of absolutie toe, Cypr. ep. 57, al
-moest de terugkeerende ook verschillende stadiën doorloopen, eer hij in
-de volle gemeenschap der kerk opgenomen werd (προσκλαυσις, ἀκροασις,
-ὑποπτωσις, συστασις). En in 316 werden de Donatisten veroordeeld, die
-beweerden dat geen geexcommuniceerde of der excommunicatie waardige
-het sacrament bedienen kon, Moeller-v. Schubert, Kirchengesch. I 96.
-133. 278. 298. 358. 415 en de daar aangeh. litt. In de boete, die
-langzamerhand als een sacrament werd opgevat en in drie deelen bestond
-(confessio oris, contritio cordis en satisfactio operis), schiep de
-kerk zich de mogelijkheid, om allen, die na den doop in kleinere of
-grootere zonden gevallen waren, weder in haar volle gemeenschap op te
-nemen. Zij was eene secunda post naufragium tabula na den doop, Trid.
-IV c. 2. Heel de tucht ging bij Rome in deze gesystematiseerde boete
-onder, en deze boete werd een actus judicialis, een rechtbank, waarin
-de priesters zitten als praesides en judices, de belijdenis van de
-mortalia crimina aanhooren, naar den maatstaf der libri poenitentiarii
-op casuistische wijze de straf bepalen, en in den naam van Christus niet
-conditioneel en declaratorisch maar absoluut, kategorisch en peremptoir
-de vergeving der zonden (absolutie) schenken. Dit juridisch karakter
-der boete komt ook nog daarin uit, dat dit sacrament alleen mag bediend
-worden aan hen, die gedoopt zijn, wijl de kerk over niemand jurisdictie
-bezit dan wie door den doop onder haar macht staan; dat de geloovigen
-dit sacrament slechts mogen ontvangen uit de hand van dien priester,
-wiens subditi zij naar kerkelijke, d. i. pauselijke beschikking zijn; en
-dat hoogere geestelijken, bisschoppen enz. en vooral de paus, zich
-bepaalde, ergerlijke gevallen voorbehouden, waarin zij alleen oordeelen
-en beslissen kunnen, zooals bijv. bij de toepassing van ban en interdict
-over vorsten en landen in de Middeleeuwen door de pausen, Conc. Trid.
-XIV. Cat. Rom. II 5, 32 sq. 4º Om deze jurisdictie in foro interno
-te kunnen uitoefenen, beweert de Roomsche kerk voorts te bezitten
-de potestas jurisdictionis in foro externo (potestas regiminis),
-onderscheiden in potestas legislativa, judiciaria en coactiva. Christus
-gaf toch aan de kerk, opdat zij aan haar roeping getrouw kon zijn,
-vooreerst eene wetgevende macht; zij mag binden en ontbinden, verbieden
-of veroorloven, zedelijke verplichtingen opleggen of teniet doen; en
-al wat zij bepaalt, is in den hemel van kracht; het is evengoed alsof
-God zelf het beveelt; het bindt daarom de gewetens en verplicht tot
-onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, Mt. 16:19, 18:18, Joh. 20:21, 23, Hd.
-15:27-29, 41, 1 Cor. 11:4-7, 14:26, 2 Cor. 8, 10:6, 8, 1 Tim. 3, Tit.
-1:5, Hebr. 13:7, 17. Deze wetgevende macht sluit vanzelf de rechterlijke
-in, wijl gene zonder deze niet zou kunnen bestaan; Christus gaf deze
-macht aan de gemeente in Mt. 18:15-17 en de apostelen oefenden haar
-uit, Hd. 5:1-10, 1 Cor. 5:3, 11-13, 1 Tim. 5:19, 20. En eindelijk heeft
-de kerk ook eene uitvoerende en dwingende macht, en kan niet alleen
-geestelijke straffen opleggen, gelijk Donatisten, Waldenzen, Albigenzen
-enz. beweerden, maar ook tijdelijke en lichamelijke, en dat niet alleen op
-gezag of door middel van den staat, maar ook zelve uit eigen autoriteit
-en rechtstreeks. Rome grondt deze macht op Mt. 16:19, 18:18, 28:19, 1
-Cor. 4:18-21, 5:4-5, 2 Cor. 10:6, 8, 13:2, 3, 1 Tim. 1:20, heeft ze
-menigmaal uitdrukkelijk geleerd, Denzinger, Enchir. symb. et defin.
-n. 1367. 1546. 1572. Conc. Vatic. coll. Lac. VII 570. 577, en ook
-veelvuldig toegepast, cf. Perrone, Prael. Theol. Lov. 1843 VII 275.
-Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 322. Jansen, Prael. theol. I 390 enz.
-5º Eindelijk leert Rome, dat deze kerkelijke macht, van alle aardsche
-macht wezenlijk onderscheiden, ten volle onafhankelijk is en souverein.
-Wel zegt zij, dat deze macht ten opzichte van Christus eene bedienende,
-een ministerium is; maar tegenover alle aardsche gezag en macht is
-zij volkomen zelfstandig. Met deze leer van de onafhankelijkheid der
-kerkelijke macht sloeg zij een gansch anderen weg in dan de kerk van
-het Oosten. Daar werd door Constantijn, Theodosius en Justinianus I
-de kerk hoe langer hoe meer een orgaan in den staat; de keizer kon
-daarom met de kerk nog wel niet doen wat hij wilde, want hij was aan het
-dogma gebonden, en geen αρχιερευς maar alleen εὐσεβης, beschermer der
-orthodoxie, doch hij was toch evengoed als van den staat het regeerend
-hoofd der kerk. In de Russische kerk heerscht deze beschouwing nog
-thans. In 1721 legde Peter de Groote het opperbestuur over de kerk in
-handen van eene permanente Heilige Synode, welke door het intermediair
-van den procurator aan den Czaar gebonden is. Hoezeer de macht van
-den Czaar in vergelijking met die der Byzantijnsche keizers veelszins
-beperkt en verzwakt is, is hij het toch, die door de Synode de kerk
-regeert, de godsdienstige aangelegenheden van zijn volk regelt, de
-mate van vrijheid voor zijne Roomsche en Protestantsche onderdanen
-bepaalt; het orthodoxe dogma is in Rusland nog altijd in formeelen zin
-staatsrecht en ketterij staatsmisdaad, cf. Pobedonoszew, Streitfragen
-der Gegenwart. Autor. Uebersetzung. Berlin 1897. Herzog² 5, 425 f.
-Kattenbusch, Vergl. Confessionskunde I 374-393. Terwijl alzoo in het
-Oosten het Cesareopapisme tot ontwikkeling kwam, wist de kerk in het
-Westen, georganiseerd in den paus, niet alleen hare zelfstandigheid te
-handhaven tegen maar menigmaal ook hare suprematie uit te breiden over
-den staat. Het keizerschap werd in Karel den Groote een Christelijk,
-een Roomsch instituut, en was van dien tijd af menigmaal aan den paus
-ondergeschikt. En dit was niet alleen practijk maar werd ook hoe langer
-hoe meer theorie. Staat, (gezin, maatschappij, kunst, wetenschap, al het
-aardsche) en kerk verhouden zich volgens Rome als natuur en genade,
-vleesch en geest, bonum naturale en bonum supernaturale, het tijdelijke
-en het eeuwige, het aardsche en het hemelsche. Gelijk de maan haar licht
-ontvangt van de zon, zoo hebben de vorsten hunne wereldlijke macht
-aan den paus te danken, die immers als stedehouder van Christus alle
-macht heeft in hemel en op aarde, (Alvarus, Pelagius e. a.); of in
-elk geval heeft de paus als hoofd der Christenheid ook summa potestas
-disponendi de rebus temporalibus omnium Christianorum, Bellarminus,
-de Rom. Pontif. V 6. 7. Zelfs is een wereldlijk gebied tot uitoefening
-van zijn souvereine macht voor hem beslist noodzakelijk. Al is de
-staat dan ook binnen zijn eigen terrein vrij en zelfstandig, hij is toch
-minder dan de kerk, aan haar uitspraak gebonden en overal waar het
-geestelijke in het natuurlijke ingrijpt, aan de kerk onderworpen. De
-staat moet Christelijk, d. i. Roomsch zijn, mag geen andere als de ware
-erkennen dan de Roomsche, en is verplicht, indien de kerk het verlangt
-en het zelve niet doet, om ketters te vervolgen en te straffen.
-Cf. Augustinus’ brief aan Vincentius contra Donat. et Rogat. de vi
-corrigendis haereticis, id. aan Bonifacius de moderate coercendis
-haereticis, voorts c. Epist. Parmeniani I 16. Contra literas Petiliani,
-vooral lib. II. Contra Gaudentii Denatistarum episcopi epistolam I 20
-II 17. Thomas, de regimine principum. Bellarminus, de Rom. Pontif.
-V. de membris eccl. III. Hergenröther, Kath. Kirche und Christl.
-Staat in ihrer geschichtl. Entw. 1872. Hammerstein, Kirche und Staat,
-Freiburg 1883. Stöckl, Lehrb. d. Philos. III⁶ 451-480. Cathrein,
-Moralphilosophie II³ 529 f. Hansjakob, Die Toleranz und die Intoleranz
-der Kath. Kirche 2e Aufl. Freiburg 1899 enz.
-
-
-4. Deze macht, door Rome aan de kerk toegekend, culmineert en vindt
-ook den waarborg voor haar bestand en voortduur in de macht van den
-paus. Deze draagt toch volgens het Conc. Vatic. IV c. 3. 4 de volgende
-eigenschappen: 1º Zij is niet bloot een primatus honoris noch ook
-alleen een ambt van toezicht en leiding, maar eene van de bisschoppen
-onafhankelijke volmacht van wetgeving, regeering en rechtspraak, eene
-potestas jurisdictionis. 2º Zij is niet eene buitengewone, tijdelijke,
-maar eene gewone, blijvende macht, welke God hem geeft en die hij altijd
-en niet slechts in enkele buitengewone gevallen uitoefenen kan. 3º Zij
-is eene onmiddellijke, zoowel naar oorsprong, wijl Christus haar geeft,
-als naar haar gebruik, wijl de paus haar niet alleen door de bisschoppen
-maar ook door zichzelf of zijne legaten uitoefenen kan, zonder verlof
-of volmacht van wie ook te vragen, en dus met alle bisschoppen en
-geloovigen onmiddellijk, vrij verkeeren kan. 4º Zij is niet eene beperkte,
-maar eene plena et suprema potestas, extensief zich uitstrekkende over
-de gansche kerk, intensief alle macht bevattend, welke tot leiding
-en regeering der kerk van noode is, en volstrekt souverein, aan geen
-leeken, bisschoppen, concilie, maar alleen aan God onderworpen. 5º
-Alle leden der kerk, hetzij afzonderlijk of te zamen, alle bisschoppen,
-elk voor zichzelf of in synode en concilie vergaderd, zijn aan den
-paus volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd, niet alleen in zaken van
-geloof en zeden, maar ook in die van tucht en regeering der kerk. Haec
-est catholicae veritatis doctrina, a qua deviare, salva fide atque
-salute, nemo potest. 6º Een deel van deze macht is het leerambt, over
-hetwelk is bepaald, dat de paus, wanneer hij ex cathedra spreekt, door
-Goddelijken bijstand onfeilbaar is.
-
-Na al hetgeen vroeger van de leer der Schrift en de oudste kerkelijke
-getuigenissen gezegd werd, behoeft het geen betoog meer, dat heel dit
-papale stelsel op een onschriftuurlijken grondslag rust. De consensus
-patrum, n.l. na Irenaeus, de leer en practijk van pausen en conciliën,
-de overeenstemming der latere theologen, gelijk ze in de Roomsche
-dogmatiek breeder uiteengezet worden, bijv. bij Heinrich, Dogm. II 323
-f. kunnen dit gebrek niet vergoeden. Hoezeer dit pauselijk gebouw door
-zijne strenge eenheid dikwerf ook vele Protestanten bekoort, toch is
-het in diezelfde mate religieus en ethisch zwak, als het politiek en
-juridisch imponeert. Immers 1º aard en karakter der onfeilbaarheid
-zijn onvoldoende bepaald. Rome is zoover niet durven gaan, dat zij aan
-den paus dezelfde onfeilbaarheid als aan de apostelen toeschreef. Dit
-lag en ligt wel op de lijn. Men zou verwachten, dat de apostelen aan
-de episcopi, die zij aanstelden, en Petrus bepaald aan den bisschop
-te Rome de apostolische volmacht hadden meegedeeld. Maar dit is niet
-zoo. De paus is onfeilbaar doch niet door inspiratie, maar door
-assistentie des H. Geestes, door eene bijzondere zorge Gods, waardoor
-de kerk voor dwaling behoed en bij de waarheid bewaard wordt. En zijne
-onfeilbaarheid bestaat niet daarin, dat hij nieuwe openbaringen ontvangt
-en eene nieuwe leer kan voordragen, maar zij bestaat alleen hierin,
-dat hij de door de apostelen overgeleverde openbaring getrouw bewaren
-en uitleggen kan. En ook is zij niet in dien zin te verstaan, dat de
-door den paus ex cathedra gesproken woorden in letterlijken zin Gods
-Woord zijn, maar alleen, dat zij dit zakelijk bevatten, Heinrich, Dogm.
-II 220-245. Jansen, Prael. theol. I 616. 2º Ofschoon de onfeilbaarheid
-eene bijzondere gave is, is zij toch aan den paus niet altijd eigen, en
-niet in zijn persoon, noch ook als schrijver, als redenaar, als rechter,
-als wetgever, als bestuurder noch ook als wereldlijk vorst, bisschop
-van Rome, metropoliet van de kerkelijke provincie van Rome of als
-patriarch van het Westen doch alleen als paus, als hoofd der gansche
-kerk. Er heerscht hierover echter geen eenstemmigheid. Vooral met het
-oog op het geval van paus Honorius gaven vroegere theologen en zelfs
-Innocentius III, bij Schwane D. G. III 535, toe, dat de paus privatim
-in ketterij kon vervallen, en dan jure divino ex ipso facto als paus
-afgezet was (Paludanus, Turrecremata, Alphonsus de Castro, Sylvester
-e. a.) of door een rechterlijk vonnis van een concilie kon afgezet
-worden (Cajetanus, Canus e. a.) Dit had echter zijne bedenkelijke zijde
-en bracht de onbeperkte souvereiniteit en onschendbaarheid van den
-paus in gevaar. Daarom konden anderen, zooals Pighius, Bellarminus,
-Suarez e. a. zich beter vinden in de probabele en vrome meening, dat de
-goddelijke voorzienigheid den paus ook persoonlijk voor ketterij bewaren
-zal, Heinrich, Dogm, II 257. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 450. 3º
-Het Vaticanum zegt met eene misschien het eerst door Melchior Canus,
-bij Schwane D. G. IV 302, gebezigde uitdrukking, dat de paus onfeilbaar
-is, wanneer hij ex cathedra spreekt. Dit schijnt een grens te trekken,
-maar is practisch een zeer onbruikbare maatstaf. Want het systeem
-eischt, dat niemand uitmaken kan, of een paus ex cathedra gesproken
-heeft, dan alleen de paus zelf. En zoo heeft een paus het altijd in
-zijne hand, om eigen uitspraken of die van andere pausen te verwerpen,
-door te zeggen, dat zij niet, of ook om ze bindend te verklaren,
-door te zeggen, dat zij wel ex cathedra gesproken zijn. En zelfs kan
-hij later zeggen, dat hij of een voorganger, meenende ex cathedra
-gesproken te hebben, het toch feitelijk niet gedaan heeft. 4º Het
-onfeilbare leerambt is een onderdeel van de plena et suprema potestas
-jurisdictionis in universam ecclesiam. Wel verklaart het Vaticanum,
-sess. IV c. 3, niet uitdrukkelijk, dat de paus bij het uitoefenen van
-deze gansche macht ten allen tijde onfeilbaar is. Maar het zegt toch,
-dat ten haren aanzien cujuscumque ritus et dignitatis pastores atque
-fideles, tam seorsim singuli quam simul omnes, officio hierarchicae
-subordinationis veraeque obedientiae obstringuntur, non solum in
-rebus, quae ad fidem et mores, sed etiam in iis, quae ad disciplinam
-et regimen ecclesiae pertinent. Of de paus in dit alles dus feilbaar
-of onfeilbaar zij, allen hebben zonder onderscheid, zender eenig
-recht van critiek, (neque cuiquam de ejus licere judicare judicio)
-onvoorwaardelijk aan den paus te gehoorzamen, en dat bij niet minder
-dan hunner zielen zaligheid. 5º De onfeilbaarheid wordt in het Conc.
-Vatic. sess. IV c. 4 wel uitdrukkelijk alleen aan den paus toegekend,
-als hij ex cathedra spreekt en als herder en leeraar aller Christenen
-doctrinam de fide vel moribus ab universa ecclesia tenendam definit.
-Maar er is hier volstrekt niet uit af te leiden, dat hij het anders
-niet is. Hoe zou anders in c. 3 ook bij zaken van tucht, regeering,
-rechtspraak, absolute en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan den paus
-kunnen geeischt zijn? Maar hoe dit zij, in zaken van geloof en zeden is
-de paus zeker onfeilbaar. En wat hiertoe behoort, werken de Roomsche
-theologen nader uit. Onfeilbaar is de paus, als hij handelt over de
-waarheden der openbaring in de Schrift, over de waarheden der traditie,
-over de waarheden der goddelijke instellingen, sacramenten, kerk,
-kerkelijke inrichting en regeering, over de waarheden der natuurlijke
-openbaring. Maar ook hiermede is de grens zijner onfeilbaarheid nog
-lang niet bereikt. Om in dit alles onfeilbaar te zijn, moet hij het
-ook zijn, zeggen de theologen, in het oordeelen over de bronnen der
-geloofswaarheden en in de uitlegging daarvan, dat is in de vaststelling
-van het gezag der Schrift, der traditie, der conciliën, der pausen,
-der patres, der theologen; in het gebruik maken en aanwenden van
-natuurlijke waarheden, voorstellingen, begrippen en uitdrukkingen;
-in het beoordeelen en verwerpen van dwalingen en ketterijen, in het
-constateeren zelfs van de facta dogmatica; in het verbod van boeken,
-in zaken van discipline, in de approbatie van orden, in de canonisatie
-van heiligen enz. Geloof en zeden omvatten schier alles, en al wat de
-paus daarover zegt, is onfeilbaar. De term ex cathedra trekt feitelijk
-hoegenaamd geen grens. Want deze uitdrukking geeft toch niet te kennen,
-dat alleen die uitspraken onfeilbaar zijn, waarbij het ex cathedra
-letterlijk vermeld wordt, want dan waren alle vroegere pauselijke
-bepalingen daarvan uitgesloten. Ze duidt dus alleen iets zakelijks aan.
-Maar wie maakt dan uit, of de paus ex cathedra spreekt? Practisch en
-door het volk zal zijne uitspraak altijd als onfeilbaar worden opgevat,
-al was het alleen uit vrees, dat men eventueel eens eene onfeilbare
-uitspraak verwerpen zou. En theoretisch kan alleen de paus onfeilbaar
-zeggen, wanneer hij ex cathedra, onfeilbaar spreekt, Heinrich, Dogm. II
-554-654. Bovendien, waarom is de paus onfeilbaar? Omdat hij het zelf
-verklaart? Maar dat is een circulus vitiosus. Omdat het concilie het
-verklaart? Maar het concilie is feilbaar, ook in deze verklaring. Waar
-is dus voor den Roomschen Christen de zoo hooggeroemde zekerheid? 6º
-Het Vaticanum heeft het resultaat opgemaakt van een lang historisch
-proces. In den eersten christelijken tijd waren alle apostelen, alle
-gemeenten en ook alle episcopi elkander gelijk in rang; hoogstens
-was er een primatus homoris maar in geenerlei opzicht een primatus
-jurisdictionis. Maar allengs wist de kerk en de bisschop te Rome alle
-andere kerken en bisschoppen aan zich te onderwerpen. Toch bleef de
-zelfstandigheid der laatsten binnen eigen kring nog lang tot op zekere
-hoogte bewaard. Tegen het einde der 13e eeuw komt de controvers op over
-de verhouding van de bisschoppelijke en de pauselijke macht, Schwane D.
-G. III 549. Sommigen trachten dan nog de zelfstandigheid der eerste in
-dien zin te handhaven, dat de bisschop, schoon ondergeschikt aan den
-paus, toch de hem binnen zijn kring toekomende macht van God, ex jure
-divino, ontvangen heeft en door den paus slechts als drager dier macht
-aangewezen wordt; zoo Henricus van Gent, Alphonsus de Castro, bisschop
-van Brugge † 1558, Vitoria, 1480-1544, vader der neoscholastiek aan
-de hoogeschool te Salamanca, Petrus Guerrero, bisschop van Granada
-en vele andere Spaansche en Fransche bisschoppen op het concilie te
-Trente, die in den 7{en} canon der 23e zitting de woorden wilden
-opgenomen hebben: episcopos _jure divino institutos_ presbyteris esse
-superiores, Schwane, D. G. IV 292 f. Er ontstonden op het concilie
-over deze quaestie de heftigste debatten, die heel den winter van het
-jaar 1562 en tot over het midden van het volgende jaar voortduurden.
-Den 15{en} Juli 1563 werd in can. 6-8 de bisschoppelijke macht wel
-nader omschreven, maar de vraag, of zij ex jure divino dan wel ex jure
-ecclesiastico was, werd met opzet onbeslist gelaten. Er stond dan ook
-aan de andere zijde eene sterke partij, met Lainez, den Jezuitengeneraal
-aan het hoofd, die beweerde, dat de bisschop de potestas ordinis wel
-onmiddellijk van God ontving, maar de potestas jurisdictionis alleen
-verkreeg door vrije overdracht van de zijde van den paus; deze laatste
-was dus in zooverre de jure ecclesiastico, en kon door den paus naar
-welgevallen beperkt, gewijzigd of ontnomen worden, want de paus had zijne
-volle macht over de gansche kerk alleen en onmiddellijk van God. Dit
-gevoelen won na Trente door den invloed der Jezuiten hoe langer hoe
-meer veld, het behaalde over het Gallikanisme de zegepraal en werd op
-het Vaticaansch concilie tot een dogma verheven. Wel wordt er in sess.
-IV c. 3 gezegd, dat de macht van den paus volstrekt geen inbreuk maakt
-op de ordinaria ac immediata potestas jurisdictionis der bisschoppen
-maar deze veeleer bevestigt, versterkt en handhaaft; doch de paus
-heeft de volle, gansche wetgevende, regeerende en rechtsprekende macht
-over heel de kerk, hij kan zonder iemands tusschenkomst of bemiddeling
-vrijelijk verkeeren (communicare) met al de herders en kudden der gansche
-kerk, en allen zijn zonder onderscheid en onvoorwaardelijk aan hem
-onderworpen. Bisschoppen, conciliën, heel de kerk, alle geloovigen zijn
-feilbaar uit zichzelven en alleen onfeilbaar met en door hem. De paus
-is de wortel, de vastheid, het fundament van de eenheid, autoriteit en
-onfeilbaarheid van bisschoppen, conciliën, kerkvaders, theologen, van
-alle geloovigen en van heel de kerk. Hij alleen ontvangt alle macht en
-gezag en onfeilbaarheid rechtstreeks van God. Eene enkele uitdrukking
-herinnert nog aan de oude, katholieke opvatting; zoo bijv. als in het
-Conc. Vatic. IV c. 4 gezegd wordt, dat de paus ea infallibilitate
-pollere, qua divinus Redemptor ecclesiam suam in definienda doctrina
-de fide vel moribus instructam voluit, maar onmiddellijk wordt daaruit
-juist afgeleid, dat de definitiones van den paus ex sese en niet ex
-consensu ecclesiae onfeilbaar zijn. 7º Nog verder gaat deze macht van
-den paus. Ofschoon de pausen tot de 8e eeuw toe onderdanen van het
-Romeinsche keizerrijk waren en hun geestelijk ambt hoegenaamd niet het
-bezit van wereldlijke macht insloot, toch is al spoedig in de Roomsche
-kerk de gedachte opgekomen, dat de paus, om op geestelijk gebied
-onafhankelijk te kunnen zijn, ook in het wereldlijke souverein moest
-wezen. En na de opheffing van den kerkelijken staat in 1870 is deze
-gedachte nog meer op den voorgrond getreden en met sterker nadruk
-uitgesproken. Pius IX en Leo XIII hebben niet nagelaten, telkens
-te verklaren, dat de paus als universeel bisschop niet onderdaan
-van een bijzonder vorst kan zijn noch eene bepaalde nationaliteit kan
-dragen, Jansen, Prael. theol. I 657, Hase, Prot. Polem. 254; en hunne
-uitspraken binden de Roomsche geloovigen. Al is de idee van een
-kerkelijken, van een priesterstaat, geheel uit den tijd; al doet de
-existentie van zulk een staat aan de eenheid van Italie tekort; al kan
-de paus niet kerkelijk opperhoofd en wereldlijk souverein tegelijk zijn,
-zonder dat kerk of staat of beiden daarbij schade lijden; al heeft de
-geestelijke macht de politieke souvereiniteit volstrekt niet noodig;
-al heeft de paus eeuwenlang geen politiek gebied gehad en al heeft hij
-na den overigens op zichzelf onrechtmatigen roof van den kerkelijken
-staat in 1870 aan invloed niet verloren, evenmin als de duitsche
-bisschoppen, sedert zij opgehouden hebben rijksvorsten te zijn; al is de
-onafhankelijkheid van den paus tegenover den koning van Italie door
-de garantie van 13 Mei 1871 en door de macht der Roomsche vorsten en
-volken meer dan voldoende gewaarborgd; dit alles doet er weinig toe,
-Rome laat den eisch niet varen, dat de paus weer worde wereldlijk vorst.
-Dit is echter nog maar een gering deel van den ganschen eisch. Met
-beroep op Mt. 28:18 en Luk. 22:38 en in navolging van Bonifacius VIII
-in de bul Unam Sanctam zijn vele Roomschen nog veel verder gegaan en
-hebben gezegd, dat de paus de eigenlijke souverein van heel de wereld is
-en de wereldlijke macht naar zijn welgevallen overdraagt aan vorsten en
-koningen als zijne ministri en vicarii. Dit was velen echter al te kras.
-Zij bestreden de meening, dat de paus souverein is over het ongeloovig
-deel der wereld, want Christus vertrouwde aan Petrus alleen de zorg
-over de schapen toe, en die buiten zijn, oordeelt God; ook was de paus
-niet wereldlijk vorst over de christelijke volken, want nergens werd
-zulk eene politieke macht aan den paus opgedragen, en Christus gaf aan
-Petrus alleen de sleutels van het hemelrijk; de paus heeft zelfs geen
-temporalis jurisdictio noch wereldlijke macht directe of jure divino,
-want Christus is een geestelijk koning en heeft een geestelijk rijk. Maar
-al verwierpen dezen alzoo de directe wereldlijke macht, zij bleven toch
-spreken van eene potestas indirecta en kenden aan den paus niet bloot
-eene potestas directiva in wereldlijke zaken toe, doch ook in het belang
-van het rijk Gods eene summa potestas disponendi de rebus temporalibus
-omnium Christianorum; want het weiden der schapen eischt ook macht over
-de wolven. De wereldlijke macht is immers aan de kerk onderworpen gelijk
-het lichaam aan den geest; ongeloovige vorsten, die hun onderdanen
-tot ketterij verleiden, mogen weerstaan en afgezet worden; christelijke
-vorsten zijn als zoodanig aan Christus onderworpen, moeten het geloof
-bevorderen en de kerk beschermen; gelijk ook vele koningen in de
-dagen des O. Test. en in de geschiedenis der kerk gehandeld hebben,
-Bellarminus, de Rom. Pontif. lib. V. Maar ook bij deze theorie der
-potestas indirecta behoudt de paus het recht, om in het belang van het
-koninkrijk Gods van alle vorsten onbepaalde gehoorzaamheid te eischen,
-ingeval van ongehoorzaamheid hen af te zetten en de onderdanen van hun
-eed van gehoorzaamheid te ontslaan, niet-roomsche volken en landen aan
-roomsche vorsten toe te wijzen, politieke wetten en rechten krachteloos
-te verklaren enz. Ook al geven vele Roomschen er tegenwoordig den schijn
-aan, alsof al deze rechten den pausen alleen tijdelijk en toevallig in
-de Middeleeuwen toekwamen, de Syllabus van 1864 verklaart in n. 23
-uitdrukkelijk, dat de pausen en conciliën nooit de grenzen hunner macht
-overschreden noch rechten der vorsten zich aangematigd noch ooit bij
-beslissing in zaken van geloof en zeden gedwaald hebben. De uitoefening
-der rechten moge door de omstandigheden geschorst zijn, er is geen
-twijfel aan, dat de rechten zelve onvervreemdbaar zijn. Rome verandert
-niet. Cf. Fr. v. Schulte, Die Macht der römischen Päpste über Fürsten,
-Länder, Völker und Individuen 3{te} Aufl. Giessen 1896. 8º Uit dit
-alles blijkt de allesbeheerschende plaats, welke de paus in het leven
-van den Roomschen Christen inneemt. De Roomsche kerk is eene monarchie,
-een rijk, een staat met een geestelijk vorst aan het hoofd. Van de dagen
-van Augustinus af wordt de kerk bij voorkeur als een staat en een rijk
-voorgesteld, waarin alle dogmata als wetten en rechten gelden, die de
-menschen binden bij de zaligheid hunner ziel. Bonifacius VIII zeide
-daarom van den paus, dat hij jura omnia in scrinio pectoris sui censetur
-habere, bij Schulte t. a. p. 66. De regeering in dezen staat is absoluut
-monarchaal; na het concilie van 1870 is zij zelfs niet meer, gelijk men
-vroeger zeide, door de aristocratie der bisschoppen getemperd; want
-de bisschoppen zijn feilbaar, en ontleenen aan hem hunne macht; ja,
-volgens de uitdrukkelijke bepaling van het Vaticanum kan de paus met
-alle herders en kudden onmiddellijk verkeeren en dus, met algeheelen
-voorbijgang van den bisschop, direct iederen priester, iederen kapelaan
-aanstellen of ontslaan, elk proces beslissen, elken leek onmiddellijk
-kastijden enz., de bisschoppen zijn van de souvereiniteit in eigen kring
-principieel ten eenenmale beroofd. Ook is deze monarchale regeering
-van den paus in beginsel niet meer constitutioneel, want Schrift
-en traditie zijn aan zijne onfeilbare uitlegging onderworpen; la
-tradizione son io, zeide daarom Pius IX tot den kardinaal Guidi, bij
-Schulte t. a. p. 80; de paus bepaalt, indien noodig, wat leer van
-Schrift en traditie is. Door zijne onfeilbaarheid is de paus in de
-Roomsche kerk de eenige, absolute souverein, bron van alle kerkelijke
-en zelfs direct of indirect van alle wereldlijke macht. Daarom heet
-hij sedert de 9e eeuw in onderscheiding van alle andere bisschoppen
-Papa, Schwane D. G. I 543, niet maar opvolger en plaatsvervanger van
-Petrus doch vicarius Christi, vicarius Dei, Schwane III 536. 538, pater
-spiritualis omnium patrum, imo omnium fidelium, hierarcha praecipuus,
-sponsus unicus, caput indivisum, pontifex summus, fons et origo, regula
-cunctorum principatuum ecclesiasticorum, Bonav. Brevil. VI 12. De
-paus is de kerk, is het Christendom, is het Godsrijk zelf. Le pape et
-l’église, c’est tout un, zeide Fr. de Sales. Ubi papa, ibi ecclesia.
-Het primaat van den paus is summa rei christianae, Bellarminus, de
-Rom. Pontif. in de voorrede. Zonder paus geen kerk, geen Christendom,
-Veuillot bij Hase, Prot. Polemik⁵ 187. Onderwerping aan den paus is
-voor alle menschen noodzakelijk ter zaligheid, (Bonifacius VIII). De
-paus is middelaar der zaligheid, de weg, de waarheid en het leven. Er
-ontbreekt nog maar aan, dat hij aangebeden wordt, maar ook dat is eene
-quaestie van tijd, Harnack D. G. III 652. Inderdaad, Scheeben-Atzberger,
-Dogm. IV 1 S. 427 zegt het terecht, indien het primaat van den paus
-niet Gods werk is, dan is het eene blasphemische und diabolische
-Usurpation. Cf. Luther, von dem Papstthum zu Rom. 1520, cf. Köstlin,
-Luthers Theol. I 317. Art. Smalc. 4 en Tract. de potestate et primatu
-papae, bij Müller, Symb. B. 306. 328. Calvijn, Inst. IV c. 4-11. Amesius,
-Bellarminus enervatus, I lib. 3. Chamier, Panstr. Cath. II lib. 2.
-Voetius, Pol. Eccl. III 775 sq. Id. Disp. II 684-882. Id. Desperata
-Causa Papatus, Amst. 1635. Heidegger, Corp. Theol. Loc. 72, 2.
-Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 16-20. Id. de necessaria secessione
-nostra ab eccl. rom. vooral disp. 5: de tyrannide romana. Moor, Comm.
-VI 195 sq. J. von Döllinger, Das Papstthum. Neubearbeitung von Janus,
-Der Papst und das Concil, von J. Friedrich, München Beck 1894. Langen,
-Das Vatik. Dogma von dem Universalepisc. u. der Unfehlb. des Papstes,
-3 Theile, Bonn 1871-73. Dr. W. Joos, Die Bulle Unam Sanctam und das
-Vatik. Autoritätsprinzip, 2e Aufl. Schaffh. 1897. Bungener, Pape et
-concile au 19e siècle, Paris 1870. Gladstone, Rome and the newest
-fashion in religion 1875. Hase, Handbuch der Prot. Polemik⁵, Leipzig
-1891. Tschackert, Evang. Polemik gegen die röm. Kirche, Gotha 1885.
-D. Snijder, Rome’s voornaamste leerstellingen en bedoelingen voor den
-protestant toegelicht. Gor. 1890. Het dogma van de onfeilbaarheid van
-den paus enz., uit het Duitsch door D. Snijder, Rott. 1899.
-
-
-5. Tegen deze ontaarding der kerkelijke macht kwam de Reformatie in
-verzet. Zij beleed weer, dat de kerk eene communio sanctorum was, en
-dat zij van Christus eene macht had ontvangen, welke van die in den
-staat wezenlijk onderscheiden was. Christi Reich is nicht ein leiblich
-oder weltlich, irdisch Regiment, wie andere Herren und Könige auf
-Erden regieren, sondern ein geistlich, himmlisch Regiment, das da
-gehet nicht über zeitlich Gut, noch was dies Leben betrifft, sondern
-über Herzen und Gewissen, wie man vor Gott leben soll, seine Gnade
-erlangen, Luther bij Sohm, Kirchenrecht 464, 488, cf. verder Köstlin,
-Luthers Theol. II 486 f. 553 f. Evenzoo maakte Calvijn tusschen kerk
-en staat onderscheid als tusschen ziel en lichaam, het toekomstige en
-het tegenwoordige leven en schreef aan de kerk eigen ambten, macht en
-jurisdictie toe, Inst. IV 1-11. 20, cf. Lobstein, Die Ethik Calvins
-1877 S. 115 f. De macht der kerk bestond daarom niet in eenig corpus
-juris canonici, dat door Luther te Wittenberg den 10e December 1520 in
-het openbaar verbrand werd, maar enkel en alleen in de bediening van
-Gods woord. Wijl Christus het eenige hoofd der kerk is, kan en mag in de
-kerk alleen het woord Gods heerschen, niet door dwang maar alleen door
-liefde en vrije gehoorzaamheid, Luther bij Sohm, Kirchenrecht 464. 468;
-de bediening van woord en sacrament is de eenige vorm van kerkregiment,
-het inbegrip van alle kerkelijke macht, de gansche sleutelmacht, welke
-dan echter ook volgens de Lutherschen wettige roeping, gehoorzaamheid
-aan de opzieners, beoordeeling van leer en leven, oefening van tucht,
-uitsluiting der goddeloozen uit de gemeente enz. insloot, Conf. en
-Apol. Aug. art. 14. 20. 28 Smalc. art. de potestate et primatu papae.
-Sohm heeft dit onderscheid in de macht, welke door Rome en door
-Luther aan de kerk toegekend wordt, helder in het licht gesteld. Wel
-is waar gaat hij te ver, als hij, in de meening, dat alle recht dwang,
-menschelijke heerschappij en aardsche macht is, alle kerkrecht met het
-wezen der kerk in strijd acht, cf. Rutgers, Het kerkrecht, inzoover het
-de kerk met het recht in verband brengt, Amst. 1894. Maar toch toont hij
-duidelijk aan, dat het groote verschil over de macht der kerk tusschen
-Rome en het Protestantisme samenhangt met de politieke, juridische of
-de geestelijke, ethische opvatting van het Christendom. En hij erkent
-zelf menigmaal, dat de gemeente van Christus, ofschoon eene gemeenschap
-van heiligen, toch orde eischt, reeds in den eersten tijd zekere orde
-bezat, 51 f., en ook volgens Luther en de Lutherschen zonder ambt,
-wettige roeping, zielzorg, tucht, ban, regeering niet kan bestaan,
-471. 476. 486. 494. 519 f. Alle macht in de kerk is rechtstreeks of
-zijdelings bediening des woords; alle regeling, die zij maakt, is daaraan
-ondergeschikt en dienstbaar. Zoo verstonden het ook de Gereformeerden;
-alle macht in de kerk berust oorspronkelijk bij Christus, die door God is
-gezalfd tot koning over Sion, en draagt daarom een geestelijk karakter,
-want zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Voor zoover Christus bij
-de uitoefening dier macht zich van organen bedient, zijn deze niet
-zelfstandig, onafhankelijk, souverein, maar aan Hem, d. i. aan zijn
-woord gebonden. Alle ambt in de gemeente van Christus is een διακονια,
-ministerium, zonder wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht in
-zichzelf, maar alleen kunnende bedienen, wat in het woord van Christus
-vervat en opgesloten ligt. Feitelijk is er dus in de kerk geen andere
-macht dan de sleutelmacht, de bediening van woord en sacrament, die
-dan echter gewoonlijk wederom onderscheiden werd in potestas doctrinae,
-potestas disciplinae en potestas ordinis of regiminis, Calvijn, Inst. IV
-c. 8-12. Martyr, Loci Comm. 405 sq. Polanus, Synt. Theol. VII 10 sq.
-Junius, theses theol. 46. Turretinus, Theol. El. XVIII 29 sq. enz.
-
-Al was er zoo in de grondgedachten eenstemmigheid, toch kwam er bij
-de uitwerking en toepassing tusschen Lutherschen en Gereformeerden
-spoedig een belangrijk verschil voor den dag. Ten eerste nam Luther uit
-de Roomsche kerk de ambtelijke bediening van het woord aan den enkele
-over en was alzoo op handhaving der biecht gesteld. Ofschoon hij de
-prediking van het evangelie opvatte als vergeving der zonden, also
-dass ein christlicher Prediger nimmer das Maul aufthun kann, er muss
-eine Absolution sprechen, Sohm t. a. p. 488, toch was hem dit niet
-genoeg; de absolutie moest ook door den pastor individueel in de wel
-niet noodzakelijke maar toch hoogst nuttige biecht worden toegepast,
-Köstlin, Luthers Theol. II 528. Caspari, art. Beichte in Herzog³. Conf.
-Aug. 11. 25 en Apol. Conf. Catech. minor I 5. Appendix I ad Catech.
-maj. Art. Smalc. III 8. Gerhard, Loc. XV 97-117. Quenstedt, Theol.
-III 584. 598. Harnack, Prakt. Theol. II 463 f. en daar aangeh. litt.
-Gandert, Zur Revision des Beichtwesens in der ev. Kirche, Wittenberg
-1898. Maar deze private biecht stuitte op onoverkomelijke moeilijkheden,
-op het onvoldoend getal herders, op het biechtgeld, op de onzekere
-beteekenis der absolutie enz., en kwam allengs in onbruik. Hoewel
-nu de Gereformeerden het elkander belijden van de misdaden nuttig
-vonden, lieten zij de ambtelijke bediening van het woord en dus ook de
-verkondiging van de vergeving der zonden, d. i. de absolutie alleen
-plaats hebben in de openbare vergadering der geloovigen, hielden van
-de biecht als kerkelijke instelling alleen de geregelde of somtijds bij
-de voorbereiding tot het avondmaal gebruikelijke belijdenis van zonden
-over, en vervingen overigens de private biecht door het persoonlijk
-huisbezoek, Zwingli bij Zeller, Das theol. System Zwingli’s 153.
-Calvijn, Inst. III 4. IV 1, 22. Martyr, L. C. 274. Amesius, Bellarminus
-enervatus III 481. Rivetus, Op. III 316. M. Vitringa III 127 sq.
-Biesterveld, Het Huisbezoek, Kampen 1900. Ten tweede had de tucht in
-de Luthersche kerk een ander verloop dan in de Gereformeerde. Luther
-zelf wenschte wel terdege toepassing van tucht in de gemeente van
-Christus; ofschoon hij den Roomschen ban verwierp en alle burgerlijke
-straf uit de kerkelijke tucht verwijderde, toch was zulk eene gemeente
-zijn ideaal, die na herhaalde vermaning het booze uit baar midden
-wegdeed, Köstlin, Luthers Theol. II 530 f. 560 f. Herzog² 8, 14. 13,
-588. Th. Harnack, Prakt. Theol. II 497 f. Dieckhoff, Luthers Lehre
-v. d. kirchl. Gewalt, Berlin 1865, de Luthersche belijdenisschriften
-bij Müller, S. 64. 152. 165. 288. 323. 340. 342. Maar het ontbreken
-van het presbyterambt en de uitoefening van de kerkelijke tucht alleen
-door den pastor leidde tot zulke misbruiken, dat zij weldra geheel
-teniet ging en voorzoover zij bleef, aan de gemengde consistoriën werd
-overgelaten. Practisch gaf dit hetzelfde resultaat, als de leer van
-Zwingli, Erastus, de Remonstranten, de Rationalisten en vele nieuwere
-theologen, volgens welke de gemeente hare macht tot tuchtoefening,
-sedert de overheid christelijk is geworden, aan deze heeft afgestaan.
-Daarentegen was voor Calvijn de kerkelijke tucht eene levensquaestie;
-voor het recht der kerk, om het booze uit haar midden weg te doen,
-streed hij in Genève twintig jaren lang; hij verwierf het eerst in het
-jaar 1555, Choisy, La théocratie à Genève 166. Tucht mocht niet de ziel
-der kerk zijn, zij was er toch de zenuw van. En deze beschouwing van de
-plichtmatigheid, noodzakelijkheid en nuttigheid der kerkelijke tucht werd
-het eigendom der Gereformeerden, en onderscheidde hen van Roomschen
-en Lutherschen aan de eene zijde, maar anderzijds ook van Anabaptisten
-en Mennonieten, die door hun tegenstelling van natuur en genade den
-ban soms overdreven streng toepasten en er zijn geestelijk karakter aan
-ontnamen. Cf. Calvijn, Inst. IV 12. Martyr, L. C. 411. Zanchius, Op. IV
-736. Junius, Theses Theol. 47. Bucanus, Instit. theol. 581. Mastricht,
-Theol. VII 6. Synopsis pur. theol. 48. Turretinus, Theol. El. XVIII
-qu. 32. Maresius, Syst. Theol. XVI 79-87. Voetius, Pol. Eccl. IV 841
-sq. Conf. Gall. 27. Belg. 29. Cat. Heid. 83-85. Helv. II 18 enz. Ten
-derde werd de verhouding van het Christendom tot het natuurlijke leven
-door Luther anders dan door Calvijn bepaald. Alle Hervormers gingen
-daarin saam, dat zij het natuurlijke leven bevrijdden van den druk en
-de macht der kerk, die bij Rome met het Christendom samenvalt, als
-een supranatureel toevoegsel aan de natuur toekomt doch daaronder
-overigens aan dat natuurlijke leven eene groote speelruimte gunt. Het
-Protestantisme stelde daartegenover de belijdenis, dat de gansche
-wereld, ofschoon liggende in het booze, toch in zichzelve heilig en
-goed is, een werk van God, den Almachtige, den Schepper van hemel en
-aarde; het wisselde de quantitatieve tegenstelling van natuurlijk en
-bovennatuurlijk voor de qualitatieve, ethische tegenstelling van zonde
-en genade in. Maar daarbij was er toch tusschen de Hervormers een groot
-verschil. Zwingli kwam het Middeleeuwsch dualisme van vleesch en
-geest, van humana en divina justitia nimmer geheel te boven. Luther
-beperkte het werk van Christus dikwerf zoo tot het religieus-ethische
-terrein, dat het natuurlijke los daarnaast kwam te staan; het evangelie
-veranderde alleen het uitwendige, het gemoed, het hart, maar werkte
-niet vernieuwend en hervormend op heel het natuurlijke leven in.
-Vandaar de minachting, waarmede Luther dikwerf sprak over de rede, de
-philosophie, de juristerij; vandaar het harde oordeel, dat de Formula
-Concordiae velde over den natuurlijken mensch als lapis, truncus aut
-limus; vandaar de Luthersche onderscheiding en scheiding tusschen het
-zinnelijke en het geestelijke als duo hemisphaeria, quorum unum inferius,
-alterum superius, cf. mijne rede over de Kathol. van Christ. en Kerk
-1888 bl. 28v., en over de Algemeene Genade 1894 bl. 24v. Daaruit is ook
-te verklaren, dat de Luthersche kerk, mits zij maar de zuivere bediening
-had van woord en sacrament, voor alle andere door Christus der kerk
-geschonken macht vrij onverschillig was. Zij wist wel beter en beleed,
-dat de kerk haar eigen opzieners en diakenen, haar eigen regeering en
-tucht hebben moest. Maar in de practijk stond zij dat alles terstond en
-schier zonder strijd aan de overheid af. Desnoods kon zij eene monarchale
-(pauselijke) en episcopale regeering toegeven, vele ceremoniën als
-adiaphora erkennen, de tucht aan de consistoriën overlaten en heel
-de uitwendige regeering der kerk aan de overheid toevertrouwen. De
-kerk hield voor zich alleen het predikambt, de bediening van woord en
-sacrament, maar werd overigens een lands- en een staatskerk, waarin
-de overheid als plaatsvervanger van het Roomsche episcopaat, of als
-praecipuum membrum ecclesiae of als gevolmachtigde der kerk zoo goed
-als alles te zeggen had, cf. boven bl. 108. Köstlin, Luthers Theol.
-II 555 f. Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 S. 223 f. 230 f.
-Sohm, Kirchenrecht 542 f. en voorts Melanchton, Loci Comm. de magistr.
-civil. Gerhard, Loc. XXIV. Quenstedt, Theol. IV 420-450. Hollaz, Ex.
-1352-1366. Baier, Comp. 639-649. Buddeus, Inst. Theol. 1267-1286.
-Zakelijk stemde dit weder geheel overeen met de macht, welke Zwingli,
-Erastus, de Remonstranten enz. aan de overheid in betrekking tot de
-kerk toekenden. Maar de Gereformeerden stelden zich hier principieel
-tegenover. Gelijk God de overheid in den staat tot souverein had
-aangesteld, zoo zalfde Hij Christus tot Koning zijner kerk. Beide, staat
-en kerk, waren dus in oorsprong, natuur, regeering, wezenlijk van
-elkander onderscheiden; de macht der kerk aan de overheid opdragen
-was eene aanranding van het koningschap van Christus. Maar deze
-onderscheiding werd toch door de Gereformeerden nooit als scheiding
-bedoeld. Integendeel, gelijk de kerk haar geestelijke goederen uitdeelt
-tot heil van heel het natuurlijke leven in huisgezin en maatschappij, in
-kunst en wetenschap, zoo heeft ook de overheid in een christelijk land
-de dure roeping, om de ware kerk te beschermen, in hare uitbreiding en
-voortplanting te steunen, alle afgoderij en valschen godsdienst te weren
-en uit te roeien en het rijk van den antichrist te gronde te werpen.
-Zij konden niet anders leeren, omdat zij geloofden, dat de overheid
-door God zelven om der zonde wil, ter harer beteugeling, ingesteld
-was; dat zij als zoodanig aan Gods wet en woord gebonden was; dat niet
-alleen de tweede maar ook de eerste tafel der wet op haar terrein en
-op hare wijze gehandhaafd moest worden; dat de H. Schrift een boek
-was niet uitsluitend met religieus-ethischen inhoud, geldende alleen
-voor de kerk, maar een woord Gods, uitgaande tot alle menschen en
-licht verspreidend over alle schepsel en leven; dat de overheid onder
-het O. Test. met zulk eene taak speciaal door God was belast; dat de
-christelijke waarheid universeel was en katholiek, duidelijk en klaar, en
-dus ook voor de overheid kenbaar. Cf. De Geref. belijdenisschriften bij
-Niemeyer 9. 32. 54. 55. 82. 98. 114. 122. 326. 355. 387. 534. 610. 765.
-810. Calvijn, Inst. IV 20; over ketterstraf, Op. ed. Amst. VIII 510-567,
-cf. Choisy, La théocratie à Genève au temps de Calvin, 1898. Bloesch,
-Gesch. d. Schweiz.-ref. Kirchen, Bern 1899 I 227 s. Beza, de haereticis
-a civili magistratu puniendis, Tract. Theol. I 85-169. Zanchius, Op.
-IV 580-587. Martyr, L. C. 473. Bullinger, Huisboek II 7. Junius, Op.
-I 544. Bogerman, in de diss. van der Tuuk 1868 bl. 32v. Trigland,
-Antapol. c. 29. Kerckel. Gesch. passim, vooral bl. 440v. Rhetorford,
-Examen Arminianismi c. 19. Revius, in de diss. van Posthumus Meyjes,
-1895 bl. 151-171. Voetius, Pol. Eccl. I 124 sq. en passim. Disp. sel.
-II 692-809. III 206. Synopsis pur. theol. 50. Mastricht, Theol. VII 7,
-14. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 34. Moor VI 470-518. Vitringa IX
-1. 700 sq.
-
-Maar het leven bleek sterker dan de leer; het absolute standpunt
-werd langzamerhand verzwakt. Reeds in de 16e eeuw eischten sommige
-Wederdoopers en Socinianen, dat de overheid van alle inmenging in
-zaken van religie en bepaaldelijk van ketterstraf zich onthouden zou.
-De Gereformeerde leer stuitte dan ook op vele practische bezwaren. In
-theorie toch waren staat en kerk wel onderscheiden, maar feitelijk was
-de staat dikwerf onderworpen aan de uitspraken der kerk, en gebonden
-aan hare belijdenis. Krachtens de nauwe vereeniging met de kerk en de
-verplichting, die zij op zich genomen had, kwam de overheid tot daden
-van geweld en dwang, van welke zij zelve meestal een afkeer had, die
-haar een kwaden naam gaven bij vele edelgezinden, den schijn op haar
-laadden van Roomsche tirannie en met den Protestantschen eisch van
-gewetens- en godsdienstvrijheid in strijd waren. Zoolang in een land
-ééne confessie alle burgers of althans de groote meerderheid verbond,
-was de vereeniging van kerk en staat nog te handhaven; maar toen
-langzamerhand de Roomsche kerk herleefde en in het Protestantisme
-velerlei kerken en belijdenissen opkwamen, aan wie men het christelijk
-karakter niet ontzeggen kon, toen werd het zelfs voor den strengste
-onmogelijk, om het confessioneel karakter van den staat en den eisch der
-ketterstraf te handhaven. In Engeland kwam dit in de 17e eeuw het eerst
-duidelijk aan het licht. Niet alleen Roomschen en Episcopalen streden
-daar met elkander om den voorrang, maar straks traden na elkander de
-Presbyterianen, Independenten, Kwakers, Levellers en Deisten op. Zoo
-schreed men, door de feiten geleid, allengs van het confessioneel tot
-het algemeen christelijk en vandaar tot het deistisch karakter van
-den staat voort, en werd tolerantie en moderatie het modewoord der
-achttiende eeuw. Roger Williams, de „aartsindividualist” was de eerste,
-die in de 17e eeuw den eisch van scheiding in kerk en staat uitsprak en
-volstrekte godsdienstvrijheid verlangde voor ieder, ook voor ketters en
-Joden, en deze beginselen in zijne kolonie te Rhode-Island in toepassing
-bracht. Aan christelijke en aan revolutionaire zijde vond deze theorie
-hoe langer hoe meer instemming. Sommige staten in Amerika pasten haar
-sedert 1776 toe, de Fransche Omwenteling dreef ze in vele landen door.
-Desniettemin bestaat zij nergens zuiver en consequent, en deinst ieder
-in de practijk voor hare gevolgen terug.
-
-
-6. Dat Christus aan zijne kerk op aarde zekere macht heeft toegekend,
-is haast voor geen twijfel vatbaar. In het algemeen reeds is het
-eene onloochenbare waarheid, dat niets zonder orde en regel kan
-bestaan, dat wezen zonder vorm ondenkbaar is, dat eene eigenlijke ὑλη
-overal en op elk gebied niets dan eene wijsgeerige abstractie is.
-Een huisgezin kan niet bestaan zonder hoofd, een volk niet zonder
-overheid, eene vereeniging niet zonder bestuur, een leger niet zonder
-generaal enz.; anarchie is onmogelijk. Te zeggen, dat Christus eene
-kerk heeft gesticht, zonder eenige organisatie, regeering of macht,
-is eene bewering, die uit mystiek-philosophische beginselen opkomt
-maar noch met de leer der Schrift, noch met de werkelijkheid van het
-leven rekening houdt. De vraag, die verdeelt, is dan ook eigenlijk
-niet deze, of de kerk van Christus, om te bestaan, eene zekere
-macht en regeering behoeft, want dat stemmen allen toe, hetzij zij de
-gemeente deze regeering zichzelf laten geven of haar aan de overheid
-opdragen. Maar het verschil loopt hierover, of Christus zelf in zijn
-woord, natuurlijk niet in allerlei bijzonderheden maar in beginselen en
-hoofdzaken, aan zijne kerk eene macht en regeering heeft toegekend, die
-daarom ook uitmaakt en uitmaken mag een artikel van ons geloof en een
-stuk onzer belijdenis, Ned. Gel. art. 30-32. Doch ook dit verschil wordt
-door de H. Schrift zoo sterk en duidelijk mogelijk beslist. Christus
-heeft wel gezegd, dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is, maar Hij
-is niet in dien zin een geestelijk koning, dat Hij om het uitwendige
-en aardsche zich volstrekt niet bekommert. Integendeel, Hij heeft de
-volle menschelijke natuur aangenomen en is in de wereld gekomen, niet
-om haar te veroordeelen, maar te behouden; Hij heeft zijn koninkrijk
-in die wereld geplant en gezorgd, dat het daarin bestaan en als een
-zuurdeesem op alle terreinen des levens vernieuwend inwerken kan. Zijn
-werk was, om allerwege de werken des duivels te verbreken, en het
-recht en de eere Gods tot erkenning te brengen; zoover als de zonde
-alles heeft verwoest en bedorven, strekt intensief zijne verzoenende en
-verlossende werkzaamheid zich uit. Daarom brengt Hij maar niet sommige
-menschen individueel door zijn Geest tot het geloof, opdat zij voorts
-vrij zich vereenigen en met de ontvangene gaven des Geestes elkander
-dienen zouden. Maar Hij sticht eene gemeente, eene kerk, en richt
-deze van stonden aan zoo in, dat zij bestaan, zich voortplanten en
-uitbreiden, en haar taak op aarde volbrengen kan. Ter verduidelijking
-mag en moet tusschen het wezen en de regeering der kerk onderscheid
-worden gemaakt. Maar dit onderscheid mag nooit zoo worden verstaan,
-alsof de geloovigen oorspronkelijk van alle regeering en macht verstoken
-zouden zijn geweest. Integendeel, de vorige paragraaf heeft in het licht
-gesteld, dat de kerk van het eerste oogenblik van haar bestaan na den
-val af eene zekere organisatie heeft gehad, eerst in de patriarchale
-gezinnen, daarna in het volk Israels, en sedert Christus’ komst op
-aarde in de verschillende buitengewone en gewone ambten, die Hij in
-zijne gemeente ingesteld heeft, Mk. 3:14, Luk. 10:1, Hd. 20:28, 1
-Cor. 12:28, Ef. 4:11. Elk ambt sluit echter een macht, een recht,
-eene bevoegdheid in. Wel is waar zijn er vele gaven in de gemeente,
-die door den H. Geest geschonken, als διακονιαι van Christus en als
-ἐνεργηματα Gods des Vaders zich openbaren en der gemeente onderling
-tot stichting dienen, 1 Cor. 12:4v. Maar niettemin verbond Christus
-aan de ambten, die Hij in zijne gemeente instelde, eene speciale macht,
-ἐξουσια, bestaande in het prediken van het evangelie, Mt. 10:7, Mk.
-3:14, 16:15, Luk. 9:2, enz., in het bedienen der sacramenten, Mt.
-28:19, Mk. 16:15, Luk. 22:19, 1 Cor. 11:24-26, in het doen van allerlei
-wonderen, Mt. 10:1, 8, Mk. 3:15, 16:18, Luk. 9:1, 10:9, 19 enz., in
-het houden of vergeven der zonden, Mt. 16:19, 18:18, Joh. 20:23, in
-het weiden der kudde, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, in het oefenen van
-tucht, Mt. 18:17, 1 Cor. 5:4, in het dienen der tafelen, Hd. 6:2, in
-het recht om te leven van het evangelie, Mt. 10:10, 9:4v., 2 Thess.
-3:9, 1 Tim. 5:18. Deze omschrijving, welke de Schrift van de macht
-der kerk geeft, wijst niet alleen haar ontwijfelbaar bestaan, maar ook
-hare volkomene onafhankelijkheid en eigensoortigheid tegenover alle
-andere macht ter wereld aan. Er is velerlei macht en gezag op aarde,
-in huisgezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap enz. Maar de
-kerkelijke macht is van deze alle in wezen onderscheiden en tegenover
-haar volkomen zelfstandig. Want al die andere macht is afkomstig van
-God als Schepper van hemel en aarde, Rom. 13:1, maar deze kerkelijke
-macht heeft haar oorsprong rechtstreeks in God als den Vader van
-onzen Heere Jezus Christus, 1 Cor. 12:28, Ef. 4:11, Hd. 20:28, en is
-daarom ten opzichte van alle andere aardsche macht volkomen vrij en
-onafhankelijk. Wie met het Cesareopapisme of het Erastianisme deze
-macht der kerk inkrimpt, beperkt en aan de overheid opdraagt, komt de
-eere van Christus te na en doet aan de der kerk geschonken rechten en
-vrijheden tekort. Onafhankelijk moet deze macht der kerk tegenover alle
-andere aardsche macht blijven, omdat zij gansch eigensoortig is, door
-geen andere macht kan overgenomen of uitgeoefend worden, en dus bij
-zulk eene overdracht van haar natuur beroofd en vernietigd wordt. Al
-de macht toch, die Christus aan zijne kerk heeft geschonken, bediening
-van woord en sacrament, oefening van tucht, dienst der tafelen enz.
-heeft behalve een eigen oorsprong, ook een eigen orgaan, een eigen
-natuur, een eigen doel. Zij is gebonden aan ambten, die Christus alleen
-in zijne gemeente ingesteld heeft, waartoe Hij alleen de gaven verleent
-en verleenen kan, die Hij alleen roept en zendt; niemand neemt zich
-deze eere aan, dan die van God geroepen wordt, Rom. 10:15, Hebr.
-5:4. Voorts is deze macht geestelijk. Dat wil niet zeggen, dat zij
-onzichtbaar en gansch inwendig is, want Christus is wel een geestelijk
-koning doch regeert over ziel en lichaam beide, zijn woord en sacrament
-richten zich tot den ganschen mensch, de dienst der barmhartigheid
-heeft zelfs voornamelijk de lichamelijke nooden te lenigen. Maar als de
-macht der kerk geestelijk heet, dan wordt daarmede te kennen gegeven,
-dat zij door den H. Geest van God wordt geschonken, Hd. 20:28, alleen
-in den naam van Christus en de kracht des H. Geestes kan uitgeoefend
-worden, Joh. 20:22, 23, 1 Cor. 5:4, uitsluitend over menschen als
-geloovigen gaat, 1 Cor. 5:12, en alleen op geestelijke, zedelijke wijze,
-niet met dwang en straf in geld, goed of leven, maar door overtuiging,
-geloof, goedwilligheid, vrijheid, liefde en dus alleen met geestelijke
-wapenen, 2 Cor. 10:4, werkt en werken kan, Mk. 16:16, Joh. 8:32, 2
-Cor. 3:17, Ef. 6:7 enz. Eindelijk heeft deze macht ook een eigen doel;
-zij strekt, al brengt zij voor de ongeloovigen ook verzwaring van het
-oordeel mede, tot behoudenis, tot stichting en niet tot nederwerping,
-tot volmaking der heiligen en opbouwing des lichaams van Christus,
-Mt. 10:13, Mk. 16:16, Luk. 2:34, 2 Cor. 2:16, 10:4, 8, 13:10, Ef.
-4:12, 6:11-18 enz. Voetius, Pol. Eccl. IV 783. Door dit alles is de
-kerkelijke macht soortelijk onderscheiden van alle staatkundige macht.
-Reeds onder het O. Test. waren staat en kerk, schoon nauw verbonden,
-toch niet een en hetzelfde. Veel duidelijker echter heeft Christus het
-onderscheid uitgesproken tusschen zijn rijk en de rijken der wereld,
-Mt. 22:21, Joh. 18:36; zelf weigerde Hij alle aardsche macht, Luk.
-12:13, 14, Joh. 6:15, en verbood aan zijne jongeren al wat zweemde
-naar wereldlijke heerschappij, Mt. 20:25, 26, 1 Petr. 5:3. Tusschen
-kerk en staat en beider macht is er dan ook allerlei verschil; in
-oorsprong niet alleen, gelijk boven reeds opgemerkt werd, maar verder
-ook in organen, want de ambten in de gemeente van Christus zijn alle
-διαχονιαι, maar de politieke overheid is souverein, en heeft, schoon
-dienaresse Gods, toch recht en macht, om wetten uit te vaardigen en
-daaraan onderwerping te eischen; in aard en natuur, want de macht
-der kerk is geestelijk, maar de macht der politieke overheid is
-natuurlijk, aardsch, wereldlijk, strekt zich uit over alle onderdanen,
-zonder andere qualiteit dan dat zij onderdanen zijn, en regelt alleen
-hunne aardsche belangen; in doel, want de kerkelijke macht strekt tot
-opbouwing van het lichaam van Christus, maar de politieke macht heeft
-hare bestemming in dit leven en streeft naar het bonum naturale et
-commune; in middelen, want de kerk heeft geen andere dan geestelijke
-wapenen, maar de overheid draagt het zwaard, heeft het recht over
-leven en dood en mag gehoorzaamheid eischen met dwang en geweld. Zoo
-ongeoorloofd het daarom aan de eene zijde is, om de kerkelijke macht aan
-de overheid op te dragen, zoo zondig is het ook aan de andere zijde,
-om de kerkelijke macht in eene politieke te veranderen. Romanisme en
-Anabaptisme maken zich daar beide aan schuldig, omdat beide uitgaan van
-de tegenstelling van natuur en genade. Alleen maakt het Anabaptisme
-die tegenstelling absoluut en vernietigt daardoor de natuur; Rome vat
-ze relatief op en onderdrukt de natuur. In de Middeleeuwen, toen de
-Roomsche kerk de alleenheerschappij bezat, kwam dit streven duidelijker
-voor den dag; maar principieel is zij niet veranderd, en nog altijd wordt
-zij gedreven door dezelfde zucht, om de geestelijken zooveel mogelijk
-van de politieke onderhoorigheid vrij te maken, om allerlei burgerlijke
-zaken binnen haar kring te trekken en aan haar oordeel te onderwerpen;
-om door uitwendigen glans en praal te schitteren, bezit van kapitalen
-en vaste goederen uit te breiden, politieken invloed aan de hoven uit
-te oefenen; om op grond van Mt. 28:18 en naar de theorie der twee
-zwaarden voor den paus zoo niet de directe dan toch de indirecte
-macht over heel de wereld te eischen enz., cf. Voetius, Pol. Eccl.
-I 115. Niet alleen echter is de Roomsche kerk er steeds op uit, om
-alle aardsche, politieke macht aan zich dienstbaar te maken; erger
-is nog, dat zij de kerkelijke macht zelve van haar geestelijk karakter
-berooft en in eene politieke heerschappij verandert. Ten eerste wordt
-dit hierin openbaar, dat de Roomsche kerk zichzelve, d. i. aan den
-paus de hoogste wetgevende macht toeschrijft. Vroeger was deze macht
-nog beperkt door Schrift en traditie, door bisschoppen en concilies;
-de regeering was eene door aristocratie getemperde monarchie. Maar
-sedert de afkondiging van het infallibiliteitsdogma is deze verhouding
-omgekeerd. De paus is in formeelen zin absoluut monarch. Krachtens de
-beweerde assistentie des H. Geestes bepaalt hij onfeilbaar, wat geloofd
-en gedaan moet worden. Een hooger beroep is er niet; wat hij bindt of
-ontbindt, is gebonden of ontbonden in den hemel; wat hij zegt, heeft
-evenveel gezag, alsof het door Christus zelf gesproken ware. De dogmata
-en wetten, die hij afkondigt, binden het geweten, en verplichten tot
-geloof en gehoorzaamheid op verbeurte van de eeuwige zaligheid. Van de
-overheid is er beroep op God, maar de souvereiniteit van den paus is
-de allerhoogste, God zelf spreekt door zijn mond. Ten tweede kent de
-Roomsche kerk zichzelve, d. i. aan den paus, de hoogste rechtsprekende
-macht toe. De kerkelijke macht is tweeërlei, potestas ordinis en
-potestas jurisdictionis; de potestas docendi, ook al wordt ze
-afzonderlijk genoemd, behoort eigenlijk tot de potestas jurisdictionis.
-Daarin ligt opgesloten, dat de bediening van woord en sacrament bij Rome
-geen verkondiging van het evangelie, maar een rechtshandel en eene
-uitspraak is. Alle gedoopten behooren niet in zedelijken, geestelijken
-zin maar _rechtens_, in juridischen zin, met een onveranderlijk en
-onverliesbaar recht aan den paus toe; zij zijn zijne schapen, die hij
-desnoods met geweld in de schaapskooi terug mag brengen, al kan hij het
-misschien ook niet door de omstandigheden van tijd. Nach dem Rechte
-der katholischen Kirche gehören eigentlich alle Getauften zur Kirche,
-also auch zur Parochie, aber in Ermangelung von Zwangsmitteln fehlt
-gegenüber Andersgläubigen die Durchführbarkeit dieses Anspruchs,
-Vering, Lehrb. des kath. orient, u. prot. Kirchenrechts³ 603. En al de
-Roomsche kerkleden komen onder de prediking en tot het sacrament der
-boete, om hun oordeel te hooren. De biechtstoel is een rechtbank, de
-priester een rechter; na de beschuldigingen gehoord te hebben, die de
-biechteling tegen zichzelf inbrengt, spreekt hij het vonnis uit; hij
-bindt en ontbindt, niet deprecatief en conditioneel, maar krachtens
-den ambtsgeest, die in hem woont, peremptoir en absoluut; zooals hij
-oordeelt, oordeelt God in den hemel. Ten derde maakt Rome, d. i.
-de paus aanspraak op de hoogste uitvoerende en dwingende macht. De
-onderscheiding van kerkelijke en burgerlijke straf heeft voor Rome geen
-waarde. Als de kerk het nuttig oordeelt en er toe in staat is, past
-zij evengoed de laatste als de eerste toe. Het is zoo, de doodstraf
-voltrok zij niet, want ecclesia non sitit sanguinem. Maar overigens
-liet zij geen middel onbeproefd, om ongehoorzame kinderen te dwingen
-tot onderwerping. En Rome was vindingrijk. Geldstraf, boete, kerker,
-inquisitie, pijnbank, sluipmoord, ban, interdict, ontslag der onderdanen
-van gehoorzaamheid aan den vorst enz. hebben altemaal dienst gedaan.
-Dat was en is in beginsel nog de opvatting van de kerkelijke macht bij
-Rome.
-
-De Hervormers hebben daartegenover de potestas ecclesiastica weer
-in den zin der Schrift als eene geestelijke macht opgevat. Zoo kwam
-vanzelf de potestas docendi, de bediening van woord en sacrament op den
-voorgrond te staan. De Lutherschen lieten zelfs, althans in de practijk,
-heel de kerkelijke macht daarin opgaan; zij hadden alleen pastores,
-geen presbyters en diakenen. Maar de Gereformeerden herstelden ook
-deze ambten en namen daarom naast de potestas docendi nog de potestas
-jurisdictionis op. Het woord jurisdictio vond echter, hoewel Calvijn,
-Inst. IV 11 het overnam, geen algemeene goedkeuring. Coccejus op 1 Cor.
-5 verwierp het; Maresius, Syst. Theol. 15, 75 f. 16, 70 a zeide, dat
-er, zuiver en juist gesproken, geen jurisdictio in de kerk was en dat
-het woord op kerkelijk gebied slechts analogice mocht opgevat worden;
-allen erkenden, dat de jurisdictio in de kerk van gansch anderen
-aard was dan in den staat en een geestelijk karakter droeg, Voetius,
-Pol. IV 798, en velen meden het woord en spraken liever van potestas
-gubernans, ordinans, disciplinaris enz. Voorts onderscheidden sommigen
-tweeërlei, maar anderen drieërlei macht. De macht der kerk ging n.l.
-in de bediening van woord en sacrament en in de oefening van tucht
-niet op; zij had ook het recht en de bevoegdheid, om in het belang van
-de orde wetten te maken en maatregelen te nemen van allerlei aard.
-Zoo kwam naast en dikwerf tusschen de potestas docendi (doctrinae,
-scientiae, dogmatica, ordinis) en de potestas disciplinae (critica,
-jurisdictionis, correptionis) nog de potestas directionis (regiminis,
-ordinis, diatactica, legislativa,) te staan, Calvijn, Inst. IV 8, 1.
-Bucanus, Inst. 519. Maresius, Syst. Theol. 16, 70. Voetius, Pol. Eccl.
-I 118. Vitringa IX 1 p. 457. Opmerkelijk is, dat bij deze macht der kerk
-nooit het diakonaat ter sprake werd gebracht. Toch heeft Christus
-ook daarin eene macht aan zijne kerk geschonken, die van de grootste
-beteekenis is. Drieërlei macht is er daarom, in verband met de ambten
-van pastor, presbyter en diaken en verder in verband met het drievoudig
-ambt van Christus, het profetisch, koninklijk en priesterlijk ambt, in
-zijne kerk te onderscheiden: de potestas docendi, de potestas gubernans
-(waarvan de potestas disciplinae een onderdeel is), en de potestas
-misericordiae.
-
-
-7. De potestas docendi heeft haar oorsprong en grond in het profetisch
-ambt, waartoe Christus gezalfd is en dat Hij zelf nog altijd uitoefent
-door zijn Woord en Geest. Hij heeft het niet overgedragen aan eenig
-mensch, en geen paus of bisschop, geen herder of leeraar tot zijn
-zaakwaarnemer en plaatsvervanger aangesteld; maar Hij is nog altijd
-onze hoogste profeet, die van uit den hemel door Woord en Geest zijne
-gemeente leert. Toch bedient Hij zich daarbij in den regel van menschen
-als zijne organen, niet alleen van de ambtsdragers in enger zin maar
-van alle geloovigen en van een iegelijk hunner naar de genade, die hem
-is gegeven. De gemeente zelve is profetesse, en alle Christenen zijn
-der zalving van Christus deelachtig en geroepen tot belijdenis van des
-Heeren naam. Het ambt onderdrukt de gaven niet maar leidt ze alleen.
-Er zijn vele charismata, die tot de potestas docendi der kerk behooren,
-wijsheid, kennis, profetie enz. 1 Cor. 12:8v. Christus onderwijst en
-leert door den vader in het gezin, door den onderwijzer op de school,
-door den presbyter bij het huisbezoek, door al de geloovigen in hun
-onderling verkeer en in hun omgang met anderen. Maar Hij doet het
-inzonderheid op eene onderscheidene wijze, ambtelijk, met uitdrukkelijk
-verleenden last en volmacht, in de openbare samenkomsten van het volk
-Gods, door den dienaar des Woords. Onder de potestas docendi is nu
-voornamelijk deze ambtelijke bediening des Woords te verstaan. Naar twee
-zijden moet deze dienst in zijne zelfstandigheid gehandhaafd worden.
-Vooreerst naar de zijde van de Roomsche kerk, die het woord aan het
-sacrament, den homileet aan den liturg, de prediking aan den cultus,
-de potestas docendi aan de potestas jurisdictionis ondergeschikt
-maakt. Naar de Schrift toch gaat het woord voorop, en het sacrament
-komt daaraan als aanhangsel en zegel toe; er is geen sacrament zonder
-woord, wel een woord zonder sacrament. Het sacrament volgt het woord;
-wie het woord bedient, moet daarom nog niet altijd, 1 Cor. 1:14-17, maar
-kan en mag toch het sacrament bedienen, en is ook dan een bedienaar
-des woords, van het zichtbare woord, dat aan het hoorbare toegevoegd
-is. Ten tweede is deze ambtelijke bediening des woords zelfstandig
-tegenover alle onderwijzing des woords, die door de geloovigen onder
-elkander of naar buiten geschiedt, en zelfs wezenlijk onderscheiden
-van de toepassing, welke de presbyter van het woord heeft te maken
-bij het bezoek van de leden der gemeente. Zeker kan en mag ook de
-ambtelijke bediening des woords in de samenkomsten der gemeente als een
-weiden der kudde worden opgevat. De Schrift gaat daarin ons voor. De
-Heere is de herder van zijn volk, Ps. 23:1, 80:2, Jes. 40:11, 49:10,
-Jer. 31:10, Ezech. 34:15; Christus heet de herder der kudde, Ezech.
-34:23, Joh. 10:11, 14, Hebr. 13:20, 1 Petr. 2:25, 5:4, Op. 7:17. En
-onder Hem als den ἀρχιποιμην, 1 Petr. 5:4, dragen ook zijne dienaren
-den naam van herders, ποιμενες, pastores, Jes. 44:28, Jer. 2:8, 3:15,
-23:1v., Ezech. 34:2v. enz., Joh. 10:2, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, 1
-Cor. 9:7, Ef. 4:11, 1 Petr. 5:2, cf. het Form. der Ger. kerken voor de
-bevestiging van dienaren des woords. Maar sedert de beide werkzaamheden
-van weiden en leeren, van regeeren en arbeiden in het woord en de
-leer gescheiden werden en ieder een eigen orgaan verkregen, Ef. 4:11,
-1 Tim. 5:17, is de naam van leeraar de karakteristieke titel van den
-dienaar des woords geworden. Door zijne voorbereiding en opleiding,
-door zijn algeheele toewijding aan den arbeid in het woord, door de
-macht om van het evangelie te leven, door zijne ambtelijke bediening
-van woord en sacrament in de vergadering der geloovigen is hij van den
-opziener, den regeerouderling onderscheiden, die speciaal met het
-ποιμαινειν is belast, Hd. 20:28, 1 Petr. 5:2. Toch mag dit leeren niet
-in intellectualistischen zin worden verstaan; veeleer is het met het
-bovengenoemde Formulier alzoo te duiden, dat de dienaren des Heeren
-woord grondig en oprechtelijk aan hun volk zullen voordragen en het
-toeeigenen, zoo in het gemeen als in het bijzonder, tot nuttigheid der
-toehoorders, met onderwijzen, vermanen, vertroosten en bestraffen,
-naar eens iegelijks behoefte, verkondigende de bekeering tot God en de
-verzoening met Hem door het geloof in Jezus Christus en wederleggende
-met de H. Schrift alle dwalingen en ketterijen, die tegen deze zuivere
-leer strijden. Nader ligt er in deze potestas docendi opgesloten het
-recht en de plicht der kerk, om 1º te zorgen voor de opleiding van
-hare aanstaande dienaren of op die opleiding nauwkeurig toe te zien,
-hare dienaren te roepen, te onderzoeken, te zenden, te bevestigen, te
-onderhouden, door hun dienst het woord Gods te doen prediken beide aan
-geloovigen en ongeloovigen, en alzoo de kerke Gods te bevestigen, uit
-te breiden en voort te planten onder het menschelijk geslacht; 2º om het
-woord Gods door middel van het ambt te bedienen in verschillenden vorm
-naar elks behoefte, bepaaldelijk in den vorm van melk aan de jeugdige,
-en in dien van vaste spijze aan de volwassen leden der gemeente, maar
-voorts altijd zoo, dat de volle raad Gods, de gansche rijkdom van zijn
-woord ontvouwd en overeenkomstig de behoeften van elk volk en land, van
-elke eeuw en tijd, van iedere gemeente en van alle geloovigen in het
-bijzonder ontwikkeld en toegepast wordt, Jes. 3:10, 11, 2 Cor. 5:20,
-1 Tim. 4:13, 2 Tim. 2:15, 4:2; 3º om het woord Gods te bewaren, te
-vertalen, uit te leggen naar den regel des geloofs, te verdedigen tegen
-alle bestrijding der leugen, 1 Tim. 1:3, 4, 2 Tim. 1:13, Tit. 1:9-11,
-13, 14 en alzoo de gemeente op te bouwen op het fundament van apostelen
-en profeten, Ef. 2:20 en haar te doen zijn een στυλος και ἑδραιωμα της
-ἀληθειας, 1 Tim. 3:15, d. i. een zuil en grondslag, die de waarheid
-draagt, ze uitstalt voor ieders oog en aan allen kenbaar maakt.
-
-Rechtstreeks vloeit hieruit de bevoegdheid der kerken voort, om de
-waarheid, die zij gelooft, te belijden en als belijdenis in haar midden
-te handhaven. Van den kant der Remonstranten in de praefatie voor hun
-Confessie en Apologie, der Baptisten, Congregationalisten, Kwakers,
-cf. Schaff, Creeds I 834. 852. 864. en van vele anderen is daartegen
-ingebracht, dat het opstellen van bindende confessies in strijd is met
-de algenoegzaamheid der Schrift, de christelijke vrijheid vernietigt,
-eene ondragelijke tirannie invoert, verder onderzoek en voortgaande
-ontwikkeling afsnijdt. De Schrift legt echter aan de kerken duidelijk
-den plicht op, om een pilaar en vastigheid der waarheid te zijn en
-haar voor alle menschen te belijden, om zulken, die van de leer der
-waarheid afwijken, te mijden en het woord Gods tegenover alle bestrijders
-te handhaven. De kerk is bijna van het begin, d. i. van den aanvang der
-tweede eeuw af eene belijdeniskerk geweest, die haar eenheid had in den
-allen gemeenschappelijken regel des geloofs, d. i. in de doopsbelijdenis,
-in het oorspronkelijke, later eenigszins uitgebreide, apostolisch
-symbool, en voorts telkens in den loop der eeuwen door ketterij en
-laster tot breedere ontwikkeling der waarheid genoopt werd, cf. Zahn,
-Glaubensregel und Taufbekenntniss in der alten Kirche, in zijne Skizzen
-aus dem Leben der alten Kirche 1898 S. 238-270. Id. Das apost. Symbolum
-1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894. Kunze, Glaubensregel, H.
-Schrift und Taufbekenntniss, Leipzig 1899. Een kerk kan ook in eene
-wereld vol leugen en bedrog niet zonder een regel des geloofs bestaan,
-wordt, gelijk de historie vooral in deze eeuw leert, zonder eene vaste
-belijdenis aan allerlei dwaling en verwarring ten prooi en onderworpen
-aan de tirannie van bovendrijvende richtingen en meeningen. Met zulk
-eene belijdenis doet de kerk ook niet aan de volmaaktheid der H. Schrift
-te kort, maar spreekt zij niet anders uit, dan wat in die Schrift is
-vervat; de belijdenis staat niet naast, veel minder boven, maar diep
-onder de H. Schrift; deze is alleen αὐτοπιστος, onvoorwaardelijk tot
-geloof en gehoorzaamheid bindend, onveranderlijk, maar de confessie
-is en blijft altijd examinabel en revisibel aan de Schrift, zij is geen
-norma normans, maar hoogstens norma normata, geen norma veritatis,
-maar norma doctrinae in aliqua ecclesia receptae, ondergeschikt,
-feilbaar, menschenwerk, onvolkomene uitdrukking van wat de kerk uit
-de Schrift als Goddelijke waarheid in haar bewustzijn opgenomen heeft
-en thans op gezag van Gods woord tegenover alle dwaling en leugen
-belijdt. Ook dwingt de kerk met deze belijdenis niemand noch bindt zij
-het onderzoek, want zij laat een ieder vrij, om anders te belijden en de
-waarheid Gods in anderen zin op te vatten; zij luistert opmerkzaam naar
-de bedenkingen, die eventueel tegen haar belijdenis op grond van Gods
-woord worden ingebracht en onderzoekt die naar eisch van hare belijdenis
-zelve; alleen weigert zij en moet zij weigeren, zich tot een debating
-society of philosophisch genootschap te verlagen, waarin heden voor
-waarheid geldt wat gisteren leugen was, want zij is niet aan eene bare
-der zee, maar aan een rots gelijk, pilaar en vastigheid der waarheid.
-Cf. deel I 25 en voorts nog (Dunlop) A collection of confessions of
-faiths, cathechisms, directories, books of discipline etc. of publick
-authority in the church of Scotland, I Edinb. 1719 preface p.
-V-CXLIV.
-
-
-8. Christus is niet alleen profeet, Hij is ook koning, die nog
-voortdurend van uit den hemel persoonlijk zijne gemeente regeert. Maar
-Hij bedient zich daarbij toch van menschen en gaf dus in zoover aan zijne
-gemeente een potestas gubernationis. In ruimer zin is daaronder al de
-leiding en zorg te verstaan, welke de geloovigen saam ten opzichte van
-elkander uitoefenen. In de gemeente geldt het woord van Ezau niet:
-ben ik mijns broeders hoeder? Allen zijn elkanders leden, lijden en
-verblijden zich met elkaar, hebben de bekwaamheid en de roeping, om ook
-onderling elkander te leeren, te vermanen, te vertroosten, te stichten,
-Rom. 15:14, Col. 3:16, 1 Thess. 5:11. Er zijn gaven der leiding, der
-regeering, die Christus door den H. Geest aan de gemeente uitdeelt en
-die Hij door de ambten niet te niet doet maar in ’t goede spoor houdt,
-Rom. 12:8, 1 Cor. 12:28. En onder die gaven staat de liefde bovenaan,
-die den een den ander in waardeering en hoogachting doet voorgaan, Rom.
-12:10, Phil. 2:3, 1 Petr. 5:5. Maar toch heeft Christus als koning
-zijner kerk in het presbyteraat ook een bepaald ambt ingesteld, waardoor
-Hij zijne gemeente regeert. Dit regeeren draagt echter een geestelijk
-karakter, wijl Christus koning is in het rijk der genade, en wordt in
-de Schrift een ποιμαινειν genoemd, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, 1 Petr.
-5:2; al wat denken doet aan aardsche macht en politieke heerschappij
-is ervan uitgesloten, 2 Cor. 1:24, 1 Petr. 5:2, 3. In ruimeren zin
-omvat dit ποιμαινειν ook het werk van den leeraar, maar er is toch een
-groot onderscheid tusschen de openbare verkondiging en de persoonlijke,
-individueele toepassing des woords, tusschen het hoeden der kudde in
-het algemeen en het verzorgen van elk der schapen in het bijzonder. De
-geloovigen zijn wel geroepen, om allen op elkander acht te nemen tot
-opscherping der liefde en der goede werken, Hebr. 10:24, maar opdat
-geen enkel schaap der kudde onverzorgd blijve, heeft Christus toch aan
-een bepaald ambt het weiden der schapen opgedragen. Dat Hij hiermede
-in eene wezenlijke behoefte zijner gemeente heeft voorzien, blijkt
-daaruit, dat, toen het presbyteraat allengs verdween, in de biecht
-een menschelijk surrogaat voor dezen ambtelijken dienst is ingesteld.
-Ongetwijfeld bevat daarom de biecht iets goeds, Jak. 5:16, Calvijn, Inst.
-III 1, 13, maar zij kan niet opwegen tegen den goed geregelden dienst
-van het presbyteraat. Immers voert zij een ongeoorloofden gewetensdwang
-in, maakt de geloovigen van de absolutie van den priester afhankelijk,
-legt in de belijdenis van alle speciale, bepaaldelijk van de doodzonden,
-een onmogelijk na te komen plicht op, maakt genade en zaligheid
-ieder oogenblik onzeker en onvast, dwingt tot eene casuistische en
-quantitatieve behandeling van zonde en straf, en geeft aanleiding tot
-allerlei onzedelijke praktijken. De Schrift spreekt dan ook nergens van
-zulk een gedwongen biecht. Maar wat zij in voorbeeld en voorschrift ons
-zegt, is dit, dat Nathan tot David en Elia tot Achab en Jesaja tot
-Hiskia gaat, om hen persoonlijk over hunne zonden te onderhouden; dat
-Christus het land doorgaat predikende en zegenende, dat Hij al zijne
-schapen bij name kent en er geen verloren laat gaan, Joh. 10:3, 28, dat
-Hij aan Petrus en aan al de apostelen niet alleen het weiden der kudde
-maar ook het weiden der schapen opdraagt, Joh. 21:15-17, dat Hij aan
-zijne discipelen beveelt, om in steden, vlekken en huizen het evangelie
-te prediken, Mt. 10:11, 12, dat Paulus de broeders in iedere stad
-bezoekt, Hd. 15:36, de gemeenten versterkt, Hd. 15:41 in het openbaar
-en bij de huizen, δημοσιᾳ και κατ’ οἰκους, de bekeering tot God en het
-geloof in Christus predikt, Hd. 20:20, 21, cf. Calvijn, Inst. IV 1,
-22. Trouwens ligt de behoefte aan zulk eene voortdurende geestelijke
-verzorging in den toestand der kerk van Christus in deze bedeeling
-vanzelf opgesloten. Ook al is de gemeente eens geplant, zij is niet
-terstond volmaakt; integendeel heeft zij strijd van binnen en buiten,
-staat ten prooi aan allerlei aanvallen van zonde en leugen, en loopt zij
-ieder oogenblik gevaar, om af te dwalen ter rechter of ter linker zijde.
-De gemeente is een akker, die voortdurend gewied, een boom, die op zijn
-tijd gesnoeid, een kudde, die altijd door geleid en geweid, een huis,
-waaraan steeds gebouwd, een bruid, die toebereid moet worden om als
-eene reine maagd aan haren man te worden voorgesteld. Er zijn kranken,
-stervenden, beproefden, bedroefden, bestredenen, aangevochtenen,
-twijfelenden, gevallenen, gevangenen enz., die leering en onderwijzing,
-vermaning en vertroosting van noode hebben. En afgedacht zelfs hiervan,
-de gemeente behoort op te wassen in de kennis en genade van den Heere
-Jezus Christus; de kinderen moeten jongelingen, de jongelingen mannen,
-de mannen vaders worden in Christus, en hebben daartoe leiding en
-verzorging van noode. Ook de leeraars zijn zwakke en zondige menschen en
-behooren onder opzicht te staan; indien de raad van ouderlingen en de
-vergadering van genabuurde kerken dit niet doet, wordt de gemeente een
-speelbal van den pastor of anders een superintendentuur of episcopaat
-noodzakelijk. In één woord, de leeraars zaaien het woord, de ouderlingen
-zoeken de vrucht. Cf. voorts over het presbyteraat: Calvijn, Inst. IV
-1, 22. 12, 2. Martyr, Loci p. 392b. Zanchius, Op. IV 730. Bullinger,
-Huysboeck, Dec. 5 serm. 3. Junius, Op. I 1563. Bucanus, Inst. theol.
-493. Mastricht, Theol. VII 2, 22. Voetius, Pol. Eccl. III 436-479. VI
-92-109. M. Vitringa IX 229. Renesse, Van het regeerouderlingschap 1659.
-Koelman, Ambt en pligt der ouderlingen 1765. Nieuwe werken van Th.
-Harnack, Prakt. Theol. II 291-350. Id. in Zöcklers Handb. der theol.
-Wiss. III 503-537. Achelis, Prakt. Theol. II 177-323. H. A. Koestlin,
-Die Lehre von der Seelsorge, Berlin 1895. Kuyper, Enc. III 524.
-Biesterveld, Het huisbezoek, Kampen 1900 enz.
-
-
-9. Tot de werkzaamheid der opzieners behoort in het bijzonder ook de
-kerkelijke tucht, potestas disciplinae. Het Hebr. heeft voor tucht
-het woord מוּסָר, dat eigenlijk adstrictio, constrictio beteekent en
-in het grieksch door νουθετημα, διδασκαλια, νομος, σοφια vertaald en
-in het N. T. vooral door het woord παιδεια weergegeven wordt. Beide
-woorden geven evenals het holl. woord tucht, van tien, trekken, in het
-algemeen te kennen, dat iets dat jong, teer, klein, zwak is met zorg
-opgekweekt wordt. Wijl echter in het algemeen en vooral bij menschen
-deze opkweeking altijd tegelijk abnormale ontwikkeling tegen moet gaan,
-krijgt het woord tucht de bijbeteekenis van terechtwijzing, kastijding,
-tuchtiging. Bijna nooit duiden de woorden alleen onderwijs, onderricht
-aan, cf. echter Hd. 7:22, 22:3, maar altijd zulk eene opvoeding en
-onderwijs, welke terechtwijzend en kastijdend optreden. Zoo voedt God
-zijne kinderen op, Hebr. 12:5-11, en Christus zijne gemeente, Op.
-3:19, door middel van de Schrift, die nuttig is προς διδασκαλιαν,
-προς ἐλεγμον, προς ἐπανορθωσιν, προς παιδειαν την ἐν δικαιοσυνῃ, 2
-Tim. 3:16. En zulk een tucht heeft Christus ook in zijne gemeente
-ingesteld. In het O. T. bestond er nog geen eigenlijke kerkelijke tucht,
-al werd Adam ook gebannen uit het paradijs en al werden in Israel
-onbesnedenen, melaatschen en onreinen uit het heiligdom geweerd, Lev.
-5v., Ezech. 44:9, want voor onopzettelijke zonden bestond er altijd
-verzoening, op zonden met opgeheven hand stond de uitroeiing, en de
-cherem was tegelijk eene burgerlijke straf. Eerst toen Israel eene
-gemeente werd, kwam de uitsluitend kerkelijke straf op, de afzondering
-uit de gemeente der geloovigen, Ezr. 10:8, en deze ban wordt nog door
-de Joden in sommige gevallen toegepast, Gunning, De Chasidim bl. 55.
-Misschien in aansluiting aan deze synagogale tucht, heeft Christus de
-tucht in zijne gemeente verordend. In Mt. 16:19 geeft Hij de sleutelen
-van het hemelrijk aan Petrus, in Mt. 18:18 aan de gemeente, in Joh.
-20:23 aan de apostelen, zoodat zij de macht hebben om op grond van de
-belijdenis van Christus en onder de voorlichting des Geestes te binden
-en te ontbinden, iemand de zonden te houden of te vergeven. Alleen
-omdat Christus deze macht aan zijne gemeente geeft, is deze tot het
-oefenen van tucht bevoegd. In Mt. 18:15-17 wijst Hij dan aan, hoe deze
-tucht geoefend moet worden. God wil niet, dat een der kleinen, die
-in Jezus gelooven, verloren ga. Mt. 18:1-14. Als dus iemand door zijn
-broeder beleedigd of onrechtvaardig behandeld is, dan moet hij eerst
-door persoonlijke bestraffing, dan door bestraffing onder twee of
-drie getuigen, en daarna door bestraffing vanwege heel de gemeente
-beproeven hem te winnen; en eerst, als dat alles niet baat, dan mag hij,
-de beleedigde (σοι, vs. 17, in sing.) hem beschouwen als een heiden
-en tollenaar, dan heeft hij alles aan hem beproefd, en is hij vrij van
-zijn bloed. Zulk een oordeel heeft dan kracht in den hemel. Dit is de
-gewone weg, waarlangs de tucht in de gemeente naar Jezus’ bevel loopen
-moet. Maar daarvan is wel te onderscheiden de tucht, die God zelf, die
-Christus, en die ook de apostelen soms oefenen in zijn naam en kracht.
-God kan zonden in de gemeente, bijv. het onwaardig gebruik van het
-avondmaal bezoeken met krankheid en dood, 1 Cor. 11:30. Ananias en
-Saffira vielen om hun liegen tegen den Geest Gods dood voor Petrus’
-voeten neer, Hd. 5. Paulus strafte Elymas, Hd. 13:11 met blindheid. In
-1 Cor. 5 beveelt Paulus aan de gemeente, om, terwijl zij met zijn geest,
-die reeds over den bloedschender in haar midden het oordeel heeft
-uitgesproken, vs. 3, saamvergaderd en alzoo verbonden is met de macht
-van den Heere Jezus Christus, in Christus’ naam den zoodanige aan den
-Satan over te geven, opdat hij door dezen in zijn lichaam geslagen en
-alzoo toch weder naar den geest in den dag van Christus behouden worde.
-Paulus berispt daarbij de Corinthiërs vs. 2, dat zij hem al niet eerder
-uit hun midden hadden weggedaan en onderstelt dus, dat zij daartoe het
-recht en de verplichting hadden. En juist wijl zij dat niet gedaan, maar
-den zondaar gedragen en alzoo aan zijne zonde deel gekregen hadden,
-daarom acht hij thans een radicalen maatregel noodig. Hij zelf heeft als
-apostel reeds voor zichzelf het oordeel geveld, en eischt nu, dat de
-gemeente, in volle vergadering, terstond, zonder verder vermaan, naar
-de thans door den apostel haar verleende volmacht, ja naar de macht van
-Christus zelven, in zijn naam den booze oordeele; en niet maar eenvoudig
-buiten de gemeente plaatse, gelijk in vs. 2 van haar verlangd werd,
-doch bepaaldelijk ter lichamelijke bestrijding aan den Satan overgeve.
-Er is hier dus sprake, niet van gewone excommunicatie, zooals bijv. in
-Mt. 18:17, maar van eene bijzondere, apostolische machtsdaad. Dit blijkt
-ook uit 1 Tim. 1:20, 2 Tim. 2:17, waar Paulus als apostel, geheel
-alleen, zonder de gemeente, op dezelfde wijze Hymeneus en Alexander
-aan den Satan overgeeft, opdat zij getuchtigd zouden worden niet meer
-te lasteren. Er is daarom groot verschil tusschen deze buitengewone
-straffen en de gewone tuchtoefening, die aan de gemeente is opgedragen.
-Van deze laatste handelde Paulus in 1 Cor. 5:2 en nog nader in vs.
-9-13. Daar zegt hij n.l., dat hij in een vroegeren brief, die dus aan
-dezen „eersten” brief is voorafgegaan, hen vermaand heeft, om zich
-niet te vermengen, d. i. geen omgang te hebben met hoereerders. Maar
-de Corinthiërs hadden dat verkeerd opgevat en daaruit afgeleid, dat zij
-hoegenaamd geen verkeer, ook niet in het burgerlijke, mochten hebben
-met hoereerders, geldzuchtigen, roovers, afgodendienaars buiten de
-gemeente. Maar dat was de bedoeling van den apostel niet; dat ware een
-onmogelijke eisch geweest, daarmede gelijk staande, dat zij uit de wereld
-moesten gaan. Alleen had hij verlangd, dat zij geen omgang zouden hebben
-met een hoereerder enz., indien zoo iemand een broeder genoemd werd
-en lid der gemeente was. Ja, in dat geval wenscht hij, dat zij met zulk
-een gevallen broeder ook geen maaltijd zullen houden, niet bij hem gaan
-eten noch hem te eten vragen, niet vriendschappelijk en broederlijk met
-hem zullen verkeeren, maar dat zij, terwijl zij hen, die buiten zijn, aan
-Gods oordeel overlaten, zulk een booze, die in hun kring verkeert,
-uit hun midden zullen verwijderen, cf. 2 Cor. 2:5-10. Evenzoo spreekt
-Paulus elders van het recht en den plicht der gemeente, om acht te
-geven op en af te wijken, ἐκκλινειν, van hen, die tweedracht en ergernis
-aanrichten, Rom. 16:17; om in Jezus’ naam zich te onttrekken, af te
-scheiden, στελλεσθαι ἀπο, van iederen broeder, die ongeregeld wandelt,
-2 Thess. 3:6, 14; om na eerste en tweede, d. i. na herhaalde vermaning
-zich te onttrekken aan, niet in te laten met (παραιτεισθαι, zich door
-beden van iets of iemand afmaken, loslaten, ontslaan) een ketterschen
-mensch, die (als lid der gemeente, of ook misschien van buiten af) in
-de gemeente de eenheid des geloofs verbreekt, Tit. 3:10. Hetzelfde zegt
-Johannes; als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, dan moogt gij
-hem niet ontvangen in uw huis als een broeder, niet vriendschappelijk
-en broederlijk met hem omgaan, en hem niet als een broeder begroeten en
-verwelkomen. 2 Joh. 10. En eindelijk wordt in Op. 2:2 de gemeente van
-Efeze geprezen, omdat zij de boozen niet verdraagt; in Op. 2:14, 20,
-24 die van Pergamus en Thyatire berispt, wijl zij kettersche leeringen
-en heidensche gruwelen dulden. Cf. Meyer, Die Lehre des N. T. von der
-Kirchenzucht, Zeits. f. kirchl. Wiss. u. kirchl. Leben 1881.
-
-Deze leer der H. Schrift is het zuiverst in de tuchtoefening der
-Gereformeerde kerken toegepast. Volgens haar toch zijn 1º geen
-onpersoonlijke dingen, geschriften, gebouwen, landen, maar altijd
-personen het object; en geen menschen in het algemeen, want die buiten
-zijn, oordeelt God, 1 Cor. 5:10, geen gestorvenen, geen klasse of groep
-van menschen, maar altijd bepaalde, individueele personen, die of alleen
-door doop, of ook door belijdenis leden der gemeente zijn. 2º Oorzaak
-der tucht zijn niet allerlei zwakheden die in geloovigen vallen, ook
-niet zulke schrikkelijke zonden, welke de christelijke overheid straft,
-hoewel de kerk dan volgt en haar tucht niet overbodig is, Calv.
-Inst. IV 11, 3. Bucanus 539, maar zulke zonden, die in het midden der
-gemeente ergernis wekken en door de overheid niet of zeer zacht worden
-gestraft, Mastricht, Theol. VII 6, 8. 3º Bij deze zonden, op welke de
-kerkelijke tucht van toepassing is, moet tusschen verborgene en openbare
-zonden onderscheiden worden. De eerste worden behandeld naar den
-regel van Mt. 18, en krijgen eerst het karakter van openbare zonden,
-als particuliere vermaningen niet baten en dus de gansche gemeente,
-of hare vertegenwoordiging in den kerkeraad erin gemoeid wordt. 4º Bij
-deze door hardnekkigheid openbaar geworden en bij de van huis uit door
-haar karakter (bijv. moord, overspel) openbare zonden is de procedure
-aldus: zoodra de overtreder oprechte boetvaardigheid toont, houdt alle
-kerkelijke tucht in engeren zin op. Het avondmaal mag dan nog onthouden
-worden, opdat de ergernis uit de gemeente worde weggenomen en de
-oprechtheid der schuldbelijdenis aan het licht trede; maar van tucht
-is geen sprake meer. Wie zijn zonde belijdt, vindt bij God en dus ook bij
-zijne gemeente barmhartigheid. De tucht, die tot afsnijding leidt, vangt
-altijd eerst aan na gebleken onboetvaardigheid en hardnekkigheid. Opdat
-de gemeente hiervan ten volle overtuigd zij en niet lichtvaardig tot
-het wegdoen van den booze uit haar midden overga, begint de kerkeraad
-met vermaningen. Als de overtreder zich hiertegen verhardt, volgt
-eerst met onthouding van het avondmaal de bekendmaking van de zonde
-zonder den naam van den zondaar in het midden der gemeente; daarna de
-bekendmaking van de zonde met den naam van den zondaar, doch niet dan
-na een welgegrond advies van de classis; vervolgens de bekendmaking
-dat hij, indien hij blijft volharden, zal afgesneden worden; en eindelijk
-de afsnijding zelve met het formulier van den ban. De tijd, die tusschen
-al deze vermaningen en tuchtmaatregelen verloopen moet, is niet vast
-te stellen, wijl hij met den aard van de zonde, het gedrag van den
-overtreder, de ergernis in en buiten de gemeente in verband staat.
-5º De straffen, die de kerk hierbij toepast, zijn zuiver geestelijk. Zij
-bestaan niet en mogen niet bestaan in geldboete, lichamelijke kastijding,
-brandmerk, pijniging, gevangenis, eerloosheid, verbanning, doodstraf
-enz., gelijk Rome beweert, noch ook in ontbinding van familie-,
-burgerlijke, staatkundige betrekkingen, gelijk de Anabaptisten leerden;
-evenmin in uitsluiting uit de openbare godsdienstoefeningen, gelijk
-de christelijke kerk in den eersten tijd dit toepaste. Want de wapenen
-der gemeente zijn niet vleeschelijk maar geestelijk en daarom krachtig
-voor God, 2 Cor. 10:4. Maar de tucht der gemeente is eene ernstige
-beproeving, of iemand, die zich misdroeg en tegen alle vermaning
-zich verhardt, nog als een broeder kan en mag beschouwd worden. De
-excommunicatie is daarom ten slotte niets anders maar ook niets
-minder dan een opzeggen van den broederlijken omgang en de broederlijke
-gemeenschap; een zich onttrekken der gemeente; een eindelijk, met smart
-loslaten van dengene, die zich als een broeder voordeed maar geen
-broeder bleek te zijn. Zij is geen overgave aan den Satan, wat in het
-N. T. alleen als eene apostolische daad voorkomt, geen verdoemenis
-of vervloeking, geen ἀναθεμα, dat in het N. Test. nooit, ook niet in
-Rom. 9:3, van de kerkelijke tucht gebezigd wordt, cf. Cremer s. v.,
-maar alleen en toch ook niet minder dan eene plechtige verklaring der
-gemeente in Jezus’ naam, dat de zondaar openbaar is geworden als niet
-zijnde een oprecht broeder in Christus, en dus een hem stellen buiten de
-gemeente en hare gemeenschap, opdat God alleen over hem oordeele. 6º
-De excommunicatie is een uiterste remedie, opdat de verwijderde uit den
-broederlijken omgang tot inkeer kome. Zelfs de apostolische overgave aan
-den Satan had nog deze beteekenis, 1 Cor. 5:5, 1 Tim. 1:20. Al mag de
-gemeente den uitgeworpene ook als een heiden en tollenaar beschouwen,
-omdat zij alle moeite aan hem, zonder vrucht, heeft ten koste gelegd;
-al moest zij hem uitwerpen, om zelve geen gemeenschap aan zijne zonden
-te hebben, 1 Cor. 5:6, 7, 11:30; toch blijft de hope bestaan, dat hij
-nog een broeder zij, die door vermaning van zijne dwaling zal terecht
-gebracht worden, 2 Thess. 3:14. 7º Daarom blijft wederopneming in de
-gemeente altijd weer mogelijk, Mt. 16:18, 18:18, Joh. 20:23, 2 Cor.
-2:5-10; maar daarbij is dan voorafgaande openbare belijdenis noodig, die
-in alle andere gevallen slechts met alle voorzichtigheid en naar het
-oordeel van den ganschen kerkeraad geeischt mag worden. Cf. Calvijn,
-Inst. IV 12. Ursinus, Explic. Cat. qu. 83-85. Zanchius, Op. IV 736.
-Polanus, Syst. Theol. p. 544. Martyr, Loci 411. Junius, Theses Theol.
-47. Bucanus, Instit. theol. 531. Heidegger II p. 600. Synopsis pur.
-theol. disp. 48. Voetius, Pol. IV 770-982. Mastricht, Theol. VII c.
-6. Moor VI 400-422. M. Vitringa IX 1 p. 498-573 enz. Uit den nieuweren
-tijd: Scheele, Die Kirchenzucht 1852. Fabri, Kirchenzucht im Sinne und
-Geiste des Evang. 1854. Art. Bann, Kirchenzucht, Schlüsselgewalt,
-Gerichtsbarkeit in Herzog. Müller, Dogm. Abh. 496 f. Vilmar, Von der
-christl. Kirchenzucht 1872. Id. Kirchenzucht u. Lehrzucht 1877.
-
-
-10. In de derde plaats is Christus ook priester en oefent dit ambt nog
-altijd van uit den hemel in zijne gemeente door voorbede en zegening
-uit. Gelijk Hij als profeet de zijnen leert en als koning hen regeert,
-zoo bewijst Hij hun als priester den rijkdom zijner barmhartigheid.
-Toen Hij op aarde was, omging Hij de steden en vlekken, niet alleen
-leerende in de synagogen en predikende het evangelie des koninkrijks,
-maar ook genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk, Mt.
-9:35. En dit was geen bijkomstige en toevallige werkzaamheid maar een
-hoofdbestanddeel van het werk, dat de Vader Hem opgedragen had om
-te doen, Mt. 8:17, Joh. 5:36, 9:3, 4 enz. De volheid van zijn macht
-en de rijkdom zijner barmhartigheid werd erin openbaar; de werken van
-zonde en Satan werden er door verbroken; de gevolgen der zonde in de
-physische wereld werden er aanvankelijk door weggenomen; zij liepen
-uit en ontvingen hun zegel en voleinding in de opstanding, die de
-overwinning van den dood en het beginsel der vernieuwing aller dingen
-was. Als Hij dan ook zijne discipelen uitzendt, geeft Hij hun niet
-alleen den last, om het evangelie te prediken, maar even stellig en
-nadrukkelijk, om de onreine geesten uit te werpen en om alle ziekte
-en alle kwale te genezen, Mt. 10:1, 8, Mk. 3:15, Luk. 9:1, 2, 10:9,
-17. De discipelen volbrachten dien last, niet alleen tijdens Jezus’
-verblijf op aarde maar ook na zijne hemelvaart, Hd. 5:16, 8:7 enz. Zelfs
-werden er naar Jezus’ eigen belofte, Mk. 16:17, 18 in den eersten
-tijd aan de geloovigen vele buitengewone gaven van gezondmaking en
-werkingen van krachten geschonken, Hd. 2:44, 45, 4:35, Rom. 12:7,
-8, 1 Cor. 12:28. Gelijk het echter ging met de gaven der leer en de
-gaven der regeering, zoo ging het ook met die der barmhartigheid. De
-buitengewone toestand der kerk werd allengs normaal. En al werden de
-gaven niet onderdrukt of vernietigd, zij werden toch langzamerhand meer
-en meer verbonden met het ambt. De leer werd aan den didaskalos, de
-regeering aan den presbyter en evenzoo de dienst der barmhartigheid
-aan den diaken opgedragen, Hand. 6. En de gaven zelve schoon gaven des
-H. Geestes blijvende, kregen een meer eenvoudig en gewoon karakter.
-Rome beweert wel, dat de wonderkracht bij haar voortduurt, deel I
-270, maar schooner dan die wonderen, waarop zij zich beroemt, zijn de
-werken der barmhartigheid, die van haar geloof en liefde een krachtig
-getuigenis afleggen. Want toen het diakonaat in de christelijke kerk
-langzamerhand geheel van karakter veranderde, heeft de schat van liefde
-en barmhartigheid, dien Christus in zijne gemeente uitstort, in private
-weldadigheid zich rijk geopenbaard. Al laat de regeling van den dienst
-der barmhartigheid in Rome veel te wenschen over, toch neemt zij in
-werken der liefde onder de christelijke kerken de eerste plaats in.
-Want wel heeft de Gereformeerde kerk het ambt van diaken hersteld,
-maar zij heeft zijn plaats en dienst niet behoorlijk geregeld en zijne
-werkzaamheid niet tot ontwikkeling gebracht. Deze ontwikkeling, waartoe
-de nood der tijden tegenwoordig dringt, kan in hoofdzaak niet anders
-dan in deze richting geschieden: 1º dat het ambt van diaken meer dan
-tot dusver geëerd worde als een zelfstandig orgaan van de priesterlijke
-barmhartigheid van Christus, 2º dat de liefde en de barmhartigheid als
-de christelijke deugden bij uitnemendheid worden erkend en beoefend,
-3º dat aan diakenen opgedragen wordt, om alle leden der gemeente,
-inzonderheid de vermogende, in den naam van Christus te bewegen tot
-barmhartigheid, en voor de zonde der gierigheid, die een wortel is van
-alle kwaad, te waarschuwen en te behoeden, 4º dat het diakonaat de
-private weldadigheid niet doode, maar opwekke, regele en leide, 5º dat
-de dragers van dit ambt, zoo noodig, in groote gemeenten zich bedienen
-van de hulp van diakonessen, op dezelfde wijze als de beide andere
-ambten gebruik maken van catechiseermeesters en ziekentroosters, 6º dat
-zij hunne gaven uitdeelen, in Christus’ naam, als van de tafelen des
-Heeren genomen, waarop zij door de gemeente neergelegd en aan Christus
-zelven geschonken zijn, Mt. 25:40, 7º dat zij hunne hulp uitstrekken tot
-alle armen, kranken, vreemdelingen, gevangenen, idioten, krankzinnigen,
-weduwen, weezen, in één woord tot alle ellendigen en nooddruftigen,
-die er zijn in het midden der gemeente, en hen in hun lijden tegemoet
-komen met woord en met daad, 8º dat de dienst der barmhartigheid
-veel breeder plaats verkrijge op de agenda van alle kerkelijke
-vergaderingen dan tot dusver het geval is, 9º dat de diakenen met
-leeraren en ouderlingen tot de meerdere vergaderingen der kerken worden
-afgevaardigd en in alle zaken, rakende den dienst der barmhartigheid,
-keurstem verkrijgen, 10º dat op deze vergaderingen de dienst der
-barmhartigheid naar algemeene beginselen geregeld worde, behoudens
-het verschil van gemeentelijke toestanden; voor generale behoeften
-gemeenschappelijk worde ter hand genomen, en van de plaatselijke gemeente
-tot ondersteuning van andere kerken, en voorts ook tot hulpbetoon aan
-arme, verdrukte geloofsgenooten in den vreemde worde uitgebreid, en 11º
-dat deze diakonale arbeid in zijne zelfstandigheid gehandhaafd blijve en
-niet onderga in of vermengd worde met het werk der inneren Mission, of
-ook met de staatsarmenzorg, die een geheel ander karakter dragen. Cf.
-Calvijn, Inst. IV 3, 9. Musculus, Loci Comm. 425. Bullinger, Huysboeck
-V 3. Zanchius, Op. IV 765. Junius, Op. I 1566. Bucanus, Inst. 494.
-Voetius, III 496-513. M. Vitringa IX 272-296. G. Uhlhorn, Die christl.
-Liebesthätigkeit, Stuttgart 1882-’90. Bonwetsch, das Amt der Diakonie
-in der alten Kirche, 1890. Seesemann, Das Amt der Diakonissen in der
-alten Kirche, 1891. Schäfer, Diakonik in Zöcklers Handb. der theol.
-Wiss. III 538-572. Achelis, Prakt. Theol. II 324-451. Wurster, Die
-Lehre v. d. inneren Mission, Berlin 1895. Kuyper, Enc. III 535-545.
-
-
-11. Deze macht, door Christus aan zijne gemeente geschonken, komt in
-de plaatselijke kerk saam in den kerkeraad. Elke plaatselijke kerk is
-volgens het N. Test. zelfstandig, eene ecclesia completa, en draagt
-daarom evengoed als de kerk in haar geheel den naam van tempel
-Gods, 1 Cor. 3:16, 17, 2 Cor. 6:16, bruid, 2 Cor. 11:2, of lichaam
-van Christus, 1 Cor. 12:27. De geloovigen staan niet op zichzelf
-maar vormen eene eenheid, en zoo ook blijven de ambtsdragers in eene
-plaatselijke kerk niet los naast elkander staan maar sluiten zich
-tot een raad der kerk aaneen. Sporen daarvan zijn er reeds in het N.
-Test. In Jeruzalem kwamen de geloovigen, nadat zij door den doop der
-gemeente waren ingelijfd, van tijd tot tijd saam, volhardende in de leer
-der apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods, in de
-gebeden, Hd. 1:14, 2:41v., 5:12 enz.; en stonden zij onder leiding
-van het college der apostelen, die spoedig daarin door de presbyters
-werden bijgestaan, Hd. 6:2, 15:2, 6, 22. Allerlei omstandigheden, de
-gaven des H. Geestes, inzonderheid die van didaskalie, profetie en
-glossolalie, de samenkomsten der geloovigen, de bediening van woord
-en sacrament, de inzameling der collecten, de verzorging der armen
-enz., maakten leiding en regeling en daarbij ook raad en overleg
-vanzelf noodzakelijk. Eerst voorzagen de apostelen zooveel mogelijk
-in al die behoeften, namen maatregelen en maakten bepalingen, Hd.
-15:28v., 1 Cor. 11:4-6, 34, 14:27v., 16:1, 1 Tim. 3 enz. Want alles
-moest in de gemeente van Christus betamelijk en met orde, in vrede en
-tot stichting geschieden, 1 Cor. 14:26, 33, 40. Maar toen het ambt van
-ouderlingen was ingesteld, werden dezen met de leiding en regeering der
-gemeente belast; en dezen vormden onderling al spoedig een college,
-πρεσβυτηριον, 1 Tim. 4:14. Onder de leiding van zulk een college
-genoot de gemeente echter in de eerste tijden eene groote mate van
-zelfstandigheid, zij werd bij gewichtige zaken geregeld geraadpleegd.
-In Hd. 1 komen de discipelen saam tot het kiezen van een apostel; in
-Hd. 6 kiest de gemeente de diakenen; in Hd. 15 woont zij de vergadering
-van apostelen en ouderlingen bij; in 1 Cor. 5 oefent zij de tucht uit.
-De eerste synoden waren samenkomsten der plaatselijke kerk. Maar ook de
-plaatselijke kerken alle te zamen vormen eene eenheid. Zij dragen ook
-alle saam den enkelvoudigen naam van ἐκκλησια; zij staan allen onder de
-apostelen, wien de leiding en regeering der gansche kerk is opgedragen;
-zij zijn met elkander één in Christus, één dus in leer, in geloof, in
-doop, in liefde, zij groeten elkander, Rom. 16:16, 1 Cor. 16:20, 2 Cor.
-13:12, dienen elkander met gaven der liefde, Rom. 15:26, 1 Cor. 16:1,
-2 Cor. 8:1, 4, 9:1, Gal. 2:10, en laten elkander de brieven lezen,
-die zij ontvangen van de apostelen, Col. 4:16. Het lag dus in den aard
-der zaak, dat deze gemeenten, die geestelijk één waren, eventueel met
-elkander zouden beraadslagen over zaken van algemeen belang. Het eerste
-voorbeeld komt daarvan voor in Hd. 15, naar aanleiding van de vraag,
-of de Heidenen zalig konden worden zonder besnijdenis. De gemeente van
-Antiochië zond Paulus en Barnabas en eenige anderen naar Jeruzalem, om
-over dit belangrijk vraagstuk met de apostelen en ouderlingen aldaar van
-gedachten te wisselen en tot eenstemmigheid te komen. De apostelen en
-ouderlingen hielden daarom met deze afgevaardigden van Antiochië eene
-vergadering, 15:6, die misschien ook door de gemeente bijgewoond werd,
-15:12, 22 (in vers 25 moet echter και οἱ vóór ἀδελφοι waarschijnlijk
-wegvallen). Na veel ζητησις, onderzoek, redetwist, werd niet maar een
-advies gegeven, doch in den H. Geest eene beslissing genomen, die de
-broederen in Antiochië, Syrië en Cilicië bond, per brief hun meegedeeld
-en door Judas en Silas nog mondeling, in eene vergadering der gemeente,
-toegelicht werd, Hd. 15:22-31. Al deze vergaderingen, waarvan het N. T.
-bericht, waren vergaderingen der plaatselijke gemeente, slechts in Hd.
-15 door afgevaardigden van elders bijgewoond. Deze gewoonte werd later,
-ook reeds in de tweede eeuw nagevolgd. Bij gewichtige aangelegenheden,
-zooals benoeming en afzetting van een bisschop, excommunicatie,
-absolutie van doodzonden enz., gaf niet alleen het presbyterium zijn
-leiding maar ook de gemeente hare toestemming. Cyprianus zegt nog,
-dat hij van het begin van zijn episcopaat af niets deed zonder den raad
-van zijn presbyterium en de toestemming der gemeente, Ep. 14, 4. Op de
-synoden der tweede en derde eeuw zijn daarom niet alleen bisschoppen
-maar ook presbyters, diakenen en gewone gemeenteleden tegenwoordig.
-Zelfs het concilie van Nicea werd, behalve door bisschoppen, ook door
-presbyters, diakenen en leden bijgewoond, die aan de debatten deelnamen.
-En de afgevaardigden, die op gemeentevergaderingen uit naburige
-gemeenten werden uitgenoodigd, waren in den eersten tijd volstrekt
-niet alleen bisschoppen maar ook wel presbyters, diakenen of andere
-leden der gemeente. Maar de ontwikkeling der hierarchische idee bracht
-mede, dat de toestemming der gemeente steeds minder gevraagd werd,
-dat presbyters en diakenen van de gemeente werden losgemaakt en in
-raadgevers en helpers van den bisschop veranderd, en dat de synoden
-langzamerhand alleen door bisschoppen gehouden werden. Voorts waren
-in de tweede en derde eeuw alle gemeentevergaderingen, bijgewoond
-door afgevaardigden van naburige gemeenten, gelijk in rang; er was
-nog geen hierarchie van kerkelijke vergaderingen, er waren nog geen
-provinciale, metropolitane, oecumenische conciliën; alle vergaderingen
-der kerken hadden plaats in den naam van Christus, maakten besluiten
-in den H. Geest, en golden voor de gansche Christenheid (concilium
-universale, catholicum). Maar ook daarin kwam verandering. Reeds in
-de derde eeuw zijn er hier en daar bepaald provinciale synoden, d. i.
-vergaderingen van bisschoppen in eene bepaalde provincie gehouden. In
-de vierde eeuw kwamen er, tengevolge van de groote twisten, die de kerk
-verdeelde, synoden van bisschoppen uit verschillende provinciën bij.
-En het concilie van Nicea, ofschoon volstrekt geen vertegenwoordiging
-van de gansche Christenheid, wijl het maar door enkele bisschoppen uit
-het Westen werd bijgewoond, was toch door den keizer van alle kanten
-saamgeroepen. Zoo kwam er allengs eene rangordening van provinciale,
-nationale, patriarchale, oecumenische conciliën, Sohm, Kirchenrecht
-247-344. Maar het karakteristieke kenmerk van een oecumenisch
-concilie is moeilijk aan te wijzen. Het kan niet daarin liggen, dat
-het door den paus is saamgeroepen, want van de vierde tot de tiende
-eeuw werd het geconvoceerd door den keizer; noch ook in de algemeene
-geldigheid en de groote beteekenis zijner besluiten, want dikwijls zijn
-de canones van oecumenische conciliën verworpen en die van provinciale
-synoden aangenomen; noch ook daarin, dat een oecumenisch concilie de
-gansche Christenheid vertegenwoordigt, want dit is lang niet altijd
-met de dusgenaamde conciliën het geval geweest. Tegen het einde der
-Middeleeuwen is wel de theorie opgekomen, dat een concilie dan alleen
-oecumenisch en onfeilbaar was, wanneer het bestond uit afgevaardigden
-van alle kerken. Maar deze theorie was van revolutionairen oorsprong,
-leidde in de practijk tot allerlei moeilijkheden en werd door Rome ook
-nooit geaccepteerd. Voor Rome is een concilie alleen oecumenisch,
-wanneer zijne besluiten door den paus zijn goedgekeurd en daardoor
-een onfeilbaar, de gansche Christenheid bindend karakter verkrijgen,
-Bellarminus, de conciliis et ecclesia lib. I II. Heinrich, Dogm. II 476
-f. Scheeben, Dogm. I 230 f. Vering, Kirchenrecht 613 f. enz.
-
-In de Protestantsche kerken is het synodale kerkregiment het eerst
-op Franschen bodem tot ontwikkeling gekomen. In de Luthersche kerk
-kwamen wel synoden voort, maar deze bestonden alleen in samenkomsten
-van pastores. Zwingli stelde in 1528 te Zurich synoden in, die door
-den raad werden saamgeroepen, uit de predikanten van stad en land
-en enkele leden van den raad bestonden en vooral klachten tegen
-leer en leven van de predikanten moesten overwegen, Mörikofer, Ulr.
-Zwingli, Leipzig 1869 II 118 f. Calvijn bepaalde evenzoo in de
-Ordonnances ecclesiastiques, dat de predikanten alle drie maanden
-moesten samenkomen, om op elkanders leer en leven toe te zien en
-voerde bovendien 1546 een jaarlijksche visitatie in, Kampschulte, Joh.
-Calvin I 408. Franz Lambert ontwierp 1526 voor Hessen een kerkenorde,
-waarin zoowel gemeentevergaderingen als synoden, bestaande uit de
-predikanten en door de gemeenten benoemde afgevaardigden, waren
-opgenomen, maar deze kerkenorde trad niet in werking, Lechler, Gesch.
-d. Presb. n. Syn. Verf. 14 f. Eene synodale kerkregeering kwam er
-eerst in Frankrijk, waar de kerken zich sterk uitbreidden en door
-behoefte aan eenheid den 26{en} Mei 1559 voor het eerst in synode
-te Parijs samenkwamen en zich in eene gemeenschappelijke belijdenis en
-kerkenorde vereenigden, Lechler ib. 69. Opmerkelijk is daarbij, dat
-de generale synode het eerst is ontstaan, dat deze de provinciale
-synoden invoerde en dat later, in 1572, tusschen deze en de kerkeraden
-nog de classis ingeschoven werd, ib. 81, cf. evenzoo in Schotland
-97. Zulk een synodale kerkregeering werd dan later ook in andere
-Geref. kerken ingevoerd, in Polen, Boheme, Hongarije, Duitschland,
-Nederland, Schotland, Engeland, Amerika enz. Maar er kwam spoedig van
-twee kanten oppositie tegen. De Remonstranten, zich aansluitende bij
-Zwingli en Erastus, kenden de kerkelijke macht aan de overheid toe en
-leidden daaruit af, dat synoden wel geoorloofd maar niet geboden en
-voor het zijn of welzijn der kerk niet noodig waren, en dat, wanneer zij
-gehouden werden, het recht tot samenroeping, tot afvaardiging, tot
-het vaststellen der agenda, tot presideering aan de overheid toekwam,
-Uitenbogaert, Tractaat van ’t ampt ende auctoriteit enz. 1610 bl. 107v.
-cf. Limborch, Theol. Chr. VII 19. En de Independenten gingen onder
-invloed der anabaptistische dwaling nog verder, hielden elke groep van
-geloovigen voor independent, en verwierpen alle bindend classicaal of
-synodaal verband, Robinson bij Kist en Roijaards, Ned. Arch. voor Kerk.
-Gesch. VIII 1848 bl. 371v. Neal, Historie der rechtz. Puriteinen II 1
-bl. 96. De gronden, die tegen de synodale kerkregeering kunnen worden
-ingebracht, zijn ook inderdaad niet van gewicht ontbloot. Immers zijn de
-plaatselijke kerken in het N. T. alle volkomen zelfstandig ten opzichte
-van elkander; van een wettelijk, bindend classicaal of synodaal verband
-is er met geen woord sprake. Zoodanig verband schijnt ook met de
-zelfstandigheid der plaatselijke kerken geheel in strijd te zijn, omdat
-het vergaderingen invoert, die boven de plaatselijke kerken staan en
-met gezag tegenover deze optreden, en alzoo in de kerk van Christus
-wederom eene ongeoorloofde hierarchie en tirannie invoert. En daarbij
-komt dan nog, dat de geschiedenis der synoden van hare nuttigheid niet
-altijd een gunstig getuigenis aflegt, en ze dikwerf doet voorkomen
-als oorzaak van allerlei twist en verdeeldheid, zoodat Gregorius
-Naz. reeds zeggen kon, μηδεμιας συνοδου τελος εἰδον χρηστον; en het
-spreekwoord niet ten onrechte luidt: omne concilium parit bellum. Maar
-daartegenover stellen toch andere overwegingen de noodzakelijkheid en
-nuttigheid der synoden duidelijk in het licht. 1º In het N. T. is er
-nog geen classicaal of synodaal verband der kerken, maar er was daar
-ook toen nog geen behoefte aan, wijl de apostelen zelven leefden, de
-gemeenten met raad bijstonden en ze ook door evangelisten als hunne
-plaatsvervangers verzorgden. 2º De gemeenten waren ook toen reeds
-op allerlei wijze door geestelijke banden aan elkander verbonden, en
-kregen het recht, niet alleen om zelve te vergaderen, maar ook om naar
-andere gemeenten afgevaardigden te zenden en daar beslissing in zekere
-geschillen te vragen; Hd. 1, 6, 15, 21 toonen, dat synoden in gansch
-algemeenen zin zijn juris divini permissivi. 3º Synoden zijn niet beslist
-ad esse ecclesiae noodzakelijk en zijn ook niet bepaald door Gods Woord
-bevolen, maar zij zijn geoorloofd en ad bene esse ecclesiae noodzakelijk.
-4º De noodzakelijkheid ligt daarin, dat de eenheid van leer, tucht en
-cultus, waartoe de gemeente geroepen is; de orde, vrede en liefde, die
-zij te bewaren heeft; en de gemeenschappelijke belangen, die haar zijn
-opgedragen (zooals opleiding, roeping, zending van dienaren; missie
-onder de Heidenen; ondersteuning van hulpbehoevende kerken enz.)
-niet anders dan door middel van synoden tot hun recht kunnen komen.
-5º Synoden zijn geen voetstuk voor maar eene ondermijning van alle
-hierarchie; zij handhaven de zelfstandigheid der plaatselijke kerken en
-bewaren haar voor verwarring, verdeeldheid, hierarchie van den pastor,
-overheersching van enkele leden; zij bevestigen de vrijheid der enkele
-leden, door hun een steun te geven in het verband met andere kerken
-en beroep op meerdere vergaderingen toe te staan. 6º Ook zijn zij geen
-oorzaak van verdeeldheid en twist, maar een middel, om geschillen,
-die er in de kerk hier op aarde altijd weer over leer, tucht, dienst
-oprijzen, op eene vreedzame wijze, door nauwkeurig onderzoek en ampele
-bespreking tot beslissing te brengen. 7º Opdat zij aan haar doel
-beantwoorden, behooren synoden altijd vergaderingen van kerken te
-zijn, wier leden (pastores, presbyters, diakenen of gewone leden)
-afgevaardigden van kerken zijn en aan lastbrieven van kerken gebonden,
-die door de kerken zelve en niet door overheid, paus enz. saamgeroepen
-en door kerkelijke daartoe gekozen personen geleid worden, en die vrij
-en zelfstandig, zonder inmenging der overheid, over kerkelijke zaken
-oordeelen en besluiten. 8º De kerkelijke vergaderingen (plaatselijke,
-classicale, provinciale, generale, oecum.) zijn niet wezenlijk van
-elkander verschillend. De eene vergadering is niet per se hooger,
-gewichtiger, minder aan dwaling blootgesteld of meer van de leiding des
-H. Geestes verzekerd dan de andere. Want elke kerk en elke groep van
-kerken is zelfstandig tegenover de andere; en alle zijn zij in dezelfde
-mate gebonden aan het Woord en de belofte des Geestes deelachtig. In
-de kerkelijke vergaderingen komen geen volksvertegenwoordigers maar
-kerkelijke ambtsdragers saam, die van Christus’ wege tot regeering zijner
-kerk geroepen zijn. Zij zijn dus onderscheiden, niet door andersoortige
-of hoogere maar alleen door meerdere macht, die er samengebracht wordt
-en over wijder gebied zich uitstrekt. 9º Het gezag van alle kerkelijke
-vergaderingen is geen ander dan van de kerken zelve; het is onderworpen
-aan het Woord van Christus. Christus is de eenige, die in de kerken
-en in hare verschillende vergaderingen gezag heeft; zijn Woord alleen
-beslist; wat den H. Geest in en door de leden goeddunkt, dat alleen is
-bondig in de kerk van Christus. Maar ook deze hare naar Gods Woord en
-in den H. Geest genomen besluiten kan de kerk niet anders handhaven
-dan door zedelijke middelen. Zij heeft geen heerschende, dwingende maar
-alleen eene dienende macht. Cf. Calvijn, Inst. IV c. 9. Polanus, Synt.
-541. Bullinger, Van de Conciliën, Dordr. 1611. Martyr, Loci Comm. 407.
-Junius, Op. II 1029. Theses Salmur. III 505. Amyraut, Du gouvernement
-de l’Eglise contre ceux qui veulent abolir l’usage et l’autorité des
-synodes, Saumur 1653. Heidegger, Corp. Theol. II 613. Turretinus,
-Theol. El. XVIII qu. 33. Synopsis pur. theol. disp. 49. Voetius, Pol.
-Eccl. IV 114-272. Redevoering van C. Vitringa over de Synoden enz.,
-uit het latijn door S. H. van Idsinga, Harl. 1741. Moor VI 439-461. M.
-Vitringa IX 1 p. 574-653. Ch. Hodge, Discussions on Church polity,
-New-York 1878 p. 364-456. Karl Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857
-S. 254-275. Stahl, Die Kirchenverfassung u. s. w. 332 f.
-
-
-12. Zoo staat de kerk met een eigen oorsprong, wezen, werkzaamheid en
-doel in het midden der wereld. Zij is in elk opzicht van die wereld
-onderscheiden, maar staat er toch nooit gescheiden naast. Wel hebben
-verschillende richtingen in de Christenheid kerk en wereld in eene
-volstrekte, ethische tegenstelling tegenover elkander geplaatst, en
-schepping en herschepping met zonde en genade vereenzelvigd. Maar
-deze richtingen, hoe machtig zij nu en dan ook geweest zijn, hebben
-toch nooit de geschiedenis van het Christendom beheerscht, en konden
-altijd slechts naast de kerken een sectarisch leven leiden. Afgezien
-van deze richtingen, zijn er maar twee wijzen, waarop principieel de
-verhouding van kerk en wereld bepaald kan worden, de Roomsche en de
-Protestantsche, de supranatureele en de ethische. Rome beschouwt
-het natuurlijke niet als zondig gelijk het Anabaptisme en komt niet
-tot mijding en scheiding, maar leert wel, dat het natuurlijke van
-lager orde is, licht oorzaak van zonde wordt en daarom den teugel
-van het bovennatuurlijke behoeft. Gelijk het beeld Gods als een donum
-supernaturale aan den natuurlijken mensch werd toegevoegd, zoo komt
-van boven mechanisch de genade aan de natuur, de kerk aan de wereld,
-de hoogere aan de lagere moraal toe; wie naar het ideaal van Rome wil
-leven, moet asceet worden, het natuurlijke onderdrukken en zich geheel
-aan de religie wijden; wie dat niet kan, krijgt voor het natuurlijke de
-noodige speelruimte, en vindt in het bovennatuurlijke de grens, die deze
-bepaalt. Gansch anders was de verhouding, welke het Protestantisme
-aannam tusschen kerk en wereld. Het verving de quantitatieve,
-supranaturalistische tegenstelling door de ethische. Het natuurlijke
-was niet van lager orde maar was in zijn soort even goed en rein als
-het bovennatuurlijke, want het was geschapen door dienzelfden God,
-die in de herschepping zich openbaarde als Vader van den Heere Jezus
-Christus. Alleen was het door de zonde bedorven en moest daarom door
-de genade van Christus verzoend en vernieuwd worden. De genade dient
-dus hier niet, om het natuurlijke te mijden, te onderdrukken, te dooden,
-maar juist om het van zijne zondige bedorvenheid te bevrijden, en weer
-echt natuurlijk te doen zijn. Het is waar, dat Luther bij de toepassing
-dezer beginselen halverwege is blijven staan, het natuurlijke ongemoeid
-heeft gelaten en het Christendom al te zeer tot het ethisch-religieuse
-terrein beperkt heeft. Maar Calvijn, de man van de daad, die na Luther
-kwam en daarom aan Luther zich spiegelen kon, zette het werk der
-reformatie voort en trachtte heel het leven door het Christendom
-te hervormen. Mijding is het woord der Anabaptisten; ascese dat der
-Roomschen; vernieuwing en heiliging dat van den Protestantschen,
-bepaaldelijk van den Gereformeerden Christen. Deze laatste beschouwing
-is zonder twijfel de rijkste en schoonste. Immers is er maar één God in
-schepping en herschepping beide. De God der schepping, van het Oude
-Testament, is geen lagere God dan die van de herschepping, dan de Vader
-van Christus, dan de God des N. Verbonds. Christus, de middelaar des
-N. Verbonds, is ook degene, door wien God alle dingen geschapen heeft.
-En de H. Geest, die auteur is van wedergeboorte en heiligmaking, is
-dezelfde, die in den beginne zweefde over de wateren en de hemelen
-heeft versierd. Schepping en herschepping kunnen dus niet als lager
-en hooger tegenover elkander staan. Zij zijn beide goed en rein, beide
-heerlijke werken van den éénen en drieëenigen God. Voorts heeft de
-zonde, die in de wereld is ingekomen, wel alles, niet alleen het
-geestelijke, het ethisch-religieuse leven maar ook al het natuurlijke,
-het lichaam, het huisgezin, de maatschappij, de gansche wereld bedorven.
-Maar zij is toch geen substantie, geen materia, doch forma, en dus niet
-met het geschapene identisch, maar in en aan het geschapene wonend
-en daarvan altijd door de genade Gods los te maken en te verwijderen.
-Substantieel en materieel is de schepping na den val dezelfde als
-vóór dien tijd; zij blijft een werk Gods, en als zoodanig te eeren en te
-prijzen. Tot herwinning van die gevallen wereld brengt God nu wel de
-krachten der genade in die schepping in. Maar ook die genade is geen
-substantie of materia, opgesloten in woord of sacrament en uitgedeeld
-door den priester, maar zij is eene vernieuwende, herscheppende kracht.
-Zij is niet per se bovennatuurlijk, maar zij draagt dat karakter alleen
-vanwege de zonde, en draagt het dus in zekeren zin toevallig en
-tijdelijk, om de schepping te herstellen. Deze genade wordt in tweeërlei
-vorm uitgedeeld, als algemeene genade ter beteugeling, als bijzondere
-genade ter vernieuwing. Beide hebben haar eenheid in Christus, die
-koning in het regnum potentiae en gratiae is; beide zijn tegen de
-zonde gericht; beide brengen en houden schepping en herschepping in
-verband met elkander. Ook de wereld is na den val niet aan zichzelve
-overgelaten, en niet van alle genade ontbloot, maar zij wordt door
-de algemeene genade gedragen en gespaard, geleid en bewaard voor de
-bijzondere genade in Christus. Scheiding en onderdrukking is daarom
-ongeoorloofd en onmogelijk. Mensen en Christen zijn geen twee wezens. De
-schepping wordt in de herschepping opgenomen en hersteld. De mensch,
-die wedergeboren is, is substantieel geen andere dan die hij was vóór
-de wedergeboorte. In de kerk ingelijfd, blijft hij toch in de wereld,
-en heeft zich alleen te bewaren van den booze. Gelijk Christus, de
-zone Gods, uit Maria de volle menschelijke natuur heeft aangenomen
-en daarmede niets menschelijks en niets natuurlijks zich vreemd heeft
-geacht, zoo is de Christen niet anders dan de herboren, vernieuwde
-en daarom de waarachtige mensch. Dezelfde menschen, die Christenen
-zijn, zijn en blijven in dezelfde roeping, waarmede zij geroepen zijn;
-zij blijven leden des gezins, burgers der maatschappij, onderdanen der
-overheid, beoefenaars der wetenschap en kunst, mannen of vrouwen,
-ouders of kinderen, heeren of knechten enz. De verhouding, die
-tusschen kerk en wereld bestaan moet, is daarom in de eerste plaats
-van organischen, zedelijken, geestelijken aard. Christus is profeet,
-priester, koning ook nu nog, en Hij werkt door zijn Woord en Geest op
-heel de wereld in. Door Hem gaat er van ieder, die in Hem gelooft,
-een vernieuwende, heiligende invloed uit in gezin, maatschappij,
-staat, beroep, bedrijf, kunst, wetenschap enz. Het geestelijk leven is
-bestemd, om het natuurlijk en zedelijk leven in volle diepte en omvang
-weer aan de wet Gods te doen beantwoorden. Langs dezen organischen weg
-worden Christelijke waarheid en Christelijk leven ingedragen in alle
-kringen van het natuurlijke leven, zoodat huisgezin en familieleven
-in eere hersteld, de vrouw weer als de gelijke van den man beschouwd,
-wetenschap en kunst gekerstend, het peil van het zedelijk leven
-verhoogd, maatschappij en staat hervormd, wetten en instellingen, zeden
-en gewoonten christelijk gestempeld worden. Maar er is nog eene andere
-regeling van de verhouding van kerk en wereld, die veel moeilijker
-is en waarover het grootste verschil van gevoelen bestaat. Christus
-regeert zijne kerk n.l. ook door ambten en instellingen; en de vraag is,
-of de verhouding van de kerk tot de verschillende terreinen van het
-natuurlijke leven ook ambtelijk en institutair te regelen zij. Papalisme
-en Cesareopapisme staan hier tegenover elkaar. Het Cesareopapisme
-regelt de verhouding zoo, dat de kerk aan den christelijken staat
-onderworpen is en naar zijne wetten zich heeft te gedragen. Er ligt
-hier eenige waarheid in; de verhouding der kerk tot den staat is een
-gansch andere, sedert deze christelijk is geworden. Voordat de overheid
-christelijk was, vielen bijv. veel meer zonden onder de christelijke
-tucht dan na dien tijd. Het bijwonen van heidensche feesten, afgoderij,
-aanbidding van den keizer, sabbatsschennis, eedbreuk, Godslastering,
-huwelijken in verboden graad, gruwelijke zonden van hoererij, overspel
-enz., werden wel door de kerk maar niet door den staat als zonden
-erkend en gestraft. Sedert de overheid gekerstend is, is er in de
-zedelijke beschouwing en beoordeeling veel grooter overeenstemming
-gekomen. In menig geval kan de kerk dus wachten op de behandeling van
-ergerlijke overtredingen door de justitie en heeft geen eigen rechtbank
-noodig. Maar toch wordt daaruit te veel afgeleid, wanneer alle macht
-aan de kerk ontnomen en aan de christelijke overheid opgedragen wordt.
-Want wezenlijk is de macht der kerk dezelfde gebleven, al is hare
-uitoefening ook belangrijk gewijzigd. Immers is de bediening van woord
-en sacrament het onvervreemdbaar recht der kerk; voorts blijven er
-altijd vele zonden, zooals sabbatsschennis, hoererij, dronkenschap,
-vloeken enz., die door de overheid in het geheel niet of slechts,
-wanneer zij zeer openbaar en ergerlijk zijn, matig worden gestraft; en
-eindelijk heeft de kerk ook bij die zondaars, welke de overheid straft,
-een eigen taak, want de overheid is met de straf tevreden, maar de
-kerk zoekt te overtuigen, tot bekeering te brengen en te behouden,
-Calvijn, Inst. IV 11, 4. Aan de andere zijde staat het papale stelsel,
-dat wel in zoover lof verdient, als het de zelfstandigheid en vrijheid
-der kerk handhaaft, maar overigens, indien niet de gansche wereld,
-dan toch heel de gedoopte christenheid in al haar levenskringen en
-verhoudingen, rechterlijk en wettelijk aan den paus onderwerpen wil;
-gezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap enz. moeten kerkelijk zijn,
-want kerkelijk is met christelijk, roomsch, pauselijk identisch. Deze
-aanspraak van Rome is niet zedelijk en geestelijk bedoeld, zoodat ieder,
-die zich niet aan den paus onderwerpt, voor God schuldig staat; maar
-zij draagt bepaald dit karakter, dat elk, die gehoorzaamheid weigert
-aan den paus, ook rechtens en wettelijk voor dezen vicarius Christi
-schuldig staat, door hem, indien hij het nuttig oordeelt en er de
-macht toe heeft, gestraft kan worden en niet alleen met geestelijke en
-zedelijke middelen maar ook met lichamelijke en burgerlijke straffen tot
-gehoorzaamheid gedwongen kan worden. Van deze pauselijke tirannie, heeft
-de geloofsmoed en de geesteskracht van Luther en Calvijn ons bevrijd.
-Hun machtige hervormingsdaad bestond daarin, dat zij het Christendom
-in zijne religeus-ethische beteekenis, als religie der genade, hebben
-hersteld en het natuurlijke, niet van dit Christendom, maar van de
-jurisdictie der Roomsche kerk hebben bevrijd. Daaruit volgde vanzelf,
-dat het verband tusschen kerk en wereld, behalve op de bovengenoemde
-organische wijze, slechts contractueel kon worden gelegd. Het is waar,
-dat Calvijn met hand en tand vasthield, dat de overheid aan Gods woord
-onderworpen was, de beide tafelen der wet te handhaven, en naar de
-kerk als uitlegster van Gods woord te luisteren en verschillende
-zonden, waarover de kerk tucht oefende, ook burgerlijk te straffen had.
-Hij trok de grenslijn tusschen kerk en staat wel duidelijk en scherp
-maar hij trok ze anders dan wij; het gebied, waarop beiden wat te
-zeggen hadden was veel grooter dan het thans door ons wordt bepaald;
-de overheid als christelijke had ook op haar terrein en in hare mate
-voor de eere Gods, voor den bloei zijner kerk, voor de uitbreiding van
-zijn rijk te waken. Maar desniettemin, de verhouding tusschen kerk en
-staat was contractueel en vrij. De kerk kon niet anders dan het woord
-Gods prediken, in zijn naam van zijne geboden getuigen; maar als de
-overheid of wie dan ook weigerde te luisteren, dan had de kerk, dan
-had Calvijn zelf, dan had ieder Christen geen macht en ook geen recht
-meer tot dwang. Dan bleef er niets over dan resistentia negativa,
-lijdelijk verzet, Calvijn, Inst. IV 20, 29, cf. voor anderen Moor VI
-513. Ook zulk een verzet was eene daad, want gelijk Doumergue, Calvin
-le fondateur des libertés modernes, Montauban 1898 p. 14 zoo schoon
-zegt, c’est la soumission, mais du corps et non de l’âme. Humilié
-devant le Dieu, qui le châtie, le calviniste reste le juge inexorable
-du despote qui l’oppresse. Il y a des soumissions plus mortelles à
-la tyrannie que des révoltes! Maar alle recht tot dwang en straf was
-toch aan de kerk tegenover de overheid en tegenover ieder mensch
-ontnomen en het Christendom in zijn zuiver geestelijke macht hersteld
-en geëerd. De overheid bleef, gelijk ieder mensch, voor haar ongeloof,
-voor hare verwerping van Gods woord, voor hare overtreding van zijne
-geboden, voor de vervolging en onderdrukking van zijne kerk alleen aan
-God verantwoordelijk. Indien echter de overheid vrij en zelfstandig van
-de christelijke, van de gereformeerde religie --gelijk trouwens als haar
-plicht en roeping steeds gepredikt werd-- professie deed, dan vloeide
-daaruit voort, dat zij in hare qualiteit en op haar gebied deze religie
-had te bevorderen en ketterij en afgoderij had te weren en uit te roeien.
-De fout was daarbij niet hierin gelegen, dat aan de christelijke overheid
-de bevordering van Gods eer en dienst werd opgedragen, maar dat de
-grenzen van staat en kerk verkeerd getrokken en ongeloof, ketterij enz.
-als staatsmisdaad werden beschouwd. In de eeuw der Hervorming kon
-dit wel niet anders. Maar sedert de taak der overheid beperkt is, de
-volken vrij en mondig zijn geworden, de kerken hoe langer hoe meer zich
-splitsen en verdeelen, en allerlei richtingen in denken en leven zijn
-opgetreden, wordt het onderscheid tusschen misdaad en zonde helderder
-ingezien en alle dwang als juist in strijd met de christelijke belijdenis
-door steeds meerderen erkend. Bij de regeling der verhouding tusschen
-kerk en staat is daarom het volgende vast te houden: 1º dat de kerk,
-al is door hare pluriformiteit haar getuigenis verzwakt, niet van den
-eisch kan aflaten, dat alle schepselen, kunst, wetenschap, huisgezin,
-maatschappij, staat enz. zich onderwerpen aan des Heeren woord; 2º dat
-deze eisch alleen eene prediking, een zedelijk getuigenis is en nooit
-direct of indirect door dwang of straf mag aangedrongen worden; 3º dat
-eene christelijke, gereformeerde overheid de roeping heeft, om Gods eer
-te bevorderen, zijn kerk te beschermen en het rijk van den antichrist
-te gronde te werpen; 4º dat zij dit echter nooit kan of mag doen dan
-met middelen, die met den aard van het evangelie van Christus in
-overeenstemming zijn, en alleen op dat terrein, dat haar ter bewaking
-toebetrouwd is; 5º dat zij, zelve voor hare houding ten opzichte van
-Gods woord aan Hem rekenschap verschuldigd, niet ingrijpen mag in
-de rechten van den enkelen mensch noch ook in die van huisgezin,
-maatschappij, kunst, wetenschap en dus niet verantwoordelijk is voor
-hetgeen binnen deze terreinen tegen Gods woord en wet geschiedt; 6º
-dat zij de grenzen tusschen zonde en misdaad te trekken heeft naar
-den eisch van het evangelie en overeenkomstig de leiding van Gods
-voorzienigheid in de geschiedenis der volken; welke grenzen echter
-niet saamvallen met die tusschen de eerste en de tweede tafel der wet,
-want vele zonden tegen de tweede tafel vallen buiten het toezicht en
-de straf der overheid, en vele andere tegen de eerste tafel (eedbreuk,
-sabbatschennis) zijn ook voor de christelijke overheid strafwaardig;
-7º dat vaste grenzen door niemand in het afgetrokkene kunnen worden
-aangegeven, wijl zij wisselen met volk en met eeuw en alleen door het
-getuigenis der volksconscientie eenigermate in hunne richting kunnen
-worden bepaald.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-Over de Middelen der Genade.
-
-
-§ 50. HET WOORD.
-
-1. Alle heil en zaligheid vloeit den gevallen mensch toe uit de genade
-als deugd Gods. Objectief is die genade met al hare weldaden verschenen
-in Christus, die ze in den weg des verbonds verwierf en uitdeelt. De
-gemeenschap dergenen, die Christus met al zijne weldaden deelachtig
-zijn, draagt den naam van kerk of gemeente. Thans komt de vraag aan
-de orde, of Christus bij de mededeeling van deze zijne weldaden al dan
-niet van middelen zich bedient. De mystici zijn allen geneigd, om deze
-vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. Geheel in overeenstemming
-met hun dualistisch uitgangspunt, kunnen zij de genade niet denken als
-afhankelijk van of gebonden aan uitwendige teekenen en handelingen; God
-zelf alleen, of de Christus in ons, de Geest of het inwendig woord
-of licht werkt in den mensch de genade, en woord en sacrament kunnen
-niet anders doen dan die inwendige genade aanduiden en afbeelden; het
-geschreven woord drukt uit wat in het hart van elk geloovige geschreven
-staat, en de sacramenten stellen uiterlijk voor oogen, wat Christus
-inwendig door zijn Geest geschonken heeft, cf. Moor I 359 sq. Het
-mysticisme kwam ten slotte op hetzelfde neer als het rationalisme, dat
-door Socinianisme, Fock II 559 f. en Remonstrantisme, Conf. en Apol.
-Conf. c. 23. Limborch, Theol. V c. 66 vertolkt, in de sacramenten
-slechts praecepta ceremonialia, herinneringsteekenen en belijdenisacten
-zag. Vlak daartegenover staat het Romanisme, dat de genade absoluut aan
-middelen gebonden denkt. Volgens Rome toch is de kerk, de zichtbare,
-door den onzichtbaren Geest gedragen kerk het eigenlijke, waarachtige,
-volkomene middel der genade, het sacrament bij uitnemendheid. In haar
-toch zet Christus zijn Godmenschelijk leven op aarde voort, vervult Hij
-zijn profetisch, koninklijk en vooral zijn priesterlijk ambt, deelt Hij de
-volheid zijner genade en waarheid mede; de kerk is Christus op aarde,
-Christus, gelijk Hij na zijn volbracht verlossingswerk in de aan ruimte
-en tijd gebonden ontwikkeling van het menschelijk geslacht ingegaan is,
-Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der Kath. Kirche I² 8. En die
-genade, welke Christus verdiend en aan zijne kerk medegedeeld heeft,
-dient bovenal, om den mensch van de natuurlijke tot de bovennatuurlijke
-orde op te heffen; zij is eene gratia elevans, eene bovennatuurlijke,
-physische kracht, welke den natuurlijken mensch door den priester in
-het sacrament ex opere operato ingestort wordt, deel III 444. Gelijk
-in Christus de Goddelijke en de menschelijke natuur, in de kerk de
-onzichtbare Geest en het zichtbaar instituut, zoo zijn in het sacrament
-de geestelijke genade en het zichtbaar teeken onlosmakelijk aan elkander
-verbonden; buiten Christus, buiten de kerk, buiten den priester, buiten
-het sacrament is er daarom geen zaligheid. Het is zoo, Christus zet
-in de kerk niet alleen zijn priesterlijk, maar ook zijn profetisch en
-koninklijk ambt voort. Maar de in de kerk verkondigde leer van Christus
-dient alleen, om geloof, d. i. toestemming te wekken, en de in de kerk
-gehandhaafde tucht dient alleen, om gehoorzaamheid aan de zedewet te
-kweeken; geloof en gehoorzaamheid zijn echter geen van beide de genade
-zelve, doch haar voorbereiding en haar vrucht, Oswald t. a. p. 10. Het
-woord Gods, dat bovendien bij Rome in Schrift en traditie vervat is en
-als eene wet wordt opgevat, heeft daarom alleen eene praeparatoire,
-paedagogische beteekenis, en het geloof is slechts eene der zeven
-praeparationes ad gratiam, deel III 442. Het door den priester
-uitgereikte sacrament, is het eigenlijke genademiddel, waardoor vera
-justitia vel incipit, vel coepta augetur, vel amissa reparatur, Trid.
-sess. 7 prooem. Tusschen deze mystische geringschatting en magische
-overschatting van de genademiddelen nam de Reformatie positie en bracht
-in plaats en karakter van kerk, ambt en genademiddelen eene groote
-verandering aan. Immers is volgens de Hervorming Christus de volkomene
-Zaligmaker, de eenige Middelaar Gods en der menschen, en de kerk is
-in de eerste plaats communio sanctorum, niet middelares der zaligheid,
-maar vergadering der geloovigen, die in gemeenschap met Christus leven.
-Wel heeft Christus in die gemeente ambten ingesteld, maar al die ambten
-zijn geen sacerdotium doch een ministerium, aan Christus’ woord absoluut
-gebonden en geen andere macht hebbende dan de macht van dat woord.
-De verhouding van Schrift en kerk is dus in het Protestantisme eene
-gansch andere dan in het Romanisme, deel I 367. Bij Rome gaat de kerk
-aan de Schrift vooraf, is de kerk niet op de Schrift gebouwd maar de
-Schrift uit de kerk voortgekomen, heeft de Schrift wel de kerk maar de
-kerk niet de Schrift van noode. Maar de Reformatie plaatste de kerk
-weer op den bodem der Schrift, en de Schrift weer hoog boven de kerk.
-Niet de kerk, maar de Schrift, het woord Gods werd het genademiddel bij
-uitnemendheid; zelfs het sacrament werd aan het woord ondergeschikt
-en had zonder het woord hoegenaamd geen beteekenis en kracht. En nu
-werd dat woord wel naar de instelling van Christus in het midden der
-gemeente door den leeraar bediend; maar dat nam toch niet weg, dat
-dat woord in aller hand werd gegeven, dat het duidelijk was voor een
-iegelijk, die het heilbegeerig onderzocht, dat het zijne werking deed,
-niet alleen als het in het openbaar verkondigd, maar ook, wanneer
-het in huis onderzocht en gelezen werd. Zoo werd de Christenmensch,
-die dat woord aannam niet slechts met een historisch geloof maar met
-vertrouwen des harten, bevrijd van de priesterheerschappij; er stond
-tusschen hem en Christus niemand of niets in; door het geloof had
-hij de gansche zaligheid; en in het sacrament ontving hij daarvan het
-teeken en zegel. Zoo wijzigde de Reformatie de Roomsche leer van de
-genademiddelen. Maar aan den anderen kant dreigde het gevaar van het
-mysticisme, dat de middelen der genade geheel verwierp en daarvoor
-allerlei gronden aanvoeren kon. Immers mocht Gods almacht niet door
-zulke uitwendige middelen gebonden worden; Hij was souverein en vrij
-en kon, maar behoefde zich toch niet van zulke middelen te bedienen
-tot uitdeeling van de schatten der genade. Die genade was ook geen
-materielles Etwas, geen physische kracht, geen donum superadditum, geen
-elevatio naturae humanae, maar zij bestond voornamelijk in het herstel
-in de gunste Gods, in de vergeving der zonden, in de vernieuwing naar
-zijn beeld. Daarom kon zij ook niet in een zinlijk teeken als in een vat
-opgesloten noch ook door den bedienaar worden uitgedeeld. Christus was
-en bleef de eenige, die ze, nadat Hij ze verworven had, ook uitdeelen
-kon. Hij benoemde geen plaatsvervanger op aarde en stelde geen priester
-aan, maar Hij bleef zelf van uit den hemel zijn profetisch, priesterlijk
-en koninklijk ambt uitoefenen; het teeken mocht Hij toevertrouwen aan
-zijn dienaar, maar Hij zelf bleef toch de eenige uitdeeler van de
-beteekende zaak. En bleek dat ook niet in de werkelijkheid? Duizenden
-ontvingen iederen dag het teeken van woord en sacrament, zonder de
-genade deelachtig te zijn; en omgekeerd stierven er dagelijks duizenden
-kinderkens des verbonds, die nooit een middel der genade ontvingen en
-aan wier zaligheid toch de geloovigen op grond van Gods woord niet
-twijfelen mochten. Door deze bedenkingen verschrikt, zijn de Lutherschen
-op hunne schreden ten deele teruggekeerd, en hebben de genade weer
-volstrekt aan de middelen gebonden, den nooddoop ingevoerd, den doop
-als afwassching der zonden zelven beschouwd, aan de kinderkens het
-geloof ontzegd. En ook in de Gereformeerde kerken, bepaaldelijk in de
-Anglikaansche, is ditzelfde romaniseerend streven telkens boven en tot
-heerschappij gekomen. Maar oorspronkelijk nam de Reformatie een ander
-standpunt in. Men kon de almacht en de vrijheid Gods niet beperken; Hij
-kon ook zonder uitwendige middelen zijne genade in het hart van zondaren
-verheerlijken; als Hij van menschen en teekenen zich daarbij bediende, was
-dat alleen aan zijn welbehagen, aan zijne groote liefde en genade toe
-te schrijven. Daarom leerde Zwingli, dat God zelfs Heidenen, die nooit
-van het evangelie hadden gehoord, uitverkoren, wedergeboren en tot
-de hemelsche zaligheid had geleid. En al gingen de andere Hervormers
-zoo ver niet, zij moesten toch, vooral in het geval van vroegstervende
-kinderen des verbonds, toegeven, dat God ook zonder woord of sacrament
-alleen door den H. Geest wederbaren en zaligen kon, Calvijn, Inst. IV
-16, 17. 18. Toch stelden zij deze gevallen als uitzonderingen voor
-en hielden als regel vast, dat woord en sacrament voor degenen, die
-opwiesen, de gewone middelen waren, waardoor God zijnen Geest gaf en
-zijne genade meedeelde. De werking van wedergeboorte en geloof door de
-prediking des Woords is de ordinaria Domini oeconomia et dispensatio,
-quam tenere in vocandis suis solet, Calvijn, IV 1, 5. 16, 19, cf. Conf.
-Belg. 24. Cat. Heid. 64. Conf. Helv. II 18. Conf. Westm. c. 10. 14.
-Form. Conc. Sol. Decl. 11, 27: Dominus non _solet_ homines immediate
-vocare, Gerhard, Loc. XX 121, cf. boven bl. 17. Bevredigen doet dit
-antwoord niet, wijl het aantal kinderen, dat zonder genademiddelen zalig
-wordt, veel grooter is dan in het algemeen wordt vermoed, en niet als
-uitzondering op den regel kan worden geboekt; en ook, omdat in degenen,
-die opwassen, de wedergeboorte door den H. Geest aan den doop, aan het
-gehoor van het woord Gods en aan het geloof, zoo niet altijd voorafgaat,
-dan toch zeker voorafgaan kan. Vandaar, dat bij de Lutherschen
-hoe langer hoe meer de genade aan de middelen, en bepaaldelijk de
-wedergeboorte aan den doop verbonden werd, en dat bij de Gereformeerden,
-die de sacramenten als teekenen en zegelen van geschonken genade
-opvatten, de wedergeboorte als aan den doop voorafgaande werd gedacht,
-zoodat de middelen der genade niet dienden om te wederbaren, maar om
-de wedergeborenen tot geloof en bekeering te brengen. Toch was ook
-deze latere ontwikkeling van eenzijdigheid niet vrij te pleiten. Die bij
-de Lutherschen leidde tot Rome terug, en die bij de Gereformeerden liep
-gevaar, om woord, sacrament, kerk en ambt, ja zelfs den persoon en
-het werk van Christus voor de verwerving en toepassing der zaligheid
-overbodig en alleen voor de openbaring van leven en waarheid naar
-buiten in de wereld nog noodig te achten. Maar zoo wordt de beteekenis
-der genademiddelen verzwakt en hun begrip al te zeer begrensd. Immers
-de genademiddelen van woord en sacrament staan niet los op zichzelf
-maar houden nauw verband met kerk en ambt, met Christus’ persoon
-en werk. Men kan wel vragen, of God niet wederbaren en zaligen kon
-zonder Christus en de zonden vergeven zonder voldoening. Maar zulke
-vragen leiden tot niets; wij hebben te rusten in het welbehagen Gods,
-dat de zaligheid niet anders uitdeelt dan in en door Christus. Hij is
-de Middelaar Gods en der menschen, de eenige naam, onder den hemel
-den menschen ter zaliging gegeven. Maar voorts is het evenzoo Gods
-welbehagen geweest, om de zaligheid niet anders uit te deelen dan door
-en in de gemeente van Christus. Of God, gelijk Zwingli leerde, zijne
-verkiezende genade ook onder de Heidenen werken deed, kan hier, wijl
-dit toch in elk geval, naar de belijdenis aller christelijke kerken,
-eene uitzondering geldt, onbesproken blijven. Regel is, dat God de
-uitdeeling zijner genade vrijwillig aan de gemeente van Christus bindt.
-De kerk is de gemeenschap en daardoor ook de moeder der geloovigen.
-God richt zijn verbond met de ouders en in hen met hunne kinderen op.
-Hij deelt zijne weldaden uit in den weg des verbonds. In dien zin is het
-juist, dat de kerk als gemeenschap der heiligen het groote genademiddel
-is, waarvan Christus zich naar zijn welbehagen bedient, om zijne
-uitverkorenen te vergaderen van het begin tot het einde der wereld.
-De kerk in dezen zin bedoelt wel ter dege de salus electorum; dat is
-niet haar eenige reden van bestaan; zij dient ook tot volmaking der
-heiligen, tot opbouw van het lichaam van Christus, tot prediking van
-het evangelie aan alle creaturen, tot verheerlijking Gods. Maar zij is er
-dan toch ook, om hier op aarde dien heiligen kring te vormen, binnen
-welken Christus al zijne weldaden, ook die der wedergeboorte, meedeelt.
-Opdat zij daartoe in staat zou zijn, deelde Hij zijn Geest haar mede,
-stortte Hij allerlei gaven in haar uit, stelde Hij de ambten bij haar
-in, betrouwde Hij de bediening van woord en sacrament haar toe. En ook
-dit zijn altemaal middelen, welke Christus bezigt, om de Hem gegevenen
-van den Vader toe te brengen en tot de hemelsche zaligheid te leiden.
-Ja, heel de leiding van het leven met zijne wisselingen van voor- en
-tegenspoed is in de hand des H. Geestes menigmaal een middel, om de
-uitverkorenen tot Christus of nauwer met Hem in gemeenschap te brengen.
-Zelfs kan het begrip van genademiddel nog ruimer worden opgevat,
-zoodat het ook insluit, wat onzerzijds noodig is, om de weldaden des
-verbonds voor het eerst en bij den voortduur te genieten, zooals geloof,
-bekeering, strijd tegen de zonde, gebed, cf. Calvijn, Inst. IV. Helv. II
-art. 16. Westm. 14, 1. Schleiermacher, Chr. Gl. § 127. Nu verdient het
-wel geen aanbeveling, om dit alles onder de media gratiae op te nemen.
-Want Christus is niet middel maar middelaar, verwerver en toepasser
-der zaligheid. De kerk is geen genademiddel naast woord en sacrament,
-want al de macht, die haar toebetrouwd is, bestaat in niets anders dan
-in de bediening van beide; kerk en ambt geven geen genade op zichzelf
-maar alleen door woord en sacrament. En geloof, bekeering, gebed zijn
-veeleer vruchten dan middelen der genade, zij zijn geen objectieve
-instellingen maar subjectieve voorwaarden om de overige weldaden des
-verbonds te bezitten en te genieten. In strikten zin zijn alleen
-woord en sacrament als genademiddelen te beschouwen, d. w. z. als
-uitwendige, zinnelijke handelingen en teekenen, welke Christus aan zijne
-kerk geschonken en waaraan Hij de mededeeling zijner genade verbonden
-heeft. Maar toch mogen deze geen oogenblik losgemaakt worden van den
-persoon en het werk van Christus, noch ook van de kerk als organisme
-en als instituut. Christus brengt de zijnen op velerlei wijze toe, en
-Hij kan dit doen, wijl Hij alleen, gelijk de verwerver, zoo de uitdeeler
-der genade is en blijft. Hij doet het daarom zonder of door het woord
-en sacrament; maar Hij doet het toch altijd door de inwendige roeping
-van dien Geest, dien Hij aan de gemeente schonk; in de gemeenschap dier
-kerk, welke Hij opdroeg het evangelie te prediken aan alle creaturen; in
-den weg van dat verbond, dat het evangelie tot inhoud en het sacrament
-tot teeken en zegel ontving. Cf. art. Gnadenmittel in Herzog¹. Lange,
-Dogm. § 109. Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S. 1 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 548.
-Harless und Harnack, Die kirchl.-relig. Bedeutung der reinen Lehre v.
-d. Gnadenmitteln 1869. Rohnert, Die Lehre v. d. Gnadenmitteln, Leipzig
-1886. Lipsius, Dogm. § 783 f. Frank, Chr. Wahrheit II 298 f. Oosterzee,
-Chr. Dogm. § 135.
-
-
-2. Het eerste en voornaamste middel der genade is het woord Gods.
-Lutherschen en Gereformeerden stemmen hierin met elkander overeen.
-Toch brengen de laatsten het woord Gods niet onder de media gratiae
-ter sprake, wijl zij gewoonlijk daarover in de dogmatiek reeds vroeger
-hebben gehandeld in een afzonderlijk hoofdstuk, Calvijn, Inst. II 7-9.
-Musculus, Loci Comm. § 11. 20. Junius, Theses Theol. § 23. 24. Synopsis
-pur. theol. disp. 18. 22, of ook over de wet bij het werk-, en over het
-evangelie bij het genadeverbond, Marck, Med. Theol. c. 11. 17. Deze
-eigenaardige methode van behandeling geeft geen recht tot de bewering,
-dat de Gereformeerden het woord Gods niet als middel der genade hebben
-erkend, want telkens spreken zij het tegendeel uit, cf. bijv. Conf. Belg.
-24. Cat. Heid. qu. 65. Maar wel mag eruit afgeleid, dat het woord Gods
-voor de Gereformeerden nog eene veel rijkere beteekenis had dan dat
-het alleen in den engeren zin van het woord als genademiddel dienst
-deed. Het woord Gods is mede daarin van het sacrament onderscheiden,
-dat dit laatste alleen dienst doet tot versterking van het geloof en
-dus alleen een plaats heeft in het midden der gemeente. Maar het woord
-Gods, beide als wet en als evangelie, is openbaring van den wil Gods,
-is de promulgatie van werk- en genadeverbond, gaat alle menschen en
-schepselen aan, en heeft eene universeele beteekenis. Het sacrament
-kan alleen bediend worden door den wettig geroepen dienaar in de
-vergadering der geloovigen, maar het woord Gods heeft ook daarbuiten
-nog een bestaan en plaats en oefent ook dan zijne menigvuldige werking
-uit. Als middel der genade in eigenlijken zin naast het sacrament
-komt het woord Gods alleen ter sprake, voorzoover het openlijk door
-den leeraar gepredikt wordt; op het in Gods naam en krachtens zijne
-zending _gepredikte_ woord valt dan al de nadruk. Maar in den regel
-zijn de menschen reeds lang in het gezin, op de school, door toespraak
-of lectuur met dat woord in aanraking gekomen, voordat zij het openlijk
-in de gemeente hoorden verkondigen. De openbare bediening des woords
-omvat dus lang niet al de kracht, die van het woord uitgaat; zij dient
-ook wel, om het geloof, bij wie het nog ontberen, te werken, maar toch
-veelmeer om het bij de geloovigen in hunne vergadering te versterken.
-In eene christelijke maatschappij komt het woord Gods tot den mensch op
-allerlei manieren, in allerlei vormen, van allerlei kanten, en het
-komt tot hem van zijne prilste jeugd af aan. Ja, God brengt dat woord
-in de inwendige roeping dikwerf, reeds voordat het bewustzijn ontwaakt
-is, tot de harten der kinderen, om hen te wederbaren en te heiligen,
-evenals Hij in iederen mensch van zijn eerste bestaan af het werk der
-wet in zijn hart schrijft en het semen religionis in hem inplant. Daarom
-is hier tusschen woord Gods en Schrift wel te onderscheiden. Niet in
-dien zin, alsof het woord Gods slechts in de Schrift te vinden en niet
-de Schrift zelve ware; maar in dezen anderen zin, dat het woord Gods
-lang niet altijd en zelfs niet in de meeste gevallen als Schrift, in
-den vorm der Schrift tot ons komt, maar dat het, uit de Schrift in
-het bewustzijn der gemeente opgenomen, van daaruit weer in den vorm
-van vermaning en toespraak, opvoeding en onderwijs, boek en geschrift,
-tractaat en vertoog tot de verschillendste menschen uitgaat en zijne
-werking doet. En altijd staat God achter dat woord; Hij is het, die het
-in die onderscheidene vormen tot de menschen doet uitgaan en ze alzoo
-roept tot bekeering en leven. In de Schrift is dan ook de uitdrukking
-woord Gods nooit met de Schrift identisch, al mag de Schrift door ons
-zonder twijfel Gods woord worden genoemd. Eene enkele plaats moge zich
-laten aanwijzen, waar de uitdrukking woord Gods op een gedeelte der H.
-Schrift, bijv. op de geschreven wet wordt toegepast. Maar overigens
-is woord Gods in de Schrift nooit hetzelfde als de Schrift, wat ook
-daarom reeds onmogelijk is, wijl de Schrift toen nog niet compleet was.
-De uitdrukking woord Gods heeft in de Schrift velerlei beteekenissen
-en kan aanduiden de kracht Gods, waardoor Hij de wereld schept en
-onderhoudt, of zijne openbaring aan de profeten, of den inhoud der
-openbaring of het evangelie, dat door de apostelen verkondigd werd,
-cf. deel I 338. Maar altijd is het een woord _Gods_, d. i. nooit een
-klank alleen maar een kracht, geen loutere bekendmaking maar tevens
-een volbrenging van zijn wil, Jes. 55:11. Door het woord schept en
-onderhoudt God de wereld, Gen. 1:3, Ps. 33:6, 148:5, Jes. 48:13, Rom.
-4:17, 2 Cor. 4:6, Hebr. 1:3, 11:3, stilt Jezus de zee, Mk. 4:39,
-geneest de kranken, Mt. 8:16, werpt de duivelen uit, 9:6, wekt de
-dooden op, Luk. 7:14, 8:54, Joh. 5:25, 28, 11:43 enz. Door het woord
-werkt Hij ook op zedelijk en geestelijk gebied.
-
-
-3. Het woord, dat God bezigt om op zedelijk en geestelijk gebied zijn
-wil bekend te maken en te volbrengen, is in wet en evangelie te
-onderscheiden. Als Jezus op aarde verschijnt, om de komst van het in het
-O. T. beloofde koninkrijk aan te kondigen, Mk. 1:15, om aan tollenaren
-en zondaren, aan armen en gevangenen het evangelie der vergeving en der
-zaligheid te brengen, Mt. 5:1v, 11:5, 28-30, Luk. 4:18, 19, 19:10 enz.,
-komt Hij vanzelf in strijd met de farizeesche, nomistische opvatting
-der religie, die er in zijn tijd heerschte. Toch al verwerpt Hij de
-menschelijke inzettingen der ouden, Mt. 5:21v., 15:9 en al heeft Hij eene
-andere opvatting van doodslag, Mt. 5:16, overspel, 5:27, eed, 5:33,
-vasten, 6:16, echtscheiding, Mt. 19:9, sabbat, Mk. 2:27; Hij handhaaft
-de gansche wet, ook in haar ceremonieele bestanddeelen, Mt. 5:23, 24,
-17:24-27, 23:2, 3, 23, Mk. 1:44, 11:16; Hij verklaart haar in haar
-geestelijken zin, Mt. 5-7, legt op haar ethischen inhoud den nadruk,
-beschouwt de liefde tot God en den naaste als haar hoofdsom, Mt. 7:12,
-9:13, 12:7, Mk. 7:15, 12:28-34 en verlangt een andere, overvloediger
-gerechtigheid dan die der Farizeën, Mt. 5:20. Zelf heeft Hij, ofschoon
-meer dan de tempel, Mt. 12:6, zich dan ook onder de wet gesteld, Mt.
-3:15 en is gekomen, om de wet en de profeten te vervullen, 5:17. En
-daarom weet Hij, dat, al dringt Hij nooit op afschaffing der wet aan,
-zijne jongeren innerlijk vrij zijn van de wet, Mt. 17:26, dat zijne gemeente
-niet op de wet maar op de belijdenis van zijne Messianiteit gegrond is,
-Mt. 16:18, dat in zijn bloed een nieuw verbond wordt gesticht, Mt.
-26:28, dat in één woord de nieuwe wijn ook nieuwe lederzakken eischt,
-Mt. 9:17, en de dagen van tempel en volk en wet zijn geteld, Mk. 13:2.
-Jezus wil geen revolutionaire omverwerping van de wettische bedeeling
-des O. Verbonds, maar eene hervorming en vernieuwing, welke uit hare
-volkomene vervulling vanzelf geboren wordt, cf. deel III 217. En zoo
-is het ook feitelijk toegegaan. De gemeente te Jeruzalem hield zich in
-den eersten tijd nog aan tempel en wet, Hd. 2:46, 3:1, 10:14, 21:20,
-22:12. Maar eene nieuwe opvatting bereidde zich voor. Met de bekeering
-der Heidenen kwam de vraag aan de orde naar de beteekenis der Mozaische
-wet. En Paulus was de eerste, die ten volle begreep, dat in den dood
-van Christus het handschrift der wet was uitgewischt, Col. 2:14. Paulus
-verstaat onder νομος, tenzij eene nadere bepaling anders aanwijst,
-bijv. Rom. 3:27, Gal. 6:2, altijd de Mozaische wet, de gansche thora,
-inbegrepen ook de ceremonieele geboden, Rom. 9:4, Gal. 2:12, 4:10,
-5:3, Phil. 3:5, 6. En hij beschouwt die wet niet, gelijk de brief aan de
-Hebreën, als onvolkomene, voorbereidende, Oudtestamentische bedeeling
-van het genadeverbond, die verdwijnt, als de hoogepriester en borg van
-het betere verbond gekomen is, maar als openbaring van Gods wil, als
-religieus-ethische eisch en vordering, als door God gewilde regeling
-van de verhouding tusschen Hem en den mensch. En van deze wet, zoo
-opgevat, leert Paulus nu, dat ze wel heilig en goed is, en door God
-geschonken, Rom. 2:18, 7:22, 25, 9:4, 2 Cor. 3:3, 7, maar in plaats
-van, zooals de Farizeën beweerden, gerechtigheid te kunnen schenken, is
-ze krachteloos door het vleesch, Rom. 8:3, prikkelt de begeerte, 7:7,
-8, vermeerdert de overtreding, 5:20, Gal. 3:19, bewerkt toorn, vloek en
-dood, Rom. 4:15, 2 Cor. 3:6, Gal. 3:10 en is slechts voor een tijd, om
-paedagogische redenen, tusschen beide ingekomen, Rom. 5:20, Gal. 3:19,
-24, 4:2, 3. Daarom heeft dan nu ook die wet in Christus, het zaad der
-belofte, haar einde bereikt, Rom. 10:4; de geloovige is vrij van de wet,
-Gal. 4:26v., 5:1, wijl Hij door Christus van den vloek der wet verlost,
-Gal. 3:13, 4:5, en den Geest van het kindschap, den Geest der vrijheid
-deelachtig is, Rom. 8:15, 2 Cor. 3:16, 17, Gal. 5:18. Deze vrijheid des
-geloofs heft echter de wet niet op maar bevestigt haar, Rom. 3:31,
-wijl haar recht juist in degenen, die wandelen naar den Geest, vervuld
-wordt, 8:4. Die Geest toch vernieuwt de geloovigen, zoodat zij een lust
-hebben in Gods wet naar den inwendigen mensch en onderzoeken wat Gods
-heilige wil is, Rom. 7:22, 12:2, Ef. 5:10, Phil. 1:10, terwijl zij door
-allerlei drangredenen, de groote barmhartigheid Gods, het voorbeeld van
-Christus, den duren prijs, waarvoor zij gekocht zijn, de gemeenschap des
-H. Geestes enz. tot het doen van Gods wil worden aangespoord. Cf. over
-de wet in het N. T. Weiss, Bibl. Theol. Holtzmann Neut. Theol. I 130 f.
-II 22 f. L. Jacob, Jesu Stellung zum mos. Gesetz, Gött. 1893. Grafe,
-Die Paulin. Lehre v. Gesetz², Leipzig Mohr 1893. Zehnpfund, Das Gesetz
-in den paulin. Briefen, Neue Kirchl. Zeits. 1897 S. 384-419. Art. νομος
-bij Cremer enz.
-
-
-4. Deze antithese tusschen wet en evangelie werd in de christelijke kerk
-aan de eene zijde, door het antinomisme in zijne verschillende vormen van
-Gnosticisme, Manicheisme, Paulicianisme, Anabaptisme, Hattemisme enz.,
-nog verscherpt en tot een onverzoenlijken strijd gemaakt. Heel het O. T.
-was van een lageren God afkomstig, van een toornenden, jaloerschen,
-wrekenden God, en was nu door de gansch andere openbaring van den God
-der liefde, van den Vader van Christus vervangen. Aan de andere zijde
-werd de antithese tusschen wet en evangelie door het nomisme in zijne
-verschillende vormen van Pelagianisme, Semi-pelagianisme, Romanisme,
-Socinianisme, Rationalisme enz., verzwakt en uitgewischt. Wet en
-evangelie werden reeds door de kerkvaders en later door scholastieke en
-Roomsche theologen vereenzelvigd met Oud en Nieuw Testament en dan niet
-antithetisch tegenover elkaar gesteld maar als een lagere en hoogere
-openbaring van Gods wil beschouwd. Wet en evangelie verschillen niet
-daarin, dat de eerste alleen eischt en het tweede alleen belooft,
-want beide bevatten geboden, bedreigingen en beloften; mysteria,
-promissiones, praecepta; res credendae, sperandae en faciendae; niet
-alleen Mozes, ook Christus was legislator. Maar in dit alles gaat het
-evangelie des N. T., de lex nova, de wet des O. T., de lex vetus, zeer
-verre te boven; de mysteriën (triniteit, vleeschwording, voldoening
-enz.) zijn in het N. T. veel duidelijker geopenbaard, de beloften
-zijn veel rijker van inhoud en omvatten vooral geestelijke en eeuwige
-goederen, de wetten zijn veel heerlijker en lichter, wijl ceremonieele en
-burgerlijke wetten afgeschaft en door enkele ceremoniën vervangen zijn.
-Voorts is de wet door Mozes gegeven, de genade en waarheid is door
-Jezus Christus geworden. De wet was tijdelijk en voor één volk bestemd;
-het evangelie is eeuwig en moet tot alle volken gebracht. De wet was
-onvolmaakt, een schaduw en voorbeeld, het evangelie is volmaakt en het
-lichaam der goederen zelve. De wet kweekte vrees en dienstbaarheid,
-het evangelie wekt liefde en vrijheid. De wet kon niet rechtvaardigen
-in vollen zin, zij gaf geen rijkdom van genade, zij schonk geen eeuwige
-zaligheid, maar het evangelie schenkt in het sacrament de kracht der
-genade, die in staat stelt om Gods geboden te volbrengen en het eeuwige
-leven te verwerven. In één woord, de wet is het onvolkomen evangelie,
-het evangelie de volkomene wet; het evangelie zat in de wet in als
-arbor in semine, als granum in spica, cf. deel III 197 en voorts
-Suicerus s. v. νομος en εὐαγγελιον. Augustinus, de civ. VIII 11. In ev.
-Joh. tract. 30. de spir. et litt. 19. 20. Lombardus, Sent. III dist.
-25. 40. Thomas, S. Theol. III qu. 106-108. Conc. Trid. VI can. 19-21.
-Bellarminus, de Justif. IV c. 2 sq. enz. In zoover nu de Oud- en de
-Nieuwtestamentische bedeeling van het genadeverbond naar haar in het
-oog springenden vorm op voorgang van de H. Schrift met den naam van
-wet en evangelie kan worden aangeduid, is de onderscheiding, door Rome
-tusschen beide gemaakt, wel niet in alle deelen maar toch in hoofdzaak
-goed te keuren. Doch Rome vereenzelvigde Oud en Nieuw Verbond met wet
-en evangelie geheel en al, miskende het evangelie in het Oude en de wet
-in het N. Test., vatte de gansche leer, door Christus en de apostelen
-verkondigd, als evangelie op, nam daarin niet alleen beloften, maar ook
-wetten en bedreigingen op, en maakte het evangelie dus tot eene tweede
-wet. De Paulinische antithese van wet en evangelie werd uitgewischt.
-Want al is het, dat Paulus onder de wet de gansche O. T. bedeeling
-verstaat, hij beschouwt haar dan juist in haar _wettischen_ vorm en
-stelt ze zoo lijnrecht tegen het evangelie over. En ook als hij dat doet,
-erkent hij, dat de wettische bedeeling de belofte, die reeds aan Abraham
-was geschied, geenszins heeft teniet gedaan, Gal. 3:17, 21, dat ook
-in de dagen des O. V. het evangelie verkondigd is, Gal. 3:8, dat ook
-toen de gerechtigheid verkregen is uit en door het geloof, Rom. 4:11,
-12, 11:32, Gal. 3:6, 7. Van de wet als wet, afgedacht van de belofte,
-aan welke zij in het O. T. dienstbaar gemaakt was, beweert Paulus,
-dat zij niet rechtvaardigen kan, dat zij de zonde vermeerdert, dat zij
-eene bediening der verdoemenis is en juist daardoor de vervulling der
-belofte voorbereidt en eene andere gerechtigheid, n.l. de gerechtigheid
-Gods in Christus door het geloof noodzakelijk maakt. En deze antithese
-van wet en evangelie werd door de Hervorming weer ingezien. Wel komen
-er uitspraken bij kerkvaders voor, die ook van een beter inzicht
-getuigen, cf. citaten bij Suicerus, t. a. p., in Bibliotheca studii
-theol. ex plerisque Doctorum prisci seculi monumentis collecta, apud
-Is. Crispinum 1565 p. 195-216. Gerhard, Loc. XIV 16. Maar het komt tot
-geen helderheid, omdat zij de onderscheiding tusschen wet en evangelie
-altijd weer verwarren met die tusschen Oud en Nieuw Verbond. Doch de
-Hervormers, eenerzijds de eenheid van het genadeverbond in zijne beide
-bedeelingen tegen de Wederdoopers vasthoudende, hebben anderzijds het
-scherpe contrast van wet en evangelie in het oog gevat en daardoor het
-eigenaardig karakter van de christelijke religie als religie der genade
-weer hersteld. Want al is het, dat wet en evangelie in ruimer zin
-voor de oude en nieuwe bedeeling van het genadeverbond kunnen worden
-gebezigd, in hun eigenlijke beteekenis duiden zij toch twee openbaringen
-van Gods wil aan, die wezenlijk van elkander verschillen. Ook de wet is
-Gods wil, Rom. 2:18, 20, heilig en wijs en goed, geestelijk, Rom. 7:12,
-14, 12:10, het leven gevend aan wie haar onderhoudt, Rom. 2:13, 3:12;
-maar zij is door de zonde krachteloos geworden, rechtvaardigt niet maar
-prikkelt de begeerte, vermeerdert de zonde, werkt toorn, doodt en
-vervloekt en verdoemt, Rom. 3:20, 4:15, 5:20, 7:5, 8, 9, 13, 2 Cor.
-3:6v., Gal. 3:10, 13, 19. En daartegenover staat het evangelie van
-Christus, het εὐαγγελιον, dat niets minder bevat dan de vervulling
-der Oudtest. ἐπαγγελια, Mk. 1:15, Hd. 13:32, Ef. 3:6, dat van Gods
-wege tot ons komt, Rom. 1:1, 2, 2 Cor. 11: 7, Christus tot inhoud
-heeft, Rom. 1:3, Ef. 3:6 en niets anders brengt dan genade, Hd. 20:24,
-verzoening, 2 Cor. 5:18, vergeving, Rom. 4:3-8, gerechtigheid, Rom.
-3:21, 22, vrede, Ef. 6:15, vrijheid, Gal. 5:13, leven, Rom. 1:17,
-Phil. 2:16 enz. Als eisch en gave, als bevel en belofte, als zonde
-en genade, als krankheid en genezing, als dood en leven staan wet en
-evangelie hier tegenover elkander. Ofschoon zij daarin overeenkomen,
-dat zij beiden God tot auteur hebben, beide van eene zelfde volkomene
-gerechtigheid spreken, beide zich richten tot den mensch om hem te
-brengen tot het eeuwige leven, zoo verschillen zij toch daarin, dat
-de wet uit Gods heiligheid, het evangelie uit Gods genade voortkomt;
-dat de wet van nature, het evangelie alleen door bijzondere openbaring
-bekend is; dat de wet volkomene gerechtigheid eischt en het evangelie
-haar schenkt; dat de wet door de werken heen tot het eeuwig leven
-leidt en het evangelie de werken doet voortkomen uit het in het geloof
-geschonkene eeuwige leven; dat de wet thans den mensch verdoemt en
-het evangelie hem vrijspreekt; dat de wet zich richt tot alle menschen
-en het evangelie alleen tot degenen, die eronder leven enz. Naar
-aanleiding van dit onderscheid, kwam er zelfs verschil over, of de
-prediking van geloof en bekeering, die toch een voorwaarde en eisch
-scheen, wel tot het evangelie behoorde en niet veeleer met Flacius,
-Gerhard, Quenstedt, Voetius, Witsius, Coccejus, Moor e. a. tot de wet
-moest worden gerekend. En inderdaad in den striksten zin zijn er in
-het evangelie geen eischen en voorwaarden, maar alleen beloften en
-gaven; geloof en bekeering zijn evengoed als rechtvaardigmaking enz.
-weldaden des genadeverbonds. Maar zoo komt het evangelie, concreet,
-nooit voor; het is in de practijk altijd met de wet verbonden en is
-dan ook door heel de Schrift heen altijd met de wet saamgeweven. Het
-evangelie onderstelt altijd de wet, en heeft haar ook bij de bediening
-noodig. Het wordt immers gebracht tot redelijke en zedelijke menschen,
-die voor zichzelven Gode verantwoordelijk zijn en daarom tot geloof en
-bekeering moeten geroepen worden. De eischende, roepende vorm, waarin
-het evangelie optreedt, is aan de wet ontleend; elk mensch is niet
-eerst door het evangelie maar is van nature door de wet verplicht,
-God op zijn woord te gelooven en dus ook het evangelie, waarin Hij tot
-den mensch spreekt, aan te nemen. Daarom legt het evangelie van stonde
-aan beslag op alle menschen, bindt het in hunne conscientie, want die
-God, die in het evangelie spreekt is geen andere dan die zich in zijne
-wet aan hen heeft bekend gemaakt. Geloof en bekeering worden daarom van
-den mensch in naam van Gods wet, krachtens de relatie, waarin de mensch
-als redelijk schepsel tot God staat, geeischt; en die eisch richt zich
-niet alleen tot uitverkorenen en wedergeborenen, maar tot alle menschen
-zonder onderscheid. Maar zij zijn zelve toch inhoud van het evangelie,
-geen werkingen of vruchten der wet. Want de wet eischt wel geloof aan
-God in het algemeen, maar niet dat speciale geloof, dat op Christus
-zich richt, en de wet kan wel μεταμελεια, poenitentia werken maar geen
-μετανοια, resipiscentia, die veeleer vrucht is van het geloof. En
-juist wijl geloof en bekeering, schoon de mensch er van nature door de
-wet toe verplicht is, inhoud van het evangelie zijn, kan er sprake zijn
-van een wet, van een gebod, van een gehoorzaamheid des geloofs, Rom.
-1:5, 3:27, 1 Joh. 3:23. van een ongehoorzaam zijn aan en een geoordeeld
-worden naar het evangelie, Rom. 2:16, 10:16 enz. Wet en evangelie, in
-concreto beschouwd, verschillen niet zoozeer daarin, dat de wet altijd
-in bevelenden en het evangelie in belovenden vorm optreedt, want ook
-de wet heeft beloften, en het evangelie vermaningen en verplichtingen.
-Maar zij verschillen vooral in inhoud: de wet eischt, dat de mensch zijne
-eigene gerechtigheid uitwerke en het evangelie noodigt hem, om van
-alle eigengerechtigheid af te zien en die van Christus aan te nemen en
-schenkt daartoe zelfs de gave des geloofs. En in die verhouding staan
-wet en evangelie niet alleen vóór en bij den aanvang der bekeering;
-maar in die verhouding blijven zij staan heel het christelijk leven door,
-tot aan den dood toe. De Lutherschen hebben bijna alleen oog voor de
-beschuldigende, veroordeelende werking der wet en kennen daarom geen
-hooger zaligheid dan bevrijding van de wet. De wet is alleen noodig
-om der zonde wil. In den volmaakten toestand is er geen wet. God is
-vrij van de wet; Christus was volstrekt niet voor zichzelf der wet
-onderworpen; de geloovige staat niet meer onder de wet. De Lutherschen
-spreken wel is waar van een drieërlei usus der wet, niet alleen van
-een usus politicus (civilis), om de zonde te beteugelen, en een usus
-paedagogicus, om kennis der zonde te wekken, maar ook van een usus
-didacticus, om den geloovigen tot regel des levens te zijn. Maar deze
-laatste usus is toch enkel en alleen daarom noodig, wijl en in zoover de
-geloovigen nog zondaren blijven en door de wet in toom gehouden en tot
-voortdurende kennis der zonde geleid moeten worden. Op zichzelf houdt
-met het geloof en de genade de wet op en verliest al haar beteekenis.
-Maar de Gereformeerden dachten er gansch anders over. De usus politicus
-en de usus paedagogicus der wet zijn maar toevallig noodig geworden
-door de zonde; ook als deze wegvallen, blijft de voornaamste usus,
-de usus didacticus, normativus over. De wet is toch uitdrukking van
-Gods wezen; Christus was als mensch vanzelf voor zichzelf der wet
-onderworpen; Adam had vóór den val de wet in zijn hart geschreven; bij
-den geloovige wordt zij weer op de tafelen zijns harten gegrift door den
-H. Geest; en in den hemel zullen allen wandelen naar des Heeren wet.
-Het evangelie is tijdelijk maar de wet is eeuwig en wordt juist door het
-evangelie hersteld. De vrijheid van de wet bestaat dan ook niet daarin,
-dat de Christen met die wet niet meer te maken heeft, maar zij is hierin
-gelegen, dat de wet van den Christen niets meer als voorwaarde der
-zaligheid eischen, hem niet meer veroordeelen en verdoemen kan. Maar
-overigens heeft hij een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen
-mensch en bepeinst ze dag en nacht. En daarom moet die wet altijd in het
-midden der gemeente, in verband met het evangelie, verkondigd worden.
-Wet en evangelie, het gansche woord, de volle raad Gods is inhoud van
-de prediking. Veel breeder plaats dan in de leer der ellende neemt de
-wet bij de Gereformeerden in de leer der dankbaarheid in. Cf. Luther bij
-Köstlin I 157 f. II 237 f. 496 f. Melanchton, Loci Comm. de evangelio.
-Symb. Bücher, ed. Müller S. 87. 181. 533. 633. Gerhard, Loc. XII-XIV.
-Quenstedt, Theol. IV 1-72. Hollaz, Ex. 996-1043. Schmid, Dogm. d. ev.
-luth. K. § 52. Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 225-262. Schneckenburger,
-Vergl. Darst. I 127 f. Frank, Dogm. Studien 1892 S. 104-135. Zwingli,
-in mijne Ethiek van Zwingli 47v. 76v. Calvijn, Inst. II 7-9. Zanchius,
-Op. VIII 509. Junius, Theses Theol. 23. 24. Ursinus, Explic. Cat. qu.
-19. 92. Synopsis pur. theol. disp. 18 en 22. Voetius, Disp. IV 17. V
-283. Witsius, Oec. foed. III 1. Misc. Sacr. II 840-848. Coccejus, de
-foedere IV 72. VI 179. Moor III 377 sq. Vitringa VI 252-292 enz.
-
-
-5. Behalve over de verhouding van wet en evangelie, bestaat er in de
-christelijke theologie ook nog een belangrijk verschil over de kracht,
-de efficacia, van het woord Gods en dus over de verhouding van woord
-en Geest. Ook hier staan als uitersten ter linker- en ter rechterzijde
-het nomisme en het antinomisme. Het nomisme, dat van het judaisme door
-het pelagianisme heen tot in het nieuwere rationalisme doorloopt,
-heeft aan eene uitwendige roeping, aan eene verstandelijke, zedelijke
-of aesthetische werking van het woord genoeg en acht eene bijzondere,
-bovennatuurlijke kracht des H. Geestes daarbij overbodig, cf. deel III
-434v. 451v. Ook Rome toont duidelijk aan deze richting verwant te zijn,
-inzoover het de gratia praeveniens verzwakt, aan het geloof slechts de
-voorbereidende beteekenis van een historische toestemming toeschrijft,
-meer en meer den kant van het Molinisme en Congruisme opgaat, en
-de eigenlijke, bovennatuurlijke genade en de inwoning des H. Geestes
-eerst laat meedeelen door het sacrament, cf. deel III 439-444. Het
-tegenovergestelde uiterste wordt ingenomen door het antinomisme, dat
-eerst tegen de wet en het Oude Testament maar dan weldra tegen alle
-uitwendig woord en tegen alle objectieve, historische bemiddeling des
-heils zich verzet en alles verwacht van de werking des H. Geestes,
-van den Christus in ons, van het inwendige woord en het inwendige
-licht. In het Anabaptisme van Schwencfeld, Franck, Denck e. a. sprak
-deze richting zich op dit punt het duidelijkst uit. Uit- en inwendig
-woord staan tot elkaar als lichaam en ziel, dood en leven, aarde en
-hemel, vleesch en geest, schaal en kern, schuim en zilver, beeld en
-waarheid, scheede en zwaard, lantaarn en licht, kribbe en Christus,
-natuur en God, schepsel en Schepper. Kennis van het woord geeft daarom
-op zichzelve niets en laat ons koud en dood. Om het te verstaan, is
-vooraf reeds het inwendig woord van noode. Gelijk woorden alleen ons
-leeren kunnen, wanneer wij de zaken kennen, zoo leert de Schrift ons dan
-alleen iets, als Christus reeds inwendig in ons harte woont. Het woord
-is maar een teeken, een schaduw, beeld, symbool en spreekt slechts
-uit, wijst slechts aan, herinnert slechts wat inwendig in ons hart is
-geschreven. Het inwendig woord gaat dus vooraf aan, staat hooger dan
-de Schrift, die maar een papieren woord en bovendien ook duister en vol
-tegenstrijdigheden is. En dat inwendig woord is niets anders dan God
-of Christus of de H. Geest zelf, die één is in alle menschen, en de
-gansche volle waarheid is. Om God te vinden en de waarheid te kennen,
-hebben wij dus niet buiten ons zelven te gaan, naar de Schrift of den
-historischen Christus; maar indalende in ons zelven, ons terugtrekkende
-van de wereld, verstand en wil doodende en lijdelijk wachtende op de
-inwendige, onmiddellijke openbaring vinden wij God, leven wij in zijne
-gemeenschap en zijn wij in zijne aanschouwing zalig. Cf. boven bl. 193 en
-voorts nog Cloppenburg, Op. II 200. Hoornbeek, Summa Controv. lib. V.
-Episcopius, Op. I 527. Quenstedt, Theol. I 169. Maronier, Het inwendig
-woord, Amst. 1890. A. Hegler, Geist und Wort bei Seb. Franck, Freiburg
-1892. Feitelijk was dit Anabaptisme eene herleving van de pantheistische
-mystiek, die in het eindige een eeuwig wisselenden verschijningsvorm
-van het oneindige ziet en daarom gemeenschap met God zoekt in de
-diepte van het gevoel, waar God en mensch één zijn. Tegenover deze
-beide richtingen van nomisme en antinomisme hielden de Hervormers
-gemeenschappelijk staande, dat het woord alleen ongenoegzaam is om te
-brengen tot geloof en bekeering, dat de H. Geest wel kan werken maar
-gemeenlijk toch niet werkt zonder het woord, en dat daarom woord en
-Geest in de toepassing van het heil van Christus aan den mensch met
-elkander gepaard gaan. Tusschen Lutherschen en Gereformeerden was
-hierover eerst geen verschil. Ook de eerstgenoemden leerden, dat de H.
-Geest, schoon werkende door woord en sacramenten als zijne instrumenten,
-toch alleen door eene bijzondere kracht het geloof werkt en werken kan,
-en dat Hij dat doet ubi et quando visum est, Symb. B. ed. Müller S.
-39. 455. 456. 471. 524. 601. 712. 720. cf. Luther bij Köstlin II 494.
-Otto, Geist u. Wort nach Luther, Gött. 1898. Melanchton, Ex. ordin.
-C. R. 23, 15, 18, 37. Loci, ib. 21, 761, 765, en anderen, Flacius,
-Chemniz, Hunnius, Hutter, Gerhard bij J, Müller, Das Verhältniss zw. der
-Wirksamkeit des H. Geistes u. d. Gnadenmittel des göttl. Wortes, Dogm.
-Abh. 1870 S. 155 f. Maar toch was er van huis uit al eenig onderscheid.
-Terwijl de Gereformeerden het gewoonlijk zoo voorstellen, dat de H.
-Geest zich paart met het woord, cum verbo, drukken de Lutherschen zich
-liefst zoo uit en leggen er steeds sterker den nadruk op, dat de H.
-Geest werkt door het woord als zijn instrument, per verbum. En terwijl
-de Gereformeerden altijd onderscheid maakten tusschen de gewone en
-buitengewone wijze, waarop God de genade werkte in het hart, lieten de
-Lutheranen, uit vrees voor de Anabaptisten, de buitengewone wijze hoe
-langer hoe meer weg en zeiden, Deum nemini spiritum vel gratiam suam
-largiri nisi per verbum et cum verbo externo et praecedente, Smalc.
-III 8, of zooals Luther telkens zeide: Deus interna non dat nisi per
-externa. En toen nu in 1621 de Danziger predikant Hermann Rathmann †
-1628 een geschrift uitgaf, waarin hij leerde, dat het woord alleen geen
-kracht had om den mensch te bekeeren, tenzij de H. Geest met zijne genade
-erbij kwam, Herzog² 12, 506, toen verhieven zich bijna alle Luthersche
-theologen tegen hem en ontwikkelden als de echte Luthersche leer, dat
-het woord Gods de kracht des H. Geestes tot bekeering in zich bezit,
-dat die kracht door Goddelijke beschikking erin gelegd is en er zoo
-onafscheidelijk mede verbonden is, dat zij in het woord ook zelfs nog
-inzit ante et extra omnem usum legitimum, evenals de hand des menschen,
-ook al werkt zij niet, toch altijd de vis operandi behoudt, Quenstedt,
-Theol. I 169. Hollaz, Ex. 992. Buddeus, Inst. theol. 110. Schmid, Dogm.
-d. ev. luth. K. § 51. Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S. 29 f.
-
-Nu is inderdaad het woord, dat van Gods mond uitgaat, altijd eene
-kracht, die datgene volbrengt, waartoe God het zendt. Dat is het op
-natuurlijk gebied in schepping en onderhouding, dat is het ook op
-zedelijk en geestelijk terrein bij het werk der herschepping. En dit geldt
-zelfs niet alleen van het evangelie maar ook van de wet. Paulus zegt
-wel van de Oudtest. wettische bedeeling, dat το γραμμα ἀποκτεννει, 2
-Cor. 3:6, maar daardoor drukt hij juist zoo sterk mogelijk uit, dat zij
-geen doode letter is; veeleer is zij zoo machtig, dat zij zonde, toorn,
-vloek en dood werkt; ὁ νομος ὀργην κατεργαζεται, Rom. 4:15, is δυναμις
-της ἁμαρτιας, 1 Cor. 15:56, διακονια της κατακρισεως, του θανατου, 2
-Cor. 3:7, 9. En daartegenover staat nu het evangelie als eene δυναμις
-θεο εἰς σωτηριαν, Rom. 1:16, 1 Cor. 1:18, 2:4, 5, 15:2, Ef. 1:13;
-het is, wijl geen menschen- maar Gods woord, Hd. 4:29, 1 Thess. 2:13,
-levend en blijvend, 1 Petr. 1:25, levend en krachtig, Hebr. 4:12, geest
-en leven, Joh. 6:63, een licht, dat schijnt in een duistere plaats,
-2 Petr. 1:19, een zaad, dat in de harten gestrooid wordt, Mt. 13:3,
-opwast en vermenigvuldigd wordt, Hd. 12:24, van groote waarde is, ook
-al zijn degenen, die het planten en natmaken, niets, 1 Cor. 3:7, een
-scherp tweesnijdend zwaard, dat doordringt in ’t binnenste wezen van
-den mensch en al zijne gedachten en overleggingen oordeelt, Hebr. 4:12.
-En daarom is het niet ledig en ijdel, maar het werkt, ἐνεργειται, in
-degenen die gelooven, 1 Thess. 2:13; en de werken, die het tot stand
-brengt, zijn wedergeboorte, 1 Cor. 4:15, Joh. 1:18, 1 Petr. 1:23,
-geloof, Rom. 10:17, verlichting, 2 Cor. 4:4-6, Ef. 3:9, 5:14, 1 Tim.
-1:20, onderwijzing, verbetering, vertroosting enz., 1 Cor. 14:3, 2 Tim.
-3:15. Zelfs in degenen, die verloren gaan, oefent het evangelie zijne
-werking uit; het is hun tot een val, tot een ergernis en dwaasheid,
-tot een steen, waaraan zij zich stooten, tot een reuke des doods ten
-doode, Luk. 2:34, Rom. 9:32, 1 Cor. 2:23, 2 Cor. 2:16, 1 Petr. 2:8.
-Tegenover het spiritualisme is deze macht van het woord Gods en
-bepaaldelijk van het evangelie met de Lutherschen in hare volle, rijke
-beteekenis te handhaven. De tegenstelling van het in- en uitwendige,
-van het geestelijke en het stoffelijke, van eeuwigheid en tijd, van
-wezen en vorm enz. is uit eene valsche philosophie afkomstig en met
-de Schrift in strijd. God is de Schepper van den hemel maar ook van
-de aarde, van de ziel en van het lichaam beide, van geest en stof te
-zamen. En daarom is ook het woord geen ijdele klank, geen ledig teeken,
-geen koud symbool; maar alle woord, ook van den mensch, is eene macht,
-grooter en duurzamer dan de macht van het zwaard; er zit gedachte,
-geest, ziel, leven in. Indien dit geldt van het woord in het algemeen,
-hoeveel te meer van het woord, dat van Gods mond uitgaat en door Hem
-gesproken wordt? Dat is een woord, dat schept en onderhoudt, oordeelt
-en doodt, herschept en vernieuwt, altijd zijn werking doet en nooit ledig
-wederkeert. Bij een menschenwoord maakt het een groot verschil, of het
-geschreven of gedrukt is, gelezen of gehoord wordt; en bij het gesproken
-woord is wederom de vorm en voordracht van de grootste beteekenis.
-Ook hangt de macht van het menschelijk woord af van de mate, waarin
-iemand zijn hart, zijn ziel erin neergelegd heeft, van den afstand, die
-tusschen den persoon en zijn woord bestaat. Maar bij God is dat anders.
-Het is altijd zijn woord; Hij is er altijd bij tegenwoordig; Hij draagt het
-steeds door zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht; Hij is het
-altijd zelf, die in wat vorm en door wat middelen dan ook, het tot de
-menschen brengt en er hen door roept. Daarom, al is het woord Gods, dat
-vrij door de dienaren verkondigd of ook in vermaning, toespraak, boek of
-geschrift tot de menschen gebracht wordt, wel uit de H. Schrift genomen
-maar niet met die Schrift identisch, toch is het een woord Gods, dat
-van Gods wege tot den mensch komt, door den H. Geest gesproken wordt
-en daarom ook altijd zijne werking doet. Het woord Gods is nooit los
-van God, van Christus, van den H. Geest; het heeft geen bestand in
-zichzelf; het is niet deistisch van zijn schepper en auteur te scheiden.
-Gelijk de Schrift niet eenmaal door den H. Geest geinspireerd is maar
-voortdurend door dien Geest gedragen, bewaard, krachtig gemaakt wordt,
-zoo is het ook met het woord Gods, dat, uit de Schrift genomen, op
-eene of andere wijze aan menschen gepredikt wordt. Jezus sprak door den
-Geest, Joh. 6:63; de apostelen, die dien Geest ontvingen, Mt. 10:20,
-Luk. 12:12, 21:15, Joh. 14:26, 15:26, verkondigden het evangelie niet
-alleen in woorden maar ook in kracht en in den H. Geest, 1 Thess. 1:5,
-6, in betooning van Geest en kracht, 1 Cor. 2:4, en hanteerden het als
-het zwaard des Geestes, Ef. 6:17. In zooverre hebben de Lutherschen ook
-volkomen gelijk; het woord Gods is altijd en overal eene kracht Gods,
-een zwaard des Geestes; semper huic verbo adest praesens Spiritus
-Sanctus. Maar desniettemin leeren Schrift en ervaring, dat dat woord
-Gods niet altijd dezelfde werking doet; efficax is het in zekeren zin
-altijd, het is nooit krachteloos; indien het niet opheft, slaat het
-neer; indien het niet tot een opstanding is, dan tot een val; indien
-niet tot eene reuke des levens, dan tot eene reuke des doods. De
-vraag rijst dus, wanneer het woord Gods in dien zin efficax is, dat
-het tot geloof en bekeering leidt. De Lutherschen sluiten nu, om den
-mensch onontschuldigbaar te stellen, deze Goddelijke, bovennatuurlijke
-efficacia op in het woord, maar vorderen daarmede niets en moeten, om
-de verschillende uitkomst van het woord bij den mensch te verklaren, tot
-den vrijen wil de toevlucht nemen. Maar de Gereformeerden rekenden met
-het feit van die dubbele uitkomst, beschouwden de efficacia niet als
-eene onpersoonlijke, magische kracht, die in het woord was gelegd, maar
-dachten dat woord altijd in verband met zijn auteur, met den Christus,
-die het bedient door den H. Geest. En die H. Geest is geen onbewuste
-kracht maar een persoon, die altijd bij het woord is, het altijd draagt en
-werkzaam doet zijn maar niet altijd werkzaam doet zijn op dezelfde wijze.
-Hij bezigt naar het onnaspeurlijk welbehagen Gods dat woord tot bekeering
-maar ook tot verharding, tot een opstanding maar ook tot een val. Hij
-werkt altijd door het woord, maar niet altijd op dezelfde wijze. En als
-Hij er zoo door werken wil, dat het tot geloof en bekeering leidt, dan
-behoeft Hij objectief aan het woord niets toe te voegen. Dat woord is
-goed en wijs en heilig, een woord Gods, een woord van Christus, en de H.
-Geest neemt alles uit Christus. Maar opdat het zaad des woords goede
-vruchten drage, moet het in een weltoebereide aarde vallen. Ook de
-akker moet voor de ontvangst van het zaad worden gereed gemaakt. Deze
-subjectieve werkzaamheid des H. Geestes moet dus bij het objectieve
-woord bij komen. Zij kan uit den aard der zaak niet in het woord
-opgesloten en besloten zijn, zij is eene andere, eene bijkomende, eene
-subjectieve werkzaamheid, niet eene werkzaamheid per verbum maar cum
-verbo, een openen van het hart, Hd. 16:14, een inwendige openbaring,
-Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16, een trekken tot Christus, Joh. 6:44, een
-verlichting des verstands, Ef. 1:18, Col. 1:9-11, een werken van het
-willen en het werken, Phil. 2:13 enz., cf. deel III 498. Daarmede wordt
-de Geest niet van het woord losgemaakt of gescheiden, ook zelfs dan
-niet, wanneer Hij, gelijk bij kinderkens, de wedergeboorte werkt zonder
-eenig middel der genade. Want de Geest, die wederbaart, is niet de
-Geest van God in het algemeen, maar de Geest van Christus, de Heilige
-Geest, de Geest, dien Christus verworven heeft, door wien Christus
-regeert, die alles alleen uit Christus neemt en die door Christus in
-de gemeente uitgestort is en dus de Geest der gemeente is. Daargelaten
-of de H. Geest, soms ook in Heidenen werkt en werken kan, wat in elk
-geval exceptioneel is, in den regel werkt Hij de wedergeboorte alleen
-in zulken, die leven onder de bediening des verbonds. Ook kinderkens,
-die door Hem worden wedergeboren, zijn kinderen des verbonds, van dat
-verbond, hetwelk het woord Gods tot inhoud heeft en het sacrament
-tot teeken en zegel ontving. De H. Geest volgt Christus dus in zijnen
-gang door de historie; Hij bindt zich aan het woord van Christus en
-werkt alleen in den naam en naar het bevel van Christus. Individueel
-en subjectief, wanneer bijv. een kind losgedacht wordt van heel zijne
-omgeving, van de kerk, waarin het geboren wordt, moge het den schijn
-hebben, alsof de Geest werkte zonder het woord; objectief en zakelijk
-werkt de H. Geest slechts daar, waar het verbond der genade met de
-bediening van woord en sacrament zich uitgebreid heeft. En daarom
-wordt de wedergeboorte bij kinderkens, wanneer zij opwassen, altijd
-daaraan gekend en in hare echtheid bewezen, dat zij in de daden van
-geloof en bekeering overgaat en dan zich aansluit bij het woord Gods,
-dat objectief in de H. Schrift voor ons ligt. De H. Geest, die in
-de wedergeboorte niets anders toepast dan het woord, de kracht, de
-verdienste van Christus, leidt vanzelf ook het bewuste leven naar dat
-woord heen, dat Hij uit Christus nam en door profeten en apostelen
-beschrijven deed, cf. deel III 484. 504. 525 en voorts Conf. Belg. 24.
-Heid. Cat. qu. 65. 67. Helv. II 18. Can. Dordr. III 6. V 7. 14. Calvijn,
-passim, bv. Inst. III 2, 33. IV 14, 11. adv. Libert. c. 9. Turretinus,
-Theol. El. XV, 4, 23 sq. Hodge, Syst. Theol. III 466-485. Bartlett,
-The letter and the spirit, Bampton Lectures 1888. Müller, Dogm.
-Abhandl. 127-277. Dorner, Chr. Gl. II 799. Frank, Chr. Wahrheit II 243.
-
-
-§ 51. DE SACRAMENTEN.
-
-1. Bij het woord komt als tweede genademiddel het sacrament. De H.
-Schrift kent dezen naam niet en heeft ook geen leer over de sacramenten
-in het algemeen. Zij spreekt wel van besnijdenis en pascha, van doop en
-avondmaal, maar vat deze instellingen niet onder één begrip saam. Zoo
-geschiedde ook nog niet in de eerste christelijke gemeenten. Ofschoon
-wij Hd. 2:42 lezen, dat de gemeente te Jeruzalem volhardde in de leer
-der apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods en in de
-gebeden, en uit Hd. 6:4 kunnen opmaken, dat er eene bediening des
-woords was, weten wij toch van de inrichting der gemeentevergadering
-te Jeruzalem weinig af. Iets meer is uit 1 Cor. 11:1-14:40 ons bekend
-van de godsdienstoefeningen der geloovigen uit de Heidenen. Nadat de
-geloovigen op grond van persoonlijke belijdenis door den doop op den
-naam van Christus in de gemeente, εἰς ἑν σωμα, opgenomen waren, Rom.
-6:3-5, 1 Cor. 12:13, Gal. 3:27, kwamen zij geregeld op den dag des
-Heeren saam, Hd. 20:7, 1 Cor. 16:2, Op. 1:10. Waarschijnlijk hielden zij
-op dien dag twee vergaderingen, eene tot den dienst des woords, waarbij
-de toegang ook voor niet-leden vrijstond, 1 Cor. 14:23, een gedeelte
-uit de O. T. Schrift en later ook uit de apostolische geschriften
-werd voorgelezen, ieder lid der gemeente vrij het woord kon nemen,
-1 Cor. 14:26, en gebeden en gezongen werd, Hd. 2:42, Rom. 12:12, 1
-Cor. 14:14, 15, 26; en eene andere tot viering van het avondmaal,
-εἰς το φαγειν, 1 Cor. 11:33, waaraan alleen de geloovigen mochten
-deelnemen, 10:16v., 11:20v., waarin eerst gebeden en gedankt werd,
-dan een gemeenschappelijke maaltijd (ἀγαπη) Jud. 12, 2 Petr. 2:13
-gehouden werd van de door de geloovigen saamgebrachte gaven, daarna
-wederom gebeden en gedankt (εὐχαριστια) en het avondmaal gevierd
-werd. Wel meenen Jülicher, Spitta, Haupt, Hoffmann, Drews e. a., dat
-in den apostolischen tijd het avondmaal niet van den gewonen maaltijd
-onderscheiden was, maar dat heel de ἀγαπη een εὐχαριστια, een δειπνον
-κυριακον was, maar dit gevoelen wordt door Harnack, Zahn, Grafe e. a.
-terecht verworpen; Jezus stelde het avondmaal na den gewonen maaltijd
-in, Mt. 26:26, 1 Cor. 11:25, en Paulus onderscheidt beide in 1 Cor.
-11:20, 21 en stelt voor, om ze geheel te scheiden, doordat de gewone
-maaltijd te voren in huis gehouden worde, 1 Cor. 11:22, Weiszäcker, Das
-apost. Zeitalter² S. 566 f. Moeller-von Schubert, Kirchengesch. I 96
-f. 130 f. Zahn art. Agapen en Drews art. Eucharistie in Herzog³. W.
-Schmidt, Dogm. II 466. Maar in de tweede eeuw kwam hier allengs groote
-verandering in. De viering van het avondmaal werd, om welke redenen
-dan ook, cf. Drews in Herzog³ 5, 562, van de agapae losgemaakt, en
-de beide vergaderingen, die tot den dienst des woords en die tot het
-avondmaal, werden vereenigd. Voortaan had de viering van het avondmaal
-in de gewone godsdienstoefening na de bediening des woords plaats; de
-godsdienstoefening werd in twee gedeelten onderscheiden, bij het eerste,
-de bediening des woords, mochten ook Heidenen of althans catechumenen
-en poenitenten tegenwoordig zijn, maar het tweede, de viering van
-het avondmaal, stond alleen voor de gedoopten open, en kreeg door
-de bijvoeging van doopsbelijdenis, doopsbediening, oratio dominica en
-allerlei ritueele en symbolische handelingen hoe langer hoe meer een
-mysterieus karakter. Het wijd verbreide grieksche mysteriewezen kreeg
-invloed op den christelijken godsdienst. In het N. T. is μυστηριον de
-naam voor woorden en daden Gods, die vroeger verborgen waren maar
-die nu openbaar zijn geworden, deel I § 30. Maar dit woord kreeg in
-de christelijke kerk spoedig eene gansch andere beteekenis en werd de
-aanduiding van al wat in den christelijken godsdienst geheimzinnig
-en onbegrijpelijk was. In het latijn werd dit woord door sacramenten
-overgezet, dat de beteekenis had van eed, vooral door den soldaat aan
-het vaandel af te leggen, of van eene geldsom, die bij een proces in
-een locus sacer moest neergelegd worden en bij verlies van het proces
-aan de goden verviel, maar dat nu de gedachte van eene geheimzinnige,
-heilige handeling of zaak in zich opnam. In dezen zin kon al wat met
-God en zijne openbaring in eenig verband stond, een sacrament worden
-genoemd, de openbaring zelve en haar inhoud, de leer, de triniteit,
-de vleeschwording enz., voorts allerlei teekenen, zooals het teeken
-van het kruis, het zout, dat aan de catechumenen gegeven werd,
-eindelijk alle heilige handelingen, priesterwijding, huwelijk, exorcisme,
-sabbatsviering, besnijdenis en alle ceremoniën; cf. behalve de werken,
-deel I 530v. genoemd, Moeller-v. Schubert I 332 f. en daar aangehaalde
-litteratuur. Herzog² art. Sakrament. Ziegert, Ueber die Ansätze zu
-einer Mysterienlehre, Stud. u. Kr. 1894. Al treden nu onder deze met
-den naam van sacrament aangeduide heilige handelingen doop en avondmaal
-nog altijd duidelijk op den voorgrond, toch was de vaagheid van den
-naam oorzaak, dat het getal der sacramenten langen tijd onbepaald
-bleef. Ook Augustinus bezigt het begrip nog in ruimeren zin en gaat
-bij zijne definitie van die beteekenis uit. Eerst Pseudodionysius in
-de 6e eeuw telde in zijne eccl. hier. IV 2 sq. zes sacramenten: doop,
-confirmatie, eucharistie, priesterwijding, monnikwijding en gebruiken bij
-de begrafenis. Maar de scholastiek sloot zich in de bepaling van het
-begrip sacrament bij Augustinus aan en rekende er verschillende heilige
-zaken en handelingen onder. Hugo van St. Victor, de Sacr. I 9, 7 noemt
-niet minder dan 30 sacramenten en verdeelt ze in drie klassen: zulke,
-die tot de zaligheid noodig zijn (doop, confirmatie, eucharistie enz.),
-zulke, die eene hoogere genade mededeelen (gebruik van wijwater enz.)
-en zulke, die dienen tot voorbereiding voor de overige sacramenten
-(wijding van heilige gereedschappen enz.). Abaelard telt er vijf:
-doop, confirmatie, eucharistie, laatste oliesel en huwelijk, terwijl
-Robert Pullus er ook vijf noemt, maar de beide laatste door biecht en
-priesterwijding vervangt. Bernard geeft geen getal op maar noemt op
-verschillende plaatsen doop, voetwassching, confirmatie, eucharistie,
-biecht, laatste oliesel, priesterwijding, investituur, huwelijk met den
-naam van sacramenten. Eerst Lombardus, Sent. IV dist. 2 heeft het
-bekende zevental, maar ook na hem spreken theologen en synoden (bijv.
-het lateraanconcilie van 1179) nog van sacramenten in ruimen zin. En
-dit duurt, totdat de sententiae van Lombardus algemeen handboek voor
-de studie der theologie werden en het concilie te Florence 1439 het
-zevental vaststelde, cf. Schwane, D. G. III 584 f. Harnack, D. G. III
-463. Met deze beperking van het getal ging de bepaling van het begrip
-hand aan hand. Bij de kerkvaders werden vele heilige handelingen, vooral
-doop en avondmaal, wel hoog verheven, en van eene bovennatuurlijke
-kracht en genade voorzien gedacht. Maar eene leer der sacramenten
-ontbreekt; de verhouding van het zinnelijk en geestelijk element wordt
-niet duidelijk bepaald, en de wijze van werking niet helder omschreven.
-Augustinus onderscheidt in de sacramenten twee bestanddeelen: dicuntur
-sacramenta, quia in eis aliud videtur, aliud intellegitur. Quod
-videtur, speciem habet spiritalem, Serm. 272. detrahe verbum et quid
-est aqua nisi aqua? accedit verbum ad elementum et fit sacramentum, in
-Ev. Joh. 80, 3. Soms legt hij zoozeer den nadruk op het woord en voor
-de werking van het sacrament op het geloof van den ontvanger, dat het
-teeken slechts een beeld wordt van de beteekende zaak. Maar aan de
-andere zijde gaf hij zulk een ruime definitie van het begrip sacrament,
-dat er allerlei kerkelijke handelingen onder vallen konden, en bond hij
-tegen de Donatisten de sacramenten zoo aan de kerk, dat zij door de
-ketters wel konden meegenomen worden maar toch alleen binnen de kerk de
-genade konden meedeelen, Hahn, Die Lehre v. d. Sakr. Breslau 1864 S. 11
-f. Harnack, D. G. III 141.
-
-De eigenlijke leer der sacramenten is een product der middeleeuwsche
-scholastiek; zij eerst stelde een nauwkeurig en dikwerf splinterig
-onderzoek in omtrent het begrip, de instelling, den bedienaar, de
-noodzakelijkheid, de doelmatigheid, het getal, de bestanddeelen, de
-verhouding van het sacramentum en de res sacramenti, het onderscheid
-tusschen de sacramenten in het paradijs, het oude en het nieuwe
-testament, het onderling verschil der zeven sacramenten, de physische
-of moreele werking, de onderscheidene genade, die zij mededeelen,
-de vereischten voor de uitdeeling en de ontvangst der sacramenten,
-Hugo Vict., de sacramentis. Lombardus, Sent. IV 1. 2. en comm. van
-Thomas, Bonaventura, Duns Scotus. Thomas, S. Theol. III qu. 60-65.
-Bonaventura, Brevil. VI 1-5. Schwane, D. G. III 579-605. Harnack, D.
-G. III 466 f. Resultaat van deze scholastieke ontwikkeling was, dat
-ten deele reeds op vroegere conciliën maar vooral te Trente over de
-leer der sacramenten in het algemeen het volgende vastgesteld werd:
-1º alle sacramenten des N. Verbonds zijn door Christus ingesteld en
-zijn zeven in getal: doop, confirmatie, eucharistie, boete, laatste
-oliesel, priesterwijding en huwelijk. 2º Deze zijn alle ware en eigenlijke
-sacramenten, van die des O. Verbonds wezenlijk onderscheiden, maar
-toch onderling in waarde verschillend. 3º Zij zijn, ofschoon niet alle
-voor ieder mensch, tot zaligheid noodzakelijk, zoodat zonder hen of
-althans zonder verlangen ernaar, door ’t geloof alleen, de genade der
-rechtvaardigmaking niet te verkrijgen is. 4º Zij beteekenen niet alleen
-de genade, maar bevatten haar ook en deelen haar ex opere operato mede.
-5º Van de zijde des bedienaars wordt voor de waarachtigheid van het
-sacrament minstens vereischt, dat hij de intentie hebbe om te doen, wat
-de kerk doet, maar is het overigens onverschillig, of hij in doodzonde
-verkeert. 6º Wettige uitdeelers der sacramenten zijn alleen de geordende
-priesters, maar confirmatie en priesterwijding geschieden alleen door
-den bisschop, en de doop mag in geval van nood ook door leeken bediend.
-7º Van de zijde des ontvangers is alleen noodig, dat hij de intentie
-hebbe om te ontvangen wat de kerk geeft en aan de genade geen hindernis
-in den weg legge. 8º Ieder sacrament verleent eene bijzondere genade,
-en doop, confirmatie en ordening verleenen een character indelebilis.
-Cf. Conc. Trid. VII de sacr. Cat. Rom. II cap. 1. Bellarminus,
-Controv. III de sacramentis in genere in 2 boeken. Theol. Wirceb. ed.
-3 IX 1-151. Perrone, Prael. theol. ed. Lov. V 301-391. Simar, Dogm.³
-659-693. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der Kath. Kirche² I
-20-132. Möhler, Symbolik § 28. Jansen, Prael. III 281-367 enz. Over
-de sacramentsleer in de Grieksche kerk verg. Kattenbusch, Vergl.
-Confessionskunde I 393 f.
-
-
-2. De ontwikkeling dezer sacramentsleer toont, dat zij zich hoe langer
-hoe verder van de Schrift had verwijderd. Vooral in drieërlei opzicht
-is dit het geval. Ten eerste wordt de genade, welke het sacrament
-mededeelt, door Rome alleen opgevat als eene gratia sanctificans,
-d. i. als eene kracht, die in den mensch wordt ingestort, hem tot
-de bovennatuurlijke orde verheft en der Goddelijke natuur deelachtig
-maakt. De genade is van de schuld en vergeving der zonden schier
-geheel losgemaakt en in eene aan den mensch van buitenaf toekomende,
-bovennatuurlijke gave veranderd. Ten tweede is de band van het
-sacrament aan het woord door Rome zoo goed als geheel verbroken; het
-woord heeft wel eenige beteekenis, maar slechts eene voorloopige en
-praeparatoire; het geloof, dat door het woord gewerkt wordt, is niets
-dan een historisch geloof, dat ter zaligheid onvoldoende is en door
-de liefde, d. i. door de gratia infusa moet aangevuld worden. En deze
-gratia wordt alleen meegedeeld door het sacrament, dat daarom eene
-eigene, zelfstandige plaats inneemt naast het woord en het in waarde
-verre overtreft. Ten derde is het geloof volstrekt geen vereischte
-meer in den ontvanger van het sacrament; de genade ligt als gratia
-sanctificans, als iets materieels, in het sacrament besloten, wordt
-erdoor medegedeeld ex opere operato, en onderstelt dus hoogstens,
-dat de ontvanger geen onoverkomelijke hindernis in den weg legge. Het
-sacrament werkt dus physisch en magisch, krachtens eene macht, door
-God aan den priester geschonken, als een instrument in zijne hand. Op
-alle drie punten heeft de Hervorming de Roomsche sacramentsleer naar de
-Schrift herzien en gewijzigd; Zwingli, Luther, Calvijn waren hierbij met
-elkander eenstemmig en spraken het gemeenschappelijk uit, dat de genade,
-die in het sacrament werd meegedeeld, in de eerste plaats de vergevende
-genade was en niet op de lagere, van het donum superadditum verstoken
-natuur maar op de zonde betrekking had; dat het sacrament een teeken
-en zegel was, aan het woord gehecht, geen enkele genade meedeelde, die
-niet door het woord geschonken werd en dus zonder het woord hoegenaamd
-geen waarde had; en dat niet het sacrament zelf maar toch wel zijne
-werking en vrucht afhing van het geloof en in den ontvanger dus altijd
-het zaligmakend geloof onderstelde. Maar overigens openbaarde zich
-in de sacramentsleer tusschen de Hervormers al spoedig belangrijk
-verschil. De sacramenten werden tusschen Roomschen, Lutheranen,
-Zwinglianen, Gereformeerden, Anabaptisten enz. het middelpunt van den
-strijd. Zij werden het schibboleth van elk dogmatisch systeem; daarin
-belichaamden zich practisch en concreet de beginselen, van welke men
-in kerk en theologie, in leer en leven uitging; de verhouding van God
-en wereld, schepping en herschepping, Goddelijke en menschelijke natuur
-van Christus, zonde en genade, geest en stof kwam in het sacrament
-tot hare practische toepassing; alle strijd bewoog zich om de unio
-sacramentalis, de vereeniging van teeken en beteekende zaak, het
-verband van sacramentum en res sacramenti. Luther legde eerst, in 1518
-en 1519, al den nadruk op het geloof, dat alleen het sacrament werken
-doet en zoo de gemeenschap aan Christus en zijne weldaden ons deelachtig
-maakt; dan, van 1520 tot 1524, brengt hij het sacrament vooral in
-verband met het woord, waarvan het een teeken en zegel is; en eindelijk,
-na 1524, kwam hij er, uit vrees voor de Wederdoopers, meer en meer
-toe, om de sacramenten onontbeerlijk te achten, hun objectief karakter
-op grond van de instelling van Christus te handhaven, en het verband
-tusschen teeken en beteekende zaak temporeel, corporeel en locaal op te
-vatten, zoodat naar de latere Luthersche voorstelling de res coelestis
-_in_, _met_ en _onder_ het element verborgen is, gelijk de kracht des
-H. Geestes ingegaan is in het woord, en de genade door de sacramenten
-werkt als door hare instrumenta, media, adminicula, vehicula, organa,
-Luther bij Köstlin II 503 f. Heppe, Dogm. d. d. Prot. III 39 f. Symb.
-Bücher ed. Müller S. 39. 41. 202. 264. 321 enz. Gerhard, Loc. XVIII.
-Quenstedt, IV 73-88. Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § 53. Daartegenover
-leerde Zwingli, dat de sacramenten, wijl zij alleen bediend worden
-aan zulken, die het geloof en door dat geloof Christus en al zijne
-weldaden deelachtig zijn, in de eerste plaats teekenen en bewijzen des
-geloofs, belijdenisacten zijn, en dan in de tweede plaats ook middelen
-tot versterking des geloofs, wijl zij ons herinneren de weldaden, waarop
-ons geloof betrekking heeft, ons geloof steeds meer van onszelven af
-op Gods genade in Christus richten en daardoor dat geloof oefenen en
-sterken, Zwingli, Fidei ratio bij Niemeyer, Conf. Ref. 24-26. Expos.
-chr. fidei, ib. 50-53, en voorts Zeller, Das theol. System Zw. 111 f.
-Nu vat ook Calvijn de sacramenten wel op als belijdenisacten, als mutua
-nostra erga Deum pietatis testificatio. Maar dat zijn zij bij hem toch
-eerst in de tweede plaats; allereerst zijn de sacramenten divinae in
-nos gratiae testimonia externo signo confirmata, teekenen en zegelen
-van de beloften Gods in zijn woord, spiegels, waarin wij den rijkdom
-zijner genade aanschouwen. Het onzichtbaar element, de materia en
-substantia van het sacrament, is dus het woord, de belofte, het verbond
-der genade, de persoon van Christus met al zijne weldaden. Maar het
-zichtbaar element houdt deze geestelijke goederen niet in zich besloten,
-het schenkt ze ons niet propria, intrinseca virtute, God staat zijn
-werk niet aan de teekenen in het sacrament af, Hij en Hij alleen is de
-bezitter en blijft ook de eenige uitdeeler van genade. De teekenen
-doen alleen instrumenteelen, ministerieelen dienst; God bedient er
-zich van, om zijne genade mee te deelen. Maar Hij deelt deze genade
-alleen mede aan wie gelooven en versterkt en voedt dan hun geloof;
-ongeloovigen ontvangen alleen het teeken zonder de beteekende zaak. Hoe
-nu God van de sacramenten zich bedient ter uitdeeling zijner genade,
-wordt bij Calvijn en ook bij de latere Gereformeerden niet duidelijk. Er
-blijft daarom voor allerlei vragen plaats; is de genade altijd met het
-teeken verbonden, zoodat het sacrament objectief steeds hetzelfde
-blijft? of verbindt God de genade met het teeken alleen, wanneer het
-sacrament door geloovigen ontvangen wordt? of biedt God de genade
-met het teeken ook aan de ongeloovige gebruikers aan, zoodat het hun
-schuld is, als zij alleen het teeken aannemen en ontvangen? waarin is de
-sacramenteele genade onderscheiden van die, welke de geloovigen reeds
-vroeger ontvingen, en waarin verschilt zij van de subjectieve werking
-des H. Geestes, die het oog der geloovigen voor het sacrament opent
-en hun hart ervoor ontsluit? gaat de uitdeeling der genade gepaard
-met de bediening of de ontvangst van het teeken? heeft zij daarmede
-tegelijkertijd plaats of kan zij ook vroeger of later geschieden en de
-vrucht van het sacrament dus vóór en onder en na de ontvangst worden
-genoten? cf. Calvijn, Inst. IV 14. Catech. Genev. 5. Cons. Tigur.
-Usteri, Stud. u. Krit. 1884 S. 417-455. Conf. Gall. 34. 37. Belg. 33.
-Cat. Heid. qu. 66. 67 enz. a Lasco, Op. ed. Kuyper I 115-232. 511-514.
-Bullinger, Huysboek V 6. Sohnius, Op. I 55. Beza, Tract. Theol. I 206.
-Junius, Theses Theol. 49. 50. Zanchius, Op. VIII 511. Polanus, Synt.
-Theol. VI 49-51. Synopsis pur. theol. 43. Turretinus, Theol. El. XIX
-qu. 1-10. Moor V 218-267. Vitringa VI 308 enz.
-
-Buiten de Luthersche en de Gereformeerde kerken, die in navolging van
-Luther en Calvijn het objectief karakter der sacramenten handhaafden,
-vond de leer van Zwingli hoe langer hoe meer ingang. De Wederdoopers
-namen voetwassching, doop en avondmaal nog wel als sacramenten aan,
-maar zagen er toch alleen teekenen en symbolen, geen zegelen in; de
-sacramenten stellen wel zichtbaar de weldaden voor oogen, die de
-geloovigen van God hebben ontvangen, maar zij doen dat als belijdenissen
-van ons geloof en deelen geen genade mede, Cloppenburg, Op. II 238. De
-Socinianen keurden evenals Zwingli den naam sacrament af, beschouwden
-het avondmaal als een gedachtenismaaltijd en een verklaring van wat
-wij in Christus hebben, en ontkenden, dat de doop op een bevel van
-Christus berustte en eene blijvende instelling was, Fock, Der Socin.
-559 f. De Remonstranten beleden in hunne confessie c. 23 nog wel, dat
-God in de sacramenten zijne weldaden vertoont en certo modo exhibet
-atque obsignat, maar hunne Apologie deed zien, dat zij daaronder geen
-bezegeling van Gods belofte en geen meedeeling zijner genade verstonden;
-de sacramenten zijn teekenen van het verbond tusschen God en menschen,
-waarbij dezen zich verplichten tot een heilig leven en God zijne
-genade hun zichtbaar voor oogen stelt, cf. Limborch, Theol. Christ.
-V 66. Bij de Rationalisten werden de sacramenten tot herinnerings-
-en belijdenisteekenen, wier doel was bevordering der deugd, en die
-daarom licht met andere plechtige ceremoniën konden vermeerderd
-worden, Wegscheider § 165. De Kwakers verwierpen de sacramenten als
-joodsch ceremonieel, vatten den doop als Geestesdoop ons, die ons van
-onze zonden reinigt, en het avondmaal als afbeelding van de voeding
-onzer ziel door Christus, Barclay, Verantwoording 1757 bl. 325. Dit
-ontbindend proces werd inzoover door Schleiermacher gestuit, als hij
-eene poging waagde, om het objectief karakter der sacramenten te
-handhaven en al de verschillende opvattingen in eene hoogere eenheid te
-verbinden. Hij omschreef ze daartoe als fortgesetzte Wirkungen Christi,
-in Handlungen der Kirche eingehüllt und mit ihnen auf das Innigste
-verbunden, durch welche er seine hohepriesterliche Tätigkeit auf die
-Einzelnen ausübt und die Lebensgemeinschaft zwischen ihm und uns, um
-derentwillen Gott allein die Einzelnen in Christo sieht, erhält und
-fortpflanzt, Chr. Gl. § 143. Maar deze poging tot verzoening slaagde
-niet. De Wirkungen Christi, in Handlungen der Kirche eingehüllt,
-lieten onbeslist, wat in de sacramenten het eerste en voornaamste
-was. Zoo ging de theologie weldra weer in verschillende richtingen
-uiteen. Sommigen bleven het bemiddelend standpunt innemen, Nitzsch,
-Chr. Lehre § 191. Kaftan, Dogm. 595. Oosterzee, Dogm. II 815; anderen
-reproduceerden het gevoelen van Zwingli, Lipsius, Dogm. § 807 f.
-840 f. Schweizer, Chr. Gl. II 400 f. Biedermann, Chr. Dogm. II 632.
-Ritschl, Unterricht in der christl. Rel. § 83. Scholten, L. H. K.
-II 310, of keerden tot het confessioneele standpunt van de Luth. of
-Geref. kerken terug, Philippi, Kirchl. Gl. V 2. Hodge, Syst. Theol.
-III 485. En eindelijk werd door de Neolutheranen in Duitschland en door
-de Zwinglianen en de Puseyisten in Engeland eene leer der sacramenten
-voorgedragen, die veelzins aan Rome herinnerde, de genade door het
-sacrament heen liet inwerken niet alleen op de ziel, maar ook op de
-geistleibliche natuur en op het lichaam van den mensch, en het getal
-der sacramenten dikwerf uitbreidde, Höfling, Das Sakr. der Taufe, Erl.
-1859 I 18-20. Hofmann, Schriftbeweis II 2 S. 167 f. Thomasius, Christi
-Person u. Werk II³ 355 f. Delitzsch, Bibl. Psych.² 340. 350. 354.
-Martensen, Dogm. § 247-258. Vilmar, Dogm. II 226 f. Paget, Sacraments
-in Gore’s Lux mundi 1892 p. 296-317.
-
-
-3. De Schrift kent het woord sacrament niet en bevat ook in het
-afgetrokkene geen leer over de sacramenten. Wel spreekt zij van
-verschillende kerkelijke handelingen in O. en N. Test. maar zij vat die
-niet onder een gemeenschappelijk begrip samen. En ook in de christelijke
-kerk is niet het begrip maar de zaak het eerste; onderscheidene
-leerstellingen en gebruiken der kerk werden allengs met den naam
-van sacrament aangeduid. Daarom is het te begrijpen, dat zeer velen
-tegen dezen naam bezwaar hadden en hem liefst door dien van teekenen,
-zegelen, geheimteekens, mysteriën, Geheimnisse wilden vervangen. Niet
-alleen Carlstadt, Zwingli, Socinus, Schleiermacher, Doedes enz. keurden
-het woord af; maar ook Luther zeide in zijn praeludium de captivitate
-Babylonica, dat de Schrift het woord niet kende in die beteekenis,
-welke het had in de theologie; Calvijn, Inst. IV 14, 13 merkte op,
-dat de kerkvaders in het latijnsche woord een nieuwen zin hadden
-gelegd; Melanchton verving in de eerste uitgave zijner Loci het woord
-sacramenta door signa, en ook Musculus, Hottinger, Burman, Coccejus
-e. a. gaven aan de Schriftuurlijke namen van teekenen en zegelen de
-voorkeur. Dit bezwaar tegen den naam wordt nog daardoor versterkt, dat
-de grieksche beteekenis van het woord μυστηριον, in het latijn door
-sacramentum vertaald, op de opvatting van de met dien naam aangeduide
-kerkelijke plechtigheid invloed heeft geoefend. Toch is om dit alles
-het woord niet verwerpelijk. Want de theologie bedient zich van vele
-woorden, welke in de Schrift niet voorkomen en welke binnen haar kring
-eene technische beteekenis hebben verkregen. Indien zij zich daarvan
-onthouden moest, zou zij allen wetenschappelijken arbeid moeten staken
-en zou alle prediking en uitlegging van Gods woord, ja zelfs alle
-vertaling der H. Schrift ongeoorloofd zijn. Om die reden is het ook
-niet af te keuren, om de behandeling van de leer der sacramenten aan
-die van doop en avondmaal te laten voorafgaan. Want wel is er in de
-Schrift geen afzonderlijke leer over de sacramenten te vinden en moet
-deze veeleer opgebouwd worden uit hetgeen de Schrift over de bijzondere
-instellingen van besnijdenis, pascha, doop en avondmaal leert; maar een
-voorafgaand hoofdstuk over de sacramenten in het algemeen stelt ons
-juist in staat, om hetgeen die bijzondere instellingen in de Schrift
-gemeen hebben saam te vatten en deze juiste, Schriftuurlijke opvatting
-te stellen tegenover de onzuivere leer, die over de sacramenten
-allengs in de christelijke kerk is binnengedrongen. In de definitie
-der sacramenten sloten daarom de Gereformeerden zich zoo nauw mogelijk
-bij de Schrift aan. De scholastiek disputeerde erover, of er van de
-sacramenten wel eene definitie te geven was, wijl zij, als saamgesteld
-uit res en verba, geen ens reale, geen unum per se waren, cf.
-Bellarminus, de sacr. in genere I 10. Toch leidde men uit Augustinus,
-die meermalen in de sacramenten een zichtbaar en een onzichtbaar
-bestanddeel onderscheidde, de definitie af, dat zij waren sacrum signum
-of signum rei sacrae, Thomas, S. Theol. III qu. 60 art. 1. 2. Hugo
-Vict. de sacr. I 9, of ook invisibilis gratiae visibilis forma,
-Lombardus, Sent. IV 1. Hoewel niet onjuist, is deze bepaling toch te
-ruim. Latere Roomsche theologen namen daarom gewoonlijk de bepaling van
-den Catech. Rom. II 1, 6, 2, over en omschreven de sacramenten als
-signa quaedam sensibus subjecta, quae ex Dei institutione sanctitatis
-et justitiae tum significandae tum efficiendae vim habent. Hoewel
-deze definitie goed kan verstaan worden, heeft zij toch in de Roomsche
-theologie een zin verkregen, die met de H. Schrift in strijd is en haar
-daarom voor de Reformatie onbruikbaar maakt. Immers vat de Roomsche
-theologie het sacrament op als een res sacra, abdita atque occulta en
-legt daarin den zin, niet van het Bijbelsch, maar van het grieksche
-μυστηριον. En voorts legt zij er al den nadruk op, dat de sacramenten
-de genade in zich bevatten, dat zij deze ex opere operato meedeelen, en
-dat deze genade vooral bestaat in de gratia sanctificans. De Schrift
-spreekt echter van den regenboog en de besnijdenis als אוֹת הַבְּרִית,
-Gen. 9:12, 13, 17, 17:11, cf. Ex. 12:13, Hd. 7:8 en noemt de laatste
-een σημειον περιτομης, een σφραγις της δικαιοσυνης της πιστεως, Rom.
-4:11; en zij brengt evenzoo doop en avondmaal ten nauwste met het
-verbond der genade, met den middelaar en de weldaden van dat verbond en
-bepaaldelijk met de vergeving der zonden in verband, Mk. 1:4, 14:22-24
-enz. Dienovereenkomstig omschreef de Geref. theologie de sacramenten
-als heilige zichtbare teekenen en zegelen, van God ingesteld, waardoor
-Hij de beloften en weldaden van het genadeverbond aan de geloovigen
-te beter te verstaan geeft en verzekert, en dezen hunnerzijds voor
-God, engelen en menschen hun geloof en liefde belijden en bevestigen.
-Hierbij verdient het de aandacht, ten eerste, dat God als de insteller
-van de sacramenten wordt genoemd. In het algemeen is er hierover in
-de christelijke kerken geen verschil. Alle belijden, dat God alleen de
-auteur, de insteller, de causa efficiens van de sacramenten kan zijn.
-Hij toch alleen is de bezitter en uitdeeler van alle genade; Hij alleen
-kan bepalen, aan welke middelen Hij zich bij de uitdeeling zijner genade
-binden wil. Voorts heeft ook Christus als middelaar het recht, om
-sacramenten in te stellen, want Hij is als middelaar de verwerver van
-alle genade Gods. Hominum non est instituere et formare Dei cultum, sed
-traditum a Deo recipere et custodire, Helv. II 19. Maar Rome verkeert
-hierbij in eene eigenaardige moeilijkheid. Wijl door Christus geen andere
-sacramenten waren ingesteld dan die van doop en avondmaal, moest van de
-andere sacramenten worden beweerd, dat zij òf geen sacramenten waren òf
-dat ook de apostelen het recht hadden, tot instelling van sacramenten.
-Vóór het concilie van Trente beweerden velen, Lombardus, Sent. IV dist.
-3, Hugo Vict., de sacr. II 15, 2, Halesius, Bonaventura e. a., dat de
-sacramenten, bijv. confirmatie, biecht, niet onmiddellijk door Christus,
-maar door de apostelen waren ingesteld, Schwane, D. G. III 597. Doch
-het concilie te Trente sess. 7 can. 1 bepaalde uitdrukkelijk, dat
-alle zeven sacramenten door Jezus Christus onzen Heere zelven, (niet
-middellijk want dat erkenden allen; dan ware geen conciliebesluit noodig
-geweest, maar onmiddellijk, Bellarm. de sacr. I c. 23) waren ingesteld
-en legden daarmede aan de theologie eene onuitvoerbare verplichting op.
-Toch had het concilie in zoover gelijk, als het erkent, dat het recht
-tot instelling van sacramenten zelfs niet door God op schepselen kan
-worden overgedragen. Menschen kunnen de instelling van een sacrament
-bekend maken, Ex. 12:1, Mk. 1:4, 11:30, 1 Cor. 11:23, kunnen het teeken
-ervan uitreiken, kunnen de genade Gods aankondigen, maar zij kunnen
-deze genade uit den aard der zaak niet realiter schenken. De genade
-toch is geen stoffelijk goed, maar zij is de gunst, de gemeenschap Gods,
-van Hem onafscheidelijk en daarom door geen schepsel, door geen mensch
-of engel mede te deelen. Daarom is God in Christus door den H. Geest
-de eenige insteller maar ook de eenige uitdeeler van het sacrament.
-Alleen dat sacrament is het ware, dat door God zelf bediend wordt.
-Het is Christus zelf, die in zijne kerk doopt en avondmaal houdt. Hij
-heeft zijn ambt niet overgedragen en geen plaatsvervanger op aarde
-aangesteld, Hij regeert zelf en gelijk Hij alleen als profeet het woord
-bedient, zoo is Hij ook de eenige bedienaar van het sacrament, al
-is het, dat Hij ook daarbij menschen als zijne instrumenten gebruikt,
-Helv. II 19. Synopsis pur. theol. 43, 8. Turretinus, Th. El. XIX 1,
-14. Amyraldus, Theses Salm. III 10. Vitringa VI 338. Ten tweede, in
-de Geref. definitie van de sacramenten is ook opmerkelijk, dat ze als
-teekenen omschreven worden. Ofschoon enkele Gereformeerden ze ook wel,
-hetzij doorgaans, hetzij bij afwisseling, tot de ceremoniae, ritus of
-actiones rekenden, Bullinger, Huisboek, V 6. Trelcatius Jr. Loci Comm.
-p. 141, Junius, Theses Theol. 50, 6 enz., toch herleidden verreweg de
-meesten ze tot het soortbegrip van signa, sigilla, imagines, symbola,
-typi, antitypi, cf. Moor V 231. Vitringa VI 341. Zij weken hierin, ten
-deele ook van de Roomschen maar vooral van de Lutherschen af, die op
-de omschrijving door actiones bijzonder gesteld waren en daarin een
-belangrijk geschilpunt met de Gereformeerden zagen, Gerhard, Loc. XVIII
-22 sq. Dit is van Luthersche zijde daarom bevreemdend, wijl zij bij het
-woord leeren, dat de kracht des H. Geestes erin besloten ligt, ook
-vóór en buiten het gebruik. De analogie zou eischen, dat niet op de
-handeling maar op het teeken in het sacrament de nadruk viel. Toch is
-dit niet het geval. De Lutherschen zien in het sacrament allereerst
-eene handeling, bestaande in mededeeling van de genade in, met en
-onder het teeken. De Gereformeerden ontkenden nu volstrekt niet, dat
-er in het sacrament eene handeling was. Maar dit was eene verborgene,
-onzichtbare handeling van Christus, die inwendig in de harten door den
-H. Geest de genade schenkt. Daarentegen ligt bij het sacrament niet
-de hoofdzaak in de handeling van den dienaar, alsof die van zooveel
-gewicht ware en zelfs eene con- of transsubstantiatie tot stand bracht,
-maar in het teeken-zijn van het sacrament; het beeldt af en verzekert
-de handeling van Christus, ja de handeling van den bedienaar van het
-sacrament, ofschoon eene actio, is zelve eene actio significativa. En
-de Schrift noemt daarom de sacramenten met den naam van teekenen en
-zegelen en verplicht ook Roomschen en Lutherschen om deze benaming goed
-te keuren, Bucanus, Instit. theol. 559. Maresius, Syst. Theol. XVIII 8.
-Mastricht, Theol. VII 3, 14. Turretinus, Theol. El. XIX 3, 9. Vitringa
-VI 341. Ten derde is de Geref. definitie van de sacramenten nog daarin
-eigenaardig, dat zij de daad Gods en de belijdenis der geloovigen,
-die daarin op te merken valt, met elkander vereenigt. Calvijn, Inst.
-IV 14, 1 heeft op die wijze Luther en Zwingli met elkander verzoend.
-Met Luther was hij eenstemmig, dat de daad Gods in het sacrament de
-eerste en voornaamste plaats innam; maar met Zwingli oordeelde hij,
-dat de geloovigen in het sacrament ook voor God, engelen en menschen
-belijdenis deden van hun geloof en hun liefde. In het sacrament komt
-God eerst tot de geloovigen, om hun zijne weldaden te beteekenen en te
-verzegelen; Hij verzekert hun met zichtbare onderpanden, dat Hij hun God
-is en huns zaads God; hij hecht zegels aan _Zijn_ woord, om _hun_ geloof
-aan dat woord te versterken, Gen. 9:11-15. 17:11, Ex. 12:13, Mk. 1:4,
-16:16, Luk. 22:19, Rom. 4:11 enz. Maar andererzijds zijn de sacramenten
-ook acten van belijdenis; de geloovigen belijden daarin hun bekeering,
-hun geloof, hunne gehoorzaamheid, hun gemeenschap met Christus en
-met elkander; terwijl God hun verzekert, dat Hij hun God is, betuigen
-zij plechtig, dat zij zijne kinderen zijn; elk sacramentsgebruik is een
-verbondsvernieuwing, een gelofte van trouw, een eed, die tot den dienst
-van Christus verplicht, Mk. 1:5, 16:16, Hd. 2:41, 8:37, Rom. 6:3v., 1
-Cor. 10:16v., cf. Ned. Gel. 36. Form. v. doop en avondmaal. Vitringa VI
-423 sq. Heppe, Dogm. d. ref. K. 441.
-
-
-4. In den naam van teeken en zegel ligt opgesloten, dat het sacrament
-uit twee deelen bestaat, die als verbum en elementum, res sacramenti en
-sacramentum (in enger zin), signatum en signum, res coelestis en res
-terrestris, materia interna en externa onderscheiden worden. Teeken
-en zegel toch wijzen beide heen naar iets anders, waarvan zij teeken en
-zegel zijn. Teekenen zijn er vele en velerlei; er zijn, zooals Augustinus,
-de doctr. christ. II 1 reeds opmerkte, natuurlijke en positieve,
-aangenomene, ingestelde teekenen. Tot de eerste behooren bijv. de rook,
-die aan het vuur, de dageraad, die aan de zon, de voetstap, die aan
-den wandelaar, de geur, die aan de bloem, de lach, die aan de vreugde,
-de traan, die aan de smart doet denken. Positieve teekenen zijn zulke,
-die door afspraak, overeenkomst, gewoonte of gebruik vastgesteld en in
-enger of ruimer kring aangenomen en erkend zijn; tot deze soort behooren
-alle letterteekens, parolen, vaandels, insignes enz. Al deze teekens
-zijn als gewone weder van de buitengewone onderscheiden, onder welke
-de wonderen de voornaamste plaats innemen; in de Schrift worden deze
-dikwerf met den naam σημεια aangeduid, omdat zij een bewijs en teeken zijn
-van Gods tegenwoordigheid, van zijne genade of macht, van zijne waarheid
-of gerechtigheid. Ook worden teekenen nog tot verschillende groepen
-gebracht, naarmate zij, gelijk de gedenkteekenen, aan iets verledens,
-Jos. 4:6, of, gelijk de voorspellende teekenen, aan iets toekomstigs,
-Gen. 4:15, of ook, gelijk vele andere teekens, aan iets tegenwoordigs
-en blijvends, Deut. 6:8, doen denken. Sacramenten nu behooren tot de
-ingestelde, buitengewone teekenen, die door God, niet naar willekeur,
-maar naar eene door Hem gepraeformeerde analogie, uit de zienlijke
-dingen genomen en tot aanduiding en verduidelijking van onzienlijke en
-eeuwige goederen gebezigd worden. Behalve teekens zijn de sacramenten
-ook zegels, dienende tot bevestiging en versterking. Zegels zijn toch
-van teekens daarin onderscheiden, dat zij de onzichtbare zaak niet
-maar in onze gedachte terugroepen, doch ze ook voor ons bewustzijn
-waarmerken en bekrachtigen. Wijl er zooveel bedrog en valschheid is in
-de wereld, worden er allerlei middelen aangewend, om het ware van het
-valsche, het echte van het onechte te onderscheiden. Zoo dient een
-handelsmerk, om de echtheid van het fabricaat, een ijk, om de zuiverheid
-van maten en gewichten, een munt, om de juiste waarde van het geld,
-en een zegel, om de onvervalschtheid van geschriften te waarmerken en
-te waarborgen. Van zegel is er ook menigmaal in de Schrift sprake,
-wanneer iets als echt gewaarmerkt en voor vervalsching bewaard moet
-worden. Brieven van vorsten, 1 Kon. 21:8, Neh. 9:38, Esth. 3:12, of
-van andere personen, Jer. 32:10, en voorts wetten, Jes. 8:16, boeken,
-Dan. 12:4, Op. 22:10. Daniels leeuwenkuil, Dan. 6:18, het graf van
-Jezus, Mt. 27:66 enz. worden verzegeld en alzoo voor schennis behoed.
-Ook God heeft een zegel, Op. 7:2; Hij verzegelt de sterren, als Hij ze
-verbergt en met wolken bedekt, Job 9:7; Hij verzegelt het boek des
-oordeels, zoodat niemand, dan alleen het Lam, het openen en lezen kan,
-Op. 5:1; Hij verzegelt den afgrond, waarin Satan gesloten is, opdat
-deze niet meer verleide, Op. 20:3; Hij verzegelt zijne dienstknechten
-in de laatste verdrukking, opdat zij niet beschadigd worden, Op. 7:3,
-9:4; Hij verzegelt alle geloovigen met den H. Geest, opdat zij als
-erfgenamen voor de toekomstige zaligheid bewaard worden, 2 Cor. 1:22,
-Ef. 1:13, 4:30; Hij verzegelt den Christus door allerlei teekenen als
-den gever van de spijze, die blijft tot in het eeuwige leven, Joh. 6:27;
-Hij geeft Paulus in den zegen op zijn arbeid een zegel, een bevestiging
-van zijn apostelschap, 1 Cor. 9:2; Hij drukt zijn zegel op het gebouw
-der gemeente tot een onderpand, dat zij zijn eigendom is, 2 Tim. 2:19.
-Altijd zijn zegelen dus middelen, om de echtheid van personen en zaken
-te waarborgen of ook om ze voor schending te bewaren. Zoo ontving nu
-ook Abraham in het teeken der besnijdenis een zegel, dat is, eene
-bevestiging, bekrachtiging, onderpand van de gerechtigheid, die hij had
-door het geloof, Rom. 4:11. Sacramenten zijn daarom, behalve teekens,
-ook zegels, door God aan zijn woord gehecht, om het, natuurlijk niet in
-zichzelf want dan is het als woord Gods vast genoeg, maar voor ons
-bewustzijn in geloofwaardigheid, in betrouwbaarheid te doen winnen.
-Teeken en zegel zijn in de sacramenten echter de zichtbare elementen
-van water, brood en wijn niet alleen, maar beteekenende en verzegelende
-kracht hebben ook de verschillende ceremonieele handelingen, die er
-mede gepaard gaan. De besprenging of onderdompeling bij den doop, de
-zegening, breking, uitdeeling en aanneming des broods in het avondmaal
-zijn geen willekeurige en onverschillige gewoonten, maar zij maken
-mede de bestanddeelen uit van de sacramenten, geven ons de beloften
-en weldaden des verbonds te beter te verstaan en vormen saam met de
-elementen de sacramenten tot teekenen en zegelen van de onzichtbare
-goederen des heils, Vitringa VI 352.
-
-De materia interna in het sacrament, de onzichtbare zaak, die erin
-afgebeeld en verzegeld wordt, is het verbond der genade, Gen. 9:12,
-13, 17:11, de gerechtigheid des geloofs, Rom. 4:11, vergeving der
-zonden, Mk. 1:4, Mt. 26:28, geloof en bekeering, Mk. 1:4, 16:16,
-gemeenschap aan Christus, aan zijn dood en opstanding, Rom. 6:3v.,
-aan zijn vleesch en bloed, 1 Cor. 10:16 enz. Saamvattende kan men
-dus zeggen, dat Christus, de gansche, rijke, volle Christus, naar
-zijne Goddelijke en menschelijke natuur, met zijn persoon en werk, in
-den staat zijner vernedering en in dien zijner verhooging, de materia
-interna, de res coelestis, de beteekende zaak in het sacrament is.
-Deze Christus is toch met al zijne weldaden en zegeningen de middelaar
-van het genadeverbond, het hoofd der gemeente, de ja en amen van alle
-beloften Gods, de inhoud van zijn woord en getuigenis, de wijsheid,
-gerechtigheid, heiligmaking en verlossing der geloovigen, de profeet,
-priester en koning, in wien God alleen al zijn genade mededeelt en die
-gister en heden en eeuwig dezelfde is. Jezus Christus is de waarheid
-der sacramenten, zonder wien zij niet met al zijn zouden, Ned. Gel. 33,
-cf. conf. Belg. 34. 35. Cat. Heid. 67. Conf. Helv. II 19. Scot. 21.
-Westm. 27, 1. Calvijn, Inst. IV 14, 16. 17. Synopsis pur. theol. 43,
-20. 21. Mastricht, Theol. VII 3, 7 enz. De Roomschen verstaan onder
-de materia interna der sacramenten de heiligmakende, d. i. de aan de
-natuur toegevoegde, tot het doen van goede werken en eenmaal tot de
-aanschouwing Gods in staat stellende, geschapene genade, welke van
-de ongeschapen genade, dat is van God zelf, niet wezenlijk verschilt,
-want eigenlijk geeft God in iedere geschapene genade zichzelf,
-Heinrich-Gutberlet, Dogm. VIII 550 f., en zij leeren, dat die genade
-als iets zakelijks in het teeken ingegaan en vervat is, daarmede dus
-ex opere operato meegedeeld wordt, en op geene andere wijze, n.l.
-door het geloof alleen aan Gods woord, te verkrijgen is. Conc. Trid.
-VII can. 4 sq. De Luthersche dogmatici noemden in den eersten tijd de
-beide bestanddeelen van het sacrament verbum en elementum, en lieten
-dus door het sacrament dezelfde genade meedeelen als door het woord.
-Maar tengevolge van hunne consubstantiatieleer kwamen zij er allengs
-toe, vooral sedert Gerhard, om in het sacrament bij het woord nog eene
-materia coelestis aan te nemen. Door het woord der consecratie houdt
-het element niet alleen op, gelijk de oudere dogmatici zeiden, een
-gewoon, uitwendig element te zijn, maar neemt het ook eene bijzondere,
-Goddelijke kracht in zich op, die van het woord onderscheiden is,
-als materia coelestis aangeduid wordt en door het element werkt als
-zijn medium en vehiculum. Er kwam daarom een verschil tusschen de
-genadeweldaden, die door het woord, en die, welke door het sacrament
-werden meegedeeld; in het avondmaal toch werd het eigen vleesch en
-bloed van Christus genoten. Omdat echter zulk eene van de heilsweldaden
-onderscheidene materia coelestis alleen bij het avondmaal en niet bij
-den doop zich aanwijzen liet, kwamen Baier en anderen er tegen op, om
-bij de sacramenten in genere van eene materia coelestis te spreken,
-Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. 391 f. Toch heeft de nieuwere theologie
-meermalen eene dergelijke voorstelling van het sacrament voorgedragen
-en woord en sacrament zoo onderscheiden, dat het eerste eene Person-,
-en het tweede eene Naturwirkung uitoefent; dat het eene een middel is
-van de metanoetische en het andere een middel van de anagennetische
-werking des H. Geestes; dat het woord het bewustzijn omzet, maar het
-sacrament den geest, het ik, ja de geistleibliche natuur van den
-mensch verandert. Dit alles is echter met de Schrift in strijd en
-eene invoering van Roomsche dwaalleer. Het sacrament schenkt geen
-enkele weldaad, die niet ook uit het woord Gods door het geloof alleen
-ontvangen wordt. Immers, wie gelooft, is wedergeboren, Joh. 1:12, 13,
-heeft het eeuwige leven, Joh. 3:36, is gerechtvaardigd, Rom. 3:28,
-5:1, geheiligd, Joh. 15:3, Hd. 15:9, verheerlijkt, Rom. 8:30, heeft
-gemeenschap aan Christus, Ef. 3:17, aan zijn vleesch en bloed, Joh.
-6:47v., aan zijn Vader, 1 Joh. 1:3, aan den H. Geest, Joh. 7:39, Gal.
-3:2, 5 enz. Het woord bevat alle beloften Gods, en het geloof neemt ze
-alle aan. De inhoud van het woord is Christus, de gansche Christus,
-en deze is ook de inhoud van het sacrament. Er is geen enkele weldaad
-der genade, die in het woord teruggehouden en nu langs een bijzonderen
-weg, door het sacrament, aan de geloovigen meegedeeld wordt. Er
-is noch eene aparte doops-, noch eene aparte avondmaalsgenade. De
-inhoud van woord en sacrament is volkomen dezelfde; beide bevatten
-denzelfden middelaar, hetzelfde verbond, dezelfde weldaden, dezelfde
-zaligheid, dezelfde gemeenschap met God; één zijn zij zelfs in modus en
-instrumentum perceptionis, want ook in het sacrament wordt Christus
-niet lichamelijk maar geestelijk, niet door den mond maar door het geloof
-genoten. Zij verschillen alleen in forma externa, in de _wijze_, waarop
-zij _denzelfden_ Christus ons aanbieden. In zekeren zin is ook het woord
-een teeken en zegel; een teeken dat ons denken doet aan de zaak die het
-aanduidt; een zegel, dat bevestigt, hetgeen in de werkelijkheid bestaat.
-Dat geldt in het algemeen van alle woord, maar het geldt in bijzondere
-mate van het woord Gods; wie dat loochent, maakt God tot een leugenaar,
-1 Joh. 5:10. Maar het woord beteekent en verzegelt ons Christus door
-het zintuig van het oor; het sacrament beteekent en verzegelt ons
-Christus door het zintuig van het oog. Saam bieden zij Christus met al
-zijne weldaden ons aan langs den weg van de beide hoogere zintuigen,
-welke God aan den mensch heeft geschonken, zonder dat daarom de andere,
-reuk-, smaak- en tastzin, geheel zijn buitengesloten. Uit dit verschil
-in de _wijze_, waarop wij Christus met zijne weldaden ons aanbieden,
-vloeit verder voort, dat het sacrament aan het woord ondergeschikt
-is; het is een teeken van den inhoud des woords; een zegel, dat God
-aan zijn getuigenis gehecht heeft; een zuil, zooals Calvijn zegt, die
-op den grondslag van het woord is opgetrokken; een appendix, dat bij
-het evangelie bijkomt en eraan toegevoegd wordt. Het woord is dus iets
-en veel zonder het sacrament, maar het sacrament is zonder het woord
-niets en heeft dan geenerlei waarde of kracht; het is niets minder
-maar ook niets meer dan een verbum visibile. Alle goederen des heils
-zijn te verkrijgen uit het woord en door het geloof alleen, maar er is
-geen enkele weldaad, die uit het sacrament alleen zonder het woord
-en buiten het geloof om ontvangen zou kunnen worden. Het woord werkt
-en versterkt daarom het geloof, het richt zich tot ongeloovigen en
-geloovigen beide; maar het sacrament zegt niets en bevat niets voor de
-ongeloovigen, het is uitsluitend voor de geloovigen bestemd, het kan
-alleen het geloof, dat aanwezig is, versterken; het is immers niets dan
-een teeken en zegel van het woord. Daarin bestaat zijn eenige maar toch
-ook naar Gods bedoeling zijn genoegzame waarde en kracht, om het woord
-te verduidelijken en te bevestigen en daardoor het geloof te versterken.
-In den strijd tegen Rome is handhaving van deze overeenstemming en van
-dit verschil tusschen woord en sacrament van het hoogste belang. Wie
-beide anders bepaalt en aan het sacrament eene andere genadewerking
-toeschrijft dan aan het woord, deelt Christus en zijne weldaden,
-verbreekt de eenheid van het genadeverbond, materialiseert de genade,
-maakt het sacrament zelfstandig tegenover en boven het woord, keert de
-verhouding van Schrift en kerk om, maakt het sacrament ter zaligheid
-noodzakelijk en den mensch van den priester afhankelijk. Daarom werden
-de Gereformeerden, evenals ook de Lutherschen in den eersten tijd, niet
-moede, om deze juiste, Schriftuurlijke verhouding van woord en sacrament
-telkens weer in het licht te stellen en altijd opnieuw te betoogen,
-dat het sacrament aan het woord ondergeschikt is en dat beide daartoe
-dienen, om ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis,
-als den eenigen grond onzer zaligheid te wijzen. Cf. Luther bij Köstlin
-II 503. Symb. B. ed. Müller 202. 320. 487. 500. Heppe, Dogm. d. d.
-Prot. II 36. Calvijn. Inst. IV 14, 3. 5. 6. 14. Cons. Tigur. bij Niemeyer
-204. 206. Conf. Gall. 34. Belg. 33. Cat. Heid. 66. Helv. II 19.
-Polanus, Synt. VI 51. Mastricht, Theol. VIII 3, 11. Turretinus, Theol.
-El. XIX 3, 6.
-
-
-5. Het verband, dat tusschen teeken en beteekende zaak bestaat, werd
-soms forma sacramenti, soms ook unio sacramentalis genoemd. Tegen
-de laatste benaming maakte Gomarus, Theses theol. disp. 31 § 36 niet
-zonder grond bezwaar; de relatie, zegt hij, die tusschen teeken en
-beteekende zaak bestaat en beide in zekeren zin vereenigt, nova et
-obscura phrasi, unio sacramentalis, Ubiquitariorum imitatione, non
-satis recta, vulgo nominatur. Quia res significata nobis verius unitur
-quam signis idque signis denotatur ac confirmatur, cf. ook Heidegger,
-Corp. Theol. XI 58. Roomschen en Lutherschen kunnen tot op zekere
-hoogte bij het avondmaal van eene unio tusschen de materia externa en
-interna in het sacrament spreken, want zij leeren dat de beteekende zaak
-in het teeken ingaat en vervat is; zij nemen eene physische, corporeele,
-locale vereeniging aan. Maar zelfs op hun standpunt is er bezwaar;
-want bij de Roomschen verandert het teeken in de beteekende zaak, en
-is er dus geen eigenlijke vereeniging mogelijk; en bij de Lutherschen
-is de beteekende zaak wel in, met en onder het teeken en dus met het
-teeken op eene zelfde plaats en in eene zelfde ruimte saamgebracht,
-maar zulk eene juxtapositie is toch nog iets gansch anders dan eene
-vereeniging. Voorts draagt de unio sacramentalis bij woord en doop en
-ook bij de andere door Rome aangenomene sacramenten een zoo verschillend
-karakter van die in het avondmaal, dat het niet aangaat, zoo maar in
-het algemeen van eene unio sacramentalis te spreken. Veel meer bezwaar
-is er echter op Gereformeerd standpunt. De Schrift noemt de sacramenten
-teekenen en zegelen en duidt daarmede het verband aan, dat tusschen
-materia interna en externa bestaat. Niemand zal het verband tusschen
-een woord en de zaak, die het aanduidt, tusschen een beeld en den
-persoon, dien het voorstelt, tusschen een pand en datgene, waarvan
-het pand is, eene vereeniging noemen. En toch van dienzelfden aard is
-de relatie, welke tusschen teeken en beteekende zaak in het sacrament
-bestaat. Het is geen physisch, locaal, corporeel, substantieel verband;
-de teekenen van water, brood en wijn zijn geen miracula, medicamenta,
-ὀχηματα, vehicula, canales, causae physicae van de beteekende zaak.
-Maar het is een ethisch verband, eene relatie, volkomen gelijk aan
-die tusschen Christus en het evangelie, tusschen de weldaden van het
-genadeverbond en het woord Gods, dat ze ons bekend maakt. Mastricht,
-Theol. VII 3, 8. Turretinus, Theol. El. XIX 4, 3. Bij het woord is dat
-verband met de zaken, die het beschrijft, vanzelf gegeven. Maar bij de
-teekenen in het sacrament is dit niet het geval. Water, brood, wijn zijn
-niet van nature teekenen en zegelen van Christus en zijne weldaden.
-Niemand zou dat erin kunnen of mogen zien, wanneer God het niet
-bepaald verklaard had. Dat wil niet zeggen, dat deze teekenen gansch
-willekeurig door God uit de zienlijke dingen gekozen zijn. Integendeel,
-nu God het in zijn woord ons gezegd heeft, ontdekken wij tusschen teeken
-en beteekende zaak de treffendste overeenstemming. Trouwens, het is
-dezelfde God en Vader, die in het rijk der natuur en in het rijk der
-genade regeert; Hij schiep het zienlijke zoo, dat wij er het onzienlijke
-uit kunnen verstaan; het natuurlijke is een beeld van het geestelijke.
-Maar toch was er een bijzonder woord van God noodig, om in de teekenen
-van doop en avondmaal een afbeelding te zien van de geestelijke goederen
-des heils. En dit was te meer noodig, wijl water, brood en wijn de genade
-maar niet afbeelden doch ook verzegelen en dus in Gods hand dienst
-doen, om ons geloof te versterken. In deze twee dingen bestaat dan ook
-de forma sacramenti: in de bovengenoemde relatie tusschen teeken en
-beteekende zaak (forma interna) en in de Goddelijke instelling, die door
-het woord zulk een verband tusschen beide legt. Bucanus, Instit. theol.
-561. Junius, Theses theol. 49, 8. Maresius, Syst. Theol. XVIII 19. M.
-Vitringa VI 400.
-
-In overeenstemming met hunne leer van de unio sacramentalis kennen
-Roomschen en Lutherschen aan het woord der instelling eene andere
-kracht toe dan de Gereformeerden. Bij hen moet het n.l. dienst doen, om
-het teeken in de beteekende zaak te veranderen of de beteekende zaak
-in het teeken in te dragen. Het heeft daarom eene consecratorische
-en operatieve kracht, is meer tot het element dan tot de hoorders
-gericht en wordt om die reden in de Roomsche kerk door den priester op
-geheimzinnige, fluisterende wijze en in de latijnsche taal gesproken,
-Bellarminus, de sacr. I 19. Maar bij de Gereformeerden bezit het
-woord der instelling, dat door den dienaar gesproken wordt, geen
-verborgen, mysterieuse, magische kracht; het dient niet en behoeft
-niet te dienen, om de beteekende zaak in het teeken te incorporeeren;
-het is veeleer een verbum concionale seu praedicatum, dat luide tot
-de gemeente gesproken wordt, dat hoegenaamd geen verandering in het
-teeken aanbrengt, maar het alleen voor het bewustzijn der hoorders
-van het gemeene gebruik afzondert en er hic et nunc eene bijzondere
-bestemming aan geeft, Calvijn, Inst. IV 14, 4. Turretinus, Th. El. XIX
-qu. 6. Zonder dat woord en buiten het gebruik zijn water, brood en wijn
-niets dan gewone, dagelijksche spijs. Detrahe verbum et quid est aqua
-nisi aqua; accedit verbum ad elementum et fit sacramentum. Daarom
-houdt de dienaar, ook nadat hij het woord der instelling gesproken
-heeft, niets dan het teeken in zijne hand, en niets dan het teeken deelt
-hij aan de geloovigen uit. Alleen heeft God zich verbonden, om, waar
-het sacrament naar zijn bevel bediend wordt, zelf door zijnen Geest de
-onzichtbare genade te schenken. God en Hij alleen blijft de uitdeeler
-der genade, en de Christen hangt ook bij het sacrament niet van den
-dienaar maar van God alleen af en heeft alles van Hem te verwachten.
-Deze afhankelijkheid van God alleen wordt door Roomschen en Lutherschen
-in eene afhankelijkheid van den dienaar veranderd en deze laatste
-bovendien bij Rome nog daardoor versterkt, dat in de dienaren, als zij
-het sacrament uitreiken, ten minste de intentie vereischt wordt om te
-doen, quod facit ecclesia, Trid. VII can. 11. In de dogmatiek wordt
-deze intentie uitermate verzwakt; eene intentio generalis, niet om
-dit, maar om een sacrament uit te reiken, is voldoende, en ook die
-intentie behoeft niet actualis te zijn maar is reeds als virtualis
-genoegzaam. Zelfs is het niet noodig de intentie te hebben, om te doen
-wat de Roomsche kerk doet; als een dienaar in de kerk te Genève maar
-de intentie heeft om te doen, wat de kerk doet, die hij voor de ware
-houdt, dan beantwoordt hij aan den eisch, en Rome erkent het door hem
-bediende sacrament, Schwane, D. G. III 600. Bellarminus, de sacr. in
-genere I 27. Desniettemin blijft het vereischte der intentie, zonder
-nadere verklaring, als eene onfeilbare uitspraak in de Trentsche
-canones staan en houdt den ernstigen Roomschen Christen in voortdurende
-onzekerheid. En als Calvijn in zijn Antidotum hierop de aandacht vestigt,
-geeft Bellarminus alleen ten antwoord, dat de mensen in dit leven zulk
-eene onfeilbare zekerheid van zijne zaligheid niet behoeft, dat eene
-menschelijke, moreele zekerheid voldoende is, en dat deze genoegzaam te
-verkrijgen is, ook al hangt men van de intentie van den dienaar af, cum
-habere intentionem sit facillimum, ib. 28. Cf. M. Vitringa VI 458 sq.
-
-Al bestaat het verband tusschen teeken en beteekende zaak niet in
-eene corporeele en locale vereeniging van beide, toch is het daarom
-wel objectief, reëel, wezenlijk. Roomschen en Lutherschen hebben
-echter van realiteit een ander begrip dan de Gereformeerden. Als de
-beteekende zaak niet physisch met het teeken vereenigd is, meenen zij,
-dat het verband van beide niet wezenlijk is en dat Christus met zijne
-weldaden niet waarlijk in het sacrament medegedeeld en genoten wordt.
-Toch loopt het verschil in de sacramentsleer niet daarover, of God
-zijne genade werkelijk meedeelt, maar over de wijze, waarop Hij dat doet.
-En de Gereformeerden zeiden: op geestelijke wijze, omdat zoo alleen de
-genade waarlijk meegedeeld wordt en worden kan. Physische meedeeling
-van Christus en zijne weldaden is met den aard der christelijke religie,
-met het wezen der genade, met de natuur der herschepping in strijd,
-en zou, ook al ware zij mogelijk, toch niets baten, Joh. 6:63. Maar de
-geestelijke wijze, waarop in het sacrament Christus met zijne weldaden
-wordt medegedeeld, vormt met waarachtige realiteit zoo weinig eene
-tegenstelling, dat zij deze veeleer in vollen zin tot stand doet
-komen en waarborgt. Het is met het sacrament niet anders dan met het
-woord. In het woord wordt Christus waarlijk en wezenlijk aangeboden en
-geschonken aan een iegelijk, die gelooft. En even reëel wordt Hij aan de
-geloovigen medegedeeld in het sacrament. Het sacrament geeft denzelfden
-vollen Christus als het woord en op dezelfde, dat is op geestelijke
-wijze door het geloof, al is ook het middel verschillend, de eene maal
-hoorbaar, en de andere keer zichtbaar. Daarom komt in de Gereformeerde
-theologie de zoogenaamde phraseologia sacramentalis even goed tot
-haar recht als in de Luthersche en Roomsche. De Schrift n.l. duidt,
-om de relatie, die God tusschen signum en signatum gelegd heeft, de
-beteekende zaak soms aan met den naam van het teeken, Rom. 2:29, of het
-teeken met den naam van de beteekende zaak, Mt. 26:26, of schrijft ook
-de eigenschap en werking van de beteekende zaak aan het teeken toe, Hd.
-22:16, 1 Cor. 11:24. Want dit spraakgebruik doet niets af van het feit,
-dat ook volgens Lutherschen en Roomschen God de eigenlijke uitdeeler en
-werker der genade in de harten der menschen is. En hiermede stemmen
-de Gereformeerden van harte in. Of God die genade meedeelt in, met,
-onder het teeken, door het teeken als kanaal heen, dan of Hij het
-doet in verband met het teeken, tast de realiteit van die mededeeling
-zelve niet aan. Ook in de Scholastieke en Roomsche theologie was
-er ten allen tijde verschil over de wijze, waarop de sacramenten de
-genade werken. De Thomistische school schreef aan het sacrament eene
-physische, de Scotistische eene moreele werking toe. Volgens Thomas
-en zijne volgelingen werkt God door het sacrament zoo, dat dit zelf op
-physische wijze de genade in den ontvanger veroorzaakt. Volgens Scotus
-echter had God zich verbonden, om bij voltrekking van de sacramenteele
-handeling de genade te laten volgen, zonder dat Hij ze daarom door het
-teeken als door een kanaal henenleidt; hij stelde het sacrament als eene
-schuldbekentenis voor, waarop de gebruiker van God genade ontvangt.
-Rome leert dus wel, dat het sacrament werkt ex opere operato, maar laat
-in het midden, op welke wijze God, de causa principaliter efficiens,
-door het sacrament als de causa instrumentalis de genade mededeelt, cf.
-Schwane, D. G. III 595. IV 363. Jansen, Prael. III 317. Al verwerpen
-de Gereformeerden dan ook de leer, dat de genade door het teeken als
-een kanaal ons toegevoerd wordt, zij hebben daarmede in geen enkel
-opzicht te kort gedaan aan de waarachtigheid van het sacrament. Ja, zij
-hebben daardoor de geestelijke natuur van de genade veel beter dan Rome
-en Luther gehandhaafd. Voor het overige blijft de wijze, waarop God bij
-het uitdeelen zijner genade van woord en sacrament zich bedient, eene
-verborgenheid. De Schrift zegt ook van het woord Gods, dat het schept
-en herschept, wederbaart en vernieuwt, rechtvaardigt en heiligt. Maar
-wie beschrijft, op welke wijze God zich daarbij van het woord en evenzoo
-van het sacrament bedient?
-
-
-6. Alnaarmate het verband van teeken en beteekende zaak anders opgevat
-wordt, verschilt ook de kracht en de werking, welke aan het sacrament
-wordt toegeschreven. Wijl bij Rome het zichtbaar teeken de onzichtbare
-genade in zich opgenomen heeft, werkt het sacrament ex opere operato,
-zonder dat er iets anders of iets meer in den ontvanger geeischt wordt
-dan het zuiver negatieve non obicem ponere, Trid. VII can. 6-8. Reeds
-Augustinus had het verschil tusschen de sacramenten des O. en des N.
-Verbonds daarin gezocht, dat sacramenta novi testamenti dant salutem,
-sacramenta veteris testamenti promiserunt salvatorem, Enarr. in Ps.
-73, 2. De scholastiek werkte dit zoo uit, dat de sacramenten des O.
-V., wijl zij den toekomstigen Christus praefigureerden, geen kracht in
-zichzelve hadden, om de genade mede te deelen maar alleen werkten uit
-en door het geloof. Onder het O. Test. kwam dus alles aan op het opus
-operans, d. i. op het geloovig subject, dat naar den toekomstigen
-Christus heenzag. Maar bij de sacramenten des N. T. is dat anders; het
-offer van Christus is gebracht, en daarom werken de sacramenten thans
-per se, propria virtute, ex opere operato. Deze laatste uitdrukking,
-die door Willem van Auxerre en Alexander van Hales in de theologie
-werd ingevoerd, vormde eerst nog geen tegenstelling daarmede, dat
-in den ontvanger van het sacrament een zekere dispositie geeischt
-werd, --Thomas zegt bijv. nog, dat virtus sacramentorum praecipue est
-ex _fide_ passionis Christi, S. Theol. III qu. 62 art. 5 ad 2-- maar
-gaf alleen te kennen, dat de N. T. sacramenten uit het volbrachte
-lijden van Christus de kracht ontvangen hadden ad conferendum gratiam
-justificantem, Thomas, ib. art. 6. Maar de handhaving van dit
-objectief, causatief karakter der sacramenten leidde er dan vanzelf
-toe, om de vereischte dispositie in den ontvanger hoe langer hoe meer
-te verzwakken en ten slotte tot het negatieve non obicem opponere te
-verminderen. Vroeger werd bij deze uitdrukking, die reeds bij Augustinus,
-Ep. 98, 9 voorkomt, aan eene positieve gezindheid, aan een bonus
-motus inferior gedacht. Maar de N. T. sacramenten werkten ex opere
-operato en sloten van de zijde des ontvangers alle kracht en verdienste
-uit; een bonus motus is echter volgens Rome verdienstelijk en daarom
-voor het sacrament onnoodig; ja zelfs de zeven praeparationes, die
-in volwassenen aan den doop voorafgaan, hebben nog een meritum de
-congruo en zijn daarom voor het sacrament overbodig; het sacrament
-werkt de genade in elk, die niet opzettelijk zich verhardt, die geen
-positieve hindernis in den weg legt, die negatief en passief er zich
-onder verhoudt, Schwane, D. G. III 581. Harnack, D. G. III 479 f.
-Bellarminus, de sacr. in genere II 1 sq. Simar, Dogm. 686. De genade,
-die door de sacramenten meegedeeld wordt, is de gratia habitualis,
-infusa, sanctificans, hetzij deze, gelijk in den doop, voor het eerst
-wordt geschonken, of gelijk in de boete, na verlies vernieuwd, of
-ook, als in de andere sacramenten, vermeerderd wordt. Daarvan is nog
-onderscheiden de gratia sacramentalis, die aan de gratia sanctificans
-nog een divinum auxilium ad consequendum finem sacramenti toevoegt,
-bij de verschillende sacramenten verschillend is en in staat stelt, om
-dat speciale doel te bereiken, dat aan ieder sacrament in het bijzonder
-eigen is, Thomas, S. Theol. III qu. 62 art. 2. En eindelijk zijn er
-nog drie sacramenten, doop, confirmatie en ordening, die, behalve
-deze genade, nog een character indelebilis indrukken, Trid. VII c.
-9. De kerkvaders zeiden reeds, dat de doop een geestelijk teeken en
-zegel was, dat op den doopeling afgedrukt werd; evenals een teeken,
-dat een soldaat in de hand gebrand wordt, dezen altijd kennen doet
-en verplichten blijft. Zoo drukt ook de doop een πνευματικη σφραγις,
-nota, character, op, dat nooit verloren gaat, Schwane, D. G. II 734.
-De scholastiek bracht ook dit leerpunt tot verdere ontwikkeling. Zij
-omschreef het character als een habitus of virtus, welke der ziel
-werd ingedrukt en den mensch recht en macht gaf ad cultum divinum.
-Drie sacramenten toch waren er, die den mensch inlijfden in een
-verschillenden hierarchischen stand en hem onherroepelijk als lid
-daarvan voor God, engelen en menschen deden kennen. De doop lijft in in
-den status fidei genitae, scheidt de geloovigen van de ongeloovigen
-af en maakt ons Christus als ons geestelijk hoofd gelijkvormig; de
-confirmatie lijft in in den status fidei roboratae, scheidt de sterken
-van de zwakken af en maakt ons tot strijders onder Christus als koning;
-de ordening lijft in in den status fidei multiplicatae, scheidt de
-priesters van de leeken en verheft hen tot gelijkvormigheid aan Christus
-als hoogepriester. Het is een signum dispositivum, distinguitivum,
-configurativum, obligativum, dat den mensch Gode toewijdt, hem tot zijn
-dienst verplicht, en nooit, zelfs niet in de verlorenen, uitgewischt
-wordt, Schwane, D. G. III 592. Thomas, S. Th. III qu. 63. Bonaventura,
-Brevil. VI 6. Bellarminus, de sacr. II 18-22.
-
-Deze leer werd door de Reformatie eenparig verworpen. Immers leerde
-de Schrift duidelijk, dat de sacramenten teekenen en zegelen van het
-genadeverbond zijn, dat zij alleen voor de geloovigen bestemd zijn en dus
-altijd het geloof onderstellen, Mk. 16:16, Hd. 8:37, 38, 9:11, 17, 18,
-10:34, Rom. 4:11 enz. Dan alleen, wanneer het geloof aanwezig is, zijn
-zij middelen in Gods hand, om de onzichtbare goederen der genade te
-beteekenen en te verzegelen, Hd. 2:38, 22:16, Ef. 5:26. Voorts maakt de
-Schrift volstrekt geen onderscheid tusschen de gratia sanctificans,
-welke in het sacrament wordt geschonken, en eene daarvan verschillende,
-speciale gratia sacramentalis; want de genade, die in het sacrament
-verzegeld wordt, is geen mindere maar ook geen andere, dan die door
-het woord in het geloof wordt geschonken en die allereerst in de
-vergevende, daarna ook in de heiligende genade bestaat. En eindelijk is
-er in de Schrift met geen woord van een character indelebilis sprake,
-dat door doop, confirmatie en ordening ingedrukt wordt; de teksten,
-2 Cor. 1:22, Ef. 1:13, 4:30, waarop Bellarminus, t. a. p. c. 22 zich
-beroept, handelen wel van eene verzegeling der geloovigen door den H.
-Geest tot de toekomstige zaligheid, maar gewagen van geen sacrament,
-waaraan die verzegeling gebonden is, noch van een afzonderlijke habitus
-of virtus, waarin die verzegeling zou bestaan. Al is het dan ook waar,
-dat God een iegelijk houdt aan en oordeelt naar de mate der genade,
-die hem geschonken is, toch is daarmede geen juridische aanhoorigheid
-aan de kerk van Rome of eenige andere kerk ingedrukt, Calvijn, Antid.
-7, 9. De Lutherschen zijn later van hun oorspronkelijk standpunt wel in
-zoover afgeweken, als zij de wedergeboorte bij kinderen lieten bewerken
-door den doop en ongeloovigen in het avondmaal het vleesch en bloed
-corporeel lieten nuttigen. Maar toch handhaafden zij daarbij ten allen
-tijde, dat in volwassenen het geloof tot een heilzame ontvangst van
-het sacrament beslist van noode was. Daarmede kwamen de Protestanten
-voor de taak te staan, om, in weerwil dat de werking der sacramenten
-van het geloof afhing, hun objectief, reëel karakter te handhaven.
-Bij de Roomschen en ook bij de Lutherschen schijnt dit karakter beter
-bewaard, omdat de genadewerking in woord en sacrament geincorporeerd
-is. Daarentegen verkeeren de Gereformeerden schijnbaar in eene dubbele
-moeilijkheid. Ten eerste toch leeren zij, dat de genade door God wordt
-uitgedeeld niet per verbum et sacramentum maar alleen cum verbo et
-sacramento. En ten tweede houden zij staande, dat eene vocatio externa
-tot zaligheid onvoldoende is, dat bij de roeping door het woord eene
-roeping door den H. Geest bijkomen moet, en dat dus per consequentiam
-het sacrament zonder meer, zonder bijzondere werking des H. Geestes
-in het hart der geloovigen, aan zijn doel niet beantwoordt. Toch is
-hiermede de realiteit en objectiviteit van het sacrament in het minst
-niet te niet gedaan. Want 1º de band tusschen teeken en beteekende
-zaak in het sacrament is geen andere maar ook geen mindere dan die,
-welke tusschen het woord des evangelies en den persoon van Christus
-bestaat. Wie het woord geloovig aanneemt, krijgt waarlijk naar Gods
-belofte Christus tot zijn deel; en evenzoo, wie het sacrament geloovig
-ontvangt, ontvangt op diezelfde wijze en naar diezelfde belofte Gods den
-ganschen Christus met al zijne weldaden en goederen. Wie daarentegen
-het woord door ongeloof verwerpt, verwerpt daarmede Christus zelven,
-al is het dat hij het woord gehoord en zelfs historisch aangenomen
-heeft; en op dezelfde wijze, wie het sacrament versmaadt, versmaadt
-daarmede Christus zelven; al ontvangt hij het teeken, hij wordt niet
-deelachtig de beteekende zaak. Eén regel geldt voor beide; objectief
-blijft de band voor woord en sacrament met Christus bestaan; want die
-band is door God zelven gelegd. Hij heeft gezegd: indien iemand mijn
-woord en mijn sacrament geloovig ontvangt, hij zal niet verloren gaan
-in der eeuwigheid. 2º Roomschen en Lutherschen verzekeren aan het
-sacrament geen andere, betere realiteit, dan die er ook naar Geref.
-belijdenis aan toekomt. Immers is er tot zaligheid niet anders maar
-ook niet minder en meer noodig dan de gansche Christus, die in woord
-en sacrament aangeboden en door het geloof aangenomen wordt; en men
-kan niets schrikkelijkers doen, dan dienzelfden Christus in en met
-het woord en sacrament verwerpen. Of ongeloovigen dan corporeel en
-locaal in de teekenen van brood en wijn het eigen vleesch en bloed van
-Christus eten, doet aan de objectiviteit van het sacrament niets af,
-is geheel onnut, en strekt ook niet tot verzwaring van het oordeel,
-want de zedelijke verwerping, d. i. het ongeloof is de groote zonde.
-De genade Gods in Christus is van geestelijke natuur en kan daarom
-alleen geestelijk aangenomen worden. 3º Ook de Lutherschen durven bij
-volwassenen den eisch des geloofs voor de ontvangst van het sacrament
-niet laten varen. Bij kinderen laten zij evenals de Roomschen de
-wedergeboorte door den doop tot stand komen, maar kinderen vormen eene
-eigene categorie, die volgens Geref. belijdenis in geen enkel opzicht
-in ongunstiger conditie verkeert dan volgens Luthersche en Roomsche
-confessie. Bij volwassenen echter is het geloof vereischte. En zelfs
-de Roomschen eischen in dat geval, dat de ontvanger van het sacrament
-geen hindernis in den weg leggen zal. Volgens beiden werkt dus het
-sacrament niet absoluut ex opere operato. Er zijn gevallen, waarin het
-sacrament niet werkt, d. i. geen genade schenkt, en toch zijn objectief
-karakter behoudt. De scholastiek leerde nog eenparig, dat qui sine
-fide vel ficte accedunt, sacramentum, non rem, suscipiunt, Lombardus,
-Sent. IV dist. 4. En de Roomsche theologie handelt nog altijd over de
-vraag, of het sacrament, dat eerst door een obex verworpen werd, ook
-later zijne werking nog kan doen, Schwane D. G. IV 371. Jansen, Prael.
-Theol. III 330. De genadewerking gaat volgens geen enkele belijdenis
-altijd tegelijk met het sacrament gepaard. En toch wordt desniettemin de
-objectiviteit, en de band van teeken en beteekende zaak gehandhaafd.
-4º Roomschen en Lutherschen staan ten slotte voor dezelfde moeilijkheid
-als de Gereformeerden, dat is, voor de vraag, wanneer en in welk geval
-de sacramenten den ontvangers tot heil verstrekken en genade hun
-meedeelen. De vraag is dezelfde, als die vroeger bij de roeping door het
-evangelie zich voordeed. Daar werd zij beantwoord in dezen zin, dat bij
-de vocatio externa eene vocatio interna bijkomen moest. En niet anders
-is het bij het sacrament. De door Roomschen en Lutherschen geleerde unio
-sacramentalis, hoe innig ook, is toch niet, zonder meer, in staat, om
-de genade mede te deelen, want dan zou zij haar altijd en overal en in
-alle gevallen moeten mededeelen. Er moet bij de volwassenen van den kant
-van het subject iets bijkomen; de obex moet weggenomen en het geloof
-moet er voor in de plaats gesteld worden. Objectief is het sacrament
-wel voldoende; in het sacrament wordt even reëel als in het woord de
-gansche Christus geschonken. Maar in het subject is noodig, dat zijn
-verstand verlicht, zijn wil gebogen wordt, om het sacrament waarlijk te
-verstaan en aan te nemen. Zegt men, dat het ongeloof de schuld is van
-het subject, dan spreekt men de waarheid, maar noemt men de laatste en
-diepste oorzaak van het onderscheid niet, hetwelk bij het gebruiken van
-het sacrament, evenals bij het hooren van het woord, waar te nemen valt.
-En daarom zeiden de Gereformeerden, dat al wordt Christus wel ter dege
-objectief, waarlijk en ernstig aan alle gebruikers van het sacrament
-aangeboden gelijk in het woord aan allen die het hooren, er toch
-subjectief eene werking des H. Geestes noodig was, om de ware kracht
-van het sacrament te genieten. Non omnibus promiscue, sed electis
-Dei tantum, ad quos interior et efficax Spiritus operatio pervenit,
-prosunt signa, Cons. Tigur. bij Niemeyer 209. 5º Voor de geloovigen,
-voor hen, die de sacramenten in het geloof ontvangen en genieten,
-zijn zij teekenen en zegelen van het verbond der genade. Met het oog
-op de velen, die het sacrament ontvangen en toch niet gelooven, werd
-reeds door Gomarus, disp. de sacr. § 31. Essenius, Comp. Theol. dogm.
-XI 6. Kantt. op 1 Cor. 7:14, tusschen een in- en uitwendig verbond
-onderscheid gemaakt. En toen de staat der kerk hoe langer hoe meer een
-scheiding en tegenstelling tusschen beide aanwees, gaf deze distinctie
-tot telkens herhaalden twist aanleiding. Aan de eene zijde werd beweerd,
-dat er in het O. T. een uitwendig verbond had bestaan maar dat er nu
-alleen een inwendig verbond was (C. Vitringa, Labadie enz.); aan de
-andere zijde zeiden velen, dat er ook thans nog een uitwendig verbond
-bestond, waarin allen, die belijdenis deden, deelgenooten waren en op de
-sacramenten recht en aanspraak hadden (Swarte, van Eerde, Janssonius).
-En tusschen beiden stonden zij in, die uit- en inwendig verbond op min
-of meer gelukkige wijze trachtten te vereenigen (Koelman, Appelius,
-Bachiene, Kessler), cf. Vitringa VI 361-398. Inderdaad weten de oudere
-theologen en belijdenisschriften van zulk eene scheiding niets af.
-In- en uitwendig verbond zijn evenmin twee verbonden, als onzichtbare
-en zichtbare kerk twee kerken zijn. En de sacramenten kunnen daarom
-niet alleen zijn teekenen en zegelen van een uitwendig verbond, waarop
-ook „onergerlijke onbegenadigden” recht zouden hebben. Zij zijn geen
-bevestiging alleen van de sententie des evangelies, dat, wie gelooft,
-zalig wordt, maar zij zijn voor de geloovigen zegelen van het gansche
-genadeverbond, van al zijne beloften, van den ganschen Christus en al
-zijne weldaden. Zij verzekeren daarom niet maar eene algemeene waarheid,
-doch zij zijn zegelen aan de belofte: Ik ben uw God en uws zaads God;
-zij stellen ons voor, zoowel hetgene God ons te verstaan geeft door
-zijn woord als hetgene Hij inwendig doet in onze harten, bondig en vast
-makende de zaligheid, die Hij ons mededeelt, Ned. Gel. 33; zij geven ons
-ze beter te verstaan en verzegelen ons, dat God ons van wege het eenige
-slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden
-en het eeuwige leven uit genade schenkt, Cat. Heid. 66v. Daarmede is
-niet ontkend, dat zij, die het sacrament zonder geloof ontvangen, niet
-eenige tijdelijke vrucht daarvan zouden genieten, want God is rijk in
-barmhartigheid en schenkt zelfs vele weldaden aan hen, die zijn woord en
-sacrament in ongeloof verwerpen, cf. deel III 491v. Maar de volle, ware
-vrucht der sacramenten is, evenals die van het woord, alleen voor de
-geloovigen. Zij worden er door verzekerd van hunne zaligheid.
-
-Uit dit alles volgt de waarde der sacramenten. Noodzakelijk zijn zij niet
-op zichzelf, want God behoefde ze niet in te stellen; en zijn verbond
-en genade, zijn woord en belofte zijn, als die van een waarachtig God,
-vast genoeg, dan dat zij de bevestiging der sacramenten van noode zouden
-hebben, Calvijn, Inst. IV 14, 3. 6. Noodzakelijk zijn zij ook niet in
-absoluten zin ter zaligheid, want de Schrift bindt de zaligheid alleen
-aan het geloof, Joh. 3:16, Mk 16:16, en Roomschen en Lutherschen,
-ofschoon schijnbaar de volstrekte noodzakelijkheid leerende en daarom
-den nooddoop verdedigende, houden dit in de practijk niet vol en
-zeggen bijv. met Augustinus, dat in het geval van den moordenaar aan
-het kruis de bloeddoop den waterdoop vervangt. Niet privatio maar
-contemptus sacramenti maakt schuldig voor God. Maar desniettemin hebben
-dé sacramenten groote waarde. Omdat wij geen geesten maar zinnelijke,
-aardsche schepselen zijn, die het geestelijke niet anders dan onder
-zinnelijke vormen kunnen verstaan, heeft God de sacramenten ingesteld,
-opdat wij door het zien van die teekenen een beter inzicht zouden
-verkrijgen in zijne weldaden, een krachtiger bevestiging zouden ontvangen
-van zijne beloften en alzoo in ons geloof zouden gesteund en versterkt
-worden. De sacramenten werken het geloof niet, maar zij versterken
-het, gelijk de trouwring de liefde. Zij storten geen physische genade
-in, maar schenken den ganschen Christus, dien de geloovigen reeds
-bezitten door het woord, doch zij schenken hun dienzelfden Christus op
-eene andere wijze en langs een anderen weg en versterken het geloof. En
-voorts vernieuwen zij der geloovigen verbond met God, sterken hen in
-de gemeenschap van Christus, sluiten hen onderling te nauwer aaneen,
-zonderen hen af van de wereld, en betuigen aan engelen en menschen, dat
-zij het volk Gods, de gemeente van Christus, de communio sanctorum zijn,
-M. Vitringa VI 422. 437.
-
-
-7. Het getal der sacramenten wordt zeer verschillend bepaald,
-alnaarmate het begrip sacrament enger of ruimer genomen wordt. Als
-met Augustinus gezegd wordt: omne signum sacrum est sacramentum, wordt
-het getal zeer uitgebreid. En ook als met Calvijn onder sacramenten al
-die teekenen worden verstaan, welke God ooit aan menschen gaf, om hen
-te vergewissen van de waarheid zijner beloften, geeft de H. Schrift ons
-eene gansche reeks van sacramenten, Inst. IV 14, 18. De Gereformeerden
-telden er dan ook vele op, vooral toen later de leer der verbonden
-uitgewerkt werd en ieder verbond en elke verbondsbedeeling het noodig
-getal sacramenten hebben moest. Zoo telde men soms in het werkverbond
-vóór den val, ofschoon er toen toch eigenlijk van geen middelen der
-_genade_ sprake kon zijn, den sabbat en het paradijs, den boom der kennis
-en den boom des levens als sacramenten op. En in de Oudtestamentische
-bedeeling van het genadeverbond werden niet alleen besnijdenis en
-pascha, maar dikwerf ook de uitdrijving uit het paradijs, het maken van
-rokken, de offerande van Abel, de boog van Noach, de doorgang door
-de Roode Zee, het manna, het water uit de rots, de koperen slang,
-Aarons staf, Gideons vlies, Hiskia’s zonnewijzer enz. als sacramenten
-beschouwd, Polanus, Synt. Theol. VI 50-54. Witsius. Oec. foed. I 6. IV
-7. 10. Moor V 258-267. Aan de N. Test. sacramenten toegekomen, vatte
-men echter het begrip terstond in enger zin op en beperkte hun getal
-tot twee, al is het, dat Calvijn de handoplegging, Inst. IV 14, 20 en
-Luther en Melanchton de absolutie, Symb. B. ed. Müller 173. 202 soms
-nog een sacrament noemden. Rome echter breidde het getal sacramenten
-tot zeven uit en voerde daarnaast nog een groot getal van zoogenaamde
-sacramentalia in. Het onderscheid tusschen beide bestaat daarin, dat
-de sacramenten door God, de sacramentaliën door de kerk zijn ingesteld;
-gene werken door de van God hun verleende kracht, deze door de voorbede
-en zegening der kerk; de eerste bewerken onmiddellijk des menschen
-innerlijke heiliging, de laatsten dragen daartoe slechts bij door het
-verleenen van ondergeschikte genaden en het bewaren voor tijdelijke
-onheilen; de sacramenten zijn noodzakelijk krachtens Gods gebod, de
-sacramentaliën zijn door de kerk als nuttig en heilzaam aanbevolen. Tot
-de sacramentaliën behooren voorwerpen als kerken, altaren, priesterlijke
-kleederen, kelken, klokken, water, olie, zout, brood, wijn, palmen
-enz., die door de kerk gewijd en voor het godsdienstig gebruik worden
-afgezonderd, en voorts de handelingen van bezweren en zegenen, welke
-de kerk aanwendt, om zaken en personen aan den boosaardigen invloed
-des duivels te onttrekken en op het heilig erf der kerk over te
-brengen. Voor Rome toch is de schepping van veel lagere orde dan de
-herschepping; de schepping is natuur, de herschepping is genade, d. w.
-z. elevatio naturae; de wereld draagt een profaan karakter en staat
-bovendien onder invloed van Satan; al wat daarom uit de wereld in den
-dienst der kerk overgaat, moet aan de macht van den duivel onttrokken
-en tot den dienst van God gewijd en gezegend worden. Terwijl alzoo de
-sacramentaliën de groote omheining vormen, die de kerk scheiden van
-de wereld, zijn de sacramenten de middelen, waardoor God de leden der
-kerk inwendig heiligt, de bovennatuurlijke genade meedeelt en zijne
-natuur deelachtig maakt. Zij zijn de middelen tot verlossing en opheffing
-van de gansche zichtbare schepping, welke in de vier elementen, die
-zij gebruiken, n.l. water, olie, brood en wijn, gerepresenteerd wordt,
-en zijn zeven in getal, omdat zij, het getal der Godheid met het getal
-der wereld verbindend, door de bovennatuurlijke genade de gansche
-schepping heiligen en tot den dienst Gods wijden. De doop, door Christus
-ingesteld, Mt. 28:19, neemt niet alleen alle schuld en straf der zonde
-weg, maar bevrijdt ook van de smet der zonde, plant het beginsel der
-genade en heiligheid, de kiem des nieuwen levens door de wedergeboorte
-in de ziel in, en maakt alzoo den mensch tot een levend lid van
-Christus’ mystieke lichaam en neemt hem op in de gemeenschap met den
-drieëenigen God. Gelijk Adam door het donum superadditum in eene hoogere
-wereld, in het rijk der genade, intrad, zoo wordt de gedoopte in den
-stand der bovennatuurlijke heiligheid verheven. Maar evenals Adam de
-geschonken genade door zijn vrijen wil te bewaren had, zoo moet ook de
-Christen door zijn vrijen wil de doopsgenade zich toeeigenen. Om hem
-daartoe kracht te schenken, dient het tweede sacrament, de confirmatie
-of het vormsel. De Roomschen kunnen niet bewijzen, dat Christus dit
-sacrament ingesteld en aan de apostelen bevolen heeft, maar zij moeten
-dit toch gelooven omdat de kerk het zegt, en beroepen zich daarom op
-Hd. 8:15, 19:6, Hebr. 6:2, waar alleen sprake is van buitengewone
-gaven des H. Geestes, die door de apostelen met handoplegging werden
-medegedeeld, gelijk uit Hd. 8:18, 10:44, 45 cf. 1 Cor. 14:1, 15, 37
-duidelijk blijkt. Behalve in handoplegging bestaat het vormsel voorts in
-zalving en in het uitspreken van eene formule door den bisschop, welke
-aan de H. Schrift geheel onbekend en eerst langzamerhand in de kerk
-ingevoerd is. Volgens Rome verleent dit sacrament nu aan de gedoopte
-kinderen, als zij tot het gebruik hunner rede gekomen zijn, de kracht des
-H. Geestes, om het in den doop ontvangen leven der genade te bewaren en
-het geloof standvastig met woord en daad te belijden. Deze kracht des
-nieuwen levens wordt gevoed en versterkt door het derde sacrament, dat
-des altaars of der eucharistie genoemd, waarin Christus zelf met zijne
-Goddelijke en menschelijke natuur tegenwoordig is, zich op onbloedige
-wijze voor de zonden opoffert en zijn waarachtig lichaam en bloed aan de
-communicanten tot voeding hunner ziel te genieten geeft. Omdat echter
-het leven der genade bij ’s menschen zwakheid door allerlei zonde schade
-kan lijden en verloren kan gaan, heeft Christus een vierde sacrament,
-dat der boete, ingesteld, ten einde zijne heiligmakende genade te
-herstellen of te vernieuwen. Voor de instelling door Christus beroept
-Rome zich op de macht, welke Christus aan zijne apostelen verleend heeft
-om zonden te vergeven, Mt. 16:19, 18:18, Joh. 20:22, 23. Nu staat deze
-lastgeving van Christus wel vast, maar met geen woord wordt gezegd, dat
-zij het karakter draagt van een sacrament; een teeken ontbreekt eraan
-en Rome weet niet anders te zeggen dan dat het berouw, de belijdenis
-en de genegenheid om te voldoen het teeken in dit sacrament der boete
-zijn. Het sacrament der boete is dan ook bij Rome een rechtbank geworden,
-waarin de priester de in de biecht beleden zonden, naar den maatstaf
-der libri poenitentiales beoordeelt en, ofschoon van de schuld en de
-eeuwige straf vrijsprekend, toch met allerlei tijdelijke straffen op aarde
-of in het vagevuur boeten doet, die echter dan weer door aflaten kunnen
-worden kwijtgescholden. Het sacrament van het heilig oliesel dient niet
-tot genezing van den kranke, gelijk de aangevoerde bewijsplaats Jak.
-4:14 zou doen verwachten, maar tot voorbereiding van den stervende
-voor den dood; de zalving met heilige olijfolie duidt de zalving des H.
-Geestes, de mededeeling der genade aan, die de ziel van hare gebreken
-bevrijdt en tot den laatsten strijd de noodige kracht verleent. Bij
-deze vijf sacramenten komen dan nog het sacrament der ordening, dat
-den priester door eene ambtelijke gave des H. Geestes van den leek
-onderscheidt en hem de macht schenkt, om in de mis brood en wijn in het
-lichaam en bloed van Christus te veranderen en den berouwhebbenden
-zondaar in Christus’ naam de zonden te vergeven; en het sacrament des
-huwelijks, dat den echtelijken staat naar het woord van Ef. 5:25 tot
-een afbeeldsel van de vereeniging tusschen Christus en zijne gemeente
-maakt, daartoe de gehuwden niet alleen door natuurlijke banden maar door
-bovennatuurlijke genade aan elkander verbindt en hun de kracht schenkt,
-om in wederzijdsche liefde te volharden tot den dood en hunne kinderen
-in de vreeze Gods op te voeden. Cf. Lombardus, Sent. IV Thomas, S.
-Theol. III qu. 65 sq. Trid. Sess. 7. 13. 14. 21-24. Catech. Rom. pars
-II. Bellarminus, Controv. Tom. III enz.
-
-Van Protestantsche zijde is dit zevental sacramenten soms bovenmate
-verheerlijkt, bijv. door Leibniz, Syst. der Theol. Mainz 1825 S. 195
-f. Goethe, Aus meinem Leben II 179. Vilmar, Dogm. II 227. Bilderdijk,
-Opstellen I 61. Brieven IV 68. 174 V 42 enz. Zelfs kwam er telkens hier
-en daar een streven op, om het aantal sacramenten en ceremoniën uit
-te breiden en de Protestantsche kerken met den symbolischen ritus van
-Rome te verrijken. Toch bestaat er geen reden, om op begrip en getal
-van Rome’s sacramenten jaloersch te zijn. Bij alle waardeering van het
-schoone, dat er zich in uitspreekt, is toch voor den Protestantschen
-Christen dit reeds van te voren beslissend, dat voor de vijf door Rome
-aan doop en avondmaal toegevoegde sacramenten het Schriftuurlijk bewijs
-ontbreekt. Soms wordt dit van Roomsche zijde openhartig erkend. Zoo
-zegt bijv. Deharbe, Verklaring der Kath. Geloofs- en Zedeleer IV 174
-van het vormsel, dat wij nergens lezen, dat Christus dit sacrament
-ingesteld of aan zijne discipelen verordend heeft het toe te dienen.
-En dit geldt in dezelfde mate van biecht en laatste oliesel, van
-huwelijk en priesterwijding. Maar afgedacht hiervan, wat bereikt Rome
-met al deze sacramenten? Het schijnt, dat de schat en de uitdeeling
-der genade bij Rome buitengewoon rijk is, maar feitelijk is deze zoo
-arm, dat telkens slechts een klein gedeelte der zonden en straffen
-vergeven wordt en vergeven kan worden en dat er telkens een nieuw
-sacrament van noode is, om genade mede te deelen en van straffen te
-ontslaan. Ja, al heeft men doop en avondmaal, boete en laatste oliesel
-genoten, dan blijft toch nog na dit leven een boetedoening in het
-vagevuur noodig. Zonden en straffen worden door Rome zoo eindeloos
-verdeeld en gesplitst, dat alle sacramenten saam met de aflaten erbij
-daarvan nog niet volkomen bevrijden kunnen. Hier staat wel tegenover
-dat de heiligen het zoover kunnen brengen, dat zij zelfs over verdienen
-en den thesaurus meritorum vermeerderen. Maar dat is uitzondering;
-het is slechts mogelijk voor heiligen, die behalve de praecepta de
-consilia volbrengen en een uitsluitend religieus leven leiden, en
-verschaft hunzelven geen zekerheid of troost. De gewone Roomsche
-Christen, die te midden der wereld leeft, verkeert in nog grootere
-mate in onzekerheid; hij blijft tot zelfs na zijn dood toe tegenover God
-staan als tegenover een Rechter, aan wien hij te voldoen en dien hij
-nog door allerlei boetedoeningen te verzoenen heeft. Zijn genadestaat
-is nooit zeker en vast; altijd verkeert hij in vreeze of hij er zich
-wel in bevindt en niet het volgend oogenblik eruit vallen zal. En
-deze onzekerheid wordt in het minst niet daardoor weggenomen, dat de
-sacramenten werken ex opere operato. Want ofschoon doop, confirmatie
-en ordening een character indelebilis schenken, de heiligende genade,
-die de sacramenten mededeelen, is toch altijd weer verliesbaar;
-hare ontvangst is bij boete, communie, laatste oliesel, huwelijk van
-berouwvolle stemming afhankelijk; en ook, waar zij geschonken wordt,
-bevrijdt zij niet van alle straf; satisfactio operis blijft er altijd
-nog noodig, tot na dit leven in het vagevuur toe. En wat soort van
-genade is het, welke de Roomsche Christen in het sacrament ontvangt?
-Geen genade der vergeving en der aanneming tot kinderen, maar eene
-genade, die als een donum superadditum aan de natuur toegevoegd wordt,
-die nooit één wordt met den mensch, en hem daarom òf het klooster
-binnendrijft òf in de wereld een dualistisch leven doet leiden.
-Daartegenover heeft de Protestantsche Christen aan het woord en aan
-de twee door Christus ingestelde sacramenten genoeg. Hij heeft daarin,
-indien hij ze in het geloof aanneemt, den ganschen Christus, den vollen
-schat zijner verdiensten, de volkomene gerechtigheid en heiligheid, de
-onverbrekelijke gemeenschap met God. Van alle schuld is hij bevrijd, van
-alle straf ontheven. In den doop is hij daarvan verzekerd en in het
-avondmaal wordt hij voortdurend in dat geloof versterkt en bevestigd.
-Zoo heeft hij geen aparte genade in confirmatie, boete en laatste
-oliesel meer van noode, want door woord, doop en avondmaal ontvangt
-hij alle genade, welke hij in leven en sterven, voor tijd en eeuwigheid
-behoeft. Zijn eenige troost is, dat hij het eigendom van Christus is;
-in dien troost leeft, in dien troost sterft hij. Christus heeft alles
-voor hem volbracht; van hem wordt geen boete of straf geeischt, noch in
-dit noch in het toekomende leven. En al deze genade, die de Christen
-ontvangt, staat zoo weinig boven de natuur of tegen haar over, dat zij
-veeleer al het natuurlijke vernieuwt en heiligt. Als hij huwt, heeft hij
-daarom geen nieuwe, sacramenteele genade van noode, want het huwelijk
-is krachtens zijn oorsprong heilig, en behoeft dus niet boven zijne
-instelling verheven maar moet slechts in zijne natuurlijke ordening
-hersteld en vernieuwd worden. Of als hij een opzienersambt begeert,
-wordt hij niet door een sacramenteele genade in een bijzonderen stand
-ingelijfd maar van Gods wege tot een dienst in zijne kerk geroepen
-en daartoe door dezelfde genade van Christus bekwaamd. In doop en
-avondmaal bezit de Protestantsche Christen oneindig meer dan de
-Roomsche in zijne zeven sacramenten; want niet het aantal sacramenten
-beslist maar de instelling van Christus en de volheid van genade, welke
-Hij erin meedeelt. Cf. over de Roomsche sacramenten: Calvijn, Inst. IV
-19. Chamier, Panstr. cath. Loc. IV lib. 4. Synopsis pur. theol. disp.
-47. Turretinus, Theol. El. XIX qu. 31. Moor V 330 sq. Gerhard, Loc. XIX
-60 sq. Hase, Prot. Polemik⁵ 414 f. Tschackert, Evang. Polemik 67 f. enz.
-
-
-§ 52. DE DOOP.
-
-1. De doop in het N. Test. werd in de dagen des O. Verbonds voorbereid
-door de besnijdenis, die door God uitdrukkelijk aan Abraham werd
-voorgeschreven, Gen. 17:1Ov. Volgens Herodotus II 36. 104 kwam de
-besnijding ook bij de Egyptenaren, Pheniciërs en Syriërs voor. De
-Gereformeerden, bijv. Witsius, Aegypt. III 6, 11. 12, Marck, Med.
-Theol. 29, 8, trachtten dit getuigenis wel te weerleggen of ook
-aan te toonen, dat deze volken haar van Israel hadden overgenomen.
-Maar dit gevoelen is onhoudbaar. Bij de Egyptenaren was zij reeds in
-overoude tijden, althans voor de priesters, in gebruik. En nieuwere
-ethnologische onderzoekingen hebben boven allen twijfel in het licht
-gesteld, dat de besnijdenis eene plechtigheid is, die bij tal van volken
-in Azië, Amerika, Afrika en zelfs Australië voorkomt, Delitzsch op
-Gen. 17. Art. Beschneidung in Herzog³. Glassberg, Die Beschneidung in
-ihrer geschichtl. ethnogr. relig. u. medic. Bedeutung, Berlin Boas
-1896. Evenals God bij de instelling van tempel en priesterschap, van
-offer en altaar, van wetten en ordeningen onder Israel bij bestaande
-gebruiken onder andere volken zich aansluit, zoo doet Hij ook bij de
-besnijdenis. Hij neemt ze als het ware over, maar geeft er eene andere,
-eene sacramenteele beteekenis aan. Want onder de volken kwam wel de
-lichamelijke besnijdenis voor, maar zij droeg daar geenzins het karakter
-van een sacrament. Ook werd ze daar dikwerf, gelijk bij de Egyptenaren,
-alleen aan enkele personen, en gewoonlijk niet in de eerste levensdagen
-maar op lateren leeftijd, voltrokken. Als God echter bij Abraham de
-besnijdenis instelt, dan beveelt Hij, dat al wat mannelijk is besneden
-zal worden, zoowel de dienstknecht als de zoon des huizes; dat die
-besnijdenis plaats hebben moet ten achtsten dage; en dat zij dient als
-teeken des verbonds, zoodat wie haar niet ontvangt, een verbondbreker
-is en uit het midden van zijn volk moet worden uitgeroeid. Al moge de
-besnijdenis dus ook een sanitaire maatregel zijn, zij vindt daarin toch
-onder Israel haar doel niet; hier strekt zij tot teeken en bevestiging
-van het verbond der genade, welks ééne, groote, allesomvattende
-belofte is: Ik zal uw God zijn en de God van uw zaad, Gen. 17:7.
-Bepaaldelijk is zij een zegel van twee weldaden van dat verbond, van de
-gerechtigheid des geloofs, Rom. 4:11, en van de besnijdenis des harten,
-Deut. 10:16, 30:6, Jer. 4:4, Rom. 2:28, 29, Col. 2:11, dat is, van de
-rechtvaardigmaking of vergeving der zonden en van de wedergeboorte of
-heiligmaking. Niet dat zij deze weldaden werktuigelijk schenkt, want
-uitwendige besnijdenis zonder die des harten is zonder waarde, Hd.
-7:51, Rom. 2:28, 29; 3:21, 30, 1 Cor. 7:19, zij is een zegel van de
-gerechtigheid des geloofs en onderstelt dus het geloof. Toen de Joden
-hoe langer hoe meer hunne eigene gerechtigheid uit de wet zochten
-op te richten, werden zij evengoed als de Heidenen en in weerwil van
-hunne uitwendige besnijdenis verdoemelijk voor God, Rom. 3:21. Daarom
-stelde God reeds vóór het openbaar optreden van Jezus door Johannes
-den waterdoop in. Ook deze doop was niet iets nieuws, evenmin als
-oudtijds de besnijdenis. Heel de oudheid schreef in den godsdienst aan
-het water eene symbolische beteekenis toe. Het water van Eufraat,
-Indus, Ganges had eene verzoenende, heiligende kracht. Bij Grieken
-en Romeinen waren bij allerlei gelegenheden, bijv. bij inwijding in de
-mysteriën, wasschingen voorgeschreven, Pfanner, Syst. Theol. gent. 346.
-Ook onder Israel waren reeds langen tijd vóór de Goddelijke instelling
-van den doop allerlei wasschingen in gebruik, Schürer, Gesch. des jüd.
-Volkes³ II 481, en voor de proselyten was behalve besnijdenis en offer
-ook een doop noodig, om in de gemeente te worden opgenomen, ib. III
-129. Maar sacrament, teeken en zegel van genade, wordt deze doop toch
-eerst door de instelling Gods. Het N. Test. leert dan ook uitdrukkelijk,
-dat er een ρημα θεου tot Johannes uitging om te doopen, Luk. 3:2, 3,
-dat God hem daartoe zond, Joh. 1:33, dat zijn doop niet ἐξ ἀνθρωπων
-maar ἐς οὐρανου was, Mt. 21:25, en dat de tollenaren, die zich lieten
-doopen, God rechtvaardigden, terwijl de farizeën en wetgeleerden, den
-doop van Johannes weigerende, den raad Gods verwierpen, Luk. 7:29,
-30. Met dien doop predikte Johannes aan de Joden van zijn tijd, dat zij,
-schoon besneden en de proselyten doopende, zelven schuldig en onrein
-waren en den doop van noode hadden, om in te gaan in het koninkrijk
-der hemelen. De doop van Johannes was dus eene aanklacht tegen, eene
-veroordeeling van de Joden, eene prediking van hunne verdoemelijkheid,
-maar --men vergete het niet-- hij was ook nog iets meer. Hij was het
-onomstootelijk bewijs, dat God zijn verbond gedacht en zijne belofte
-vervulde. Niettegenstaande de Joden schuldig en onrein waren, er was
-toch vergeving bij God; en deze zou nu nog rijker zich gaan openbaren
-dan in de dagen des O. T. Johannes de Dooper is daarom ook niet te
-beschouwen als de laatste der O. T. profeten, want al de profeten
-en de wet hebben tot Johannes toe, ἑως Ιωαννου, geprofeteerd, Mt.
-11:13, maar als de aankondiger van het komende Godsrijk, Mt. 3:2, als
-de prediker van het naderend evangelie, Luk. 3:18, als de wegbereider
-van Christus, Mk. 1:2, als de getuige van het opgaande licht, Joh.
-1:7, 29, 34, 36 cf. Mt. 3:11, Mk. 1:7, Luk. 3:16, Hd. 19:4, die straks
-voor den meerdere plaats maakt en zijne jongeren naar dezen henenleidt,
-Joh. 1:35v., 3:27v. Met dezen inhoud van zijne prediking komt zijn
-doop overeen. Het was een βαπτισμα μετανοιας εἰς ἀφεοιν ἁμαρτιων, Mk.
-1:4, hetgeen niet beteekent, dat Johannes’ doop slechts tot de later
-door Christus te ontvangen vergeving voorbereidde (Meyer), maar zeer
-bepaald, dat hij in den weg van bekeering de vergeving schonk. Immers
-het heet op dezelfde wijze in Hd. 2:38 van den christelijken doop, dat
-hij geschiedde εἰς ἀφεσιν ἁμαρτιων, omdat men door den doop als teeken
-en zegel de vergeving verkrijgt. Voorts is Jezus zelf met den doop van
-Johannes gedoopt, maakt tusschen den doop, door zijne jongeren bediend,
-en dien van Johannes hoegenaamd geen onderscheid, Joh. 3:22, 23, 4:1,
-neemt de door Johannes gedoopte jongeren eenvoudig over, zonder hen te
-herdoopen, Joh. 1:37, Hd. 18:25, en stelt in Mt. 28:19 geen anderen of
-nieuwen doop in, maar breidt hem alleen tot alle volken uit. Op deze
-gronden werd door Gereformeerden, Calvijn, Inst. IV 15, 7. 8. Mastricht,
-Theol. VII 4, 17. Turretinus, Theol. El. XIX 16, M. Vitringa VII 52 en
-Lutherschen, Gerhard, Loc. XX 15 sq. 43 sq. bij gradueel verschil toch
-de wezenlijke identiteit van den Johanneischen en den christelijken doop
-vastgehouden. Maar deze werd bestreden door de Roomschen, Thomas, S.
-Theol. III qu. 66 art. 4. Trid. sess. VII can. 1. Bellarminus, de bapt.
-I 5, door de Anabaptisten, Socinianen, Arminianen en door vele nieuwere
-theologen, Schleiermacher, Chr. Gl. § 136, 1. Steitz in Herzog¹ 15,
-468. Höfling, Das Sakr. der Taufe I 26 f. van Oosterzee, Dogm. § 87, 2
-enz. Er zijn ook inderdaad tegen de identiteit gewichtige bezwaren in te
-brengen. Ten eerste wordt aan Mt. 3:11, Mk. 1:8, Luk. 3:16 de bedenking
-ontleend, dat de doop van Johannes en de christelijke doop tegenover
-elkander staan als water- en als Geestes- en vuurdoop. Maar Hd. 1:5
-leert duidelijk, dat Johannes hier niet zijn doop tegen den christelijken
-doop, maar tegen den overdrachtelijk zoo genoemden doop des H. Geestes
-op den pinksterdag overstelt. De eigenlijke christelijke doop is immers
-ook een doop met water, beteekenend de afwassching der zonden, en de
-doop van Johannes was eveneens een doop met water, maar die tevens
-verzegelde de bekeering en vergeving. Beide doopen komen dus in teeken
-en beteekende zaak geheel overeen. Anders zou er ook het ongerijmde uit
-volgen, dat niet alleen de doop van Johannes, maar ook de doop, dien
-Jezus zelf vóór den pinksterdag door zijne discipelen bedienen liet,
-niets dan een doop met water ware geweest. En dat durven zelfs de
-bestrijders van de identiteit van den doop van Johannes en van Christus
-niet aan. Zij zeggen gewoonlijk, dat de christelijke doop òf reeds bij
-Jezus’ doop door Johannes òf bij het doopen van Jezus zelf door zijne
-discipelen ingesteld is. Maar beide doopen, zoowel die van Jezus als
-die van Johannes, waren onderscheiden van dien Geestesdoop, die op den
-pinksterdag plaats hebben zou, al beteekenden en verzegelden zij beide
-ook dezelfde weldaden van bekeering en vergeving der zonden. Maar nu
-wordt toch weer --en dat is het tweede bezwaar tegen de bovenbedoelde
-identiteit-- de Geestesdoop van den pinksterdag met den christelijken
-waterdoop in verband gebracht. Volgens Hd. 19:1-7 toch trof Paulus te
-Efeze eenige discipelen aan, die gedoopt waren εἰς το Ιωαννου βαπτισμα,
-die μαθηται en πιστευσαντες heetten en toch den H. Geest niet ontvangen
-hadden en zelfs niet wisten, εἰ πνευμα ἁγιον ἐστιν. Door Paulus beter
-aangaande de prediking van Johannes onderricht, lieten zij zich doopen
-εἰς το ὀνομα του κυριου Ιησον, en de handen opleggen en ontvingen
-alzoo den H. Geest en begonnen te spreken in tongen en te profeteeren.
-Uit dit laatste blijkt, dat bij πνευμα ἁγιον hier, evenals 8:15, 10:44,
-11:15, 15:8 aan de Geestesgave der glossolalie en profetie moet worden
-gedacht; deze hadden de discipelen in Efeze niet ontvangen en zij hadden
-er zelfs niet van gehoord. De doop gaf niet altijd die gave, niet alleen
-die van Johannes niet maar ook niet die van Jezus. Want in Hd. 8:15
-lezen wij, dat de geloovigen in Samaria wel gedoopt waren εἰς το ὀυομα
-του κυριου Ιησου, maar nog geen van allen den H. Geest ontvangen hadden
-en dien eerst verkregen door handoplegging der apostelen. En evenzoo
-laat Hd. 19:6 deze gave niet een gevolg zijn van den doop maar van de
-handoplegging. Doch het vreemde in Hd. 19 is, dat de discipelen in
-Efeze vóór deze handoplegging in den naam van den Heere Jezus gedoopt
-werden. Paulus moet dus den doop, dien zij ontvangen hadden, niet als
-een waren, echten doop hebben erkend. Zij waren gedoopt εἰς το Ιωαννου
-βαπτισμα. De doop van Johannes was wel goed, want hij doopte den doop
-der bekeering tot geloof in Christus. Maar onder de discipelen van
-Johannes, die bij hem gebleven en niet tot Jezus waren overgegaan, was
-er allerlei dwaling binnengeslopen, ook aangaande den doop; en zoo
-moesten de discipelen in Efeze niet op nieuw maar voor de eerste maal
-in Jezus’ naam gedoopt worden, want hun doop tot den naam van Johannes
-was geen ware doop, niet de echte christelijke en ook niet de echte,
-oorspronkelijke Johanneische doop. Cf. Baldensperger, Der Prolog des
-vierten Evang. Freiburg Mohr 1898, die meent, dat heel de proloog van
-Joh. 1 tegen deze Baptisten of volgelingen van Johannes den Dooper
-geschreven is.
-
-
-2. De Goddelijke instelling van den doop valt dus reeds bij Johannes,
-maar Jezus heeft hem, na hem zelf ondergaan te hebben, overgenomen,
-door zijne jongeren laten bedienen, Joh. 3:22, 4:1, en in Mt. 28:19
-voor alle geloovigen uit alle volken verplichtend gesteld. De laatste
-plaats wordt door velen als onecht beschouwd, wijl in den apostolischen
-tijd de doop nog plaats had in den naam van Jezus en de trinitarische
-formule eerst van later dagteekening is; en zelfs zijn er, die beweren,
-dat Jezus den doop heel niet voor zijne gemeente ingesteld heeft.
-Daartegen bestaan echter allerlei bezwaren. Het is wel niet voor
-ontkenning vatbaar, dat Jezus zelf den doop van Johannes zich heeft
-laten toedienen en dezen daarmede erkend heeft; Hij leidt hem, waar hij
-er uitdrukkelijk over spreekt, uit een bevel Gods af, Mt. 21:25. Ook is
-er geen grond om te ontkennen, dat Jezus den doop heeft overgenomen
-en hem, zoo niet zelf, dan toch door zijne jongeren heeft bediend,
-Joh. 3:22, 26, 4:1, 2, want Jezus trad met dezelfde prediking op als
-Johannes, n.l. van de nabijheid van het koninkrijk der hemelen en stelde
-voor den ingang daarvan dezelfde eischen, n.l. geloof en bekeering,
-Mk. 1:15; het lag dus voor de hand, dat Hij evenals Johannes den doop
-der bekeering toedienen liet aan een ieder, die tot den engeren
-kring van zijne discipelen wilde behooren. In Joh. 3:5 is wel niet
-van den doop sprake, deel III 501, maar de plaats bewijst toch, dat
-de Geestesmeedeeling in de gemeente beschouwd werd als hebbende haar
-symbool in het water. Naarmate de tegenstelling van het Joodsche volk
-met Hem en zijne jongeren grooter werd, werd een acte van afzondering
-eenerzijds en van opname in de gemeente van Jezus anderzijds te meer
-noodzakelijk. De doop als inlijving in de christelijke gemeente moet
-ook wel door Jezus zelf gewild en bedoeld zijn, wijl anders niet te
-verklaren zou zijn, dat hij terstond, zonder eenigen strijd, in alle
-christelijke gemeenten, zoowel in die uit de Joden als uit de Heidenen,
-is ingevoerd en toegepast, Hd. 2:38, 41, 8:12, 13, 16, 38, 9:18 enz.
-Rom. 6:3-5, 1 Cor. 1:13-17, Gal. 3:27, Ef. 5:26 enz. In 1 Cor. 1:17
-zegt Paulus wel, dat Christus hem niet gezonden heeft, om te doopen,
-maar om het evangelie te verkondigen. Doch dit bewijst hoegenaamd niet,
-dat Paulus den doop gering schat of onnoodig acht; Rom. 6 en andere
-plaatsen leeren dit wel anders. Jezus zelf heeft echter ook den doop
-niet bediend maar liet hem bedienen. En zoo ook hield Paulus zich
-voornamelijk met de prediking van het evangelie bezig en liet het doopen
-en andere werkzaamheden bij de stichting en den opbouw der gemeenten aan
-zijne medearbeiders over.
-
-Nu heet de doop wel in den eersten tijd een doop ἐν τῳ ὀνοματι of εἰς
-το ὀνομα Ιησου, Rom. 6:3, 1 Cor. 1:13, Gal. 3:27, Hd. 2:38, 8:16,
-10:48, 19:5, maar daarmede is volstrekt niet gezegd, dat de doop met
-die bepaalde formule bediend werd. Immers zegt Paulus in 1 Cor. 10:2,
-dat de Israelieten εἰς τον Μωυσην, in 1 Cor. 1:13, dat de geloovigen te
-Corinthe niet εἰς το ὀνομα Παυλου, in 1 Cor. 12:13, dat zij εἰς ἑν σωμα
-gedoopt werden, en in Hd. 19:3 zeiden de discipelen te Efeze, dat zij
-εἰς το Ιωαννου βαπτισμα waren gedoopt; in alwelke gevallen niemand aan
-eene formule denkt, die bij den doop werd uitgesproken. De uitdrukking:
-in den naam van Jezus, is niet als formule bedoeld, maar is omschrijving
-van het karakter van den christelijken doop, Zahn, Einl. in das N. T.
-II 309. De Israelieten lieten zich, uitgaande uit Egypte, in de wolk
-en in de zee doopen εἰς τον Μωυσην, in betrekking tot Mozes, zoodat
-zij hem erkenden als hun redder en verlosser, op hem hun vertrouwen
-stelden en zich door hem lieten leiden. De discipelen te Efeze waren
-gedoopt εἰς το Ιωαννου βαπτισμα en hadden zich daardoor bij Johannes
-aangesloten. En zoo ook is en heet de christelijke doop een doop in of
-tot den naam van Jezus, omdat hij de geloovigen in zijne gemeenschap
-stelt en alleen op Hem al hun vertrouwen richt. Ditzelfde is nu ook
-bedoeld, als Jezus Mt. 28:19 zegt, dat zijne discipelen gedoopt moeten
-worden εἰς το ὀνομα του πατρος και του υἱου και του ἁγιου πνευματος.
-Hij schrijft hier niet aan de apostelen voor, wat zij bij de bediening
-des doops _zeggen_, maar wat zij _doen_ moeten; de christelijke doop
-is en moet zijn eene inlijving in de gemeenschap met dien God, die zich
-als Vader, Zoon en Geest heeft geopenbaard. De naam duidt God in zijne
-openbaring aan, en de hoogste openbaring Gods bestaat daarin, dat Hij
-zich kennen doet en noemen laat als Vader, Zoon en Geest, deel II 63v.
-Het gedoopt worden in dien naam geeft dus niet maar te kennen, dat men
-op last of bevel Gods of tot belijdenis van zijn naam gedoopt wordt;
-immers kan de uitdrukking: in den naam, met den persoon zelf worden
-afgewisseld, gelijk Paulus ook spreekt van gedoopt worden εἰς Χριστον,
-Rom. 6:3, Gal. 3:27. Maar het geeft te kennen, dat de doopeling in
-betrekking tot en in gemeenschap met dien God gesteld wordt, die zich
-als Vader, Zoon en Geest heeft geopenbaard, en nu op grond daarvan ook
-verplicht wordt, om dien naam te belijden en te verheerlijken. Cf. Julius
-Böhmer, Das biblische „im Namen”. Eine sprachwiss. Untersuchung über
-das hebr. בְּשֵׁם und seine griech. Aequivalente, Giessen Ricker 1898.
-Ofschoon Jezus echter na zijne opstanding den doop als eene inlijving in
-de gemeenschap met Vader, Zoon en Geest omschreven had, lag het voor de
-hand, dat hij in den eersten tijd meest met den persoon van Christus in
-verband werd gebracht. Het kwam bij de intrede in de gemeente allereerst
-aan op bekeering en op geloof in Christus, om in dien weg vergeving
-van zonden te erlangen, en daarvan was de doop het teeken en bewijs.
-Daarom heet de doop in de Hand. nog even als bij Johannes een βαπτισμα
-μετανοιας εἰς ἀφεσιν ἁμαρτιων, Hd. 2:38, 22:16. Maar er kwam in den
-eersten tijd nog iets anders bij. Johannes en ook Jezus zelf hadden
-dezen doop der bekeering gesteld tegenover den Geestesdoop, die op den
-pinksterdag plaats hebben zou. Deze Geestesdoop was volstrekt niet
-aan den waterdoop, den doop der bekeering tot vergeving der zonden,
-gebonden, want in Hd. 2:33 ontvangen alle discipelen dien Geest zonder
-doop; in Hd. 9:17, 10:44 worden de gaven des Geestes aan Paulus,
-Cornelius e. a. reeds geschonken vóór den doop, cf. 11:15-17; in Hd.
-8:1, 9:17, 19:6 wordt glossolalie en profetie niet door den doop maar
-door de handoplegging verleend. Maar toch was voor degenen, die buiten
-stonden, de doop der bekeering de gewone weg, waarlangs zij ook de
-gaven des Geestes konden ontvangen, Hd. 2:38, 19:5, 6. Deze verbinding
-was echter tijdelijk; glossolalie en profetie waren niet de eigenlijke
-weldaden van den doop; de christelijke doop bleef wezenlijk een doop
-der bekeering en des geloofs in Christus tot vergeving der zonden. Zoo
-wordt hij ook overal in het N. T. verstaan en beschreven. Petrus zegt
-1 Petr. 3:21, dat, gelijk Noach en de zijnen door het water, dat de ark
-droeg, behouden zijn van den dood, zoo de geloovigen van het verderf
-gered zijn door den doop; maar die doop moet dan worden opgevat, niet
-als σαρκος ἀποθεσις ρυπου, niet gelijk hij uitwendig ons afleggen doet
-de onreinheid des vleesches, maar als συνειδησεως ἀγαθης ἐπερωτημα εἰς
-θεον, δι’ ἀναστασεως Ιησου Χριστου, d. i. waarschijnlijk, de bede tot
-God om een goed, van schuld bevrijd, geweten, hetgeen de doop alleen
-is en wezen kan door de opstanding van Jezus Christus als bewijs van
-onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25. Dezelfde opvatting keert in den
-brief aan de Hebr. terug; deze rekent wel de διδαχη βαπτισμων, d. i.
-niet de leer van den christelijken doop maar van de wasschingen in het
-algemeen, waarvan een rechte beschouwing voor Joodsche Christenen
-dringend noodig was, cf. 9:10, tot de grondbeginselen van het
-Christendom, maar onderscheidt in den christelijken doop twee elementen:
-de wassching des lichaams met rein water en de reiniging des harten
-van een kwaad, beschuldigend, geweten, 10:22, 23. Van eene andere zijde
-wordt de doop door Paulus beschouwd; hij brengt hem niet zoozeer met de
-rechtvaardigmaking als wel met de heiligmaking in verband. Als indalen
-in en opkomen uit het water is de doop een afbeelding en onderpand
-van het treden in gemeenschap met Christus, met zijn dood en met zijne
-opstanding, Rom. 6:3-6, Col. 2:12. Zoovelen dan in Christus, in zijne
-gemeenschap, gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan, Christus
-zich toegeeigend, zoodat zij nu in Christus zijn, Hem toebehooren, Gal.
-3:27-29, in nieuwigheid des levens wandelen, Rom. 6:4, 6v., Ef. 5:26,
-Gode leven, Rom. 6:11, 13, ja het leven van Christus zelven in zich
-dragen, Gal. 2:20. En even als zij door den doop in gemeenschap met
-Christus getreden zijn, zoo ook met zijne gemeente, die zijn lichaam is;
-zij zijn allen door éénen Geest tot één lichaam gedoopt, 1 Cor. 12:13,
-Rom. 12:5. De waterdoop is bij Paulus tegelijk Geestesdoop, maar niet een
-doop met de geestelijke gaven der glossolalie en profetie, doch met den
-Geest als beginsel des nieuwen levens. Gedoopte menschen zijn nieuwe,
-geestelijke menschen, πνευματικοι. Maar deze vernieuwing des menschen
-door den H. Geest in den doop staat niet los naast en komt niet
-toevallig bij de rechtvaardigmaking uit het geloof. Zij vallen samen;
-de Corinthiërs zijn op hetzelfde oogenblik afgewasschen, geheiligd en
-gerechtvaardigd in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes
-Gods, 1 Cor. 6:11, cf. deel III 531. In den doop zijn al deze weldaden
-saamgevoegd en aan de geloovigen geschonken, hetgeen echter niet
-wegneemt, dat de Corinthiërs, trots hun doop, door Paulus nog σαρκικοι,
-νηπιοι ἐν Χριστῳ genoemd en voor mogelijken afval ernstig worden
-gewaarschuwd, 1 Cor. 3:1, 3, 10:1-12. Cf. Bossert, Die Bedeutung der
-Taufe im N. T., Zeits. f. k. Wiss. u. k. Leben 1888 S. 339 f. Ehlers,
-Das N. T. und die Taufe 1890. Holtzmann, Neut. Theol. I 378 II 178.
-
-
-3. Eene vaststaande leer over en een algemeen geldende ritus bij den
-doop wordt in de oude christelijke kerk nog niet aangetroffen. Maar
-toch kent Didache 7, 1 reeds de trinitarische formule, terwijl Hermas,
-Vis. III 7 nog spreekt van een doop in den naam des Heeren, of hem,
-Sim. IX 16, een zegel noemt van den Zone Gods, dat het leven geeft. De
-werkingen van den doop zijn vooral vergeving van de verledene zonden en
-een nieuw, bovennatuurlijk, eeuwig leven door den H. Geest, Justinus,
-Apol. I 61. Tertullianus, de baptismo 4. 5. Cypr. de grat. 3. 4.
-Greg. Naz. Or. 40, 3 sq. Hoewel duidelijk gezegd wordt, dat het water
-in den doop zijne natuur behoudt, wordt de verbinding van teeken en
-beteekende zaak mystisch opgevat; εἰ τις ἐστιν ἐν τῳ ὑδατι χαρις, οὐκ
-ἐκ της φυσεως ἐστι του ἱδατος, ἀλλ’ ἐκ της του πνευματος παρουσιας,
-Basil. de spir. sancto c. 15. Λι’ ἐκεινου του ἱδατος ἡ θεια χαρις την
-αἰωνιον δωρειται ζωην, Theodoretus, qu. 26 in Gen., bij Suicerus s. v.
-βαπτισμα, cf. Tert. de bapt. 4. De doop wordt daarom ook met allerlei
-aan de mysteriën ontleende namen aangeduid, φωτισμος, μυστηριον
-τελετη, τελειωσις, μυησις, μυσταγωγια, en wordt beschouwd als ὀχημα
-προς οὐρανον, ὀχημα προς θεον, κλεις οὐρανων βασιλειας, Schwane, D. G.
-II 735. Hatch, Griech. u. Christ. 219. Suicerus s. v. En toen sedert
-de tweede eeuw de godsdienstoefening uiteenviel in een openbaar en
-bijzonder deel, nam de bediening van doop en avondmaal hoe langer hoe
-meer een mysterieus, alleen voor de ingewijden verstaanbaar karakter
-aan. Door het catechumenaat voorafgegaan, werd de doop zelf met
-allerlei symbolische handelingen omringd, zooals de presentatie van den
-doopeling door peetouders, het afleggen van belijdenis, het blazen op
-het aangezicht en de teekening met het kruis, het leggen van gewijd zout
-in den mond van den doopeling, het exorcisme, de driemaal herhaalde
-indompeling of besprenging, de zalving met het chrisma, het geven
-van een nieuwen naam, de omhanging met een wit kleed, de overreiking
-van eene brandende kaars, de opname in de gemeente, de broederkus,
-en soms daarna terstond de viering van het avondmaal, Suicerus s. v.
-Moeller-von Schubert, Kirchengesch. I² 339, cf. Catech. Rom. II 2 qu.
-45 sq. Bellarminus, de bapt. c. 24-27. Terwijl dus in den apostolischen
-tijd de doop terstond op de bekeering volgde en op de eenvoudigste
-wijze bediend werd, Hd. 2:38, 41, 8:12, 36, 10:47 enz., werd hij van de
-tweede eeuw af in een altijd meer zich uitbreidend ritueel gehuld en
-in een magisch en mystisch genademiddel veranderd. Zelfs Augustinus
-bevorderde de ontwikkeling van de leer des doops in dezen geest, al is
-het ook, dat hij bij volwassenen voor eene heilzame werking van den doop
-voorafgaand geloof en bekeering vereischte. Want ten eerste zegt hij,
-dat de doop de vergeving der zonden en de wedergeboorte slechts geeft
-binnen de kerk; het sacrament is een sacrament van Christus en door Hem
-aan zijne kerk gegeven; ketters en scheurmakers kunnen het wel medenemen
-buiten de kerk, maar dan is het een gestolen en wederrechtelijk bezeten
-goed en oefent daarom geen heilzame werking uit, maar strekt ad
-perniciem, de unit. eccl. 68 de bapt. 3, 13. 5, 7 sq. Ten tweede schijnt
-hij bij kinderen eene heilzame werking van den doop ex opere operato te
-leeren; ongedoopt stervende kinderen gaan verloren, de anima I 9. III
-12. de pecc. mer. I 20. de nat. et gr. 8., maar bij hen, die gedoopt
-worden, vervangt de doop zelf of de voorbede der kerk of het geloof
-der ouders het geloof, dat zij zelven nog niet oefenen kunnen, de pecc.
-mer. I 19. 34 sq. En ten derde schrijft Augustinus aan den doop in
-elk geval de werking van een character indelebilis toe, waardoor de
-gedoopten rechtens Christus en zijne kerk toebehooren en desnoods met
-dwang onder hare hoede mogen worden teruggebracht, de bapt. V 21 VI
-1. c. epist. Parmen. II 16, cf. Dorner, Augustinus 248 f. Schwane, D.
-G. II 744 f. Harnack, D. G. III 143 f. De scholastiek bleef eerst nog
-wel bij Augustinus staan en erkende, dat de doop bij volwassenen het
-geloof onderstelde en ook niet volstrekt ter zaligheid noodzakelijk
-was. Maar zij bewoog zich toch hoe langer hoe meer in deze richting,
-dat zij het sacrament ex opere operato liet werken, en de subjectieve
-vereischten steeds meer aan beteekenis verliezen deed, Lombardus,
-Sent. IV dist. 3-6, Thomas, S. Theol. III qu. 66-71. Bonaventura,
-Brevil. VI 7. Schwane, D. G. III 605-622. Harnack, D. G. III 478 f.
-Zoo werd de leer des doops bij Rome voorbereid, die in het kort hierop
-neerkomt: de doop is het eerste sacrament, de deur tot het geestelijk
-leven, de ingang tot de kerk; hij geeft de eerste bovennatuurlijke
-genade, die door de andere sacramenten ondersteld en vermeerderd wordt
-en is daarom ter zaligheid volstrekt noodzakelijk, behalve in enkele
-gevallen, waarin hij door een baptismus sanguinis of flaminis (voti)
-vervangen kan worden. Hij moet daarom ook zoo spoedig mogelijk en in
-geval van nood door leeken of niet-christenen bediend worden. Door
-dien doop toch worden meegedeeld: 1º het character indelebilis, dat
-iemand onder de jurisdictie der kerk brengt, 2º de vergiffenis van alle
-zonden, zoo erf-, als dadelijke zonden, die vóór den doop zijn bedreven
-en kwijtschelding van alle eeuwige en ook van alle tijdelijke straffen,
-voorzoover zij opera satisfactionis, maar niet, voorzoover zij natuurlijke
-straffen der zonden zijn, 3º de geestelijke vernieuwing en heiliging
-van den mensch, door de instorting der heiligmakende genade en de
-bovennatuurlijke deugden van geloof, hoop en liefde, zoodat de smet der
-erfzonde ganschelijk wordt te niet gedaan en slechts de van nature aan
-den mensch als physisch wezen eigene concupiscentia overblijft, die
-echter zelve geen zonde is doch wel aanleiding tot zondigen worden
-kan. 4º De inlijving in de gemeenschap der heiligen en in de zichtbare
-kerk der geloovigen. Deze werkingen oefent de doop daardoor uit, dat
-onder het uitspreken der bekende formule het woord Gods of de kracht
-des H. Geestes zich op geheimvolle wijze met het water verbindt en dit
-tot een aqua viva et efficax, tot een uterus maternus van den nieuwen
-mensch maakt. Feitelijk worden dan ook door het sacrament des doops
-wedergeboren niet alleen alle kinderen, maar ook alle volwassenen, die
-aan de zeven praeparationes hebben voldaan en geen obex in den weg
-stellen. Cf. Conc. Flor. bij Denzinger n. 591. Trid. VI 4. VII de bapt.
-XIV de poenit. 2, Cat. Rom. II 2. Bellarminus, de sacr. bapt. c. 1-27.
-Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. I² 141 f. enz., en voor de leer
-der Grieksche kerk, Damasc., de fide orthod. IV 14. Conf. orth. qu.
-102. 103. Conf. Dosith. decr. 16. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 400 f.
-
-
-4. De strijd, die door de Reformatie tegen de sacramentsleer van Rome
-werd aangebonden, concentreerde zich niet om den doop maar om het
-avondmaal. De Duitsche Hervormers waren zelfs van meening, dat de
-doop in het pausdom vrij wel ongeschonden was bewaard en namen hem
-daarom met geringe wijziging over. Vele ceremoniën, die langzamerhand
-aan den doop waren toegevoegd, bleven ook bij de Lutherschen in
-gebruik, zooals naamgeving, kruisteeken, excorcisme, peterschap,
-handoplegging, witte kleeding, zegening enz. Voorts leerde Luther in
-zijne beide Catechismi en in de Smalc. artikelen, dat het woord der
-instelling het water van den doop maakte tot een divina, coelestis,
-sancta et salutifera aqua; wel verwierp hij het gevoelen van Thomas en
-de Dominicanen, die het woord der instelling miskenden en God eene
-virtus spiritualis aan het water lieten mededeelen; maar hij nam toch
-eene objectieve, reëele vereeniging van het woord en het water aan;
-de doop is verbum Dei cum mersione in aquam, aqua divino mandato
-comprehensa et verbo Dei obsignata; het water in den doop is, gelijk
-Luther het elders in zijn Sermon von der Taufe uitdrukte, durch die
-göttliche Majestät ganz durchgöttet, gelijk het ijzer door het vuur
-verhit wordt. Latere dogmatici werkten dit uit en leerden, dat door
-het woord der instelling de materia coelestis, d. i. tota trinitas of
-sanguis Christi of Spiritus sanctus zich met de materia terrestris,
-d. i. het water zoo verbond, dat God in, cum en per aquam baptismi,
-non seorsim et actione peculiari sed conjunctim cum aqua baptismi
-et per eam, una atque indivisa actione de wedergeboorte werkte. En
-eindelijk liet Luther in den eersten tijd de heilzame werking van den
-doop wel altijd afhangen van het geloof, waarmede de weldaden van den
-doop werden aangenomen, maar later legde hij hoe langer hoe meer op
-het objectief karakter van den doop nadruk, en zeide niet meer, dat
-de kinderen geloovigen zijn of kunnen zijn, doch liet den kinderdoop
-alleen rusten op Gods bevel. De Lutherschen leerden daarom later, dat
-de heilzame werking van den doop bij volwassenen wel van het geloof,
-althans van eene passiva capacitas afhangt en dus, indien het geloof
-aanwezig is, in obsignatio en confirmatio bestaat; maar bij kinderen
-werkt de doop de wedergeboorte, is hij medium ordinarium regenerationis
-et mundationis a peccatis, echter toch altijd zoo, dat wel de schuld
-en macht maar niet de geheele smet der zonde wordt weggenomen; de
-radix aut fomes peccati blijft. Cf. Symb. B. ed. Müller 30. 40. 163.
-320. 361. 384. 485. 768. 780. Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 507
-f., en Harnack, D. G. III 748. Melanchton, Loc. de baptismo. Gerhard,
-Loc. XX. Quenstedt, Theol. IV 106-176. Hollaz, Ex. theol. 1077-1103.
-Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § 54. De Gereformeerden echter verwierpen
-niet alleen de meeste ceremoniën, die allengs met den doop verbonden
-waren en keerden tot den eenvoud der H. Schrift terug. Maar zij gingen
-ook uit van de gedachte en trachtten deze vast te houden, dat de doop
-voor de geloovigen was ingesteld en dus het geloof niet werkte maar
-versterkte. Daardoor kwamen zij bij den kinderdoop voor eene dubbele
-moeilijkheid te staan. Ten eerste moesten zij, voornamelijk tegenover de
-Anabaptisten maar dan voorts ook tegenover Roomschen en Lutherschen
-aantoonen, dat de kinderen der geloovigen ook reeds vóór den doop als
-geloovigen te beschouwen waren en als zoodanig behoorden gedoopt te
-wezen. En ten andere waren zij verplicht een antwoord te geven op de
-vraag, waarin bij de kinderen de genadewerking des doops bestond, daar
-zij, als nog niet tot hun verstand gekomen zijnde en dus nog niet de
-fides actualis bezittende, ook moeilijk in dit geloof konden versterkt
-en bevestigd worden. Aan de laatste vraag werd echter gewoonlijk weinig
-aandacht gewijd; men bepaalde er zich in het algemeen toe, om te zeggen,
-dat de doop voor de ouders een bewijs was, dat hun zaad in het verbond
-Gods was opgenomen, voor de kinderen later bij hun opwassen tot een
-rijken troost en zegen was, en ook reeds in hun onbewusten staat hun
-een recht gaf op de goederen van het genadeverbond, Witsius, Misc.
-Sacra II 648-667. De eerste vraag werd echter van den aanvang af zeer
-verschillend beantwoord. Voor het recht van den kinderdoop beriep men
-zich eenparig op de H. Schrift, bepaaldelijk op hare leer aangaande het
-genadeverbond. Naar den regel van dat verbond moesten de kinderen en
-ook de volwassenen beoordeeld worden; geloof en bekeering geven geen
-recht op den doop, maar alleen het verbond. De kinderen, uit geloovige
-ouders geboren, waren geen heidensche kinderen, lagen niet onder den
-toorn Gods, verkeerden niet onder de macht van Satan, zoodat er eerst
-een exorcisme bij hen moest plaats hebben. Maar zij waren vóór den doop
-reeds kinderen des verbonds; de doop was daarom ook niet absoluut tot
-zaligheid noodig, en aan nooddoop bestond er geen behoefte. Zoodra
-men echter nadacht over wat dit begrepen zijn van de kinderen in het
-genadeverbond inhield, ging men uiteen. Er waren er, die de eenheid
-van verkiezing en verbond zoo lang en zoo nauw mogelijk wenschten vast
-te houden; zij beweerden daarom, dat alle kinderen, uit geloovige
-ouders geboren, naar het oordeel der liefde voor wedergeboren gehouden
-moesten worden, totdat zij in leer of leven duidelijk het tegendeel
-openbaarden, of dat althans de uitverkoren kinderkens in den regel
-reeds vóór den doop of zelfs reeds vóór de geboorte door Gods Geest
-waren wedergeboren, a Lasco, Ursinus, Acronius, Voetius, Witsius e.
-a. Maar anderen, lettend op de bezwaren der practijk, die zoo dikwerf
-leert, dat gedoopte kinderen opgroeien, zonder eenig teeken van
-geestelijk leven te toonen, durfden van deze wedergeboorte vóór den doop
-geen regel maken. Zij erkenden wel allen zonder uitzondering, dat Gods
-genade niet aan de middelen gebonden is en ook in het hart van jonge
-kinderen de wedergeboorte kan werken, maar zij lieten in het midden,
-of die wedergeboorte bij de uitverkoren kinderkens vóór of onder of
-ook, soms zelfs vele jaren, na den doop plaats heeft, Calvijn, Beza,
-Zanchius, Bucanus, Walaeus, Amesius, Heidegger, Turretinus e. a. Deze
-voorstelling kreeg de overhand, toen de kerk door verwaarloozing der
-tucht tot verval kwam. Verkiezing en kerk, in- en uitwendige zijde
-des verbonds, vroeger zooveel mogelijk verbonden maar sedert Gomarus
-hoe langer hoe meer onderscheiden, vielen steeds verder uit elkaar;
-in de ecclesia vormde zich eene ecclesiola. De doop werd daarom
-allengs geheel van de wedergeboorte losgemaakt, en, wijl men hem toch
-voor de kinderen wilde handhaven, opgevat en gerechtvaardigd als een
-sacrament der kerk en onderpand van het zaad der geloovigen in het
-algemeen, of als eene bevestiging van de objectieve, conditioneele
-belofte des evangelies, of als bewijs van gemeenschap aan het uitwendig
-genadeverbond, of als waarborg van eene verliesbare, met de zaligheid
-niet onverbrekelijk verbondene, en later door persoonlijk geloof te
-bevestigen wedergeboorte, of als een opvoedingsmiddel, dat de
-gedoopten op later leeftijd tot oprechte bekeering aanspoort. Cf.
-Voetius, Disp. II 408 sq. Witsius, Misc. Sacra II 611-618. G. Kramer,
-Het verband van doop en wedergeboorte, Breukelen 1897. De strijd
-ontbrandde daarbij telkens weer op het punt van het doopsformulier.
-Sommigen verstonden de uitdrukking: in Christus geheiligd zijn, van de
-inwendige vernieuwing door den H. Geest en hadden daarom bezwaar, om
-deze vraag van het doopsformulier voor te leggen aan ouders, die hun
-kind nog wel ten doop presenteerden maar overigens om God noch zijn
-gebod zich bekommerden; onder pietistischen invloed hechtten zij aan
-de uitwendige doopshandeling hoe langer hoe minder waarde, drongen
-op persoonlijke bekeering aan en trokken zich in den engen kring der
-gezelschappen terug, Lodenstein, Gentman, Koelman, Brakonier, van de
-Putt, Kelderman, Vos e. a. bij Proost, Jod. van Lodenstein 1880 bl.
-160. 229. Ypey en Dermout, Gesch. der N. H. Kerk III 261-263. Ypey,
-Gesch. der Chr. Kerk in de achttiende Eeuw VI 164. M. Vitringa VII 108.
-115 sq. Moor V 489. Anderen verstonden de uitdrukking in objectieven,
-verbondmatigen zin, zagen in den doop niets meer dan een teeken van het
-uitwendig verbond, waarop een historisch geloof en een onergerlijk leven
-voldoende recht gaven, Ostervald, Comp. Theol. II 6, 4, 4. Vernet,
-Christ. Onderw. 300. en vooral Janssonius en van Eerde tegen Appelius,
-cf. M. Vitringa VI 426 sq. 498 sq. VII 125 sq.
-
-Zoo werd in de Gereformeerde kerken zelve de doop schier geheel van
-zijne waarde beroofd en feitelijk die doopsleer ingevoerd, welke in de
-eeuw der Hervorming reeds door Socinianen en Anabaptisten en later
-door Remonstranten en Rationalisten gehuldigd werd. Dezen komen toch
-bij alle onderling verschil daarin overeen, dat de doop niet als zegel
-der genade van Gods zijde maar in de eerste plaats als belijdenisacte
-van ’s menschen zijde waarde heeft. De doop werkt niets en geeft niets,
-maar is alleen een symbool van den overgang uit het Joden- en Heidendom
-tot het Christendom, een teeken van geloof en bekeering, een belofte
-van gehoorzaamheid en daarom òf in het geheel niet door Christus
-als een blijvend sacrament ingesteld òf in elk geval voor kinderen
-hoogstens geoorloofd en nuttig, doch niet noodzakelijk en geboden; de
-Kwakers gingen zelfs zoo ver, dat zij den waterdoop geheel verwierpen
-en alleen den doop des Geestes erkenden, en de Rationalisten streden
-erover, of de doop, die toch niet meer dan een plechtig zinnebeeld
-was, niet beter kon worden afgeschaft, cf. M. Vitringa VII 297-415.
-Strauss, Dogm. II 549-558. Wegscheider, Instit § 171. 172. Kant,
-Religion ed. Rosenkranz 233. Het moderne Protestantisme staat nog op
-dit standpunt en maakt den doop facultatief, Scholten, Initia 247,
-Ehlers, Das N. T. und die Taufe, Giessen 1890; en bij vele anderen werkt
-de geringschatting van het sacrament daarin na, dat het zwaartepunt
-uit den doop in de later volgende, steeds plechtiger ingerichte
-aanneming en bevestiging van leden verlegd wordt. Maar daartegenover
-werd in deze eeuw van verschillende zijden weer eene poging beproefd,
-om het objectief karakter van den doop te handhaven. Schleiermacher
-zag in den doop wel allereerst eene handeling der kerk, waardoor zij
-den geloovige in hare gemeenschap opneemt, maar dan vervolgens daarin
-tegelijk eene opneming in de levensgemeenschap met Christus, Chr. Gl. §
-136-138, cf. Schweizer, Chr. Gl. § 171. Lipsius, Dogm. § 846. Anderen
-plaatsten weder de genadedaad Gods in het sacrament op den voorgrond
-en leerden, dat de doop geen wedergeboorte onderstelt maar toch de
-kracht der wedergeboorte of deze zelve verleent, een aanknooping is
-van den liefdeband van Christus’ zijde en den grondslag legt voor
-alle latere, echter dan slechts in den weg des geloofs te verkrijgene
-weldaden, Philippi, Kirchl. Gl. V 2, 83 f. Kahnis, Luth. Dogm. II 333.
-Dorner, Chr. Gl. II 832. Frank, Chr. Wahrheit II 266 f. Althaus, Die
-Heilsbedeutung der Taufe im N. T. Gütersloh 1898. H. Cremer, Wesen und
-Wirkung der Taufgnade, ib. 1899. W. Schmidt, Dogm. II 461. Oosterzee,
-Dogm. § 138 9v. Vele Lutheranen keerden zelfs tot de oude leer terug,
-dat de H. Geest in en door het water des doops de wedergeboorte werkt
-en lieten deze niet alleen in eene geestelijke vernieuwing maar ook in
-de inplanting van eene hemelsche lichaamlijkheid bestaan, Vilmar, Dogm.
-II 233. Martensen, Dogm. 398 f. Höfling, Das Sakrament der Taufe I 17
-f. Thomasius, Christi Person u. Werk II 297 f. In Engeland trad het
-Tractarianisme op met de leer van een baptismal regeneration, daarin
-bestaande, dat de kinderen door den doop zoo werden vernieuwd, dat zij
-later zelfstandig de genade door het geloof konden aannemen, Newman,
-Lectures on Justification 1838, Waterland, Works, Oxford 1843 IV
-425-458 cf. Hodge, Syst. Theol. III 591-604 en Cunningham, Historical
-Theol. II 133-142. Ryle, Knots untied, 11{th} ed. London Hunt 1886 p.
-105-196. Hier te lande trachtte Dr. Kuyper het objectief karakter van
-den doop te handhaven, door er eene bijzondere genade aan toe te kennen.
-Deze bestaat niet in de wedergeboorte, welke bij den doop ondersteld
-wordt en dus niet meer behoeft geschonken te worden, maar in eene
-bijzondere, anders niet te verkrijgen weldaad, n.l. in de inlijving in het
-lichaam van Christus, of liever in de inplanting in ons geloof van de
-hebbelijkheid of den drang, om niet op onszelf te staan, maar om ons één
-te voelen met heel het lichaam van Christus, Heraut 646v.
-
-
-5. De meeste kerken kennen tegenwoordig den doop bijna niet anders dan
-als kinderdoop. Behalve op het gebied der zending en in de baptistische
-genootschappen komt de doop van volwassenen niet anders dan als
-uitzondering voor. Toch is in de Schrift het omgekeerde het geval;
-van den kinderdoop spreekt zij nergens met zoovele woorden, altijd
-gaat zij van den bejaardendoop uit; en ook de christelijke confessies
-en theologen zijn haar daarin altijd in zooverre gevolgd, als zij van
-den doop van volwassenen hun uitgangspunt namen en daarna eerst tot
-den kinderdoop overgingen. Deze doop werd nu op Gods bevel door
-Johannes en daarna door Jezus ingesteld, omdat de gansche wereld voor
-God verdoemelijk was. Dat gold niet alleen van de Heidenen, maar ook
-van de Joden, die immers hunne eigene gerechtigheid zochten op te
-richten uit de werken der wet en daarom niet kwamen tot de wet der
-rechtvaardigheid, Rom. 9:31. Reeds de profeten verkondigden toch, dat
-God, die getrouw is en zijns verbonds gedenkt, in de toekomst aan Israel
-bekeering en leven, een nieuw hart en een nieuwen geest zou geven, alle
-zonden hun vergeven, zijn Geest op hen uitstorten, rein water op hen
-sprengen en van alle onreinigheden hen reinigen zou, Hos. 6:2, Joel
-2:28, 29, Mich. 7:18-20, Jes. 1:16, 40v., Jer 31:31-34, 33:8, Ezech.
-11:17-20, 36:25-28, 37:1-14, 39:29, Zach. 13:1 enz. Wedergeboorte,
-bekeering, geloof was noodig, zoo voor Israel als de Heidenen, om in
-te gaan in het koninkrijk der hemelen en aan zijne goederen deel te
-krijgen. Johannes en Jezus traden met die prediking op, en wie haar
-aannamen, werden gedoopt. Aan den doop ging dus de aanbieding en de
-aanneming van het woord des evangelies vooraf. De Schrift laat er
-niet den minsten twijfel over bestaan, dat de doop uitsluitend voor
-geloovigen ingesteld is. Er worden geen andere personen gedoopt, dan
-die belijdenis doen van hunne zonden en bewijs geven van bekeering en
-geloof, Mt. 3:2, 6, Hd. 2:37, 38, 8:12, 37, 18:8; de doop heet daarom
-een doop der bekeering, opdat men in dien weg de vergeving der zonden
-erlange, Mk. 1:4, Hd. 13:24; in Mt. 28:19 duiden de beide participia
-βαπτιζοντες en διδασκοντες wel den weg aan, waarin het μαθητευειν
-παντα τα ἐθνη volbracht moet worden, maar het doopen in den naam des
-Vaders, des Zoons en des H. Geestes onderstelt juist de voorafgaande
-prediking van en het geloof in dien naam, gelijk dit Mk. 16:15, 16 ook
-duidelijk uitgesproken wordt en in Joh. 4:1 het discipelen maken aan het
-doopen voorafgaat; het zijn kinderen Gods door het geloof in Christus
-Jezus, die door den doop Christus hebben aangedaan, Gal. 3:26, 27.
-Zoolang er van den doop der volwassenen sprake is, bestaat er hierover
-tusschen de christelijke kerken geen verschil; geen enkele kerk doopt
-een volwassene zonder voorafgaand onderricht in de waarheid, zonder te
-voren afgelegde belijdenis des geloofs. Zelfs Rome erkent, dat in den
-volwassene de zeven praeparationes aan den doop moeten voorafgaan, en
-maakt niet de objectieve geldigheid maar toch de subjectieve werking
-van eene intentio virtualis als conditio sine qua non in den ontvanger
-afhankelijk, Trid. VI c. 5. 7. Catech. Rom. II 2 qu. 30. 44. Maar
-Rome heeft hoe langer hoe meer deze subjectieve voorwaarden in den
-ontvanger verzwakt, en het zwaartepunt uit het woord en het geloof
-in het sacrament verlegd; dit sacrament toch werkt ex opere operato,
-zonder in den ontvanger iets anders te eischen dan een negatief obicem
-non ponere; evenals de zonden, worden de weldaden der genade door
-Rome eindeloos gesplitst, in stukjes en beetjes hier en hiernamaals
-uitgedeeld; het is altijd hetzelfde denkbeeld van hierarchie, dat
-hier in de leer der genade, evenals overal elders, zijn invloed
-gevoelen doet. Daarom leert Rome dan ook, dat prediking en geloof
-slechts praeparatoire beteekenis hebben; de eigenlijke, heiligmakende,
-bovennatuurlijke genade wordt alleen medegedeeld door het sacrament van
-den doop, dat daarom, behalve in enkele gevallen, waarin het door den
-baptismus sanguinis of flaminis vervangen wordt, voor alle menschen,
-volwassenen en kinderen, ter zaligheid volstrekt noodzakelijk is. De
-Reformatie heeft daartegenover dit Schriftuurlijk beginsel gesteld, dat
-het sacrament geen enkele weldaad meedeelt of meedeelen kan, welke
-de geloovige niet reeds bezit door zijn vertrouwen op het woord Gods.
-Het geloof alleen, afgedacht van alle sacrament, stelt in het bezit
-en genot van alle weldaden des heils. Indien nu de doop dit geloof
-onderstelt, blijft er geen enkele weldaad meer over, die door den doop
-nog aan den geloovige zou kunnen medegedeeld worden. De doop kan niet
-anders dan de weldaden, die door het geloof ontvangen zijn, beteekenen
-en verzegelen en daardoor het geloof versterken, Ned. Gel. art. 33.
-34. Heid. Cat. qu. 69. Ook de Lutherschen stemmen dit toe voor den
-doop der volwassenen, die vooraf wedergeboren zijn en belijdenis deden
-van hun geloof; evenals het geloof en de gave des H. Geestes door de
-prediking des woords in de wedergeborenen vermeerderd wordt, ita quoqae
-idem fit per baptismum, quin et baptismus donum regenerationis in illis
-efficaciter obsignat, Gerhard, Loc. XX 123. Quenstedt IV 145. Schmid,
-Dogm. d. ev. luth. K. 400. 407. Er is hier een Protestantsch beginsel
-mede gemoeid; wie aan den doop eene mededeeling van genade toeschrijft,
-welke door het woord en het geloof niet verkregen kan worden, zet voor
-de Roomsche sacramentsleer de deur open.
-
-De forma des doops bestaat in een door God gelegd verband tusschen een
-zichtbaar teeken en een onzichtbaar geestelijk goed. Als teeken doet
-het water dienst, Mt. 3:6, Hd. 8:36, dat niet toevallig of willekeurig
-maar om zijne treffende overeenkomst met de beteekende zaak gekozen is.
-Wat het onreine, vervuilende en verstikkende stof is voor het lichaam,
-dat is de zonde voor de ziel; en gelijk water de onreinheid des lichaams
-afwascht, zoo reinigt het bloed van Christus van alle zonden. Schier
-bij alle volken en in alle godsdiensten heeft daarom het water eene
-rijke, symbolische beteekenis; dienst doende bij allerlei wasschingen,
-schaduwde het de geestelijke reiniging af, welke ieder mensch behoeft,
-om te verkeeren in de gemeenschap met God; in den Oudtest. eeredienst
-nam het water eene breede plaats in, Ex. 30:18-20, 40:30, Lev. 6:28,
-8:6, 11:32, 15:12, Num. 8:7, 19:7v. enz., en de profeten stelden de
-geestelijke reiniging van het volk als eene besprenging met water voor,
-Ezech. 36:25, 37:23, Zach. 13:1. Uit zichzelf en van nature, d. i.
-krachtens den aard, dien God er bij de schepping aan gaf, is het water
-dus uitnemend geschikt, om in den doop de afwassching der zonden en
-de geestelijke vernieuwing af te beelden en te verzekeren. Daarom is
-het ook niet noodig, gelijk Rome beweert, dat het doopwater te voren
-op Paasch- of Pinkster-Zaterdag gewijd en met olie gemengd zij, Catech.
-Rom. II 2 qu. 47. Veel minder mag met de Paulicianen het gebruik van
-het water nagelaten worden, wijl Christus het levende water is, of
-met andere secten de doop door inbranding van een merkteeken of door
-geeseling ten bloede toe vervangen worden, Moor V 409-411. Zelfs is
-het overbodig, om met Beza en anderen toe te geven, dat, als water
-ontbreekt eene andere vloeistof gebruikt mag worden, want zulk een
-geval is zoo goed als onmogelijk, M. Vitringa VII 14. In den eersten tijd
-bestond de handeling van het doopen daarin, dat de doopeling in het
-water ondergedompeld en na een oogenblik daaruit weer opgetrokken werd.
-Het grieksche woord βαπτιζω wijst daar reeds op, want het beteekent
-letterlijk doopen, indoopen, Joh. 13:26, en geeft ook dan, wanneer het
-in ruimer zin voor wasschen, Mt. 15:2, Mk. 7:4, Luk. 11:38, Hebr.
-9:10 of overdrachtelijk, Mt. 3:11, 20:22, Hd. 1:5 enz. wordt gebezigd,
-zulk eene handeling te kennen, waarbij de persoon of zaak, die gedoopt
-wordt, geheel en al wordt ondergedompeld en gereinigd. Voorts toonen de
-gevallen, welke de Schrift verhaalt, duidelijk aan, dat de doop in den
-apostolischen tijd bij wijze van onderdompeling plaats had, Mt. 3:6, Joh.
-3:23, Hd. 8:38. En eindelijk is de phraseologia sacramentalis geheel en
-al op deze wijze van doopsbediening gebouwd, Rom. 6:3, 4, Gal. 3:27,
-Col. 2:12. Eeuwenlang is de immersio dan ook in de christelijke kerk in
-gebruik gebleven; de Grieksche kerk houdt er nog aan vast, besprenging
-(adspersio) of liever begieting (infusio) kwam in oude tijden alleen
-voor, als er geen water genoeg was, Didache c. 7, of als kranken op
-hun leger gedoopt moesten worden (baptismus clinicorum); Cyprianus,
-Ep. 69, 12, verdedigde in dit laatste geval de adspersio of perfusio
-met beroep op Ezech. 36:25, maar overigens spreken de kerkvaders altijd
-van den doop als van eene onderdompeling in het water, Suicerus, s. v.
-ἀναδυω. Paus Stephanus II stond in 754 den doop per infusionem in geval
-van noodzakelijkheid bij kinderen en kranken toe, maar een concilie van
-het jaar 816 schreef nog aan de priesters voor, ut non effundant aquam
-super capita infantium sed semper mergantur in lavacro. Thomas zeide,
-tutius est baptizare per immersionem, quia hoc habet usus communis, S.
-Theol. III qu. 66 art. 7. Het Concilie van Ravenna 1311 liet de keuze
-tusschen immersio en superfusio vrij. Tot de 13e eeuw toe komt dus in
-het Westen de indompeling nog naast de besprenging voor; dan echter
-wordt de laatste hoe langer hoe meer algemeen. Als in het gekerstend
-Europa de bejaardendoop uitzondering en de kinderdoop regel werd,
-kwam er niet uit dogmatische maar uit hygiënische overwegingen ook
-verandering in de wijze van doopsbediening; kinderen waren in zekeren
-zin allen in infirmitate positi. De Hervormers sloten zich bij dit
-gebruik aan; Luther gaf aan onderdompeling de voorkeur, Calvijn hield de
-vraag voor een adiaphoron, maar de Anabaptisten maakten er een beginsel
-van en keerden daarom tot de immersio terug. En dit is het, wat alleen
-bestreden dient te worden. Er is geen twijfel aan, of de onderdompeling
-was oudtijds algemeen in gebruik, is nog geoorloofd en doet de rijke
-beteekenis van den doop ook beter dan de besprenging uitkomen. Maar
-er is hier geen beginsel van te maken. Want 1º het water is niet het
-bloed van Christus zelf en bewerkt niet zelf de afwassching der zonden,
-maar is daarvan een teeken en zegel; zoo kan het bij den doop dus niet
-aankomen op de hoeveelheid waters, die op den doopeling uitgestort of
-in welke hij gedompeld wordt. 2º De geestelijke weldaad, die door den
-doop wordt afgebeeld, wordt niet alleen eene afwassching der zonden
-maar ook eene besprenging met rein water en met het bloed van Christus
-genoemd, Ezech. 36:25, Hebr. 12:24, 1 Petr. 1:2, cf. Ex. 24:6, 29:16,
-20. 3º Schoon de onderdompeling eeuwenlang in gebruik bleef, werd toch
-van de oudste tijden af in gevallen van noodzakelijkheid de besprenging
-geoorloofd geacht; nooit dacht de christelijke kerk eraan, om den doop
-als ongeldig te beschouwen, alleen omdat hij bij wijze van besprenging
-was toegediend; en de voorstanders der onderdompeling deinzen meestal
-in de practijk zelven voor deze consequentie terug. 4º Hoewel, in
-weerwil van de van oude tijden af gebruikelijke immersio triplex, Did.
-c. 7, met Gregorius M. is vast te houden: utrum unica an trina ablutio
-fiat, nihil referre existimandum est, Catech. Rom. II 2 qu. 14, toch
-mag de besprenging niet in zoo geringe mate geschieden, dat alle
-denkbeeld van afwassching teloor gaat. Evenals het avondmaal, hoe ook
-ingekrompen, een maaltijd blijven moet, behoort ook in de besprenging
-met het doopwater de symboliek der afwassching behouden te worden. Cf.
-Calvijn, Inst. IV 15, 19. Voetius, Pol. Eccl. I 683-694. Moor V 413-421.
-M. Vitringa VII 16-30. Höfling, Das Sakr. der Taufe I 46-60. De Hoop
-Scheffer, Overzicht der gesch. van den doop bij onderdompeling, Amst.
-1882.
-
-
-6. Dit water wordt tot een sacrament door het woord der instelling. In
-de Schrift wordt de doop nu eens omschreven als een doop in den naam
-van Christus, Hd. 2:38, 8:16, 10:48, 19:5 cf. Rom. 6:3, 1 Cor. 1:13-15,
-6:11, Gal. 3:27 en dan weer als een doop in den naam des Vaders, des
-Zoons en des H. Geestes, Mt. 28:19. Deze uitdrukkingen bedoelen niet,
-eene formule aan de hand te geven, welke bij den doop moet uitgesproken
-worden, maar zij beschrijven het wezen van den christelijken doop; deze
-moet zijn een doop in den naam van Christus en dus in den naam van God
-Drieëenig. Dat zij niet als eene formule bedoeld zijn, blijkt daaruit,
-dat bij besnijdenis en pascha, bij den doop van Johannes en bij het
-avondmaal van zulk eene formule geen sprake is. Maar zeker werd er bij
-het bedienen en ontvangen van den doop reeds van den aanvang af het
-een of ander gesproken; er werd belijdenis van zonden. Mt. 3:6, en van
-het geloof in Christus, Hd. 8:37, afgelegd, cf. 1 Tim. 6:12. Daarvoor
-kwam spoedig uit den aard der zaak eene vaststaande formule in gebruik,
-die aan de instellingswoorden in Mt. 28:19 werd ontleend. De Didache
-spreekt van de Christenen als βαπτισθεντες εἰς ὀνομα κυριου, 9:5 maar
-kent toch reeds de trinitarische formule, 7, 1. 3, cf. Justinus,
-Apol. I 61. Hoewel nu een doop in den naam van Christus of met de
-belijdenis, dat Jezus Christus de Zone Gods is, Hd. 8:37 in den eersten
-tijd volkomen voldoende was, moest toch later, toen allerlei ketterijen
-opkwamen, juist tot handhaving van het christelijk karakter van den
-doop de trinitarische formule hoe langer hoe meer als noodzakelijk
-beschouwd worden, cf. Cypr. Ep. 73, 16-18 en andere kerkvaders bij
-Suicerus s. v. βαπτισμος. Maar ook deze trinitarische formule luidt
-in de verschillende kerken niet gelijk. De Grieksche kerk bedient zich
-van de woorden: βαπτιζεται ὁ δουλος του θεου ὁ δεινα εἰς το ὀνομα
-του πατρος--ἀμην, και του υἱου--ἀμην, και του ἁγιου πνευματος--ἀμην,
-νυν και εἰς τους αἰωνας των αἰωνων. Hoewel de Latijnsche kerk den
-alzoo bedienden doop erkent, bezigt zij zelve toch de formule: ego te
-baptizo in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti, Catech. Rom. II
-2 qu. 10. 11, en de Protestantsche kerken namen gewoonlijk deze over.
-De Syrische en Armenische kerken hebben weer eene formule, die zoowel
-van de Grieksche als van de Latijnsche afwijkt, Höfling, Das Sakr. der
-Taufe I 44. Alles bewijst, dat de geldigheid van den doop op zichzelf
-niet afhangt van de letterlijke woorden, die daarbij door den bedienaar
-gesproken zijn. De trinitarische formule is alleen noodig geworden, om
-ketterij te weren, om waarborg te geven, dat de doop, die bediend werd,
-de ware, christelijke doop is, en om gewenschte vastheid te brengen in
-het liturgisch gebruik. Daarbij is het nog van belang op te merken, dat
-de trinitarische doopsformule geen magische kracht bezit, om het water
-in het bloed van Christus te veranderen. De Gereformeerden ontkennen
-dit niet alleen, maar ook de Grieksche, Roomsche en Luthersche kerk
-spreken bij den doop anders dan bij het avondmaal. Bij dit laatste
-sacrament valt op de recitatio van de woorden der instelling, op hun
-consecratorische kracht, en op de daardoor teweeggebrachte trans- of
-consubstantiatie de nadruk. Maar al spreekt men bij den doop ook van
-eene divina virtus, die aan het water medegedeeld is, van aqua vivida,
-sancta, divina, van eene regeneratio per aquam in verbo, zoo zegt toch
-zelfs de Catech. Rom., dat de instellingswoorden klaar en duidelijk,
-tot onderwijs voor het volk, moeten uitgesproken worden, II 2, 10, en
-ontkent, dat er bij den doop eene transsubstantiatie, eene verandering
-van het water in het bloed van Christus plaats heeft, II 4, 9. De unio
-sacramentalis is hier dus eene andere dan bij het avondmaal. Zeker
-blijft er ook dan nog verschil. Roomschen en Lutherschen denken zich
-de werking des H. Geestes bij den doop als heengaande per aquam. De
-Gereformeerden verwerpen deze locale, physische vereeniging en nemen in
-plaats daarvan een verband aan, gelijk aan dat bij het woord. Evenals de
-H. Geest wel werkt cum verbo maar zijne kracht en werking niet besluit
-binnen het woord, zoo is het ook bij het water van den doop. In Ef.
-5:26 zijn de woorden ἐν ρηματι niet, gelijk de Lutherschen willen, eene
-nadere bepaling van λοντρῳ of ἱδατος, want dan hadden zij het artikel
-vóór zich vereischt: τῳ of του ἐν ρηματι. Maar zij behooren bij ἁγιαση:
-Christus heiligde zijne gemeente door het woord des evangelies, terwijl
-Hij ze reinigde door het bad des waters. Paulus onderscheidt hier juist
-de werking van Christus door het woord van die door het water, evenals
-dat ook geschiedt in Hebr. 10:22 en 1 Petr. 3:21. Niet de dienaar en
-niet het water, maar Christus heiligt en geeft de beteekende zaak, Mt.
-3:11, 1 Cor. 6:11, Hebr. 9:14, 1 Joh. 1:7. Als het water des doops de
-wedergeboorte bewerkte, had Paulus in 1 Cor. 1:14 niet kunnen zeggen,
-dat Christus hem niet zond, om te doopen, maar om het evangelie te
-verkondigen. Doch hoezeer er verschil is over de wijze, waarop teeken
-en beteekende zaak in den doop verbonden zijn, er is overeenstemming
-ten aanzien van de realiteit dier verbinding. Ook de Gereformeerde
-kerk belijdt, dat Christus in den doop aan een iegelijk, die hem in
-den geloove ontvangt, toezegt en verzekert, dat hij zoo zekerlijk met
-Zijn bloed en Geest van de onreinheid der ziel is gewasschen, als hij
-uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt
-weg te nemen, gewasschen is, Heid. Catech. 69.
-
-Ook over de weldaden, die in den doop aan de volwassen geloovigen
-geschonken worden, bestaat er in hoofdzaak overeenstemming. Zij zijn
-alle begrepen in de gemeenschap met den drieëenigen God, in welke de
-geloovige door den doop wordt ingelijfd, Mt. 28:19. De Vader betuigt
-ons in den doop, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht,
-en ons tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, Gen. 17:7, 10, Hd.
-2:39. De Zoon verzegelt ons, dat Hij ons wascht in zijn bloed en ons
-inlijft in de gemeenschap zijns doods en zijner wederopstanding, Rom.
-6:3, Gal. 3:27. De H. Geest verzegelt ons, dat Hij in ons woont en ons
-tot lidmaten van Christus heiligt, 1 Cor. 6:11, 12:13, Tit. 3:5. Nader
-uitgewerkt, zijn deze weldaden: 1º de rechtvaardigmaking of de vergeving
-der zonden, Mk. 1:4, Hd. 2:38, 22:16, 1 Petr. 3:21, Hebr. 10:22. Doedes
-meent, dat deze weldaad niet bij den doop maar eerst bij het avondmaal
-in aanmerking komt, wijl de doop een doop der bekeering _tot_ vergeving
-der zonden wordt genoemd, Leer der Zaligheid 326. Maar deze opvatting
-wordt door Hd. 22:16, 1 Petr. 3:21, Hebr. 10:22 duidelijk weersproken;
-de bekeering is wel de weg, waarlangs de door Christus verworven
-vergeving in ons bezit en genot komt, maar de doop is juist van die in
-den weg van bekeering verkregen vergeving bewijs en onderpand; immers
-gaat de belijdenis der zonden en het rechtvaardigend geloof aan den doop
-vooraf. In den doop worden daarom ook alle zonden met al haar schuld en
-straf vergeven, niet alleen de verledene maar ook de tegenwoordige en
-toekomstige, want de rechtvaardigmaking is eene juridische daad, eene
-verandering van staat en daarom in eens, volkomen en voorgoed tot stand
-gebracht, cf. III 548. 2º De wedergeboorte, bekeering, afsterving van
-den ouden en opstanding van den nieuwen mensch door gemeenschap aan
-den dood en de opstanding van Christus, Mk. 1:4, Rom. 6:2-10, 1 Cor.
-6:11, Ef. 5:26, Col. 2:12. Volgens Rome wordt in den doop diezelfde
-genade teruggeschonken, welke Adam als donum superadditum ontving maar
-door de zonde verloor. Evenals nu in Adam als homo naturalis ook vóór
-den val de concupiscentia woonde, die door het donum superadditum
-beteugeld werd, zoo is dit bij den gedoopte het geval. De concupiscentia
-blijft in hem, maar deze is op zichzelve geen zonde en den mensch
-als bestaande uit vleesch en geest, van nature eigen. Alleen kan ze
-gemakkelijk aanleiding tot zonde worden, als de mensch, in plaats van
-door de bovennatuurlijke genade zich te laten leiden, naar haar luistert
-en haar inwilligt. Doch afgedacht van dit gevaar, dat den gedoopte
-altijd blijft dreigen, is hij door de genade, die hij in den doop ontvangt,
-niet alleen van alle schuld maar ook van alle smet der zonde bevrijd.
-Daartegenover sprak de Ned. Geloofsbel. art. 15 uit: de erfzonde is
-ook zelfs door den doop niet ganschelijk te niet gedaan noch geheel
-uitgeroeid (oorspr. in den Walschen tekst van 1561: et n’est pas aboli
-mesme par le baptesme, door de synode van 1566 vermeerderd met de
-woorden: ou desraciné du tout). Hoewel velen met Doedes, Ned. Gel.
-173 deze woorden afkeuren, zijn zij toch volkomen correct en met de H.
-Schrift in overeenstemming. Immers leert deze in de boven aangehaalde
-plaatsen zeer duidelijk, dat de doop, wel te verstaan als teeken en
-zegel, den mensch wederbaart en vernieuwt, de kracht der erfzonde in
-hem breekt, hem in nieuwigheid des levens doet wandelen, doch zoo, dat
-de zonde nog altijd in zijn vleesch blijft wonen en hem tegen zijn wil
-onder haar wet gevangen neemt. De erfsmet wordt dus wel ten deele en
-in beginsel maar niet ganschelijk door den doop als sacrament te niet
-gedaan; ofschoon zij den geloovige niet meer verdoemt, blijft zij toch
-nog in hem tot aan den dood toe eene onzalige fontein van allerlei
-zonde. 3º de gemeenschap, niet alleen met Christus zelven, maar ook
-met de gemeente, die zijn lichaam is. De gedoopte wordt behouden van
-het verkeerd geslacht, afgezonderd van de wereld, Hd. 2:40, 41, tot
-een discipel van Jezus gemaakt, Mt. 28:19, Joh. 4:1, in zijne gemeente
-ingelijfd, 1 Cor. 12:13, en dus ook tot een wandel in oprechtheid, Gen.
-17:1, en in nieuwigheid des levens, Rom. 6, tot belijdenis van Gods
-naam en tot onderhouding van Jezus’ geboden verplicht, Mt. 28:19. Al
-deze weldaden zijn den gedoopte reeds geschonken vóór den doop in het
-woord des evangelies; ze zijn zijnerzijds aangenomen door het geloof;
-maar nu worden zij hem in den doop nog beteekend en verzegeld. Het mag
-dus niet zoo voorgesteld, alsof in het geloof vóór den doop slechts
-enkele of in elk geval niet alle weldaden werden geschonken, en dat
-de ontbrekende dan nog in den doop worden verleend. Want het woord
-bevat alle beloften en het geloof neemt ze alle aan. Er is geen enkele
-genade, die niet door het woord en alleen door het sacrament wordt
-uitgedeeld. Ook de inlijving in het lichaam van Christus geschiedt door
-het geloof en ontvangt in den doop haar teeken en zegel. De doopsgenade
-bestaat en kan naar Schrift en Ger. belijdenis nergens anders in bestaan
-dan in declaratio en confirmatio, Heid, Catech. 66. 69. Cf. voorts
-Calvijn, Inst. IV 15. Martyr, Loci Comm. p. 435. Polanus, Synt. p. 495.
-Bullinger, Huysboek 1612 fol. 254. Ursinus, Explic. Cat. qu. 69 sq. enz.
-
-
-7. Tot zoover is er tusschen de christelijke kerken in hoofdzaak
-overeenstemming in de leer des doops. Maar allerlei verschil openbaart
-zich, zoodra de kinderdoop ter sprake komt. Van het begin zijner
-invoering af tot op den huidigen dag toe wordt deze door een aanzienlijk
-deel der Christenheid verworpen, vooral op deze twee gronden, dat hij
-in de Schrift niet voorkomt en naar zijne oorspronkelijke instelling
-altijd geloof en bekeering onderstelt, welke in kinderen niet vallen of
-in elk geval niet geopenbaard en onderkend kunnen worden, cf. William
-Wall, The history of Infant Baptism., 4 vol. new ed. Oxford 1836.
-A. H. Newman, A history of Antipaedobaptism from the rise of
-Paedobaptism. to A. D. 1609. Philad. American Baptist Publication
-Society 1897. Strong, Syst. Theol. 534-538. Inderdaad ontbreekt ook tot
-den tijd van Tertullianus toe alle rechtstreeksch en stellig getuigenis,
-dat de doop aan kinderen der geloovigen bediend werd. Maar uit dit
-stilzwijgen mag toch niet te veel worden afgeleid. Het spreekt vanzelf,
-dat in de eerste en tweede eeuw, toen de christelijke kerk zich snel
-in de wereld uitbreidde, de proselietendoop veel meer de aandacht
-trok dan de kinderdoop. Eerst was de bejaardendoop de gewone, telkens
-voorkomende doop; daarnaast kwam toen langzamerhand de kinderdoop
-op; en eindelijk, toen de kerk gevestigd en het eene na het andere
-volk gekerstend was, werd de kinderdoop regel en de proselietendoop,
-behalve in Heidenlanden, uitzondering. Als Tertullianus dan ook voor
-het eerst van den kinderdoop gewag maakt, de bapt. 18, bestrijdt hij
-hem wel is waar, maar niet op grond daarvan, dat hij eene nieuwigheid
-is en in den apostolischen tijd niet gebruikelijk, maar omdat zijne
-overtuiging in het algemeen deze is, dat cunctatio baptismi utilior
-est. Si qui pondus intelligant baptismi, magis timebunt consecutionem
-quam dilationem. In deze overtuiging stond Tertullianus niet alleen.
-Zoolang het Christendom zich nog in de dorpen, steden en landen, waar
-het gevestigd was, onder Heidenen uitbreiden kon en er dus altijd nog
-overgangen plaats hadden, waren velen van meening, dat men niet beter
-doen kon dan den doop zoo lang mogelijk uit te stellen, omdat men anders
-gevaar liep, om later weer in zonden te vallen en de in den doop
-ontvangen genade te verliezen. Maar Tertullianus was de eenige, die
-deze beschouwing ook bij de kinderen der geloovigen wilde laten gelden.
-De kerk, ook in Afrika, stoorde zich echter aan deze bestrijding niet,
-en ging met den kinderdoop voort; Origenes getuigt, dat de kinderdoop
-in zijne dagen algemeen in gebruik en van de apostelen afkomstig was;
-en Cyprianus verdedigt in overeenstemming met het in 256 te Carthago
-gehouden concilie, dat de kinderdoop niet eerst op den achtsten maar
-reeds op den tweeden of derden dag na de geboorte moet worden bediend.
-Cf. Höfling, Das Sakr. der Taufe I 104 f. Zoodra de kinderdoop regel
-en de bejaardendoop uitzondering werd, moest natuurlijk zijne beteekenis
-nader in het licht gesteld en zijne rechtmatigheid tegenover allerlei
-bestrijders verdedigd worden. Dit geschiedde op verschillende manier.
-1º Toen Augustinus tegenover de Pelagianen de erfzonde en dus ook
-de noodzakelijkheid van den doop voor kinderen verdedigde, moest hij
-zich rekenschap geven van het recht, dat kinderen hadden op den doop.
-Belijdende, dat de doop alleen voor geloovigen ingesteld was en toch
-erkennende, dat kinderen niet zelf gelooven konden, deed hij daarom een
-beroep op het geloof der ouders, die het kind ten doop presenteerden
-en in zijne plaats antwoordden. Pie recteque creditur, prodesse parvulo
-eorum fidem, a quibus consecrandus offertur, de lib. arb. III 23.
-Kinderen van geloovigen moeten zelf onder de geloovigen gerekend
-worden, want zij gelooven fide parentum. Credit in altero, qui peccavit
-in altero, de verbis apost. sermo de bapt. parv. c. Pelag. c. 14. En
-niet alleen ’t geloof der ouders maar van heel de kerk komt hun ten
-goede: offeruntur quippe parvuli ad percipiendum spiritalem gratiam,
-non tam ab eis quorum gestantur manibus, quamvis et ab ipsis, si et
-ipsi boni fideles sunt, quam ab universa societate sanctorum atque
-fidelium, ad Bonif. ep. 25. Op dezen grond hebben de kinderen der
-geloovigen volgens Augustinus recht op den doop, en in dien doop worden
-zij zelven de vergeving der zonden en de wedergeboorte deelachtig,
-echter met dien verstande, quod baptizatur parvulus, si ad rationales
-annos veniens non crediderit, nec se ab illicitis concupiscentiis
-abstinuerit, nihil ei proderit quod parvus accepit, de pecc. mer. et
-rem. I 20, cf. Bibl. studii theol. Chrispin 1565 p. 115-128, en voorts
-dezelfde voorstelling bij theologen van allerlei richting, Lombardus e.
-a. op Sent. IV dist. 4. Thomas, S. Theol. III qu. 68 art. 9. Bonav.
-Brevil. VI 7. Catech. Rom. II 2 qu. 27. 30. Bellarminus, de bapt. I 10.
-11. Luther bij Köstlin I 236. 352. II 88. Calvijn, C. R. VIII 483. 493.
-Beza, Tract. theol. III 345 en vele anderen, Oecolampadius, Zanchius,
-Perkins, Bucanus, Marlorat, Rivetus, Venema, Hartmann, cf. M. Vitringa
-VII 136. Quenstedt, Theol. IV 148. C. Vitringa, Observ. Sacrae II c. 6.
-Kalchreuter, Der stellvertretende Glaube und die Kindertaufe, Jahrb.
-f. d. Th. 1866 S. 523-544. 2º Zulk een fides aliena kan echter het
-gemis van persoonlijk geloof bij het kind niet vergoeden en leidt daarom
-ongemerkt tot de leer van eene wedergeboorte door den doop. Het geloof
-der ouders of der kerk moge aan het kind recht geven, om gedoopt te
-worden, in het kind zelf is toch niets vereischt dan hoogstens eene van
-nature aanwezige capacitas passiva, een negatief obicem non ponere.
-Daarom ontvangt het kind, dat om zoo te zeggen door de gansche kerk
-met gebeden aan God opgedragen wordt, in den doop zelf de genade,
-die het behoeft. Maar die genade, welke het kind ontvangt, wordt dan
-weer zeer verschillend omschreven. Sommige scholastici zeiden, dat
-den kinderen bij den doop geen deugden werden ingestort noch actu noch
-habitu noch radice, maar dat deze hun later werden medegedeeld, wanneer
-zij opgroeiden, of ook, wanneer zij stierven, geschonken werden bij de
-scheiding der ziel van het lichaam; anderen meenden, dat de kinderen
-bij den doop de deugden ontvingen, hetzij secundum radicem, of secundum
-habitum, Comm. op Sent. IV dist. 4, bijv. Bonaventura ib. pars 2 art.
-2 qu. 2. Thomas, S. Theol. III qu. 69 art. 6. Trente stelde vast,
-dat de sacramenten des N. Test. de genade in zich bevatten en allen
-mededeelen, die geen hindernis in den weg stellen, zoodat ook de
-kinderen in den doop de genade en de deugden ontvangen ex opere operato
-en niet van te voren geloovigen zijn maar door den doop geloovigen
-worden, Trid. VII can. 6-8, de bapt. c. 13. 14. cf. Bellarminus, de
-bapt. I 10. 11. De Lutherschen bestreden, dat de kinderen vóór den
-doop geloof hadden en eveneens, dat zij in aliena fide werden gedoopt,
-maar leerden, dat zij in den doop het geloof ontvingen, en wel niet
-habitu of potentia slechts, doch zelfs actu. Per baptismum et in
-baptismo Spiritus S. fidem veram, salvificam, vivificam et _actualem_
-accendit in infantibus, unde et infantes baptizati vere credunt,
-Quenstedt IV 147. Ook enkele Gereformeerde theologen Pareus, Baronius,
-Forbesius à Corse, Davenant, Ward, de Brais in Saumur e. a. leerden,
-dat aan alle kinderen in den doop eene zekere genade van vergeving
-en wedergeboorte geschonken werd, welke, wanneer zij jong stierven,
-voldoende ter zaligheid was, maar anders hunnerzijds door persoonlijk
-geloof aanvaard en bevestigd moest worden, cf. Witsius, de efficacia
-baptismi in infantibus, Misc. Sacra II 618. Voetius, II Disp. 409. M.
-Vitringa VII 72. En hiermede komt de leer der High Churchmen van
-een baptismal regeneration overeen. 3º Maar deze leer wordt door
-vele bezwaren gedrukt. De fides aliena, die eerst bij Augustinus e.
-a. nog als eene herinnering aan het volgens de Schrift voor den doop
-vereischte geloof gehandhaafd werd, wordt geheel overtollig, als de
-doop ex opere operato de genade meedeelt en in het kind niets anders
-dan eene capacitas passiva onderstelt. Wanneer kinderen dan reeds de
-genade des doops kunnen ontvangen, als zij geen obex in den weg stellen,
-verdient het aanbeveling, om zooveel mogelijk kinderen, ook heidensche,
-te doopen, want zij zijn allen passief en dus allen vatbaar voor de
-ontvangst der genade; de Scotistische school verdedigde dit dan ook
-tegenover de Thomistische en bepaalde de practijk der Roomsche kerk,
-Schwane, D. G. III 621. Ten tweede wordt de doop van zijn Schriftuurlijk
-karakter beroofd, wijl hij losgemaakt wordt van het geloof en het woord,
-ophoudt teeken en zegel van Gods beloften te zijn, een zelfstandig,
-onafhankelijk, ex opere operato werkend genademiddel wordt en zelfs
-onder de genademiddelen de eerste en voornaamste plaats inneemt.
-En eindelijk worden de weldaden, welke de doop mededeelt, eenerzijds
-overdreven en andererzijds verzwakt. Want met het oog op de feiten,
-die Schrift en ervaring aan de hand doen, kan niemand volhouden,
-dat alle gedoopte kinderen later blijken geloovigen te zijn en zalig
-te worden. Zoo moet men dan aannemen, dat de weldaden, in den doop
-geschonken, verliesbaar zijn en later door persoonlijk geloof aanvaard
-moeten worden. Zij zijn genoegzaam ter zaligheid voor jongstervende, en
-ongenoegzaam voor opwassende kinderen, en plaatsen deze laatste in een
-twijfelachtigen toestand tusschen geloovigen en ongeloovigen in, Ex. v.
-h. Ontw. v. Tol. VI 282-287. VII 493-495. Moor V 489. Witsius t. a. p.
-De Gereformeerden keerden daarom tot de Schrift terug en namen bij de
-verdediging van den kinderdoop eenparig hun standpunt in het verbond
-der genade, dat naar Gods belofte niet alleen de geloovigen maar ook
-hun zaad omvatte. Niet wedergeboorte, geloof of bekeering, en veel
-minder ons vermoeden dienaangaande, maar alleen het verbond der genade
-gaf, beide bij volwassenen en bij kinderen, recht op den doop, Calvijn,
-Inst. IV 16, 23. 24, cf. Kramer. Het verband van doop en wedergeb.
-122. Dit verbond was de vaste, Schriftuurlijke, objectieve grond,
-waarop alle Gereformeerden gemeenschappelijk en zonder onderscheid
-het recht van den kinderdoop deden rusten; een anderen, dieperen,
-hechteren grond hadden zij niet. Maar de Anabaptisten voerden altijd nog
-een tweede bewijs tegen den kinderdoop aan; zij beweerden, niet alleen
-dat de kinderdoop in de Schrift niet voorkwam, maar ook, dat kinderen
-geen geloof en bekeering konden hebben of toonen en daarom ook niet
-gedoopt mochten worden. Daartegenover betoogden de Gereformeerden,
-dat kinderen wel niet, gelijk de Lutherschen, den actus fidei, maar
-toch zeer zeker den habitus fidei konden bezitten. Zij drukten zich
-zeer verschillend uit; men sprak van fides in semine, in radice, in
-inclinatione, in potentia, in habitu, in principio, in virtute interna
-Spiritus, van semen regenerationis enz., cf. M. Vitringa VII 134. Maar
-in de zaak zelve was er volkomen overeenstemming. Alle Gereformeerden
-hielden op grond van de Schrift, Jer. 1:5, Luk. 1:5 en overeenkomstig
-de katholiciteit van de christelijke religie tegenover de Anabaptisten
-staande, dat kinderkens evengoed als volwassenen door God in genade
-aangenomen, door zijn Geest wedergeboren en met het zaad des geloofs
-begiftigd konden worden. En hieraan hadden zij tegenover de Anabaptisten
-genoeg. De onderlinge verschillen die zich voordeden, zoodra zij hunne
-beginselen gingen uitwerken en toepassen, boven bladz. 226, traden bij
-deze gemeenschappelijke overtuiging op den achtergrond.
-
-
-8. Het recht van den kinderdoop hangt uitsluitend daarvan af, hoe de
-Schrift de kinderen der geloovigen beschouwt en dus wil, dat wij ze
-beschouwen zullen. Als de Schrift over zulke kinderen op dezelfde
-wijze als over volwassen geloovigen spreekt, dan staat het recht en
-ook daarmede de plicht van den kinderdoop vast; want wij mogen aan
-kinderen niet onthouden wat wij aan volwassenen schenken. Bij den doop
-van kinderen is het dus niet geoorloofd, om minder, doch evenmin, om
-meer dan bij den doop van bejaarden te eischen. In het laatste geval zijn
-wij en moeten wij naar de Schrift er mede tevreden zijn, dat iemand zijn
-geloof belijdt. Nooit zijn wij volkomen zeker, dat iemand geen huichelaar
-is en dus ongerechtigd het sacrament ontvangt; maar daarover komt ons
-het oordeel niet toe, de intimis non judicat ecclesia. Zoo is het
-ook bij den kinderdoop. Wie volstrekte zekerheid wil, kan nooit eenig
-sacrament uitdeelen. De vraag is alleen, of de zekerheid, dat wij in
-de kinderen der geloovigen met geloovigen te doen hebben, dezelfde is
-als die, welke wij bezitten aangaande hen, die op volwassen leeftijd hun
-geloof belijden. Eene andere, sterkere zekerheid hebben wij niet noodig
-en mogen wij niet eischen. Zoo de vraag gesteld, geeft de Schrift een
-duidelijk antwoord. 1º Allereerst dient de bevreemding weggenomen, dat
-het N. Test. nergens met zooveel woorden van den kinderdoop spreekt.
-Dit feit is daaruit te verklaren, dat de doop van volwassenen in
-de dagen des N. T. de regel en de kinderdoop, zoo hij al voorkwam,
-uitzondering was. Het was de tijd, waarin de christelijke kerk door
-overgang uit Jodendom en Heidendom gesticht en uitgebreid werd. En
-het was juist die overgang, die duidelijk in den doop afgebeeld werd.
-De bejaardendoop is daarom de oorspronkelijke doop; de kinderdoop is
-afgeleid; gene moet niet naar dezen, maar deze moet naar genen worden
-geconformeerd. Daarmede vervalt het recht van den kinderdoop niet,
-noch ook heeft het ter zijner handhaving naar Roomsche bewering de
-traditie van noode; want ook wat bij wettige gevolgtrekking uit de
-Schrift afgeleid wordt, is even bondig als wat er uitdrukkelijk in
-vermeld staat. Zoo handelt de kerk ieder oogenblik in de bediening
-des woords, in de practijk des levens, in de ontwikkeling der leer; zij
-blijft nooit bij de letter staan maar leidt uit de gegevens der Schrift
-onder de leiding des H. Geestes gevolgtrekkingen en toepassingen
-af, die haar leven en ontwikkeling mogelijk maken en bevorderen. En
-zoo handelt zij ook, als zij van den bejaardendoop tot den kinderdoop
-overgaat. De Schrift geeft den algemeenen regel aan, wanneer de doop
-mag en moet worden toegepast, en de kerk past dezen regel concreet in
-het leven toe. Zij behoeft nergens te zeggen, dat kinderen mogen gedoopt
-worden; zij zegt genoeg, als zij kinderen beschouwt op dezelfde wijze
-als volwassenen, die tot belijdenis des geloofs zijn gekomen, en nooit
-gewag maakt van eene doopsbediening aan zulke volwassenen, die uit
-Christenouders geboren waren. 2º In het O. Test. werd de besnijdenis
-bediend aan kinderen van het mannelijk geslacht op den achtsten dag na
-hunne geboorte. Volgens Col. 2:11, 12 is deze besnijdenis vervangen
-door den doop. Immers de Colossers zijn, ofschoon Christenen uit de
-Heidenen, evengoed besneden als de Joden. Maar zij zijn besneden, niet
-met eene vleeschelijke, door handen verrichte besnijdenis, welke bestaat
-in de uittrekking van het σωμα της σαρκος, van heel de vleeschelijke,
-zondige natuur. En zij heeft plaats gehad in Christus, door middel en
-uit kracht van de besnijdenis, welke Christus zelf ten opzichte van de
-zonde in zijn dood heeft ondergaan, op het oogenblik toen zij in den
-doop met Christus begraven en opgewekt zijn. Door den dood van Christus
-heen, die eene volkomene aflegging en overwinning van de zonde was en
-dus de idee van de besnijdenis ten volle realiseerde, is die besnijdenis
-verouderd en in den doop tot hare antitypische vervulling gekomen. De
-doop is dus meer dan de besnijdenis, niet in wezen maar in graad; de
-besnijdenis wees naar den dood van Christus heen, de doop wijst ernaar
-terug; gene eindigt, deze begint met dien dood. Indien nu echter die
-besnijdenis reeds als teeken des verbonds aan kinderen mocht en moest
-worden bediend, dan geldt dit a fortiori van den doop, die niet armer
-maar veel rijker aan genade is. Dat komt mede daarin uit, dat het
-sacrament des O. V. alleen aan mannelijke, maar dat des N. V. ook aan
-vrouwelijke personen wordt bediend; en ook de tegenstanders van den
-kinderdoop erkennen in dit opzicht de rijkere genade van den doop. De
-zonde draagt n.l. bij menschen het karakter van σαρξ; zij openbaart zich
-vooral in de organen der voortplanting en toont daar hare macht. De
-besnijdenis stelt dat in het licht, evenals ook de onreinheid der vrouw
-na het baren. Maar Christus heeft door zijn dood, die de ware besnijdenis
-is, alle zonde weggenomen, ook die, welke aan de voortplanting kleeft;
-Hij heeft de vrouw in zelfstandige betrekking tot zichzelven gesteld;
-Hij doet haar even goed als den man in zijne genade deelen; in Hem is er
-geen man of vrouw; en daarom worden beiden in den doop met Christus
-begraven en tot een nieuw leven opgewekt. En eindelijk blijkt de rijkere
-genade van het sacrament des N. V. ook nog daarin, dat de besnijdenis
-eerst op den achtsten dag na de geboorte mocht worden voltrokken, want
-de kinderen deelden zoolang nog in de onreinheid der moeder; maar
-nu, in de dagen des N. T. hebben de kinderen van hunne geboorte af
-recht op den doop, wijl zij van het eerste oogenblik van hun bestaan af
-deelen in de genade van Christus. 3º De besnijdenis is lang niet het
-eenige bewijs, dat het O. T. de kinderen beschouwt als deelgenooten des
-verbonds. Heel de verbondsidee brengt deze beschouwing mede. Daarin
-toch is het verbond van de verkiezing onderscheiden, dat het aantoont,
-hoe deze zich langs organischen en historischen weg realiseert. Het
-wordt nooit alleen met één enkel persoon gesloten maar in dien enkele
-ook terstond met zijn zaad. Het omvat nooit den persoon des geloovigen
-alleen, in het afgetrokkene, maar dien persoon concreet, gelijk hij
-historisch bestaat en leeft, dus hem niet alleen, maar ook al wat
-zijns is; hem voor zijn persoon niet alleen maar hem ook als vader of
-moeder, met zijn gezin, met zijn geld en goed, met zijn invloed en macht
-enz., deel III 226. Bepaaldelijk worden de kinderen in hem gerekend.
-Er is eene gemeenschap van ouders en kinderen aan zonde en ellende,
-ib. 129v. Maar er is daartegenover ook door God eene gemeenschap van
-ouders en kinderen aan genade en zegen gesteld. Kinderen zijn een zegen
-en een erfdeel des Heeren, Ps. 127:3. Zij worden altijd bij de ouders
-gerekend en met hen samengenomen; het gaat hun samen wel, Ex. 20:6,
-Deut. 1:36, 39, 4:40, 5:29; 12:25, 28. Zij dienen samen den Heere,
-Deut. 6:2, 30:2, 31:12, 13, Jos. 24:15, Jer. 32:39, Ezech. 37:25,
-Zach. 10:9; de daden en inzettingen Gods moeten door de ouders aan
-de kinderen worden overgeleverd, Ex. 10:2, 12:24, 26, Deut. 4:9, 10,
-40, 6:7, 11:19, 29:29, Jos. 4:6, 21, 22:24-27; het verbond Gods met
-zijn weldaden en zegeningen zet zich voort van kind tot kind en van
-geslacht tot geslacht, Gen. 9:12, 17:7, 9, Ex. 3:15, 12:17, 16:32,
-Deut. 7:9, Ps. 105:8 enz. Genade is geen erfgoed maar zij wordt toch in
-den regel uitgedeeld in de lijn der geslachten. Piorum infantibus primus
-ad salutem aditus est ipsa ex piis parentibus propagatio, Beza, Resp.
-ad coll. Mompelg. II 103 bij Gerhard, Loc. XX 211. 4º Deze beschouwing
-gaat over in het N. Testament. Jezus treedt evenals Johannes met de
-prediking op: bekeert u en gelooft het evangelie; Hij neemt den doop van
-Johannes over en verkondigt daarin, dat de Joden in weerwil van hunne
-besnijdenis bekeering en vergeving van noode hebben; de tegenstelling
-wordt langzamerhand zoo sterk, dat Jezus heel geen verwachting meer
-van zijn volk heeft en het volk Hem verwerpt en hangt aan het kruis. En
-toch desniettegenstaande blijft Hij de kinderen beschouwen als kinderen
-des verbonds, Mt. 18:2v., 19:13v., 21:15v., Mk. 10:13v., Luk. 9:48,
-18:15. Hij roept ze tot zich, omhelst hen, legt hun de handen op, zegent
-ze, zegt dat hunner is het koninkrijk der hemelen, stelt hen aan de
-volwassenen ten voorbeeld, waarschuwt dezen, om hen te ergeren, zegt
-dat hunne engelen over hen waken, en ziet in hun Hosannageroep eene
-vervulling der profetie, dat God het spreken der kinderen tot een macht
-heeft gemaakt, waardoor zij, die Hem haten, tot zwijgen worden gebracht,
-en uit hun mond zich lof, αἰνον naar de LXX, heeft toebereid. 5º Van
-dezelfde gedachte gaan de apostelen uit. Het verbond der genade, met
-Israel opgericht, is wel gewijzigd, wat de bedeeling betreft, maar in
-wezen hetzelfde gebleven, deel III 216v. De ἐκκλησια is in de plaats
-getreden van het Oudtest. Israel, zij is het volk Gods en God is haar
-God en Vader, Mt. 1:21, Luk. 1:17, Hd. 3:25, Rom. 9:25, 26, 11:16-21,
-2 Cor. 6:16-18, Gal. 3:14-29, Ef. 2:12, 13, Tit. 2:14, Hebr. 8:8-10,
-1 Petr. 2:9, Op. 21:3. Evenals in het O. Test., zijn onder dat volk
-Gods ook de kinderen der geloovigen begrepen. Immers, de gemeente
-des N. Test. is geen groep van individuen, maar een organisme, een
-lichaam, een tempel en is als zoodanig, als een volk, in de plaats van
-Israel getreden. Zij is als een wilde olijfboom, terwijl eenige takken
-zijn afgehouwen, op den stam van den tammen olijfboom geënt en alzoo
-zijn wortel en vettigheid deelachtig geworden, Rom. 11:16, 17. Daarom
-gaan soms gansche huisgezinnen tot het Christendom over. Het huisgezin
-zelf is eene instelling Gods, een organisch geheel, dat deelt in een
-gemeenschappelijken zegen of vloek. Jezus’ discipelen brengen vrede
-aan het huis, dat zij binnengaan, Luk. 10:5, en Hij zegt zelf, dat,
-als Zacheus gelooft, zijnen huize zaligheid is geschied, Luk. 19:9.
-De apostelen leeren niet alleen in den tempel maar verkondigen het
-evangelie van Christus ook telkens in de huizen, Hd. 5:42, 20:20. Met
-het hoofd des gezins wordt heel het huisgezin zalig, Hd. 11:14, 16:31,
-en gansche huisgezinnen gelooven en worden gedoopt, Hd. 16:15, 34,
-18:8, 1 Cor. 1:16. Hieruit is wel niet te bewijzen, dat de kinderdoop
-reeds door de apostelen is toegepast, maar uit het stilzwijgen is
-het tegendeel evenmin af te leiden; uit de vroege invoering van den
-kinderdoop, uit de algemeene erkenning, die hij terstond gevonden heeft,
-en uit het getuigenis van Origenes volgt de mogelijkheid en zelfs de
-waarschijnlijkheid, dat hij reeds was een apostolisch gebruik. Voorts zegt
-Petrus, dat de belofte des O. V., dat God de God der geloovigen en van
-hun zaad zou zijn, overgaat in de bedeeling des N. T., Hd. 2:39. Wel
-geldt dit allereerst de Joden, en is er van de Heidenen eerst sprake in
-de woorden: en allen die daar verre zijn. Maar dit neemt niet weg, dat
-de Joden, die zich tot Christus bekeeren, niet alleen voor zichzelven
-maar ook voor hunne kinderen de belofte des verbonds ontvangen; en de
-Heidenen, die tot het geloof komen, deelen in dezelfde voorrechten en
-staan volgens heel het N. T. in geen enkel opzicht bij de geloovigen
-uit de Joden ten achteren. Volgens Paulus, 1 Cor. 7:14, zijn zelfs
-de kinderen uit een huisgezin, waarvan een der beide ouders geloovig
-is geworden, heilig. Als zulk een geval zich voordeed, moest n.l. de
-geloovige echtgenoot niet denken, dat hij het huwelijksleven met de
-wederhelft niet voortzetten mocht. Integendeel, door het geloof van
-den eenen echtgenoot, wordt heel het huwelijk, wordt ook de andere
-echtgenoot geheiligd, ἡγιασται. En dit bewijst Paulus daarmede, dat
-immers de kinderen uit zulk een huwelijk niet ἀκαθαρτα maar ἁγια zijn.
-Dat stond dus vast, was algemeen aangenomen en kon daarom als argument
-dienst doen. Kinderen in een huisgezin, waarvan vader of moeder
-geloovig is, worden gerekend naar den geloovigen echtgenoot, zelfs al
-is deze de vrouw des huizes. De christelijke belijdenis geeft in zulk
-een huis den toon aan; zij is de maatstaf, waarnaar heel het gezin
-beoordeeld moet worden; het geloof is het hoogere, dat over het lagere
-domineert. De heiligheid, van welke Paulus hier spreekt, is niet als
-eene subjectieve, inwendige, maar als eene objectieve, theocratische te
-denken, want anders waren de kinderen en de man niet door de geloovige
-moeder en vrouw maar door zichzelven heilig. Ook denkt Paulus hier
-ganschelijk niet aan den kinderdoop, noch aan iets, dat als een grond
-daarvoor dienst moet doen. Maar het is er hem alleen om te doen, om aan
-te toonen, dat het christelijk geloof de natuurlijke levensordeningen
-niet verbreekt maar bevestigt en heiligt, cf. vs. 18-24. Voor den
-kinderdoop is deze plaats echter in zoover van belang, als zij leert,
-dat heel een gezin naar de belijdenis van den geloovigen echtgenoot
-gerekend wordt; de geloovige heeft de roeping, om niet alleen voor
-zichzelf maar met al wat het zijne is en met heel zijn gezin den Heere te
-dienen. Daarom worden de kinderen der geloovigen door de apostelen ook
-als Christenkinderen in den Heere vermaand, Hd. 26:22, Ef. 6:1, Col.
-3:20, 1 Joh. 2:13, 2 Tim. 3:15; ook kleinen kennen den Heere, Hebr.
-8:11, Openb. 11:18, 19:5, en worden gesteld voor den troon, Op. 20:5.
-Van eene neutrale opvoeding, die de kinderen op gevorderden leeftijd
-volkomen vrij en zelfstandig wil laten kiezen, weet de H. Schrift niets
-af, Trid. de bapt. c. 14. De kinderen der geloovigen zijn geen Heidenen,
-zijn ook geen duivelskinderen, die nog, gelijk Roomschen en Lutherschen
-leeren, bij den doop moeten geexorciseerd worden; maar het zijn kinderen
-des verbonds, wien de belofte even goed als den volwassenen toekomt,
-zij zijn in het verbond begrepen en zijn heilig non natura, Job 14:4, Ps.
-51:7, Joh. 3:6, Ef. 2:3, sed foederis privilegio, Heid. Cat. 74. Can.
-Dordr. I 17. 6º Dit alles klemt te meer, omdat de genade, vooral in de
-bedeeling des N. T. veel overvloediger is dan de zonde, Rom. 5:12-21.
-Indien de verwerping van den kinderdoop enkel en alleen daaruit
-voortkwam, dat hij niet met letterlijke woorden in de Schrift wordt
-geboden, zou zij met toegevendheid te beoordeelen zijn. Maar gewoonlijk
-hangt zij met geheel andere overwegingen saam en vloeit voort uit eene
-beperking der genade en uit eene miskenning van de catholiciteit van
-het Christendom. Immers stelt het Anabaptisme aan de genade, tenzij
-het de erfzonde ontkent en wedergeboorte voor kinderen onnoodig acht,
-een grens in den kinderlijken leeftijd, in het nog niet gekomen zijn tot
-jaren des onderscheids, dat is dus, in wetten en ordeningen, die door
-God zelven bij de schepping in de natuur zijn vastgesteld. Zulke perken
-kent echter de genade niet. Onder het O. Test. moge zij in zekeren zin
-binnen het volk van Israel besloten zijn geweest; te midden van dat
-volk was zij zoo ruim mogelijk. En in het N. T. is alle grens van volk
-en land, van geslacht en leeftijd, volkomen uitgewischt. In Christus
-is geen man of vrouw, geen Jood of Griek, geen kind of grijsaard, maar
-alleen een nieuw schepsel. De Vader heeft de wereld liefgehad; Christus
-is eene verzoening voor de geheele wereld en heeft ook voor kinderen
-zijn bloed vergoten; en de H. Geest, die Jezus ontvangen deed in Maria’s
-schoot en reeds van het eerste oogenblik van hun bestaan af aan een
-Jeremia en Johannes geschonken werd, heeft toegang tot ieder hart en
-wordt daarin door geen leeftijd of jonkheid belemmerd. Kinderen kunnen
-daarom, gelijk zij zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig
-zijn, op diezelfde wijze weder in Christus tot genade aangenomen worden.
-Al kunnen zij niet actu gelooven, zij kunnen toch wedergeboren worden en
-daarin tevens het vermogen des geloofs ontvangen. 7º Door dit alles
-is het recht en dus ook de plicht van den kinderdoop overvloedig
-betoogd. Want als kinderen der geloovigen zoo te beschouwen zijn, als
-de Schrift ons leert, dan hebben zij naar de Goddelijke instelling van
-den doop aanspraak op dit sacrament, in dezelfde en zelfs in sterkere
-mate dan de volwassenen, die belijdenis doen. Volstrekte zekerheid is
-er toch in geen van beide gevallen te verkrijgen. Bij de bejaarden
-kunnen wij evenmin over het hart oordeelen als bij de kinderen. Er
-is voor ons, die aan het uitwendige gebonden zijn, altijd slechts
-mogelijk een oordeel der liefde. Naar dat oordeel houden wij hen, die
-belijdenis doen, voor geloovigen en deelen hun de sacramenten uit; en
-naar datzelfde oordeel rekenen wij de kinderen der geloovigen tot de
-geloovigen zelven, omdat zij met hunne ouders in het verbond der genade
-begrepen zijn. Zelfs is de waarschijnlijkheid, dat de gedoopten ware
-geloovigen zijn, bij de kinderen grooter dan bij de volwassenen. Want
-niet alleen sluipt in eene baptistische kerk de verzwakking van de
-beteekenis van den doop, de verwaarloozing der tucht en de doodende
-macht van de gewoonte evengoed in als in eene kerk, die den kinderdoop
-in practijk brengt; maar bijna de helft der menschen sterft weg, voordat
-zij tot jaren des onderscheids zijn gekomen. Voor die allen ligt er in
-de Schrift, inzoover zij in het verbond der genade begrepen zijn, eene
-belofte des Heeren, welke zij niet met bewustheid en vrijwillig verwerpen
-kunnen. Indien zij vóór den tijd, dat zij dat doen kunnen, sterven, mogen
-godzalige ouders aan hunne verkiezing en zaligheid niet twijfelen,
-Can. Dordr. I 17, cf. Voetius, Disp. II 408. 417. M. Vitringa II 51.
-En zelfs bij die kinderen, die opwassen, mag en moet zoolang naar het
-oordeel der liefde, welke in de kerk van Christus heerschen moet, aan
-hun zaligheid worden geloofd, als het tegendeel niet duidelijk blijkt.
-Uit de kinderen der geloovigen wordt toch voortdurend de gemeente, de
-vergadering der ware Christgeloovigen, gebouwd. 8º Daarbij mag echter
-nooit vergeten worden, dat dit zoowel bij volwassenen als bij kinderen
-een oordeel der liefde is. Het is geen onfeilbare uitspraak, die
-de zaligheid van elken gedoopte vaststelt, maar alleen een regel,
-waarnaar de Schrift gebiedt, dat wij in de practijk van het kerkelijk
-leven handelen zullen. Grond voor den doop is niet het vermoeden, dat
-iemand wedergeboren is en zelfs die wedergeboorte zelve niet, maar
-alleen het verbond Gods. Op de subjectieve opinie van den dienaar
-des woords over den geestelijken staat van den doopeling komt het
-ganschelijk niet aan; of hij al dan niet voor zichzelven overtuigd zij
-van de oprechtheid des geloofs bij den doopeling, hij heeft daarmede
-niet te rekenen maar te handelen naar den geopenbaarden wil Gods en
-den regel van zijn woord. Maar bovendien, het baat niets om de oogen
-te sluiten voor het feit, dat de doop menigmaal toebediend wordt aan
-zulken, die later blijken niet te wandelen in den weg des verbonds.
-Schrift en ervaring leeren beide, dat niet alles Israel is wat Israel
-heet, dat er kaf is onder het koren, dat er in het huis Gods niet
-alleen gouden en zilveren maar ook aarden vaten zijn. Lang niet allen
-waren daarom wedergeboren, toen zij den doop ontvingen. Zelfs is het
-niet te bewijzen, dat de uitverkorenen altijd in hun jeugd, vóór den
-doop of zelfs vóór de geboorte, door den H. Geest zijn wedergeboren;
-God is vrij in de uitdeeling zijner genade en kan de vrucht van den doop
-ook op veel later leeftijd genieten doen. Daarom blijft er ook in de
-christelijke gemeente plaats voor de prediking van het evangelie, van
-wedergeboorte, geloof en bekeering. De profeten, Johannes de Dooper
-en Jezus zijn daarmede opgetreden te midden van hun volk, dat toch het
-eigendom des Heeren was; en ook de apostelen hebben het woord niet
-slechts bediend, om het verborgen leven tot openbaring te brengen, maar
-het ook als een zaad der wedergeboorte en als een middel tot werking
-des geloofs gepredikt. 9º Toch mag daarom het wezen van den doop niet
-afhankelijk gesteld worden van zijne uitwerking in het leven. Evenals
-het oprechte geloof blijft wat het naar de beschrijving van den Heid.
-Cat. 21 is, ook al vertoont de werkelijkheid er allerlei afwijkingen
-en misvormingen van, zoo ook is de doop en mag hij niet anders wezen
-dan wat de Schrift ervan leert. De echte, wezenlijke, christelijke doop
-is die, welke aan geloovigen toebediend wordt. Ofschoon de doop,
-evenals de uitwendige roeping, ook voor de ongeloovigen nog menigen
-zegen afwerpt, deel III 492, toch wordt zijne echte vrucht en volle
-kracht alleen door de geloovigen genoten. Objectief blijft de doop,
-evenals het woord, hetzelfde. Wie het woord, en zoo ook wie den doop
-in den geloove ontvangt, krijgt werkelijk deel aan de beloften, die God
-er mede verbonden heeft. God blijft zichzelf getrouw en schenkt de
-zaligheid aan een iegelijk, die gelooft. Maar het geloof is niet aller.
-Ten slotte wordt de vrucht van den doop alleen genoten door hen, die
-uitverkoren zijn en daarom op ’s Heeren tijd ook komen tot het geloof.
-In die uitkomst moeten allen berusten, hetzij zij Roomsch of Protestant,
-Luthersch of Gereformeerd zijn. Sacramenta in solis electis efficiunt
-quod figurant, zeide Augustinus en de scholastiek sprak het hem na,
-cf. Lombardus, Thomas, Bonaventura op Sent. IV dist. 4, en voorts ook
-Calvijn op Ef. 5:26. Inst. IV 14, 9. 10. C. R. VII 694. Beza, Tract. III
-124. Voetius, Disp. II 408. Westm. Conf. 28, 6. M. Vitringa VI 90. VII
-378. De uitverkorenen hebben het gegrepen maar de anderen zijn verhard
-geworden. De kinderen der belofte worden voor het zaad gerekend. 10º De
-weldaden van den doop zijn bij kinderen dezelfde als bij volwassenen, n.l.
-de vergeving der zonde, de wedergeboorte en de inlijving in de gemeente
-van Christus. En deze worden niet eerst in den doop geschonken maar zijn
-reeds door het geloof het deel van hem, die overeenkomstig den wille
-Gods den doop ontvangt. De doop schenkt geen enkele weldaad, welke niet
-in het woord reeds beloofd en door het geloof werd aangenomen, maar hij
-schenkt dezelfde weldaden als het woord slechts op eene andere wijze en
-in een anderen vorm, zoodat het geloof, naar de mate, welke God aan een
-iegelijk geschonken heeft, er door bevestigd en versterkt wordt. Ook
-voor kinderen gaat deze regel door. Want gelijk zij onbewust door den H.
-Geest wedergeboren en met het geloofsvermogen begiftigd kunnen worden,
-zoo kunnen zij ook door dienzelfden H. Geest buiten hun weten in dat
-geloofsvermogen versterkt worden. Er is hier, als op zoo menig terrein,
-eene geheimzinnige Wechselwirkung. Gelijk het licht en het oog elkander
-onderstellen en steunen, zoo geniet het geloof van het sacrament te
-meer naarmate het sterker is en wordt er tevens in diezelfde mate
-door verzegeld en bekrachtigd. De sacramenten nemen daarom voor den
-geloovige, als hij opwast, niet langzamerhand in beteekenis af maar
-winnen voortdurend voor hem aan waarde. Zij spreiden altijd schooner
-en heerlijker voor het oog des geloofs den rijkdom van Gods genade ten
-toon. Zij zijn voor ieder geloovige en voor heel de kerk een bewijs van
-ontvangen genade, een teeken van Gods trouw, een pleitgrond voor het
-gebed, een steunpilaar voor het geloof, eene vermaning tot nieuwe
-gehoorzaamheid. Cf. over den kinderdoop: Calvijn, Inst. IV c. 16.
-Ursinus, Tract. theol. 1584 p. 597-619. Junius, Theses Theol. 52. G.
-J. Vossius, Disput. XX de baptismo, disp. 13. C. Vitringa, Observ.
-Sacrae lib. II c. 6. Turretinus, Theol. El. XIX qu. 20. Moor V 476. M.
-Vitringa VII 99. Martensen, De Kinderdoop 1842. Wormser, De Kinderdoop
-1853. Pieters en Kreulen, De Kinderdoop 1861. Van Oosterzee, Dogm. §
-138. Thym, De beteekenis van den Christ. doop en het goed recht van
-den Kinderdoop 1884. Kuyper, Heraut 652v. Steitz art. Taufe in Herzog².
-Bartels, Die bibl. Lehre v. d. Taufe in Gegensatz zur bapt. Entw.,
-Jahrb. f. d. Theol. 1874 S. 69 f. Boy. Die Begründung der Kindertaufe,
-Neue Jahrb. f. deutsche Theol. 1895 S. 500-511. Lobstein, Zur Rechtf.
-der Kindertaufe, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1896 S. 278-298. Dorner,
-Chr. Dogm. II 818. 835 f., enz.
-
-
-9. Van dezen doop is Christus de bedienaar. En alleen als Hij doopt
-en met het teeken ook de beteekende zaak schenkt, is iemand waarlijk
-gedoopt. Maar bij de bediening van den doop maakt Christus van menschen
-gebruik, wien hij de uitdeeling der verborgenheden Gods opdraagt. Onder
-het O. T. was de besnijdenis aan geen ambt gebonden; ieder Israeliet
-mocht ze voltrekken; gewoonlijk deed het de huisvader, Gen. 17:23, in
-geval van nood ook de moeder, Ex. 4:25, 1 Makk. 1:60, later gewoonlijk
-de arts en tegenwoordig meest een bijzonder daarvoor aangestelde mohel.
-Maar in het N. T. wordt de doop alleen bediend door zulken, die in het
-ambt zijn gesteld, Johannes, Mk. 1:4, Jezus’ discipelen, Joh. 4:2, de
-apostelen, Hd. 2:38, aan wie het Mt. 28:19 door Christus bepaaldelijk
-was opgedragen, Philippus, die in Jeruzalem diaken was maar later als
-evangelist optrad, Hd. 21:8, en als zoodanig den doop bediende, Hd.
-8:38, Ananias, die aan Paulus de handen oplegde en hem waarschijnlijk
-ook doopte, Hd. 9:17, 18, Paulus, die soms zelf doopte maar overigens
-het doopen aan zijne medearbeiders overliet, wijl hij als apostel der
-Heidenen in de eerste plaats geroepen was tot verkondiging van het
-evangelie, 1 Cor. 1:14-17, cf. Hd. 10:48. De bediening der sacramenten
-blijkt hieruit duidelijk, ondergeschikt te zijn aan de prediking van het
-woord, maar daarmede toch ten allen tijde verbonden te zijn geweest. Het
-sacrament volgt het woord, en daarom ging het recht, om de sacramenten
-te bedienen, van de apostelen en evangelisten vanzelf op de leeraars
-over, op die presbyters, die arbeidden in het woord en de leer. Toen
-deze leeraars later als bisschoppen werden beschouwd, die in ambt
-van de presbyters onderscheiden en boven hen verheven waren, werd
-de doopsbediening een recht van den bisschop geacht, Tert. de bapt.
-c. 17. Maar de uitbreiding van de gemeenten en ook de meer en meer
-ingang vindende beschouwing, dat de doop ter zaligheid volstrekt
-noodzakelijk was, leidden er toe, dat de doop ook door presbyters,
-diakenen, parochi, en in geval van nood zelfs door ieder mensch, die
-zijn verstand heeft, bediend mocht worden. De Roomsche kerk erkent den
-doop, die door een ketter, ja zelfs dien, die door een ongeloovige,
-door een Jood of Heiden, bediend is, al is de vereischte intentio
-faciendi quod facit ecclesia hier moeilijk aan te wijzen, en behoudt
-zich daarin het recht, om op alle gedoopten het cogite intrare toe te
-passen; alleen het se ipsum baptizare erkent zij niet. Om zeker te gaan,
-heeft zij zelfs, indien er eenige twijfel bestaat of de doop bediend of
-juist bediend is, den conditioneelen doop ingevoerd, waarbij de dienaar
-zegt: si non baptizatus es, ego te baptizo etc., cf. Suicerus s. v.
-βαπτισμος. Comm. op Sent. IV dist. 5. Thomas, S. Theol. III qu. 67.
-Trid. VII de bapt. 4. Cat. Rom. II qu. 18. 23. 42. Bellarminus, de
-bapt. c. 7. Ook andere kerken, zooals de Grieksche, de Luthersche enz.
-leeren de noodzakelijkheid van den doop en stonden daarom in geval van
-nood zijne bediening aan leeken toe. Maar ten slotte durven zij geen van
-alle de consequentie aan, dat iemand enkel en alleen daarom, dat hij
-geheel buiten zijne schuld ongedoopt stierf, verloren zou gaan; allen
-laten uitzonderingen toe, waarin een baptismus sanguinis of flaminis
-voldoet. Conversio cordis potest inesse non percepto baptismo, sed
-contempto baptismo non potest, Lombardus, Sent. IV 4, 4. De Conf. Aug.
-art. 9 zegt in den lat. tekst wel van den doop, quod sit necessarius
-ad salutem maar leert in den duitschen tekst alleen, dass sie nöthig
-sei. De Luthersche theologen ontzeggen de zaligheid niet aan kinderen,
-die buiten de schuld der ouders ongedoopt gestorven zijn, Quenstedt,
-Theol. IV 164. En allen, die eene bijzondere genade door den doop
-laten meedeelen, erkennen, dat deze ook wel op andere wijze door God
-geschonken kan worden, Heraut 651. Daarom oordeelden de Gereformeerden
-ook anders. De doop was immers geen oorzaak maar teeken en zegel van
-de wedergeboorte, welke God schenkt vóór en zonder het sacrament; geen
-enkele weldaad werd door den doop verleend, die niet geschonken was
-door het woord en aangenomen door het geloof. Zoo kon dus de doop niet
-volstrekt noodzakelijk ter zaligheid zijn; niet de privatio baptismi op
-zichzelve, maar de contemptus baptismi maakt schuldig voor God. In
-Mk. 16:16 wordt daarom bij het tweede lid de doop weggelaten en in
-Joh. 3:5, welke plaats van de andere zijde algemeen van den doop wordt
-verstaan, Trid. VII de bapt. c. 2. Catech. Rom. II 2 qu. 31, is volgens
-Calvijn enz. van den doop geen sprake, al wordt er misschien ook aan den
-doop gedacht, want het water komt hier, evenals in Mt. 3:11 het vuur,
-als symbool van de werkzaamheid des H. Geestes voor en wordt in vs. 6
-en 8 in het geheel niet meer genoemd. Daarom is er ook geen reden, om
-van het apostolisch gebruik af te wijken en de bediening des doops in
-gevallen van nood ook aan andere personen dan de leeraars der gemeente
-toe te staan, Calvijn, Inst. IV 15, 20. Bucanus, Inst. 613. Perkins,
-Werken I 461. Voetius, Pol. Eccl. I. 631. M. Vitringa VII 75. 163. Moor
-V 435. Daarom waren de Gereformeerden er ook op gesteld, dat de doop
-steeds bediend zou worden in het midden der gemeente. Hoewel in het N.
-T. de doopsbediening plaats had overal, waar maar water was, Mt. 3:6,
-Joh. 3:23, Hd. 8:36, zoo werd het toch weldra, toen de geloovigen eigen
-vergaderplaatsen kregen, gebruik, om ze in deze te doen plaats hebben.
-Toch werd in gevallen van nood, in wintertijd, bij ziekten, voor vorsten
-en aanzienlijke personen eene uitzondering gemaakt en de doopsbediening
-in private woningen toegestaan. Dit is zeker met den algemeenen regel,
-die in de kerk gelden moet, in strijd. Al zijn er gevallen denkbaar,
-waarin de bediening des doops in de huizen mag plaats hebben; zij
-kunnen en mogen niet anders dan hooge uitzondering zijn, staan niet
-aan den dienaar des woords alleen maar aan den ganschen kerkeraad ter
-beoordeeling, en eischen ook dan zelfs, dat de bediening niet plaats
-hebbe dan in bijzijn van den kerkeraad. Want het komt bij de uitdeeling
-van het sacrament niet aan op het gebouw, maar wel op de vergadering
-der gemeente. Het sacrament is een bestanddeel van den openbaren
-eeredienst, is een goed, dat door Christus aan zijne kerk is geschonken
-en moet daarom met het woord openlijk in de gemeente bediend worden.
-Immers is het sacrament steeds vereenigd met het woord; Christus zelf
-heeft de bediening van den doop verbonden met die van het woord, Mt.
-28:19. Bij de planting der kerk onder eene niet-christelijke bevolking
-kan de doop uit den aard der zaak niet terstond in het midden van de
-vergadering der geloovigen plaats hebben. Maar zoodra deze er is,
-moeten bediening van woord en sacrament in haar worden overgebracht,
-want zij zijn een bestanddeel van den openbaren eeredienst en een goed
-der gemeente. Zoo werd in den apostolischen tijd het avondmaal in het
-midden der gemeente gevierd, 1 Cor. 11:20. En zoo behoort niet minder
-met den doop te geschieden, die immers juist de inlijving in Christus
-en zijne gemeente afbeeldt, 1 Cor. 12:13, en daarom het passendst in de
-openbare vergadering der geloovigen bediend wordt, Calvijn, Inst. IV 15,
-16. Voetius, Pol. Eccl. I 726-730. Moor V 510-512. M. Vitringa VII 171.
-Syn. Dordr. sess. 163. 175 K. O. art. 56.
-
-Over den tijd, waarop de doop bediend moest worden, heerschte in de kerk
-geen gering verschil. De besnijdenis werd voltrokken op den achtsten
-dag; de doop werd in het N. T. gewoonlijk terstond bediend, als iemand
-geloofde en belijdenis deed, Mt. 3:6, Hd. 2:41, 8:12, 36, 9:18, 10:47,
-16:15, 33, 18:8. Maar toen in het vervolg allerlei personen zich
-bij de kerk wilden voegen, die met haar leer en leven ten eenenmale
-onbekend waren, kwam reeds in de tweede eeuw het catechumenaat op,
-dat vervolgens steeds meer geregeld werd en volgens de synode van
-Elvira ± 300, twee jaren duren moest. Aan het einde daarvan werden
-de catechumenen, liefst op een der groote feestdagen, op plechtige
-wijze gedoopt en in de gemeente ingelijfd. Door de gedachte geleid, dat
-de doop alleen de verledene zonden vergaf, stelden velen zelfs den
-doop zoo lang mogelijk en tot op het sterfbed toe uit. Maar de meer
-en meer in gebruik komende kinderdoop en de leer van de volstrekte
-noodzakelijkheid van den doop dreven de kerk toch in eene andere
-richting. Het werd gewoonte, niet om den doop zoo lang mogelijk uit te
-stellen, maar om hem zoo spoedig mogelijk na de geboorte te bedienen.
-Eerst pleitten velen er nog voor, dat de doop bediend zou worden in
-het derde of dertigste levensjaar; maar anderen zagen hem het liefst
-bediend op den achtsten of op den veertigsten dag na de geboorte; de
-synode van Carthago 252 onder voorzitterschap van Cyprianus bepaalde
-reeds, dat de kinderen zoo spoedig mogelijk, op den tweeden of derden
-dag na hunne geboorte, gedoopt moesten worden, Cypr. Ep. 59; en dit
-werd spoedig algemeen gebruik en voor eene apostolische gewoonte
-aangezien, cf. Suicerus, s. v. βαπτισμος en κλινικος. Schwane, D. G.
-I 378. II 755. Moeller-Schubert, Kirchengesch. I 338. De Grieksche
-kerk heeft geen bepaling over den tijd, maar stelt den doop toch
-gewoonlijk niet langer dan tot den achtsten dag uit en bedient hem in
-geval van nood ook reeds vroeger, zelfs terstond na de geboorte. De
-Roomsche kerk dringt er op aan, dat het kind zoo spoedig mogelijk na
-de geboorte gedoopt worde, Trid. VII de bapt. c. 12. Catech. Rom. II
-2 qu. 28. Met dezen algemeenen regel stemmen de Lutherschen, Gerhard,
-Loc. XX 245 en ook de Gereformeerden in. De prov. synode van Dordrecht
-1574 art. 57 verklaarde zelfs, dat de affectie der ouderen, die den
-doop haarder kinderen begeeren uit te stellen, ter tijd toe, dat de
-moeders zelve hare kinderen presenteren, ofte op de gevaders lange
-wagten, en is geen wettelyke oorzake om den doop uit te stellen. Maar
-geen andere synode nam deze uitspraak over. Ofschoon alle noodeloos
-uitstel afgekeurd en telkens op spoedige presentatie van het kind
-ten doop aangedrongen wordt, is het toch volstrekt de bedoeling van
-de kerkordeningen niet, om, als zij alleen spreken van de vaders, de
-moeders uit te sluiten, maar om het stelsel van getuigen tegen te gaan
-en dezen niet de plaats der vaders te laten innemen, cf. Bucanus, Inst.
-634. Bullinger, Huysboek 1612 f. 249 f. Synopsis pur. theol. 44, 52.
-Voetius, Pol. eccl. I 724. Moor V 512. M. Vitringa VII 176. Het stelsel
-van doopgetuigen, ἀναδοχοι, sponsores, fidejussores, susceptores,
-compatres, commatres, patrini, matrinae, patres et matres spirituales,
-kwam op, toen de kinderdoop algemeen gebruik werd, en wordt reeds door
-Tertullianus, de bapt. 18, vermeld. Er waren nu personen van noode,
-die in de plaats van het kind belijdenis deden en de gebruikelijke
-vragen beantwoordden; die als het ware als borgen, sponsores, voor
-het kind optraden, en beloofden, om het later op den grondslag van
-den doop christelijk op te voeden. Zij waren de vertegenwoordigers der
-kerk, die immers zelve eigenlijk in haar geheel het kind ten doop houdt
-en het draagt met haar gebed. Nu lag het voor de hand, om de ouders
-als zulke sponsores bij den doop van het kind te laten optreden. En in
-den eersten tijd geschiedde dit ook alzoo. Maar langzamerhand werden
-vaderschap en peterschap naast elkander gesteld, evenals geboorte en
-wedergeboorte, natuurlijke en geestelijke verwantschap. Ouders waren
-vanzelf al verplicht tot christelijke opvoeding van hun kind en schenen
-eene bijzondere gelofte daartoe niet meer op zich te kunnen nemen. Zij
-waren de natuurlijke ouders van het kind, maar het peterschap was eene
-gansch andere geestelijke verwantschap, en werd daarom allengs een
-impedimentum matrimonii tusschen de susceptores eener- en den doopeling
-en zijne ouders anderzijds en ook tusschen hen zelven. Het concilie van
-Mainz 813 verbood dan ook reeds: nullus proprium filium vel filiam
-de fonte baptismatis suscipiat, cf. Catech. Rom. II 2 qu. 20-24.
-Maar deze zelfde Catechismus moest reeds klagen, dat deze dienst in
-de kerk zoo verwaarloosd was, ut nudum tantum hujus functionis nomen
-relictum sit. Lutherschen en Gereformeerden achtten dit stelsel van
-doopgetuigen volstrekt niet noodzakelijk, dewijl het in de Schrift niet
-voorgeschreven of vermeld was, maar hielden het toch gewoonlijk voor
-een adiaphoron, dat soms wel van eenig nut kon zijn, Gerhard, Loc. XX
-267. Buddeus, Inst. p. 1071. Dordsche Kerkenorde 57. Synopsis pur.
-theol. 44, 54. Bucanus, Inst. theol. 640. Voetius, Pol. eccl. I 704.
-Moor V 509. M. Vitringa VII 159. Maar de Gereformeerden legden er toch
-vooral nadruk op, dat in de eerste plaats de _ouders_ de vragen bij den
-doop zouden beantwoorden en als susceptores en sponsores voor hun kind
-zouden optreden, en eischten, dat als er getuigen werden genomen, dezen
-van zuivere belijdenis en wandel zouden zijn. Calvijn, Op. ed. Amst. IX
-142. Hooyer, Oude Kerkenordeningen bl. 7. 11. 17. 46. 69. 105. 153.
-205. 265. 314. 344. 456. Daar komt nog bij, dat in de Roomsche kerk de
-peters en meters dienst moeten doen, om het kind in de leer des geloofs
-te onderwijzen, wijl de pastoors, zooals de Catech. Rom. II 2 qu. 20
-zegt, er geen tijd voor hebben. Maar de Gereformeerde kerk voerde op
-voorgang van Calvijn de catechese der gedoopte jeugd in en droeg deze
-aan de leeraar op. Zoo is in eene goed ingerichte Gereformeerde kerk
-het stelsel van getuigen, dat overigens spoedig in een nudum nomen
-ontaardde, behalve in enkele bijzondere gevallen overbodig en onnoodig
-geworden en practisch ook zoo goed als verdwenen. Cf. Suicerus, s. v.
-ἀναδοχοι. Höfling, Das Sakr. der Taufe II 4-20. Steitz in Herzog² 15,
-247.
-
-Heel deze leer des doops, gelijk zij door de Gereformeerden ontwikkeld
-werd, stelt in het licht, hoe eng zij zich aansloten bij de H. Schrift.
-Des te meer verdient het de aandacht, dat zij desniettemin of liever
-juist daarom in hunne erkenning en bediening van den doop alle
-sectarisme wisten te vermijden en eene echt-christelijke ruimte van
-hart en breedte van opvatting bewaarden. In overeenstemming met de
-katholieke kerk in haar strijd tegen de Afrikaansche kerken leerden
-ook de Gereformeerden eenparig, dat de ketterdoop, mits bediend in
-den naam van God drieëenig, erkend moest worden; maar wijl zij de
-doopsformule niet magisch opvatten en den doop niet losmaakten van kerk
-en ambt, voegden zij er de nadere beperking aan toe, dat hij bediend
-moest zijn door een in eene christelijke gemeente erkenden dienaar. Cf.
-Dr. G. van Goor, De strijd over den Ketterdoop. Utr. 1872. Herzog²
-art. Ketzertaufe. Calvijn bij Herzog, Das Leben Joh. Calvins II 486.
-Voetius, Pol. eccl. I 631-645. Turretinus, Th. El. XIX qu. 15. Moor
-V 443-453. Syn. Dordr. 1574 vr. 10. Midd. 1578 vr. 29. Dordr. 1618
-sess. 162. En van den doop sloten zij wel uit alle zaken en voorwerpen,
-alle doode, omgekomene of nog slechts ten deele geboren personen, alle
-monstra, alle kinderen ook van Heidensche ouders, die gevangen genomen
-waren, Syn. Dordr. 1618 sess. 18. 19, maar zij lieten tot den doop toe
-alle kinderen, die na den dood hunner ouders of als vondelingen in
-christelijke familiën waren opgenomen, die uit een onwettig huwelijk of
-uit excommunicati, schismatieken, ketters geboren waren, indien er maar
-eenige grond voor het vermoeden bestond, dat de lijn des verbonds niet
-geheel was afgebroken. Voetius I 645-670. Moor V 500-509. M. Vitringa
-VII 95. 142-159. De Gereformeerden zijn eer van te ruime dan van te enge
-erkenning en bediening des doops te beschuldigen. Maar daardoor hebben
-zij toch op uitnemende wijze de eenheid en catholiciteit der kerk van
-Christus op aarde gehandhaafd. Alle christelijke kerken erkennen nog
-elkanders doop en spreken daarmede feitelijk uit, dat in haar alle nog
-zooveel waarheid aanwezig is, dat de mogelijkheid van zalig te worden
-niet is uitgesloten. Er is ééne belijdenis, op welke zij alle gebouwd,
-één geloof, dat zij alle deelachtig zijn. In weerwil van alle verschil en
-strijd, erkennen allen toch één Heer, één geloof, één doop.
-
-
-§ 53. HET AVONDMAAL.
-
-1. Bij den doop komt als tweede sacrament het avondmaal, dat onder het
-O. Test. zijn voorbeeld in het pascha had. Evenals bij de Heidenen, Num.
-25:2 waren ook bij Israel met de offers dikwerf maaltijden verbonden.
-Soms werden de offers op het brandofferaltaar geheel verbrand, maar
-bij andere werd slechts een gedeelte verbrand en het overige voor
-gebruik bewaard, hetzij door de priesters alleen bij het altaar, Lev.
-2:3, 10, 6:16, 25-30, 7:1-10, 10:12, 13, ter verzoening, Num. 10:17;
-hetzij door den dienstdoenden priester met zijne familie op eene reine
-plaats tot zijn onderhoud, Lev. 7:12-14, 31-34, 10:14; hetzij door
-den offeraar met zijne familie en gasten, mits levietisch rein, en
-buiten het heiligdom, Lev. 7:19-21, Deut. 12:7, 12, 1 Sam. 9:13v., 2
-Sam. 6:19. De beteekenis dezer maaltijden was, dat God met zijn volk
-samenkwam en op grond van de gebrachte en aangenomen offerande in
-vreugde zich met zijn volk vereenigde. In dit heiligdom komt God tot
-de kinderen Israels en woont onder hen, Ex. 20:24, 29:42-46, 33:7,
-Num. 11:25, 12:5, 17:4, Deut. 31:15; Hij is de gastheer, die een deel
-der Hem gebrachte offerande afstaat en zijn volk ten maaltijd noodigt;
-wie eraan deelnam, trad met Hem in verbond. Het deelnemen aan de
-Heidensche offermaaltijden was daarom aan Israel verboden, Ex. 34:15;
-het was גצמד, een zich verbinden met, een zich aansluiten bij de valsche
-goden, Num. 25:3, 5, Ps. 106:28; de apostelen verboden ze later aan
-de Christenen, Hd. 15:29, 21:25, of waarschuwden er tegen om der
-zwakgeloovigen wil, 1 Cor. 8:1v., 10:18v. Als zulke vereenigingen
-van God met zijn volk en ook onderling, droegen deze maaltijden een
-karakter van blijdschap en vreugde en gaven menigmaal wel aanleiding
-tot brasserijen en dronkenschappen, 1 Sam. 1:13, Jes. 28:8, Spr. 7:14,
-maar dienden andererzijds ook tot beelden en onderpanden der hoogste
-vreugde in God, Deut. 27:7, Ps. 22:26v., Jes. 25:6, 62:8, 9, cf. art.
-Opfermalzeiten in Herzog². Zulk een offermaaltijd had er vooral bij het
-pascha plaats. Vele Protestanten hielden tegenover Rome staande, dat
-het pascha daarin geheel en al opging, Moor V 322. Witsius, Oec. foed.
-IV 9, 6. Maar dit is ongetwijfeld onjuist; het pascha was allereerst
-een sacrificium en daarna een sacramentum. In Ex. 12:27, 34:25 heet
-het een זֶבַח voor den Heere; de handeling, die ermede gepaard ging,
-heet עֲבֹדָה, Ex. 12:26; en het vieren ervan wordt Num. 9:7 een brengen
-van een קָרְבַּן aan den Heere genoemd. Voorts moest de huisvader,
-nadat hij vier dagen vóór het feest, op den 10{en} Abib of Nisan, een
-eenjarig, mannelijk, volkomen lam heeft afgezonderd, dit op den 14{en}
-dier maand tusschen de twee avonden slachten en van het bloed met een
-bosje hyzop strijken aan de twee posten en den bovendorpel der huisdeur,
-Ex. 12:3v. Dit bloed diende ter verzoening. Op zichzelf had Israel
-evengoed als de Egyptenaren den dood verdiend; maar het wordt toch
-niet als Egypte behandeld doch door den Heere genadig uit den dood
-gered en uit het land der dienstbaarheid verlost. Daarvoor moest het
-bloed ten teeken zijn. Als de Heere dat bloed aan de huisdeur zag, was
-Hij verzoend, legde Hij zijn toorn af en ging Hij sparend voorbij, (פסח,
-over iets heenschrijden, voorbijgaan, Jes. 31:5, vandaar פֶּסַח, πασχα),
-Ex. 12:13, 23, 27. Nog duidelijker blijkt het sacrificieel karakter van
-het pascha uit de wijze, waarop het later in Kanaän gevierd wordt.
-Daar wordt het lam niet meer door den huisvader maar door de Levieten
-geslacht, 2 Chr. 30:16, 35:11, Ezr. 6:19; het bloed wordt door de
-priesters op het altaar gesprengd, 2 Chron. 30:16, 35:11; de vetdeelen
-op het altaar verbrand, 2 Chron. 35:14; en de maaltijd bij het heiligdom
-gehouden, Deut. 16:2. Maar al is het pascha dus in de eerste plaats
-eene offerande, het gaat daarin toch niet op, het wordt straks een
-maaltijd. Nadat het lam tusschen de twee avonden op den 14{en} Abib
-geslacht en zijn bloed aan de huisdeur gestreken of in later tijd op het
-altaar gesprengd was, moest het, zonder dat er een been aan gebroken
-werd, geheel, met hoofd, schenkels en ingewand aan het vuur gebraden
-en daarna in denzelfden nacht van den 14{en} Abib met ongezuurde
-brooden en bittere kruiden door allen, die in het huis waren, dus ook
-door de vrouwen, doch niet door onbesneden vreemdelingen, uitlanders
-of huurlingen, in haast, met omgorde lenden, geschoeide voeten en een
-staf in de hand, in huis of later bij het heiligdom gegeten en het
-overblijvende met vuur verbrand worden, Ex. 12:1-28, 43-49, 13:3-9,
-23:15, Lev. 23:5-14, Num. 9:10-14, 28:16-25, Deut. 16:1v. Het pascha
-nam daardoor in den Israelitischen cultus eene geheel bijzondere plaats
-in; het was eene offerande maar ging daarna terstond in een maaltijd
-over; tot de zondoffers behoorde het niet, want het werd gegeten, noch
-ook tot de dankoffers, want aan den maaltijd ging verzoening vooraf.
-Het is trouwens ook bij eene bijzondere gelegenheid, vóór alle andere
-offers, door God ingesteld en draagt een eigen natuur; het is eene
-offerande ter verzoening en een maaltijd der gemeenschap met God en met
-elkander; het is sacrificium en sacramentum tegelijk. Het N. Test. kent
-aan dit pascha eene typische beteekenis toe, zoodat het niet alleen
-eene herinnering is aan de bevrijding uit Egypte maar ook een teeken
-en onderpand van de verlossing uit het diensthuis der zonde en van de
-gemeenschap met God in den beloofden Messias. Jezus heeft hier zelf
-op gewezen, als Hij opzettelijk de instelling van het avondmaal met de
-viering van het pascha in verband heeft gebracht. Maar over de wijze,
-waarop Hij dat gedaan heeft, bestaat er geen klein verschil. Sommigen
-beroepen zich op de Synoptici en zeggen, dat Jezus op Donderdag den
-14{en} Nisan met zijne discipelen het eigenlijke pascha gebruikt en bij
-die gelegenheid het avondmaal heeft ingesteld. Anderen houden het met
-Johannes, 12:1, 13:1, 2, 29, 18:28, 19:14, 31 en beweren, dat Jezus
-op Donderdag den 13{en} Nisan een gewonen maaltijd met zijne discipelen
-gehouden en daarbij hun de voeten gewasschen heeft, en dan op den 14{en}
-Nisan, den eigenlijken dag des feestes, als het ware paaschlam gestorven
-is. Hetzij men nu de Synoptici naar Johannes of Johannes naar de
-Synoptici conformeere; of beiden onverzoend naast elkander laat staan;
-of ook, op grond van de getuigenis der Quartadecimanen in de tweede en
-derde eeuw, die voor hunne practijk, om het christelijk paaschfeest in
-den avond van den 14{en} Nisan te vieren, zich o. a. op den apostel
-Johannes beriepen, de echtheid van het vierde evangelie ontkenne,
-cf. art. Passah, Herzog² 11, 270. Meyer op Joh. 18:28. Schäfer, Das
-Herrenmahl nach Ursprung und Bedeutung 1897 S. 53-99. Zahn, Einl. in
-das N. T. II 309 f.; altijd is er in zoover overeenstemming, dat Jezus
-op Donderdagavond met zijne discipelen een maaltijd gehouden heeft, op
-Vrijdag gestorven en op Zondag opgestaan is. Al ware nu deze maaltijd
-niet het gewone pascha van 14 Nisan geweest maar daags te voren, op
-Donderdag 13 Nisan gehouden; dan zou er toch niets tegen zijn om aan te
-nemen, dat Jezus, die den volgenden dag sterven zou en dus het pascha
-niet op den gewonen tijd met de Joden eten kon, het daags te voren
-gebruikt en op deze wijze het avondmaal eraan verbonden had. Want dit
-laatste is boven allen twijfel verheven. Zoowel Paulus, 1 Cor. 10:16,
-11:24, 25 als de Synoptici laten Jezus het avondmaal instellen in het
-nauwst verband met het pascha; aan den paaschdisch ontleent hij het
-brood en den wijn, die als teekenen en zegelen bij het avondmaal dienst
-moeten doen; terwijl Hij den doop terstond van Johannes overneemt, wacht
-Hij met de instelling van het avondmaal tot het laatste paaschfeest en
-doet dan den bondsmaaltijd des O. Verbonds in dien des N. Testaments
-overgaan; en dit alles vindt bij Johannes geen tegenspraak, omdat hij
-van de instelling van het avondmaal ganschelijk zwijgt. En voorts is de
-datum van Jezus’ sterfdag op 14 of op 15 Nisan volkomen onverschillig
-voor het feit, dat Jezus als het ware paaschlam gestorven is. Want
-niet alleen het evangelie van Johannes laat dit uitkomen, 19:33, 36;
-maar ook Paulus zegt uitdrukkelijk in 1 Cor. 5:7, dat ons pascha, n.l.
-Christus, geslacht is en dat daarom de geloovigen den ouden zuurdeesem
-der zonde moeten uitzuiveren, en als ἀζυμοι, als nieuwe schepselen,
-onvermengd met de ongerechtigheid, behooren te wandelen. En daarbij
-komt nog, dat het lam, dat ter slachting geleid wordt, Jes. 53:7, niet
-onwaarschijnlijk eene toespeling op het paaschlam bevat en zoo in het N.
-Test. op Christus wordt toegepast, Joh. 1:29, 36, Hd. 8:32, 1 Petr.
-1:19, Op. 5:6 enz. Gelijk de besnijdenis een voorbeeld was van den doop
-en door den dood van Christus heen in dien doop overging, zoo wees het
-pascha vooruit naar het avondmaal en werd daardoor naar het bevel van
-Christus vervangen. Terwijl echter het pascha nog in de eerste plaats
-een sacrificium was, heeft het avondmaal dit karakter geheel verloren.
-Immers heeft de offerande, die in het pascha gebracht werd, in den dood
-van Christus hare volkomen vervulling verkregen. En het is op grond
-dier eenmaal volbrachte en volkomene offerande, dat Christus de nieuwe
-bedeeling van het genadeverbond sticht en zijne discipelen noodigt en
-sterkt aan zijnen heiligen disch.
-
-
-2. Nadat enkelen in vroeger tijd waren voorgegaan, is echter in de
-laatste jaren door Jülicher, Spitta, Mensinga, Brandt, Grafe e. a. de
-instelling van het avondmaal door Jezus zeer ernstig bestreden. Als
-gronden voeren zij aan, dat de woorden: doet dat tot mijne gedachtenis,
-bij Mattheus en Marcus ontbreken en alleen als een vrij toevoegsel
-van Paulus in 1 Cor. 11:24, 25 en Luk. 22:19 voorkomen; dat sommige
-handschriften, vooral D, in Luk. 22:19, 20 de woorden: το ἱπερ ....
-ἐκχυννομενον weglaten en dus van een gegeven worden van het lichaam
-van Christus, van een doen tot zijne gedachtenis en van den beker
-der dankzegging niets weten; dat het evangelie van Johannes er geen
-melding van maakt en de andere berichten onderling sterk afwijken; en
-vooral, dat Jezus brood en wijn niet met zijn dood in verbinding kon
-brengen, veel minder ze als teekenen van zijn lichaam en bloed te eten
-kon geven, maar dat deze voorstellingen eerst konden opkomen, toen
-in de gemeente zich zekere beschouwing over den persoon en over den
-dood van Jezus gevormd had. Doch al deze argumenten zijn van weinig
-kracht. Immers is het een feit, dat in den tijd, toen het evangelie van
-Johannes geschreven werd, het avondmaal algemeen in de christelijke
-kerk gevierd werd; de verzwijging der instelling kan daarom in geen
-geval uit onkunde voortkomen. Evenzoo is het met Lukas; het ontbreken
-der bovengenoemde woorden in cap. 22:19, 20 kan niet onderstellen, dat
-men toentertijd dacht, dat er bij het laatste avondmaal niets anders
-gebeurd was dan hetgeen vervat is in deze woorden: και λαβων ἀρτον
-εὐχαριστησας ἐκλασεν και ἐδωκεν αὐτοις λεγων τουτο ἐστιν το σωμα μου.
-Want dan zou de handeling, die toen plaats greep, volkomen onbegrijpelijk
-zijn; de tekst in Codex D onderstelt, dat er bij die gelegenheid meer
-is geschied en gesproken en is daarom òf corrupt òf in het gunstigst
-geval een onvolledig bericht van wat bij het laatste avondmaal geschied
-is. Van den tijd van Johannes en Lukas kunnen wij opklimmen tot dien van
-Paulus; en dan blijkt, dat deze apostel van de onderstelling uitgaat,
-dat de christelijke kerk algemeen het avondmaal als eene instelling van
-Christus kent en viert; ja, hij zegt zelfs, dat hij hetgeen betrekking
-heeft op de instelling van het avondmaal van den Heere ontvangen en
-aan de Corinthiërs overgegeven heeft, παρελαβον ἀπο του κυριου, 1 Cor.
-11:23. De tijd, waarin Paulus dit onderricht niet παρα maar ἀπο του
-κυριου, van de zijde des Heeren ontving, valt ongetwijfeld saam met dien
-van zijne bekeering, Hd. 9, en is alzoo slechts een paar jaren verwijderd
-van den laatsten nacht, waarin Christus zijn avondmaal ingesteld heeft.
-Daaruit volgt, dat reeds in de allereerste jaren na Jezus’ dood de
-christelijke gemeente eenparig met al de apostelen het avondmaal als
-eene instelling van Christus gekend heeft. Dit is meer dan voldoende,
-om de waarheid dier instelling boven allen redelijken twijfel te
-verheffen.
-
-Eene andere vraag is echter, hoe Christus dit avondmaal ingesteld en
-wat Hij ermede bedoeld heeft. En dan verdient het allereerst opmerking,
-dat Jezus zijn avondmaal bij gelegenheid van den paaschmaaltijd ingesteld
-heeft. De viering van het pascha was in Jezus’ tijd met allerlei
-ceremoniën uitgebreid en geschiedde in het kort op de volgende wijze.
-Als het feest naderde, trokken duizenden bij duizenden Israelieten naar
-Jeruzalem heen, kochten daar een lam en lieten het in den namiddag van
-den 14{en} Nisan door de Levieten in het voorhof slachten; priesters
-stonden daarbij gereed, om het bloed in zilveren en gouden schalen op
-te vangen, deze van den een aan den ander over te geven, en ze ten
-slotte ineens over het altaar uit te gieten. Middelerwijl werden, onder
-het zingen van het hallel door de Levieten, de dieren opgehangen, van
-de ingewanden ontdaan en de offerstukken door den priester in een vat
-naar het altaar gebracht. Daarna namen zij, die het lam ter slachting
-hadden aangeboden en wier getal gewoonlijk tusschen de tien en twintig
-man bedroeg, het geslachte mede naar een private woning en braadden het
-aldaar, zonder er een been aan te mogen breken. De maaltijd zelf begon
-met het rondgaan van een beker en met dankzegging; dan werden bittere
-kruiden en een schotel moes op tafel gebracht en genuttigd en daarna
-het lam met ongezuurde koeken opgezet. Voordat hiervan gegeten werd,
-verhaalde de huisvader of later een voorlezer de geschiedenis van den
-uittocht, hieven de dischgenooten het eerste gedeelte, Ps. 113-114,
-van het hallel, Ps. 113-118, aan en ging de tweede beker rond. Daarna
-begon eerst de eigenlijke maaltijd. Na afloop daarvan werd de derde beker
-door den huisvader gezegend en met de dischgenooten uitgedronken. En
-het geheel werd dan besloten met het inschenken van den vierden beker,
-met het zingen van het tweede gedeelte van het hallel, Ps. 115-118,
-met de zegening van den vierden beker door den huisvader met de
-woorden van Ps. 118:26 en met de lediging daarvan door de aanzittende
-gasten. Deze vier bekers waren bij den maaltijd vereischt, maar soms
-ging nog een vijfde beker rond onder het zingen van Ps. 120-137, cf.
-Keil. Arch. § 81. Herzog² 11, 268-270. Waarschijnlijk stelde Jezus nu
-het avondmaal in, nadat het paaschlam gegeten was, μετα το δειπνησαι,
-Luk. 22:20, bij den derden beker, den beker der dankzegging. Hij neemt
-daarbij van het gewone brood en den gewonen wijn, die bij het pascha
-gebruikt waren, en brengt deze volgens het getuigenis van alle vier
-berichten, Mt. 26:26-29, Mk. 14:22-25, Luk. 22:19, 20, 1 Cor. 11:23-25
-rechtstreeks met zijn dood in verband. Er is geen enkele reden, om
-dit in twijfel te trekken; Jezus wist en zag zijn dood vooruit en had
-de beteekenis daarvan reeds meermalen aan zijne discipelen verklaard,
-deel III 354v. Bepaaldelijk vat Hij hier zijn dood als offerande op; zoo
-toch alleen zijn de woorden en handelingen te verklaren, die met de
-instelling van het avondmaal gepaard gaan. Het pascha was zoo even
-genuttigd, en dat pascha was de aanvang en grondslag geweest van het
-verbond, dat God met Israël oprichtte in de woestijn; immers deed het
-eerst, doordat het lam geslacht en zijn bloed vergoten en op het altaar
-gesprengd was, dienst als offerande der verzoening, en werd het daarna
-gebruikt tot een offermaal om te beteekenen de gemeenschap van God
-met zijn volk. Dit alles brengt Christus op zichzelf over; Hij is het
-ware paaschlam, dat door zijn dood, door de breking van zijn lichaam
-en door de vergieting van zijn bloed, de verzoening bewerkt bij God en
-den grondslag legt van een nieuw verbond. Jezus wijst dit duidelijk
-aan, door het avondmaal in te stellen bij gelegenheid van het pascha,
-door te dien einde zich te bedienen van het brood en den wijn van den
-paaschdisch, door het brood niet alleen te nemen en te zegenen maar
-ook, volgens alle vier berichten, cf. Hd. 2:42, te breken, en vooral
-ook door de woorden, die Hij daarbij uitsprak. Onder het breken en
-uitdeelen des broods zeide Hij: τουτο ἐστιν το σωμα μου, Mt. Mr., τουτο
-ἐστιν το σωμα μου, το ὑπερ ὑμων διδομενον, Luk., of τουτο μου ἐστιν
-το σωμα το ὑπερ ὑμων, Paulus (κλωμενον ontbreekt in de voornaamste
-handschriften en wisselt in andere met θρυπτομενον en διδομενον af).
-En bij het geven van den drinkbeker sprak Hij: πιετε ἐξ αὐτου παντες,
-τουτο γαρ ἐστιν το αἱμα μου της διαθηκης το περι πολλων ἐκχυννομενον
-εἰς ἀφεσιν ἁμαρτιων, Mt., τουτο ἐστιν το αἱμα μου της διαθηκης το
-ἐκχυννομενον ὑπερ πολλων, Mr., τουτο το ποτηριον ἐν τῳ ἁιματι μου
-το ὑπερ ὑμων ἐκχυννομενον, Luk., τουτο το ποτηριον ἡ καινη διαθηκη
-ἐν τῳ ἐμῳ αἱματι, Paulus. De afwijkende lezingen bewijzen genoegzaam,
-dat Jezus evenmin bij het avondmaal als bij den doop eene vaststaande,
-onveranderlijke formule heeft voorgeschreven; het is zelfs onmogelijk uit
-te maken, welke woorden letterlijk door Jezus zelven bij die gelegenheid
-zijn uitgesproken; Hij heeft niet bepaald, wat er bij het avondmaal gezegd
-moest worden, maar Hij heeft omschreven, wat het avondmaal was en wezen
-moest. En dit is uit de vier berichten volkomen duidelijk. Jezus heeft
-het brood en den wijn van den paaschdisch verheven tot teekenen van zijn
-lichaam en bloed, en wel van dat lichaam en dat bloed, gelijk het straks
-in den dood als eene offerande der verzoening zou worden overgegeven.
-De bedenking, dat Jezus’ lichaam toch aan het kruis niet aan stukken
-gebroken is gelijk het brood, en zijn bloed daar ook niet vergoten is
-als de wijn bij het avondmaal en dat daarom deze beelden niet passen, is
-van weinig kracht. Jezus gaat immers van het pascha en van de O. Test.
-offerande uit, neemt de daarbij gebruikelijke handeling en terminologie
-over en past deze toe op zijn dood. Daarom voegen Lukas en Paulus aan
-de woorden: τουτο ἐστιν το σωμα μου de verklaring toe: το ὑπερ ὑμων
-διδομενον of alleen το ὑπερ ὑμων. Hetzij Jezus deze woorden letterlijk
-zoo gesproken heeft of niet; in dien zin heeft Hij het toch bedoeld, als
-Hij in het brood een teeken van zijn lichaam aanwees. Het is een teeken
-van het lichaam van Jezus, gelijk het in den dood ter verzoening der
-zonden geofferd wordt. Vandaar ook, dat de beteekenis van het tweede
-teeken in alle vier berichten zooveel breeder omschreven wordt. In
-de offerande is de bloedstorting de hoofdzaak, Hebr. 9:22. Het bloed
-van Christus, waarvan de wijn een teeken is, is offerbloed, bloed
-der verzoening, dat voor velen vergoten wordt, en daardoor aanvang
-en inwijding van een nieuw verbond. Gelijk pascha en oud verbond, zoo
-behooren avondmaal en nieuw verbond bij elkaar. De drinkbeker is daarom
-το αἰμα μου της διαθηκης of ἡ καινη διαθηκη ἐν τῳ αἰματι μου, d. w. z.
-bondsbloed, Ex. 24:8, hetwelk als offerbloed ter voltrekking van het
-verbond met God noodig en dienstig was, of het verbond zelf, dat door
-dat bloed, wijl bewerkende en medebrengende de vergeving der zonden, tot
-stand komt en daarin rust. De discipelen waren bedroefd, zagen tegen
-den dood van Christus op en begrepen hem niet; maar Jezus verklaart
-hun hier bij de instelling van het avondmaal, dat die dood hun nut is;
-daardoor komt toch die vergeving en dat verbond tot stand, welke in
-het O. Test. werden afgeschaduwd en voorspeld; de tijd der belofte is
-voorbij, die der vervulling breekt aan; het oude is voorbijgegaan, ziet
-het is alles nieuw geworden.
-
-Maar Jezus laat het hier niet bij. Hij geeft in de teekenen van brood
-en wijn niet alleen eene verklaring van zijn dood, maar Hij deelt die
-teekenen ook ter nuttiging aan zijne discipelen mede. Volgens Mt.
-gebruikte Jezus uitdrukkelijk de woorden λαβετε, φαγετε, en πιετε ἐξ
-αὐτου παντες; en hoewel Marcus alleen het woord λαβετε vermeldt en
-Lukas en Paulus van al deze woorden geen gewag maken, toch staat op
-grond van alle berichten vast, dat Jezus het brood en den wijn niet
-alleen tot teekenen van zijn lichaam en bloed verhief maar ze als
-zoodanig ook aan zijne discipelen uitreikte en te genieten gaf. Nadat
-het pascha gebruikt was, stelde Jezus een nieuwen maaltijd in, welks
-bestanddeelen brood en wijn waren, niet op en voor zichzelf, maar als
-teekenen van zijn gebroken lichaam en vergoten bloed. Er is hiertegen
-door Spitta ingebracht, dat het eten van het gedoode lichaam van
-Jezus en het drinken van zijn bloed „ebenso schaurige wie für ein
-israelitisches Bewustsein unverträgliche Gedanken” zijn. En men heeft
-daarom gemeend, dat, ook al heeft Jezus brood en wijn als teekenen van
-zijn lichaam en bloed aangeduid, Hij ze toch niet als zoodanig aan zijne
-discipelen heeft te genieten gegeven; dat Hij alleen verklaard heeft,
-wat er straks met Hem geschieden zou, maar niet, wat zijne discipelen
-ontvangen en genieten zouden; dat het eten van Jezus lichaam en het
-drinken van zijn bloed op dat oogenblik, toen Jezus zelf aan tafel
-zat, niet mogelijk was; dat, indien dit genieten het eigenlijk karakter
-van het avondmaal was, het avondmaal dan later na Jezus’ dood eene
-andere natuur had dan bij de instelling; en dat het zoo weinig op het
-nuttigen van brood en wijn als zulke teekenen aankomt, dat tot het
-midden der tweede eeuw toe, althans in de kerken van Rome en Efeze, het
-avondmaal niet met wijn maar met water werd gevierd. Er ligt in deze
-tegenwerpingen een bestanddeel van waarheid. Al wees het pascha in het
-O. T. naar Christus heen, het eten van het paaschlam was toch geen
-eten van Christus’ gebroken lichaam, gelijk het genieten van het brood
-in het avondmaal thans is. En het bloed werd wel bij de offeranden des
-O. Verb. vergoten en gesprengd, maar het werd toch nooit gedronken.
-De voorstelling, dat Jezus’ vleesch gegeten en zijn bloed gedronken
-moest worden, was dan ook voor de Joden zoo vreemd, dat zij er zich aan
-ergerden en Jezus verlieten, Joh. 6:52, 60, 66. De instelling van het
-avondmaal geschiedt wel in aansluiting bij de O. T. offervoorstellingen
-maar gaat er toch weer boven uit. Het avondmaal is verwant aan maar
-niet identisch met het pascha. Gelijk nieuw tot oud verbond, gelijk de
-offerande van Christus tot die des O. Test., zoo staat avondmaal tot
-pascha. Het pascha was een sacramentum op grond van een sacrificium
-maar in beide deelen een schaduw en profetie van de goederen des N.
-T. Nu echter is door Christus de waarachtige en volkomene offerande
-gebracht, en daarom is op grond van die offerande de gemeenschap met
-God in het avondmaal veel rijker en voller, dan zij in de dagen des O.
-T. wezen kon. Het avondmaal is een maaltijd, de wezenlijke maaltijd van
-God en zijn volk; een offermaal, het offermaal bij uitnemendheid, waar
-de geloovigen Christus zelf genieten, gelijk Hij voor hen gestorven is.
-Dat drukt Jezus daardoor uit, dat Hij brood en wijn als teekenen van zijn
-gebroken lichaam en vergoten bloed aan zijne discipelen te genieten
-geeft. Hij geeft zich niet alleen _voor_ de zijnen; Hij geeft zich ook
-_aan_ de zijnen. Drinkbeker en brood in het avondmaal zijn κοινωνια του
-αἰματος και του σωματος του Χριστου, 1 Cor. 10:16. De bovengenoemde
-tegenwerpingen hebben voorts nog in zooverre kracht, als zij duidelijk
-aantoonen, dat een kapernaïtisch eten en drinken van het lichaam en
-bloed van Christus ten eenenmale uitgesloten is. Het avondmaal, dat
-Christus zelf, terwijl Hij aan tafel zat, instelde, is hetzelfde als wat
-na zijn dood in de christelijke kerk tot op den huidigen dag gevierd
-is. Brood en wijn hebben geen betrekking op den persoon van Christus
-zonder meer, maar bepaaldelijk op Christus als gekruisigde. Hij stelt
-daarin zijne offerande ons voor oogen, maar doet ons die ook genieten.
-En op dat genieten komt het in het avondmaal wel terdege aan. Jezus
-_gaf_ de teekenen van brood en wijn; Hij hield ze niet in de hand, maar
-Hij deelde ze uit; Hij beval zijne discipelen, om ze te nemen en te eten;
-en Hij voegde er volgens Lukas (alleen bij het uitdeelen van het brood)
-en Paulus (ook bij het overgeven van den drinkbeker) de woorden aan
-toe: τουτο ποιειτε εἰς την ἐμην ἀναμνησιν. Dat deze woorden bij Mt. en
-Mk. ontbreken, bewijst in het minst niet, dat zij òf door Jezus niet
-gesproken òf in strijd met zijn bedoelen door Lukas en Paulus eraan
-toegevoegd zijn. Want in het eten en drinken van het brood en den wijn
-als teekenen van Jezus’ gebroken lichaam en vergoten bloed ligt het
-doen tot zijne gedachtenis vanzelf opgesloten; het eerste is zonder
-het laatste niet mogelijk. Deze woorden houden voorts niet in, dat
-het avondmaal slechts een herinneringsmaal is, maar zij drukken uit,
-dat heel het avondmaal, hetwelk in zijn wezen een offermaal is en eene
-gemeenschapsoefening met Christus, geschieden moet tot gedachtenis aan
-Hem. Zij omschrijven niet het wezen van het avondmaal maar onderstellen,
-dat Jezus straks afwezend zal zijn en schrijven voor, dat dan toch het
-avondmaal tot zijne gedachtenis, als eene voortdurende verkondiging
-van zijn dood, 1 Cor. 11:26, gevierd moet worden. Daarom staan er bij
-Paulus ook de woorden nog bij: zoo dikwijls als gij dit brood zult eten
-en dezen drinkbeker zult drinken, 1 Cor. 11:25, 26. Het avondmaal
-is door Christus ingesteld als een blijvend goed voor zijne gemeente;
-het is een weldaad, aan alle andere weldaden toegevoegd, om deze te
-beteekenen en te verzegelen. En blijven zal het tot de wederkomst van
-Christus. Zijn dood moet verkondigd worden, totdat Hij komt. Want het
-kruis is en blijft in deze bedeeling de oorzaak aller zegeningen, het
-middelpunt van de gedachtenis der gemeente. Jezus zeide zelf, dat Hij
-van nu aan, van de instelling en het gebruik van het avondmaal af, niet
-meer drinken zou van de vrucht des wijnstoks, totdat Hij hem met zijne
-discipelen nieuw zou drinken in het koninkrijk zijns Vaders, Mt. 26:29,
-Mk. 14:25, cf. Luk. 22:16, 18. Hij ging immers naar den hemel, om zijne
-discipelen plaats te bereiden. En eerst wanneer Hij wederkomt en zijne
-discipelen tot zich genomen zal hebben, zal Hij met hen aanzitten aan
-de bruiloftstafel des Lams en met hen drinken van den nieuwen wijn,
-dien het Koninkrijk zijns Vaders in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde
-opleveren zal. Voor dien tusschentijd heeft Hij het avondmaal ingesteld,
-tot eene gedachtenis aan zijn lijden, tot eene verkondiging van zijn dood,
-tot een middel zijner rijke genade. Cf. Cremer, art. Abendmahl I in
-Herzog³ 1, 32-38 met de daar aangehaalde litteratuur en voorts nog J.
-G. Boekenoogen, De oorsprong des avondmaals, Amst. 1883. Rogaar, Het
-avondmaal en zijne oorspronkelijke beteekenis, Gron. 1897. Schultzen,
-Das Abendmahl im N. T., Göttingen 1895. Josephson, Das H. Ab. und das
-N. T., Gütersloh 1895. R. A. Hoffmann, Die Abendmahlsgedanken Jesu
-Christi, Königsberg 1896. Holtzheuer, Das Ab. und die neuere Kritik,
-Berlin 1896. Schaefer, Das Herrenmahl nach Ursprung und Bedeutung mit
-Rücksicht auf die neuesten Forschungen, Gütersloh 1897. Eichhorn, Das
-Ab. im N. T., Leipzig 1898. Clemen, Der Ursprung des h. Ab. Leipzig
-1898. W. Schmidt, Chr. Dogm. 1898 II 466. Lichtenstein, Des Ap. Paulus
-Ueberlieferung von der Einsetzung des h. Ab. Berlin 1899.
-
-
-3. Dit avondmaal nam van den aanvang af in de christelijke
-godsdienstoefening eene voorname plaats in. Het werd gewoonlijk in eene
-bijzondere samenkomst der gemeente op den dag des Heeren des avonds
-en in verbinding met een gewonen maaltijd gevierd, boven bl. 216.
-Van de wijze dezer viering is ons weinig bekend; alleen weten wij uit
-Did. 9. 10. 14, dat er eerst eene belijdenis van zonden plaats had,
-daarna over den beker en over het brood afzonderlijk een dankgebed
-werd uitgesproken, dan de maaltijd gehouden en het geheel met eene
-dankzegging besloten werd. Maar in de tweede eeuw kwam er allengs in
-heel de kerk scheiding tusschen de ἀγαπαι en de εὐχαριστια. De eerste
-gingen haar eigen weg en ontaardden al spoedig, Zahn, art. Agapen in
-Herzog³; en de tweede werd in de morgengodsdienstoefening verlegd en
-met de bediening des woords in verbinding gebracht. Daarmede gingen
-verschillende veranderingen gepaard. De ééne godsdienstoefening werd
-spoedig in twee gedeelten gesplitst, waarvan het eerste, de bediening
-des woords, ook voor catechumenen, poenitenten en ongeloovigen
-openstond, maar het tweede, de viering van het avondmaal, alleen voor
-de gedoopten toegankelijk was. Dit laatste kreeg hoe langer hoe meer
-een mysterieus karakter, boven bl. 217; doop en avondmaal werden een
-μυστηριον, een sacramentum, Tert. adv. Marc. 4, 34, en door dezen naam
-alsmede door allerlei bijkomende plechtigheden in een geheimzinnig
-donker gehuld. Geheel verkeerd is het daarom ook, om de opvattingen
-dier eerste tijden te interpreteeren naar de meeningen, die in het
-Westen later, en vooral in de 16e eeuw gekoesterd werden over de unio
-sacramentalis. De Schrift zeide, dat het brood het lichaam en de wijn
-het bloed van Christus is, en dit spraakgebruik werd overgenomen
-en door ieder op zijne wijze verstaan en uitgelegd. Eene officieele
-interpretatie ontbrak; strijd ontstond er niet over; en de vraag naar
-den aard dier vereeniging van teeken en beteekende zaak kwam niet op;
-eene realistische con- of transsubstantiatie lag even ver buiten het
-bewustzijn van dien tijd als eene uitsluitend symbolische of figuratieve
-beteekenis van het avondmaal. Symbool en zaak was voor het Oostersch
-denken veel inniger verbonden dan voor het Westersche; wij verstaan,
-zegt Harnack, D. 6. I² 397 terecht, onder symbool eene zaak, die niet
-is, wat zij beduidt, maar toen verstond men veelmeer onder symbool
-eene zaak, die op eene of andere wijze ook is, wat zij beduidt. Het
-stond van den aanvang af in de christelijke kerk vast, dat brood en
-wijn het lichaam en bloed van Christus waren; maar de wijze, waarop
-zij zich beider vereeniging dachten, is niet klaar en daarom voor
-verschillende uitlegging vatbaar. Dat geldt van Ignatius, Smyrn. 7.
-Ef. 20. Justinus, Apol. I 66. Iren. adv. haer. IV 18, 5 en van vele
-andere schrijvers. Maar de ontwikkeling der avondmaalsleer werd vooral
-in verkeerde baan geleid door de toepassing der offeridee. In het N.
-T. wordt wel de heiliging des lichaams, Rom. 12:1, het gebed, Hebr.
-13:15, cf. Op. 5:8, 8:3, de weldadigheid en mededeelzaamheid, Hebr.
-13:16, Phil. 4:18, maar nooit het avondmaal eene offerande genoemd. Nu
-was echter in den eersten tijd het avondmaal met een gewonen maaltijd
-verbonden, en voor dien maaltijd brachten de meer gegoede gemeenteleden
-de noodige ingrediënten mede, brood, wijn, olie, melk, honing enz.,
-die waarschijnlijk door de diakenen in ontvangst genomen, voor den
-bisschop op hoofd- en bijtafels (de latere zijaltaren) neergelegd, bij
-den maaltijd bediend en daarna tot onderhoud van de dienaren en tot
-ondersteuning der armen bestemd werden. Deze gaven kregen den naam van
-προσφοραι, oblationes, θυσιαι, sacrificia, offeranden, en werden door
-den bisschop met een dankgebed, εὐχαριστια, gezegend. Deze opvatting
-werd op heel het avondmaal overgedragen. Naar het dankgebed, dat over
-de gaven gesproken werd, heette weldra het avondmaal zelf en ook de
-beide avondmaalselementen εὐχαριστια, Did. 9. Ign., Philad. 4. Smyrn.
-7. 8. Justinus, Apol. I 66, en werd het ook spoedig opgevat als eene
-offerande, die door de gemeente Gode toegebracht werd, Did. θυσια
-καθαρα, reeds met beroep op Mal. 1:11. Dit was nu nog zoolang vrij
-onschuldig, als het avondmaal werkelijk als een maaltijd beschouwd en de
-dankzegging in naam van de gansche gemeente gedaan werd; de inhoud der
-offerande was niet het lichaam en bloed van Christus maar de door de
-gemeente saamgebrachte gaven, zoodat men in den eersten tijd dus alleen
-aan een dank- doch hoegenaamd niet aan een zoenoffer dacht. Maar er lag
-toch een gevaarlijk element in, dat te zijner tijd verkeerd zou werken,
-vooral toen het door de clericale opvatting van het ambt versterkt
-werd. Reeds Clemens vergelijkt de episcopi en diaconi met de priesters
-en levieten des O. T., omschrijft hun werkzaamheid als een προσφερειν
-τα δωρα της ἐπισκοπης en brengt hun εὐχαριστια met de O. T. θυσιαι in
-verband, 1 Cor. 40-44. En toen avondmaal en agapae, de aanbieding van
-brood en wijn voor het avondmaal en de bijdragen voor het onderhoud der
-dienaren en de ondersteuning der behoeftigen uit elkander vielen, kreeg
-het avondmaal hoe langer hoe meer het karakter van eene offerande, die
-niet door de gemeente maar door den bisschop werd gebracht, niet in
-hare aanbieding maar in zijne dankzegging en wijding bestond, en niet op
-de gaven voor maar op de elementen van het avondmaal betrekking had,
-Justinus, Dial. 41. 70. Iren. adv. haer. IV 18, 5. Deze opvatting van
-het avondmaal als eene offerande had nu weer invloed op de gedachte,
-welke men zich vormde van de unio sacramentalis, gelijk omgekeerd deze
-op gene. Naarmate de bisschop als priester, de dankzegging als wijding,
-het avondmaal als een offer beschouwd werd, moest ook de realistische
-vereeniging van brood en wijn met het lichaam en bloed van Christus zich
-te sterker aanbevelen. De symbolische, spiritualistische opvatting van
-Origenes, die in het wezen der zaak ook bij Eusebius Caes., Basilius,
-Gregorius Naz. e. a. gevonden wordt, maakt in verband met de Oostersche
-Christologie bij Cyrillus, Gregorius Nyss., Chrysostomus en Johannes
-Damascenus voor de realistische leer der μεταβολη, μεταποιησις of
-transformatie plaats, welke dan later nog in de leer der μετουσιωσις
-of transsubstantiatie overging, Damascenus, de fide orthod. IV 14.
-Conf. orthod. qu. 107. Conf. Dosith. decr. 17, cf. Steitz, Die
-Abendmahlslehre der gr. K. in ihrer gesch. Entw. Jahrb. f. d. Theol.
-1864 S. 409-481. 1865 S. 64-152. 399-463. 1866 S. 193-252. 1867 S.
-211-286. 1868 S. 2-67. 649-700. Kattenbusch, Vergl. Konf. I 410 f.
-Loofs, art. Abendmahl in Herzog³ 1, 38-57.
-
-De ontwikkeling ging in het Westen veel langzamer, al leidde zij later
-tot een zelfde resultaat. Cyprianus stelde wel het sacrificieel
-karakter van het avondmaal sterk op den voorgrond maar zag daarin toch
-slechts eene imitatie van wat Christus in waarheid op Golgotha gedaan
-had, Ep. 63, 2. 14. En hoewel Augustinus telkens in de taal der Schrift
-het brood het lichaam en den wijn het bloed van Christus noemt, toch is
-er bij hem nog niets te vinden van de latere transsubstantiatie-theorie.
-Integendeel, Augustinus maakt zoo sterk mogelijk onderscheid tusschen
-verbum en elementum, accedit verbum ad elementum et fit sacramentum;
-brood en wijn worden daarom sacramenten genoemd, quia in eis aliud
-videtur, aliud intelligitur. Het teeken wordt wel dikwerf met den
-naam van de beteekende zaak genoemd, maar dat komt, wijl het er eene
-gelijkenis van vertoont. Si enim sacramenta quendam similitudinem earum
-rerum, quarum sacramenta sunt, non haberent, omnino sacramenta non
-essent. Ex hac autem similitudine plerumque etiam ipsarum rerum nomina
-accipiunt. Sicut ergo secundum quendam modum sacramentum corporis
-Christi corpus Christi est, sacramentum sanguinis Christi sanguis
-Christi est, ita sacramentum fidei fides est, Ep. 23 ad Bonif. Brood en
-wijn zijn similitudines, signa, commemorationes van het lichaam en bloed
-van Christus; Dominus non dubitavit dicere: hoc est corpus meum, cum
-signum daret corporis sui, c. Adam. c. 12. Christus is lichamelijk ook
-niet meer bij ons, maar is opgevaren ten hemel; secundum praesentiam
-majestatis semper habemus Christum, secundum praesentiam carnis, recte
-dictum est discipulis: me autem non semper habebitis, tract. 1 in Ev.
-Joann. Als Augustinus het avondmaal dan ook menigmaal een sacrificium
-noemt, verstaat hij daaronder niet, dat Christus andermaal in waarheid,
-zij het ook op onbloedige wijze, geofferd wordt; maar dan noemt hij het
-zoo, wijl het eene gedachtenis is van Christus’ offerande aan het
-kruis. Hujus sacrificii caro et sanguis ante adventum Christi per
-victimarum similitudinem promittebatur; in passione Christi per ipsam
-veritatem reddebatur; post ascensum Christi per sacramentum memoriae
-celebratur, c. Faustum 20, 21. Christus se ipsum obtulit holocaustum
-pro peccatis nostris et ejus sacrificii similitudinem celebrandam in
-suae passionis memoriam commendavit, 83 qu. qu. 61. de doctr. chr.
-III 16. Of ook verstaat hij onder het lichaam van Christus, dat in
-het avondmaal geofferd wordt, de gemeente. Hoe is, zoo vraagt hij,
-het brood het lichaam van Christus? en hij antwoordt: corpus Christi
-si vis intelligere, apostolum audi dicentem fidelibus: vos estis
-corpus Christi et membra. Si ergo vos estis corpus Christi et membra,
-mysterium vestrum in mensa propositum est, mysterium Dei accipitis.
-En het brood is daar het teeken van, quia panis non fit de uno grano
-sed de multis, Serm. ad infantes, cf. de civ. 10, 6. 22, 10. Daarom
-wordt Augustinus ook niet moede, om te verzekeren, dat het gebruik
-van het avondmaal op zichzelf niet voldoende is, dat het alleen voor
-de geloovigen ten zegen maar voor anderen ten verderve is, dat het
-ware eten van Christus’ lichaam in het gelooven bestaat: crede et
-manducasti, Tract. 25 in Joann. en zoo passim, cf. Bibl. studii theol.
-apud J. Crispinum 1565 p. 89-100. Dorner, Augustinus 263-276 enz. De
-leer van Augustinus hield door haar machtigen invloed nog langen tijd de
-volle ontwikkeling der realistische theorie tegen, en domineerde nog
-onder de karolingische theologen, maar werd in den strijd van Ratramnus
-tegen Paschasius Radbertus en later in dien van Berengarius tegen
-Lanfranc meer en meer teruggedrongen en eindelijk geheel en al door de
-metabolische theorie vervangen. Het woord transsubstantiatie ontmoeten
-wij het eerst bij Hildebert van Tours † 1134, maar deze gebruikt het in
-eene preek, zoodat het toen reeds vrij algemeen bekend moet geweest
-zijn, cf. Deutsch in Schürer’s Theol. Lit. Z. 1898 col. 442. De zaak
-die er door uitgedrukt werd, stond reeds vroeger vast. Berengarius
-moest 1079 de formule onderteekenen, panem et vinum... per mysterium
-sacrae orationis et verba nostri Redemptoris substantialiter converti
-in veram et propriam ac vivificatricem carnem et sanguinem Domini
-nostri J. C. etc. En het vierde Lateraanconcilie 1215 bepaalde, dat
-het lichaam en bloed van Christus in sacramento altaris sub speciebus
-panis et vini veraciter continentur, transsubstantiatis pane in corpus
-et vino in sanguinem potestate divina, Denzinger, Enchir. 298. 357.
-Dit dogma stelde aan den dialectischen geest der scholastiek een
-reeks van problemen over aard, tijd en duur der verandering, over de
-verhouding van substantie en accidentiën, over de wijze, waarop Christus
-tegenwoordig was in beide elementen en in elk gedeelte daarvan, over
-bewaring en aanbidding der hostie enz., Lombardus, Thomas, Bonaventura,
-Duns Scotus op Sent. IV dist. 8-13. Thomas, S. Theol. III qu. 73-83.
-c. Gent. IV 61-69. Bonaventura, Brevil. VI 9, cf. Schwane, D. G.
-III 628-661. Harnack, D. G. III 488-498 enz. Van het sacrament des
-avondmaals leert dan Rome aldus: de teekenen in dit sacrament zijn
-ongezuurd brood en met een weinig water vermengde wijn. Deze elementen
-worden door het woord der consecratie veranderd in het eigen lichaam
-en bloed van Christus. Toen de Heiland n.l. bij den laatsten maaltijd
-de woorden sprak: dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed; toen heeft
-Hij niet alleen voor deze ééne maal brood en wijn in zijn lichaam en
-bloed doen veranderen, maar Hij heeft tegelijk daarin zijne discipelen
-tot priesters aangesteld en in de woorden, die Hij sprak, eene kracht
-gelegd tot verandering der substantie van brood en wijn. De bediening
-van de eucharistie is daarom het priesterlijk werk bij uitnemendheid en
-mag nooit door een ander dan een geordend priester worden waargenomen.
-Als de priester de woorden der consecratie uitspreekt, verandert de
-substantie van brood en wijn in de substantie van het lichaam en bloed
-van Christus. De lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in de
-eucharistie kan immers niet daardoor tot stand komen, dat Christus
-den hemel verlaat en in het sacrament gaat inwonen, want Christus
-is en blijft gezeten aan de rechterhand des Vaders; noch ook kan zij
-door schepping bewerkt worden, want dan ware het brood niet het eigen
-lichaam van Christus, niet hetzelfde, waarmede Hij uit Maria geboren
-en aan het kruis gestorven is; zij kan daarom alleen op die wijze
-geschieden, dat de substantie van brood en wijn in de substantie van
-Christus’ lichaam en bloed overgaat, ongeveer gelijk de spijze, die
-wij nuttigen, omgezet wordt in een bestanddeel van ons lichaam. De
-accidentia van brood en wijn, n.l. de vorm, smaak, reuk, kleur en zelfs
-de voedende kracht, blijven wel na de consecratie, maar zij inhaereeren
-niet meer in een subject; de substantie, waarvan zij de eigenschappen
-waren, is weggenomen en door eene gansch andere vervangen, van
-welke zij geen eigenschappen zijn, maar die zij alleen door hun schijn
-bedekken voor het oog. Wijl nu Christus’ lichaam en bloed niet van zijne
-menschelijke natuur en deze niet van zijne Godheid is af te scheiden,
-zoo is de gansche Christus in ieder element en in elk gedeelte der
-beide elementen ten volle tegenwoordig. Daarom is het niet noodig, al
-is het ook niet ongeoorloofd en soms toe te staan, dat de eucharistie
-sub utraque specie genoten wordt, want in het kleinste stukske brood is
-toch de gansche Christus aanwezig. En deze Christus is in de elementen
-aanwezig van het oogenblik der consecratie af tot den tijd toe dat zij
-verbruikt zijn, dus ook ante en extra omnem usum. De eucharistie is
-daarom van alle andere sacramenten onderscheiden. Want deze worden
-alle door het gebruik voltrokken; de doop bijv. is dan eerst een
-sacrament, als de mensch er werkelijk door afgewasschen wordt. Maar dit
-is met de eucharistie niet het geval. De formule, die hierbij gesproken
-wordt, richt zich niet tot den ontvanger, maar richt zich tot het
-element en dient, om dit element in het lichaam en bloed van Christus
-te veranderen. Bij de eucharistie is dus het gebruik, de communie,
-secundair; het behoort tot de perfectio maar niet tot de necessitas van
-het sacrament. Het sacrament der encharistie bestaat wezenlijk in de
-consecratie zelve, in de daardoor teweeggebrachte transsubstantiatie,
-in de handeling van den priester, dat is in de offerande. De
-eucharistie is bij Rome niet alleen een sacramentum, zij is in de eerste
-plaats een sacrificium. Toen Christus de woorden sprak: dit is mijn
-lichaam, heeft Hij op datzelfde oogenblik zich Gode opgeofferd; en als
-Hij zeide: doet dat tot mijne gedachtenis, heeft Hij daarin verordend
-dat zijne priesters deze offerande herhalen zouden van dag tot dag,
-Mal. 1:11. De offerande, die door den priester in de mis geschiedt,
-is dezelfde als die volbracht werd aan het kruis; zij is er maar geen
-beeld, symbool, herinnering van, maar zij is er volkomen identisch mede,
-zij is geheel dezelfde offerande, alleen met dit verschil, dat die aan
-het kruis eene bloedige en deze in de mis eene onbloedige offerande
-is. Immers is het ook dezelfde priester, die zich aan het kruis en die
-zich hier offert, want Christus zelf is het, die door middel van den
-priester zich Gode opoffert en daarom door zijn mond de woorden spreekt:
-dit is mijn lichaam. Daarom is het misoffer niet alleen een lof- en een
-dank-, maar ook een waarachtig zoenoffer, niet minder rijk in werking
-en vrucht dan de offerande aan het kruis. Terwijl de eucharistie als
-sacrament het geestelijk leven voedt, voor doodzonden bewaart, tijdelijke
-straffen kwijtscheldt, de geloovigen vereenigt en de toekomstige
-heerlijkheid waarborgt, bewerkt zij als misoffer de kwijtschelding van
-tijdelijke straffen en de genade der boete, niet alleen voor hen, die de
-mis bijwonen maar ook voor de afwezigen; niet slechts voor de levenden
-maar ook voor de boetenden in het vagevuur. De mis is het middelpunt
-van den Roomschen cultus, φρικτον μυστηριον, tremendum mysterium. En
-omdat de gansche Christus lichamelijk in de elementen van brood en wijn
-aanwezig is, moeten deze zorgvuldig bewaard, in een monstrans aan het
-volk ter aanbidding voorgehouden, op het festum corporis Christi in
-plechtige processie rondgedragen worden en kunnen ze ook aan kranken in
-hunne woning bediend en aan gestorvenen tot een viaticum medegegeven
-worden. Cf. Trident. 13. 21. 22. Catech. Rom. II 2 cap. 4. Bellarminus,
-de sacr. eucharistiae 1. IV en de sacrificio missae, 1. II in deel III
-van zijne Controversiae p. 150-376. Perrone, Prael. Theol. Lovan. 1841
-VI 136-364. Möhler, Symbolik § 34. Jansen, Prael. theol. dogm. III
-408-596. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der Kath. Kirche 2e
-Aufl. 1864 I 301-584. C. Pesch, Prael. dogm. VI 238-399. Gihr. Das h.
-Messopfer, 6e Aufl. Freiburg Herder 1897 enz.
-
-
-4. De Reformatie verwierp eenstemmig de Roomsche leer van
-transsubstantiatie en misoffer, van asservatio, adoratio en
-circumgestio der hostie, van kelkonthouding en het gebruik der
-latijnsche taal, maar zij ging in de positieve opvatting van het
-avondmaal spoedig uiteen. Luther leerde eerst, dat brood en wijn
-teekenen en onderpanden waren van de vergeving der zonden, welke
-door Christus’ dood verworven was en door het geloof ontvangen
-werd. Maar spoedig kwam hij hierop terug en hield, vooral sedert
-1524 tegen Carlstadt en Zwingli, op grond van de synecdochisch
-verklaarde instellingswoorden, staande, dat het lichaam van Christus
-overeenkomstig den wil en de almacht Gods en zijne eigene ubiquiteit
-reëel en substantiëel in, met en onder het avondmaal tegenwoordig was,
-gelijk zijne Goddelijke in de menschelijke natuur en gelijk de warmte in het
-ijzer, en daarom ook lichamelijk door onwaardigen, zij het ook tot hun
-eigen verderf, gegeten werd, Köstlin, Luthers Theol. I 163 f. 290 f. II
-116 f. 511 f. Deze leer ging over in de Luthersche belijdenisschriften,
-ed. Müller S. 41. 164. 248. 320. 365. 499. 538. 645. 779, en werd door
-de dogmatici breeder uitgewerkt, Gerhard, Loc. XXI. Quenstedt, Theol.
-IV 176-255. Hollaz, Ex. 1103-1141. Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. §
-55. Maar velen waren reeds in de eeuw der Hervorming van een gansch
-ander gevoelen. Op voorgang van Honius, cf. de Hoop Scheffer, Gesch.
-d. Kerkherv. I 86v., vatte Zwingli de woorden der instelling figuurlijk
-op en verklaarde het woordeke: is door beteekent, evenals ieder dat
-telkens elders doet, bijv. Gen. 41:26, Joh. 10:9, 15:1. Brood en wijn
-in het avondmaal zijn dus teekenen van en herinneringen aan den dood
-van Christus, en de geloovigen, hierop vertrouwende, genieten in die
-teekenen het lichaam en bloed van Christus. Zwingli bestrijdt beslist
-de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal, maar
-hij ontkent daarmede volstrekt niet, dat Christus op geestelijke wijze
-tegenwoordig is voor het geloof. Integendeel, Christus wordt wel
-terdege in het avondmaal genoten, gelijk Joh. 6 duidelijk leert, maar
-Christus is in het avondmaal niet anders tegenwoordig en wordt daarin
-niet anders genoten dan in het woord en door het geloof, dat is op
-geestelijke wijze. Dit genieten van Christus bestaat in niets anders dan
-in vertrouwen op zijn dood. Spiritualiter edere corpus Christi nihil
-est aliud quam spiritu ac mente niti misericordia et bonitate Dei
-per Christum. En wie zoo door het geloof Christus geniet en dan ten
-avondmaal komt, die geniet Hem daar ook sacramentaliter in de teekenen
-van brood en wijn. In het avondmaal belijden wij daarom ons geloof,
-spreken wij uit, wat wij door het geloof voortdurend aan Christus hebben
-en van Hem genieten; en wij doen dat tot Christus’ gedachtenis, tot
-verkondiging van en dankzegging voor zijne weldaden, Zwingli, Opera II
-1 S. 426. II 2 S. 1 f. III 239. 326. 459. IV 51. 68. Weldra kwam er
-tusschen de Duitsche en Zwitsersche Reformatie scheuring en twist, die
-door het religiegesprek te Marburg en door de bemiddelende pogingen
-van Bucer van Geref. en Melanchton van Luth. zijde niet bijgelegd werd.
-Men verstond elkander niet; beiderzijds werd erkend, dat Christus
-waarachtig, met zijne Goddelijke en menschelijke natuur, met zijn eigen
-lichaam en bloed in het avondmaal aanwezig was en genoten werd, maar
-men hechtte aan deze „waarachtige” tegenwoordigheid een verschillende
-beteekenis. Toen Calvijn optrad, was er reeds aan geen verzoening
-meer te denken, al nam hij ook met zijne leer van het avondmaal een
-standpunt tusschen en boven beide partijen in. Immers staat Calvijn
-beslist aan Zwingli’s zijde, inzoover hij alle lichamelijke, plaatselijke,
-substantieele tegenwoordigheid van Christus in de teekenen van brood
-en wijn ten eenenmale verwerpt; zulk eene tegenwoordigheid toch is in
-strijd met de natuur van een lichaam, met de waarachtige menschheid
-van Christus, met zijne hemelvaart, met den aard der gemeenschap, die
-tusschen Christus en de zijnen bestaat en van eene onnutte oralis
-manducatio hemelsbreed verschilt. Maar verder voelt Calvijn zich
-door Zwingli niet bevredigd; hij heeft vooral twee dingen op zijne
-avondmaalsleer tegen, 1º dat Zwingli de gave Gods in het avondmaal al
-te zeer laat terugtreden achter hetgeen de geloovigen daarin doen en
-dus het avondmaal eenzijdig opvat als eene belijdenisacte, en 2º dat hij
-in het eten van Christus’ lichaam niets anders en hoogers ziet dan het
-gelooven in zijn naam, het vertrouwen op zijn dood. Daarom stelt Calvijn
-zich voorts aan den kant van Luther en zegt, dat Christus, ofschoon
-niet lichamelijk en plaatselijk, toch wel waarachtig en wezenlijk, met
-zijn ganschen persoon, ook met zijn lichaam en bloed, in het avondmaal
-tegenwoordig is en genoten wordt. Niet over het feit, alleen over
-de wijze dier tegenwoordigheid bestaat er tusschen hem en Luther
-verschil. En het eten van Christus’ lichaam in het avondmaal gaat in
-het gelooven, in het vertrouwen op zijn dood niet op. Het eten is niet
-met het gelooven één, al komt het altijd slechts door het gelooven tot
-stand, maar het is er veeleer de vrucht van, evenals in Ef. 3:17 het
-inwonen van Christus in ons wel door het geloof geschiedt maar toch
-van dat geloof onderscheiden is. Het is Calvijn blijkbaar te doen om
-de unio mystica, om de gemeenschap der geloovigen met den ganschen
-persoon van Christus. Deze komt nu niet eerst door het avondmaal tot
-stand, want Christus is het brood onzer ziel reeds in het woord, maar
-ze wordt ons toch in het avondmaal illustrius geschonken en in de
-teekenen van brood en wijn verzegeld en bekrachtigd. In het avondmaal
-is er eene gemeenschap niet alleen aan de weldaden maar ook aan den
-persoon van Christus, en wederom niet alleen aan zijne Goddelijke maar
-ook aan zijne menschelijke natuur, aan zijn eigen lichaam en bloed; en
-deze gemeenschap wordt een eten genoemd. Dit bestaat dus niet in een
-lichamelijk neerdalen van Christus uit den hemel noch ook in eene
-mixtura vel transfusio carnis Christi cum anima nostra, maar in eene
-verheffing onzer harten hemelwaart, in eene vereeniging met Christus
-door den H. Geest, in eene communio aan zijn lichaam, tengevolge waarvan
-Christus spirat e carnis suae substantia vitam in animas nostras, imo
-propriam vitam in nos diffundit, Inst. IV c. 17 en voorts C. R. 37,
-461-524. 681-688 enz. cf. mijn opstel over Calvijns avondmaalsleer in de
-_Vrije Kerk_ 1887 bl. 459-487. De voorstelling van Calvijn is niet in elk
-opzicht duidelijk, vooral niet wat de gemeenschap aan het eigen vleesch
-en bloed van Christus en het daaruit voortvloeiende leven betreft.
-Utenhove verzocht hem daarom niet ten onrechte, om, wanneer hij handelde
-over het avondmaal, van min of meer duistere uitdrukkingen zich te
-onthouden, Pijper, Jan Utenhove, Leiden 1883 bl. 40. En zoo was er ook
-in de belijdenis en leer van de Gereformeerde kerken en theologen wel
-verschil van uitdrukking. Sommigen, zooals Bucer, zochten toenadering
-tot de Luthersche voorstelling en zeiden, dat het lichaam van Christus
-substantialiter, quoad substantiam, in het avondmaal tegenwoordig was,
-M. Vitringa VIII 265. 299. Maar de hoofdgedachte van Calvijn, dat er in
-het avondmaal door den H. Geest eene geestelijke gemeenschap geoefend
-wordt met den persoon en dus ook met het lichaam en bloed van Christus
-en dat de geloovigen daardoor gespijsd en gelaafd worden ten eeuwigen
-leven, is in verschillende Geref. belijdenisschriften overgenomen,
-Tigur. Gall. 36. Belg. 35. Cat. Heid. 75-80. Scot. 21. Helv. II 21.
-Westmon. 29, en gemeengoed geworden van de Geref. theologie, Beza,
-Tract. Theol. I 30. 206. 211. 259. II 121. III 148. Martyr, Loci Comm.
-445. Zanchius, Op. VII 387. VIII 517. Junius, Theses theol. disp. 52.
-Ursinus, Tract theol. 359. a Lasco, Op. I 190. 549. Polanus, Synt.
-theol. VI 56. Bucanus, Instit. theol. 649. enz., cf. M. Vitringa VIII 1
-p. 266. Heppe, Dogm. 471.
-
-Maar er kwam toch al spoedig oppositie tegen deze Calvinistische leer
-van het avondmaal. De uitdrukking in de Conf. Gall. 36, dat Christus
-ons voedt en levend maakt de la substance de son corps et de son sang,
-wekte in de Zwitsersche kerken niet geringe bedenking. Zij wendden
-zich ten jare 1572 tot de nationale Synode in Frankrijk met verzoek om
-wijziging dezer woorden, maar vonden geen gehoor. Toch bleef bij velen
-het bezwaar bestaan, en dit nam toe, toen Bossuet in zijne Exposition
-de la doctrine de l’église cath. sur les matières de controverse
-1671 er sterkte in zocht voor de Roomsche leer van het avondmaal,
-M. Vitringa VIII 1 p. 302 sq. Langzamerhand won de Zwingliaansche
-opvatting weer veld, volgens welke het eten niets anders dan gelooven
-en de gemeenschap met Christus niets anders dan het aannemen zijner
-weldaden was, Ostervald, Verhandeling v. d. geopenb. godsd. 1742 bl.
-385. De verslapping der tucht werkte deze veruitwendiging van het
-avondmaal in de hand en deed in de sacramenten slechts teekenen zien
-van een uitwendig verbond, waarop alle onergerlijk levenden recht en
-aanspraak hadden, Swarte, van Eerde, Janssonius, cf. Ypey en Dermout,
-Gesch. v. d. Ned. Herv. Kerk III 612. Zoo werd de weg gebaand voor
-het rationalisme, dat de gedachten van Socinianen, Remonstranten,
-Mennonieten enz., cf. M. Vitringa VIII 2 p. 1014 sq. herhaalde en
-in het avondmaal niets hoogers zag dan een gedachtenismaaltijd,
-belijdenisacte, en zedelijk opvoedingsmiddel, Wegscheider, Instit. § 178.
-179. Door Schleiermacher, die niet alleen de leer van de Roomschen,
-maar ook die van de Socinianen enz. verwierp en die van Luther,
-Zwingli en Calvijn alle als rechtzinnig erkende, ontwaakte er echter
-een streven, om het avondmaal als objectief genademiddel te handhaven
-en er eene versterking aan toe te kennen van de levensgemeenschap
-met Christus. Dit geschiedde echter op zeer verschillende manieren.
-Sommigen gingen van het avondmaal als eene symbolische handeling en
-belijdenisacte uit maar voegden er aan toe, dat de geloovigen daarin
-betuigden, dat zij Christus aannamen als voor zich gestorven, Doedes,
-Leer der Zal. § 144v. Ned. Gel. 502. Heid. Catech. 352. Anderen vatten
-het op als eene handeling der kerk, maar die naar Gods bestel dienst
-doet, om langs ethischen en psychologischen weg het geloof aan de
-vergeving der zonden en de gemeenschap met God te versterken, Lipsius,
-Dogm. § 853. Biedermann, Chr. Dogm. § 927. Pfleiderer, Grundniss § 156.
-Vele Vermittelungstheologen verwerpen de Luthersche consubstantiatie
-en manducatio oralis, en naderen de leer van Calvijn, als zij zeggen,
-dat Christus op eene geestelijke wijze in het avondmaal tegenwoordig
-is, gelijk als in het woord, en zichzelf en zijne weldaden, (vergeving,
-leven, geestelijke kracht, zaligheid) aan den geloovige meedeelt,
-Kahnis, Luth. Dogm. II 339. Dorner, Chr. Gl. II 848 f. Müller, Dogm.
-Abhandl. 467. Ebrard, Dogm. § 545. Nitzsch, Ev. Dogm. 567-569.
-Schmidt, Chr. Dogm. II 471. 478. De oud-luthersche leer werd wederom
-voorgedragen door Scheibel, Rudelbach, Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S.
-260 f. en door de neolutheranen nog aangevuld met de theosophische
-voorstelling, dat Christus door brood en wijn niet alleen de ziel maar
-ook rechtstreeks het lichaam voedt, door de krankheden des lichaams
-te genezen en den nieuwen mensch der opstanding te versterken, die in
-het verborgene door den doop is geschapen, Martensen, Dogm. § 265.
-Thomasius, Christi Person u. Werk II³ 327. 341, Hofmann, Schriftbeweis
-II 2 S. 220. Vilmar, Dogm. II 245. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. II²
-290. Rocholl, Spiritualismus und Realismus, Neue Kirchl. Zeits. 1898,
-cf. Luther zelf bij Köstlin II 163. 516. In de Engelsche kerk eindelijk
-nam de ritualistische partij meer en meer de leer en gebruiken van het
-avondmaal bij Rome over, Wilberforce, The Doctrine Of The Holy
-Eucharist 1853. Pusey, The presence of Christ in the holy eucharist
-1853 cf. Ryle, Knots untied 1886 p. 205. Williams, The crisis
-in the Church of England, Presb. and Ref. Rev. July 1899. Over de
-geschiedenis der avondmaalsleer handelen voorts de dogmenhistorische
-werken van Hagenbach, Münscher-v. Coelln, Harnack, Schwane enz., de
-artikelen Abendmahl, Transsubstantiation, Messe in Herzog². Abendmahl,
-Eucharistie in Herzog³. Rückert, Das h. Ab., sein Wesen u. seine Gesch.
-in d. alten Kirche 1856. Ebrard, Das Dogma v. h. Ab. u. seine Gesch. 2
-Bde 1845/6. Stahl, Die luth. Kirche u. die Union, Berlin 1859. Kahnis,
-Dogm. II 360-438, en verdere litteratuur bij Dorner, Chr. Gl. II 848.
-Luthardt, Komp. d. Dogm. § 72.
-
-
-5. In de Schrift wordt het avondmaal aangeduid met de namen δειπνον
-κυριακον, 1 Cor. 11:20, τραπεζα κυριου, 1 Cor. 10:21, κλασις ἀρτου, Hd.
-2:42, 20:7, ποτηριον τον κυριου, 1 Cor. 11:27, ποτηριον της εὐλογιας, 1
-Cor. 10:16. En de kerk voegde daaraan later nog vele andere toe, zooals
-ἀγαπη, omdat in den eersten tijd het avondmaal met een liefdemaaltijd
-verbonden was; εὐχαριστια, reeds bij Did. 9. Ign. Smyrn. 7. 8. Just. M.
-Apol. I 66, omdat de geloovigen aan het avondmaal God dankten voor de
-gaven zijner genade; εὐλογια, omdat over brood en wijn door dankzegging
-en lofprijzing Gods de zegen uitgesproken werd; συναξις, κοινωνια, wijl
-de geloovigen, aan het avondmaal samenkomende, gemeenschap oefenden met
-elkander; προσφορα, θυσια (ἁγια, πνευματικη, μυστικη, ἀναιμακτος enz.),
-omdat de geloovigen de ingrediënten tot den maaltijd meebrachten en Gode
-offerden, of omdat het avondmaal een beeld en herinnering was van de
-offerande van Christus aan het kruis; en voorts nog δειπνον μυστικον,
-εἰωχια, ἐφοδιον, viaticum, λατρεια, λειτουργια, φρικτον μυστηριον,
-tremendum mysterium, sacramentum corporis et sanguinis Domini,
-sacramentum altaris, missa, ontleend aan de missio catechumenorum na
-afloop van het didactisch deel der godsdienstoefening enz. Hoewel
-Luther nog van sacramentum altaris bleef spreken, Art. Smalc. III 6.
-Cat. maj. 5, gaven de Protestanten over het algemeen aan den naam sacra
-coena of coena Domini de voorkeur en hielden ook daarin vast, dat het
-avondmaal een wezenlijke maaltijd was. Sommige Roomsche theologen, zooals
-Maldonatus op Mt. 26:25, merkten daartegen wel op, dat de uitdrukking
-δειπνον κυριακον in 1 Cor. 11:20 niet op het avondmaal sloeg maar
-op den maaltijd, die na het avondmaal gehouden en door de rijkere
-gemeenteleden aan de armere aangeboden werd, M. Vitringa VIII 10; doch
-het avondmaal werd niet vóór maar na den gewonen maaltijd gehouden, vs.
-21 en is onder de uitdrukking zoo niet alleen dan toch mede begrepen.
-Maar al ware dit zelfs niet het geval, dan zou daarmede de onjuistheid
-der benaming nog geenszins bewezen zijn. Want het avondmaal is toch naar
-luid van de Schrift een wezenlijke maaltijd. De verbinding met de agapae,
-de instelling bij gelegenheid van het paaschmaal, de bestanddeelen van
-brood en wijn, het eten en drinken daarvan--alles wijst erop, dat wij in
-het avondmaal met een wezenlijken maaltijd te doen hebben, en er dit
-karakter nooit aan mogen ontnemen. Maar het is een δειπνον κυριακον,
-een maaltijd des Heeren. Jezus is er de insteller van en volbracht ook
-daarin den wil des Vaders, welken te doen zijne spijze was. Het avondmaal
-is evenals de doop van Goddelijken oorsprong en moet dat zijn, om een
-sacrament te kunnen wezen; want God alleen is uitdeeler der genade en
-Hij alleen kan hare uitdeeling aan door Hem verordende middelen binden.
-En Jezus stelt dit avondmaal bepaald als middelaar in; Hij treedt erin
-op als profeet, die zijn dood verkondigt en verklaart; Hij handelt erin
-als priester, die zichzelven voor de zijnen overgegeven heeft aan het
-kruis; Hij komt erin voor als koning, die vrij over de verworvene genade
-beschikt en haar onder de teekenen van brood en wijn aan zijne discipelen
-te genieten geeft. En gelijk de insteller, zoo is Hij ook de gastheer en
-de bedienaar van het avondmaal; Hij neemt zelf het brood en den wijn,
-zegent ze en deelt ze aan zijne jongeren uit. En gastheer en bedienaar
-was Hij niet alleen, toen Hij lichamelijk met zijne discipelen aanzat;
-maar is en blijft Hij overal en altijd, waar _zijn_ maaltijd gevierd wordt.
-Elk avondmaal, overeenkomstig zijne instelling bediend, is een δειπνον
-κυριακον. Want Christus is insteller niet alleen door voorbeeld maar
-ook door voorschrift. Het is een maaltijd tot zijne gedachtenis, 1 Cor.
-11:24, tot verkondiging van zijn dood, vs. 26, tot gemeenschap aan
-het lichaam en bloed van Christus, 1 Cor. 10:16, 21, 11:27. In het
-avondmaal komt Christus met de gemeente en de gemeente met Christus
-samen, getuigenis afleggend van hunne geestelijke gemeenschap, cf.
-Op. 3:20. De dienaar, die brood en wijn zegent en uitdeelt, doet dit
-daarom in den naam van Christus en is slechts een instrument in zijne
-hand. Omdat Paulus in 1 Cor. 10:16 in den pluralis spreekt van hen,
-die den drinkbeker zegenen, en Tertullianus, Exhort. ad cast. 7 zegt,
-ubi ecclesiastici ordinis non est consessus, et offert et tingit
-sacerdos, qui est ibi solus; sed et ubi tres, ecclesia est, licet
-laici, beweerden sommigen, zooals Grotius, Salmasius, Episcopius e. a.,
-dat, indien een priester of leeraar ontbrak, het avondmaal ook door een
-gewoon lid der gemeente bediend mocht worden. Maar deze meening mist
-genoegzamen grond. In Mt. 28:19 wordt de bediening des doops tegelijk
-met die des woords aan de apostelen opgedragen; zij met de leeraars zijn
-uitdeelers der verborgenheden Gods, verkondigers van de mysteriën,
-die God in het evangelie van Christus heeft geopenbaard, 1 Cor. 4:1;
-huisverzorgers Gods, die zijne genade hebben uit te deelen, 1 Cor. 9:17,
-Tit. 1:7. Ongetwijfeld is bij deze verborgenheden allereerst aan het
-woord des evangelies te denken. Maar het sacrament volgt het woord en
-is altijd met het woord verbonden. De apostelen in Jeruzalem oefenden
-aldaar den dienst der gebeden en des woords, Hd. 6:4; bij de breking des
-broods, Hd. 20:7, 11, voert Paulus het woord; het uitspreken van de
-dankzegging bij het avondmaal was een deel van de bediening des woords
-en alzoo aan den leeraar opgedragen, al wordt het evenals het breken
-des broods in 1 Cor. 10:16 als eene handeling der gemeente voorgesteld,
-Sohm, Kirchenrecht 69. Volgens Did. 10, 7 komt het εὐχαριστειν dan ook
-aan de profeten toe, volgens Ign. Smyrn. 8 aan den bisschop, volgens
-Just. Apol. I 65 aan den προεστως, terwijl de diakenen daarbij hun
-dienst verleenden en brood en wijn aan de communicanten overgaven, cf.
-Suicerus, s. v. διακονος en συναξις, Voetius, Pol. eccl. I 756-751.
-Moor V 638-641. M. Vitringa VIII 1 p. 327 sq. Deze enge verbinding
-van de bediening des avondmaals met die van het woord bewijst, dat
-de dienaar optreedt in den naam van Christus en als huisverzorger
-en uitdeeler zijner verborgenheden werkzaam is. Het avondmaal is een
-maaltijd, waarvan Christus de gastheer is.
-
-Voorts komt de idee van maaltijd bij het avondmaal zeer sterk uit in de
-spijze en den drank, welke er bij uitgedeeld en genoten wordt. Evenmin
-als het water in den doop, zijn de teekenen van brood en wijn in het
-avondmaal naar willekeur of toeval gekozen. Bij de offeranden des O.
-Test. waren vleesch en bloed de hoofdzaak, wijl zij typisch heenwezen
-naar de offerande van Christus aan het kruis. Maar het avondmaal
-is zelf geen offerande doch eene gedachtenis van de offerande aan
-het kruis en drukt de gemeenschap der geloovigen aan die offerande
-uit. Daarom kiest Christus geen vleesch en bloed maar brood en wijn
-tot spijze en drank in het avondmaal, om te kennen te geven, dat het
-geen offerande maar een maaltijd is, een maaltijd op grond van, ter
-herinnering aan, ter gemeenschapsoefening met den gekruisten Christus.
-En daartoe zijn de teekenen van brood en wijn bij uitnemendheid geschikt;
-zij waren in het Oosten de gewone bestanddeelen van den maaltijd, zij
-zijn nog gemakkelijk overal en ten allen tijde te verkrijgen, zij zijn de
-voornaamste middelen tot versterking en verheuging van het hart des
-menschen, Ps. 104:15, en zijn een sprekend symbool van de gemeenschap
-der geloovigen met Christus en met elkander, M. Vitringa VIII 1 p. 43.
-Daarbij is het onverschillig, of het brood uit tarwe, rogge of gerst
-bestaat en de wijn eene witte of roode kleur draagt; of het brood naar
-het gebruik der Grieksche kerk gezuurd of naar dat der Roomsche kerk
-ongezuurd genoten wordt; en of de wijn naar de leer der Armenische
-Christenen onvermengd of naar de stellige uitspraak van Trente XX c. 7
-met water vermengd gebruikt wordt. Christus heeft van dit alles niets
-bepaald of voorgeschreven. Zelfs aarzelden de Gereformeerden niet te
-zeggen, dat, ingeval brood en wijn beslist ontbraken, ook een andere
-spijze en drank, bijv. rijst en brood als teekenen in het avondmaal
-gebruikt mochten worden, Voetius, Pol. Eccl. I 732. 738. Moor V 575.
-M. Vitringa VIII 1 p. 46. Maar daarmede is willekeurige afwijking van
-de instelling van Christus nog niet geoorloofd verklaard. Evenals
-in dezen tijd waren er ook in de eerste eeuwen sommige Christenen
-(Tatianen, Severianen, Gnostieken, Manicheën, Aquarii), die uit
-ascetisch beginsel bij het avondmaal den wijn door water vervingen.
-Maar wij moeten niet wijzer zijn dan Christus, die uitdrukkelijk den wijn
-als teeken van zijn bloed verordend heeft, en wiens gebod in dezen
-door de christelijke kerk ten allen tijde is opgevolgd, M. Vitringa
-VIII 1 p. 71-78. Want de bewering van Harnack, dat de gewoonte, om
-bij het avondmaal water te gebruiken, in de eerste en tweede eeuw
-vrij algemeen was en nog in de vijfde eeuw bestreden moest worden; en
-dat ook Paulus zelfs, sprekende van den drinkbeker, niet beslist
-aan een beker met wijn denkt, is voldoende door Zahn, Brot und Wein
-im Abendmahl der alten Kirche, Erlangen 1892 weerlegd, cf. ook W.
-Schmidt, Christl. Dogm. II 465. Evenzoo is het gebruik der Roomsche
-en Luthersche Christenen af te keuren, om het brood toe te dienen
-in den vorm van een ouwel (oblie, oblata, wijl de geloovigen oudtijds
-zelf de benoodigdheden tot het avondmaal aanboden; hostie, hostia,
-wijl het brood een teeken is van de offerande van Christus). Want al
-is de quantiteit van het brood evenmin als de qualiteit bepaald, toch
-moet het karakter van een maaltijd behouden blijven en dit gaat bij het
-gebruik van een kleinen, ronden ouwel schier geheel teloor, Voetius,
-Pol. Eccl. I 733. M. Vitringa VIII 1 p. 49. Eindelijk doet ook de plaats
-en de tijd, waarin het avondmaal ingesteld en oudtijds gevierd werd,
-duidelijk uitkomen, dat het een wezenlijke maaltijd is. Immers stelde
-Jezus het avondmaal in bij gelegenheid dat Hij met zijne discipelen
-aanlag bij den paaschdisch. En in den eersten tijd werd het avondmaal
-in verbinding met een gewonen maaltijd, Hd. 20:7, 11, 1 Cor. 11:21, in
-de openbare vergadering der gemeente, 1 Cor. 10:17, 11:18, 20, 21,
-33, en dagelijks of althans elken rustdag, Hd. 2:46, 20:7, gevierd.
-Eerst langzamerhand werd het avondmaal van de agapae losgemaakt, uit
-de avond- naar de morgengodsdienstoefening verplaatst, buiten de
-vergadering der gemeente ook aan kranken en stervenden in hunne huizen
-bediend, als mis geheel en al buiten en zonder eene samenkomst der
-gemeente gevierd, en het gebruik van het avondmaal voor de geloovigen
-op drie, of op eene enkele maal des jaars als minimum vastgesteld,
-Trid. sess. 13 can. 9. Hoewel nu enkele Gereformeerden van oordeel
-waren, dat het avondmaal in zeer bijzondere gevallen ook wel aan kranken
-in hunne woning, maar dan toch in bijzijn van anderen, mocht bediend
-worden, Calvijn bij Henry II 210. Voetius, Pol. Eccl. I 764, hielden zij
-toch algemeen de gedachte vast, dat het als een deel van den cultus
-publicus in de vergadering der gemeente thuis behoorde en niet privaat
-gevierd mocht worden. En al is de practijk sterker gebleken dan de leer
-en de viering van het avondmaal gewoonlijk tot zes of vier malen in het
-jaar beperkt, Dordr. 1578 art. 73. Midd. 1581 art. 45. ’s Grav. 1586
-art. 56. Dordr. 1618 art. 63, toch was het oorspronkelijk de wensch
-van Calvijn, om het minstens eenmaal per maand te vieren, Kampschulte,
-Joh. Calvin I 460, cf. a Lasco, bij Dalton 383. Voetius, Pol. Eccl.
-I 758-767. 801. 802. Moor V 660 sq. 671 sq. M. Vitringa VIII 1 p.
-406-414. Indien de doop als inlijving in de christelijke kerk reeds in
-de openbare vergadering der geloovigen behoort plaats te hebben, dan
-geldt dit nog veel meer van het avondmaal, dat wezenlijk een δειπνον,
-συναξις, convivium is en niet alleen eene gemeenschap met Christus
-maar ook eene gemeenschap der geloovigen insluit. Daarom concentreert
-zich de bepaling van het karakter van het avondmaal ten slotte geheel
-om de vraag, of het op een tafel dan wel op een altaar bediend moet
-worden. Jezus en zijne discipelen zaten aan eene tafel aan, toen zij het
-avondmaal gebruikten en ook de eerste Christenen wisten van een altaar
-niets. Maar langzamerhand ging het onderscheid tusschen de Oud- en de
-Nieuwtest. bedeeling teloor; de vergaderplaats werd veranderd in een
-tempel, de dienaar in een priester, het avondmaal in eene offerande,
-en de tafel in een altaar. In de Roomsche en Grieksche kerk wordt
-geheel de cultus door deze beschouwing beheerscht; de Anglikaansche
-kerk nam ze grootendeels over en neigt er thans hoe langer hoe meer
-heen; de Luthersche kerk behield het altaar en beschouwde het als
-een adiaphoron. Maar de Gereformeerden herstelden het schriftuurlijk
-denkbeeld van den maaltijd des Heeren ook in de tafel des avondmaals.
-Immers bestaat het onderscheid tusschen den cultus des O. en des
-N. Testaments daarin, dat tempel en altaar, priester en offerande
-niet meer op aarde doch in de hemelen zijn. Het Jeruzalem dat boven
-is, is ons aller moeder, Gal. 4:26; daar is Christus, de eeuwige
-Hoogepriester, voor ons ingegaan, Hebr. 6:20, nadat Hij door ééne
-offerande eene eeuwige verlossing had teweeggebracht, 9:12, om te
-verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons, 9:24; en daar hebben
-de Christenen hun heiligdom, in hetwelk zij met vrijmoedigheid ingaan
-in het bloed van Jezus, 4:16, 10:19, 12:22. Hier op aarde hebben wij
-slechts eene onderlinge bijeenkomst, waarin voor geen offerande plaats
-is, 10:25. Het eenige altaar der Christenen is het kruis, op hetwelk
-Christus zijne offerande heeft gebracht, 13:10, cf. 7:27, 10:10. Van
-dat altaar, dat is, van de daarop gebrachte offerande eten zij, als ze
-door het geloof gemeenschap hebben aan Christus en zijne weldaden. De
-geloovigen hebben geen andere offerande te brengen, dan offeranden
-des lofs, dat is vrucht van lippen, die zijnen naam prijzen, 13:15. Het
-avondmaal is een offermaal, een maaltijd van de geloovigen met Christus
-op grond van zijne offerande en daarom niet op een altaar maar op eene
-tafel te bedienen. Certissimum est, everti Christi crucem, simulac
-erigitur altare, Calvijn, Inst. IV 18, 3. Voetius, Pol. eccl. I 792.
-Moor V 659. M. Vitringa VIII 1 p. 414. Herzog³ art. Altar.
-
-
-6. Het avondmaal is dus een wezenlijke maaltijd, maar heeft als zoodanig
-toch eene eigene, geestelijke beteekenis en bestemming. Christus heeft
-het niet ingesteld, opdat het lichamelijk maar opdat het geestelijk
-ons voeden zou. Voordat Hij brood en wijn uitdeelt, zegent Hij beide en
-zegt, dat het brood zijn lichaam en de wijn zijn bloed is; als zoodanig,
-als zijn verbroken lichaam en vergoten bloed, moeten brood en wijn
-door zijne jongeren genomen en genoten worden. De materia sacramenti,
-de beteekende zaak in het avondmaal is dus het lichaam en bloed van
-Christus, gelijk het in zijn offerdood voor zijne gemeente gebroken en
-vergoten is tot vergeving der zonden, dat is de gekruiste en gestorven
-Christus met al de door zijn dood verworvene weldaden en zegeningen,
-ipse Christus cum omnibus suis beneficiis, Heppe, Dogm. 466. 467. In
-de moreele, rationalistische opvatting van het avondmaal komt deze
-beteekenis niet tot haar recht. Immers 1º het avondmaal is ook wel
-een gedachtenismaaltijd, maar het is dit eerst op grond daarvan, dat
-Christus brood en wijn tot teekenen van zijn lichaam en bloed heeft
-ingesteld. Het komt in de eerste plaats bij het avondmaal aan, niet op
-wat wij doen, maar op hetgeen God doet. Vóór alles is het avondmaal
-eene gave Gods, een weldaad van Christus, een middel voor zijne
-genade. Indien het avondmaal niets dan een gedachtenismaal en eene
-belijdenisacte ware, zou het ophouden een sacrament in eigenlijken zin
-te zijn; slechts zijdelings en indirect ware het dan, evenals het gebed
-een middel der genade te noemen. Het avondmaal staat echter met
-woord en doop op ééne lijn en is dus allereerst, evenals deze, als een
-prediking en verzekering van Gods genade aan ons te beschouwen. 2º
-Christus verheft brood en wijn niet in het algemeen tot teekenen van
-zijn lichaam en bloed, maar Hij doet dit bepaald ten aanzien van dat
-brood en dien wijn, welke Hij in de hand houdt en aan zijne discipelen
-meedeelt. En Hij zegt niet, dat zij in dat brood en dien wijn zijn lichaam
-en bloed slechts hebben te zien, maar Hij verklaart uitdrukkelijk, dat
-zij beide als zoodanig nemen, eten en drinken moeten. Hij maakt er een
-maaltijd van, waarin de discipelen zijn lichaam en bloed genieten en dus
-met Hem in de innigste gemeenschap treden. Die gemeenschap bestaat
-niet daarin alleen, dat zij samen aan ééne tafel aanzitten, maar zij
-eten van één brood en drinken van één wijn; ja de gastheer biedt onder
-de teekenen van brood en wijn zijn eigen lichaam en bloed tot spijze en
-drank van hunne zielen aan. Dat is eene gemeenschap, welke die in een
-gedachtenismaal en belijdenisacte zeer verre overtreft. Zij is geen
-herinnering slechts aan, geen overdenking van Christus’ weldaden, maar
-zij is een allerinnigst verband met Christus zelven, gelijk de spijze en
-drank zich vereenigt met ons lichaam. 3º In het avondmaal ontvangen
-wij wel geen andere en meerdere, maar toch ook geen mindere weldaden
-dan in het woord. Nu heeft Jezus, Joh. 6:47-58, uitdrukkelijk gezegd,
-dat wij in het woord en door het geloof zijn vleesch eten en zijn bloed
-drinken en alzoo het eeuwige leven ontvangen. Al is er nu in Joh.
-6 niet rechtstreeks van het avondmaal sprake, toch mag en kan het
-dienen tot verklaring van dit tweede sacrament. Door het woord en in
-het geloof krijgen wij zulk eene innige gemeenschap met Christus, met
-zijn lichaam en bloed, als er ontstaat tusschen de spijze en dien, die
-haar geniet. En dit is de leer niet alleen van Joh. 6, maar van heel
-de Schrift. Het woord schenkt in letterlijken zin die gemeenschap niet
-noch ook het geloof, maar God heeft zich verbonden, om dengene, die zijn
-woord gelooft, zijne gemeenschap in Christus en al de daaraan verbonden
-weldaden mede te deelen. Terecht merkte daarom Calvijn tegen Zwingli op,
-dat het eten van Christus’ lichaam en het drinken van zijn bloed niet
-in het gelooven opgaat. Het gelooven is een middel, een middel zelfs
-dat tijdelijk is en eens in aanschouwen overgaat, maar de gemeenschap
-met Christus, die daardoor ontstaat, gaat veel dieper en duurt in
-eeuwigheid. Zij is eene unio mystica, die ons slechts eenigszins
-duidelijk is te maken onder de beelden van wijnstok en rank, hoofd en
-lichaam, bruidegom en bruid, hoeksteen en gebouw, cf. deel III 556. En
-het is deze unio mystica, welke in het avondmaal beteekend en verzegeld
-wordt.
-
-De christelijke kerk heeft deze unio mystica zoo goed als eenparig
-in het avondmaal gehandhaafd; Grieksche en Roomsche, Luthersche en
-Gereformeerde Christenen zijn daarin met elkander eenstemmig, dat er
-in het avondmaal eene objectieve en reëele mededeeling plaats heeft
-van den persoon en de weldaden van Christus aan een iegelijk, die
-gelooft. Maar onderling verschillen zij zeer over de wijze, waarop
-die mededeeling geschiedt. De eerstgenoemden zijn niet tevreden,
-tenzij het lichaam en bloed van Christus ook physisch en locaal in
-de teekenen aanwezig zij en door den lichamelijken mond ontvangen en
-genoten worde. De Gereformeerden echter leeren, dat Christus in het
-avondmaal wel waarachtig en wezenlijk aan de geloovigen medegedeeld
-wordt, maar op eene geestelijke wijze en zoo, dat Hij alleen door den
-mond des geloofs ontvangen en genoten kon worden. En daarvoor levert
-de Schrift overvloedige bewijzen. 1º In de woorden τουτο ἐστι το σωμα
-μου kan het subject τουτο op niets anders slaan dan op het brood,
-hetwelk Jezus in de hand houdt. Het praedicaat is το σωμα μου, en
-duidt daarmede op het eigen lichaam van Christus, dat Hij uit Maria
-aangenomen en voor de zijnen in den dood heeft overgegeven. De copula
-is ἐστι, welke door Jezus in het arameesch in het geheel niet is
-uitgesproken maar in elk geval twee disparate begrippen, brood en
-lichaam, verbindt en dus geen copula van het werkelijk _zijn_ kàn
-wezen. Zoo moet ἐστι hier dus significatieve, figuratieve beteekenis
-hebben, want disparatum de disparate non potest praedicari nisi
-figurate. De zin bevat een tropus, en deze ligt niet in het subject
-of in het praedicaat, maar gelijk Zwingli juist inzag, in de copula
-ἐστι, evenals dat in de Schrift zoo dikwerf het geval is, bijv. Gen.
-17:13, 41:26, 27, Ex. 12:11, Ezech. 5:5, Luk. 12:1, Joh. 10:9, 15:1,
-enz. Gal. 4:24, 1 Cor. 10:4, Hebr. 10:20, Op. 1:20 enz. En dat bij de
-instellingswoorden zulk een tropus moet aangenomen worden, wordt ten
-overvloede nog daaruit bewezen, dat Jezus volgens Lukas en Paulus bij
-het tweede teeken niet zegt: deze wijn, maar deze drinkbeker is het
-nieuwe testament in mijn bloed. Zelfs de Roomschen en Lutherschen
-zijn gedwongen, hier een tropus aan te nemen. 2º Wanneer het subject
-τουτο niet slaat op het natuurlijk brood en op den natuurlijken wijn,
-maar reeds op de substantie van Jezus’ lichaam en bloed, welke onder
-den vorm of binnen in de teekenen van brood en wijn verborgen zijn,
-dan zijn brood en wijn reeds in Jezus’ lichaam en bloed veranderd of
-hebben zij deze reeds in zich opgenomen, voordat de woorden: dit is
-mijn lichaam, dit is mijn bloed, uitgesproken zijn en verliezen zij al
-de kracht en waarde, welke Roomschen en Lutherschen eraan toekennen.
-Immers is de trans- of consubstantiatie dan niet door die woorden tot
-stand gekomen maar reeds daaraan voorafgegaan; en de woorden, waarop
-zooveel nadruk ligt, houden niets dan eene verklaring in van wat reeds
-bestaat en vroeger tot stand kwam. Moeilijk, ja onmogelijk is dan te
-zeggen, wanneer en hoe de trans- of consubstantiatie tot stand kwam;
-want wel is er van voorafgaande zegening en dankzegging sprake, maar
-de inhoud daarvan is met geen enkel woord vermeld; wij weten volstrekt
-niet, wat Jezus daarin gezegd heeft en dus ook niet, wat wij moeten
-zeggen, om de trans- en consubstantiatie tot stand te doen komen.
-En bovendien, als Paulus 1 Cor. 10:16 zegt: de drinkbeker, dien wij
-zegenen, is gemeenschap aan het bloed van Christus, dan gaat hij van
-de veronderstelling uit, dat de drinkbeker wijn en geen bloed bevat,
-want anders konden wij hem niet zegenen, en dat hij als zoodanig, als
-wijn bevattende, door de zegening gemeenschap is aan Christus’ bloed.
-3º De woorden, die Jezus bij de instelling van het avondmaal gesproken
-heeft, zijn als geen vaststaande formule bedoeld. Dat blijkt daaruit, dat
-Mattheus, Marcus, Lukas en Paulus ze in verschillende lezing weergeven
-en dat het liturgisch gebruik der christelijke kerken onderling allerlei
-afwijking vertoont. Volgens de Grieksche kerk behoort de zoogenaamde
-epiklese, de aanroeping van den H. Geest, wezenlijk tot de woorden der
-consecratie, Schwane, D. G. II 810. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 413,
-terwijl volgens Rome de transsubstantiatie tot stand komt door het
-uitspreken der woorden: hoc enim est corpus meum, waarbij het woordeke
-enim willekeurig is ingevoegd en de woorden: dat voor u verbroken
-wordt, willekeurig zijn weggelaten. Veel minder is nog te bewijzen,
-dat de woorden --onderstel, dat vaststond, welke bepaald te bezigen
-waren-- eene consecratorische, operatieve, conversieve kracht bezitten.
-Want Jezus zegt niet: dit _wordt_, maar: dit is mijn lichaam en heeft
-dus reeds te voren het brood van het gemeene gebruik afgezonderd en
-door zegening en dankzegging voor een hooger doel bestemd. 4º Toen
-Jezus het avondmaal instelde, zat Hij lichamelijk met zijne discipelen
-aan den disch. Dezen konden daarom niet op de gedachte komen, dat zij
-met den lichamelijken mond Jezus’ eigen lichaam en bloed genoten en
-konden nog veel minder dat lichaam zelf eten en dat bloed drinken.
-Het baat niets, om met Philippi te zeggen, dat zij über das Mass ihres
-gewöhnlichen Verständnisses durch den erleuchtenden Geist emporgehohen
-wurden, K. Gl. V 2 S. 451, of met Hollaz, Ex. theol. 1119, dat Jezus
-naturali modo aan tafel zat maar sacramentaliter zich te eten gaf. Want
-niet alleen staat hier niets van in de Schrift, maar de vraag loopt
-juist over de wijze, waarop Jezus bij het eerste avondmaal zijn lichaam en
-bloed te genieten gaf en mag niet met een petitio principii beantwoord
-worden. Indien de wijze, waarop Roomschen en Lutherschen met hunne
-trans- en consubstantiatie zich dit genieten van Jezus’ lichaam en
-bloed voorstellen, door het eerste avondmaal uitgesloten of daarbij niet
-anders dan door een beroep op een wonder of door allerlei uitvluchten,
-waarvoor de Schrift geen grond biedt, kan gehandhaafd worden, dan
-behoort zij door den Christen, die aan Gods woord zich onderwerpt, te
-worden losgelaten. En indien bij het eerste avondmaal geen trans- of
-consubstantiatie en geen manducatio oralis plaats had, dan mag zij ook
-niet aangenomen worden bij het avondmaal, dat de christelijke kerk na
-Jezus’ dood op zijn bevel en naar zijne instelling viert. 5º Evenzeer
-toch als met zijn lichamelijk aanzitten aan den disch, is de trans- en
-consubstantiatie thans met zijne lichamelijke hemelvaart en met zijn
-plaatselijk verblijf in den hemel in strijd. Indien toch brood en wijn bij
-het avondmaal in Jezus’ lichaam en bloed veranderd worden of deze in
-zich opnemen, moet dat lichaam uit den hemel neerdalen of reeds, naar
-de Luthersche ubiquiteitsleer, cf. Kübel, art. Ubiquität in Herzog²,
-van te voren overal aanwezig zijn. In het laatste geval is er toch
-nog weer een acte noodig, waardoor de tegenwoordigheid van Christus’
-lichaam in het avondmaal op eene bijzondere wijze teweeggebracht wordt,
-want de ubiquiteit is daarvoor uiteraard niet voldoende; en daarom
-zeiden Luther, Brenz e. a., dat het nog iets anders is, wenn Gott
-da ist und wenn er _dir_ da ist. Dann aber ist er _dir_ da, wenn er
-sein Wort dazu tut und bindet sich damit an und spricht: hie sollst
-du mich finden, bij Kübel, art. Ubiquität in Herzog² 16, 123. 128. Het
-woord bewerkt dus bij Rome en bij Luther eene zoodanige tegenwoordigheid
-van Christus’ lichaam en bloed in het avondmaal, dat Hij niet alleen
-lichamelijk in den hemel maar ook op aarde, in de teekenen van brood en
-wijn aanwezig is. En deze tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal
-wordt bovendien dan nog zoo gedacht, dat Christus geheel, niet alleen
-naar zijne Goddelijke maar ook naar zijne menschelijke natuur, aanwezig is
-in elk avondmaal, waar en wanneer het gevierd wordt; dat Hij met zijne
-gansche Goddelijke en menschelijke natuur aanwezig is in elk teeken van
-het avondmaal, ja in elk deeltje van het brood en in elken druppel van
-den wijn, totus in tota hostia et in qualibet parte. Dit nu is eene
-eindelooze multiplicatie van Christus, die met de leer der Schrift over
-zijne menschelijke natuur, over zijne hemelvaart en over zijn verblijf in
-den hemel in lijnrechten strijd is. Want zeker is die menschelijke natuur
-bij de opstanding en de hemelvaart verheerlijkt maar daarom niet van
-hare wezenlijke eigenschappen van eindigheid en beperktheid beroofd,
-deel III 414v. Jezus stelt juist het avondmaal tot zijne gedachtenis
-in, omdat Hij heengaat en straks niet meer lichamelijk bij zijne jongeren
-zal zijn, gelijk Hij elders ook uitdrukkelijk verklaart, Mt. 26:11. En bij
-de hemelvaart voer Hij henen en werd Hij opgenomen, Hd. 1:9-11, in den
-hemel, die eene plaats is, Joh. 14:2, 4, 17:24, Hd. 7:56, Col. 3:1, Ef.
-4:10, Hebr. 7:26, om daar te blijven tot zijne parousie, Hd. 1:11, Phil.
-3:20, 1 Thess. 1:10, 4:16. 6º Maar al ware Christus in het avondmaal
-lichamelijk en plaatselijk tegenwoordig, men ziet niet in, waartoe dit
-noodig en dienstig is. Het nut der manducatio oralis is op geenerlei
-wijze aan te toonen, cf. Köstlin, Luthers’ Theol. II 516. Onderstel al,
-dat wij met den lichamelijken mond Jezus’ eigen lichaam eten, wat bate
-hebben wij daarvan? Het komt toch in het avondmaal daarop aan, dat onze
-ziel, dat ons geestelijk leven gevoed en versterkt wordt. En dit kan uit
-den aard der zaak niet geschieden door het eten van Christus’ lichaam
-met den lichamelijken mond; want wat wij daarmede eten, gaat deels in
-bestanddeelen van ons lichaam over en wordt deels uitgeworpen. Nieuwere
-theologen zijn daarom op de gedachte gekomen, dat de manducatio oralis
-van Christus’ lichaam de kiem van een nieuw, van een opstandingslichaam
-in ons plantte. Maar deze voorstelling druischt geheel tegen de Schrift
-in en is vrucht van eene valsche theosophie. Toch, als deze vrucht niet
-aan het eten van Christus’ lichaam verbonden is, is er geen andere
-aan te wijzen. De manducatio oralis is onnut en ijdel en in den grond,
-hoezeer men het bestrijde, kapernaïtisch. De Kapernaieten konden zich
-geen ander eten van Jezus’ vleesch voorstellen dan met den lichamelijken
-mond, Joh. 6:41, 52. En al nemen Roomschen en Lutherschen wel terdege
-een geestelijk eten van Jezus’ lichaam aan, zij verbinden dit toch met,
-zij maken het toch afhankelijk van het lichamelijk eten, zonder de wijze
-van die verbinding of den aard dier afhankelijkheid ook maar eenigszins
-duidelijk te maken. Jezus bedoelde echter in de gansche rede, die Hij
-tegen de Kapernaieten houdt, niet anders dan een geestelijk eten, een
-eten door het geloof en maakt van een lichamelijk eten geen oogenblik
-gewag.
-
-Al de hiermede genoemde bezwaren gelden tegen Roomsche en Luthersche
-leer beide; tegen de eerste komen er dan nog de volgende bij. 7º De
-transsubstantiatie wordt door het getuigenis onzer zintuigen, door
-gezicht en tastzin, door reuk en smaak beslist weersproken. En onze
-zintuigen hebben hierbij recht van meespreken, omdat brood en wijn onder
-hun bereik vallen en door hen kunnen en mogen beoordeeld worden. Zij
-zijn ook, indien zij nauwkeurig waarnemen, hier evengoed als elders te
-vertrouwen, omdat anders het sceptisch nominalisme voor de deur staat
-en alle zekerheid des geloofs en der wetenschap verdwijnt. Ook Rome
-moet dan ook voor hunne getuigenis wijken maar heeft erop gevonden,
-dat de substantia verandert en de accidentia dezelfde blijven. Hoe dit
-te denken zij, blijft onbeantwoord. Te Kana werd het water wijn, maar
-zoo dat substantie en accidentiën veranderden. Accidentiën kunnen ook
-niet van de substantie gescheiden en als in zichzelve rustend gedacht
-worden, want zij houden dan op accidentiën te zijn en worden zelve
-substanties. Bovendien, in het brood en den wijn van het avondmaal
-blijven alle accidentiën onveranderd, zoowel die door reuk en smaak als
-die door gezicht en tastzin worden waargenomen; zwaarte, vastheid,
-kleur, verderfelijkheid, voedingskracht enz., alles blijft; wat rest
-er dan voor de substantie nog, dat veranderen kan en veranderd is?
-8º De transsubstantiatie strijdt met het tweetal teekenen, dat door
-Jezus bij het avondmaal verordend is. Hoewel ook vroeger soms bij
-bediening van het avondmaal in private woningen, aan kranken, aan
-gevangenen, aan anachoreten, aan virgines abstemiae, en in missis
-praesanctificatorum alleen het teeken des broods werd uitgereikt,
-en omgekeerd aan onmondigen, gelijk thans nog in de Grieksche kerk,
-alleen de wijn werd toebediend; kwam toch eerst sedert de twaalfde
-eeuw de gewoonte in zwang, om de kelk aan de leeken te onthouden, en
-verhief pas het concilie te Constanz 1415, deze gewoonte tot kerkelijke
-wet. In weerwil van de oppositie, die er door de Hussieten en de
-Hervormingsgezinden tegen gevoerd werd, hechtte ook het concilie te
-Trente aan de kelkonthouding hare goedkeuring en werd daartoe geleid
-gravibus et justis causis, Sess. 21. De synode noemt deze redenen niet
-op, maar ze zijn toch licht te bevroeden. Behalve door den tegenzin
-van sommigen, om met anderen uit één beker te drinken, den afkeer van
-wijn, het gevaar van te storten en zoo het sacrament te onteeren enz.,
-werd de Roomsche kerk tot deze kelkonthouding vooral bewogen door de
-zucht, om den priesterstand boven de leeken te verheffen, en door
-de overtuiging, dat elk teeken en elk deel daarvan in den ganschen
-Christus veranderd was, Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. I 501.
-De transsubstantiatie maakt een tweede teeken in het avondmaal geheel
-overbodig; in het brood alleen en zelfs in het kleinste stukske daarvan
-is reeds de gansche stof der genade vervat. Daardoor komt de Roomsche
-kerk met een rechtstreeksch gebod van Christus, Mt. 26:27 in strijd,
-waartegen haar beroep op de conjunctie ἠ in 1 Cor. 11:27 niets baat, en
-tegelijk, naar haar eigen bekentenis, met de gewoonte der christelijke
-kerk in de eerste eeuwen. Zij weet zich alleen te verdedigen met de
-bewering, dat zij macht bezit, om bij de uitdeeling der sacramenten te
-werk te gaan gelijk zij goedvindt, Trid. sess. 21 c. 2. Omgekeerd is
-de instelling van het avondmaal onder twee teekenen een sterk bewijs,
-dat de transsubstantiatie niet de leer der Schrift is. Samen toch
-stellen zij ons den gekruisten Christus voor oogen en deelen Hem aan de
-geloovigen mede, niet op lichamelijke maar op geestelijke wijze, niet in
-en onder maar tegelijk met de teekenen; zij vormen saam één sacrament,
-als beelden en onderpanden van het ééne geestelijk goed, de gemeenschap
-aan Christus en zijne weldaden. 9º De transsubstantiatie wordt eindelijk
-nog weerlegd door de afgodische practijken, die haar gevolgd zijn. Al is
-de mis voorbereid door de offer- en priesteridee, welke reeds vroeg met
-het avondmaal in verbinding werd gebracht, zij is toch wezenlijk gebouwd
-op de eerst in de Middeleeuwen uitgewerkte transsubstantiatieleer.
-En deze wordt evenzeer door de asservatio, adoratio en circumgestio
-ondersteld. Door de leer van de wezensverandering is het avondmaal
-in de mis overgegaan, en daardoor van zijn oorspronkelijk karakter
-geheel en al beroofd. Ofschoon de communio trots allerlei beperking is
-blijven bestaan, is toch de mis het middelpunt van den Roomschen cultus
-geworden. Zij is dan ook niets minder dan de volledigste uitwerking van
-de Roomsche gedachte, dat de kerk met haar priesterschap de middelares
-der zaligheid, de voortdurend op aarde zich realiseerende Godmensch
-is. In de mis herhaalt Christus altijd door en telkens opnieuw zijne
-offerande aan het kruis; Hij offert zich daarin wezenlijk en waarachtig,
-zij het ook op onbloedige wijze, en bewerkt daardoor bij God, dat de
-vruchten van zijne offerande aan het kruis, die daar slechts gansch
-in het algemeen en in het afgetrokkene verworven zijn, nu toegepast
-worden, cf. Trid. 22 c. 1, aan allen, die in de gemeenschap der kerk
-leven, hetzij op aarde hetzij in het vagevuur, hetzij zij bij de mis
-tegenwoordig of afwezig zijn, hetzij zij haar begeeren voor zichzelven of
-voor anderen, voor geestelijke of lichamelijke nooddruft, tot vergeving
-van zonden en tot voorkoming of afwending van krankheid en ongeval,
-droogte en overstrooming, oorlog en veepest enz. Dat heeft Rome van
-het avondmaal van onzen Heere Jezus Christus gemaakt! Aan gronden,
-die toch bij zulk een gewichtig leerstuk als de mis in overvloed
-aanwezig en onwankelbaar hecht zouden moeten zijn, ontbreekt het geheel
-en al. In Gen. 14:18, waar Melchizedek aan Abraham brood en wijn ter
-verkwikking aanbiedt, is met geen woord van eene offerande sprake, al
-volgt er ook terstond op, niet: want, maar: en hij (Melchizedek) was
-een priester des allerhoogsten Gods. Mal. 1:11 handelt misschien niet
-eens van de toekomst; maar ook indien dit het geval is, beschrijft
-déze plaats slechts in Oudtest. vormen, dat des Heeren naam groot zal
-zijn onder de Heidenen en dat hem reukwerk en een rein offer (מִנְחָה,
-offergave in het algemeen) gebracht zal worden; en deze vormen zijn in
-het N. T. juist door het gebed en door de geestelijke offerande der
-geloovigen vervangen, Rom. 12:1. Bij de instelling van het avondmaal
-zeide Jezus wel: τουτο ποιειτε εἰς την ἐμην ἀναμνησιν, Luk. 22:19,
-maar dat Jezus daarbij het avondmaal als een offer instelde en de
-discipelen tot priesters verhief, is in deze woorden in het minst niet
-begrepen en wordt zeker daarmede niet bewezen, dat het hebr. עשׂה en
-het lat. facere wel eens in de beteekenis van offeren gebruikt wordt.
-In 1 Cor. 10:21 stelt Paulus de tafel des Heeren tegenover de tafel
-der duivelen; maar omdat de tafel der duivelen een altaar was, volgt
-daaruit nog in geenen deele, dat ook de tafel des Heeren een altaar
-is, waarop geofferd moet worden. Dit zijn de voornaamste en sterkste
-bewijzen, welke de Roomschen uit de Schrift voor hunne leer van de mis
-kunnen bijbrengen. En weinig sterker is hun beroep op de kerkvaders,
-want zij vergeten daarbij, dat dezen, op het avondmaal de offeridee
-toepassende, daaraan een gansch anderen zin hechtten dan Rome er
-later mede verbond. En tegenover al deze schijnargumenten staat eene
-reeks van bewijzen, die het onschriftuurlijk karakter van de mis in het
-helderste licht stellen. Aan de instelling en de in de apostolische
-kerk gebruikelijke viering van het avondmaal is al wat op de mis gelijkt
-ten eenenmale vreemd. De eeuwigheid van Christus’ priesterschap, Hebr.
-5:6, 7:17, 21-25, en de volkomenheid zijner kruisofferande, Hebr. 7:27,
-9:12, 28, 10:10, 12, 14 maken eene, zij het ook onbloedige, herhaling
-van zijne zelfofferande overbodig en ongeoorloofd; alle weldaden der
-genade, vergeving, heiligmaking, verlossing, de gansche zaligheid, zijn
-verworven door de offerande aan het kruis en kunnen noch behoeven te
-worden aangevuld. Ja, wijl Christus eenmaal aan het kruis zich geofferd
-en in den dood heeft overgegeven, kan Hij dit zelfs voor de tweede maal
-niet meer doen, zijne offerande in den dood is voor geen herhaling
-vatbaar, Hebr. 9:26-28. Zijne priesterlijke werkzaamheid duurt wel in
-den hemel nog voort, maar bestaat toch niet in eenige zoenofferande
-doch in zijne voorbede en verschijning voor Gods aangezicht ten gunste
-van zijn volk, Hebr. 7:25, 9:24; en in die voorbede en verschijning voor
-Gods aangezicht werkt de offerande, aan het kruis volbracht, altijd ten
-behoeve der zijnen door. Omdat Christus zelf in den hemel leeft, om voor
-de geloovigen te bidden en in die voorbede zijne offerande doorwerken
-laat, daarom is er voor de herhaling zijner offerande op aarde geen
-plaats, deel III 419v. Zijn staat van verhooging, zijne verhevenheid
-boven alle lijden, smart en dood, zijne koninklijke heerschappij als
-hoofd der gemeente zijn in lijnrechten strijd met een sacrificium
-propitiatorium en impetratorium, dat Hij nog op aarde iederen dag en
-op duizenden plaatsen te brengen zou hebben. Hoezeer Rome dan ook
-bewere, dat de onbloedige offerande de bloedige aan het kruis niet
-verzwakt maar werkzaam maakt, feitelijk is zij toch eene verloochening
-van de eenige offerande aan het kruis; want een offer, dat niets anders
-dan de vruchten van een ander offer genieten doet, is eene tastbare
-ongerijmdheid. Indien de offerande aan het kruis genoegzaam is, zijn
-andere overbodig; indien deze noodig zijn, is de eerste onvolkomen.
-En dit wordt bevestigd door de Roomsche practijk; de aandacht van
-den geloovige wordt van Christus en zijn kruis afgeleid en naar den
-priester en zijne mis heengeleid. Voor de minste genade is de Roomsche
-Christen van den priester en van de kerk afhankelijk. Hen kan hij geen
-oogenblik ontberen. In theorie wordt vastgehouden, dat Christus alle
-genade verworven heeft; maar in de practijk wordt de genade successief,
-bij stukjes en beetjes, door den priester toebedeeld. Het avondmaal is
-in de handen van Rome geworden tot een tremendum mysterium, dat de
-geloovigen in den staat der onmondigheid houdt, hen voor hun gansche
-leven en welzijn aan de hierarchische priesterschap bindt en hen in
-afgodische adoratie neerknielen doet voor een God van eigen maaksel.
-Cf. tegen de leer van trans- en consubstantiatie: Calvijn, Inst. IV 18.
-Beza, Tract. theol. I 211 sq. 507 sq. III 148 sq. Martyr, Loci Comm. IV
-c. 12. Ursinus op Heid. Cat. 78-80 en Tract. theol. 359-596. Chamier,
-Panstr. Cath. IV l. 6. Amesius, Bellarminus enervatus l. IV. Rivetus,
-Op. III 339-376. Turretinus, Theol. El. XIX qu. 21. M. Vitringa VIII
-769. Art. Messe e. a. in Herzog². Hase, Prot. Polemik⁵ 488-535 enz.
-
-
-7. Beter nog dan de Lutherschen, hebben de Gereformeerden het avondmaal
-van de Roomsche inmengselen gezuiverd en in zijn oorspronkelijke
-beteekenis hersteld. Het avondmaal was naar de instelling van Christus
-een maaltijd, een wezenlijke maaltijd, waarin brood en wijn gebruikt
-werden als spijze en drank tot versterking des lichaams, en bovenal
-als teekenen en zegelen dienst deden tot gemeenschapsoefening met den
-gekruisten Christus. Het is een gewone, natuurlijke maar tevens een
-buitengewone, geestelijke maaltijd, waarin Christus de gastheer zijn eigen
-gekruiste lichaam en vergoten bloed tot voeding onzer zielen aanbiedt.
-Daarom is in dien maaltijd, welken Christus ingesteld heeft, alles
-belangrijk; niets erin is zonder beteekenis; alles heeft een diepen
-zin. Ten eerste zijn de teekenen van brood en wijn niet willekeurig
-gekozen maar bij uitnemendheid geschikt, om ons een denkbeeld te geven
-van de geestelijke spijze en drank, welke Christus in zijn dood voor onze
-zielen heeft bereid. Ten tweede zijn al de handelingen van beteekenis,
-welke Jezus bij de instelling van het avondmaal verricht. Hij neemt het
-brood en den wijn niet zooals eerst bij het pascha, uit de hand van
-anderen over, δεξαμενος, Luk. 22:17, maar Hij neemt ze zelf van den
-disch, λαβων, vs. 19, ten bewijze dat Hij de gastheer is en de spijze
-en den drank beschikt. Hij zegent (εὐλογησας, Mt. 26:26, Mk. 14:22,
-afwisselend bij den drinkbeker met εὐχαριστησας, Mt. 26:27, Mk. 14:23,
-terwijl Luk. 22:19, 20 en Paulus, 1 Cor. 11:24, 25 alleen εὐχαριστησας
-hebben) het brood en later evenzoo den drinkbeker; onder dien zegen
-is niet te verstaan, dat Christus over brood en wijn van God een zegen
-vraagt, maar de verwisseling met εὐχαριστησας bewijst, dat Jezus God
-zegent, d. i. prijst en dankt voor de gaven, die door Hem geschonken
-zijn. De inhoud van die lofprijzing en dankzegging wordt niet vermeld,
-maar had zeker wel betrekking op de gaven der schepping, in brood en
-wijn vertegenwoordigd, en voorts vooral op de gaven der genade, die door
-den dood van Christus verworven zouden worden en in zijn lichaam en
-bloed aan de discipelen werden aangeboden. Door die dankzegging reeds
-werden brood en wijn van het gemeene gebruik afgezonderd en voor een
-hooger doel bestemd, en werden tevens de discipelen voorbereid voor een
-recht verstaan van de beteekenisvolle woorden, dit is mijn lichaam enz.,
-die Jezus straks ter verklaring uitspreken zou. Voorts brak Jezus het
-brood, waarin de Gereformeerden terecht eene handeling zagen, welke wel
-niet tot de essentia maar toch tot de integritas sacramenti behoorde;
-want niet alleen wordt dit breken in alle vier berichten vermeld,
-maar het gansche avondmaal wordt er naar genoemd, Hd. 2:42; gelijk
-het breken van het brood noodig is, om het voor de gasten genietbaar
-te maken, zoo moet Christus zijn lichaam in den dood geven, opdat het
-eene spijze voor onze zielen zij, Joh. 6:51, 12:24. Eindelijk deelt Jezus
-zelf het brood en den wijn aan zijne discipelen uit, opdat zij daarvan
-eten en drinken zouden; Hij doet het met de uitdrukkelijke woorden:
-λαβετε, φαγετε, πιετε ἐξ αὐτου παντες, die de Roomsche mis zonder
-communicanten ten sterkste veroordeelen; de communio behoort tot het
-wezen des avondmaals. Ten derde zijn de woorden belangrijk, welke Jezus
-bij het uitdeelen van brood en wijn uitspreekt; als Hij het brood aan
-zijne discipelen gaf, zeide Hij: dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven
-is, Luk. 22:19; en bij het uitreiken van den drinkbeker sprak Hij: deze
-drinkbeker is mijn bondsbloed, of het nieuwe testament in mijn bloed, dat
-voor u of voor velen vergoten is tot vergeving der zonden. Dat deze
-woorden eene consecratorische, operatieve kracht bezitten, vindt in
-den tekst der berichten hoegenaamd geen steun. Maar nadat Jezus door
-de dankzegging brood en wijn van het gemeene gebruik afgezonderd, voor
-een hooger doel bestemd en zijne discipelen voorbereid heeft, spreekt
-Hij nu de woorden: dit is mijn lichaam en bloed. Hij zegt niet: dit brood
-worde mijn lichaam; Hij gebiedt en beveelt niet, maar Hij verklaart en
-licht toe. Het is immers een zinnebeeldige handeling, die Hij verricht;
-een geestelijke maaltijd, dien Hij instelt. En van dien maaltijd is zijn
-lichaam en bloed, gelijk het in den dood wordt overgegeven, de spijze en
-de drank. Al de teekenen, handelingen en woorden in het avondmaal zijn
-daarhenen gericht, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus
-aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid, wijzen. Toch
-gaat daarom het avondmaal niet op in een maaltijd ter gedachtenis aan
-Christus en zijne weldaden. Onder de teekenen van brood en wijn geeft
-Jezus immers zijn eigen lichaam en bloed te genieten; de avondmaalsdisch
-brengt eene waarachtige gemeenschap tusschen Christus en de geloovigen
-tot stand, eene gemeenschap niet alleen aan de weldaden maar ook en
-vóór alles aan den persoon van Christus, zoowel naar zijne menschelijke
-als naar zijne Goddelijke natuur.
-
-Over de realiteit dier gemeenschap is er tusschen Roomsche, Luthersche
-en Gereformeerde Christenen geen verschil; te dezen opzichte staan zij
-samen tegenover Zwingli geschaard. Maar wel verschillen zij onderling
-over den aard dier gemeenschap en over de wijze, waarop zij in het
-avondmaal genoten wordt. Roomschen en Lutherschen meenen, dat zij niet
-anders waarlijk en ten volle tot stand kan komen, tenzij zij Christus
-lichamelijk uit den hemel op aarde laten dalen en zijn lichaam en bloed,
-niet alleen geestelijk, maar ook met den lichamelijken mond eten en
-drinken. Daartegenover heeft Calvijn van den beginne af en altijd weer
-op nieuw er den nadruk op gelegd, dat de gemeenschap der geloovigen
-met Christus, ook naar zijne menschelijke natuur, geestelijk is van
-aard, en dat zij tot stand komt, niet doordat Christus lichamelijk naar
-beneden daalt, maar daardoor, dat wij geestelijk onze harten opwaarts
-naar den hemel verheffen, waar Jezus Christus is, onze voorspraak,
-ter rechterhand zijns hemelschen Vaders. En deze leer steunt op de
-Schrift en komt met den aard der N. T. bedeeling overeen. Want 1º
-de gemeenschap van Christus en de geloovigen is wel zoo innig en
-onverbreekbaar, dat zij schier in geen woorden uit te drukken en
-alleen onder beelden, zooals van hoofd en lichaam, wijnstok en rank,
-bruidegom en bruid, eenigermate te verduidelijken is. Maar zij is toch
-geen pantheistische vermenging of vereenzelviging, geen overvloeiing
-der substantie, geen wezenseenheid als van de drie personen in de
-drieëenheid, geen personeele vereeniging als van de twee naturen
-in Christus. Christus en de geloovigen blijven onderscheiden; hun
-persoonlijkheid wordt gehandhaafd; de unio mystica is eene vereeniging
-van personen, zij het dan ook niet alleen naar hun wil en gezindheid,
-maar ook naar hun wezen en natuur. 2º Deze gemeenschap wordt bewerkt
-door den H. Geest, die in Christus als het hoofd en in de geloovigen
-als zijne leden woont. Een andere weg, om die gemeenschap deelachtig
-te worden, is er niet. Eene physische vereeniging, gelijk trans- en
-consubstantiatie met de daaraan verbonden manducatio oralis tot stand
-wil doen komen, is geheel ijdel en onnut. Alleen de H. Geest, die de
-Geest Gods en de Geest van Christus is, kan menschen met Christus zoo
-vereenigen, dat zij aan zijn persoon en weldaden deel hebben en door
-geen dood of graf, door geen wereld of satan van Hem te scheiden zijn.
-En daarom is die gemeenschap ook altijd geestelijk van aard. Zij omvat
-ook wel de menschelijke natuur van Christus en de geloovigen naar hunne
-lichamen. Want Christus is als middelaar niet zonder zijne menschelijke
-natuur te denken en Hij kocht de geloovigen niet alleen naar hun ziel
-maar ook naar hun lichaam. Doch de vereeniging blijft geestelijk van
-aard, wijl zij niet anders dan door den H. Geest tot stand komt. 3º De
-gemeenschap met Christus, die in het avondmaal versterkt wordt, is geen
-andere, dan die ook door het genademiddel des woords tot stand komt.
-Het sacrament voegt geen enkele genade toe aan die, welke in het woord
-aangeboden wordt; het versterkt en bevestigt alleen, wat uit het woord
-door het geloof is aangenomen. Wanneer Roomschen en Lutherschen dus
-inbrengen, dat de gemeenschap met Christus in het avondmaal volgens de
-Geref. opvatting geen waarachtige gemeenschap is met het eigen lichaam
-en bloed van Christus, dan dient daartegen alleen te worden opgemerkt,
-dat de gemeenschap, in het avondmaal verzekerd, geen andere is noch
-zijn kan dan die door het woord. Volkomen op dezelfde wijze, als de
-mensch door het geloof Christus wordt ingelijfd, wordt hij ook in die
-gemeenschap door het avondmaal versterkt en bevestigd. Eene andere,
-hoogere gemeenschap is er niet. Wie het woord gelooft, wordt Christus’
-eigendom naar lijf en ziel; en wie het avondmaal in den geloove
-ontvangt, wordt daarvan vergewist en verzekerd. Het sacrament schenkt
-geen andere genade maar schenkt dezelfde genade, tot versterking des
-geloofs, slechts op eene andere wijze. 4º Ook bij de Gereformeerden is
-Christus dus wel waarlijk en wezenlijk, met zijne Goddelijke en menschelijke
-natuur in het avondmaal tegenwoordig, doch op geen andere wijze dan
-Hij tegenwoordig is in het evangelie. Hij is niet lichamelijk in brood
-en wijn besloten evenmin als in het verkondigde woord, maar wie het
-teeken geloovig aanneemt, ontvangt naar de ordinantie Gods waarachtig
-gemeenschap aan den ganschen Christus. Niet in en onder, maar met het
-teeken schenkt Christus de beteekende zaak, dat is, zichzelven met al
-zijne weldaden. Want terwijl bij Roomschen en Lutherschen de genade iets
-zakelijks en passiefs is, dat zelfs lichamelijk door den ongeloovige
-ontvangen wordt, is het bij de Gereformeerden de persoonlijke, levende
-Christus zelf, die in het avondmaal zich als geestelijke spijze aan
-de geloovigen mededeelt, Müller, Dogm. Abh. 458. Tegenwoordig is Hij
-dus volgens de Gereformeerden in het avondmaal niet minder, maar
-veel sterker en waarachtiger dan volgens Rome en Luther, want Hij is
-tegenwoordig, niet physisch, locaal binnen de teekenen maar geestelijk,
-als de handelende Christus zelf, in de harten der geloovigen, Aliud
-est praesentem Christi substantiam, ut nos vivificet, in pane sistere;
-aliud vivificam esse Christi carnem, quia ex ejus substantia vita
-in animas nostras profluit, Calvijn, adv. Westph. bij Müller 443 cf.
-Conf. Angl. 28 en Ryle, Knots untied 235-254. 5º Daarom is geloof
-voor de ontvangst van het sacrament onmisbaar vereischte. De waarheid
-van het sacrament hangt wel van dat geloof niet af. Want evenals bij
-het woord, heeft God bij het avondmaal zich verbonden, om Christus en
-zijne weldaden waarlijk te schenken aan een iegelijk, die gelooft. Maar
-de ongeloovige ontvangt uiteraard slechts het teeken, gelijk hij bij
-het woord alleen de klanken hoort en niet de zaak zelve, die erdoor
-aangeduid wordt, deelachtig wordt. Om aan de beloften en weldaden
-van woord en sacrament deel te krijgen, is daarom eene werking des
-H. Geestes in het hart des menschen van noode; en het is juist deze
-werking des Geestes, die buiten en in het avondmaal de gemeenschap
-met Christus tot stand brengt en in stand houdt. 6º De weldaden, die
-in het avondmaal genoten worden, zijn hieruit gemakkelijk af te leiden.
-Op den voorgrond staat de versterking der gemeenschap met Christus.
-De geloovige is die gemeenschap reeds door het geloof deelachtig en
-ontvangt in het avondmaal geen andere, dan die hij door het geloof
-reeds geniet. Maar als Christus zelf door de hand des dienaars hem
-onder de teekenen van brood en wijn zijn lichaam te eten en zijn bloed
-te drinken geeft, dan wordt Hij door den H. Geest in die gemeenschap
-versterkt en bevestigd, en altijd inniger naar lichaam en ziel met den
-ganschen Christus beide naar zijne Goddelijke en naar zijne menschelijke
-natuur vereenigd. Want manducatio corporis Christi nihil aliud est,
-quam arctissima cum Christo conjunctio, Junius, Theses theol. 52, 7.
-Van den doop is daarbij het avondmaal hierin onderscheiden, dat de doop
-het sacrament is van de inlijving, het avondmaal het sacrament van de
-opwassing in de gemeenschap met Christus. Door den doop worden wij met
-Christus in zijnen dood begraven en in zijne opstanding opgewekt, en zijn
-wij dus passief; maar in het avondmaal treden wij zelf handelend op,
-eten het lichaam en drinken het bloed van Christus en worden alzoo
-door zijne gemeenschap gevoed ten eeuwigen leven. Maar indien wij deel
-hebben aan den persoon van Christus, dan hebben wij het vanzelf ook
-aan al zijne weldaden. Onder deze wordt de vergeving der zonden in de
-Schrift in de eerste plaats en met den meesten nadruk genoemd. In het
-avondmaal geeft Christus zijn lichaam en bloed tot spijze onzer zielen,
-maar dat lichaam en bloed is zulk eene spijze niet, quia est corporea
-substantia, quo modo esset cibus corporalis sed quatenus corpus Christi
-est datum pro mundi vita, Junius t. a. p. Daarom wordt lichaam en
-bloed afzonderlijk, ieder onder een eigen teeken, in het avondmaal voor
-oogen gesteld. Daarom zegt Christus uitdrukkelijk, dat zijn lichaam
-gegeven en zijn bloed vergoten wordt tot vergeving der zonden. Daarom
-wordt de beteekenis van het bloed in de instellingswoorden nog breeder
-toegelicht en verklaard dan die van het lichaam, want het is het bloed,
-dat op het altaar voor de zonden verzoening doet. Al is Christus thans
-dan ook verheerlijkt, de gemeenschap, die door het geloof tot stand
-komt en in het avondmaal versterkt wordt, is en blijft eene gemeenschap
-aan zijn gekruiste lichaam en aan zijn vergoten bloed. Op het standpunt
-der trans- en consubstantiatie is dit onmogelijk; daar treedt de
-gestorven Christus achter den verheerlijkten terug. Maar indien het
-eten van Christus’ lichaam en het drinken van zijn bloed gelijk staat
-met intima nostri cum Christo conjunctio, Bucanus, Inst. theol. 677,
-dan is deze en elke andere weldaad uitsluitend eene vrucht van den
-dood van Christus en worden wij daarom alleen uit Christus gevoed, wijl
-Hij voor ons gekruisigd is. En onder de weldaden, die Christus door zijn
-dood verwierf, staat dan de vergeving der zonden bovenaan. Ook deze
-weldaad wordt in het avondmaal niet voor de eerste maal geschonken;
-want de Christen bezit haar reeds door het geloof en heeft daarvan
-in den doop het teeken en zegel ontvangen. Onjuist is het daarom, de
-verschillende genaden met Rome over de sacramenten zoo te verdeelen,
-dat telkens in ieder sacrament eene bijzondere groep van zonden vergeven
-en eene bijzondere genade geschonken wordt, want de vergeving, welke
-het woord, de doop en het avondmaal ons aanbiedt, is altijd dezelfde.
-De vergeving, welke in het avondmaal medegedeeld wordt, heeft daarom
-volstrekt niet alleen op culpae quotidianae, op peccata venialia
-betrekking, Trid. sess. 13 c. 2. 22 c. 1. Maar het is dezelfde volle,
-rijke weldaad van vergeving, welke in het woord wordt aangeboden, door
-het geloof wordt aangenomen en door het sacrament van doop en avondmaal
-beteekend en verzegeld wordt. Bij deze weldaad komt het duidelijk uit,
-dat het sacrament geen enkele nieuwe genade aan het woord toevoegt;
-het geeft dezelfde genade alleen, om onzer zwakheid wil, op eene andere
-wijze, opdat wij vastelijk gelooven en van allen twijfel genezen zouden
-worden. Bij deze weldaad der vergeving komt die van het eeuwige leven.
-Het avondmaal is een geestelijke maaltijd, waar Christus onze zielen
-voedt met zijn gekruist lichaam en vergoten bloed. Het eten en drinken
-daarvan dient tot versterking van het geestelijke, eeuwige leven, want
-wie het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt
-heeft het eeuwige leven en wordt opgewekt ten uitersten dage, Joh.
-6:54. Duidelijk blijkt hieruit, dat het eeuwige leven eene weldaad is,
-die aan den ganschen mensch geschonken wordt, niet alleen naar zijne
-ziel maar ook naar zijn lichaam. Ten onrechte is hieruit door sommigen
-afgeleid, dat er uit Christus’ lichaam, dat in het avondmaal genoten
-wordt, eene rechtstreeksche werking op ons lichaam uitgaat, zoodat
-dit van allerlei krankheid en zwakte genezen en in beginsel tot een
-nieuw opstandingslichaam herschapen wordt. Het is te begrijpen, dat
-men vooral op Luthersch standpunt tot dit gevoelen kwam; want indien
-de manducatis oralis _deze_ nuttigheid niet heeft, heeft zij in ’t
-geheel geen waarde. Toch leert de H. Schrift dienaangaande niets. In
-1 Cor. 11:30 zegt Paulus wel, dat er tengevolge van het schromelijk
-misbruik van het avondmaal in Corinthe vele krankheden en sterfgevallen
-voorkwamen; maar dit is duidelijk een κριμα, vs. 29, een straf, die God
-op dit misbruik van het avondmaal liet intreden, en bewijst hoegenaamd
-niet, dat gebruik of een geloovig gebruik van het avondmaal ook strekt
-tot genezing van de krankheden des lichaams. Bovendien, Joh. 6 mag wel
-gebezigd worden tot illustratie van het avondmaal, maar handelt er niet
-rechtstreeks over; en ook dit hoofdstuk leert alleen, dat wie door het
-geloof, ook zonder het avondmaal, Christus’ vleesch eet en zijn bloed
-drinkt, het eeuwige leven heeft en opgewekt zal worden ten uitersten
-dage, cf. 6:40. Volstrekt dus niet alleen door de manducatio oralis,
-maar in het algemeen door het geloof wordt de mensch het eeuwige leven
-en de hope der opstanding deelachtig. De H. Geest, die in de geloovigen
-woont, is het zekerste onderpand voor de opstanding des lichaams en
-den dag der verlossing, Rom. 8:11, Ef. 1:14, 4:30. Maar deze Geest van
-Christus bedient zich dan wel van het avondmaal, om den geloovige te
-versterken in de hope des eeuwigen levens en der zalige opstanding aan
-het einde der dagen. Denn wo die Seele genesen ist, da ist dem Leibe
-auch geholfen, Luther bij Müller, Dogm. Abh. 419. Praesentia corporis
-affert non modo indubitatam vitae aeternae fiduciam animis nostris, sed
-de carnis etiam nostrae immortalitate securos nos reddit, siquidem ab
-immortali ejus carne jam vivificatur et quodammodo ejus immortalitati
-communicat, Calvijn, Inst. IV 17, 32, cf. ook bij Ebrard, Dogm. v. h. Ab.
-II 460, en voorts Philippi, K. Gl. V 2 S. 282 f. Müller, Dogm. Abh.
-417. In dezen zin mag het avondmaal heeten φαρμακον ἀθανασιας, Ign.
-Ef. 20. Eindelijk strekt het avondmaal nog als gedachtenisviering en
-verkondiging van Christus’ dood tot belijdenis van ons geloof tegenover
-de wereld en tot versterking van de gemeenschap der geloovigen
-onderling. In 1 Cor. 10:17 betoogt de apostel, dat het brood wel moet
-zijn gemeenschap aan het lichaam van Christus, want hoe konden anders de
-geloovigen, die op zichzelf beschouwd velen zijn, één zijn? Die eenheid
-komt alleen daardoor tot stand, dat zij in het ééne brood gemeenschap
-hebben aan het ééne lichaam van Christus. De geloovigen zijn één in
-Christus en daarom ook onderling. Gelijk uit vele graankorrels één
-brood gebakken wordt en uit vele beziën, saamgeperst zijnde, één wijn en
-drank vliet, zoo zijn allen, die door het waarachtig geloof Christus
-ingelijfd zijn, te zamen één lichaam; en dat belijden zij aan het avondmaal
-tegenover de wereld, die hunne eenheid niet kent.
-
-
-8. Evenals de doop, is het avondmaal alleen voor de geloovigen
-ingesteld. Jezus gebruikte het alleen met zijne discipelen. Of Judas
-daarbij nog tegenwoordig was dan wel vóór de inzetting des avondmaals
-de zaal heeft verlaten, is niet met zekerheid te zeggen. Mt. 26:21-25,
-Mk. 14:18-21, Joh. 13:21-35 geven den indruk, dat Judas vóór dien tijd
-is heengegaan, maar Luk. 22:21-23 verhaalt de ontdekking van Judas
-als verrader na de instelling van het avondmaal in vs. 19. 20. Het
-is echter mogelijk, dat Lukas zich hierbij niet aan de chronologische
-orde houdt. Maar hoe dit zij, dogmatisch belang heeft de vraag niet.
-Indien Judas het avondmaal gebruikte, dan zat hij aan als discipel van
-Jezus; dat was hij, zoo deed hij zich voor, wat hij innerlijk in zijn hart
-tegen Jezus overlegde, bleef voor zijne eigene rekening. M. Vitringa
-VIII 347. Evenzoo werd later het avondmaal uitsluitend in den kring
-der gemeente door de geloovigen gevierd, Hd. 2:42, 20:7. Ongeloovigen
-hadden wel toegang tot de vergadering der gemeente, waarin het woord
-werd bediend, 1 Cor. 14:22-24, maar waren uitgesloten van die, waarin
-de agapae werden gehouden en het avondmaal werd gevierd, 1 Cor.
-11:18, 20, 33. Zoo bleef het ook, toen allengs in de tweede eeuw het
-avondmaal van de agapae werd losgemaakt en in dezelfde vergadering als
-de bediening des woords des morgens plaats had. Het eerste deel was
-voor allen toegankelijk, maar het tweede deel nam eerst een aanvang, als
-ongeloovigen, catechumenen, geëxcommuniceerden enz. verwijderd waren.
-In dit tweede gedeelte der godsdienstoefening werden de sacramenten
-bediend; en het was oude en algemeen verbreide gewoonte, dat zij, die
-na beeindiging van het catechumenaat gedoopt werden, terstond daarop
-het avondmaal ontvingen. Toen de kinderdoop in gebruik kwam, werd deze
-gewoonte ook bij de kinderen gevolgd en bovendien aangedrongen door
-de heerschende exegese van Joh. 6:53, volgens welke dit vers van het
-avondmaal gold en dit sacrament dus even noodzakelijk ter zaligheid was
-als de doop. In het Westen sleet echter deze gewoonte vooral sedert de
-twaalfde eeuw weer uit en werd zij allengs door verschillende synoden
-onnoodig verklaard, cf. Trid. 21 c. 4. Maar in de Grieksche en andere
-Oostersche kerken bleef ze bestaan en wordt nog heden ten dage aan
-pasgedoopte kinderen het avondmaal bediend in den vorm van een in wijn
-gedoopt stukske brood, Art. Kinderkommunion in Herzog² 7, 671. M.
-Vitringa VIII 368. 612. Maar de magische opvatting van het avondmaal
-had nog erger misbruiken ten gevolge. De oorspronkelijke eenvoud
-ging onder allerlei plechtige ceremoniën teloor. Niet alleen door
-zelfbeproeving, maar ook door vasten, wassching der handen, kleeding
-enz. moesten zich de communicanten voor het avondmaal voorbereiden.
-Het brood werd eerst met de bloote hand, later in een linnen doekje of
-een gouden bakje, en nog later, sedert de elfde eeuw, met den mond en
-in knielende houding bij het altaar van den priester aangenomen. Het
-geconsacreerde brood werd niet alleen genoten door de communicanten
-in de kerk, maar ook aan de kranken in hunne woning bediend, als een
-viaticum aan stervenden medegegeven en tot afwering van allerlei rampen
-en verkrijging van allerlei zegeningen en weldaden nuttig geacht. Niet
-alleen tot de levenden maar ook tot de dooden strekte de werking van
-het sacrament zich uit. Reeds van ouds bestond het gebruik, om niet
-alleen voor zichzelf maar ook voor gestorven verwanten op hun sterfdag
-offergaven te brengen en voor hunne ziel te bidden. En toen nu de leer
-van het vagevuur door Gregorius M. was vastgesteld, het avondmaal
-als eene offerande van het eigen lichaam en bloed van Christus werd
-opgevat en de deelneming der gemeente hoe langer hoe minder werd, toen
-stond het weldra vast, dat de mis niet alleen voor aan- of afwezige
-levenden maar ook voor de gestorvenen in het vagevuur vermindering van
-boetedoeningen en tijdelijke straffen bewerken kon, M. Vitringa VIII
-733. Herzog² 9, 623 f. Al deze verbasteringen maakten terugkeer tot
-de H. Schrift noodzakelijk, volgens welke het avondmaal een maaltijd
-is, zonder aanzittende gasten niet bestaanbaar, en uitsluitend voor
-geloovigen bestemd. Om zuiver te gaan en de Schrift te dezen opzichte
-ten volle tot haar recht te laten komen, stelden de Gereformeerden
-gewoonlijk twee vragen: 1º wie recht op het avondmaal hebben en ertoe
-moeten naderen, en 2º wie door de kerk tot het avondmaal moeten worden
-toegelaten of daarvan moeten geweerd worden, Heid. Cat. 81. 82. De
-eerste vraag handelt over den plicht der communicanten, de tweede
-over den plicht der kerk en van hare dienaren. Op de laatste vraag
-werd ten antwoord gegeven en kon het antwoord naar de H. Schrift
-niet anders luiden, dan dat de kerk van het avondmaal had te weren,
-allen, die zich met hunne belijdenis en hun leven als ongeloovige en
-goddelooze menschen aanstellen. Het avondmaal is een goed der kerk,
-door Christus aan zijne gemeente gegeven en dus alleen te genieten
-door huisgenooten des geloofs. Ongedoopten, ongeloovigen, ketters,
-scheurmakers, openbare zondaren, geëxcommuniceerden waren daardoor
-vanzelf buitengesloten. Maar het getal dergenen, die op het avondmaal
-recht hadden, werd nog veel meer beperkt. Ten eerste werd door de
-verwerping van mis en vagevuur ook de bediening van het avondmaal
-voor de gestorvenen afgeschaft. In de Schrift komt iets dergelijks dan
-ook met geen enkel woord voor. Wel spreekt Paulus 1 Cor. 15:29 van
-zulken, die zich ὑπερ των νεκρων lieten doopen. Maar ook al moest (wat
-echter volstrekt niet bewezen is, cf. Cremer³, 156) deze plaats zoo
-worden verstaan, dat er in dien tijd Christenen waren, die zich ten
-nutte van ongedoopt gestorven vrienden lieten doopen, dan nog bedient
-de apostel zich van dit gebruik niet anders dan als een bewijs voor
-de opstanding en laat hij het zonder goed- of afkeuring staan. De
-kerk heeft den doop voor de dooden, die bij enkele secten in gebruik
-was, op het concilie te Carthago 397 beslist veroordeeld en kan er
-daarom geen argument aan ontleenen voor de bediening van het avondmaal
-ten nutte van gestorvenen. Ten tweede hadden vele Gereformeerden
-er bezwaar tegen, dat het avondmaal buiten de openbare vergadering
-der geloovigen in eene private woning aan kranken en stervenden zou
-worden bediend, Musculus, Bullinger, Beza, Danaeus, Aretius enz., de
-Geref. kerken van Frankrijk, Schotland, Nederland enz. En wel stonden
-anderen, zooals Calvijn, Oecolampadius, Martyr, Zanchius, de kerken van
-Engeland, Polen, Hongarije enz. dit soms toe. Maar ook dan beperkten zij
-het toch gewoonlijk zoo, dat er eene kleine vergadering van geloovigen
-bij tegenwoordig moest zijn en daardoor alle aanleiding tot superstitie
-voorkomen of vermeden werd, Voetius, Pol. Eccl. I 758. M. Vitringa
-VIII 356. Moor V 660. Ten derde zijn ook de kinderen van het avondmaal
-uitgesloten. Trente veroordeelde alleen de noodzakelijkheid, maar niet
-de geoorloofdheid van het avondmaal voor kinderen. En op dat standpunt
-plaatste zich van de Gereformeerden ook Musculus in zijne Loci Communes
-p. 471-473. Hij voerde daarvoor deze gronden aan, dat wie de beteekende
-zaak bezit ook recht heeft op het teeken; dat kinderen, die blijkens den
-doop de genade der wedergeboorte kunnen ontvangen ook zonder bewustzijn
-in dat geestelijk leven gevoed kunnen worden; dat Christus de zaligmaker
-van heel zijne gemeente, ook van de kinderen is en hen allen spijst en
-drenkt met zijn lichaam en bloed; dat de vermaning tot zelfbeproeving
-1 Cor. 11:26-29 niet als algemeene eisch door den apostel is bedoeld.
-Maar al deze gronden verliezen hun gewicht tegenover deze overwegingen:
-1º in het O. T. was er een groot verschil tusschen besnijdenis en
-pascha. De besnijdenis was voor alle kinderen van het manlijk geslacht
-voorgeschreven, maar het pascha werd, niet terstond bij de instelling,
-maar later in Palestina bij den tempel te Jeruzalem gevierd; zeer jonge
-kinderen waren er dus vanzelf van uitgesloten. 2º Evenzoo is er een
-groot onderscheid tusschen doop en avondmaal. De doop is het sacrament
-der wedergeboorte, waarbij de mensch passief is; het avondmaal is
-het sacrament van de opwassing in de gemeenschap van Christus, van
-de voeding des geestelijken levens en onderstelt bewust, handelend
-optreden bij dien, die het ontvangt. 3º Christus stelde het avondmaal
-te midden zijner jongeren in, zeide tot hen allen: neemt, eet, drinkt,
-en onderstelt, dat zij het brood en den wijn uit zijne hand aannemen. En
-Paulus zegt, dat de gemeente te Corinthe samenkwam om te eten en geeft
-geen anderen indruk, dan dat alleen bewuste, volwassen personen aan het
-avondmaal deelnemen. 4º In 1 Cor. 11:26-29 stelt de apostel bepaald
-den eisch, dat men voor het avondmaal zichzelf beproeve, opdat men
-het lichaam des Heeren kunne onderscheiden en niet onwaardiglijk ete
-en drinke. Deze eisch is gansch algemeen gesteld, tot alle deelnemers
-aan het avondmaal gericht en sluit daarom vanzelf de kinderen uit.
-5º Onthouding van het avondmaal aan de kinderen doet hen geen enkele
-weldaad van het verbond der genade derven. Dit ware wel het geval,
-wanneer hun de doop werd onthouden. Want dit kan niet doen dan wie
-meent, dat de kinderen buiten het verbond der genade staan. Maar met
-het avondmaal is het anders gesteld. Wie aan kinderen den doop maar
-niet het avondmaal bedient, erkent, dat zij in het verbond en alle
-weldaden daarvan deelachtig zijn. Hij onthoudt hun slechts eene bijzondere
-_wijze_, waarop dezelfde weldaden beteekend en verzegeld worden, wijl
-deze aan hun leeftijd niet past. Het avondmaal geeft toch geen enkele
-weldaad, welke niet te voren reeds in het woord en den doop door het
-geloof werd geschonken.
-
-Dit onderscheid tusschen doop en avondmaal maakte al spoedig eene
-voorbereiding voor de waardige ontvangst van het tweede sacrament
-noodzakelijk. In den apostolischen tijd, toen er in den regel slechts
-volwassenen gedoopt werden, was er zulk eene voorbereiding nog niet.
-Wie het woord des evangelies hoorde en aannam, werd terstond gedoopt
-en tot het avondmaal toegelaten. Doch toen in de volgende eeuw de
-overgangen tot het Christendom talrijker maar ook minder betrouwbaar
-werden, kwam allengs het catechumenaat op, dat eerst voor den doop en
-later, na het algemeen worden van den kinderdoop, voor het avondmaal
-moest voorbereiden. In de Roomsche kerk ging deze voorbereiding allengs
-geheel op in het sacrament van het vormsel, dat uit de oorspronkelijk
-met den doop verbonden handoplegging zich ontwikkelde en met eene
-zalving zich verbond. De Reformatie verwierp dit sacrament, wijl het in
-de Schrift geen grond had, en stelde er de catechese en de openbare
-belijdenis voor in de plaats, cf. Höfling, Das Sakr. der Taufe II 347
-f. Bachmann, Die Gesch. der Einführung der Confirmation, Berlin 1852.
-Caspari, Die evang. Confirmation vornehmlich in der luth. K. Erl. 1890.
-Art. in Herzog² 8, 143. Daardoor werd de overgang gemaakt van den doop
-tot het avondmaal en de kerk tevens voor verbastering behoed. Calvijn
-wilde, dat, als een kind genoegzaam in den catechismus onderwezen
-was, het openbaar in de gemeente belijdenis van zijn geloof zou doen,
-bij Bachmann t. a. p. 70. à Lasco wenschte, dat kinderen, die veertien
-jaren oud geworden waren, belijdenis voor de gemeente zouden doen en
-den volgenden Zondag aan het avondmaal zouden gaan; maar wie slecht
-leefden, werden vermaand en eindelijk, bij gebleven hardnekkigheid, op
-achttien- of twintigjarigen leeftijd van de gemeente afgesneden, ib.
-115. De Ned. Kerkenordeningen schrijven evenzoo een belijdenis voor den
-kerkeraad of in het midden der gemeente voor, en spreken soms nog van
-een voorafgaand onderzoek voor den kerkeraad. Deze theorie liep zuiver:
-de kinderen der geloovigen worden als geloovigen gedoopt, dan in de
-waarheid onderwezen, bij voldoend onderzoek en na openbare belijdenis
-tot het avondmaal toegelaten of bij onchristelijke leer of ongeregelden
-wandel na herhaalde vermaning uit de gemeente verwijderd. Naar deze leer
-is nog ons kerkelijk leven in te richten, al stuit zij ieder oogenblik
-op bezwaren der practijk. Want piëtisme en rationalisme zijn altijd
-geneigd om te scheiden wat God heeft saamgevoegd en met minachting
-van het sacrament op persoonlijke bekeering of op kerkelijke aanneming
-of bevestiging den nadruk te leggen. Maar de regel des verbonds is
-deze, dat de kerk hare jeugdige leden, die als kinderen des verbonds
-geboren en door den doop haar ingelijfd zijn, opvoede tot zelfstandige,
-persoonlijke belijdenis en op dien grond hen toelate tot het avondmaal.
-Over het hart oordeelt zij niet en kan zij niet oordeelen. Terwijl zij dus
-eenerzijds van het avondmaal allen weert, die met belijdenis of leven
-zich als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen, laat zij aan
-de andere zijde nimmer van de ernstige prediking af, dat het avondmaal
-alleen is ingesteld voor hen, die zichzelven vanwege hunne zonden
-mishagen, nochtans vertrouwen, dat deze hun om Christus’ wil vergeven
-zijn en ook begeeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun
-leven te beteren.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-Over de Laatste Dingen.
-
-
-§ 54. DE TUSSCHENTOESTAND.
-
-1. Gelijk oorsprong en wezen, zoo is ook het einde der dingen ons
-onbekend. Op de vraag: waarheen, geeft de wetenschap een evenmin
-bevredigend antwoord als op die, vanwaar alle dingen zijn. En toch
-heeft de religie dringend behoefte, om iets te weten van de bestemming
-van den enkelen mensch, van menschheid en wereld. Alle volken hebben
-daarover dan ook eene of andere gedachte en alle godsdiensten bevatten
-eene soort van eschatologie. Wel zijn er nog, die beweren, dat het
-geloof aan de onsterfelijkheid der ziel oorspronkelijk volstrekt niet
-aan alle menschen eigen is en nog heden ten dage, bijv. bij de Weddas
-op Ceylon, bij de indische Seelongs e. a. ontbreekt, Büchner, Kraft
-und Stoff{16} 423. Häckel, Die Welträthsel, Bonn 1899 S. 223. Op het
-standpunt der evolutie kan ook het geloof aan God, aan het zelfstandig
-bestaan der ziel en aan hare onsterfelijkheid geen oorspronkelijk
-bestanddeel der menschelijke natuur hebben uitgemaakt, maar moet het
-langzamerhand en toevallig door allerlei omstandigheden ontstaan
-en ontwikkeld zijn. Voorvadervereering, liefde tot afgestorven
-bloedverwanten, levenslust en de wensch tot levensverlenging, hoop op
-betere levensverhoudingen aan de andere zijde des grafs, vrees voor
-straf en hoop op belooning enz. zijn dan de oorzaken geweest, die het
-onsterfelijkheidsgeloof allengs hebben doen opkomen. Maar daartegenover
-getuigen de meeste en de beste beoefenaars van de geschiedenis
-der godsdiensten, dat het geloof aan de onsterfelijkheid bij alle
-volken voorkomt en een bestanddeel is ook van de laagste en ruwste
-godsdiensten. Wij treffen het overal en op iederen trap van ontwikkeling
-aan, waar geen wijsgeerige twijfelingen het ondermijnd of andere oorzaken
-het op den achtergrond gedrongen hebben en overal is het ook met den
-godsdienst verbonden, Tiele, Inl. tot de godsdienstwetenschap, tweede
-reeks Amst. 1899 bl. 97. Peschel, Volkerkunde⁵ 257. Men kan zelfs
-zeggen, dat dit geloof oorspronkelijk iets zeer natuurlijks was. Evenals
-de auteur van het paradijsverhaal in Genesis, zegt Tiele, t. a. p. bl.
-197, gaan de volken allen uit van de overtuiging, dat de mensch van
-nature onsterfelijk is en dat niet de onsterfelijkheid bewezen, maar de
-dood moet verklaard worden. De dood schijnt iets tegennatuurlijks. Er
-moet wat gebeurd zijn, waardoor iets zoo onlogisch in de wereld kwam.
-De sagen van allerlei volken, verschillend in afkomst en ontwikkeling,
-drukken dat denkbeeld uit. Er was een tijd, dat er noch ziekte noch
-dood was op aarde. De „eenvoudige natuurmensch” kan zelfs nog niet
-gelooven aan den dood, als hij hem ziet voor zijne oogen. Het is een
-slaap, zegt hij, een toestand van bewusteloosheid; de geest heeft
-het lichaam verlaten maar kan nog terugkeeren. Daarom wacht hij nog
-eenige dagen, om te zien of dit niet geschieden zal. En als de geest
-van den doode niet terugkeert, houdt men het ervoor, dat hij slechts
-verdwenen is, om ergens, waar ook, in een ander lichaam in te gaan
-of met de bovenaardsche geesten te verkeeren. De vormen, waarin dit
-leven der ziel na den dood werd voorgesteld, waren zeer verschillend
-en werden dikwerf ook met elkander verbonden en vermengd. Nu eens
-dacht men, dat de zielen na den dood in de nabijheid van het graf
-bleven voortleven en tot haar bestaan de voortdurende verzorging der
-bloedverwanten behoefden, of ook in de onderwereld, in den hades,
-ver verwijderd van goden en menschen, een treurig, schimachtig leven
-leidden. Dan weder geloofde men, dat de zielen der afgestorvenen,
-evenals zij soms reeds vóór haar wonen in het menschelijk lichaam
-allerlei gedaanteverwisselingen hadden ondergaan, zoo ook na het
-verlaten daarvan nog een tijd lang in andere lichamen van dieren en
-menschen moesten vertoeven, om zich te louteren, de volmaaktheid
-te bereiken en in de Godheid of in een bewusteloos Nirvana op te
-gaan. Of ook werd geleerd, dat de zielen terstond na den dood in het
-Goddelijk gericht kwamen, en indien zij het goede gedaan hadden, over
-de gevaarlijke doodenbrug ingingen in het land der zaligen, waar
-zij leefden in gemeenschap der goden, of ook, indien zij het kwade
-hadden gedaan, neerstortten in eene plaats van eeuwige duisternis en
-pijniging. Cf. het tweede deel van C. W. Flügge, Gesch. des Glaubens an
-Unsterblichkeit, Auferstehung, Gericht und Vergeltung, Leipzig 1795.
-Spiess, Entwicklungsgesch. der Vorstellungen vom Zustande nach dem Tode
-auf Grund vergl. Religionsforschung 1877. Knabenhauer, Das Zeugniss
-des Menschengeschlechts über die Unsterblichkeit der Seele, Freib.
-1878. Merschmann, Die Idee der Unsterblichkeit in ihrer gesch. Entw.,
-Berlin 1870. Pfleiderer, Religionsphilos. 1896 S. 625 f. Runze, art.
-Unsterblichkeit in Herzog² 16, 189 vooral 198 f. Id. Die Psychologie
-des Unsterblichkeitsglaubens und der Unsterblichkeitsleugnung, Berlin
-1894.
-
-De leer van de persoonlijke onsterfelijkheid ging uit de religie over
-in de philosophie. Nadat Pythagoras, Heraclitus en Empedocles reeds
-waren voorgegaan, trachtte vooral Plato zijn religieus geloof aan de
-onsterfelijkheid in den Phaedo met philosophische redeneeringen te
-staven. Zijne bewijzen komen hierop neer, dat de ziel, die de kennis der
-ideeën uit de herinnering put, reeds vóór haar wonen in het lichaam
-bestaan heeft en zoo ook na het verlaten van dat lichaam voortbestaan
-zal; dat zij door haar denkende beschouwing van de eeuwige ideeën aan
-het goddelijke wezen verwant en door hare beheersching van het lichaam
-en zijne begeerten als iets zelfstandigs en eenvoudigs verre boven het
-lichaam verheven is; en vooral, dat zij als principe des levens en
-met het leven identisch, niet als niet-levend en vergankelijk gedacht
-worden kan. Met deze leer over de onsterfelijkheid der ziel verbindt
-hij dan allerlei voorstellingen over voorbestaan, val, vereeniging met
-het lichaam, oordeel, zielsverhuizing, die voor een voornaam deel een
-mythisch karakter dragen en ook door Plato zelven zeker niet alle in
-wetenschappelijken zin bedoeld zijn. Hoewel andere wijsgeeren, zooals
-Democritus, Epicurus, Lucretius de onsterfelijkheid der ziel bestreden
-of er zich, gelijk Aristoteles, niet beslist over uitspraken, had de
-leer van Plato op theologie en philosophie een verbazend grooten
-invloed. De mythische bestanddeelen van praeëxistentie, metempsychose
-enz. vonden dikwerf bij sectarische richtingen ingang. En de theologie
-wijdde onder Plato’s invloed aan de onsterfelijkheid der ziel veel
-grooter aandacht dan de H. Schrift. De leer van de natuurlijke
-onsterfelijkheid der ziel werd een articulus mixtus, welks waarheid nog
-meer uit de rede dan uit de openbaring werd betoogd, Tert., de an. 22.
-Orig., de princ. VI 36. Iren., adv. haer. II 34 enz., bij de Geref.,
-Heppe, Dogm. 166. Toch bleef er altijd eenig verschil. Het besef stierf
-nooit geheel en al uit, dat de H. Schrift aan leven en dood, behalve
-eene physische, ook steeds eene religieus-ethische beteekenis hecht.
-Leven is bij haar nooit alleen voortbestaan en dood is nimmer aan
-vernietiging gelijk, maar leven sluit in gemeenschap met God en dood
-is gemis van zijne genade en gunst. Vandaar dat de kerkvaders telkens
-zeggen, dat Christus gekomen is, om ons de ἀθανασια te schenken en
-het soms den schijn hebben kan, alsof zij de natuurlijke onsterfelijkheid
-der ziel loochenden. En daar kwam nog bij, dat men Plato’s leer van de
-praeëxistentie, dat is van de ongeschapenheid der ziel bestrijden moest
-en om die reden soms bezwaar maakte, om de ziel van nature onsterfelijk
-te noemen, wijl God alleen onsterfelijk was door zichzelven en de ziel
-slechts onsterfelijk kon wezen door zijn wil, Just. Dial. 5. Theophylus,
-ad Autol. II 27. Dit moet men in het oog houden bij het onderzoek, of
-er onder de kerkvaders ook voorstanders waren van de conditioneele
-onsterfelijkheid. Want al leerde ook een enkele, zooals Arnobius, eene
-vernietiging der booze zielen en al nam Tatianus aan, dat de ziel bij
-den dood met het lichaam stierf, om aan het einde der dagen wederom op
-te staan, het geloof was toch algemeen, dat de ziel krachtens de door
-God haar geschonken natuur onsterfelijk was, Münscher- v. Coelln, D.
-G. I 333 f. Harnack, D. G. I 449. Dr. Jonker, Theol. Studiën I 167v.
-Atzberger, Gesch. d. christl. Eschat. 118 f. 187 f. 222 f. 338 f. 577
-f. Ook in de wijsbegeerte behield Plato’s leer van de onsterfelijkheid
-eene belangrijke plaats. Cartesius vatte geest en stof, ziel en lichaam
-op als twee gescheiden substantiën, die ieder haar eigen attribuut
-hadden, n.l. denken en uitgebreidheid, ieder voor zichzelf konden
-bestaan en daarom niet anders dan mechanisch vereenigd konden zijn.
-Spinoza nam deze zelfde twee attributen aan maar beschouwde ze als
-verschijningsvormen der ééne, eeuwige, oneindige substantie, als twee
-zijden van dezelfde zaak, die niet uit elkander kunnen vallen maar
-altijd bij elkaar zijn als subject en object, als beeld en tegenbeeld,
-als idea en res. Voor de onsterfelijkheid was er in zijn stelsel geen
-plaats, en hij had er ook geen behoefte aan, want quamvis nesciremus,
-mentem nostram aeternam esse, pietatem et religionem et absolute omnia,
-quae ad animositatem et generositatem referri ostendimus in quarta
-parte, prima haberemus, Eth. V 41. De wijsbegeerte der achttiende eeuw
-was echter Spinoza niet genegen; zij droeg een deistisch karakter,
-vergenoegde zich met de trilogie van God, deugd en onsterfelijkheid en
-achtte van deze drie de laatste nog de meeste. Op voorgang van Leibniz,
-Wolf, Mendelssohn e. a. werd hare waarheid met allerlei metaphysische,
-theologische, kosmische, moreele en historische bewijzen betoogd en
-met sentimenteele beschouwingen over een zalig herkennen en wederzien
-aan gene zijde des grafs aangedrongen, litt. bij Bretschneider, Syst.
-Entw. 824. De uitspraak van den dichter in Ps. 73:25 werd naar het
-woord van Strauss omgezet in deze andere: wenn ich nur mein Ich in
-Sicherkeit habe, so frage ich nichts nach Gott und Welt. Aan die
-zekerheid werd echter door Kant een einde gemaakt, doordat hij de
-ongenoegzaamheid aantoonde van alle bewijzen, voor de onsterfelijkheid
-der ziel aangevoerd, en deze alleen aannemelijk achtte als postulaat
-der practische rede. Schleiermacher stelde tegenover de egoistische
-wenschen van het rationalisme zijn woord: wer nicht gelernt hat, mehr zu
-sein als er selbst, der verliert wenig, wenn er sich selbst verliert,
-en kende geen andere en hoogere onsterfelijkheid, dan om mitten in der
-Endlichkeit eins zu werden mit dem Unendlichen und ewig zu sein in
-jedem Augenblick, Reden über die Religion II, cf. Chr. Gl. § 158, 1. En
-de idealistische philosophie van Fichte, Schelling, Hegel, liet voor de
-onsterfelijkheid der ziel in ’t geheel geen plaats over, al aarzelde zij,
-om op dit punt haar intieme gedachte open uit te spreken. Het boek van
-Fr. Richter, Die Lehre Von Den Letzten Dingen 1833, bracht echter de
-consequentie van Hegels stelsel aan het licht en baande, in weerwil van
-veler tegenspraak, den weg tot het materialisme, dat reeds luide door
-Feuerbach gepredikt en later door Vogt, Moleschott, Büchner, Häckel
-e. a. met zoogenaamd natuurwetenschappelijke argumenten gesteund werd.
-Op de philosophie hebben deze redeneeringen zooveel indruk gemaakt,
-dat zij de onsterfelijkheid der ziel geheel prijs geeft, Strauss, Chr.
-Gl. II 738. Id. Der alte und der neue Glaube² 123 f. Schopenhauer, Die
-Welt u. s. w. I 330. Hartmann, Religionsphilos. II 232, of hoogstens
-hare mogelijkheid betoogt en slechts van eene hope der onsterfelijkheid
-spreekt, Hoekstra, De hoop der onsterfelijkheid 1867. Rauwenhoff,
-Wijsbeg. v. d. godsd. 811. Ook theologen hechten dikwerf aan de bewijzen
-voor de onsterfelijkheid der ziel slechts geringe of in het geheel geen
-waarde, Vilmar, Dogm. II 295. Runze in Herzog² 16, 211 f. Frank, Chr.
-Wahrheit II 437 f. Maar tegenover hen staan nog altijd vele mannen van
-naam, die alle of sommige of althans een enkel van de bewijzen sterk
-genoeg achten, om daarop een vast geloof aan de onsterfelijkheid der
-ziel te bouwen, Weisse, Philos. Dogm. § 952-972. Fichte, Die Idee der
-Persönl. u. d. indiv. Fortdauer 1834. Id. Die Seelenfortdauer u. die
-Weltstellung des Menschen 1867. Göschel, Von den Beweisen für die
-Unsterbl. der menschl. Seele 1835. Art. Unsterblichkeit in Herzog{1 en
-2}. Kahnis, Dogm. II 485 f. Dorner, Gl. II 916 f. Luthardt, Komp. d.
-Dogm. § 75. W. Schmidt, Christl. Dogm. 492 f. Doedes, Leer v. God 248.
-Oosterzee, Dogm. § 68 enz.
-
-
-2. De bewijzen voor de onsterfelijkheid der ziel, aan historie en rede
-ontleend, geven geen afdoende zekerheid maar zijn toch niet van belang
-ontbloot. In de eerste plaats is het al van beteekenis, dat het geloof
-aan de onsterfelijkheid bij alle volken, op iederen trap van ontwikkeling
-voorkomt. De consensus gentium is hier even sterk als bij het geloof
-aan God, Cic. Tusc. I 3. De verschillende overwegingen, waaruit men
-het geloof aan de onsterfelijkheid afgeleid heeft, zooals bijv. uit de
-vrees voor den dood en den dorst naar het leven, de ervaringen van
-droom en extase, het raadsel van den dood en de onmogelijkheid, om
-zich eene absolute vernietiging van het denkend wezen des menschen
-voor te stellen, de vrees voor straf en de hoop op belooning, cf.
-Herzog² 16, 206-211, kunnen het geloof aan de onsterfelijkheid wel
-aposteriori steunen en bevestigen, maar zij geven geen bevredigende
-verklaring van zijn ontstaan. Ook waar dergelijke overwegingen
-ontbreken of waardeloos worden geacht, komt toch het geloof aan de
-onsterfelijkheid voor. De wensch, om voort te bestaan, is dikwerf bij
-vele menschen zwakker dan die, dat met den dood aan het bestaan een
-einde kwame. De hoop op belooning verklaart het geloof niet bij hen,
-die alle zelfzucht afgestorven zijn en in de gemeenschap met God de
-hoogste zaligheid hebben gevonden. De gedachte aan vergelding is
-vreemd aan de voorstellingen van het voortbestaan als een schaduwachtig
-schimmenleven. Het raadsel van den dood doet niet, dan bij hooge
-uitzondering, tot de onsterfelijkheid van dieren en planten besluiten.
-En de ervaringen van droom en extase dooven het besef niet uit van het
-wezenlijk onderscheid, dat tusschen deze verschijnselen en het sterven
-bestaat. Veeleer hebben wij bij dit geloof aan de onsterfelijkheid der
-ziel evenals bij dat aan het bestaan van God met eene overtuiging te
-doen, die niet uit nadenken en redeneering verkregen is maar aan alle
-reflectie voorafgaat en spontaan uit de menschelijke natuur opkomt.
-Het is vanzelf sprekend en natuurlijk en wordt overal aangetroffen,
-waar geen wijsgeerige twijfelingen het ondermijnd hebben. Met het
-bewustzijn van het eigen, zelfstandig, individueel bestaan ontwaakt
-ook dat van den persoonlijken voortduur. Het zelfbewustzijn, niet het
-afgetrokken zelfbewustzijn, waarvan de psychologie handelt, maar het
-zelfbewustzijn van den mensch als persoonlijk, zelfstandig, redelijk,
-zedelijk, godsdienstig wezen sluit overal en altijd het geloof aan de
-onsterfelijkheid in, dat daarom ook geen bloote wensch of begeerte,
-geen conclusie uit praemissen is, maar een machtig, onuitroeibaar,
-tegen alle redeneering en bestrijding zich handhavend getuigenis
-der menschelijke natuur zelve. En de zoogenaamde bewijzen voor de
-onsterfelijkheid zijn niets anders dan verschillende pogingen, welke
-dit geloof in den weg der redeneering aanwendt, om zich denkende
-eenigermate rekenschap van zichzelf te geven, zonder dat het daarvan
-ooit in werkelijkheid afhangt of zichzelf afhankelijk maakt. Daarin ligt
-hun kracht en tegelijkertijd hun zwakheid; getuigenissen zijn het van,
-geen gronden voor het geloof; het weten blijft verre achter het gelooven
-terug.
-
-Het _ontologisch_ bewijs, dat uit de idee der onsterfelijkheid tot hare
-waarheid besluit, overbrugt, evenmin als het ontologisch bewijs voor
-het bestaan van God, deel II 53, de klove, die het denken scheidt
-van het zijn. Het formuleert alleen het besef, dat het geloof aan
-onsterfelijkheid bij den mensch geen willekeur of toeval is, maar met
-zijne natuur is gegeven en in zedelijken zin voor hem noodzakelijk is. De
-mensch ontleent de idee der onsterfelijkheid niet aan de wereld om hen
-heen, want deze predikt hem niets dan vergankelijkheid en dood; maar
-zij wordt hem opgedrongen door zijn eigen natuur. Gelijk God zich niet
-onbetuigd laat maar tot ons spreekt uit al de werken zijner handen,
-zoo dringt zich aan den mensch uit zijn eigen wezen de overtuiging
-op, dat hij niet vergaat als de dieren des velds. En dat beoogt het
-ontologisch bewijs aan te toonen; het overschrijdt de grens van het
-denken tot het zijn niet, maar het geeft uiting aan de algemeenheid,
-de noodzakelijkheid en de aprioriteit van het onsterfelijkheidsgeloof.
-Een stap verder gaat het _metaphysisch_ bewijs, dat uit de natuur der
-ziel tot hare onsterfelijkheid concludeert. Het kan dit echter doen en
-doet het op verschillende wijzen. Men kan er op wijzen, dat de ziel als
-principe des levens en met het leven identisch, onaantastbaar is voor
-den dood; of dat zij blijkens de eenheid van het zelfbewustzijn, eene
-ondeelbare, eenvoudige eenheid vormt, alle samenstelling mist en daarom
-voor geen ontbinding vatbaar is; of dat zij, onder alle wisselingen
-van de stof en alle veranderingen van het lichaam, wederom blijkens
-het zelfbewustzijn steeds met zichzelf identisch blijft en dus een van
-het lichaam onafhankelijk, zelfstandig bestaan en leven geniet; en
-langs deze verschillende wegen kan men dan trachten te komen tot het
-besluit, dat de ziel onsterfelijk is. Maar er zijn tegen dit argument
-zeer ernstige bezwaren ingebracht. Al is de ziel ook een actief,
-levend principe, zij is toch nooit met het leven zelf identisch. God
-alleen is het leven zelf; Hij alleen is onsterfelijk, 1 Tim. 6:16.
-Indien de ziel blijft voortbestaan, kan dat alleen geschieden door Gods
-alomtegenwoordige en almachtige kracht. De ziel is een schepsel, en dus
-beperkt, eindig, relatief, nooit van alle passiviteit en samenstelling,
-van alle verandering en wisseling volkomen vrij. Trouwens, wij zien het
-voor onze oogen, dat zij verandert, toeneemt of afneemt in kennis en
-kracht, afhankelijk is van het lichaam en allerlei invloeden ondergaat.
-En de subjectieve eenheid en identiteit van het ik bewijst volstrekt
-niet de objectieve eenheid en eenvoudigheid der ziel of zou, indien
-zij deze bewees, ook de onsterfelijkheid van planten of althans van
-dieren bewijzen, gelijk deze dan ook consequent door Leibniz, Bonnet,
-Bilderdijk e. a. aangenomen werd. Maar tegenover deze bedenkingen staat
-het onwedersprekelijk feit, dat het leven uit mechanische stofwisseling
-niet is te verklaren en op een eigen principe terugwijst. Omne vivum ex
-vivo is nog heden ten dage het laatste woord der wetenschap. En wat
-van het leven in het algemeen geldt, geldt in nog sterkere mate van
-het bewuste leven; de primitiefste gewaarwording is reeds door eene
-ondempbare klove van elke zenuwtrilling gescheiden. Wij treden daarmede
-eene gansch nieuwe, hoogere wereld in, die wezenlijk verschilt van
-die der zinnelijke, tastbare, weeg- en meetbare dingen. Dat het leven
-en zoo ook het bewuste leven aan de zinnelijke wereld gebonden en met
-haar ten nauwste vereenigd is, was reeds lang bekend en is waarlijk
-geen ontdekking der nieuwere wetenschap te noemen. Maar dat het in
-de zinnelijke wereld zijn oorzaak heeft, is wel menigmaal beweerd maar
-tot dusver door niemand bewezen. Het metaphysisch bewijs behoudt zijne
-waarde, voorzoover het uit de eigensoortige psychische verschijnselen
-tot een van de stof onderscheiden, zelfstandig, geestelijk principe
-besluit. Toch blijft dan nog altijd het bezwaar bestaan, dat op dezelfde
-wijze bij planten of althans bij dieren geredeneerd en geconcludeerd
-worden kan, en dat hunne onsterfelijkheid toch niet aannemelijk is.
-Daarom moet aan het metaphysisch vervolgens het _anthropologisch_
-bewijs worden toegevoegd, dat uit het eigenaardige van het psychisch
-leven van den mensch tot een van dieren en planten onderscheiden
-geestelijk bestaan besluit. De ziel van het dier, ofschoon ook
-eenvoudig en zelfstandig tegenover de wisseling der stof, is op het
-zinnelijke gericht; zij is beperkt binnen het eindige; zij leeft in het
-tegenwoordige; zij is zoo gebonden aan het lichaam, dat zij daarbuiten
-niet kan bestaan. Maar de mensch heeft niet alleen gewaarwording en
-waarneming, maar ook verstand en rede; door het denken gaat hij boven
-de zinnelijke, stoffelijke, eindige wereld uit; hij verheft zich tot
-het ideale, het logische, tot het ware, goede en schoone, dat met de
-oogen niet gezien en de handen niet getast worden kan; hij zoekt een
-duurzaam, eeuwig geluk, een hoogste goed, dat deze wereld hem niet
-schenken kan, en is door dit alles burger en inwoner van een ander,
-hooger rijk dan dat der natuur. Het redelijk, zedelijk, godsdienstig
-bewustzijn van den mensch duidt op een psychisch bestaan, dat boven de
-zienlijke wereld uitgaat; wat krachtens zijne natuur het eeuwige zoekt,
-moet voor de eeuwigheid bestemd zijn. Daarbij komt nog het _moreele_ en
-het _vergeldingsbewijs_, dat de disharmonie aantoont, die er in dit
-leven tusschen ethos en physis bestaat, en daaruit tot een ander leven
-besluit, waarin beide verzoend zijn. Men brenge hiertegen niet in, dat
-dit bewijs op egoisme berust en dat de deugd haar loon en de zonde
-haar straf in zichzelve draagt, Spinoza, Eth. V 41. 42. Strauss, Gl.
-II 706 f. Want dit wisten de vromen van alle eeuwen wel, dat God om
-zichzelf gediend worden moest en niet om eenig loon, cf. ook Calvijn,
-Inst. III 2, 26. 16, 2. Maar desniettemin hielden zij staande dat zij,
-indien zij alleen in dit leven op Christus waren hopende, de ellendigste
-van alle menschen zouden zijn, 1 Cor. 15:17, 19, 30, 32. Want er is
-hier volstrekt niet de bevrediging van een zelfzuchtig verlangen in
-het spel, maar er is hiermede niet minder gemoeid dan de heerschappij
-en de triumf van het recht. De vraag, die aan het moreele bewijs ten
-grondslag ligt, is deze: zal aan het einde het goede of het kwade,
-God of Satan, Christus of Antichrist het winnen? De historie geeft
-daarop geen afdoend antwoord. Van het standpunt van het Diesseits is
-er geen bevredigende verklaring der wereld mogelijk; dan is er maar al
-te veel grond voor pessimistische vertwijfeling. En daarom eischt het
-rechtsgevoel, hetwelk de rechtvaardige God zelf diep in des menschen
-hart heeft geplant, dat er rechtsherstel kome aan het einde der
-dagen, dat er harmonie zij tusschen deugd en geluk, tusschen zonde en
-straf, dat de waarheid het eeuwiglijk winne van de leugen en het licht
-van de duisternis. Al is terecht gezegd, dat le néant fut toujours
-l’horizon des mauvaises consciences, zelfs zij, die van een leven na
-dit leven niets goeds te hopen hebben, worden door hun rechtsbesef
-van de noodzakelijkheid van dit rechtsherstel overtuigd. Indien het
-recht niet zegepraalt aan het einde, dan is er geen recht. En indien
-God ten slotte niet blijkt, de overwinnaar van Satan te zijn, is het
-leven de moeite van het leven niet waard. Niet een egoistische wensch,
-maar een diep rechtsgevoel, de dorst naar harmonie, verlangen naar
-de volkomene verheerlijking Gods, in wien heiligheid en zaligheid één
-zijn, komt in het moreele bewijs tot uiting. Zelfs de kunst profeteert
-van zulk eene toekomst, als zij het ideaal in zichtbare gestalte ons
-voorstelt. Al deze bewijzen, en nog meer die, welke aan ’s menschen
-volmakingsvatbaarheid, aan zijne zedelijke persoonlijkheid, aan de vele
-onbewoonde sterren, aan de spiritistische verschijningen enz. worden
-ontleend, zijn geen bewijzen in dien zin, dat zij alle tegenspraak tot
-zwijgen brengen, maar zij zijn toch getuigenissen en aanduidingen, dat het
-onsterfelijkheidsgeloof gansch natuurlijk en spontaan uit de menschelijke
-natuur zelve opkomt. Wie het ontkent en bestrijdt, doet zijne eigene
-natuur geweld aan. Der Gedanke an die Unsterblichkeit ist schon der
-erste Akt der Unsterblichkeit, Von Baer bij Splittgerber, Tod, Fortleben
-und Auferstehung³ 1879 S. 93.
-
-
-3. Hoeveel waarde deze indicaties ook hebben mogen, welke natuur en
-geschiedenis ons bieden voor het geloof aan de onsterfelijkheid der
-ziel, de Schrift neemt ten opzichte van deze leer een standpunt in,
-dat bij de eerste kennisneming niet anders dan bevreemden kan. De
-onsterfelijkheid der ziel schijnt van de grootste beteekenis te zijn voor
-godsdienst en leven; en de Schrift maakt er nooit met even zoovele
-woorden gewag van; zij kondigt haar nooit als een Goddelijke openbaring
-af en stelt haar nergens op den voorgrond; en nog veel minder stelt zij
-ooit eenige poging in het werk, om hare waarheid te betoogen of deze
-tegenover hare tegensprekers te handhaven. Het is daarom te verklaren,
-dat er vroeger en later velen beweerd hebben, dat de leer van de
-onsterfelijkheid der ziel in het Oude Testament, of althans in de oudste
-boeken daarvan in het geheel niet voortkwam en eerst van buiten af
-onder Israel ingevoerd werd, cf. Oehler, Unsterblichkeit in Herzog¹ 21,
-409 f. Himpel, Die Unsterblichkeitslehre der A. T. 1857. Atzberger,
-Die christl. Eschatologie, Freib. 1890 S. 17. Maar langzamerhand is
-men hiervan toch teruggekeerd, en tegenwoordig erkent men algemeen,
-dat Israel evenals alle volken wel terdege aan een voortbestaan na
-den dood heeft geloofd. Zelfs hebben Stade, Gesch. des Volkes Israel
-I 387-427 en Ueber die altt. Vorstellungen vom Zustande nach dem
-Tode 1877, voorts Oort, De doodenvereering bij de Israelieten, Theol.
-Tijdschr. 1881 bl. 358-363 en vooral Fr. Schwally, Das Leben nach dem
-Tode nach den Vorstellungen des alten Israel u. s. w. Giessen 1892
-trachten te betoogen, dat oudtijds onder Israel evenals bij de andere
-volken de dooden vereerd werden, en dus ongetwijfeld gedacht werden te
-bestaan. De bewijzen daarvoor ontleenden zij aan het bij een sterfgeval
-gebruikelijke ritueel, zooals het inscheuren van kleederen en dragen
-van rouwgewaad, het bedekken van gelaat en hoofd, het afleggen van
-sieraden, bijzondere haardracht en zelfverminking, het werpen met stof
-en asch, het nietwasschen en zalven, het vasten en maaltijd houden,
-het aanheffen van klaagzangen en het brengen van offers, al welke
-gebruiken niet anders dan uit vroegere doodenvereering verklaarbaar
-zouden zijn. Maar Schwally t. a. p. 75 moet zelf erkennen, dass in
-der Zeit, als Israel in die Geschichte eintritt, die animistische
-Naturreligion im Princip bereits überwunden ist. En tegen zijne
-afleiding van de rouwgebruiken uit een oorspronkelijk animisme, heeft
-Joh. Frey, Tod, Seelenglaube und Seelenkult im alten Israel, Leipzig
-1898, zulke ernstige bezwaren in het midden gebracht, dat de hypothese
-van oorspronkelijken doodencultus bij Israel eerst door andere en nieuwe
-bewijzen aannemelijk kan worden gemaakt. Toch is het duidelijk, dat er
-in Israel een groot onderscheid was tusschen den volksgodsdienst, die
-allerlei bijgeloovige en afgodische bestanddeelen bevatte, en den dienst
-van Ihvh, die door Mozes en zijne volgelingen voorgestaan werd. Het
-Jahvisme heeft dien volksgodsdienst eensdeels tegengestaan, verboden
-en uitgeroeid, maar heeft anderzijds ook verschillende godsdienstige
-voorstellingen en gebruiken, die op zichzelf niet verkeerd waren,
-stil laten bestaan of overgenomen en gesanctioneerd, cf. Wildeboer,
-Jahvedienst en volksreligie in Israel 1898. Bij zijne openbaring aan
-Israel heeft God zich aangesloten bij de historische omstandigheden,
-onder welke het leefde; de genade deed de natuur niet teniet maar heeft
-ze vernieuwd en geheiligd. Zoo is het ook gegaan met het volksgeloof
-aan het voortbestaan na den dood. Reeds de gewoonte van het begraven
-en de groote beteekenis, die daaraan gehecht werd, is van dat geloof
-een bewijs. Verbranding der lijken was in Israel niet inheemsch; zij had
-alleen plaats na voltrokken doodstraf, Gen. 38:24, Lev. 20:14, 21:9,
-Jos. 7:15, 25; uit 1 Sam. 31:12 en Am. 6:10 laat zich niets afleiden,
-wijl de tekst misschien gecorrumpeerd is of anders slechts van op
-zichzelf staande gevallen bericht; en 2 Chr. 16:14, 21:19, Jer. 34:5
-handelen alleen van het verbranden van welriekende specerijen bij het
-begraven. Begrafenis werd echter op hoogen prijs gesteld en wordt daarom
-telkens in het O. Test. afzonderlijk vermeld; onbegraven te blijven,
-was eene groote schande, 1 Sam. 17:44, 46, 1 Kon. 14:11, 13, 16:4, 2
-Kon. 9:10, Ps. 79:3, Pred. 6:3, Jes. 14:19, 20, Jer. 7:33, 8:1, 9:22,
-16:6, 25:33, Ezech. 29:5. Een gestorvene behoort niet meer in het land
-der levenden; zijn onbegraven lijkt wekt afschuw op; het vergoten bloed
-roept om wraak, Gen. 4:10, 37:26, Job 16:18, Jes. 26:21, Ezech. 24:7,
-wijl het bloed de zetel der ziel is, Lev. 17:11; en daarom moet het
-gestorvene bedekt, verborgen, aan het oog onttrokken worden. Door den
-dood komen alle zielen in het doodenrijk, in den Scheol, שׁאול, een
-woord, dat van onzekere afleiding is en volgens sommigen komt van שׁאל,
-vragen, eischen, of ook invorderen, tot beslissing brengen, volgens
-anderen van שׁעל‏‎, ‎‏שׁול, slap zijn, naar beneden hangen, zinken,
-Delitzsch, Neuer Comm. über die Genesis 444. Atzberger, Christl.
-Eschat. 24. Deze Scheol bevindt zich in de diepte der aarde, zoodat
-men erin nederdaalt, Num. 16:30, Ps. 30:4, 10, 55:16, Jes. 38:18,
-behoort tot de onderste plaatsen der aarde, Ps. 63:10, Ezech. 26:20,
-31:14, 32:18, ligt nog beneden de wateren en de grondvesten der bergen,
-Deut. 32:22, Job 26:5, Jes. 14:15, en wordt daarom meermalen door het
-attribuut תַּחְתִּית, onderste, versterkt, Deut. 32:22, Ps. 86:13,
-88:7. Daarom staat de Scheol ook met het graf of den kuil, קֶבֶר of
-בּוֹר, in nauw verband; beide zijn niet identisch, want gestorvenen,
-die niet begraven zijn, bevinden zich toch in den Scheol, Gen. 37:33,
-35, Num. 16:32; maar evenals lichaam en ziel den éénen mensch vormen
-en ook na den dood nog in eenige wederkeerige relatie gedacht worden,
-zoo zijn graf en Scheol niet los van elkander te denken. Beide behooren
-tot de onderste plaatsen der aarde, worden voorgesteld als de woning
-der dooden, en wisselen met elkander herhaaldelijk af; de Scheol is het
-ééne groote graf, dat alle graven der gestorvenen omvat; het rijk der
-dooden, de onderwereld, en daarom ten onrechte in onze Statenvertaling
-dikwerf door hel overgezet. De Scheol toch is de plaats, waar alle
-gestorvenen zonder uitzondering saam komen, 1 Kon. 2:2, Job 3:13v.,
-30:23, Ps. 89:49, Jes. 14:9v., Ezech. 32:18, Hab. 2:5, en waaruit
-terugkeer niet dan alleen door een wonder mogelijk is, 1 Kon. 17:22,
-2 Kon. 4:34, 13:21; het doodenrijk is als het ware eene stad, die van
-gegrendelde poorten is voorzien, Ps. 9:14, 107:18, Job 17:16 (tot de
-grendels der onderwereld daalt mijne hope af), 38:17, Jes. 38:10, Mt.
-16:18, en door haar macht, Ps. 49:16, 89:49, Hos. 13:14, alle menschen
-als in een kerker gevangen houdt, Jes. 24:22. De Scheol is een eeuwig
-huis, Pred. 12:5; de vijanden van Israel, die er in nedergestort zijn,
-kunnen niet wederopstaan, Jes. 26:14; wie in het graf daalt, komt niet
-weder op, Job 7:9, 10, 14:7-12, 16:22. Lijnrecht staat dit doodenrijk
-daarom tegen het land der levenden over, Job 28:13, Spr. 15:24, Ezech.
-26:20, 32:23v. Wel worden de gestorvenen als bestaande en levende
-gedacht; zij worden dikwerf zoo voorgesteld en beschreven, als zij hier
-op aarde zich vertoonden, en worden daarom ook door elkander herkend,
-en bij de ontmoeting ontroerd, 1 Sam. 18:14, Jes. 14:9v., Ezech. 32:18v.
-Ook is er sprake van binnenste, diep naar binnen gelegen kameren in
-den Scheol, Spr. 7:27, Ezech. 32:23, en bestaat er in zoover onder de
-gestorvenen onderscheid, als elk tot zijne vaderen, Gen. 15:15, Richt.
-2:10, of tot zijn volk, Gen. 25:8, 17, 35:29, 49:29 verzameld wordt, en
-de onbesnedenen bij elkander worden gelegd, Ezech. 32:19. Maar overigens
-wordt de Scheol altijd van zijne negatieve zijde, in tegenstelling met
-de aarde als het land der levenden, beschreven. Hij is het gebied der
-duisternis en der doodsschaduw, Job 10:21, 22, Ps. 88:13, 143:3, de
-plaats des verderfs, ja het verderf zelf, אֲבַדּוֹן, Job 26:6, 28:22,
-31:12, Ps. 88:12, Spr. 27:20, zonder ordeningen, d. i. zonder vaste
-omtrekken en klare onderscheidingen, Job 10:22, een land der rust, der
-stilte, der vergetelheid, Job 3:13, 17, 18, Ps. 115:17, waar God en
-menschen niet meer te zien zijn, Jes. 38:11, God niet meer geprezen en
-gedankt, Ps. 6:6, 115:17, zijne deugden niet meer verkondigd, Ps. 88:6,
-12, 13, Jes. 38:18, 19, en zijne wonderen niet meer aanschouwd worden,
-Ps. 88:11, 13, waar de dooden niet met al weten, geen werk meer doen,
-geen berekening meer maken, geen wijsheid en wetenschap meer bezitten
-en hoegenaamd geen deel meer hebben aan al wat onder de zon geschiedt,
-Pred. 9:5, 6, 10. Zij zijn רְפָאִים, van het adjectief רָפֶה, slap, Job
-26:5, Spr. 2:18, 9:18, 21:6, Ps. 88:11, Jes. 14:9, verzwakt, Jes.
-14:10, zonder kracht, Ps. 88:5.
-
-Heel deze voorstelling van den Scheol is gevormd van uit het standpunt
-van dit aardsche bestaan, en geldt slechts in tegenstelling met den
-rijkdom van leven, welken de mensch hier op aarde geniet. Dan is het
-sterven inderdaad eene verbreking van alle aardsche banden, een
-dood-zijn voor het rijke leven op aarde, een rusten, een slapen, een
-stil-zijn, een niet-zijn in betrekking tot de dingen aan deze zijde
-des grafs. De toestand in den Scheol is geen vernietiging van het
-bestaan, maar toch eene vreeselijke levensvermindering, eene berooving
-van al wat in dit leven de vreugde des levens uitmaakt. Voor eene
-beschouwing, die alleen het lichaam sterven laat en zich troost met de
-onsterfelijkheid der ziel, is in het O. Test. geen plaats. De gansche
-mensch sterft, als bij den dood de geest, Ps. 146:4, Pred. 12:7, of de
-ziel, Gen. 35:18, 2 Sam. 1:9, 1 Kon. 17:21, Jon. 4:3, uit den mensch
-uitgaat. Niet alleen zijn lichaam maar ook zijne ziel verkeert in den
-staat des doods en behoort der onderwereld toe; daarom kan er ook van
-een sterven der ziel gesproken worden, Gen. 37:21, Num. 23:10, Deut.
-22:20, Richt. 16:30, Job 36:14, Ps. 78:50, en van verontreiniging door
-aanraking van de ziel van een doode, d. i. van een lijk, Lev. 19:28,
-21:11, 22:4, Num. 5:2, 6:6, 9:6, 7, 10, Deut. 14:1, Hagg. 2:13. Gelijk
-de gansche mensch in den weg der gehoorzaamheid voor het leven bestemd
-was, zoo vervalt hij ook door zijne overtreding geheel, naar ziel en
-lichaam beide, aan den dood, Gen. 2:17. Deze gedachte moest diep
-ingeprent worden in het bewustzijn der menschheid; en het werd ook in
-de oudheid door alle volken beseft, dat de dood eene straf is, dat hij
-iets onnatuurlijks is, met het wezen en de bestemming des menschen in
-strijd. De openbaring, welke God aan Israel gaf, sluit zich daarbij dan
-ook aan; zij laat haar bestaan en neemt haar over, gelijk zij zoovele
-gebruiken en ceremoniën overneemt (offerande, priesterschap, besnijdenis
-enz.); alleen reinigt zij haar van de onreine elementen, die er zich
-bij de volken allengs mede verbonden hadden, zooals de zelfverminking,
-Lev. 19:28, 21:5, Deut. 14:1 en het dooden vragen, Lev. 19:31, 20:6,
-27, Deut. 18:10, 11. Maar de openbaring doet nog iets anders en meer.
-Zij handhaaft en versterkt niet alleen de tegenstelling, die er tusschen
-het leven en den dood bestaat, maar zij brengt in dit leven zelf eene
-nog scherpere tegenstelling aan. Dit leven toch is het ware leven
-niet, omdat het een zondig, onrein, door lijden gekweld en voor den
-dood bestemd leven is. Het wordt eerst leven in waren zin en krijgt
-eerst een wezenlijken levensinhoud door den dienst van Ihvh en in de
-gemeenschap met God. Geheel in overeenstemming met de toenmalige
-bedeeling des genadeverbonds en met de verkiezing van Israel tot volk
-van God, denkt het O. T. het verband tusschen godsvrucht en leven zoo,
-dat gene in een lang leven op aarde haar vrucht en haar loon ontvangt,
-Ex. 20:12, Deut. 5:16, 29, 6:2, 11:9, 22:7, 30:16, 32:47 enz. In de
-algemeen bekende, natuurlijke tegenstelling van leven en dood weeft
-zich eene andere, zedelijke, geestelijke tegenstelling in, die n.l.
-tusschen een leven in den dienst der zonde en een leven in de vreeze
-des Heeren. Aan het kwade is de dood, aan het goede is het leven
-verbonden. Deut. 30:15. Zij, die met geweld de wijsgeerige leer van de
-onsterfelijkheid der ziel in het Oude Testament hebben willen vinden,
-hebben de openbaring Gods aan Israel niet verstaan en Westersche,
-rationalistische ideeën ingelegd in de religie van het Oostersche
-volk. Veelmeer naar waarheid zegt Pfleiderer, Religionsphilos.
-626: was man oft für eine Schwäche der prophetischen Jahvereligion
-Israels gehalten hat (n.l. dat het Jenseits er zoo geringe plaats in
-bekleedt), ist in Wahrheit ihre auszeichnende Stärke gewesen; der
-lebendige Gott, der in geschichtlichen Thaten sich offenbart, hat
-nichts gemein mit den Schatten des Scheol. De God van Israel is niet
-een God der dooden maar der levenden. Daarom richtte de verwachting
-van het vrome Israel zich schier uitsluitend op de aardsche toekomst
-des volks, op de verwerkelijking van het Godsrijk. De vraag naar de
-toekomst van de individueele personen in den Scheol trad daarbij
-geheel op den achtergrond. God, volk en land waren onlosmakelijk met
-elkander verbonden, en de individuën waren in dat verbond opgenomen
-en werden daarnaar gerekend. Eerst als Israel na de ballingschap eene
-godsdienstige gemeente wordt en de religie zich individualiseert, dan
-dringt de vraag naar ieders toekomstig lot zich op den voorgrond;
-de geestelijke tegenstelling, welke de openbaring in de natuurlijke
-ingeweven had, werkte door; de onderscheiding van rechtvaardigen en
-goddeloozen verving hoe langer hoe meer die van Israel en de volken, en
-zette zich voort ook aan de overzijde des grafs. De gegevens daarvoor
-waren trouwens ook reeds in de openbaring van vroeger tijd aanwezig.
-De mensch, die God dient, blijft leven, Gen. 2:17; aan de onderhouding
-zijner geboden is het leven verbonden, Lev. 18:5, Deut. 30:20; zijn
-woord is het leven, Deut. 8:3, 32:47. In de Spreuken wordt onder
-leven wel dikwerf lengte van dagen verstaan, 2:18, 3:16, 10:30; maar
-opmerkelijk is toch, dat zij dood en Scheol meestal alleen in verband
-brengen met de goddeloozen, 2:18, 5:5, 7:27, 9:18, en daartegen het
-leven schier uitsluitend aan de rechtvaardigen toekennen. De wijsheid,
-de gerechtigheid, de vreeze des Heeren is de weg ten leven, 8:35, 36,
-11:19, 12:28, 13:14, 14:27, 19:23; de goddelooze wordt omgestooten,
-als hem ongeluk treft, maar de rechtvaardige behoudt ook in zijn dood
-nog vertrouwen en troost, 14:32. Zalig is hij, die Ihvh tot zijn God
-heeft, Deut. 33:29, Ps. 1:1, 2:12, 32:1, 2, 33:12, 34:9 enz., ook in de
-zwaarste tegenspoeden, Ps. 73:25-28, Hab. 3:17-19; daarentegen komen
-de goddeloozen om en nemen een einde, ook al genieten zij tijdelijk nog
-zooveel voorspoed, Ps. 73:18-20. Van dit standpunt uit verwachten de
-vromen niet alleen bevrijding van druk en tegenspoed in den tijd, maar
-dringen zij met het oog des geloofs ook menigmaal door tot de overzijde
-des grafs en verwachten een zalig leven in de gemeenschap met God. De
-plaatsen, die hiervoor gewoonlijk bijgebracht worden, Gen. 49:18, Job
-14:13-15, 16:16-21, 19:25-27, Ps. 16:9-11, 17:15, 49:16, 73:23-26,
-139:18 zijn van onzekere uitlegging, en slaan volgens velen alleen op
-tijdelijke redding van den dood. Maar al zou dit ook het geval zijn, heel
-het Oude Testament leert, dat God Schepper is van hemel en aarde, dat
-zijne macht geen grenzen kent en dat Hij ook volstrekte heerschappij bezit
-over leven en dood. Het is God de Heere, die den mensch het leven
-heeft geschonken, Gen. 1:26, 2:7, en nog iederen mensch, gelijk al wat
-bestaat, schept en onderhoudt, Job 32:8, 33:4, 34:14, Ps. 104:29,
-Pred. 12:7. Hij verbindt vrijmachtig aan zijne wet het leven en bepaalt
-op hare overtreding den dood, Gen. 2:17, Lev. 18:5, Deut. 30:20,
-32:47. Hij woont in den hemel maar is ook met zijn Geest in den Scheol
-tegenwoordig, Ps. 139:7, 8. Scheol en abaddon liggen naakt en open
-voor den Heere uitgebreid, evenals de harten der menschenkinderen, Job
-26:6, 38:17, Spr. 15:11. De Heere doodt, behoudt in het leven en maakt
-levend, doet in den Scheol nederdalen en daaruit weder opkomen, Deut.
-32:39, 1 Sam. 2:6, 2 Kon. 5:7. Hij heeft uitwegen voor den dood, kan
-bevrijden, als de dood reeds dreigt, Ps. 68:21, Jes. 38:5, Jer. 15:20,
-Dan. 3:26, enz., kan Henoch en Elia zonder den dood tot zich nemen,
-Gen. 5:24, 2 Kon. 2:11, en gestorvenen in het leven terug doen keeren,
-1 Kon. 17:22, 2 Kon. 4:34, 13:21. Hij kan den dood te niet doen en door
-opwekking van de dooden over diens macht volkomen triumfeeren, Job
-14:13-15, 19:25-27, Hos. 6:2, 13:14, Jes. 25:8, 26:19, Ezech. 37:11,
-12, Dan. 12:2. Cf. over de onsterfelijkheid in het Oude Test., behalve
-Oort, Schwally, Frey, Stade ook nog Oehler, Theol. des A. T. § 78.
-245 f. en art. Unsterbl. in Herzog¹. Schultz, Alttest. Theol.⁴ 697
-f. Schmend, Altt. Rel. 112 f. 497 f. 504 f. Atzberger, Die christl.
-Eschat. 1890 S. 15 f. Bertholet, Die israel. Vorstellungen vom Zustande
-nach dem Tode, Freiburg 1899. Matthes, Rouw en doodenvereering bij de
-Israel. Theol. Tijdschrift 1900.
-
-
-4. Deze leer des Ouden Testaments ging in de latere Joodsche
-litteratuur wel niet geheel verloren, maar zij werd toch door allerlei
-uitheemsche elementen gewijzigd en uitgebreid. In het algemeen komen
-de geschriften dezer categorie daarin overeen, dat zij den godsdienst
-meer individualistisch opvatten, onder den invloed van de idee der
-vergelding reeds terstond bij den dood eene voorloopige scheiding
-laten intreden tusschen rechtvaardigen en goddeloozen, en van de
-verschillende plaatsen, waar dezen zich ophouden, eene meer uitgewerkte
-beschrijving geven. Toch zijn zij duidelijk in twee groepen, eene
-Palestijnsche en eene Alexandrijnsche, in te deelen. De eerstgenoemde,
-waartoe vooral de apocriefe geschriften van de Makkabeën, Baruch, 4
-Ezra, Henoch, het Testament der twaalf patriarchen enz. behooren,
-schrijven aan den tusschentoestand slechts een voorloopig karakter
-toe. Wel nemen ook zij reeds vreemde bestanddeelen op en leeren eene
-zekere scheiding tusschen rechtvaardigen en goddeloozen terstond bij
-den dood. De Apocalypse van Henoch plaatst den Scheol in het Westen,
-beschrijft hem als door stroomen doorsneden en omgeven, en onderscheidt
-er vier afdeelingen in, twee voor de goeden en twee voor de boozen,
-17:5, 6, 22:2v.; bovendien neemt zij nog een paradijs aan, dat hoog boven
-en aan de einden der aarde gelegen is en terstond bij hun sterven de
-verblijfplaats werd van Henoch en Elia, 12:1, 87:3, 89:52 en het ook
-worden zal voor allen, die in hunne wegen wandelen, 71:16, 17. Maar het
-zwaartepunt ligt toch bij al de schrijvers dezer groep in de universeele
-eschatologie, in de komst van den Messias en de oprichting van het
-Godsrijk aan het einde der dagen. Tot zoolang worden de zielen der
-afgestorvenen in den hades, zij het ook in verschillende afdeelingen en
-in voorloopig onderscheiden lot, bewaard als in ταμιεια, promptuaria
-animarum, Apoc. Baruch 21:23, 4 Ezr. 4:35, 5:37; rustende en slapende
-wachten zij het laatste oordeel af, 4 Ezr. 7:32-35. Apoc. Baruch
-21:24, 23:4, 30:2. Maar de geschriften van de tweede groep, zooals
-de Spreuken van Jezus Sirach, het boek der Wijsheid, Philo, Flavius
-Josephus enz., leggen juist op de individueele eschatologie nadruk en
-laten daarbij de komst van den Messias, de opstanding, het eindgericht
-en het Godsrijk op aarde geheel in de schaduw treden of spreken er
-zelfs met geen woord van. Hoofddogma is de onsterfelijkheid der ziel,
-die volgens Philo praeëxistent was, van wege haar val tijdelijk in den
-kerker van het lichaam werd opgesloten en al naarmate van haar gedrag
-na den dood in andere lichamen verhuist, of in elk geval terstond na
-het sterven de definitieve beslissing van haar lot ontvangt, Sir.
-1:12, 7:17, 18:24, 41:12, Wijsh. 1:8, 9, 3:1-10, en naar den heiligen
-hemel of naar den donkeren hades gaat, Josephus, Bell. Jud. III 8, 5.
-Ten tijde van Christus kruisten daarom bij het volk van Israel allerlei
-eschatologische denkbeelden dooreen. De Phariseën geloofden aan een
-voortbestaan en eene voorloopige vergelding na den dood, maar hielden
-daarbij vast de verwachting van den Messias, van de opstanding der
-dooden, zoo niet van alle menschen dan toch van de rechtvaardigen, en
-de oprichting van het Godsrijk op aarde. De Sadduceën loochenden de
-opstanding, Mt. 22:23, Mk. 12:18, Luk. 20:27, Hd. 23:8, en volgens
-Josephus, Bell. Jud. II 8, 14. Ant. XVIII 1, 4 ook de vergelding na den
-dood en de onsterfelijkheid. De Esseners namen, volgens Josephus, Bell.
-Jud. II 8, 11, aan, dat het lichaam sterfelijk maar de ziel onsterfelijk
-was. De zielen woonden oorspronkelijk in den fijnsten aether, maar werden
-door zinlijken lust bevangen en in lichamen geplaatst, waaruit zij dan
-weer door den dood worden bevrijd. De goede zielen ontvangen een zalig
-leven aan gene zijde van den oceaan in eene plaats, die door geen regen,
-sneeuw of hitte wordt geplaagd, maar de slechte moeten in een duister,
-koud oord altijddurende pijnen lijden. Cf. Gröbler, Die Ansichten über
-Unsterbl. u. Auferst. in der jüd. Lit. der beiden letzten Jahrh. v.
-Chr., Stud. u. Krit. 1879 S. 651-700. Wünsche, Die Vorst. v. Zustande
-nach dem Tode nach Apokr., Talmud u. Kirchenvätern, Jahrb. f. prot.
-Theol. 1880 S. 355-383. 435-523. Weber, Syst. der altsyn. pal.
-Theol. 322 f. Oehler in Herzog¹ 21, 424 f. Runze in Herzog² 16, 193.
-Atzberger, Christl. Eschatol. 96-156. Schwally, Das Leben nach d. Tode
-131-192.
-
-Op het voetspoor van wet en profeten, wijdt het N. Test. veel meer
-aandacht aan de algemeene dan aan de bijzondere eschatologie. Toch is
-het onjuist, zoowel om met Episcopius, Op. II 2 p. 455, Limborch,
-Theol. Christ. VI 10, 4, Oertel, Hades S. 4-6, Schleiermacher, Chr. Gl.
-§ 159, 2, Hofmann, Schriftbeweis III 462 te beweren, dat de Schrift
-over den tusschentoestand zoo goed als niets zegt of althans geene
-voor ons geldende leer bevat, als om met Kliefoth, Eschatologie 37 het
-er voor te houden, dat het N. T. daarover waarschijnlijk alles zegt,
-wat erover te zeggen valt. Immers ontbreekt het niet aan uitspraken,
-die over den tusschentoestand zooveel licht verspreiden, als ons in
-en voor dit leven van noode is. Sterker nog dan het Oude, doet het N.
-T. uitkomen, dat de dood een gevolg en straf der zonde is, Kom. 5:12,
-6:23, 8:10, 1 Cor. 15:21; en die dood strekt zich tot alle menschen
-uit, 1 Cor. 15:22, Hebr. 9:27; slechts een enkele, als Henoch, is
-weggenomen, opdat hij den dood niet zien zoude, Hebr. 11:5; en ook zij,
-die de parousie van Christus beleven, worden ineens veranderd zonder
-tusschenkomst van den dood, 1 Cor. 15:51, 1 Thess. 4:14-17, cf. Joh.
-21:22, 23, zoodat Christus oordeelen zal niet alleen de dooden maar
-ook de levenden, Hd. 10:42, 2 Tim. 4:1, 1 Petr. 4:5. Maar die dood
-is het einde des menschen niet; de ziel kan niet gedood worden, Mt.
-10:28, het lichaam wordt eens weder opgewekt, Joh. 5:28, 29, Hd. 23:6,
-Op. 20:12, 13 en de geloovigen zijn zelfs een eeuwig leven deelachtig,
-dat niet sterven kan, Joh. 3:36, 11:25. Alle gestorvenen bevinden zich
-tot de opstanding toe ook volgens het N. T. in den hades, die het rijk
-der dooden is. In Mt. 11:23 geeft de καταβασις ἑως ᾁδου te kennen, dat
-het trotsche Kapernaum ten diepste vernederd zal worden. In Mt. 16:18
-belooft Jezus aan zijne gemeente, dat de πυλαι ᾁδου over haar geen macht
-zullen hebben, dat de dood over haar niet triumfeeren zal. Volgens
-Luk. 16:23 wordt de arme Lazarus door de engelen gedragen in Abrahams
-schoot en komt de rijke man terstond door den dood en de begrafenis in
-den hades; waarbij het dan niet te bewijzen is, dat hades reeds hetzelfde
-is als plaats der pijniging, wijl deze eerst aangeduid wordt door de
-nadere bijvoeging: ὑπαρχων ἐν βασανοις. Ook Jezus is, zoolang Hij in den
-staat des doods verkeerde, in den hades geweest, ook al werd Hij niet
-door hem gehouden, Hd. 2:27, 31; Hij daalde immers neder εἰς τα κατωτερα
-της γης, Ef. 4:9. En zoo zijn alle gestorvenen καταχθονιοι, Phil.
-2:10; niet alleen de goddeloozen maar ook de geloovigen bevinden zich
-na den dood in den hades, zij zijn νεκροι ἐν Χριστῳ, 1 Thess. 4:16, cf.
-1 Cor. 15:18, 23; bij de opstanding geven de zee, de dood en de hades
-al de dooden weer, die in hen waren, opdat zij geoordeeld worden naar
-hunne werken, Op. 20:13; de hades volgt met en na den dood, zoodat de
-dood altijd eene verplaatsing in den hades teweegbrengt, Op. 6:8. Deze
-opvatting, dat ook de geloovigen volgens de Schrift van den dood tot de
-opstanding toe in den hades zijn, wordt versterkt door de uitdrukking
-ἀναστασις ἐκ νεκρων, Mt. 17:9, Mk. 6:14, Luk. 16:30, Joh. 20:9 enz., ἐκ
-των νεκρων, Ef. 5:14, dat is, niet uit den dood, maar uit de dooden,
-uit het rijk der afgestorvenen. Dit gemeenschappelijk zich bevinden in
-den staat des doods sluit echter niet uit, dat het lot van geloovigen
-en ongeloovigen daar reeds zeer onderscheiden is. Ook het O. T. sprak
-deze gedachte al uit, maar veel klaarder treedt zij ons in het N. T.
-tegemoet. Volgens de gelijkenis in Luk. 16 wordt de arme Lazarus door de
-engelen gedragen in Abrahams schoot, waarmede te kennen gegeven wordt,
-dat Lazarus in den hemel, waar immers de engelen wonen, in de nabijheid
-van en in de gemeenschap met Abraham de zaligheid geniet, cf. Mt. 8:11.
-Aan een zijner medekruiselingen belooft Jezus, dat hij heden met Hem in
-het paradijs zal zijn, Luk. 23:43. Het woord paradijs is van Perzischen
-oorsprong en duidt in het algemeen een tuin, een lusthof aan, Neh.
-2:8, Pred. 2:5, Hoogl. 4:13; de LXX bezigde het als vertaling van den
-hof in Gen. 2:8-15; de Joden gaven er de plaats mede te kennen, waar
-God aan de rechtvaardigen na hun dood zijne gemeenschap schenkt, Weber,
-Syst. der alts. pal. Theol. 330. Ongetwijfeld is ook volgens het N. T.
-het paradijs, evenals de schoot Abrahams, in den hemel te denken; kort
-nadat Jezus aan den moordenaar beloofd had, dat hij heden met Hem in
-het paradijs zou zijn, beval Hij zijn geest in de handen zijns Vaders, Luk.
-23:46; in 2 Cor. 12:2, 4 wisselt het paradijs met den derden hemel af;
-in Op. 2:7, 12:2 duidt het de plaats aan, waar in de toekomst God onder
-zijn volk wonen zal. Daarmede in overeenstemming leert het evangelie van
-Johannes, dat de geloovigen, die hier op aarde reeds het beginsel des
-eeuwigen levens hebben en aan het gericht Gods zijn ontkomen, 3:15-21,
-5:24, eene gemeenschap met Christus deelachtig zijn, die noch door zijn
-heengaan, 12:32, 14:23, noch door den dood, 11:25, 26 wordt verbroken,
-en eens in een eeuwig bijeenzijn voltooid wordt, 6:39, 14:3, 19, 16:16,
-17:24. Stervende bidt Stephanus, dat de Heere Jezus zijnen geest bij zich
-in den hemel opneme, Hd. 7:59. Paulus weet, dat de geloovige een leven
-deelachtig is, hetwelk boven den dood verheven is, Rom. 8:10, en dat
-niets, ook geen dood, hem scheiden kan van de liefde Gods in Christus,
-8:38, 14:8, 1 Thess. 5:10; ofschoon hij nog een tijd lang in het vleesch
-moet blijven om der gemeenten wil, verlangt hij toch ontbonden te worden
-en met Christus te zijn, Phil. 1:23, 2 Cor. 5:8. Volgens Op. 6:8, 7:9,
-bevinden zich de zielen der martelaren bij Christus onder het voor den
-troon Gods in den tempel des hemels staande brandofferaltaar, cf. 2:7,
-10, 17, 26, 3:4, 5, 12, 31, 8:3, 9:13, 14:13, 15:2, 16:17, en ook Hebr.
-11:10, 16, 12:23. En evenals de geloovigen reeds terstond na den dood
-bij Christus in den hemel eene voorloopige zaligheid genieten, zoo komen
-de ongeloovigen, zoodra zij gestorven zijn, in eene plaats der pijniging.
-De rijke man was in de pijn, toen hij in den hades zijne oogen ophief,
-Luk. 16:23. De ongeloovigen, die Christus verwerpen, blijven onder den
-toorn Gods en zijn reeds op aarde geoordeeld, Joh. 3:18, 36, en hebben
-terstond na den dood met alle menschen een oordeel te wachten, Hebr.
-9:27. Maar toch is deze plaats der pijniging nog niet met de γεεννα
-of de λιμνη του πυρος identisch, want de gehenna is de plaats van
-het onuitblusselijke en eeuwige vuur, dat den duivelen bereid is, Mk.
-9:43, 47, 48, Mt. 18:8, 25:4, 46, en de poel des vuurs is nog niet de
-tegenwoordige, maar wel de toekomstige strafplaats van het wereldrijk
-en den valschen profeet, Op. 19:20, van Satan, Op. 20:10 en van alle
-goddeloozen, Op. 21:8, cf. 2 Petr. 2:17, Jud. 13. Veeleer worden zij
-allen nu in eene φυλακη, 1 Petr. 3:19, of in den ἀβυσσος, Luk. 8:31,
-cf. Mt. 8:29, Rom. 10:7, Op. 9:1, 2, 11, 11:7, 17:8, 20:1, 3 voor het
-laatste oordeel en den poel des vuurs bewaard, 2 Petr. 2:17, Jud. 6.
-13. Dit onderscheid in den tusschentoestand der goeden en der boozen
-strijdt niet daarmede, dat zij allen te zamen zich in den hades bevinden,
-want alle gestorvenen zijn als zoodanig καταχθονιοι, behooren vóór
-de opstanding nog tot het rijk der dooden, en worden eerst door die
-opstanding volkomen, naar ziel en lichaam beide, van de heerschappij
-des doods bevrijd, 1 Cor. 15:52-55, Op. 20:14. Cf. Cremer s. v. ἁδης,
-ἀβυσσος, γεεννα enz. en voorts over de Nieuwtest. eschatologie in het
-algemeen, behalve de bekende werken van Weiss, Holtzmann e. a. over N.
-T. theologie, Briet, De Eschatologie of leer der toek. dingen volgens
-de Schriften des N. V. 2 deelen, Tiel 1857/58. Haupt, Die eschatol.
-Aussagen Jesu in den synopt. Evang., Berlin 1895. Schwartzkopff, Die
-Weissagungen Jesu Christi von seinem Tode, seiner Auferstehung und
-Widerkunft und ihrer Erfüllung, Gött. 1895. Kabisch, Die Eschatologie
-des Paulus in ihrem Zusammenhange mit dem Gesammtbegriff des
-Paulinismus, Gött. 1893. Teichmann, Die paulin. Voraussetzungen von
-Auferstehung und Gericht und ihre Beziehung zur jüd. Apokalyptik,
-Freiburg 1896. Atzberger, Die christl. Eschatologie in den Stadien
-ihrer Offenbarung im A. u. N. T., Freiburg 1890 S. 190 f.
-
-
-5. In den eersten tijd bepaalde de christelijke theologie zich tot
-deze eenvoudige gegevens der H. Schrift. De apostolische vaders
-hebben nog geen leer over den tusschentoestand en zijn algemeen van
-oordeel, dat de vromen bij het sterven terstond de hemelsche zaligheid
-en de goddeloozen de helsche straf deelachtig worden. Burnet in zijn
-tractatus de statu mortuorum et resurgentium 1727 en anderen na hem,
-zooals Blondel, Ernesti, Baumgarten-Crusius enz. trachtten wel aan te
-toonen, dat de oudste christelijke schrijvers de eigenlijke zaligheid
-der geloovigen eerst na het wereldgericht een aanvang lieten nemen,
-maar zij konden daarvoor geen afdoende bewijzen bijbrengen, Atzberger,
-Gesch. der christl. Eschatologie innerhalb der vornicän. Zeit,
-Freiburg Herder 1896 S. 75-99. Eerst toen de parousie van Christus
-niet zoo spoedig kwam, als aanvankelijk algemeen verwacht werd, en
-verschillende ketters de leer der laatste dingen misvormden of
-bestreden, begon men over den tusschentoestand meer met opzet na te
-denken. Het Ebionitisme trachtte de nationale voorrechten van Israel
-tot nadeel van het christelijk universalisme vast te houden en was
-daarom over het algemeen chiliastisch gezind; het Gnosticisme verwierp
-krachtens zijn dualistisch beginsel heel de christelijke eschatologie
-en had geen andere verwachting dan de bevrijding des geestes van de
-materie, en zijne terstond bij den dood plaats hebbende opname in het
-Goddelijk pleroma, Atzberger, ib. 172-218. De christelijke theologie
-werd daardoor genoodzaakt, zich helderder rekenschap te geven van het
-karakter van den tusschentoestand en van zijn verband, zoowel met dit
-leven als met den eindtoestand na het laatste oordeel. Justinus zeide
-reeds, dat de zielen der vromen na den dood in eene betere en die der
-onrechtvaardigen in eene slechtere plaats vertoefden, om den tijd van
-het gericht af te wachten, dial. c. Tryph. 5, en veroordeelde het als
-eene onchristelijke leer, dat er geen opstanding der dooden is en dat
-de zielen terstond bij den dood in den hemel worden opgenomen, ib. 80.
-Volgens Irenaeus komen de zielen der vromen bij den dood niet terstond
-in hemel, paradijs of stad Gods, welke na het laatste oordeel drie
-onderscheidene woonplaatsen der rechtvaardigen zullen zijn, adv. haer.
-V 36, maar in eene onzichtbare, door God bepaalde plaats, waar zij de
-opstanding en de daarna volgende aanschouwing Gods afwachten, want
-Christus vertoefde ook eerst drie dagen daar, waar de dooden waren,
-in inferioribus terrae, om zijne heilige dooden eruit te verlossen, en
-werd, na alzoo de lex mortuorum vervuld te hebben, opgewekt en in den
-hemel opgenomen, V 31. Daar, in de schaduw des doods, in den hades,
-ontvangt ieder mensch dignam habitationem, etiam ante judicium, de
-vrome waarschijnlijk in den schoot Abrahams, die dus eene afdeeling
-van den hades is, II 34. Dezelfde voorstelling van verschillende
-receptacula in den hades, waar de gestorvenen de eindbeslissing
-ten jongsten dage afwachten, treffen wij ook aan bij Hippolytus,
-Tertullianus, Novatianus, Commodianus, Victorinus, Lactantius,
-Hilarius, Ambrosius, Cyrillus, en ook nog bij Augustinus, Enchir. 109.
-110, cf. Atzberger t. a. p. 275 f. 301 f. Schwane, D. G. II 585. Maar
-naarmate de parousie van Christus terugweek in een ver verschiet, viel
-het te moeilijker, om de oude voorstelling van den hades te handhaven en
-het verblijf aldaar voor een korten, voorloopigen, min of meer neutralen
-toestand te houden. Voor de martelaren maakte men reeds vroeg eene
-uitzondering; dezen waren volgens Irenaeus, Tertullianus e. a. terstond
-na hun dood den hemel ingegaan en tot de aanschouwing Gods toegelaten.
-De hadesvaart van Christus werd in verband daarmede zoo geduid, dat
-zij de geloovigen, die vóór Christus’ offerande gestorven waren, uit
-den limbus patrum had bevrijd en naar den hemel had overgebracht. En de
-leer van de noodzakelijkheid en de verdienstelijkheid der goede werken,
-die meer en meer in de kerk indrong, leidde vanzelf tot de gedachte,
-dat zij, die heel hun leven in bijzonderen zin Gode hadden gewijd, nu
-ook bij hun dood terstond de hemelsche zaligheid waardig waren. Zoo
-werd de hades allengs van zijne bewoners beroofd. Wel bleven nog de
-ongeloovigen over, maar dit had juist ten gevolge, dat de hades hoe
-langer hoe meer als strafplaats beschouwd en met den tartarus of de
-gehenna vereenzelvigd werd. Van de Christenen konden alleen zij nog een
-tijd lang in den hades vertoeven, die het hier op aarde niet zoover
-in heiligmaking hadden gebracht, dat zij bij hun sterven onverwijld de
-hemelsche heerlijkheid konden ingaan. Daarmede werd allengs de gedachte
-van een louteringsvuur in verband gebracht, die het eerst door Origenes
-werd uitgesproken. Volgens hem waren alle straffen geneesmiddelen,
-φαρμακα, en heel de hades, de gehenna inbegrepen, eene plaats der
-reiniging, c. Cels. III 75. VI 25. 26; en bepaaldelijk werden de zonden
-verteerd en de menschen gereinigd door het πυρ καθαρσιον, dat aan het
-einde van deze bedeeling de wereld in vlam zetten zou, ib. VI 12.
-13. 21. 64. V 15. 16. Op het voetspoor van Origenes namen daarom de
-Grieksche theologen later aan, dat de zielen van vele afgestorvenen
-nog wel smarten moesten lijden en daarvan alleen door de voorbeden en
-offeranden der levenden konden worden verlost, Conf. orth. qu. 64-68,
-maar zij hielden toch bezwaar tegen een bijzonder reinigingsvuur, gelijk
-de Westersche kerk dat leerde; eerst op het concilie te Florence deed
-men op dit punt eenige concessie, Münscher-v. Coelln, D. G. II 313.
-Schwane, D. G. II 587 III 486. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 327. In het
-Westen daarentegen werd het reinigingsvuur, waarvan Origenes gesproken
-had, uit het eindgericht naar den tusschentoestand overgebracht.
-Augustinus zeide soms, dat na de algemeene opstanding of bij het laatste
-oordeel nog eenige poenae purgatoriae werden opgelegd, de civ. XX 25.
-XXI 24. Maar toch laat hij de ontwikkeling van het Godsrijk gewoonlijk
-met het laatste oordeel sluiten, en acht het daarom niet onmogelijk,
-nonnullos fideles per ignem quendam purgatorium, quanto magis minusve
-bona pereuntia dilexerunt, tanto tardius citiusve salvari, Enchir.
-69. Caesarius van Arles en Gregorius Magnus werkten dit zoo uit, dat
-bepaaldelijk de peccata venialia hier of hiernamaals konden worden
-geboet. En toen met deze leer de reeds door Tertullianus, de monog.
-10. 11, de exhort. cast. 11 vermelde kerkelijke practijk, om voor de
-gestorvenen voorbeden en offeranden te doen, in verband werd gebracht,
-was het dogma van het vagevuur voltooid. De scholastiek gaf er breeder
-ontwikkeling aan, Lombardus e. a. op Sent. IV 21. Thomas, S. Theol.
-appendix qu. 2. Bonaventura, Brevil. VII 2. 3; het concilie te Florence
-1439 en te Trente, sess. 6 can. 30. sess. 22 c. 2 can. 3. sess. 25
-stelde het vast, en de latere theologie gaf er voor het godsdienstig en
-kerkelijk leven eene steeds grootere beteekenis aan. Volgens de Roomsche
-leer komen de zielen der verdoemden terstond in de hel (gehenna,
-abyssus, infernus), waar zij met de onreine geesten in een eeuwig en
-onuitblusschelijk vuur gepijnigd worden. De zielen dergenen, die na
-ontvangst van den doop niet meer door de zonde besmet zijn of van die
-smet hier of hiernamaals gereinigd zijn, worden onverwijld in den hemel
-opgenomen en aanschouwen daar het aangezicht Gods, zij het ook naar
-gelang van hunne verdiensten in onderscheidene mate van volmaaktheid,
-bij Denzinger n. 870. 875. Door de nederdaling van Christus ter helle
-zijn ook de zielen der heiligen, die vóór dien tijd gestorven waren,
-uit den limbus patrum (schoot Abrahams) naar den hemel overgebracht.
-Ongedoopt stervende kinderen, over wier lot reeds door de kerkvaders
-nu eens zachter dan harder geoordeeld werd, worden naar den infernus
-verwezen, waar echter de straffen zeer ongelijk zijn, bij Denzinger
-ib., en komen volgens de meest gewone voorstelling in eene bijzondere
-afdeeling (limbus infantum), waar zij alleen eene aeterna poena damni,
-maar niet een poena sensus lijden, Lombardus, Thomas, Bonaventura op
-Sent. II dist. 33. Thomas, S. Theol. suppl. qu. 69 art. 4. Maar zij,
-die, na in den doop of ook wederom in de boete de heiligmakende genade
-ontvangen te hebben, aan peccata venialia zich schuldig maken en de
-daarvoor bepaalde tijdelijke straffen in dit leven niet hebben kunnen
-voldoen, zijn niet zuiver genoeg, om terstond te worden toegelaten tot
-de zalige aanschouwing van God in den hemel; zij komen in eene plaats
-tusschen hemel en hel in, niet om nieuwe deugden en verdiensten te
-verwerven, maar om de hindernissen op te ruimen, welke aan hare intrede
-in den hemel in den weg liggen. Daartoe worden zij in het eerste moment
-na het sterven door een acte van berouw, per actum peccato veniali
-contrariae dispositionis, van de schuld der vergefelijke zonden bevrijd
-en hebben zij vervolgens nog de tijdelijke straffen te dragen, die ook
-na vergeving op die zonden gesteld blijven. Het purgatorium (vagevuur
-van vagen, vegen, d. i. reinigen, zuiveren) is daarom geen plaats der
-bekeering, der beproeving, der heiliging, maar eene strafplaats, in
-welke het meestal stoffelijk gedachte vuur dienst doet, om idealiter,
-door de voorstelling van de smart, reinigend op de „arme zielen”
-in te werken. Bovendien kan de kerk krachtens de gemeenschap der
-heiligen deze lijdende zielen ter hulp komen en haar straf verzachten
-en verkorten door voorbeden, misoffers, goede werken en aflaten. Wel
-weet niemand, welke zielen bepaald in het vagevuur komen, hoelang zij
-er blijven moeten en onder welke voorwaarden harerzijds de gebeden en
-offeranden der levenden haar ten goede komen; maar deze onzekerheid
-doet aan den cultus der gestorvenen geen schade. Want hoe langer
-hoe meer geldt als regel, dat op enkele uitzonderingen na, zooals
-martelaars en bijzondere heiligen, de groote massa der geloovigen eerst
-in het vagevuur komt. In elk geval zijn zij de levenden, die ook door dat
-purgatorium heen naar den hemel moeten gaan, ver vooruit; arme zielen
-eenerzijds, zijn zij toch, van een anderen kant beschouwd, gebenedijde
-zielen, die met de engelen en de zaligen door de levenden in nood om
-hulp worden aangeroepen. Cf. Catech. Rom. I c. 6 qu. 3. Bellarminus,
-de purgatorio, Controv. II 228-269. Perrone, Prael. III 309. Möhler,
-Symbolik § 23. Oswald, Eschatologie² 1869 S. 81. Simar, Dogm. § 164.
-Atzberger, Chr. Eschatologie 269. Deharbe, Kath. geloofs- en zedeleer
-II 328. Jansen, Prael. III 975.
-
-
-6. De Reformatie zag in dit vagevuur eene beperking van de verdiensten
-van Christus en leerde krachtens haar beginsel van de rechtvaardiging
-uit het geloof alleen, dat de mensch terstond na een judicium
-particulare in agone mortis inging in de zaligheid des hemels of in het
-verderf der hel. Luther zelf stelde den tusschentoestand der vromen
-nog dikwerf als een slaap voor, waarin zij rustig en stil de toekomst
-des Heeren verbeidden, Köstlin, Luthers Theol. II 568; maar latere
-Luthersche theologen wischten het onderscheid van tusschentoestand en
-eindtoestand schier geheel uit en zeiden, dat de zielen der vromen
-terstond na den dood eene plena et essentialis beatitudo genoten en
-die der goddeloozen terstond eene perfecta ac consummata damnatio
-ontvingen, Quenstedt, Theol. IV 540. 567. Gerhard, Loc. XXVI § 160.
-191. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 63. In hoofdzaak was dat nu ook
-wel het gevoelen der Gereformeerden, Catech. Heid. 57. 58. Ned. Gel.
-37. Helv. II 26. Westm. c. 32. Junius, Theses theol. 55. 56. Voetius,
-Disp. V 533-539. Maar gewoonlijk lieten zij toch beter dan de Lutherschen
-het verschil uitkomen, dat in den toestand der gestorvenen vóór en
-na den jongsten dag bestond. Calvijn zeide in zijn geschrift over de
-psychopannychie, dat schoot Abrahams niet anders wilde zeggen, dan dat
-de zielen der vromen na den dood vollen vrede zullen genieten, dat
-haar dan echter nog tot den opstandingsdag toe iets blijft ontbreken,
-n.l. summa et perfecta Dei gloria, ad quam semper aspirant, en dat
-onze zaligheid dus altijd in cursu bleef usque ad diem illum, qui omnem
-cursum claudit et terminabit, C. R. 33, 177-232, cf. Inst. III 25,
-6, en voorts, schoon meestal iets zwakker zich uitdrukkende, Ned.
-Gel. 37. Synops. pur. theol. 40. 17. Witsius, Oec. foed. III 14, 33,
-Heidegger, Corpus Theol. 28, 38. Anderen gingen nog verder en namen
-een bepaalden tusschentoestand aan. Lud. Cappellus zeide, dat de
-zielen der vromen na den dood in een toestand kwamen, die wel zalig
-heeten kon in vergelijking met dien hier op aarde, maar die longe
-diversus was van die zaligheid, welke na de opstanding een aanvang
-nam; immers bestond de tusschentoestand bijna geheel in spe atque
-exspectatione futurae gloriae, non vero in ipsa gloriae fruitione. En
-evenzoo kwamen de zielen der goddeloozen na den dood in een toestand,
-waarin zij de vastbepaalde toekomstige straf in angst en vreeze
-afwachtten, maar toch die straf zelve nog niet leden, want exspectatio
-supplicii non est ipsum supplicium. En zoo dachten in hoofdzaak ook
-William Sherlock, Thomas Burnet en vele andere Engelsche theologen,
-en onder de Lutherschen Calixtus, Hornejus, Zeltner, Tresenreuter,
-J. H. Ursinus e. a., cf. M. Vitringa IV 63-69. Zelfs keerden sedert
-de vorige eeuw in de Protestantsche theologie al de gedachten terug,
-die vroeger door Heidenen en Christenen, door philosofen en theologen
-over den tusschentoestand waren uitgesproken. De leer van het Roomsche
-purgatorium werd weer opgenomen door vele mystici en pietisten, zooals
-Böhme, Antoinette Bourignon, Poiret, Dippel, Petersen, Arnold, Schermer
-enz., cf. M. Vitringa IV 81. 82, en voorts door Leibniz, Syst. der
-Theol. 1825 S. 340, Lessing, Erziehung des Menschengeschl., J. F. v.
-Meyer, Blätter f. höhere Wahrheit VI 233. Jung-Stilling, Theorie der
-Geisterkunde § 211. Lange, Dogm. II 1250 f. Rothe, Ethik § 793-795.
-Martensen, Dogm. § 276. 277. Dorner, Gl. II 952 f. Oosterzee, Dogm. §
-142 enz. In navolging van enkele oud-christelijke schrijvers, leerden
-de Socinianen, dat, gelijk de lichamen tot de aarde, zoo de zielen tot
-God terugkeerden en bij Hem tot de opstanding toe een bestaan leidden
-zonder waarneming of gedachte, zonder lust of onlust, Fock, Der Socin.
-714 f. Nauw daarmede verwant was de leer van een zieleslaap, welke
-vroeger reeds door enkele ketters, later door de Anabaptisten werd
-voorgestaan en sedert de vorige eeuw weer bij Artobe, Heyn, Sulzer,
-cf. Bretschneider, Dogm. II 395, bij Fries, Jahrb. f. d. Theol. 1856.
-Ulrici, Gott und die Natur² 332 f. en bij de Irvingianen ingang vond.
-Door anderen werd deze leer van de psychopannychie zoo gewijzigd, dat
-de zielen wel een inwendig bewustzijn behielden maar van het verkeer
-met de buitenwereld waren afgesloten, Episcopius, Op. II 2, 455.
-Limborch, Theol. Christ. VI 10, 8. J. Müller, Lehre v. d. Sünde II
-402-408. Martensen, Dogm. § 276. Ebrard, Dogm. § 570. Dorner, Gl.
-II 952 f. Frank, Chr. Wahrh. II 460. Anderen vermeden deze leer van
-den zieleslaap door aan te nemen, dat de zielen bij de aflegging van
-het stoffelijk omhulsel den organisch en grondvorm van het lichaam
-behielden, of ook, dat zij na den dood een nieuw, uit allerfijnste stof
-samengesteld lichaam ontvingen, waardoor zij met de buitenwereld in
-gemeenschap konden blijven, Paracelsus, Helmont, Böhme, Oetinger, Ph.
-M. Hahn, Swedenborg, Priestley, Schott, Jean Paul, cf. Bretschneider,
-Dogm. II 396, en voorts Rothe, Ethik § 111 f. 793 f. Hamberger, Die
-Rationalität der himml. Leiblichkeit, Jahrb. f. d. Th. 1863. Delitzsch,
-Bibl. Psych. 426 f. Martensen, Dogm. § 276. Ulrici, Gott u. die
-Natur² 333. Güder, Lehre v. d. Erscheinung Christi unter den Todten
-321 f. Splittgerber, Tod, Fortleben u. Auferst.³ 45 f. Rinck, Vom
-Zustande nach dem Tode 1885 S. 114 f. Mühe, Das enthüllte Geheimniss
-der Zukunft³ 14 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 619. Grétillat, Théol. syst. IV
-548 enz. Zelfs zijn er, die tot de oude leer der zielsverhuizing zijn
-teruggekeerd en haar in dezen vorm hebben aangeprezen, dat de zielen
-door voortgezette overgangen uit het eene in het andere menschelijke
-lichaam allengs de volmaaktheid deelachtig worden, Lessing, Erz. d.
-Mensch., Schlosser, Ungern-Sternberg, Dr. D. Burger, De Plat. leer
-der zielsverhuizing, Amersf. 1877, Carl Andresen, Die Lehre v. d.
-Wiedergeburt auf theist. Grundlage, 2e Aufl. Hamburg 1899, die de
-reincarnatie in Joh. 3:3-17 geleerd vindt, en anderen bij M. Vitringa
-IV 95-97. Bretschneider, Dogm. II 388. Spiess, Entw. Gesch. der
-Vorstellungen vom Zustande nach d. Tode 1877 S. 31. Falke, Die Lehre
-v. d. ewigen Verdammnis, 1892 S. 59 f. De idee van ontwikkeling is
-tegenwoordig zoo de allesbeheerschende, dat zij ook op den toestand aan
-de overzijde des grafs wordt toegepast. De leer van den limbus patrum
-werd wederom overgenomen door Martensen, Dogm. § 277. Delitzsch,
-Bibl. Psych. 407 f. Vilmar, Dogm. II 290. Splittgerber t. a. p. 110
-f. Cremer, Ueber den Zustand nach dem Tode 1883 S. 9 f. De meening,
-dat er in den tusschentoestand nog prediking van het evangelie en
-mogelijkheid van bekeering is, is een lievelingsdenkbeeld der nieuwe
-theologie, Lange II 1250 f. Rothe § 796. 797. Delitzsch 413. Martensen
-§ 277. Dorner II 952 f. Ebrard § 576. Cremer t. a. p. 48. 62 f.
-Kliefoth, Eschatologie 97-113. Falke t. a. p. 152 f. Krauss, Lehre v.
-d. Offenbarung 112. Rinck t. a. p. 79-88. Mühe t. a. p. 30 f. Grétillat
-IV 540. 549. Oosterzee § 142. Doedes, Ned. Gel. 521 enz. Zelfs vatten
-velen heel het Jenseits als eene voortgaande loutering op, waarvan het
-resultaat is, dat sommigen mogelijk eeuwig verloren gaan (hypothetisch
-universalisme), of dat degenen, die in het kwade volharden, ten slotte
-vernietigd worden (conditioneele onsterfelijkheid) of dat aan het einde
-allen behouden worden (apocatastasis), cf. § 56.
-
-
-7. De geschiedenis van den tusschentoestand bewijst, dat het den
-theoloog en den mensch in het algemeen moeite kost, om zich te houden
-binnen de grenzen der H. Schrift en niet wijs te zijn boven hetgeen
-men behoort wijs te zijn. De gegevens, welke de H. Schrift over den
-tusschentoestand bevat, zijn genoegzaam voor het leven, maar laten
-vele vragen, die er kunnen oprijzen in het nieuwsgierig verstand,
-onbeantwoord. Indien men deze toch wil oplossen, kan men niet anders
-dan den weg van gissingen betreden, en loopt men gevaar, om het
-Goddelijk getuigenis door vindingen van menschelijke wijsheid teniet
-te doen. Reeds terstond komt dit uit bij het spreken over dood en
-onsterfelijkheid. De wijsbegeerte handelt hierover op eene gansch andere
-wijze dan de H. Schrift. Gene acht den dood iets natuurlijks en meent
-aan de onsterfelijkheid, dat is aan het voortbestaan der ziel genoeg
-te hebben. Maar de Schrift oordeelt gansch anders. De dood is niet
-natuurlijk, maar heeft zijn oorzaak in de overtreding van Gods gebod,
-Gen. 2:17, in den duivel, inzoover deze door zijne verleiding den
-mensch vallen en sterven deed, Joh. 8:44, in de zonde zelve, wijl zij
-ontbindend inwerkt op heel het menschelijk leven en als het ware den
-dood uit zichzelve voortbrengt, Jak. 1:15, in het oordeel Gods, wijl
-Hij de zonde met den dood bezoldigt, Rom. 6:23. En die dood is in de
-Schrift nooit met vernietiging, met niet-zijn identisch, maar bestaat
-altijd in verbreking der harmonie, in afsnijding van de verschillende
-levensverhoudingen, waarin een schepsel overeenkomstig zijne natuur
-geplaatst is, in terugkeer tot het elementaire, chaotische zijn, dat
-aan den ganschen kosmos, althans logisch, ten grondslag ligt. Volgens
-Herbert Spencer bestaat leven in voortdurende aanpassing van in- aan
-uitwendige verhoudingen, deel I 416. Al is met deze bepaling het wezen
-des levens geenszins verklaard, toch is het waar, dat het leven te
-rijker is, naarmate de verhoudingen, waarin het tot zijne omgeving staat,
-meerder in aantal en gezonder van nature zijn. Het hoogste schepsel
-is daarom de mensch; krachtens zijne schepping staat hij met natuur en
-menschenwereld, zienlijke en onzienlijke dingen, hemel en aarde, God en
-engelen in verband. En hij leeft, indien hij en naarmate hij tot deze
-gansche omgeving in de rechte, door God gewilde verhouding staat, cf.
-Drummond, Das Naturgesetz in der Geisteswelt S. 121 f. Dood is daarom
-in zijn wezen en in zijn ganschen omvang verstoring, verbreking van al
-deze verhoudingen, waarin de mensch oorspronkelijk gestaan heeft en nog
-steeds behoort te staan. Zijne oorzaak is daarom geen andere en kan geen
-andere zijn dan de zonde, dat is verstoring der rechte verhouding tot en
-verbreking der levensgemeenschap met God. De zonde heeft den dood in
-dezen zin niet maar ten gevolge doch valt er mede samen; zonde is dood,
-dood in geestelijken zin; wie de zonde doet, staat daarmede in hetzelfde
-oogenblik tegen God over, is dood voor God en Goddelijke dingen, heeft
-aan de kennis zijner wegen geen lust, wendt zich in vijandschap en haat
-van Hem af. En wijl deze verhouding tot God, dit geschapen zijn naar zijn
-beeld en gelijkenis, geen donum superadditum is maar tot ’s menschen
-wezen behoort en een centraal karakter draagt, moet de verstoring van
-deze verhouding verwoestend inwerken op alle andere verhoudingen,
-waarin de mensch tot zichzelven, tot zijne medemenschen, tot de natuur,
-tot de engelen, tot de gansche schepping stond. De zonde had eigenlijk
-naar haar aard, op hetzelfde oogenblik, dat zij bedreven werd, den
-vollen, ganschen dood ten gevolge moeten hebben, Gen. 2:17, terugkeer
-van heel den kosmos tot zijn chaotisch bestaan.
-
-Maar God is tusschen beide getreden en heeft de macht der zonde en
-des doods verbroken. Wel ligt, gelijk Schelling zeide, aan al het
-bestaande een irrationeele rest ten grondslag. Alwat aan zichzelf
-wordt overgelaten, gaat tot ontbinding over. De natuur, die niet
-gecultiveerd wordt, verwildert; de mensch, die niet opgevoed wordt,
-ontaardt; het volk, dat buiten de beschaving komt te staan, verbastert.
-Van nature staat alles in en buiten den mensch in vijandschap tegen
-elkander over. Verstand en wil, geweten en neiging, plicht en begeerte,
-ziel en lichaam, de mensch en zijn naaste, menschen- en dieren- en
-engelenwereld, allen bevinden zich op voet van oorlog tegen elkaar
-en verkeeren in een staat van ontbinding en ondergang. Maar toch is
-God met zijne genade tusschen beide getreden, eerst met zijne algemeene
-genade, om de macht van zonde en dood te beteugelen, dan met zijne
-bijzondere genade, om ze te breken en te overwinnen. De lichamelijke
-dood wordt niet alleen uitgesteld en door allerlei maatregelen eene
-menschelijke existentie en ontwikkeling mogelijk gemaakt; maar Christus
-behaalt door zijn kruis principieel over zonde en dood de overwinning
-en brengt het leven en de onsterfelijkheid aan het licht, Rom. 5:12v.,
-1 Cor. 15:45, Hebr. 2:14, 2 Tim. 1:10, Op. 1:18, 20:14, zoodat wie
-in Hem gelooft het eeuwige leven heeft en niet sterven zal in der
-eeuwigheid, Joh. 3:36, 5:24, 8:51, 52, 11:25. Dit leven nu is het en
-deze onsterfelijkheid, welke in de H. Schrift op den voorgrond treedt.
-De onsterfelijkheid in wijsgeerigen zin, het voortbestaan der ziel na den
-dood, heeft bij haar een ondergeschikte waarde; zij ontkent haar niet
-maar zij leert ze ook niet opzettelijk en is allerminst, gelijk het deisme
-meende, daartoe gegeven, dat zij ons deze onsterfelijkheid als eene der
-gewichtigste godsdienstige waarheden bekend maken zou. Immers is deze
-waarheid den mensch genoegzaam van nature bekend. Wat de Schrift ons
-had te leeren, was dit, dat naakt bestaan, louter zijn zonder meer nog
-geen leven is, gelijk het bij menschen hoort en aan menschen past. Dat
-is het niet aan deze, en dat is het nog veel minder aan de overzijde
-des grafs. Hier op aarde staat het leven van den mensch, ook van
-dengene, die de gemeenschap Gods mist, nog in velerlei verhoudingen
-en ontvangt daardoor eenigen inhoud en waarde. Maar als dit alles
-wegvalt en al deze banden verbroken worden, dan zinkt het leven tot
-een arm, ledig, inhoudloos, schaduwachtig bestaan terug. Van deze zijde
-vat het Oude Testament het Jenseits gewoonlijk in het oog. Sterven
-is een uittreden uit dit leven, een verbreken van _alle_ banden met
-_deze_ wereld; de dood is in betrekking tot het leven dezerzijds een
-niet-zijn, een rusten, een slapen, in één woord een volkomen dood-zijn
-voor het gansche rijke, vreugdevolle leven op aarde. De dooden hebben
-geen deel meer voor eeuwig aan al wat onder de zon geschiedt, Pred.
-9:5, 6. In het begrip van den Scheol staat de negatie van dit aardsche
-leven en werken op den voorgrond en vormt er zoo niet het eenige, dan
-toch het voornaamste bestanddeel van. Of er nu in den Scheol voor dit
-volkomen afgebroken aardsche leven een ander in de plaats komt en
-de gestorvenen aldaar naar eene andere zijde in nieuwe verhoudingen
-treden, wordt in het O. T. slechts enkele malen uitgesproken, als
-het geloofsoog der vromen door de schaduwen des doods heendringt tot
-het eeuwige leven in de gemeenschap met God. Genoeg was het op het
-standpunt der O. T. openbaring, dat de groote gedachte werd ingedragen
-in het menschelijk bewustzijn, dat het waarachtige leven alleen gevonden
-wordt in de gemeenschap met God. De angst der hel bleef evengoed als
-de vreugde des hemels voor den geloovige van den ouden dag in nevelen
-gehuld. Eerst toen Christus gestorven en opgestaan was, werd het leven
-in onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Christus heeft niet de
-onsterfelijkheid in wijsgeerigen zin, het voortbestaan der zielen na
-den dood, verworven of geopenbaard. Maar Hij heeft het door de zonde
-uitgemergelde en ontledigde leven van den mensch hier en hiernamaals
-weer met den positieven inhoud van Gods gemeenschap, met vrede en
-vreugde en zaligheid gevuld. De dood is geen dood meer voor wie in
-Christus Jezus is, doch een doorgang tot het eeuwige leven, en het
-graf eene geheiligde rustplaats tot den morgen der opstanding.
-
-
-8. Wie deze leer der Schrift over de onsterfelijkheid uit het oog
-verliest, komt tot allerlei dwalingen. Wij kunnen ons toch van een
-zuiveren geest, van zijn bestaan en leven en werkzaamheid geen
-voorstelling maken. Van God, die louter geest is, vermogen wij niet
-anders te spreken dan op anthropomorphistische wijze, waarin trouwens
-de Schrift zelve ons voorgaat, deel II 65v. De engelen zijn geestelijke
-wezens, maar worden menschelijk voorgesteld en nemen bij verschijning
-dikwerf menschelijke lichamen aan, ib. 435v. En menschen zijn niet
-alleen lichamelijke wezens, maar alle hunne werkzaamheden zijn aan
-het lichaam gebonden en van het lichaam afhankelijk; niet alleen de
-vegetatieve en animale maar ook de intellectueele werkzaamheden van
-denken en willen. Al zijn de hersenen niet de oorzaak van het hooger
-ken- en begeervermogen, zij zijn er toch de drager en het orgaan van;
-elke storing in de hersens heeft een abnormale werking van de anima
-rationalis ten gevolge. Wijl het lichaam geen kerker der ziel is maar
-tot het wezen van den mensch behoort, kunnen wij van het leven en werken
-eener van het lichaam gescheidene ziel geen voorstelling vormen en zijn
-daarom licht tot vermoedens en gissingen geneigd. Drie hypothesen zijn
-er daarom in hoofdzaak uitgedacht, om het bestaan der zielen na den
-dood eenigszins begrijpelijk te maken.
-
-Ten eerste hebben velen onder de Heidenen en ook onder de Christenen
-gemeend, dat de zielen, na van het lichaam gescheiden te zijn,
-niet anders dan een slapend leven konden leiden. Inderdaad is de
-verandering, die bij den dood intreedt, van buitengewone beteekenis.
-Heel de inhoud van ons zieleleven toch is aan de buitenwereld ontleend,
-alle kennis begint met de zinnelijke waarneming, heel onze denkvorm is
-stoffelijk; zelfs van de geestelijke dingen spreken wij in woorden, die
-oorspronkelijk eene zinlijke beteekenis hadden. Als de dood nu, gelijk de
-Schrift leert, eene plotselinge, gewelddadige, algeheele en volstrekte
-breuke met de diesseitige wereld is, dan schijnt er werkelijk geen andere
-mogelijkheid te bestaan, dan dat de ziel voor de buitenwereld volkomen
-gesloten wordt, al haar inhoud verliest en als het ware in zichzelve
-terugzinkt. In den slaap trekt de ziel zich ook uit de buitenwereld
-terug en breekt het verkeer met haar af; maar zij doet dit bij den slaap
-toch slechts in betrekkelijken zin, daar zij in verband met het lichaam
-blijft staan en het rijke leven behoudt, dat zij uit de wereld zich
-verworven heeft; zelfs blijft zij daar, zij het ook op verwarde wijze, in
-den droom mede werkzaam. En niettemin, welk eene verandering brengt de
-slaap reeds in het menschelijk leven aan; ken- en begeervermogen staken
-hunne werkzaamheid; het bewustzijn staat stil; alle gewaarwording en
-waarneming houdt op; slechts het vegetatieve leven zet zijn geregelden
-arbeid voort. Hoeveel te meer zal dan alle werkzaamheid der ziel
-ophouden, wanneer de dood intreedt en alle banden met deze wereld ten
-eenenmale verbreekt! Alles schijnt er dus voor te pleiten, dat de zielen
-na den dood in een slapenden, bewusteloozen toestand verkeeren. En de
-H. Schrift is er, naar zich oppervlakkig laat aanzien, zooverre van
-af, dat zij deze leer van den zieleslaap veroordeelt, dat zij veeleer
-haar aanprijst en begunstigt. Immers noemt zij niet alleen in het Oude,
-maar ook in het Nieuwe Test. het sterven meermalen een slapen, Deut.
-31:16, Jer. 51:39, 57, Dan. 12:2, Mt. 9:24, Joh. 11:11, 1 Cor. 7:39,
-11:30, 15:6, 18, 20, 51, 1 Thess. 4:13-15, 2 Petr. 3:4 enz.; de Scheol
-is een land der stilte, der rust, der vergetelheid, waar geen deel
-meer is voor eeuwig aan al wat onder de zon geschiedt, boven bl.
-366; Jezus spreekt van den nacht des doods, waarin niemand werken
-kan, Joh. 9:4; en nergens maakt de Schrift er eenig gewag van, dat
-de uit den dood in het leven teruggekeerden, zooals Lazarus e. a.,
-iets verhaald hebben van hetgeen zij in den tusschentoestand gezien of
-gehoord hebben. Toch zijn al deze redeneeringen niet in staat, om de
-leer der psychopannychie te bewijzen. Want 1º is het duidelijk, dat de
-afhankelijkheid der ziel van het lichaam toch hare zelfstandigheid niet
-uitsluit. De buitenwereld moge de aanleiding zijn voor het ontwaken van
-ons zelfbewustzijn en de eerste bron onzer kennis; het denken moge aan
-de hersens gebonden zijn en daarin zijn zetel en orgaan hebben; het is
-onbewezen en onbewijsbaar, dat het psychische leven van den mensch in
-de physische verschijnselen zijn bron en oorsprong vindt. Het denken en
-kennen zijn werkzaamheden der ziel; niet het oor hoort en het oog ziet,
-maar het is het psychische Ik van den mensch, dat hoort door het oor en
-ziet door het oog; het lichaam is een instrument van den geest. Daarom
-is er ook niets ongerijmds in om te denken, dat de ziel desnoods zonder
-het lichaam hare werkzaamheden voortzetten kan. Trouwens, wie aan den
-geest als zoodanig het bewuste leven zou willen ontzeggen, zou ertoe
-moeten komen, om bewustzijn en wil ook bij God en de engelen onmogelijk te
-achten. Want al spreken wij van God op menschelijke wijze en al stellen
-wij ons de engelen dikwerf lichamelijk voor, zij zijn toch in zichzelven
-geest en niettemin bewustzijn en wil deelachtig. 2º De Schrift leert zoo
-duidelijk mogelijk, dat de dood eene totale breuke is met dit gansche
-aardsche leven en in zoover een slapen, een rusten, een stilzwijgen
-is. De toestand des doods is een slaap, de gestorvene slaapt, omdat
-het verkeer met de diesseitige wereld opgehouden heeft; maar nergens
-zegt de Schrift, dat de ziel van den gestorvene slaapt; integendeel
-stelt zij deze altijd na den dood als meer of minder bewust voor; en als
-de openbaring voortgaat, treedt het hoe langer hoe duidelijker in het
-licht, dat, terwijl in den dood alle relaties tot deze wereld worden
-afgesneden, er terstond daarvoor andere verhoudingen tot eene andere
-wereld in de plaats treden. De groote gedachte der Schrift, dat aan den
-dienst des Heeren het leven en aan zijne verwerping de dood verbonden
-is, werpt haar schijnsel ook over de andere zijde des grafs. Terwijl de
-rijke man terstond na zijn dood in de pijn verkeert, wordt de arme Lazarus
-gedragen in Abrahams schoot, Luk. 16:23. En al de geloovigen, die
-immers hier reeds op aarde een eeuwig leven deelachtig zijn, verliezen
-dit niet door den dood, Joh. 11:25, 26, maar genieten het na den dood
-veel rijker en zaliger in de gemeenschap met Christus, Luk. 23:43,
-Hd. 7:59, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op. 6:8, 7:9. Het inwonen in het
-lichaam is juist een uitwonen van den Heere, en het sterven dus de
-weg tot eene nadere en nauwere gemeenschap met Christus. 3º Daarbij
-behoeft het niet te verwonderen, dat de door opstanding in het leven
-teruggekeerden niets vermelden van wat zij aan gene zijde des grafs
-hebben gezien en gehoord. Want afgedacht van de mogelijkheid, dat zij
-wel het een en ander hebben medegedeeld, hetwelk in de Schrift niet is
-opgeteekend, is het allerwaarschijnlijkst, dat zij ons niets hebben mogen
-en kunnen berichten van hunne ervaringen aan de overzijde des grafs.
-Wij hebben aan Mozes en de profeten genoeg, Luk. 16:29; en Paulus kon,
-nadat hij opgetrokken was geweest in den derden hemel, niet anders
-zeggen, dan dat hij onuitsprekelijke woorden had gehoord, welke het
-een mensch niet geoorloofd is te spreken. Cf. tegen de leer van den
-zieleslaap: Tertullianus, de an. 58. Calvijn, Psychopannychia, C. R.
-33, 177-232. Bullinger, Huisboek Dec. 4 serm. 10. Cloppenburg, Op. II
-413-417. Voetius, Disp. I 832-835. Witsius, Oec. foed. III 14, 18-22.
-Gerdesius, Exerc. Acad. 592 sq. Moor VI 594-602. M. Vitringa IV 82-86.
-Gerhard, Loc. XXVI 293. Delitzsch, Bibl. Psych. 419. Splittgerber, Tod,
-Fortleben und Auferstehung³ 102. Rinck, Vom Zustande nach dem Tode
-1885 S. 19. Kliefoth, Christl. Eschatologie 1886 S. 66. Atzberger, Die
-christl. Eschatol. 212.
-
-
-9. Anderen zijn van meening, dat de zielen na den dood eene nieuwe
-lichamelijkheid ontvangen en daardoor weer met de buitenwereld in
-gemeenschap kunnen treden, boven bl. 381. Voor dit gevoelen beroept
-men zich daarop, dat van het leven en de werkzaamheid der ziel zonder
-lichaam geen voorstelling te vormen is, en voorts op die plaatsen der
-Schrift, welke aan de zielen der gestorvenen eene zekere lichaamlijkheid
-schijnen toe te kennen. De bewoners van het doodenrijk worden juist
-zoo beschreven, als zij er op aarde hebben uitgezien. Samuel wordt
-voorgesteld als een oud man en met een mantel bekleed, 1 Sam. 28:14;
-de koningen der Heidenen zitten op tronen en gaan den koning van Babel
-tegemoet, Jes. 14:9; de Heidenen liggen er als onbesnedenen neer,
-Ezech. 31:18, 32:19v. Jezus spreekt bij de gestorvenen nog van oogen
-en vingers en tong, Luk. 16:23, 24. Paulus verwacht, dat, zoo het
-aardsche huis des tabernakels gebroken wordt, hij een gebouw van God
-hebben zal en niet ontkleed maar overkleed zal worden, 2 Cor. 5:1-4.
-En Johannes zag eene groote schare, staande voor den troon en het Lam,
-bekleed met lange, witte kleederen en met palmtakken in hunne handen,
-Openb. 6:11, 7:9. Maar 1º is uit deze spreekwijze der H. Schrift niets
-af te leiden voor de lichamelijkheid der zielen na den dood. Want zij
-kan van God en de engelen, van de zielen in het doodenrijk, van de
-vreugde in den hemel en de smart in de hel niet anders spreken dan
-in menschelijke taal, onder beelden, die aan aardsche toestanden en
-verhoudingen zijn ontleend. Maar daarnaast verklaart zij toch duidelijk
-en beslist, dat God geest is en dat de engelen geesten zijn, en geeft
-daarmede den regel aan de hand, waarnaar al deze anthropomorphe
-spreekwijzen moeten worden opgevat. En zoo doet zij ook in betrekking tot
-de gestorvenen. Zij kan van hen niet anders spreken dan als van menschen
-van vleesch en bloed, maar zegt daarnaast, dat zij, terwijl hun lichaam
-rust in het graf, zielen, geesten zijn, Pred. 12:7, Ezech. 37:5, Luk.
-23:46, Hd. 7:59, Hebr. 12:23, 1 Petr. 3:19, Op. 6:9, 20:4. Aan deze
-duidelijke uitspraken hebben wij ons te houden. Wie desniettemin aan de
-zielen een soort lichaam toeschrijft, moet er ook toe komen, om met de
-theosophen God en de engelen zich in zekeren zin lichamelijk voor te
-stellen. 2º De sterkste plaats, die voor eene Zwischenleiblichkeit
-der zielen spreekt, is 2 Cor. 5:1-4. Maar ook deze tekst verliest bij
-gezonde uitlegging al zijne bewijskracht. Want over de hoofdgedachte,
-welke Paulus hier uitspreekt, is geen verschil; de apostel weet dat
-hij, wanneer zijn aardsche lichaam ontbonden wordt, een gebouw uit God
-heeft; maar hij zucht toch en is bezwaard in dit lichaam, wijl hij opziet
-tegen den dood, en zou daarom liever wenschen, niet van dit lichaam
-ontkleed, maar in eens naar ziel en lichaam tegelijk door de hemelsche
-woonstede overkleed te worden, opdat het sterfelijke door het leven
-verslonden werd. Al is dit echter ook zijn liefste wensch, hij weet, dat
-hij na verbreking van dit aardsche lichaam, al is het ook dat hij van
-het lichaam ontkleed wordt (de lezing in vs. 3 εἰ γε και ἐκδυσαμενοι
-verdient m. i. boven εἰπερ of εἰ γε και ἐνδυσαμενοι de voorkeur),
-toch daarom niet naakt bevonden zal worden maar bij den Heere zal
-inwonen, vs. 1. 3. 8. Indien dit echter de hoofdgedachte is, dan kan
-bij de woonstede uit God niet aan het opstandingslichaam en nog veel
-minder aan een tusschenlichaam gedacht worden. Want Paulus verlangt
-juist, om zonder te sterven, terwijl hij het aardsche lichaam behoudt,
-met die woonstede uit God overkleed te worden; het opstandingslichaam
-nu staat niet naast het aardsche lichaam en wordt er niet over heen
-aangetrokken, maar komt door Gods machtwoord eruit voort of gaat er
-bij degenen, die levend overblijven, door verandering in over, 1 Cor.
-45:42, 51; en van een tusschenlichaam is er nog veel minder sprake, wijl
-Paulus dan niet minder dan drie lichamen kennen zou, die het een over
-het ander achtereenvolgens zouden worden aangetrokken. Holtzmann, Neut.
-Theol. II 199 zegt daarom terecht: von einem Zwischenleib redet man am
-besten gar nicht mehr, Paulus kennt zwei, nicht drei σωματα die echter
-dan ook niet dualistisch na en naast elkander te stellen zijn. Om deze
-reden kan de οἰκοδομη ἐκ Θεον niets anders zijn dan de als een plaats
-en tegelijk als een kleed gedachte hemelsche heerlijkheid, het eeuwige
-licht, waarin God zelf woont, 1 Tim. 6:16, hetwelk uit God, zonder
-handen gemaakt, uit en in den hemel is, en waarin de geloovigen bij het
-sterven of bij de opstanding worden overgezet, cf. Col. 1:12, Joh. 14:2,
-17:24. Eindelijk 3º is de lichaamlijkheid, welke men aan de zielen na den
-dood toeschrijft, een begrip, waarbij zich niets bepaalds laat denken en
-waarover de meeningen dan ook zeer verre uiteenloopen. Delitzsch neemt
-op zijn trichotomisch standpunt aan, dat de ziel dezen dienst van het
-tusschenlichaam voor den geest vervult. De ziel staat bij hem tusschen
-geest en stof in; zij is het uit den geest afgeleide levensbeginsel van
-het lichaam, de lichamelijke, uitwendige bekleeding van den geest en
-toch ook weer de onstoffelijke, inwendige zijde van het lichaam. Güder
-leert, dat de kracht, die ons aardsche lichaam organiseerde, behouden
-blijft en aan de overzijde des grafs uit de daar aanwezige elementen een
-nieuw lichaam vormt. Splittgeber zegt, dat de organische grondvorm van
-het lichaam met de ziel medegaat en haar in den tusschentoestand eene
-onvolkomene, voorloopige lichamelijkheid geeft. Binck is van meening,
-dat het Nervenleib, een fijn, inwendig lichaam, dat de drager van het
-zieleleven is, de ziel na den dood vergezelt en bij de wedergeborenen
-door den Geest Gods overkleed en door de bestraling van het verheerlijkt
-lichaam van Christus tot een Zwischenleib gevormd wordt, terwijl het bij
-de goddeloozen meer en meer van zonde en duisternis doortrokken wordt
-enz. Maar wat men er ook van zegge, het blijft er even onduidelijk om. Wij
-kennen niets anders dan geest en stof; eene immaterielle Leiblichkeit
-is eene tegenstrijdigheid, die ter kwader ure uit de theosophie in de
-christelijke theologie is overgebracht en het valsche dualisme van geest
-en stof, van thesis en antithesis, te vergeefs door eene ondenkbare
-synthesis tracht te verzoenen, cf. deel II 193. 537.
-
-
-10. In de derde plaats zijn er velen, die meenen, dat de zielen na den
-dood nog in eenig verband tot het aardsche leven blijven staan. Bij vele
-volken heerschte de gedachte, dat de zielen na den dood in de nabijheid
-van het graf bleven, en ook de Joden meenden, dat zij nog een tijd lang
-na het sterven om het lijk bleven zweven en verklaarden daaruit, dat de
-tooveres te Endor den geest van Samuel nog oproepen kon, Weber, Syst.
-der altsyn. pal. Theol. 324. Wijd verbreid was het gebruik, om den
-gestorvenen voedsel, wapenen, bezittingen, soms zelfs ook zijne vrouwen
-en slaven in het graf mede te geven; en gewoonlijk werd deze vereering
-der gestorvenen niet tot den dag der begrafenis of den rouwtijd beperkt,
-maar ook daarna voortgezet en in den gewonen, privaten of publieken,
-cultus opgenomen. Vereerd werden niet alleen de dooden in het algemeen,
-maar ook de gestorven bloedverwanten, de ouders en voorouders; de
-vaders en hoofden van den stam; de heroën van het volk; de vorsten
-en koningen des lands, soms reeds bij hun leven; en in het Buddhisme
-en den Islam ook de heiligen. De cultus bestond daarin, dat men hun
-graven onderhield, hun lijken verzorgde (bijv. door balseming), van tijd
-tot tijd bloemen en spijzen op hun graf nederlegde, aan hun beelden en
-reliquiën hulde bewees, maaltijden en spelen ter hunner eere aanrichtte,
-gebeden tot hen opzond en hun offeranden bracht. Tusschen de vereering
-van deze gestorven menschen en van de goden maakte men daarbij dikwerf,
-zooals in Perzië, Indië, Griekenland wel onderscheid, maar niettemin
-was de doodencultus een voornaam bestanddeel van den godsdienst. Met
-hunne vereering bedoelde men ten deele, om hun zelf ter hulpe te komen,
-maar vooral ook, om het onheil, dat zij stichten konden, af te weren
-en hun zegen en bijstand, hetzij op gewone, hetzij op buitengewone wijze,
-door orakels en wonderen, zich te verzekeren, cf. Ch. de la Saussaye,
-Lehrb. der Religionsgesch. I 79-87. Alle deze elementen drongen reeds
-van de tweede eeuw af ook in den christelijken cultus door. Gelijk in
-het Buddhisme de monniken en in den Islam de mystici, zoo werden in
-de christelijke kerk de martelaren spoedig voorwerp van godsdienstige
-vereering; op de plaats, waar zij gestorven of hunne reliquiën bijgezet
-waren, werden altaren, kapellen, kerken gebouwd; daar kwamen vooral
-op de sterfdagen (dies natales) der martelaren, de geloovigen samen,
-om hunne gedachtenis te vieren door vigiliën en psalmgezang, door
-het lezen der acta martyrum en het aanhooren van eene prediking ter
-hunner eere en vooral ook door het celebreeren der heilige eucharistie.
-En na de vierde eeuw breidde deze cultus van Maria, de engelen,
-de patriarchen, de profeten en de martelaars ook tot bisschoppen,
-monniken, kluizenaars, confessores, virgines en tot allerlei heiligen
-en tot hunne reliquiën en beelden zich uit, Schwane D. G. I 389 f.
-II 620 f.; en in weerwil van alle verzet zoowel in als buiten de
-Roomsche kerk, heeft zij zich niet alleen tot op dezen dag toe staande
-gehouden maar neemt zij nog altijd op schrikbarende wijze toe en dringt de
-aanbidding van den éénen waarachtigen God en van Jezus Christus, dien
-Hij gezonden heeft, hoe langer hoe meer op den achtergrond. Rome viert
-in dezen cultus op practische wijze de gemeenschap der heiligen. De ééne
-christelijke kerk heeft drie afdeelingen, de ecclesia triumphans in den
-hemel, de ecclesia patiens in het vagevuur, en de ecclesia militans
-op aarde. Het aandeel, dat de ecclesia patiens in deze gemeenschap
-neemt, bestaat daarin, dat de zaligen in den hemel met hunne voorbeden
-de arme zielen in het vagevuur te hulp komen; dat de kerk op aarde de
-straffen dier zielen door gebeden, aalmoezen, goede werken, aflaten
-en vooral door het misoffer verzacht en verkort; en eindelijk ook nog
-daarin, dat de zielen in het vagevuur, die in elk geval de meeste
-leden der strijdende kerk ver vooruit zijn, en daarom aangeroepen
-mogen worden, de geloovigen op aarde door hare voorbeden helpen en
-sterken. Dit laatste element, hoewel ook reeds in de gemeenschap met
-de ecclesia patiens hoe langer hoe breeder plaats innemend, vormt
-toch het hoofdbestanddeel van de gemeenschap der strijdende met de
-triumfeerende kerk. De zaligen in den hemel zijn, evenals de engelen,
-de volmaakte, bovennatuurlijke heiligheid deelachtig; en daarom zijn zij
-objecten van aanbidding en vereering. In die heiligheid deelen zij niet
-allen in dezelfde mate; evenals de engelen, vormen zij eene geestelijke
-hierarchie; bovenaan staat Maria en na haar volgen de patriarchen,
-de profeten, de apostelen, de martelaren, de confessores enz. Het is
-eene dalende reeks, maar in allen blinkt iets van de Goddelijke deugden
-uit. En daarin deelt dan ook al wat met de heiligen in eenig verband
-heeft gestaan of nog staat, hun lichaam, ledematen, kleederen, woning,
-beeltenis enz. En in dezelfde mate, als iets dichter bij God staat en
-meer zijne heiligheid deelachtig is, is het voorwerp van godsdienstige
-vereering. Ook in deze is er dus allerlei verschil. Er is latria, die
-alleen Gode toekomt; de menschelijke natuur van Christus en al hare
-leden, bijv. het heilige hart, is wel niet per se en propter se maar
-toch in se voorwerp van latria; Maria heeft aanspraak op hyperdulia; de
-heiligen op dulia; hun reliquien op cultus religiosus relativus enz.;
-tot sunt species adorationis, quot sunt species excellentiae, adoratio
-est diversa pro diversitate excellentiae, deel II 451v. III 262. 300.
-De vereering der heiligen bestaat over het algemeen in gebeden, vasten,
-waken, feestdagen, gaven, bedevaarten, processies enz., en heeft ten
-doel, om door hunne voorbeden de gunst van God te verwerven en een of
-andere weldaad van Hem te verkrijgen. Maar deze vereering en voorbede is
-niet alleen generaal, doch ook particulier; er zijn bepaalde heiligen
-voor bepaalde volken, familiën, personen, en er zijn bijzondere heiligen
-voor de onderscheidene nooden en behoeften. De heilige George is de
-schutspatroon van Engeland, Jakobus van Spanje, Stephanus van Hongarije;
-de schilders vereeren den heiligen Lukas, de timmerlieden Jozef, de
-schoenmakers Crispinus; de heilige Sebastiaan helpt vooral in pest,
-Ottilia bij oogziekte, Antonius, in geval men iets verloren heeft;
-zelfs dieren hebben hun beschermheilige, de ganzen worden bijzonder
-door den heiligen Gallus en de schapen door den heiligen Wendelinus
-bewaard enz. Cf. Trid. sess. 25 en andere kerkelijke bepalingen bij
-Denzinger 243. 273. 866 enz. Catech. Rom. III 2 qu. 4-14. Hieronymus,
-Contra Vigilantium bij Migne XXXIII 339-452. Damascenus, de imaginibus,
-Id. de fide orthod. IV 15. 16. Lombardus e. a. op Sent. IV dist. 45.
-Thomas, S. Theol. II 2 qu. 83 art. 11. Suppl. qu. 71. 72. Bellarminus,
-de ecclesia triumphante sive de gloria et cultu sanctorum, Controv.
-II 269-368. Oswald, Eschatologie² 121-233. Atzberger, Die christl.
-Eschatol. 263-269 enz. Vele van deze voorstellingen zijn telkens ook in
-de Protestantsche theologie teruggekeerd. De Lutherschen gaven toe, dat
-de engelen en ook de heiligen bidden pro ecclesia universa in genere,
-Apol. conf. 21. Art. Smalc. II 2. Evenals Hugo Grotius reeds vroeger
-in zijn Votum pro pace de aanroeping der heiligen verdedigd had, zoo
-nam Leibniz later deze en zelfs de vereering van beelden en reliquiën
-in bescherming, Syst. der Theol. 1825 S. 116-195. Het ritualisme in
-Engeland gaat denzelfden kant uit, Ryle, Knots united p. 491 etc. Vele
-theologen nemen aan, dat er na den dood een zeker verband tusschen de
-ziel en het lichaam blijft bestaan, Beck, Seelenlehre 40 f. Delitzsch,
-Bibl. Psych. 444 f., dat de zielen nog eenig verkeer met de aarde
-onderhouden, van de gewichtigste gebeurtenissen kennis dragen, voor ons
-bidden en zegenend op ons nederzien, Splittgerber, Tod, Fortleben und
-Auferstehung 157 f. In de vorige eeuw meenden velen, zooals Swedenborg,
-Jung-Stilling, Oberlin in direct verkeer met de afgestorven geesten te
-staan, cf. vooral J. C. Wötzel, Meiner Gattin wirkliche Erscheinung
-nach ihrem Tode, Chemnitz 1804. De mogelijkheid van hunne verschijningen
-werd en wordt nog door velen erkend, zooals door Kant, Träume eines
-Geistersehers, Lessing, Dramaturgie, J. H. Fichte, Anthropologie,
-Jung-Stilling, Theorie der Geisterkunde 1808. Kerner, Die Seherin von
-Prevorst 1829. Eschenmayer, Das Mysterium des inneren Lebens, erläutert
-aus der Gesch. der Seherin van Prevorst 1830. Daarbij is sedert 1848 het
-spiritisme gekomen, dat zich opzettelijk in rapport met de geestenwereld
-tracht te stellen en werkelijke openbaringen (door teekens, slagen,
-schrift, psychographie), werkingen (opheffen en verplaatsen van
-meubels, ontbinden van knoopen, bespelen van muziekinstrumenten) en
-verschijningen (materialisaties) van geesten meent ontvangen te hebben.
-Van de rijke litteratuur van het spiritisme zij alleen genoemd het werk
-van den Russischen staatsraad Alexander Atsakow, dat al het materiaal
-bevat en getiteld is: Animismus und Spiritismus 2 B{de}, Leipzig Mutze
-1894.
-
-Om nu met het laatste te beginnen, verdient het 1º de aandacht, dat
-bijgeloovige practijken bij alle volken voorkomen, ook bij die, met
-welke Israel in aanraking kwam, zooals de Egyptenaren, Gen. 41:8,
-Ex. 7:11, de Kananieten, Deut. 18:9, 14, de Babyloniërs, Dan. 1:20,
-2:2 enz. Ook onder Israel drongen ze door en werden menigmaal druk
-beoefend, 1 Sam. 28:9, 2 Kon. 21:6, Jes. 2:6. Tot deze practijken
-behoorde ook het vragen der dooden, en zij, die zich daarmede bezig
-hielden, heetten אֹבוֹת of יִדְּעֹנִים. Het woord אוב geeft eerst
-te kennen den waarzeggenden geest, die in iemand woont, Lev. 20:27,
-dien iemand bezit, 1 Sam. 28:7, 8, die door iemand ondervraagd wordt,
-1 Sam. 28:8, door wien iemand een doode doet opkomen, 1 Sam. 28:9,
-en die, gelijk men zich van de dooden voorstelde, op fluisterende,
-geheimzinnige wijze orakels verkondigt, Jes. 8:19, 19:3, 29:4; en duidt
-dan vervolgens den waarzegger zelven aan, 1 Sam. 28:3, 9, 2 Kon. 21:6,
-2 Chron. 33:6, LXX ἐγγαστρομυθος, buikspreker. Het andere woord,
-ידענים, wetenden, wijzen, is maar eene nadere bepaling van אֹבוֹת en
-duidde eerst de waarzeggende personen aan en daarna den waarzeggenden
-geest, die in hen was, Lev. 19:31, 20:6, 27, Jes. 19:3. Dit waarzeggen
-kon geschieden op velerlei wijze, maar o. a. ook door het vragen van
-dooden, Deut. 18:11, cf. Stade, Gesch. des Volkes Israel I 443 f.
-505. Schwally, Das Leben nach dem Tode 69 f. Maar wet en profetie
-verklaarden zich daar beslist tegen, en riepen het volk tot den Heere,
-tot zijn openbaring en getuigenis terug, Ex. 22:18, Lev. 19:26, 31,
-20:6, 27, Deut. 18:11, 1 Sam. 28:19, Jes. 8:19, 47:9-15, Jer. 27:9,
-29:8, Micha 3:7, 5:11, Neh. 3:4, Mal. 3:5; en het Nieuwe Testament
-drukt daarop zijn zegel, Luk. 16:29, Hd. 8:9v., 13:6v., 19:13v., Gal.
-5:20, Ef. 5:11, Op. 9:21, 21:8, 22:15. Zelfs is het 2º onbewijsbaar,
-dat de H. Schrift de mogelijkheid van het oproepen en verschijnen der
-gestorvenen aanneemt. Wel hebben er soms door Gods wondere macht
-doodenopwekkingen plaats, en erkent de Schrift daemonische krachten
-en werkingen, die menschelijk vermogen te boven gaan, Deut. 13:1,
-2, Mt. 24:24, 2 Thess. 2:9, Op. 13:13-15. Maar nergens leert zij de
-mogelijkheid of de werkelijkheid van eene doodenverschijning. De eenige
-plaats, welke hiertegen aangevoerd kan worden, is 1 Sam. 28, waar
-Saul tot de tooveres te Endor de toevlucht neemt; want de verschijning
-van Mozes en Elia met Christus op den berg der verheerlijking Mt. 17,
-Luk. 9, is zonder menschelijke bemiddeling door God alleen bewerkt.
-Maar al is de rationalistische verklaring te verwerpen, welke in deze
-geschiedenis niets anders ziet dan eene opzettelijke bedriegerij van de
-vrouw; eene objectieve, reëele verschijning van Samuel is evenmin aan
-te nemen. Want Saul ziet Samuel niet, vs. 14; de vrouw ziet hem wel
-maar verkeert in hypnotischen toestand, vs. 12, en zij ziet hem, gelijk
-hij er bij zijn leven uitzag, als een oud man en in een profetenmantel
-gehuld, vs. 14. De schrik der vrouw, vs. 12, had dan ook zijne oorzaak
-niet daarin, dat zij tegen hare verwachting in Samuel werkelijk zag,
-maar hierin, dat zij, Samuel ziende, in haar hypnotischen toestand ook
-terstond Saul den koning herkende en voor hem vreesde. Nadat Saul onder
-den indruk gebracht is, dat een onderaardsch, geestelijk wezen, אלהים,
-uit de aarde opgekomen en Samuel zelf verschenen was, spreekt deze uit
-en door de vrouw tot Saul en kondigt hem het oordeel aan. Er is niets
-in 1 Sam. 28, wat boven de bekende verschijnselen van hypnotisme en
-somnambulisme uitgaat en niet op dezelfde wijze te verklaren is. 3º Daar
-zijn er echter velen, die juist uit de verschijnselen van hypnotisme,
-somnambulisme, spiritisme enz. tot de werking van geesten meenen te
-moeten besluiten. Maar deze hypothese schijnt vooralsnog volstrekt
-niet gerechtvaardigd. Afgedacht van de vele bedriegerijen, die op dit
-gebied hebben plaats gehad, is hetgeen van verschijning en werking der
-geesten verhaald wordt zoo kinderachtig en nietsbeteekenend, dat de
-bemoeienis der geestenwereld er volstrekt niet voor aangenomen behoeft
-te worden. Daarmede wordt niet ontkend, dat er allerlei verschijnselen
-zich voordoen, die nog niet verklaard zijn; maar deze zijn alle van
-dien aard (zooals bijv. het plotseling kennen en spreken van vreemde
-talen, clairvoyance, hypnose, suggestie, secondsight, voorgevoel,
-wetenschap van hetgeen op hetzelfde oogenblik elders gebeurt,
-telepathie enz.), dat zij door de hypothese der geestenverschijning
-hoegenaamd niet duidelijker worden. Wanneer wij daarbij nog bedenken,
-dat de mensch bij zijne waarnemingen gebonden is aan en beperkt is
-binnen een bepaald aantal aethertrillingen, zoodat eenige wijziging
-daarin hem een gansch ander beeld der wereld zou vertoonen en hij zelf
-een diep en rijk zieleleven bezit, dat in het zelfbewustzijn maar zeer
-ten deele tot verschijning komt, cf. mijne Beginselen der Psychologie
-70v. 78v.; dan ligt er binnen de grenzen van het Diesseits voor het
-occultisme nog zulk een uitgestrekt terrein open, dat wij vooreerst tot
-de inwerking der geestenwereld nog geen toevlucht behoeven te nemen.
-Cf. Kirchner, Der Spiritismus, die Narrheit unseres Zeitalters, Berlin
-Habel 1883. Ed. v. Hartmann, Der Spiritismus, Leipzig Friedrich 1885.
-Id. Die Geisterhypothese des Spiritismus und seine Phantome, ib. 1891.
-Voorts gaat 4º heel de Schrift van de gedachte uit, dat de dood eene
-totale breuke is met het leven aan deze zijde des grafs. Wel behouden
-de gestorvenen herinnering aan hetgeen hier op aarde met hen gebeurd
-is. De rijke man en de arme Lazarus weten, wie en wat zij hier geweest
-zijn en in welke omgeving zij geleefd hebben, Luk. 16. In het laatste
-gericht zijn de menschen zich bewust van wat zij op aarde gedaan hebben,
-Mt. 7:22. De werken volgen hen na, die in den Heere gestorven zijn, Op.
-14:13. Wat wij hier op aarde gedaan hebben, wordt ons zedelijk eigendom
-en gaat met ons mede in den dood. Ook is er geen twijfel aan, dat de
-gestorvenen herkennen, die zij op aarde gekend hebben; de onderaardsche
-bewoners begroeten spottend den koning van Babel, Jes. 14; de machtige
-helden spreken uit het midden van den Scheol Egypte’s vorst en volk
-toe, Ezech. 32; de rijke man kent Lazarus, Luk. 16. De vrienden, die wij
-hier door weldoen ons verwerven, ontvangen ons eens met vreugde in de
-eeuwige tabernakelen, Luk. 16:9. Maar overigens stelt de Schrift het
-altijd zoo voor, dat de gemeenschap met deze aarde bij den dood totaal
-verbroken wordt. De gestorvenen hebben geen deel meer in alles, wat
-onder de zon geschiedt, Pred. 9:5, 6, 10. Of hunne kinderen tot eere
-komen of in armoede vervallen, zij weten het niet, Job 14:21. Abraham
-weet niet van de kinderen Israels en Jakob kent hen niet, en daarom
-roepen zij tot den Heere, die immers hun Vader is, Jes. 63:16. Van een
-verkeer der gestorvenen met de levenden is nergens sprake; zij behooren
-tot een ander rijk, dat van de aarde totaal gescheiden is. Ook Hebr.
-11:1 leert niet, dat de wolke van getuigen ons ziet en gadeslaat in
-onzen strijd. Want de μαρτυρες daar zijn geen ooggetuigen van onzen strijd
-maar geloofsgetuigen, die dienen tot onze bemoediging. 5º Daarom is er
-ook voor aanroeping en vereering der heiligen geen plaats. Op zichzelf
-is er niets vreemds of onbehoorlijks in de gedachte, dat engelen en
-zaligen voor de menschen op aarde voorbede doen; eene belangstelling
-in de geschiedenis der strijdende kerk, eene generale voorbede werd ook
-menigmaal door de Protestanten wel aangenomen. Maar des te opmerkelijker
-is het, dat de Schrift, die van voorbede der menschen op aarde zoo
-dikwerf gewag maakt en ze bepaald aanbeveelt en voorschrijft, Mt. 6:9v.,
-Rom. 15:30, Ef. 6:18, 19, Col. 1:2, 3, 1 Tim. 2:2, en bovendien leert,
-dat God anderen dikwerf spaart om der uitverkorenen wil en op hunne
-voorbede, Gen. 18:23v., Ex. 32:11v., Num. 14:13v., Ezech. 14:14, 20,
-Mt. 24:22 enz., van eene voorbede der engelen en der zaligen voor de
-op aarde levenden nooit met een enkel woord spreekt. Ten aanzien van
-de voorbede der engelen is dit reeds vroeger bewezen, deel II 449v.,
-en van de voorbede der zaligen geven de Roomschen het zelven toe, dat
-zij in de Schrift niet voorkomt, cf. bijv. Oswald, Eschatologie² 132;
-alleen 2 Makk. 15:12-14 maakt melding van een voorbede van Onias en
-Jeremia voor hun volk in een droomgezicht aan Judas en bewijst alleen,
-dat de Joden in dien tijd van de voorbede der zalige afgestorvenen
-overtuigd waren. 6º Nog minder grond is er voor de aanroeping en
-vereering der heiligen. De H. Schrift zegt wel, dat de geloovigen
-op aarde elkanders voorbede mogen inroepen, Num. 21:7, Jer. 42:2, 1
-Thess. 5:25, maar gewaagt nergens van een verzoek tot de afgestorvenen
-om hunne voorbede; en engelen en menschen weren uitdrukkelijk alle
-godsdienstige vereering van zich af, die alleen Gode toekomt, Deut.
-6:13, 10:20, Mt. 4:10, Hd. 14:10, Col. 2:18, 19, Op. 19:10, 22:9,
-cf. deel II 451v. Ook van de vereering der reliquiën is geen sprake;
-al verricht God er soms wonderen door, 2 Kon. 13:21, Mt. 9:21, Luk.
-6:19, Hd. 5:15, 19:12, zij mogen niet zijn voorwerp van vereering,
-Deut. 34:6, 2 Kon. 18:4, 2 Cor. 5:16. Oswald t. a. p. 143 rekent de
-invocatie en veneratie der heiligen dan ook tot de Traditionsdogmen.
-Ook al wordt eene generale voorbede der heiligen voor de geloovigen
-op aarde toegegeven, dan volgt daaruit nog in het minst niet, dat zij
-daartoe mogen aangeroepen en vereerd worden. Want wel is een verzoek
-om iemands voorbede op zichzelf volstrekt niet ongeoorloofd, en heeft
-dan ook telkens onder de geloovigen plaats. Maar zulk een verzoek
-onderstelt steeds een of ander middel van verkeer, en moet mondeling of
-schriftelijk kunnen worden overgebracht. En dat juist ontbreekt hier en
-is ook met de leer der Schrift over den toestand der afgestorvenen in
-lijnrechten strijd. Rome durft daarom ook niet zeggen, dat de aanroeping
-en vereering der heiligen geboden en noodzakelijk is, maar spreekt
-alleen uit, bonum atque utile esse, suppliciter eos invocare, Trid.
-sess. 25. De theologie weet hoegenaamd niet duidelijk te maken, hoe de
-heiligen van onze gebeden kennis bekomen, en draagt allerlei gissingen
-voor. Sommigen meenen, dat zij hun door de engelen, die hier telkens
-op aarde komen, worden medegedeeld, of dat de heiligen evenals de
-engelen zich wondersnel verplaatsen kunnen en quodam modo ubique zijn;
-anderen zijn van oordeel, dat de heiligen door God zelven van den inhoud
-onzer gebeden in kennis worden gesteld, of alle dingen, die zij noodig
-hebben te weten, in het Goddelijk bewustzijn aanschouwen; en ook zijn er,
-die zeggen, dat het niet noodig is, dat zij alles weten, mits zij maar
-gansch in het algemeen van onze behoeften kennis dragen, of ook, dat
-wij over de wijze, waarop zij van onze gebeden kennis bekomen, ons niet
-hebben te bekommeren, Thomas S. Theol. II 2 qu. 83 art. 4. Suppl. qu.
-72 art. 1. Oswald, Eschatologie² 139. Daarbij komt nog, dat de Roomschen
-volstrekt niet met zekerheid weten, wie van de afgestorvenen in den
-hemel zijn en tot de volmaakte heiligen behooren. De vromen des O. T.
-verkeerden eerst in den limbus patrum en werden wel door Christus in
-den hemel overgebracht, maar staan toch te ver van ons af, om veel
-door ons te worden aangeroepen, Oswald t. a. p. 132. 167. Van enkele
-vromen in het N. T., zooals Maria, de apostelen, en ook van de latere
-martelaren neemt Rome wel aan, dat zij in den hemel zijn opgenomen. Maar
-dat zijn enkelen, en vergissing is hierbij niet uitgesloten. In vroegere
-tijden was het de stem des volks, die aan een gestorvene het praedicaat
-der heiligheid toekende; en daarbij kwam het voor, dat mannen, die
-dit praedicaat bezaten, het weder verloren, gelijk bijv. Clemens
-Alexandrinus door Benedictus XIV. Om deze dwalingen te voorkomen, is
-daarom sedert Alexander III en Innocentius III de kerkelijke verklaring
-van iemands heiligheid, dat is de canonisatie, een recht geworden van
-den apostolischen stoel. Echter is het hierbij wederom eene vraag, of
-de paus in deze canonisatie onfeilbaar is al dan niet. En al moge
-dit ook het geval zijn, uit den aard der zaak maakt de paus er een
-spaarzaam gebruik van. Verreweg de meeste heiligen worden aangeroepen
-en vereerd, zonder dat men nauwkeurig weet, of zij in den hemel dan
-wel in het vagevuur vertoeven. Men moet zich daarom met eene zedelijke
-overtuiging tevreden stellen, voorts bedenken, dat eene mogelijke
-vergissing geen schadelijke gevolgen meebrengt, en veiligheidshalve de
-aanroeping ook maar tot de „arme zielen” in het vagevuur uitstrekken,
-gelijk in de practijk steeds meer en meer geschiedt, Oswald t. a. p. 148.
-164. De aanroeping der heiligen is 7º bij Rome volstrekt niet alleen
-meer een verzoek om hunne voorbede (ora pro nobis), maar is allengs
-overgegaan in eene adoratie en veneratie; de heiligen zijn object van
-een cultus religiosus, zij het ook, dat deze geen latria maar dulia
-heet. Nu is er geen twijfel aan, dat wij aan de engelen en zaligen
-eerbiedige hulde zouden moeten bewijzen, indien wij hen ontmoetten en
-eenig verkeer met hen hadden, deel II 455. Maar juist dit laatste komt
-niet voor. En daarom loopt alle aanroeping der engelen en der zaligen
-op eene godsdienstige vereering uit, die door den naam van dulia niet
-goedgemaakt wordt, ib. 451v. Op den weg, dien Rome met deze vereering
-van het schepsel bewandelt, is er geen stilstand. De heiligheid wordt
-door Rome gedacht als een donum superadditum, als iets substantieels,
-dat aan alle schepselen in verschillende mate kan meegedeeld worden,
-en in diezelfde mate dan godsdienstig vereerd mag worden. Voorzoover
-een persoon of zaak deel hebben aan de Goddelijke heiligheid, hebben
-zij aanspraak op een cultus religiosus. Allereerst deelen daarin dus
-Maria, de apostelen, de martelaren, de heiligen, maar voorts allen
-en alles, wat met dezen in aanraking geweest is of nog met hen in
-betrekking staat, dus ook reliquiën, beelden, woonplaatsen enz. Naar
-dit beginsel kan alle schepsel godsdienstig vereerd worden, quod et
-quatenus respectum habeat ad Deum, tot zelfs de handen der soldaten,
-die Jezus grepen, en de lippen van Judas, die hem kusten, toe,
-Voetius, Disp. III 880. 896. In elk geval is niet in te zien, waarom
-de heiligen, die op aarde zijn, niet reeds door de Roomsche Christenen
-aangeroepen en vereerd worden, en onder hen dan vooral de paus, die de
-heilige bij uitnemendheid is. Es spricht an sich nichts dagegen, dass
-auch die Heiligkeit auf Erden religiös veneriert werde. Wäre man also
-von der Gottseligkeit einer Person vollkommen überzeugt, so durfte
-sie an sich wohl eine Verehrung geniessen, wie sie den Heiligen im
-Himmel zukommt. In einzelnen Fällen mag es privatim geschehen sein und
-geschieht vielleicht noch, Oswald t. a. p. 157. Wat er door Oswald nog
-tegen aangevoerd wordt, is aan de utiliteit ontleend en doet zien, dat
-de vereering der levende heiligen, bepaaldelijk van den paus, bij Rome
-slechts eene quaestie is van tijd. De gemeenschap der heiligen ontaardt
-in eene onderlinge veneratie, die den middelaar Gods en der menschen op
-den achtergrond dringt.
-
-
-11. Tot dusverre was er alleen sprake van, of de afgestorvenen nog in
-eenig rechtstreeksch verkeer met de aarde staan; thans komt de vraag
-aan de orde, of de H. Schrift ons iets leert van de nieuwe verhoudingen
-en toestanden, in welke de gestorvenen zich bevinden aan gene zijde des
-grafs. Veel is het niet, wat de Schrift ons daarover bericht. Toch
-zijn reeds in het Oude Test. de lijnen aanwezig, die doorgetrokken,
-leiden tot een onderscheid in den toestand van rechtvaardigen en
-goddeloozen na den dood. De vreeze des Heeren is de weg ten leven,
-maar de goddeloozen komen om en nemen een einde, boven bl. 369. En
-volgens het Nieuwe Test. komt de rijke man terstond in eene plaats der
-pijniging, welke echter nog niet met de gehenna of den abyssus identisch
-is. Waar deze plaats te zoeken is, wordt in de Schrift niet vermeld.
-Wel wordt de scheol, de hades, de gehenna, de abyssus altijd voorgesteld
-als beneden ons zich bevindende. Maar dit kan en mag toch niet in
-topographischen zin worden verstaan. Want de begrippen boven en beneden
-zijn, locaal genomen, zeer relatief en hebben in dit verband slechts
-eene ethische beteekenis; wij plaatsen het rijk der duisternis vanzelf
-lijnrecht tegenover dat des lichts en zoeken volgens eene natuurlijke
-symboliek het eerste beneden en het tweede boven ons. Alle bepaling
-van de strafplaats der gestorvenen, in de aarde, onder de aarde, in
-de zee, in de zon, in de lucht of op eene der planeten is niets meer
-dan eene gissing. Alleen kan gezegd worden, dat het Jenseits niet
-alleen een toestand maar ook eene plaats is, want zielen mogen niet
-circumscriptive in tijd en ruimte zijn, zij zijn toch nog veel minder
-eeuwig en alomtegenwoordig en moeten ergens zijn en ook eene successie
-van tijdsmomenten hebben. Overigens is het meer in overeenstemming met
-de weinige gegevens, welke de Schrift ons biedt, om van alle bepaling
-van de strafplaats der dooden af te zien; μη ζητωμεν που ἐστι, ἀλλα πως
-αὐτην φυγοιμεν (Chrysostomus). Even weinig weten wij van den toestand
-af, waarin de ongeloovigen en goddeloozen zich bevinden na den dood
-tot het laatste gericht toe. Alleen kunnen wij met zekerheid zeggen,
-dat, wanneer de toorn Gods hier reeds op de ongeloovigen blijft, deze
-na den dood terstond veel zwaarder moet gevoeld worden, wijl alle
-afleiding van het aardsche leven ontbreekt en het naakte bestaan met
-niets dan het bewustzijn en het gevoel van dien toorn gevuld wordt. De
-vraag is echter opgeworpen, of er voor dezulken, die hier op aarde
-het evangelie niet of slechts zeer gebrekkig hebben gehoord, aan de
-overzijde des grafs nog niet eene gelegenheid zal bestaan, om zich te
-bekeeren en te gelooven in Christus. De eersten, die in de christelijke
-kerk daarop een toestemmend antwoord gaven, waren Clemens, Strom. VI
-6 en Origenes, c. Cels. II 44. Zij leidden uit 1 Petr. 3:18, 19 af,
-dat Christus en ook de apostelen aan de gestorvenen in den hades, die
-er vatbaar voor waren, het evangelie hadden verkondigd. Hoewel dit
-gevoelen nu door Augustinus, de haeresi c. 79 en anderen weerlegd en
-de nederdaling van Christus ter helle gewoonlijk anders opgevat werd,
-deel III 378v., keerde het toch telkens terug en vond het vooral in
-deze eeuw, waarin men een helder besef kreeg van de groote menigte
-en de snelle uitbreiding der niet-Christenen, bij zeer velen ingang,
-boven bl. 382. Inderdaad is het een feit van de grootste beteekenis,
-dat er millioenen menschen geweest zijn en nog zijn, die van den weg der
-zaligheid in Christus nooit eenige kennis hebben gedragen en dus ook
-nooit in de gelegenheid zijn gesteld, om Hem met een geloovig hart aan
-te nemen of met beslistheid van wil te verwerpen. Tot de ongeloovigen
-in engeren zin zijn dezen niet te rekenen, en de Schrift zegt zelve, dat
-zij naar een anderen maatstaf beoordeeld worden dan Joden en Christenen,
-Mt. 10:15, 11:20-24, Luk. 10:12-25, 12:47, 48, Joh. 15:22, 24, Rom.
-2:12, 2 Petr. 2:20-22.
-
-Toch volgt daaruit in het minst niet, dat er ook eene prediking des
-evangelies is of moet zijn aan de overzijde des grafs. Want 1º de
-Schrift spreekt daarvan met geen enkel woord. Vele plaatsen, die er
-wel eens voor bijgebracht zijn, zooals Mt. 12:40, Joh. 20:17, Hd. 2:24,
-27, 31, 13:29, 30, 34-37, 1 Tim. 3:16, hebben niet de minste kracht
-van bewijs en handelen volstrekt niet van eene prediking van Christus
-in de hel. Ook Ezech. 16:53-63 opent hierop geen uitzicht; er wordt
-daar door den Heere beloofd, dat Hij Jeruzalem, in weerwil van de
-gruwelen, die zij bedreven heeft en die erger zijn dan die van hare
-zusters, Sodom en Samaria, toch in het einde weder herstellen en in
-genade aannemen zal. Om echter alle valsch vertrouwen op Gods belofte
-en alle zelfverheffing bij Israel weg te nemen, wordt er bijgevoegd,
-dat de Heere niet alleen de gevangenis van Jeruzalem maar ook die
-van Sodom en Samaria wenden zal, vs. 53, zoodat ook deze terugkeeren
-zullen tot haren vorigen staat. Hieruit hebben sommigen besloten tot
-eene mogelijkheid van bekeering in den tusschentoestand; want Sodom
-en hare zusteren, d. i. de andere steden in het Siddimdal, waren in
-Ezechiels dagen allen reeds lang verdelgd en konden dus niet in haren
-vorigen staat hersteld en door God in genade aangenomen worden, indien
-hare vroegere inwoners niet in den scheol door de prediking van
-het woord Gods tot bekeering kwamen. Maar deze gedachte ligt verre
-buiten den tekst. De Heere belooft hier alleen, dat Hij Jeruzalem in
-weerwil van haar hoererij toch weer in genade aannemen zal; en dat
-niet alleen, maar ook Sodom en Samaria, die bepaald, blijkens vs. 61,
-typen zijn van al de heidensche volken, zullen in haar vorigen staat
-worden hersteld, d. w. z. de toekomst zal deze zijn, dat Jeruzalem
-hersteld en de heidensche steden haar onderworpen zullen wezen. Van
-eene prediking en bekeering in den Scheol en van eene opstanding en
-terugkeer der vroegere bewoners is geen sprake. 2º De eenige plaatsen,
-waarop men zich voor eene prediking van het evangelie in den hades
-met schijn van recht beroepen kan, zijn 1 Petr. 3:19-21 en 4:6. Maar
-ook deze teksten bevatten niet, wat men er in lezen wil. Ook al zou
-daar sprake zijn van eene prediking, welke Christus na zijne opstanding
-tot de tijdgenooten van Noach in den hades hield, dan zou alleen dit
-feit daarmede vaststaan maar geenszins recht geven tot de leer, dat er
-in den hades eene voortdurende verkondiging van het evangelie plaats
-had aan allen, die het op aarde niet hebben gehoord. Want immers de
-tijdgenooten van Noach waren juist niet zoodanige menschen, die het
-woord Gods nooit tijdens hun leven op aarde hadden gehoord; zij hadden
-het woord van Noach, den prediker der gerechtigheid, in moedwillige
-boosheid versmaad en waren der stemme des Heeren in volle bewustheid
-ongehoorzaam geweest. Met hen was het dus een gansch bijzonder geval,
-dat tot geen verdere conclusiën recht geeft; de aoristus ἐκηρυξεν wijst
-ook aan, dat deze prediking door Christus maar eenmaal is geschied.
-Voorts kan deze prediking geen verkondiging van het evangelie tot
-zaligheid zijn geweest, want als men bedenkt, hoe streng de Schrift
-steeds over alle goddeloozen oordeelt en hoe zij het geslacht der
-menschen tijdens Noach altijd beschrijft als overgegeven tot alle boosheid
-en ongerechtigheid, dan wordt de gedachte ongerijmd, dat Christus
-juist aan hen in onderscheiding van zoovele anderen het evangelie
-der zaligheid zou hebben verkondigd. Hoogstens kan er dan sprake zijn
-van eene plechtige bekendmaking van zijn triumf aan de bewoners der
-onderwereld, gelijk de oude Lutherschen den tekst verklaarden. Bovendien
-is er aan zulk eene voortdurende prediking van het evangelie in den
-hades allerlei moeilijkheid verbonden. Volgens 1 Petr. 3:18, 19 heeft
-Christus, bepaaldelijk nadat Hij levendgemaakt en opgestaan was, die
-prediking gehouden. Is Hij dan met zijn lichaam plaatselijk naar den hades
-gegaan? Wanneer heeft Hij dat gedaan? Hoelang heeft Hij er vertoefd? En
-laat dit alles nu mogelijk zijn, hoe onwaarschijnlijk het op zichzelf al
-zij, wie brengt die prediking dan in den hades na dien tijd en nu altijd
-door? Is er dan ook eene kerk in de onderwereld? Is daar eene zending,
-eene roeping, eene ordening? Zijn het menschen of engelen, zijn het de
-apostelen of andere dienaren des woords, die na hun dood daar het
-evangelie verkondigen? De leer van eene Missionsanstalt in den hades
-komt op allerlei manier met de Schrift in strijd. Maar zij vindt ook,
-gelijk vroeger reeds werd aangetoond, deel III 422 cf. 379, in 1 Petr.
-3:18-22 hoegenaamd geen steun. Daar wordt alleen gezegd, dat Christus,
-na zijne opstanding, levendgemaakt zijnde als Geest, naar den hemel is
-gegaan en door deze zijne hemelvaart aan de geesten in de gevangenis
-gepredikt en de engelen, machten en krachten aan zich onderdanig
-gemaakt heeft. Evenmin is er in 1 Petr. 4:6 van zulk eene prediking
-des evangelies in den hades sprake. Reeds de aoristus εὐηγγελισθη doet
-denken, niet aan eene voortdurende prediking maar aan een bepaald feit.
-Die verkondiging van het evangelie had eenmaal plaats, en wel met het
-doel, dat zij, die haar hoorden, naar der menschen wijze in het vleesch
-geoordeeld zouden worden, d. i. sterven zouden, maar naar de wijze Gods
-in den geest leven zouden. De prediking van het evangelie ging dus aan
-het sterven vooraf; de νεκροι zijn zij, die nu dood zijn, maar die bij hun
-leven het evangelie hoorden. De reden, waarom Petrus deze menschen
-νεκροι noemt, ligt in het voorgaande vers. Daar werd gezegd, dat
-Christus gereed staat, om te oordeelen de levenden en de dooden. Welnu,
-evenals aan de levenden thans, zoo werd vroeger aan hen, die thans dood
-zijn, het evangelie verkondigd, opdat zij, ja nog wel sterven zouden in
-het vleesch, maar toch nu reeds in den geest bij God leven zouden. 3º
-Met deze bezwaren, aan de Schrift ontleend, valt reeds geheel de leer
-van de prediking van het evangelie in den tusschentoestand. Want indien
-de Schrift ze niet behelst, staat het der christelijke theologie niet
-vrij, haar desniettemin voor te dragen. Maar er zijn toch ook nog vele
-andere bedenkingen. Aangenomen, dat het evangelie in den hades nog
-gepredikt wordt, gaat die prediking uit tot allen zonder onderscheid?
-Gewoonlijk zegt men van neen en laat het alleen brengen tot diegenen,
-die het hier op aarde niet leerden kennen. Dit is nu niet alleen met
-hunne exegese van 1 Petr. 3:18-22 in strijd, want _indien_ daar sprake
-is van eene evangelieprediking van Christus in den hades, dan heeft
-deze daar juist plaats tot zulken, die het evangelie door Noach wel
-hadden gehoord, maar ook doet het dan vanzelf de vraag oprijzen, of
-het leven hier op aarde voor die prediking van het evangelie in den
-hades totaal onverschillig is. Ook hierop durft men begrijpelijkerwijze
-in den regel geen ontkennend antwoord geven, want dan ware dit leven
-geheel zonder waarde of beteekenis. Daarom zegt men gewoonlijk met
-Clemens en Origenes, dat het evangelie in den tusschentoestand alleen
-gebracht wordt aan zulken, die vatbaar voor bekeering zijn, die zich
-hier op aarde door hunne houding tegenover de vocatio realis voor het
-geloovig aannemen van het evangelie hebben geprepareerd, cf. bijv. ook
-Ebrard, Dogm. § 576. Feitelijk wordt daarmede het zwaartepunt toch weer
-in dit leven verlegd en brengt de evangelieverkondiging in den hades
-slechts aan het licht, wat hier op aarde reeds in de harten verborgen
-was. Dat is, de beslissing over zaligheid en verderf staat niet bij
-het evangelie maar bij de vocatio realis, bij de wet. En dit is in het
-wezen der zaak hetzelfde gevoelen, dat ook door de Pelagianen, de
-Socinianen, de Deïsten enz. omhelsd werd, n.l. dat er drie wegen tot
-de zaligheid zijn, de lex naturae, de lex Mosaica en de lex Christi. 4º
-Daarbij komt nog, dat de leer van eene evangelieprediking in den hades
-van allerlei onjuiste onderstellingen uitgaat. Er ligt n.l. aan ten
-grondslag, dat het Gods bedoeling is, om alle menschen te zaligen;
-dat de prediking van het evangelie volstrekt universeel moet zijn; dat
-alle menschen persoonlijk en individueel voor de keuze vóór of tegen
-het evangelie moeten geplaatst worden; dat de beslissing bij die keuze
-staat in de macht van den mensch; dat erf- en dadelijke zonden niet
-genoegzaam zijn om te verdoemen maar dat alleen het besliste ongeloof
-ten opzichte van het evangelie het eeuwig verderf waardig maakt enz. Al
-deze onderstellingen zijn in strijd met besliste uitspraken der Schrift
-en maken de leer van de evangelieprediking in den tusschentoestand
-onaannemelijk. En als dan ten slotte gevraagd wordt, of het niet hard
-is te gelooven, dat allen, die hier op aarde geheel buiten hun
-schuld het evangelie niet hoorden, verloren gaan, dan dient daarop
-ten antwoord: _a._ dat in deze hoogernstige zaak niet ons gevoel maar
-Gods woord beslist; _b._ dat de leer van eene evangelieprediking aan
-de gestorvenen deze hardheid in het minst niet verzacht, wijl zij alleen
-ten goede komt aan hen, die zich hier op aarde reeds voldoende voor het
-geloof hadden toebereid; _c._ dat zij de hardheid nog toenemen doet, wijl
-zij aan het belang van de millioenen kinderkens, die jong sterven, niet
-denkt en hen feitelijk buiten de mogelijkheid plaatst om zalig te worden;
-en _d._ dat zij niet rekent met de vrijmacht en de almacht Gods, welke
-ook behouden kan zonder de uitwendige prediking des woords, alleen door
-de inwendige roeping en de wedergeboorte des H. Geestes.
-
-
-12. De toestand der gestorven geloovigen, die hier op aarde nog niet de
-volmaakte heiligheid hebben bereikt, wordt door Rome gedacht als eene
-reiniging der zielen door de straffe des vuurs. Het denkbeeld van zulk
-een louteringstoestand is van heidenschen oorsprong en kwam vooral in
-twee vormen voor. De leer der zielsverhuizing, die bij de Indiërs, de
-Egyptenaren, de Grieken, de Joden enz. wordt aangetroffen, houdt in,
-dat de ziel, voordat zij in het menschelijk lichaam kwam, reeds in andere
-lichamen heeft gewoond en ook, nadat zij het menschelijk lichaam verlaten
-heeft, in nieuwe organismen ingaat, om zich te louteren en eindelijk de
-volmaaktheid te bereiken. Deze leer is echter te zeer met de Schrift
-in strijd, dan dat zij ooit binnen de grenzen van het Christendom anders
-dan bij enkele secten en individueele personen instemming verwerven
-kon. Immers gaat zij uit van de gedachte, dat de zielen praeëxistent
-zijn, oorspronkelijk geen lichaam bezaten en indifferent tegenover alle
-lichamen staan. Voorts strijdt zij met de leer der verlossing, die door
-Christus volbracht is en beschouwt de reiniging en volmaking als
-het eigen werk van den mensch. En eindelijk maakt zij in het geheel
-niet duidelijk, hoe de zielen, door telkens in andere lichamen over
-te gaan, van de zonden bevrijd en tot de heiligheid opgeleid zouden
-kunnen worden, cf. M. Vitringa IV 87-97. Moor II 1081. Bretschneider,
-Syst. Entw. 846. Spiess, Entwicklungsgesch. der Vorst. v. Zustande
-nach dem Tode 31. 558. J. F. von Meyer, Blätter für höhere Wahrheit
-1830 I 244-299 enz. Meer invloed op de christelijke theologie had de
-andere voorstelling, dat de zielen na den dood nog een tijd lang door
-allerlei straffen gereinigd moeten worden, om eerst daarna deel aan de
-hoogste zaligheid te verkrijgen. In het Parzisme vinden wij het geloof,
-dat er na de algemeene opstanding eene driedaagsche loutering volgt in
-vloeiend metaal, welke voor de goeden zacht maar voor de boozen zeer
-pijnlijk is, Saussaye, Rel. Gesch. II 51. De Joden leerden, dat alleen
-de volmaakt rechtvaardigen terstond naar den hemel gingen; de anderen
-werden naar Gehinnom verwezen, dat volgens sommigen voor alle menschen
-maar in elk geval voor de Joden een purgatorium was, Weber, Syst. 327.
-Sedert Origenes drong deze voorstelling ook onder de Christenen door
-en leidde daar tot de leer van het Roomsche vagevuur of van eene door
-vele Protestanten aangenomene louteringsperiode, boven bl. 381. Bij het
-eerste hooren heeft deze gedachte veel aantrekkelijks. De geloovigen
-toch zijn in het moment van hun sterven allen nog met zonde behept;
-zelfs de allerheiligsten bezitten nog maar een klein beginsel der
-volmaakte gehoorzaamheid. Deze zonde, welke den geloovigen aankleeft,
-zetelt voorts niet in het lichaam maar in de ziel, welke daarom in den
-hemel niet kan ingaan, tenzij zij vooraf niet alleen van de schuld der
-zonde bevrijd maar ook van haar smet volkomen gereinigd zij. Het laat
-zich moeilijk denken, hoe deze reiniging door of bij den dood plotseling
-tot stand kon komen. Want niet alleen gaat de heiligmaking in dit leven
-langzaam voort, maar op elk gebied zien wij geen plotselinge overgangen,
-doch geleidelijken wasdom en ontwikkeling. Alles pleit er dus voor, dat
-de zielen der geloovigen na den dood eene loutering moeten ondergaan,
-om daarna eerst in den hemel opgenomen en tot de aanschouwing Gods
-toegelaten te worden.
-
-Doch welke menschelijke redeneering zulk een vagevuur ook aanbevele,
-het eerste en op zichzelf reeds afdoende bezwaar is, dat de Schrift
-er nergens van spreekt. Wel halen de Roomschen eenige teksten aan,
-maar geen van alle bewijst den dienst, die ervan verlangd wordt. Mt.
-5:22 spreekt met geen woord van een purgatorium maar wel van de
-gehenna, cf. deel III 99. Bij de φυλακη in Mt. 5:25 aan het vagevuur
-te denken, is willekeur; veeleer is zij een beeld van de gehenna, want
-wie erin komt, is vooraf door den rechter veroordeeld en heeft nooit
-gelegenheid meer, om de schuld af te doen en de gevangenis te verlaten;
-het ἑως in vs. 26 geeft een onbereikbaren termijn aan, cf. 18:30, 34.
-In Mt. 12:32 zegt Jezus, dat de lastering tegen den H. Geest noch
-in deze noch in de toekomende eeuw vergeven zal worden. De woorden:
-noch in de toekomende eeuw, dienen alleen, om de onvergefelijkheid
-van de lastering tegen den H. Geest te versterken en behoeven daarom
-geenszins te onderstellen, dat sommige zonden ook na dit leven nog
-vergeven kunnen worden. Maar ook al ware dit zoo, dan zou deze tekst
-toch nog niets voor de leer van het vagevuur bewijzen, want hier is van
-vergeving der zonde sprake, terwijl het vagevuur juist geene plaats
-is voor vergeving maar alleen een oord voor afbetaling van tijdelijke
-straffen; en de tekst spreekt van vergeving in de toekomende eeuw, dat
-is de tijd na de parousie, terwijl het vagevuur valt vóór die parousie
-en met het laatste gericht ophoudt te bestaan. Volgens 1 Cor. 3:12-15
-zal het werk van de dienaren der gemeente in den dag van Christus’
-parousie de proef moeten doorstaan; wie op het fundament Christus
-goud, zilver, kostelijke steenen zal gebouwd hebben, d. i. wie in zijn
-ambt en dienst goed, deugdelijk werk verricht heeft, die zal wel in zijn
-werk beproefd worden, maar wijl dat werk bestand blijkt tegen het vuur
-des gerichts, zal hij loon ontvangen; wie daarentegen op het fundament
-hout, stroo, stoppelen gebouwd heeft, welke tegen het vuur niet bestand
-zijn, die zal gestraft worden, zijn loon verliezen, al is het ook, dat
-hijzelf door het vuur des gerichts heen behouden wordt. Inderdaad wordt
-hier dus gesproken van een ignis revelatorius, vs. 13, een ignis
-probatorius, vs. 13 en een ignis exarsorius, vs. 15; maar Paulus stelt
-zoo het vuur des gerichts voor in de toekomst van Christus en heeft
-daarom juist voor een vagevuur geen plaats, dat thans de geloovigen
-reinigen en vóór het laatste gericht eindigen zou. Andere teksten zijn
-er niet, waarop Rome zich voor de leer van het purgatorium, al ware
-het alleen met eenigen schijn van recht, beroepen kan. Slechts ééne
-plaats in de apocriefe boeken des O. Test., n.l. 2 Makk. 12:42-46
-leert, dat de Joden van dien tijd offeranden en gebeden voor de in
-zonden gestorvenen noodig en goed achtten, hetgeen trouwens ook van
-elders bekend is. Maar des te meer verdient het de opmerkzaamheid,
-dat dit onder de Joden bestaande volksgeloof noch in het Oude, noch
-in het Nieuwe Testament vermeld en veel minder goedgekeurd wordt.
-2º De leer van het vagevuur hangt ten nauwste saam met die over
-de rechtvaardigmaking. Rome verstaat daaronder de instorting der
-bovennatuurlijke, heiligmakende genade, welke dan den mensch in staat
-stelt, om goede werken te doen en daardoor het eeuwige leven te
-verdienen. Deze genade is echter voor vermeerdering en vermindering
-vatbaar; wie door doodzonde ze verliest en dan sterft, is verloren,
-wie het door het houden van praecepta en consilia in de ure des
-stervens tot de volmaaktheid bracht, gaat terstond den hemel binnen;
-maar wie de schuld en de tijdelijke straf voor eene vergefelijke zonde
-nog heeft te voldoen of wie, na de door eene doodzonde verloren gratia
-infusa in de boete te hebben terugontvangen, toch bij zijn dood nog
-achterstallig was in het afbetalen der tijdelijke straffen, wordt naar
-het vagevuur verwezen en blijft daar, totdat hij den laatsten penning
-heeft betaald. De rechtvaardigmaking, de heiligmaking, de heerlijkmaking
-is bij Rome het werk van den mensch zelf, zij het ook op grond van de
-hem ingestorte bovennatuurlijke genade; als hij deze ontvangen heeft,
-moet hij zichzelf het eeuwige leven en de zalige aanschouwing Gods in
-den hemel naar een meritum ex condigno waardig maken; en indien hij het
-dus hier op aarde zoover niet brengt, moet hij, evenals de Heidenen
-zich dit voorstelden, het aangevangen werk hiernamaals voortzetten
-zoolang, totdat hij de volmaaktheid heeft bereikt. Maar de Reformatie
-leerde uit de Schrift weer kennen de rechtvaardigmaking des zondaars
-door het geloof en moest daarom komen tot de verwerping van het
-louteringsvuur. Christus heeft alles volbracht, niet alleen de straf
-gedragen maar ook door zijne wetsonderhouding voor ons het eeuwige
-leven verworven. En al die weldaden, welke Christus door zijn lijden en
-sterven verworven heeft en die in Hem gansch volmaakt gereed liggen,
-worden terstond het deel van iemand, als hij in waarheid gelooft. Wie
-gelooft, _heeft_ het eeuwige leven. In de rechtvaardigmaking wordt den
-mensch niet alleen toegerekend de verdienste van Christus’ lijdelijke
-maar ook van zijn dadelijke gehoorzaamheid. Hij ontvangt in die weldaad
-niet alleen de vergeving, de straffeloosheid, en komt er niet door
-in den stand van Adam vóór den val, die met de hem geschonken kracht
-de wet onderhouden en het eeuwige leven verdienen moest. Maar hij
-heeft ook op grond van Christus’ volmaakte gehoorzaamheid terstond
-recht op het eeuwige leven; de heilige werken, die Christus heeft
-volbracht, worden hem toegekend; hij heeft door wetsvolbrenging niet
-het eeuwige leven te verdienen maar doet goede werken uit het beginsel
-des eeuwigen levens, dat hem reeds in het geloof is geschonken. De
-heiligmaking is hier dus geen zelfvoorbereiding voor den hemel, geen
-zelfvolmaking, maar niets anders dan de ontplooiing in den geloovige
-van wat hij in Christus reeds heeft, een wandelen in de goede werken,
-welke God in Christus voorbereid heeft, Ef. 2:10. God behoeft dus niet
-te wachten op eenige meerdere goede werken, eer hij den geloovige in
-den hemel opnemen kan, want in Christus is die hemel terstond geopend
-voor een iegelijk, die gelooft. Wie gelooft, die heeft vergeving en
-eeuwig leven, die is „rijp” voor den hemel, en behoeft noch hier noch
-hiernamaals door een purgatorium heen. Zelfs het lijden, dat hij hier op
-aarde menigmaal nog en zelfs ten gevolge der zonde te dragen heeft,
-is geen straf, geen boete, geen afbetaling van een eisch der wet,
-maar eene vaderlijke kastijding, die tot zijne opvoeding dient. 3º De
-eenige vraag op reformatorisch standpunt is dus deze: wanneer komt
-de geloovige in het volle bezit van de hem geschonken weldaden van
-Christus. Wie gelooft, ontvangt deze terstond in juridischen zin; hij
-heeft in Christus recht op alle goederen des verbonds, op de gansche
-zaligheid. Maar deze wordt op aarde toch nog niet in zijn volle bezit
-gesteld; wanneer heeft dit dan plaats, wanneer houdt de geloovige op
-een pelgrim te zijn en komt hij in het vaderland aan? Daarop heeft de
-Schrift maar één antwoord: bij den dood. Nergens stelt zij ons de vromen
-voor, als nog na den dood door straf of lijden der zonde gekweld. Altijd
-spreken de vromen hunne zekere verwachting uit, dat met den dood het
-einde van hun pelgrimsbaan en de ingang in het eeuwige, zalige leven
-des hemels bereikt is, Ps. 73:23, 24, Luk. 23:43, Hd. 7:59, 2 Cor.
-5:1, Phil. 1:23, 2 Tim. 4:7. Na den dood is er geen heiligmaking meer,
-maar treedt er een toestand van heiligheid in, waarin de geesten der
-volmaakte rechtvaardigen, Hebr. 12:23, bekleed zijn met lange, witte
-kleederen en staan voor den troon en voor het Lam, Op. 7:9, 14. Van den
-bescheiden de Saci van Port-Royal wordt verhaald, dat hij altijd stond
-in de vreeze Gods en daarom niet op eene onmiddellijke zaligheid na den
-dood durfde hopen maar stervende uitriep: o bienheureux purgatoire!
-Maar zulk een gemoedstoestand is aan de vromen des O. en N. Verbonds
-geheel vreemd en is alleen daaruit te verklaren, dat iemand, ziende
-op zichzelven, geen oog heeft op het volbrachte werk van Christus.
-4º Op welke wijze de toestand van heiligheid terstond bij den dood van
-den geloovige intreedt, is natuurlijk niet te begrijpen noch duidelijk
-te beschrijven. Ook de wedergeboorte en de heiligmaking, welke hier op
-aarde door den H. Geest gewerkt wordt, is eene geheimenis. Maar zonder
-twijfel doet daarbij de dood als een middel dienst. Niet in den zin van
-het platonisch dualisme, als ware de bevrijding van het lichaam zonder
-meer reeds de heiliging der ziel, want de zonde heeft haar zetel juist
-in de ziel. Noch ook in den zin van het sentimenteel rationalisme, dat
-den mensch door den dood, als een bode des vredes, tot een engel laat
-worden, want de dood is op zichzelf eene openbaring van Gods toorn en
-eene bezoldiging der zonde. Maar wel naar de meening der H. Schrift,
-die in den dood voor den geloovige een afsterven van de zonde ziet.
-Immers, alle kastijding dient den geloovigen tot hun nut, opdat zij
-de Goddelijke heiligheid deelachtig worden, Hebr. 12:10. Wie evenals
-Christus om der zonde wil aan het vleesch lijdt, die houdt op van de
-zonde, 1 Petr. 4:1. Maar dit geldt vooral van den dood. De ethische
-dood, d. i. het sterven in gemeenschap met Christus aan de zonde, heeft
-ten gevolge, dat iemand van de zonde gerechtvaardigd en der zonde dood
-is en voortaan Gode leeft in Christus, Rom. 6:6-11, 8:10, 1 Petr. 2:24.
-En deze ethische dood voleindt zich in den physischen dood, Rom. 7:24,
-2 Cor. 5:1, Phil. 1:21, 23. De dood is eene geweldige verandering, eene
-verbreking van alle banden met dit aardsche leven, en een intreden in
-eene nieuwe wereld met gansch andere verhoudingen en toestanden. Er
-is niets vreemds in, dat God, gelijk van alle lijden, zoo van den dood
-zich bedient, om de ziel van den geloovige te heiligen en van alle smet
-der zonde te reinigen. Hiertegen geldt niet als bezwaar, dat zulk eene
-heiliging mechanisch is en met een sprong geschiedt, want de dood is de
-grootste sprong, dien iemand maken kan, eene plotselinge verplaatsing
-van den geloovige in de tegenwoordigheid van Christus, en daardoor eene
-algeheele verderving van den uitwendigen en eene totale vernieuwing van
-den inwendigen mensch. 5º Daarbij komt, dat de leer van het vagevuur
-deze heiliging van den geloovige hoegenaamd niet begrijpelijker maakt.
-Want vooreerst moet ook de Roomsche theologie aan den dood nog eene
-soortgelijke critische beteekenis toekennen als de Protestantsche. Het
-vagevuur toch is geen plaats, waar nog zonden vergeven worden, maar
-alleen een oord, waar overgebleven tijdelijke straffen kunnen afbetaald
-worden. Wie dus peccata venialia begaan heeft en daarvoor in dit leven
-geen vergeving ontving, moet deze in den dood deelachtig worden; en
-zoo leeren de Roomsche theologen dan ook, dat de in vergefelijke zonden
-stervende ziel terstond in den dood vergeving der schuld ontvangt, om
-dan in het vagevuur de daarvoor bepaalde tijdelijke straffen te voldoen,
-Oswald, Eschat.² 87. Vervolgens is niet in te zien, op welke wijze
-het purgatorium de heiliging der zielen bewerkt. Afgedacht daarvan,
-dat het vagevuur door de Roomschen meest beschreven wordt als een
-materieel vuur, dat daarom niet dan idealiter op de ziel inwerken kan,
-rijst vanzelf de vraag, hoe pijn zonder meer heiligen kan. Dat ware wel
-mogelijk, indien door middel van die pijniging berouw, verootmoediging,
-bekeering, geloof, liefde enz. in de ziel mocht gewerkt worden.
-Maar dat mag op Roomsch standpunt niet aangenomen worden. Want het
-purgatorium is geen Missionsanstalt, geen bekeeringsinstituut, geen
-school ter heiligmaking, maar eene strafplaats, waar alleen tijdelijke
-straffen afbetaald worden. De arme zielen kunnen dus eenerzijds niet
-meer zondigen en nieuwe schuld op zich laden, en andererzijds kunnen
-zij zich ook niet verbeteren, want alle verbetering sluit bij Rome
-verdienste in en in het vagevuur kan niet meer verdiend worden. Van den
-toestand der arme zielen in het vagevuur is dus geen goede voorstelling
-te maken. Indien zij nog te denken zijn als meer of minder door de zonde
-besmet, dan is het op Roomsch standpunt niet te begrijpen, dat zij niet
-nog zondigen en zelfs de ontvangen genade wederom geheel verliezen
-kunnen. Is dit uitgesloten, dan zijn de zielen in zichzelve rein en
-heilig en hebben zij alleen nog enkele tijdelijke straffen te dragen,
-welke zij op aarde niet konden voldoen, waarbij het dan weer onbegrijpelijk
-is, dat volmaakte rechtvaardigen nog tijdelijk buiten den hemel gesloten
-en aan de pijniging van het vagevuur kunnen worden overgegeven. En
-in beide gevallen blijft het een raadsel, hoe het vagevuur een ignis
-purgatorius kan zijn; het is niets anders dan een ignis vindicativus.
-Oswald t. a. p. 116 zegt terecht, dat dit louterend karakter van het
-vagevuur tot de quaestiones difficiliores behoort! Eindelijk zijn er nog
-verschillende vragen, waarop de leer van het vagevuur het antwoord
-schuldig blijft. De vromen des O. T. gingen volgens het Roomsche geloof
-naar den limbus patrum; is deze limbus als een purgatorium te denken,
-of was voor hen geen vagevuur noodig? En hoe worden zij gelouterd,
-die korten tijd vóór de parousie sterven en daarom niet meer in het
-vagevuur kunnen komen, wijl dit met het einde dezer wereld ophoudt te
-bestaan? De zielen van de in vroeger eeuwen gestorvenen hebben het veel
-zwaarder te verantwoorden, dan die later in het vagevuur komen, want
-de mogelijke duur van de pijniging in het purgatorium wordt hoe langer
-hoe korter. Hoe is dit op Roomsch standpunt overeen te brengen met de
-gerechtigheid Gods en met de louteringsbehoefte der zielen? Indien men
-zegt, dat naarmate het einde der wereld nadert, de heiliging te meer in
-het lijden van den tegenwoordigen tijd en in den dood verlegd wordt, dan
-ondermijnt men de leer van het vagevuur op bedenkelijke wijze en nadert
-men het standpunt, dat de Reformatie tegenover dit Roomsche leerstuk
-innam. 6º Indien de leer van het vagevuur onhoudbaar is, dan vervalt
-daarmede ook vanzelf alle offerande en gebed voor de afgestorvenen.
-Vereering der dooden door offers en gebeden was bij de Heidenen gewoon.
-Voorbede voor de afgestorvenen kwam later onder de Joden in gebruik, 2
-Makk. 12:40-45 en bleef dit tot den huidigen dag, Schwally, Das Leben
-nach dem Tode 188-190. In de christelijke kerk kwam spoedig de gewoonte
-op, om de gestorvenen pax, lux, refrigerium toe te wenschen en hunner
-in de gebeden en bij de avondmaalsviering te gedenken. In den eersten
-tijd had dit plaats ten aanzien van alle in den Heere gestorvenen zonder
-onderscheid en werden deze oblationes en sacrificia alleen gevierd ob
-commemorationes eorum, Cypr. Ep. 12, 2. 39, 3. Const. Ap. VI 30. VIII
-13. 41-44. Maar langzamerhand werd er onderscheid gemaakt tusschen die
-zielen, welke terstond in den hemel werden opgenomen en andere, die nog
-een tijdlang in het purgatorium vertoeven moesten. De gemeenschap met de
-eerste werd daarop allengs geoefend door aanroeping en yereering, die
-met de tweede door voorbeden, goede werken, aflaten en zielmissen, cf.
-Trid. sess. 22 c. 2. 3. en sess. 25. Bellarminus, de purg. II 15-18.
-Perrone, Prael. VI 289. VIII 29. Simar, Dogm. 900. Jansen, Prael. III
-1 030 enz. In den oudkatholieken zin, als bede tot God, dat Hij de
-zaligheid der in Christus ontslapenen vermeerderen en hunne gebeden
-voor de levenden aannemen mocht, en tevens als gedachtenisviering
-van en gemeenschapsoefening met de afgestorvenen, werd de voorbede
-voor de dooden ook goedgekeurd door de Grieken, M. Vitringa VIII 509,
-vele Anglikanen, ib. 515, de Lutherschen, ib. IV 79, Grotius, ib. 80
-en door vele nieuwere theologen, Franz, das Gebet für die Todten in
-seinem Zusammenhang mit Kultus und Lehre nach dem Schriften des h.
-Augustinus, Nordhausen Büchting 1857. K. M. Leibbrand, Das Gebet für
-die Todten in der evang. Kirche zulässig und recht, Stuttgart 1864.
-Maar de Gereformeerden verwierpen de voorbede voor de afgestorvenen,
-wijl hun lot bij den dood onveranderlijk beslist was, Suicerus s. v. ταφη.
-Vossius, Disp. de orationibus et oblationibus pro defunctis, Op. VI 458
-sq. Rivetus in zijne polemiek tegen Grotius, Op. III 962. 1026. Moor V
-30-32. In Oud of Nieuw Testament is er dan ook met geen woord van zulk
-eene voorbede sprake. De eenige plaats, waarop men zich beroepen kan,
-is 1 Cor. 15:29, waar Paulus melding maakt van zulken, die zich lieten
-doopen ὑπερ νεκρων. Er is hier echter niet uit af te leiden, dat zulk
-een doop door de levenden ondergaan werd, opdat hij den gestorvenen ten
-goede zou komen. Want er is geen enkel bewijs, dat zoodanig gebruik in
-den tijd van Paulus of later voorkwam. Wel melden Tertullianus e. a.,
-dat deze gewoonte bij de volgelingen van Cerinthus en Marcion gevonden
-werd, maar ten eerste is de juistheid van dit bericht volstrekt niet
-boven allen twijfel verheven, en ten andere zou er uit volgen, dat het
-een kettersch gebruik was, hetwelk in de christelijke kerk nooit bestaan
-heeft of ingang vond. Wie dezen tekst wilde laten gelden als bewijs
-voor het recht, om voor de dooden te bidden, zou allereerst beginnen
-moeten, om levenden ten behoeve der gestorvenen te doopen. Paulus zegt
-echter ook niet, dat de levenden zich voor de dooden lieten doopen,
-opdat die doop den gestorvenen ten goede zou komen. De dooden worden
-door Paulus voorgesteld als het motief, waarom de levenden zich lieten
-doopen. Omdat zij, die in Christus ontslapen waren, zouden opstaan,
-daarom lieten hunnentwege, hunshalve de levende geloovigen zich doopen.
-De apostel spreekt geen andere gedachte uit dan deze, dat de doop het
-geloof aan de opstanding van Christus en de geloovigen onderstelt;
-neem de opstanding weg en de doop wordt eene ijdele ceremonie. De
-voorbede voor de afgestorvenen vindt daarom niet den minsten grond in
-de Schrift, gelijk trouwens Tertullianus reeds erkende. Want nadat hij de
-cor. mil. c. 3 gesproken had van verschillende kerkelijke gebruiken en
-daarbij ook van de offeranden voor afgestorvenen, voegde hij er in c. 4
-aan toe: harum et aliarum ejusmodi disciplinarum, si legem expostules
-scripturarum, nullam invenies; traditio tibi praetenditur auctrix,
-consuetudo confirmatrix, et fides observatrix, cf. ook Bellarminus, de
-missa II c. 7. Oswald, Eschat. 95. Omdat er geen praeceptum Patris is,
-moet men zich vergenoegen met de institutio matris, d. i. der kerk,
-die alzoo weder naast en boven Gods Woord komt te staan. Wijl alzoo de
-voorbede der afgestorvenen voor de Schrift niet kan bestaan, komt de
-vraag naar hare nuttigheid en troost niet meer te pas. Toch zijn ook
-deze moeilijk aanwijsbaar. Want al schijnt het schoon, dat levenden door
-hunne voorbeden de afgestorvenen helpen kunnen en kunnen goedmaken,
-wat zij misschien tegenover hen tijdens hun leven hebben misdreven;
-feitelijk leidt deze kerkelijke practijk de christelijke vroomheid in
-een gansch verkeerd spoor. Zij doet het voorkomen, alsof in strijd met
-Mt. 8:22 zorg voor de dooden van hooger waarde is dan liefde tot de
-levenden; zij schrijft aan eigen werken en gebeden eene verdienstelijke,
-satisfactorische kracht toe, welke haar werking zelfs oefent aan de
-overzijde des grafs en daar den gestorvenen ten goede kan komen; zij
-is gebouwd op en bevorderlijk aan de leer van het vagevuur, welke
-eenerzijds, vooral bij de rijken, de zorgeloosheid voedt en ter andere
-zijde de onzekerheid der geloovigen bestendigt; zij verzwakt in het
-christelijk bewustzijn het geloof aan de genoegzaamheid der offerande en
-voorbede van Christus. Cf. tegen het purgatorium: Calvijn, Inst. III 5.
-Polanus, Synt. Theol. VII 25. Chamier, Panstr. Cath. T. III lib. 26.
-Amesius, Bellarminus enervatus, T. II lib. 5. Voetius, Disp. II 1240.
-Forbesius a Corse, Instruct. hist. theol. lib. XIII. Gerhard, Loc. XXVI
-181 sq. Quenstedt, Theol. IV 555. Kliefoth, Eschatologie, 82 f. Charles
-H. H. Wright, The intermediate state and prayers for the dead,
-examined in the light of Scripture and of ancient Jewish and Christian
-literature, London Nisbet 1900.
-
-
-13. Al is er voor eene vereering der heiligen en eene voorbede voor de
-afgestorvenen geen plaats, er is en blijft toch eene onverbrekelijke
-gemeenschap tusschen de strijdende kerk op aarde en de triumfeerende
-in den hemel. De geloovigen op aarde zijn, toen zij Christen werden,
-toegetreden tot het hemelsche Jeruzalem, dat boven en aller moeder is;
-tot de vele duizenden van engelen, die aldaar God dienen en loven; tot
-de gemeente der eerstgeborenen, d. i. van de vromen des O. Verbonds,
-die in de hemelen opgeschreven zijn en daar het burgerrecht hebben
-ontvangen; tot de geesten der rechtvaardigen, d. i. van de Christenen,
-die reeds ontslapen zijn en de volmaaktheid, de voleindiging, hebben
-bereikt; tot Christus, den middelaar des Nieuwen Testaments en
-tot God, den rechter van alle schepselen, Hebr. 12:22-24. Deze
-gemeenschap sluit niet in, dat er een rechtstreeksch verkeer moet
-bestaan tusschen de leden der strijdende en der triumfeerende kerk;
-want ofschoon dit ook ontbreekt tusschen de verschillende menschen en
-volken in de onderscheidene tijden en plaatsen, is toch de menschheid
-een organisme, uit éénen bloede gesproten. De persoonlijke omgang,
-dien elk geloovige hier op aarde heeft, is tot weinige personen
-beperkt, maar desniettemin is hij lid van de ééne, heilige, algemeene,
-christelijke kerk. De eenheid, die alle geloovigen, zoowel de gestorvene
-als de levende, saam verbindt, ligt in Christus, en door Hem in de
-gemeenschap met denzelfden Vader, in het bezit van denzelfden Geest,
-in het deelgenootschap aan dezelfde goederen des verbonds. De liefde,
-die blijft, ook als geloof en hope verdwijnen, houdt alle geloovigen
-met Christus en onderling verbonden. En die liefde uit zich onzerzijds
-daarin, dat wij de heiligen, die ons voorgegaan zijn, met eerbied
-gedenken, dat wij waardiglijk van hen spreken, dat wij hen navolgen
-in geloof en goede werken, en door hun voorbeeld aangespoord met
-lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is, dat wij één met
-hen ons gevoelen en leven in de verwachting, van tot hen te gaan, dat
-wij met hen en alle schepselen den naam des Heeren grootmaken. Onder de
-vormen, waarin de gemeenschap van de strijdende met de triumfeerende
-kerk zich openbaart, neemt de hope des wederziens eene breede plaats
-in. Er is door het rationalisme daarvan schrikkelijk misbruik gemaakt;
-het scheen, alsof de zaligheid des hemels niet in de gemeenschap met
-Christus maar in de sentimenteele genieting van elkanders bijzijn gelegen
-was. Maar desniettemin ligt er eene goede, ware gedachte in. De hope op
-het wederzien aan de overzijde des grafs is volkomen natuurlijk, echt
-menschelijk en ook in overeenstemming met de H. Schrift. Want deze leert
-geen naakte onsterfelijkheid van schimachtige zielen, maar eeuwig leven
-van individueele menschen. Wedergeboorte wischt de individualiteit,
-de persoonlijkheid, het karakter niet uit maar heiligt ze en stelt ze
-in dienst van Gods naam. De gemeente is de nieuwe menschheid, welke
-allerlei schakeering en onderscheid in zich draagt en in de eenheid de
-rijkste verscheidenheid openbaart. De vreugde des hemels ligt daarom
-wel allereerst in de gemeenschap met Christus, maar vervolgens toch
-ook in de gemeenschap der zaligen onderling. En evenmin als deze
-op aarde, schoon zij hier altijd gebrekkig is, inbreuk maakt op de
-gemeenschap der geloovigen met Christus, maar deze veeleer bevestigt
-en verrijkt, alzoo is het ook in den hemel. Het hoogste, wat Paulus
-wenschte, was ontbonden te zijn en met Christus te wezen, Phil. 1:23,
-1 Thess. 4:17. Maar Jezus stelt zelf de vreugde des hemels voor onder
-het beeld van een maaltijd, waar allen aanzitten met Abraham, Izak en
-Jakob, Mt. 8:11, cf. Luk. 13:28. De hope op het wederzien is daarom op
-zichzelve niet verkeerd, indien zij maar ondergeschikt blijft aan het
-verlangen naar de gemeenschap van Christus. En andererzijds is het ook
-geen ongerijmde gedachte, dat de zaligen in den hemel verlangen naar
-de geloovigen, die op aarde zijn. Immers behouden zij de herinnering
-aan de personen en toestanden, die zij op aarde gekend hebben, Luk.
-16:27-31. De zielen onder het altaar roepen om wraak over het vergoten
-bloed, Op. 6:10. De bruid, d. i. de gansche gemeente zoowel in den
-hemel als op aarde, bidt om de komst van den Heere Jezus, Op. 22:17.
-Al geeft de Schrift ons geen recht om te gelooven, dat de zaligen
-in den hemel alles weten, wat hier op aarde gebeurt, toch is het
-waarschijnlijk, dat zij van de strijdende kerk op aarde minstens evenveel
-weten als deze van hen. En dat weinige, gevoegd bij de kennis, die zij
-uit de herinnering bezitten en die misschien telkens door mededeelingen
-van engelen en pas ontslapenen uitgebreid wordt, is genoegzaam, om
-hen steeds met belangstelling te doen denken aan deze aarde en aan
-de machtige worsteling, die hier gestreden wordt. Daarbij komt nog,
-dat de toestand der zaligen in den hemel, hoe heerlijk ook, toch om
-verschillende redenen nog een voorloopig karakter draagt. Immers zijn
-zij thans alleen in den hemel en tot dien hemel beperkt, en nog niet
-in het bezit der aarde, wier erfenis hun met die des hemels toegezegd
-is. Voorts zijn zij verstoken van het lichaam, en dit lichaamloos bestaan
-is niet, gelijk het dualisme meenen moet, eene winst maar een verlies,
-geen vermeerdering maar vermindering van zijn, wijl het lichaam tot het
-wezen van den mensch behoort. En eindelijk kan het deel niet volmaakt
-zijn zonder het geheel; eerst in de gemeenschap van al de heiligen
-wordt de volheid van Christus’ liefde gekend, Ef. 3:18; de eene groep
-van geloovigen kan zonder de andere de voleindiging niet bereiken,
-Hebr. 11:40. Daarom is er bij de zaligen in den hemel ook nog plaats
-voor geloof en hope, voor verlangen en gebed, Op. 6:10, 22:17. Evenals
-de geloovigen op aarde strekken zij zich uit naar de wederkomst van
-Christus, de opstanding der dooden en de wederoprichting aller dingen.
-Dan eerst is het einde bereikt, 1 Cor. 15:24. Deze gedachte staat in
-de Schrift zoozeer op den voorgrond, dat de tusschentoestand tot eene
-korte spanne tijds inkrimpt, die bij het eindgericht in het geheel niet
-in aanmerking komt. Nergens wordt gezegd, dat ook hetgeen door de
-gestorvenen in dien tusschentoestand wordt verricht, in den laatsten
-dag voor den rechterstoel van Christus geoordeeld zal worden. Het
-oordeel gaat uitsluitend over wat in het lichaam geschied is, hetzij
-goed hetzij kwaad, 2 Cor. 5:10; het judicium universale is in zoover
-met het judicium particulare identisch. Daaruit is echter nog niet met
-Kliefoth, Eschatologie 61-66 af te leiden, dat de zielen na den dood
-buiten tijd en ruimte leven en van alle ontwikkeling of vooruitgang
-verstoken zijn. Want al is er zeker geen ontwikkeling, gelijk die op
-aarde, en al is er nog veel minder aan eene mogelijke verandering
-ten goede of ten kwade te denken, toch is een waarachtig bestaan en
-leven der zielen zonder activiteit niet mogelijk, tenzij men ze in
-bewustloozen slaap verzonken acht. Want de gestorvenen blijven eindige
-en beperkte wezens en kunnen niet anders bestaan dan in ruimte en tijd.
-De afmetingen der ruimte en de berekeningen van den tijd zijn zonder
-twijfel aan gene zijde des grafs geheel andere dan hier op aarde, waar
-mijlen en uren onze maatstaf zijn. Maar ook de zielen, die daar wonen,
-worden niet eeuwig en alomtegenwoordig als God; zij moeten, evenals de
-engelen, deel II 438, een ubi definitivum hebben, kunnen niet op twee
-plaatsen tegelijk zijn en zijn altijd ergens op eene bepaalde plaats,
-in het paradijs, in den hemel enz. En evenzoo zijn zij niet boven allen
-tijdvorm, dat is boven alle successie van oogenblikken verheven, want zij
-hebben een verleden, dat zij zich herinneren, een heden waarin zij leven,
-en eene toekomst, die zij te gemoet gaan. De rijke man weet, dat zijne
-broeders nog leven, Luk. 16:28; de zielen onder het altaar zien uit
-naar den dag der wrake, Op. 6:10; de bruid verlangt naar de komst van
-Christus, Op. 22:17; zij, die uit de verdrukking gekomen zijn, dienen God
-dag en nacht, Op. 7:15; en die het beest hebben aangebeden, hebben geen
-rust dag en nacht, Op. 14:11.
-
-Indien nu de zielen in eenigen vorm van ruimte en tijd bestaan, kunnen
-zij ook niet zonder alle werkzaamheid gedacht worden. Wel zegt Jezus,
-dat in den nacht des doods niemand werken kan, Joh. 9:4, en wordt de
-hemelsche zaligheid dikwerf in de Schrift als een rusten voorgesteld,
-Hebr. 4:9, Op. 14:13. Maar evenmin als het met elkander strijdt, dat God
-rust van zijn scheppingswerk, Gen. 2:2 en toch altijd werkt, Joh. 5:17,
-of dat Christus zijn werk op aarde had volbracht, Joh. 17:4 en toch
-in den hemel plaats voor de zijnen bereidt, Joh. 14:3; evenmin sluit
-het een het ander uit, dat de geloovigen rusten van hunne werken en
-toch God dienen in zijnen tempel. Hun werk op aarde is af, maar daarom
-hebben zij in den hemel nog wel andere werken te doen. De Schrift leert
-dit duidelijk. Die in den Heere ontslapen zijn, zijn bij Jezus, Phil.
-1:23, staan voor den troon Gods en van het Lam, Op. 7:9, 15, roepen
-en bidden, loven en dienen, Op. 6:10, 7:10, 15, 22:17. Trouwens, als
-zij bewustheid hebben en God, Christus, de engelen, elkander kennen,
-dan oefenen zij daarmede vanzelf werkzaamheden uit van verstand en van
-wil, nemen toe in kennis en worden bevestigd in liefde. Als Paulus
-zeggen kan, dat de geloovigen op aarde, door de heerlijkheid des
-Heeren in den spiegel van zijn woord te aanschouwen, naar zijn beeld in
-gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, 2 Cor. 3:18;
-hoeveel te meer zal dat dan het geval zijn, als zij toegelaten worden
-tot zijne onmiddellijke tegenwoordigheid en Hem zien van aangezicht
-tot aangezicht? Verandering van staat is er niet; er is ook geen
-ontwikkeling in aardschen zin; zelfs geen heiligmaking, gelijk in de
-strijdende kerk, want de heiligheid zelve is aller deel. Maar gelijk
-Adam vóór den val en Christus als mensch, schoon volkomen heilig,
-toch toenemen konden in genade en wijsheid, zoo is er in den hemel
-eene voortgaande bevestiging van staat, een altijd meer gelijkvormig
-worden den beelde des Zoons, een nimmer eindigend opwassen in de
-kennis en liefde van God. En daarbij heeft ieder zijn eigen taak en
-plaats. De Roomschen nemen aan, dat de vromen des O. T. na hun dood
-in den limbus patrum vertoefden en daaruit eerst door Christus bij
-zijne nederdaling ter helle werden bevrijd; en tevens meenen zij, dat de
-ongedoopt stervende kinderen noch in de hel noch in den hemel maar in
-een afzonderlijk receptaculum, den limbus infantum, worden opgenomen.
-Maar voor geen van beide receptacula is er grond in de Schrift. Wel
-spreekt het vanzelf, dat wie de eenheid des genadeverbonds uit het
-oog verliest en de weldaden, door Christus verworven, opvat als eene
-nieuwe substantie, die vroeger niet bestond, de vromen des O. T. in
-den limbus patrum moet laten wachten op deze verwerving en mededeeling
-van Christus’ weldaden. Maar wie de eenheid des verbonds erkent, en
-de weldaden van Christus opvat als de goede gunste Gods, die met het
-oog op Christus reeds vóór zijn lijden en sterven kon worden uitgedeeld,
-die heeft aan geen limbus patrum behoefte. De weg naar de hemelsche
-zaligheid was onder het O. dezelfde als onder het N. Test., al is er
-ook verschil in het licht, waarbij de geloovigen toen en nu wandelen,
-cf. deel III 196v. 211v. En evenzoo is er aan de overzijde des grafs
-geen plaats voor een limbus infantum; want de kinderen des verbonds,
-gedoopt of ongedoopt, gaan stervende ten hemel in; en over het lot
-der andere is ons zoo weinig geopenbaard, dat wij het best doen van
-een stellig oordeel ons te onthouden, cf. B. B. Warfield, The
-development of the doctrine of infant salvation, in zijn Two Studies
-in the history of doctrine, New-York 1897. Maar toch ligt er in den
-limbus patrum en infantum deze ware gedachte, dat er verschillende
-graden zijn zoowel in de straf der goddeloozen als in de zaligheid der
-vromen. Er is onderscheid van rang en werkzaamheid in de wereld der
-engelen. Er is verscheidenheid onder alle schepselen en het rijkst
-onder de menschen. Er is verschil van plaats en taak in de gemeente
-van Christus; aan ieder geloovige wordt hier op aarde een eigen gave
-geschonken en een eigen taak opgedragen. En bij den dood volgen ieders
-werken dengene na, die in den Heere ontslaapt. Zonder twijfel wordt
-deze verscheidenheid in den hemel niet uitgewischt maar integendeel
-van al het zondige gereinigd en op het rijkst vermenigvuldigd, Luk.
-19:17-19. Toch ontneemt dit verschil in graad niets aan de zaligheid,
-welke elk naar zijne mate geniet. Want allen wonen in bij denzelfden
-Heere, 2 Cor. 5:8, zijn opgenomen in denzelfden hemel, Op. 7:9, genieten
-dezelfde rust, Hebr. 4:9 en vinden hun vreugde in denzelfden dienst van
-God, Op. 7:15.
-
-
-§ 55. DE WEDERKOMST VAN CHRISTUS.
-
-1. Gelijk het den mensch gezet is, om eenmaal te sterven, zoo moet er
-ook eens een einde komen aan de geschiedenis der wereld. Niet alleen
-de religie, ook de wetenschap was daarvan ten allen tijde overtuigd.
-Enkelen, zooals Aristoteles in de oudheid en Czolbe, Friedrich Mohr
-e. a. in den nieuweren tijd, hebben wel gemeend, dat deze wereld
-eeuwig was en geen begin noch einde had. Maar de onhoudbaarheid dezer
-meening wordt thans algemeen toegestemd; er zijn vele overwegingen,
-die den eindigen duur der wereld boven allen twijfel verheffen. De
-omdraaiingssnelheid der aarde neemt volgens berekening minstens ééne
-seconde in 600,000 jaren af; hoe weinig dit ook zij, het brengt na
-billioenen van jaren toch op aarde een omkeer in de verhouding van dag
-en nacht teweeg, welke aan alle leven een einde maakt. Voorts wordt
-de rotatie der aarde voortdurend door den invloed van ebbe en vloed
-vertraagd, wijl deze de deelen der aarde verplaatst en den voorraad
-kinetische energie vermindert; de aarde nadert daarom steeds de zon
-en moet eindelijk in haar verdwijnen. Vervolgens is de ruimte, waarin
-de planeten zich bewegen, niet volstrekt ledig, maar met aether of
-verdunde lucht gevuld, die, hoe zwak dan ook, de beweging tegenhoudt,
-de omdraaiingssnelheid vermindert, de baan der planeten doet inkrimpen
-en ze alzoo steeds meer in de nabijheid der zon doet komen. Verder
-kan ook de zon niet altijd duren; hetzij zij hare warmte produceere
-door invallende meteorieten of door voortdurende inkrimping of door
-chemische werkingen, zij verbruikt die warmte allengs, verkleint
-haar omvang, trekt zich saam en gaat haar einde te gemoet; volgens
-Thompson zou de middellijn der zon jaarlijks 35 meter afnemen en zou
-zij, daar zij reeds 20 millioen jaren geschenen had, nog slechts een
-10 millioen jaren kunnen bestaan. Kinetische energie toch kan zich
-wel in warmte omzetten, maar warmte niet meer in kinetische energie,
-tenzij zij uitstroome op een kouder lichaam. Als de temperatuur dus
-eens overal gelijk zal zijn, houdt de omzetting van warmte op en is
-het einde der dingen bereikt. De vraag is dus maar, wie van beide,
-de zon of de aarde, het het langst uithouden zal; indien de zon,
-dan wordt de aarde ten slotte door haar verslonden en eindigt alles
-met verbranding; indien de aarde, dan houdt eens alle warmte op en
-gaat het leven onder in den dood der verstijving. Daarbij komen nog
-allerlei andere gronden voor de eindigheid der wereld; het water der
-aarde moet wegens zijne chemische verwantschap met de mineralen steeds
-afnemen; water en zuurstof worden almeer aan vaste stoffen verbonden;
-de producten der aarde, steenkolen, hout, turf, voedingsmiddelen,
-verminderen; de aarde, hoe rijk ook, raakt eenmaal uitgeput, en dit te
-spoediger, naarmate het menschelijk geslacht toeneemt en het gevaar van
-overbevolking dreigt. Voor eene optimistische verwachting aangaande
-de toekomst is er daarom op het standpunt der wetenschap volstrekt
-geen plaats. Toch hebben velen zich daaraan overgegeven en van een
-gestadigen vooruitgang en een toekomstig paradijs der menschheid in het
-Diesseits gedroomd. Humanisten en materialisten wedijveren met elkander
-in het koesteren van dergelijke illusiën, achten door het principe der
-kosmische evolutie hunne broodprofetieën gewaarborgd en oordeelen, dat
-door de vermeerdering van ideale goederen, zooals wetenschap, kunst,
-zedelijkheid, of door den vooruitgang in stoffelijke welvaart, door
-overvloed van voedsel en deksel en kleeding, het geluk der menschheid
-eenmaal ten volle bereikt worden zal. Kant, Lessing, Herder, Fichte,
-Schelling enz., achtten eene toekomst aanstaande, waarin het ethische
-Godsrijk allen omvatten, de Aufklärung aller deel en de humaniteit het
-beginsel van aller leven zou zijn. Zelfs Darwin spreekt aan het slot
-van zijn boek over het Ontstaan der soorten en in het laatste hoofdstuk
-van zijne Afstamming des menschen de hope uit, dat de mensch, die van
-zijn dierlijken oorsprong thans reeds zoo hoog is opgeklommen, eene
-nog hooger bestemming in eene verwijderde toekomst tegemoet gaat. In
-die toekomst zal volgens Pierson, Eene Levensbeschouwing 269, het
-huwelijk door de edelsten niet meer worden begeerd, maar zal de man
-met de vrouw als met zijne zuster verkeeren en de wellust niet meer de
-dood van den levenslust zijn, of zal volgens anderen het huwelijk bij een
-hoogbeschaafd volk mettertijd den vorm van een dubbelhuwelijk aannemen
-en twee vrienden gezamenlijk twee vrouwen huwen. Nog buitensporiger zijn
-de verwachtingen van de socialisten, deze chiliasten van het ongeloof,
-die meenen, dat in den toekomststaat naar hun model alle zonde en
-strijd verdwenen en een onbezorgd, tevreden leven aller voorrecht
-zal zijn. Maar, gelijk gezegd is, veel grond bestaat er voor zulke
-verwachtingen niet. En al zou er ook een tijd van meerdere welvaart
-en grooter geluk voor de menschheid aanbreken, wat zou het voordeel
-daarvan zijn, als toch alle ontwikkeling, gelijk de wetenschap leert,
-ten slotte moest ondergaan in den dood? Fr. van Hellwald weet aan het
-slot van zijne Kulturgeschichte op de vraag, waartoe alles geweest is,
-waartoe ook de mensch met zijn worstelen en streven, zijn beschaving
-en ontwikkeling bestaan heeft, niet het minste antwoord te geven. En
-Otto Henne-Am Rhyn eindigt zijne Kulturgeschichte met de voorspelling,
-dat heel de menschheid met haar cultuur eens spoorloos verdwijnen zal;
-einst wird Alles, was wir gethan, nirgends mehr aufzufinden sein; en
-hij kan zich daartegenover alleen troosten met de gedachte, dat het
-nog langen tijd duren zal, eer het zoover is. Wie zonder God en zonder
-Christus leeft, en alles van het Diesseits, van immanente, kosmische
-krachten verwachten moet, is ook zonder hope in de wereld. Zelfs de
-cultuur is niet eindeloos te denken. Milliarden van jaren kunnen in
-het verleden of in de toekomst der wereld wel willekeurig aangenomen
-maar niet concreet, gevuld met geschiedenis, gedacht worden. Als bijv.
-de menschheid eens duizend millioen jaren oud werd, zou een leerboek
-over de wereldgeschiedenis, dat eene eeuw op tien bladzijden afhandelde,
-niet minder dan tweehonderdduizend deelen vormen, elk deel gerekend
-op vijfhonderd bladzijden, of nog twintigduizend deelen, als aan elke
-eeuw slechts ééne bladzijde, of nog vijfhonderd deelen, indien aan elke
-eeuw niet meer dan één regel gewijd werd. En zoo zou het zijn met al
-wat den inhoud onzer cultuur vormt. De mensch en de menschheid zijn
-eindig, en daarom is ook hunne beschaving niet eindeloos te denken.
-Een oneindige tijd is zoowel voor de aarde als voor ons geslacht eene
-ongerijmdheid, die nog tastbaarder is dan de dwaasheid van de millioenen
-van jaren, uit heidensche mythologieën ons bekend. Op het standpunt der
-wetenschap is er veel meer grond, om het pessimisme van Schopenhauer
-en Ed. von Hartmann aan te nemen, dat de verlossing der wereld stelt
-in de bestrijding van den alogischen wil door de logische voorstelling,
-in de absolute Willensverneinung, dat is in de vernietiging der wereld
-zelve. Maar ook dan is er niet de minste waarborg, dat de absolute wil
-niet tot een ander wereldproces overgaat en tot in het oneindige toe
-altijd weer van voren aan begint. Vele Grieksche wijsgeeren hielden het
-ervoor, dat aan deze wereld vele andere voorafgegaan waren en op haar
-vele andere zouden volgen; zelfs waren de Pythagoreërs en de Stoicijnen
-van oordeel, dat alles precies zoo terugkeeren zou, als het op deze
-wereld bestond en in vroegere bestaan had; en ook thans zijn velen, bijv.
-Haeckel, Die Welträthsel 430, tot dergelijke gevoelens teruggekeerd,
-ofschoon Windelband, Geschichte und Naturwissenschaft, Strassburg 1900
-S. 22 het terecht eene pijnlijke gedachte noemt, dat in der periodischen
-Wiederkehr aller Dingen auch die Persönlichkeit mit allem ihrem Thun
-und Leiden wiederkehren soll. Cf. Lange, Gesch. des Materialismus⁴
-552 f. Pesch, Die grossen Welträthsel² II 352 f. Mühlhäusser, Die
-Zukunft der Menschheit Heilbron 1881. Reiff, Die Zukunft der Welt²
-Basel 1875. Fürer, Weltende und Endgericht, Gütersloh 1896. Siebeck,
-Religionsphilos. 1893 S. 399-427. Caro, La question du progrès, in zijne
-Problèmes de morale sociale, Paris 1887 p. 251. Orr, Christian View 369.
-
-
-2. De religie heeft zich nooit met deze idee van eene eindelooze
-ontwikkeling of van een algeheelen ondergang der wereld verzoend.
-Verschillende redenen hielden haar van het overnemen dezer wijsgeerige
-theorieën terug. Immers is het voor geen tegenspraak vatbaar, dat al
-dergelijke voorstellingen aan de waarde der persoonlijkheid tekort doen
-en deze opofferen aan het geheel. Voorts miskennen zij de beteekenis van
-het godsdienstig-zedelijk leven en stellen dit verre beneden de cultuur.
-En eindelijk bouwen zij voor het heden en voor de toekomst alleen op de
-krachten, die in den kosmos immanent zijn en rekenen hoegenaamd niet met
-eene Goddelijke macht, die de wereld bestuurt en haar ten slotte door
-rechtstreeksche ingrijping beantwoorden doet aan het door haar gestelde
-doel. Alle godsdiensten hebben daarom eene andere verwachting voor de
-toekomst. Zij kennen alle in meer of minder duidelijke mate een strijd van
-het goede en kwade; alle koesteren zij de hope van de zegepraal van het
-goede, waarbij de deugdzamen beloond en de goddeloozen gestraft worden;
-en meestal achten zij die toekomst ook niet anders bereikbaar dan door
-eene openbaring van bovennatuurlijke krachten, cf. deel III 229. In de
-perzische religie werd zelfs aan het einde der derde wereldperiode de
-verschijning van den derden zoon van Zarathustra, Sosiosh, verwacht,
-die een duizendjarig vrederijk inleiden en het verlossingswerk van
-zijn vader voltooien zou, Saussaye, Religionsgesch. II 51. Hartmann,
-Rel. I 239. Herzog² 11, 239. En onder de Mohammedanen kwam naast het
-geloof aan de wederkomst van Jezus ook langzamerhand de verwachting
-van een Mahdi op, die de geloovigen weder in den gouden tijd van de
-„vier rechtvaardige Khalifs” terugvoeren zou, Dr. C. Snouck Hurgronje,
-Der Mahdi, Separatabdruck von der „Revue Coloniale Internationale”
-1885. Bij Israel werd de verwachting aangaande de toekomst gebouwd op
-den grondslag van het verbond, dat God met Abraham en zijn zaad had
-opgericht. Dit verbond toch draagt een eeuwig karakter en wordt door
-’s menschen ontrouw niet teniet gedaan, deel III 195. Reeds in de wet
-betuigt God herhaaldelijk aan het volk van Israel, dat Hij, wanneer het
-zijn verbond overtreedt, het met de zwaarste straffen bezoeken maar zich
-daarna toch weer zijner ontfermen zal. Als Israel om zijne zonden onder
-de volken verstrooid en zijn land verwoest zal zijn, dan zal de Heere in
-dien tijd door het aannemen van andere volken Israel tot jaloerschheid
-verwekken en daarna het bekeeren en terugvoeren in zijn land, het
-zegenen met allerlei geestelijke en stoffelijke zegeningen en wrake doen
-over al zijne vijanden, Lev. 26, Deut. 4:23-31, 30:1-10, 32:15-43. Na
-de belofte aan Davids huis, dat het bestendig en zijn stoel vast zou
-zijn tot in eeuwigheid, 2 Sam. 7:16, 23:5, 1 Chr. 17:14, krijgt in de
-verwachting aangaande Israels toekomst dit element hoe langer hoe meer
-beteekenis, dat de bekeering en het herstel van Israel niet anders zal
-tot stand komen dan door den gezalfden koning uit Davids geslacht.
-In de profetie worden deze gedachten breeder ontwikkeld en nemen zij,
-ondanks de eigenaardigheid, die zij bij elk der profeten dragen, steeds
-vaster vormen aan.
-
-In de verwachting, welke het Oude Test. koestert aangaande de toekomst
-van het volk Gods, zijn de volgende momenten duidelijk te onderscheiden.
-Alle profeten verkondigen 1º aan Israel en Juda _een dag des gerichts
-en der straf_. De יום יהוה, dat is, de tijd, waarin de Heere zich over
-zijn volk ontfermen en zich aan zijne vijanden wreken zal, werd door de
-profeten gansch anders dan door het volk opgevat. Het volk misbruikte
-deze verwachting en dacht, dat Ihvh het, afgedacht van zijn geestelijken
-toestand, tegen alle gevaar beschermen zou, Am. 5:18, 6:13, Jer. 29,
-Ezech. 33:23v. Maar de profeten zeiden, dat de dag des Heeren ook voor
-Israel een dag des gerichts zou zijn; het volk zou in ballingschap gaan
-en zijn land aan de verwoesting worden prijs gegeven, Am. 2:4v., 5:16,
-18, 27, 6:14 enz., Hos. 1:6, 2:11, 3:4, 8:13, 9:3, 6, 10:6, 11:5,
-13:12, 14:1, Joël 2:1v., Mich. 3:12, 4:10, 7:13, Zef. 1:1-18, Hab.
-1:5-11, Jes. 2:11v., 5:5v., 7:18v., Jer. 1:11-16 enz. Maar toch, die
-straf is 2º _tijdelijk_. Er komt een einde aan na vele dagen, Hos. 3:3,
-na enkele dagen, dat is na een korten tijd, 6:2, na zeventig jaren, Jer.
-25:12, 29:10, na driehonderd en negentig jaren voor Israel en veertig
-jaren voor Juda, Ezech. 4:4v. God kastijdt zijn volk met mate, Jes.
-27:7v., Jer. 30:11, Hij verlaat het slechts voor een kleinen tijd; zijn
-toorn is klein, maar zijne goedertierenheid is eeuwig, Jes. 54:7, 8. Hij
-heeft zijn volk lief met eene eeuwige liefde, en zal zich daarom weder
-ontfermen, Mich. 7:19, Jer. 31:3, 20. Hij kan zijn volk niet verderven,
-al schudt Hij het ook als in eene zeef, Am. 9:8, 9. Zijn berouw is in
-Hem ontstoken, Hos. 11:8. Hij gedenkt zijn verbond, Ezech. 16:60. Hij
-zal zijn volk verlossen, niet om Israels wil, maar om zijns naams wil,
-om zijn roem onder de Heidenen, Deut. 32:27, Jes. 43:25, 48:9, Ezech.
-36:22. Aan het einde van den straftijd zendt God 3º _den Messias_ uit
-Davids huis. Obadja spreekt nog in het algemeen van heilanden, die
-de op Zion ontkomene gemeente beschermen, vs. 17, 21, cf. Jer. 23:4,
-33:17, 20, 21, 22, 26. Amos zegt, dat God na het gericht over Israel
-de vervallen hut van David weer oprichten zal, 9:11. Hosea verwacht,
-dat de kinderen Israels zich bekeeren zullen en den Heere zoeken en
-ook David hunnen koning, 1:11, 3:5, cf. Jer. 30:9, Ezech. 34:23, 24,
-37:22-24. Micha profeteert, dat Israel niet eerder uit de macht der
-vijanden verlost zal worden, voordat uit het Davidisch koningshuis
-te Bethlehem de Heerscher geboren zal zijn, 5:1, 2. Dat Hij niet uit
-Jeruzalem maar, evenals David zelf, uit Bethlehem zal voortkomen,
-bewijst, dat het Davidisch koningshuis den troon verloren heeft en tot
-een staat van nederheid vervallen is. Jesaja zegt dan ook, dat er
-een rijsje zal voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, 11:1, 2,
-en Ezechiël drukt dezelfde gedachte aldus uit, dat de Heere van den
-oppersten tak des hoogen ceders een klein, teeder takje nemen zal,
-17:22. God zal hem als eene spruite aan Davids huis doen uitspruiten,
-Jes. 4:2, Jer. 23:5, 6, 33:14-17, zoodat hij daarnaar ook den naam van
-Spruite draagt, Zach. 3:8, 6:12. In Israels lijdenstijd geboren, zal deze
-Davidide opgroeien in armoedige omstandigheden, Jes. 7:14-17; Hij is een
-koning, maar rechtvaardig, zachtmoedig, nederig en daarom rijdende op
-het veulen eener ezelin, Zach. 9:9; met de koninklijke verbindt hij de
-profetische, Deut. 18:15, Jes. 11:2, 40-66, Mal. 4:5 en de priesterlijke
-waardigheid, Jes. 53, Jer. 30:21, Zach. 3, 6:13, Ps. 110; het rijk,
-dat Hij komt stichten, is een rijk van gerechtigheid en vrede, Jes. 11,
-40-66, Mich. 5:9, Ps. 72, 110; Hij is en verwerft zelf de gerechtigheid
-en het heil voor zijn volk, Jes. 11, 42, 53, Jer. 23:5, 6, Ps. 72
-enz. Zijne verschijning heeft daarom niet eerst plaats na den dag des
-gerichts, maar gaat daaraan vooraf; Juda wordt eerst verlost, als God
-aan David eene spruite schenken zal, Jes. 9:1-16, 11:1v., Jer. 23:5,
-6, 33:14-17. Tot de weldaden 4º, die door dezen Gezalfde aan zijn volk
-geschonken zullen worden, behoort allereerst de _terugkeer_ uit het
-land der ballingschap. Land, volk, koning en God behooren bijeen; het
-herstel van Israel begint daarom met terugkeer uit de ballingschap,
-Am. 9:14, Hos. 11:11, Mich. 4:6, Joel 3:1, Jes. 11:11, Jer. 3:18,
-Ezech. 11:17 enz. Die terugkeer zal volgens de schildering van Jesaja
-buitengewoon heerlijk zijn; de wildernis zal bloeien als eene roos,
-bergen zullen geslecht en dalen gevuld worden; er zal een gebaande weg
-zijn, waarop ook de blinde niet dwalen kan, 35:1-9, 41:17-20, 42:15, 16,
-43:19, 20 enz. In dien terugkeer zal zoowel Israel als Juda deelen, Am.
-9:9-15, Hos. 1:11, 14:2-9, Jes. 11:13, Jer. 3:6, 18, 31:27, 32:37-40,
-Ezech. 37:17, 47:13, 21, 48:1-7, 23-29. Maar aan deze verwachting
-beantwoordde de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap slechts
-zeer ten deele. De na-exilische profeten zien daarom in dien terugkeer
-slechts een begin van de vervulling der beloften, maken hunne
-verwachting los van een terugkeer uit de ballingschap, en spreken,
-behalve Zach. 8:13, niet meer van de tien stammen; de teruggekeerden
-beschouwden zich als de vertegenwoordiging van het gansche Israel,
-Ezr. 6:17. Trouwens vatten al de profeten 5º den terugkeer uit de
-ballingschap tevens in ethischen zin, als eene _bekeering_ van Israel,
-op. Vergadering uit de volken en besnijdenis des harten gaan saam, Deut.
-30:3-6. Lang niet allen zullen terugkeeren en zich bekeeren tot den
-Heere; velen, de meesten zullen in het gericht, dat de dag van Ihvh ook
-over Israel brengen zal, omkomen. De Heere zal het huis Jakobs wel niet
-ganschelijk verderven, maar Hij zal het toch schudden als in een zeef
-en de zondaars doen sterven door het zwaard, Am. 9:8-10. Als de Heere
-Israel en Juda wederbrengt, zal Hij hen eerst in de woestijn leiden en
-daar met hen richten en de goddeloozen uitzuiveren, Hos. 2:13, Ezech.
-20:34v. Vele mannen zullen dan vallen, zoodat zeven vrouwen éénen man
-zullen aangrijpen, Jes. 3:25-4:1. De verdelging is vastelijk besloten,
-slechts een overblijfsel zal wederkeeren, Jes. 4:13, 6:13, 7:3, 10:21,
-11:11. De Heere zal de kinderen Israels dorschen en dan één bij één
-oplezen, Jes. 27:12. Hij zal de hoogmoedigen verdoen, maar een arm en
-ellendig volk doen overblijven, Zeph. 3: 21, en zijn werk in het leven
-behouden, Hab. 3:2. Eén uit eene stad en twee uit een geslacht zullen
-wedergebracht, Jer. 3:14, twee deelen zullen uitgeroeid maar het
-derde deel gelouterd worden, Zach. 13:8, 9. Maar deze overgeblevenen
-zullen dan den Heere tot een heilig volk zijn, dat Hij zich ondertrouwt
-in eeuwigheid, Hos. 1:10, 12, 2:15, 18, 22, Jes. 4:3, 4, 11:9. De
-Heere vergeeft hun alle ongerechtigheid, wascht hen van al hunne
-onreinheid, geeft hun een nieuw hart, stort zijnen Geest op allen uit,
-doet alle afgoderij en tooverij uit haar midden verdwijnen, en richt een
-nieuw verbond met hen op, Mich. 5:11-14, Joel 2:28, Jes. 44:21-23,
-43:25, Jer. 31:31, Ezech. 11:19, 36:25-28, 37:14, Zach. 13:2 enz. Een
-onreine zal er onder hen niet meer zijn, Jes. 52:1, 11, 12; allen zijn
-zij rechtvaardigen, Jes. 60:21, die, door God geleerd, Hem kennen, op
-zijn naam vertrouwen en geen onrecht doen of leugen spreken, Jes.
-54:13, Jer. 31:31, Zeph. 3:12, 13. Alles zal er heilig zijn, tot zelfs
-de bellen der paarden toe, Zach. 14:20, 21. Want de heerlijkheid des
-Heeren is over hen opgegaan, Zach. 2:5, Jes. 60:1, en God zelf woont
-onder hen, Ob. 21, Joel 3:17, Hos. 2:22, Zach. 2:10, 8:8 enz. Deze
-geestelijke weldaden sluiten 6º voor de Oudtest. profetie de verwachting
-in van _het herstel van tempel en eeredienst_. Volgens Obadja zal er
-op Sion ontkoming zijn; daar wonen de heilanden, die Israel beschermen
-en zijne vijanden richten zullen, vs. 17, 21. Joel profeteert, dat de
-Heere wonen zal op Sion, zijnen heiligen berg en dat Jeruzalem eene
-heiligheid zal zijn, die niet meer voor vreemden toegankelijk en eeuwig
-van duur zal zijn, 3:17, 20. Amos verwacht, dat de steden van Palestina
-herbouwd en bewoond en Israel er nimmermeer uit verdreven zal worden,
-9:14, 15. Micha verkondigt, dat, al zal Sion ook als een akker geploegd
-en Jeruzalem tot een steenhoop worden, 3:12, toch de berg van het
-huis des Heeren vastgesteld zal zijn op den top der bergen, dat uit
-Sion de wet zal uitgaan en des Heeren woord uit Jeruzalem, en dat de
-Heere op Sion wonen zal, 4:1, 2, 7, 7:11. Dezelfde gedachte wordt door
-Jesaja uitgesproken, 2:2, die er voorts nog aan toevoegt, dat Sion en
-Jeruzalem, koningschap en priesterschap, tempel en altaar, offeranden
-en feestdagen hersteld zullen worden, 28:16, 30:19, 33:5, 35:10, 52:1,
-56:6, 7, 60:7, 61:6, 66:20-23. Evenzoo verwacht Jeremia, dat Jeruzalem
-herbouwd, des Heeren troon aldaar gevestigd, en de eeredienst in den
-tempel vernieuwd zal worden, 3:16, 17, 30:18, 31:38, 33:18,21. Haggaï
-voorspelt, dat de heerlijkheid van den tweeden tempel grooter zal zijn
-dan die van den eersten, 2:6-10, en Zacharia verkondigt, dat Jeruzalem
-herbouwd en uitgebreid, dat priesterschap en tempel vernieuwd zal
-worden en dat God in Jeruzalem te midden van zijn volk wonen zal, 1:17,
-2:1-5, 3:1-8, 6:9-15, 8:3v. Maar door geen der profeten wordt dit beeld
-der toekomst zoo minutieus uitgewerkt als door Ezechiël. Nadat hij in
-hoofdst. 34-37 gezegd heeft, dat Israel en Juda weder door den Heere
-vergaderd, als één volk onder den eenigen herder uit Davids huis Hem
-ten eigendom aangenomen en met een nieuw hart en een nieuwen geest
-begiftigd zal worden, en dan in hoofdst. 38 en 39 voorspeld heeft, dat
-Israel, in zijn land teruggekeerd, nog één laatsten aanval van Gog uit
-Magog heeft te doorstaan, geeft hij in hoofdst. 40-48 eene uitgewerkte
-teekening van het Palestina der toekomst. Het land aan de westzijde van
-den Jordaan zal door evenwijdige lijnen verdeeld worden in bijna gelijke
-strooken. De bovenste zeven worden bewoond door de stammen Dan, Aser,
-Naftali, Manasse, Efraïm, Ruben, Juda, en de benedenste vijf door
-Benjamin, Simeon, Issaschar, Zebulon en Gad. Tusschen deze bovenste en
-benedenste deelen des lands wordt eene strook lands afgezonderd voor
-den Heere. In het midden van deze 25000 el breede en lange strook ligt
-een hooge berg; en daarop is de met de heerlijkheid des Heeren vervulde
-tempel gebouwd, die 500 el in het vierkant bedraagt en door eene ruimte
-van 500 el aan elke zijde is omringd. Daaromheen ontvangen de priesters,
-die allen zonen Zadoks moeten zijn, in het zuiden en de Levieten in het
-noorden hun woonplaats van 25000 el lengte en 10000 el breedte, terwijl
-in het oosten en westen een gedeelte van de heilige strook toegewezen
-wordt aan den vorst. De stad Jeruzalem is van den tempel gescheiden en
-ligt ten zuiden van het land, dat den priesters is toegewezen, in eene
-vlakte van 25000 el lengte en 5000 el breedte. Aan elke zijde van de
-stad bevinden zich in den muur drie poorten, naar het getal der stammen
-Israels. Op de groote feesten komt heel Israel naar den tempel om te
-offeren, maar aan de Heidenen is de toegang tot den tempel verboden.
-Indien Israel zoo naar Gods inzettingen leeft, zal het rijken zegen
-genieten; van onder den dorpel van de tempeldeur stroomt eene beek,
-die voortdurend zich verdiept, het land vruchtbaar en zelfs het water
-der doode zee gezond maakt; en aan hare oevers staat geboomte, welks
-vruchten tot spijze en welks bladeren tot genezing dienen.
-
-Bij deze geestelijke weldaden komen 7º allerlei _stoffelijke zegeningen_.
-Israel zal onder den vredevorst uit Davids huis in veiligheid wonen.
-Oorlog zal er niet meer zijn; boog en zwaard worden verbroken, Hos.
-2:17, paarden en wagenen verdaan, vestingen vernield, Mich. 5:9, 19,
-zwaarden tot spaden en spiesen tot sikkelen geslagen, en allen zullen
-neerzitten onder hun wijnstok en vijgeboom, Jes. 2:4, Mich. 4:3, 4, want
-het koninkrijk is des Heeren en Hij is hunne sterkte, Ob. 21, Joel 3:16,
-17. Het land zal eene buitengewone vruchtbaarheid ontvangen, zoodat
-de bergen van zoeten wijn druipen en de heuvelen van melk vlieten;
-eene fontein, uitgaande uit het huis des Heeren zal het dorre land
-bevochtigen en de woestijn in een Eden herscheppen; het boos gedierte
-zal verdreven zijn, vijanden zullen den oogst niet meer rooven, en alle
-geboomte, te rechter tijd door malschen regen verkwikt, zal overvloedig
-vruchten dragen, Am. 9:13, 14, Hos. 2:17, 20, 21, 14:6, Joel 3:18, Jes.
-32:15-20, 51:3, 60:17, 18, 62:8, 9, 65:9, 22, Jer. 31:6, 12-14, Ezech.
-34:14, 25, 26, 29, 36:29, 47:1-12, Zach. 8:12, 14:8, 10. Er zal zelfs
-een groote omkeer in heel de natuur plaats hebben; de dieren ontvangen
-een anderen aard, Jes. 11:6-8, 65:25, hemel en aarde worden vernieuwd
-en de vorige dingen niet meer gedacht, Jes. 34:4, 51:6, 65:17, 66:22;
-zon en maan worden veranderd, het licht der maan wordt als de zon en
-het licht der zon wordt zevenvoudig versterkt, Jes. 30:26; ja zon
-en maan houden op, het wordt een eenige dag, want de Heere zal zijn
-tot een eeuwig licht, Jes. 60:19, 20, Zach. 14:6, 7. En ook in de
-menschenwereld zal de verandering groot zijn. Als Israel vergaderd zal
-zijn, zal Palestina van menschen deunen, Mich. 2:12, 13; het zaad der
-kinderen Israels zal zijn als het zand der zee, en vooral zal dat van
-Davids huis en van de levieten vermenigvuldigd worden, Hos. 1:10,
-Jes. 9:2, Jer. 3:16, 33:22. Vanwege de veelheid der menschen en der
-beesten zal Jeruzalem niet te meten zijn en dorpsgewijze bewoond moeten
-worden, Zach. 2:1-4. Deze wonderbare vermeerdering heeft verschillende
-oorzaken. Vele Israelieten zullen, als een gedeelte reeds teruggebracht
-is, naar Jeruzalem komen en in den zegen Israels willen deelen, Zach.
-2:4-9, 8:7, 8, Jer. 3:14, 16, 18; ja, als de boden des Heeren dien
-zegen onder de Heidenen bekend maken, zullen dezen de onder hen nog
-wonende Israelieten in wagenen en draagstoelen, met paarden, muildieren
-en snelle loopers naar Jeruzalem brengen, Jes. 66:19, 20. Voorts zullen
-ook de gestorven Israelieten in die zegeningen deelen. Heel Israel kan
-gezegd worden, uit den dood in het leven te zijn wedergebracht, Hos.
-6:2, 13:14, Jes. 25:8, Ezech. 37:1-14, maar bepaaldelijk verkondigen
-Jesaja, 26:19 en Daniel, 12:2, dat ook de verslagen Israelieten zullen
-opstaan en althans voor een deel ten eeuwigen leven zullen ontwaken. En
-eindelijk zullen ook alle burgers van het Godsrijk een hoogen ouderdom
-bereiken. Er zal daar niet meer zijn een zuigeling van slechts weinige
-dagen, noch een oud man, die zijne dagen niet vol maakt, want wie
-sterft als een knaap zal honderd jaren oud worden, en de zondaar, die
-honderd jaren oud sterft, zal geacht worden, om zijne zonde door een
-vloek getroffen en daarom zoo vroeg gestorven te zijn, Jes. 65:20,
-cf. Zach. 8:4, 5. Ook zal er geen ziekte meer wezen en geen rouw en
-gekrijt, 25:8, 30:19, 65:19, ja de Heere zal den dood vernietigen en
-verslinden tot overwinning, 25:8. Eindelijk 8º zullen in dien zegen van
-het Godsrijk ook de _Heidenen_ deelen. Door heel de Oudtest. profetie
-loopt de gedachte, dat God het bloed zijner knechten aan zijne vijanden
-wreken zal. Aan verschillende volken, Philistea, Tyrus, Moab, Ammon,
-Edom, Assur, Babel, kondigen daarom de profeten Gods oordeelen aan.
-Maar die oordeelen strekken toch niet tot verderf maar tot behoud der
-Heidenen; in Abrahams zaad worden alle volken der aarde gezegend.
-Wel treedt bij den eenen profeet meer de politieke zijde van deze
-onderwerping van de Heidenen onder Israel op den voorgrond, en bij een
-ander de godsdienstige, geestelijke zijde. Maar allen verwachten toch,
-dat de heerschappij van den Messias zich tot alle volken uitbreiden zal,
-cf. Ps. 2, 21, 24, 45, 46, 47, 48, 68, 72, 86, 89, 96, 98 enz. Israel
-zal de Heidenen erfelijk bezitten, Am. 9:12, Ob. 17-21; zij zullen wel
-geoordeeld worden, Joel 3:2-15, maar alwie den naam des Heeren zal
-aanroepen, zal behouden worden, want op Zion is ontkoming, 2:32. De
-Heerscher uit Bethlehem zal groot zijn tot aan de einden der aarde en
-Israel tegen zijne vijanden beschermen, Mich. 5:3v., maar de Heidenen
-zullen toch naar Zion gaan, om des Heeren wegen te leeren, 4:1, 2.
-Nadat de Heere alle goden der volken verdelgd heeft, Zef. 2:4-11,
-3:8, zullen de eilanden der Heidenen zich voor Hem buigen, en zal Hij
-allen volken reine lippen geven, om zijnen naam aan te roepen, 2:11,
-3:9. Ethiopië zal den Heere geschenken brengen in Zion, Jes. 18:7,
-Egyptenaren en Assyriërs zullen Hem dienen, 19:18-25, Tyrus zal haar
-loon den Heere afstaan, 23:15-18, en allen volken zal Hij op Zion een
-vetten maaltijd bereiden, 25:6-10; ja de knecht des Heeren zal ook tot
-een licht der Heidenen zijn, de heerlijkheid des Heeren door zijne boden
-ook onder de volken der aarde bekend maken, en ook door dezen gediend
-worden; het huis des Heeren zal een bedehuis zijn voor alle volken;
-allen zullen daar offers brengen, den Heere aanbidden en naar zijnen
-naam zich noemen, en Israels kudde weiden en zijne akkers bouwen, terwijl
-de Israelieten zich als priesters geheel aan den dienst van Ihvh wijden
-kunnen, 40-66 passim. Als Israel hersteld en Jeruzalem des Heeren troon
-zal zijn, zullen aldaar alle Heidenen om den naam des Heeren vergaderd
-worden, zich in den Heere zegenen en in Hem zich beroemen, Jer. 3:17,
-4:2, 16:19-21, 33:9. Alle volken zullen aan het eind erkennen, dat de
-Heere God is, Ezech. 16:61, 17:24, 25:5v., 26:6, 28:22, 29:6, 30:8v.
-Alle Heidenen zullen hunne kostbaarheden naar Jeruzalem brengen en het
-huis des Heeren met heerlijkheid vervullen, Hagg. 2:7-10. Zij zullen
-komen en zeggen: laat ons heengaan, om te smeeken het aangezicht des
-Heeren; en tien mannen zullen de slip van een Joodschen man grijpen
-en met hem willen gaan, omdat God met hem is, Zach. 2:11, 8:20-23,
-14:16-19. Het volk der heiligen ontvangt de heerschappij over alle
-natiën der aarde, Dan. 7:14, 27. Cf. de litteratuur, opgenoemd deel III
-232 en voor de Messiaansche verwachtingen bij de Joden in Jezus’ tijd:
-Schürer, Gesch. des jüd. Volkes im Zeitalter J. Chr. 3{te} Aufl. II
-496-556.
-
-
-3. Deze Messiaansche verwachtingen des Ouden Testaments dragen, gelijk
-ieder terstond inziet, een zeer eigenaardig karakter; zij bepalen zich
-tot eene toekomstige zaligheid op aarde. In het O. T. moge een enkele
-maal de geloovige zijne hope uitspreken, dat hij na zijn dood in eeuwige
-heerlijkheid zal worden opgenomen, deze verwachting is individueel en
-staat op zichzelve; doorgaans richt het oog der profetie zich naar die
-toekomst heen, waarin het volk Israels onder den koning uit Davids huis
-veilig in Palestina wonen en over alle natiën der aarde heerschen zal.
-Van eene opneming der geloovigen aan het einde der tijden in den hemel
-der heerlijkheid is geen sprake, de zaligheid wordt niet in den hemel
-maar op aarde verwacht. In verband daarmede kent de Oudtest. profetie
-slechts ééne komst van den Messias. Wel weet zij, dat de Gezalfde
-uit Davids huis geboren zal worden, als dit huis tot verval gekomen
-is, en dat Hij aan het lijden van zijn volk deel zal hebben, ja dat Hij
-als knecht des Heeren voor zijn volk lijden en zijne ongerechtigheden
-dragen zal; Hij zal een gansch ander koning zijn dan de vorsten der
-aarde, nederig, zachtmoedig, recht doende, zijn volk beschermende; Hij
-zal niet alleen koning maar tevens profeet en priester zijn. Maar de
-Oudtest. profetie scheidt in het leven van den Messias den staat der
-vernedering en den staat der verhooging nimmer vanéén; zij vat beide in
-één beeld saam; zij onderscheidt geen eerste en tweede komst en stelt
-de laatste, die ten gerichte is, niet geruimen tijd na de eerste, welke
-ter behoudenis strekt. Het is ééne komst, waarbij de Messias aan zijn
-volk de gerechtigheid en de zaligheid schenkt en het tot heerschappij
-brengt over alle volken der aarde. Het rijk, dat Hij komt stichten, is
-daarom ook het voltooide Godsrijk. Zelf zal Hij wel als koning over zijn
-volk regeeren maar Hij is dan toch niets meer dan een theocratisch
-koning, die niet eigenmachtig heerscht maar in volstrekten zin Gods
-regeering verwezenlijkt. De Oudtest. profetie maakt geen onderscheid
-tusschen eene Christus- en eene Godsregeering; zij verwacht niet, dat de
-Messias uit Davids huis, na tijdelijk geregeerd te hebben, zijn koninkrijk
-Gode overdraagt; zij houdt de toekomst, welke zij schildert in het
-Messiaansche rijk, niet voor «en tusschentoestand, die aan het einde
-voor eene Godsregeering in den hemel plaats moet maken; zij beschouwt
-het Messiaansche rijk als den eindtoestand en laat duidelijk het gericht
-over de vijanden, het afslaan van den laatsten aanval, de verandering
-der natuur, de opstanding uit de dooden aan de stichting en bevestiging
-van dit rijk voorafgaan. En dit rijk wordt door alle profeten geschetst
-in verven en kleuren, onder vormen en beelden, welke alle ontleend zijn
-aan de historische omstandigheden, onder welke zij leefden. Palestina
-zal hernomen, Jeruzalem herbouwd, de tempel met zijn offerdienst
-hersteld, Edom en Moab en Ammon, Assur en Babel onderworpen, aan
-alle burgers een lang leven, een rustig nederzitten onder wijnstok en
-vijgeboom geschonken worden; het beeld der toekomst is door en door
-Oudtestamentisch, het is geheel en al historisch en nationaal bepaald.
-Maar in die aardsche, zinnelijke vormen legt de profetie een eeuwigen
-inhoud; de schaal wordt drager van eene onvergankelijke kern, die ook in
-het O. Test. er soms door henenbreekt. Terugkeer uit de ballingschap
-en waarachtige bekeering vallen samen; de religieuse en de politieke
-zijde van Israels overwinning over de vijanden zijn ten nauwste verbonden;
-de Messias is een aardsch vorst maar ook een eeuwig koning, een koning
-der gerechtigheid, een eeuwig vader voor zijn volk, een vredevorst, een
-priesterkoning; de vijanden worden aan Israel onderworpen maar erkennen
-daarin, dat de Heere God is en dienen Hem in zijnen tempel; deze tempel
-met zijn priesterschap en offerdienst zijn het zichtbaar bewijs, dat alle
-burgers des rijks met een nieuw hart en een nieuwen geest den Heere
-dienen en wandelen in zijne wegen; en de buitengewone vruchtbaarheid des
-lands onderstelt eene gansche verandering der natuur, de schepping van
-een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.
-
-Het latere Jodendom bracht in deze Oudtest. verwachtingen allerlei
-wijzigingen aan. Van zijne politieke heerschappij beroofd en onder de
-volken verstrooid, begon het meer en meer rekening te houden met
-het toekomstig lot der individuen en breidde zijn gezichtskring tot
-de menschheid en tot heel de wereld uit. Israel zou wel eenmaal op
-grond van zijne eigene, wettische gerechtigheid door den Messias tot
-eene politieke heerschappij over alle volken gebracht worden; maar dit
-Messiaansche rijk droeg een voorloopig, tijdelijk karakter en zou aan
-het einde plaats maken voor een rijk Gods, voor eene zaligheid der
-rechtvaardigen in den hemel, welke door de opstanding aller menschen
-en door het algemeene wereldgericht werd ingeleid. De politieke en
-de religieuse zijde, welke in het profetische beeld der toekomst ten
-nauwste vereenigd waren, werden op die wijze uiteengerukt. Israel
-verwachtte in Jezus’ dagen een zinnelijk, aardsch Messiasrijk, welks
-toestand in de vormen en beelden der Oudtest. profetie beschreven werd.
-Maar deze beelden en vormen werden nu in letterlijken zin opgevat; de
-schaal werd met de kern, de zaak met het beeld, het wezen met den
-vorm verwisseld; het Messiaansche rijk werd een politieke heerschappij
-van Israel over de volken, eene periode van uitwendigen voorspoed en
-bloei. En aan het einde daarvan had eerst na de algemeene opstanding
-het wereldgericht plaats, waarbij een ieder geoordeeld werd naar zijne
-werken en òf de zaligheid in den hemel tot loon òf de pijniging in de
-gehenna tot straf voor zijne daden ontving. Op die wijze ontstond de leer
-van het Chiliasme. Wel blijft een groot gedeelte der joodsche apocriefe
-litteratuur nog bij de Oudtest. verwachtingen staan. Maar dikwerf,
-vooral in de Apoc. van Baruch en in het vierde boek van Ezra, komt
-toch de voorstelling voor, dat de heerlijkheid van het Messiaansche
-rijk de laatste en de hoogste niet is, maar na een bepaalden tijd, die
-menigmaal berekend en in den Talmud bijv. op 400 of op 1000 jaren
-gesteld wordt, voor de hemelsche zaligheid van het Godsrijk plaats maken
-zal. Het Chiliasme is dus niet van christelijken maar van joodschen
-en voorts ook van perzischen oorsprong, boven bl. 426. Het berust
-altijd op een compromis tusschen de verwachtingen van eene aardsche
-en van eene hemelsche zaligheid en tracht de Oudtest. profetie in
-dien zin tot haar recht te laten komen, dat het door haar een aardsch
-Messiasrijk voorspeld acht, hetwelk na een bestemden tijd door het
-Godsrijk vervangen zal worden. De sterkte van het Chiliasme schijnt nu
-wel het Oude Testament te zijn, maar feitelijk is dit niet zoo; het Oude
-Testament is beslist niet chiliastisch, het teekent in het Messiasrijk
-het voltooide Godsrijk, dat zonder einde is en eeuwig duurt, Dan. 2:44,
-en dat door gericht, opstanding en wereldvernieuwing voorafgegaan
-wordt. Desniettemin vond het bij de Joden en ook bij vele Christenen
-geloof en kwam telkens weer op, als de wereld hare Gode vijandige macht
-ontwikkelde en de kerk deed lijden onder vervolging en druk. In den
-oudsten tijd treffen wij het aan bij Cerinthus, in het testament der
-XII patriarchen, bij de Ebionieten, bij Barnabas, Papias, Irenaeus,
-Hippolytus, Apollinaris, Commodianus, Lactantius, Victorinus. Maar
-het Montanisme maande tot voorzichtigheid; Gnostieken, Alexandrijnsche
-theologen en vooral ook Augustinus bestreden het ten sterkste, en
-de veranderde toestand der kerk, die de wereldmacht overwonnen had
-en zichzelve hoe langer hoe meer voor het Godsrijk op aarde hield,
-deed het langzamerhand geheel uitsterven. Bij vernieuwing kwam het op
-vóór en tijdens de Reformatie, toen velen Rome als de valsche hoer en
-den paus als den antichrist gingen beschouwen; het herleefde bij de
-Wederdoopers, de Davidjoristen, de Socinianen, en stierf sedert niet
-meer uit, ofschoon de officieele kerken het verwierpen. De politieke
-beroeringen, de godsdienstoorlogen, de vervolgingen, de sectarische
-bewegingen schonken er telkens nieuw leven aan. In Boheme werd het
-gepredikt door Paul Felgenhauer en Comenius; in Duitschland door Jakob
-Böhme, Ezechiel Meth, Gichtel, Petersen, Horche, Spener, J. Lange, S.
-König; in Engeland door Joh. Archer, Newton, Joseph Mede, Jane Leade en
-vele Independenten; in Nederland door Labadie, Ant. Bourignon, Poiret
-enz. Zelfs Gereformeerde theologen neigden tot een gematigd Chiliasme,
-zooals Piscator, Alsted, Jurieu, Burnet, Whiston, Serarius, Coccejus,
-Groenewegen, Jac. Alting, d’Outrein, Vitringa, Brakel, Jungius, Mommers
-e. a., cf. H. Brinck, Toetssteen der waarheid en meeningen 1691 bl.
-656v. Voetius, Disp. II 1266-1272. Maresius, Syst. Theol. VIII 38.
-Moor VI 155. M. Vitringa IX. Marck, Exspectatio gloriae futurae Jesu
-Christi, 2 tomi, L. B. 1730. In de 18e en 19e eeuw vond het onder den
-druk der maatschappelijke en staatkundige revolutiën niet alleen ingang
-bij de Swedenborgianen, de Darbysten, de Irvingianen, de Mormonen, de
-Adventisten enz., maar werd het na de realistische richting, ingeslagen
-door Bengel, Oetinger, Ph. M. Hahn, J. M. Hahn, Hasenkamp, Menken,
-Jung-Stilling, J. F. von Meyer enz., ook omhelsd door vele theologen in
-de kerken der Reformatie, zooals Rothe, Theol. Ethik § 586 f. Hofmann,
-Weiss. u. Erf. II 372 f. Delitzsch, Die bibl. proph. Theol. 6 f. Beck,
-Christl. Gl. II. Auberlen, Der Prophet Daniel und die Offenb. Joh. 2e
-Aufl. 1857 S. 372 f. Martensen, Dogm. § 280. Lange, Dogm. II 1271 f.
-Luthardt, Die Lehre v. d. letzten Dingen³ 1885. Komp. d. Dogm. § 76.
-Frank, Chr. Wahrh. II 463 f. Vilmar, Dogm. II 307. Ebrard, Dogm. § 572
-f. Oosterzee, Dogm. § 146. Saussaye, cf. mijne Theol. v. Ch. d. l. S.
-71. Bogue, Redevoeringen over het duizendj. rijk, Gron. 1825. Guers,
-Israels toekomst en herstel benevens eene schets van het duizendj. rijk
-Amst. 1863. John Cumming, De groote verdrukking Amst. 1861. Id. De
-verlossing nabij 1862. Id. De duizendj. rust 1863. Id. Beschouwingen
-over het duizendj. rijk 1866 enz. Seiss, De komende Christus, Brussel
-1892. Art. Chiliasmus in Herzog³ 3, 805-817 en de daar aangehaalde litt.
-
-
-4. De grondgedachten van het Chiliasme zijn vrijwel bij allen dezelfde;
-zij komen hierop neer, dat er eene tweeërlei wederkomst van Christus
-en eene dubbele opstanding te onderscheiden valt; dat Christus bij
-zijne eerste wederkomst de antichristelijke macht overwinnen, den Satan
-binden, de gestorven geloovigen opwekken, de gemeente, inzonderheid
-de gemeente van het bekeerde en naar Palestina teruggebrachte Israel
-rondom zich vergaderen, van uit die gemeente over de wereld heerschen
-en voor zijn volk een tijdperk van geestelijken bloei en stoffelijke
-welvaart zal doen aanbreken; en dat Hij aan het einde van dien tijd
-nog eenmaal wederkomen zal, om alle menschen uit den dood op te
-wekken, voor zijn richterstoel te oordeelen en hun eeuwig lot te
-bepalen. Maar deze grondgedachten laten toch allerlei wijzigingen toe.
-De aanvang van het duizendjarig rijk werd verschillend bepaald; op
-voorgang van den brief van Barnabas leerden vele kerkvaders en later
-ook de Coccejanen, dat het beginnen zou met het zevende millennium
-der wereld; de Fifth-monarchmen lieten het aanvangen na den val van
-het vierde wereldrijk; Hippolytus stelde zijn begin in het jaar 500,
-Groenewegen in 1700, Whiston in 1715 en later in 1766, Jurieu in 1785,
-Bengel in 1836, Stilling in 1816 enz. De duur werd bepaald op 400
-(4 Ezra) of 500 (Evang. van Nicodemus) of duizend (Talmud enz.) of
-tweemaal duizend (Bengel) of slechts 7 (Darby) of ook een onbepaald
-aantal jaren, zoodat het getal in Op. 20:2, 3 symbolisch opgevat
-wordt (Rothe, Martensen, Lange enz.). Enkelen meenen, dat er voor
-de oprichting van het duizendjarig rijk geen wederkomst van Christus
-(Kurtz); of althans geen zichtbare wederkomst (Darby), of eene slechts
-voor de geloovigen zichtbare wederkomst (Irving) zal plaats hebben,
-en dat er geen opstanding der geloovigen vóór het millennium behoort
-aangenomen te worden (Bengel). Velen nemen wel aan, dat Christus na
-zijne eerste wederkomst op aarde blijft, maar anderen zijn van meening,
-dat Hij slechts even verschijnt, om zijn rijk op te richten en daarna
-weder in den hemel zich terugtrekt. De regeering van Christus in het
-millennium geschiedt volgens Piscator, Alsted enz. van uit den hemel.
-In die heerschappij deelen dan de opgestane martelaren, die of in den
-hemel werden opgenomen (Piscator) of op aarde achterbleven (Alsted),
-of al de opgestane geloovigen, die hier op aarde blijven (Justinus,
-Irenaeus enz.) of die Christus bij zijne verschijning in de wolken
-tegemoet gevoerd worden in de lucht (Irving), of vooral het volk
-Israel. Want doorgaans verwachten de chiliasten eene volksbekeering
-van Israel, en de meesten stellen zich voor, dat het bekeerde Israel
-naar Palestina zal teruggebracht worden en daar de voornaamste burgers
-van het duizendjarig rijk zullen zijn (Jurieu, Oetinger, Hofmann,
-Auberlen enz.). Als men een blijven van Christus op aarde na zijne eerste
-wederkomst aanneemt, bepaalt men gewoonlijk het herbouwde Jeruzalem
-als zijne woonplaats, hoewel de Montanisten indertijd aan Pepuza en
-de Mormonen thans aan hun Zoutzeedal denken. Herstel van tempel en
-altaar, van priesterschap en offerande werd in den regel, als al te
-duidelijk met het Nieuwe Testament in strijd, verworpen, maar vond toch
-nog verdediging bij de Ebionieten en in den nieuweren tijd bij Serarius,
-Oetinger, Hess e. a. Van karakter en toestand van het duizendjarig
-rijk maakt men zich zeer verschillende voorstellingen. Soms wordt het
-beschreven als een rijk van zinnelijke genietingen (Cerinthus, Ebionieten
-enz.); dan weer wordt het meer geestelijk opgevat, en alle genot van
-spijze en drank, alle huwelijk en voortplanting eruit verwijderd (Burnet,
-Lavater, Rothe, Ebrard). Meestentijds wordt het millennium beschouwd
-als een overgangstoestand tusschen het Diesseits en het Jenseits; het
-is een rijk, waarin de geloovigen voor de aanschouwing Gods worden
-voorbereid (Irenaeus); waarin zij rust en vrede genieten, zonder nog
-geheel van de zonde verlost en boven den dood verheven te zijn; waarin
-de natuur (Irenaeus) en ook de menschen (Lactantius) buitengewoon
-vruchtbaar zullen zijn; en waarin naar eene later geliefkoosde gedachte
-de gemeente vooral haar zendingswerk aan de menschheid volbrengen zal
-(Lavater, Ebrard, Auberlen enz.). Al deze wijzigingen formuleeren even
-zoovele bezwaren tegen het Chiliasme; reeds voor de profetie van het
-Oude Testament, waarop het zich bij voorkeur beroept, kan het niet
-bestaan. Want, behalve dat, gelijk boven reeds gezegd is, het Oude
-Testament in het Messiaansche rijk geen voorloopigen, tijdelijken toestand
-maar het eindresultaat der wereldgeschiedenis ziet, maakt het Chiliasme
-in de verklaring der profetie aan de grootste willekeur zich schuldig.
-Het verdubbelt de wederkomst van Christus en de opstanding der dooden,
-zonder dat het Oude Testament daar iets van weet. Het mist alle
-regel en methode bij de uitlegging en maakt willekeurig halt, naar de
-subjectieve meening van den interpreet. De profeten verkondigen allen
-even luide en even krachtig, niet alleen de bekeering van Israel en
-van de volken, maar ook den terugkeer naar Palestina, den herbouw van
-Jeruzalem, het herstel van tempel, priesterschap en offerdienst enz. En
-het is niets dan willekeur, den eenen trek van dit beeld letterlijk en
-den anderen geestelijk op te vatten. Het is één beeld der toekomst, dat
-de profetie ons teekent. En dit beeld is òf letterlijk te nemen, gelijk
-het zich geeft, maar dan breekt men met het Christendom en valt in het
-Jodendom terug; òf er is van dit beeld eene gansch andere verklaring te
-geven, dan het Chiliasme beproeft. Zulk eene verklaring wordt door de
-Schrift zelve ons aan de hand gedaan en moet door ons aan haar worden
-ontleend.
-
-
-5. Reeds in het Oude Test. zijn er vele aanwijzingen voor eene andere en
-betere verklaring, dan het Chiliasme van de profetische verwachtingen
-biedt. Zelfs de moderne geschiedbeschouwing van Israel erkent, dat
-het Jahvisme der profeten door zijn zedelijk karakter zich onderscheidt
-van de natuurgodsdiensten en allengs aan de godsdienstige wetten en
-gebruiken onder Israel een geestelijke beteekenis heeft geschonken.
-De ware besnijdenis is die des harten, Deut. 10:16, 30:6, Jer. 4:4;
-de offeranden, die Gode aangenaam zijn, zijn een gebroken hart en een
-verslagen geest, 1 Sam. 15:22, Ps. 40:7, 50:8v., 51:19, Hos. 6:6, Am.
-5:21v., Mich. 6:6v., Jes. 1:11v., Jer. 6:20, 7:21v. enz.; het ware
-vasten is het losmaken van de strikken der goddeloosheid, Jes. 58:3v.,
-Jer. 14:12; voor een groot deel is de strijd der profeten tegen den
-uitwendigen, eigengerechtigen cultus van het volk gericht. Het wezen
-van de bedeeling der toekomst bestaat dan ook daarin, dat de Heere een
-nieuw verbond met zijn volk zal oprichten, dat Hij hun een nieuw hart
-zal schenken en daarin zijne wet zal schrijven en dat Hij op allen zijnen
-Geest zal uitstorten, zoodat zij Hem liefhebben met hun gansche hart
-en in zijne wegen wandelen, Deut. 30:6, Jer. 31:32, 32:38v., Ezech.
-11:19, 36:26, Joel 2:28, Zach. 12:10. En wel wordt nu die toekomst
-geschilderd in beelden, aan de historische omstandigheden ontleend,
-zoodat Zion en Jeruzalem, tempel en altaar, offerande en priesterschap
-daarin eene groote plaats blijven innemen. Maar 1º bedenke men, dat ook
-wij hetzelfde doen en van God en Goddelijke zaken, van geestelijke en
-hemelsche dingen niet anders kunnen spreken dan in aardsche, zinnelijke
-vormen. De Oudtest. eeredienst is door God ook daartoe ingesteld, opdat
-wij niet in eigengemaakte maar in door Hemzelf ons gegeven, juiste
-beelden van de hemelsche dingen naar waarheid zouden kunnen spreken.
-Het Nieuwe Test. neemt daarom ook dit spraakgebruik over en gewaagt in
-het toekomstige Godsrijk van Zion en Jeruzalem, van tempel en altaar,
-van profeten en priesters; het aardsche is een beeld van het hemelsche,
-Alles Vergängliche ist nur ein Gleichniss. Men vergete 2º niet, dat
-alle profetie poezie is, die naar haar eigen natuur verklaard moet
-worden. De fout van de vroeger heerschende exegese bestond niet in
-hare vergeestelijking zonder meer, maar wel daarin, dat zij alle tot
-illustratie dienende détails in een geestelijken zin wilde omzetten en
-daarbij, evenals bij de gelijkenissen van Jezus, de hoofdgedachte dikwerf
-uit het oog verloor. Als er bijv. gezegd wordt, dat de Heere een rijsje
-verwekken zal uit den afgehouwen tronk van Isaï, dat Hij den berg
-Zions verheffen zal op den top der bergen, dat Hij van de verbannenen
-één uit eene stad en twee uit een geslacht zal wederbrengen, dat Hij
-rein water op allen sprengen en hen van hunne zonden reinigen zal,
-dat Hij de bergen van zoeten wijn zal doen druipen en de heuvelen zal
-doen vlieten van melk enz., dan gevoelt elk, dat hij hierin met eene
-poëtische beschrijving te doen heeft, die niet letterlijk kan of mag
-worden opgevat. De realistische verklaring komt hier met zichzelve in
-strijd en miskent het karakter der profetie. Ook is het 3º onjuist, dat
-de profeten zelf het onderscheid van zaak en beeld zich volstrekt niet
-bewust zouden geweest zijn. Niet alleen zijn de bovengenoemde poëtische
-omschrijvingen zonder twijfel door de profeten als beeld opgevat, maar
-met de namen van Sodom, Gomorra, Edom, Moab, Philistea, Egypte, Assur,
-Babel duiden zij meermalen de macht der Heidenwereld aan, die eens aan
-Israel onderworpen zal worden en in zijne zegeningen zal deelen, Ob.
-16, 17, Jes. 34:5, Ezech. 16:46v., Dan. 2, 7v., Zach. 14:21. Zion is
-dikwerf de naam voor het volk, voor de gemeente Gods, Jes. 49:14, 50:1,
-51:3, 52:1, 54:1. En al kan de Oudtest. profetie zich het toekomstige
-Godsrijk niet voorstellen zonder tempel en offerande, toch gaat zij
-telkens boven alle nationale en aardsche verhoudingen uit en verkondigt
-zij, dat er geen ark des verbonds meer wezen zal, wijl heel Jeruzalem
-Gods troon is, Jer. 3:16, 17, dat het rijk van den Messias eeuwig zal
-zijn en de gansche wereld omvatten, Ps. 2:8, 72:8, 17, Dan. 2:44, dat
-alle inwoners profeten en priesters zullen zijn, Jes. 54:13, 61:6, Jer.
-31:31, dat alle onreinheid en zonde, alle krankheid en dood er gebannen
-zal zijn, 25:8, 33:24, 52:1, 11, Zach. 14:20, 21, Ps. 104:35, dat het
-gesticht zal worden in een nieuwen hemel en op eene nieuwe aarde, en
-geen zon of maan meer noodig zal hebben, Jes. 60:19, 20, 65:17, 66:22.
-Zelfs het realistische toekomstbeeld van Ezechiel bevat elementen, die
-eene symbolische verklaring noodzakelijk maken; de gelijke deelen, die
-aan alle stammen, schoon zeer onderscheiden in getalsterkte, worden
-toegewezen; de afgepaste strooken, die voor priesters, levieten en
-vorst bestemd zijn; de scheiding van tempel en stad, de hooge ligging
-van den tempel op een berg en de beek, die van onder den dorpel van
-de oostelijke tempeldeur naar de doode zee stroomt; en ten slotte
-de kunstmatige ineenzetting en de practische onuitvoerbaarheid, zij
-verzetten zich tegen eene zoogenaamd realistische uitlegging. Eindelijk
-4º is het bij de exegese des Ouden Testaments de vraag niet, of de
-profeten zich geheel of ten deele bewust waren van het symbolisch
-karakter hunner voorspellingen, want zelfs in het woord van klassieke
-schrijvers ligt meer, dan zijzelven erbij gedacht of ermede bedoeld
-hebben. Maar wel is het de vraag, wat de Geest van Christus, die in hen
-was, ermede betuigden en openbaren wilde. Dat nu wordt uitgemaakt door
-het Nieuwe Testament, dat de voltooiing, de vervulling en daarom de
-verklaring van het Oude is, want in de vrucht wordt de natuur van den
-boom openbaar. Zelfs de moderne kritiek erkent, dat niet het Jodendom
-maar dat het Christendom de volle verwezenlijking is van de religie der
-profeten.
-
-Hierover kan toch geen twijfel bestaan, dat het N. Testament zichzelf
-beschouwt als de geestelijke en dus als de volkomene en waarachtige
-vervulling van het Oude Testament. Het vergeestelijken van het O. T.,
-mits in goeden zin verstaan, is niet een uitvindsel van de christelijke
-theologie, maar heeft in het N. T. zelf een aanvang genomen. Het
-vergeestelijkte Oude Testament, dat is, het Oude Testament van zijn
-tijdelijken, zinnelijken vorm ontdaan, is het Nieuwe Testament. De
-eigenaardigheid van de oude bedeeling was juist, dat het verbond der
-genade onder aanschouwelijke beelden voorgesteld en in nationale,
-zinnelijke vormen ingekleed werd. Zonde werd gesymboliseerd in de
-levietische onreinheid. Verzoening kwam tot stand door de offerande
-van een geslacht dier. Reiniging werd afgeschaduwd in lichamelijke
-wasschingen. Gemeenschap met God was gebonden aan het opgaan naar
-Jeruzalem. Behoefte aan Gods gunst en nabijheid uitte zich in een
-verlangen naar zijne voorhoven. Het eeuwige leven werd gedacht als een
-lang leven op aarde enz. Al het geestelijke, hemelsche en eeuwige werd
-overeenkomstig de vatbaarheid van Israel, dat als een kind onder de
-tucht der wet was gesteld, in aardsche schaduwen gehuld. Ofschoon de
-groote massa des volks dikwerf bij die uitwendige vormen staan bleef,
-evenals vele Christenen in het sacrament aan het teeken blijven hangen,
-drongen de vrome Israelieten met hunne harten wel tot de geestelijke
-kern door, die in de schaal verborgen was, maar toch zagen ook zij dat
-geestelijke niet anders dan in schaduw en beeld. Daarom zegt het Nieuwe
-Testament, dat het Oude was σκια των μελλοντων, το δε σωμα Χριστου,
-Col. 2:17, ὑποδειγμα και σκια των ἐπουρανιων, Hebr. 8:5. De schaduw
-is het lichaam niet, maar wijst toch heen naar het lichaam, en valt
-weg, als dit zelf gekomen is. Het Nieuwe Testament is de waarheid,
-het wezen, de kern, de eigenlijke inhoud van het Oude Testament; Vetus
-Test. in Novo patet, Novum Test. in Vetere latet. Daarom is er in het
-N. Test. zoo telkens van de waarheid sprake. Tegenover de wet, die door
-Mozes is gegeven, staat de waarheid, die in Jezus Christus geworden is,
-Joh. 1:14, 17. Hij is de waarheid, Joh. 14:6; de Geest, dien Hij uitzond,
-is de Geest der waarheid, Joh. 16:13, 1 Joh. 5:6; het woord Gods, dat
-Hij predikte, is het woord der waarheid, Joh. 17:17; het onder het O.
-Test. beloofde en afgeschaduwde heilsgoed is in Christus als eeuwige,
-waarachtige realiteit voor allen openbaar geworden; alle beloften
-Gods zijn in Hem ja en amen, 2 Cor. 1:20; het Oude Testament is niet
-afgeschaft maar is in de nieuwe bedeeling tot zijne vervulling gekomen
-en komt daarin nog altijd door tot vervulling tot op de parousie van
-Christus toe. Christus is daarom de ware profeet, priester en koning;
-de echte knecht des Heeren, het ware zoenoffer, Rom. 3:25, de ware
-besnijdenis, Col. 2:11, het ware pascha, 1 Cor. 5:7, de waarachtige
-offerande, Ef. 5:2, en zijne gemeente is het ware zaad Abrahams, het
-ware Israel, het ware volk Gods, Mt. 1:21, Luk. 1:17, Rom. 9:25, 26,
-2 Cor. 6:16-18, Gal. 3:29, Tit. 2:14, Hebr. 8:8-10, Jak. 1:1, 18, 1
-Petr. 2:9, Op. 21:3, 12, de ware tempel Gods, 1 Cor. 3:16, 2 Cor. 6:16,
-Ef. 2:22, 2 Thess. 2:4, Hebr. 8:2, het ware Zion en Jeruzalem, Gal.
-4:26, Hebr. 12:22, Op. 3:12, 21:2, 10; haar geestelijke offerande is
-de ware godsdienst, Joh. 4:24, Rom. 12:1, Phil. 3:3, 4:18, cf. deel
-III 217. Alle begrippen des Ouden Testaments leggen hun uitwendige,
-nationaal-israelietische beteekenis af en worden in hun geestelijken,
-eeuwigen zin openbaar; het semietische behoeft niet meer door ons,
-gelijk Bunsen wilde, in het japhetische te worden overgezet; het N.
-Test. zelf heeft aan de particularistische ideeën des O. Test. eene
-universalistische, kosmische beteekenis gegeven. Geheel verkeerd is
-dus de beschouwing van het Chiliasme, volgens welke het N. Test. met
-de gemeente uit de Heidenen een intermezzo is, een zijweg, die door God
-is ingeslagen, omdat Israel zijn Messias verwierp, zoodat de eigenlijke
-voortzetting en vervulling des Ouden Testaments eerst bij de tweede
-komst van Christus een aanvang zou nemen. Veeleer is het omgekeerde
-waar. Niet het Nieuwe, maar het Oude Testament is een tusschenbedrijf.
-Het verbond met Israel is tijdelijk, de wet is tusschen de belofte aan
-Abraham en hare vervulling in Christus ingeschoven, opdat zij de misdaad
-vermeerderen en als een tuchtmeester tot Christus opleiden zou, Rom.
-5:20, Gal. 3:19. Daarom gaat Paulus altijd tot Abraham terug, Rom.
-4:11v., Gal. 3:6v., en knoopt aan de belofte, die tot hem is geschied,
-zijn evangelie vast. Abraham is de vader van de geloovigen, van alle
-geloovigen, niet alleen uit de Joden maar ook uit de Heidenen, Rom.
-4:11; de kinderen der belofte zijn zijn zaad; Rom. 9:6-8; de zegening van
-Abraham komt in Christus tot de Heidenen, Gal. 3:14; wie van Christus
-zijn, zijn Abrahams zaad en naar de beloftenis erfgenamen, Gal. 3:29.
-Het volk van Israel is in de dagen des O. Test. tijdelijk verkoren,
-opdat het heil straks in de volheid des tijds aan heel de wereld ten
-goede zou komen. Israel is niet verkoren tot schade maar ten bate der
-volken. De belofte aan Adam en Noach had van haar eerste begin af eene
-universalistische strekking en heeft deze, na haar tijdelijke, wettische
-gedaante onder Israel te hebben afgelegd, in Christus ten volle voor
-alle natiën geopenbaard. Het voorhangsel is gescheurd, de scheidsmuur
-is gevallen, het handschrift der wet is aan het kruis genageld; en nu
-zijn de geloovigen uit de Heidenen met die uit de Joden medeërfgenamen,
-medeburgers der heiligen, huisgenooten Gods, nabij geworden in Christus,
-en op hetzelfde fundament van apostelen en profeten gebouwd, Ef.
-1:9-11, 2:11-22. Het Nieuwe Testament is daarom geen intermezzo, geen
-tusschenbedrijf, geen zijweg, geen afbuiging van de lijn des O. Verbonds,
-maar het lang te voren beoogde doel, de directe voortzetting, de
-waarachtige vervulling van het Oude Testament. Het Chiliasme, anders
-oordeelende, komt met het Christendom zelf in conflict. Principieel
-beschouwd, is het met het Judaisme één en moet er toe komen, om aan
-het Christendom, aan den historischen persoon van Christus, aan zijn
-lijden en sterven, eene tijdelijke, voorbijgaande waarde toe te kennen
-en de eigenlijke zaligheid eerst te verwachten van Christus’ tweede
-komst, van zijne verschijning in heerlijkheid. Evenals het Judaisme,
-maakt het het geestelijke aan het stoffelijke, het ethische aan het
-physische ondergeschikt, stijft de Joden in hun vleeschelijke gezindheid,
-verontschuldigt hunne verwerping van den Messias, verzwaart het
-deksel, dat op hun aangezicht ligt bij het lezen des Ouden Testaments,
-en bevordert de inbeelding, dat de vleeschelijke afstammeling van
-Abraham nog als zoodanig een prerogatief zal hebben in het koninkrijk
-der hemelen. De Schrift echter zegt, dat de ware lezing en verklaring
-van het O. Test. te vinden is bij hem, die tot den Heere Christus is
-bekeerd, 2 Cor. 3:14-16, dat die een Jood is, die het in het verborgene
-is en de besnijdenis des harten deelachtig, Rom. 2:29, dat er in
-Christus geen man of vrouw, geen Jood of Griek is, maar dat zij allen
-één zijn in Christus Jezus, 1 Cor. 12:13, Gal. 3:28, Col. 3:11. De Jood,
-die Christen wordt, was niet maar werd door zijn geloof een kind van
-Abraham, Gal. 3:29. Cf. tegen het Chiliasme: Augustinus, de civ. XX c.
-6-9. Luther bij Köstlin II 564 f. Gerhard, Loc. XXIX c. 7. Quenstedt,
-Theol. IV 649. Calvijn, Inst. III 25, 5. Walaeus, Op. I 537-554.
-Voetius, Disp. II 1248-1272. Turretinus, Theol. El. XX qu 3. Moor VI
-149-162. Hengstenberg in zijn comm. op de Openb. van Johannes. Keil op
-Ezechiel 1868 S. 495 f. Kliefoth, Eschatologie 1886 S. 147 f. Philippi,
-Kirchl. Gl. VI 214 f. Hodge, Syst. Theol. III 805-812. 861-866. Kuyper,
-Heraut 981-1003 enz.
-
-
-6. Ofschoon hiermede in het algemeen het resultaat reeds volkomen
-vaststaat, dat het Nieuwe Testament antichiliastisch is, Kuenen, Prof.
-II 271, moet dit toch nog in bijzonderheden nader worden aangetoond.
-Het Chiliasme sluit de verwachting in, dat er tegen de wederkomst van
-Christus eene volksbekeering van Israel zal plaats hebben, dat de Joden
-dan naar Palestina terug zullen keeren, en vandaar uit onder Christus
-over de volken heerschen zullen. Daarbij is er onder de chiliasten
-verschil over, of de bekeering aan den terugkeer of deze aan gene zal
-voorafgaan, cf. bijv. Guers, Israels toekomst en herstel 171. Wijl
-het moeilijk te denken is, dat de verstrooide Joden eerst successief
-bekeerd worden en dan samen het plan opvatten, om naar Palestina te
-gaan, meenen sommigen, dat de Joden eerst langzamerhand naar Kanaän
-terugkeeren en daar dan later gezamenlijk tot Christus zullen bekeerd
-worden, of trachten anderen beide gevoelens zoo te vereenigen, dat
-er eerst een groot deel van de Joden naar Palestina trekken, en dat
-dezen, na eerst stad en tempel en eeredienst hersteld te hebben en
-daarna tot Christus bekeerd te zijn, langzamerhand door hunne andere
-volksgenooten gevolgd worden. En zij wijzen erop, dat deze verwachting
-aanvankelijk reeds vervuld wordt. Er zijn reeds duizenden Joden in
-Palestina; de Oostersche quaestie gaat hare oplossing tegemoet, want
-Turkije dankt zijn bestaan alleen aan den onderlingen naijver der groote
-mogendheden; en wordt Turkije eenmaal vernietigd, dan is er alle kans,
-dat Palestina toegewezen wordt aan de Joden, aan wie het rechtmatig
-toekomt; voorts werkt er in vele Joden, gelijk uit het in laatsten tijd
-opgetreden Zionisme blijkt, een verlangen, om naar Palestina terug te
-keeren en daar een zelfstandig rijk te vormen; en eindelijk maakt de
-groote verbetering der verkeermiddelen, die men reeds in Nah. 2:3, 4,
-Jes. 11:16, 66:20 voorspeld acht, zulk een terugkeer ook eenvoudig en
-gemakkelijk. Hoe men nu ook oordeele over deze politieke combinatiën,
-het Nieuwe Testament biedt aan zulk eene verwachting niet den minsten
-steun. Toen de volheid des tijds gekomen was, stonden de Joden, als volk
-beschouwd, met de Heidenen op ééne lijn; zij waren samen verdoemelijk
-voor God, omdat zij eene eigene gerechtigheid uit de wet zochten op te
-richten en de gerechtigheid, die uit het geloof is, verwierpen, Rom.
-3:21. Daarom zond God Johannes tot hen met den doop der bekeering
-en liet het hun daarin aanzeggen, dat zij, schoon besneden zijnde en
-proselieten doopende, zelven schuldig en onrein stonden voor zijn
-aangezicht en evengoed als de Heidenen de wedergeboorte en de bekeering
-van noode hadden, om in te gaan in het koninkrijk der hemelen. Door
-den doop zonderde Johannes de ware Israelieten reeds van de massa des
-volks af. En Jezus ging op dit voetspoor voort; Hij nam den doop van
-Johannes over en liet hem bedienen door zijne discipelen. Wel trad Hij
-evenals Johannes aanvankelijk op met de prediking, dat het koninkrijk
-Gods nabij was gekomen. Maar Hij vatte dat koninkrijk gansch anders dan
-zijne tijdgenooten op; Hij verstond er niet onder eene politieke, maar
-eene religieus-ethische heerschappij en leerde, dat geen vleeschelijke
-afstamming uit Abraham maar alleen wedergeboorte uit water en geest den
-toegang tot dat koninkrijk der hemelen ontsloot, deel III 232v. Daardoor
-vergaderde Hij allengs rondom zich eene schare van discipelen, die zich
-onderscheidde en afzonderde van het volk der Joden. En dezen waren de
-ware ἐκκλησια, het echte volk Gods, gelijk Israel dat had behooren te
-zijn maar nu in zijne verwerping van den Messias betoonde niet te wezen.
-Deze scheiding tusschen het volk der Joden en de Nieuwtest. ἐκκλησια
-werd hoe langer hoe scherper. Wel waren er velen, die in Christus
-geloofden, maar het volk, geleid door de Phariseën en Schriftgeleerden,
-verwierp Hem. Ofschoon voor sommigen tot eene opstanding, was Hij
-voor velen tot een val en tot een teeken, dat weersproken werd, Luk.
-2:34. Hij kwam tot het zijne, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen,
-Joh. 1:11. Jezus zegt zelf, dat een profeet niet geëerd is in zijn
-vaderland, Mt. 13:17. Telkens ervaart Hij, dat de Joden niet tot Hem
-komen willen, Joh. 5:37-47, 6:64; Hij getuigt, dat zij in hunne zonden
-zullen sterven, 8:21, dat zij kinderen des duivels zijn, 8:44, planten,
-niet door den Vader geplant, Mt. 15:13, 14 en ziet in hun ongeloof geen
-toevallige, onvoorziene omstandigheid maar vervulling der profetie, Mt.
-13:13v., Joh. 12:37v. Doch niet alleen heeft Jezus van de Joden in het
-heden niets te hopen, ook in de toekomst verwacht Hij niets voor hen.
-Integendeel Hij kondigt de geheele verwoesting van stad en tempel aan,
-zoodat er geen steen op den ander zal gelaten worden, Joh. 2:18-21, Mt.
-22:7, 23:37-39, 24:1v., Mk. 13, Luk. 21:6v. Bij zijn intocht in Jeruzalem
-weent Hij over de stad, Luk. 19:41-44. Des Maandags vóór zijn dood vloekt
-hij op den weg naar Bethanië den vijgeboom, die daarin, dat hij nog geen
-vruchten maar wel reeds bladeren had, een beeld was van het schijnvrome,
-eigengerechtige Israel, en sprak, dat niemand eenige vrucht meer van
-hem eten zou in der eeuwigheid, Mk. 11:12-14. Bij zijn kruisgang beveelt
-Hij de vrouwen, niet over Hem maar over Jeruzalem te weenen, Luk. 23:28.
-Zelfs predikt Hij, dat de zaligheid, door Israel verworpen, het deel
-der Heidenen zal worden. Het koninkrijk Gods zal Israel ontnomen en
-aan een ander volk gegeven worden, dat zijne vruchten voortbrengt, Mt.
-21:43; de wijngaard wordt aan andere landlieden verhuurd. Mt. 21:41;
-tot de bruiloft worden geroepen degenen, die op de uitgangen der wegen
-zijn, Mt. 22:9; de verloren zoon gaat vóór den oudsten zoon, Luk. 15.
-En zoo zegt Hij, dat velen zullen komen van Oosten en Westen en met
-Abraham, Izak en Jakob zullen aanzitten in het koninkrijk der hemelen,
-Mt. 8:10-12; dat Hij nog andere schapen heeft, die van dezen stal niet
-zijn, Joh. 10:16; en verblijdt er zich over, dat, als eenige Grieken
-Hem begeeren te zien, Hij nu als een tarwegraan in de aarde vallen en
-sterven en alzoo veel vrucht zal dragen, Joh. 12:24. Na zijne opstanding
-beveelt Hij dan ook aan zijne discipelen, om het evangelie te prediken
-aan alle volken, Mt. 28:18. En eenzelfde oordeel over Israel treffen wij
-bij alle apostelen aan. Wel moeten zij als Jezus’ getuigen van Jeruzalem
-uit hun arbeid beginnen, maar dan hem voortzetten tot aan het uiterste
-der aarde, Hd. 1:8. Petrus brengt daarom het evangelie terstond aan de
-Joden, Hd. 2:14, 3:19, 5:31, doch ziet in een gezicht, dat voortaan
-niemand onrein is, maar dat Gode aangenaam is een iegelijk, die Hem
-vreest, uit wat volk hij ook voortkome, Hd. 10:35, 43. Paulus begint
-zijne prediking altijd eerst bij de Joden, maar keert zich, als dezen
-het verwerpen, tot de Heidenen, Hd. 13:46, 18:6, 28:25-28. Eerst den
-Jood, maar ook den Griek, is de regel, dien hij op zijne zendingsreizen
-in acht neemt, Rom. 1:16, 1 Cor. 1:21-24. Immers, Joden en Heidenen
-zijn beide verdoemelijk voor God en hebben hetzelfde evangelie van
-noode, Rom. 3:19v. Er is slechts voor allen één weg tot de zaligheid,
-n.l. het geloof, gelijk dat reeds vóór de wet door Abraham geoefend en
-hem tot gerechtigheid gerekend is, Rom. 4, Gal. 3. Wie van de Joden
-Christus verwerpen, zijn geen ware, echte Joden, Rom. 2:28, 29; zij zijn
-niet de besnijding maar de versnijding, Phil. 3:2, zij zijn ongeregelden,
-ijdelheidsprekers, verleiders van zinnen, wien men den mond moet
-stoppen, Tit. 1:10, 11; zij hebben den Heere Jezus en hunne eigene
-profeten gedood, zij vervolgen de geloovigen, zij behagen God niet en zijn
-allen menschen tegen, zij verhinderen de apostelen, om tot de Heidenen
-te spreken, en maken de mate hunner zonden vol, zoodat de toorn over
-hen tot zijn uiterste grens gekomen is en thans zich over hen ontlaadt,
-1 Thess. 2:14-16. De Joden, die de gemeente van Smyrna lasteren,
-zeggen wel, dat zij Joden zijn, maar zij zijn het niet, zij zijn veelmeer
-eene synagoge des satans, Op. 2:9, 3:9. Echte Joden, ware kinderen
-Abrahams zijn zij, die in Christus gelooven, Rom. 9:8, Gal. 3:29 enz. Zoo
-oordeelt het N. Test. over de Joden; de gemeente der geloovigen heeft
-in alle opzichten het nationale, vleeschelijke Israel vervangen; het
-Oude Testament is in het Nieuwe vervuld.
-
-
-7. Slechts enkele plaatsen schijnen met deze doorgaande leer der
-Schrift in strijd te zijn en iets anders in te houden. De eerste plaats
-is Mt. 23:37-39, Luk. 13:33-35, waar Jezus tot de inwoners van
-Jeruzalem zegt, dat hun huis woest gelaten zal worden, en dat zij Hem
-niet zullen zien, totdat zij zullen zeggen: gezegend is Hij, die komt
-in den naam des Heeren. Hier spreekt Jezus inderdaad de verwachting
-uit, dat de Joden Hem eenmaal, n.l. bij zijne wederkomst, als Messias
-erkennen zullen. Wanneer nu van elders een duizendjarig rijk en eene
-daarmede samenvallende bekeering van Israel vaststond, zou deze plaats
-daarnaar verklaard kunnen worden. Maar wijl dit niet het geval is,
-ook niet in Op. 20, gelijk later blijken zal, kan hier alleen gedacht
-worden aan de Messiaserkenning der Joden bij Christus’ wederkomst ten
-oordeele. En zoolang, zegt Jezus uitdrukkelijk, zal Jeruzalem woest
-gelaten worden; een herbouw van stad en tempel wordt dus in elk geval
-door Jezus vóór zijne wederkomst niet verwacht. Ten tweede komt Luk.
-21:24 in aanmerking, waar Jezus zegt, dat Jeruzalem van de Heidenen
-vertreden zal worden, totdat de tijden der Heidenen vervuld zullen zijn.
-De conjunctie ἀχρι οὑ sluit nog niet in, dat bij het aanbreken van den
-daardoor aangeduiden termijn het tegenovergestelde, n.l. het herbouwd
-en bewoond worden van Jeruzalem door de Joden plaats hebben zal. Maar
-ook al ware dit zoo, dan zegt Jezus daarmede nog niet, dat aan de
-vertreding van Jeruzalem een einde zal komen vóór zijne parousie, want
-Hij gaat terstond, na het oordeel over Jeruzalem te hebben uitgesproken,
-tot de bespreking van de teekenen vóór en bij zijne wederkomst over,
-Luk. 21:25v.; de tijden der Heidenen duren tot zijne wederkomst voort.
-Wederom, indien het N. T. eene tweevoudige wederkomst van Christus
-leerde, zou deze plaats in overeenstemming daarmede kunnen worden
-uitgelegd, maar het zal straks duidelijk worden, dat daarvoor geen grond
-in het N. T. aanwezig is. De derde tekst, die hier ter sprake komt, is
-Hd. 3:19-21. Daar vermaant Petrus de Joden tot bekeering, opdat hunne
-zonden uitgewischt worden en opdat καιροι ἀναψυξεως, tijdpunten van
-verkwikking, mogen komen van de zijde van het aangezicht des Heeren en
-Hij, n.l. God, den voor u (de Joden) bestemden Christus Jezus zenden
-zal, welken de hemel moet opnemen tot de tijden van de wederoprichting
-aller dingen. Sommigen meenen, dat de tijden der verkwikking, waarvan
-hier gesproken wordt, dan zullen aanbreken, wanneer het Joodsche volk
-bekeerd wordt en alle dingen weer naar hun oorspronkelijke bestemming in
-het duizendjarig rijk worden opgericht, en dat zij dan duren zullen tot
-de tweede wederkomst van Jezus toe. Maar tegen deze uitlegging bestaat
-groot bezwaar. De χρονοι ἀποκαταστασεως παντων zijn moeilijk te verstaan
-van de herstelling der natuurlijke en zedelijke verhoudingen, die door de
-Chiliasten in het millennium verwacht wordt, want er staat duidelijk,
-dat deze tijden het eindpunt zijn van het verblijf van Jezus in den hemel;
-tot zoo lang vertoeft Jezus dus aan ’s Vaders rechterhand, en wijl de
-Schrift slechts ééne wederkomst van Christus kent, vallen de tijden van
-de wederoprichting aller dingen met de voleindiging der wereld saam;
-bovendien is ἀποκαταστασις παντων veel te sterke uitdrukking voor dat
-herstel van het Joodsche rijk, dat het Chiliasme verwacht. De tijden der
-verkwikking zijn daarom niet identisch met maar gaan aan de tijden van de
-wederoprichting aller dingen vooraf. Want Petrus geeft een tweeledig
-doel aan van de bekeering der Joden, opdat tijden van verkwikking
-voor hen aanbreken en opdat God hun den voor hen bestemden Christus
-zenden moge. De tijden der verkwikking vallen vóór de wederkomst van
-Christus en slaan dan òf op den geestelijken vrede, die het gevolg is
-van bekeering en vergeving der zonden, òf op bepaalde toekomstige tijden
-van Goddelijken zegen en gunst. Het laatste is het waarschijnlijkste,
-omdat de tijden der verkwikking niet onmiddellijk met de uitwissching der
-zonden maar met de zending van Christus in verband worden gebracht. En
-de gedachte, welke Petrus hier uitspreekt, is dan deze: bekeert u, o
-Joden, tot uitwissching uwer zonden, opdat er ook voor u als volk, die
-Christus overgeleverd, verloochend en gedood hebt, vs. 13-15, tijden
-van verkwikking van Gods aangezicht mogen aanbreken en God daarna van
-den hemel zenden moge dien Christus, die in de eerste plaats voor u
-bestemd en daarom ook het eerst tot u gekomen is, vs. 26, om ook u ten
-heil alle dingen weder op te richten. Of zulke tijden ooit voor de Joden
-zullen aanbreken, zegt Petrus niet; dat hangt af van hunne bekeering,
-en of deze te wachten is, wordt hier met geen woord vermeld.
-
-De laatste plaats is Rom. 11:11-32. In Rom. 9-11 behandelt Paulus het
-ontzaglijk probleem, hoe Gods belofte aan Israel te rijmen is met de
-verwerping van het evangelie door de overgroote meerderheid van Israel.
-De apostel geeft daarop in de eerste plaats ten antwoord, dat de
-belofte Gods niet het vleeschelijk maar het geestelijk zaad van Abraham
-geldt en werkt dit in den breede uit, Rom. 9 en 10. En ten tweede
-merkt hij op, dat God ook onder Israel nog altijd zijne uitverkorenen
-heeft, en dus dat volk niet verstooten heeft; hij zelf is daarvoor ten
-bewijs en velen met hem; hoevelen er ook verhard en verblind zijn, de
-uitverkorenen hebben de zaligheid toch verkregen, er is steeds een
-overblijfsel naar de verkiezing der genade, Rom. 11:1-10. Maar deze
-verharding, die over het grootste gedeelte van Israel gekomen is, is
-toch Gods einddoel niet; veeleer is zij in zijne hand een middel, om de
-zaligheid tot de Heidenen te brengen, opdat dezen, die zaligheid in
-het geloof aannemende, op hun beurt Israel weder tot jaloerschheid
-mogen verwekken, 11:11-15. Na de geloovigen uit de Heidenen vermaand
-te hebben, om zich hierop niet te verheffen, vs. 16-24, werkt Paulus
-deze gedachte nog nader uit en zegt, dat over een deel van Israel de
-verharding gekomen is, totdat het pleroma der Heidenen, het volle
-getal der uit hun midden voor de zaligheid bestemden, vervuld zal zijn.
-En op die wijze zal gansch Israel naar Gods belofte zalig worden. De
-ongeloovige Joden zijn dus nu wel door God gehaat in betrekking tot het
-evangelie, opdat de door hen verworpene zaligheid tot de Heidenen zou
-komen; maar naar de verkiezing zijn zij beminden om der vaderen wil,
-want Gods beloften zijn onberouwelijk. Zooals het dus met de Heidenen is
-gegaan, zal het ook met de verharde Joden gaan; de Heidenen waren eerst
-ongehoorzaam en zijn nu ontfermd geworden, en zoo ook zijn de Joden nu
-ongehoorzaam, opdat zij door de barmhartigheid, aan de Heidenen bewezen,
-ook barmhartigheid ontvangen mogen. Want God heeft allen, Heidenen
-en Joden, onder de zonde besloten, opdat Hij hun allen barmhartig zou
-zijn, vs. 25-32. De meeste uitleggers meenen, dat de vraag, of God zijn
-volk verstooten heeft, 11:1, niet ten volle daarmede beantwoord is,
-dat God onder Israel altijd zijne uitverkorenen houdt, die successief
-in den loop der eeuwen worden toegebracht, 11:1-10, en zij oordeelen
-daarom, dat al hetgeen in hoofdst. 11 volgt, niet maar eene nadere
-explicatie, doch eene aanvulling van het in vs. 1-10 gegeven antwoord
-is, een nieuw antwoord, dat eerst ten volle de bedenking ontzenuwt,
-alsof God zijn volk verstooten zou hebben. Onder πας Ισραηλ in vs.
-26 verstaan zij daarom het volksgeheel van Israel, dat in de laatste
-dagen bekeerd zal worden. Maar hoe algemeen deze verklaring ook zij, er
-bestaan gewichtige bezwaren tegen. _a._ Indien het de bedoeling van den
-apostel ware, om in 11:25-32 een nieuw, aanvullend antwoord te geven,
-zou hij zijne redeneering aan het einde met haar begin en uitgangspunt in
-strijd brengen. Immers heeft hij 9:6v. gezegd, dat de beloften Gods niet
-uitgevallen zijn, omdat zij het geestelijk zaad van Abraham gelden, en in
-dit geestelijk zaad nog altijd door hare vervulling erlangen, 11:1-10. A
-priori is het zeer onwaarschijnlijk, dat Paulus later op deze redeneering
-teruggekomen zou zijn en haar in dezen zin zou aangevuld en verbeterd
-hebben, dat de beloften Gods in deze zaliging van het geestelijk Israel
-niet ten volle tot hare vervulling komen maar dan eerst volledig
-verwezenlijkt worden, wanneer in den laatsten tijd eene volksbekeering
-van Israel plaats heeft. _b._ In elk geval is er in hoofdst. 9:1-10:11
-met geen enkel woord van zulk eene verwachting voor het volk van
-Israel sprake, en er is geen enkele uitdrukking, die haar vermoeden
-doet en voorbereidt. En ook hoofdst. 11:11-24 bevat nog niets, wat op
-zoodanige verwachting heenwijst. Wel wordt 11:11-15 in dien zin door
-velen opgevat. Maar ook al zijn deze woorden niet hypothetisch, als
-een element in de redeneering maar als beschrijving van een feit te
-verstaan, dan behelzen zij toch alleen deze gedachte: het verwerpen van
-Christus door Israel is voor de Heidenen een groot gewin geweest, want
-daardoor is de door Christus’ dood tot stand gekomene verzoening het
-deel der Heidenen geworden; een veel grooter gewin zal dan de aanneming
-van Israel door God voor de Heidenen zijn, want als Israel zijn pleroma,
-zijn volle getal van uitverkorenen, zal bereikt hebben, en ook het
-pleroma der Heidenen ingegaan is, dan zal dat het leven uit de dooden,
-de opstanding uit de dooden van de nieuwe menschheid ten gevolge
-hebben. Aan Israels ἡττωμα dankt middelijkerwijze de Heidenwereld haar
-verzoening, aan Israels πληρωμα dankt zij eens haar leven uit de dooden.
-_c._ Indien Paulus in 11:25 een nieuw feit wilde mededeelen, bevreemdt
-de wijze ten zeerste, waarop hij dit doet. Hij zegt toch niet: _en dan_,
-_daarna_, n. l. nadat de volheid der Heidenen is ingegaan, zal gansch
-Israël, maar: και οὑτως πας Ισραῃλ σωθησεται, en _op die wijze_ zal
-gansch Israel zalig worden. Dat kan niet anders beteekenen dan: op die
-wijze, als in de vorige verzen beschreven is. Vlak vooraf, in vs. 24,
-heeft Paulus gezegd, dat de verharding altijd maar _voor een deel_, ἀπο
-μερους over Israel gekomen is. De geloovigen uit de Heidenen konden
-wel gaan denken, evenals Israel vroeger, dat zij alleen het uitverkoren
-volk van God waren, en dat Israel geheel verworpen was. Maar Paulus
-zegt, dat dit niet zoo is. Neen, Israel is niet als zoodanig verworpen;
-er is onder hen altijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade;
-er zijn wel eenige takken afgebroken, waarvoor de wilde olijfboom van
-de Heidenwereld in de plaats is gekomen, maar de stam van den tammen
-olijfboom is gebleven; de verharding is maar _voor een deel_ over
-Israel gekomen; terwijl het pleroma uit de Heidenen ingaat, wordt ook
-het pleroma uit Israel toegebracht; en op die wijze wordt gansch Israel
-zalig. _d._ Dit feit, n.l. dat de verharding maar _voor een deel_
-over Israel gekomen is, noemt Paulus een μυστηριον, 11:25. Elders
-noemt hij zoo dikwerf het feit, dat de Heidenen thans medeërfgenamen
-en medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods zijn, en hier duidt
-hij met hetzelfde woord het feit aan, dat de Joden maar voor een deel
-verhard zijn en dat God vele uitverkorenen voortdurend uit hen tot zijne
-gemeente toebrengt. Want die _gedeeltelijke_ verharding zal duren,
-totdat het pleroma der Heidenen zal ingegaan zijn. Nooit, tot aan het
-einde der tijden toe, zal God zijn oude volk ganschelijk verwerpen; altijd
-zal naast een deel uit de Heidenwereld ook een deel uit Israel tot
-het geloof in Christus worden gebracht. De Heidenen maar ook de Joden
-hadden zoo gansch anders verdiend. Doch dit is het groote mysterium,
-dat God rijk is in barmhartigheid, dat Hij uit alle volk, ook uit het
-volk der Joden, dat Hem verwierp, zijne uitverkorenen vergadert, dat Hij
-allen onder de zonde besloot, opdat Hij allen barmhartig zou zijn. Dat
-mysterium brengt den apostel in verrukking en doet hem bewonderend de
-diepte van Gods wijsheid en kennis aanbidden, 11:33-36. _e._ Πας Ισραηλ
-in 11:25 is dus niet het volk van Israel, dat aan de einden der dagen
-in massa bekeerd zal worden; het is ook niet de gemeente uit Joden en
-Heidenen saam, maar het is het pleroma, dat in den loop der eeuwen
-uit Israel toegebracht wordt. Israel blijft als volk, zoo voorspelt
-Paulus, naast de Heidenen bestaan; het zal niet ondergaan noch van
-de aarde verdwijnen; het blijft tot het einde der eeuwen, levert zijn
-pleroma voor het Godsrijk evengoed als de Heidenen, en behoudt voor dat
-Godsrijk zijn bijzondere taak en plaats; uit _alle_ volken en natiën en
-tongen wordt de gemeente Gods vergaderd. _f._ Hoe groot dat pleroma
-uit Israel zijn zal, berekent Paulus niet. Het is best mogelijk, dat het
-getal der uitverkorenen uit Israel in de laatste tijden veel grooter
-zal zijn, dan het in Paulus’ of in latere of in onze dagen was; er is
-geen enkele reden, om dit te ontkennen; veeleer doet de verbreiding
-van het evangelie onder alle volken verwachten, dat zoowel uit Israel
-als uit de Heidenen een steeds grooter aantal zalig zal worden. Maar
-dat bedoelt Paulus niet te zeggen; hij telt niet, maar hij weegt. Uit
-de Heidenwereld zal het volle pleroma komen, en ook uit Israel, en
-dat pleroma zal πας Ισραηλ zijn. In dat pleroma wordt gansch Israel
-behouden, zooals in de gemeente in haar geheel de gansche menschheid
-wordt gered. _g._ Eene andere bekeering van Israel, dan op de door
-Paulus aangegeven wijze laat zich ook moeilijk denken. Wat toch is eene
-volksbekeering, en hoe en wanneer zal zij bij Israel plaats hebben? Er
-is natuurlijk niets tegen, veeleer pleit het feit van het voortbestaan
-van het volk Israels in verband met de profetie ervoor, dat er ook
-uit Israel nog een zeer groot getal tot het geloof in Christus worden
-gebracht; maar hoe groot dit getal ook zij, het blijft een overblijfsel
-naar de verkiezing der genade. Ook de sterkste chiliast zal toch niet
-denken, dat eenmaal aan het einde alle Joden zonder uitzondering zullen
-worden bekeerd. En ook al nam hij dat aan, meenende, dat zoo alleen Rom.
-11:25 ten volle vervuld werd, dan zou zulk eene volksbekeering aan
-het einde toch nog niet ten goede komen aan de millioenen Joden, die
-door de eeuwen heen tot op dien eindtijd toe in ongeloof en verharding
-zijn weggestorven. Indien men werkelijk meent, dat Gods belofte aan
-Israel dan alleen waarlijk vervuld wordt, wanneer niet een ἐκλογη uit
-het volk, maar het volk zelf toegebracht wordt, dan komt men met de
-geschiedenis in conflict. Altijd, alle eeuwen door, ook in de dagen des
-O. T., toen het nationale Israel Gods volk was, was het slechts een
-klein deel des volks, dat in waarheid God diende en vreesde. En zoo
-is het niet alleen bij de Joden, maar zoo is het ook bij de Heidenen.
-Altijd is het een overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat uit de
-Christenvolken de zaligheid in Christus deelachtig wordt. Bovendien
-blijft er voor zulk eene volksbekeering van Israel, als de Chiliasten
-verwachten, in Paulus’ schets van de toekomst geen plaats over. Hij zegt
-toch uitdrukkelijk, dat de verharding over een deel van Israel gekomen
-is, _totdat_ het pleroma der Heidenen is ingegaan, en dat niet _daarna_
-maar dat _op die wijze_ gansch Israel zalig wordt, Rom. 11:25, 26. De
-verharding over een deel van Israel duurt dus zoolang, totdat het
-pleroma uit de Heidenwereld toegebracht is, en volgens de Chiliasten
-moet dan daarna de volksbekeering van Israel vallen. Maar ligt er dan
-nog eene tijdruimte tusschen het ingaan van het pleroma der Heidenwereld
-en het einde der eeuwen? Zoo ja, zijn er in dien tijd dan ook nog
-Heidensche volken, en wordt er uit hen geen enkele meer bekeerd? Het
-ingaan van het pleroma der Heidenen laat zich niet denken als tijdelijk
-voorafgaande aan het zalig worden van gansch Israel. Rom. 11:26 noemt
-geen nieuw feit, dat _na_ het ingaan van de volheid der Heidenen plaats
-grijpt. Maar het ingaan van de volheid der Heidenen en het zalig worden
-van gansch Israel loopen parallel, omdat de verharding maar voor een
-deel over Israel gekomen is. Ten slotte merke men nog op, dat, al zou
-Paulus aan het einde ook eene volksbekeering van Israel verwachten,
-hij toch met geen woord melding maakt van een terugkeer der Joden naar
-Palestina, van een herbouw van stad en tempel, van eene zichtbare
-Christusregeering; in zijn toekomstbeeld is voor dat alles geen plaats.
-Cf. over de bekeering der Joden, behalve de commentaren op Rom. 11,
-Voetius, Disp. II 124 sq. Witsius, Oec. foed. IV 15, 20-32. Moor VI
-127-130. Hodge, Syst. Theol. III 805. Kliefoth, Eschatologie 147.
-
-
-8. Bij het bespreken van de verwachtingen, welke het N. Test. in de
-toekomst koestert ten aanzien van het volk Israels, werd nog in het
-midden gelaten, of het N. Test. misschien op andere plaatsen dan
-de daar ter sprake gebrachte een tusschenstaat leert tusschen deze
-bedeeling en de voleinding der eeuwen. Indien dit, zoo werd erkend,
-het geval was, dan konden Mt. 23:37-39, Luk. 21:24 en Hd. 3:19-21,
-ofschoon zij op zichzelve tot het aannemen van zulk een overgangstijd
-volstrekt geen aanleiding gaven, toch in dien geest worden opgevat en
-verklaard. Thans komt daarom de vraag aan de orde, of er volgens Jezus
-en de apostelen voor de gemeente een tijd van macht en heerlijkheid te
-wachten is, welke aan de algemeene opstanding en het wereldgericht
-voorafgaat. Indien dit zoo ware, zouden wij daarvan duidelijk melding
-verwachten in de eschatologische rede, welke Jezus in de laatste dagen
-van zijn leven tot zijne jongeren hield, Mt. 24, Mk. 13, Luk. 21. Maar
-er is daarin geen woord, zelfs geen zinspeling op zulk een rijk vervat.
-De Chiliasten trachten hun millennium wel op de eene of andere plaats
-in deze rede in te lasschen, en zeggen bijv., dat de eerste komst van
-Christus in Mt. 24:27 en de tweede komst in vs. 30 vermeld wordt,
-maar deze exegese mist toch allen grond. In zijne eschatologische rede
-geeft Jezus antwoord op twee vragen, die zijne discipelen Hem doen,
-n.l. wanneer de dingen geschieden zullen, die Hij aangaande Jeruzalem
-gesproken heeft, n.l. dat er van den tempel geen steen op den ander
-gelaten zal worden, en welk het teeken zal zijn van zijne toekomst en van
-de voleinding der wereld. Jezus beantwoordt eerst de eerste vraag, en
-wel zoo, dat Hij eerst handelt over de voorteekenen, Mk. 13:1-8, cf. Mt.
-24:1-8, Luk. 21:5-11, daarna over het lot der jongeren, Mk. 13:9-13,
-cf. Mt. 24:9-14, Luk. 21:12-18, en eindelijk over de catastrophe in
-Judea, Mk. 13:14-23, cf. Mt. 24:15-26, Luk. 21:20-24. De tweede vraag
-naar de parousie van Jezus en de voleinding der wereld wordt beantwoord
-in Mk. 13:24-31, cf. Mt. 24:29-35, Luk. 21:25-33; en daarbij sluit
-Jezus zijne parousie terstond bij de verwoesting van Jeruzalem aan; in
-den val dezer stad ziet Hij de aankondiging en de voorbereiding van de
-voleinding der wereld; Mt. 24:29 εὐθεως, Mk. 13:24 ἐν ἐκειναις ταις
-ἡμεραις. Hij zegt zelfs, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan,
-totdat alle deze dingen geschied zullen zijn, Mt. 24:34, Mk. 13:30,
-Luk. 21:32. Hoe nu deze verwachting van zijn spoedige, terstond na de
-verwoesting van Jeruzalem volgende parousie bij Jezus ook te verstaan
-zij (waarover straks nader); in elk geval blijkt duidelijk, dat er in
-deze rede geen plaats is voor een duizendjarig rijk. Jezus somt eerst,
-Mk. 13:1-8, eenige algemeene voorteekenen op, waaraan de discipelen
-zien kunnen, dat alles saam, n.l. de verwoesting van Jeruzalem en het
-einde der wereld nadert; en deze signa communia zijn: het opstaan van
-valsche Christussen, oorlogen en geruchten van oorlogen, beroering
-en opstand der volken met aardbeving, hongersnood enz., voorts de
-prediking van het evangelie in de geheele wereld tot een getuigenis
-aller volken, Mk. 13:10, en eindelijk, als voorspel van het einddrama,
-hetgeen voorvalt in Judea en Jeruzalem, Mk. 13:14-23. Daarna volgen
-de aan de parousie onmiddellijk voorafgaande voorteekenen, de signa
-propria, n.l. verduistering van zon en maan, nedervallen der sterren,
-beweging van de krachten in de hemelen, Mk. 13:24, 25. Met de parousie
-van Christus is dan onmiddellijk het gericht, de scheiding van goeden en
-boozen, de voleinding der wereld verbonden, Mk. 13:26, 27. Daarmee komt
-overeen, wat Jezus zegt in Mt. 13:37-43 en 47-50; het saam opgroeien
-van onkruid en tarwe, en het saambrengen van allerlei soorten van
-visschen duurt voort tot de voleinding der eeuwen, tot den tijd van den
-oogst en van het wereldgericht toe. Jezus kent maar twee aeonen, de
-tegenwoordige en de toekomende. In de tegenwoordige eeuw hebben zijne
-discipelen niet anders dan verdrukking en vervolging te wachten en
-moeten zij alles om zijnentwil verlaten. Nergens voorspelt Jezus aan zijne
-jongeren eene heerlijke toekomst op aarde vóór de voleinding der wereld;
-integendeel, zooals het Hem gegaan is, zal het ook zijne gemeente gaan;
-een discipel is niet boven zijn meester en een dienstknecht niet boven
-zijn heer; eerst in de toekomende eeuw ontvangen zijne jongeren alles
-met het eeuwige leven terug, Mt. 5:3-12, 8:19, 20, 10:16-42, 16:24-27,
-19:27-30, Joh. 16:2, 33, 17:14, 15 enz. Als dan ook de jongeren in
-Hd. 1:6 aan Jezus vragen, of Hij in dezen tijd aan Israel het koninkrijk
-weder oprichten zal, dan ontkent Hij niet maar geeft stilzwijgend toe,
-dat dit eens geschieden zal; doch Hij zegt, dat de Vader de tijden of
-gelegenheden daarvoor in zijne eigene macht gesteld heeft, en dat de
-discipelen in dezen tijd de roeping hebben, om als zijne getuigen op
-te treden van Jeruzalem uit tot aan het uiterste der aarde. In dezen
-zelfden geest spreekt heel het Nieuwe Testament, dat vanuit het
-standpunt der kruisgemeente geschreven is. De geloovigen, die niet vele
-wijzen en machtigen en edelen zijn, 1 Cor. 1:27, hebben hier op aarde
-niets dan lijden en verdrukking te wachten, Rom. 8:36, Phil. 1:29, zij
-zijn gasten en vreemdelingen, Hebr. 11:13, hun burgerschap is in de
-hemelen, Phil. 3:20, zij merken niet aan de dingen, die men ziet, 2
-Cor. 4:18, maar bedenken de dingen, die boven zijn, Col. 3:2, zij hebben
-hier geen blijvende stad maar zoeken de toekomende, Hebr. 13:14. Maar
-zij zijn toch in hope zalig, Rom. 8:24, en weten, dat, indien zij met
-Christus lijden, zij ook met Hem zullen verheerlijkt worden, Rom. 6:8,
-8:17, Col. 3:4. Daarom strekken zij zich met heel het zuchtend schepsel
-reikhalzend uit naar de toekomst van Christus en naar de openbaring van
-de heerlijkheid der kinderen Gods, Rom. 8:19, 1 Cor. 15:48v. enz., tegen
-welke heerlijkheid het lijden van den tegenwoordigen tijd niet opweegt,
-Rom. 8:18, 2 Cor. 4:17. Nergens straalt in het N. Test. eenige hope
-door, dat de gemeente van Christus nog eenmaal hier op aarde tot macht
-en heerschappij zal komen. Het hoogste, dat zij zich voorstelt, is, dat
-zij onder de koningen en allen die in hoogheid zijn een gerust en stil
-leven leiden moge in alle godzaligheid en eerbaarheid, Rom. 13:1v., 1
-Tim. 2:2. En daarom beveelt het N. Test. niet in de eerste plaats die
-deugden aan, welke tot overwinning der wereld in staat stellen, maar
-noemt, ofschoon alle valsche ascetisme vermijdende, Rom. 14:14, 1 Tim.
-4:4, 5, Tit. 1:15, als vruchten des Geestes de deugden van liefde,
-blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof,
-zachtmoedigheid, matigheid, Gal. 5:22, Ef. 4:32, 1 Thess. 5:14v., 1
-Petr. 3:8v., 2 Petr. 1:5-7, 1 Joh. 2:15 enz.
-
-Zelfs is het de doorgaande verwachting des N. Test., dat, naarmate
-het evangelie des kruises zich verbreidt, ook de vijandschap der
-wereld openbaar wordt. Christus is bestemd, om voor velen tot eene
-opstanding maar ook voor velen tot een val te zijn en hunne vijandige
-overleggingen tot openbaring te brengen; Hij is tot eene crisis in
-de wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen en die
-zien, blind worden, Mt. 21:44, Luk. 2:34, Joh. 3:19-21, 3:39, Rom.
-9:32, 33, 1 Cor. 1:23, 2 Cor. 2:16, Hebr. 4:12, 1 Petr. 2:7, 8. In
-de laatste tijden, in de dagen, die aan de wederkomst van Christus
-voorafgaan, zal de goddeloosheid der menschen tot eene schrikbarende
-hoogte stijgen; de dagen van Noach keeren terug; wellust, zingenot,
-losbandigheid, geldzucht, ongeloof, hoogmoed, spotternij, lastering
-zullen op schrikkelijke wijze uitbreken, Mt. 24:37v., Luk. 17:26v., 2
-Tim. 3:1, 2 Petr. 3:3, Jud. 18; ook onder de belijders zal de afval
-groot zijn; de verleiding zal zoo machtig worden, dat zij zelfs, indien
-het mogelijk ware, de uitverkorenen ten val zou brengen; de liefde zal
-bij velen verkoelen en de waakzaamheid zoo afnemen, dat de wijze met de
-dwaze maagden in slaap vallen; het zal zulk een algemeene afval worden,
-dat Jezus de vraag kan doen, of de Zoon des menschen bij zijne komst
-nog geloof op aarde vinden zal, Mt. 24:24, 44v., 25:1v., Luk. 18:8, 1
-Tim. 4:1. Het boek der Openbaring van Johannes stemt daarmede overeen.
-De brieven aan de zeven gemeenten behandelen wel concrete toestanden,
-gelijk zij toenmaals in die kerken bestonden en zijn wel allereerst aan
-die gemeenten gericht, om ze tot waakzaamheid aan te sporen en ze
-voor te bereiden op de aanstaande vervolgingen en de wederkomst van
-Christus. Maar zij hebben toch duidelijk eene veel verdere strekking.
-Het zevental, dat in de Openbaring steeds zoo groote beteekenis heeft,
-wijst daar reeds op; het is het getal der volkomenheid en doet de zeven
-gemeenten, die uit de vele gemeenten in Klein-Azië hier zijn uitgelezen,
-voorkomen als typen van de gansche christelijke kerk. De brieven, door
-Johannes aan haar gericht, hebben niet eerst afzonderlijk bestaan, en
-zijn niet elk voor zich eerst aan de respectieve gemeente verzonden,
-maar zij behooren bijeen, zijn te zamen opgesteld en bij elkander gevoegd,
-en zijn aan de gansche kerk gericht; alwie ooren heeft, hoore wat
-de Geest tot al de gemeenten zegt. Maar al hebben de brieven dus
-ongetwijfeld eene beteekenis, die zich veel verder uitstrekt dan tot de
-zeven met name genoemde, toenmaals in Klein-Azië bestaande gemeenten,
-toch is deze niet hierin gelegen, dat zij opeenvolgende perioden in de
-historie van Jezus’ gemeente zouden beschrijven en een klein compendium
-der gansche kerkgeschiedenis zouden zijn. Maar zij teekenen kerkelijke
-toestanden, die toenmaals aanwezig waren en die tevens typisch zijn voor
-de gansche kerk van Christus, die dus telkens in de kerk zich kunnen
-voordoen en die vooral terugkeeren zullen aan het einde der dagen.
-Want het is duidelijk, dat zij allen geschreven zijn onder den indruk van
-de aanstaande vervolging en de spoedige wederkomst van Christus. Alle
-bevatten zij eene heenwijzing naar de parousie, en sporen met het oog
-daarop de gemeenten tot waakzaamheid en getrouwheid aan. Zij dienen,
-om de Christenheid, die meer en meer der wereld gelijkvormig werd, tot
-de eerste liefde terug te roepen, uit de onverschilligheid te doen
-opwaken, en met het oog op de kroon, die haar wacht, aan te gorden tot
-den strijd en met onbezweken trouw te doen volharden tot den dood. Want
-de dag des Heeren nadert; nadat Johannes eerst de toestanden beschreven
-heeft, die er in zijn tijd, en later, vooral tegen het wereldeinde, in
-de kerk van Christus bestaan, gaat hij ertoe over, om te vermelden, wat
-daarna geschieden zal, 4:1. Het boek van Gods raadsbesluit over het
-einde der dingen wordt in den hemel door het Lam geopend, hoofdst. 4
-en 5, en in het bijzonder dat door een engel aan Johannes vertoond, wat
-betrekking heeft op den allerlaatsten tijd, hoofdst. 10, en alle volken
-der aarde aangaat, 10:11. Beurtelings verplaatst Johannes ons nu op
-aarde en in den hemel. In den hemel, daar is reeds alles beslist en
-bepaald, daar wordt reeds eere gebracht aan God en het Lam, als ware de
-strijd reeds gestreden en de overwinning behaald, hoofdst. 4 en 5; daar
-zijn de zielen der martelaren reeds in lange witte kleederen gekleed en
-wachten nog slechts op de vervulling van hun getal, 6:9-11; daar ziet
-Johannes reeds proleptisch de gansche schare der verlosten staande voor
-den troon, 7:9-19; daar zijn de gebeden der heiligen door God reeds
-verhoord, 8:1-4; daar zijn reeds, ook proleptisch, opgenomen de 144000,
-die verzegeld waren, 7:1-8, als eerstelingen de anderen voorgaan,
-14:1-5, en over het beest en zijn beeld de overwinning hebben behaald,
-15:1-4; daar brengt de gansche schare der verlosten reeds heerlijkheid
-en eere aan God, wijl de bruiloft des Lams is gekomen, 19:1-8. De
-gemeente op aarde behoeft dus niet bang te zijn voor de gerichten,
-waarmede God aan het einde de wereld bezoekt. De 144000 dienstknechten
-Gods uit alle geslachten der kinderen Israels worden van te voren
-verzegeld, 7:1-8; de tempel en het altaar en degenen, die daarin
-aanbidden, worden niet aan de Heidenen overgegeven en de twee getuigen,
-die aldaar geprofeteerd hebben, worden wel gedood maar ook opgewekt
-en in den hemel opgenomen, 11:1-12, en de christelijke gemeente,
-schoon om Christus’ wil door Satan vervolgd, vindt in de woestijn eene
-schuilplaats, 12:1-14. In beginsel is de strijd reeds beslist. Want
-Christus is in den hemel opgenomen, 12:5; en Satan is door Michael en
-zijne engelen overwonnen en uit den hemel op aarde geworpen, 12:7-11.
-Thans heeft hij op aarde nog slechts een kleinen tijd, 12:12. Maar dien
-tijd maakt hij zich ten nutte. Hij veroorzaakt het opkomen van het beest
-uit de zee of den afgrond, 13:1, 11:7, 17:8, en geeft er macht en
-heerlijkheid aan. Dit beest is het Romeinsche keizerrijk, 13:1-10, wordt
-door een ander beest, het beest van de aarde, dat is, den valschen
-profeet, de valsche religie, den antichrist gesteund, 13:11-18,
-realiseert zich ten volle in één persoon, die zelf daarom het beest
-heeten kan, 13:3, 12, 18, 17:8, 10, 11 en heeft zijn centrum in de stad
-Babylon, dat is Rome, de groote hoer, welke over alle volken heerscht,
-hoofdst. 17 en 18. Maar al deze machtsontwikkeling is ijdel. Door de
-ontsluiting der zeven zegelen, door het blazen der zeven bazuinen, door
-het uitgieten der zeven fiolen openbaart God zijn toorn, bezoekt Hij
-natuur en menschheid met zijne oordeelen, en bereidt Hij het eindgericht
-voor. Eerst valt Babel, hoofdst. 18. Dan verschijnt Christus, 19:11-16,
-overwint het beest uit de zee en het beest van de aarde, 19-21 en
-straks ook den Satan, 20:1-3.
-
-
-9. Nu is het zeer bevreemdend, dat deze laatste overwinning over Satan
-in twee tempo’s geschiedt. Eerst wordt hij voor duizend jaren gebonden
-en in den afgrond geworpen, en daarna verleidt hij opnieuw de volken,
-voert krijg tegen de gemeente en wordt dan voorgoed overwonnen en
-geworpen in den poel van vuur en sulfer, 20:1-10. De voorstanders van
-het Chiliasme vinden, behalve in het Oude Testament, in deze pericoop
-hun sterksten steun en de tegenstanders zijn er in niet geringe mate
-verlegen mede en hebben er al hun exegetische kunst aan beproefd. De
-gedachte, dat er na de overwinning van het wereldrijk nog een laatste
-aanval van de volken moest afgeslagen worden, is ongetwijfeld door
-Johannes aan Ezechiel ontleend. Deze profeet verwacht, dat Israel,
-nadat het in zijn land zal zijn wedergekeerd en daar zeker wonen zal,
-nog eenmaal aangevallen zal worden door Gog van het land Magog, vorst
-van Rosch, Meschech en Tubal, dat is door het volk der Scythen, in
-verbinding met allerlei andere volken uit het noorden, oosten en
-zuiden. De aanval eindigt echter daarmede, dat God zelf deze volken
-op de bergen Israels in zijn toorn verdelgen zal, c. 38 en 39. In
-hoofdst. 38:17 zegt de Heere, dat Hij van die volken reeds vroeger door
-den dienst zijner profeten gesproken heeft. En inderdaad verkondigden
-reeds vroegere profeten, dat niet alleen die historische volken, in
-wier midden Israel leefde en met wie het in aanraking kwam, maar ook
-alle veraf wonende Heidenen door den Heere in zijnen dag gericht zouden
-worden, Joel 2:32, 3:2, 11v., Mich. 4:5, 11, 5:6-8, Jes. 25:5-8, 26:21,
-Jer. 12:14-16, 30:23, 24. Zeer duidelijk komt soortgelijke profetie
-bij Zacharia voor, die in hoofdst. 12-14 schetst, hoe tegen den dag
-des Heeren Jeruzalem door de volken belegerd, en deze dan door den
-Heere gericht zullen worden. En Daniel ziet niet alleen in Antiochus
-Epiphanes de belichaming van het Gode vijandige wereldrijk, maar verwacht
-ook, dat deze Gode vijandige macht nog eenmaal zich verheffen en
-alzoo voor het gericht rijp worden zal, 11:40v. Tweeërlei was dus de
-verwachting der profetie, eerst van eene overwinning van het volk Gods
-over de volken, in wier midden het woonde, en daarna van een zegepraal
-over de volken, die tot dusver nog niet verschenen waren op het tooneel
-der wereldgeschiedenis. Deze dubbele verwachting ging over in de
-apocriefe litteratuur, Schürer, Gesch. des jüd. Volkes II³ 532. 551,
-maar ook in het Nieuwe Testament. Natuurlijk staat de eerste verwachting
-op den voorgrond. De verschijning van Christus roept het antichristelijk
-beginsel wakker. Jezus spreekt van ψευδοπροφηται en ψευδοχριστοι, die
-zich stellen zullen tegenover Hem en zijn rijk, Mt. 7:15, 24:5, 24, Mk.
-13:21, 22, Luk. 17:23. Om het ongeduld der Thessalonicensen bij hunne
-verwachting van Jezus’ spoedige wederkomst te temperen, wijst Paulus er
-in 2 Thess. 2 op, dat die dag van Christus niet aanbreekt, tenzij eerst
-kome de apostasie en geopenbaard worde de mensch der zonde. Deze kan
-nu nog niet komen, wijl er iets is, wat hem wederhoudt. Wel is thans
-ook reeds werkzaam το μυστηριον της ἀνομιας, maar toch kan de mensch
-der zonde niet komen, voordat hij, die hem wederhoudt, uit het midden
-weggedaan zij. Daarna eerst zal de ἀνομος geopenbaard maar ook aanstonds
-door Jezus teniet gedaan worden. De Apocalypse ziet de antichristelijke
-macht belichaamd in het beest uit de zee, dat is, het Romeinsche rijk,
-hetwelk de stad Rome tot centrum en een bepaalden keizer tot hoofd
-heeft, en daarbenevens in het beest van de aarde, dat is, de valsche
-profetie, welke tot huldiging van het wereldrijk en zijn keizer verleidt.
-Dezen tegenstander van Christus noemt Johannes in zijne brieven dan het
-eerst met den naam van αντιχριστος, in 1 Joh. 2:18 waarschijnlijk zelfs
-zonder artikel; en hij ziet zijn wezen gerealiseerd in hen, die de komst
-van Christus in het vleesch principieel loochenen, 1 Joh. 2:22. 4:2,
-3, 2 Joh. 7. De voorstellingen van den antichrist zijn in de Schrift
-dus verschillend. Daniel ziet zijn type in Antiochus Epiphanes; Jezus
-maakt het antichristelijk beginsel los uit de Oudtest. tegenstelling van
-Israel en de volken en ziet het belichaamd in vele valsche Christussen
-en vele valsche profeten, die opstaan zullen na en tegen Hem; Paulus
-laat den mensen der zonde opkomen uit eene algemeene apostasie en noemt
-hem den ἀνομος en den ἀντικειμενος, n.l. van Christus, maar teekent hem
-ook, met trekken aan Daniel ontleend, als dengene, die zich verheft
-boven alles, wat God heet en wat door menschen vereerd wordt, zoodat hij
-in Gods tempel als een God zich nederzet en als een God zich vertoont.
-Johannes in zijne brieven acht den antichrist gekomen in de ketters
-zijner dagen. En de Apocalypse ziet zijne macht zich ontwikkelen in het
-wereldrijk, dat door de valsche profetie wordt gesteund. Daaruit blijkt,
-dat bij den antichrist niet uitsluitend aan één persoon of aan eene
-groep van personen, bijv. de ketters der eerste eeuwen, het Romeinsche
-rijk, Nero, de Joden, Mohammed, den paus, Napoleon enz., gedacht moet
-worden. De Schrift leert duidelijk, dat de antichristelijke macht hare
-geschiedenis heeft, in verschillende tijden op verschillende wijzen zich
-openbaart en ten slotte zich volledig ontwikkelt in een algemeenen
-afval en verbreking van alle natuurlijke en zedelijke banden, die thans
-nog zulk eene apostasie tegenhouden, en zich dan belichaamt in een
-wereldrijk, dat de valsche kerk in dienst neemt en in de vergoding van
-het hoofd van dat rijk zichzelf apotheoseert. Aan deze antichristelijke
-macht in haar hoogste en laatste ontwikkeling maakt dan Christus
-zelf door zijne verschijning een einde. Cf. de nieuwere litt. over den
-antichrist: Lünemann in zijn comm. op Thess., 3{te} Aufl. S. 219-225.
-Rinck, Die Lehre der H. S. von Antichrist. 1867. Boehmer, Zur Lehre
-vom Antichrist, Jahrb. f. d. Th. 1859 S. 405-467 F. Philippi, Die
-bibl. kirchl. Lehre v. Antichrist 1877. Kliefoth, Eschatologie 205 f.
-Renan, L’antéchrist 1877. Bousset, Der Antichrist 1877. Wadstein, Die
-eschatol. Ideengruppe Antichrist, Weltsabbat, Weltende und Weltgericht,
-Leipzig 1896. Ebbes, Der Antichrist in den Schriften des N. T. (Theol.
-Arb. aus d. rhein. westf. Pred. Verein. N. F. Heft 1 S. 1-57). Art. in
-Herzog³ van Seuffert.
-
-Maar daarmede is nog niet de volledige overwinning behaald. Het
-antichristelijk beginsel kan uiteraard alleen optreden onder die natiën,
-die het evangelie gekend en ten slotte in bewuste en opzettelijke
-vijandschap verworpen hebben. Maar er zijn altijd geweest, er zijn nog
-en er zullen tot het einde der dagen volken zijn, die, als afgesneden
-takken, buiten de geschiedenis en de cultuur der menschheid staan. Wel
-zegt Jezus, Mt. 24:14, dat het einde eerst komt, nadat het evangelie
-in heel de bewoonde wereld gepredikt is tot een getuigenis allen
-volken. Maar deze profetie sluit toch niet in, dat het Christendom
-eens onder alle volken de heerschende godsdienst zal zijn, of dat het
-aan ieder mensch, hoofd voor hoofd, bekend zal wezen; want de historie
-leert, dat millioenen menschen en tal van volken, ook in de eeuwen
-na Christus’ komst op aarde, weggestorven zijn, zonder eenige kennis
-van het evangelie te hebben gehad. Maar Jezus’ woord houdt alleen in,
-dat de prediking van het evangelie tot alle volken doordringen zal
-en bepaalt geenszins nauwkeurig de mate, waarin, noch de grens, tot
-welke dit geschieden zal. De profetie vervult zich ook niet in eens
-maar successief door den loop der eeuwen heen, zoodat vele volken,
-die eertijds in het licht des evangelies wandelden, later daarvan weer
-beroofd zijn geworden. Terwijl in deze negentiende eeuw het evangelie
-onder de Heidenen zich verbreidt, neemt onder de Christenvolken de
-afval hand over hand toe. En daarom is het meer dan waarschijnlijk, dat
-tegen den tijd van de parousie wederom vele volken op aarde van de
-kennis van Christus verstoken zullen zijn. En met dit feit rekent het
-twintigste hoofdstuk van Johannes’ Openbaring. Omdat daar sprake is
-van eene duizendjarige binding van Satan en van een gedurende dien tijd
-leven en heerschen der martelaren met Christus, hebben velen gemeend,
-dat hier klaar en onwedersprekelijk het zoogenaamde duizendjarig rijk
-werd geleerd. Maar feitelijk is dit een verklaren van Op. 20, niet
-naar de analogie der Schrift, maar naar de analogie der apocriefe
-litteratuur. Op. 20 bevat op zichzelf niets van al wat tot het wezen
-van het chiliastisch geloof behoort. Immers, 1º er wordt met geen
-enkel woord melding gemaakt van eene bekeering en een terugkeer der
-Joden, van een herbouw der stad Jeruzalem, van een herstel van tempel
-en eeredienst, van eene aanvankelijke vernieuwing der aarde. Veeleer is
-dit alles buitengesloten. Want ook al zouden de 144000 in hoofdst. 7
-van het pleroma uit Israel te verstaan en van die in 14:1 onderscheiden
-zijn, dan ware daarmede toch niets anders en niets meer bedoeld, dan
-dat ook vele Christenen uit de Joden in de groote verdrukking zullen
-staande blijven en onder de schare voor Gods troon een eigen plaats
-zullen innemen; maar er wordt volstrekt niet gezegd, dat zij opstaan
-en in Jeruzalem wonen zullen. De Christenen zijn de echte Joden, en
-de Joden, die zich verharden in hun ongeloof, zijn eene synagoge des
-Satans, 2:9. Al heet misschien het aardsche Jeruzalem nog eene enkele
-maal de heilige stad en de tempel aldaar de tempel Gods, 11:1, 2,
-toch wordt dat Jeruzalem in geestelijken zin Sodom en Egypte genoemd,
-11:8; het echte Jeruzalem is boven, 3:12, 21:2, 10, en daar is ook de
-tempel Gods, 3:12, 7:15, 11:19 enz., en de ark, 11:19 en het altaar,
-6:9, 8:3, 5, 9:13, 14:18, 16:7. En dat Jeruzalem daalt niet reeds in
-Op. 20 maar eerst in Op. 21 op aarde neer. 2º Het leven en heerschen
-der in de groote verdrukking trouw gebleven geloovigen heeft niet op
-aarde maar in den hemel plaats. Van de aarde is met geen woord sprake.
-Johannes ziet den engel, die Satan bindt, uit den hemel opkomen,
-20:1; de tronen, die hij aanschouwt, 20:4, bevinden zich in den hemel,
-4:4, 11:16; en de zielen der martelaren worden door Johannes hier,
-20:4, evenals overal elders in den hemel gezien, 6:9, 7:9, 14, 15,
-11:12, 14:1-5, 18:20, 19:1-8. De geloovigen zijn reeds op aarde door
-Christus Gode tot koningen en priesters gemaakt, 1:6; zij zijn dit in
-den hemel, 5:10, en verwachten, dat zij het eenmaal ook op aarde zullen
-zijn, 5:10, maar deze verwachting wordt eerst in het nieuwe Jeruzalem,
-dat van boven neerdaalt, vervuld; dan zullen zij koningen zijn in der
-eeuwigheid, 22:5. Thans echter, in den hemel, is hun koningschap
-tijdelijk, het duurt duizend jaren. 3º Ook weet Johannes niet van eene
-eerste lichamelijke opstanding, die aan het duizendjarig rijk vooraf
-zou gaan, en eene tweede, die daarop volgen zou. Nergens wordt in de
-Schrift zulk eene eerste opstanding geleerd. Wel is er sprake van eene
-geestelijke opstanding uit de zonde, Joh. 4:25, 26, Rom. 6:4 enz. Ook
-is er eene ἀναστασις ἐκ νεκρων, die op enkele gevallen ziet, zooals
-de opstanding van Christus, 1 Petr. 1:3, cf. Hd. 26:23, 1 Cor. 15:23,
-of alleen op de geloovigen betrekking heeft, Luk. 20:35, 36, Hd. 4:2,
-maar in dit geval volstrekt niet temporeel door een duizendjarig rijk
-van de algemeene αναστασις νεκρων onderscheiden is, Mt. 22:31, Joh.
-5:28, 29, Hd. 24:15, 1 Cor. 15:13, 42. Wel heeft men dit in 1 Cor.
-15:20-28 en 1 Thess. 4:13-18 meenen te vinden, maar ten onrechte. In
-1 Cor. 15:20-28 handelt Paulus zeer zeker alleen van de opstanding
-der geloovigen, terwijl hij van die der goddeloozen hier in het geheel
-niet spreekt en niet behoeft te spreken; maar van die opstanding der
-geloovigen zegt hij duidelijk, dat zij plaats hebben zal bij de parousie
-van Christus en dat daarna het einde zal zijn, waarin Hij het koninkrijk
-den Vader overgeeft, vs. 23, 24. Men zou uit deze plaats op zichzelve
-wel kunnen afleiden, dat er geen opstanding der goddeloozen volgens
-Paulus is, maar onmogelijk, dat deze door een duizendjarig rijk van die
-der geloovigen gescheiden is. Want op de opstanding der geloovigen
-volgt terstond het einde en de overgave van het koninkrijk, omdat alle
-vijanden overwonnen zijn en de laatste vijand, dat is de dood, te niet
-gedaan is. Evenmin staat er iets van zulk eene eerste, lichamelijke
-opstanding der geloovigen in 1 Thess. 4:13-18. In Thessalonica maakte
-men zich ongerust over het lot dergenen, die in Christus gestorven
-waren. Van welken aard die ongerustheid was, weten wij niet. De
-Chiliasten meenen, dat de Thessalonicensen niet twijfelden aan de
-opstanding en het eeuwig leven der in Christus ontslapenen, maar dat zij
-aan twee opstandingen geloofden, eene vóór en eene na het duizendjarig
-rijk, en nu bezorgd waren, dat de reeds gestorven geloovigen eerst bij
-de tweede opstanding zouden opstaan en dus geen deel zouden hebben
-aan de heerlijkheid van het duizendjarig rijk. Maar deze meening is ver
-gezocht en vindt hoegenaamd geen steun in den tekst; indien er eene
-eerste opstanding der geloovigen was, zou men juist verwachten, dat
-de gemeente in Thessalonica zich niet bezorgd maakte over het lot der
-gestorvenen, want dezen zouden dan immers juist in het voorrecht dier
-eerste opstanding deelen. En indien men antwoordt, dat men dat juist in
-Thessalonica niet wist, dat er eene eerste opstanding der geloovigen
-was, dan had de apostel hun dat eenvoudig met een paar woorden kunnen
-zeggen. Maar dat doet hij in het geheel niet; hij spreekt niet van eene
-eerste en eene tweede opstanding; hij betoogt alleen, dat de geloovigen,
-die bij Jezus’ komst nog levend overgebleven zijn, niets zullen vóór
-hebben bij hen, die reeds vroeger in Christus ontslapen zijn. Waarin
-de Thessalonicensen meenden, dat de laatsten bij de eersten zouden
-achterstaan, is ons onbekend. Maar dit doet er ook niet toe; het feit
-staat vast, dat men zoo in Thessalonica oordeelde. En daartegenover
-zegt Paulus nu, dat dit niet het geval is, want God zal de ontslapen
-geloovigen door middel van Jezus, die hen opwekken zal, terstond met
-Hem (met Jezus) doen zijn in zijne toekomst, zoodat Hij hen als het ware
-meebrengt, en de levend overgebleven geloovigen zullen hen volstrekt
-niet vooruit zijn, want de opstanding der dooden gaat vooraf, en
-daarna worden alle geloovigen, zoowel de opgestane als de veranderde
-geloovigen, te zamen opgenomen in de wolken, den Heere tegemoet. De
-tekst bevat dus niets van eene eerste en eene tweede opstanding. Indien
-nu nergens in de Schrift zulk eene tweeërlei opstanding voorkomt, zal
-men wel doen, ze niet al te spoedig in Op. 20 te vinden. En werkelijk
-komt ze daar ook niet voor. Er staat daar in vers 4 en 5 alleen dit,
-dat de zielen der in de groote verdrukking trouw gebleven geloovigen
-als koningen met Christus duizend jaren leven en heerschen en dat dit
-de eerste opstanding is. Johannes zegt duidelijk, dat hij de zielen, τας
-ψυχας, van de martelaren zag, cf. 6:9, en maakt van opstanding hunner
-lichamen geen melding. Hij zegt voorts, dat die zielen, niet opstonden
-of opgewekt werden of in het leven ingingen, maar dat zij _leefden_ en
-dat zij terstond als koningen met Christus leefden en heerschten duizend
-jaren. Hij spreekt verder van de overige dooden, οἱ λοιποι των νεκρων,
-en onderstelt dus, dat de geloovigen, wier zielen hij in den hemel zag,
-ook nog in zekeren zin tot de dooden behooren, maar toch leefden en
-heerschten; daartegenover zegt hij van de overige dooden, niet, gelijk
-in de Statenvertaling staat, dat zij niet weder levend werden, maar dat
-zij _niet_ leefden, οὐκ ἐζησαν. En hij voegt er eindelijk met nadruk aan
-toe, dat dit leven en heerschen van de zielen der getrouw gebleven
-geloovigen in tegenstelling met het niet leven der overige dooden de
-eerste opstanding is. Men voelt als het ware de tegenstelling: dàt is
-niet de eerste opstanding, die door sommigen, ook reeds in Johannes’
-dagen, aangenomen werd, alsof er eene lichamelijke opstanding der
-geloovigen aan het duizendjarig rijk vooraf zou gaan; maar de eerste
-opstanding bestaat in het leven en heerschen der getrouw gebleven
-geloovigen in den hemel met Christus. De geloovigen, aan wie Johannes
-schrijft en die straks de verdrukking tegemoet gaan, moeten niet denken,
-dat zij eerst zalig zullen worden aan het einde der dagen. Neen, zalig
-zijn de dooden, die in den Heere sterven _van nu aan_, ἀπαρτι, 14:13;
-zij ontvangen terstond rust van hun moeiten; zij worden aanstonds bij hun
-sterven gekroond; zij leven en heerschen met Christus in den hemel van
-het eerste oogenblik na hun dood af; en daarom kunnen zij gemoedigd
-de verdrukking tegengaan, de kroon des levens ligt voor hen gereed,
-2:10. Johannes herhaalt hier, 20:4, 5, in het kort, wat hij vroeger aan
-de zeven gemeenten geschreven heeft. De beloften, welke daar aan de
-geloovigen, indien zij volhardden tot het einde, gegeven werden, kwamen
-alle hierop neer, dat wie overwint, gekroond zou worden. Wie overwint,
-ontvangt te eten van den boom des levens, 2:7, van het verborgen manna,
-2:17, krijgt macht over de Heidenen, 2:26, ontvangt de morgenster,
-2:28, wordt bekleed met witte kleederen, 3:5, wordt gemaakt tot een
-pilaar in Gods tempel, 3:12, houdt avondmaal met Jezus, 3:20. In één
-woord, die overwint, Ik zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon,
-2:21. Wat Johannes eerst in de belofte zag, ziet hij thans in hoofdst.
-20 in de vervulling; zij, die trouw blijven tot den dood, leven en
-heerschen terstond met Christus in zijnen troon in den hemel; en _dat_
-is de _eerste_ opstanding. Maar Johannes voegt er nog iets aan toe,
-en bevestigt daarmede de boven gegeven verklaring. Hij zegt namelijk:
-zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over
-hem heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters Gods en
-Christi zijn, en met Hem heerschen de duizend jaren. De tweede dood is
-volgens 20:14 niets anders dan het geworpen worden in den poel des
-vuurs. Wat nu het lot der in vs. 5 genoemde overige dooden moge zijn, in
-elk geval zijn de getrouw gebleven geloovigen, die met Christus leven
-en heerschen, voor dien tweeden dood gevrijwaard. Zij hebben reeds de
-kroon des levens en eten reeds van het manna des levens, en behoeven
-dus voor het later volgend gericht niet te vreezen; wie overwint, zal
-van den tweeden dood, die bij het eindgericht intreedt, niet beschadigd
-worden, 2:11. Indien Johannes de eerste opstanding in chiliastischen
-zin verstond, als eene lichamelijke opstanding der geloovigen vóór het
-duizendjarig rijk, dan had hij zulk eene vertroosting aan de geloovigen
-niet behoeven te geven. Hij had dan kunnen volstaan met te zeggen,
-dat zij nog vóór het duizendjarig rijk zouden opstaan. Maar neen, de
-geloovigen blijven nog tot het eindgericht toe in zekeren zin tot de
-dooden behooren; doch geen nood, indien zij volharden tot het einde, dan
-worden zij terstond gekroond en kunnen, ook al heerscht de _eerste_ dood
-nog over hunne lichamen, door den _tweeden_ dood niet beschadigd worden.
-
-
-10. Tegen deze verklaring kan men echter inbrengen, dat Johannes toch
-duidelijk spreekt van eene duizendjarige heerschappij der geloovigen
-met Christus, zij het ook in den hemel, en dat hij deze plaatst na de
-wederkomst van Christus, 19:11-16 en den val van het wereldrijk en
-van den valschen profeet, 19:20. Toch weegt deze bedenking niet zoo
-zwaar als het lijkt. Want 1º de plaatsing van het visioen in Op. 20 na
-dat in hoofdst. 19 beslist op zichzelf hoegenaamd nog niet over de
-chronologische volgorde. In het algemeen kan de kunst van het woord,
-in onderscheiding bijv. van de schilderkunst, datgene wat gelijktijdig
-plaats heeft, slechts successief, het een na het ander, verhalen.
-De Schrift maakt hierop geene uitzondering en verhaalt dikwerf na
-elkaar, wat in de werkelijkheid naast elkaar voorkomt. Bij de profeten
-gebeurt het menigmaal, dat zij successief zien en beschrijven, wat
-gelijktijdig of ook zelfs in eene gansch andere orde plaats grijpt of
-plaats grijpen zal. Vooral is dat, gelijk meer en meer erkend wordt, in
-het boek der Openbaring het geval. De brieven aan de zeven gemeenten
-zijn geen beschrijvingen van in diezelfde orde op elkander volgende
-kerkelijke toestanden. De zeven zegelen, de zeven bazuinen en de
-zeven fiolen vormen geen chronologische reeks maar loopen parallel
-en voeren ons telkens tot aan het einde, tot de laatste worsteling
-van de antichristelijke macht. En zoo is er op zichzelf niets tegen om
-aan te nemen, dat hetgeen in Op. 20 verhaald wordt evenwijdig loopt
-met de gebeurtenissen der vroegere hoofdstukken. 2º Erkend dient
-te worden, dat Johannes bij het wereldrijk, dat hij teekent, denkt aan
-het Romeinsche imperium. De profetie, in het Oude en ook in het
-Nieuwe Testament beweegt zich niet hoog in de lucht maar staat op
-historischen bodem en ziet in de concrete machten, in wier midden
-zij leeft, de worsteling belichaamd van het wereldrijk tegen het rijk
-van God. Het boek Daniel bijv. loopt tot Antiochus Epiphanes toe en
-ziet in hem de personificatie der vijandschap tegen God en zijn volk.
-En zoo ook ontleent Johannes de trekken voor zijn wereldrijk aan het
-Romeinsche keizerrijk zijner dagen. Ofschoon al wat te voren geschreven
-is, ook tot onze leering geschreven is, zoo is toch de Openbaring van
-Johannes in de eerste plaats een troostboek voor de kruisgemeente van
-zijn tijd, om haar aan te sporen tot volharding in den strijd en om haar
-te bemoedigen door het gezicht van de kroon, die haar wacht. Indien
-Johannes voor zichzelven gemeend heeft, dat in het Romeinsche keizerrijk
-de allerlaatste ontwikkeling van het wereldrijk was opgetreden en dat
-Christus binnen enkele jaren komen zou, om daaraan een einde te maken,
-dan zou daarin niets ongewoons te vinden zijn, niets dat in strijd ware
-met den geest der profetie. Wij zijn niet aan Johannes’ persoonlijke
-meening, maar aan het woord zijner profetie gebonden; en de profetie,
-die haar licht over de geschiedenis werpt, wordt op haar beurt ook door
-de historie verklaard en onthuld. 3º Indien Johannes werkelijk voor
-zichzelven geloofd heeft, dat het Romeinsche keizerrijk binnen enkele
-jaren door de verschijning van Christus te niet gedaan zou worden, dan
-heeft hij in elk geval gemeend, dat de geschiedenis der wereld daarmede
-nog niet was afgeloopen, want in dat geval ware er voor de heerschappij
-van de geloovigen met Christus in den hemel daarnaast geen plaats en
-moest deze eerst na dien tijd aanvangen. Maar deze zeitgeschichtliche
-opvatting geeft, hoeveel waars zij ook moge bevatten, niet de volledige
-gedachte van Johannes’ Openbaring weer. Want duidelijk blijkt, dat in
-hoofdst. 19 de geschiedenis der wereld haar einde heeft bereikt. Babel
-is gevallen, hoofdst. 18, God heerscht als koning, 19:6, de bruiloft
-des Lams is gekomen, 19:7-9, Christus is verschenen, 19:11-16, de
-laatste strijd van alle koningen der aarde en van hunne heirlegers is
-gestreden, 19:17-19, het wereldrijk en de valsche profeet zijn vernietigd
-en geworpen in den poel des vuurs, die als de tweede dood eerst
-geopend wordt na het gericht, 19:20, cf. 20:14, en de overigen werden
-gedood, 19:21. Het 19e hoofdstuk loopt dus duidelijk door tot datzelfde
-wereldeinde, dat in 20:10-15 geteekend wordt. Er is geen stof meer voor
-het vervolg der wereldgeschiedenis. De zeitgeschichtliche exegese laat
-de herkomst der volken, die in 20:3, 8 optreden, onverklaard of komt
-anders met 19:17-21 in strijd. Gelijk echter de brieven aan de zeven
-gemeenten en evenzoo de zeven zegelen, bazuinen en fiolen allereerst
-zien op de toestanden en gebeurtenissen in Johannes’ dagen doch dan
-eene verdere strekking hebben voor de kerk aller eeuwen en voor heel
-de geschiedenis der wereld, zoo geldt het ook van het wereldrijk, in
-de Openbaring geteekend, dat het zijn type heeft in het Romeinsche
-keizerrijk der eerste eeuwen maar daarin toch nog niet zijn volle
-realiseering ontvangt. Het verheft zich telkens weer en moet altijd
-opnieuw bezwijken voor de verschijning van Christus, totdat het eindelijk
-zijne uiterste krachten inspant, zich in eene laatste reusachtige
-worsteling uitput en dan voorgoed door de komst van Christus vernietigd
-wordt. 4º Indien deze opvatting juist is, bedoelt het visioen van Joh.
-20 niet, om ons te verhalen, wat in chronologische orde na het in Op.
-19 gebeurde voorvallen zal, maar heeft het eene zelfstandige plaats
-en bericht ons, wat met het voorafgaande parallel loopt. Er is n.l.
-tweeërlei uiteinde van de geschiedenis der wereld te verhalen, een van
-de historische volken, waaronder het Christendom optreedt, en een ander
-van de wilde volken, die, gelijk Op. 20:8 zoo duidelijk zegt, in de vier
-hoeken der aarde wonen, en dus buiten het centrum van de geschiedenis
-en de cultuur der menschheid hebben geleefd. Onder gene kon alleen het
-wereldrijk en de valsche profetie optreden, want het antichristendom
-onderstelt de bekendheid met het evangelie; deze brengen het alleen
-tot een woesten aanval op de gemeente van Christus. Maar het is toch
-dezelfde Satan, die ginds en hier werkt. Telkens als hij onder de
-cultuurdragende volken teruggedrongen en verslagen wordt, organiseert
-hij in de wilde volken een nieuw instrument tot den strijd tegen
-Christus. Eerst is hij uit den hemel geworpen; daarna werkt hij op aarde
-en richt er tegen Christus zijn wereldrijk op; en eindelijk laat hij de
-wilde volken verschijnen op de breedte der aarde, om den laatsten strijd
-tegen Christus te strijden. Maar dit alles niet in tijdrekenkundigen
-doch in logischen, geestelijken zin. 5º De duizend jaren zijn een
-symbolisch getal, gelijk thans algemeen erkend wordt; zij staan tegenover
-de weinige dagen, gedurende welke de getrouw gebleven geloovigen hier
-op aarde verdrukt en vervolgd zijn geworden, 12:14, maar ook tegenover
-de voltooide heerlijkheid, die eeuwig is, 22:5. Zij zijn eene aanduiding
-van de heilige, zalige rust der gestorven geloovigen in den hemel bij
-Christus en tevens van het verlangen, waarmede zij uitzien naar den dag
-der wrake van hun bloed, 6:9, terwijl op aarde de strijd van wereldrijk
-en volkerenwereld tegen Christus nog voortduurt. En als Johannes dan
-in Op. 20:1-9 de geschiedenis der wilde volken verhaald heeft tot dat
-einde toe, waarop ook die der cultuurdragende volken in 19:17-21 is
-uitgeloopen, dan wordt de draad van beide visioenen opgenomen en het
-allerlaatste einde der gansche wereldgeschiedenis verhaald. Daar, in
-19:21, werden de menschen gedood door het zwaard van Christus; hier in
-20:9, worden zij verteerd door vuur uit den hemel. Maar nadat wereldrijk,
-valsche profeet en Satan veroordeeld en in den poel geworpen zijn,
-19:20, 20:10, staan alle dooden op en worden geoordeeld naar hunne
-werken, 20:11-15.
-
-
-11. De dusver ontwikkelde leer der Schrift stelt duidelijk in het licht,
-dat de gang en de uitkomst der wereldgeschiedenis eene gansch andere
-is, dan menschen haar gewoonlijk zich voorstellen. Indien ergens, dan
-geldt het bovenal ten aanzien van het einde der dingen, dat Gods
-wegen hooger dan onze wegen zijn, en zijne gedachten hooger dan onze
-gedachten. Het koninkrijk Gods, ofschoon gelijk aan een mostaardzaad en
-een zuurdeesem en een zaad, dat uitspruit en lang wordt buiten weten
-en toedoen des menschen, Mt. 13:31, 33, Mk. 4:27, bereikt toch zijne
-voltooiing niet in den weg van geleidelijke ontwikkeling of van een
-ethisch proces. Veeleer loopt de geschiedenis der menschheid, zoowel
-bij de cultuurdragende als bij de cultuurlooze volken, volgens het
-onwraakbaar getuigenis der Schrift uit op eene algemeene apostasie en
-op eene ontzettende laatste worsteling van alle satanische machten
-tegen God en zijn rijk. Maar dan is ook het einde daar; de wereld heeft
-in den tijd en met de macht, haar door God geschonken, niet anders
-gedaan dan, evenals in de dagen van Noach, zich rijp gemaakt voor het
-gericht; op het hoogtepunt van haar macht, stort zij plotseling bij
-de verschijning van Christus ineen. Eene catastrophe, eene ingrijpende
-daad Gods maakt ten slotte aan de heerschappij van Satan hier op aarde
-een einde en brengt de voltooiing van het onbewegelijk koninkrijk der
-hemelen tot stand. Gelijk bij den geloovige de volmaaktheid niet vrucht
-is van eene langzaam voortgaande heiligmaking maar terstond na het
-sterven bij hen intreedt, zoo ook komt de volmaking van menschheid en
-wereld niet langzamerhand maar plotseling door de verschijning van
-Christus tot stand. Bepaaldelijk is het Christus, die door den Vader
-aangewezen is, om aan de geschiedenis van menschheid en wereld een
-einde te maken. En Hij is daartoe aangewezen, omdat Hij de Zaligmaker, de
-volkomene Zaligmaker is. De arbeid, dien Hij op aarde volbracht, is maar
-een stuk van het groote werk der verlossing, dat Hij op zich genomen
-heeft; en de tijd, dien Hij hier doorbracht, is maar een klein gedeelte
-van de eeuwen, over wie Hij als Heer en Koning aangesteld is. Van
-eeuwigheid gezalfd door den Vader, is Hij zijne profetische, priesterlijke
-en koninklijke werkzaamheid terstond beginnen uit te oefenen, nadat
-de zonde in de wereld gekomen was; Hij zette die werkzaamheid voort
-door al de wentelende eeuwen heen; en Hij zal ze eenmaal voltooien
-aan het einde der tijden. Wat Hij op aarde door zijn lijden en sterven
-verwierf, dat past Hij van uit den hemel door de kracht van zijn woord
-en de werking zijns Geestes toe; en wat Hij alzoo toegepast heeft, dat
-handhaaft en beschermt Hij tegen alle aanvallen van Satan, om het eens
-aan het einde, gansch volkomen, zonder vlek of rimpel, voor te stellen
-aan zijnen Vader, die in de hemelen is. De wederkomst van Christus
-ten oordeele is daarom niet een willekeurig toevoegsel, dat van zijn
-voorafgaand werk losgemaakt en op zichzelf gesteld kan worden; maar
-zij vormt van dat werk een noodzakelijk, onmisbaar bestanddeel, zij
-brengt dat werk tot zijne voltooiing en zet er de kroon op; zij is de
-laatste en hoogste trap in den staat zijner verhooging. Omdat Christus
-de Zaligmaker der wereld is, komt Hij eenmaal weder als haar Rechter;
-de κρισις, welke Hij door zijne eerste komst teweeg bracht, voleindt Hij
-bij zijn tweede komst; de Vader gaf Hem macht, om κρισιν ποιειν, wijl Hij
-Zoon des menschen is, Joh. 5:27. De eschatologie wortelt daarom in
-de Christologie en is zelve Christologie, leer van den eindelijken,
-volkomen triumf van Christus en van zijn rijk over al zijne vijanden. Zelfs
-kunnen wij met de Schrift nog verder teruggaan. De Zoon is niet alleen
-vanwege de zonde mediator reconciliationis, maar ook afgedacht van de
-zonde mediator unionis tusschen God en zijn schepsel. Hij is niet alleen
-de causa exemplaris, maar ook de causa finalis van de schepping; de
-wereld heeft in den Zoon haar grondslag en voorbeeld en daarom heeft
-zij in Hem ook haar doel; zij is door Hem en ook tot Hem geschapen, Col.
-1:16. Omdat de schepping zijn werk is, kan en mag zij geen buit van Satan
-blijven; de _Zoon_ is Hoofd, Heer en Erfgenaam aller dingen. Saamgevat
-in den Zoon, onder Hem als Hoofd vergaderd, keeren de schepselen weer
-tot den Vader, de fontein aller goeden, terug, deel II 408. De tweede
-komst van Christus wordt dus door zijn eerste geeischt; zij is in deze
-begrepen, vloeit er te harer tijd noodzakelijk uit voort, brengt ze tot
-haar volle uitwerking en voltooiing en werd daarom door de Oudtest.
-profetie met de eerste komst in één beeld samengevat. En niet slechts
-hangt de tweede komst met de eerste idealiter en logisch saam, maar er
-bestaat tusschen beide ook een reëel verband. Gelijk het Oude Testament
-een voortdurend komen van God tot zijn volk was, totdat Hij in Christus
-lichamelijk onder hen wonen ging; zoo ook is de bedeeling des Nieuwen
-Testaments een altijd door komen van Christus tot zijn erfdeel, om het
-eindelijk voorgoed in zijn bezit te nemen. Christus is niet alleen
-degene, die in de dagen des Ouden Test. komen zou en in de volheid des
-tijds gekomen is; maar Hij is ook de komende, ὁ ἐρχομενος, en degene, die
-komen zal, ὁ ἐρχομενος ἡξει, Hebr. 10:37, cf. Op. 1:4, 8 enz. De tweede
-komst van Christus is het complement der eerste.
-
-
-12. Dit ideëele en reëele verband van Christus’ eerste en tweede komst
-verklaart ook de wijze, waarop in het N. Test. over den tijd zijner
-parousie gesproken wordt. Eene gansche reeks van plaatsen stelt deze
-parousie zeer nabij. Jezus knoopt de profetie van de voleinding der
-eeuwen onmiddellijk vast aan die van de verwoesting van Jeruzalem, Mt.
-24:29 c. parall. Paulus acht het mogelijk, dat hij en zijne medegeloovigen
-de parousie van Christus nog beleven zullen, 1 Thess. 4:15, 1 Cor.
-15:51. En alle apostelen zeggen, dat zij zijn in den laatsten tijd, dat
-de toekomst des Heeren nabij is, en ontleenen daaraan eene drangrede
-tot waakzaamheid, Rom. 13:11, 1 Cor. 10:11, Hebr. 3:14, 6:11, 10:25,
-37, Jak. 5:7-9, 1 Petr. 1:6, 20, 4:17, 5:10, 1 Joh. 2:18, Op. 1:3,
-3:11, 20, 22:7, 10, 12, 20. Er is in de opvatting van deze Nieuwtest.
-verwachting aangaande de spoedige wederkomst van Christus zoowel
-aan de eene als aan de andere zijde gedwaald. Het N. Testament bevat
-volstrekt geen leer over den tijd van Christus’ wederkomst. Het stelt
-in geenen deele vast, dat die wederkomst nog vóór of onmiddellijk na
-de verwoesting van Jeruzalem plaats hebben zal. Wel is dit door velen
-uit Mt. 10:23, 16:28, 24:34, 26:64 c. parall. afgeleid, maar ten
-onrechte. Want het is voor geen redelijken twijfel vatbaar, dat Jezus
-van zijn komen in verschillenden zin heeft gesproken. In Joh. 14:18-24,
-cf. 16:16-24 spreekt Hij tot zijne discipelen van zijn komen in den Geest
-na den pinksterdag of volgens andere uitleggers van zijn komen na de
-opstanding, wanneer Hij weder voor een kleinen tijd aan zijne jongeren
-verschijnen zal. In Mt. 26:64 bevestigde Jezus voor den hoogen raad
-niet alleen zijn Messiasschap met een eed, maar zeide Hij ook, dat Hij
-hen hiervan overtuigen zou, doordat zij Hem van nu aan, ἀπαρτι, zouden
-zien zitten aan de rechterhand van Gods kracht en zouden zien komen
-op de wolken des hemels. Van een dergelijk komen in zijne heerlijkheid
-is ook elders sprake. Mt. 16:28, cf. Mk. 9:1, Luk. 9:27, verheft dit
-boven alle bedenking. Jezus zegt daar, dat sommigen van zijne omstanders
-den dood niet zullen smaken, totdat zij den Zoon des menschen hebben
-zien komen in zijn koninkrijk. Vlak vooraf had Hij vermaand, om vooral op
-redding der ziel bedacht te zijn; en Hij drong deze vermaning aan, met te
-zeggen, dat de Zoon des menschen komen zou, met Goddelijke heerlijkheid
-bekleed, en dan een ieder naar zijne werken zou vergelden. Maar zóó
-lang, voegt Hij er in vs. 28 als het ware verklarend aan toe, zal dit
-zelfs niet duren, want nog voordat al zijne omstanders gestorven zijn,
-komt de Zoon des menschen reeds in zijn koninkrijk, ἐν τῃ βασιλειᾳ αὐτου,
-dat is, met de koninklijke macht en waardigheid, welke de Vader Hem
-geven zal. Door zijne opstanding en hemelvaart toch wordt Christus van
-den Vader tot Hoofd, Koning, Heer aangesteld, Hd. 2:33, 5:31; en van
-dat oogenblik af komt Hij voortdurend in zijne koninklijke waardigheid,
-naarmate zijn koninkrijk op aarde gesticht en uitgebreid wordt. En
-daarom wordt in Mk. 9:1 en Luk. 9:27 de uitdrukking alzoo verklaard,
-dat velen den dood niet smaken zullen, totdat zij het koninkrijk Gods
-hebben gezien of hebben zien komen in kracht. Op dezelfde wijze is Mt.
-10:23 te verklaren: de discipelen zouden hunne rondreis door de steden
-Israels niet volbracht hebben, totdat de Zoon des menschen komen zou;
-ofschoon het komen hier in het geheel niet nader verklaard wordt, kan
-toch onmogelijk de parousie bedoeld zijn, wijl Jezus dan met zichzelf in
-tegenspraak zou komen; in Mt. 24 laat Hij zijne parousie in elk geval
-volgen op de verwoesting van Jeruzalem. Hoe lang zij na deze ontzettende
-gebeurtenis plaats hebben zou, wordt door Jezus niet gezegd. Wel bindt
-Hij ze in zijne profetie onmiddelijk aan den val van Jeruzalem vast; de
-vertaling van εὐθεως in Mt. 24:29 door _plotseling_ in plaats van door
-_terstond_, ook door van Leeuwen, De Parousie-verwachting in het N.
-T. Utrecht 1898 bl. 37 voorgestaan, brengt daarin geen verandering,
-want er staat duidelijk bij, dat de teekenen der parousie een aanvang
-zullen nemen εὐθεως na de verdrukking dier dagen, in die dagen, na
-die verdrukking, Mk. 13:24, cf. Luk. 21:25-27. Dit wordt bevestigd
-door Mt. 24:34 cf. Mk. 13:29, Luk. 21:32, waar Jezus zegt, dat dit
-geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen geschied zijn. De
-woorden ἡ γενεα αὑτη kunnen niet verstaan worden van het volk der
-Joden, maar slaan ongetwijfeld op het toen levend geslacht, cf. Cremer
-s. v. Daarentegen is het duidelijk, dat de woorden παντα ταυτα niet
-de parousie zelve insluiten, maar alleen doelen op de teekenen, die
-haar voorafgaan en aankondigen. Immers, nadat Jezus de verwoesting
-van Jeruzalem en de voorteekenen en zijne wederkomst en zelfs de
-bijeenvergadering zijner uitverkorenen door de engelen voorspeld en dus
-zijne eschatologische rede eigenlijk geeindigd heeft, gaat Hij in vers 32
-er toe over, om haar practisch toe te passen en zegt Hij, dat, evenals
-het uitspruiten der bladeren bij den vijgeboom den zomer aankondigt,
-zoo ook παντα ταυτα voorteekenen daarvan zijn, dat het einde nabij is
-of dat de Messias nabij is voor de deur. Hier slaat παντα ταυτα zonder
-eenigen twijfel op de voorteekenen der parousie, niet op deze zelve,
-want anders ware het ongerijmd om te zeggen, dat, wanneer παντα ταυτα
-geschieden zullen, het einde eerst nabij is. In vers 34 hebben de
-woorden παντα ταυτα denzelfden zin; en Jezus zegt dus niet, dat zijne
-parousie nog binnen den tijd van het thans levend geslacht zal plaats
-hebben, maar dat hare voorteekenen en aankondigingen, gelijk die in de
-verwoesting van Jeruzalem en de daarbij plaats hebbende gebeurtenissen
-te zien zouden zijn, nog in den tijd van het thans levend geslacht een
-aanvang zouden nemen. En daarvan is Jezus zoo zeker, dat Hij zegt, dat
-hemel en aarde wel zullen voorbijgaan, maar dat zijne woorden geenszins
-zullen voorbijgaan. Doch overigens onthoudt Jezus zich van alle nadere
-tijdsbepaling. Het is Hem niet te doen, om zijne discipelen het juiste
-tijdstip van zijne parousie te doen weten, maar om hen tot waakzaamheid
-aan te sporen. En daarom zegt Hij niet, wanneer Hij komen zal, maar wat
-de teekenen der tijden zijn, die zijne komst aankondigen. Het letten op
-de teekenen der tijden is voor Jezus’ discipelen plicht; het berekenen
-van den juisten tijd zijner komst is hun verboden en ook onmogelijk. Het
-eerste eischt, dat Jezus zijn licht late vallen op de gebeurtenissen,
-die plaats zullen hebben; en zoo doet Hij dan ook, evenals vóór Hem al
-de profeten en na Hem al zijne apostelen gedaan hebben. Daarom zegt Hij
-ook niet, dat er tusschen de verwoesting van Jeruzalem en zijne parousie
-nog vele eeuwen verloopen zouden; dat zou de vermaning tot waakzaamheid
-terstond weder krachteloos hebben gemaakt. Evenals de profetie ten
-allen tijde doet, kondigt Jezus in de gebeurtenissen van zijn tijd de
-nadering van het einde aan. En de apostelen volgen zijn voorbeeld en
-teekenen ons in de ketterij en leugen, in de oordeelen en gerichten, in
-Jeruzalems val en Rome’s imperium de voorboden van Christus’ wederkomst
-en de aanvankelijke vervulling zijner profetie. Want alle geloovigen
-behooren ten allen tijde zoo te leven, alsof de komst van Christus
-aanstaande ware. Die Nähe der Parusie ist gewissermaassen nur ein
-anderer Ausdruck für die absolute Gewissheit derselben, Baldensperger
-bij Holtzmann, Neut. Theol. I 312. Maar daarom is ook het tweede, dat
-is, het berekenen van het juiste tijdstip der parousie, den Christenen
-niet betamend. Immers heeft Jezus dit met opzet gansch onbeslist
-gelaten. Zijn komst zal plotseling, onverwacht, verrassend wezen evenals
-die van een dief in den nacht, Mt. 24:43, Luk. 12:39, cf. als een
-valstrik, Luk. 21:35. Er moeten vele dingen geschieden, eer het einde
-daar is, Mt. 24:6. Het evangelie moet in de geheele wereld gepredikt
-zijn, Mt. 24:14. De bruidegom vertoeft en de heer der dienstknechten
-vertrok buitenslands voor een langen tijd, Mt. 25:5, 13, 19. Onkruid
-en tarwe moeten samen opgroeien tot den dag des oogstes, Mt. 13:30.
-Het mostaardzaad moet tot een boom worden, en de zuurdeesem alles
-doorzuren, Mt. 13:32, 33. Ja, Jezus zegt uitdrukkelijk, bij gelegenheid
-dat Hij over zijne parousie handelt, dat de dag en de ure van zijne komst
-aan niemand, aan engelen noch menschen, ja zelfs niet aan den Zoon
-bekend is, Mk. 13:32, en getuigt nog na zijne opstanding, dat de Vader
-de tijden en gelegenheden voor de oprichting van zijn koninkrijk in zijne
-macht heeft gesteld, Hd. 1:7. En desgelijks spreken al de apostelen;
-Christus komt als een dief in den nacht, 1 Thess. 5:1, 2, 2 Petr.
-3:10, Op. 3:3, 16:15; Hij verschijnt niet, dan nadat eerst de antichrist
-gekomen zij, 2 Thess. 2:2v.; de opstanding heeft plaats in eene vaste
-orde, eerst van Christus, daarna die van de geloovigen in zijne
-toekomst, 1 Cor. 15:23; en die toekomst toeft, wijl de Heere een anderen
-maatstaf voor den tijd heeft dan wij en in zijne lankmoedigheid wil, dat
-allen tot bekeering komen, 2 Petr. 3:8, 9.
-
-Even sober als over den tijd spreekt de H. Schrift over de wijze van
-Jezus’ wederkomst. De tweede komst van Christus wordt in het N. T.
-dikwerf aangeduid met den naam van παρουσια, hetzij absoluut, Mt. 24:3,
-hetzij nader omschreven als παρουσια του υἱου του ἀνθρωπου of παρουσια
-του κυριου ἡμων Ιησου Χριστου, Mt. 24:27, 37, 39, 1 Thess. 3:13, 4:15,
-5:23 enz., of παρουσια της του θεου ἡμερας, 2 Petr. 3:12. Het woord
-sluit eigenlijk niet het begrip van wederkomst in, maar duidt aan,
-dat Jezus, na een tijd lang afwezig en verborgen te zijn geweest, Hd.
-3:21, Col. 3:3, 4, en daarna op nieuw gekomen te zijn, Mt. 16:27, 24:30
-enz., cf. Luk. 19:12, 15, weder aanwezig en tegenwoordig zal zijn en
-dan aanwezig zal blijven. Daarom wisselt het ook af met ἐπιφανεια, Mt.
-24:30, 1 Tim. 6:14, Tit. 2:13, ἀποκαλυψις, Luk. 17:30, 1 Cor. 1:7,
-2 Thess. 1:7, 1 Petr. 1:7, 13, φανερωσις, Col. 3:4, 1 Petr. 5:4, 1
-Joh. 2:28; in 2 Thess. 2:8 wordt zelfs gesproken van ἡ ἐπιφανεια της
-παρουσιας αὐτου. Deze parousie is een werk Gods, in zoover deze zijnen
-Christus zenden zal en daarvoor de tijden en gelegenheden bepaalt,
-Hd. 1:7, 3:20, 1 Tim. 6:14-16, maar zij is ook eene daad van Christus
-zelven, als Zoon des menschen, wien door den Vader het oordeel gegeven
-is en die als koning heerschen moet, totdat alle vijanden onder zijne
-voeten gelegd zijn, Joh. 5:27, 1 Cor. 15:25. Wijl Hij bij zijn heengaan
-van de aarde opgenomen is in den hemel, komt Hij bij zijne parousie van
-den hemel weer, Phil. 3:20, 1 Thess. 1:10, 2 Thess. 1:7, Op. 19:11;
-en gelijk eene wolk Hem bij zijne hemelvaart opnam en verbergde voor
-het oog zijner discipelen, Hd. 1:9, zoo wordt Hij in Oudtestamentische
-taal ook beschreven als wederkeerende op wolken des hemels, die als
-een zegewagen Hem heendragen naar deze aarde, Mt. 24:30, 26:64, Mk.
-13:26, 14:62, Luk. 21:27, Op. 1:7, 14:14. Immers keert Hij niet weer
-in dienstknechtsgestalte, maar met groote kracht en met zijne en zijns
-Vaders heerlijkheid, Mt. 16:27, 24:30, Mk. 8:38, 13:26, Luk. 22:27, Col.
-3:3, 4, 2 Thess. 1:9, 10, Tit. 2:13, als een Koning der koningen en
-Heer der heeren, Op. 17:14, 19:11-16, omgeven door zijne engelen, Mt.
-16:27, 25:31, Mk. 8:38, Luk. 9:26, 2 Thess. 1:7, Op. 19:14, door zijne
-heiligen, onder wie misschien ook de reeds gezaligden begrepen zijn, 1
-Thess. 3:13, 2 Thess. 1:10, Jud. 14. Ofschoon zijne parousie vanwege het
-onverwachte met het inbreken van een dief in den nacht overeenkomt,
-zal zij toch voor alle menschen over de gansche aarde zichtbaar zijn,
-aan een bliksem gelijk wezen, die van de eene zijde des hemels licht tot
-de andere, Mt. 24:27, Luk. 17:24, Op. 1:7, en aangekondigd worden door
-de stem van een archangel en de bazuin der engelen, Mt. 24:31, 1 Cor.
-15:52, 1 Thess. 4:16. In verband met hunne leer van de hemelvaart,
-deel III 414, zeiden de Lutherschen, dat de wederkomst van Christus
-aan geen successie van oogenblikken was onderworpen maar in niets
-anders bestond dan in de plotselinge zichtbaarwording van het eenmaal
-bij de verhooging onzichtbaar en alomtegenwoordig geworden lichaam van
-Christus. Hoewel men over het algemeen erkende, dat de wederkomst
-van Christus visibilis en localis was, verstond men daaronder toch
-alleen, dat de menschelijke natuur van Christus door eene singularis
-Dei dispositio voor het speciale doel des gerichts een tijd lang op
-eene bepaalde plaats zichtbaar werd, zonder dat zij daarmede hare
-tegenwoordigheid op andere plaatsen varen liet, Gerhard, Loc. XXVII
-de extr. jud. n. 35. Quenstedt, Theol. IV 614. Hollaz, Ex. 1249.
-Maar de Gereformeerden schreven aan de wederkomst van Christus een
-lichamelijk, plaatselijk, tijdelijk karakter toe; zij erkenden zelfs, dat
-die wederkomst, ook al zou zij zeer plotseling zijn, toch successiva
-was, aan eene successie van oogenblikken onderworpen; ook op den
-hoogsten trap van hare verhooging, bij de wederkomst ten oordeele, bleef
-Christus zijne waarachtig menschelijke natuur behouden, cf. M. Vitringa
-IV 160. Cf. over de wederkomst van Christus in het algemeen, behalve de
-reeds bovenaangehaalde werken, ook nog: Thomas, S. Theol. III qu. 59
-art. 2 Suppl. qu. 90 art. 1. 2. Oswald, Eschat. 234 f. Jansen, Prael.
-III 1038. Atzberger, Die christl. Eschat. 300 f. Simar, Dogm. § 166.
-Gerhard, Loc. XXVIII de extr. jud. c. 3. Quenstedt, Theol. 649. Hollaz,
-Ex. 1249. Polanus, Synt. VI c. 65. Voetius, Disp. II 51 sq. Marck,
-Exspect. Jesu Chr. I c. 1-24. M. Vitringa IV 160. Kliefoth, Eschat. 228
-f. Nitzsch, Ev. Dogm. 607 f.
-
-
-§ 56. DE VOLEINDING DER EEUWEN.
-
-1. Met de verschijning van Christus op de wolken begint de יום יהוה, ἡ
-ἡμερα του κυριου ἡμων Ιησου Χριστου, Mt. 24:36v., Luk. 17:24v., 21:34,
-Hd. 17:30, 1 Cor. 1:8, 5:5 enz. De Schrift wil daarmede geenszins te
-kennen geven, dat al wat tot de laatste dingen behoort, wederkomst,
-opstanding, gericht enz., in eene tijdruimte van twaalf of vierentwintig
-uren afloopt. Onder het Oude Testament was de dag des Heeren die
-tijd, waarin God op wonderbaar heerlijke wijze als koning tot zijn volk
-zou komen, om het van al zijne vijanden te verlossen en het bij zich in
-Jeruzalem in vrede en veiligheid te doen wonen. Met dat komen Gods trad
-het groote keerpunt in, waarbij de oude tijd in den nieuwen overging en
-alle toestanden en verhoudingen in natuur en menschenwereld gansch en
-al veranderen zouden. Later werd dit door de Joden zoo voorgesteld, dat
-met den dag des Heeren de tegenwoordige wereldtijd, עולם הזה, overging
-in den toekomstigen, עולם הבא, die dan dikwerf nog weer nader in de
-drie geslachten of in de 40 of 100 of 600 of 1000 of 2000 of 7000 jaren
-durende dagen van den Messias, ימות המשיח, en de daarna intredende
-eeuwigheid, עולם הבא of עתיד הבא onderscheiden werd, Weber, System 354.
-Volgens het Nieuwe Testament heeft met de eerste komst van Christus
-het laatste gedeelte van den αἰων οὑτος een aanvang genomen, zoodat
-wij nu leven in de laatste dagen of in de laatste ure, 1 Cor. 10:11,
-Hebr. 1:1, 19:26, Joh. 2:18, en treedt met zijne tweede komst de αἰων
-μελλων in, Mt. 19:28, Mk. 10:30, Luk. 18:30, 20:35, 1 Cor. 15:23,
-Hebr. 2:5 enz., cf. Cremer s. v. αἰων. En deze αἰων μελλων begint
-met de ἡμερα του κυριου, dat is de tijd, waarin Christus verschijnt,
-de dooden opwekt, het oordeel velt en de wereld vernieuwt. Deze tijd
-wordt in het N. Test. nergens voorgesteld als lang te zullen duren;
-Paulus zegt 1 Cor. 15:52, dat de verandering der levend overgebleven
-en de opstanding der gestorven geloovigen in een punt des tijds, in
-een oogenblik plaats hebben zal, cf. 1 Thess. 4:15-17; opstanding en
-laatste oordeel worden ten nauwste, als tot ééne acte, verbonden, Luk.
-14:14, 2 Cor. 4:14, Op. 20:11-13; en het oordeel wordt op een dag, Mt.
-10:15, 11:22 enz., ja zelfs op een ure gesteld, Op. 14:7. Maar deze
-laatste bepaling bewijst, dat de Schrift er niet aan denkt, om al de
-gebeurtenissen in de parousie van Christus, precies binnen eene ruimte
-van vierentwintig uren of van zestig minuten te beperken; ὡρα, oorspr.
-jaargetijde, duidt dikwerf een veel langeren tijd dan een uur van zestig
-minuten aan, Mt. 26:45, Joh. 4:21, 5:25, 16:2, 32, Kom. 13:11, 1 Joh.
-2:18. De gebeurtenissen, welke in de parousie van Christus moeten
-plaats grijpen, zijn ook zoo omvangrijk, dat zij zeker een geruimen tijd in
-beslag nemen. De uitvindingen van deze eeuw hebben voor het onderling
-verkeer, voor de oefening van gemeenschap, voor het hooren en zien
-van wat in groote verte geschiedt, de afstanden tot een minimum doen
-inkrimpen; en ze zijn waarschijnlijk nog maar aanvang en profetie van wat
-in volgende eeuwen ontdekt worden zal. Maar hoezeer met dit alles ook
-bij de leer der laatste dingen rekening behoort gehouden te worden; toch
-zijn verschijning van Christus, zoodat allen Hem zien, opstanding van
-alle dooden en verandering der levend overgeblevenen, oordeelvelling
-over alle menschen naar al hunne werken, verbranding en vernieuwing
-der wereld zulke ontzettende gebeurtenissen, dat zij niet anders dan in
-zeker tijdsverloop plaats kunnen hebben.
-
-De eerste gebeurtenis, die op de verschijning van Christus volgt,
-is de opstanding der dooden. Deze is niet het resultaat van eene
-ontwikkeling der lichamen in het algemeen, of in het bijzonder van
-het in de geloovigen door wedergeboorte en sacrament ingeplante
-opstandingslichaam, cf. Kübel, Herzog² 1, 764, maar de uitwerking van
-eene almachtige, scheppende daad Gods, Mt. 22:29, 1 Cor. 6:14, 15:38, 2
-Cor. 1:9. Bepaaldelijk oefent de Vader dit werk uit door den Zoon, wien
-Hij gegeven heeft het leven te hebben in zichzelven, Joh. 5:28, 6:29,
-40, 44, 1 Cor. 6:14, 2 Cor. 4:14, 1 Thess. 4:14, die de opstanding en
-het leven, de eerstgeborene uit de dooden is, Joh. 11:25, Hd. 16:23,
-1 Cor. 15:20, Col. 1:18, Op. 1:5, en daarom de opstanding der zijnen
-noodzakelijk tot stand moet doen komen, Joh. 6:39, 40, 1 Cor. 15:20-23,
-47-49. De Schrift leert zonder twijfel eene algemeene opstanding, eene
-opstanding van geloovigen niet alleen maar ook van ongeloovigen en van
-alle menschen, Dan. 12:2, Mt. 5:29, 30, 10:28, Joh. 5:29, Hd. 24:15,
-Op. 20:12, 13, en zij schrijft ook deze aan Christus toe, Joh. 5:29.
-Maar zij spreekt over deze algemeene opstanding toch zeer zelden, wijl
-zij tot Christus in een gansch ander verband staat dan de opstanding
-der geloovigen. De opstanding der dooden in het algemeen is toch niet
-dan zijdelings eene vrucht van het werk van Christus; zij is alleen
-noodzakelijk geworden, omdat de tijdelijke dood is ingetreden; en deze is
-van den eeuwigen dood gescheiden geworden, omdat God met zijne genade
-tusschenbeide kwam. De straf op de zonde was oorspronkelijk de dood, de
-dood in zijn vollen omgang en zwaarte. Maar omdat God uit het gevallen
-menschelijk geslacht zich eene gemeente ten eeuwigen leven verkoren had,
-stelde hij terstond bij Adam en Eva den tijdelijken dood reeds uit, liet
-Hij hen zich voortplanten van geslacht tot geslacht en verwijst eerst
-aan het einde der eeuwen hen, die zijn wet en evangelie ongehoorzaam
-zijn, naar het eeuwig verderf. De algemeene opstanding dient dus alleen,
-om de ter wille van de genade in Christus tusschen beide gekomen,
-tijdelijke verbreking van den band tusschen ziel en lichaam bij alle
-menschen te herstellen en hen allen als _menschen_, naar ziel en
-lichaam samen, voor Gods rechterstoel te plaatsen en hen uit zijnen mond
-het oordeel te doen vernemen. Ook deze algemeene opstanding brengt de
-Vader door Christus tot stand, omdat Hij niet alleen het leven maar ook
-het oordeel aan den Zoon heeft gegeven en dit oordeel den ganschen
-mensch moet treffen, naar ziel en lichaam beide, Joh. 5:27-29, cf. M.
-Vitringa IV 149. De opstanding der dooden in het algemeen is dus in
-de eerste plaats eene richterlijke daad Gods. Maar deze daad is voor de
-geloovigen vol van rijke vertroosting. En daarom staat in de Schrift
-de opstanding der gemeente allerwege op den voorgrond, zoozeer zelfs,
-dat de opstanding van alle menschen soms geheel ter zijde gelaten en
-verzwegen wordt, Job 19:25-27, Ps. 73:23-26, Hos. 6:2, 13:14, Jes.
-26:19, 20, Ezech. 37, Mk. 12:25, 1 Cor. 15, 1 Thess. 4:16, Phil. 3:11.
-Deze opstanding is de eigenlijke, ware opstanding en is rechtstreeks
-door Christus verworven, want zij is niet maar eene hereeniging van ziel
-en lichaam, doch eene levendmaking, eene vernieuwing, een terstond
-naar ziel en lichaam beide in gemeenschap treden met Christus, een
-herschapen worden naar Gods evenbeeld, Rom. 8:11, 29, Phil. 3:21.
-Daarom laat Paulus de opstanding der geloovigen samenvallen met de
-verandering der levend overgeblevenen; de laatsten hebben bij de eersten
-niets voor, want het opstaan gaat aan het veranderd worden vooraf, en
-samen worden zij dan den Heere tegemoet gevoerd in de lucht, 1 Cor.
-15:51, 52, 2 Cor. 5:2, 4, 1 Thess. 4:15-17.
-
-
-2. Bij deze opstanding blijft de identiteit van het opstandingslichaam
-met het gestorven lichaam bewaard. Bij de opwekkingen, die in Oud en
-Nieuw Test. plaats vinden, wordt het gestorven lichaam met nieuw leven
-bezield. Jezus staat op met datzelfde lichaam, waarin Hij geleden
-heeft aan het kruis en dat neergelegd was in het graf van Jozef van
-Arimathea. Toen Jezus stierf, werden vele lichamen der heiligen
-opgewekt en gingen uit uit hunne graven, Mt. 27:52. In de opstanding
-ten jongsten dage zullen allen, die in de graven zijn, Jezus’ stem
-hooren en uitgaan, Joh. 5:28, 29; uit de graven, uit de zee, uit den
-dood en den hades keeren de dooden naar de aarde terug, Op. 20:13. En
-Paulus leert, dat het opstandingslichaam voortkomt uit het lichaam,
-dat gestorven is, gelijk God uit het gezaaide graan een ander verwekt,
-1 Cor. 15:36v. Deze identiteit van het opstandingslichaam met het
-lichaam, dat bij den dood werd afgelegd, is in de christelijke religie
-van groote beteekenis. Want ten eerste staat zij daarmede lijnrecht over
-tegen alle dualistische leer, volgens welke het lichaam slechts eene
-toevallige woonplaats of zelfs een kerker van de ziel is. Het wezen
-van den mensch bestaat juist in de allernauwste vereeniging van ziel
-en lichaam tot ééne persoonlijkheid. De ziel behoort van nature bij het
-lichaam en het lichaam bij de ziel; zelfs heeft elke ziel, ofschoon
-zij zich niet zelve het lichaam schept, toch haar eigen lichaam. In
-de identiteit van het lichaam wordt evengoed als in die van de ziel
-de continuiteit van het individueele, menschelijke wezen gehandhaafd.
-En ten andere is de verlossing door Christus geen tweede, nieuwe
-schepping maar eene herschepping. Veel eenvoudiger ware het geweest,
-als God heel de gevallen wereld vernietigd en door eene gansch nieuwe
-vervangen had. Maar het was zijn welbehagen, om de gevallen wereld
-weder op te richten, en dezelfde menschheid, die gezondigd had, van de
-zonde te bevrijden. Deze bevrijding bestaat daarin, dat Christus zijne
-gemeente van alle zonde en van alle gevolgen der zonde verlost, en dus
-ook volkomen doet triumfeeren over den dood. Dat is de laatste vijand,
-die teniet gedaan moet worden. En daarin komt de macht van Christus
-uit, dat Hij niet alleen aan de zijnen het eeuwige leven geeft maar hen
-dientengevolge ook opwekt ten uitersten dage. De wedergeboorte uit
-water en geest voltooit zich in de wedergeboorte aller dingen, Mt.
-19:28. De geestelijke verlossing van de zonde wordt eerst voleindigd
-in de lichamelijke verlossing aan het einde der dagen. Christus is
-een volkomen Zaligmaker; gelijk Hij eerst verscheen, om het koninkrijk
-der hemelen op te richten in de harten der geloovigen, zoo komt Hij
-eenmaal weer, om het eene zichtbare gedaante te geven en zijne absolute
-macht over zonde en dood onwedersprekelijk voor aller schepselen oog
-tot openbaring en erkenning te brengen. Leiblichkeit ist das Ende der
-Wege Gottes. De zorg voor de dooden staat hiermede in rechtstreeksch
-verband. Lijkenverbranding is niet daarom te verwerpen, wijl zij aan Gods
-almacht paal en perk zou stellen en de opstanding onmogelijk zou maken.
-Maar zij is toch van heidenschen oorsprong, was onder Israel en bij de
-Christenvolken nooit in gebruik en strijdt met de christelijke zede.
-Daarentegen is begraving veel meer in overeenstemming met Schrift en
-belijdenis, historie en liturgie, met de leer van het beeld Gods, dat
-ook in het lichaam uitkomt, en van den dood als eene straf der zonde,
-met den aan de dooden verschuldigden eerbied en de opstanding ten
-jongsten dage. De Christen conserveert de lijken niet kunstmatig, gelijk
-de Egyptenaren; hij vernielt ze ook niet mechanisch, zooals thans velen
-begeeren, maar hij vertrouwt ze aan den schoot der aarde toe, en laat ze
-rusten tot den opstandingsdag, Kuyper, Ons Program 802v. Sartorius, Die
-Leichenverbrennung innerhalb der christl. Kirche, Basel 1886.
-
-De christelijke kerk en theologie hield dan ook de identiteit van het
-opstandingslichaam met het gestorven lichaam ten strengste vast. Zelfs
-sloeg zij dikwerf tot een ander uiterste over en beleed niet alleen
-eene opstanding des _vleesches_, maar leerde soms, dat de totalitas
-materiae, welke bij een lichaam behoord had, in de opstanding door God
-uit alle hoeken der aarde saamvergaderd en in dezelfde wijze en mate als
-weleer tot de verschillende deelen des lichaams teruggeleid werd, cf.
-Iren. adv. haer. V 12. 13. Augustinus, Enchir. 26. de civ. XX 4. 13
-sq. Thomas, S. Theol. III qu. 75-86 enz. Maar deze voorstelling stuit
-op onoverkomelijke bezwaren. Want 1º leidt zij tot allerlei spitsvondige
-en curieuse onderzoekingen, die voor de leer der opstanding van geen
-waarde zijn. De vraag wordt dan, of haren en nagels, bloed en gal, semen
-en urina, intestina en genitalia zullen opstaan en uit dezelfde, in
-getal en soort gelijke, atomen zullen gevormd worden als waaruit zij
-hier in de lichamen bestonden. Met gebrekkige menschen, die een of
-meer ledematen misten, en met kinderen, die jong en soms al vóór de
-geboorte stierven, kwam men door deze voorstelling in niet geringe
-verlegenheid; men moest toch, of men wilde of niet, in al deze en
-soortgelijke gevallen tot de onderstelling de toevlucht nemen, dat
-de opstandingslichamen aangevuld werden door bestanddeelen, die er
-vroeger niet toe behoorden. De opstanding kan niet bestaan in terugkeer
-en levendmaking van de totalitas materiae. 2º De physiologie leert,
-dat het menschelijk lichaam evenals alle organismen aan voortdurende
-stofwisseling onderhevig is, zoodat na zeven jaren geen enkel
-stofdeeltje meer aanwezig is van die, welke vóór dien tijd de substantie
-van het lichaam vormden. De stoffen, waaruit onze lichamen bestaan,
-zooals zuur-, water-, stikstof enz., zijn dezelfde in soort, als die in
-andere schepselen rondom ons voorkomen, maar zij wisselen onophoudelijk;
-en deze wisseling bewijst afdoende, dat de identiteit der lichamen niet
-daarin gelegen kan zijn, dat zij steeds uit dezelfde stoffen in getal
-bestaan. Het is genoeg, dat zij bestaan uit dezelfde stoffen in soort.
-3º Dit wordt versterkt door de velerlei metamorphosen, welke de natuur
-in al hare rijken te aanschouwen geeft. Door inwerking van lucht, water
-enz. gaan planten over in turf en steenkool, koolstof in diamant,
-klei in kleisteen en gesteente in vruchtbare aarde. In planten-
-en dierenrijk is er binnen de grenzen der soorten eene eindelooze
-varieteit. En elk organisme ondergaat in den tijd van zijn bestaan eene
-reeks van veranderingen; de made wordt eene vlieg, elke larve gaat
-uit den onontwikkelden toestand in een meer ontwikkelden over, het
-embryo doorloopt verschillende phasen en komt dan tot een exuterinaal
-bestaan, de rups wordt een pop en daarna een vlinder enz. Wat onder
-al deze gedaanteverwisselingen hetzelfde blijft, weten wij niet. Stof
-en vorm veranderen, er schijnt in heel het organisme niets stabiels te
-zijn; en toch blijft de identiteit gehandhaafd, die daarom van de grove
-stofmassa, van hare wisseling en quantiteit onafhankelijk is.
-
-
-3. Indien wij deze gegevens in verband brengen met hetgeen de Schrift
-ons over de opstanding leert, zien wij ons den weg geopend, om zoowel de
-substantieele eenheid als ook het qualitatieve onderscheid tusschen het
-tegenwoordig en het toekomstig lichaam te handhaven. De Schrift toch
-leert in strikten zin geen opstanding des vleesches maar des lichaams.
-Uit de opwekkingen, waarvan zij ons bericht, en uit de opstanding van
-Christus is wel wat het wezen, maar niet wat den vorm en de wijze
-betreft, tot de opstanding der dooden in het laatste der dagen te
-besluiten. Want bij al die opwekkingen bestond het lichaam nog in zijn
-geheel, en het lichaam van Christus werd zelfs aan geen verderving
-overgegeven, Hd. 2:31. Maar de lichamen dergenen, die opstaan in
-de parousie, zijn in hunne bestanddeelen ontbonden en op allerlei
-wijze verstrooid en in andere schepselen overgegaan. Van vleesch kan
-daarbij in eigenlijken zin geen sprake meer zijn, want vleesch is altijd
-bezield; wat ophoudt bezield en levend te zijn, houdt daarmede ook op,
-vleesch te wezen en keert tot stof weder, Gen. 3:19. Wel kan Job,
-gesteld zelfs, dat deze vertaling de juiste is, zeggen, dat hij uit zijn
-vleesch God aanschouwen zal, 19:26, en kan Jezus na zijne opstanding
-getuigen, dat een geest geen vleesch en beenen heeft, gelijk Hij had,
-Luk. 24:39. Maar dit levert toch geen afdoend bewijs voor de opstanding
-des vleesches in den strikten zin van dit woord. Want het vleesch,
-waaruit Jobs lichaam bestond, was inderdaad het substraat voor het
-lichaam der opstanding, maar vormde daarom nog niet de substantie
-ervan. En Jezus stond met datzelfde lichaam op, waarin Hij gestorven
-was en dat zelfs geen verderving had gezien, en verkeerde bovendien
-tot aan zijne hemelvaart toe in een overgangstoestand, zoodat Hij ook
-nog spijze nuttigen kon. Zeer duidelijk leert Paulus toch, dat vleesch
-en bloed, wijl der verderfelijkheid onderworpen, de onverderfelijkheid
-in het koninkrijk der hemelen niet beërven kunnen. Geheel ten onrechte
-is hieruit door Holsten, Holtzmann e. a. afgeleid, dat volgens Paulus
-het gestorven lichaam in het geheel niet opstaat en dat de eigenlijke
-opstanding al bij het sterven plaats heeft. Want de apostel belijdt
-uitdrukkelijk zijn geloof aan de lichamelijke opstanding en verdedigt
-haar tegen degenen, die haar in de gemeente van Corinthe zoowel bij
-Jezus als bij de geloovigen ontkenden. En ook is hij wel terdege van
-meening, dat hetzelfde lichaam, dat in het graf wordt neergelegd, in de
-opstanding opgewekt wordt, cf. Bornhäuser, Das Recht des Bekenntnisses
-zur Auferstehung des Fleisches, Gütersloh 1899. Maar tevens betoogt hij,
-dat de opstanding geen restauratie doch eene reformatie is. Het lichaam
-staat op, doch niet als vleesch en bloed, zwak, verderfelijk, sterfelijk,
-doch als een lichaam, dat met onverderfelijkheid en heerlijkheid is
-bekleed. Het uit vleesch en bloed bestaande lichaam is wel het zaad,
-waaruit het opstandingslichaam voortkomt, 1 Cor. 15:35-38. Maar
-desniettemin is er tusschen beide een groot onderscheid. Reeds op
-aarde is er veel verschil in vleesch bij de organische wezens, en in
-lichaam bij de anorganische schepselen, vs. 39-41. En evenzoo is er
-een belangrijk onderscheid tusschen het tegenwoordig en het toekomstig
-lichaam, gelijk ook de tegenstelling van Adam en Christus bewijst, vs.
-42-49. Het eerste is een σωμα ψυχικον, bestaande uit door ψυχη bezield,
-aan verandering onderworpen vleesch en bloed; maar het laatste is een
-σωμα πνευματικον, het is wel een waarachtig σωμα doch het wordt niet
-meer door de ψυχη doch door het πνευμα beheerscht; het bestaat niet
-meer uit vleesch en bloed, het is boven het geslachtsleven, Mt. 22:30,
-boven de behoefte aan spijze en drank verheven, 1 Cor. 6:13, en daarin
-zelfs onderscheiden van het lichaam, dat de mensch bezat vóór den val;
-het is onsterfelijk, onverderfelijk, vergeestelijkt, verheerlijkt, 1 Cor.
-15:42v., Phil. 3:21. Ook volgens Paulus is daarom de identiteit van
-het opstandingslichaam met het aan den schoot der aarde toebetrouwde
-lichaam onafhankelijk van de stofmassa en hare voortdurende wisseling.
-Alle organismen en zoo ook de menschelijke lichamen bestaan wel steeds
-uit dezelfde stoffen in soort maar niet in getal. En zoo ook is het
-voor het opstandingslichaam volstrekt niet noodig, dat het juist uit
-diezelfde atomen in getal bestaat, als waaruit het bestond, toen
-het in het graf werd gelegd. Maar wel is het voor de identiteit een
-vereischte, dat in het opstandingslichaam diezelfde organisatie en
-vorm, datzelfde schema en type bewaard wordt, welke hier het lichaam
-stempelden tot het eigen lichaam van een bepaald persoon. Onder de
-gedaanteverwisselingen, waaraan alle schepselen onderworpen zijn, blijft
-hunne identiteit en continuiteit bewaard. Het lichaam des menschen
-moge na den dood vergaan en naar zijne stofmassa in allerlei andere
-organismen worden omgezet, er blijft op aarde iets van over, dat het
-substraat van het opstandingslichaam uitmaakt. Wat dat is, weten wij
-niet en kunnen wij nimmer uitvinden. Maar het bevreemdende daarvan
-verdwijnt, zoodra wij bedenken, dat de allerlaatste bestanddeelen der
-dingen ons volkomen onbekend zijn. Elk kleinste atoom is nog weer voor
-ontleding vatbaar; de chemische analyse zet zich eindeloos voort maar
-bereikt nooit het volstrekt eenvoudige zijn. En toch moet er bij alle
-organismen en zoo ook bij het menschelijk lichaam iets zijn, dat in de
-steeds voortgaande gedaanteverwisseling zijne identiteit behoudt. Wat
-ongerijmds is er dan in, om aan te nemen, dat zulk een „organische
-grondvorm”, zulk een „schema der individualiteit” ook na den dood
-van het menschelijk lichaam overblijft, om als zaad te dienen voor
-het lichaam der opstanding? Want dit staat volgens de Schrift vast,
-dat het lichaam der opstanding niet door de zaligen uit den hemel
-meegebracht of uit geestelijke, hemelsche elementen gevormd wordt. Het
-lichaam der opstanding komt niet uit den hemel maar uit de aarde;
-het is geen eigengevormd product van pneuma of psyche, maar komt op
-uit het lichaam, dat bij den dood in het graf werd gelegd; en het is
-daarom niet geestelijk in dien zin, dat het pneuma tot zijne substantie
-zou hebben, maar het is en blijft stoffelijk, al is die stof niet meer
-tot verderfelijk vleesch en bloed maar tot een verheerlijkt lichaam
-georganiseerd. Cf. Tertullianus, de resurrectione carnis. Augustinus,
-de civ. XXII c. 12-20. Enchir. 84-93. Lombardus, Sent. IV dist. 43.
-Thomas, suppl. qu. 82-87. Oswald, Eschat. 262 f. Jansen, Prael. III
-1044. Simar, Dogm. § 168. Gerhard, Loc. XXVI tract. 2. Quenstedt,
-Theol. IV 576-605. Polanus, Synt. VI c. 66. Synopsis pur. theol.,
-disp. 51. Mastricht, Theol. VIII 4, 6. Amyraldus, Theses Salm. III
-840. Turretinus, Theol. El. XX qu. 1-3. Marck, Exspect. J. C. II c.
-1-18. M. Vitringa IV 109-156. Kliefoth, Eschat. 248 f. Splittgerber,
-Tod. Fortleben und Auferstehung³ 1879. Nitzsch, Ev. Dogm. 614 f. Art.
-Auferstehung in Herzog³.
-
-
-4. Na de opstanding volgt het gericht, dat in het Oude Testament
-voorgesteld wordt als eene overwinning door den Messias van alle
-vijanden Israels, maar in het Nieuwe Testament meer geestelijk beschreven
-wordt als een richterlijk werk van Christus, waarbij Hij alle menschen
-oordeelt en vonnist overeenkomstig de wet, door God hun gegeven.
-Jezus toch is de eerste maal op aarde gekomen, niet om de wereld
-te veroordeelen doch om haar te behouden, Joh. 3:17, 12:47; maar
-toch heeft Hij terstond bij zijne verschijning eene κρισις in het leven
-geroepen, die tot gevolg en tot doel heeft, dat degenen, die niet
-zien, zien mogen en die zien, blind worden, 3:19, 20, 9:39. Jezus
-houdt voortdurend als Zoon des menschen gericht, als Hij aan degenen,
-die gelooven, reeds hier op aarde het eeuwige leven schenkt en op
-hen, die niet gelooven, den toorn Gods laat rusten, 3:36, 5:22-27.
-Er is dus ongetwijfeld een inwendig, geestelijk oordeel; eene crisis,
-die zich voltrekt van geslacht tot geslacht; een immanent, diesseitig
-gericht, dat in de gewetens der menschen gespannen wordt. Geloof en
-ongeloof brengen reeds hier op aarde hun vrucht en hun loon mede;
-gelijk het geloof gevolgd wordt door rechtvaardigmaking en vrede
-bij God, zoo leidt het ongeloof tot voortgaande verduistering en
-verharding en tot overgave aan allerlei ongerechtigheid. Ja zelfs
-buiten de tegenstelling van geloof en ongeloof dragen deugd en ondeugd
-elk hare eigene vruchten; het goede en het kwade heeft ook in het
-natuurlijk leven zijn eigen loon, niet alleen in de ontschuldiging of
-beschuldiging van het geweten, maar ook in den uitwendigen voor- of
-tegenspoed, die er dikwerf mede verbonden zijn. Schrift en geschiedenis
-leeren het bovendien als om strijd, dat zegen en vloek, ontferming en
-toorn, gunstbewijzen en gerichten elkander afwisselen in het leven der
-menschen en der volken. Er ligt eene groote waarheid in het woord van
-den dichter: die Weltgeschichte ist das Weltgericht. Maar toch is in
-deze spreuk de waarheid met de leugen vermengd. Zij is niet theistisch
-maar pantheistisch gedacht, en ondermijnt alle gericht, in plaats dat
-zij het bevestigt en hoog houdt. Immers, indien de wereldgeschiedenis
-_het_ wereldgericht is, houdt zij ten eenenmale op een gericht te zijn
-en wordt zij een natuurproces, dat om de ontzachlijke tegenstelling
-van goed en kwaad in het geheel zich niet bekommert en deze tot den
-verborgen schuilhoek van het geweten, en ook daar nog maar voor een
-tijd, terugdringt. Er is dan immers geen God meer, die de natuurorde
-aan de zedelijke orde dienstbaar kan maken, maar er is niets anders
-dan eene natuurmacht, die heel de physische wereld beheerscht en
-straks ook dat beperkte terrein, dat aanvankelijk voor de zedelijke
-heerschappij van het goede nog werd ingeruimd, inkrimpt en verdwijnen
-doet. Want het goede is geen macht, die tegen de natuur bestand is,
-indien het zijn steun niet heeft in een almachtig God, die Schepper is
-van natuur en zedelijke orde beide. Wel brengt het pantheisme hiertegen
-altijd weder in, dat het goede toch om zichzelf en niet uit hoop op
-loon of uit vrees voor straf gedaan moet worden. Maar het verlangen
-der ziel naar den triomf van het goede, naar de zegepraal van het
-recht, heeft hoegenaamd niets gemeen met den zelfzuchtigen wensch
-naar aardsch geluk en zinnelijke bevrediging. Integendeel, hoezeer de
-Schrift ermede rekent, dat de mensch een zinnelijk wezen is, en hem
-een loon voorspiegelt, groot in de hemelen; dat loon is altijd aan de
-eere van Gods naam ondergeschikt en met de goede werken, waarin de
-geloovigen wandelen, door Christus verworven. Het zijn juist de vromen,
-die reikhalzend naar dien dag uitzien, waarin God zijn naam voor het
-oog van alle schepselen verheerlijkt en in hunne zaak de zijne over
-allen tegenstand doet triumfeeren. En dit verlangen wordt te sterker,
-naarmate het bloed, dat om wrake roept, in breeder en dieper stroom
-over de aarde vloeit, naarmate het onrecht zegeviert, de goddeloosheid
-toeneemt, de leugen triumfeert en Satans rijk zich uitbreidt en tegen
-het rijk der gerechtigheid zich verheft. Heel de geschiedenis roept om
-een wereldgericht; het gansche schepsel zucht er naar; alle volken
-getuigen ervan; de martelaren in den hemel roepen erom met groote
-stem; de gemeente bidt om de komst van Christus; en Christus zelf,
-die de Alpha en de Omega is, zegt: Zie, Ik kom haastelijk en mijn loon
-is met mij, om een iegelijk te vergelden naar zijn werk. Hoezeer de
-Schrift dus, vooral in het evangelie van Johannes, een geestelijk, in
-de geschiedenis doorloopend gericht erkent, zij spreekt toch allerwege
-ook van een eindgericht, dat het rijk van Christus triumfeeren doet over
-alle ongerechtigheid. De wereldgeschiedenis moge een wereldgericht
-zijn; _het_ wereldgericht heeft plaats aan het einde der dagen, als
-Christus komt om te oordeelen de levenden en de dooden. Meermalen
-schrijft de H. Schrift daarbij aan den Vader het oordeel toe, Mt. 18:35,
-2 Thess. 1:5, Hebr. 11:6, Jak. 4:12, 1 Petr. 1:17, 2:23, Op. 20:11,
-12; maar Hij oefent dit werk toch uit door Christus, wien Hij al het
-oordeel gegeven, dien Hij tot Rechter aangesteld heeft, Joh. 5:22, 27,
-Hd. 10:42, 17:31, Rom. 14:9, en die daarom eenmaal alle menschen voor
-zijn rechterstoel dagen en naar hunne werken oordeelen zal, Mt. 25:32,
-Rom. 14:9-13, 2 Cor. 5:10, 2 Tim. 4:1, 8, 1 Petr. 4:5, Op. 19:11-21.
-Christus is immers de Zoon des menschen, die door zijne verschijning
-reeds eene crisis teweegbracht, die haar voortzet in de geschiedenis
-en aan het einde der dagen voltooit. De verhouding tot Hem bepaalt
-des menschen eeuwig wel of wee; in het gericht over levenden en
-dooden viert Hij zijn hoogsten triomf en bereikt Hij de voleinding van
-zijn rijk en de volkomen onderwerping van al zijne vijanden. Daarom is de
-hoofdvraag bij het laatste oordeel ook die naar geloof of ongeloof.
-Geloof in Christus is toch het werk Gods bij uitnemendheid, Joh. 6:29,
-1 Joh. 3:23. Wie gelooft, komt niet in het gericht, Joh. 5:24, en wie
-niet gelooft, is alreede geoordeeld en blijft onder Gods toorn, Joh.
-3:18, 36. Maatstaf in het eindgericht is dus in de eerste plaats het
-evangelie, Joh. 12:48. Maar dat evangelie staat niet tegenover en is
-zelfs niet los te denken van de wet; de eisch tot geloof is immers
-zelf reeds in de wet gegrond, en het evangelie is de herstelling en
-vervulling der wet. Daarom komen bij het eindgericht ook al de werken
-in aanmerking, welke door de menschen volbracht en in de boeken voor
-Gods aangezicht opgeteekend zijn, Pred. 12:14, 2 Cor. 5:10, Ef. 6:8,
-1 Petr. 1:17, Op. 20:12, 22:12. Die werken toch zijn uitingen en
-vruchten van bet levensbeginsel, dat binnen in het hart woont, Mt.
-7:17, 12:33, Luk. 6:44, en omvatten alles wat door den mensch, niet
-in den tusschentoestand, maar in zijn lichaam geschied is, niet alleen
-de daden, Mt. 25:35v., Mk. 9:41, 42, Luk. 6:35, 14:13, 14, 1 Cor. 3:8,
-1, Thess. 4:6 enz., maar ook de woorden, Mt. 12:36, en de verborgen
-raadslagen des harten, Rom. 2:16, 1 Cor. 4:5; want er blijft niets
-verborgen en alles wordt openbaar, Mt. 6:4, 6, 18, 10:26, Ef. 5:11-14,
-1 Tim. 5:24, 25. Norma is dus in het eindgericht het gansche woord
-Gods, naar zijne beide deelen: wet en evangelie. Maar daarbij zegt de
-Schrift toch duidelijk, dat rekening gehouden zal worden met de mate der
-openbaring, welke iemand ten deel is gevallen. Die den wil des Heeren
-kenden en niet deden, zullen met dubbele slagen geslagen worden, Luk.
-12:47. Het zal Tyrus en Sidon in den dag des oordeels verdragelijker zijn
-dan Jeruzalem en Kapernaum, Mt. 10:15, 11:22, 24, Mk. 6:11, Luk. 10:12,
-14, Hebr. 2:3. Wie het evangelie niet hoorden, worden ook niet naar het
-evangelie maar naar de wet geoordeeld; en de Heidenen, die de Mozaische
-wet niet kenden maar zondigden tegen de wet, die hun van nature bekend
-is, komen ook om zonder die Mozaische wet, terwijl de Joden juist door
-deze geoordeeld worden, Rom. 2:12. Hoewel de Schrift het oordeel laat
-gaan over alle menschen zonder uitzondering, Mt. 25:32, Hd. 17:31, Rom.
-2:6, 14:10, 2 Cor. 5:10, 2 Tim. 4:1, Op. 20:12, maakt zij daarbij toch
-onderscheid tusschen die natiën, welke het evangelie gekend en ten
-slotte het antichristendom hebben voortgebracht, en die andere volken,
-welke nooit van Christus hebben gehoord en daarom voor de eerste maal
-bij zijne parousie van Hem vernemen, terwijl zij voorts nog bijzonder
-spreekt van het oordeel over de kwade engelen, en van de plaats, welke
-de goede engelen en de geloovigen in het eindgericht innemen.
-
-Zeker kost het moeite, om van dat gericht zich eene eenigszins heldere
-voorstelling te vormen. Het draagt zonder twijfel niet uitsluitend een
-inwendig en geestelijk karakter, zoodat het alleen zou plaats hebben
-in het geweten van den mensch; maar het is bepaald een gericht, dat
-ook uitwendig ten aanschouwe van alle schepselen voltrokken wordt.
-Beeld en zaak mogen nog zoo ineenvloeien, de verschijning van Christus,
-de opstanding en evenzoo al wat van het gericht wordt verhaald is
-te realistisch geteekend, dan dat het vrij zou staan, om alles te
-vergeestelijken. Doch dan is voor het houden van dit gericht ook
-een plaats en eenige ruimte van tijd van noode. En de Schrift geeft
-ons aanleiding om te denken, dat het een successief verloop heeft.
-De engelen vergezellen Christus bij zijne komst op de wolken, om hem
-in de uitvoering van het vonnis behulpzaam te zijn; zij vergaderen
-de rechtvaardigen, scheiden de boozen van hen af en drijven hen van
-voor zijn aangezicht weg, Mt. 13:30, 49, 24:31. Bovendien is Hij
-omringd door de gezaligden, 1 Thess. 3:13, 4:16, 2 Thess. 1:10, Jud.
-14, Op. 17:14, 19:14. Nadat dan de opstanding der gestorven en de
-verandering der levend overgebleven geloovigen heeft plaats gehad,
-worden dezen saam opgenomen in de wolken, den Heere tegemoet, in de
-lucht, 1 Thess. 4:17. Niet onmogelijk is het, dat, evenals bij Christus
-opstanding en hemelvaart uiteenvielen en zelfs door veertig dagen
-van elkander gescheiden waren, zoo ook de opstanding of verandering
-van de geloovigen aan het einde der dagen nog niet in eens die volle
-heerlijkheid hun toevoegt, welke na de wereldvernieuwing in den nieuwen
-hemel of op de nieuwe aarde hun deel zal zijn, Lampe en Gerdes bij M.
-Vitringa IV 143. Maar hoe dit zij, de opstanding of verandering sluit
-voor de geloovigen, evenals voor Christus, de rechtvaardiging in. Wel
-zegt de Schrift, dat alle menschen zonder onderscheid, dus ook de
-geloovigen, voor den rechterstoel van Christus moeten verschijnen. Maar
-zij getuigt tevens, dat wie gelooft niet geoordeeld wordt en niet in
-het gericht komt, want hij heeft reeds het eeuwige leven, Joh. 3:18,
-5:24; dat de gestorven geloovigen reeds in den hemel bij Christus zijn
-en met lange, witte kleederen zijn bekleed, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op.
-6:11, 7:9, 14; en dat Christus komt, om verheerlijkt te worden in zijne
-heiligen en bewonderd te worden in allen die gelooven, 2 Thess. 1:10.
-Voordat Christus het vonnis uitspreekt over de kwade engelen, over de
-antichristelijke wereld en over de cultuurlooze volken, heeft Hij de
-schapen reeds aan zijne rechterhand gesteld en is Hij door zijne engelen
-en zijne heiligen omstuwd. Dit blijkt ook uit 1 Cor. 6:2, 4, waar Paulus
-uitdrukkelijk zegt, dat de heiligen de wereld en de engelen zullen
-oordeelen, M. Vitringa IV 163. Want deze uitspraak mag niet verzwakt
-worden tot een goedkeuren door de geloovigen van het oordeel, dat
-Christus over wereld en engelen velt, maar duidt bepaald blijkens het
-verband aan, dat de heiligen deel zullen nemen aan het oordeel over
-de wereld en engelen. Trouwens beloofde Jezus reeds aan zijne twaalf
-discipelen, dat zij met Hem zitten zouden op twaalf tronen, oordeelende
-de twaalf geslachten Israels, Mt. 19:28, Luk. 22:30, en Johannes zag
-rondom den troon Gods tronen in den hemel, bezet door de ouderlingen
-der gemeente, Op. 4:4, 11:16, 20:4, 6. Christus toch en zijne gemeente
-zijn één; wat wereld en engelen tegen haar hebben misdaan, dat rekent
-Hij, als ware het tegen Hem geschied, Mt. 25:40, 45, Mk. 9:41, 42. Zelfs
-tot de goede engelen breidt dit oordeel van Christus en zijne gemeente
-zich uit, 1 Cor. 6:4, want de engelen zijn gedienstige geesten, die
-tot den dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid
-beerven zullen en daarom in het toekomstig Godsrijk eene plaats erlangen
-naar den dienst, welken zij in betrekking tot Christus en zijne gemeente
-hebben verricht. In het visioen van Johannes trekt daarom Christus,
-door zijne heirlegers omringd, de antichristelijke macht tegemoet,
-Op. 19:11-21; de triumfeerende kerk heeft deel aan zijne koninklijke
-heerschappij, Op. 20:4-6 en maakt ten slotte met Christus aan allen
-tegenstand een einde, als hij de volken oordeelt, die in de vier hoeken
-der aarde wonen, Op. 20:7-10. Cf. over het laatste oordeel: Lombardus,
-Sent. IV dist. 43 sq. Thomas, Suppl. qu. 88-90. Oswald, Eschat. 334f.
-Atzberger, Die christl. Eschat. 356-370. Jansen, Prael. III 1062.
-Simar, Dogm. § 169. Gerhard, Loc. XXVIII. Quenstedt, Theol. IV 605-634.
-Polanus, Synt. VI c. 69. Synopsis pur. theol., disp. 51. Mastricht,
-Theol. VIII 4, 7. Turretinus, Theol. XX qu. 6. Marck, Exspect. J. C. 1.
-III c. 1-18. Moor VI 706-718. Kliefoth, Eschat 236f. 275f. Nitzsch, Ev.
-Dogm. 620f. Art. Gericht in Herzog³.
-
-
-5. De plaats, waarheen de goddeloozen na het gericht verwezen worden,
-draagt in het N. Test. den naam van gehenna. Het hebr. גֵּי הִנּוֹם was
-oorspronkelijk de naam van het dal van Hinnom, dat ten zuidoosten van
-Jeruzalem lag en volgens Jos. 15:8, 18:16 de grensscheiding tusschen
-twee stammen vormde. Onder Achaz en Manasse werd dit dal een plaats
-voor den cultus van Moloch, ter wiens eere kinderen werden geslacht
-en verbrand, 2 Kon. 16:3, 21:6, 2 Chr. 28:3, 33:6, Jer. 32:34, 35.
-Daarom werd deze plaats onder Josia verwoest en door de priesters
-onrein verklaard, 2 Kon. 23:10. Jeremia profeteerde, dat hier een
-vreeselijk bloedbad voor de Israelieten aangericht en de naam van het
-dal Tofeth in dien van moorddal veranderd zou worden, Jer. 7:32, 19:6.
-En het apocriefe boek Henoch uitte de verwachting, dat in dit dal de
-goddeloozen verzameld zouden worden tot het gericht. Om deze reden werd
-later de naam Gehinnom overgedragen op de strafplaats der goddeloozen
-na den dood. Volgens anderen echter had deze overdracht eene andere
-oorzaak. Nadat het dal van Hinnom door Josia verwoest was, werd het
-volgens de latere Joden gebruikt voor het nederwerpen en verbranden
-van allerlei onreinigheid. Evenals Gan Eden de plaats aanduidde, waar
-na den dood de rechtvaardigen vertoefden, werd Gehinnom de naam van
-het oord, waarheen de onreinen en goddeloozen werden verwezen, om er
-straf te lijden in het eeuwige vuur. Vuur was trouwens al van ouds een
-openbaring en symbool van den toorn en de grimmigheid des Heeren.
-Israels God is een verterend vuur, een eeuwige gloed, Deut. 4:24,
-9:3, Jes. 33:14; Hij sprak tot de kinderen Israels uit het midden des
-vuurs, Deut. 4:12, 33, 5:4, 22-26, 9:10, 10:4, cf. Ex. 3:2; zijn toorn
-is een brandend vuur, uitgaande uit zijn neus, Ps. 18:9, 79:5, 89:47,
-Jer. 4:4; vuur, uitgaande van het aangezicht des Heeren, verteert de
-offerande, Lev. 9:24; door vuur verdelgt Hij Nadab en Abihu, Lev. 10:2,
-de murmureerders des volks, Num. 11:1, Ps. 106:18, de Korachieten, Num.
-16:35, de benden, die tegen Elia worden afgezonden, 2 Kon. 1:10v.; en
-in vuur komt Hij eenmaal, om recht te doen op aarde en de goddeloozen
-te straffen, Deut. 32:22, Ps. 11:6, 83:15, 97:3, 140:11, Jes. 30:33,
-31:9, 66:15, 16, 24, Jer. 4:4, 15:14, 17:4, Am. 1:4v., Joel 2:30;
-en dat vuur brandt tot in den benedensten Scheol, Deut. 32:22, het
-wordt nimmer uitgebluscht, Jes. 66:24, en brandt eeuwig, Jer. 17:4.
-Deze voorstelling ging over in het Nieuwe Testament. Gehenna is de
-strafplaats der goddeloozen na den oordeelsdag, onderscheiden van
-ἁδης, φυλακη, ἀβυσσος, boven bl. 374, maar identisch met de καμινος
-του πυρος, Mt. 13:42, 50 en de λιμνη του πυρος, Op. 19:20, 20:10, 14,
-15, 21:8. Het is de plaats, bestemd voor het beest uit den afgrond en
-voor den valschen profeet, Op. 19:20, voor Satan en zijne engelen, Op.
-20:10, voor dood en hades, Op. 20:14, en voor alle goddeloozen, Op.
-20:15, 21:8. En dezen worden er allen ingeworpen na de opstanding,
-Mt. 5:29, 30, 10:28, en na het eindgericht, Op. 19:20, 20:10, 14, 15,
-21:8, terwijl vóór dien tijd de hades, de gevangenis, φυλακη, 1 Petr.
-3:19, Op. 20:7 of de abyssus hun verblijfplaats zijn, en de straffe van
-het eeuwige vuur of de donkerheid der duisternis nog voor hen bewaard
-wordt, Mt. 8:29, 25:41, 46, 2 Petr. 2:17, Jud. 13. In die gehenna toch
-brandt het eeuwige, onuitblusschelijke vuur, Mt. 18:8, Mk. 9:43, 44, 48,
-knaagt de worm, die niet sterft, Mk. 9:44, 48, en is er eene eeuwige
-pijniging, Mt. 25:46, 2 Thess. 1:9, Op. 14:11; het is een γεεννα of
-καμινος του πυρος, Mt. 5:22, 13:42, 50, 18:9, en tevens eene plaats
-der uiterste en buitenste duisternis, Mt. 8:12, 22:13, 25:30, 2 Petr.
-2:17, Jud. 13, cf. Deut. 5:22, Ps. 97:2, 3, buiten gelegen, Op. 22:15,
-in de diepte, zoodat men erin geworpen wordt, Mt. 5:29, 30, Op. 19:20,
-20:10, 14, 15, ver van de bruiloftstafel des Lams, Mt. 8:11, 12, 22:13,
-ver van de gemeenschap met God en met Christus, Mt. 7:23, 25:41, Luk.
-13:27, 28, 2 Thess. 1:9, in het gezelschap van Satan en zijne engelen,
-Mt. 25:41, Op. 20:10, 15. De toorn Gods openbaart zich daar in al zijne
-verschrikkelijkheid, Rom. 2:5-8, 9:22, 1 Thess. 1:10, Hebr. 10:31, Op.
-6:16, 17, zoodat de gehenna niet alleen een oord is van gemis, maar
-ook van smart en pijn, beide naar ziel en naar lichaam, eene plaats van
-κολασις, Mt. 25:46, Op. 14:10, 11, van κλαυθμος en βρυγμος των ὀδοντων,
-Mt. 8:12, 13:42 enz., van θλιψις en στενοχωρια, Rom. 2:9, 2 Thess. 1:6,
-van ἀπωλεια, Mt. 7:13, Rom. 9:22, Phil. 1:28, 3:19, 2 Petr. 3:7, Op.
-17:8, 11, van φθορα, Gal. 6:8, ὀλεθρος, 1 Thess. 5:3, 2 Thess. 1:9,
-1 Tim. 6:9; de gehenna is het gebied van den tweeden dood, Op. 2:11,
-20:6, 14, 15, 21:8.
-
-Op dezen vasten grond der Schrift werd in de christelijke kerk de leer
-van de eeuwigheid der helsche straf gebouwd; en theologie en prediking,
-poezie en schilderkunst wedijverden menigmaal met elkaar in plastische
-beschrijving en realistische teekening van de pijnen, welke daar naar
-lichaam en ziel in het eeuwige vuur werden geleden. Maar van tijd tot
-tijd werden er toch bezwaren tegen deze leer ingebracht. En sedert de
-Aufklärung in de vorige eeuw eene zachtere beoordeeling van zonde en
-misdaad deed opkomen, de pijnbanken afschafte, de straffen matigde en
-allerwege een gevoel van humaniteit ontwaken deed, kwam er ook een
-gansch andere beschouwing over de straffen der hel en werden deze door
-velen of gewijzigd voorgesteld of ganschelijk verworpen, Lecky, Gesch.
-d. Ursprungs und Einflusses der Aufklärung in Europa, Leipzig 1873 I
-259f. De gronden, waarop de eeuwigheid der helsche straf bestreden
-wordt, komen dan altijd hierop neer: _a._ eeuwige straf strijdt met
-de goedheid, de liefde, de barmhartigheid Gods en maakt Hem tot een
-tiran, die behagen schept in plagen en pijnigen en zich lof bereidt uit
-het eeuwig gekerm van millioenen ongelukkige schepselen. _b._ Eeuwige
-straf strijdt met de rechtvaardigheid Gods, wijl zij geen verband houdt
-met en niet evenredig is aan de zonde, die, hoe schrikkelijk ook, toch
-altijd een beperkt, eindig karakter draagt. Het is niet te denken,
-dat God, die de volmaakte liefde en de hoogste gerechtigheid is, een
-menschenkind, ook al had het duizend jaren gezondigd, straffen zal
-met een eeuwigdurende pijniging. _c._ Zulk eene eeuwige straf is ook
-onvoorstelbaar en ondenkbaar. De Schrift spreekt van vuur en worm en
-duisternis, maar dit zijn alle beelden; letterlijk opgevat, zouden zij
-elkander uitsluiten. Doch afgedacht daarvan, wat is de waarde eener
-eeuwige straf, die geen ander doel heeft dan om den zondaar eeuwig
-te pijnigen? Wat nuttigheid heeft zij voor hem, die haar ondergaat,
-dewijl zij waar berouw uiteraard uitsluiten moet en hem steeds doet
-voortgaan met zondigen? Wat eere brengt zij toe aan Gods naam, als zij
-de zonde niet overwint en vernietigt maar bestendigt en eeuwig doet
-voortduren? En hoe is het mogelijk, dat de verlorenen onder zulk eene
-eeuwige straf zich voortdurend verharden, zonder ooit tot inkeer te
-komen en zich voor God te verootmoedigen? _d._ De Schrift leert dan ook
-geen eeuwige, eindelooze straf in de hel. Wel spreekt zij van eeuwige
-pijn enz., maar eeuwig heeft daar evenals elders niet de beteekenis
-van eindeloos, doch duidt een tijdduur aan, waarvan de grens zich
-aan de waarneming of berekening onttrekt; αιωνιος is, wat boven een
-langeren of korteren αἰων uitgaat. Dit wordt nog daardoor versterkt,
-dat αἰωνιος, in bonam partem</la> van de goederen des heils, bijv. van
-het leven gebruikt, vooral eene innerlijke qualiteit aanduidt, waardoor
-al deze heilsgoederen worden voorgesteld als boven de vergankelijkheid
-verheven. Daartegenover wordt de toestand der verlorenen als ἀπωλεια,
-φθορα, ὀλεθρος, θανατος aangeduid, hetgeen er op wijst, dat zij zoo niet
-eeuwig kunnen blijven bestaan maar of ten eenenmale vernietigd of eens
-geheel en al hersteld worden. _e._ Voor het laatste biedt de Schrift
-hope, als zij leert, dat Christus eene verzoening is voor de zonden der
-gansche wereld, 1 Joh. 2:2, Col. 1:19, 20, en dat God in dien weg aller
-zaligheid wil, 1 Tim. 2:4, 4:10. Gelijk alle menschen in Adam sterven,
-zoo worden zij ook allen in Christus levend gemaakt, 1 Cor. 15:22, Rom.
-5:18. Thans vergadert God alle dingen onder Christus als hoofd bijeen,
-Ef. 1:10, opdat eens alle knie voor Christus zich buige, Phil. 2:10, en
-God alles in allen moge wezen, 1 Cor. 15:28. God heeft allen onder de
-zonde besloten, opdat Hij allen barmhartig zou zijn, Rom. 11:32.
-
-Op deze overwegingen worden dan aangaande het uiteinde der goddeloozen,
-indien wij afzien van het pantheisme en materialisme, dat alle
-onsterfelijkheid en eeuwigheid loochent, de volgende drie hypothesen
-gebouwd. Ten eerste zijn er, die leeren, dat er eene mogelijkheid van
-bekeering open blijft, niet alleen in den tusschentoestand tot op het
-eindgericht toe, boven bl. 382, maar ook daarna nog en tot in alle
-eeuwigheid. Of er dus eene hel en eene eeuwige straf is, hangt geheel
-van den mensch en van zijn vrijen wil af. Indien hij zich voortdurend
-tegen de roepstem tot bekeering verzet, wikkelt hij zich steeds vaster
-en dieper in de zonde in en verlengt zijne straf. Wijl echter de
-prediking van geloof en bekeering nooit ophoudt en de wil des menschen
-steeds vrij blijft, wordt de mogelijkheid van eene eeuwige straf in de
-hel zeer onwaarschijnlijk en vleit men zich liever met de hope, dat
-ten slotte allen tot bekeering komen en in het eeuwige leven ingaan.
-Eeuwige pijn in de Schrift beteekent dus alleen, dat zij, die zoo laat
-zich bekeeren, altijd de herinnering aan hun hardnekkig verzet blijven
-behouden en bij hen, die in dit leven het evangelie geloofden, eeuwig
-zullen achterstaan. Dit hypothetisch universalisme komt dus op eene
-voortdurende loutering neer en is eene hernieuwing van de leer der
-zielsverhuizing. Het verschil is alleen, dat de metempsychose deze
-loutering laat plaats vinden in het Diesseits, terwijl het hypothetisch
-universalisme haar in het Jenseits stelt. Deze leer vond vooral in de
-vorige eeuw bij de Rationalisten ingang, maar wordt ook thans door vele
-theologen verdedigd, cf. Wegscheider, Instit. § 200. Bretschneider,
-Dogm. II 468 f. 581 f. Reinhard, Dogm. 706 f. Lange, Posit. Dogm.
-§ 131. Dorner, Gl. II 972. Nitzsch, Ev. Dogm. 624. W. Schmidt,
-Christl. Dogm. II 517. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 71-75.
-H. Ernst, Geloof en Vrijheid 1886 blz. 407-444. Voorts in Engeland de
-voorstanders van de zoogenaamde future (second) probation of van
-de wider hope, zooals Robertson, Maurice, Theol. Essays 1853 p.
-442: the word eternal and the punishment of the wicked. Thomas de
-Quincey, On the supposed scriptural expression for eternity 1852.
-Tennyson, In Memoriam. Farrar, Eternal Hope 1878 en Mercy and
-Judgment 1881 met de door deze beide werken te voorschijn geroepen
-litteratuur, cf. The wider hope, essays and strictures on the
-doctrine and literature of future punishment by numerous writers, lay
-and clerical, London Unwin 1890. In Amerika de verdedigers van de
-Andover position, ingenomen door de vijf professoren van Andover
-College, Churchhill, Harris, Hincks, Tucker en Egb. C. Smith, die van
-verschillende artikelen der belijdenis afweken, ook van dat aangaande
-de eeuwige straf, cf. Andover Review April 1890 p. 434 enz.
-Vanzelf leidt dit gevoelen van een voortgaande bekeering en loutering
-tot de leer van de zoogenaamde universalisten, die meenen, dat aan
-het einde alle schepselen de zaligheid en de heerlijkheid deelachtig
-zullen worden. Wat daar gewenscht en gehoopt wordt, wordt hier zeker
-verwacht en als dogma verkondigd. De leer van den terugkeer aller
-dingen in God komt reeds voor in de indische en grieksche philosophie,
-ging vandaar over in Gnosticisme en Neoplatonisme en werd dan het
-eerst in de christelijke theologie voorgedragen door Origenes. Deze
-spreekt wel herhaaldelijk van eene eeuwige straf in de hel maar ziet
-daarin toch slechts eene practische leer, die voor de onontwikkelden
-noodig is doch door de gnostici geheel anders opgevat wordt. Volgens
-Origenes toch zijn alle geesten oorspronkelijk door God gelijk geschapen,
-doch de daden van den vrijen wil brengen ongelijkheid en veroorzaken,
-dat de zielen der menschen ter loutering in eene stoffelijke wereld
-verplaatst en aan lichamen verbonden worden. Doch deze loutering zet
-ook na den dood en na het eindgericht zich voort, totdat uit en door
-de grootst mogelijke verscheidenheid de gelijkheid weer te voorschijn
-treedt en alle geesten weder tot God terugkeeren in dienzelfden
-toestand, waarin zij oorspronkelijk bij Hem verkeerden. Wijl echter de
-vrije wil altijd dezelfde blijft, kan hij evengoed als van het kwade tot
-het goede, zoo weder van het goede tot het kwade terugkeeren, en is
-er dus eene voortdurende wisseling van afval en wederbrenging aller
-dingen, eene eindelooze schepping en vernietiging der stoffelijke
-wereld, cf. Atzberger, Gesch. der christl. Eschat. 1896 S. 366-456.
-Deze gedachte van de wederherstelling aller dingen vond in de oudheid
-weerklank bij Gregorius Naz., Gregorius Nyss., Didymus, Diodorus van
-Tarsus, Theodorus van Mopsuestia, e. a., cf. Petavius, de angelis III
-7. 8, in de Middeleeuwen bij Scotus Erigena, Amalrik van Bena en de
-broeders en zusters van den vrijen geest, na de Hervorming bij Denck en
-vele Wederdoopers, bij Jane Leade, J. W. Petersen, Ludwig Gerhard, F.
-C. Oetinger, Michael Hahn, Jung-Stilling, Swedenborg enz., en in den
-nieuweren tijd bij Schleiermacher, Chr. Gl. § 117-120 en § 163 Anhang.
-Schweizer, Gl. II 577 f. 591. 604. Schoeberlein, Prinzip und System
-der Dogm. 679. Riemann, Die Lehre von der Apokatastasis² Magdeburg
-1897. Scholten, Initia 268 sq. W. Francken, Geloof en Vrijheid 1886. Cf.
-Köstlin, art. Apokatastasis in Herzog³. Veel grooter instemming vond
-echter nog een derde gevoelen, dat onder den naam van conditioneele
-onsterfelijkheid bekend staat. Hoewel de vroegere theologie zeer dikwerf
-van de onsterfelijkheid sprak in geestelijken zin, als eene gave, door
-Christus verworven, toch dacht daarom schier niemand eraan, om de
-natuurlijke onsterfelijkheid der ziel te loochenen. Het eerst leerden de
-Socinianen onder den invloed van hun abstract supranaturalisme, dat
-de zielen niet van nature onsterfelijk waren maar dit eerst werden in
-geval van gehoorzaamheid door eene gave Gods. Daaruit volgde, dat de
-goddeloozen en de duivelen krachtens eene natuurlijke vergankelijkheid
-eenmaal moesten ophouden te bestaan. Socinus sprak dit nog niet zoo
-duidelijk uit, maar zijne volgelingen leerden zonder omwegen, dat de
-tweede dood in vernietiging bestond; en deze had dan volgens Crell,
-Schmalz e. a. niet bij of spoedig na den dood, doch eerst na de
-algemeene opstanding en het wereldgericht plaats, Fock, Der Socin.
-714 f. Van de Socinianen werd deze leer overgenomen door Locke,
-Warburton, Whiston, Dodwell, Walter e. a., en in deze eeuw door Rothe,
-Theol. Ethik § 470-472 en Weisse, Ueber die philos. Bedeutung der
-christl. Eschat. Stud. u. Krit. 1836. Vooral echter begon zij opgang
-te maken en aanhangers te vinden, sedert zij in 1885 verdedigd werd
-door Edward White in zijn Life in Christ, a study of the Scripture
-doctrine on the nature of man, the object of the divine incarnation
-and the conditions of human immortality, 3 ed. Stock London 1878. Dit
-boek bracht vele pennen in beweging en lokte niet alleen ernstige
-bestrijding doch ook velerlei betuiging van instemming uit. Overal vindt
-het conditionalisme thans talrijke verdedigers, zooals bijv. Schultz,
-Voraussetzungen der christl. Lehre von der Unsterblichkeit 1861. H.
-Plitt, Evang. Glaubenslehre 1863. II 413. Weisse, Philos. Dogm. § 970.
-Lemme, Endlosigkeit der Verdammnis und allgemeine Wiederbringung,
-Lichterfelde-Berlin, Runge. (voordracht, geh. 12 Aug. 1898). Charles
-Byse, L’immortalité conditionelle ou la vie en Christ, Paris 1880.
-Petavel-Olliff, Le problème de l’immortalité, Paris 1891. Dr. Jonker,
-De leer der condit. onsterfelijkheid, Theol. Stud. I.
-
-
-6. Indien nu bij de leer van de eeuwige straf het menschelijk gevoel
-te beslissen had, zou zij zeker moeilijk te handhaven zijn en thans ook
-maar weinig verdedigers vinden. Dankbaar dient het te worden erkend,
-dat sedert de vorige eeuw de idee der humaniteit en het gevoel van
-sympathie krachtig ontwaakt zijn en aan de wreedheid, die vroeger
-vooral ook op het gebied van het strafrecht heerschte, een einde
-hebben gemaakt. Maar niemand kan er toch blind voor zijn, dat ook deze
-humanitaire beschouwing hare eenzijdigheden en gevaren medebrengt.
-De machtige omkeer, die plaats gegrepen heeft, laat zich in dezen
-éénen zin beschrijven, dat, terwijl vroeger de krankzinnigen zelfs als
-misdadigers werden behandeld, thans de misdadigers als krankzinnigen
-beschouwd worden. Voorheen werd in elke abnormaliteit schuld gezien;
-thans worden alle begrippen van schuld, misdaad, verantwoordelijkheid,
-toerekenbaarheid enz. van hunne realiteit beroofd, cf. Simons, Nieuwe
-richtingen in de strafrechtwetenschap, Gids April 1900 bl. 48-84. Het
-besef van recht en gerechtigheid, van wetsovertreding en schuld wordt
-op bedenkelijke wijze verzwakt, naarmate de maatstaf van al deze dingen
-niet in God, maar in den mensch en in de maatschappij wordt verlegd.
-Daarmede gaat allengs alle zekerheid en veiligheid teloor. Want als
-het belang der maatschappij den doorslag geeft, dan wordt niet alleen
-elke grens tusschen goed en kwaad uitgewischt, maar loopt ook het
-recht gevaar, aan de macht te worden opgeofferd. Het is u nut, dat
-één mensch voor het volk sterve en niet heel het volk verloren ga,
-Joh. 11:50, wordt dan de taal der hoogste rechtspleging. En hetzelfde
-menschelijk gevoel, dat eerst voor de humanitaire behandeling van den
-misdadiger pleitte, ontziet zich niet, om straks den marteldood van den
-onschuldige te eischen; het hosanna maakt voor het kruis hem plaats;
-de vox populi, die dikwerf ten onrechte als eene vox Dei wordt geëerd,
-schrikt voor geen gruwelen terug; en terwijl de rechtvaardige er nog
-mede rekent, hoe het zijn vee te moede is, is zelfs het ingewand, het
-hart, het gemoed van den goddelooze nog wreed, Spr. 12:10. Op het
-menschelijk gevoel valt daarom weinig te bouwen; dat mag en kan bij de
-bepaling van recht en wet de beslissing niet geven; zelfs als de schijn
-er tegen is, is het toch oneindig veel beter, in de hand des Heeren,
-dan in die van menschen te vallen, 1 Chron. 21:13. En dit geldt ook
-bij de leer van de eeuwige straffen in de hel. Want 1º verdient het
-opmerking, dat deze leer, hoezeer zij in kerk en theologie dikwerf veel
-te realistisch is uitgewerkt, toch in de Schrift is gegrond. En niemand
-spreekt er in de Schrift vaker en breedvoeriger over dan onze Heere
-Jezus Christus, wien niemand diepte van menschelijk gevoel en medelijden
-ontzeggen kan, en die de zachtmoedigste en nederigste was onder alle
-kinderen der menschen. Het is de hoogste liefde, die met de zwaarste
-straffen dreigt. Tegenover de zaligheid van het eeuwige leven, welke Hij
-voor de zijnen verwierf, staat de rampzaligheid van het eeuwig verderf,
-dat Hij den goddeloozen aankondigt. Beide waren in het Oude Test. in
-schaduwen gehuld en werden onder beelden voorgesteld. Maar in het
-Nieuwe Test. is het Christus, die het vergezicht opent zoowel in de
-diepten van de buitenste duisternis als in de woningen van het eeuwige
-licht. 2º Dat de straf in deze plaats der buitenste duisternis eene
-eeuwige is, valt met de Schrift in de hand niet te betwijfelen. Wel is
-waar, geeft αἰωνιος (van αἰων, hebr. עולם, d. i. tijdduur, levensduur,
-levensloop, menschenleeftijd, onbepaald lange tijd in verleden of
-toekomst; de tegenwoordige wereldtijd, αἰων οὑτος; de toekomende eeuw,
-αἰων μελλων) zeer dikwijls een tijdduur te kennen, die wel menschelijke
-berekening te boven gaat maar volstrekt niet eindeloos of eeuwig is.
-Dikwerf wordt het ook in het N. T. nog gebruikt van den ganschen tot
-op de verschijning van Christus toe voorbijgeganen wereldtijd, waarin de
-raad Gods door de profeten verkondigd werd maar toch niet ten volle
-geopenbaard was, Luk. 1:70, Hd. 3:21, Rom. 16:25, Col. 1:26, 2 Tim.
-1:9, Tit. 1:2. Doch het woord αἰωνιος dient in het N. T. vooral, om
-de onvergankelijke, boven alle bederf en verderf verheven natuur van
-de door Christus verworvene heilsweldaden aan te duiden, en wordt dan
-inzonderheid zeer dikwerf met ζωη verbonden; het eeuwige leven, dat
-Christus schenkt aan een iegelijk die gelooft, heeft zijn begin reeds
-hier op aarde maar wordt toch eerst in de toekomst volkomen openbaar;
-het behoort wezenlijk tot den αἰων μελλων, Luk. 18:30, is onverderfelijk,
-Joh. 11:25, 26, en heet eeuwig, evenals de οἰκοδομη ἐκ θεου, 2 Cor.
-5:1, de σωτηρια, Hebr. 5:9, de λυτρωσις, 9:12, de κληρονομια, 9:15, de
-δοξα, 2 Tim. 2:10, de βασιλεια, 2 Petr. 1:11, evenals God, Christus, de
-H. Geest ook eeuwig worden genoemd, Rom. 16:26, Hebr. 9:14, 13:8 enz.
-Daartegenover wordt gezegd, dat de straf der goddeloozen bestaan zal in
-το πυρ το αἰωνιον; Mt. 18:8, 25:41, Jud. 7, κολασις αἰωνιος, Mt. 25:46,
-ὀλεθρος αἰωνιος, 2 Thess. 1:9, κρισις αἰωνιος, Mk. 3:29. Evenals het
-eeuwige leven, wordt door deze omschrijving de eeuwige straf voorgesteld
-als te behooren tot den αἰων μελλων, waarin geen verandering van staat
-meer mogelijk is. Nergens duidt de Schrift met eenig woord aan of
-laat zij zelfs de mogelijkheid open, dat er aan den toestand, die daar
-intreedt, nog een einde komen kan. En positief spreekt zij uit, dat het
-vuur daar onuitblusschelijk is, Mt. 3:12, dat de worm niet sterft, Mk.
-9:44, dat de rook der pijniging opgaat in alle eeuwigheid, Op. 14:11,
-en voortduurt dag en nacht in alle eeuwigheid, 20:10, en dat zij als
-eeuwige pijn staat tegenover het eeuwige leven der rechtvaardigen, Mt.
-25:46. Onbevangen exegese kan hier niet anders vinden dan eene eeuwige,
-nimmer eindigende straf. Cf. Cremer s. v. 3º De toestand der verlorenen
-wordt beschreven als ἀπωλεια, Mt. 7:13, φθορα. Gal. 6:8, ὀλεθρος,
-2 Thess. 1:9, θανατος, Op. 2:11 enz., in overeenstemming daarmede,
-dat in O. en N. Test. menigmaal gezegd wordt, dat de goddeloozen
-verdelgd, uitgeroeid, verwoest, verdorven, verdaan, buitengeworpen,
-afgesneden, als kaf verbrand zullen worden enz. De voorstanders van
-de conditioneele onsterfelijkheid verstaan al deze uitdrukkingen in
-den zin van eene volkomen vernietiging, cf. White, Life in Christ
-358-390. Maar deze opvatting mist allen grond. Leven beteekent
-in de Schrift nooit puur bestaan, en dood is nooit hetzelfde als
-vernietiging. Van den tijdelijken, lichamelijken dood kunnen ook de
-conditionalisten dit niet ontkennen; zij nemen meest als de Socinianen
-aan, dat de goddeloozen ook na den dood nog blijven voortbestaan, hetzij
-om eerst na opstanding en eindgericht door God vernietigd te worden,
-hetzij om langzamerhand weg te sterven en ten slotte ook physisch te
-gronde te gaan. Het laatste is zoowel wijsgeerig als Schriftuurlijk eene
-onmogelijke gedachte. Zonde toch is geen substantie, geen materia maar
-forma, die een zijn onderstelt en dat zijnde niet vernietigt maar in
-eene verkeerde, van God afgewende richting stuurt, deel III 81v. En de
-lichamelijke dood is niet maar een natuurlijk gevolg doch eene positieve,
-door God bedreigde en voltrokken straf op de zonde, ib. 176v. In dien
-dood vernietigt God den mensch niet, maar scheidt Hij ziel en lichaam
-tijdelijk vaneen, om beide in stand te houden en bij de opstanding
-weder te vereenigen. De Schrift leert duidelijk en onwedersprekelijk
-de onsterfelijkheid van den mensch. Het conditionalisme verwart het
-ethische met het physische zijn, als het in ἀπωλεια, die de straf der
-zonde is, eene vernietiging van de substantie des menschen ziet. En
-evenals God in den eersten dood den mensch niet vernietigt, zoo doet
-Hij dit ook niet in den tweeden dood. Immers wordt deze in de Schrift
-ook omschreven als pijniging, Mt. 25:46, weening en knersing der tanden,
-Mt. 8:12, verdrukking en benauwdheid, Rom. 2:9, onuitblusschelijk vuur,
-Mt. 18:8, nooit stervende worm, Mk. 9:44 enz., welke uitdrukkingen
-alle het bestaan der verlorenen onderstellen. Maar hun toestand kan
-toch ἀπωλεια, φθορα, ὀλεθρος, θανατος heeten, wijl zij in zedelijken,
-geestelijken zin geheel te gronde zijn gegaan en in volstrekten zin die
-levensvolheid missen, welke den geloovigen door Christus geschonken
-wordt. Zoo heet de verloren zoon νεκρος en ἀπολωλος, Luk. 15:24, 32, de
-Efeziërs in hun vroegeren toestand νεκροι in hun zonden en misdaden,
-Ef. 2:3, vervreemd van het leven Gods, Ef. 4:18, die van Sardes νεκροι,
-Op. 3:1 enz., zonder dat iemand hierbij aan hun niet-bestaan denkt. 4º
-Aan eene zelfde miskenning van het ethisch karakter der zonde maken de
-voorstanders van de apokatastasis zich schuldig. Het woord is aan Hd.
-3:21 ontleend maar houdt daar, gelijk thans iedereen erkent, volstrekt
-niet in, wat er thans mede bedoeld wordt. De Schrift leert nergens,
-dat eenmaal alle menschen en zelfs alle duivelen zalig zullen worden.
-Wel spreekt zij dikwerf zeer universalistisch, omdat het werk van
-Christus intensief van oneindige waarde is en aan de geheele wereld en
-menschheid in haar organisch bestaan ten goede komt, deel III 390v.
-Maar zij sluit beslist uit, dat alle individuen onder de menschen of
-ook zelfs de duivelen eenmaal burgers zouden worden in het koninkrijk
-Gods. Ten allen tijde is de leer van de wederbrenging aller dingen dan
-ook slechts door enkele op zichzelf staande personen geleerd, en zelfs
-heden ten dage vindt onder de theologen nog eer het conditionalisme
-dan de apokatastasis voorspraak. Feitelijk is deze leer ook niet
-van christelijken doch van heidenschen oorsprong, en draagt zij geen
-Schriftuurlijk doch een wijsgeerig karakter. Het is het pantheisme, dat
-er aan ten grondslag ligt en alle dingen, gelijk zij uit God voortkomen,
-zoo ook successief tot Hem terugkeeren doet. God is hier geen Wetgever
-en Rechter, die eenmaal de wereld in rechtmatigheid oordeelen zal, maar
-eene onbewuste, immanente kracht, die alles voortstuwt tot het einde
-en eens alles tot zich hereent. De zonde is hier geen ἀνομια, maar
-een noodzakelijk moment in de wereldontwikkeling. En de verlossing in
-Christus is geen juridisch herstel en geen ethische vernieuwing maar
-een physisch proces, dat alles beheerscht. 5º Om de eeuwige straf te
-billijken is daarom vóór alle dingen noodig, dat men met de Schrift
-de onkreukbare rechtvaardigheid Gods en het diep zondig karakter der
-zonde erkenne. Zonde is geen zwakheid, geen gebrek, geen tijdelijke en
-allengs verdwijnende onvolkomenheid, maar zij is naar haar oorsprong
-en wezen ἀνομια, overtreding van de wet, opstand en vijandschap tegen
-God, negatie van zijn recht, van zijn gezag, zelfs van zijn bestaan. Wel
-is de zonde eindig in dien zin, dat zij door een eindig schepsel in
-een eindigen tijd wordt volbracht, maar Augustinus heeft reeds terecht
-opgemerkt, dat niet de tijdduur, waarin de zonde gepleegd wordt,
-maar haar innerlijke aard de maatstaf is van hare straf. Een uur van
-onbedachtzaamheid kan maken, dat men jaren schreit. Op zonden van een
-enkel oogenblik volgt heel een leven van schande en straf. Wie eene
-misdaad begaat, wordt soms gestraft met den dood en door de aardsche
-overheid in een onherstelbaren toestand overgebracht. Zoo doet God
-ook; want wat op aarde de doodstraf is, is de straf der hel in het
-eindgericht. Hij beoordeelt en straft de zonde naar haar innerlijke
-qualiteit. En dan is de zonde oneindig in dien zin, dat zij begaan wordt
-tegen de hoogste Majesteit, die een absoluut recht op onze liefde en
-onze vereering heeft. God is onze gehoorzaamheid en toewijding waardig
-op absolute, oneindige wijze; de wet, waarin Hij deze eischt, is daarom
-absoluut verbindend, hare verbindbaarheid oneindig groot; en de
-overtreding van die wet is dus, intensief beschouwd, een absoluut,
-een oneindig kwaad. Bovendien komt hier niet zoozeer de diuturnitas
-peccandi in aanmerking, als wel de voluntas peccantis, quae hujusmodi
-est ut semper vellet peccare si posset, Aug. de civ. 21, 11. Wie de
-zonde doet, is een dienstknecht der zonde en wil en kan niet anders dan
-zondigen. Het ligt waarlijk niet aan hem, als hij buiten de gelegenheid
-wordt gesteld, om op den zondigen weg voort te gaan; naar zijn innerlijke
-begeerte zou hij niet anders willen, dan eeuwig blijven leven, om eeuwig
-te kunnen zondigen. Wie zou dan, lettende op deze zondige natuur van
-de zonde, durven zeggen, dat God onrechtvaardig is, als Hij haar niet
-alleen met tijdelijke maar ook met eeuwige straffen bezoekt? 6º Gemeenlijk
-wordt dit argument, aan de rechtvaardigheid Gods ontleend, dan ook
-slechts schuchter en aarzelend aangevoerd. Des te meer wordt de eeuwige
-straf in strijd geacht met de goedheid en de liefde Gods. Indien zij
-echter niet met de rechtvaardigheid Gods in strijd is, dan is zij dit
-ook niet en kan het zelfs niet zijn met zijne goedheid. Er is hier geen
-keus. Indien de eeuwige straf onrechtvaardig is, dan is zij daarmede
-geoordeeld en behoeft de goedheid Gods er niet meer bij te pas gebracht
-te worden. Indien zij echter beantwoordt aan Gods rechtvaardigheid, dan
-blijft de goedheid Gods daarbij ongedeerd; wat rechtvaardig is, is ook
-goed. Het argument, aan Gods goedheid tegen de eeuwige straf ontleend,
-brengt dus op het voetspoor van Marcion heimelijk een conflict tusschen
-Gods gerechtigheid en zijne goedheid en offert de eerste aan de laatste
-op. Eene goedheid echter, die de rechtvaardigheid te niet doet, is
-geen ware, wezenlijke goedheid meer. Zij is niets anders dan menschelijke
-zwakheid en weekheid, en, op God overgebracht, een verzinsel van het
-menschelijk brein, op geenerlei wijze beantwoordend aan den levenden,
-waarachtigen God, die zich in de Schrift en ook in de natuur heeft
-geopenbaard. Want indien de eeuwige straf met Gods goedheid
-onbestaanbaar is, dan is het ook de tijdelijke straf. Doch deze is een
-feit, dat door niemand kan worden ontkend. De menschheid vergaat onder
-Gods toorn en door zijne verbolgenheid wordt zij verschrikt. Wie kan het
-lijden der wereld rijmen met Gods goedheid en liefde? Toch moet het er
-mede overeen te brengen zijn, want het bestaat. Indien nu het bestaan
-van het ontzettende lijden in deze wereld ons niet mag doen twijfelen
-aan Gods goedheid, dan mag ook de eeuwige straf ons niet leiden tot
-hare loochening. Als deze wereld bestaanbaar is met Gods liefde, gelijk
-zij is en moet zijn, dan is het ook de hel. Want buiten de H. Schrift
-is er geen sterker bewijs voor het bestaan der hel, dan het bestaan
-dezer wereld, aan wier ellende de trekken van het beeld der hel zijn
-ontleend. 7º Bovendien bestaat er voor den mensch, die de eeuwige straf
-bestrijdt, groot gevaar, om tegenover God den schijnheilige te spelen.
-Hij doet zich voor als de liefderijke, die in goedheid en medelijden den
-Vader van onzen Heere Jezus Christus zeer verre overtreft. Dat neemt
-niet weg, dat diezelfde mensch, zoodra _zijne_ eer wordt aangerand, in
-woede ontsteekt en zijn beleediger alle kwaads toewenscht in dit en in
-het toekomende leven. Nijd, haat, toorn, wraakgierigheid komen op in
-het hart van iederen mensch tegen elk, die hem in den weg staat. Wij
-zoeken onze eigene eer, maar om de eer van God bekommeren wij ons niet;
-wij komen op voor ons eigen recht, maar het recht van God laten wij met
-voeten treden. Dat is toch waarlijk een afdoend bewijs, dat de mensch
-niet de geschikte beoordeelaar is van de woorden en de handelingen
-Gods. En toch, ook in dat opkomen voor eigen recht en eere ligt iets
-goeds. Hoe verkeerd de mensch het ook toepasse, er ligt toch in, dat
-recht en eere boven goed en leven gaan. Er sluimert ook in den zondaar
-nog een diep rechts- en eergevoel. En als dat aangerand wordt, ontwaakt
-het en onderdrukt het alle medelijden. Als het in een strijd tusschen
-twee menschen of tusschen twee volken gaat om het recht, dan bidt elk
-van ganscher harte, dat God het recht doe triumfeeren en de schenders
-ervan met zijn oordeel treffe. Alle menschen beseffen nog iets van het
-fiat justitia, pereat mundus, en billijken het, dat het recht triumfeere
-ten koste van duizenden menschenlevens. Om het recht gaat het ook in
-den oordeelsdag, en niet om een of ander privaat recht, maar om _het_
-recht bij uitnemendheid, om het recht in zijne gansche beteekenis en in
-zijn vollen omvang, om de gerechtigheid Gods, om God zelven als God te
-prijzen in der eeuwigheid. 8º Er is dan ook geen twijfel aan, of God zal
-zich in den oordeelsdag, ook als Hij de eeuwige straf over de zondaren
-uitspreekt, voor het oog van alle schepselen ten volle rechtvaardigen.
-Thans kennen wij ten deele en kennen ook de schrikkelijkheid der zonde
-slechts ten deele. Maar als wij hier reeds bij het hooren van sommige
-gruwelen de zwaarste straf reeds niet zwaar genoeg achten, wat zal
-het dan zijn, als wij aan het einde der dagen een inzicht ontvangen in
-de diepten der ongerechtigheid? En daarbij zijn wij hier op aarde altijd
-eenzijdig; rechtsbesef en medelijden komen telkens in conflict; wij zijn
-of te zacht of veel te streng in ons oordeel. Maar alzoo is het niet
-en kan het niet zijn bij den Heere onzen God. In Christus heeft Hij zijne
-volle liefde geopenbaard, en die liefde is daarom zoo groot, wijl zij
-eene verlossing heeft geschonken van den toekomenden toorn en van het
-eeuwig verderf. De bestrijders van de eeuwige straf doen niet alleen
-aan de doemwaardigheid der zonde, aan de strengheid van het Goddelijk
-recht tekort; zij maken ook inbreuk op de grootte van Gods liefde en
-van de verlossing, die in Christus is. Indien het niet gegaan had om
-de redding van een eeuwig verderf, ware de prijs van het bloed van
-Gods eigen Zoon veel te duur geweest. De hemel, dien Hij door zijn
-zoendood ons verwierf, onderstelt eene hel, waarvan Hij ons bevrijdde.
-Het eeuwige leven, dat Hij ons schonk, onderstelt een eeuwigen dood,
-waarvan Hij ons verlost heeft. De gunst en het welbehagen Gods, waarin
-Hij ons eeuwig doet deelen, onderstelt een toorn, onder welken wij
-anders eeuwig hadden moeten verzinken. En daarom zal deze Christus
-ook eenmaal het gericht houden en het oordeel uitspreken. Een mensch,
-een waarachtig, volkomen mensch, die weet wat in den mensch is, die
-de zachtmoedigste aller menschen is, zal de rechter der menschen zijn,
-zoo rechtvaardig, dat allen het zullen erkennen en alle knie voor Hem
-zich buigen en alle tong belijden zal, dat Christus de Heer is, tot
-heerlijkheid Gods des Vaders. God zal aan het eind, zoo niet gewillig,
-dan onwillig door alle schepselen als God worden erkend. 9º Dit moet
-ons genoeg zijn. Onderzoekingen over de ligging en grootte der hel,
-over de hoedanigheid van vuur en worm, over den psychischen en den
-physischen toestand der verlorenen leiden tot geen resultaat, omdat
-de Schrift er het zwijgen over bewaart. Alleen dit weten wij nog, dat
-de straf der hel eerst een aanvang neemt na den oordeelsdag, dat zij
-steeds gedreigd wordt aan degenen, die de waarheid Gods hardnekkig
-tegenstaan, aan de vreesachtigen en ongeloovigen en gruwelijken en
-doodslagers en hoereerders en toovenaars en afgodendienaars en
-leugenaars, Op. 21:8, en dat zij ook dan nog verschilt naar de mate van
-ieders ongerechtigheid. Nergens leert de Schrift, dat er dan nog plaats
-voor bekeering en vergeving is. De toevoeging in Mt. 12:32: noch in
-deze eeuw noch in de toekomende, strekt niet, om de vergefelijkheid der
-zonde tegen den Zoon des menschen ook nog in de toekomende eeuw, maar
-om de volstrekte onvergefelijkheid der zonde tegen den H. Geest in het
-licht te stellen. Straf is in haar wezen handhaving der gerechtigheid
-en dient bepaaldelijk na het oordeel, niet om te louteren maar om een
-iegelijk te vergelden naar zijn werk. Maar toch leert de Schrift zeer
-duidelijk, dat er in die straf graden zijn; de poena damni is gelijk, maar
-de poena sensus verschilt; een ieder ontvangt naar zijne werken, Mt.
-10:15, 11:24, 23:14, 24:51, Luk. 10:12, 14, 12:46, 47, 2 Cor. 5:10 enz.
-En daarin spreekt zich nog iets van Gods barmhartigheid uit, deel II
-362. 365. Alle zonde staat absoluut tegen de gerechtigheid over, maar
-toch rekent God bij de straf met het relatief verschil, dat tusschen de
-zonden bestaat. Ook al wordt daarom niet met Augustinus, Enchir. 110,
-cf. Lombardus, Thomas, Bonaventura op Sent. IV 46 toegegeven, poenas
-damnatorum certis temporum intervallis aliquatenus mitigari, toch
-betoont zich zijne gerechtigheid in de eeuwige straf op die wijze, dat
-zijne goedheid en liefde ongeschonden blijven en nooit rechtmatig kunnen
-worden aangeklaagd. Ook in de hel geldt het woord, dat Hij de menschen
-niet van harte plaagt, Klaagl. 3:33; de smart, die Hij toezendt, is geen
-voorwerp van zijne of van der zaligen verlustiging, maar een middel
-tot verheerlijking van zijne deugden en dus door dit einddoel in hare
-zwaarte en hare mate bepaald. Cf. Augustinus, Enchir. 110-113. de civ.
-XXI. Lombardus e. a. op Sent. IV 46-50. Thomas, S. Theol. suppl. qu.
-97-99. Dante, De Hel. Petavius, Theol. dogm. t. IV de angelis III c.
-4-8. Simar, Dogm. § 163. Jansen, Prael. III 946-975. Bautz, Die Hölle,
-Mainz 1882. Sachs, Die ewige Dauer der Höllenstrafen, Paderborn 1900.
-Gerhard, Loc. IX tract. 5 en Loc. XXX. Quenstedt, Theol. I 560-565.
-Vilmar, Dogm. II 323. Philippi, Kirchl. Gl. III 389. Kähler, Art.
-Höllenstrafen in Herzog³. Limborch, Theol. Christ. VI 13. Calvijn, Inst.
-III 25, 12. Synopsis pur. theol. disp. 52. Turretinus, Theol. El. XX
-qu. 7. Marck, Exspect. J. Chr. III c. 12. 13. Moor III 354-358. VI 798.
-M. Vitringa IV 175 II 305. 320. J. A. Turretinus, Op. II 612. Swinden,
-An inquiry into the nature and place of hell. Lond. 1727. Jon.
-Edwards, Works, New-York 1881 I 612-642 IV 254-321. Id. Betoog voor de
-eeuwigheid der straffen in een toekomstig leven, Utrecht 1792. Hodge,
-Syst. Theol. III 818. Shedd, Dogm. Theol. II 667. Oosterzee, Dogm. §
-149.
-
-
-7. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der wereld. Sommigen hebben
-deze met Thomas, S. Theol. suppl. qu. 74 art. 7 wel vóór het laatste
-oordeel geplaatst, maar de gewone voorstelling is toch deze, dat zij
-daarop volgt en dan eerst intreedt, als de goddeloozen reeds van de
-aarde verbannen zijn. Ongetwijfeld komt deze orde ook het meest met die
-in de H. Schrift overeen. In het Oude Test. wordt de dag des Heeren wel
-door allerlei schrikkelijke teekenen voorafgegaan en heeft het gericht
-over de volken onder allerlei ontzettende gebeurtenissen plaats, maar
-de nieuwe aarde met hare buitengewone vruchtbaarheid neemt dan eerst
-een aanvang, als de overwinning over de vijanden behaald en het volk
-Israels in zijn land wedergekeerd en hersteld is. Evenzoo gaan volgens
-het Nieuwe Test. aan den dag des gerichts vele teekenen vooraf, zooals
-verduistering van zon en maan en sterren, beweging van de krachten
-des hemels enz., Mt. 24:29, maar de verbranding der aarde heeft toch
-eerst in den dag des Heeren plaats, 2 Petr. 3:10, en daarna komt dan de
-nieuwe hemel en de nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont, 2 Petr.
-3:13. Als het oordeel voltrokken is, ziet Johannes het nieuwe Jeruzalem
-neerdalen van God uit den hemel, Op. 21:1v. Bij deze verwachting
-eener wereldvernieuwing neemt de Schrift een standpunt tusschen twee
-uitersten in. Eenerzijds is door velen, zooals Plato, Aristoteles,
-Xenophanes, Philo, Maimonides, Averroes, Nolanus, Peyrère, Edelmann,
-Czolbe enz. beweerd, dat deze wereld eeuwig in hare tegenwoordige
-gedaante zou voortbestaan. En andererzijds waren Origenes, de
-Lutherschen, de Mennonieten, de Socinianen, Vorstius, de Remonstranten
-en ook enkele Gereformeerden, zooals Beza, Rivetus, Junius, Wollebius,
-Prideaux van meening, dat zij niet slechts in gedaante veranderd
-doch in substantie vernietigd en door eene gansch nieuwe wereld
-vervangen zou worden, M. Vitringa IV 194-200. Doch geen van deze beide
-gevoelens vindt steun in de Schrift. De Oudtest. profetie verwacht
-eene buitengewone verandering in heel de natuur maar leert toch geen
-vernietiging van de tegenwoordige wereld. De plaatsen, waarin men deze
-laatste geleerd acht, Ps. 102:27, Jes. 34:4, 51:6, 16, 65:17, 66:22,
-beschrijven de verandering, welke na den dag des Heeren intreden zal,
-wel in zeer sterke bewoordingen, maar houden toch geen vernietiging van
-de wereldsubstantie in. Vooreerst toch is de beschrijving, welke daar
-gegeven wordt, veel te beeldrijk, dan dat er eene letterlijke reductio
-ad nihilum van heel de wereld uit afgeleid zou kunnen worden. Voorts
-wordt het vergaan, אבד, van hemel en aarde, Ps. 102:27, dat op zichzelf
-reeds nooit eene volstrekte vernietiging der substantie te kennen
-geeft, daardoor verklaard, dat zij als een kleed verouderen, als een
-gewaad veranderen, als een blad afvallen, als rook verdwijnen zullen,
-Ps. 102:27, Jes. 34:4, 51:6. En eindelijk geeft het woord scheppen,
-ברא, dat van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde gebezigd wordt, Jes.
-65:17, volstrekt niet altijd een voortbrengen uit niets te kennen,
-maar duidt het dikwerf zulk eene werkzaamheid Gods aan, waardoor Hij
-uit het oude iets nieuws te voorschijn doet komen, Jes. 41:20, 43:7,
-54:16, 57:19; daarom wisselt het ook af met planten, gronden, maken,
-Jes. 51:16, 66:22, en kan de Heere in Jes. 51:16 zeggen, dat Hij die
-nieuwe schepping daarmede begint, dat Hij zijn woord in Israels mond legt
-en het dekt met de schaduw zijner hand. Het nieuwe Test. verkondigt
-op dezelfde wijze, dat hemel en aarde zullen voorbijgaan, Mt. 5:18,
-24:35, 2 Petr. 3:10, 1 Joh. 2:17, Op. 21:1, dat zij zullen vergaan, en
-verouden als een kleed, Hebr. 1:11, ontbonden, 2 Petr. 3:11, verbrand,
-2 Petr. 3:10, veranderd worden, Hebr. 1:12. Maar deze uitdrukkingen
-sluiten geen van alle eene vernietiging der substantie in. Immers
-leert Petrus uitdrukkelijk, dat de oude aarde, die door scheiding der
-wateren ontstond, door het water van den zondvloed vergaan is, 2 Petr.
-3:6, en dat de tegenwoordige wereld evenzoo, ofschoon krachtens Gods
-belofte niet meer door water, toch door vuur zal vergaan. Aan eene
-vernietiging van de substantie bij het vergaan der tegenwoordige wereld
-valt dus evenmin te denken als bij de verderving der vroegere wereld in
-den zondvloed; vuur verbrandt, reinigt, zuivert maar vernietigt niet.
-De tegenstelling in 1 Joh. 2:17: die den wil Gods doet, blijft in der
-eeuwigheid, leert, dat met de woorden: de wereld gaat voorbij met hare
-begeerlijkheid, niet bedoeld is eene vernietiging van de substantie der
-wereld, maar eene verdwijning der wereld in haar door de zonde verwoeste
-gedaante. Paulus zegt daarom ook zeer duidelijk, dat de gedaante, το
-σχημα, van deze wereld voorbijgaat, 1 Cor. 7:31. Trouwens komt zulk
-een wereldvernieuwing alleen overeen met wat de Schrift over de
-verlossing leert. Deze is immers nooit eene tweede, nieuwe schepping,
-maar eene herschepping van het bestaande. Daarin bestaat juist Gods
-eere, dat Hij dezelfde menschheid, dezelfde wereld, denzelfden hemel en
-dezelfde aarde verlost en vernieuwt, welke door de zonde verdorven en
-verontreinigd waren. Zooals een mensch in Christus een nieuw schepsel
-is, bij wien het oude voorbijgegaan en alles nieuw is geworden, 2 Cor.
-5:17, zoo gaat ook deze wereld in haar tegenwoordige gedaante voorbij,
-om op het machtwoord Gods uit haar schoot aan eene nieuwe wereld het
-aanzijn te geven. Gelijk bij den enkelen mensch, zoo heeft er aan het
-einde der dagen ook bij de wereld eene wedergeboorte plaats, Mt. 19:28,
-die geen physische schepping maar eene geestelijke vernieuwing is.
-Cf. Thomas, S. Theol. Suppl. qu. 74 art. 1 en qu. 91. Atzberger, Die
-christl. Eschat. 372 f. Gomarus, Op. I 131-133. 416. Spanheim, Dubia
-Evang. III 670-712. Turretinus, Th. El. XX qu. 5. Moor VI 733-736. M.
-Vitringa IV 186-215. Kliefoth, Eschat. 297 f.
-
-
-8. Deze vernieuwing der zienlijke wereld stelt de eenzijdigheid van het
-spiritualisme in het licht, dat de toekomstige zaligheid tot den hemel
-beperkt. Bij de Oudtest. profetie is er geen twijfel mogelijk, dat zij
-de zaligheid als eene aardsche beschrijft; zij verwacht, dat het volk
-Gods na den grooten dag in veiligheid en vrede onder den gezalfden
-koning uit Davids huis in Palestina wonen en door de heidensche
-natiën omringd en gediend worden zal. Er ligt waarheid in de woorden
-van Delitzsch op Jes. 66:24: Das ist ja eben der Unterschied des
-A. und N. T., dass das A. T. das Jenseits verdiesseitigt, das N.
-T. das Diesseits verjenseitigt; dass das A. T. das Jenseits in den
-Gesichtskreis des Diesseits herabzieht, das N. T. das Diesseits in
-das Jenseits emporhebt. Maar toch doen zij de N. T. verwachting van de
-toekomstige zaligheid niet geheel tot haar recht komen. Er ligt in
-het N. Test. ongetwijfeld eene vergeestelijking der Oudtest. profetie;
-wijl Jezus’ komst in eene eerste en tweede uiteenvalt, wordt eerst het
-koninkrijk Gods in geestelijken zin in het hart der menschen geplant;
-en de goederen van dat rijk zijn alle inwendig en onzienlijk, vergeving,
-vrede, gerechtigheid, eeuwig leven. Dienovereenkomstig wordt het wezen
-van de toekomstige zaligheid ook meer geestelijk opgevat, vooral door
-Paulus en Johannes, als een altijd bij den Heere zijn, Joh. 12:26, 14:3,
-17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, 1 Thess. 4:17, 5:10, 1 Joh. 3:2. Maar
-toch wordt die zaligheid daarmede niet binnen den hemel opgesloten.
-Dat dit niet het geval kan zijn, blijkt principiëel reeds daaruit, dat
-het N. T. de vleeschwording des Woords en de lichamelijke opstanding
-van Christus leert, aan het eind der dagen zijn lichamelijke wederkomst
-verwacht en terstond daarna de lichamelijke opstanding van alle
-menschen, en inzonderheid die van de geloovigen, laat plaats hebben.
-Dit alles werpt het spiritualisme omver, dat, indien het aan zijn
-beginsel getrouw bleef, evenals Origenes na den oordeelsdag niets dan
-geesten in een ongeschapen hemel mocht laten overblijven. De Schrift
-leert echter gansch anders. Volgens haar bestaat de wereld uit hemel
-en aarde, de mensch uit ziel en lichaam, en heeft dienovereenkomstig
-ook het koninkrijk Gods eene geestelijke, verborgene en eene uitwendige,
-zienlijke zijde. Terwijl Jezus de eerste maal gekomen is, om dat koninkrijk
-in geestelijken zin te stichten, keert Hij aan het einde der dagen weder,
-om er ook eene zichtbare gestalte aan te geven. De reformatie gaat
-van binnen naar buiten; de wedergeboorte der menschen voltooit zich
-in de wedergeboorte der schepping; het Godsrijk is dan eerst ten volle
-gerealiseerd, als het ook zichtbaar over de aarde uitgebreid is. Zoo
-verstonden het ook de jongeren, als zij aan Jezus na zijne opstanding
-vraagden, of Hij nu aan Israel het koninkrijk weder oprichten zou. En
-Jezus ontkent in zijn antwoord op die vraag niet, dat Hij eenmaal zulk
-een koninkrijk oprichten zal, maar zegt alleen, dat de tijden daarvoor
-door den Vader zijn vastgesteld en dat zijne jongeren thans de roeping
-hebben, om in de kracht des H. Geestes zijne getuigen te zijn tot aan
-het uiterste der aarde, Hd. 1:6-8. Elders getuigt Hij uitdrukkelijk,
-dat de zachtmoedigen de aarde zullen beërven, Mt. 5:5, en stelt Hij
-de toekomstige zaligheid als een maaltijd voor, waar men aanzit met
-Abraham, Izak en Jakob, Mt. 8:11, spijze en drank geniet, Luk. 22:30,
-eet van het nieuwe, volmaakte pascha, Luk. 22:16, en drinkt van de
-vrucht van den nieuwen wijnstok, Mt. 26:29. Wel is in deze bedeeling,
-tot de parousie toe, het oog der geloovigen naar boven, naar den hemel
-gericht. Daar is hun schat, Mt. 6:20, 19:21; daar is Jezus, die hun
-leven is, gezeten aan de rechterhand Gods, Joh. 14:3, 17:24, Col.
-3:1-3; daar is hun burgerschap, terwijl zij hier vreemdelingen zijn,
-Phil. 3:20, Hebr. 11:13-16; daar wordt voor hen de erfenis bewaard,
-Hebr. 10:34, 1 Petr. 1:4. Maar die erfenis is bestemd, om geopenbaard
-te worden. Christus komt eenmaal zichtbaar weer, en doet dan in
-zijne heerlijkheid de gansche gemeente, ja heel de wereld deelen. De
-geloovigen worden niet alleen naar zijn beeld veranderd, Joh. 17:24,
-Rom. 8:17, 18, 28, Phil. 3:21, Col. 3:4, 1 Joh. 3:2, maar de gansche
-schepping zal van de dienstbaarheid des verderfs worden vrijgemaakt tot
-de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, Rom. 8:21; aarde en hemel
-worden zoo vernieuwd, dat er de gerechtigheid in woont, 2 Petr. 3:13,
-Op. 21:1; het hemelsch Jeruzalem, dat thans boven is en het voorbeeld
-van het aardsche Jeruzalem was, daalt dan op aarde neer, Gal. 4:26,
-Hebr. 11:10, 13-16, 12:22, 13:14, Op. 3:12, 21:2v. Dit nieuw Jeruzalem
-is niet met de gemeente identisch, al kan het ook overdrachtelijk de
-bruid des Lams heeten, Op. 21:2, 9, want Hebr. 12:22, 23 maakt zeer
-duidelijk onderscheid tusschen het hemelsche Jeruzalem en de gemeente
-der eerstgeborenen (vromen des O. T.) en der volmaakte rechtvaardigen
-(ontslapen Christenen). Het hemelsch Jeruzalem is eene stad, door God
-zelven gebouwd, Hebr. 11:10; zij is de stad des levenden Gods, omdat God
-niet alleen haar bouwmeester is maar er ook zelf in woont, Op. 21:3; de
-engelen zijn daarin de dienaren en vormen den hofstoet van den grooten
-Koning, Hebr. 12:22; de zaligen zijn daarin de burgers, Op. 21:27,
-22:3, 4. De beschrijving, welke Johannes van dat Jeruzalem geeft, Op.
-21 en 22, mag zeker evenmin als zijne voorafgaande visioenen letterlijk
-worden opgevat; dit wordt reeds daardoor uitgesloten, dat Johannes
-haar voorstelt als een kubus, waarvan lengte, breedte en hoogte gelijk
-zijn, n.l. 12000 stadiën, d. i. 300 Duitsche mijlen, terwijl de hoogte
-van den muur toch maar 144 el is, Op. 21:15-17. Johannes bedoelt met
-zijne beschrijving geen teekening van de stad, maar hij geeft gedachten
-en vertolkt die in beelden, wijl de heerlijkheid van het Godsrijk op geen
-andere wijze tot ons bewustzijn te brengen is. En die beelden ontleent
-hij aan het paradijs, met zijn rivier en levensboom, Op. 21:6, 22:1, 2,
-aan het aardsche Jeruzalem met hare poorten en straten, Op. 21:12v.,
-aan den tempel met zijn heilige der heiligen, waarin God zelf woonde,
-Op. 21:3, 22, aan heel het rijk der natuur met al zijne schatten van
-goud en edele gesteenten, Op. 21:11, 18-21. Maar al zijn het gedachten,
-welke op die wijze door beelden vertolkt worden, die gedachten zijn toch
-geen inbeeldingen of verdichtselen doch diesseitige beschrijvingen van
-jenseitige realiteiten. Alwat waarachtig is, al wat edel is, al wat
-rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat welluidt,
-in de gansche schepping, in hemel en aarde, wordt in de toekomstige
-Godsstad saamgebracht, maar vernieuwd, herschapen, tot zijne hoogste
-heerlijkheid opgevoerd. De substantie ervoor is in deze schepping
-aanwezig. Gelijk de rups zich ontwikkelt tot vlinder, gelijk koolstof
-zich omzet tot diamant, gelijk het tarwegraan, stervend in de aarde,
-een ander voortbrengt, gelijk de gansche natuur in de lente herleeft en
-in feestdosch zich tooit, gelijk de gemeente gevormd wordt uit Adams
-gevallen geslacht, gelijk het opstandingslichaam opgewekt wordt uit het
-lichaam, dat gestorven en in de aarde begraven is; zoo komt ook eenmaal
-door de herscheppende macht van Christus uit de door vuur gelouterde
-elementen van deze wereld de nieuwe hemel en aarde te voorschijn,
-stralend in onvergankelijke heerlijkheid en van de δουλεια της φθορας
-voor eeuwig bevrijd. Heerlijker dan deze schoone aarde, heerlijker dan het
-aardsche Jeruzalem, heerlijker zelfs dan het paradijs zal de heerlijkheid
-van het nieuwe Jeruzalem zijn, waarvan God zelf de kunstenaar en de
-bouwmeester is. De status gloriae zal geen zuivere restauratie zijn van
-den oorspronkelijken status naturae, maar eene reformatie, die, dank
-zij de macht van Christus, alle ὑλη tot εἰδος, alle potentia tot actus
-doet overgaan en heel de schepping voor Gods aangezicht zal stellen,
-stralend in onverwelkelijke pracht en bloeiend in de lente eener
-eeuwige jeugd. Substantieel gaat er niets verloren. Buiten zijn wel
-de honden en de toovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de
-afgodendienaars en een iegelijk, die de leugen liefheeft of doet, Op.
-22:15. Maar in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde wordt de wereld
-hersteld; in de gemeente wordt het menschelijk geslacht behouden; in die
-gemeente, die uit alle natiën en talen en tongen door Christus gekocht
-en vergaderd is, Op. 5:9 enz., behouden alle de volken, ook Israel,
-elk zijne onderscheidene plaats en roeping, Mt. 8:11, Rom. 11:25, Op.
-21:24, 22:2; en alle die volken brengen in het nieuwe Jeruzalem saam,
-al wat zij elk naar zijn onderscheiden aard van God ontvangen hebben aan
-heerlijkheid en eere, Op. 21:24, 26.
-
-
-9. De zegeningen, waarin de gezaligden deelen, zijn daarom niet alleen
-geestelijk maar ook stoffelijk of lichamelijk van aard. Zoo verkeerd als
-het is, om de laatste met de heidensche volken en ook met sommige
-Chiliasten tot het hoofdbestanddeel der toekomstige zaligheid te
-maken, zoo eenzijdig is het ook, om ze op stoische wijze onverschillig
-te rekenen of ook van de zaligheid ten eenenmale uit te sluiten. De
-Schrift houdt het geestelijke en het natuurlijke steeds in nauw verband;
-wijl de wereld uit hemel en aarde en de mensch uit ziel en lichaam
-bestaat, behooren heiligheid en heerlijkheid, deugd en geluk, zedelijke
-en natuurlijke wereldorde ook ten slotte harmonisch verbonden te zijn. De
-zaligen zullen daarom niet alleen vrij zijn van alle zonde, maar ook van
-alle gevolgen der zonde, van onwetendheid en dwaling, Joh. 6:45, van
-den dood, Luk. 20:36, 1 Cor. 15:26, Op. 2:11, 20:6, 14, van armoede en
-krankheid, smart en vreeze, honger en dorst, koude en hitte, Mt. 5:4,
-Luk. 6:21, Op. 7:16, 17, 21:4, van alle zwakheid, oneer en verderf, 1
-Cor. 15:42 enz. Maar de geestelijke zegeningen zijn toch de voornaamste
-en zijn ontelbaar vele: heiligheid, Op. 3:4, 5, 7:14, 19:8, 21:27,
-zaligheid, Rom. 13:11, 1 Thess. 5:9, Hebr. 1:14, 5:9, heerlijkheid, Luk.
-24:36, Rom. 2:10, 8:18, 21, aanneming tot kinderen, Rom. 8:23, eeuwig
-leven, Mt. 19:16, 29 enz., aanschouwing van en gelijkvormigheid aan
-God en Christus, Mt. 5:8, Joh. 17:24, Rom. 8:29, 1 Cor. 13:12, 2 Cor.
-3:18, Phil. 3:21, 1 Joh. 3:2, Op. 22:4, gemeenschap met en dienen en
-prijzen van God en Christus, Joh. 17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op.
-4:10, 5:9, 13, 7:10, 15, 21:3, 22:3 enz. Omdat al deze weldaden in
-beginsel reeds op aarde aan de geloovigen worden geschonken, zooals
-bijv. de aanneming tot kinderen, Rom. 9:4, 8:15, Gal. 4:5, Ef. 1:5, en
-het eeuwige leven, Joh. 3:15, 16, 36 enz., hebben velen de zaligheid,
-welke Christus schenkt, uitsluitend als eene tegenwoordige opgevat,
-die alleen in den weg van een ethisch proces zich hoe langer hoe meer
-realiseert, Pfleiderer, Grundriss § 177. Biedermann, Dogm. § 974 f.
-Scholten, Initia c. 7. Ook Ritschl en vele zijner aanhangers leggen
-eenzijdig den nadruk op de diesseitige Weltstellung des Menschen,
-houden de zedelijke vrijheid, welke de Christen in het geloof tegenover
-de wereld ontvangt, voor de voornaamste weldaad, en spreken weinig of
-niet van de eeuwige zaligheid, welke Christus in de toekomst den zijnen,
-bereidt, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 459 f. 484 f. 534 f. 600 f.
-Tegenover het abstracte supranaturalisme der Grieksche en Roomsche
-kerk, dat de zaligheid uitsluitend transcendent opvat en dus hier
-op aarde het christelijk levensideaal in den monnik belichaamd acht,
-verdedigt deze beschouwing eene belangrijke waarheid. De Reformatie
-heeft, teruggaande tot de Schrift, deze supranaturalistische en
-ascetische levensopvatting principieel verwonnen. Wie gelooft, heeft
-op datzelfde oogenblik vergeving van zonden en eeuwig leven; hij is
-een kind van God, dat den Vader dient, niet als knecht uit hoop op
-loon, maar als een zoon, die uit liefde en dankbaarheid den wil des
-Vaders volbrengt; en hij volbrengt dien wil, niet door uit de wereld
-weg te vluchten maar door trouw te zijn in de roeping, welke hem hier
-op aarde toebetrouwd is. Het leven voor den hemel vormt daarom geen
-tegenstelling met het leven in het midden der wereld; juist in die
-wereld bewaart Christus zijne discipelen van den Booze. De nieuwe hemel
-en aarde wordt immers opgebouwd uit de elementen der wereld, die thans
-bestaat, en de gemeente is de herstelde menschheid onder Christus als
-Hoofd. Maar hoezeer de zaligheid in zekeren zin reeds het deel is van
-de geloovigen op aarde, zij is dat toch maar in beginsel en niet in
-volle werkelijkheid. De geloovigen zijn in hope zalig, Rom. 8:24; Jezus
-spreekt de armen van geest enz., zalig, omdat hunner het koninkrijk
-der hemelen is, dat in de toekomst op aarde gesticht worden zal, Mt.
-5:3-10. De geloovigen zijn kinderen Gods en verwachten toch nog de volle
-verwezenlijking van dat kindschap, Mt. 5:9, Rom. 8:23. Zij hebben het
-eeuwige leven, en moeten het toch nog bij de opstanding ontvangen, ook
-volgens Johannes, 5:20-29, 6:40, 44, 54. Beide is dus waar, dat het
-koninkrijk der hemelen er is en dat het toch nog komt. En deze dubbele
-waarheid bepaalt heel het karakter van den staat der heerlijkheid.
-Gelijk de nieuwe hemel en aarde gevormd wordt uit de elementen dezer
-wereld en de gemeente eene herschepping is van het in Adam gevallen
-menschelijk geslacht, zoo is ook het leven der zaligen hiernamaals te
-denken als in analogie met het leven der geloovigen hier op aarde. Het
-bestaat eenerzijds niet in eene visio Dei in Roomschen zin, waartoe de
-menschelijke natuur slechts door een donum superadditum kan opgebeurd
-worden, en het is aan de andere zijde ook niet eene langzame en
-geleidelijke ontwikkeling van het christelijk leven, dat hier reeds op
-aarde door de geloovigen geleid wordt. Het is een echt natuurlijk leven,
-maar door de genade tot zijne hoogste heerlijkheid opgeheven, en in zijn
-rijkste schoonheid ontvouwd; de materia blijft, doch de forma verschilt.
-De religie, dat is de gemeenschap met God, neemt er daarom de eerste,
-de centrale plaats in. Maar die gemeenschap zal rijker, dieper, zaliger
-zijn, dan zij hier op aarde ooit was of wezen kon, want zij zal door geen
-zonde verstoord, door geen afstand verbroken, door geen natuur of
-Schrift bemiddeld zijn. Nu zien wij in den spiegel van Gods openbaring
-slechts zijn beeld; dan zien wij aangezicht tot aangezicht, en kennen,
-gelijk wij gekend zijn. Visio, comprehensio, fruitio Dei maken het wezen
-der toekomstige zaligheid uit. De zaligen zien God, wel niet met
-lichamelijke oogen, maar toch op eene wijze, die alle openbaring in deze
-bedeeling door middel van natuur en van Schrift zeer verre te boven
-gaat; en dienovereenkomstig zullen zij Hem allen kennen, schoon elk
-naar de mate zijner bevatting, met eene kennis, die in de kennisse Gods
-haar beeld en gelijkenis heeft, rechtstreeks, onmiddellijk, zuiver en
-rein, deel II 150-155. Zij ontvangen en bezitten dan alles, wat zij hier
-slechts in hope hebben verwacht. En alzoo God aanschouwende en God
-bezittende, genieten zij God en zijn in zijne gemeenschap zalig; zalig
-naar ziel en naar lichaam, in verstand en in wil. In de theologie was
-er verschil over, of de zaligheid hiernamaals formaliter zetelde in het
-verstand of in den wil, en dus in kennis of in liefde bestond. Thomas
-zeide het eerste, S. Theol. I 2 qu. 3 art. 4, en Duns Scotus beweerde
-het laatste, Sent. IV dist. 49 qu. 4. Maar Bonaventura vereenigde beide
-en merkte op, dat de fruitio Dei niet alleen eene vrucht was van de
-cognitio Dei maar ook van den amor Dei en in beider vereeniging en
-samenwerking haar oorzaak had, Sent. IV dist. 49 p. 1 art. unic. qu. 4.
-5, cf. Voetius, Disp. II 1217-1239.
-
-
-10. De zaligheid der gemeenschap met God wordt genoten in en verhoogd
-door de gemeenschap der heiligen. Reeds op aarde is deze gemeenschap
-eene heerlijke weldaad des geloofs. Wie om Jezus’ wil huis of broeders
-of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten
-hebben, ontvangen reeds in dit leven met de vervolgingen huizen en
-broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers terug, Mk. 10:29,
-30, want allen, die den wil des Vaders doen, zijn Jezus’ broeder en
-zuster en moeder, Mt. 12:50. De geloovigen komen door den Middelaar des
-Nieuwen Testaments in gemeenschap, niet alleen met de strijdende kerk
-op aarde, maar ook met de triumfeerende kerk in den hemel, de gemeente
-der eerstgeborenen, de geesten der volmaakte rechtvaardigen, zelfs met
-de vele duizenden der engelen, Hebr. 12:22-24. Maar deze gemeenschap,
-ofschoon in beginsel reeds op aarde bestaande, boven bl. 28, zal toch
-onvergelijkelijk veel rijker en heerlijker zijn, wanneer alle scheidsmuren
-van afstamming en taal, van tijd en ruimte geslecht, alle zonde en
-dwaling uitgebannen en alle uitverkorenen in het nieuwe Jeruzalem
-saamgebracht zullen zijn. Dan zal het gebed van Jezus ten volle worden
-verhoord, dat al zijne schapen ééne kudde vormen onder éénen Herder,
-Joh. 10:16, 17:21. Alle heiligen zullen dan te zamen ten volle
-begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij van de
-liefde van Christus, Ef. 3:18; zij zullen saam vervuld worden tot al de
-volheid Gods, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10, want Christus, dien God vervult,
-Col. 1:19, vervult op zijne beurt de gemeente met zichzelven en maakt ze
-tot zijn pleroma, Ef. 1:23, 4:10, cf. deel III 417. En aanzittende met
-Abraham, Izak en Jakob aan éénen disch, Mt. 8:11, heffen zij uit éénen
-mond het loflied aan tot eere van God en van het Lam, Op. 4:11, 5:12
-enz. Van de gemeente op aarde zegt de Schrift menigmaal, dat zij een
-klein kuddeken vormt, Mt. 7:14, 22:14, Luk. 12:32, 13:23, hetgeen door
-de historie tot op den huidigen dag bevestigd wordt. En zelfs tegen
-het einde der dagen, als het evangelie onder alle volken gepredikt zal
-zijn, zal de afval toenemen en het getal der getrouwen gering zijn; reeds
-de profetie des O. Test. verkondigde, dat slechts een overblijfsel van
-Israel zich tot den Heere bekeeren en behouden zou worden, boven bl.
-429; en het N. Test. koestert evenzoo de verwachting, dat degenen, die
-volharden tot den einde toe, weinigen zullen zijn, Mt. 24:13, 25:1v.,
-Luk. 18:8. Maar aan de andere zijde spreekt de Schrift dikwerf toch
-zeer universalistisch. Het verbond der genade wordt in Adam aan heel
-de menschheid bekend gemaakt, Gen. 3:15. Het verbond der natuur, dat
-na den zondvloed gesloten wordt, omvat alle schepselen, Gen. 9:9, 10.
-In Abraham worden alle geslachten der aarde gezegend, Gen. 12:3. De
-verlossing, welke eens aan Israel geschonken zal worden, komt allen
-Heidenen ten goede, boven bl. 433. Jezus zegt, dat Hij zijne ziel zal
-geven tot een rantsoen voor _velen_, Mt. 20:28, en dat _velen_ zullen
-komen van Oosten en Westen en zullen aanzitten met Abraham, Izak en
-Jakob in het koninkrijk der hemelen, Mt. 8:11. De genade, die in Hem
-is verschenen, is veel meer overvloedig dan de overtreding van Adam;
-zij komt over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens, Rom.
-5:12-20, 1 Cor. 15:22. Nu worden in deze bedeeling alle dingen in den
-hemel en op de aarde onder Christus tot één vergaderd, Ef. 1:10. En
-eens aan het einde, zal alle knie voor Christus zich buigen en alle
-tong Hem als den Heer belijden, Phil. 2:10, 11. Dan zal eene groote
-schare, welke niemand tellen kan, staan voor den troon en het Lam, Op.
-7:9, 19:1, 6. Het zijn volkeren, die zalig worden en in het licht van
-het nieuwe Jeruzalem wandelen, Op. 21:24, 26, 22:2. En God zal dan in
-allen alles zijn, 1 Cor. 15:28. In aansluiting bij en met beroep op deze
-laatste reeks teksten hebben velen de hope gekoesterd, dat ten slotte,
-zoo niet alle schepselen, dan toch alle menschen en, indien ook dit
-niet het geval mocht zijn, dan toch verreweg de meeste menschen zalig
-zouden worden; de hel zou in het geheel niet bestaan of slechts een
-kleine uithoek zijn in het heelal. Zij grondden deze hunne verwachting
-òf op de mogelijkheid, om ook zalig te worden door de werken der wet
-(Pelagianen, Socinianen, Deisten enz.), òf op de gelegenheid, om ook na
-den dood in den tusschentoestand of zelfs nog na den oordeelsdag het
-evangelie te hooren en in den geloove aan te nemen (Universalisten).
-Deze gevoelens zijn vroeger reeds besproken en behoeven dus thans
-niet meer aan de Schrift getoetst te worden, cf. deel I 232. II 318
-f. 340 f. 350 f. III 390-408 en boven bl. 499v. Maar ook onder hen,
-die de belijdenis vasthouden, dat niemand tot den Vader komt dan door
-Christus en dat er maar één naam onder den hemel ter zaligheid gegeven
-is, Joh. 14:6, Hd. 4:12, zijn er altijd enkelen geweest, die aan de
-mogelijkheid der zaligheid in dit leven buiten de prediking van het
-evangelie hebben geloofd. Zij leerden alzoo ten aanzien van de kinderen
-des verbonds, van al de jongstervende kinderen binnen en buiten de
-grenzen des Christendoms, van idioten, krankzinnigen, doofstommen,
-die feitelijk van de prediking des evangelies verstoken waren, en
-ook van sommige of van vele Heidenen, die in hun helder inzicht en
-deugdzaam leven bewijzen gaven van eene waarachtige godsvrucht. Sommige
-kerkvaders namen een werkzaamheid van den Logos in de Heidenwereld
-aan, deel I 238. Augustinus geloofde, dat er van den beginne af aan
-niet alleen onder Israel maar ook onder andere volken altijd enkelen
-waren geweest, die in den Logos geloofden en naar zijne geboden vroom
-en rechtvaardig leefden, Ep. 102. de civ. 18, 47 en andere plaatsen
-bij Reuter, Aug. Studien 1887 S. 90 f. Abaelard beweerde, dat ook
-Heidenen de zaligheid konden deelachtig worden, bij Münscher-v. Coelln,
-D. G. II 147. Volgens Strauss, Chr. Gl. I 271 sprak Luther eenmaal
-den wensch uit, dat God ook mannen als Cicero en Seneca genadig mocht
-zijn, en wilde Melanchton in het midden laten, of Hij soms langs een
-bijzonderen weg aan Solon, Themistocles e. a. eenige kennis van de
-vergeving in Christus had medegedeeld. Zwingli sprak beslister en
-geloofde dat God ook onder de Heidenen zijne uitverkorenen had, Chr.
-fidei expos. Op. IV 65. Maar anderen lieten alleen de mogelijkheid open
-en durfden niet meer dan hopen en wenschen, zooals bijv. à Lasco, bij
-Kuyper, Heraut 1047. Zanchius, bij Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704.
-Bilderdijk, Brieven V 81. Kuyper, Heraut 594 cf. 1047. Ebrard, Das Dogma
-v. h. Ab. II 77. Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. Dit gevoelen bleef
-echter altijd het gevoelen van enkelen; de kerken lieten er zich in
-hare confessies niet over uit en de meeste theologen kwamen er tegen
-op, cf. litt. bij M. Vitringa I 29. Iets gunstiger oordeelde men over
-de zaligheid der jongstervende kinderen. De Roomschen leeren, dat
-alle Christenkinderen, die, voto of re gedoopt, sterven, zalig worden
-en alle andere vroegstervende kinderen in den limbus infantum eene
-poena damni, niet sensus, lijden, Lombardus e. a. op Sent. II dist.
-33. De Lutherschen oordeelen ten aanzien van de Christenkinderen als
-de Roomschen en laten de anderen aan Gods oordeel over, Gerhard, Loc.
-XVI § 169. Buddeus, Inst. theol. V I, 6. De Gereformeerden neigden
-ertoe, om te gelooven, dat alle in het verbond der genade geboren en
-dan vóór de jaren des onderscheids door den dood weggenomen kinderen
-de hemelsche zaligheid deelachtig worden, Can. Dordr. I 7. Voetius,
-Disp. II 417, hoewel velen ook hier tusschen verkoren en verworpen
-kinderen onderscheid maakten en niet aan elk dezer kinderen individueel
-met zekerheid de zaligheid durfden toekennen, Martyr, Loci Comm. p.
-76. 436, Beza, Pareus, Zanchius, Perkins e. a. Wat de vroegstervende
-kinderen buiten het verbond betreft, oordeelden sommigen vrij mild;
-Junius vermoedde liever uit liefde, dat zij behouden dan dat zij verloren
-waren, Op. II 333, en Voetius zeide: of zij verloren zijn dan of sommigen
-onder hen uitverkoren zijn en vóór hun sterven wedergeboren worden,
-nolim negare, affirmare non possum, Disp. II 413, cf. verdere litt. bij
-M. Vitringa II 51. 52, en vooral B. Warfield, The development of
-the doctrine of infant salvation, in: Two studies in the history
-of doctrine, New-York, Christ. Lit. Comp. 1897 p. 143-239. Met de
-Schrift in de hand kunnen wij, zoowel in betrekking tot de zaligheid
-der Heidenen als tot die der vroegstervende kinderen, niet verder
-komen, dan dat wij van een beslist en stellig oordeel in positieven
-of negatieven zin ons onthouden. Alleen verdient het opmerking, dat
-de Gereformeerde theologie bij deze ernstige vragen in veel gunstiger
-conditie verkeert dan eenige andere. Want alle andere kerken kunnen
-hierbij dan alleen een zachter oordeel koesteren, wanneer zij op hare
-leer van de volstrekte noodzakelijkheid der genademiddelen terugkomen
-of op die van de verdoemelijkheid der zonde inbreuk maken. Maar de
-Gereformeerden wilden ten eerste de mate der genade niet vaststellen,
-waarmede een mensch ook onder vele dwalingen en zonden nog aan God
-verbonden kan zijn noch den graad der kennis bepalen, die tot zaligheid
-onmisbaar noodig is, Voetius, Disp. II 537. 538. 781. Witsius, Apost.
-Geloof II 2 en 15. Spanheim, Op. III 1291. En ten andere hielden
-zij staande, dat de middelen der genade niet absoluut noodzakelijk
-waren tot de zaligheid en dat God ook buiten woord en sacramenten
-kon wederbaren ten eeuwigen leven, Calvijn, Inst. IV 16, 19. In de
-tweede Helv. Confessie, art. 1 luidt het: agnoscimus Deum illuminare
-posse homines, etiam sine externo ministerio, quos et quando velit;
-id quod ejus potentiae est. En de Westminstersche belijdenis spreekt
-in cap. X § 3 uit, dat uitverkoren kinderen, die in hun kindsheid
-sterven, wedergeboren en behouden worden door den Geest van Christus,
-qui quando et ubi et quo sibi placuerit modo operatur, en dat dit ook
-geldt van de overige uitverkorenen, quotquot externae vocationis per
-ministerium verbi sunt incapaces. Reuter zegt daarom terecht, als hij
-de leer van Augustinus op dit punt heeft uiteengezet: In der That, es
-lässt sich das Paradoxon rechtfertigen, gerade die _partikularistische_
-Prädestinationslehre habe jene _universalistisch_ klingenden Phrasen
-ermöglicht, Aug. Studien 92. In de Gereformeerde theologie komen zelfs
-de bovenaangehaalde universalistische teksten der Schrift het best en
-het schoonst tot haar recht. Want universalistisch in dien zin, dat
-alle menschen of zelfs alle schepselen worden behouden, zijn die teksten
-zeker niet bedoeld en ook door geen enkele christelijke kerk opgevat.
-Alle belijden zonder uitzondering, dat er niet alleen een hemel maar ook
-eene hel is. Hoogstens is er dus verschil over het getal dergenen, die
-zalig worden en die verloren gaan. Maar daarover valt niet te twisten;
-want dat getal is alleen Gode bekend. Op de vraag: Heere, zijn er ook
-weinigen, die zalig worden, gaf Jezus alleen ten antwoord: strijdt om
-in te gaan door de enge poort, want velen zullen zoeken in te gaan en
-zullen niet kunnen, Luk. 13:24. Dit alleen is rechtstreeks voor ons van
-belang; het getal der uitverkorenen behoeft ons niet bekend te zijn.
-Maar in elk geval staat dit vast, dat het getal der uitverkorenen in de
-Gereformeerde theologie om geen enkele reden en in geen enkel opzicht
-kleiner behoeft gedacht te worden, dan in eenige andere theologie.
-Als het er op aankomt, is de Geref. belijdenis ruimer van hart en
-breeder van blik, dan eenige andere christelijke confessie. Zij vindt
-de laatste, diepste oorzaak der zaligheid alleen in Gods welbehagen,
-in zijne eeuwige ontferming, in zijne ondoorgrondelijke barmhartigheid,
-in den onnaspeurlijken rijkdom zijner almachtige en vrije genade. Welke
-vastere, breedere grondslag zou daarnaast voor de zaligheid van een
-schuldig en verloren menschengeslacht te vinden zijn? Laten velen dan
-afvallen; hoe ontroerend dit zij, in Christus wordt toch de gemeente,
-de menschheid, de wereld behouden. Het organisme der schepping wordt
-hersteld. De goddeloozen worden van de aarde verdaan, Ps. 104:35, zij
-worden buitengeworpen, Joh. 12:31, 15:6, Op. 22:15. Maar onder Christus
-worden alle dingen, in den hemel en op de aarde, vergaderd tot één, Ef.
-1:10. Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen, Col. 1:16.
-
-
-11. De gemeenschap met God, die in de gemeenschap der heiligen genoten
-wordt, sluit zeker in de toekomende eeuw evenmin als in deze bedeeling
-alle handeling en alle werkzaamheid uit. De christelijke theologie
-heeft hier in den regel wel weinig aandacht aan gewijd en meest van
-de hemelsche zaligheid als een kennen en genieten van God gesproken.
-En dit is zonder twijfel ook de kern en het middelpunt, de bron en de
-kracht van het eeuwige leven. Ook biedt de Schrift weinig gegevens,
-om ons van de werkzaamheid der gezaligden eene heldere voorstelling
-te vormen. Zij beschrijft de zaligheid meer als een rusten van den
-aardschen arbeid dan als het volbrengen van eene nieuwe werkzaamheid,
-Hebr. 4:9, Op. 14:13. Maar toch is de rust, die in het nieuwe Jeruzalem
-genoten wordt, evenmin bij God, Joh. 5:17, als bij zijne kinderen, als
-een zalig niets-doen te denken. De H. Schrift zegt zelve, dat het
-eeuwige leven bestaat in een kennen en dienen, in een loven en prijzen
-van God, Joh. 17:3, Op. 4:11, 5:8 enz. Zijne kinderen blijven ook zijne
-knechten, die Hem dienen dag en nacht, Op. 22:3. Zij zijn profeten,
-priesters en koningen, die op de aarde heerschen in alle eeuwigheid,
-Op. 1:6, 5:10, 22:5. Naarmate zij op aarde over weinig getrouw zijn
-geweest, worden zij in het koninkrijk. Gods over veel gezet, Mt. 24:47,
-25:21, 23. Ieder behoudt zijn eigen persoonlijkheid, want van allen, die
-ingaan in het nieuwe Jeruzalem, zijn de namen geschreven in het boek
-des levens des Lams, Op. 20:15, 27, en elk ontvangt een eigen, nieuwen
-naam, Jes. 62:2, 65:15, Op. 2:17, 3:12, cf. 21:12, 14. De dooden,
-die in den Heere sterven, rusten van hunne moeiten, maar worden elk
-door zijn eigen werken gevolgd, Op. 14:13. Geslachten, volken, natiën
-dragen het hunne tot verrijking des levens in het nieuwe Jeruzalem
-bij, Op. 5:9, 7:9, 21:24, 26. Wat hier gezaaid wordt, wordt in de
-eeuwigheid gemaaid, Mt. 25:24, 26, 1 Cor. 15:42v., 2 Cor. 9:6, Gal.
-6:7, 8. De groote verscheidenheid, die in allerlei opzicht onder de
-menschen bestaat, wordt in de eeuwigheid niet vernietigd maar van al
-het zondige gereinigd en aan de gemeenschap met God en met elkander
-dienstbaar gemaakt. En gelijk de natuurlijke verscheidenheid in de
-gemeente op aarde nog met de geestelijke verscheidenheid vermeerderd
-wordt, 1 Cor. 12:7v., zoo neemt dit natuurlijk en geestelijk verschil
-in den hemel nog weer daardoor toe, dat er onderscheidene graden van
-heerlijkheid zijn. Uit oppositie tegen de verdienstelijkheid der goede
-werken hebben sommige Gereformeerden, zooals Martyr, Loci C. III 17,
-8, Camero, Schoenfeld, Tilenus, Spanheim, evenals in de vierde eeuw
-reeds Jovinianus en later sommige Socinianen en thans nog Gerlach,
-alle onderscheid in de heerlijkheid hiernamaals geloochend. En het is
-ook waar, dat aan alle geloovigen dezelfde weldaden in de toekomst van
-Christus worden beloofd; zij ontvangen allen hetzelfde eeuwige leven,
-dezelfde woonplaats in het nieuwe Jeruzalem, dezelfde gemeenschap
-met God, dezelfde zaligheid enz. Maar desniettemin stelt de Schrift
-het buiten allen twijfel, dat er in die eenheid en gelijkheid eene
-zeer groote afwisseling en verscheidenheid is. Zelfs de gelijkenis,
-Mt. 20:1-16, waarop men zich menigmaal voor het tegendeel beroept,
-pleit voor zulk een onderscheid; want Jezus wil met die gelijkenis
-leeren, dat velen, die naar eigen en anderer meening lang en zwaar
-hebben gearbeid, in het toekomstig Messiasrijk volstrekt niet zullen
-achterstaan bij degenen, die veel korter tijd in den wijnberg zijn werkzaam
-geweest; de laatsten halen de eersten in, want velen zijn wel geroepen
-en arbeiden in den dienst van het koninkrijk Gods, maar weinigen zijn er,
-die daarvoor hiernamaals eene bijzondere onderscheiding genieten en een
-uitgelezen plaats ontvangen. Veel duidelijker wordt zulk een gradueel
-verschil in de heerlijkheid op andere plaatsen in de Schrift geleerd,
-vooral daar, waar sprake is van een loon, dat een iegelijk geschonken
-zal worden naar zijne werken. Dat loon wordt thans in de hemelen
-bewaard, Mt. 5:12, 6:1v., Luk. 6:23, 1 Tim. 6:19, Hebr. 10:34-37,
-en wordt eerst in het openbaar uitgedeeld bij de parousie, Mt. 6:4,
-6, 18, 24:47, 2 Thess. 1:7, 1 Petr. 4:13. Het wordt dan geschonken
-als vergoeding voor hetgeen de discipelen van Jezus hier op aarde
-om zijnentwil verloochend en geleden hebben, Mt. 5:10v., 19:29, Luk.
-6:21v., Rom. 8:17, 18, 2 Cor. 4:17, 2 Thess. 1:7, Hebr. 10:34, 1 Petr.
-4:13, en verder ook als vergelding voor de goede werken, die zij hebben
-verricht, zooals bijv. voor goede besteding der talenten, Mt. 25:15v.,
-Luk. 19:13v., voor vijandsliefde en belangelooze milddadigheid, Luk.
-6:35, voor verzorging der armen, Mt. 6:1, voor bidden en vasten, Mt.
-6:6, 18, voor het dienen der broederen, Mt. 10:40-42, voor trouwen
-dienst in het rijk Gods, Mt. 24:44-47, 1 Cor. 3:8 enz. Dat loon zal in
-verband staan met en evenredig zijn aan de werken, Mt. 16:27, 19:29,
-25:21, 23, Luk. 6:38, 19:17, 19, Rom. 2:6, 1 Cor. 3:8, 2 Cor. 4:17,
-5:10, 9:6, Gal. 6:8, 9, Hebr. 11:26, Op. 2:23, 11:18, 20:12, 22:12. De
-zaligheid is wel voor allen dezelfde, maar er is verschil in glans en
-heerlijkheid, Dan. 12:3, 1 Cor. 15:41; er zijn in het Vaderhuis, dat alle
-kinderen opneemt, vele woningen, Joh. 14:2; en de gemeenten ontvangen
-alle naar de mate van hare getrouwheid en toewijding, van den koning
-der kerk een eigen sieraad en kroon, Op. 1-3. De Roomschen hebben
-op deze uitspraken der Schrift de leer van de verdienstelijkheid der
-goede werken gebouwd, Trid. VI can. 31. 32, en het recht op bijzondere
-belooningen in den hemel, die naar Ex. 25:25 aureolae genoemd en aan
-de allen ten deel vallende corona aurea toegevoegd worden, vooral aan
-de martelaren, de coelibatairen en de leeraars toegekend, Thomas, S.
-Theol. III qu. 96. Bonaventura, Brevil. VII 7. Maar dit misbruik neemt
-de waarheid niet weg, dat er onderscheid in de heerlijkheid is naar
-gelang van de werken, die door de geloovigen hier op aarde verricht
-zijn. Er is geen loon, waarop de mensch van nature aanspraak zou kunnen
-maken, want de wet Gods is absoluut verplichtend en laat den eisch tot
-volbrenging niet afhangen van de vrije keuze van den mensch. Indien
-deze daarom de gansche wet heeft volbracht, past hem toch niets anders
-te zeggen, dan dat hij een onnutte dienstknecht is, die maar gedaan
-heeft wat hij schuldig was te doen, Luk. 17:10. Alle aanspraak op loon
-kan daarom alleen voortvloeien uit een verbond, uit eene vrijmachtige
-en genadige beschikking Gods, en is daarom een gegeven recht, deel II
-553. Zoo was het in het werkverbond en zoo is het nog veel meer in het
-genadeverbond, deel III 563. Want Christus heeft alles volbracht,
-niet alleen de straf geleden maar ook door het volbrengen der wet het
-eeuwige leven verworven. De eeuwige zaligheid en heerlijkheid, welke
-Hij ontving, was voor Hem het loon op zijne volmaakte gehoorzaamheid.
-Maar als Hij deze zijne gerechtigheid door het geloof den zijnen schenkt
-en daaraan het eeuwige leven verbindt, dan zijn beide, zoowel die
-geschonken gerechtigheid als de toekomstige zaligheid, gaven van zijne
-genade, welke alle verdienste van de zijde der geloovigen ten eenenmale
-uitsluit. De geloovigen zijn immers Gods maaksel, geschapen in Christus
-Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij in dezelve
-zouden wandelen, Ef. 2:10. Het wordt hun uit genade gegeven in de zaak
-van Christus, niet alleen in Hem te gelooven maar ook voor Hem te
-lijden, Phil. 1:29, Hd. 5:41. Niet alleen in de gave van het eeuwige
-leven aan een iegelijk, die gelooft, maar ook in de uitdeeling van eene
-verschillende mate van heerlijkheid aan wie uit dat geloof goede werken
-hebben voortgebracht, kroont God zijn eigen werk. Maar dat doet Hij dan
-ook, opdat er, gelijk hier, zoo hiernamaals in de gemeente eene rijke
-verscheidenheid zijn zou en in die verscheidenheid de heerlijkheid zijner
-deugden uitkomen zou. Door die verscheidenheid toch neemt het leven
-der gemeenschap met God, met de engelen, en van de zaligen onderling
-in diepte en in innigheid toe. In die gemeenschap heeft elk, gelijk in
-de gemeente hier op aarde, Rom. 12:4-8, 1 Cor. 12, in verband met zijn
-persoon en karakter, een eigen plaats en taak. Van de werkzaamheid
-der zaligen mogen wij ons geene zuivere voorstelling kunnen vormen,
-de Schrift leert toch, dat het profetisch, priesterlijk en koninklijk
-ambt, hetwelk de mensch oorspronkelijk bezat, in hen door Christus ten
-volle hersteld is. De dienst van God, de onderlinge gemeenschap en de
-bewoning van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde biedt ongetwijfeld
-voor de uitoefening van deze ambten overvloedige gelegenheid, ook al
-is de vorm en wijze ervan ons onbekend. Maar dat werken is een rusten
-en genieten tevens. Het onderscheid van dag en nacht, van sabbat en
-werkdagen heeft opgehouden; de tijd is doordrongen van de eeuwigheid
-Gods; de ruimte is vol van zijne tegenwoordigheid; het eeuwige worden
-is gehuwd met het onveranderlijke zijn. Zelfs de tegenstelling van
-hemel en aarde is verdwenen. Want al wat in den hemel en op aarde
-is, is tot één vergaderd onder Christus als Hoofd, Ef. 1:10. Alle
-schepselen zijn en leven en bewegen zich in God, die alles in allen is,
-die in den spiegel zijner werken al zijne deugden weerkaatst en daarin
-zichzelven verheerlijkt. Cf. over de hemelsche zaligheid: Augustinus,
-de civ. XXII c. 29. 30. Lombardus, Sent. IV dist. 49. Thomas, suppl.
-qu. 92-96. Bonaventura, Brevil. VII c. 7. Oswald, Eschat. 38-57.
-Atzberger, Die christl. Eschat. 238 f. Simar, Dogm. § 162. Jansen,
-Prael. III 903-946. O. Ritschl, Luthers Seligkeitsvorstellung in ihrer
-Entstehung und Bedeutung, Christl. Welt 1889 S. 874-880. Gerhard, Loc.
-XXXI. Quenstedt, Theol. I 550-560. Hollaz 451 sq. Polanus, Synt. VI c.
-72-75. Amyraldus, Theses Salm. III 859. Synopsis pur. theol., disp.
-52. Mastricht, Theol. VIII 4, 10. Turretinus, Theol. El. XX qu. 8-13.
-Marck, Exspect J. C. III c. 8. 10. 11. Moor VI 718-733. M. Vitringa IV
-179. Kliefoth, Eschat. 311 f. Titius, Die N. T. Lehre von der Seligkeit
-im Reiche Gottes und ihre Bedeutung für die Gegenwart 1895-1900.
-
-
-
-
-BREEDERE INHOUDSOPGAVE.
-
-
-EERSTE DEEL.
-
-INLEIDING.
-
-§ 1. _Naam en begrip der Dogmatiek_ bl. 1-9. Namen der dogmatiek n.
-1[A]. Het woord dogma 2. Gezag van het dogma 3. Materieele inhoud van
-het dogma 4. 5.
-
- [A] Deze cijfers duiden de nummers aan, waaronder de stof der
- verschillende paragrafen verdeeld is.]
-
-§ 2. _Encyclopaedische Plaats der Dogmatiek_ bl. 9-14. In de system.
-Theologie 1. Onderscheid der Dogmatiek van de Symboliek, Catechetiek 2
-en Ethiek 3.
-
-§ 3. _Methode der Dogmatiek_ bl. 14-31. Schrift, kerk en persoonlijke
-overtuiging als factoren, waarmede de Dogmatiek te rekenen heeft 1-3.
-Kritische richting, die de kennis put uit het subject 4. Kerkelijke, die
-de traditie onfeilbaar acht 5. Bijbelsche, die de Schrift raadpleegt
-buiten de historie om 6. Beteekenis der kerk en van hare belijdenis voor
-de Dogmatiek 7. Van de Schrift (en de openbaring Gods in de natuur,
-theol. naturalis) 8. Van de persoonlijke overtuiging 9.
-
-§ 4. _Indeeling der Dogmatiek_ bl. 31-51. Bij Clemens, Orig.,
-Theodoretus, Damascenus, Augustinus 1, Lombardus, Bonaventura, Thomas
-2, latere Roomsche theologen 3. Bij Melanchton, Calvijn 4, en latere
-Geref. en Luth. theologen 5. Reactie tegen de synthet. methode bij
-Calixtus, Coccejus 6, en nog sterker bij het Rationalisme 7, en is de
-nieuwe theologie 8. Indeeling in algemeen en bijzonder deel, en van dit
-laatste naar de synthetische orde 9. 10.
-
-§ 5. _Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek_ bl. 51-139.
-Wetenschappelijke theologie, die bij de Apost. vaders nog niet voorkomt
-1, wordt na de bestrijding van het geloof door Lucianus, Celsus,
-Porphyrius, Julianus, de Gnostieken ter zelfverdediging bij de
-Apologeten noodzakelijk 2, en gaat dan in de richting der N. Afr.,
-Klein-Az., of Alex. School uiteen 3, en krijgt in den twist tegen het
-monarchianisme in de 3e eeuw een vasten grondslag 4. Vaststelling en
-verdediging van het trinitarisch en christologisch dogma in het Oosten
-in de 4e tot de 8e eeuw 5. De dogmatische ontwikkeling loopt in het
-Oosten uit op Joh. Damascenus 6, en zet zich dan wel voort maar is voor
-een groot deel nog onbekend 7. De dogmatiek in het Westen draagt van
-den aanvang af, reeds bij Tert., Cypr., Iren., een eigen karakter, al is
-zij ook van het Oosten afhankelijk 8, en krijgt haar uitnemendsten tolk in
-Augustinus 9. Gregorius leidde kerk en theologie over naar de nieuwe
-volken, die eerst beide eenvoudig overnamen (Isidorus, Alcuinus) 10,
-maar dan zelfstandig werden en in de scholastiek een eigen theologie
-voortbrachten 11. De scholastiek verliep in drie perioden 12, en had
-de mystiek naast zich 13. In het laatst der M. E. kwam zij in verval
-en stond aan veel critiek bloot, maar zij herstelde zich na de Herv.
-weer 14, en kwam vooral in Spanje tot bloei 15. In de 18e eeuw kwam de
-Roomsche theologie onder invloed van het Rationalisme 16, en bleef daar
-ook nog ten deele onder in de 19e eeuw (Hermes, Günther); maar zij wist
-zich toch weer vrij te maken en trad als traditionalisme, romantisme,
-bemiddelingstheologie en vooral als Thomisme weer zelfstandig op
-17. De Luthersche Reformatie kreeg haar eersten dogmaticus in
-Melanchton en haar consensus in de Form. Conc. 18, werd in de 17e
-eeuw scholastisch ontwikkeld 19, maar in de 18e eeuw verzwakt door
-Pietisme, Hernhuttisme, Rationalisme 20, 21, en sloot zich in deze
-eeuw vooral bij de verschillende stelsels van wijsbegeerte aan, bij Kant
-22, Jacobi 23, Schleiermacher 24, Hegel 25, Schelling 26, of trad op
-als confessionalisme, Bijbelsche theologie 27, of neokantianisme 28. De
-Zwitsersche Reformatie, die principieel van de Duitsche verschilt 29,
-ontving haar dogmatisch systeem van Calvijn en vond ingang in Frankrijk,
-Nederland, Engeland, Schotland, Duitschland 30. Tegen het einde der
-16e eeuw kwam in de Geref. theologie de scholastische methode op, die
-haar in verschillende landen tot grooten bloei bracht 31, maar door
-Anab., Arm., Cartes., Coccejanisme 32, Amyraldisme, Independentisme,
-Baptisme, Kwakerisme, Deisme tot verval kwam 33. Tolerantie, neologie,
-supranaturalisme, neonomisme kwamen nu aan het woord 34. Maar tegenover
-de negatieve richtingen in ons vaderland van supranaturalisme,
-Groninger en moderne theologie kwam er eene herleving van de positieve
-theologie door Afscheiding en Reveil, Utrechtsche en ethisch-iren.
-richting en door het ontwakend Calvinisme 35, eene herleving, die ook
-elders voorkomt, maar gewoonlijk een minder beslist Geref. karakter
-draagt, Duitschland 35, Zwitserland en Frankrijk 36. Engeland en
-Schotland 37, Amerika 38, 39.
-
-HOOFDSTUK I. PRINCIPIA IN HET ALGEMEEN.
-
-§ 6. _Beteekenis der principia_ bl. 140-145. De naam ἀρχη, principium
-1. Principium essendi 2. Principium cognoscendi, externum en internum
-3. Eenheid en onderscheid dezer drie principia 4.
-
-§ 7. _Principia in de wetenschap_ bl. 145-170. Het _Rationalisme_,
-dat door heel de geschiedenis der philosophie heenloopt 1, leidt alle
-kennis af uit het subject 2, maar miskent het princ. cogn. externum en
-vervalt tot idealisme en illusionisme 3. Het _Empirisme_ zoekt de bron
-der kennis in de zinlijke waarneming 4, maar miskent het princ. cogn.
-internum en leidt tot materialisme 5. Daarentegen gaat het _Realisme_
-uit van de algemeene, natuurlijke zekerheid aangaande de objectiviteit
-en waarheid der kennis 6, erkent zoowel het princ. cogn. internum als
-externum 7, laat alle kennis aanvangen met de zinlijke waarneming 8,
-maar schrijft aan het verstand het vermogen toe, om uit de phaenomena
-tot de noumena door te dringen 9, omdat de rede in ons en de rede
-buiten ons saam haar oorsprong hebben in den Logos 10.
-
-§ 8. _Principia in de Religie_ bl. 171-214. Het _wezen_ der religie,
-wier naam van onzekere afleiding is 1, is volgens de H. S. als religio
-objectiva identisch met Gods openbaring en als religio subjectiva met
-de gezindheid, om in zijne wegen te wandelen 2. Deze onderscheiding
-is ter bepaling van het wezen der religie onmisbaar. Als religio
-objectiva bevatten alle godsdiensten de elementen van traditie, dogma,
-ethos, cultus 3. En als religio subjectiva zijn zij pietas, die cultus
-tot vrucht heeft 4. Deze religio subjectiva, die een habitus is, werd
-door de zonde bedorven, wordt door wedergeboorte vernieuwd, en bestaat
-volgens de H. S. in geloof 5, dat in een cultus naar Gods wil zich
-openbaart 6. De _zetel_ der religie is vooral onderzocht, sedert het
-wezen der religie, ten onrechte, alleen in de religio subjectiva werd
-gesteld 7, 8, is niet uitsluitend het verstand 9, want godsdienst en
-wetenschap zijn onderscheiden 10, noch ook de wil 11, want godsdienst
-en zedelijkheid zijn twee 12, noch ook het gevoel 13, want godsdienst
-is iets anders dan kunst 14, maar da gansche mensch, die God geheel
-en altijd en overal dienen moet 15. De _oorsprong_ der religie is
-niet vrees, priesterbedrog, onkunde, animisme enz., 16, noch ook de
-zucht, om zich tegenover de wereld te handhaven 16, 17. Historische en
-psychologische methode zijn tot verklaring van wezen en oorsprong der
-religie onvoldoende 18. Godsdienst is alleen verklaarbaar, wanneer het
-bestaan van God en de waarachtigheid zijner openbaring aangenomen wordt
-19.
-
-HOOFDSTUK II. PRINCIPIUM EXTERNUM.
-
-§ 9. _Algemeene Openbaring_ bl. 215-244. Openbaring is een religieus
-begrip, dat alleen in het theisme te handhaven is 1, en bestaat in
-het algemeen in eene daad Gods, waardoor Hij den mensch tot zichzelven
-in eene religieuse verhouding plaatst 2. De onderscheiding in
-natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring is reeds van de oudste
-kerkelijke schrijvers afkomstig, maar werd bij Rome tot eene rationeele
-tegenstelling 3, die door de Reformatie wel gewijzigd werd, maar toch
-in het Socinianisme enz. bleef voortleven en heel het begrip der
-openbaring ondermijnde 4. De Schrift maakt geen begripmatig onderscheid
-tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, wijl alle openbaring
-het persoonlijk, boven de natuur verheven bestaan Gods erkent, en alleen
-verschilt in de middelen, waardoor zij tot ons komt 5. Bovennatuurlijke
-openbaring is niet met onmiddellijke identisch, want alle openbaring
-geschiedt middellijk, maar verschilt van de natuurlijke in de wegen,
-waarlangs zij tot ons komt. Daarom verdient de onderscheiding van
-algemeene en bijzondere openbaring de voorkeur 6. De algemeene
-openbaring is onvoldoende, wijl zij niets bevat van Gods genade in
-Christus 7, maar is toch voor de Heidenwereld 8, 9, en ook voor de
-gemeente van groote waarde.
-
-§ 10. _Bijzondere Openbaring_ bl. 224-295. Gelijk alle godsdiensten,
-beroept het Christendom zich op eene bijzondere openbaring, φανερωσις,
-ἀποκαλυψις, die op drieërlei wijze geschiedt 1, door theophanie
-2, profetie (spreken Gods, lot, urim, droom, visioen, inwendige
-verlichting) 3, wonderen 4. De H. Schrift doet ons daarmede de
-bijzondere openbaring kennen, niet als loutere mededeeling van leer
-of als religieuse inspiratie of als instorting van nieuw leven of
-als bewustwording Gods in den menschelijken geest 5, maar als een
-systeem van woorden en daden Gods, die zich concentreeren in den
-persoon van Christus en na zijne verschijning en na de voltooiing der
-Schrift gewijzigd, in de bedeeling des H. Geestes zich voortzetten
-en voltooien. 6. In dezen rijken zin wordt zij echter miskend, zoowel
-door het abstracte supranaturalisme van Rome enz., 7, 8, als door
-het rationalistisch naturalisme 9, dat echter onvoldoende is ter
-verklaring van de openbaringsverschijnselen 10, en in een pantheistisch
-of materialistisch monisme zijn grond heeft 11. Maar dit monisme wordt
-door eene juiste natuurbeschouwing zoowel 11, als door de Schrift
-weersproken; in haar wereldbeschouwing neemt de bijzondere openbaring
-eene passende, harmonische plaats in 12.
-
-§ 11. _De Heilige Schrift_ bl. 295-362. De bijzondere openbaring, die
-historie is en als zoodanig voorbijgaat, wordt tot de menschheid en
-wereld uitgebreid, doordat zij in den vorm der Schrift optreedt 1. De
-Schrift is daarom niet al de openbaring noch ook slechts oorkonde
-der openbaring maar de laatste acte, de sluitsteen der openbaring 2.
-Want de openbaring valt in haar geheel in twee bedeelingen uiteen; de
-eerste brengt de vleeschwording van den Logos en de Schriftwording
-van zijn woord tot stand, de tweede past de schatten van Christus en
-van zijn getuigenis in de gemeente toe, die daarom met die Schrift
-steeds in levend, organisch verband staat 3. Van die Schrift is de
-Goddelijke ingeving steeds door de kerk beleden, van de oudste tijden
-af 4, door de scholastiek 5, door de Roomschen 6, de Hervormers 7,
-maar ook dikwerf van buitenaf bestreden en dan tot eene dualistische
-of dynamische inspiratie verzwakt of ook geheel ontkend 8. De Schrift
-leert echter duidelijk hare eigene inspiratie, zoowel in het Oude
-Test. 9, en in het N. T. aangaande het O. T. 10, als ook in het N. T.
-aangaande zichzelf 11 en geeft zich daarom uit voor het Woord Gods
-12. Dit zelfgetuigenis der Schrift is onwraakbaar 13, onderscheidt de
-inspiratie, waardoor de Schrift ontstond, van alle andere, geniale
-inspiratie, van Gods immanente werkzaamheid in de wereld, van revelatie
-en van wedergeboorte, al staat ze ook met al deze in verband 14. Zij is
-een spreken Gods door middel van profeten en apostelen, echter niet
-in mechanischen maar in organischen zin 15, en niet tot bezieling der
-personen of tot ingeving van hoofdzaken te beperken 16. De bezwaren,
-tegen deze inspiratie ingebracht, staan zonder twijfel voor een deel
-in verband met de vijandschap van het menschelijk hart 17, en worden
-anderdeels verminderd door eene organische opvatting 18, en door eene
-duidelijke omschrijving van het doel, waartoe de Schrift gegeven is 19.
-
-§ 12. _Eigenschappen der Schrift_ bl. 363-415. De leer der
-eigenschappen van de Schrift ontwikkelde zich in den strijd tegen Rome,
-dat de verhouding van Schrift en kerk gansch anders dan de Hervorming
-bepaalt 1, 2. Het _gezag_ der Schrift rust bij Rome op de kerk 3,
-en volgens de Reformatie, zonder miskenning van de paedagogische
-beteekenis der kerk, op de Schrift zelve 4. Hoewel bij dat gezag de
-auctoritas historiae et normae te onderscheiden is 5, is zijn Goddelijk
-karakter toch niet voor een menschelijk, historisch, zedelijk gezag in
-te ruilen 6. Want in de religie is een Goddelijk gezag, dat echter
-heel iets anders is dan geweld, onmisbaar 7. De _noodzakelijkheid_ der
-Schrift wordt door Rome, door vele mystieke richtingen 8, en ook door
-Schleiermacher ontkend 9, maar staat toch vast, wijl de kerk altijd
-rustte op een ongeschreven of geschreven Woord Gods 10, zonder zulk een
-woord tot dwaling en leugen vervalt 11, en daaraan in deze bedeeling
-steeds behoefte blijft houden 12. De _duidelijkheid_ der Schrift wordt
-eveneens door Rome ten bate der kerk verworpen 13, maar is, goed
-opgevat, op de Schrift zelve gegrond, door de oude kerk algemeen
-erkend 14, en ter handhaving van de vrijheid des Christens 15, en van
-de facultas S. Scr. se ipsam interpretandi van de grootste beteekenis
-16. De _genoegzaamheid_ der Schrift eindelijk, door Rome ten gunste der
-traditie bestreden 17, die echter ten slotte geen ander kenmerk voor
-hare waarheid behoudt dan de pauselijke uitspraak 19, en de Schrift aan
-de kerk, dat is aan den paus onderwerpt 19, werd door de Hervorming
-wederom tegenover de traditie gehandhaafd 20, wijl zij door de Schrift
-zelve geleerd wordt en met den aard der tegenwoordige bedeeling
-overeenkomt 21, zonder dat daarmee het betrekkelijk recht der traditie
-wordt ontkend 22.
-
-HOOFDSTUK III. PRINCIPIUM INTERNUM.
-
-§ 13. _Beteekenis van het principium internum_ bl. 416-421. Aan het
-objectief principe moet een subjectief beantwoorden, dat bij ieder van
-kindsbeen af in overeenstemming met den godsdienst, waarin hij geboren
-is, een bepaalden vorm aanneemt 1, en in zijn diepsten grond schier
-aan alle onderzoek zich onttrekt 2. Daarom worden voor het geloof
-ook vele en verschillende gronden genoemd (historisch-apologetische,
-speculatieve, ethisch-practische), die echter de zelfstandigheid der
-religie en het werk des Geestes miskennen 3.
-
-§ 14. _De historisch-apologetische methode_ bl. 423-431 werd vooral
-door Rome 1, en door verschillende supranaturalistische richtingen
-toegepast 2, maar is, schoon eene geloovige apologetiek recht van
-bestaan heeft, theoretisch en practisch onhoudbaar 3.
-
-§ 15. _De speculatieve methode_ bl. 431-444, door Hegel 1, door de
-Vermittlungstheologie 2, en in gewijzigden vorm door Hofmann en Frank
-gevolgd 3, bood wel belangrijke voordeelen boven de apologethische, maar
-verviel in de dwaling der oude gnostiek en offerde het zijn aan het
-denken, de historie aan de idee op 4. Ook de poging van Frank, om de
-objectieve waarheid der dogmata uit de subjectieve zekerheid van den
-Christen af te leiden, is niet geslaagd 5, en berust op eene onjuiste
-Erkenntnistheorie 6.
-
-§ 16. _De ethisch-psychologische methode_ bl. 444-465, schoon van ouds
-gebruikelijk, kwam in eere door Pascal en Vinet 1. Zij is verwant aan het
-moreele bewijs van Kant 2, en vindt in dezen vorm bij velen hier te lande
-3, en vooral ook bij Ritschl en Lipsius c. s. steun 4, 5. Maar, ofschoon
-religie het element van den troost niet missen kan, ervaring des harten
-kan 6, evenmin als religieuse waardeering, bewijs voor de waarheid der
-religie zijn 7, en leidt bovendien tot een onhoudbaar dualisme tusschen
-gelooven en weten 8.
-
-§ 17. _Het geloof_ bl. 465-484. Wijl het principium internum aan het
-princ. ext. beantwoorden moet, kan het niet liggen in den natuurlijken,
-maar alleen in den door Gods Geest verlichten mensch, zoodat de
-dogmaticus daarmede een subjectief standpunt inneemt 1. De Schrift
-noemt als dit princ. internum het geloof, dat een acte van het
-bewustzijn is, verwant aan het geloof op natuurlijk terrein 2, maar
-daarvan toch wel te onderscheiden 3, en ook niet met nudus assensus te
-vereenzelvigen 4. Dat geloof brengt eene eigen zekerheid mede 5, die
-naast de wetenschappelijke en moreele zekerheid recht van bestaan heeft
-6.
-
-§ 18. _De grond des geloofs_ bl. 484-509. Wijl dit geloof door geen
-bewijzen of redeneeringen, maar alleen door Gods genade gewerkt kan
-worden 1, neemt Rome daarmede in beginsel hetzelfde subjectieve
-standpunt in als de Hervorming 2. Het testimonium Sp. S. is de laatste
-grond des geloofs, gelijk de Hervorming, inzonderheid Calvijn, erkende
-maar het rationalisme ten onrechte bestreed 3. Want het komt overeen
-met het getuigenis, dat onze geest in het algemeen aan de waarheid
-geeft 4, beantwoordt aan de bijzondere openbaring in Christus en
-handhaaft hare autopistie 5. Het sluit voorts het argumenteeren niet
-uit, is sterk als getuigenis der gansche Christenheid, onderstelt de
-wedergeboorte en komt daaruit op spontaan en vrij 6. Ook heeft het niet
-eenzijdig betrekking op de autoriteit der H. S., maar staat met heel het
-geloofsleven in verband, verzekert subjectief van al de waarheid Gods
-en daarin ook van de divinitas der H. S. 7, en wordt door de onderlinge
-verschillen der Christenen niet van zijne waarheid beroofd 8.
-
-§ 19. _Geloof en Theologie_ bl. 509-532. Ofschoon in het geloof
-zeker van de waarheid, streefde de christelijke kerk toch altijd,
-niettegenstaande alle bestrijding, naar eene wetenschappelijke theologie
-1, die dan ook, in weerwil van haar vele afdwalingen, recht van bestaan
-heeft en zonder welke de openbaring, de religie, de dogmenhistorie, de
-kerk gevaar loopen van miskenning 2. Deze theologie is een vrucht van
-het denkend bewustzijn der gemeente en heeft de hulp der philosophie
-van noode 3. Geloof is daarom van theologie onderscheiden, gelijk ook
-vroeger blijkens de leer van de fides implicita 4, de onderscheiding
-van theologia infusa en acquisita en die tusschen fundamenteele en
-nietfundamenteele artikelen aangenomen werd 5. Maar beider verwantschap
-is even groot als hun verschil 6. En wijl de theologie niet in het
-geloof als zoodanig maar in het geloovig denken haar oorsprong heeft,
-is ter harer beoefening de ontwikkelde rede en dus de philosophie
-onmisbaar 7, al is het ook, dat de kennis, welke de theologie
-verschaft, nooit een begrijpen wordt en in bewondering van het mysterie
-eindigt 8.
-
-
-TWEEDE DEEL.
-
-HOOFDSTUK IV. OVER GOD.
-
-§ 20. _De onbegrijpelijkheid Gods_ bl. 1-24. De dogmatiek leeft in
-het mysterie, want zij heeft altijd te doen met God, die volgens de
-H. S. onbegrijpelijk en zelfs met geen naam te noemen is 1. Deze
-onbegrijpelijkheid Gods is ook buiten het terrein der bijz. openbaring
-erkend 2, in de christ. theol. van de kerkvaders 3, 4, van de
-scholastici 5, van de reformatoren opgenomen 6, en in de nieuwere
-philosophie vervangen door de volstrekte onkenbaarheid Gods 7, 8. De
-gronden, welke dit agnosticisme aanvoert 9, zijn, al is er zeer zeker
-geen adaequate kennis van God, niet houdbaar, wijl het agnosticisme
-alle spreken bij ons over God en alle openbaring van Gods zijde aan ons
-onmogelijk zou maken 10. De loochening van de kenbaarheid Gods sluit in,
-dat God zich niet heeft willen en niet heeft kunnen openbaren, en dat
-wij ook zelfs den grond missen, om zijn bestaan aan te nemen 11.
-
-§ 21. _De kenbaarheid Gods_ (_cognitio Dei insita_) bl. 24-44. God is
-kenbaar, voorzoover Hij zich openbaart. En dat Hij zich openbaart, staat
-vast volgens Schrift en natuur en wordt door alle menschen bevestigd;
-atheisten zijn er schier niet 1. De natuurlijkheid, algemeenheid en
-noodzakelijkheid der Godskennis hebben velen geleid tot het geloof aan
-aangeboren begrippen 2, 3. Maar de christ. theol. verwierp deze leer,
-niet alleen patres en scholastici 4, maar ook Luth. en Geref. 5, wijl
-zij tot rationalisme of mysticisme voerde 6. Doch daarmede werd niet
-ontkend, dat de mensch de potentia en inclinatio meebrengt, om vanzelf,
-zonder wetenschappelijke redeneering tot eenige kennisse Gods te komen 7.
-
-§ 22. _De kenbaarheid Gods_ (_cognitio Dei acquisita_) bl. 44-62.
-De cognitio Dei insita wordt vermeerderd door de langs den weg van
-nadenken en redeneering verkregen cognitio Dei acquisita 1. Beide
-behooren tot de theologia naturalis, die geen product is van de
-menschelijke rede maar in de Schrift is opgenomen en door den geloovige
-uit de natuur wordt afgeleid 2. De H. S. bewijst Gods bestaan niet
-maar getuigt ervan 3. De zoogen. bewijzen voor Gods bestaan, deels
-over-, deels onderschat 4, n.l. het ontologisch 5, kosmologisch 6,
-teleologisch 7, en moreel bewijs 8, heeten ten onrechte bewijzen maar zijn
-signa en testimonia, dat God zich niet onbetuigd laat aan den mensch 9.
-
-§ 23. _De Namen Gods_ bl. 62-78. Al wat van God door zijne openbaring
-kenbaar wordt, vat de H. S. saam onder de namen, waarmede God, op grond
-van zijne openbaring (nomen editum), genoemd wordt (nomen inditum) 1. Al
-die namen zijn anthropomorphistisch 2, en naar de analogie in schepselen
-gevormd 3, maar dit terecht, wijl God zelf in en door de schepselen zich
-openbaart en op geen andere wijze noembaar is 4. Zij geven daarom wel
-geen adaequate doch ook geen onware 5, maar eene ectypische, analoge
-kennis van God 6.
-
-§ 24. _Indeeling der namen Gods_ bl. 78-102. De H. S. eert gelijkelijk
-alle deugden Gods en kent de onderscheiding niet tusschen wezen
-en eigenschappen 1, die later in de theologie opkwam en het wezen
-Gods deed omschrijven als het Absolute of als Souverein of als Vader
-enz., 2-4, en de eigenschappen daarvan afzonderde 5. Maar er is
-bij God geen onderscheid tusschen wezen en eigenschappen 6, al zijn
-ook de eigenschappen onderling verschillend ratione ratiocinata 7.
-De eigenschappen werden op velerlei wijze ingedeeld 8, maar al die
-indeelingen komen zakelijk overeen en worden door dezelfde bezwaren
-gedrukt, zoodat eene goede indeeling moeilijk te vinden is 9.
-
-§ 25. _De eigennamen Gods_ bl. 102-115, in ruimer zin zoo genomen, zijn
-die, waarmede God benoemd en aangesproken wordt, zooals θεος, deus, God
-1, in de H. S., El, Elohim, Eljon, Adonai 2, El Schaddai, Ihvh 3, Ihvh
-Zebaoth 4, κυριος, πατηρ, Vader, Zoon en H. Geest 5.
-
-§ 26. _De wezensnamen Gods_ bl. 115-227, welke vóór de leer der
-triniteit dienen behandeld te worden, bevatten eerst die, waarmede
-God als de _Zijnde_ in volstrekten zin wordt aangeduid, n.l. de
-onafhankelijkheid 1, de onveranderlijkheid 2, de oneindigheid, welke
-weder insluit de eeuwigheid 3, en de alomtegenwoordigheid 4. Vervolgens
-zijn er namen, die ons God doen kennen als den Levende, als _Geest_,
-n.l. de eenvoudigheid 5, de geestelijkheid 6, de onzienlijkheid 7.
-Verder zijn er namen, die het Goddelijk wezen omschrijven als volkomen
-zichzelf bewust, als _Licht_, n.l. kennis van zichzelven en van de
-wereld (waarbij de praescientia en de scientia media ter sprake komt)
-8, wijsheid (ideeën in God) 9, waarachtigheid 10. Voorts zijn er namen,
-die ons wijzen op de ethische natuur van Gods wezen en Hem doen kennen
-als den _Heilige_, n.l. goedheid (goedertierenheid, barmhartigheid,
-lankmoedigheid, genade, liefde) 11, heiligheid 12, heerlijkheid 13,
-gerechtigheid 14. En eindelijk zijn er namen, waarin God ons tegemoet
-treedt als de absolute macht, als _Souverein_, n.l. de wil, die als
-propensio Dei in se ipsum (necessaria) en als propensio in creaturas
-(libera) onderscheiden wordt 15, in laatstgenoemden zin wel als vrij
-maar niet als pure willekeur te denken is 16, voorts in voluntas
-beneplaciti en signi uiteenvalt 17, en eindelijk als almacht te eeren is
-18.
-
-§ 27. _De personeele namen Gods_ bl. 227-312 doen ons in het ééne
-Goddelijke wezen de zelfonderscheidingen kennen, welke reeds in het
-O. T. (Elohim of Ihvh brengt alles tot stand door Woord en Geest)
-voorkomen 1, maar, vooral ook in tegenstelling met de dwaalleer der
-tusschenwezens in de Joodsche philosophie 2, 3, in het N. Test. veel
-helderder worden geopenbaard. Het N. Test. leert niet alleen, dat alles
-in natuur en genade tot stand komt door Vader, Zoon en Geest 4, maar
-doet ons ook iets kennen van de relatiën tusschen deze drie personen,
-als het den Vader in metaph. zin den Vader van Christus 5, Christus in
-specialen zin het Woord, den Zoon, het Beeld Gods 6, en den Geest in
-bijzonderen zin Geest des Vaders en des Zoons noemt 7. Deze gegevens der
-H. S. leidden de kerk tot de belijdenis van de triniteit, een leerstuk,
-dat in den eersten tijd door Justinus, Irenaeus, Tertullianus, Origenes
-ontwikkeld 8, vervolgens vooral door Athanasius 9 en Augustinus
-uitgewerkt en verdedigd werd 10, maar door Arianisme en Sabellianisme
-11, en de daarbij zich aansluitende richtingen sterk bestreden werd
-12, 13. De termen, die bij dit dogma gebruikelijk zijn, wezen, personen,
-drieëenheid enz., zijn wel niet uit de Schrift genomen maar zijn daarom
-niet ongeoorloofd 14. Het woord wezen duidt de Godheid, de Goddelijke
-natuur aan, gelijk die in de personen bestaat 15. Personen heeten de
-drie zelfstandige modi subsistendi in het ééne Goddelijk wezen 16, die
-van dat wezen niet re maar toch realiter verschillen en onderling
-onderscheiden zijn in namen, personeele eigenschappen en wijze van werken
-17. De eerste persoon heeft als personeele eigenschap de paternitas
-18. De tweede persoon is de Zoon, die door geestelijke, eenvoudige,
-eeuwige generatie uit het wezen des Vaders is gegenereerd 19. De derde
-persoon is de Geest, wiens persoonlijkheid en Godheid, schoon in de kerk
-later erkend dan die des Zoons, voor leer en leven van het hoogste
-belang is 20, en wiens personeele eigenschap de εκπορευσις is, niet
-alleen uit den Vader 21, maar ook uit den Zoon, Filioque 22. Deze
-ontologische triniteit spiegelt zich af in de oeconomische, welke met
-de eenheid ook het onderscheid der drie personen in de openbaring doet
-uitkomen 23, maar zij is, schoon het zeer veel beproefd is, moeilijk door
-beelden op te helderen of door redeneeringen te bewijzen 24. Toch is zij
-voor de leer van God, van schepping en herschepping, ja voor heel de
-christelijke religie van de grootste beteekenis 25.
-
-§ 28. _De Raad Gods_ bl. 313-385, die, als omvattend de opera
-essentialia ad intra, het verband aanwijst tusschen God en zijne werken
-(opera ad extra), komt in het O. T. vooral voor als feit in de
-historie 1, en blijkt in het N. T. duidelijk te zijn eeuwig, persoonlijk
-en betrekking hebbende op de bestemming hiernamaals 2. Maar in de
-christ. kerk werd de leer der praedestinatie door de Grieksche kerk,
-door Pelagianisme, Semipelagianisme 3, door de Roomsche kerk 4, en
-zelfs door de Lutherschen verzwakt 5, terwijl de Gereformeerden haar
-wel handhaafden, maar over de methode van behandeling 6, en over de
-infral. of supral. orde der decreten verschilden 7, en vele anderen,
-Socin., Remonstr. enz., ze ontkenden of in een wijsgeerig determinisme
-omzetten of in pelag. of semipel. zin wijzigden 8. Nu is Gods raad niets
-anders dan zijn eenvoudig en eeuwig besluit over al wat in den tijd zijn
-of geschieden zal 9, allereerst omvattend de providentia in den zin
-van ratio ordinis rerum 10, en vervolgens de praedestinatio, die
-door het Pelag. voor de praescientia ingeruild 11, en vooral op drie
-punten bestreden wordt 12. Onder de Geref. was er verschil over hare
-infral. of supral. orde 13, die beide iets voor en iets tegen hebben
-14 en geen van beide de ware oplossing bieden 15. De reprobatio, die
-in de H. S. herhaaldelijk voorkomt, behoort in zekeren zin beslist tot
-de praedestinatie 16, maar behoort er toch in een anderen zin toe dan
-de electie 17, in welke de praedestinatie haar einde bereikt en tot
-haar volle realiteit komt 18, want de verkiezing heeft Christus en zijne
-gemeente tot voorwerp en de eere Gods in de redding van de gevallen
-wereld tot doel 19.
-
-HOOFDSTUK V. OVER DE WERELD IN HAAR OORSPRONKELIJKEN STAAT.
-
-§ 29. _De Schepping_ bl. 386-424 is het begin der uitvoering van Gods
-raad. Haar leer neemt in de H. S. eene breede plaats in 1, en is alleen
-te verstaan door het geloof, zoodat de Heidenen haar niet kenden en
-de philosophie haar gewoonlijk verwierp, om de wereld pantheistisch of
-materialistisch te verklaren 2. Pantheisme en materialisme zijn echter
-beide onbekwaam, om ons den oorsprong der dingen te doen kennen 3. De
-christelijke kerk hield zich dan ook aan de leer der H. S. 4, en leerde
-eene schepping uit niets 5, welke door God drieëenig, Vader, Zoon en
-Geest, tot stand was gebracht 6, en bepaaldelijk den Zoon tot Middelaar
-heeft 7. Zij had niet plaats in, maar viel saam met de schepping van
-den tijd 8, en had haar oorzaak niet in Gods overvloeiende volheid van
-zijn noch in zijne armoede en behoefte 9, maar in Gods wil, die daarbij
-de heerlijkheid van zijn naam beoogt 10. Als product van Gods wil, is de
-wereld één geheel, dat de grootste verscheidenheid in zich bevat.
-
-§ 30. _De geestelijke wereld_ bl. 424-456 omvat de wezens, die
-gewoonlijk den naam van engelen dragen. Hun bestaan wordt schier in
-alle godsdiensten aangenomen, maar is toch ook menigmaal verworpen
-1; wijsgeerig en historisch onbewijsbaar, is het voor de religie,
-schoon geen centraal dogma, toch van belang 2. De Schrift heeft
-voor hen niet één gemeenschappelijken naam, maar noemt verschillende
-klassen 3. Zij zijn echter daarin toch één, dat zij allen geschapene
-4, geestelijke, onlichamelijke 5, redelijke 6, zedelijke wezens zijn 7,
-wezenlijk onderscheiden van den mensen, die beeld Gods is 8, tot een
-buitengewonen en gewonen dienst in het koninkrijk der hemelen geroepen,
-die echter geen personeele bescherming en voorbede insluit 9, en op
-geen godsdienstige vereering aanspraak geeft 10.
-
-§ 31. _De stoffelijke wereld_ bl. 456-489 blijft in haar oorsprong
-buiten de H. S. onverklaard 1, maar ontstaat volgens Gen. 1:1 door
-schepping uit niets (creatio prima) en wordt in de zes dagen toebereid
-(creatio secunda) 2, waarbij eene bepaalde orde valt op te merken 3. Dit
-hexaemeron werd in de christ. theologie dikwerf uitvoerig behandeld
-en zonder bezwaar naar de heerschende wereldbeschouwing (ptolem.
-kopernik.) gewijzigd 4. Maar de hypothese van Kant en Laplace 5, alsmede
-die van de op de aardlagen gebouwde ontwikkelingsperioden der aarde zijn
-met de Schrift moeilijk overeen te brengen 6. De pogingen tot verzoening
-kunnen niet geslaagd heeten 7, al bevatten zij ook goede elementen
-8. Maar eene juiste opvatting van het scheppingsverhaal 9, en eene
-zuivere schifting tusschen het zekere en het onzekere in de geologische
-wetenschap brengen toch eene voorloopige overeenstemming 10.
-
-§ 32. _De oorsprong van den mensch_ bl. 490-507 is in het eerste en
-tweede scheppingsverhaal verschillend beschreven maar volgens beide
-verhalen aan Gods scheppende almacht te danken 1. De christ. kerk hield
-dezen goddelijken oorsprong van den mensch tegen alle materialistische,
-evolutionistische verklaring in vroeger en later tijd vast 2, en vond
-daarin ook bij vele mannen van wetenschap, die het darwinisme bestreden,
-steun 3. En voorts is tusschen de H. S. en de hedendaagsche wetenschap
-niet alleen de oorsprong van den mensch in geschil, maar ook de
-ouderdom 4, de eenheid 5, en de bakermat der menschheid 6.
-
-§ 33. _Het wezen van den mensch_ bl. 508-545 ligt volgens de H. S.
-daarin, dat hij beeld Gods is 1. De inhoud van dit beeld werd in de
-christ. kerk verschillend opgevat. Vooral kwamen er allengs twee
-opvattingen tegenover elkander te staan, de naturalistische 2, die
-door historie, Schrift en gezonde redeneering gelijkelijk weersproken
-wordt 3, en de supranaturalistische, die in de Roomsche leer van het
-donum superadditum tot ontwikkeling kwam 4, maar op eene valsche
-conceptie van den mensch en van zijne bestemming berust 5. De Hervorming
-leerde daarom, dat het beeld Gods wezenlijk eigen was aan den mensch
-6, niet als eene substantie, maar als eene bij het wezen des menschen
-behoorende qualiteit 7. De gansche mensch is toch beeld Gods, gelijk
-de Gereformeerden met hun onderscheiding van beeld Gods in ruimer en
-enger zin tegen de Lutherschen erkenden, naar ziel en geest, die geen
-twee substantiën zijn, en naar al hun vermogens 8, naar de deugden van
-kennis, gerechtigheid en heiligheid (justitia originalis) en zelfs
-in zekeren zin naar het lichaam 9. De menschelijke natuur is onder de
-werken der schepping de hoogste openbaring Gods 10.
-
-§ 34. _De bestemming van den mensch_ bl. 545-571. Adam, schoon Gods
-beeld, had volgens de H. S. terstond het hoogste nog niet en werd
-daarom in het verbond der werken geplaatst 1. De christ. theologie
-heeft deze waarheid niet ten volle erkend en Adams toestand beurtelings
-te laag of te hoog geschat. Maar de Geref. hebben haar in de leer van
-het foedus operum opgenomen 2, eene leer, die, schoon al te schoolsch
-ontwikkeld, toch eene diepe gedachte bevat, wijl zij de religie als
-gemeenschap met God handhaaft 3, met Adams staat vóór den val ten volle
-rekening houdt 4, den rijkdom van het beeld Gods eerst in het menschelijk
-geslacht zich ontvouwen laat 5, en daarom ook verklaart, waarom
-Roomschen en Gereformeerden, in onderscheiding van de Lutherschen, over
-het algemeen aanhangers van het creatianisme waren 6, 7.
-
-
-DERDE DEEL.
-
-HOOFDSTUK VI. OVER DE WERELD IN HAAR GEVALLEN STAAT.
-
-§ 35. _De voorzienigheid_ bl. 1-34. Het werk der schepping gaat in het
-werk der voorzienigheid over, dat in de H. S. duidelijk geleerd wordt
-maar ook ten deele uit de natuur bekend is 1. Toch is de christ. leer
-der voorzienigheid eene andere dan die der wijsbegeerte, al ontleende
-zij daaraan ook den in de H. S. niet gebruikelijken naam. Want de
-providentia, als executio ordinis van de bij den raad Gods behoorende
-ratio ordinis wel te onderscheiden, is geen nuda praescientia maar
-eene almachtige en alomtegenwoordige daad Gods 2, die noodlot en
-toeval, pantheisme en deisme beide vermijdt 3, als onderhouding zoowel
-het verband met als het onderscheid van de schepping handhaaft 4, als
-medewerking de eigen natuur der schepselen met hare causae secundae
-juist door hunne volstrekte afhankelijkheid van God waarborgt 5, en als
-regeering heel de schepping, ook door den val in zonde heen, heenleidt
-tot het door God vastgestelde einde 6.
-
-§ 36. _De oorsprong der zonde_ bl. 34-72 ligt volgens de H. S.
-niet in God, al schiep Hij ook de mogelijkheid der zonde, maar in
-vrijwillige overtreding van Gods gebod, waartoe de mensch wederom door
-den gevallen engel verleid werd 1. Ofschoon zulk een val buiten de
-bijzondere openbaring niet geheel onbekend is, heeft men de zonde toch
-gewoonlijk anders trachten te verklaren, hetzij deistisch uit den altijd
-vrij en onschuldig blijvenden wil, zooals ook Pelagius deed 2, 3, of
-pantheistisch uit de natuur der dingen, en wel uit de zinlijkheid van
-den mensch, of uit den kosmos, of uit God 4. Al deze verklaringen
-echter zijn onbevredigend, zoowel die uit den altijd vrijen wil en uit
-de zinlijkheid 5, als die uit de wereld en uit God 6. Wel gaat Gods
-voorzienigheid ook over de zonde, en niet met eene nuda doch met eene
-efficax permissio. Maar de zonde, waarbij de materia en de forma wel
-te onderscheiden zijn, heeft toch in God niet haar causa efficiens 7.
-Hij wilde, dat zij zijn zou, maar Hij wilde ze niet als zonde en niet op
-dezelfde wijze, als Hij het goede wil en als menschen haar willen 8. De
-oorsprong der zonde ligt in den wil van het schepsel, dat veranderlijk
-goed en met de mogelijkheid, om te zondigen, geschapen was en die
-mogelijkheid op onbegrijpelijke wijze in werkelijkheid deed overgaan 9. Deze
-val was niet eeuwig en had ook niet in het moment der schepping maar,
-hetzij langer of korter tijd na de schepping, eerst bij de engelen en
-daarna bij de menschen plaats 10.
-
-§ 37. _Het wezen der zonde_ bl. 72-104. Do eerste zonde sloot reeds
-alle andere in zich en maakte haar waren aard openbaar 1, die volgens
-de namen en de beschrijving van de zonde in de H. S. in ἀνομια bestaat
-en dus haar maatstaf heeft in Gods wet 2. Dienovereenkomstig vatte de
-christ. kerk de zonde, tegen alle richtingen die in haar een substantie
-of een noodzakelijk, voorbijgaand ontwikkelingsmoment zagen, als eene
-privatio op 3, die daarom alleen aan het goede kan bestaan, als eene
-deformitas te beschouwen is en den wil tot haar eigenlijk subject heeft
-4. Ofschoon één in wezen, zijn de zonden toch in graad onderscheiden.
-Er zijn duivelsche en menschelijke zonden 5, en de laatste verschillen
-weer, naarmate zij met meer of minder kennis en opzet, tegen God of
-den mensch, in verzwarende of verzachtende omstandigheden gepleegd
-zijn. Daarom zijn ze ook verschillend in te deelen, maar de Roomsche
-onderscheiding in peccata mortalia en venialia is te verwerpen 6, en de
-lastering tegen den H. Geest draagt een bijzonder karakter 7.
-
-§ 38. _De verbreiding der zonde_ bl. 104-154. Schrift en ervaring
-leeren beide, dat de zonde gansch algemeen is, en dus over alle
-menschen en in den enkelen mensch over zijn gansche wezen zich
-uitbreidt, en dat krachtens hun afstamming uit den eersten mensch
-1. De christ. kerk bouwde daarop de leer der erfzonde, die door het
-Pelagianisme wel geloochend 2, en door het Semipelagianisme verzwakt
-werd 3, maar vooral door Augustinus ontwikkeld en verdedigd, en, na
-miskenning door Rome 4, door de Reformatie weder opgenomen werd 5. Tot
-recht verstand is de erfzonde te onderscheiden in peccatum originans en
-peccatum originatum; de eerste is de toerekening van Adams zonde aan
-al zijne nakomelingen op grond niet alleen van hun physische maar ook
-van hun foederale eenheid 6. De tweede is een gevolg en in zekeren zin
-een straf der eerste, bestaande in algeheele zedelijke verdorvenheid 7,
-die niet door imitatie maar door generatie, gelijk ook de nieuwere leer
-der herediteit tot op zekere hoogte erkent, het deel van alle menschen
-wordt 8, ook van Maria doch niet van Christus 9, en in den enkelen
-mensch ziel en geest en lichaam en alle vermogens en krachten heeft
-aangetast en hem onbekwaam maakt tot alle geestelijk goed 10.
-
-§ 39. _De straf der zonde_ bl. 155-186. De straf, welke door God op de
-eerste zonde gedreigd werd, is door tusschenkomende genade uitgesteld
-en gewijzigd. Maar toch wordt zij, ook reeds op aarde, ten deele
-voltrokken, tot herstel en handhaving van het recht Gods 1, en bestaat
-altijd in zeker lijden, dat den overtreder toegevoegd wordt en hem buigen
-doet onder het recht 2. Zij omvat schuld, d. i. verbintenis tot straf
-3, smet, d. i. zedelijke verdorvenheid 4, lijden naar lichaam en ziel 5,
-dood, d. i. scheiding van ziel en lichaam 6, en heerschappij van Satan 7.
-
-HOOFDSTUK VII OVER CHRISTUS.
-
-§ 40. _Het verbond der genade_ bl. 187-228. De genade neemt terstond
-na den val een aanvang, mengt zich zelfs in de straf over de zonde,
-en krijgt terstond het karakter van een verbond 1, dat dan later meer
-formeel bij Noach, Abraham en Israel aan den Sinai opgericht wordt en
-allengs steeds duidelijker als eene Goddelijke beschikking, als eene
-διαθηκη, aan het licht treedt 2. Deze bondsidee ging uit de Schrift
-in de theologie over en werd daar, ter handhaving van de eenheid
-en het onderscheid tusschen Oud en Nieuw Testament, eerst tegen
-Gnosticisme en Judaisme 3, en later, vooral door de Gereformeerden,
-tegen het Anabaptisme verdedigd en tot rijkere ontwikkeling gebracht
-4. Voor kerk en theologie heeft deze leer van het genadeverbond dan
-ook de grootste beteekenis. Het rust op het pactum salutis 5, het
-staat in verband met het foedus gratiae in ruimer zin, dat met heel
-de gevallen wereld opgericht is 6, het handhaaft de eenheid en het
-onderscheid in de bedeeling der genade onder Oud en Nieuw Test. 7, het
-is louter genade en ligt vast in God alleen, zoodat het, schoon het
-verbroken werkverbond in zich opnemend, toch daarvan onderscheiden is
-en ook niet met het pactum salutis identisch is 8, het handhaaft Gods
-souvereiniteit in het werk der verlossing en doet tevens, ofschoon geen
-eischen in eigenlijken zin kennende, de redelijke en zedelijke natuur des
-menschen tot haar recht komen; en laat eindelijk de verkiezing zich
-realiseeren door de geslachten, door het organisme der menschheid heen
-9.
-
-§ 41. _De persoon des Middelaars_ bl. 228-302. Het verbond der genade
-heeft in Christus een middelaar der verzoening, die zelf door zijn Geest
-in Israel met zijne instellingen en ambten, van zijn eigen persoon en
-werk vooraf getuigen liet 1, en dan in de volheid des tijds op aarde
-verscheen, het koninkrijk der hemelen stichtte en als Zoon Gods en
-Zoon des menschen, beide in geheel eenigen zin, zich openbaarde 2.
-De gegevens der Schrift verzamelend en Ebionitisme en Gnosticisme
-tegelijk vermijdend, kwam de christ. kerk weldra tot de belijdenis der
-persoonlijke eenheid van de twee naturen in Christus 3, welke echter
-in de Grieksche en Roomsche, in de Luthersche en Gereformeerde weder
-verschillend opgevat 4, en door allerlei richtingen rechts en links,
-vooral ook in de nieuwere theologie (Kant, Schleiermacher, Ritschl
-c. s.) bestreden werd 5. Dit verwondert niet, omdat de persoon van
-Christus, wel niet uitgangspunt maar toch middelpunt is van Schrift,
-religie en dogmatiek. De incarnatie, die apriori op pantheistisch
-en deistisch standpunt onaannemelijk is, onderstelt de triniteit en
-bepaaldelijk daarin de eeuwige generatie, want de persoon des Zoons is
-mensch geworden 6. Zij onderstelt voorts de creatie, ook al is zij niet
-onmiddellijk met deze gegeven en al is de leer van de vleeschwording
-buiten de zonde verwerpelijk 7. Zij onderstelt eindelijk de revelatie
-onder Israel met de verkiezing en toebereiding van Maria als moeder van
-Jezus, ook al is hare onbevlekte ontvangenis in de Schrift niet geleerd
-8. Toch, al sluit Christus in zijne vleeschwording bij de voorafgaande
-openbaring zich aan, Hij is geen product van het verleden, maar bestond
-persoonlijk van eeuwigheid en was en bleef waarachtig God 9, die de
-menschelijke natuur aannam door ontvangenis van den H. Geest en door
-geboorte uit Maria 10, 11, en die daarom, in tegenstelling met het
-Docetisme, waarachtig, en, in tegenstelling met Apollinaris, volkomen
-mensch was 12, zoodat God en mensch, twee onderscheidene naturen,
-ongedeeld en ongescheiden (tegen Nestorius), onveranderd en on vermengd
-(tegen Entyches) in Hem vereenigd zijn 13. Deze vereeniging is daarom
-niet anders dan als eene personeele te denken, als vereeniging van
-den persoon des Zoons met eene onpersoonlijke menschelijke natuur 14,
-en brengt noodzakelijk mede de communicatio idiomatum, de communicatio
-apotelesmatum en de communicatio charismatum, die vooral in de Geref.
-theologie, tot handhaving van de waarachtig menschelijke natuur
-van Christus, ontwikkeld werd 15, en ten slotte ook nog den honor
-adorationis 16.
-
-§ 42. _Het werk van den Middelaar_ bl. 302-424. Onder alle volken komen
-heilige personen, profeten, koningen en vooral priesters voor, die
-door offeranden de gemeenschap met God bewerken en in stand houden 1.
-Ook onder Israel was een priesterstand verkoren en waren offeranden
-door God voorgeschreven, die duidelijk eene typische beteekenis hadden
-en heenwezen naar de ware offerande van den knecht des Heeren, die
-de waarachtige priester en tevens de ware profeet en koning zou zijn
-2. Volgens het N. T. is Jezus, de zoon van Maria, deze knecht des
-Heeren, die in zijn drievoudig ambt het groote werk Gods volbrengt,
-als profeet de wet en het evangelie verkondigt, als priester door
-zijne zelfovergave, die alle offers des O. T. vervult, voor de zijnen
-de gansche zaligheid verwerft, en deze als koning hun toepast 3. Dit
-werk van Christus werd in de christ. theologie verschillend beschreven,
-nu eens meer als verlichting of als mededeeling van nieuw leven, dan
-weer als loskooping van de macht van Satan of als voldoening aan Gods
-recht. De laatste voorstelling won vooral door Anselmus ingang en
-ging, ofschoon belangrijk gewijzigd, over in de Protest. theologie 4.
-Maar zij werd bestreden niet alleen door allerlei mystieke, maar ook
-door vele rationalistische richtingen, en vooral door de Socinianen,
-die alles aanvoerden wat er tegen de leer der voldoening te zeggen
-viel 5. In de nieuwere philosophie en theologie werd zij daarom geheel
-verworpen of in mystischen of ethischen zin gereconstrueerd 6. Maar
-reeds door zijne namen wordt Jezus aangeduid als de middelaar Gods en
-der menschen, die dit was naar zijne beide naturen, die van eeuwigheid
-reeds door den Vader tot profeet, priester en koning gezalfd was en
-deze ambten ook reeds bediende in de dagen des O. T. 7, zoodat de leer
-van het munus triplex ten onrechte door Ritschl e. a. bestreden is 8.
-Als zoodanig is Christus eene openbaring van Gods liefde maar tegelijk
-van zijne gerechtigheid, die met de liefde niet strijdt 9, en in verband
-met Gods heilige natuur, met de schrikkelijkheid der zonde, met het
-onverbreekbaar karakter der zedewet de voldoening noodzakelijk maakt 10.
-De Socinianen c. s. hebben deze noodzakelijkheid wel bestreden, maar
-daarmede eene valsche tegenstelling tusschen recht en genade gemaakt
-11. De offerande der voldoening, welke Christus bracht, bestond in zijne
-volmaakte gehoorzaamheid, die niet uitsluitend, gelijk vroeger dikwerf,
-o. a. met Piscator, als passieve te denken is maar ook de actieve omvat
-12, en ook niet uitsluitend, zooals veelal in de nieuwere theologie,
-als actieve mag opgevat worden doch ook de passieve inhoudt 13. Deze
-gansche gehoorzaamheid draagt het karakter eener satisfactio en wel
-van eene satisfactio vicaria 14, die tegen allerlei bedenkingen nadere
-verklaring en verdediging behoeft 15, en wier mogelijkheid door den
-weg des verbonds wordt geopend 16. Christus volbracht dit werk in den
-staat der vernedering, van zijne ontvangenis af tot de nederdaling ter
-helle toe 17, verwierf erdoor de gansche zaligheid met al de daaronder
-begrepen weldaden van verzoening (ἱλασμος en καταλλαγη), rechtvaardig-,
-heilig-, heerlijkmaking, die daarom niet tot één enkel begrip van
-satisfactio, meritum, Erlösung of Versöhnung kunnen beperkt worden
-18, en Hij verwierf deze, niet voor alle schepselen of menschen, gelijk
-de universalisten beweerden en de Gereformeerden over het algemeen
-bestreden 19, maar voor zijne gemeente, zooals de Schrift duidelijk leert
-20, al is het ook dat het werk van Christus voor heel de schepping
-beteekenis heeft 21. Dit werk, in den staat der vernedering volbracht,
-voert Christus uit en past Hij toe in den staat der verhooging met zijne
-verschillende trappen, die allereerst voor Christus zelven het loon op
-zijn arbeid was 22, maar voorts ten goede komt van zijne gemeente, want
-ook in den hemel blijft Hij haar profeet, priester en koning, totdat Hij
-de gansche herschepping tot stand heeft gebracht 23.
-
-HOOFDSTUK VIII. OVER DE WELDADEN DES VERBONDS.
-
-§ 43. _De Heilsorde_ bl. 425-485. Terwijl in de heidensche godsdiensten
-de mensch zijn eigen zaligheid moet uitwerken, is het in de H. S. God
-zelf, die den mensch opzoekt, hem in den weg des verbonds uit genade
-zijne weldaden meedeelt en dan op grond daarvan hem tot eene nieuwe
-gehoorzaamheid verplicht 1. Als Jezus optreedt met het evangelie
-des koninkrijks, stelt Hij geen anderen eisch dan dien van geloof en
-bekeering, welke ook zelve weer genadegaven Gods zijn. Want Hij is
-het zelf, die door zijn dood al de goederen des koninkrijks voor de
-zijnen verwierf en ze nu van uit den hemel hun meedeelt door den
-H. Geest als werkmeester van het geloof en van een nieuw leven 2.
-Deze leer der genade werd in de christ. theologie reeds spoedig,
-vooral door Pelagius, ten bate van de wilsvrijheid, verzwakt 3, en
-kwam, niettegenstaande de krachtige verdediging van Augustinus en in
-weerwil van de handhaving der gratia praeveniens 4, ook in de Roomsche
-theologie, van wege de semipelagiaansche richting, welke zij meer en
-meer insloeg, niet tot haar recht 5. De Luthersche Reformatie kwam
-daartegen in verzet maar verviel toch spoedig weer tot het synergisme
-6. Veel beter werd de leer der genade, ook in de toepassing des
-heils, door de Gereformeerden gehandhaafd 7, maar naast hen kwamen
-toch de richtingen van mysticisme en rationalisme, van antinomianisme
-en neonomianisme op, die de toepassing des heils met de verwerving
-vereenzelvigden of er haar geheel van losmaakten 8, 9, en ook in de
-nieuwe philosophie en theologie nog nawerken 10. De heilsorde echter,
-welke den weg aanwijst, waarlangs de zondaar in het bezit van Christus
-en zijne weldaden komt, loopt dan alleen zuiver, wanneer zij de beide
-gevaarlijke klippen van het nomisme en het antinomisme vermijdt 11, en op
-den grondslag der trinitarische belijdenis in de toepassing des heils
-een werk des H. Geestes ziet, dat van de verwerving door Christus
-wel onderscheiden maar niet gescheiden is, wijl de H. Geest alles uit
-Christus neemt 12. De weldaden, welke Christus verwierf en door den H.
-Geest toepast, kunnen alle saamgevat worden onder den naam van genade,
-maar deze wordt door de Reformatie gansch anders dan door Rome opgevat
-13, en bevat vele bijzondere weldaden, die langzamerhand in de dogmatiek
-breeder werden uitgewerkt maar tot drie groepen te herleiden zijn 14.
-
-§ 44. _Roeping en wedergeboorte_ bl. 485-511 vormen de eerste groep.
-Gelijk God de schepping tot stand brengt door Woord en Geest, zoo
-ook de herschepping. Hij roept in zekeren zin reeds door de natuur
-(vocatio realis), maar toch vooral door zijn woord (vocatis verbalis)
-1, welke roeping algemeen, ernstig en van groote waarde is 2. Maar
-de vocatio verbalis zonder meer is niet voldoende en moet daarom op
-grond van de H. S. in eene externa en interna onderscheiden worden 3,
-en komt in laatstgemelden zin in het nauwste verband te staan met de
-wedergeboorte, welke in engeren zin de instorting van het beginsel des
-nieuwen levens is 4, en, zonder aan den mensch te kort te doen, het
-pelagianisme bij den wortel afsnijdt en de genade, ook in de toepassing
-des heils, onverzwakt handhaaft 5.
-
-§ 45. _Geloof en rechtvaardigmaking_ bl. 511-552. De geestelijke mensch,
-die in de wedergeboorte wordt ingeplant, komt te zijner tijd door de
-verlichting des H. Geestes tot het geloof, dat, schoon eene gave Gods,
-geen den mensch vreemde substantie noch een bovennatuurlijk toevoegsel
-is maar hem, in overeenstemming met het nieuwe leven, aan het woord van
-Christus bindt 1. Want het draagt in de Schrift een dubbel karakter,
-het is een als waarheid aannemen van de apostolische getuigenis
-aangaande Christus en het is een persoonlijk vertrouwen op Christus
-als machtig, om de zonden te vergeven en alle weldaden der genade te
-schenken; en deze beide staan met elkander in onlosmakelijk verband 2.
-Ofschoon zij in leer en practijk dikwerf van elkander gescheiden worden,
-behooren zij steeds saam te gaan, wijl er eenerzijds geen gemeenschap
-aan Christus’ weldaden is dan na en door gemeenschap aan zijn persoon,
-en anderzijds deze gemeenschap niet anders tot stand komt dan door
-middel van de apostolische getuigenis 3. Van dat geloof is eene der
-heerlijkste vruchten de rechtvaardigmaking, welke naar de Schrift niet
-eene ethische, maar eene juridische daad is 4, haar grond heeft, niet
-in des menschen, in eene ἰδια δικαιοσυνη, maar in eene δικαιοσυνη
-θεου, welke in Christus geopenbaard is en gereed ligt, den mensch
-door God uit genade wordt toegerekend en zijnerzijds door het geloof
-wordt aangenomen 5. Wel wordt deze leer van de justitia imputata sterk
-bestreden, maar deze bestrijding komt grootendeels voort uit eene geheel
-verkeerde opvatting van de toerekening van Christus’ gerechtigheid 6.
-Deze rechtvaardigmaking geschiedt in zekeren zin in het besluit, in de
-opstanding van Christus, in de vocatio interna, maar heeft toch naar de
-doorgaande voorstelling der H. S. vooral plaats uit en door het geloof
-en staat juist als zoodanig tegen die uit de werken over 7. Zij omvat
-niet alleen de volkomen vergeving van alle zonden, van schuld en straf
-beide, hetgeen echter de dagelijksche belijdenis van schuld en bede om
-vergeving niet te niet doet, maar voorts de aanneming tot kinderen en
-de toekenning van het recht op het eeuwige leven 8.
-
-§ 46. _Heiligmaking en volharding_ bl. 553-572. Op de rechtvaardigmaking
-volgt de heiligmaking, die er wezenlijk van onderscheiden is, maar
-er geen oogenblik van gescheiden mag worden, want Christus schenkt
-zichzelven aan de zijnen niet alleen objectief maar ook subjectief (unio
-mystica) 1. Deze heiligmaking is in de eerste plaats een werk Gods,
-bestaande niet alleen in uitwendige afzondering van de wereld maar ook
-in inwendige vernieuwing door den H. Geest, zonder dat deze daarom in
-eens of allengs in dit leven reeds hare voltooiing bereiken zou; maar
-voorts is zij ook een werk van de geloovigen, in zoover deze op grond
-van de ontvangen weldaden geroepen worden, zichzelven te heiligen en
-goede werken voort te brengen als vruchten van hun geloof 2. Evenzoo is
-de volharding der heiligen eene daad en eene gave Gods, maar die door
-de geloovigen zelven heen, in den weg der middelen, zich realiseert, en
-daarom hunne zelfwerkzaamheid niet uitsluit maar hun wel rijken troost
-en zekerheid biedt 3.
-
-
-VIERDE DEEL.
-
-HOOFDSTUK IX. OVER DE KERK.
-
-§ 47. _Het wezen der kerk_ bl. 1-59. De gemeenschap dergenen, die
-Christus en zijne weldaden deelachtig zijn, draagt den naam van de
-kerk, die hare analogieën bij de heidensche godsdiensten vindt en in
-het O. Test. voorbereid werd 1, maar in eigenlijken zin toch eerst
-in de dagen des N. T. werd gesticht 2. Na den apostolischen tijd
-ontwikkelde zij zich spoedig tot een katholiek, zichtbaar, onfeilbaar,
-hierarchisch heilsinstituut 3, zoodat reformatie dringend noodig
-was. Luther, Zwingli en Calvijn brachten deze, ieder op eigene wijze
-tot stand 4, maar ter linker- en rechterzijde werd door rationalisme
-en mysticisme het kerkbegrip vervalscht, zoodat het ook thans nog,
-trots vele pogingen tot herstel, aan groote verwarring lijdt 5. De
-naam, dien de kerk draagt, duidt haar reeds aan als eene vergadering
-van Christgeloovigen, en de Schrift stelt dit op allerlei wijze, onder
-allerlei beelden, vooral ook door wat zij zegt aangaande de gemeenschap
-der heiligen, in het helderste licht 6. Als zoodanig kan zij in ruimer
-en enger zin genomen worden (ecclesia generalis, triumphans, militans,
-universalis, nationalis, particularis). Maar nooit sluit zij naar haar
-idee de ongeloovigen in, al zijn dezen ook op aarde steeds in de kerk
-aanwezig 7. Ook is zij niet als eene vergadering van praedestinati,
-perfecti, communicantes, vocati, baptizati te omschrijven, maar als
-eene vergadering van geloovigen, welke zoowel eene zichtbare als eene
-onzichtbare zijde heeft. Zichtbare en onzichtbare kerk zijn dus geen
-twee kerken, zijn niet aan den kring van ongeloovigen en geloovigen
-in de kerk, noch aan de kerk als instituut en als organisme gelijk,
-maar zijn twee zijden van dezelfde kerk 8. Kenteekenen der kerk zijn
-niet de 15 notae, welke Ballarminus opgeeft 9, maar het Woord Gods,
-dat in prediking, sacrament, belijdenis, leven bediend en beleden, en
-ten onrechte van Roomsche zijde verworpen wordt 10. Want al is met
-dit kenteeken de mogelijkheid van groote scheuring en verdeeldheid
-der kerken gegeven, ook Rome kan deze niet verhoeden, en de
-pluriformiteit der kerk sluit, hoe zondig en smartelijk eenerzijds ook,
-toch ter andere zijde een zegen in 11. Daarmede in overeenstemming
-hebben de eigenschappen der kerk, eenheid, heiligheid, katholiciteit,
-apostoliciteit, onvergankelijkheid en onfeilbaarheid bij ons een anderen
-zin dan bij Rome 12.
-
-§ 48. _De regeering der kerk_ bl. 59-131. De kerk is zonder regeering
-niet denkbaar en heeft daarom ook altijd eene regeering gehad. Zij was
-altijd tegelijk instituut en organisme 1, zoowel in het O. als in het N.
-Test. Het apostolaat is vooral een sterk bewijs voor het institutair
-karakter der kerk; en bij dit ambt kwam nog dat van de evangelisten en
-profeten, terwijl Petrus onder de apostelen primus inter pares was 2,
-en later dat van regeer- en leerouderlingen en van diakenen 3. Deze
-aristocratisch-presbyterale kerkregeering ging na den apostolischen
-tijd spoedig over in eene monarchisch-episcopale, die nog in vele
-kerken heerscht, en bij Rome in eene papale kerkregeering, die in de
-onfeilbaarverklaring van den paus hare consequentie trok 4. Beide
-deze vormen van kerkregeering zijn echter met de leer der H. S.
-over de verhouding van clerus en leeken, over het episcopaat, over
-het apostolaat, over Petrus’ primaat, en voorts ook met de oudste
-getuigenissen der kerk in strijd 5. De oppositie tegen de Roomsche
-hierarchie bracht velen tot verwerping van alle regeering der kerk,
-maar ook dit weerspreekt de Schrift, die der kerk een eigen regeering
-toeschrijft. Vandaar dat de Gereformeerden deze hebben gehandhaafd in
-hare onderscheidenheid van de politieke macht 6. Immers is Christus
-het eenige hoofd der gemeente, zoowel van de plaatselijke als van alle
-kerken saam. Hij stort er zijne gaven in uit, zalft allen tot profeten,
-priesters en koningen 7, en stelt voorts verschillende ambten in,
-die niet het orgaan der gemeente zijn, maar hun gezag aan Christus
-ontleenen, en die in den weg van vocatie, examinatie en ordinatie
-verkregen worden 8. Deze ambten zijn in de kerk wel willekeurig
-vermeerderd en van karakter veranderd, maar zijn twee, resp. drie in
-getal (leer- en regeerouderlingen en diakenen).
-
-§ 49. _De macht der kerk_ bl. 132-192. De kerk is, evenals de staat,
-eerst na de zonde ontstaan, en van den staat allengs duidelijker
-onderscheiden. Zelfs in Israel waren beide, schoon nauw vereenigd, niet
-één 1, en in het N. T. gaf Christus aan zijne kerk eene macht, die door
-haar geestelijk karakter van die der overheid wezenlijk verschilt 2. Deze
-geestelijke macht der kerk ontaardde echter bij Rome in eene juridische,
-dwingende macht, die in tegenstelling met het Cesareopapisme der
-Grieksche kerk, alle terreinen des levens, ook dat van den staat,
-aan zich onderwerpt en dienstbaar maakt 3, en in de plena et suprema
-potestas van den paus culmineert. Deze macht, bepaaldelijk de
-onfeilbaarheid van den paus, vindt echter niet alleen geen steun in
-de Schrift, maar is ook in zichzelve onbepaald, ongegrond, in strijd
-met het episcopaat en antichristelijk 4. De Reformatie verwierp daarom
-eenparig deze macht, maar ging weer uiteen, inzoover Luther en Calvijn
-anders oordeelden over de biecht, over presbyteraat en tucht, over de
-verhouding van de kerkelijke en de wereldlijke macht. De onderscheiding
-dezer beide laatste machten ging in de eeuwen na de Hervorming hoe
-langer hoe meer in eene, althans relatieve, scheiding over 5. Nu is
-het echter voor geen twijfel vatbaar, dat Christus aan zijne kerk eene
-macht heeft geschonken, die een eigen oorsprong, orgaan, natuur en
-doel heeft, en door Romanisme en Anabaptisme evenzeer wordt miskend.
-Deze macht der kerk is drieërlei 6, n.l. ten eerste potestas docendi,
-dat is, de macht, om het woord Gods te prediken, uit te leggen, te
-verdedigen, te belijden 7, ten tweede potestas gubernationis, dat is,
-de macht om de gemeente te regeeren 8 en de tucht uit te oefenen 9, en
-ten derde potestas misericordiae, dat is, de macht om barmhartigheid
-te bewijzen aan de ellendigen 10. Deze macht komt in de plaatselijke
-kerk saam in den kerkeraad en voor meerdere kerken in de meerdere
-vergaderingen, die reeds van oude dagteekening en voor den welstand der
-kerken noodig en goed zijn 11. Met deze macht staat de kerk in de wereld
-zelfstandig en vrij, maar haar dienende met de goederen, welke Christus
-haar schenkt 12.
-
-HOOFDSTUK X. OVER DE MIDDELEN DER GENADE.
-
-§ 50. _Het Woord_ bl. 193-215. Bij de uitdeeling zijner genade bedient
-Christus zich van middelen, die door mysticisme en rationalisme ten
-onrechte miskend, door Rome verkeerdelijk in absoluten zin opgevat,
-maar door de Hervorming, bepaaldelijk door Calvijn in hun rechte waarde
-hersteld werden 1. Tot deze genademiddelen behoort in de eerste
-plaats het woord Gods, dat ook buiten de ambtelijke bediening werkt 2,
-en als genademiddel in wet en evangelie te onderscheiden is 3. Deze
-onderscheiding is echter geen onverzoenlijke tegenstelling, gelijk het
-antinomisme leert, en evenmin eene wezenlijke identiteit, gelijk het
-nomisme wil, want beide verschillen principieel maar gaan toch in de
-prediking steeds samen 4. En evenzoo is het woord als genademiddel
-noch van de werking des Geestes te scheiden noch ook met deze te
-vereenzelvigen. De H. Geest werkt niet sine verbo noch per verbum maar
-cum verbo 5.
-
-§ 51. _De Sacramenten_ bl. 215-252. Het tweede genademiddel is het
-sacrament. De naam komt in de Schrift niet voor, was eerst voor
-allerlei kerkelijke handelingen en plechtigheden gebruikelijk en werd
-eerst in de Middeleeuwen tot een zevental ceremoniën beperkt. Ook de
-leer der sacramenten werd eerst door de scholastiek uitgewerkt en
-vertoonde hoe langer hoe grootere afwijking van de Schrift 1. Rome
-toch verstaat onder de genade, door het sacrament medegedeeld, alleen
-de gratia sanctificans, en maakt het sacrament los van het woord
-en evenzoo van het geloof. De Hervorming verwierp deze dwalingen
-maar droeg toch in de personen van Luther, Zwingli en Calvijn eene
-verschillende opvatting voor, die de kerken verdeelde en, trots de
-verzwakking van de beteekenis der sacramenten door mysticisme en
-rationalisme, nog heden ten dage kerk en theologie uiteen doet gaan
-2. Ofschoon de naam van sacrament in de Schrift niet voorkomt, is
-hij daarom nog niet te verwerpen. En ook is de behandeling van de
-algemeene leer der sacramenten vóór die van doop en avondmaal niet
-af te keuren, wijl daardoor het verschil in opvatting duidelijk aan
-het licht treedt en de dwaling gemakkelijk ingezien wordt. Volgens de
-Schrift zijn de sacramenten teekenen en zegelen van Gods genade en
-tevens belijdenisacten des geloofs 3. Als zichtbare teekenen en zegelen
-duiden zij aan en bevestigen zij de onzichtbare genade, door God in
-Christus geschonken dat is, _dezelfde_ genade, welke ook in het woord
-wordt aangeboden, zij het ook op andere wijze 4. Het verband tusschen
-teeken en beteekende zaak is niet physisch, corporeel, locaal, maar
-een verband van relatie, dat door het woord der instelling tot stand
-komt, en, schoon van geestelijken aard, toch niettemin objectief en
-reëel is 5. Daarom werken de sacramenten ook niet ex opere operato
-maar onderstellen bij den ontvanger het geloof, hetgeen aan hunne
-objectiviteit geen afbreuk doet en hunne waarde ongeschonden laat 5.
-Het getal der sacramenten bedraagt niet zeven, maar slechts twee, doch
-deze twee wegen in waarde tegen het zevental van Rome op 6.
-
-§ 52. _De Doop_ bl. 252-299. In het O. T. door de besnijdenis
-voorbereid, werd de doop op Goddelijken last het eerst door Johannes
-aan de Joden bediend. Deze doop van Johannes verschilt niet wezenlijk
-van den christelijken doop, maar werd door Jezus overgenomen en vóór
-zijne hemelvaart tot alle volken uitgebreid, tot teeken en zegel van de
-vergeving der zonden en van de inlijving in Christus en zijne gemeente
-2. Na den tijd der apostelen werd hij reeds spoedig met de trinitarische
-formule bediend, als een mysterium der inwijding opgevat, met allerlei
-ceremoniën omgeven en steeds meer magisch in zijne werking voorgesteld.
-Volgens Rome schenkt hij door de innige verbinding van teeken en
-beteekende zaak ex opere operato, behalve een character indelebilis,
-de heiligmakende genade, die van alle schuld, straf en smet der zonde
-bevrijdt 3. De Lutherschen leerden eene soortgelijke nauwe vereeniging
-van het water des doops met de Goddelijke genade, en lieten althans
-bij kinderen de wedergeboorte tot stand komen door den doop, maar de
-Gereformeerden hielden staande, dat de doop, als een sacrament, ook
-bij kinderen het geloof onderstelde en rustte op den grondslag van het
-genadeverbond. Maar dit verbond werd steeds meer veruitwendigd; en
-rationalisme en mysticisme miskenden de waarde van den doop zoozeer,
-dat in den nieuweren tijd verschillende pogingen tot handhaving van het
-objectief karakter van den doop beproefd zijn 4. De Schrift spreekt
-alleen van den doop van volwassenen, en leert duidelijk, dat hij alleen
-voor geloovigen ingesteld is en na belijdenis mag bediend worden. Het
-teeken in den doop is water, waarin de doopeling ondergedompeld of
-waarmede hij besprengd wordt 5. Dit water wordt tot een sacrament door
-het woord der instelling, dat in de Schrift niet als eene formule
-bedoeld maar toch in de kerk weldra zoo toegepast is, en tusschen
-teeken en beteekende zaak wel eene reëele maar geen physische en locale
-vereeniging tot stand brengt. De weldaden van den doop zijn in hoofdzaak
-vergeving en wedergeboorte 6. Tot hen die recht hebben op den doop,
-behooren ook de kinderen der geloovigen. Dit recht werd tegenover de
-bestrijders van den kinderdoop op verschillende wijze betoogd 7, en rust
-op vele schriftuurlijke gronden 8. Bedienaar van den doop is Christus,
-die daarbij van menschen, bepaaldelijk van de leeraars gebruik maakt; hem
-bedienen laat in de openbare vergadering der gemeente; op onbepaalde
-tijden; in geval van den kinderdoop, in tegenwoordigheid der ouders; aan
-alle personen, die nog gerekend kunnen worden te behooren binnen den
-kring des verbonds 9.
-
-§ 53. _Het Avondmaal_ bl. 299-352. Het tweede sacrament is het
-avondmaal, dat in het O. T. door het pascha afgebeeld en voorbereid 1,
-en in het N. T. door Christus ingesteld werd, tot een teeken en zegel
-van de gemeenschap aan zijne offerande op het kruis 2. Dit avondmaal was
-spoedig het middelpunt van den christelijken cultus en werd allengs,
-vooral sedert de scholastiek, opgevat als eene onbloedige offerande van
-het lichaam en bloed van Christus, waaraan de communie ondergeschikt
-is 3. De Reformatie verwierp deze Roomsche leer wel eenparig, maar
-liep in de positieve uiteenzetting van de leer des avondmaals ver
-uiteen. Luther, Zwingli, Calvijn droegen elk een eigen opvatting
-voor, die, na hen gewijzigd en verlaten, toch tot den huidigen dag
-voortbestaan 4. De namen voor het avondmaal zijn zeer vele in aantal,
-maar de beste is die van heilig avondmaal of maaltijd des Heeren, wijl
-het een wezenlijke maaltijd is met Christus als gastheer, de leeraars
-als zijne dienaren, met brood on wijn tot spijze en drank, in den eersten
-tijd met een gewonen maaltijd verbonden, aan eene tafel en niet op een
-altaar te vieren 5. Maar deze maaltijd heeft een geestelijke beteekenis,
-is niet bloot een gedachtenismaal of een belijdenisacte, doch eene
-gemeenschapsoefening door het geloof met den gekruisten Christus.
-Wel is Christus niet physisch en locaal in de teekenen aanwezig,
-want trans- en consubstantiatie zijn beide om vele schriftuurlijke en
-natuurlijke redenen uitgesloten 6. Maar desniettemin is die gemeenschap
-met Christus in het avondmaal objectief en reëel, zoo echter, dat zij
-van de zijde des ontvangers het geloof onderstelt en juist daardoor als
-gemeenschap aan den persoon en aan de weldaden van Christus, versterkt
-wordt 7. Evenals de doop, is ook dit avondmaal alleen voor de gemeente
-ingesteld, en wel voor gedoopte on levende geloovigen, die belijdenis
-van hun geloof hebben afgelegd en niet door de kerk om leer en leven
-zijn geweerd 8.
-
-HOOFDSTUK XI. OVER DE LAATSTE DINGEN.
-
-§ 54. _De Tusschentoestand_ bl. 353-422. Alle godsdiensten bevatten
-eene zekere eschatologie en leeren bepaaldelijk de onsterfelijkheid der
-ziel; en de philosophie nam menigmaal dit laatste leerstuk over 1. De
-bewijzen, voor de onsterfelijkheid der ziel bijgebracht, hebben tegenover
-het ongeloof geen dwingende kracht maar zijn toch als getuigenissen
-en rechtvaardigingen des geloofs belangrijk 2. De Schrift bevat ook
-wel reeds in het O. T. de leer der onsterfelijkheid, gelijk hare
-voorstelling van den Scheol duidelijk bewijst, maar zij voegt daaraan
-de veel rijkere openbaring toe, dat het waarachtige leven alleen
-verkregen en genoten wordt in de gemeenschap met God, die over dood
-en graf triumpheert 3. De latere Joodsche literatuur liet aan deze
-openbaring geen recht wedervaren, maar het N. Test. doet nog beter dan
-het O. Test. uitkomen, dat de dood eene straf der zonde is, dat de
-geloovigen door Christus een leven deelachtig worden, hetwelk verre
-boven den dood is verheven, en dat zij, ofschoon na het sterven in
-zekeren zin tot het doodenrijk behoorend, toch terstond in een anderen
-toestand intreden dan de ongeloovigen 4. De christelijke kerk bleef
-eerst bij deze weinige gegevens der Schrift over den tusschentoestand
-staan, maar wijdde er meer aandacht aan, naarmate de wederkomst van
-Christus toefde, en kwam allengs tot het aannemen van vijf receptacula
-aan de overzijde des grafs, onder welke vooral het vagevuur voor den
-tusschentoestand van beteekenis is 5. De Reformatie verwierp deze
-leer, maar zag spoedig allerlei meeningen over den tusschentoestand
-opkomen, zooals die van een voorloopigen toestand, van een purgatorium,
-van een zieleslaap, van eene zekere lichamelijkheid der zielen, van
-zielsverhuizing en voortgaande loutering, van limbus patrum, limbus
-infantum en mogelijke bekeering na den dood 6. De Schrift bevat weinig
-over den tusschentoestand, omdat zij, schoon de onsterfelijkheid der
-ziel aannemende, vooral het nieuwe leven wil doen kennen, dat Christus
-aan het licht heeft gebracht en zonder hetwelk het menschelijk leven
-hier reeds op aarde en vooral hiernamaals in den Scheol zijn inhoud en
-waarde verliest 7. De leemten, welke de Schrift in onze voorstelling
-van den tusschentoestand openlaat, mogen niet aangevuld worden met
-menschelijke gissingen, zooals de zieleslaap 8, de lichamelijkheid der
-zielen na den dood 9, het blijvend verkeer der dooden met de levenden,
-dat dan misoffer, voorbede, heiligenvereering, doodenbezwering en
-reliquiëncultus medebrengt, 10. Van de plaats van den tusschentoestand
-is weinig te zeggen, maar zeker is, dat er terstond bij den dood een
-verschillende toestand intreedt voor geloovigen en ongeloovigen,
-waarin geen verandering door bekeering, gelijk velen thans meenen, meer
-mogelijk is 11. Ook is de toestand der gestorven geloovigen niet als een
-vagevuur te denken, want zij komen naar de leer der Schrift terstond na
-den dood in den hemel bij Christus. Ofschoon er dus van eene vereering
-der heiligen en van eene voorbede voor de afgestorvenen geen sprake
-kan zijn 12, blijft er toch eene gemeenschap der triumfeerende met de
-strijdende kerk bestaan. Ook de zaligen in den hemel zijn niet zonder ons
-volmaakt; zij zien verlangend uit naar de parousie van Christus, en zijn
-ook niet boven alle ruimte, tijd en werkzaamheid verheven 13.
-
-§ 55. _De wederkomst van Christus_ bl. 422-481. Gelijk er een einde komt
-aan het leven van den enkelen mensch, zoo ook aan dat van menschheid
-en wereld. De wetenschap bevestigt dat 1, de godsdiensten koesteren
-algemeen deze verwachting, en de Oudtest. profetie verkondigt aan
-het einde van deze bedeeling de oprichting van het Messiaansche rijk,
-dat, rijk aan geestelijke en stoffelijke zegeningen, tot de einden der
-aarde zich uitbreiden zal 2. Het O. T. beschrijft in dit Messiaansche
-rijk geen tusschenperiode maar een eindtoestand, doch de latere
-Joodsche litteratuur ging tusschen een voorafgaand Messiasrijk en een
-daarna volgend Godsrijk onderscheid maken en deed zoo de leer van het
-chiliasme opkomen, welke ook door vele Christenen, vooral in tijden van
-vervolging en druk, werd overgenomen 3. Ofschoon in sommige hoofdzaken
-overeenstemmend, zijn de Chiliasten onderling toch zeer met elkander in
-strijd en maken zij zich allen bij de uitlegging der Schrift aan groote
-willekeur schuldig 4. Reeds het O. Test. doet zelf van de profetie
-eene betere verklaring aan de hand, dan het chiliasme ons biedt, en
-het N. Test. beschouwt zich als de geestelijke en dus waarachtige
-vervulling van het O. Test. 5. Maar niet alleen is het chiliasme met
-deze hoofdgedachte der Schrift in strijd, doch voorts, ook met vele
-andere gegevens, vooral met de doorloopende verwachting des N. T.
-aangaande het Joodsche volk 6, die door enkele plaatsen, vooral Rom.
-11:11-32, niet weersproken wordt 7. Voorts verwacht het N. T. nergens
-een staat van heerlijkheid en eere voor de gemeente van Christus in deze
-bedeeling, maar veeleer toenemende vervolging en druk, waaraan eerst
-de eenige wederkomst van Christus een einde maakt 8. Wel is er in Op.
-20 van eene duizendjarige binding van Satan sprake. Maar dit hoofdstuk
-bevat eigenlijk niets van al wat aan het chiliasme wezenlijk eigen is,
-evenmin als andere plaatsen der Schrift 9. En de gebeurtenissen, in
-Op. 20 verhaald, vallen niet chronologisch na die der vorige capita,
-maar loopen daarmede parallel. Zij bedoelen, het einde ons te schetsen
-van de cultuurlooze volken, gelijk de vorige hoofdstukken dat deden
-ten aanzien van die natiën, in wier midden het evangelie gepredikt
-is en dus de anti-christelijke macht zich ontwikkelen kan 10. Aan de
-wereldgeschiedenis maakt dus Christus, wien als Zoon des menschen het
-oordeel gegeven is, door zijn tweede komst een einde 11. De tijd dier
-wederkomst is in het N. T. niet bepaald, al nemen hare voorteekenen
-reeds met den val van Jeruzalem een aanvang. En even sober is de
-Schrift in de beschrijving van de wijze, waarop die wederkomst plaats
-heeft 12.
-
-§ 56. _De Voleinding der eeuwen_ bl. 481-529. Met de wederkomst van
-Christus begint de Dag des Heeren, welks duur niet te bepalen is. De
-eerste gebeurtenis, die daarop plaats grijpt, is de opstanding der
-dooden 1, waarbij de identiteit van het opstandingslichaam met het
-gestorven lichaam bewaard blijft 2, 3. Dan volgt het gericht, dat over
-alle menschen en engelen en over al hun gedachten, woorden en daden
-zich uitstrekt 4. De plaats, waarheen de goddeloozen verwezen worden en
-eeuwige straffen lijden, is de gehenna. De eeuwigheid der helsche straf
-is wel menigmaal op allerlei gronden bestreden en beurtelings door de
-leer van het hypothetisch universalisme, van de wederherstelling aller
-dingen of van de conditioneele onsterfelijkheid vervangen 5. Maar zij
-is in de Schrift vervat, en door de natuur der zonde en de Goddelijke
-gerechtigheid geeischt, ofschoon zij zeer verschillende graden in hare
-toepassing niet uitsluit 6. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der
-wereld, welke in geen vernietiging van hare substantie maar in eene
-herschepping van hare forma bestaat 7. Deze vernieuwing der wereld
-bewijst, dat de zaligheid niet uitsluitend als eene hemelsche maar ook
-als eene aardsche te denken is 8, en niet alleen geestelijke maar ook
-stoffelijke zegeningen omvat, welke beide hier wel aanvangen doch eerst
-in de eeuwigheid worden voltooid. De gemeenschap met God, die het wezen
-der toekomstige zaligheid is en met verstand en wil beide genoten
-wordt 9, wordt verhoogd door de gemeenschap der heiligen, wier getal,
-ook al omvat het niet alle menschen en al is er over de zaligheid
-van Heidenen en jongstervende kinderen weinig te zeggen, toch eene
-schare zal vormen, die niemand tellen kan 10, en die zelve allerlei
-verscheidenheid van persoonlijkheid, gaven, loon en werkzaamheid insluit
-11.
-
-
-
-
-REGISTER
-
-van min of meer verklaarde Schriftuurplaatsen.
-
- Gen. 1 II, 457v.
- Gen. 1:1-3 II, 397, 457v, 460, 469, 478. Volgens de
- restitutietheorie II, 473; III, 69.
- Gen. 1:26, 27 II, 508, 509, 512.
- Gen. 2:4{b}v. II, 490.
- Gen. 2:7 II, 536, 540.
- Gen. 2:17 III, 155, 176, 187.
- Gen. 3 III, 35v., 108, 191.
- Gen. 3:7v. III, 188.
- Gen. 3:9-13 III, 188v.
- Gen. 3:14, 15 III, 189, 213.
- Gen. 3:16 III, 189.
- Gen. 3:17-19 III, 190.
- Gen. 3:22-24 III, 190.
- Gen. 4:26 IV, 3.
- Gen. 6:2 II, 436.
- Gen. 9:1-7 II, 560.
- Gen. 14:18 IV, 337.
- Gen. 18 II, 231.
- Exod. 6:3 II, 109v.
- Deuteron. 32:8 II, 449.
- Joz. 10:12, 13 II, 465v.
- 1 Sam. 28 IV, 396v.
- 2 Kon. 20:9 II, 465v.
- Job III, 32.
- Job 33:23 II, 450.
- Job 38:7 II, 434.
- Ps. 2:7 II, 243.
- Ps. 51:7 III, 105.
- Ps. 73 III, 32.
- Ps. 104:4 II, 437.
- Spr. 8:22v. II, 242.
- Jes. 53 III, 363.
- Jes. 53:11 III, 531.
- Jes. 65:20 IV, 433.
- Ezech. 16:53-63 IV, 403v.
- Ezech. 38 en 39 IV, 462.
- Ezech. 40-48 IV, 431, 442v.
- Dan. 10:13, 20 II, 449.
- Dan. 12:3 III, 531.
- Hos. 6:7 II, 547.
- Mich. 5:1 II, 243 III, 231.
- Hab. 1:4 III, 17.
- Zach. 6:13 III, 203.
- Mal. 1:11 IV, 337.
-
- Matth. 5:22 III, 99v. IV, 408.
- Matth. 7:12 III, 77.
- Matth. 10:23 IV, 477.
- Matth. 11:23 IV, 372.
- Matth. 12:31 III, 101
- Matth. 12:32 IV, 409, 510.
- Matth. 16:18 IV, 4v., 71, 100v., 372.
- Matth. 16:19 IV, 135.
- Matth. 16:28 IV, 476.
- Matth. 18:10 II, 450.
- Matth. 18:15-17 IV, 4v., 172.
- Matth. 20:1-16 IV, 526.
- Matth. 20:28 III, 363.
- Matth. 22:30 II, 437.
- Matth. 23:37-39 IV, 450.
- Matth. 24 IV, 457, 477.
- Matth. 24:14 IV, 465.
- Matth. 24:29 IV, 477.
- Matth. 24:34 IV, 477.
- Matth. 26:39-42 III, 355.
- Matth. 26:64 IV, 476.
- Matth. 28:19 IV, 257, 258v., 270, 274.
- Mark. 10:45 III, 363.
- Luk. 13:33-35 IV, 450.
- Luk. 15:7 II, 450.
- Luk. 16:23 IV, 373.
- Luk. 21:24 IV, 450.
- Luk. 22:19 IV, 338.
- Luk. 22:32 IV, 100, 101v.
- Luk. 23:34 III, 400,
- Luk. 23:43 IV, 373.
- Joh. 1:1-18 III, 261.
- Joh. 3:5 IV, 295.
- Joh. 3:6 III, 105.
- Joh. 6 IV, 330, 346.
- Joh. 7:39 III, 430.
- Joh. 8:44 III, 39.
- Joh. 14:18-24 IV, 476.
- Joh. 14:28 II, 245.
- Joh. 21:15-17 IV, 100, 102.
- Handel. 2:39 IV, 287.
- Handel. 3:19-21 IV, 451.
- Handel. 6 IV, 79v.
- Handel. 11:30 IV, 80.
- Handel. 13:48 II, 316.
- Handel. 14:23 IV, 79.
- Handel. 15 IV, 180v.
- Handel. 19:1-7 IV, 256v., 258.
- Rom. 1:3, 4 III, 415.
- Rom. 2:12-16 III, 75.
- Rom. 3:25, 26 III, 312, 339, 533.
- Rom. 4:17 II, 399.
- Rom. 5:12-21 II, 547, III, 75, 109v.
- Rom. 7:7-26 III, 106v., 561.
- Rom. 8:30 III, 485.
- Rom. 9 II, 316v., 318.
- Rom. 11:11-32 IV, 452v.
- 1 Cor. 3:12-15 IV, 409.
- 1 Cor. 5:1v. IV, 173
- 1 Cor. 6:2, 4 IV, 494.
- 1 Cor. 6:11 III, 531.
- 1 Cor. 7:14 IV, 288.
- 1 Cor. 9:9 III, 18.
- 1 Cor. 10:2 IV, 258.
- 1 Cor. 10:15 I, 336.
- 1 Cor. 10:17 IV, 347.
- 1 Cor. 10:21 IV, 338.
- 1 Cor. 11:10 II, 437.
- 1 Cor. 11:30 IV, 346.
- 1 Cor. 15:20-28 IV, 467.
- 1 Cor. 15:21v. III, 109.
- 1 Cor. 15:29 IV, 349, 415.
- 1 Cor. 15:35-38 IV, 488.
- 1 Cor. 15:45-49 II, 545, III, 65v.
- 2 Cor. 3:17 III, 417.
- 2 Cor. 5:1-4 IV, 390.
- 2 Cor. 5:21 III, 366.
- Gal. 3:13 III, 366.
- Ef. 1:4 II, 380, 382.
- Ef. 1:10 II, 444, III, 406.
- Ef. 1:23 III, 417v.
- Ef. 2:3 III, 105.
- Ef. 4:9 III, 377.
- Ef. 4:11 IV, 76v.
- Ef. 4:24 II, 509.
- Ef. 5:26 IV, 275v.
- Fil. 2:5-11 III, 375, 412.
- Fil. 3:9 III, 536.
- Col. 1:15 II, 245.
- Col. 1:19, 20 II, 444, III, 406.
- Col. 2:11, 12 IV, 284.
- Col. 3:10 II, 509.
- 1 Thessal. 4:13-18 IV, 467.
- 2 Thessal. 2 IV, 463.
- 1 Tim. 2:4, volgens Augustinus II, 321, III 391; volgens de
- Semipelag. III, 391v. volg. de Schol. II, 323; III, 393,
- vgl. III, 398v.
- 1 Tim. 3:6 III, 39.
- 1 Tim. 3:15 IV, 167.
- 1 Tim. 5:17, 18 IV, 74, 78.
- 2 Tim. 3:16 I, 329v., 342.
- Tit. 3:5 III, 500.
- Tit. 3:7 III, 532.
- Tit. 3:10 IV, 174.
- Hebr. 1:3 II, 244.
- Hebr. 2:10 III, 412.
- Hebr. 2:17 III, 182.
- Hebr. 5:7 III, 355.
- Hebr. 5:9 III, 412.
- Hebr. 6:4-8 III, 103, 567.
- Hebr. 7:22 III, 204.
- Hebr. 10:25-29 III, 103, 567.
- Hebr. 11:3 II, 399.
- Hebr. 12:22-24 IV, 417.
- 1 Petr. 1:23 III, 500v.
- 1 Petr. 3:19-21 III, 377, 380, 422, IV, 404v.
- 1 Petr. 3:21 IV, 260.
- 1 Petr. 4:6 IV, 405.
- 2 Petr. 1:19-21 I, 345.
- 2 Petr. 2:18-22 III, 567.
- 1 Joh. 2:17 IV, 513.
- 1 Joh. 5:7 II, 239.
- 1 Joh. 5:16 III, 103.
- Jud. 6 III, 39.
- Openb. van Joh. IV, 460v.
- Openb. 1:20v. II, 450, IV, 78, 85, 97.
- Openb. 8:3 II, 450.
- Openb. 20 IV, 462v.
- Openb. 21 en 22 IV, 515v.
- Openb. 22:11 III, 532.
-
-
-
-
-Register van Namen.
-
- A.
-
- Abaelard, Over de Schrift I, 311.
- Over de voldoening III, 317.
- Agobard van Lyon, Over de Inspiratie I, 311.
- Alcuinus, I, 79.
- Alexandrijnsche Theologen, Hun eigenaardigheid I, 59v.
- Alsted, Zijn Theol. naturalis I, 223.
- Alting, Jac. Over het lijden van Christus III, 350v, 352.
- Ambrosius, I, 71;
- over de erfzonde III, 119.
- Amesius, Over de Theologie III, 455.
- Amyraldus, I 122; II, 341; III, 454.
- Anselmus, Zijn methode in ’t alg. I, 82;
- zijn voldoeningsleer III, 317v., 349, 411.
- Apollinaris, Zijn christologie I, 63; III, 277.
- Apologeten, I, 55v., 423v., 445, 484;
- over de Heilige Schrift I, 307;
- over de Triniteit II, 250v., 405v.
- Apostolische vaders, Karakter hunner geschriften I, 52;
- over de Heilige Schrift I, 307;
- over de Triniteit II, 249;
- over den tusschentoestand IV, 375.
- Appelius, I, 126.
-
- Aristoteles, Over de ἀρχαι I, 140; II, 29;
- over oorsprong en wezen der zonde III, 42.
-
- Arius, Over de Triniteit II, 260v.;
- over de menschheid van Christus III, 277.
-
- Arminius, Over de Praedestinatie II, 340;
- over den eisch van gehoorzaamheid na den val III, 220.
-
- Athanasius, Zijn beteekenis voor de Theologie I, 62v.,
- II, 256;
- Over den Heiligen Geest II, 289v.
-
- Augustinus, Zijn indeeling der dogmatische stof I, 32v.;
- beteekenis voor de Theol. I, 72v.,
- over de menschelijke kennis I, 165v., 168;
- over de ongenoegzaamheid der algemeene openb. I, 231;
- over de elementen van waarheid in het Heidendom I, 238;
- over de wonderen I, 291v.;
- over Kerk en Schrift I, 367, 368;
- over de noodzakelijkheid der Schrift I, 381;
- over de beteekenis v. h. geloof in algem. zin I, 470;
- over de onbegrijpelijkheid Gods II, 6;
- over ’s menschen kennis van de alg. noodzak, waarheden II, 33v.;
- over de essentia Dei II, 79, 80, 87, 175;
- over de deugden Gods II, 89, 92, 140;
- over de onveranderlijkheid Gods II, 120;
- over de alomtegenwoordigh. Gods II, 136;
- over de alwetendheid Gods in verband met ’s menschen vrijheid
- II, 162;
- over de ideeën in God II, 170, 407;
- over de schoonheid d. schepselen en de schoonheid Gods II,
- 193v., 421v.;
- over de almacht Gods II, 225;
- over de Triniteit II, 258v., 276, 291, 301v., 539;
- over de praedestinatie II, 320v., 334v., 358;
- over het getal der engelen II, 433; III, 407;
- over de kennis der engelen II, 439;
- over het paradijs II, 505;
- over den staat van Adam II, 549v.;
- over de permissio III, 56v.;
- over het privatief karakter der zonde III, 78v., 80;
- over de erfzonde III, 119v.;
- over het werk van Christus III, 316;
- over de particuliere voldoening III, 391;
- over de genade III, 436v., 443;
- over de volharding III, 565, 566;
- over de kerk I, 75; IV, 9v., 32, 262;
- over de Sacramenten IV, 218;
- over den Doop IV, 252;
- over den Kinderdoop IV, 262, 279v.;
- over het Avondmaal IV, 313v.
-
- Augustinus Steuchus, over de alomtegenwoordigheid Gods II, 133;
- over de ligging van het paradijs II, 505.
-
- Aureolus, Zijn Nominalisme I, 84.
-
-
- B.
-
- Baader, Franz von I, 95.
-
- Bajus, I, 92.
-
- Basilius, Over de verhouding van wezen en eigenschappen Gods II, 86;
- over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92.
-
- Baudissin, over de heiligheid Gods II, 185.
-
- Baumgarten, S. J. I, 101.
-
- Baxter, Richard I, 118; III, 395.
-
- Beck, Zijne Theologie I, 15, 108.
-
- Bekker, Balthazar, over de engelen II, 425.
-
- Bellarminus, Over de efficacia der roeping III, 497v., tegen de
- justitia imputata III, 538v.;
- over de ongeloovigen in Bellarminus, de kerk IV, 32v.;
- over de kenteekenen der kerk IV 39, 40v., 45v.
-
- Berti, Over de gratia III, 441.
-
- Biedermann, Zijn dogmatisch standpunt I, 107, 432.
-
- Böhl, Over het beeld Gods II, 510.
-
- Böhme, Over de Drieëenheid II, 266;
- over het werk van Christus III, 321.
-
- Bonaventura, Zijn beteekenis voor de indeeling der dogmatische stof
- I, 34;
- over de H. Schrift I, 310v.;
- over de kennis van God en van de prima principia II, 34v.
-
- Bonfrerius, Over de inspiratie I, 313.
-
- Bonnet, Over de wonderen I, 292.
-
- Boston, Thomas I, 128; III, 395.
-
- Bourignon, Antoinette, Over het werk van Christus III, 321.
-
- Bradwardina, I, 87.
-
- Brahé, J. I, 126; III, 453.
-
- Bretschneider, I, 102.
-
- Briggs, Charles I, 139.
-
- Bruining, Dr. A. I, 185.
-
- Bull, George III, 454.
-
- Bullinger, Zijn verschil van Calvijn I, 115.
-
- Büsching, A. F. I, 15.
-
- Bushnell, Horace, Over het werk van Christus III, 331.
-
- Byzantijnsche Theologen I, 67v.
-
-
- C.
-
- Calixtus, Zijn indeeling van de dogmatische stof I, 40v.;
- zijn reactie tegen de scholast. behandeling der Dogm. en zijn
- syncretisme I, 100.
-
- Calovius, Over het object der Theol. I, 7.
-
- Calvijn, Zijn Institutie I, 38v.;
- zijn beteekenis voor de Geref. Dogmatiek I, 112v.;
- over de inspiratie I, 315v.;
- over het testimonium spir. sancti I, 490v.;
- over de nat. Godskennis II, 37;
- over de potentia absoluta Dei II, 226;
- over de praedestinatie II, 330v.;
- in betrekking tot het vraagstuk v. supra- en infralapsarisme
- II, 336v.;
- over het beeld Gods II, 531;
- over de erfzonde III, 125;
- over de heilsorde III, 448;
- over de kerk IV, 17v.;
- als vader v. d. presbyteriale kerkregeering IV, 129v.;
- zijn oordeel over afscheiding van de kerk IV, 48;
- over de kerkel. tucht IV, 155;
- over Kerk en Staat IV, 190v.;
- over de Sacramenten IV, 222, 228v.;
- over het H. Avondmaal IV, 319v., 330, 342v.;
- over den tusschentoestand IV, 380.
-
- Camero, I, 122; III, 454.
-
- Campbell, John M. Leod, Over het werk van Christus III, 330.
-
- Canus, Over den laatsten grond v. h. geloof in de openb. I, 487.
-
- Cappellus, I, 122, over den tusschentoestand IV, 380.
-
- Cartesius, Over de aangeboren begrippen II, 30;
- over de creatio secunda II, 474;
- over het primaat v. d. wil in God II, 124;
- zijn Dualisme IV, 356.
-
- Cassianus, Zie Semipelagianisme.
-
- Celsus, Als bestrijder van het Christendom I, 53, 317v.
-
- Chalcedon, Concilie van, over den persoon van Christus III, 241,
- 283.
-
- Chemnitz, I, 99.
-
- Chrismann, Over de inspiratie I, 313.
-
- Cicero, Over de aangeboren begrippen II, 30;
- over Gods alwetendheid en ’s menschen vrijheid II, 161, 352.
-
- Clemens Alexandrinus als dogmaticus I, 31, 60.
-
- Coccejus, Zijn Theologie I, 41v., 121; III, 200v.;
- over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134;
- over het beeld Gods II, 531.
-
- Comrie, I, 126;
- over rechtvaardigmaking en geloof III, 453;
- over de vereeniging van Christus en de gemeente II, 339, 362;
- III, 260.
-
- Crell, Over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134.
-
- Cremer, B. S. III, 453.
-
- Cusanus, Over de kennisse Gods II, 9.
-
- Cyprianus, Over de kerk van Rome in verhouding tot de andere IV, 88.
-
- Cyrillus, Over de naturen van Christus III, 241, 283.
-
-
- D.
-
- Damascenus, Zijn Dogmatiek I, 32, 66.
-
- Darby, J. Over de kerk IV, 22.
-
- Darmesteter, J. Over de verhouding v. Parzisme en Judaisme II, 425.
-
- Darwin, Over den oorspr. der religie I, 202;
- zijn evolutietheorie II, 492v.
-
- Delitzsch, Franz, Over het tusschenlichaam na d. dood IV, 391.
-
- Delitzsch, Friedrich, Over de ligging van het Paradijs II, 506.
-
- Dionysius, Areopagita (Pseudo), Zijn geschriften I, 66;
- over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7;
- over den oorsprong der wereld II, 389;
- over de hemelsche en kerkelijke hierarchie II, 432v.
-
- Dippel, J. C. Over het werk van Christus III, 321.
-
- Doedes, Zijn drieërlei Dogmatiek I, 11;
- zijn scheiding van gelooven en weten I, 451;
- zijn verdeeling v. d. eigenschappen Gods II, 89;
- over den Doop IV, 276.
-
- Dorner, Over de onveranderlijkheid Gods II, 122v.;
- zijn christologie III, 252, 282.
-
- Durand de St. Porciano, Zijn Nominalisme I, 84.
-
-
- E.
-
- Ebrard, Karakter zijner Dogmatiek I, 434.
-
- Edwards, Jon. Sr. I. 137;
- over de erfzonde III, 127, 139;
- over de onmacht des menschen ten goede III, 150.
-
- Edwards, Jon. Jr. I, 137.
-
- Eerde, van Over het uitwendig verbond en de Sacramenten IV, 322.
-
- Erasmus, Over de inspiratie I, 313.
-
- Erastus, IV, 155.
-
- Erigena, Joh. Scotus I, 79v.;
- over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7, 400;
- over den oorsprong der wereld II, 389.
-
- Ernesti, Over de ambten van Christus III, 326.
-
- Erskine, Ralph en Ebenezer I, 128v.; III, 395.
-
- Erskine, Thomas, Over het werk van Christus III, 330.
-
- Eunomius, Over het wezen Gods II, 19, 86, 91, 141, 279.
-
- Eutyches, Over de vereeniging van de naturen in Christus III, 283.
-
-
- F.
-
- Farrar, F. W. I, 134.
-
- Feuerbach, I, 106;
- over de Godsidee II, 14.
-
- Fichte, J. G. Over het Godsbegrip II, 13, 17, 82;
- over de zedelijke wereldorde II, 17, 59, 82;
- over de religio I, 191;
- over den persoon v. Christus III, 248.
-
- Flacius, Over de erfzonde III, 125.
-
- Frank, Zijn System der christlichen Gewissheit I, 434v., 439v.
-
- Frohschammer, I, 95.
-
-
- G.
-
- Gomarus, Over de uitdrukking: unio sacramentalis IV, 235.
-
- Gotti, Over het wezen Gods II, 81.
-
- Gregorius, Magnus I, 77.
-
- Gregorius v. Nyssa, Over de verhouding van wezen en eigenschappen
- Gods II, 86;
- over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92;
- zijn Realisme in de Trin. leer II, 271.
-
- Grotius, Zijn voldoeningsleer III, 325, 358;
- over de verkiezing van kerkedienaren IV, 122.
-
- Günther, I, 95;
- over de bewijsbaarheid der Trin. II, 306.
-
-
- H.
-
- Halesius, Alexander, Zijn methode in de Theol. I, 82v.;
- over het donum superadditum II, 518v.
-
- Hamelius, Over de inspiratie I, 312.
-
- Hamilton, William Over de kenbaarheid Gods II, 15.
-
- Harnack, Zijn strijd met Zahn over de geschiedenis van den N. T.
- kanon I, 337;
- over de theologische dogmata I, 511, 513v.;
- over het Art. „ontvangen van den Heiligen Geest” III, 268v.
-
- Hartmann, Ed. von, Over h. onbewuste II, 56v., 148, 156v.;
- over de heilsorde III, 459v.
-
- Hase, I, 104.
-
- Hatch, Edwin, Over de theolog. dogmata I, 135, 511v.
-
- Hegel, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theol. I, 106, 432,
- 436v.;
- over de religie I, 187v.;
- over de openbaring I, 266;
- zijn verdienste en fout I, 436v.;
- over de kenbaarheid Gods II, 14, 19;
- over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52;
- zijn Godsbegrip II, 83, 267;
- over de geestel. natuur Gods II, 148;
- over den oorsprong der wereld II, 203, 391; III, 47;
- zijn dialectische methode en haar tripliciteit II, 300;
- over het Jodendom III, 202;
- over den persoon van Christus III, 249;
- symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327;
- over de heilsorde III, 460, 468;
- over de Kerk IV, 20.
-
- Helmholtz, Over de qualitatieve eigenschappen d. dingen I, 147v.
-
- Herbert van Cherbury, I, 125.
-
- Hermes, I, 94.
-
- Herrmann, Over den grond van het geloof in den persoon van Christus
- I, 453v.
-
- Hieronymus, I, 72;
- zijn beperking van Gods alwetendh. II, 160; III, 11.
-
- Hilarius Pictaviensis I, 71.
-
- Hodge, Ch. I, 138.
-
- Hoekstra, Zijn aansluiting aan Kant I, 450.
-
- Hofmann, Over de Dogmatiek I, 434.
-
- Holden, Over de inspiratie I, 313.
-
- Holtius, I, 126; III, 453.
-
- Honert, J. van den, Over geloof en rechtvaardigmaking III, 454.
-
- Hopkins, Sam. I, 137.
-
- Huss, Joh. I, 87.
-
-
- I.
-
- Ignatius, Over het episcopaat IV, 84, 85.
-
- Irenaeus, Zijn beteekenis voor de Theol. I, 57v.;
- over de Trin. II, 253v.;
- over de twee naturen in Christus III, 240;
- over het werk van Chr. III, 316;
- over de kerk van Rome in verhouding tot andere IV, 88;
- over den tusschentoestand IV, 376.
-
- Isidorus, Hispalensis I, 33, 78.
-
-
- J.
-
- Jacobi, I, 104, 196;
- over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52, 60.
-
- Jansonius, Over het uitwendig verbond en de sacramenten IV, 322.
-
- Joris, David, Zijn Triniteitsleer, II, 265.
-
- Justinus, Martyr I, 56;
- over de Trin. en de Godheid van Christus II, 250v.;
- over de schepping uit niets II, 388;
- over het werk van Christus III, 315;
- over den tusschentoestand IV, 376.
-
-
- K.
-
- Kant, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theologie der 19e eeuw
- I, 103v., 450v., 481;
- over de religie I, 12, 190v.;
- zijn postulaats-theorie I, 447v., 480v.;
- over de verschillende soorten van zekerheid I, 480v.;
- over de kenbaarheid Gods II, 12, 17;
- over de bewijzen voor Gods bestaan II, 51v.;
- over de Triniteit II, 267;
- over de intelligibele daad III, 70;
- over het radikale Böse III, 70, 153;
- over het Jodendom III, 202;
-
- over den persoon van Christus III, 247v., 327;
- over de heilsorde III, 459;
- over de kerk IV, 20;
- over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357.
-
- Karg, (Parsimonius) Over de obed. activa III, 322, 350.
-
- Karolingische theologen I, 79.
-
- Keckermann, I, 41.
-
- Kleman, Zijn orde des heils III, 454, 497.
-
- Kleutgen, I, 97.
-
- König, Over het karakter der profetische visioenen I, 255;
- over de werkzaamheid des Geestes in betrekking tot de
- openbaring I, 256.
-
- Kuyper, A. Over de genade in den Doop IV, 269.
-
-
- L.
-
- Labadie, J. de, Over de Kerk IV, 21.
-
- Leibniz, Over de wonderen I, 292;
- over de aangeboren begrippen II, 30v.;
- over deze wereld als de beste II, 213.
-
- Leidenroth, Zijn afleiding van het woord religie I, 171.
-
- Lessing, Over de Heilige Schrift I, 374, 382.
-
- Lessius, Over de inspiratie I, 312.
-
- Leydecker, Zijn indeeling der Dogm. I, 42.
-
- Liguori, Alphonsus von I, 94.
-
- Lipsius, Vergeleken met Ritschl I, 109;
- zijn theologisch standpunt I, 455v.;
- over de engelen II, 426.
-
- Lombardus, Zijn Sententiae I, 33, 82.
-
- Lugo, Over den grond van het geloof in de openbaring I, 488.
-
- Luther, M. Zijn beteekenis voor de Theol. I, 98;
- over de rede in religieuse dingen I, 222;
- over de inspiratie I, 315;
- over de praedestinatie II, 327;
- over de verhouding van O. T. en N. T. III, 199;
- over de twee naturen in Christus III, 244;
- over boete en geloof III, 444v.;
- over de Kerk IV, 14v.;
- over de regeering der kerk IV, 108v.;
- over de ambten in de kerk IV, 119, 128v.;
- over de kenteekenen der kerk IV, 44;
- over de private biecht IV, 153v.;
- over natuur en genade I, 222v.; IV, 155v., 187;
- over de Sacramenten IV, 221;
- over den H. Doop IV, 264v.;
- over het H. Avondmaal IV, 318.
-
-
- M.
-
- Mansel, Henr. Longueville, Over de kenbaarheid Gods II, 15v.
-
- Marcion, Over het O. T. I, 317; II, 200; III, 196, 339.
-
- Mariana, Over de inspiratie I, 313.
-
- Marshall, Zijn bestrijding van de alg. voldoening III, 396.
-
- Maurice, Over het werk van Christus III, 331.
-
- Melanchton, Zijn Loci Communes I, 2, 37, 98;
- zijn afwijking van Luther I, 98; II, 327; III, 446;
- over de kenteekenen der kerk IV, 44.
-
- Menken, G. Over de heiligheid Gods II, 185.
-
- Milligan, W. III, 419.
-
- Milton, Zijn Arianisme II, 263.
-
- Molina, Over de praedestinatie II, 326.
-
- Mosheim, J. L. von I, 101.
-
- Müller, Max, Over den oorsprong der religie I, 203.
-
- Musculus, Over het Avondmaal voor kinderen IV, 350.
-
-
- N.
-
- Nestorius, Over de twee naturen van Christus I, 63; III, 281v.;
- over de aanbidding van Christus III, 298.
-
- Nicea, Conc. van II, 256.
-
-
- O.
-
- Occam, Zijn Nominalisme I, 84; II, 212.
-
- Oort, Over de doodenvereering onder Israel IV, 363v.
-
- Opzoomer, I, 130.
-
- Origenes, Zijn indeeling van de dogmat. stof I, 32;
- zijn theologie I, 60v.;
- over praescientia en praedestinatie II, 162;
- over de Trin. II, 255;
- over de schepping als een eeuwige daad Gods II, 409;
- over de oorspronkelijke gelijkheid aller schepselen II, 442, 549;
- III, 70; IV, 500;
- over de beschermengelen II, 447;
- over de wederherstelling aller dingen III, 390; IV, 500;
- over het louteringsvuur IV, 377, 500.
-
- Os, van den, Over het geloof III, 454.
-
- Osiander, Over het archetype van het beeld Gods in den mensch
- II, 535, 542;
- over het werk van Christus III, 320, 332.
-
- Osterwald, I, 127.
-
- Owen, I, 123.
-
-
- P.
-
- Pascal, Als verdediger van het Christendom I, 446.
-
- Payon, Claude I, 123; III, 454, 497.
-
- Pelagius, Over zonde en genade II, 319v., 349; III, 434v.;
- over den status integritatis en het beeld Gods II, 512;
- over de erfzonde III, 112.
-
- Perrone, I, 97.
-
- Peyrère, Isaac de la, Zijn Praeadamitisme II, 501.
-
- Pfleiderer, I, 107,
-
- Philaret, I, 68.
-
- Philippi, I, 108.
-
- Philippisten in Duitschland I, 98.
-
- Philo, Over den naam Ihvh in verband met de onbegrijpelijkheid Gods
- II, 4, 80;
- zijn Logosleer II, 86, 233v.
-
- Photius, I, 66.
-
- Piscator, Over de obed. activa III, 322, 350v.
-
- Placaeus, I, 122; III, 127.
-
- Plato, Over de mogelijkheid v. h. leeren II, 29;
- over de ideeën II, 85v., 232;
- over oorsprong en wezen der zonde III, 42, 46, 70, 129;
- over de onsterfelijkheid der ziel IV, 355.
-
- Plotinus, Over de onbegrijpelijkheid Gods II, 4;
- over het worden Gods II, 123, 204.
-
- Pobedonoszew, IV, 22.
-
- Poiret, Over het werk van Christus III, 321.
-
- Porphyrius, Als bestrijder van het christendom I, 54, 318.
-
- Procopowitsch I, 68.
-
-
- R.
-
- Ramus, Petrus III, 455.
-
- Rathmann, H. Over Woord en Geest IV, 211.
-
- Rauwenhoff, I, 186, 198, 461v.
-
- Raymund de Sabunde I, 220.
-
- Reinhard, I, 102.
-
- Reland, Over de ligging van het Paradijs II, 505v.
-
- Richer, Over de ambten in de kerk IV, 119.
-
- Ritschl, Karakter zijner Theol. I, 15, 109v., 452v.;
- vergeleken met Lipsius, I, 109;
- over de openbaring I, 267;
- zijn Godsbegrip II, 84v., 88;
- over den persoon van Chr. II, 264; III, 252v., 266;
- over de erfzonde III, 43, 113, 115;
- over de aanbidding van Christus III, 299;
- over het werk van Christus en zijne ambten III, 329v., 335,
- 350v.;
- over Mark. 10:45 III, 363;
- over de vrucht van Christus werk III, 386v., 397, 398; IV, 518;
- vergeleken met Schleiermacher III, 387;
- over de heilsorde III, 462v.
-
- Rothe, Over Dogmatiek en Ethiek I, 12;
- over de openbaring I, 265;
- over het onderscheid tusschen Jezus en de Apost. in hun
- verhouding tot de O. T. Schrift I, 340;
- zijn speculatieve methode I, 434;
- zijn Christologie III, 251v.
-
- Rufinus, I, 71.
-
-
- S.
-
- Sabellius, II, 262.
-
- Sanseverino, I, 97.
-
- Schelling, Grondgedachte van zijn wijsbegeerte uit de 2e periode
- I, 107, 191; II, 203v., 393;
- in zijn 1e periode over de openbaring I, 266;
- zijn Godsbegrip II, 83, 267;
- zijn Trin. leer II, 304v.;
- zijn verklaring van den oorsprong aller dingen, II, 304v., 390v.;
- III, 47, 169v.;
- over de goede engelen II, 426;
- zijn polygenisme II, 502;
- over Christus, in zijn 1e periode III, 248;
- in zijn 2e periode III, 251;
- zijn symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327;
- over de heilsorde III, 459.
-
- Scherer, E. I, 131.
-
- Schleiermacher, Over wezen en karakter v. een dogma I, 4;
- over de plaats der Dogm. in de Encycl. I, 9, 45;
- over het onderscheid van Dogm. en Eth. I, 12;
- zijn Theol. en invloed I, 104v., 433v.; III, 249v.;
- over de religie I, 180, 197;
- over de openbaring I, 265;
- over de inspiratie I, 319v.;
- over de H. Schrift I, 383;
- zijn subjectief uitgangspunt I, 437v.;
- over de kenbaarheid Gods II, 13;
- over het symbolisch karakter d. kennisse Gods II, 76;
- over de eigenschappen Gods II, 76, 92, 98v.;
- over de Trin. II, 267;
- over de praedestinatie II, 342;
- over de engelen II, 426, 429;
- over h. Jodendom III, 202;
- over Christus III, 249v., 328v., 354, 371;
- over de vrucht van Christus’ werk III, 386v.;
- vergeleken met Ritschl III, 387;
- over de heilsorde III, 461;
- over de kerk IV, 24, 38, 61;
- over de onderscheiding van Protestantisme en Romanisme IV, 61;
- over de Sacram. IV, 223v., 322;
- over den Doop IV, 268;
- over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357.
-
- Scholten, I, 432.
-
- Schopenhauer, Over het egoisme der menschel. natuur III, 153;
- over de heilsorde III, 459.
- Zie voorts Pessimisme.
-
- Schultens, J. J. Over rechtvaardigmaking en geloof III, 454.
-
- Schultz, Over de heiligheid Gods II, 185.
-
- Schwally, Over de doodenvereering in Israel IV, 363v.
-
- Schweizer, Zijn vereenzelviging van Theologia natur. en foedus
- operum I, 47v.
-
- Scotus (Duns, Joh) Zijn bestrijding van Thomas I, 83;
- over de kennisse Gods II, 9;
- over het wezen Gods II, 81, 89;
- over den wil Gods II, 210v.;
- zijn bestrijding van de noodzakelijk h. der voldoening II, 211;
- III, 317, 366v.;
- over de werking der sacramenten IV, 239.
-
- Servet, Over de Triniteit II, 266.
-
- Shedd, I, 138; III, 497;
- zijn Realisme in de leer d. erfzonde III, 131
- en van Christus III, 371v.
-
- Sherlock, Th. Zijn Tritheisme II, 264.
-
- Smith, Henry I, 139.
-
- Socrates, Over oorsprong en wezen der zonde III, 42.
-
- Sohm, IV, 152v.
-
- Spencer, Herbert, Zijn Agnosticisme II, 15v.
-
- Spener, Zie Pietisme.
-
- Spinoza, Zijn bestrijding van de openbaring I, 279;
- over de substantie II, 127, 134;
- over de attributen der subst. II, 91;
- over den oorsprong d. wereld II, 390;
- over de onsterfelijkh. d. ziel IV, 356.
-
- Stade, Over het begrip חטא in het O. T. III, 75, 95;
- over de doodenvereering in Israel IV, 363v.
-
- Stancarus, Over het werk van Christus III, 322, 332v.
-
- Stead, W. T. I, 134.
-
- Stearns, Lewis I, 139.
-
- Stoa, Haar Logosleer II, 232;
- over den oorsprong der zonde III, 42.
-
- Strausz, D. F. I, 106v., III, 249;
- over de engelen II, 426.
-
- Suarez, Over den grond des geloofs in de openbaring I, 487v.
-
- Swedenborg, Over de Triniteit II, 267;
- over de engelen II, 426;
- over het werk van Christus III, 321v.
-
-
- T.
-
- Tertullianus, Zijn beteekenis voor de Theol. I, 57v.;
- over de natuurl. Godskennis II, 33;
- over de lichamel. natuur Gods II, 146v.;
- over de Triniteit II, 254v., 276;
- over de twee naturen van Christus III, 240v.;
- over het werk van Christus III, 316;
- over de kerk v. Rome in verhouding tot andere IV, 88;
- over den kinderdoop IV, 279.
-
- Theodoretus, Zijn indeeling van de dogmatische stof I, 32.
-
- Thomas, Zijn Summa I, 34v.;
- over de virtutes en de religie I, 177v.;
- over het geloof v. d. articuli mixti I, 220v.;
- over de H. Schrift I, 309v.;
- over de kennisse Gods II, 8v.;
- over de voorzienigheid Gods II, 347v.; III, 6;
- over de voldoening III, 317v.;
- over de superabundantie der vold. III, 367;
- over de noodzakelijkheid der gratia interna III, 439.
-
- Thuijnen, van, III, 453.
-
- Til, Sal. van, Over de Theol. naturalis I, 43.
-
-
- V.
-
- Victorinus Rhetor I, 71.
-
- Vincentius Lerinensis, Over de kenmerken der traditie I, 402.
-
- Vinet, Alex. I, 131;
- als verdediger van het Christend. I, 447.
-
- Vlak, III, 454.
-
- Voetius, Zijn bestrijding van Cartesius’ leer der ideae innatae
- II, 38.
-
- Vorstius, Over de eenvoudigh. Gods, II, 141;
- de onveranderlijkh. Gods II, 121;
- over de menschvormige natuur Gods II, 147.
-
- Vrolikhert, III, 453.
-
-
- W.
-
- Wegscheider, I, 102;
- over de openbaring I, 280.
-
- Weismann, Over de herediteit, III, 141.
-
- Wernle, Paul, Over de heiligmaking III, 558.
-
- Wette, de, Zijn dogmat. standpunt I, 104.
-
- Whiston, W. Zijn Arianisme II, 263.
-
- White, Edward (Als voorstander v. d. Condit. onsterfelijkheid)
- IV, 502.
-
- Wiclif, I, 87.
-
-
- Z.
-
- Zinzendorf, Zie Herrnhuttisme.
-
- Zwingli, Als Geref. dogmaticus I, 112;
- over de inspiratie I, 315;
- over de zaligheid van Heidenen I, 232; IV, 196, 522;
- over de praedestinatie II, 330;
- over de causae secundae III, 26;
- over de onzichtbare en zichtbare kerk IV, 17;
- zijn Dualisme IV, 155;
- over de uitoefening der kerkel. macht IV, 155;
- over de Sacramenten IV, 221v.;
- over het H. Avondmaal IV, 318v.
-
-
-
-
-Register van Zaken.
-
- A.
-
- Aanbidding van Christus, III, 298v.
-
- Aanbod der genade, Strijd daarover in Schotland III, 395;
- algemeenheid III, 399, 488v.
-
- Aangeboren begrippen, I, 159; II, 29v.
-
- Aanneming tot kinderen, III, 551v.
-
- Aanschouwing Gods, II, 150v.; IV, 519.
-
- Aarde als middelpunt der Schepping, II, 466.
-
- Ἄβυσσος, IV, 374.
-
- Acceptilatie in de voldoening van Christus, III, 367v.
-
- Actus purissimus, van God gebezigd. II, 123.
-
- Adam en Christus, vergeleken naar hun natuur en persoon II, 545v.;
- III, 65v., 258.
- Als verbondshoofden II, 563v.; III, 134v., 226v., 351, 361, 373,
- 547.
-
- ‎‏אֲדֹנָי‏, II, 105.
-
- Adoptianisme, II, 244.
-
- Afscheiding van de kerk. Oordeel van de Geref. daarover. IV, 48,
- cf. 52.
-
- Ἀγαπαι, in de eerste Chr. kerk IV, 216, 311.
-
- Ἀγεννησια, als person. eigenschap van den Vader II, 279v.
-
- Agnosticisme, II, 15v.
-
- Αιων οὑτος en μέλλων in het N. T., IV, 482.
-
- Αἰωνες, als naam der wereld II, 420v.
-
- Αἰωνιος, in het N. T. IV, 498, 503v.
-
- Almacht Gods II, 222v.
-
- Alomtegenwoordigheid Gods II, 132v.
-
- Ambt der geloovigen IV, 117v.
-
- Ambten van Christus III, 313v., 334v., 353v.
-
- Ambten in de kerk. Ontstaan IV, 73v.;
- karakter IV, 119v.;
- aantal IV, 126v.;
- verhouding tot de gaven IV, 63.
-
- Amerika, Gesch. v. d. Dogmatiek in I, 135v.
-
- Anabaptisme, over natuur en genade, I, 222; IV, 20, 162, 186;
- over de H. Schrift, I, 381v.; III, 198; IV, 209v.;
- over de Trin. II, 265;
- over het beeld Gods II, 512;
- over de menschel. natuur van Christus III, 275v.;
- over de kerk IV, 20; over de kerkelijke macht en tucht IV, 155,
- 162;
- over de Sacramenten IV, 223;
- over den kinderdoop IV, 282v., 289.
-
- Analogia fidei bij de uitlegging der H. Schrift I, 398v.
-
- Analytische indeeling der Dogmatiek. Zie Dogmatiek.
-
- Andover position, in Amerika IV, 500.
-
- Anglikaansche kerk IV, 87.
-
- Anthropologisch bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel IV, 361v.
-
- Anthropomorphieten in de Chr. kerk, II, 147.
-
- Anthropomorphisme in de openbaring Gods I, 228v., 268v., 358;
- II, 65v., 536.
-
- Antichrist IV, 464.
-
- Anti-geologische theorie tot verzoening van Schrift en
- natuurwetenschap, II, 474v.
-
- Antinomianisme over de satisfactio vicaria III, 365;
- over de heilsorde III, 451v., 467v., 525, 527, 553; IV, 209;
- over de wet IV, 203v.
-
- Antinomianisme in Engeland I, 118; III, 453.
-
- Ἀποκαλύπτειν en φανερουν I, 244v.
-
- Apologetiek I, 429v.;
- waarde daarvan bij Rome I, 424v.
-
- Apostolaat I, 334v.; IV, 64v., 69v., 99v.;
- in ruimeren zin IV, 66v.
-
- Apostoliciteit der kerk IV, 57v.
-
- Ἀρχή, in de Philos. I, 140;
- in de H. Schrift en Theol. I, 141.
-
- Arianisme II, 260v., 262v., 309, 401, 404.
-
- Aristotelisch-ptolemeische wereldbeschouwing II, 464.
-
- Armenie-hypothese over de ligging van het Paradijs II, 505v.
-
- Arminianisme in Engeland I, 117v.;
- in Nederland I, 120.
-
- Atheisme II, 25v.
-
- Atomen in het Materialisme II, 394v.
-
- Aufklärung in Duitschland I, 102.
-
- Augustinianen in de Roomsche kerk, I, 93;
- over de praedestinatie II, 326;
- over de genade III, 441, 497.
-
- Autoritas historica et normativa der H. Schrift. Zie Gezag der
- H. S.
-
- Avesta, over den val der menschen, III, 40.
-
- Avondmaal, IV, 299v.;
- viering in de 1e Chr. kerk IV, 216, 311;
- opvatting bij Rome IV, 249, 315v.;
- instelling IV, 302v., 340v.;
- als offer opgevat IV, 312v.;
- bedienaren IV, 324v.;
- plaats van bediening IV, 327v., 348;
- wijze v. bediening IV, 328v., 348;
- in private woningen IV, 327, 350;
- voor kinderen IV, 348, 350v.;
- en Doop IV, 344, 350v.
-
-
- B.
-
- Baptisme in Engeland, I, 123v.
-
- ברא I, 396; IV, 512.
-
- Barmhartigheid Gods II, 180v.;
- in de hel II, 362, 365; IV, 510.
-
- Bath-Kol bij de Joden I, 252.
-
- Bedeeling des O. V., Eigenaardigheid III, 176, 213v., 229; IV, 443v.
-
- Bediening des Woords, IV, 165v.;
- bij Rome IV, 138v., 163.
-
- Beeld Gods als naam v. d. 2{en} persoon II, 244v., 511;
- niet de engelen, maar de mensch, II, 442v., 542, 568;
- leer v. b. II, 508v.; III, 82v.;
- grens van het, II, 557; III, 64v.;
- in hoeverre verloren door de zonde III, 82v., 165v.
-
- Beeldenstrijd in de 8e en 9e eeuw I, 66.
-
- Begrafenis van Christus III, 377.
-
- Begraven, Het, in Israel IV, 364;
- in ’t algemeen, IV, 485.
-
- Begrippen, Hun verhouding tot de werkelijkheid, I, 166v.
-
- Bekeering, III, 480v.;
- eisch van IV, 206v.
-
- Belijdenis, Als onvolledige uitdrukking van het geloof der kerk,
- I, 5v.;
- verhouding tot de Schrift, I, 25; IV, 168;
- tot de Dogmatiek, I, 27;
- geen kenbron der Dogmatiek, I, 26v.
-
- ברית, III, 192v.
-
- Beschermengelen, II, 447v.
-
- Besnijdenis in het O. T., IV, 252v.;
- overgang in den Doop, IV, 284v.
-
- Besnijdenis van Christus, III, 375.
-
- Besprenging in den Doop, IV, 272v.
-
- Bestaan Gods als onderstelling der religie, I, 209v.
-
- Bewijzen voor Gods bestaan, II, 48v.
-
- Bezetenen onder het N. T., III, 184v.
-
- Biecht, Zie Boete.
-
- Bijgeloof, I, 247; III, 180v.
-
- Bisschoppelijk ambt, bij Rome enz. IV, 9v., 96v., 126v.;
- ontstaan, IV, 82v.;
- kritiek, IV, 96v.;
- verh. tot andere ambten, IV, 127v.;
- tot den Paus, IV, 147v., 150v.;
- bij somm. Geref., IV, 99, 130.
-
- Bloed van Christus, III, 377.
-
- Boek des levens, II, 314v., 318.
-
- Βουλή, van den wil Gods gebruikt, II, 315.
-
- Boete in de 1e Chr. kerk, III, 434;
- bij Luther, III, 444v., 480;
- bij de Geref., III, 480;
- als sacrament in de Roomsche kerk, IV, 139v., 163v., 170, 249.
-
- Boom der kennis des goeds en des kwaads, II, 559; III, 35v.
-
- Boom des levens, II, 559.
-
- Borgtocht van Christus, III, 204v.
-
- Bovennatuurlijk, Opvatting in de Theol., I, 222, 273v.
-
- Breedkerkelijke partij in Engeland, I, 133v.
-
- Buddhisme, III, 41, 426; IV, 2.
-
-
- C.
-
- Calvinisme, II, 371v.
-
- Calvinistische Theologie in Frankrijk, I, 113, 122v., 127, 131;
- in Nederland, I, 114, 116, 125v., 129v.;
- in Engeland en Schotland, I, 114v., 117v., 123v., 128, 132v.;
- in Duitschland, I, 115, 130;
- in Amerika, I, 135v.
-
- Canonisatie in de Roomsche kerk, IV, 400.
-
- Cartesianisme in de Theol. I, 120v.
-
- Catechese, bij de Reform. IV, 352.
-
- Causa sui, op God toegepast, II, 122, 123, 124.
-
- Causae secundae, III, 22, 25v.
-
- Cesareopapisme, IV, 189;
- in het Oosten, IV, 142.
-
- Chaldeeuwsche Genesis, II, 388.
-
- Character indelebilis bij Rome, IV, 241v.
-
- Charismata in de gemeente IV, 29, 117;
- verhouding tot de ambten, IV, 63.
-
- Cherubim, II, 430v.
-
- Chiliasme, IV, 436v.
-
- Chochma bij Israel, II, 169.
-
- Christendom, in betrekking tot het Heidendom, I, 240, 247v.;
- III, 228v.;
- en natuurwetenschap, II, 422v., 465; III, 23v.;
- volgens Rome, II, 528v.
-
- Christus, Is hij causa electionis? II, 380; III, 356;
- als object van praedestinatie en electie II, 382v.;
- in zijn relatie tot de engelen II, 444v.; III, 405v.;
- zijn zondeloosheid, III, 145, 295v., 366;
- zijn persoon, III, 228v.;
- zijn Godheid, III, 239, 264v.;
- zijn ontvangenis van den H. Geest, III, 268v, 272v.;
- als Davidide, III, 274;
- als openbaring Gods, III, 342;
- zijn menschheid, III, 275v., 287v., 291v.;
- zijn getuigenis over het O. T., I, 333; III, 295;
- zijn werk, III 302v.;
- zijn verhouding tot de Wet, IV, 201v.;
- heeft Hij ook iets voor zichzelven verdiend? III, 312v., 411v.;
- in de nieuwere Theol. en Philos., III, 247v., 276, 328.
-
- Chronologie der Schrift, II, 470v., 488.
-
- Clerus bij Rome, IV, 86, 95v., 126v.;
- indeeling, IV, 127v.
-
- Coadamitisme, II, 501.
-
- Coccejanisme, I, 121. Zie voorts Coccejus.
-
- Communicatio apotelesmatum, III, 290.
-
- Communicatio charismatum, III, 290.
-
- Communicatio idioimatum, III, 290:
- bij Rome en de Lutherschen, III, 243v., 290v.
-
- Communisme, II, 561.
-
- Concilie van Constanz, I, 87.
-
- Concilie van Trente, I, 88;
- over de verhouding van bisschopp. en pauselijk ambt, IV, 147.
-
- Concordistische theorie tot verzoening van Schrift en
- natuurwetenschap, II, 473v., 479.
-
- Concupiscentia, III, 86v., 125;
- bij Augustinus, III, 86, 120;
- bij Rome, III, 86, 122; IV, 277.
-
- Concursus, III, 8, 16, 20v., 25v.;
- verschillende opvatting in de Roomsche Theol., III, 11v.
-
- Confucianisme, III, 41.
-
- Congruisten in de Roomsche kerk, I, 93; III, 441, 497v.
-
- Constantinopel als mededingster van Rome, I, 70; IV, 90v.
-
- Creatianisme, II, 565v.;
- met het oog op de voortplanting der erfzonde, II, 567; III, 144.
-
- Creatio prima et secunda, II, 459.
-
- Cultus Dei en religie bij de Geref., I, 179, 182.
-
- Cultuur en religie, I, 201.
-
-
- D.
-
- Dag des Heeren in de profetie, I, 261v.; IV, 427, 481;
- in de Joodsche Theol. en het N. T., IV, 481v.
-
- Δαιμων, als naam Gods, II, 103.
-
- Darwinisme, II, 492v., 513v.;
- als polygenisme, II, 502, 506v.;
- beteekenis voor de handhaving van de eenheid van het menschelijk
- geslacht, II, 503.
-
- David als theocratisch koning, III, 230.
-
- Decretum horribile, van Calvijn, II, 371.
-
- Deisme, Alg. karakter, I, 17; II, 308; III, 13v.;
- over de religie I, 194;
- over de eeuwigh. Gods, II, 128;
- over de alomtegenwoordigh. Gods, II, 134, 137v.;
- over de voorzienigh. Gods, III, 11v.;
- over de causae secundae, III, 26;
- over den oorsprong der zonde, III, 43v.
-
- Deisme in Engeland, I, 124v.;
- betreffende het histor. karakter der openb., I, 297;
- over de genoegzaamh. der alg. openb., I, 232.
-
- Determinisme, in zijn onderscheiding van de praedestinatie,
- II, 341v.; III, 9v.
-
- Deugden Gods, II, 78v.;
- als hypostasen opgevat, II, 85v.;
- in verh. tot het wezen Gods, II, 86v.;
- subjectieve opvatting, II, 91v.;
- indeelingen, II, 95v.
-
- Deugden der Heidenen en ongeloovigen, I, 238v.; III, 149, 152, 210v.
-
- Διαθηκή in LXX en N. T. III, 195.
-
- Diakonaat, IV, 78v., 165, 177v.;
- bij Rome, IV, 128.
-
- Διακονία, in het N. T. IV, 80.
-
- Dicta duriora bij Augustinus en de Geref., II, 372v.; III, 57v.
-
- Δικαιοσυνή θεοῦ bij Paulus, III, 533v.
-
- Diocese bij Rome, IV, 85.
-
- Doctorenambt, IV, 130.
-
- Dogma, I, 3v.;
- ontstaan v. h., I, 514v.;
- volg. Harnack en Hatch, I, 511v.
-
- Dogmatiek, Naam I, 1v.;
- formeel begrip, I, 6;
- materieel begrip, I, 6v.; II, 1;
- plaats in de Encyclopedie, I, 9v.;
- methode, I, 14v.;
- indeeling, I, 31v.;
- geschiedenis, I, 51v.;
- kerkelijk karakter, I, 14, 23;
- persoonl. karakter, I, 28v.;
- kritische richting in de I, 16v.
-
- Dogmatische terminologie, I, 528; II, 268; IV, 225.
-
- Δόξα, II, 191.
-
- Donatisme, over de lapsi IV, 139.
-
- Donum superadditum bij Rome;
- in de engelenwereld, II, 441;
- bij de menschen, II, 517v., 555.
-
- Dood als straf der zonde, III, 176v.; IV, 367, 372, 383, 505;
- voor de geloovigen, IV, 411v.
-
- Dood van Christus. Zie Kruis, werk van Christus.
-
- Doodenvereering in de versch. godsdiensten, IV, 392;
- in Israel, IV, 363v.
-
- Doodenvragen in de H. S., IV, 395v.
-
- Doop, IV, 252v.;
- in verband tot de wedergeboorte, IV, 197v., 266, 290v.;
- tot het Avondmaal, IV, 344v., 350;
- van Joh. den Dooper, IV, 254v., 447;
- bedienaren, IV, 293v.;
- plaats v. bediening, IV, 295v.;
- tijd van bediening, IV, 296v.;
- wettigh., IV, 299;
- objecten, IV, 299;
- bij Rome, III, 442; IV, 248, 262v., 270, 275, 277.
-
- Doop van Christus, III, 375.
-
- Doopgetuigen, IV, 297v.
-
- Δουλεια en λατρεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.
-
- Drie. Getal in natuur en Schrift, II, 298v., 311.
-
- Drieëenheid, II, 227v.;
- in verband met de eenvoudigheid Gods, II, 144v.;
- met de leer v. d. mensch, II, 539;
- als onderstelling van de vleeschwording, III, 254v.;
- belang voor de heilsorde, III, 469v.
-
- Droomen als openbaringsmiddel, I, 253v.
-
- Dualisme op metaphys. gebied in betr. tot den persoon van Christus,
- III, 278v.;
- van gelooven en weten in de N. Theol., I, 463v., 482, 512;
- II, 456.
-
- Duidelijkheid der Schrift. Zie Schrift.
-
- Duivelen, III, 90v.;
- aard hunner zonde, III, 92v.;
- macht over de wereld, III, 199v.
-
- Duizendjarig rijk. Zie Chiliasme.
-
-
- E.
-
- Ebionitisme over Christus, III, 240;
- over Zijn werk, III, 320;
- over de toekomst, IV, 375.
-
- ‎‏אֵל‏‎, II, 104.
-
- ‎‏ברית‏‎, II, 104, 228.
-
- אֵל שַׁדַּי‏, II, 106.
-
- Eenheid der kerk, IV, 7v., 31, 53v.
-
- Eenvoudigheid Gods, II, 88, 94, 140v.
-
- Eeuwigheid Gods, II, 128v., 412.
-
- Eeuwigh. en tijd, II, 128v., 410v., 412v.
-
- Eigennamen Gods, II, 102v.
-
- Eigenschappen Gods. Zie Deugden Gods.
-
- Eigenschappen der Schrift. Zie Schrift.
-
- Ἐκκλησία. Beteekenis en gebruik, IV, 4, 6, 25, 448.
-
- Εκλογή, II, 316.
-
- Emanatie-leer, II, 400v., 414.
-
- Empirisme, I, 151v.
-
- Engel des Heeren. Zie Malak Ihvh.
-
- Engelen, II, 425v.;
- als bemiddelaars der openbaring, I, 249; II, 428, 445, 454;
- gedacht als bewoners der planeten, II, 426v.;
- getal, II, 431, 433;
- bestaan, II, 425v.;
- namen, II, 429v.;
- rangorde onder de, II, 432v.;
- hun schepping, II, 434v.;
- geestelijke natuur, II, 435v.;
- verschijningen, II, 437;
- redelijke natuur, II, 438v.;
- zedel. natuur, II, 440v.;
- vergeleken met de menschen, II, 442v., 567v.;
- dienst en werkzaamheid, II, 445v.;
- voorbede, II, 448v.; IV, 394, 398;
- vereering, II, 451v.;
- heeft Christus iets voor hen verdiend? II, 444v.; III, 405v.;
- zijn zij leden der kerk, II, 445; IV, 30v.;
- beteekenis v. h. geloof aan de II, 428, 451v.
-
- Episcopaat. Zie Bisschoppelijk ambt.
-
- Episcopale stelsel van kerkregeering, IV, 82v., 96v.
-
- Επισκοποι en πρεσβυτεροι, IV, 74v., 97v.
-
- Erfelijkheid volgens de nieuwere wetenschap, III, 140 v.
-
- Erfzonde, III, 108v.;
- bij Rome, II, 525,; III, 116, 121v.
-
- Ervaring als bewijs voor de waarheid der religie, I, 458v.
-
- Esseners. Hun Eschatologie, IV, 371.
-
- Essentia, als aanduiding v. h. wezen Gods, II, 270;
- Dei, bij de kerkvaders, II, 79, 87, 117.
-
- Ethicisme, I, 191v.
-
- Ethiek, Verb. tot de Dogmatiek, I, 12v.
-
- Evangelie en Wet, IV, 201v.;
- bij het eindgericht, IV, 492v.
-
- Evangelieprediking aan de overzijde van het graf, IV, 382, 402v., 499.
-
- Evangelisten in het N. T., IV, 67v.
-
- Evolutie theorie, I, 236v., 345; II, 491v., 513v.;
- over het bederf des menschen, III, 153v.
-
- Examinatie, IV, 123v.
-
- Expromissio en fidejussio, III, 204.
-
- Extase bij het profetisch visioen, I, 255, 256.
-
-
- F.
-
- Fatum. Zie Noodlot.
-
- Fidejussio en expromissio, III, 204.
-
- Fides implicita bij Rome, I, 518v.
-
- Filioque. Strijd over het, tusschen het O. en het W., II, 291v.
-
- Foederalisme in de leer der erfzonde, III, 131v.
-
- Formula Concordiae, I, 99;
- over de praedest. en wilsvrijheid, II, 328v.; III, 446.
-
- Fundamenteele Artikelen bij do Prot. I, 520v.
-
- Future probation theorie in Engeland, IV, 500.
-
-
- G.
-
- Gabriel, II, 431.
-
- Gallikanisme, I, 403.
-
- ‎‏חַטָּאת‏‎, III, 74v., 95.
-
- Gaven, geestelijke. Zie Charismata.
-
- Geest, Heilige II, 246v., 285v.;
- als principe der openb. I, 256v.; II, 230v.;
- als principe d. schepping, II, 228v., 405;
- zijn uitgang, II, 246v., 287v.;
- zijn persoonlijkh. en Godh., II, 247, 285v.;
- bij den mensch in den staat der rechtheid, II, 540v.;
- zonde tegen den, III, 101v.;
- werkzaamheid in betr. tot de menschel. natuur van Christus,
- III, 268v., 272v., 416v., 430, 471v.;
- in betrekking tot de uitverkorenen, III, 430v., 469v., 556v.;
- IV, 342;
- uitstorting op den Pinksterdag, III, 217, 430v.; IV, 5;
- zijn werking ten opz. van het Woord, IV, 209v.;
- als uitdeeler v. d. gaven in de kerk, IV, 29.
-
- Geest des menschen, II, 537;
- en ziel, II, 537v.
-
- Geestenverschijningen, IV, 395, 396v.
-
- Geestelijke natuur Gods, II, 145v.
-
- Geestelijke wereld, II, 424v.;
- beteekenis v. h. geloof daaraan voor de religie, II, 428, 454v.
-
- Geestelijk leven in verh. tot natuurlijk en zedelijk leven, IV, 188.
-
- Gehenna, IV, 374, 495.
-
- Gehoorzaamh. van Christus. Dadelijke,
- Zie obedientia activa. Lijdelijke,
- zie obedientia passiva.
-
- Geloof in alg. zin, I, 469v.; III, 514;
- in relig. zin, I, 174, 181v., 472v.; III, 450, 514v.;
- als princ. internum v. d. rel. openb. Theol. I, 468v.;
- opvatting in de eerste Chr. kerk, I, 475v.;
- bij Rome, I, 476, 523; III, 442, 521v.;
- in de Reform. I, 477v., 523; III, 522;
- en Theologie I, 509v.;
- bij Christus, III, 294v., 515;
- eisch van IV, 206v.;
- in verh. tot de rechtv. making, III, 452v., 535v.;
- beteek. voor de Sacramenten IV, 241v., 344.
-
- Geloofsstandpunt, onmisbaar voor den dogmaticus, I, 467v., 524.
-
- Gelooven en weten, I, 463v., 483v.
-
- Gelooven op gezag, I, 374v., 376v.
-
- Gemeenschap der heiligen, IV, 28v., 520v.;
- der strijdende en triomf. kerk, IV, 417v., 520.
-
- Gemeente en kerk, IV, 25v.;
- haar beteekenis en invloed in de regeering der kerk, IV, 73, 79,
- 122v., 180v.
-
- Gemeente godsdienstoefeningen in den apost. tijd en verv. IV, 215v.,
- 311.
-
- Genade Gods, II, 181;
- hare openbaring terstond na den val, III, 155, 187v., 207v.;
- geen tegenstelling van de gerechtigheid Gods, II, 200v.;
- III, 339v., 346v., 381v.
-
- Genade, III, 474v.;
- karakter bij Rome, II, 524, 528; III, 443v., 475v.;
- bij de Geref. III, 476v., 508v; IV, 187v.;
- alg. zie gratia communis; voorber., zie gratia praeparans.
-
- Generatie v. d. Zoon, II, 282v.;
- in verband tot de schepping, II, 282, 310v., 401; III, 257.
-
- Geologie over de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, II, 469v.,
- 482v.; III, 208;
- verschil met de openb. II, 470v.;
- waarde v. d. II, 477.
-
- Geologische perioden, Bezwaren daartegen, II, 482v.
-
- Gerechtigheid Gods, II, 194v; III, 157, 340, 533. Vgl. ook genade
- Gods.
-
- Gerechtigheid bij menschen, II, 197v.; III, 427.
-
- Gereformeerden, verschil van de Lutherschen, I, 111; II, 328, 418;
- schakeeringen onder hen, I, 115; II, 331v.;
- over de Heid. religies, I, 239;
- over de inspiratie, I, 315v.;
- over de onbegrijpelijkh. Gods II, 10v.;
- over de nat. Godskennis, II, 37v.;
- hun omschrijving Gods, II, 81v.;
- over de praedestinatie, II, 330v., 358v., 373;
- over het beeld Gods, II, 531, 535;
- over den staat der rechtheid, II, 557v.;
- over de erfzonde III, 126v.;
- hun verbondsleer, III, 199v.;
- hun Christologie, III, 246, 291v., 294, 300v.;
- over de particul. voldoening, III, 394v.;
- over het koningschap van Christus, III, 424;
- over de heilsorde, III, 447v., 463v.;
- verschillen met het oog op de heilsorde, III, 452v.;
- over de kerk, IV, 16v.;
- over de kenteekenen der kerk, IV, 44;
- over de onderscheidene ambten in de kerk, IV, 130v.;
- over de macht der kerk, IV, 153v., 164v.;
- hun verwerping van de biecht, IV, 154, 170;
- over de genademiddelen, IV, 196v., 199;
- over de wet, IV, 208;
- over de verhouding van Woord en Geest, IV, 210v.;
- over de Sacramenten, IV, 226v., 236v.;
- over den Doop, IV, 265v., 275v.;
- over den Kinderdoop, IV, 281v., 297, 298;
- over het Avondmaal, IV, 321, 331v., 341v.;
- over den tusschentoestand, IV, 380;
- over de vroegsterv. kinderen, IV, 523.
-
- Gereform. Dogmatiek. Geschiedenis I, 111v, vgl. Dogmatiek.
-
- Gevoel als kenbron der Dogmatiek, I, 16v.;
- als zetel der religie, I, 195v.
-
- Gevoelsrichting in Duitschland in de 18e eeuw, I, 104.
-
- Geweten, III, 164.
-
- Gezag in gezin en maatschappij, I, 376;
- in wetenschap en kunst, I, 377;
- in religie en Theol. I, 378v.
-
- Gezag der Heilige Schrift. Zie Schrift.
-
- Giesseusche en Tubinger theologen over de exinanitio Christi
- III, 245.
-
- ‎‏עֶלְיוֹן‏‎, II, 105.
-
- Gnesio lutheranen in de 16e eeuw, I, 98v.
-
- Gnosimachi, I, 509.
-
- Gnosticisme, I, 54v.;
- over de Schrift, I, 380;
- over de onbegrijpelijkh. Gods, II, 4;
- over het Oude Test., III, 196v.;
- over de schepping, II, 401;
- over Christus, III, 240, 275;
- over het werk van Christus, III, 320;
- over de kerk, IV, 9;
- over de Eschatologie, IV, 375v.
-
- God, als de Wordende in de panth. philos., II, 122, 124v.;
- als de Zijnde, II, 115v.;
- als Geest, II, 140v.;
- als Licht, II, 155v.;
- als de Heilige, II, 176v.;
- als Souverein, II, 202v.;
- afleiding v. d. naam, II, 103;
- als nomen personale v. d. eersten persoon, II, 240v.;
- toegepast op den Zoon, II, 245v.; III, 239, 264v., 266v.
-
- Godheid van Christus. Zie Christus.
-
- Godsbegrip, Geschied. v. h. II, 78v.
-
- Godsdienstwetenschap, nieuwere I, 183v.;
- methode, I, 185v., 208v.;
- over den oorsprong der religie, I, 204v., 236v.;
- over oorspr. karakter v. h. Heidendom, I, 236v.
-
- Goede, Het II, 177.
-
- Goede werken, III, 564v., 571v.
-
- Goedertierenheid Gods, II, 180.
-
- Goedheid Gods, II, 176;
- in abs. zin als volmaaktheid, II, 178;
- voor anderen, II, 179v.;
- als motief der wereldschepping, II, 415v.
-
- Goedheid des menschen, II, 539v.
-
- Gottschalksche strijd, II, 322v.
-
- Graden in de zonde, III, 89v.;
- in de helsche straffen, IV, 421v., 510;
- in de toek. zaligheid, IV, 421v., 526v.
-
- Gratia communis bij de Geref. I, 239;
- III, 2O7v.;
- IV, 188, 384.
-
- Gratia praeparans, III, 493v.
-
- Gratia praeveniens bij Rome, II, 326; III, 439, 440v.
-
- Grieksche kerk. Haar karakter en Theol. I, 68v.;
- II, 292v., 319, 539;
- III, 116, 242;
- over de nederdaling ter helle, III, 378;
- over de kerkelijke macht, IV. 153, 164.
-
- Gronden des geloofs. Moeilijkheid v. h. onderzoek daarnaar, I, 418v.;
- volg. de histor. apolog. bewijsvoering, I, 420, 423v.;
- volg. de speculatieve bewijsvoering, I, 420, 431v.;
- volg. de ethisch psycholog. bewijsvoering I, 420, 444v.;
- in de Christ. kerk en Theol. I, 484v.
-
- Groninger Theologie, I, 129;
- haar Godsbegrip, II, 84;
- over Christus’ werk, III, 330, 354.
-
- Grootheid Gods, II, 194.
-
-
- H.
-
- Haat Gods, II, 196.
-
- ‎‏הָדָר‏‎, II, 191.
-
- Hades in het N. T., IV, 372v. Vgl. verder Scheol.
-
- Haeresie. Zie ketterij.
-
- Handoplegging, III, 306; IV, 124v.
-
- Hart des menschen, II, 538v.
-
- Hattemisten, III, 452.
-
- Hebreën, III, 452.
-
- Heerlijkheid Gods, II, 191v.
-
- Heidendom, Oorspr. en kar. volg. de Schrift, I, 234v.; III, 425;
- volg. de nieuwere godsdienstwetenschap, I, 236v.;
- elementen van waarheid in het, I, 238v., 247v., III, 228v.;
- vergeleken met de rel. v. Israel, I, 247v., III, 211v.;
- met het Christendom, I, 240, 247v.
-
- Heidenen. Mogelijkheid hunner zaligheid, I, 232; IV, 522v.
-
- Heilig, als attribuut van personen en zaken, II, 186; III, 557.
-
- Heiligen, als daad Gods, II, 186v.
-
- Heiligheid Gods, II, 184v.
-
- Heiligheid der kerk, IV, 54v.
-
- Heiligmaking, III, 553v.; IV, 411;
- in betrekking tot de rechtvaardigmaking, III, 431v., 540, 553v.;
- volkomene, bij den dood, IV, 411v.
-
- Heiligverklaring in de Roomsche kerk. Zie Canonisatie.
-
- Heilsorde, III, 425v.
-
- Hellenistisch Grieksch in het N. T., I, 348, II, 236.
-
- Helsche straffen, IV, 496v.
- Vergel. Gehenna.
-
- Hemel in de H. Schrift, II, 434v.
-
- Hemelvaart van Christus, III, 410v.
-
- Herediteit. Zie Erfelijkheid.
-
- Herrnhutisme, I, 101; II, 266v.; III, 300, 321, 457v.; IV, 21.
-
- Hexaemeron. Zie Scheppingsdagen.
-
- Historische boeken des O. T., I, 327.
-
- Historisch-kritisch onderzoek der H. Schrift in verb. met de
- inspiratie, I, 318v., 340v., 360.
-
- ‎‏הוֹד‏‎, II, 191.
-
- Hoog-kerkelijke partij in Engeland, I, 133.
-
- Huisgemeenten, IV, 6, 73, 116.
-
- Huwelijk als Sacr. bij Rome, IV, 250.
-
-
- I.
-
- Ideäe innatae. Zie Aangeboren begrippen.
-
- Ideale theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetensch.,
- II, 471v., 476.
-
- Idealisme. Zie Rationalisme.
-
- Ideën in ’t alg., II, 171v.;
- in God, II, 170v.
-
- IJver Gods, II, 197.
-
- Ἱλασμος en καταλλαγη, III, 313, 381v., 524.
-
- Immanentie Gods. Physische en ethische, II, 138v.
-
- Independentisme, I, 123; IV, 21v., 115, 116, 183.
-
- Indifferentisme, (religieus) I, 174, 184v.
-
- Infralapsarisme. Zie Supra- en Infralapsarisme.
-
- Inspiratie, I, 306v.;
- in ruimeren zin, I, 251;
- subsequens, I, 313;
- als negatieve assistentie des H. Geestes, I, 313;
- alleen v. h. religieus-ethische bij Rome, I, 313;
- onder de Protest, I, 318v., 349, 351v.;
- realis bij Rome, I, 314;
- dynamische, I, 319v., 351 v.;
- organisch op te vatten, I, 346v.;
- bezwaren tegen de, I, 353v.
-
- Irvingisme, IV, 23.
-
- Islam over praedest. en wilsvrijheid, II, 318;
- over de verlossing, III, 425v.;
- over den Mahdi, IV, 426.
-
- Israel, godsd. v. vergeleken met andere. I, 247v.; III, 211v.;
- Kerk en Staat in, IV, 3, 132v.;
- toekomst v. volgens het O. T., IV, 426v.;
- volgens het N. T., IV, 446v.;
- vgl. ook Bedeeling des O. Verbonds.
-
-
- J.
-
- ‎‏יָהּ‏‎, II, 110.
-
- ‎‏יהוה‏‎, II, 107v., 116.
-
- Jahvisme en volksgodsdienst in Israel, IV, 364.
-
- Jakobus en Paulus over de rechtvaardigmaking, III, 546v.
-
- Jezuïten, Hun invloed op de schol. beoefening der Theol., I, 91, 97;
- Hun leer v. d. inspiratie, I, 312v.;
- v. d. scientia media, II, 162v.
-
- Jezus, Beteekenis v. d. naam, III, 332.
- Vgl. verder Christus.
-
- Johannes de Dooper, IV, 254v.
-
- Joodsche Theologie over inspiratie en traditie, I, 306v.;
- over de versch. hypostasen en sefiroth Gods, II, 86, 127, 147,
- 234;
- over den oorsprong der zonde, III, 41, 45, 112;
- over den tusschentoestand, IV, 370v.;
- over de toekomst van Israel, IV, 436v.
-
- Judaisme, III, 196.
-
- Judas, Zijn tegenwoordigheid bij het Avondmaal, IV, 347.
-
- Justitia originalis, II, 526v., 532, 540.
-
-
- K.
-
- כָּבוֹד יה, II, 191.
-
- Kant, Laplace’sche hypothese, II, 467v.
-
- Καταλλαγή en ἱλασμος, III, 313, 381v., 524v.
-
- Katholiciteit der kerk, IV, 8v., 55v.
-
- Kennisse Gods als inhoud der Dogm. I, 6v.; II, 1v., 77v.;
- haar grondslag: openbaring II, 22v., 24v., 40, 41, 45;
- niet adaequaat, II, 5, 25, 73, 75v.;
- niet symbolisch, II, 76v.;
- ingeschapene, II, 24v.;
- verkregene, II, 44v.
-
- Κενωσις, Leer v. d., in de nieuwere Theologie, II, 122v., III, 252,
- 283v.
-
- Kerk, Haar wezen, I, 422; IV, 1v.;
- zichtbare en onzichtbare, IV, 15v. 33v., 37v.;
- als instituut, IV, 34v., 60v., 197v.;
- kenteekenen, IV, 38v.;
- gedeeldheid, IV, 41v., 49v.;
- eigenschappen, IV, 53v.;
- ware en valsche, IV, 47v., 52;
- regeering, IV, 59v.;
- macht, IV, 132v.;
- belijdend karakter, IV, 168v.;
- in haar verhouding tot de Schrift, I, 24, 304, 363v., 366v.,
- 380, 383, 385, 424v.; IV, 39, 43v., 195;
- als grond v. h. geloof aan de Schrift, bij Rome, I, 424, vgl. 431;
- IV, 39v.;
- hare roeping in betr. tot de uitlegging der Schrift, I, 399;
- IV, 167v.;
- in hare verhouding tot de Theol., I, 517, 525;
- tot den Staat, zie Staat;
- tot het Godsrijk, IV, 27;
- tot de wereld, IV, 186v.
-
- Kerkenorde, Beteekenis, IV, 110.
-
- Kerkeraad, IV, 127, 179v.
-
- Kerkvaders, Over de Heilige Schrift, I, 308v.
-
- Kerkverband, IV, 115.
-
- Kerspelvorming, IV, 116v.
-
- Ketterdoop, IV, 299.
-
- Ketterij, IV, 52.
-
- Kinderdoop, IV, 265, 278v.
-
- Kinderen, jongstervende. Hun toekomstig lot. Zie zaligheid.
-
- Knecht des Heeren bij Jesaja, III, 231v., 308v.
-
- קדשׁ‏‎, II, 185.
-
- Koningschap Gods, III, 2v., 28v.
-
- Koningschap onder Israel, III, 230.
-
- Koninkl. ambt van Christus, III, 335v., 421v.; IV, 111v.;
- als Materialprinzip v. d. Geref. kerkregeering, IV, 113v.
-
- Koninkrijk Gods in de profetieën, IV, 435v.;
- in de Joodsche Theol. IV, 436v.;
- bij Jezus, III, 233v., 429; IV, 447v., 514;
- en kerk, IV, 27.
-
- Kopernikaansche wereldbeschouwing, II, 465.
-
- Kosmogonieën der Heidenen, II, 387v., 457.
-
- Kosmologisch bewijs voor het bestaan van God, II, 54v.
-
- Kritiek, nieuwere, Over de bondsidee, III, 191v.;
- over het O. Test. in ’t alg., III, 202v.
-
- Kruisdood van Christus, III, 376v.
-
- Kunst en religie, I, 199v.
-
- Κυριος, als naam Gods, II, 103, 113.
-
-
- L.
-
- Lankmoedigheid Gods, II, 181.
-
- Lastering tegen d. H. Geest, III, 101v.
-
- Λατρεια en δουλεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.
-
- Leeraarsambt, IV, 76v., 166v.
-
- Leger des heils, IV, 22.
-
- Leven in de H. Schrift, IV, 356, 367v., 383, 384v., 505.
-
- Levens van Jezus. Oordeel daarover, III, 374v.
-
- Levensduur, langere, der menschen vóór den zondvloed, III, 208.
-
- Lezen der Schrift, door de leeken bij Rome, I, 394, 396.
-
- Libertinisme, III, 55.
-
- Lichaam des menschen, II, 541v.;
- vereeniging met de ziel, II, 541v.
-
- Lichamelijkheid der gestorven zielen, IV, 381, 389v.
-
- Licht, van God gebruikt, II, 155, 192v.;
- natuur van het II, 460v.
-
- Liefde Gods, II, 183v.;
- en de voldoening van Christus, III, 357, 381v.
-
- Liefde in de gemeente, IV, 30, 169.
-
- Lijden, het, in betr. tot de regeering Gods, III, 32v., als straf
- der zonde, III, 159v., 167v.
-
- Lijkenverbranding, IV, 485.
-
- Limbus infantum bij Rome, IV, 378, 421.
-
- Limbus patrum bij Rome, IV, 378, 421;
- bij anderen, IV, 382.
-
- Loci, Beteekenis dezer uitdrukking in de Roomsche Theol., I. 2.
-
- Loci Communes, Beteekenis bij Cicero, I, 1;
- als naam d. Dogmatiek, I, 2.
-
- Logos, als benaming van Christus in de Schrift, I, 339; II, 234v.,
- 241v., 283, 407v.;
- bij de Stoa, II, 232; bij Philo, II, 233v.;
- bij de Apolog., II, 405;
- opgevat als de wereldidee, II, 405v.
-
- Loon in de H. Schrift, II, 553v.; III, 563v.; IV, 526v.
-
- Lot als openbaringsvorm, I, 252.
-
- Luthersche Dogmatiek, Geschiedenis, I, 98v.
-
- Lutherschen, Verschil van de Geref., I, 110v.; II, 328v., 418, 556v.,
- 567v.; III, 446v.;
- verwantschap met de Remonstranten, II, 329v.;
- over de duo hemisphaeria, I, 223; II, 35v., 534v.; III, 152;
- IV, 156, 187;
- over de cognitio Dei insita, II, 36v.;
- over de deugden Gods (indeeling), II, 98;
- over de praedestin., II, 328v.;
- over het beeld Gods, II, 529v., 530v., 534v., 556v., 565, 567v.;
- over de erfzonde, II, 567, 569; III, 125v.;
- over de verhouding van O. en N. Test., III, 199;
- over de twee naturen in Christus, III, 244v., 290, 294, 350,
- 412v.;
- over de aanbidding van Christus, III, 300;
- over de nederdaling ter helle, III, 379;
- over de verhooging van Christus, III, 412v.;
- over de heilsorde III, 446v.;
- over de kerk, IV, 23;
- over de regeering der kerk, IV. 108v., 128v., 156, 164;
- over het episcopaat, IV, 99;
- over de genademiddelen, IV, 196;
- over de wet, IV, 207v., vgl. II, 556; III, 350;
- over Woord en Geest, IV, 210v.;
- over de Sacram. IV, 228, 232, 235v., 242, 243;
- over den Doop, IV, 264v., 271, 281;
- over het Avondm., IV, 318, 331v., 341v.;
- over den tusschentoestand, IV, 379v.;
- over de wederkomst van Christus, IV, 480.
-
- Λύτρον, van Christus gebruikt, III, 363.
-
-
- M.
-
- Magie, I, 246.
-
- Mahdi, volgens het Mohammedanisme, IV, 426.
-
- Majesteit Gods, II, 194.
-
- Mal’ak Ihvh, I, 250; II, 229v.
-
- Manicheisme, II, 388; III, 54.
-
- Mantiek, I, 246.
-
- Maria, III, 261v.; Haar onbevlekte ontvangenis, volg. Rome
- III, 145v. 262v.;
- haar voortdurende virginiteit, III, 271.
-
- Marrow Controversy in Schotland, I, 128;
- III, 395v.
-
- Materialisme, I, 285; II, 391, 392v., 394v., 419v.;
- over het zedelijke leven, II, 59.
-
- Mensch De, Vergeleken met de engelen, II, 442v., 567v.;
- met de dieren, II, 490, 557v.;
- zijn oorsprong, II, 490v.;
- ouderdom, II, 498v.;
- eenheid, physisch en ethisch, II, 500v., 563v., 568v.;
- III, 129v.;
- oorspronk. woonplaats, II, 504v., 543;
- wezen, II, 508v.;
- heerschappij over de aarde, II, 543v.;
- zijn verhouding tot de natuur, volgens de christelijke
- wereldbeschouwing, II, 422v.; III, 24v.;
- zijn bestemming, II, 545v.;
- verlossingsvatbaarheid, III, 188.
-
- Menschwording van den Zoon, III, 253v.;
- als centrum der openbaring, I, 268, 269; III, 257v.;
- buiten de zonde, II, 406; III, 258v.;
- voorbereiding daartoe, III, 210v, 211v., 256v.;
- in haar verband tot de religie, III, 285v.;
- was ze een vernedering? III, 291, 375.
-
- Meritum ex congruo bij Rome, II, 324, 356; III, 442.
-
- Messiasverwachting in de profetieën, III 230v., 308v.; IV, 427v.;
- in de apocr. litteratuur, III, 232v.;
- bij de Joden in Jezus’ dagen, III, 232v.
-
- Metaphysisch bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel, IV, 360v.
-
- Methodisme, I, 132; III, 458, 466v., 481v., IV, 21v.
-
- Michael, II, 431.
-
- Middelaarschap van Christus, III, 332v.;
- van eeuwigheid, III, 206, 334. Vgl. verder verbond der genade,
- werk van Christus.
-
- Middelen der genade, IV, 193v.
-
- Mis in de Roomsche kerk, IV, 249, 317, 337v.; voor gestorvenen,
- IV, 317, 349.
-
- Modernen in Nederl., I, 129v.;
- ethische, I, 192, 451;
- hun Godsbegrip, II, 84; III, 13;
- hun positie tusschen creatie en evolutie, II, 514v.;
- over het werk van Christus, III, 328;
- over de heilsorde, III, 460.
-
- Molinisten, I, 93;
- over de praedestinatie, II, 326, 327;
- over den concursus, III, 11;
- over de genade, III, 441v.
-
- Monarchianisme, I, 61.
-
- Monisme, I, 285v.
-
- Monophysitisme in het Oosten, I, 64, III, 242.
-
- Montanisme, I, 381; III, 320;
- over de kerk, IV, 9;
- over de lapsi, IV, 139.
-
- Morale indépendante, I, 192, II, 59.
-
- Moreel bewijs voor het bestaan Gods, II, 58v.;
- voor de onsterfelijkh. der ziel, IV, 361v.
-
- Moreele theorie over het werk van Christus, III, 329, 358v., 364.
-
- Motazelieten, II, 318.
-
- Motiva credibilitatis in de Roomsche Theol. I, 36, 424v., 485v.
-
- Μυστηριον, I, 530v.; IV, 217.
-
- Mysterien volg. Rome, I, 221; IV, 217.
-
- Mysticisme, I, 380v.; II, 34, 39, 539; III, 320v., 450v.; IV, 193,
- 195v.
-
- Mystiek in de Middeleeuwen, I, 85v.;
- vgl. Mysticisme.
-
- Mystische theorie over het werk van Christus, III, 320v., 328, 358v.,
- 364.
-
-
- N.
-
- Naam Gods in de H. Schrift, II, 62v.
-
- Naturalisme, I, 227;
- over de bijzondere openb., I, 279v.;
- over het beeld Gods, II, 513v.
-
- Naturen, Twee, van Christus, III, 240v., 279v.
-
- Natuur, De, en hare orde volgens de theistische wereldbeschouwing,
- I, 259, 273, 286v., 290v.; II, 420v.; III, 10, 21v.;
- invloed van den val des menschen op de, II, 548v., 558, 560v.;
- III, 173v.;
- als kenbron der Theologie, Zie Theol. naturalis.
-
- Natuur en genade, I, 240v., 278v.; II, 534v.; III, 471, 476v.;
- IV, 155v., 186v.;
- bij Rome, I, 276v.; II, 524; III, 475v.; IV, 162, 186, 248;
- bij de Luth. II, 534v.;
- in het Anabapt. I, 222; IV, 162, 186, 289.
-
- Natuurwetenschap en Christendom, I, 289v.; II, 422v., 465; III, 23v.
-
- Natuurwetten, I, 287v.; III, 21v.
-
- Navolging van Christus. Opvatting daarvan in de chr. kerk, III, 349,
- 434.
-
- Nederdaling ter helle, III, 377v.;
- bij de Lutherschen, III, 379, 413.
-
- Ned. Geloofsbelijd., Art. 15, IV, 277.
-
- Neokantianisme, I, 109; II, 15, 84. Vgl. verder Ritschl.
-
- Neolutheraansche opvatting v. d. werking der Sacr., IV, 224;
- van den Doop, IV, 268;
- v. h. Avondmaal, IV, 322v., 334v., 346.
-
- Neonomianisme in Engeland, I, 118; III, 454, 455;
- in ’t alg. in betr. tot de heilsorde, III, 454v.
-
- Neo-Scholastiek na Trente, I, 88v.;
- in de 19e eeuw, I, 97.
-
- Nestorianisme, III, 281v.
-
- New-England Theology in Amerika, I, 137, 138; III, 127, 326, 396.
-
- Nieuw-Jeruzalem, IV, 515.
-
- Nieuw-Testament, Gezag, I, 333v.;
- over het Oude Test., I, 329v.
- Vgl. verder Bedeeling des O. V. en Oude Testament.
-
- Nominalisme in de Middeleeuwen, I, 83v., 166;
- over de kennisse Gods, II, 9;
- over Gods wil en macht, II, 210v., 224v.
-
- Nomisme, III, 553; IV, 203v., 209.
-
- Nooddoop, IV, 294v.
-
- Noodlot, III, 9v.
-
- Noodzakelijkheid der Schrift. Zie Schrift.
-
- Novatianisme over de lapsi, IV, 139.
-
-
- O.
-
- Obedientia activa van Christus, III, 349v.; vgl. met de obed.
- passiva, III, 361v.
-
- Obedientia passiva van Christus, III, 353v.; vgl. met de obed.
- activa, III, 361v.
-
- Oecumenische conciliën, IV, 92, 182.
-
- Offerande, Oorsprong en wezen, III, 303v.;
- bij Israel, III, 305v., 362v.;
-
- van Christus, III, 311v., 364; IV, 338.
-
- Offermaaltijden, IV, 300v.
-
- Oliesel, heilig, bij Rome, IV, 249.
-
- Onafhankelijkheid Gods, II, 116v.
-
- Onbegrijpelijkheid Gods, II, 1v.
-
- Onderdompel. bij den Doop, IV, 272v.
-
- Oneindig. Opvatting in de N. Phil., II, 17, 20, 127, 144.
-
- Oneindigheid Gods, II, 126v.
-
- Onfeilbaarheid van de kerk en den Paus bij Rome, I, 364, 387, 403v.
- 406; IV, 58v., 94v., 144v.;
- van de kerk in goeden zin, IV, 59.
-
- Onmacht des menschen ten goede, III, 147v., 477v.
-
- Onschuld der kinderen, III, 114.
-
- Onsterfelijkh. van den eersten mensch, II, 542v.;
- van de ziel, IV, 353v., 384;
- conditioneele, bij de kerkvaders, IV, 356, 501;
- in den nieuweren tijd, IV, 501v.
-
- Onthouding van de kelk in het Avondmaal bij Rome, IV, 336.
-
- Ontologisch bewijs voor het bestaan van God, II, 53v.;
- voor de onsterfelijkheid der ziel, IV, 359v.
-
- Ontologisme, I, 96; II, 31, 35.
-
- Ontvangenis van den Heiligen Geest. Zie Christus.
-
- Onveranderlijkheid Gods, II, 119v.; III, 382;
- in verband tot de schepping, II, 409v.
-
- Onzienlijkheid Gods, II, 150v.
-
- Oordeel, Laatste, IV, 490v.
-
- Oostersche kerk en Theologie in onderscheiding van de Westersche,
- I, 69; II, 289v.; III, 242; IV, 90, 142;
- invloed op het Westen, I, 71v.; III, 242v.
-
- Openbare Belijdenis, IV, 352.
-
- Openbaring. Begrip, I, 217v.;
- verh. tot de religie, I, 175v., 210v., 215v., 226; II, 428;
- altijd supranatureel, I, 218, 225; II, 428;
- in zekeren zin ook natuurlijk, I, 290v.;
- onderscheiding in de, I, 219v.;
- volgens de Schrift, I, 224v.;
- altijd middellijk, I, 228;
- Algemeene I, 229v.;
- Bijzondere I, 244v.;
- middelen, I, 245v.;
- begrip, I, 263v.;
- bovennat. kar. I, 273v.;
- bestrijding door het Naturalisme, I, 279v.;
- historisch karakter, I, 268, 297v., 371v.;
- menschelijk kar., I, 228v., 268v., 348v., 358; II, 65v.;
- verhouding tot de Schrift, I, 299v.;
- tot de natuur, I, 278, 289v.;
- geschied. der, I, 270, 302v., 421.
-
- Opleiding van dienaren des Woords, IV, 167.
-
- Opstanding van Christus, III, 409v.
-
- Opstanding der dooden, IV, 482v.
-
- Opzieners. Zie ouderlingenambt.
-
- Ordinatie tot het ambt, IV, 124v.;
- bij Rome, IV, 125, 138, 139, 249v.
-
- Orthodoxe Theol. in Duitschl. in de 19e eeuw, I, 108.
-
- Oude Testament. Gezag bij Israel, I, 306v., 328;
- bij Jezus en de Apostelen, I, 307, 329v.;
- citaten in het N. Test., I, 329, 331v.;
- gesch. van het, in de Chr. kerk, in zijn verhouding tot het N. T.,
- III, 196v.; IV, 203;
- verhouding tot het N. T., I, 332; III, 206v., 216v.; IV, 202,
- 443v., 513v.
-
- Ouderlingenambt. Instelling, IV, 74v.;
- taak, IV, 75v., 169v.;
- verkiezing door de gemeente, IV, 79;
- bij Rome, IV, 127v.;
- bij de Luth. IV, 129;
- bij de Geref, IV, 129v.
-
- Ουσία, Gebruik van dit woord in de Theol., II, 269, 271.
-
- Overheid als regeerder der kerk volgens de Lutherschen enz.,
- IV, 108v., 111, 160v., 189.
-
- Oxforder beweging in Engeland, I, 133.
-
-
- P.
-
- Pactum salutis, III, 203v., 256;
- verh. tot het Genadeverbond, III, 221v.
-
- Palaeontologie, II, 485v.; III, 174.
-
- Pantheisme. Alg. karakter, I, 17, 149, 285; II, 121v., 227, 308,
- 392v.; III, 278v.;
- over de religie en openb., I, 194, 216;
- over de onveranderlijkh. Gods, II, 121v.;
- over de eeuwigh. Gods, II, 129;
- zijn Godsbegrip, II, 20v., 82v., 91, 127, 144;
- over het bewustzijn
-
- Gods, II, 156v.;
- over de geestel. natuur Gods, II, 146, 148;
- over den oorspr. der dingen, II, 388v., 392v., 409, 411v.,
- 414v., 419v.;
- in betrekking tot het Voorzienigheidsgeloof, III, 9;
- tot de causae secundae, III, 25v.;
- Dualisme in het, III, 278.
-
- Papale stelsel, I, 403v.; IV, 87v., 144v, 189v.
-
- Paradijs, II, 504v.; IV, 373.
-
- Parochie bij Rome, IV, 115.
-
- Paroesie. Zie wederk. van Christus.
-
- Parzisme, Verh. tot het Judaisme, II, 425;
- over oorsprong der zonde, III, 41, 54;
- over de toek., IV, 426.
-
- Pascha. IV, 299v.
-
- Pasi-tigris hypothese over de ligging van het Paradijs, II, 505.
-
- Paulus als Apostel, I, 335v.; IV, 65v.
-
- Paus. Zijn primaat, I, 403v.; IV, 87v.;
- zijn macht, I, 407; IV, 143v.;
- Vgl. verder onfeilbaarheid, Papale stelsel.
-
- Pelagianisme, II, 319v., 349v., 371, 377v., 512, 513v., 539;
- III, 43v., 63v., 112, 136, 464v., 496, 505v.;
- over de genoegzaamh. der algem. openb., I, 232;
- over den wil Gods, II, 220;
- over de volgorde der besluiten, II, 333v.
-
- Peremtoir examen, IV, 123, 124.
-
- Permissio, II, 334, 336v., 363v.; III, 31, 55v.
-
- Persoon in de Triniteitsleer, II, 273v.
-
- Persoonlijk karakter der Dogmatiek. Zie Dogmatiek.
-
- Persoonlijkh. Gods, II, 17, 21v.;
- in verband tot de geestelijke natuur Gods, II, 150.
-
- Pessimisme, III, 47, 55, 169v.; IV, 425.
-
- Petrus als Apostel, IV, 71v.;
- zijn primaat volg. Rome, IV, 93v., 100v.;
- zijn verblijf in Rome; IV, 103.
-
- Phariseën. Hun eschatol. denkbeelden, IV, 371.
-
- Phraseologia sacramentalis, IV, 238v.
-
- Pietisme in Duitschl., I, 100v.; III, 456v.;
- in de Geref. kerk, III, 455v.;
- beoordeeling, III, 466v., 481v.;
- over de kerk, IV, 21.
-
- Pilatus, Pontius als rechter v. Jezus, III, 376.
-
- Plaatselijke kerken in hare verh. tot de algem. kerk, IV, 7, 32,
- 114v.;
- hun gelijkheid, IV, 115.
-
- Plaatsvervanging op zedelijk gebied, III, 134v., 369v.
-
- Planeten. Zijn zij bewoond? II, 426v.
-
- Poetische boeken des O. T., I, 327v.
-
- Polygenisme, II, 501, 502.
-
- Potentia absoluta Dei, volg. het Nominalisme, II, 212, 224;
- volg. de Geref., II, 226, 373.
-
- Potestas docendi der kerk, IV, 165v.;
- bij Rome, IV, 138v., 163.
-
- Potestas gubernationis, IV, 164v., 169v.
-
- Potestas juris-dictionis bij Rome, IV, 139v.
-
- Potestas misericordiae, IV, 165, 177v.
-
- Potestas ordinis bij Rome, IV, 139.
-
- Praeadamitisme, II, 501, 502.
-
- Praedestinatie, II, 316v.;
- plaats in de Dogmatiek, II, 332v.;
- complete en incomplete sumpta bij Rome, II, 325.
-
- Praedestinatio gemina, II, 323, 335, 358, 365, 369, 372.
-
- Praedestinatus, Het boek, II, 322, 324.
-
- Praeexistentianisme, II, 564v.; III, 70v., 129.
-
- Praeparatoir examen, IV, 124.
-
- Praescientia Dei, II, 161v.;
- in verband met ’s menschen vrijheid, II, 161v., 351v.
-
- Πρεσβυτεροι en ἐπισκοποι in het N. T., IV, 74v., 97v.
-
- Presbyterale kerkregeering, IV, 129v.
-
- Priesterschap, III, 302;
- van Christus, Zie werk van Christus.
-
- Princeton College en Theology in Amerika, I, 138.
-
- Principium. Beteek. dezer uitdr. in de Philos., I, 141;
- in de Theol. I, 141;
- essendi der Theol., I, 141v.;
- cognoscendi der Theol., I, 142v.;
- externum en internum, I, 143v.;
- in de wetenschap, I, 145v.;
- in de religie, I, 171v.;
- externum der Dogm., I, 24v., 215v.;
- internum, I, 416v.
-
- Προγνῶσις, II, 316, 351.
-
- Proefgebod in het Paradijs, II, 555, 558v.
-
- Profeten des O. T., Hun zelfbewusth. I, 323v.;
- hun schrijven, I, 324v.;
- hun verh. tot de Thora, I, 325;
- hun geschiedbeschrijving, I, 327, vgl. Profetie.
-
- Profeten in het N. T., IV, 68.
-
- Profetie, I, 251v., 323v.
-
- Profetiën des O. T. over Israels toek. en herstel, IV, 426v., 441v.
-
- Profetisch ambt van Christus, I, 257v.; III, 310v., 388;
- in de verhooging, III, 418.
-
- Προορισμος, II, 316.
-
- Προσωπον, als aanduiding van de 3 personen, II, 273v.
-
- Προθεσις, II, 316.
-
-
- Q.
-
- Quakerisme, I, 124; III, 321, 401, 403; IV, 21v.;
- over de Sacr., IV, 223, 267.
-
-
- R.
-
- Raad des vredes. Zie Pactum Salutis.
-
- Raad Gods, II, 313v.
-
- Ratio ratiocinans et ratiocinata. Beteek. dezer onderscheiding,
- II, 75, 93.
-
- Rationalisme in de kenleer, I, 145v.
-
- Rationalisme der 18e eeuw, I, 101, 427v.; III, 451;
- verschillende vormen, I, 279v.;
- over de openb. I, 280v.;
- over de kenbaarh. Gods, II, 11v.;
- over de heilsorde III, 451;
- over de kerk, IV, 20;
- over de Sacram., IV, 223;
- over het Avondm., IV, 322.
-
- Realisme in de Erkenntnistheorie, I, 157v.;
- in de verklaring d. erfzonde, II, 569; III, 129v.;
- in de beschouwing van het lijden van Chr., III, 371v.
-
- Reatus culpae et poenae bij Rome, III, 162.
-
- Reatus potentialis et actualis bij de Geref. III, 162, 549.
-
- Recht en religie, II, 84v.; III, 345v.
-
- Rechtsorde, II, 201; III, 157v., 346v.
-
- Rechtvaardigmaking, III, 529v.; IV, 410;
- in haar verhouding tot het geloof, III, 452v., 481v., 522v.,
- 535v., 544v.
-
- Rede, Haar natuur, I, 169;
- taak in de Theol., I, 525v.
-
- Reformatie, De, over natuurl. en bovennat. openb., I, 221v.;
- over het geloof, I, 477;
- over de verhoud. van geloof en Theol., I, 520v.;
- over de mysteriën des geloofs, I, 531;
- over het werk van Christus, III, 319v.;
- over de kerk, IV, 14v., 33v.;
- haar oordeel over de Roomsche kerk, IV, 47;
- over de genademidd., IV, 194v.;
- over Wet en Evang, IV, 205v.;
- over de Sacram. IV, 220v., 271;
- over den tusschentoestand, IV, 379v.
-
- Reformatie der kerk, IV, 118v.
-
- Regeering Gods, III, 28v.
-
- Regeering der kerk. Zie kerk.
-
- Religie, Principia, I, 171v.;
- wezen, I, 171v.; II, 552v.;
- objectieve, I, 172v., 175v.;
- subjectieve, I, 172v., 177v.;
- zetel, I, 183v.; IV, 1;
- intellectualist. opvatting, I, 186v.;
- moralistische opvatting, I, 190v.;
- aesthetische opvatting, I, 195v.;
- en wetenschap, I, 189, 210, 376;
- en zedelijkheid, I, 193v., 462; III, 553;
- en kunst, I, 199v., 210;
- oorsprong, I, 202v.;
- in hare verhouding tot de openb., I, 175, 210. vgl. openbaring;
- tot het verbond, II, 551v.;
- tot de vleeschwording, III, 285;
- tot het recht, II, 84; III, 346v.;
- sociaal element in de IV, 1v.
-
- Remonstrantisme, over de inspiratie, I, 318;
- over de kenbaarh. Gods, II, 11;
- over de eenvoudigh. Gods, II, 142;
- over de praedest., II, 340v.;
- over de voorzienigh., III, 12;
- over het O. V., III, 199;
- over de aanbidding van Christus, III, 298;
- over het werk van Chr., III, 325, 401;
- hun acceptilatie-theorie, III, 367;
- over de heilsorde, III, 451;
- over de kerk, IV, 20;
- over de kerk. macht, IV, 155;
- over de synoden, IV, 183;
- over de genademidd., IV, 193;
- over de confessie, IV, 167v.;
- over de sacr., IV, 223, 267.
-
- Restitutie-theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetenschap,
- II, 473, 478.
-
- Reveil. Karakter, I, 131.
-
- Rijk der zonde, III, 96, 167, 184.
-
- Ritualisme in de Eng. kerk, IV, 23.
-
- Roeping, III, 485v.;
- object, III, 399, 488;
- in verband tot de wedergeb., III, 480, 483v., 500v.;
- niet universeel, II, 354; III, 488.
-
- Roeping tot het ambt, IV, 121v.
-
- Romantiek, I, 196, 431.
-
- Rome. Grondgedachte, I, 221, 276, 277, 426v.; II, 517v., 526;
- III, 243, 443v.; IV, 162, 186, 248;
- over het principium der Dogm., I, 17v.;
- over de inspiratie, I, 312v.;
- over de verh. van Schrift en kerk, Zie kerk;
- over de noodzakelijkh. der Schrift, I, 380v.;
- over de duidelijkh. der Schrift, I, 392v.;
- over de motiva credibilitatis, I, 36v., 424v., 485v.;
- over het geloof, I, 476v.; III, 442, 521v.;
- over den grond des geloofs, I, 485v.; IV, 40;
- over de fides implicita, I, 518v.;
- over de verhouding van geloof en Theol., I, 517v.;
- over de mysteriën I, 531;
- over de visio Dei per essentiam, I, 152v., 518;
- over de praedestinatie, zonde en genade, II, 323v.; III, 394,
- 439v., 442v., 475v.; IV, 410;
- over de kenbron v. d. leer der schepping, II, 387;
- over λατρεια en δοίλεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.;
- over het beeld Gods en het donum superadditum, II, 518v., 555,
- 570;
- over de erfzonde, II, 525; III, 116v.;
- over de concupiscentia, III, 86, 122;
- over de onderscheiding van peccata venialia en mortalia,
- III, 98v.;
- over de onbevlekte ontvangenis van Maria, III, 145v., 262 v.;
- over reatus culpae et poenae III, 162;
- zijn bescherming van het bijgeloof, III, 181v.;
- over het onderscheid van O. en N. Test., III, 198;
- over de twee naturen van Chr., III, 243v., 291, 414;
- over de aanbidding van Chr., III, 243v., 299v.;
- over het werk van Chr., III, 318v., 333v.;
- over de obed. activa, III, 349;
- over de nederdaling ter helle, III, 378v.;
- over de heilsorde, zie praedest., zonde en genade;
- over de kerk, IV, 11v., 32v., 35;
- over de kenteekenen der kerk, IV, 12v., 38v.;
- over de eigenschappen der kerk, IV, 53v.;
- over het „extra ecclesiam nulla salus”, IV, 42v.;
- over de macht der kerk, IV, 138v., 162v.;
- over de genademidd., IV, 193v.;
- over Wet en Evangelie, IV, 204v.;
- over het getal der sacr., IV, 218v.;
- over de sacr. in ’t alg., IV, 218v., 226, 232, 236v., 239v.,
- 247v.;
- over den Doop, IV, 248, 262v., 270, 275, 277, 281;
- over het Avondmaal, IV, 315v., 331v.;
- over het vagevuur, IV, 378v.;
- over de aanroeping en vereering der heiligen, IV, 392v., 398v.;
- over den toekomstigen staat der kinderen, IV, 523.
-
- Roomsche Theologie, na Trente. I, 88v.
-
- Ruimte, Begrip v. d. II, 135v.
-
- Russische kerk, I, 68v.; IV, 22, 142. Zie voorts Grieksche kerk.
-
- Ruste Gods op den 7{en} dag, II, 462; III, 1.
-
-
- S.
-
- Sabbatsgebod in den staat der rechtheid, II, 559.
-
- Sabellianisme, II, 262, 264v., 310.
-
- Sacramentaliën bij Rome, IV, 247.
-
- Sacramenten, IV, 215v.;
- verhoud. tot het Woord, IV, 166, 199v., 220, 232v.;
- getal der, IV, 217v., 246v.
-
- Sadduceën, IV, 371.
-
- Σαρξ bij Paulus, III, 49v., 66v.
-
- Satan, Leer v. d. in de Schrift, III, 90v.;
- als verleider van den mensch, III, 38v.;
- zijn macht, III, 182v.;
- Christus en, III, 421v.
-
- Saumursche Theologie, I, 122v.; II, 341; III, 127, 454;
- in Engeland, III, 395.
-
- Savoy Declaration, I, 123.
-
- Schaamte, III, 164;
- gemis van, bij den eersten mensch, II, 515.
-
- Sche’ol in de H. S., IV, 365v., 385v.
-
- Schepping, II, 386v.;
- als grondslag der openbaring, I, 225;
- in verband tot de Triniteit, II, 228, 282, 310v., 401, 402v.;
- uit niets, II, 397v.;
- in hare verh. tot den Zoon, II, 405v.; IV, 475;
- tot den tijd, II, 408v.;
- tot de voorzienigheid, III, 16v.;
- einddoel, II, 4l5v.;
- haar infralapsarisch karakter, II, 546; III, 175, 258;
- als onderstelling der vleeschwording, III, 256v.
-
- Scheppingsdagen. Volgorde, II, 460v.;
- volg. de ideale theorie, II, 464, 471v.;
- duur van de, II, 473v., 478v.
-
- Scheppingsverhaal, II, 457, 490.
-
- Schisma, IV, 52.
-
- Scholastiek in alg. zin, I, 80;
- in de Geref. Theol., I, 115v.;
- fout der I, 161.
-
- Scholastiek, Middel-Eeuwsche, I, 80v.;
- invloed op de verdeeling der dogmat. stof, I, 36;
- over de mensch. kennis, I, 165v.;
- over de onderscheiding van Theol. natur. en supranat., I, 220v.;
- over de onbegrijpelijkh. Gods, II, 8;
- over de aangeboren begrippen, II, 35;
- over de praedestinatie, II, 323v.;
- over de uitgestrektheid der voldoening van Chr., III, 392v.;
- over de genade, III, 438v.
-
- Schrift Het, in algem. zin, I, 296.
-
- Schrift Heilige, als principium der Theol., I. 25v., 241;
- beteekenis der I, 305v.;
- geen wetboek, I, 20, 372v., 527;
- kerk en, I, 24, 304, 363, 366v., 380, 383, 385, 424; IV, 195v.;
- in hare verhouding tot de openbaring, I, 299v., 344;
- haar tijdelijk karakter, I, 143v., 300, 389v., 422;
- hare beteekenis voor de wetenschappen, I, 359v.; II, 465, 476;
- eigenschappen der I, 363v.;
- gezag, I, 366v.;
- noodzakelijkheid, I, 380v.;
- duidelijkh., I, 392v.;
- genoegzaamh. I, 400v.;
- strijd tegen de I, 354v.
-
- Schriften Heilige, in de godsdiensten, I, 295.
-
- Schuld der zonde, III, 161v.;
- in verb. tot de smet, III, 137v., 164v.
-
- Schuldbewustzijn, geen maatstaf der zonde, III, 95, 163;
- in verband tot de object, schuld, III, 163v.
-
- Scientia media, II, 162v., 326.
-
- Semipelagianisme, II, 320; III, 43v., 115v., 391v., 435v.
-
- Serafim. II, 431.
-
- Simplicitas Dei. Zie eenvoudigh. Gods.
-
- Slang in het Paradijs, III, 37v.
-
- Sleutelmacht, IV, 135v.;
- bij Rome, IV, 138v.;
- bij Lutherschen en Geref. IV, 152v.
-
- Smet der zonde, III, 164v.;
- in verb. tot de schuld, III, 137v., 164v.
-
- Socialisme, II, 561.
-
- Socinianisme, I, 120;
- over de nat. Godskennis, I, 222;
- over de inspiratie, I, 318;
- over de kenbaarheid Gods, II, 11, 82;
- over de eenvoudigh. Gods, II, 141, 147;
- over Gods alwetendh. in verband met ’s menschen vrijheid,
- II, 161v., 352;
- over de Triniteit, II, 263v.;
- over de praedestinatie, II, 340, 352;
- over de schepping, II, 390;
- over het beeld Gods, II, 512, 543;
- over de voorzienigheid, III, 11v.;
- over het O. T., III, 198v.;
- over de menschwording, III, 254;
- over de Godheid van Christus, III, 266, 412, 414, 424;
- over de aanbidding van Chr., III, 298;
- over de satisfactio vicaria, III, 322v., 345v.;
- over het priesterambt van Christus, III, 323, 418v.;
- over de heilsorde, III, 451;
- over de kerk, IV, 20;
- over de genademiddelen, IV, 193, 223;
- over den Doop, IV, 267;
- over den tusschentoestand, IV, 381;
- over de toek. vernietiging der goddeloozen, IV, 501.
-
- Solidariteit onder menschen, III, 132v.
-
- Soorten, onveranderlijkheid der, bij de organische wezens, II, 495.
-
- Spiratie des H. Geestes. Zie H. Geest.
-
- Spiritisme, II, 427; IV, 395v., 397v.
-
- Spiritualisme, over de toek. zaligheid, IV, 513v.
-
- Spraakverwarring van Babel. Beteekenis, I, 235; II, 502v.
-
- Staat en kerk, IV, 111, 161v., 189v.;
- onder Israel, IV, 3, 132v.;
- in de oudheid, IV, 132;
- bij Rome, IV, 141v., 148v.;
- in het Oosten, IV, 142;
- in de Ref., IV, 152v.;
- bij de Geref., IV, 156v.
-
- Staten van Christus, III, 374v.;
- staat van vernedering, III, 374v.;
- van verhooging, III, 408v., 430.
-
- Status integritatis bij de Heid., II, 508;
- volg. het Naturalisme, II, 512v., 548;
- volg. de supranatur. opv., II, 517v., 548;
- juiste opv., II, 529v., 546, 556v.; III, 64, 173.
-
- Status gloriae, II, 522v.; IV, 518v.
-
- Stellige straffen der zonde, III, 159v.
-
- Sterfdag van Jezus, IV, 302, 303.
-
- Stoffelijke wereld, II, 456v.
-
- Straf, wezen der, III, 156v.;
- der zonde, III, 155v.
-
- Straffen, helsche. Zie Helsche straffen.
-
- Straffen, wereldlijke, in de Roomsche kerk, IV, 141v., 164.
-
- Subjectief uitgangspunt der christel. Theol., I, 467, 494.
-
- Subordinatianisme in de Trin. leer, II, 255, 263.
-
- Sufisme, II, 389.
-
- Supra- en infralapsarisme, II, 333v., 358v.
-
- Supranaturalisme der 18e eeuw in Duitschland, I, 102, 428;
- in Nederland, I, 126, 129, 428.
-
- Supranaturalistische opvatting van het beeld Gods. Zie Beeld Gods.
-
- Symboliek, I, 10;
- verh. tot de Dogmat. I, 27.
-
- Symbolisch karakter der Chr. Theol. volg. de nieuwere opvatting,
- II, 77.
-
- Symbolische handelingen der profeten, I, 261.
-
- Synagogen onder Israel, IV, 3v., 134.
-
- Synode van Dordr. in betr. tot het vraagstuk van supra- en
- infralapsarisme, II, 339.
-
- Synode van Orange, I, 76; II, 322; III, 438.
-
- Synoden, IV, 180v.;
- in de Roomsche kerk, IV, 92, 181.
-
- Synthetische indeeling der Dogmatiek. Zie Dogmatiek.
-
-
- T.
-
- Taal, Beteekenis v. d., I, 296.
-
- Teekenen, IV, 229.
-
- Teleologisch bewijs voor het bestaan van God. II, 56v., 157v.
-
- Teleologische- en mechanische wereldbeschouwing, II, 56v.
-
- Testament. Gebruik van dit woord in de Stat. vert., III, 195.
-
- Testimonium Spiritus Sancti, I, 421v., 490v.
-
- Tetradisme, II, 265.
-
- Theisme, I, 218, 227, 286v.; III, 16v.
-
- Theistische wijsgeeren. Hun Godsbegr., II, 21, 83.
-
- Theologia archetypa en ectypa, I, 142, 144.
-
- Theologia Biblica, I, 15, 19v., 108.
-
- Theologia naturalis, volgens de zuivere Geref. opv., I, 25v., 221v.;
- II, 46v.; 50v.;
- in lateren tijd, I, 43, 222v., 427v.; II, 46, 51.
-
- Theologie, als wetenschap, I, 509v.;
- haar principium cogn. internum, I, 516v.;
- en kerk, I, 517, 525;
- en geloof, I, 509v., 517v.;
- en Philosophie, Zie Wijsbegeerte.
-
- Theophanie, I, 248v.
-
- Theopneustie, als element der openb., I, 301, 302, 344;
- als eigenschap der Schrift, I, 302, 305, 354.
-
- Θεός, als naam van God, II, 103.
-
- Theosophie. Alg. karakter, I, 107;
- over de lichamelijkh. Gods, II, 147v., 192v.;
- haar speculatie over de Trin. leer, II, 304v.; III, 47.
-
- Thomisten, over de praedest., II, 326;
- over de genade, I, 92; III, 441, 497;
- over de werking der sacr., IV, 239.
-
- Thora, I, 325v.
-
- Tijd, Begrip v. d., II, 129v., 411;
- in verb. tot de schepping, II, 408v.
-
- Toepassing der zaligh. in hare relatie tot de verwerving,
- III, 399v., 430v., 449, 469v.;
- bij de Antinomianen, III, 451v., 467v.
-
- Toeval, III, 14.
-
- Toleranten in Nederland, I, 125.
-
- Toorn Gods, II, 196.
-
- Tractarianisme in Engeland, IV, 268.
-
- Traditie, volg. Rome, I, 400v.;
- bij de Joden, I, 306v.;
- volg. de Reform. I, 413v.
-
- Traditionalisme, I, 95v., 296v.
-
- Traducianisme, II, 565v.
-
- Transsubstantiatie, IV, 313, 315v., 331v.
-
- Trichotomisme, II, 537.
-
- Tridentinum, over de praedest., II, 325.
-
- Trinitarische formule bij den Doop, IV, 274v.
-
- Tritheisme in de Chr. kerk, II, 264v.
-
- Tubinger school, Roomsche over de inspiratie, I, 313v.
-
- Tucht, Kerkelijke, IV, 171v.;
- in de 1e Chr. kerk, IV, 139v.;
- bij Rome, IV, 140;
- bij de Luth., IV, 154v.;
- bij Calvijn en de Geref., IV, 155v.
-
- ‎‏צֶדֶק‏‎, II, 194v.
-
-
- U.
-
- Uitgang des Heiligen Geestes. Zie Heilige Geest.
-
- Unio mystica, III, 448, 555v.; IV, 342.
-
- Unitarisme in Engeland, I, 135.
-
- Universalisme, in de leer der voldoening, III, 390v., 489v.;
- hypothetisch, IV, 499, 500v., 521v.
-
- Ὑποστασις, Gebruik van dit woord in de Theol., II, 269, 273.
-
- Urim en Thummim, I, 252.
-
-
- V.
-
- Vader naam van God, II, 113v., 239v., 279v.; III, 29.
-
- Vagevuur bij Rome, IV, 377v., 407v.;
- buiten Rome, IV, 380v., 408.
-
- Val der engelen, III, 39v., 66, 72;
- tijd van dien, III, 69, 71.
-
- Val des menschen, III, 37v., 72v.;
- tijd van dien, III, 68v., 71;
- invloed op de natuur, II, 558v.; III, 173, 407. Vgl. voorts
- zonde.
-
- Vaticaansch Concilie, over den Paus, IV, 94v.
-
- Verbeelding. Haar invloed op het ontstaan der zonde, III, 65.
-
- Verbond, in de H. S., III, 191v.;
- als vorm der religie, II, 551v.;
- leer v. h. in de Chr. Theol., II, 549; III, 196v.;
- bij de Geref., II. 550v.; III, 199v., 221v.
-
- Verbond der genade, III, 187v.;
- in ruimeren zin (Noachitisch), III, 209v., 218;
- met Abraham, III, 212;
- met Israel, III, 212v., 426;
- monopleurisch karakter, III, 194, 225;
- twee zijden v. h., III, 227v.; IV, 245;
- in zijn verh. tot de verkiezing, III, 224v., 226v.; IV, 285v.;
- tot het verbond der werken, II, 554, 564, 571; III, 219, 220v.;
- tot het pactum salutis, III, 221v., 372v.;
- weldaden, III, 425v.;
- in betrekk. tot kinderen, IV, 265v., 282v., 286v.
-
- Verbond der werken, I, 226; II, 547v.; III, 131v., 219;
- in hoeverre verbroken door de zonde, III, 83, 165, 219;
- in zijn verh. tot het verbond der genade, II, 554, 564, 571;
- III, 219, 220v.
-
- Vereering der martelaren en heiligen, IV, 392v., 398v.
-
- Vergeving der zonden, III, 548v.;
- in verh. tot de voldoening, III, 348, bij Rome, III, 443.
-
- Verharding Gods, II, 369v.
-
- Verkiezing, II, 377v.;
- van Israel, II, 314;
- in het N. Test., II, 317v.;
- verh. tot het verbond der genade, III, 224v., 226v.; IV, 285v.;
- haar object, het mensch. geslacht, II, 366, 384.
-
- Verkiezing tot de ambten door de gemeente, IV, 73, 79, 122v.
-
- Verlichting, inw., als openbaringsvorm, I, 256v.;
- des H. Geestes, III, 513.
-
- Verlossingsvatbaarheid des menschen, III, 188.
-
- Vermittlungstheologie van Clemens en Origenes, I, 60, 61;
- in de Roomsche kerk, I, 96;
- in de Luth. kerk der 19e eeuw, I, 105v., 433v., 438v.;
- over de Heilige Schrift, I, 26, 319, 373, 383, 387;
- over de heilsorde, III, 461.
-
- Vernieuwing der wereld, IV, 511v.
-
- Verwerping, II, 369v.;
- bij Augustinus, II, 321, 334v., 358;
- bij Rome, II, 326v.;
- negatieve en positieve, II, 323, 335, 364, 369.
-
- Verzekerdheid des geloofs, III, 526v., 57Ov.
-
- Verzoeking van Christus, III, 297, 376.
-
- Verzoening als vrucht der voldoening, III, 381v.;
- bij Ritschl, III, 329v., 386v.
-
- Viae, de drie, in de kennisse Gods, II, 96.
-
- Visioenen, als openbaringsmiddel, I, 254v.
-
- Visio Dei per essentiam, II, 151v., 518, 522; IV, 519.
-
- Vleescheten vóor den zondvl., II, 560v.
-
- Vloek Gods, III, 162v.
-
- Voldoening. Noodzakelijkh. II, 209, 214; III, 341v.;
- tijd der III, 350v.;
- in verb. tot Gods liefde, III, 356v., 381v.;
- als plaatsvervangende, III, 359v.;
- hare aequivalentie, III, 366v.;
- vruchten, III, 380v.;
- uitgestrektheid, III, 390v.;
- bestrijding v. d. leer der III, 320v., 365v.
-
- Voleinding der eeuwen, IV, 481v.
-
- Volharding der heiligen, III, 565v.
-
- Volheid d. tijden, III, 210, 215v., 260v.
-
- Volkeren. Hun ontstaan, II, 502v.
-
- Volksgodsdienst en Jahvedienst in Israel, IV, 364.
-
- Volmaakbaarheid der geloovigen, III, 559v.
-
- Volmaaktheid Gods, II, 128, 178.
-
- Voorbede voor de afgestorvenen, IV, 414v.
-
- Voorbereidende genade. Zie gratia praeparans.
-
- Voorbidding van Christus, III, 419v.; IV, 338;
- der zaligen, IV, 398v. Zie ook engelen.
-
- Voortplanting van het menschelijk geslacht, II, 564v.
-
- Voorzienigheid Gods, III, 1v.;
- als besluit opgevat, II, 347v.; III, 5.
-
- Vormsel in de Roomsche kerk, IV, 248, 351.
-
- Vrouw, Schepping der, II, 563.
-
-
- W.
-
- Waarachtigheid Gods, II, 173v.
-
- Waarheid, begrip, in het N. Test., IV, 444.
-
- Waarneming, zinnelijke, I, 161v.
-
- Waarzeggen in het O. T., IV, 395v.
-
- Wederdoopers, I, 120. Vgl. verder Anabaptisme.
-
- Wedergeboorte, III, 479v., 500v.; IV, 214v.;
- bij Paulus en Johannes, III, 500v.;
- en Doop, IV, 197, 266, 290v.
-
- Wederherstelling aller dingen, IV, 500v., 505v.
-
- Wederkomst van Christus, IV, 422v.;
- tijd, IV, 475v.;
- wijze, IV, 479v.
-
- Wederzien na den dood, IV, 417v.
-
- Wereld, Begrip, volgens het Theisme, I, 286, 290v.; II, 419v.;
- III, 21v.;
- kan ze eeuwig zijn? II, 410v.; IV, 422v.;
- is ze de beste? II, 213, 423v.;
- verh. tot Gods wezen, II, 159v., 346;
- als object van verkiezing, II, 384;
- van Christus’ werk, III, 390, 403v.;
- hare vernieuwing, IV, 511v.
-
- Werkverbond. Zie verbond der werken.
-
- Werthurtheile, als inhoud en bewijs der Chr. religie, I, 454, 460v.
-
- Westersche kerk en Theol., in onderscheiding van de Oostersche. Zie
- Grieksche, Oostersche kerk.
-
- Wet Gods, haar kar., II, 209, 214; III, 343v.;
- in het Paradijs, II, 558v.;
- verschill. gedaante, III, 75;
- als maatstaf van zedelijk handelen, III, 75v., 84v., 151;
- als kenbron der zonde, III, 84v.;
- haar eenheid, III, 94;
- hare beteekenis in het O. Verb., III, 215;
- als deel van het woord Gods, IV, 201v.;
- bij Paulus, IV, 202v., 205;
- en Evangelie, IV, 201v.; bij het eindgericht, IV, 492v.
-
- Wetenschap, Principia in de, I, 145v.;
- in hare verh. tot de religie, I, 189, 210, 376.
-
- Wetenschap Gods, II, 155v.
-
- Wezen Gods, in abstracto, II, 78; op onderscheidene wijze bepaald in
- de Chr. Theol., II, 80v.;
- en onderscheiden van de eigenschappen Gods, II, 86v.;
- in betr. tot de eigenschappen, II, 90, 115;
- in de Trin. leer, II, 270v.
-
- Wider hope theorie in Engeland, IV, 500.
-
- Wil, karakter v. d., II, 205v.; III, 87;
- als subject der zonde, III, 53, 85v.
-
- Wil Gods, II, 202v.; III, 341v.;
- in betr. tot z.z., II, 178,
- 206, 418;
- tot het geschapene, II, 207, 413v., 419;
- als antecedens en consequens, II, 218v., 325, 354; III, 394;
- des besluits en des bevels, II, 216v.
-
- Wilsvrijheid in Pelag. zin, II, 164v.;
- in Ger. zin, II, 167;
- in verband met de praescientia Dei, II, 167v.;
- met de praedest., II, 318v.
-
- Wijsbegeerte. Hare verh. tot de Theol., I, 516v.; II, 456;
- haar gebruik in de Theol. bij de Apolog. en Kerkvaders, I, 55,
- 57v., 59v., 511v.; II, 252;
- standpunt der Reformatie tegenover haar, I, 516v.;
- haar invloed op de Dogmatiek in de 18e en 19e eeuw, I, 42v.
-
- Wijsheid Gods, II, 168v.;
- als hypostase, II, 228v., 232, 242, 405.
-
- Wonderen, I, 258v., 275, 289v.; III, 22; IV, 229;
- interpretatie door het Ration., I, 281v.;
- van Christus, III, 311, 376;
- geestelijke, als element der openb., I, 274v., 303v.
-
- Woord en feit in de openb. Gods, I, 258v., 283v., 304, 352.
-
- Woord Gods. Beteekenis in de Heilige Schrift, I, 338v., 372, IV, 201;
- en Schrift, IV, 200v.;
- als naam van Christus, zie Logos;
- als kenteeken der kerk, IV, 44v., 51;
- als genademiddel, IV, 62, 193v.;
- en Geest, IV, 209v.;
- en sacramenten, IV, 166, 199v., 220, 232v., 271;
- zijn efficacia, IV, 211v.
-
- Wraak Gods, II, 196.
-
-
- Z.
-
- Zaligheid Gods, II, 178v., 206.
-
- Zaligheid, als vrucht van Christus’ werk, III, 380v.;
- toekomstige, IV, 517v.;
- der jongstervende kinderen, IV, 522v.
-
- Zalving, III, 335;
- van Christus, III, 336.
-
- Zebaoth, als naam Gods, II, 111.
-
- Zedelijke wereldorde, II, 59; III, 157v., 344, 347.
-
- Zedelijkheid en religie, I, 193v., 462, III, 553.
-
- Zegel in de H. Schrift, IV, 230.
-
- Zekerheid, Soorten van I, 158, 470v., 478v.;
- des geloofs, I, 158, 469v., 478v.; III, 526v., 571v.;
- der zaligheid volgens Rome, I, 479; III, 570v.; IV, 251;
- moreele, bij Kant, I, 481v.
-
- Zelfbewustzijn Gods, II, 158v.
-
- Zelfbewustzijn van Jezus als Messias en Zone Gods, III, 237v.
-
- Ziel des menschen, II, 536;
- en geest, II, 537;
- vermogens der, II, 538;
- vereeniging met het lichaam, II, 541v.
-
- Zieleslaap, leer v. d., IV, 381, 386v.
-
- Zielsverhuizing, leer v. d., in de oudheid, IV, 407;
- in den nieuweren tijd, IV, 381v.
-
- Zielzorg bij de Gereform., IV, 170v.
-
- Zoenoffer, III, 304v.
-
- Zonde, In betr. tot de verwerping, II, 373;
- tot de regeering Gods, II, 369v., 373v.; III, 30v., 34v., 55v.,
- 61v.;
- oorsprong, III, 34v.;
- invloed op de natuur, II, 558v.; III, 173, 407;
- ethisch karakter, II, 53, 80, 81;
- wezen, III, 72v.; IV, 506v.;
- bij engelen en bij menschen, III, 51, 66v., 92, 188;
- graden in de, III, 89v.;
- principe, III, 96v.;
- onderscheiding in vergeeflijke en doodel. bij Rome, III, 98v.;
- tegen den H. Geest, zie lastering; verbreiding, III, 104v.;
- straf, III, 155v.;
- als straf v. zonde, III, 135v.
-
- Zondvloed. Zijn geolog. beteekenis, II, 474v., 487v.
-
- Zoon Gods. Gebruik van dezen naam in de H. Schrift, II, 243;
- als naam van den 2{en} persoon, II, 243v.; III, 238;
- in betrekking tot de schepping, II, 405v.; IV, 475.
-
- Zoon des menschen. Beteekenis van dezen naam, III, 235v.
-
-
- * * * * *
-
-
- Correcties:
-
- Pag. 5: „verkoor” vervangen door „verkoos” (maar Hij verkoos
- ook een aantal jongeren).
-
- Pag. 33: ingevoegd „niet” (zij behooren niet tot het rijk van
- Christus).
-
- Pag. 36: „institnut” vervangen door „instituut” (dat ook
- instituut en organisme der kerk).
-
- Pag. 45: „uitsprekcn” vervangen door „uitspreken” (die klaar en
- duidelijk dit uitspreken ).
-
- Pag. 46: „one” tweemaal vervangen door „ohne” (Gottes Wort kann
- nicht ohne Gottes Volk sein, wiederum Gottes Volk kann nicht
- ohne Gottes Wort sein).
-
- Pag. 68: „Huyper” vervangen door „Kuyper” (Dr. H. H. Kuyper, De
- opleiding tot den dienst des Woords).
-
- Pag. 86: „toestemmiag” vervangen door „toestemming” (die met
- toestemming der gemeenten verkoren werden).
-
- Pag. 100: „de elven” vervangen door „dezelven” (dat hij met
- dezelven gemeen had).
-
- Pag. 143: „Poutif” vervangen door „Pontif” (Bellarminus, de
- Rom. Pontif. V. de membris eccl. III. Hergenröther).
-
- Pag. 145: „snbordinationis” vervangen door „subordinationis”
- (officio hierarchicae subordinationis veraeque obedientiae
- obstringuntu).
-
- Pag. 152: „tnsschen” vervangen door „tusschen” (Evenzoo maakte
- Calvijn tusschen kerk en staat onderscheid).
-
- Pag. 155: „qaalitatieve” vervangen door „qualitatieve”
- (het wisselde de quantitatieve tegenstelling ... voor de
- qualitatieve, ethische tegenstelling).
-
- Pag. 157: „pessim” vervangen door „passim” (Voetius, Pol. Eccl.
- I 124 sq. en passim. Disp. sel. II).
-
- Pag. 185: „venlent” vervangen door „veulent” (contre ceux qui
- veulent abolir l’usage et l’autorité).
-
- Pag. 187: „elkandar” vervangen door „elkander” (kunnen dus niet
- als lager en hooger tegenover elkander staan).
-
- Pag. 220: „Confessionsknnde” vervangen door „Confessionskunde”
- (Kattenbusch, Vergl. Confessionskunde I).
-
- Pag. 221: „eu” vervangen door „en” (op Gods genade in Christus
- richten en daardoor dat geloof oefenen).
-
- Pag. 244: „Lomhardus” vervangen door „Lombardus” (sacramentum,
- non rem, suscipiunt, Lombardus, Sent. IV).
-
- Pag. 246: de paragraafnummering is gecorrigeerd, „6” vervangen
- door „7” (7. Het getal der sacramenten).
-
- Pag. 253: „Bedentung” vervangen door „Bedeutung” (Die
- Beschneidung in ihrer geschichtl. ethnogr. relig. u. medic.
- Bedeutung).
-
- Pag. 261: „in” vervangen door „im” (Die Bedeutung der Taufe im
- N. T.).
-
- Pag. 294: „zijue” vervangen door „zijne” (dat hij geheel buiten
- zijne schuld ongedoopt stierf).
-
- Pag. 368: „anszeichnende” vervangen door „auszeichnende” (ist
- in Wahrheit ihre auszeichnende Stärke gewesen).
-
- Pag. 394: „unitied” vervangen door „united” (Ryle,
- Knots united p. 491).
-
- Pag. 396: „18” vervangen door „28” (welke hiertegen aangevoerd
- kan worden, is 1 Sam. 28, waar Saul).
-
- Pag. 401: „venerirt” vervangen door „veneriert” (die Heiligkeit
- auf Erden religiös veneriert werde).
-
- Pag. 414: „III1” vervangen door „III 1” (Jansen, Prael. III 1
- 030 enz.).
-
- Pag. 424: „Deisseits” vervangen door „Diesseits” (en alles van
- het Diesseits, van immanente, kosmische krachten).
-
- Pag. 435: „nimmen” vervangen door „nimmer” (en den staat der
- verhooging nimmer vanéén).
-
- Pag. 451: „strak” vervangen door „straks” (maar het zal straks
- duidelijk worden).
-
- Pag. 501: „znsters” vervangen door „zusters” (de broeders en
- zusters van den vrijen geest).
-
- Pag. 501: „van” vervangen door „von” (Die Lehre von der
- Apokatastasis² Magdeburg).
-
- Pag. 504: „dikwerk” vervangen door „dikwerf” (en wordt dan
- inzonderheid zeer dikwerf met ζωη verbonden).
-
- Pag. 532: „cogu.” vervangen door „cogn.” (maar miskent het princ.
- cogn. internum).
-
- Pag. 535: „Vermittelungstheologie” vervangen door
- „Vermittlungstheologie” (door Hegel 1, door de
- Vermittlungstheologie 2).
-
- Pag. 545: „zooodat” vervangen door „zoodat” (12, zoodat God en
- mensch, twee onderscheidene naturen).
-
- Pag. 548: „geregtigheid” vervangen door „gerechtigheid” (van de
- toerekening van Christus’ gerechtigheid 6).
-
- Pag. 557: „18” vervangen door „28” (1 Sam. 28 ... IV, 396v.)
-
- Pag. 557: „2S” vervangen door „28” (Matth. 20:28 III, 363.)
-
- Pag. 560: „79v.” vervangen door „279v.” (Augustinus ... over den
- Kinderdoop IV, 262, 279v.)
-
- Pag. 560: „alomtetegenwoordigheid” vervangen door
- „alomtegenwoordigheid” (Augustinus Steuchus, over de
- alomtegenwoordigheid Gods).
-
- Pag. 561 „ziju” vervangen door „zijn” (Doedes, Zijn drieërlei
- Dogmatiek I, 11; zijn scheiding van gelooven en weten I,
- 451; zijn verdeeling v. d. eigenschappen Gods II, 89;).
-
- Pag. 564: „Max Müller” vervangen door „Müller, Max” (Müller,
- Max, Over den oorsprong der religie).
-
- Pag. 565: „sehepselen” vervangen door „schepselen”
- (Origenes ... over de oorspronkelijke gelijkheid aller
- schepselen).
-
- Pag. 569: „vau” vervangen door „van” (Acceptilatie in de
- voldoening van Christus).
-
- Pag. 576: „311v.” vervangen door „411v.” (Heiligmaking ...
- volkomene, bij den dood, IV, 411v.)
-
- Pag. 588: „verh.” vervangen door „verk.” (Verkiezing, ...
- verk. tot het verbond der genade).
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK, VIERDE
-DEEL ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.