diff options
Diffstat (limited to 'old/68993-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/68993-0.txt | 10168 |
1 files changed, 0 insertions, 10168 deletions
diff --git a/old/68993-0.txt b/old/68993-0.txt deleted file mode 100644 index 5c6507b..0000000 --- a/old/68993-0.txt +++ /dev/null @@ -1,10168 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Indische menschen in Holland, by -Maurits - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Indische menschen in Holland - Oorspronkelijke roman - -Author: Maurits - -Release Date: September 15, 2022 [eBook #68993] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - book was produced from scanned images of public domain - material from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK INDISCHE MENSCHEN IN -HOLLAND *** - - - - - - - INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND. - OORSPRONKELIJKE ROMAN - - - DOOR - MAURITS. - - - LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF. - - - - - - - - - - -INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND. - - -’t Was nog niet ver in het najaar, maar toch reeds vinnig koud. In de -nieuwe wijken van Den Haag, te zamen grooter dan de oude stad, scheen -het guurder dan elders; eentoniger en stiller was het er zeker, vooral -in de straat, waar kapitein Roos met zijn talrijk gezin een bovenhuis -had gehuurd. Wie dien dag den hoek om kwam, kreeg van den scherpen -noordoostenwind de volle laag en zijn deel van het voor den sterken -luchtstroom opstuivend zand, dat de pas gelegde bestrating bedekte. - -De twee lange rijen huizen stonden, op enkele uitzonderingen na, nog -leeg. Één lijn vormden de lijsten der dakgoten aan weerskanten, één -lijn de architraven, één lijn de rollagen der trottoirs. De net -gemetselde roode baksteenen van het weinige en dunne muurvlak tusschen -deuren en vensters waren opgebleekt onder den drogen, kouden wind, die -door de reten gierde, het te versche hout der paneelen deed krimpen en -scheuren, of spleten trok in de voegen, waarvan ’t laagje verf week met -een knal. Het was een mislukte bouwspeculatie, die geheele straat, -gelijk er zooveel waren. De huren waren laag, maar toch wilde niemand -er wonen voorshands, en slechts hier en daar zag men een armzalig -winkeltje in een der benedenhuizen genesteld, met een mageren -inventaris, die een parodie leek op de huisdeur à jour en den -porseleinen schelknop. - -En over die nare ongezellige straat hing een effen grijze lucht, met -geen kans om een zonnestraaltje door te laten, in de talrijke vensters -zonder gordijnen zijn grauwe tinten weerspiegelend. - -Kapitein Roos trok zijn handschoenen aan en nam zijn stok. Hij ging -uit, elken dag en elken avond; hij was bijna niet meer thuis dan om te -eten en te slapen. Zijn woning trok hem niet aan en aantrekkelijks was -er ook bitter weinig. Twee jaren hadden ze geleefd van hun -verlofstraktement en ingeteerd van hun Indischen spaarpot; toen was de -tijd gekomen, dat hij gepensionneerd werd, en nu was van de laatste -dubbeltjes, die zij in Indië zoo zuinig hadden bijeengebracht, nog maar -een kleine som over; zij zagen den dag naderen, dat zij den bodem -zouden zien van hun trommeltje; mevrouw Roos had het kunnen uitrekenen -op haar vingers, maar dat wilde ze niet, en de kapitein deed het -evenmin. Zij vonden het zóó onaangenaam, dat ze er zelfs niet samen -over spraken. ’t Meubilair hunner woning was even troosteloos als de -straat; het zag er kaal en slordig uit; bij de kachel, die reeds -brandde, waardoor het benauwd warm was in de huishoudkamer, zat mevrouw -Roos gewikkeld in een rood en zwart geruite wollen sjaal, met de armen -kouwelijk over elkaar en toch half stikkend uit gebrek aan versche -lucht. - -„Nu, bonjour,” zei de kapitein. „Tot straks. Dag jongens!” - -Zij bromde iets, dat een groet moest beduiden; de kinderen, die voor -het venster zaten, keerden even met een: „Dag pa!” de donkere hoofdjes -om, en drukten toen weer dadelijk hun reeds platte Indische neusjes -totaal plat tegen de ruiten, waarover zij ademden, om daarna, als de -wasem op het glas neersloeg, er met hun kleine koude vingers groteske -soldaatjes op te teekenen. Zij waren nog niet gewasschen; ze kregen -genoeg te eten, maar ze werden toch slecht verzorgd, geheel overgelaten -als ze waren aan een dienstmeisje, dat, steeds in een vieze jurk -gekleed en met meer gekapte dan gekamde haren, zoowat den baas speelde -in huis, en niet meer of minder deed, dan ze zelve verkoos. - -Van een knappe Indische huismoeder, was mevrouw Roos een Hollandsche -huismoeder geworden van treurig allooi. Zij had als ’t ware een heimwee -naar Indië. Terwijl ze zoo huiverend bij de kachel zat en met een -onaangenaam koortsig gevoel de grauwe zandwolken zag opstuiven in ’t -grauwe najaarslicht, dacht ze aan niets dan aan Indië; aan den warmen, -gouden zonneschijn, aan den rijken, diepgroenen plantengroei, aan haar -gezellige achtergalerij. God, God! als ze naging, dat ze dat nimmer zou -terugzien, dan wilde ze maar liever spoedig sterven! - -Op straat zette hij er, zooals hij ’t noemde, den pas in. ’t Hoofd meer -dan rechtop, een gewoonte gebleven uit den tijd der stropdassen, en met -den stok zwaaiend stapte hij naar den „Dierentuin”; daar kwamen ’s -morgens eenige oud-gasten van zijn „kaliber” bijeen en dan maakten ze -een partijtje. Er kwam niemand anders. Geen Hagenaar, lid van den Tuin, -zou het ooit in ’t hoofd krijgen in dit vergevorderd seizoen en op zulk -een uur van den dag in ’t lokaal van dien Tuin te gaan zitten. Maar dat -maakte het nu juist voor hen zoo aantrekkelijk. ’t Was fatsoenlijk, en -ze konden er hun bittertjes drinken als in Indië „voor de rijsttafel”, -zonder dat iemand hen aanzag voor dronkaards, omdat ze reeds in den -ochtend sterken drank gebruikten. Hij wist wel, dat hij met zijn groot -gezin en zijn pensioen die leefwijze op den duur niet zou kunnen -volhouden, maar daaraan wilde hij voorshands niet denken. Kwamen die -tijden, dan kwamen die plagen; als het zóó ver was, dacht hij, dan zou -hij wel eens omzien naar een baantje, dat hij er gemakkelijk -bij—wáárbij wist hij eigenlijk niet, maar hij bedoelde zijn -pensioen—kon waarnemen. En zoo ging hij ook nu welgemoed naar den Tuin; -de wind was koud, en hij droeg nog maar een dichtgeknoopte zwarte jas, -maar dat hinderde hem niet, want, placht hij te zeggen, stoffend op -zijn krachtige persoonlijkheid, „zoo’n ouwe soldatenransel” moest -overal tegen kunnen. Hij vond het zoo kwaad niet, dat leven in Holland, -en hij had het pleizierig gevonden als ’t zijn vrouw ook was bevallen. -Zij was erg veranderd, en dat hinderde hem; zij was niet meer voor hem, -wat ze zooveel jaren geweest was, en al werd hij nu een dagje -ouder,—het verdroot hem toch. Welzeker, hij had ingezien dat het heel -iets anders is kapitein te zijn bij het Indisch leger in actieven -dienst in Indië dan in Holland gepensionneerd kapitein van hetzelfde -leger te heeten. Dan, zoo is de wereld, dacht hij, en men moest dat -nemen zooals het was; zijn vrouw moest zich schikken naar de -omstandigheden. - -Keetje en Pietje,—neen, zoo heetten ze sedert lang niet meer, de twee -oudste dochters, die ondanks ze nu reeds vijftien en zestien jaren oud -waren, nog in de hoogste klasse zaten van de meisjesschool voor gewoon -lager onderwijs; ze heeten nu Corrie en Nelly, zooals Haagsche meisjes, -’t zij par droit de naissance of par droit de conquête, betaamt. - -O, die konden het best stellen, als de jongens van de burger- en andere -scholen het haar niet zoo lastig maakten op den duur. Toen ze pas op -school kwamen, moesten ze in een lage klasse met veel jonger meisjes, -in wier blonde, bleeke hoofdjes reeds meer schoolwijsheid stak dan in -haar arme bruine kopjes, en die met een zeker air naar de ontwikkelde -bustes keken van de „Oostersche nieuwelingen” alsof er persoonlijke -schande stak in zulk een vroegtijdige physieke ontwikkeling, en -diezelfde Haagsche meisjes vonden onder elkaar, dat Corrie en Nelly er -met haar breede neuzen en krachtig gebouwde figuren net uitzagen als -bruin gebraden, aangekleede dienstmeisjes; maar het mannelijk deel der -schooljeugd dacht daar heel anders over en ontwikkelde een profusie van -kalverliefde, erg hinderlijk voor de donkere zusjes, en alleen -gecompenseerd door een regen van geschenken aan potlooden, papeteries, -ulevellen en chocolaadjes. Zij leidden met haar beiden een vroolijk -leventje, zich weinig bekommerend om de rest of om de toekomst, en als -ze met haar lederen schooltasschen aan de hand, en in haar strak -gespannen met astrakan afgezette manteltjes van school huiswaarts -keerden, met moeite ontsnapt aan de overal wachtende en loerende kus- -en knijplievende jongens, en gierend van pret, dan stond menig eigenaar -van een perkamenten tronie stil, en zag met innig welbehagen dat -tweetal donkere meisjes na, in de volheid harer vormen, met de rozen op -het gezicht, een glinsterend licht in de guitige zwarte oogen, en twee -rijen prachtige tandjes tusschen de lachende, kersroode lippen. - -Voor haar huis drukten zij met kracht en aanhoudend op den schelknop, -tot de meid boven aan het touw trok en de deur openging. Stampend op de -houten met geen loopers bedekte treden der trap, stoven zij met groot -geraas, lachend en zingend naar boven; de kleintjes juichten haar te -gemoet; bij de halve ellende van het huishouden en de heele van haar -moeder, vormden zij het rumoerig element van het frisch ontluikende -jonge leven; het eenige opwekkende, dat de doorgaans gedrukte stemming -in de woning van kapitein Roos verlevendigde. - -Dien middag hadden zij vrij van school, en zij plaagden haar moeder -zoolang tot ze er in toestemde zich te kleeden en te gaan wandelen. -Mevrouw Roos had er eigenlijk eerst geen lust in, maar ze deed het om -de kinderen, en toen ze eenmaal in de drukke straten wandelde, -stilstaand om de tien schreden en luisterend naar het gesnap der -meisjes, och, toen vermaakte het haar toch zelve wel, al het moois te -bewonderen, achter de vensters der winkels en magazijnen uitgestald. En -naar haar Indische opvatting zoo goedkoop! Zóó goedkoop, dat ze, -ondanks haar geringe middelen, altijd hier of daar binnenging, en nooit -thuis terugkwam zonder eenige guldens minder in haar portemonnaie en -eenige noodelooze kleinigheden meer in haar bezit. Maar er was ook -veel, dat haar hinderde op straat en haar bloed deed koken van -verontwaardiging. Hoeveel Indische dames kruiste ze niet in die volle -straten, evenals zij, wandelend om te zien, maar ook, niet gelijk zij, -om gezien te worden! Zij zag er daaronder, die ze gekend had toen ze -nog kinderen waren; anderen, die haar buren waren geweest; zij zag er, -die, gezegend door de fortuin, ’t zij door een huwelijk, ’t zij door -snelle bevordering van een vader of echtgenoot, in de gelegenheid waren -zich prachtig te kleeden en te rijden in equipages. En daarbij waren -er, die deden of zij de eenvoudig gekleede vrouw van den -gepensionneerden kapitein en haar dochtertjes nooit te voren hadden -gezien; anderen, die haar groetten uit de hoogte op een haast -beleedigende manier met een genadig knikje. Dan was mevrouw Roos voor -een oogenblik weer de kloeke vrouw van vroeger; ze richtte het hoofd -op, glimlachte even en keek met haar groote zwarte oogen zoo inlandsch -minachtend, dat zij, wien het gold, zich haastten voorbij te komen. - -„Dag Jeanne, hoe maak jij het?” - -Verrast, haast verschrikt, wendde mevrouw Roos ’t hoofd om. - -„Hé, dag Julie, hoe gaat het?” - -Ze gaven elkaar de hand en ze kusten elkaar. Nette Haagsche menschen -vonden die demonstratie op het trottoir van een der hoofdstraten hoogst -onfatsoenlijk; die Indische lui geneerden zich ook nergens voor! En een -Haagsche straatjongen, blijkbaar ook in zijn fatsoen getast, riep -luidkeels „pakt-em!”—De dames Roos en Van Stralen letten daar niet op. -Ze waren zulke goede oude vriendinnen, en ze hadden elkaar in zoo lang -niet gezien! Toen Roos nog luitenant was, diende Van Stralen reeds als -oud kapitein, en van toen dagteekende de vriendschap der dames, die -echter, hoe hartelijk zij zich ook liet vernieuwen, nu men elkaar weer -persoonlijk zag, zich nooit in briefwisseling had voortgezet. - -„En dat zijn je oudste meisjes?” vroeg mevrouw Van Stralen, met een -klein beetje afgunst in het oog de kloeke kinderen beschouwend; zij -zelve had er geen. - -„Groot geworden, hè?” - -„Verbazend! ’t Zijn haast heele menschen. Dat is, als ik me niet -bedrieg, Keetje en dat Pietje.” - -Mevrouw Roos lachte om de verontwaardigde gezichten harer dochters. - -„Nu ja, wij noemen haar Corrie en Nelly.” - -Mevrouw Van Stralen lachte ook. - -„Je hebt wel gelijk, Jeanne. ’t Klinkt veel aardiger. En hoe bevalt het -jou hier?” - -„Och zoo! Wat zal ik je er van zeggen? ’t Bevalt me eigenlijk volstrekt -niet.” - -„Kom,” zei mevrouw Van Stralen, die ook een Indische was. „Wij kunnen -’t hier wel vinden; maar,” ging ze voort met een blik op het eenvoudig -toilet harer vriendin, „wat de duurte betreft, valt het leven hier niet -mee.” - -Ze praatten nog een oogenblik, intusschen het publiek, dat langs het -trottoir wandelde, zeer in den weg staande, en het werd mevrouw Van -Stralen onder het discours heel duidelijk, dat Jeanne verdriet had. - -„Je moet me komen opzoeken, ja? Beloof je het?” - -Mevrouw Roos aarzelde. - -„Je moet zeker komen, Jeanne. Wij hebben een aardig clubje als dames -onder elkaar. De heeren loopen toch altijd maar naar de sociëteit! -Heusch, je moet komen....” en lachend bracht zij den mond bij het oor -harer vriendin en ging fluisterend voort. - -Met een uitdrukking van komieke verbazing op het gezicht, keek mevrouw -Roos haar aan. - -„Loh! Wat zegje? Kepl....” - -„Sst!” viel mevrouw Van Stralen haar in de rede. „Niet zeggen! Het gaat -maar om ’n kleinigheid, want we zijn haast allemaal gepensionneerd. Ik -wed....” - -Snel trok zij haar kleed ter zijde voor de wielen van een prachtige -coupé, die juist stilhield bij het modemagazijn, waarvoor zij stonden -te praten. - -Er traden twee nog jeugdige dames uit ’t geopend portier, beiden -prachtig gekleed: een klein, donker vrouwtje, met een gezond en -levendig uiterlijk, en een lange, statige blondine, met een bleek en -lijdend gezicht. De eerste zag snel rond, trad op mevrouw Van Stralen -toe en gaf haar de hand. - -„Dag mevrouw,” zei ze met een fraaie, muzikale stem. „Gaat het goed? En -hoe vaart de kolonel?” - -„Uitstekend! En dokter Van der Linden, en de kleine?” - -Ook dàt was in orde. Men sprak een minuut, en toen wipte ’t mooie, -gracieuze vrouwtje den winkel in. - -„Ken je haar niet?” vroeg mevrouw Van Stralen, en toen Jeanne ’t hoofd -schudde, ging zij zachtjes voort: - -„Zij is de dochter van dokter Van der Linden van Batavia, die met dien -rijken Van Velton getrouwd is geweest, ’n heele tjerita, weet-je! Wij -hebben nu geen tijd, maar je moet me vast beloven eens aan te komen, -dan zal ik je zoo een en ander vertellen. Ik heb de reis met haar -gemaakt, weet-je?” - -Toen mevrouw Roos tegen etenstijd weer thuis kwam, keerde haar heimwee -met volle kracht terug; zuchtend en langzaam klom zij de trap op: de -meisjes waren haar reeds vooruitgevlogen naar haar kamer. Terwijl ze -voorbij de keuken kwam, hoorde zij de meid mopperen. Ze liep even -binnen, en zag Kaatje met een roode kleur voor het fornuis staan, bezig -den onvermijdelijken Hollandschen biefstuk te braden, waarvan de -familie Roos nog altijd niet verzadigd was. - -„Wat is er?” vroeg ze. - -„Er is niets, mevrouw. Als meneer asjeblieft maar niet zoo familiaar -is! Ik ben daar in ’t geheel niet op gesteld, en hij moet uit de keuken -blijven. Hij moet niet denken dat hij zoo’n zwarte negerin voorheeft!” - -Mevrouw Roos ging gauw heen. Zij wist genoeg van ’t Hollandsche -keuken-idioom om te begrijpen, waarop die laatste uitdrukking der in -land- en volkenkunde niet ervaren Kaatje doelde; ze wist ook, dat wat -de „familiariteit” van den kapitein betrof, ’t meisje volkomen gelijk -had, en ze voelde, dat haar eigen zoo veranderd gedrag tegenover hem -daar mede schuld aan had. - -’t Kon haar echter weinig schelen; het vooruitzicht nimmer weer naar -Indië terug te kunnen en haar leven lang in het koude, onaangename land -te moeten blijven, ontnam haar allen levenslust. Ze zou weinig jaren te -voren in de grootste woede zijn ontstoken, als Roos haar ook maar -eenige reden had gegeven tot jaloezie; thans was het haar volkomen -onverschillig, al deed hij ’t ergste. Maar och! dat deed hij niet. Het -is waar, dat hij, die jong naar Indië gegaan en nooit met verlof in -Europa geweest was, thans vaak een zwaren strijd had te strijden, -waarin hij althans zijn uiterste best deed telkens overwinnaar te -blijven. Zelf van nederige afkomst, l’eau remontait à sa source: Roos -toonde namelijk een hoogst gevaarvolle neiging voor dienstmeisjes. Hij -kon de handen niet thuis houden; hij streek haar onder de kin of kneep -haar in wangen of armen,—allemaal kleine, onschuldige misgrepen, -gepleegd in volle eer en deugd, maar die Kaatje in woede deden -ontsteken, alleen omdat zij het van zoo’n bejaard mensch, zei ze, in ’t -geheel niet velen kon. - -Met het onschuldigste gezicht ter wereld, zat de kapitein, een beetje -verhit van ’t langdurig partijtje in den Dierentuin, aan de reeds -gedekte tafel, de courant lezend van den vorigen dag. - -„Marsch!” riep hij, toen zijn vrouw binnenkwam. „Dat heb ik wel zien -aankomen: Van Schermbeek is er uit.” - -„Kasian,” zei ze, „hij is zoo’n goed en fatsoenlijk man!” - -„Van top tot teen ’n gentleman. Maar ik heb ’t hem voorspeld. Dat -beroerde reclameeren ook! ’t Is of dat jonge volk den duivel in ’t lijf -heeft!” - -„Dat heeft oud volk soms ook.” - -Hij keek haar eenigszins verbluft aan en las toen verder, zonder te -vragen wat ze bedoelde. Zij vervolgde heel bedaard: - -„Daarom wou ik je verzoeken, de meid aan haar werk en met rust te -laten, en niet meer in de keuken te komen.” - -Hg schoof onrustig heen en weer, draaide met nog hooger kleur aan zijn -knevels en zette zijn bril recht. - -„Je moest je schamen!” zei ze nog. - -Toen frommelde hij aan de courant, dat het papier rammelde, en eerst -langzaam en stootend, daarna met een toenemend flux de bouche kwam hij -los in klachten en verwijten van hoogst intiemen aard, waaruit hij de -conclusie trok, dat het alles haar schuld was. Hij was zoo niet, maar -als men.... enfin nog gezond en krachtig was, en men had een vrouw als -een dubbel bevroren ijsklomp.... - -Zij hoorde het aan zonder iets tegen te zeggen; zij wist het wel, en ze -gaf hem in veel gelijk. ’t Was haar echter onmogelijk anders te zijn -dan zij was; hij begreep niet hoe doodelijk ongelukkig ze zich voelde, -en hoe dit leven haar walgde en tegenstond. Er kwam een pijnlijke trek -op haar gelaat, en toen de kapitein dat zag, sprak hij ingetogener en -kalmer; zijn liefde voor haar kwam weer boven, maar ’t hielp niet. En -intusschen luisterden Corrie en Nelly met Kaatje aan de deur, half -stikkend van ingehouden lach. Toen het „standje” uit was, liepen ze -alle drie naar de keuken, waar ze het uitschaterden. - -Bij het diner was het alles vrede. - -„Kom, ga eens mee naar de opera,” zei kapitein Roos tegen zijn vrouw. - -Zij schudde het hoofd. - -„Ik blijf liever thuis.” - -„Thuis sterven de meeste menschen,” merkte hij wijsgeerig aan. „Het is -wezenlijk verkeerd van je, Jeanne! Ze geven van avond de Cloches.” - -„Ga jij maar,” antwoordde ze schouderophalend. „Heusch, ik geef er niet -om; ik blijf veel liever hier.” - -Hij drong niet verder aan, maar stond op en ging zich kleeden. De -meisjes vroegen of ze met Kaatje mee mochten boodschappen doen in de -buurt, en dat werd haar vergund; de kleintjes werden naar bed gebracht; -ze sliepen in een ommezien onder de warme dekens, en toen de huisdeur -dichtviel, hoorde mevrouw Roos den harden militairen stap van haar man -door de leege straat en in de holle onbewoonde huizen weerklinken in de -eene richting, en het droge tikken der hakjes van de meisjes en van de -meid, die gearmd en gichelend den anderen kant uit gingen. Daarna werd -het stil in de eenzame buurt, en slechts de onverbiddelijke koude wind -hoorde men door de schoorsteenen gieren met klagend geluid. - -Zij had haar sjaal weer omgedaan, en na de kachel te hebben opgestookt, -haar stoel er bij geschoven. De tafel was nog niet „afgenomen”; dat zou -Kaatje wel doen, als zij terugkwam, en ’t kon mevrouw ook weinig -schelen. Zij verzonk weer in de droomen en phantasmagorieën, die haar -heimwee vergezelden. ’t Ging haar als de schipbreukeling, die, op diëet -van zoet water, gekweld wordt door grooten dorst, en in een staat van -geestelijke verdooving geen andere beelden ziet dan heerlijke glazen -ijswater, die hem aan de lippen worden gebracht, maar meedoogenloos -verdwijnen bij elke gretige poging er iets van te drinken; allerlei -visioenen had ze van Indië; het was haar leven in al zijn phasen, dat -achtereenvolgens opdoemde, van haar eerste jeugd als dochter van een -opziener op een onderneming in het gebergte tot haar later huwelijk met -den toen 2den luitenant Roos; zij zat met gesloten oogen en glimlachte -tegen haar hallucinaties gelijk haar man wel zou gewenscht hebben, dat -zij het tegen hem deed. - -In den foyer van de opera stond deze gedurende de pauze met een groepje -zijner oude vrienden een glas grog te drinken. Een enkel woord was -gesproken over ’t stuk, dat werd opgevoerd, doch heel spoedig verviel -men vanzelf in gesprekken over Indië, over expedities, promotie, -traktementen, schandaaltjes, regeeringsfouten en intriges. Ook hen -vervolgde en bezat het land, waar ze zooveel van hun beste levensjaren -hadden doorgebracht; het had hen vast en ’t wilde hen niet loslaten; ze -droegen er ’t onuitwischbaar stempel van in woord en gebaar, in houding -en uiterlijk. En het bleek ten slotte, dàt wat hun ’t meeste -belangstelling inboezemde, al waren de meeningen der meesten in het -koude klimaat aanmerkelijk afgekoeld, en deden velen hun best anders te -denken en te spreken, dan hun aandrift meebracht, om de andersdenkenden -en sprekenden in wier midden hun gewoon dagelijksch leven verliep. - -Maar toch hadden ze voor alle van vreemde smetten vrije Nederlanders -nog eigenaardigs te over: de weinigen, die aanvankelijk hadden gestaan -bij het groepje in den foyer, uit gepensionneerden, verlofgangers en -een enkel particulier saamgesteld, trokken spoedig af; zij verstonden -het discours maar half en konden er niet aan deelnemen. En menige -onvriendelijke blik gleed over dat groepje, en menige kwaadaardige -grijns ging aan het adres der kern-gezonde, grog- en bierlievende -verlofgangers, die „wegens ziekte” pierewaaiden in Den Haag, met -behoorlijke verlofstraktementen, waarvoor ze niets behoefden te -doen,—twee omstandigheden, die de Haagsche ambtenaarswereld haast deden -stikken van woede en spijt.—Men moest hun niet vertellen, dat die -menschen doodziek Indië hadden verlaten, en door de zeereis reeds voor -het grootste deel herstelden, zoodat ze na een kort verblijf in Europa -geheel beter waren; men moest hen er niet op wijzen, dat velen van die -menschen in afgelegen oorden jaren achtereen een droefgeestig, -eenzelvig bestaan hadden moeten leiden, haast afgesloten van allen -Europeeschen omgang,—want zij geloofden het toch niet; ze hoorden het -aan, schouderophalend en met een: „nu, ja”, maar voor de rest bleven -zij er bij, dat het meer dan ergerlijk was, om, als zij in ’t Lange -Voorhout uit hun bureau-vensters zaten te kijken, zulke verlofgangers -in datzelfde Voorhout te zien wandelen. - -„Heb je mevrouw Van Velton gezien?” vroeg een oud-hoofdambtenaar, en op -die vraag staken allen de hoofden bijeen met oolijke gezichten. Er werd -gefluisterd en gelachen, tot luid en brutaal de schel weerklonk, die -hen terugriep naar de zaal, omdat de pauze uit was. ’t Scheen wel, dat -de naar de deur stroomende menigte door den dikken rook heenbrak, dien -zóóveel brandende sigaren binnen een kwartier in den foyer hadden doen -opgaan en die, met de massa, vergezeld van een echte kroeglucht, zich -in de kromme gangen en gangetjes verbreidde. - -„Doe de deur dicht,” had Louise Van Velton tegen haar stiefdochter -gezegd, die in haar loge er het dichtst bij zat. „Er komt zoo’n nare -lucht binnen.” - -Hortense strekte zwijgend een langen arm uit en sloot de deur. Ze -geeuwde achter haar waaier en ook Louise had geweldig ’t land. Zij zag -er keurig uit in ’t ponceau fluweel met parelgrijze kant gegarneerd en -een gezichtje om te stelen; haar diamanten schitterden oogverblindend. -Ook Hortense was altijd keurig en smaakvol gekleed; het was bekend, dat -zij prachtig woonden, schitterende equipage hielden,—kortom, dat ze -rijk waren, rijk, schoon en elegant, en toch hielp ’t niet! - -O, er kwamen hoogst fashionabele lieden in haar villa op ’t Plein 1813, -doch zij behoorden niet tot den stand, welken Louise er had wenschen te -zien. Zelfs vroeger, toen zij met haar vader te Brussel woonde, -verkeerde zij in hooger kringen. Van Indische clubs wilde zij niets -weten, en met oud-gasten liet zij zich zoo weinig mogelijk in. -Natuurlijk kon ze niet beletten, dat kennissen visites maakten, maar -zij moedigde dat zoo weinig mogelijk aan, en bracht slechts -tegenbezoeken als ’t niet anders kon. Zij werden nu begeleid door een -neefje van Hortense, een jongmensch uit Arnhem met een bloemzoet -gezicht en hoogst affabele manieren, doch in de oogen van Louise, die -verzot was op grooten chic, niet veel meer dan een heerenboertje. Toen -haar naam werd afgeroepen, bracht neef André de dames naar haar coupé -en nam hij afscheid. - -„Ik heb me gruwelijk verveeld van avond,” zei Louise, haar sortie -nauwer aanhalend en tegen de zacht geelzijden doffen leunend. - -„En ik dan!” geeuwde Hortense uit het andere hoekje. - -De fraai geornamenteerde lantaarns aan het hek van den tuin brandden en -de jonge gitzwarte paarden sloegen vonken uit den bestraten -toegangsweg. En nauwelijks stond het rijtuig stil of de deuren onder de -koetspoort vlogen open, en in een stroom van zacht goudgeel licht uit -de albasten lampen, beklommen ze de marmeren trap van den corridor. - -„Bonsoir!” zei Louise, stilstaand voor de deur van Hortenses kamer en -haar de wang toestekend. - -De stiefdochter drukte er even haar lippen tegen. - -„Wel te rusten!” zei ze, haar kamer binnengaande. - -Er moest een einde aan komen,—dàt was mevrouw Van Velton met zichzelve -eens. Zulk een saai leven, ondanks haar groot vermogen en weelderige -levenswijze slechts verveling brengende, wilde zij op den duur niet -leiden. Papa zag men alleen aan het ontbijt en bij het diner; voor de -rest ging hij geheel op in haar kind, zijn eenigen kleinzoon, waarvan -zij intusschen meer en meer vervreemdde. Het was reeds zóó ver, dat de -oude heer jaloersch werd en boos, als zij zich zelfs maar met de -kleeding van ’t jongske bemoeide; ’t was zijn afgod, en ofschoon -physiek een allerliefst ventje, een naar, vervelend, bedorven kind, dat -altijd zijn zin moest hebben. Hortense.... neen maar die was à propos -van verveling een wereldwonder! Die zeurde nu niet met haar kind, dat -evenwel heel aardig en lief werd, zoo’n bleek wurm als het in Indië -was, maar die zeurde over haar man. En dat was nu juist voor Louise -geen aangenaam onderwerp. Niet dat zij thans nog iets hoegenaamd om hem -gaf! Wat zij voor hem gevoeld had, en wat nog een oogenblik bij haar -laatste bezoek te Batavia hel had opgeflikkerd, was thans voor goed -gestorven, en zij had overigens, hoewel weduwe, weinig behoefte aan een -huwelijk of aan omgang met een man, schoon ze gevoelig was voor -vleierij en wel hield van een aardigheid. Maar zoo mooi ze overigens -was, zoo lief en levenslustig zij er uit zag, zoo koket zij wezen kon -en zoo schijnbaar hartstochtelijk soms haar groote zwarte oogen -gloeiden, zoo rustig en normaal werkte haar gestel, dat trouwens in -haar eerste huwelijk niet was verwend. Zij had haar gevoel onder -bedwang. - -De altijd eenigszins vermoeid uitziende Hortense daarentegen, met haar -rustig onverschillig gezicht en kalmen oogopslag, leed geweldig onder -de afwezigheid van Fournier. Nacht en dag stond hij haar voor den -geest; zij had hem reeds lang vergeven, dat hij haar bedrogen had, door -zijn vroegere verhouding tegenover haar stiefmoeder voor haar te -verzwijgen. Naderhand, toen ze alles wist, vond zij het weinig, alleen -rekenend met den uitslag, niet met het doel. ’t Was een -kinderachtigheid geweest, een vergissing vond ze; en eenmaal uitgemaakt -hebbende, dat het niet meer was, achtte zij het de moeite niet waard er -verder over na te denken. En nu streed de arme Hortense een zwaren -strijd tegen haar isolement. Zij ging, toen ze uit de opera kwamen, -eens kijken in de kinderkamer,—de kleine sliep als een roos, en in het -ledikant naast het kinderbedje deed de bonne hetzelfde. ’t Was alles -stil en rustig in het groote huis. Langzaam en zuchtend ontkleedde zij -zich, nam een boek en ging aan de tafel zitten lezen; daarmede verzette -zij zich tant bien que mal, en tot laat in den nacht verslond zij -boeken, haar best doende zooveel mogelijk belang te stellen in de -handelende personen, tot ze, doodmoe, naar bed ging en dadelijk -insliep. - -’t Was een koude, heldere ochtend, den volgenden dag; de wind woei -hardnekkig uit denzelfden guren hoek, maar de grauwe wolkenmassa was -weggedreven; de zon scheen vroolijk en vriendelijk aan de staalblauwe, -strakke lucht; haar reeds bleeker schijnend licht verguldde de gele -uiteinden der met zacht geruisch over ’t Plein dwarrelende bladeren. - -Zij ontbeten nog in de tuinkamer. - -„Het is zulk lekker weer; we moesten eens naar Scheveningen rijden,” -meende Louise. - -„Ga gerust je gang; maar ik blijf thuis met het kind,” zei dokter Van -der Linden, nu reeds met een bezorgden blik op zijn kleinzoon. - -„U zult hem nog heelemaal verwennen.” - -„Laat dat maar aan mij over! Ik ga met hem spelen in den tuin. Rijdt -jullie maar naar den zeekant; wij hebben hier zeewind genoeg.” - -Doch Hortense wilde wel, en ze hadden reeds orders gegeven om in te -spannen, toen de knecht een paar visitekaartjes binnenbracht. - -„God, hoe vervelend!” zei Louise. „Natuurlijk weer Indische lui.” - -Voor één presentabele Haagsche jonkersfamilie had zij gaarne ’t heele -visschersdorp ook als badplaats een jaar lang willen ontberen. - -Het waren kennissen uit Indië. Zij had hun namen gelezen onder de -passagiers der Fransche mail, en had wel gedacht, dat ze den een of -anderen dag haar voor den neus zouden staan. Nu kwamen ze al heel -ongelegen, maar enfin! ze moesten maar in de ontvangkamer worden -gelaten, waar mevrouw Van Velton een oogenblik later, met een gezicht -stralend van genoegen en een vriendelijken lach op de lippen, hen -verwelkomde. - -De twee heeren behoorden niet tot ’s lands dienst; de een, ’s lands -welvaren in persoon, was Mr. Mourant, advocaat, en de ander met het -uiterlijk van een leverlijder, heette Veninga en was planter. Beiden -bezaten een aardig fortuintje, maar de advocaat had met pleiten toch -niet half zooveel verdiend als de planter met koffie-oogsten. Zoo de -heeren van denzelfden leeftijd waren,—de dames scheelden veel in dat -opzicht; mevrouw Mourant liep naar de veertig en zag er in uiterlijk -schoon zeer gewoon Indisch uit; wel kon men ’t haar aanzien, dat zij -een zeer intellectueel ontwikkelde vrouw was, maar al mocht mevrouw -Veninga op dit laatste niet bogen, toch stelden haar groote schoonheid -en haar twintig jaren de oudere vriendin ver in de schaduw; die deden -zelfs afbreuk aan de mooie Louise en dat voelde zij toen ze binnenkwam -en het jonge vrouwtje in een snoeperig reiskostuum haar om den hals -vloog en hartelijk kuste. - -„We zijn nog heel vreemd in patria,” zei Mourant lachend. - -„Het is al zoo vèr in het seizoen,” meende Louise. - -„Dat is het ook,” gaf Veninga toe, „en we zouden ook gewacht hebben tot -den volgenden zomer, als mijn gezondheid het had gepermitteerd!” - -„En ’t is erg lief van de Mourant’s—vindt u niet?—dat ze hun vertrek -uit Indië om onzentwil hebben vervroegd.” - -„Och,” zei mevrouw Mourant, „Jet overdrijft dat; wij hebben elkaar zoo -lang gekend; zij zijn, dat weet je, uit ons huis getrouwd, en als kind -was ze altijd bij ons thuis....” - -„Toch vind ik het erg hartelijk,” viel Louise met haar liefsten -glimlach in, en intusschen dwaalde haar vlugge blik over dat viertal, -waarvan twee der dames naast haar zaten op de ottomane, en Veninga zich -vermoeid had neergevleid in een leunstoel, terwijl Mourant achter dien -stoel staande met de armen rustend op de leuning en een glimlach om den -mond naar de dames keek, nu en dan zich met een gepast woord in het -gesprek mengend. En er lag zoo iets meesterachtigs en cynisch in dien -glimlach, dat Louise er zich inwendig boos over maakte en de -wenkbrauwen samentrok. - -Er werd een glas morgenwijn rondgediend, en Veninga, die geen idéetje -van spiritualiën aandurfde, uit vrees voor zijn lever, dronk een glas -soda-water. Al pratende en zich, ondanks zichzelve, weer warm makend -over wat sedert haar vertrek in bekende families was voorgevallen, -vloog voor mevrouw Van Velton de tijd voorbij. - -„We moeten nu weg, anders komen we niet op tijd,” zei Mourant, op zijn -horloge ziende. - -„Blijft u dan niet hier?” vroeg Louise. - -Hij zag eens rond. - -„We hadden afgesproken terug te gaan naar Amsterdam. Voorloopig namen -we onzen intrek in het Amstel-hotel. Daarna denken we hier te komen.” - -Mevrouw Veninga was reeds opgestaan. - -„En we gaan nu terug naar Amsterdam,” zei ze op een toon, die duidelijk -aangaf, dat nu het itinéraire onherroepelijk was vastgesteld. - -Men nam hartelijk afscheid. - -„Die vervelende lui,” klaagde Louise toen ze terugkwam bij Hortense, -die droomerig voor zich uit zat te kijken met de handen in den schoot -en zeker aan Fournier dacht: „die vervelende lui hebben me -verschrikkelijk opgehouden. Het is nu te laat om naar Scheveningen te -gaan.” - -„Och,” antwoordde Hortense, als ontwakend: „’t kan me eigenlijk ook -niets schelen.” - -„Ik heb,” ging ze voort, toen ze zag dat Louise zich ergerde aan haar -verregaande onverschilligheid, „hen even in ’t rijtuig zien stappen. Ze -zagen er netjes uit.” - -„O ja! Ze zijn in Amsterdam mensch geworden. Ik heb zoo gelachen om het -verhaal van dien Mourant. Het is een naar, pedant heer, maar hij praat -wel aardig.” - -„Wat was het?” - -„Och, the old story: ze hebben nette familie te Amsterdam, een beetje -stijf en vervelend, maar die toch goed meeleven. Nu, zij hadden zich -maar vast in Indië van Europeesche kleederen voorzien, en meenden dat -ze poes mooi waren.” - -„Die is aardig!” - -„Nietwaar? Wel, ze begrepen er niets van, toen hun in vertrouwen -verteld werd, dat ze zich moesten laten kleeden, want dat niemand van -de familie zich op straat met hen durfde vertoonen. Ha, ha! Aardig, -ja!” - -Ook Hortense vond het erg grappig en lachte hartelijk mee. - -„Waarom heb je een hekel aan dien meneer Mourant?” - -„Ik.... ik.... kan het je haast niet zeggen, Stance! Het is misschien -heel leelijk, maar ik vermoed iets....” - -Hortense keek op; zij zou geen vrouw moeten geweest zijn om tegenover -onuitgesproken vermoedens geen nieuwsgierige belangstelling of -belangstellende nieuwsgierigheid aan den dag te leggen. - -„Zeg het maar,” drong ze aan, en met een uitdrukking op ’t gezicht, die -gebrek aan vertrouwen verweet, voegde ze er bij.... „onder ons!” - -„Hij heeft iets in zijn gezicht en in zijn manieren; iets waarvoor ik -geen naam weet, maar dat elke parvenu, die niets gewoon is, over zich -heeft als hij op zijn manier een conquête heeft gemaakt. Men kan ’t hem -aanzien, dat hij het wel zou willen uitschreeuwen van de daken; dat hij -er in stikt, en het springt te meer in het oog, naarmate hij haar -behandelt, alsof er niets.... niets....” - -„Maar dàt is nu toch ’n beetje erg! Mijn hemel, ik zou niet graag zoo -iets beoordeelen op zoo’n manier! Je hebt ’n hekel aan den man, en dat -is, geloof ik, alles! En nu maar te denken, dat hij dien armen zieken -Veninga....” - -„En toch is het zoo, of bijna zoo! Geloof me, Stance, men begrijpt en -gevoelt zulke verhoudingen ’t best bij intuïtie. Er zijn onder die vier -menschen bedriegers en bedrogenen. Daar zou ik mijn hoofd op durven -geven.” - -Er werd een groot pakket binnengebracht. Het knappe werkmeisje, koket -gekleed en met een heel air, lei het op de tafel en zei nonchalant-weg: - -„Asjeblieft, mevrouw, de mijl,”—zoo scherp, alsof ’t woord mail met zes -lange ij’s werd geschreven. - -Mevrouw Van Velton verroerde zich niet, maar keek met boozen blik de -netgebouwde figuur der dienstbare fee na, die met een trippelpas de -kamer verliet in een paars japonnetje, dat haar als geschilderd aan ’t -lijf zat, iets wat kapitein Roos in verrukking zou hebben gebracht. - -Louise ergerde zich geweldig aan de vrouwelijke dienstboden. De mannen -waren beleefd en onderdanig, vond ze, maar de meisjes haatte ze, en ze -bleef er altijd een beetje bang voor. Die hadden ook iets in haar -houding en manieren, dat sprak, en een zoo scherpzienden blik als die -van mevrouw Van Velton-Van der Linden ontging het niet, dat haar -vrouwelijke bedienden voor haar niet de deferentie betoonden, als zij -waarnam dat in echt Hollandsche voorname families aan den dag werd -gelegd. En of zij al vorstelijke loonen betaalde,—het baatte niet. Het -was, integendeel, of de schepsels insolenter werden, naarmate ze meer -geld verdienden. - -Zenuwachtig had Hortense het pakket losgemaakt, de couranten ter zijde -geworpen en, onder de brieven grabbelend, er een uitgehaald; ze -scheurde er haastig ’t couvert af en verslond den inhoud. Langzaam -naderde Louise de tafel. ’t Kon háár zoo bitter weinig schelen, wat de -post bracht! ’t Waren meest brieven over haar geldzaken, en die gaf ze -ongelezen aan haar vader, of enkele korte episteltjes van oude -vriendinnen, kennisgevingen van huwelijken en overlijden, en zoo—enfin, -dingen, waarin zij slechts matig belangstelde. - -Ze liet ze één voor één onverschillig door de handen gaan. - -„Hij komt! hij komt!” - -’t Was een juichtoon, zóó luid, dat Louise er van schrikte. - -„Hij komt!” riep Hortense nog eens, den brief als een zegeteeken boven -haar hoofd houdend, met een kleur op de wangen en licht in de oogen, -wat haar altijd zoo mooi maakte. - -„Het is jammer, Stance, dat je niet altijd zoo verheugd bent. Als je -eens wist hoe goed het je staat!” - -„Hij kan al over een week of drie hier wezen. God, hoe heerlijk!” - -En in de overstelping harer blijdschap kuste ze Louise telkens en -telkens weer. - -„Ik ga hem halen van Marseille,” riep ze: „wat een heerlijke winter zal -dat zijn!” - -’t Deed hare jonge stiefmoeder pijnlijk aan. Niet om Fournier; maar zij -benijdde Hortense, die zoo gelukkig kon zijn om ’t vooruitzicht van -hereeniging. Was dat geluk, en zou zij, die dat nooit had gesmaakt, ook -nimmer te weten komen, wat het was? - -En intusschen dacht Hortense hardop; ze sprak nu in tien minuten meer -dan anders vaak in een heelen dag; ze maakte allerlei -vooronderstellingen en verwierp die weer; hij zou toch wel -telegrapheeren, of neen, dat zou hij niet, want hij zou haar verrassen; -zij zou het wel tijdig lezen in de passagierslijsten, tenzij hij voor -de grap zijn naam niet liet publiceeren. Zou hij dadelijk naar Den Haag -komen en bij haar zijn intrek nemen, of zouden ze eerst een reisje doen -door Italië en Duitschland? Zij gaf zichzelve taal en antwoord, en toen -zij nog met den brief in de hand, vroolijk en opgewonden naar haar -kamer ging, hoorde Louise haar zingen—voor de eerste maal sedert zij -daar woonden! - -In eentonige regelmaat tikte zacht de slinger der pendule, die een -marmeren Phryne, in verleidelijke houding haar schoone lijnen toonend, -omhooghield; tusschen de donker damasten gordijnen drong flauw het -weemoedig licht van den dalenden najaarsdag; Louise leunde met den -elleboog op de tafel en keek naar buiten zonder te zien; zij voelde -zich zoo verlaten, zoo heel, heel erg alleen! Was er dan niets voor -haar op de wereld? Volstrekt niets? Niets wat ze zóó liefhad, dat ze er -voor leefde, en dat haar gelukkig kon maken? Er welde als het ware iets -op in haar binnenste, iets dat haar verschrikkelijk benauwde; zij -voelde dat het zou losbarsten met teugellooze kracht, en ze vloog de -kamer uit, de trappen op, naar de vertrekken van den dokter,—die waren -eenzaam; haar vader noch haar kind waren er, maar door het venster zag -ze hoe de erg verouderde dokter in het zweet zijns aanschijns samen met -njo een toren bouwde in den tuin van aarde en steenen, en hoe ze zich -allebei kolossaal amuseerden, hij, met zijn weinige zilverwitte haren, -’t jongske met den dichten blonden krullebol. Ook die twee hadden -elkaar lief en leefden voor elkaar. En zij was voor niemand iets, -gelijk niemand iets was voor haar. Ging er dan zulk een afstootende -kracht van haar uit, zóó, dat alles van haar vervreemd raakte: -moederliefde, kinderliefde, de liefde....? De groote opwelling van -smart, die haar daareven haast had doen stikken, kwam niet tot een -uitbarsting; slechts zuchtte zij diep en streek haar donker fraai -gevormd handje over haar voorhoofd. Soedalah! fluisterde zij en terwijl -de inlandsche uitdrukking der machtigste onverschilligheid over haar -gezicht gleed, werd die als ’t ware onderstreept door een licht -schouderophalen. - -Wat kon ’t háár ook eigenlijk schelen? ’t Was toch alles maar grand -bruit et.... bien peu de besogne! - -Langzaam kwam ze de trap weer af, die ze in zoo vliegende vaart was -opgevlogen. Hortense zat met haar dochtertje op den schoot en kuste -het. - -„Wat zal hij van haar staan kijken!” - -„Zeker! ze is hier goed vooruitgegaan.” - -„’t Is een heel ander kind geworden, nietwaar!” riep de gelukkige -moeder, haar baby omhooghoudend. - -„Ik ga een paar boodschappen doen. Ga je mee?” - -„Ik kan niet! Morgen sluit de mail....” - -„Nu ja,” antwoordde mevrouw Van Velton driftig, „maar daarmee zal je -toch geen brief zenden, want die bereikt hem immers toch niet meer.” - -„Misschien.... als ik hem adresseer naar Port-Saïd of Suez.” - -„En je weet niet eens, met welke boot! Kom, ga maar mee, dan kunnen we -daar meteen naar informeeren.” - -Toen ze uitreden zagen ze weer de dames Van Stralen en Roos op het -Plein 1813 wandelen. - -„Zijn dat zulke vriendinnen?” vroeg Hortense. - -„Het schijnt zoo. Mevrouw Van Stralen woont in de photografen-straat -[1]; het gaat er erg Indisch toe; ze houden er damesclubjes en God weet -wat nog meer; die kapiteinsvrouw is er zeker geweest, en gaat nu naar -huis; natuurlijk hier of daar in den Indischen archipel.” [2] - -Het was inderdaad zoo. Mevrouw Roos had gevolg gegeven aan de -uitnoodiging harer oude vriendin. Zij had haar een bezoek gebracht aan -haar huis in de Willemstraat, en zij trof het goed, want juist dien dag -was er koempoelan besar van Indische dames bij mevrouw Van Stralen. Er -waren oude kennissen en geheel vreemden, maar met wie zij spoedig heel -eigen was: allen waren uit ’s lands dienst, levend van pensioen, -bespaarde sommetjes, en een enkele zag haar inkomen vergroot door den -ijver van een nog in de kracht zijns levens zijnden man, die er een min -of meer lucratief, maar altijd hoogst fatsoenlijk „baantje bij”—dus bij -zijn pensioen—had weten machtig te worden. - -Toen men veel en geweldig dooreengepraat had bij een glas limonade, dat -men zich „onder elkaar” niet geneerde „stroop” te noemen, begonnen de -onschuldige spelletjes inderdaad niet hoog, maar waarbij men zich toch -opwond en betrekkelijk nog heel wat winnen of verliezen kon. Eerst had -mevrouw Roos geaarzeld, maar toch deed ze mee. En terwijl ze vroeger in -Indië meest altijd verloor, won ze nu en ging ze een beetje rijker naar -huis dan ze gekomen was. Toen Roos dien dag uit den Dierentuin kwam, -was zij tot zijn verbazing nog niet thuis, terwijl de meisjes reeds -lang van school waren gekomen. - -„Waar ben je heen geweest?” - -„Ik heb een paar boodschappen gedaan, en ik ben even bij mevrouw Van -Stralen geweest.” - -„Zou het waar zijn, dat ze daar dobbelen?” vroeg hij, ’t manuaal van -kaartspelen er bijmakend. - -„Ik weet het niet,” antwoordde ze onverschillig; „’t kan me ook niet -schelen.” - -Mevrouw Roos was dien avond vroolijker dan anders, en dat zag de -kapitein met genoegen; ze stemde er zelfs in toe na het eten een -wandeling te doen, en ze was zoo opgewekt, dat hij er ’t beste van -durfde hopen. - -„Ga je mee?” - -Hij had het haast werktuiglijk gevraagd en uit gewoonte. - -„Waarheen?” - -„Naar de Hollanders,” antwoordde verbaasd de kapitein, den Hollandschen -schouwburg bedoelend. - -„Och ja. ’t Is nogal goed weer.” - -„Zeker, het weer is uitmuntend. ’t Is jammer, dat het stuk van avond -niet van de nieuwste is.” - -„’t Zal voor mij nog nieuw genoeg zijn.” - -„Ja, je gaat zóó weinig uit! Het doet me pleizier, dat je nu eens mee -wilt. Je weet niet, welk een genoegen me dat doet!” - -Hij had als ter bekrachtiging een zijner dikke handen op de tafel laten -vallen met een harden slag. Toen zij zich had gekleed was hij een en al -voorkomendheid, met een ouderwetsche, eenigszins overdreven galanterie. -In de straat stapte hij met zijne vrouw aan den arm en ’t hoofd meer -dan rechtop, met zekeren trots voort; het was in geen maanden gebeurd, -dat ze samen uitgingen. - -„Wezenlijk, Jeanne, we moeten dat meer doen.” - -Zij glimlachte achter haar dikke voile. - -„Jij weet anders alleen ook wel den weg te vinden.” - -„Ik ben een oud militair, Jeanne; dien maakt geen sterveling tot een -kniesoor. Als jongen heb ik al geleerd de zaken te nemen zooals ze -zijn.” - -„Ja, je hebt een gelukkig gestel,” zei ze met een zucht, die naar Indië -ging. - -„’t Is heelemaal naar men zichzelven went, vrouwtje! Achter de kachel -zitten, kan ik niet. Ik moet beweging hebben in de frissche lucht en ik -vraag er niet naar of ’t warm is of koud.” - -Een oogenblik wachtte hij, maar toen ze zwijgend en eenigszins -huiverend zacht tegen hem aandrong, vervolgde hij: - -„Er uit moet ik, dat vat je, en ik moet zeggen....” - -„Dat ik je nooit tegenhoud.” - -„Nnneen.... dat ’s waar. Ik heb wel eens gedacht.... hm!.... Enfin, ik -wil maar zeggen, dat het toch veel beter zou zijn voor ons beiden, als -we meer samen uitgingen. Waarachtig, in Indië waren we meer bij -elkaar....” - -„O.... dat is een verschil! In Indië!” - -„Dat is geen verschil. Je zoudt immers precies evengoed met me mee -kunnen gaan naar de opera en de komedie. Ik heb er met pleizier nog ’t -geld van een abonnement voor over, dat weet je wel!” - -„Praat in Godsnaam niet van geld!” - -„Larie!” riep Roos in zijn echte troupiers-opvatting van de waarde van -het geld. „Als de bok zijn ribben toont, neem ik er een baantje bij.” - -Zij geloofde inderdaad, dat hij zoo’n baantje slechts voor het nemen -had; wat wist ze ook van Hollandsche toestanden, en wat wist hijzelf er -van? - -Roos stootte haar aan met zijn elleboog; zij keek op en zag hoe hij -door een zijwaartsche beweging met het hoofd, haar aandacht vestigde op -een heer, die alleen voor het helder verlichte venster van een -boekwinkel stond te kijken. Eerst herkende zij het mager en scherp -profiel met de lange neerhangende knevels niet, maar toen ze dichterbij -kwamen, keek ze verrast haar man aan. - -„Van Schermbeek?” fluisterde zij vragend. - -Hij knikte bevestigend en versnelde een weinig den pas met de blijkbare -bedoeling te trachten ongezien achter hun vroegeren mede-passagier -voorbij te gaan. - -’t Gelukte bijna, maar net op ’t laatste oogenblik keerde Van -Schermbeek zich om, zag hen en groette. - -„U hebt zeker gehoord, dat ik den dienst heb verlaten?” vroeg hij -meeloopend. - -„Ja! Het is net gegaan, zooals ik aan boord voorspeld heb.” - -Van Schermbeek lachte schamper. - -„Ze zijn nog niet van me af!” - -„Nu ja, dat is ook ’n schrale troost.” - -„Er is in zoover nog niets verloren.” - -„Hè?.... Wat zeg je?.... Nog niets verloren? Maar kerel, hoe heb ik het -met je! Je bent er uit, voor den donder! Heelemaal....” - -„Sst! Roos, schreeuw toch zoo niet!” zei zijn vrouw kwaad, terwijl ze -hem heftig aan den arm trok. „De menschen zullen denken, dat je dronken -bent.” - -„Laat de menschen naar de maan loopen. Ik kan niet velen dat Van -Schermbeek, wien ze genoodzaakt hebben op zijn jongen leeftijd en als -luitenant z’n ontslag te nemen, beweert, dat daarmee niets verloren -is.” - -„Begrijp me goed,” zei de jonge man: „ik bedoel alleen dat ik er weer -in kom.” - -„Dat denk je maar!” - -„Ik heb ’n brochure geschreven, waarop de Regeering vallen moet. Ze is -vandaag uitgekomen. Ik zal er u morgen een exemplaar van zenden. Ze -liggen daarginds geëtaleerd bij dozijnen voor het venster van den -boekverkooper. Dat is de genadeslag. Die moet me gelukken, en dan zal -men iets anders zien! Dan kom ik er weer met eer en glorie in.” - -Zij twistten voort tot groote woede en ergernis van mevrouw Roos. Dicht -bij de komedie bleven ze staan, disputeerende over de oude -strijdvragen, wat een officier doen moet, mag en kan in bepaalde en -onbepaalde gevallen. De kapitein beriep zich telkens op het niet te -loochenen feit, dat de ervaring hem in ’t gelijk had gesteld; Van -Schermbeek erkende dat alleen wat zijn gedwongen ontslag uit den dienst -betrof, maar hij hield vol, dat daarmee ’t laatste woord in zijn zaak -nog niet was gezegd; dat hij „herstel van grieven” zou krijgen en weer -herplaatst worden. Dat gaf Roos in het geheel niet toe. De Tweede Kamer -.... nu ja, ’t was mooi en de heeren zeiden veel, maar men had ten -slotte met het legerbestuur in Indië te maken, en dat stoorde er zich -bitter weinig aan. En in de drukte van dit belangrijk twistgesprek, -waarbij zij opnieuw hun gansche arsenaal van argumenten leeghaalden, -vergaten zij bijna geheel de arme mevrouw Roos, tot zij, terwijl haar -een lichte huivering van kou door de schouders voer, besloot er een -einde aan te maken. - -„Nu, goeden avond, mijnheer Van Schermbeek; van harte ’t beste succes, -ja! Wij gaan binnen, want de komedie is reeds begonnen.” - -„O dank u zeer, mevrouw .... Neem me niet kwalijk, dat .... Bonsoir, -kapitein, tot genoegen.” - -„Als ik jou liet begaan,” mopperde mevrouw Roos, terwijl ze het -bordesje van den schouwburg opgingen, „dan stond je daar tot -morgenochtend door te slaan. Ze zijn al lang begonnen.” - -Met groote schreden en zijn wandelstok zwaaiend, keerde Van Schermbeek -terug; zijn hoofd stond er niet naar, den schouwburg te bezoeken. Roos -was de eenige niet, die zich in „zijn zaak” op zulk een ouderwetsch, -achterlijk standpunt had geplaatst; hij kende dat! Beste, uitstekende -menschen, maar die „er” niets van begrepen. Hij kon zich daar dikwijls -boos over maken, maar van avond was er, meende hij, niemand ter wereld, -die hem uit zijn humeur kon krijgen, en ofschoon hij ’t zichzelven niet -had willen bekennen en tegenover iedereen in gemoede het tegendeel zou -hebben volgehouden, toch kon hij niet zonder vreugde en trots aan die -brochure van hem denken, die bestemd was de politieke atmosfeer zoo -geweldig te beroeren. Het verlichte venster van den boekverkooper trok -hem aan als een magneet; van verre zag hij het en hij ging er op af, -onwillekeurig den pas versnellend, en evenals toen daar straks Roos -voorbijkwam, was hij de eenige kijker. Daar lagen ze in hun grijze -bleekrose omslagen! Daar lag zijn naam gedrukt met vette letters en de -indrukwekkende titel er boven in dubbele grootte. Twee kleine jongens -met de armen fideel om elkaars schouders geslagen kwamen naast hem -staan, drukten de petjes, waarin hun hoofden staken, dicht bij elkaar -en lazen half spellend: „Be...roep... op... het... rechtsge...voel... -der... natie... Een... woord... aan... de... Tweedeka...mer... -derSta...tenGe...neraal.” - -„Generaal,” herhaalde de een. „Zouwen ze dien dikken bedoelen van de -grenadiers?” - -„Ben je gek? Het beteekent den Koning in z’n glazen koets, je weet wel! -Staten, mot je lezen; Staaten.” - -„Nou, eet me maar niet op met je Staaaten! Ik weet het net zoo goed als -jij; als de politie vooroprijdt, met een oranje sjerp.” - -Van Schermbeek ging glimlachend verder. Hij verkeerde, bij lotgenooten -vergeleken, in bijzonder gunstige omstandigheden, want hij had geld. -Noch van zijn kant, noch van dien zijner vrouw ontbrak het aan -middelen. Dàt was een voornaam ding. Daarom was het zijn plicht de -kastanjes uit het vuur te halen, en geen onrechtvaardige bejegening te -verdragen. Als gefortuneerde officieren niet eens in de bres sprongen, -wie moesten het dan doen? Wat zou die brochure een effect maken. En -zelfs dáárbij liet hij het niet. Zijn familie had niet alleen geld, -maar op enkele plaatsen ook invloed. Waarom zou hij geen lid worden van -de Tweede Kamer? Duivels, wat zou hij de Regeering dan à faire nemen! -Al voortwandelend schraapte hij alle grieven bijeen, algemeene en -bijzondere, van het Indische leger; hij verwerkte ze tot een -redevoering, en hield die, in zichzelven, als een maidenspeech voor -zijn vooronderstelde waardigheid van volksvertegenwoordiger. Toen hij -den hoek der straat omsloeg, zag hij den lichtstroom, die uit de -vensters van de „Witte” in den donkeren avond hel naar buiten drong en -breede schrille strepen sloeg op den weg. ’t Zag er zoo gezellig uit, -dat hij binnen liep. Er zouden wel altijd lui zijn; misschien -kennissen, en wellicht hadden zij zijn brochure al ontvangen en gelezen -of bij de boekverkoopers zien liggen. - -Veel bezoekers waren er niet: de vaste clubjes en enkele losse leden, -die op hun gewone plaatsen zaten, couranten of tijdschriften lezend. Er -waren geen Indische bekenden, maar aan een tafeltje zat een reeds -bejaard heer met een deftig grijs baardje, dat van zijn hoofd scheen -gevallen te zijn, want daarop groeide niets meer; hij zat te genieten, -blijkbaar, van een sigaar, want hij kneep met innig welbehagen de oogen -dicht, telkens als hij trok. - -Toen Van Schermbeek hem groette, knikte hij even met het hoofd; de -jonge man aarzelde een oogenblik; het was een oud vriend der familie, -die er druk aan huis kwam, toen hij, Van Schermbeek, nog een kind was. - -„Hoe maakt u het?” vroeg hij, plaats nemend. - -„Dank je.” - -„’t Is hier stilletjes van avond.” - -„Ja.” - -„Niet naar den schouwburg?” - -„Neen.” - -Driftig stond Van Schermbeek op. - -„Ik wensch u een goeden avond,” zei hij op een toon van geraaktheid, -waaruit men duidelijk kon hooren, dat hij den ouden vriend zijner -familie een ongelikten beer vond. - -„Hm! Zeg! Hè.... Van Schermbeek!” - -Hij keerde zich om en kwam terug. - -„Ga nog even zitten. A propos.... ik heb vandaag een soort van -boekje.... hoe wil je het noemen?.... van je ontvangen.... Jongens, je -moet zulke dingen toch niet doen.” - -„Hebt u het gelezen?” - -„Och ja.... zoo eventjes doorbladerd.... Maar wezenlijk, het spijt me -erg van je.... Ik kan me niet begrijpen, dat je oude heer in zulke -dingen niet tusschenbeide komt.... Het is heusch.... het is.... het -gaat niet!” - -„Wat gaat niet?” vroeg Van Schermbeek, wiens bloed kookte. - -„Nu ja.... ik wil wel gelooven, dat je niet geheel ongelijk hebt.... -maar je bent altijd veel te net om.... zulke dingen .... pamfletten, -enfin!....” - -Hij hield zich kalm, maar ’t kostte moeite! Dat woord „pamflet” was hem -als een klap in ’t gezicht, en wanneer leeftijd en verhouding hem niet -gedwongen hadden zich met geweld te betoomen, zon hij gehandeld hebben -alsof hem zoo’n klap gegeven was. Maar hij kon niet beletten, dat zijn -gezicht op onweer stond toen hij antwoordde: - -„Wie geeft u het recht mijn geschrift een pamflet te noemen?” - -„Je moet dat zóó niet opnemen; het is bijwijze van spreken.” - -„Dan heb ik bijwijze van spreken het genoegen u te groeten.” - -„Bonsoir!” zei de ander, en hoofdschuddend liet hij zich weer in zijn -stoel neer, in stille deftigheid voortgenietend van zijn sigaar. - -Van Schermbeek kwam heel ontstemd thuis. Zijn jonge vrouw was den -laatsten tijd onwel en hield het bed. Hij wist dat zij het uit den -militairen dienst treden zeer betreurde. Eerst had zij, gelijk veel van -hun vrienden en kennissen, hem aangespoord om te zoeken wat hij zijn -recht achtte, maar toen het zoover kwam, dat hij fatsoenshalve -gedwongen was zijn ontslag te nemen, was zij zeer veranderd, gelijk -velen, die ook niet gedacht hadden, dat het zoo’n vaart zou nemen, en -die nu openlijk vertelden, dat hij, Van Schermbeek, heel voorbarig, -lichtzinnig en dom had gehandeld; immers men wilde wel strijden vóór de -rechtvaardigheid, maar.... tot zekere hoogte; boven die hoogte stonden -relatiën, positie, fortuin, huisgezin, en die moesten, meenden zij, -nimmer worden opgeofferd in zulk een strijd. - -En zoo dit groot verschil van gevoelen onder de nog slechts korten tijd -gehuwden al geen merkbare verkoeling had teweeggebracht, het had toch -schreeuwende dissonanten verwekt in hun huiselijk verkeer. - -In de huishoudkamer dronk hij een kop thee; het was er stil en -vervelend, maar hij was te verdiept in gedachten om daarop te letten. -Men was er dan toch in geslaagd hem dien avond uit zijn humeur te -helpen! Hij had een beleediging ondergaan en dat kon hij niet -verkroppen. Als hij er aan dacht, terwijl hij met de ellebogen op de -tafel en de handen in het haar, in de eenzame kamer zat, vloekte hij -tusschen de tanden en dreigden de tranen hem in de oogen te springen. - -Toen in de gang de schel weerklonk, schrikte hij er van, zoo geprikkeld -waren zijn zenuwen. - -„Als er bezoek is,—ik ben niet thuis,” zei hij, de kamerdeur openend, -tot de dienstbode, die naar voren ging. Doch niettemin hoorde hij een -voetstap, en toen hij dien herkende, was hij gerust. - -„Goeden avond,” zei de oude heer Van Schermbeek. - -„Dag pa, ga zitten. Ik ben blij, dat u eens komt.” - -„Waarom ben je dan zelf niet eens gekomen?” - -„Ik weet het niet.... Misschien.... Enfin, ik kan het niet zeggen.” - -Hij ging erg openhartig om met zijn vader, ofschoon die altijd een -tegenstander was geweest van zijn oppositie in vruchtelooze audienties, -verzoeken, adressen en artikelen; maar ’t was een antagonisme, dat geen -afbreuk deed aan de genegenheid en het vertrouwen. - -„Anders alles wel?” - -„Och zoo! Zij is ’n beetje onlekker in den laatsten tijd.” - -„Hm, dat gaat weer over. En jij?” - -„Ik? Och, beroerd! Ik ben op ’n vervloekt onaangename manier -bejegend.... en als ’n ander het had....” - -„Goed, goed, vertel het maar.” - -En toen Van Schermbeek zijn hart gelucht had: - -„Hadt ge wezenlijk op iets anders gerekend?” - -„Of ik gerekend had op iets anders dan zoo’n bejegening?” - -„Nu ja: zóó of tennaastenbij. Je trekt je dat woord „pamflet” nu zoo -aan, doch in dàt opzicht moet je in ’t geheel niet teergevoelig zijn. -Iemand, die voor ’t publiek schrijft, moet zijn huid verharden, althans -tegen de beoordeelingen van hemzelf als auteur en van zijn arbeid als -zoodanig.” - -„Niemand is verplicht schelden aan te nemen voor goede munt.” - -„Welzeker! Wie iets zegt tegen één mensch of wie ’n bepaald aantal hem -bekende personen bijeenroept en toespreekt, heeft aanspraak op ’n -fatsoenlijke bejegening. Wie echter voor het publiek schrijft, dat is -dus ook voor het rapaille van een maatschappelijke klasse, doet van die -aanspraak afstand.” - -„Dus uw eigen oude vriend....” - -„Is ’n beste kerel; ’n man van fortuin en goede geboorte; ’n man van -nette vormen en correct fatsoen; zeer achtenswaardig in die opzichten, -maar moreel en intellectueel behoort hij tot het rapaille van zijn -stand.” - -„En hij kwam jarenlang bij ons aan huis!” - -„Zeker! Als men iedereen als het ware zedelijk en verstandelijk van -alle kanten wou gaan bezien en beproeven en ontleden, dan kwam men tijd -te kort en zou men moeten leven als ’n kluizenaar.” - -„Daarom ben ik altijd zoo tegen jou optreden geweest,” ging de oude -heer voort toen zijn zoon zweeg, „dat weet je wel. Telkens heb ik je -gewaarschuwd, maar je wildet niet hooren. Je scheen eerst te moeten -voelen; welnu—voel!” - -„Ik heb zóó cynisch niet over de menschen gedacht, en ik doe het nog -niet,” zei Van Schermbeek geraakt, en toch een beetje verlegen. - -„Noem het zooals je wilt. De een noemt de waarheid een schotschrift, de -ander noemt haar hondsch; het is lood om oud ijzer! Doch laten we niet -met algemeenheden schermen. Jij hebt nu ’n brochure geschreven, en ik -neem aan, dat als alle menschen deden wat recht en billijk was, jij -volkomen gelijk zoudt krijgen en gerehabiliteerd zoudt worden. Toch zal -die brochure niets uitwerken, hoegenaamd niets. Couranten zullen er -over schrijven, al naar den geest die haar tegenover de Regeering -bezielt,—wat in jou brochure staat, doet er minder toe; in de lagere -volksklasse zal men je brochure niet lezen, en al deed men het, dan zou -ze daar toch niet begrepen worden; de handel en neringdoende standen -bemoeien zich met zulke dingen niet, die gaan haar het eene oor in en -het andere uit; in de politieke sferen geldt alleen de vraag in hoever -je geschrift nu bruikbaar is of in de toekomst kan worden voor gansch -andere belangen, dan die van jou: en de adellijke standen naderen in -dit en veel andere opzichten weer de lagere volksklassen. Maar van al -die categorieën is één ding zeker: 9⁄10 trekt er den neus voor op.” - -Van Schermbeek antwoordde ook ditmaal niet; hij meende dat zijn vader -schromelijk overdreef, maar moest zich eerst op weerspraak bedenken, -want zijn levenservaring schoot te kort in die richting. - -„Men moet zich dus, volgens uw meening, maar laten trappen,” zei hij -eindelijk met een mismoedigen grijns. - -„Blijf bij uw eigen omstandigheden. Je waart officier, en je kreeg -quaestie met een hooger geplaatst officier om ’n kleinigheid.” - -„Waarin hij ongelijk had.” - -„Goed! En dan nog? Waren er geen honderd goede redenen voor één om hem -in zijn ongelijk te laten, en je er verder niets van aan te trekken?” - -„Dus je moet je laten trappen..... Daar kom ik maar weer op terug.” - -„Als je dat „trappen” noemen wilt, ga dan je gang; dan heb ik al heel -wat menschen getrapt, want ik heb dikwijls ongelijk gehad tegenover -inferieuren en anderen, en dan heb jij, schoon vijf en twintig jaren -jonger, ook zeer dikwijls in dien zin ondergeschikten getrapt.” - -„Dat is allemaal de zaak niet, pa. Gesteld dat ik werkelijk beter had -gedaan, alles te slikken als koek, wat ik niet toegeef, dan blijft nog -het verder verloop een schreeuwende onrechtvaardigheid!” - -„Zeker, je bent gemeen behandeld. Alleen je hadt alles zelf kunnen -voorkomen. Nu heb je overal den indruk gemaakt van een weerspannig en -recalcitrant militair; dat duldt men niet, en zelfs zij, die zeer goed -inzagen, dat ge het recht op je zij hadt, konden je niet handhaven. -Onze maatschappij is geen ideale zaak, en het militair gedeelte wel het -allerminst. Absoluut recht, gesteld dat het bestaat, is voor toepassing -ongeschikt; bij een streven naar recht, zal men toch altijd nu en dan -zich gedwongen zien de macht er boven te stellen.” - -„Ik ben het niet met u eens,—en soedah! ik zal het nooit met u eens -worden. Al dat opstapelen van bezwaren tegen de toepassing van het -eenvoudigste beginsel ter wereld, noem ik een doekje voor het bloeden. -Wel, wat zou het verschrikkelijk zijn geweest als de legercommandant -eens had gezegd: Van Schermbeek is in zijn recht en hij zal dus hebben -wat hem toekomt! Kijk, pa, dat zou ’n paar hoofdofficieren hun positie -hebben gekost. Verschrikkelijk, hè? Die hadden het dan niet aan -henzelven te wijten, die arme slachtoffers van het recht! En wat zou -het slecht gewerkt hebben op het leger, als zelfs de mindere man had -gezien....” - -„Dat een jong luitenant met verzet, gemopper en klachten er in slaagde -hoofdofficieren een beentje te lichten!” - -„Neen, dat er recht was te krijgen bij het Indische leger.” - -„Enfin, ééns worden we het toch niet,” zei de oude heer Van Schermbeek -opstaande. „Laat je echter zóó ver overtuigen, dat je met al de moeite, -die je in het werk stelt, niets hoegenaamd zult bereiken. Het eenige -is, dat de meeste menschen zich van je zullen afwenden en je er op -aanzien. Voor een schande zal men het je niet bepaald aanrekenen....” - -„Dat ontbrak er slechts aan!” - -„Maar het scheelt dan toch niet veel! En de Regeering zal je -wijselijk....” - -„Wat zegt u, wijselijk?” schreeuwde Van Schermbeek verontwaardigd. - -„Houd je gemak! Ik zeg wijselijk, want zij kan niet anders. Zij zal dan -je wijselijk negeeren, doodzwijgen als je ’t liever hebt. Het is haar -niet mogelijk zich in het bijzonder bezig te houden met een zaakje als -dat van jou. Jullie hebt eigenaardige begrippen daaromtrent! Je denkt -dat, wat voor jou heel belangrijk is, dit ook per se voor de heele -wereld wezen moet.” - -„Het is niet „mijn zaakje,” zei Van Schermbeek somber. „Het is een zaak -van principe voor het Indische leger.” - -„Volgens jou opvatting, die maar weinigen deelen. Hoe het zij, ik wilde -je slechts waarschuwen, beste jongen, tegen mogelijke illusiën.” - -„God bewaar me! illusiën!” riep de ex-luitenant, de kamer op en neer -stappend met groote schreden en de armen omhoog, terwijl hij in dien -uitroep zijn geheelen gedachtengang van voor een paar uren -verloochende. - -„Nu des te beter! Ik heb je stil je gang laten gaan, hoezeer ’t me ook -hinderde. Maar je bent jong.... en, enfin, ik heb ook mijn sociale -Sturm- und Drang-periode doorgemaakt. Je weet altijd bij wien je komen -kunt, als er iets noodig mocht zijn.” - -Hij drukte de hand zijns vaders stijf in de zijne, en zag hem aan met -een innige ontroering. Ja, dat wist hij wel! Wat er ook gebeurde, hij -kon op zijn ouden heer rekenen, en dit anders heel gewoon, volstrekt -niet bijzonder gevoel van hartelijke genegenheid, roerde hem, nu zijn -zenuwen een beetje in de war waren door de opwinding telkens, nu eens -al pratende met anderen, dan schrijvende of in gedachten. - - - -De Mourants en de Veninga’s hadden zich in Den Haag gevestigd. Hortense -was naar Marseille gereisd om haar man van de boot te halen, en mevrouw -Van Velton, die zich gruwelijk te huis verveelde en niet mee was willen -gaan om als facheuse troisième bij den glorierijken intocht van den met -smart verbeiden Fournier te assisteeren, maakte bij de Veninga’s een -contra-visite. De zieke voelde zich niet beter; hij zag, vond Louise, -er zelfs slechter uit. - -„’t Klimaat helpt me nog niet veel,” zei hij op haar vraag hoe het hem -ging. - -„Langzaam aan, dan zult u er óók wel afkomen.” - -„Nietwaar?” zei Mourant, die mede een bezoek bracht. „Er zijn hier al -zooveel zieke Indische levers genezen, dat Veninga er wel ’n beetje op -kan vertrouwen.” - -Mevrouw Veninga—ze was nog zoo jong, dat iedereen haar Henriëtte of Jet -noemde, bij haar vóórnaam—gunde Louise den tijd niet over den -ziekte-toestand van haar man en zijne kansen op beterschap voort te -gaan. Ze nam de bezoekster dadelijk in beslag en leidde haar het huis -rond. Het was niet zoo weelderig, zoo grandioos, als de villa op het -Plein 1813, noch wat ’t gebouw, noch wat den inboedel betrof. Maar -niettemin was het een mooi, solied huis met ruime vierkante kamers en -groote balkonvensters, en het rook in de breede corridors niet naar -verf, versch hout en natte kalk. - -„Je woont hier uitstekend,” meende Louise. - -„Nietwaar? Het is nu wel zoo’n paleis niet als bij u; maar het kan toch -volstaan.” - -„Dat zou ik denken. En ik maak je wel mijn compliment, Jet. Je hebt het -keurig, keurig netjes en met smaak gemeubileerd.” - -Het jonge vrouwtje bloosde van genoegen. Men mocht te Batavia en in Den -Haag over het humeur, het karakter en de antecedenten van mevrouw Van -Velton-Van der Linden denken en spreken zooals men wilde,—dáárover was -men het eens, dat ze een onberispelijk goeden smaak had; een compliment -in dat opzicht was vleiend. En men kon het Louise aanzien, dat ze er -pleizier in had, toen ze rond zag in het boudoir in vieux or gemeubeld -en dat er, ofschoon ’t nog geen week was betrokken, zoo gezellig -gebruikt uitzag, zonder eenig stuitend kenmerk van het nieuwe. - -„’t Is hier waarlijk lief,” zei ze, op een laag stoeltje plaats nemend, -„maar ’t is goed dat je er geen zwart bij hebt genomen. Dat zou te -zwaar zijn geweest en bruin kon het ook niet velen.” - -„O neen,” zei mevrouw Veninga levendig, „bruin in het geheel niet! Maar -ik wist in het eerst heusch niet wat ik er bij zou nemen, tot ik op dit -dubbel cérise ben gevallen.” - -„Het was gewaagd. Eén toontje te licht....” - -„O, afschuwelijk! dat vind ik ook; zooals het nu is, kan het net en het -gaat met het palissander. Willem zei....” - -„Welke Willem?” - -„Ik bedoel Mourant. Hij heeft heel veel kijk op wat goed is. Waarom -lach je?” vroeg zij plotseling, eenigszins geraakt en blozend. - -„Lach ik? God, dat wist ik niet eens. Welnu, wat zei.... Willem?” - -„Hè, wat ben je flauw!” - -„Hoe is ’t mogelijk! Het schijnt, dat wat hij zei ’n geheim is! Ten -minste je bent niet van plan het te zeggen.” - -„Hij zei alleen, dat het zelfs met mahonie niet gaan zou, ofschoon -ik....” - -„Nu, daarin had hij gelijk.” - -„Hoe vindt ge dat Veninga er uit ziet?” - -Louise keek haar vlak in de oogen, maar zij had een Indische voor, -gelijk zijzelve er een was. In het eerst had Jet zich verpraat, -verdiept in de schakeeringen der kleuren van haar ameublement, maar nu -ze zag, dat ze aanleiding had gegeven haar te verdenken en werkelijk -verdacht werd, was ze ondoorgrondelijk. Zij keek, toen ze zoo na haar -vraag werd gefixeerd, met een gezicht volkomen zonder uitdrukking in ’s -Blaue. - -„Hij ziet er slecht uit.” - -„Dat vind ik ook. Het is zóó naar.” - -„Het zal wel beter worden.” - -„Geloof je het?” - -„Ik hoop het althans; het is heel moeielijk iets te gelooven tegenover -die ziekte; zij heeft soms zulk een vreemd verloop.” - -„Het duurt nu al zóó lang, en hij wordt zoo verschrikkelijk lastig.” - -„Dat brengt zijn kwaal mee.” - -„Het is waarlijk soms niet uit te houden. Ik maak het me hier in huis -maar zoo comfortabel mogelijk, weet je, want weldra zie ik er van -komen, dat hij in ’t geheel niet meer wil uitgaan.” - -„Daarom zou jij je nog niet behoeven op te sluiten.” - -„Denk je dat hij me permitteert alleen uit te gaan?” - -„Maar kind....!” - -„Geen quaestie van. Dat is juist het ergste. Hij is razend jaloersch, -zóó dat het soms voor me is om wanhopig te worden. Als ik voor ’t -venster zit beneden en er passeert een heer, die inkijkt, of als we -boven zitten en er kijkt iemand omhoog, dan moet je wat hooren! Alle -brieven, die ik krijg, doet hij open....” - -„Maar is hij dan krankzinnig? En Mourant?” - -„O,” zei mevrouw Veninga, de mooie oogen zedig neerslaande: „dat is -iets anders. In hem heeft hij zoo’n onbeperkt vertrouwen!” - -„Dus dat is dan ’n uitzondering.” - -„Zeg dàt wel! Zij zijn zulke vrienden! Mourant behandelt zijn zaken en -beheert ons vermogen. Veninga kan niet buiten hem.” - -Weer gleed het ironisch lachje om den mooien mond van Louise. - -„Neen, dat laat zich hooren,” zei ze. „En dan zie je zeker mevrouw -Mourant ook dikwijls. Die hield altijd zoo ontzaglijk veel van je en -was altijd zóó goed voor je!” - -„Dikwijls.... ja!.... ze is in den laatsten tijd niet zoo erg wel.... -Anders komt ze hier heel veel....” - -Het dralende antwoord ontging Louise niet. - -„Wat scheelt haar?” - -„Wat haar scheelt? Ze heeft een.... een zware kou gevat, geloof ik.” - -„Weet je ook het nummer van hun huis?” - -„Zeker, ik zal het je opgeven. Maar ik zou het liever nog een paar -weken uitstellen. Zij zijn nog volstrekt niet klaar; ’t is nog zoo’n -beetje een rommel en dan ontvangen ze niet graag.” - -In de benedenkamer zat Mourant zijn zieken vriend nog gezelschap te -houden; op elke knie had hij een Veningaatje zitten. - -„De kinderen noemen hem oom,” zei Jet met een gezicht, waarop de -vreugde glansde over de huiselijke gemeenzaamheid, die zelfs graden van -bloedverwantschap in het leven riep! - -Louise ergerde zich geweldig. Men kon aan haar gezicht en aan haar -houding zien, dat zij zich boos maakte, en de vroolijke trek verdween -er door van het gezicht van den kindervriend. Regelrecht ging ze naar -Veninga. - -„Ik zou, als ik u was, hier niet blijven.” - -„Waarom niet?” vroeg hij verschrikt. - -„Omdat ik vrees, dat u hier niet beter zult worden, en dan wordt u dus -erger.” - -Hij had zich half opgericht; zijn toch reeds niet kleurig wezen was -grauwbleek geworden bij deze onverwachte openhartigheid. - -„Ik heb dit huis pas gehuurd, wij zijn nauwelijks ingericht.” - -Zij haalde de schouders op met dat groote air de dédain, dat zelfs haar -vader te machtig was. - -„Ik sprak niet over huishuur of meubilair, maar over uw gezondheid.” - -„Geduld maar!” zei Mourant zalvend. „Keulen en Aken zijn niet op één -dag gebouwd! Het klimaat zal ook in dit geval wonderen doen.” - -Toen Louise hem even aankeek, schrikte hij, en trok een leelijk gezicht -vol vrees, met de mondhoeken naar achter en de wenkbrauwen naar boven. - -Zij deed overigens precies alsof hij niets had gezegd, en vervolgde -tegen Veninga: - -„Ik zou u aanraden naar het Zuiden te gaan.” - -„Lieve, beste mevrouw, als ik het van de warmte moet hebben!....” - -„Neen niet om de warmte, want die hebt ge in Indië volop gehad. Te -veel, dat blijkt! Maar in dit gure land zult ge sterven.” - -„Maar mevrouw!” kon Mourant toch niet nalaten uit te roepen, terwijl -hij de kleintjes van zijn schoot zette. - -„Kom!” zei mevrouw Veninga met neergeslagen oogen, „je hebt hem geheel -ontsteld.” - -„Dat weet ik, en het is me in zoover onverschillig. Ik moet zeggen wat -ik denk in dit geval. Wezenlijk, meneer Veninga, ga naar het Zuiden. -Hier houdt ge ’t niet uit, geloof me. U ziet er bepaald slechter uit -dan de vorige maal.” - -„Ik voel me ook minder goed,” zei Veninga met weifelende stem en bleek -gezicht. - -„Dat is niets anders dan een gevolg van de reactie op het gestel,” -meende Mourant. - -Mevrouw Van Velton keek hem nog eens aan met de diepste minachting, -maar ditmaal deed hij alsof hij ’t niet bespeurde. Hij was een te oude -rat om zich zoo gemakkelijk te laten intimideeren. - -Een oogenblik met zichzelve in tweestrijd, liet Louise den blik -doelloos dwalen door het nette vertrek. - -„Het is mijn opinie,” herhaalde ze daarna, „en ik blijf er bij. -Intusschen, ik heb haar nu gezegd en voor mijzelve mijn plicht gedaan. -Adieu, en beterschap.” - -Vriendelijk knikte ze Veninga toe, die haar heel onhandig groette, -sterk onder den indruk van dat akelige visioen van den dood, door het -schoone, levenslustige jonge vrouwtje opgeroepen. Ze ging Mourant, die -opgestaan was en een buiging maakte, snel voorbij zonder hem aan te -zien, laat staan te groeten. Henriëtte, erg boos en niet minder -ongerust, volgde haar in de gang. - -„Daar heb je me in ’t geheel geen dienst mee gedaan,” zei ze bits. „Wie -zegt nu zulke dingen tegen ’n zieke!” - -„Wil je hem vermoorden?” - -„Mijn God!” riep mevrouw Veninga doodsbleek: „hoe kom je er aan?” - -„Welnu, jullie doen net of je den stakkerd naar ’t kerkhof wilt helpen. -Ik zeg je, Jet, dat hij hier sterven zal, nog vóór er weer groen aan de -boomen is.” - -„Hoe kan je dat toch beweren? Mourant herhaalt alleen wat de dokter -zegt over de reactie....” - -„De dokters hier weten niets van ziekten als de zijne. Maar als hij -kans heeft het leven te rekken, dan ligt die niet hier in Holland.” - -„Hoe kan je dat weten?” - -„Hij heeft den dood reeds op ’t gezicht, en, ril maar niet Jet, je hebt -dat zelve ook wel gezien; je weet dat net zoo goed als ik. Geloof me,” -verzocht ze dringend, „ga met hem naar Nice of zoo! Kasian! hij is toch -al zoo ongelukkig! Weest niet zoo zelfzuchtig jullie, jij en.... -Willem.” - -„Hemel!” steunde Henriëtte, bevend van ’t hoofd tot de voeten. - -„Tot ziens,” ging Louise voort, opgewonden sprekend en zenuwachtig de -handen bewegend. „Tot ziens, ja! Als je gaat, schrijf me dan.” - -Zij zat al in haar rijtuig, voordat Henriëtte van den schrik was -bekomen. Welk een wonderlijk schepsel was en bleef dat toch altijd. - -„Ze is net gek!” zei ze, de kamer binnentredend. - -„Een geëxalteerd schepseltje!” voegde Mourant er met groote -geringschatting in toon en gebaar bij. „Er is altijd heel zonderling -over haar gesproken. Het is waarlijk niet te verwonderen; ze doet al -heel vreemd.” - -Veninga echter zei niets. Hij zag nog erg bleek en lag in zijn -luierdstoel achterover met gesloten oogen. Niemand wist welk een -verschrikkelijken schok mevrouw Van Velton hem had gegeven door zoo -onverbiddelijk duidelijk te zinspelen op den grooten vijand, dien hij -zoo angstig vreesde—op den dood! - -Dàt was verschrikkelijk! Het was ’t denkbeeld, dat hem reeds in Indië -had geplaagd; dat hem sedert was blijven vervolgen, en waartegen hij -een inwendigen harden strijd voerde; het denkbeeld dat hij met geweld -terugdrong en als ’t ware omver trachtte te redeneeren, maar dat met -elke pijn in de rechterzijde of in den rechterschouder zich -onverbiddelijk weer op den voorgrond werkte. - -„Ik hoop,” zei Mourant op hoogen toon, als sprak hij over iets, dat men -vèr weg werpt, „dat je van die nonsens je niets zult aantrekken.” - -„Veninga zal wel verstandiger zijn,” vond zij. - -Maar de zieke schudde het hoofd en keek hen toen beurtelings aan met -den doodsangst op het gezicht. - -„Wat weten jullie er van?” zei hij snel als beet hij hun de woorden -toe. „Kan zij niet heel goed gelijk hebben?” - -Mourant en mevrouw Veninga zwegen. De bitse toon van den lijder was hun -een te bekende klank. Hij kon niet de minste tegenspraak velen, als hij -zoo sprak. De stilte was drukkend. Mourant had weer een der kinderen op -zijn schoot genomen om zich met iets bezig te houden. Jet pookte in het -haardvuur. - -Langzaam keek Veninga van den een naar de andere. Wat waren zij gezond! -Hij, de vriend, met zijn welgedaan buikje en zijn dikken nek; zij, het -mooie vrouwtje met haar frisch en jeugdig gezicht, en haar slanke, -bevallige taille, waaraan men het niet zien kon, dat ze al kindertjes -had gehad; net een jong meisje. - -Hij vreesde geen leven nà dit leven. Daaraan geloofde hij in ’t geheel -niet. Het dogma kon naar zijn meening slechts zijn voortgekomen uit een -lapsus linguae. De mensch, nu ja, die plantte zich voort en had de -middelen in de hand om nooit uit te sterven, een ongeval waartegen het -genus zonder aansporing wel zou waken. Dàt was naar zijn vaste -overtuiging de bedoeling; anders niet. Het was, meende hij, een -kapitale dwaasheid, die waarheid als een os zoo verkeerd op te vatten, -dat men er een persoonlijke zaak van ging maken en in allen ernst -gelooven, dat er voor een fragment eener individueele ikheid een eeuwig -voortbestaan was weggelegd. Het niet,—daarin zou hij verzinken als hij -stierf, meende hij; voortleven overdrachtelijk zou hij in zijn -nakomelingen; maar persoonlijk „stof en asch”. Het was geen -schrikbeeld, dat de dood, zóó gezien, opleverde; men kon hem aannemen -als een vervelend, maar bevrijdend einde van een ziekelijk en pijnlijk -bestaan. En toch kon de arme Veninga er niet aan denken zonder dat een -ontzettende vrees hem in groote droppels langs voorhoofd en slapen -gudste. En of hij al zijn redeneering te baat riep, en het algemeene -tegenover het bijzondere stellend, het eerste deed overwinnen,—hij kwam -niet los van den zielsangst, die hem beknelde. Moest hij dan weg? Weg -van Jet en van de kinderen? Weg van het geld, dat hij met arbeid had -verdiend en bespaard? Weg van alles, tot van zichzelven? En als hij nu -eens stierf, wat zou het dan zijn! Natuurlijk kon hij niet verwachten, -dat men om hem en zijn nagedachtenis een uitzondering zou maken op den -regel. Waarom zou men dat doen? Het gebeurde immers met geen anderen! -Hijzelf had nooit langer geliefde dooden betreurd dan eenige weken na -de begrafenis. Nu ja, een enkel maal een weemoedige gedachte, een -zucht, een traan,—maar het leven hernam dan dadelijk zijn rechten, -streng, onverbiddelijk meesleurend, en men ging aan den arbeid, men -waakte en sliep, men werkte en dacht, men leed en streed juist alsof -die anderen, die dood waren, er nooit waren geweest. Hun plaats was -niet aangevuld,—dàt behoefde niet eens; hij was met henzelven -verdwenen, en men zou geen raad hebben geweten met den geliefden doode, -als hij een maand na zijn begrafenis eens ware teruggekeerd met al zijn -rechten en aanspraken, met al zijn gezag en invloed. Want die waren -overgegaan op en als dadelijk vereenzelvigd met anderen, die dan een -afstand zouden moeten doen op een grond door geen rechtsbegrip -gerechtvaardigd; om een reden tot nog toe door niemand aangevoerd of -aangenomen. Zoo zou het precies gaan als hij stierf. Zijn vrouw zou -plichtmatig bedroefd wezen, maar als er een ander man kwam, die haar -beviel, dan zou ze dien nemen, met hem trouwen, andere kinderen bij hem -krijgen. Hij zuchtte diep, schoon het hem pijn deed in de zijde. Het -was ellendig, vond hij. Ternauwernood zou men hem missen! En hij kon -niet eens zijn geld meenemen om zijn gemis voelbaarder te maken. -Integendeel, hij werd een post van uitgaaf minder op het budget! - -„Mourant!” - -„Wat is er, Veninga?” - -„Wezenlijk, ik geloof dat het hier in Holland niet goed voor me is.” - -Het gezicht van den advocaat betrok. - -„’t Is mogelijk,” zei hij op een toon, die niet bewees dat hij de -mogelijkheid inzag. - -„Wees nu niet vervelend. Ik voel immers het best, dat ik hier niet -vooruitga. Die mevrouw Van Velton....” - -„Och, wat!” - -„Neen, spreek me niet tegen. Het is een alleronaangenaamst openhartig -mensch, maar wat ze zei is waar.” - -„Je hebt dat toch niet vroeger opgemerkt,” meende mevrouw Veninga, en -ze zei het ongewoon snibbig. „Welk een dwaasheid! Omdat zij gek is, -behoeven wij het toch ook niet te zijn.” - -„Ja, jij zou me, denk ik, wel graag in het graf hebben. Dan kon je -overal heengaan, hé. Dat is een boel pleizieriger dan een zieke man.” - -Zij haalde onverschillig de schouders op. - -„Als je zóó spreekt, doe ik het best te zwijgen.” - -„En waar wou je dan heengaan?” vroeg Mourant. - -„Ik wou naar Davos en ik wou jou en je vrouw vragen voor mijn rekening -met ons mee te gaan.” - -Bedenkelijk wreef Mourant zijn fijnen neus. - -„Het zal niet gaan, amice! Ik heb het natuurlijk gaarne voor je over. -Of echter mijn vrouw er toe zal te bewegen zijn, betwijfel ik zeer.” - -„Als ik het haar dringend verzoek?” - -„Doe dat niet. Laat het aan mij over. Ik zal er met haar over spreken; -van avond zal ik je antwoord brengen. En,” vervolgde hij, na een vasten -blik op Jet, die hem in gespannen verwachting aankeek, „of zij wil of -niet, in elk geval ga ik mee.” - -Een vriendelijke glimlach gleed over het gelaat van den lijder, en zijn -gezicht teekende dankbaarheid en vriendschap, toen hij met een uiterst -flauw idee van verzet zei, dat hij zóóveel opoffering niet vergen -mocht. - -„Kom, kom! De opoffering is waarlijk zoo groot niet. Ronduit gezegd, -zou het gezonde, rustige klimaat van Davos mij ook vrij wat meer goed -doen, dan het ruwe gure weer in Holland.” - -Mevrouw Veninga draaide ook bij. - -„Het spijt me voor ’t lieve huis,” zei ze, „dat we moeten verlaten; -ziedaar alles. Voor het overige spreekt het wel vanzelf, dat ik óók -liever naar een zachter klimaat ga, en als het voor jou gezondheid -is.....” - -„Het doet me pleizier, dat we het eens zijn. Dat stelt me gerust. Kom -hier Jet, en geef me een zoen. Je neemt het me niet kwalijk, ja, dat ik -je daar straks zoo aanviel?” - -Zij maakte dezelfde onverschillige beweging met de schouders, alsof ze -wilde zeggen: Stel je voor, dat ik me zoo iets aantrok. Doch ze zei het -niet en gaf hem een kus. Mourant wendde het hoofd af, pratend tegen de -kinderen met een gemaakt lachje. - -„De vraag is nu maar wanneer?” wierp hij op, toen hij meende dat het -wèl was. - -„Zoo gauw als het kan.” - -„Minstens drie dagen,” meende Henriëtte met het oog op de kinderen. - -„Drie dagen!” zuchtte Veninga, als zag hij op tegen een termijn van -jaren. - -„Mij dunkt,” zeide Mourant, „’t zou overmorgen ook wel kunnen. Laat ons -’t maar dáárop houden.” - -Doch mevrouw Veninga schudde het hoofd. - -„Ik kan niet klaar komen dan na drie dagen. We gaan geen minuut -eerder.” - -„In Godsnaam dan!” - -„Zeur nu niet, Veninga. Je ziet wel, dat we alles doen wat we kunnen om -je te believen.” - -„Ja, ja, ik zeg niets! Ik wou alleen maar, dat die drie dagen reeds -voorbij waren.” - -„En een paar uren geleden dacht je nog niet aan heengaan: dat komt -allemaal door dat malle spook.” - -Veninga zweeg; hij lag stil in zijn stoel met gesloten oogen. Mourant, -die zijn hoed had genomen, stond met het hoofd in den nek naar een -schilderij te kijken aan den wand, glimlachend om haar woede tegen -Louise; hij wist waaruit die voortkwam en kon wel nagaan, dat tusschen -die twee een openhartig woordje was gevallen. - -Zij gaf haar hart lucht. De geheele levensgeschiedenis van Louise, -zooals die metterdaad niet was, maar „men” haar gemaakt had, borrelde -op uit het vertoornd gemoed van het jonge vrouwtje, tot Veninga de -magere hand omhoogstak, er een gebiedend afwijzend gebaar mee maakte, -en op zijn gemelijksten toon uitriep: - -„Schei dan toch uit met dat gezanik over die mevrouw Van Velton. Als je -nergens anders over wilt praten, ga dan asjeblieft de kamer uit!” - -„O ja, ik weet het wel. De heeren kunnen nooit iets van haar hooren. En -al praat zij den grootsten onzin, dan handelen ze er nog naar.” - -Driftig verliet zij de kamer. - -„Adieu,” zei Mourant, zich omkeerende en Veninga de hand reikend. „Ik -zal dat thuis wel in orde maken en kom dan van avond nog eens aan.” - -„Kom hier eten!” - -„Misschien. Reken niet op me; als ik kom, zie je me.” - -In de gang stond mevrouw Veninga hem op te wachten; ze was werkelijk -heel boos, en toen hij haar een kus wilde geven, weerde zij hem heftig -af. - -„Kom, maak asjeblieft maar geen gekheid! Met die malle nonsens! Dat -heele naar Davos gaan is onzin.” - -„Och, dàt dienen we toch voor hem over te hebben.” - -„En dan: overmorgen!” - -„Misschien kom ik straks eten; in elk geval tot van avond. Er zit thuis -bij me weer een lief leventje op!” - -Dat denkbeeld verteederde haar, en ze nam vriendelijker afscheid van -hem, dan eerst haar plan was. - -De woning der Mourants was kleiner en veel minder luxueus, dan die der -Veninga’s; niet alleen door het verschil in fortuin, dat nog grooter -was geworden, sedert Mourant uit Indië bericht had gekregen van een -paar kleine „bankroetjes”, waarbij hij nogal erg betrokken was, maar -ook omdat ’t zoo’n klein gezin was: man en vrouw zonder kinderen. - -Zij zat bij het venster te lezen, eenvoudig gekleed als altijd. Hij had -haar getrouwd in Indië, waar zij onderwijzeres was en als zoodanig een -uitstekende reputatie had, dubbel en dwars verdiend. Zij had altijd -haar best gedaan hem zijn intellectueele minderheid niet te doen -gevoelen, en hij, de advocaat, ijdel in hooge mate, die erg graag deed -uitkomen, dat hij een „academische opleiding” had genoten, wist niet -dat zijn eigen vrouw en menig ander met haar, inzagen dat die opleiding -slechts een dun vernisje op een poveren ondergrond gestreken had. Zij -begreep wel, en ook hierin waren het meer menschen met haar eens, dat -Mourant’s bekwaamheid niet verder ging, dan tot de soort gewone -bruikbaarheid, waarbij alles moet afhangen van het goed geluk. En dàt -had Mourant gediend. Hij viel, in Indië komend, met den neus in de -boter van een goed beklant kantoor, met een goed rechtsgeleerde tot -associé. Maar zoo het toeval hem zijn carrière als koeli had doen -aanvangen, zou het een open vraag zijn gebleven of hij haar wel als -mandoer zou hebben geëindigd! - -Intusschen,—zij, Mourant en zijn vrouw, hadden goed geleefd met elkaar, -in dien zin, dat zij heel wèl waren zonder buitengewoon diepgaande -genegenheid. In den laatsten tijd echter was hun leven een hel, en men -kon het haar aanzien dat zij leed. Dat maakte haar uiterlijk schooner -noch jeugdiger. Men behoefde naar de veertig jaren, die zij telde, niet -te raden. Indien zij het zich niet had aangetrokken, alles had -aangewend om met wat haar overbleef te woekeren, en gekoketteerd had -met anderen, zou zij er wellicht in geslaagd zijn een zoo ijdele en -zelfgenoegzame persoonlijkheid als Mourant te blijven boeien. - -Hij groette niet toen hij de kamer binnentrad, en zij zag niet op van -het boek, dat ze las. Voor den spiegel schikte hij zijn das een weinig -recht, trok aan zijn boordje en zei heel kort en nurksch: - -„Ik ga over drie dagen naar Davos. Hoe lang ik daar blijf, weet ik nog -niet.” - -„Heb je het niet verstaan?” vroeg hij toen zij geen antwoord gaf. - -„Welzeker! Doch het was geen vraag; alleen een mededeeling.” - -„Ik ga naar Davos,” herhaalde hij nog eens. - -„’t Is me onverschillig. Moet ik meegaan, dan zal ik het doen, schoon -ik liever hier blijf.” - -„Als je mee wilt gaan, zal het mij hoogst aangenaam zijn!” riep hij met -bitteren spot. „We gaan met de Veninga’s.” - -„Schaam je je niet?” - -„Om met Veninga en z’n vrouw op reis te gaan?” ging hij op denzelfden -toon voort: „Daar behoeft men zich waarlijk niet voor te schamen!” - -„Och!” zei ze zuchtend, „je aardigheden vallen volmaakt in het water. -Er blijft niets over dan je laagheid. Ik wil niet van mijzelve spreken. -Je weet dat ik geen achting meer voor je heb en ook geen genegenheid -voor je koester. Maar dat je dien armen Veninga zoo schandelijk -bedriegt, is een misdaad.” - -„Welnu, klaag me aan!” antwoordde hij met gemaakte vroolijkheid. „Niets -liever, dat weet je.” - -Een gloed van toorn kwam op haar gezicht. - -„Als ik kans zag jou en haar voor een rechter te brengen, die je -allebei de straf gaf, door je verdiend, dan zou ik het wezenlijk niet -laten.” - -„Haar?.... Nu?.... En dan die arme Veninga? je zoudt hem moedwillig den -dood doen. Foei, dat is óók een misdaad.” - -Dat was inderdaad het eenige, waartegen zij opzag. Ze mocht Veninga -zeer gaarne, en ze had slechts geaarzeld om zijnentwil. Dat het zijn -dood zou wezen, betwijfelde zij niet, en daarvoor vreesde zij. Maar -niettemin was het voor haar een marteling. Toen ze voor het eerst -achter de waarheid was gekomen, en de schuldigen betrapte op een -oogenblik, dat deze zich niet spoedig genoeg konden verwijderen, had ze -een moreelen schok ontvangen, waarvan ze voelde dat ze nimmer zou -herstellen. Want wat ze gezegd had, was ook niet waar. Ondanks alles -hield ze veel van Mourant, en nu misschien meer nog dan vroeger, -ondanks ze hem wezenlijk minachtte. - -Hij had dadelijk den knoop doorgehakt door pogingen voor te stellen om -tot een scheiding te komen; zij had die voor goed verworpen, door één -voorwaarde, die ze vooraf wist dat hij niet zou aannemen. Zij vroeg -haast zijn geheele vermogen, en bij die gelegenheid had hij geraasd en -getierd als een bezetene. Neen, daarvan kwam niets, en dat wist ze wel. -Sedert zinspeelde hij voortdurend op scheiding en noemde er nu en dan -cijfers bij. Hij wist wel, dat zij het niet doen zou, en dat hij in -geen geval behoefde te handelen vóór den dood van Veninga. Was die -eenmaal ad patres, dan kon hij zien wat er te doen was. Zijn vrouw zou -niets zeggen, dat wist hij zeker, alleen om Veninga te sparen. - -„Dus je gaat niet mee naar Davos?” vroeg hij, toen zij de kamer -verliet. - -Maar zij antwoordde hem niet, en hij, een deuntje fluitend, ging naar -zijn kamer, kleedde zich, liep eens naar de sociëteit, waar de -oud-gasten hem gaarne zagen, mengde zich in allerlei gesprekken over -Indië en landde nog voor etenstijd weer bij de Veninga’s aan. - -De zieke glimlachte vroolijk. - -„Dat doet me pleizier,” zei hij. - -„Ja, ik ben met moeite gereedgekomen; ik had nog een en ander te -beredderen.” - -„Weet je wat ik morgen toch wel wilde doen?” - -„Neen, nog niet.” - -„Ik wou mijn testament laten maken.” - -„Het kan nooit kwaad. Het mijne bestaat reeds jaren. ’t Is -ordelijk.....” - -„Zeker! Het is schande, zeg het maar gerust, dat ik er geen heb. Een -van vroeger tijd heb ik vernietigd.” - -„Een uit Indië.” - -„Ja. Nu moest je me een pleizier doen en zorgen, dat morgen de notaris -hier komt. Je wilt toch wel executeur zijn?” - -Mourant bedwong een glimlach en zei met kalmen ernst: - -„Waarom niet? Ik hoop intusschen dat ik nimmer de functie zal behoeven -uit te oefenen.” - -„Nu maar, ik vrees dat het ’t eind van het lied wel wezen zal.” - -„Gekheid! Je knapt weer op.” - -Met groote zorg werd Veninga drie dagen later en nadat hij zijn -testament had gemaakt, volgens Mourant uitsluitend om de „goede orde” -van zaken, voorzichtig en in een plaid gewikkeld, vervoerd; hij -gevoelde zich zieker dan ooit en kon den steun niet missen der -krachtige handen van Mourant, die hem als ’t ware in en uit rijtuigen -en waggons tilden. - - - -Louise Van Velton had nog één visite gemaakt na de geagiteerde bij de -Veninga’s. Ze kwam bij mevrouw Van Stralen in de Willemstraat, en moest -heel lang anti-chambre maken, voor ze boven mocht komen. Daar vond ze -een zestal Indische dames en ze begreep heel goed, dat ze die allen -door haar bezoek erg dérangeerde. Mevrouw Van Stralen zou dan ook voor -ieder ander, die het speelpartijtje kwam verontrusten, belet hebben -gegeven, maar zij hield wel van mevrouw Van Velton en zij was er in -ieder geval zeer op gesteld de kennismaking met de villa op het Plein -1813 aan te houden. Daarom waren spoedig de kleine kaartjes en de -andere dobbelwerktuigen opgeruimd en weggeborgen, waren de dames van -den grond opgestaan en hadden zij op stoelen plaats genomen, en ontving -de vrouw des huizes haar bezoekster allervriendelijkst. - -Maar het standje bij de Veninga’s werkte na in het prikkelbaar gemoed -van Louise. Geen vijf minuten hield ze het praten over koetjes en -kalfjes vol. Ze deed er gedachtenloos aan mee, en er behoefde eigenlijk -ook niet bij gedacht te worden. Intusschen dwaalden haar oogen -droomerig door de kamer en over de min of meer behoorlijk gekleede -dames van dit kransje. Het was de voorbode van iets onaangenaams, dat -altijd onvermijdelijk volgde als zij zoo droomerig keek. - -„Komen de dames dikwijls bij elkaar?” vroeg ze zeer onverwacht en op -een vinniger toon, dan de aard der vraag en de gelegenheid scheen mee -te brengen. - -„Och, dat gaat nogal,” antwoordde mevrouw Van Stralen leukjes; maar -mevrouw Roos, die Louise alleen op het gezicht niet kon uitstaan en ook -woedend jaloersch was op haar groot fortuin, zei zeer beslist, maar -niet vriendelijk: - -„Zeker, mevrouw Van Velton, wij zien elkaar haast om den anderen dag.” - -Zij keken allen eenigszins verbluft de kapiteinsvrouw aan, die, niet -gewoon veel te spreken, zich zoo onverwacht en beslist op den voorgrond -stelde. Ook Louise nam haar op van het hoofd tot de voeten. Daarna -glimlachte ze met minachting. - -„En ik wed, dat de dames dan op Indische manier een partijtje maken,” -vervolgde zij tegen mevrouw Van Stralen, die, tamelijk verlegen met -deze onverhoopte wending van het gesprek, niet zoo dadelijk wist wat te -antwoorden. - -„Och!” vervolgde Louise: „U behoeft u er volstrekt niet voor te -geneeren. Wanneer men wat geld heeft, een goed pensioen en bovendien -geen kinderen, dan heeft men groot gelijk als men zich op de een of -andere manier amuseert.” - -„Er is waarlijk geen fortuin voor noodig,” verzekerde mevrouw Van -Stralen. „Wij spelen haast om des keizers baard.” - -Doch daar geloofde Louise niets van. - -„Nu ja,” zei ze, „dàt ken ik. Er wordt op die Indische partijtjes om -goed geld gespeeld, en menigeen....” - -„.... Herinnert zich niet u iets gevraagd te hebben,” viel mevrouw -Roos, met een kleur als een Malmaison, haar heftig in de rede. - -Er volgde een oogenblik van stilte; daarna vervolgde mevrouw Roos op -denzelfden opgewonden toon: - -„Het past u in ’t geheel niet u met eens anders zaken te bemoeien. Houd -u maar bij uw eigene, dan hebt u genoeg te doen, en als u dat deedt -zouden er niet allerlei praatjes te Batavia over u in omloop zijn. Ik -ten minste verwacht van u geen complimenten, verstaat u?” - -Deze ruwe aanval bracht Louise eenigszins van haar stuk. In groote -haast greep ze zenuwachtig haar mof, stond op en verliet zonder een -woord te spreken met trotsche houding het salon; mevrouw Van Stralen, -bleek van vrees, volgde haar en zei in de gang: - -„Je moet het haar niet kwalijk nemen; ze heeft vandaag een beetje veel -verloren en daar kan zij niet goed tegen.” - -„Mevrouw Van Stralen, ik noem het een schande. Het is een schande, dat -u hier een dobbelhuis houdt. U moest u schamen! Ik zal het overal -vertellen en nooit, nooit kom ik hier meer over den drempel.” - -„Kom, wees nu niet zoo opgewonden!” hield mevrouw Van Stralen aan, -inwendig kokend van woede, maar doodsbang juist voor dat vertellen. - -„Het is een schande! Jullie praten van inlanders,—je bent veel slechter -dan de inlander, want die weet niet beter.” - -„Ta, ta, ta! Er gebeurt hier niets, dan wat je al te levendige -verbeelding er van maakt. Wij spelen een gewoon partijtje whist om een -cent het punt. Daar maak je nu zooveel noodeloos alarm over.” - -Louise was reeds bij de straatdeur en strekte de hand uit naar het -slot, maar bij die woorden keerde zij zich om, stond een oogenblik -mevrouw Van Stralen met groote oogen aan te kijken, boog toen een -weinig voorover en siste haar toe: - -„Zal ik je wat zeggen? Je liegt, je liegt!” - -In een wip was zij de deur uit en haar rijtuig in, dat voor het -trottoir wachtte. In het dameskransje was het een leven als een -oordeel! Daar waren al de tongen losgegaan, onder aanvoering van -mevrouw Roos, die eenparig bewonderd, geprezen en bewierookt werd om -haar moed en om de flinke manier waarop zij dat gemeene mensch, die -mevrouw Van Velton, op haar plaats had gezet. Het was een gekakel van -belang en zonder einde, en toen mevrouw Roos naar huis ging, scheen het -haar, ondanks de kleine geldelijke verliezen, dien dag geleden, een -overwinningstocht. - -Maar niettemin hinderden diezelfde verliezen haar buitengewoon. Het in -Indië overgespaarde geld was op; het laatste gedeelte was overgegaan in -de beurzen harer medespelende vriendinnen. Roos zocht reeds een paar -weken naar een „bijbaantje”—bij zijn pensioen!—maar was tot zijn groote -verwondering en teleurstelling tot de ervaring gekomen, dat het zoeken -heel gemakkelijk, maar het vinden verbazend moeilijk is. - -Het was reeds ver in den pensioenstermijn. Zij moest er niet aan -denken! Zij kwam niet toe met haar huishoudgeld, dàt was wel zeker, en -haar man had ook niets meer. Enfin, zij zou wel „zien”; in het ergste -geval zou zij wat leenen van haar vriendin Van Stralen. Maar de -gedachte aan het dreigend geldgebrek vergalde toch al de vreugde. - -De meisjes kwamen haar op de onbelegde houten trap harer woning te -gemoet. - -„Gelukkig dat u thuis bent, ma! We hebben zoo’n honger!” - -„Is papa al thuis?” - -„Neen, dat is waar; die is er ook nog niet. Toe, geef ons maar wat -vooraf.” - -„Papa komt al!” riep een der kleintjes van boven; hij had door het -venster zijn vader zien aankomen. - -Aan tafel was de kapitein erg stil, en daar ook zijn vrouw weinig lust -tot praten had, snapten en lachten de meisjes voort naar hartelust. - -„Ik heb iets gevonden,” zei Roos, toen het servies was afgenomen en ze -beiden alleen in de kamer waren. - -„Gelukkig!” zei ze, maar meteen keek ze hem heel verwonderd aan. Ze had -gedacht, dat hij over het vinden van het gezochte „bijbaantje” zeer -verheugd zou zijn en dat op zijn gewone luidruchtige manier aan den dag -zou leggen. Niets van dat alles. Hij vertelde zijn gewichtig nieuws -zonder eenig enthousiasme, als het ware met tegenzin. - -„En hoeveel?” vroeg ze. - -„Honderd en tachtig.” - -„Heerlijk!” riep ze verheugd: „dat maakt met ons pensioen....” - -„Halt!” commandeerde de kapitein. „Het is.... in het jaar.” - -Verstomd bleef ze hem aanstaren. Had hij zich dan ergens verhuurd als -toekang sepèn? - -Hij begreep dat hij het er niet bij kon laten. - -„Het is verduiveld lastig iets goeds te vinden.... Alles is bezet, en -het is maar houden wat je hebt.... Ik heb moeite genoeg gedaan; het -vuur uit mijn zolen geloopen, maar ’t gaf niets.... Dat is me een land -hier, wat baantjes aangaat! Dan heilig Indië!” - -„Konden we maar gaan,” zuchtte ze. Het in den laatsten tijd verdwenen -visioen keerde een oogenblik terug. - -„Nonsens, dat weet je wel beter! Enfin, ik zat onder vrienden, en -beklaagde me omdat het leven zoo vervelend begon te worden en ik geen -„bijbaantje” had. Een hunner zei, dat zijn zwager graag iemand had om -’n paar boeken bij te houden, één uur slechts per dag.... Het is meer -om de verveling te verdrijven, dan om die vijftien gulden in de maand.” - -„Ja maar Roos, we hebben geld noodig; we kunnen met ons pensioen niet -toe. Wat baat nu vijftien gulden!” - -„Wat donder, ik kan het toch niet van de boomen schudden!” - -„Maak je niet boos, want dat helpt niets. We zullen moeten verminderen; -goedkooper gaan wonen; de rekening bij den slager kleiner maken en je -verteringen buitenshuis....” - -Het beviel hem niets. - -„Ja,” ging ze voort, „ik doe het ook niet voor mijn genoegen.” - -„Je zult je dan toch ook dienen te behelpen, en niet altijd maar -allerlei noodelooze dingen koopen.” - -Als hij eens wist, dat ze speelde! Wat zou hij woedend zijn! Bij die -gedachte zweeg ze maar, en terugkomend op dien meneer met zijn paar bij -te houden boeken, vroeg ze: - -„Wat doet die man?” - -„Hij heeft.... hm!.... hij is wijnhandelaar.” - -„En je gaat er zeker ’s ochtends even heen?” - -„Neen, ’s avonds.” - -„Hoe gek! Het is immers veel beter....” - -„Houd nu asjeblieft den mond met dat gezanik, hé? Ik ga ’s avonds omdat -ik wil.” - -Zij haalde de schouders op, en ging de kamer uit alsof ze daarmee wilde -te kennen geven dat ze, zóó redeneerende, geen kans zag verder te -komen. Hij, allesbehalve in zijn humeur, trok zijn jas aan en ging uit. -Hij had juist den knop van de kamerdeur in de hand, toen ze weer -binnenkwam en hoofdschuddend zei: - -„Vijftien gulden in de maand! Hoe durft zoo’n man het te presenteeren? -’t Is het traktement van een bediende in Indië!” - -Zonder te antwoorden ging hij heen. Het hinderde hem, dat hij gelogen -had, maar de waarheid wilde er niet uit. Vooreerst was het geen -wijnkooper, wiens boeken hij zou bijhouden, maar een slijter; ten -tweede had hij niet het avonduur gekozen omdat hij wilde, maar omdat -hij zich geneerde elken dag gezien te worden, als hij de slijterij zou -binnengaan. Het zou dien avond de eerste maal zijn, en het was een -zware gang, die hem naar het oude gedeelte der stad voerde, in een -doolhof van hobbelig bestraatte wijken, waar onregelmatig gebouwde -huizen, soms zonderling inspringend en met en zonder hoogere en lagere -stoepjes, fantastisch verlicht werden door meest aan de muren -vastgemaakte lantaarns, die hier en daar in den scherpen lichtkring der -onmiddellijke omgeving, een stuk venster opnamen, waarachter een -zuinige eigenaar zich verheugde over de verlichting van zijn kamer van -gemeentewege. - -Voor een huis, dat op de omgeving een zeer gunstige uitzondering -maakte, hield hij stil. In deze buurt, waar doorgaans menschen huisden -behoorend tot den fatsoenlijken, kleinen burgerstand, teekende het -uiterlijk der woningen veel meer een zich behelpende bekrompenheid van -middelen, dan bloeiende welvaart met ruimte van geld. - -Maar het jeneverpaleis maakte een uitzondering; het was hoog -opgetrokken en er hingen dubbele staatsiegordijnen voor de ramen der -twee verdiepingen boven den winkel, waarvan de buitenmuur tot aan de -bel-étage van arduinsteen was, of voor ’t minst een imitatie daarvan; -groote spiegelruiten prijkten in de vensters, voor het inkijken half -met matglas gecoupeerd; wie de dubbele deur binnenging zag aan den -eenen kant een groote open kast het eene muurvlak beslaande, gevuld met -kristallen karaffen, dranken bevattend in allerlei kleur, tot water toe -in de bovenste rijen, waar men niet bij kon komen voor het gebruik! En -achter de toonbank van goed geboend eikenhout, bedekt met door koperen -spijkertjes bevestigd glimmend zink, stond „mijn heer”, de mijnheer van -deze buurt, waarvan het bekend was, dat hij elken bewoner in rijkdom -overtrof; aan de andere zijde rustten op zware stellingen reusachtige -vaten, bruin geverfd op de zwarte ijzeren banden na en de blinkende -kranen, met dito emmertjes er aan, waarin de enkele droppeltjes lekten, -die van het voor ’t Nederlandsche volk zoo kostbare vocht niet verloren -mochten gaan. - -Kapitein Roos stond stil in het helle licht, dat door de ruiten en de -glazen deur der groote slijterij naar buiten stroomde. Hij ging -voorbij. Het was verduiveld moeilijk, vond hij; het was beneden zijn -positie. Allerlei tooneelen uit zijn dagelijksch leven als kapitein bij -het Indisch leger, kwamen hem voor den geest, zijn toenmalig -maatschappelijk standpunt verheffend. Zijn positie gaf hem recht op -gelijken voet te staan met allerlei categorieën van notabele burgers en -nu.... boekhouder bij een slijter.... Te duivel, het was hard en dat -voor zoo’n bagatel geld! Hij moest slikken, twee-, driemaal, eer hij ’t -verschil verwerkt had en behoedzaam den bronzen knop der winkeldeur -opendraaide. - -De slijter met een pet op, een modern fantasiepakje aan en een zwaren -dubbelen horlogeketting, die naar elken vestzak liep, was juist bezig -uit een helder gepoetste tinnen maat jenever te gieten in den trechter -op een smerig fleschje, dat een armoedig gekleede oude vrouw, die voor -de toonbank stond, zorgvuldig vasthield; toen de kapitein Roos -binnenkwam, streek hij haastig de vier en twintig centen, door de vrouw -neergeteld, in de lade, veegde zijn vingers af aan een helder witten -handdoek, opgehangen aan een stijl van de kast, bracht de hand aan de -klep van zijn pet en vroeg, met beide handen op de toonbank leunend, -wat meneer bliefde. - -„Ik ben kapitein Roos.” - -„O, kapitein, bent u het; welzoo, dat doet me genoegen; m’n neef, die -ook in de-n-Oost is geweest, sprak er van, en ik zei: dat is net van -pas. Kom binnen!” - -De slijter, die Maas heette, ging den kapitein voor naar een net -gezellig vertrekje met gas verlicht en dat door een zijde, geheel van -glasruiten, licht kreeg uit den winkel. - -„’t Is hier ’n goed kantoortje; je kan zoo alles zien, wat in den -winkel gebeurt.” - -„Ja,” antwoordde Roos, minder ingenomen met de omstandigheid, dat men -hem ook uit den winkel zoo goed zien kon. „Speelt u hier ook piano?” - -„Ik? Die is goed! Neen, mijn dochter speelt hier, maar niet als er boek -wordt gehouden, natuurlijk niet. Maar ze zingt anders heel mooi.” - -De administratie was allereenvoudigst; het dagboek werd accuraat en -netjes bijgehouden. Dat er zooveel omging in een gewone slijterszaak, -verbaasde Roos, die slechts even had moeten denken aan de bittertjes -door hemzelven geregeld verzonden, om ’t debiet in dezen drankwinkel -verklaarbaar te vinden; maar ’t was een leuke administratie, die een -kind kon voeren. Men liet hem alleen; slechts eens bracht een -dienstmeisje hem een zeer goeden kop thee; overigens stoorde hem -niemand en met zijn bril op den neus, zat hij onder de gasvlam aan den -lessenaar zoo rustig de boeken bij te schrijven, alsof hij het zijn -leven lang gedaan had; eerst toen hij klaar was, kwam de slijter -binnen. - -„Ik ben u maar niet komen storen,” zei hij. „Ik denk altijd maar: eerst -de zaken. Blijft u niet nog ’n oogenblik zitten, ’n grogje drinken? -Steek ’n sigaar op.” - -De sigaren zagen er goed uit; het vooruitzicht op ’n grogje was niet te -verwerpen. Een oogenblik aarzelde de gepensionneerde kapitein, maar het -was, vond hij, hier alles zoo behoorlijk, zoo netjes en comfortabel, -dat hij eigenlijk niet begreep waarom hij zou weigeren. Hij bleef; hij -werd voorgesteld aan mevrouw Maas en aan de jongejuffrouw Maas, die hem -om ’t hardst „kaptein” noemden, wat haar eigen ijdelheid scheen te -streelen. En juffrouw Maas zong met verschrikkelijke oogverdraaiingen -en wegsleepende armbewegingen het miserère uit de Trouvère, zoodat de -kapitein tot aller vreugde verklaarde het in de opera nooit mooier -gehoord te hebben. - -Toen hij naar huis ging en zijn kraag opzette tegen den kouden wind, -was hij opgewekt en vroolijk. Het waren beste menschen, de grog was -voortreffelijk, de sigaren goed, de toon gemoedelijk en fatsoenlijk. -Wat kwam het er ten slotte opaan, dat ze een slijterij hielden? Deze -lui waren waarachtig beter dan menig ander, die geur maakte met -„positie”. Hij was met dat boekhouderschap en wat er bij scheen te -behooren, geheel verzoend. Eigenlijk kwam hij daardoor meer en meer -terug in de sfeer, waarin hij thuishoorde. Het ophouden van den -officiersstand had hem in Indië—schoon hij ’t zichzelven niet had -willen bekennen, laat staan een ander—vaak moeite gekost en over het -algemeen gruwelijk verveeld; de kring, door hem thans verlaten, was -zijn element; dáár voelde hij zich lekker. - - - -’t Was tamelijk vol in de groote zaal van het Gebouw voor Kunsten en -Wetenschappen, althans voor een concertavond en voor die zaal, en aan -Indische menschen geen gebrek; zij voornamelijk waren het, die de -zijloges vulden en de stoelen bezetten. Men kon velen herkennen aan den -toon, waarop ze spraken; aan hun minder correct Hollandsch met hè’s, -ja’s, hier’s, zeg’s en kasian’s rijkelijk doorspekt; aan hun glanzende -zwarte haren en getinte huid; aan het eindeloos handjesgeven der leden -van elkaar ontmoetende families; aan de onvermijdelijke waaiers der -dames. Maar de Haagsche aandeelhouders in het Gebouw, die plichtmatig -zooveel mogelijk concerten, opera’s en tooneelvoorstellingen bezochten, -zagen dit Indisch contingent, deze steunpilaren der onderneming, met -vreugde. - -Dicht bij het tooneel zat mevrouw Van Velton en naast haar mevrouw -Fournier, die haar man had gehaald van Marseille en na een soort van -huwelijksreisje met hem in Den Haag was aangekomen. - -Hij zat achter haar; hij zag er welgedaan en gezond uit; haar wezen -straalde als het ware van genoegen; ’t was of zij alle melancholie en -zwaarmoedigheid had afgelegd, en als ze zich ter zijde boog om hem iets -te zeggen achter haar waaier, dan klonk haar zachte lach frisch en -vroolijk, teruggevonden, gelijk zijzelve herboren was. - -Maar zij was nog niets bij Louise vergeleken, achter wier stoel een -ritmeester stond der cavalerie, erg chic, schoon overigens gewoon van -uiterlijk; hij had een fraaien naam, een adellijken titel en, naar men -zeide, eenig fortuin. - -Hij maakte der jonge mooie weduwe het hof, en deze te midden der -wereld, welke haar zoo bitter weinig genegenheid toonde, partij nemend, -was op hem verliefd. - -Zij had hem leeren kennen sedert de komst van Fournier. Het was vreemd -en opvallend, maar niettemin waar, en het stemde Louise tot een soort -van eerbiedige bewondering,—het was alsof „de” wereld, waarvoor zij -zich vruchteloos zooveel moeite had gegeven, ongevraagd zijn intrede -had gedaan in haar huis te gelijk met Fournier. En hij behandelde dat -als de eenvoudigste zaak ter wereld; hij maakte met zijn vrouw en zijn -schoonmoeder visites bij eerste families, die hem hartelijk ontvingen -en contra-bezoeken brachten, maar die nooit spraken over Indië, dan als -’t niet anders kon en dan nog zoo spaarzaam mogelijk. Noch haar eigen -vader, noch een algemeen geacht medicus, noch de in de handelswereld -zoo uitstekend bekende naam van Velton, noch haar wijze van leven -hadden haar een schrede dichter kunnen brengen tot Haagsche coterieën, -waarnaar zij hunkerde en waarin Fournier werd toegelaten als de -natuurlijkste zaak der wereld, en waar hij sprak over zijn oom den -staatsraad met een jonkheerstitel en zijn zwager, den Commissaris des -Konings, met een langen Frieschen naam vol ka’s, ma’s en ouderwetsche -verbindingen. Hij had, als zij het indertijd had gewild, haar man -kunnen zijn; haar kinderachtige „tinka’s” en grillig humeur hadden dat -belet, en ofschoon ze geen liefde hoegenaamd meer voor hem gevoelde—het -beestje was betoel „dood en begraven”—kon ze toch nog boos op zichzelve -worden om haar groote domheid. Wat baatten al die praal en pracht, wat -gaf het geld, als men toch door hen, naar wier omgang men haakte, -eenigszins beschouwd werd als een paria? - -Intusschen genoot ze van de omstandigheid, dat zij als het ware „op -sleeptouw” werd meegenomen. Inderdaad had Fournier ’t liever niet -gedaan, maar hij was te dankbaar voor de gastvrijheid, zoo schitterend -door zijn vrouw en kind genoten, en te kiesch om zelfs maar te trachten -dit servituut te ontduiken. - -En op een dier bezoeken had zij kennis gemaakt met den ritmeester bij -diens familie aan huis. De oude graaf Riquelle woonde op den -Kneuterdijk in een deftig huis, dat in ’t geheel niet met den tijd was -meegegaan, en zeker als het minder solied was geweest, van schaamte zou -zijn ingestort, toen het door zijn glazen oogen van bescheiden -afmetingen—geen ploertige spiegelruiten!—moest aanzien dat een zoo -archi-democratisch voertuig als een paardentram met fluitende -conducteurs en rinkelend tuigage den heelen dag langs zijn stijf en -rustig ijzeren stoephek holde en rolde! En het stille huis zou, ware -het een mensch geweest, tot achter zijn dakgoot gebloosd hebben om de -majesteitschennis gelegen in het buurschap van een meubelmaker en een -prins van den bloede! - -Als de oude heer dááraan dacht, zuchtte hij diep, verschoof zijn met -gouddraad doorstikt kalotje, en trok peinzend aan zijn sneeuwwitte -impériale, en als mevrouw Riquelle de décadence van het vroeger zoo -„lieflijk ’s-Graevenhaege” herdacht, schudde zij bedenkelijk het hoofd, -dat nog een mooi hoofd was, ondanks de grijze haren en de rimpels van -den leeftijd. - -Neen, zij waren niet meegegaan met den sleur des tijds, gelijk zoo -menige andere familie, waarvan de leden thans links en rechts -verstrooid, tot kolenhandelaars en zoo gedegradeerd waren. Dáárover -echter dacht men, maar men sprak er niet van. - -Doch in één opzicht, maar één enkel opzicht slechts, was de tijdgeest -den ouden heer te machtig geweest. Voorspiegelingen van hooge renten -bij zekere kapitaalsbelegging hadden hem gebiologeerd; hij had een deel -van zijn matig vermogen er aan gewaagd, en was er volkomen kaalgeplukt -afgekomen. - -Sedert was hij conservatiever dan ooit. - -Maar sedert ook was hem ’t leven moeilijker, want ofschoon Edmund, zijn -zoon de cavalerist, volstrekt geen panier percé was, kostte hij toch -veel geld; dáárvoor was hij ook bij het bereden wapen! - -De ritmeester was werkelijk geen viveur. Hij had het leven meegemaakt, -en nu hij de dertig achter den rug had, was er weinig nieuws voor hem -onder ’t Haagsche zonnetje. Toch was het niet uit vrijen wil, dat hij -zich veel onthield, wat hem anders het bachelorsleven zou veraangenaamd -hebben; hij had gaarne meer uitgegeven voor mooie paarden, fijne -wijnen, fraaie apartementen en zoo, maar hij kende de gevaarlijke -finantiëele omstandigheden zijner kleine familie, en hij wist welke -kunststukken en goocheltoeren mama in alle stilte moest verrichten om -het „evenwicht” te bewaren. En daar hij een goed mensch was, onthield -hij zich van alles, wat die moeilijkheden kon vergrooten, spottend met -„mooie” paarden als parade-goed voor kinderen, afkeer voorwendend van -wijn—slechte lustte hij inderdaad niet,—groote gehechtheid veinzend aan -zijn oude, volstrekt niet schitterend gemeubelde kamers. - -Het was niettemin geen geldzucht geweest, die hem tot Louise Van Velton -had aangetrokken. Toen ze meekwam met de Fourniers, was hij toevallig -bij zijn oudelui. En daar de donkere teint van Louise zijn mama -eenigszins op een afstand hield, was hij bij haar gaan zitten met de -banale vraag, hoe het haar in Den Haag beviel. - -„Tamelijk goed,” zei ze. „’t Is ’n lieve plaats. Ze heeft zoo geen -eigen cachet, als veel andere Hollandsche steden, maar daarentegen iets -huiselijks, iets prettigs.” - -„Nietwaar, mevrouw?” zei hij opgewekter dan gewoonlijk. „’t Is juist -wat ik ook altijd vind. Ik dacht alleen dat het vooringenomenheid wezen -kon.” - -„Ik weet het niet. Misschien komt er die van uw kant wel ’n beetje -bij.” - -Zoo praatten ze voort over de stad, ’t bosch, Scheveningen; ze traden -in de gewone vergelijkingen met ’t Bois de Boulogne als bosch, met -Brussel als stad, met Oostende als badplaats, en men verheugde zich in -een voor de aangename conversatie steeds zeer bevorderlijke sympathie. - -„Wat is die mevrouw Van Velton voor ’n dame?” vroeg zijn mama toen de -visite was afgeloopen. - -„Ik weet het niet,” zei Edmund. „De tweede vrouw van Van Velton, die in -Indië is gestorven.” - -„Den naam heb ik meer gehoord.... Van Velton.... Zoo heet, meen ik, een -groot koopmanshuis in Amsterdam of Rotterdam,” lichtte de oude heer -toe. - -„Zij is een zeer lieve, beschaafde vrouw,” verzekerde de ritmeester. - -Mevrouw Riquelle zei niets, maar keek met gefronste wenkbrauwen naar -buiten. Zij had nu en dan wel met angst opgemerkt, dat Edmund bijzonder -lief was voor die donkere, maar mooie vrouw; zij kende hem en ze maakte -zich bang, want hij had tot nog toe haast nooit meer dan spot over -gehad voor ’n vrouw of ’n meisje, dat de echtgenoote had kunnen worden -van een graaf De Riquelle; haar moederlijk hart zag hier een gevaar, en -toen het kort daarna wezenlijk kwam, vond het de oude dame althans niet -onvoorbereid; zij had het van het eerste oogenblik zien aankomen. - -Toch had Edmund Riquelle met zijn moeder den zwaarsten strijd. Papa -vond het nu wel niet aangenaam, dat zijn zoon wilde trouwen met de -weduwe van een koopman—zelfs zeer onaangenaam vond hij het,—maar twee -overwegingen gaven spoedig den doorslag: als man begreep hij hoe zijn -zoon op ’t mooie vrouwtje verliefd was geraakt; als vader en financier -zag de rijkdom van datzelfde vrouwtje er in zijn oog zeer aanlokkelijk -uit. - -„Je behoeft me daaromtrent niets te zeggen,” zei zijn mama, toen hij -zinspeelde op de „onafhankelijke positie” van Louise. „Je kunt me toch -niets zeggen Edi, waarover ik niet reeds lang heb gedacht. Maar dáárom -wil je dat huwelijk niet doen.” - -„Zeker niet. In mijn omstandigheden beteekent het echter niet weinig.” - -„Dat is wel zoo, maar je hadt ’t zelfde kunnen vinden zonder tot lager -af te dalen. Ik vind het zóó verschrikkelijk!” - -„Nu ja, maar, dat zijn erg verouderde begrippen, mama, waaraan u niet -moet vasthouden. Als u nu jong waart, zoudt u die ook laten varen.” - -„Edmund, dat zou ik niet. Het is mogelijk dat mijn ideeën niet meer -passen in den tegenwoordigen tijd. Ik meen dat ook wel op te merken. -Maar ik kan en wil niet meegaan met dien tijd; ik verfoei hem!” - -„Lieve, beste ma, wees nu niet zoo halsstarrig. Ik respecteer zeer uwe -ideeën, maar u kunt de wereld toch niet noodzaken zich daarnaar te -richten.” - -„Zeg ik dat dan, Edi? Ik hoor wel aan den toon van je spreken, hoe -bespottelijk je het vindt, dat een oude dame, die niets doet dan -bezoeken ontvangen en zorgen voor haar klein huishoudelijk -familie-leven, zich permitteert met die wereld van gevoelen te -verschillen. Wel, ik ben zoo vrij, Edi.—Ik durf dat gerust zeggen, want -die wereld regardeert me niet. Ik heb niets dan papa en jou. Dat is -mijn wereld hier in huis, en daarbuiten bepaalt ze zich tot vrienden en -vriendinnen uit onzen eigen stand. Blijf dáárin, Edi; ik bid je, blijf -dáárin.” - -„Lieve mama!” zei de ritmeester met een luiden zucht. - -„Neen, spreek me niet tegen. Breng in onze familie geen elementen, die -er niet in behooren, waarmee we niet aangenaam kunnen leven en die ons -omlaagtrekken, omdat wij ze onmogelijk omhoog kunnen krijgen.” - -„Er is volstrekt geen reden, waarom de familie niet goed met haar zou -kunnen omgaan; zij is een vrouw van smaak en opvoeding. Als men u zoo -hoorde praten en men wist niet het tegendeel, dan zou men ’n heel -vreemd idee krijgen van onzen stand. Bovendien: ik ben in onze familie -de eerste niet....” - -Mevrouw Riquelle had die opmerking wel verwacht. Edmund doelde op haar -grootmoeder, die niet eens zoo intellectueel ontwikkeld was geweest -noch zoo gefortuneerd als mevrouw Van Velton. - -„Het is geen reden om in die richting verder te gaan. Het tegendeel is -waar. Het is nu juist zaak herhalingen te vermijden. Toe, Edi, doe je -ma het genoegen van dat ongelukkige plan af te zien; je weet niet -hoeveel verdriet ik er van heb. Het zou mijn laatste levensjaren -verbitteren. Je bent ons eenigst kind, Edi, en ik zou gerust sterven, -als ik je gelukkig getrouwd zag. Maar zóó niet.... zóó niet. Niet met -dat zwarte mensch, die weduwe van een koopman.” - -Over het eenigszins vale en kale tapijt der groote bovenkamer, liep de -ritmeester bleek en zenuwachtig op en neer bij die laatste woorden; hij -trok met korte, heftige bewegingen aan zijn lange, rossige knevels, en -wist niet goed wat in ’t midden te brengen, dat geen onaangenaamheden -zou verwekken tusschen zijn moeder en hem. De oude dame, die het „hooge -woord” gezegd had, zweeg onder den indruk van haar eigen woorden, en -ging niet minder zenuwachtig voort aan een handwerkje, als haar zoon -zijn knevels mishandelde; ook zij zag zeer bleek en had van opwinding -tranen in de oogen. - -„Het spijt me, dat u er zoo over denkt.” - -„Nietwaar,” barstte zijn moeder met hartstochtelijke heftigheid los, -terwijl ze zich niet langer bedwong, maar haar tranen vloeien liet, -„nietwaar, het spijt je, Edmund; maar of het je spijt of niet, je zult -haar toch tot vrouw nemen. Denk je, dat ik het te voren niet wist? Denk -je, dat ik niet wist hoe weinig je verzoek om mijn toestemming meer was -dan een formaliteit? O, je moet me pardonneeren, Edi, dat ik me -verstout heb in die aangelegenheid een meening te koesteren, die niet -strookt met de uwe. Je moet het je mama vooral niet aanrekenen, zal -je?” - -„Maar maatjelief!.... Mijn God!.... Pff!....” - -„Ja, ’t is om het te warm te krijgen bij een moeder, die zoo het -welzijn en het belang van haar zoon uit het oog verliest. Die niet -juicht omdat hij trouwt met een vrouw uit Indië, de weduwe nog wel van -een burgermannetje; die wel zwart ziet, maar geld heeft;—die ’t niet -heerlijk vindt, dat haar zoon aan ’n dwazen hartstocht voor ’t vreemde -toegeeft, en die niet met open armen zoo’n fortuin aan ’t hart drukt, -waarvan niemand weet hoe men er aan is gekomen; die niet....” - -De ritmeester liep met een: „Dag ma, ik groet u,” heel onbeleefd de -kamer uit; hij kon ’t niet langer houden. - -„Pa,” zei hij in een der benedenkamers, waar de oude heer was, „ga u -asjeblieft bij mama en tracht haar te kalmeeren; zij is zóó vreeselijk -opgewonden, en ik zie er geen kans toe.” - -’s Middags kwam hij terug. Ofschoon mevrouw Riquelle nog bleek zag van -de sterke ontroering in den ochtend, was ze nu geheel bedaard, en in -haar gewonen doen even deftig. Edmund deed maar alsof hij niet zag, dat -ze hem in het oogvallend koel behandelde, trok een vouwstoeltje bij en -ging naast haar zitten. Hij moest geheel open kaart spelen, dat stond -bij hem vast en strookte ook met den aard der Riquelle’s, die het -veinzen nooit goed hadden verstaan. Maar van het geld sprak hij in ’t -geheel niet meer; hij trachtte haar alleen te vertellen, dat hij van -Louise hield, en hoeveel. „Ik weet niet, ma,” zei hij, „hoe het kwam. U -weet wel dat ik geen dichterlijken aard heb en met spontane -verliefdheid altijd den draak heb gestoken. Nu zou ik er haast aan gaan -gelooven, want het is waar wat u hebt gezegd: het was eigenlijk reeds -beslist op dien eersten dag, toen ik haar toevallig met de Fourniers -hier ontmoette. Het is hoe langer hoe machtiger geworden, en ik geef er -alles, alles aan. U weet hoe veel ik altijd van u heb gehouden, en hoe -ik nu twee en dertig jaren lang zoover ik weet steeds heb gedaan wat u -aangenaam was, kleine „jeugdigheden” niet meegerekend. Ik ben toch -waarlijk geen kind meer, in jaren zoomin als in ondervinding; en in -mooie oogen heb ik dikwijls genoeg gekeken zonder gevaar. Maar voor die -van Louise zou ik alles doen; er is niets wat me zou tegenhouden; -niets, zelfs mijn eer niet, geloof ik, als die er mee gemoeid was.” - -Mevrouw Riquelle begreep het volkomen. Zij knikte toestemmend met het -hoofd, alsof ze zeggen wou: zoo is het en niet anders; maar niettemin -zei ze hardop en met een diepen zucht: - -„Het is verschrikkelijk!” - -Even bedaard als hij gesproken had, zonder emphase, zonder eenigen -nadruk zelfs, maar op dien gewonen, alledaagschen toon, waarin -uitgemaakte zaken worden geëxpliceerd, vervolgde hij: - -„Ik wil niet in discussiën treden, mama, over stand of positie, geld of -geen geld. Zij is een ontwikkelde en fatsoenlijke dame met fortuin. Het -doet er niets toe. Als ze onontwikkeld, onfatsoenlijk en arm was, nam -ik haar nog. Het is gek, ik vind het zelf gek,—maar het is zoo.” - -O, zijn moeder begreep hem terdege. Geen logica kon haar ooit zoo -duidelijk zijn, als dit gebrek aan logica! Zoo volkomen onvatbaar zij -voor redeneering wezen kon,—zoo gereedelijk legde zij zich neer bij de -noodlottige macht van het sentiment. Het had bovendien kunnen gebeuren, -dat Edmund door was gegaan met een paardrijdster of een danseres, dan -wel een gouvernante had willen trouwen of ’t woord „kindermeisje” in -een verkeerden zin had opgevat. Dit was althans een regelmatige -geschiedenis, al was de aanstaande schoondochter slechts een -koopmansweduwe en een half-cast bovendien. - -„In Godsnaam, Edmund,” fluisterde zij. „Als het niet anders kan,—in -Godsnaam dan! Ik zal mijn best doen, maar het zal een zware taak zijn.” - -„Dat denk ik niet.” - -Maar mevrouw Riquelle zag er tegen op, als tegen een berg, en zij was -in hooge mate geagiteerd bij de eerste ontmoeting, ofschoon ze stijf en -afgemeten bleef tegenover haar aanstaande schoondochter. - -Louise, die wel wist en gevoelde, wat dat alles moest beteekenen, al -had Edmund haar niets gezegd van de bezwaren, die hij had moeten -overwinnen, nam onmiddellijk haar partij en besteedde niet meer -aandacht aan haar aanstaande schoonmoeder, dan zij welstaanshalve -verplicht was. En haar vader, dokter Van der Linden, inwendig zeer -gevleid met deze verbintenis, was zoo van top tot teen de -old-gentleman, dat hij den meer militairen graaf Riquelle -overschaduwde. - -„Hoe is uw indruk, ma?” vroeg Edmund naderhand. - -„Zij heeft groote natuurlijke gaven,” was het antwoord, waarop met een -zucht volgde: „en ze weet er partij van te trekken.” - -Ontevreden haalde hij de schouders op, en wilde iets antwoorden, maar -zijn moeder viel hem in de rede. - -„Je begrijpt me blijkbaar geheel verkeerd, Edi. Het is een compliment. -Beschouw het wezenlijk als zoodanig. Zij is zeer sterk, en de oude -dokter is dat ook. Het is heel gelukkig, Edi. ’t Zal haar althans te -pas komen.” - -Dokter Van der Linden zei in een vertrouwelijk oogenblik tot zijn -dochter: - -„Zeg Wies, hoe heb je ’m dàt geleverd?” - -Zij keek hem aan met woede en verontwaardiging. - -„Ik weet niet wat u bedoelt,” antwoordde ze effen. - -„Wees nu niet kinderachtig,” ging hij voort met onverbiddelijke ironie. -„Je kunt mij toch wel zeggen hoe je het hebt aangelegd om je dáár in te -dringen.” - -’t Woord stak haar als een schorpioen, en er volgde een scène van -geweld, waarbij de dokter, met de pantoffels haast weggezonken in het -dik bloemwerk van een alcatief, de handen in de zakken van zijn -huisjasje en zijn bril op zijn kaal hoofd, haar verbaasd aankeek en -stil liet uitrazen. Ze kwam geweldig los! - -„Je bent altijd m’n ongeluk geweest,” beet ze hem ten slotte toe. -„Altijd! En toen je het niet meer wezen kon, heb je me de liefde van -mijn kind ontstolen.” - -„Ah zoo! Ja, je bent ’n lieve moeder, dat moet ik zeggen,” zei hij voor -’t eerst zelf boos om die zinspeling op zijn kleinkind. „Als ’t kind -mij niet had gehad, zou hij waarachtig niet veel genoegen van zijn -familie hebben beleefd!” - -„Je hebt hem me ontstolen,” siste zij hem toe. - -„Och, loop naar de maan!” riep hij buiten zichzelven van woede, omdat -ze alweer zijn afgod er bij haalde. „Je weet zelf heel goed, hoe je ’t -arme kind aan zijn lot hebt overgelaten. Je hebt in ’t geheel geen -hart, zelfs niet als moeder, en zou jij me nu willen wijs maken, dat je -betoel op dat onbeduidende ritmeestertje verliefd bent?” - -Er kwam een glimlach op haar bleek gezicht en trots hief ze het hoofd -op, met de bevende handen de taille van haar japon omlaagstrijkend als -mocht er geen kreukje zijn in de rechtheid van haar figuur. - -„Dat ben ik. Ik heb eens een meisjesgril gehad, die ongelukkig wat lang -heeft geduurd; toen heb ik Van Velton getrouwd, die me onverschillig -was, dien ik naderhand haatte. Nu ben ik een vrouw en ik heb Edmund -Riquelle lief, zooals....” - -„Tatarata,” schetterde de oude dokter lachend. „Die Riquelle’s zullen -pleizier van je hebben, nou! Ik gun hun van harte het genoegen.” - -„Dàt zullen ze.” - -Hij zweeg een oogenblik. ’t Was mogelijk, dacht hij. Ze vond daar, wat -ze zoo vurig verlangde, en ze was van een kracht om zich daar vasten -voet te veroveren. - -„En ik wensch er jou ook geluk mee. Als je er mij en het kind maar zoo -weinig mogelijk bijhaalt. Ik heb aan die gedwongen fraaiigheid van deze -week meer dan genoeg!” - -Fournier en Hortense waren samen zeer verbaasd geweest, zij met een -gevoel van vreugde, hij niet zonder een beetje teleurstelling. Niet dat -hij zich iets voorstelde of voor zichzelven iets wenschte,—maar ’t was -hem duidelijk, dat hij volkomen was weggecijferd, en voor een oude -vlam, zelfs al is die geconverteerd in een stiefschoonzoon, blijft dat -altijd eenigszins vernederend. - -Maar het was spoedig voorbij, en toen zag ook hij die verbintenis met -vreugde te gemoet. - -„Het is toch wel sterk,” meende Hortense. - -„Jaâa!” antwoordde Fournier. „Och, maar dien kant moet het uit in de -maatschappij.” - -„En ze is mooi en rijk.” - -„Zeker.” - -„Vindt je haar mooi, Gérard?” - -Hij glimlachte gedwongen. Zij had haar armen om zijn hals geslagen en -zag hem ernstig vragend in het gezicht. - -„Wees nu niet flauw, Stance. Wat doet het er nu toe of ik haar mooi -vind of leelijk?” - -„Omdat ik het weten wil.” - -„Nu dan, ik vind haar heel mooi.” - -„Mooier dan mij?” - -Hij bedacht zich een oogenblik. - -„Ja, Stance-lief, mooier dan jou.” - -En toen de tranen haar in de oogen schoten en zij erg bleek werd, -vervolgde hij: - -„Hoe is het ook mogelijk, dat je zulke malle vragen kunt doen. Je weet -zelf, dat ze mooier is dan jij, evengoed als ik wist, dat indertijd -mijn vriend Van Schermbeek een veel gunstiger uiterlijk had dan ik. Wat -in ’s hemels naam doet dat ter zake? Als ik zei dat ik haar leelijk -vond, had je misschien reden tot ergernis, want dan zou je kunnen -weten, dat ik onwaarheid sprak.” - -„Welzeker, vent. Het is waar. Je hebt gelijk. Ik ben een dom schepsel, -dat is zoo. Maar.... ik kon ’t niet goed velen van haar.” - -„A propos,” zei hij. „Ik sprak daar van Van Schermbeek; weet je -wellicht waar die woont?” - -„Neen. Ik las zijn ontslag uit ’s lands dienst in de courant.” - -„Ja, hij was de laatste. Nu zijn we er alle drie uit: hij, Van Brakel -en ik.” - -„Heb je nog wel eens iets gehoord van Van Brakel?” - -„Zelden. Hij is op allertreurigste manier aan lager wal geraakt. Ik -moet Van Schermbeek gaan opzoeken; de arme kerel heeft het niet slim -aangelegd.” - -Reeds den volgenden dag deed Fournier wat hij gezegd had; hij trof Van -Schermbeek niet tehuis. - -„Als u een oogenblik zoudt willen wachten?” vroeg diens vrouw dringend; -zij zag bleek, en Fournier, dit toeschrijvend aan haar zeer -geprononceerde „omstandigheden”, antwoordde: - -„Gaarne, mevrouw, maar laat ik u niet derangeeren.” - -„Volstrekt niet, meneer Fournier; het tegendeel is waar; ik zou zoo -graag willen, dat u eens met hem sprak.” - -En toen de advocaat bedenkelijk glimlachte: - -„Och, ik weet wel, dat het hem officiëel niets zal baten; dat verlang -ik ook niet. In het eerst had ik verdriet van zijn ontslag, maar dàt is -voorbij. Als hij het er nu maar bij wilde laten en rustig voortleven.” - -„Gaat hij veel uit?” - -„Hij is altijd uit, en als hij ’n oogenblik thuis is, dan praat hij -voortdurend over die ongelukkige zaak; dan windt hij zich op en vrees -ik dat hij krankzinnig zal worden van overspanning. ’s Nachts droomt -hij er van, spreekt hardop en twist in zijn slaap met ministers en -generaals tot hij er wakker van wordt; dan staat hij op, en ik hoor hem -het overige van den nacht in de kamer heen en weer loopen. Hij wordt -mager en met den dag zenuwachtiger. Toe, spreek u eens met hem.” - -„Ik zal ’t graag beproeven; alleen: ik vrees dat het op den duur niet -zal baten.” - -„U is zoo’n oud vriend van hem, en hij spreekt altijd van u met zooveel -achting.....” - -„’t Verwondert me dat ik Van Schermbeek nog niet ’reis gezien heb.” - -„Die ongelukkige zaak neemt hem heelemaal in beslag. Hij denkt aan -niets. Zijn papa en ik moeten voor alles zorgen; hij bemoeit zich -nergens mee.” - -„’t Is treurig!” zei Fournier, en te gelijk hoorde hij iemand den -sleutel omdraaien in het slot van de straatdeur. - -„Daar is hij,” fluisterde de jonge vrouw, die zelve in niet geringe -mate zenuwachtig was. - -Fournier schrikte van ’t vervallen uiterlijk van zijn ouden -contubernaal, die op zijn beurt een verwonderden blik liet gaan over de -tot een licht embonpoint neigende figuur van den advocaat. Ze drukten -elkaar met groote hartelijkheid de hand. - -„Je weet er zeker alles van?” vroeg Van Schermbeek binnen de twee -minuten. - -„Waarvan?” - -„Waarvan? Vraag je waarvan? Wat zou ik anders bedoelen dan de -schandelijke wijze, waarop ik er ben uitgekaaid!” - -„Och, je weet: daar staat men aan bloot. Je bent de eerste niet, zoomin -als je de laatste zult zijn.” - -„Nu ja maar..... Zou jij je dat dan laten welgevallen?” - -„Van laten welgevallen is eigenlijk in ’t geheel geen quaestie. -Misschien zou ik er ’t land over hebben; laat ons zelfs aannemen dat -dit zeker was.” - -„Welnu..... En dan?” - -„Dan? Dan zou ik trachten hun niet ’t pleizier te gunnen van mij in -machtelooze woede te zien fulmineeren en ondergaan.” - -„Mijn brochure.....” - -„Je brochure heeft niets uitgewerkt en zal niets uitwerken. Je loopt -met het hoofd tegen de bierkaai, dat is alles. En intusschen ben je de -risée van de lui, die het je aandeden.” - -„Donders,” barstte Van Schermbeek los met de vlakke hand op tafel -slaande, „dat is niet waar, Fournier. Ik ben van ochtend dien smeerlap -tegengekomen en ik heb hem vierkant van het trottoir geloopen; ik wou -dat je den angst op zijn ploertentronie gezien had, dan zou je niet -zeggen, dat ik de risée was van hem.” - -„Het is geen waardige handelwijze,” merkte Fournier op. - -„Praat jij nu ook al van waardig! Is het waardig van hen, wien zooveel -macht en gezag is toevertrouwd, te handelen, gelijk ze deden tegenover -mij? Was het waardig mij, toen ik me niet verweren kon, te plagen, te -kwellen en het leven te verbitteren? Moet ik dan ten slotte alleen -altijd maar „waardig” zijn tegenover het schandelijk onrecht, dat zij -me aandeden? God, God!” ging hij zenuwachtig en hartstochtelijk voort, -terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen, „jullie bent met de beste -bedoelingen toch zulke dorre, hartelooze menschen, met je voorpreeken -van waardigheid aan verongelijkten en je liefde voor wat „netjes” is -tegen verbitterde, wanhopige menschen, die nog maar tot één ding de -toevlucht kunnen nemen; tot.....” - -„Van Schermbeek, ik zal je eens wat zeggen. Weet je wat je bezig bent -te doen?” - -„Ik denk van ja.” - -„Ik denk van neen. Je bent bezig jezelven gek en je arme vrouw -ongelukkig te maken, die dan van een man, als jij op die wijze -voortgaand worden moet, nog ongelukkige kinderen kan krijgen -bovendien.” - -Het scheen dat de onverbloemde waarschuwing voor een oogenblik indruk -maakte; maar voor een oogenblik slechts. - -„Onzin,” zei hij ’t hoofd schuddend, „dat zijn maar praatjes, die -jullie verzint om me van mijn doel af te houden.” - -En ’t hielp niet of Fournier al zijn redenaarstalent uitputte, zich op -de zuiverheid zijner vriendschappelijke bedoelingen beriep, en -herhaaldelijk ook een beroep deed op Van Schermbeek’s hoedanigheden van -echtgenoot en bloedverwant voor het tegenwoordige of van vader voor de -naaste toekomst,—het wantrouwen van den gewezen officier kon hij niet -overwinnen. - -„Jullie legt allen onder één deken en tracht me te bepraten. Zonder dat -je ’t zelf weet, wordt je allemaal opgestookt door die oude kliek, die -me vreest.” - -Daartegen hielp geen redeneeren; dáárop kwam hij maar steeds terug en -Fournier ging heen, overtuigd dat zijn oude vriend reddeloos verloren -was, bezeten door een idée fixe. - -In ’t Voorhout kwam hij den ritmeester Riquelle tegen met Louise aan -den arm. Hij groette, doch sprak hen niet aan. ’t Was in het licht, dat -door de hooge bladerkronen speelde, een schilderijtje, vond hij. Hoe -weinig hij ook dacht aan Louise, en hoeveel hij tegenwoordig ook van -zijn vrouw hield,—’t hinderde hem toch, dat Louise daar aan den arm -liep van dien cavalerie-officier met zijn zeker ongezocht air de -grandeur als ’t zuiver cachet der Haagsche beau-monde. Schuin oogde hij -hen na. ’t Was merkwaardig! Zooveel jaren was het nog niet geleden, dat -hij haar gekend had als jong meisje, meer Indisch, dan goed was; dat -hij haar in de armen genomen en gekust had, toen ze getrouwd was met -Van Velton; toch, hoe scheen dat alles te behooren tot een ver -verleden! En daar liep ze nu, alsof ze nooit anders gewoon was geweest. -Aller élégantst en toch zeer eenvoudig gekleed, en door haar houding en -manieren volkomen thuisbehoorend in die omgeving. - -Twee lange armen zwaaiden hem toe; ze zaten aan de lichamen van twee -Indische kennissen. - -„Dag, Fournier, hoe gaat het jou in ’t Haagje?” - -„Wel, Fournier, het doet me pleizier je eens te zien.” - -Hij groette terug en vroeg van waar ze kwamen. - -„Uit de kampong Amsterdam. Fameus veel lol gehad, zeg! ’n Goeie boel!” - -„Al m’n duiten zijn op,” lachte de ander. „We zullen den boel naar den -lommerd moeten brengen. En dan maar pindjam; de Bank is er goed voor!” - -De ernst van Fournier stak af bij de onverschillige gezichten dier -beide jonge mannen, wier luidruchtigheid hem niet hinderde, omdat hij -haar begreep. Jaren achtereen hadden zij in ’t binnenland gezeten; -jaren, waarin jongelui in Holland alles wordt vergeven onder de leus: -il faut que jeunesse passe. In dien tijd moesten zij hard werken en -droegen zij zorg en verantwoordelijkheid, zonder andere dan die stille -genoegens, door het landelijk leven in Indië geschonken, met zijn -uiterst gemakkelijk sexueel verkeer en zijn wijsgeerige rust. Nu waren -zij los gekomen, en kootten wat laat. - -„Je mag wel oppassen,” zei Fournier lachend. „De jongste berichten -waren niet te best.” - -„Sst!” riep de een: „daar willen we hier niet van hooren; ’t is tijd -genoeg als we in Indië terug zijn.” - -„Hoelang denk je te blijven?” - -„Nog zes maanden.” - -„In dien tijd,” lachte de ander, „kan de boel net op den flacon zijn.” - -„Jullie steekt er den gek maar mee,” zei Fournier; „ik maak me over de -daling der prijzen ongerust. Waar moet het heen?” - -„Je hebt er duiten in, hè?” zei de een, en hij noemde het land, waarin -Fournier een groot deel van zijn vermogen had gestoken. - -„Och, ben je gek,” riep de ander met een elleboogstoot: „denk je, dat -hij er wat om geeft? Hoe beroerder de tijden worden, des te beter gaat -het de advocaten!” - -„Men kan in ondernemingen binnen één halfjaar meer verliezen, dan men -met zijn kantoor in twaalf jaren verdient.” - -„Wat doe je in de kou!” - -„Neen zeg, ik heb ’t land om hier over die dingen te spreken. Ben je -gek! Dáárvoor ben ik niet in Europa. Maar weet je wat? Je bent advocaat -en beau parleur, en je kent hier zeker ’n heeleboel Kamerleden en zoo. -Zie, dat je vermindering van belasting voor ons krijgt. Als de boel -misloopt, dan komt het voornamelijk omdat we zoo onder den druk -zitten.” - -Fournier werd boos. - -„Hoeveel slaan jullie nu wel stuk bij zoo’n uitstapje?” vroeg hij -scherp. - -De een wilde antwoorden, maar de ander trok hem mee. - -„Niet zaniken, zeg! We zijn niet hier om boomen op te zetten over al -die narigheid. Die Fournier ook! Ajo, vooruit!” - -En groetend en lachend gingen ze heen, jong, sterk en gezond, met een -air vol overmoed en levenslust, dat in ’t geheel niet paste binnen het -kader van ’t Lange Voorhout. - -Fournier schudde het hoofd. Het waren toch rare kerels! Wie weet of ze -niet over een jaar straatarm waren, en als ze met hun tweeën in den -tijd, dien ze rondboemelden door Europa, geen halven ton verteerden, -zou het wonder zijn. De ontmoeting had hem Louise doen vergeten en -teruggebracht tot zijn vroegere bezorgdheid voor het geld, dat hij had -in Indische landelijke ondernemingen; doch hij schudde haar van zich. -De wereld was schoon en het leven zoo zwaar niet. In het ergste geval -was ’t niet eens zoo vreeselijk. Wat jaren langer in Indië blijven,—dàt -was toch ook geen straf! Het geld van Van Velton zat er mede in; -daarvoor was hij meer bevreesd. Als dáárvan een deel verloren ging, -kwam het niet weer terecht. Hij had er ’t beheer over, alsmede over de -fortuin van den ouden heer Van der Linden. Het denkbeeld, dat hij -verplicht was hen voor zware verliezen te behoeden, hield hem vast; ’s -middags sprak hij er Hortense over. - -„En ons geld?” vroeg ze. - -„Nu ja, ons geld.... Het is voor ons lang zoo erg niet.” - -„Wel, dat zie ik niet in. Moeten wij niet net zoo goed waken voor de -belangen van onze kinderen?” - -„Het is er pas een!” zei hij. - -Zij keek hem lachend van ter zijde aan. - -„In elk geval,” ging hij voort, „blijft het minder erg voor ons, want -ik heb ’n levensverzekering van een ton, en ik ben in mijn zaken. Als -zij verliezen, is er geen de minste kans ooit iets terug te krijgen, -ook niet door haar aanstaanden man.” - -Maar Hortense gaf niet toe. Zij was de dochter van een koopman, en zij -had een practischen blik in zaken; bovendien kon ze in den laatsten -tijd haar geëngageerde schoonmoeder, die hoe langer hoe mooier scheen -te worden, niet uitstaan, en de bezorgdheid van Fournier hinderde haar. - -„Ik heb er niets tegen,” zei ze, „dat je voor het geld van Louise en -van papa Van der Linden zorgt. Maar eerst voor het onze. Dat ben je -verplicht. Het is geen edelmoedigheid anderen te helpen ten koste van -zijn eigen gezin. Charité bien ordonnée....” - -„Jawel, dat weet ik. Alleen de kansen zijn zoo ongelijk. Als zij hun -geld kwijt raken, dan zouden wij ten slotte hen toch moeten helpen....” - -„Wij?” vroeg Hortense verbaasd. - -„Zeker.” - -„Mijn hemel.... Wij?.... En waarom?” - -„Maar Stance, hoe heb ik het met je? Ze is uw stiefmoeder, en onze -verhouding in den laatsten tijd.....” - -Ze zag haar man strak in het gezicht en over haar trekken gleed een -uitdrukking, die op de ongunstigste manier aan haar vader herinnerde. - -„Wij zijn haar niets verplicht,” zei ze stroef. „Het eenige wat ik haar -heb te danken, is het ongelukkig leven, dat ze papa bezorgde, het -inslikken van een goed deel zijner nalatenschap en haar pogingen om mij -mijn man te ontrooven. Ik geloof niet, dat ik haar daarvoor dankbaar -behoef te zijn.” - -Fournier zweeg een oogenblik. - -„Je oordeelt erg hard, Stance; hard en onrechtvaardig.” - -„Ik oordeel juist.” - -„Toch niet, en.....” maar hij ging niet verder. Hij had haar aangezien -en was zeer getroffen over de uitdrukking van doodelijken haat op haar -gezicht. Nooit had hij dat lijdelijk uitziende gelaat van zooveel -expressiefs verdacht. Dat er hartstocht school achter het bleeke masque -met de soms doffe blauwe oogen, wist hij, maar hij meende dat die -slechts eenzijdig was ontwikkeld en in elke andere richting door een -overweldigende, aan het onverschillige grenzende, gemoedelijkheid werd -overtroffen. - -„Dat wist ik niet?” zei hij onwillekeurig en de verwondering sprak uit -den toon zijner stem. - -Hortense, nu weer zichzelve meester, scheen er eenigszins verlegen mee, -doch ze zinspeelde er niet verder op en vervolgde: - -„Als je ons uit dat land kunt krijgen, doe het dan gauw. Maar ons het -eerst, Gérard. Dat is niet meer dan recht en billijk; niet meer dan -plicht.” - -Aan tafel vond hij haar opvallend stil, en ze hield zooveel mogelijk de -oogen op haar bord gericht. Fournier daarentegen was de vriendelijkheid -zelf; hij vond haar veel belangwekkender, al speet het hem, dat zij -Louise zulk een geweldigen haat toedroeg. Na het dessert volgde hij -haar in haar kamer en kuste haar. - -„Hoe is ’t mogelijk, Stance,” zei hij erg intiem, „dat je met haar hebt -kunnen wonen!” - -„Waarom niet?” - -„Wel.... als je zoo’n hekel aan haar hebt.” - -„Toen nog niet.” - -„Och, wat? Er is toch niets gebeurd!” - -Zij lei haar gezicht op zijn schouder. - -„Er is ook niets gebeurd, Gérard. Maar sedert je weer hier bent, haat -ik haar gruwelijk, en dat is jou schuld.” - -„Kom, hoe is ’t mogelijk! Ik heb ’t mensch niet meer dan de burgerlijke -beleefdheid bewezen.” - -„Neen, dat heb je ook niet.” - -„Welnu dan?” - -„Je hebt aan haar gedacht, Gérard. O, spreek het maar niet tegen! Je -hebt aan haar gedacht op oogenblikken, dat het voor mij ’n doodelijke -beleediging was.” - -De jonge advocaat zag zoo wit als zijn boordje. Zulk een perspicaciteit -ontroerde en verschrikte hem geweldig. Hij moest het tegenspreken, hoe -waar het was, en met de houding van een beleedigde, richtte hij zich op -en lei haar arm van zijn schouder. - -„Foei! Ik begrijp niet hoe iemand aan zulke gedachten kan komen.” - -Zij glimlachte een beetje pijnlijk en antwoordde vergoelijkend: - -„Goed, goed! Laat het onbegrijpelijk zijn; laat ik ongelijk hebben en -heel onrechtvaardig en onjuist zijn in wat ik zeg. Het doet er niet -toe. Je wildet weten, waarom ik haar haat en sedert wanneer,—je weet -het nu.” - -Ze waren er een oogenblik beiden stil van. Toen lachte hij en kuste -haar weer en deed zijn best het wettig en overtuigend bewijs te -leveren, dat ze ongelijk had. En zoo hij al niet slaagde voor het -verleden,—voor het heden gelukte het hem. - -Nog dienzelfden dag maakte hij er werk van bij een nieuwe -bankinstelling, die emplooi voor haar geld in Indië zocht en waarvan de -leiding was toevertrouwd aan menschen, heel gedistingeerd, uiterst -solied en in veler oogen onfeilbaar, maar die weinig verstand hadden -van Indische cultuurzaken. En dat behoefde ook niet. Immers zoo goed -als iedereen deed in of aan die zaken, zonder er veel meer van te weten -dan weinig of niets. En in Indië waren ze vertegenwoordigd door -menschen niet minder fatsoenlijk, gedistingeerd, solied en onfeilbaar -en met niet meer kennis van bedoelde zaken. Ze waren ongeduldig, dat -wist Fournier; ze moesten de beschikbare gelden rentegevend maken voor -hun aandeelhouders, en ze maakten zich niet bezorgd over de eerst -onlangs ingetreden daling der prijzen. Hij moest het slim aanleggen, en -hij verzon een speculatie, welke hij op touw had gezet voor de familie, -die mislukt was en waardoor hij gedwongen werd zijn eigen geld en dat -van mevrouw Van Velton en van dokter Van der Linden los te maken. De -directeuren der Bank geloofden hem op de overigens onschadelijke -noodleugen; er werd heen en weer getelegrapheerd, en de Bank nam de -hypotheek over. - -Toen hij ’t zijn vrouw vertelde, lachte zij en riep: - -„Die is heel aardig! Wat zijn ze er in geloopen!” - -„Er in geloopen? Wel neen kind. De onderneming is uitstekend. -Alleen.....” - -„Alsof je er ’t geld zou hebben uitgenomen als het een goede zaak was!” - -„Och, dat is betrekkelijk! Ik weet niet of het geen goede zaak is. -Alleen: ik ben bang.” - -„En waarom die vrees?” - -„Zoo in het algemeen! En als men ergens geen vertrouwen in heeft, trekt -men zijn geld terug. Ik heb er hen niet in laten loopen.” - -Ze antwoordde niet; ze wist, dat hij in staat was zichzelven in gemoede -op te dringen, dat hij er de Bank een genoegen mee had gedaan. - -Toen Fournier ’s middags bij Louise kwam, vond hij haar in het salon -met den ritmeester Riquelle en den dokter, die nu wel moest -verschijnen, hoe onaangenaam hij het ook vond. - -De heeren luisterden met belangstelling naar zijn verhaal; verstrooid -hoorde Louise toe en dacht onwillekeurig aan die geschiedenis op haar -trouwdag met Van Velton, toen haar vader zoo dicht bij den afgrond der -armoede stond en niemand het wist dan de aanstaande schoonzoon. - -Riquelle zuchtte vol satisfactie toen hij hoorde dat Fournier zoo goed -geslaagd was; de dokter drukte hem dankbaar de hand. - -„Het is heel verstandig gehandeld,” zei hij. - -„Ongetwijfeld,” meende de ritmeester, die zich de mislukte speculatiën -van zijn vader herinnerde en doodsbang was voor geldelijke risico’s. - -Louise haalde de schouders op. Wat kon haar ’t geld schelen, en toen ze -zag dat Fournier daar boos om was, vroeg ze: - -„Was het zoo erg?” - -„Erg genoeg. Zóó, dat je, als ’t fout was gegaan, zeer had moeten -verminderen, iets wat zich nimmer zou hersteld hebben.” - -Een oogenblik keek ze peinzend uit het venster; toen naar den -ritmeester en naar haar vader. ’t Was waar! Als ze haar fortuin -verloor, was dat verlies volkomen onherstelbaar. - -Snel trad ze op Fournier toe en reikte hem haar handje met een lieve, -dankbare uitdrukking op haar gezicht. Het werd hem weer zonderling om -’t hart; hij antwoordde op haar betuiging van dank iets -onverstaanbaars, en ging, meer zaken voorwendend, spoedig heen. Haar -beeld volgde hem op de straat; hij zag het nog wel een kwartier lang -voor zijn geest. Zou dat dan nooit heelemaal slijten? vroeg hij bij -zichzelven. - -Het was een warme zomerdag: warm en stoffig. In de beschaduwde -laantjes, die de „wandeling” van ’t dorpje Vlietwijk vormden, gonsden -de vliegen en nipten de ijle, kleurige, „juffertjes”, zeilend op haar -glazen vlerkjes. In de kroostslooten smakte en flodderde de baars en -schoof de paling stil golvend door het groezelig glad moeraskruid en de -wuivende waterplanten. Onder de wilgen door zag men in de verte het -landvolk aan den harden arbeid, en hier en daar, tusschen ’t groen der -erven en boomgaarden, kleine bosschen gelijkend in de verte, glinsterde -een stuk wit,—een boerderij of een optrekje. O, ’t was zoo warm! En ’t -landvolk, onwelriekend in oude pilo broeken en baaien rokken, streefde -in het vrije veld naar een boven- en benedenwaartsch décolleté, dat de -balzaal het land kon benijd hebben. Mourant en mevrouw Veninga hadden -nog Indisch goed genoeg om het zich in de warmte draaglijk te maken. -Langzaam wandelden zij door de laantjes: hij in ’t wit met witte -schoenen aan en een helmhoed op; zij in sarong en kabaja, met slofjes -aan haar bloote voeten en een witte pajong boven ’t hoofd. Wat kon ’t -haar schelen? Men kwam hier toch niemand tegen, en ’t was zoo lekker. -Want het kon gloeiend heet zijn op de zomerdagen in het gure Holland, -veel warmer dan in Indië. - -Veninga was dood. - -Hij kon niet genezen te Davos, begon zich te vervelen, was naar Holland -teruggekomen, en had er, onaangenamer voor zijn jonge vrouw dan ooit te -voren, den geest gegeven, met de hand van zijn eenigen vriend Mourant -in de zijne, en zonder ook maar één oogenblik dien vriend verdacht te -hebben. - -In den aanvang had het niemand bevreemd, dat Mourant veel bij de jonge -weduwe aan huis kwam: hij was immers executeur en voogd van de -kindertjes, die „oom” tegen hem zeiden! Doch langzamerhand ontwaakte de -achterdocht. Men zag hen te veel samen en altijd zonder mevrouw -Mourant, die zich geheel had teruggetrokken, maar nog steeds door haar -man op allerlei manieren ten voordeele eener scheiding werd bewerkt. -Toen, om de praatjes der menschen te ontwijken, was mevrouw Veninga -naar buiten gegaan, op een heel stil klein plaatsje; en daar bezocht -haar dikwijls, heel dikwijls de executeur-testamentair; zóó vaak dat -het een domiciliequaestie had kunnen worden! - -Hier waanden zij zich aanvankelijk vrij. Er woonden, nu ja, eenige -families in den omtrek op grooter buitenplaatsen dan haar net, maar -klein optrekje; zij had met haar geen kennis gemaakt en kende de namen -alleen door het praten der dienstboden. Weldra bleek dat er ook hier -niet weinig over hen werd gepraat op die enkele buitentjes. Zij -trotseerden het echter. - -Maar Henriëtte was ongeduldig. - -„Hoe is het er nu mee?” vroeg ze. - -„Ik vorder niet,” antwoordde hij zuchtend. - -„’t Is pleizierig! In Indië is dat anders.” - -„O, in Indië, ja!” - -„En waarom hier niet?” - -„Ik weet het niet,” zei hij met nog een zucht en recht voor zich -uitstarend. „Het is verschrikkelijk moeilijk hier tot een scheiding te -komen. Alles, alles werkt tegen.” - -„En zij?” - -De naam van mevrouw Mourant werd tusschen hen nooit genoemd; werd er -over haar gesproken, dan was de aanduiding „zij” voldoende. - -„Ik geloof dat ik haar er wel toe krijgen zal. Ze is niet zoo vast meer -als vroeger.” - -„Maar dan is het toch klaar, dunkt me.” - -„Waarachtig niet. Ik zeg: men ondervindt niets dan tegenwerking hier in -Holland. Bij wie men komt,—het is ’t zelfde. Spreekt men van -separeeren, dan betrekt hun gelaat als de lucht bij een onweersbui.” - -Zij antwoordde niet, maar haar mooi donker gezichtje stond allesbehalve -vriendelijk. - -„Je moet niet boos op mij zijn, lieve,” vervolgde hij, toen zij -hardnekkig zweeg. „Ik doe wat ik kan.” - -Ze trok ongeduldig met de fijne ronde schouders. - -„Het is mogelijk, maar ik vind het niet. Je wilt niet; je wilt niet -serieus. Als je wezenlijk deedt, wat je kunt, dan zou ze al zelf -scheiding hebben geëischt.” - -„Lieve Jet, je kent haar niet. Wat een vrouw zedelijk ondergaan kan, -dat heb ik haar laten ondergaan. Maar daar is een wanhopige -onverzettelijkheid, die verschrikkelijk is om te zien. En.... ik kan -haar toch niet mishandelen?” - -„Nu ja, mishandelen....” - -Hij begreep wel wat ze bedoelde, maar huiverde er van terug. Zóó ver -was hij nog niet, ondanks zijn veertig jaren, en hij zag haar met -verwondering aan. - -„Kom,” zei hij, onder den indruk harer bekoorlijkheden, „kom, ’n beetje -geduld nog. We zouden toch niet kunnen trouwen met het oog op zijn -overlijden. Tegen dat de termijn verstreken is, zal ik het er ook wel -doorhebben.” - -Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar. - -„Het is te hopen,” zei ze vol twijfel en met een zucht. - -Snel trok hij den arm terug, want een zestal boerenkinderen lag half -verscholen in ’t lange gras en de biezen aan den slootkant op een -inspringenden berm van den weg: geelblonde raagbollen boven frischroode -maar vuile gezichten met geïllustreerde neuzen staken nieuwsgierig -omhoog en begluurden met een verbazing, die uit de ronde hondenoogjes -duidelijk sprak, het paar Indische menschen. - -„Vader zeit, dat-ie ’n Pruus is,” fluisterde er een, doelend op den -helmhoed van Mourant. - -„Ze draagt ’n wit hempie bovenop,” verzekerde een ander, die zelf -„onderop” nooit het genoegen van een „wit hempie” had gesmaakt. - -Zij hoorde het in ’t voorbijgaan en moest er om lachen. - -„In Indië spot men dikwijls met de domheid van den inlander.” - -„Ja!” antwoordde hij, blij dat ze het minder aangename onderwerp had -laten varen. „Het is al overal ’t zelfde.” - -„Dat is nog de vraag.” - -„Hoe bedoel je dat?” - -„Wel, ik vind de lagere klassen hier veel dommer en onbeholpener dan -bij ons den kleinen man.” - -Mourant, die altijd in de stad had gewoond en zich nooit veel om den -bruinen broeder had bekommerd of van het volksleven notitie had -genomen, gaf dat niet toe. - -„Ja,” zei hij bedenkelijk, „als je bedoelt pinter.” - -„O neen, dat zijn ze in dien zin hier evengoed, geloof ik.” - -„Ei, heb je dat ervaren?” - -„Zeker! Als ze iemand bedriegen en bestelen kunnen, dan laten ze het -hier evenmin als ginds.” - -Verwonderd zag hij haar aan. - -„Ze nemen vooral ons, Indische menschen, „waar”, zooals ze het noemen. -Voor veel geld wordt ons slecht goed in de handen geduwd. Het is of ze -een komplot hebben gemaakt. In de stad is het letterlijk een -rooverbende, waaraan men is overgeleverd.” - -Hij lachte. - -„Nu maak je het toch wat erg, Jet. Bedenk dat ik een tottoh ben. Al die -lieve landgenooten.....” - -„’t Zijn lievertjes! Ze beschouwen ons als niet veel meer dan ganzen, -die zij moeten plukken. Van den grootsten magazijnhouder tot ’t -kleinste winkeliertje; van den voornaamsten hotelhouder tot den -nederigsten kruier,—allen loeren op ons als op een prooi.” - -„’t Is veel eigen schuld.” - -„Och, wat! Het zijn dieven.” - -„Zeker, lieverd! Als de Indische lui niet begonnen waren met in Holland -’t gouden kalf in hun wapen te voeren, zou het anders wezen.” - -„Dat is mogelijk. Maar hier dan?” - -„Hoe dat, hier?” - -„Denk je wellicht, dat deze eenvoudige landlieden, zooals jij ze altijd -blieft te noemen, een haar beter zijn?” - -„Er zijn ten minste magazijnhouders, winkeliers, hotelhouders noch -kruiers onder.” - -„Wees nu niet flauw.” - -„Ik zou niet weten, wie je derhalve moeten bestelen.” - -„Allemaal! De man, die de melk brengt; de groentenman, de -tuinman,—allen bestelen me geducht. Zoo gauw ze maar gemerkt hebben, -dat ik een dame uit Indië was, zijn ze me gemoedelijk aan het plunderen -gegaan.” - -„Kasian!” plaagde hij. „Die arme, onnoozele landlieden! Wat krijgen ze -veel op hun rekening.” - -„Neen, op de „rekening” krijg ik alleen veel.” - -„Ze hebben,” ging hij voort, „een breeden rug. Er kan veel op.” - -„En ze nemen er veel op. Als ze naar hun gemoed te werk gingen en de -wet het niet verbood, namen ze mijn geheelen inboedel er op en liepen -er mee heen.” - -„Oho!” - -„Wezenlijk, Mourant. Je kunt het je niet voorstellen. Jullie, heeren, -komen daar niet zoo mee in aanraking. Maar als ik zie wat anderen -betalen en wat mij wordt gevraagd....!” - -„Boleh tawar!” - -„Dat kan je begrijpen!” - -„En als ze het anderen er voor laten!” - -„Dan weigeren ze het mij en laten me onverrichterzake heengaan. Het is -wezenlijk net of ze het hebben afgesproken, of het een geheim -genootschap is.” - -„Lieve Jet, ik geloof dat je verschrikkelijk overdrijft.” - -„In het geheel niet. Het is de zuivere waarheid.” - -„En de prix fixes dan!” - -„Nu ja, maar het is ook ’n soort van goed, dat tegen prix fixes wordt -verkocht! Dat veel Indische menschen, die van een bescheiden inkomen -moeten leven en het in Indië ook nooit meer dan „gewoon” hadden, er -zich aan vergapen en aan te buiten gaan, weet ik; maar voor ons!” - -Hij vond dat air de dédain verrukkelijk en kuste haar weer. - -„Toe, nu geen gekheid! We zijn dicht bij huis! Ik zie de kinderen al in -de verte in den tuin spelen.” - -En de kinderen kwamen hen weldra juichend te gemoet, door niets -belemmerd in hun snelle bewegingen, maar integendeel opgewekt door den -vurigen zonnegloed, verzengend als die in hun eigen geboorteland. - -Mevrouw Veninga ging het huis binnen om even naar het tweede ontbijt te -zien; de kleinen volgden haar; Mourant zette zijn hoed af en liep in de -schaduw van een paar groote boomen langzaam op en neer over het -grasveld in den tuin. - -Hij had het eerste deel van hun discours dien ochtend niet vergeten; -het zat hem dwars, al was hij blij geweest toen zij ophield; wezenlijk, -hij zag het eind niet der historie. Hij hield dol veel van Henriëtte en -waarschijnlijk zou hij ook op haar verliefd zijn geraakt al had ze geen -cent bezeten. Maar dan zou hij er geen quaestie om gekregen hebben met -zijn vrouw; dan zou hij zich vergenoegd hebben met de bereiking van het -dichtstbijgelegen doel. - -Nu was hem ook het andere, haar fortuin, zeer aantrekkelijk, want met -het zijne ging het in den laatsten tijd slechter dan ooit; eigenlijk -was het nog slechts een klaterfortuin, dat wel revenuën gaf, maar geen -realisabel kapitaal vertegenwoordigde. - -Zij had den spijker wel op den kop geslagen, toen ze zei dat het in -Indië zooveel gemakkelijker ging. Wat had hij er dáár niet veel den -doorniggeworden huwelijksband helpen ontbinden. Dat ging als papier de -musique zoo constant en regelmatig. Onverschillig wat er gebeurd -was,—’t ging voor den vorm haast altijd eender. Hetzij men van elkaar -wilde wegens incompatibilité d’humeur, of omdat mevrouw was afgeweken -van het „pad der deugd” dan wel meneer,—’t verloop was dat zij hem -aanklaagde wegens onzedelijk gedrag, hij niet compareerde en -veroordeeld werd bij verstek. - -En niemand trok zich iets daarvan aan; men ging stil zijns weegs, alsof -er niets was gebeurd, zoo spoedig mogelijk nieuwe huwelijksbanden -smedend. - -Maar hier! - -Hij wischte met den zakdoek, waarmede hij zich wuivend trachtte te -bekoelen, het zweet van zijn voorhoofd en ging de tuinkamer binnen, -waar hij zich een glas Rijnschen wijn met selterswater schonk, als een -gepasten morgendrank tot wegspoeling der onaangename gedachten, die hem -op den snikheeten zomerdag bestookten. Henriëtte kwam spoedig met de -kinderen terug, lachend en zingend. Hij zag haar aankomen in den -corridor; ’t was veeleer of zij een zuster was van de kleintjes dan hun -moeder. Wat was zij vroolijk en opgewekt! Welk een verschil tusschen -haar gemoedsstemming nu en gedurende het laatste jaar bij de gestadige -kwellingen van den zieken Veninga. ’t Deed hem genoegen haar zoo te -zien, en dit gevoel scheen hem toe iets zoo vaderlijks te bevatten, dat -hij er om glimlachte. Hij stond op, liep haar te gemoet, dreigde de -kleintjes dat hij hen „krijgen” zou, en vervolgde hen, als ze -schreeuwend lachten van de pret en om de rokken van hun maatje hem -„krijgertje” lieten spelen. - -Het was een benauwende exercitie op zoo’n warmen dag en voor iemand, -die een reeds geprononceerden aanleg had tot gezetheid. Maar het -behoorde tot de eigenaardigheden van deze soort candidatuur; als hij -eenmaal door het examen was, zou hij voor die liefheid óók feestelijk -bedanken! Nu moest hij wel den kindervriend en action vertoonen, en hij -executeerde zich gracieuzelijk. - -„Kom, wees nu stil,” zei Henriëtte, die het zelve te warm kreeg. „Ga nu -zitten, dan krijg je limonade. Toe, Willem, geef me ook wat ajer -blanda.” - -Maar de kinderen waren met geen limonade te houden; zij liepen den tuin -in om in het gras te rollen en de bonne volgde hen daar, doch kwam -binnen een paar minuten terug met een dik pak couranten en brieven uit -Indië en van elders. Zij sorteerden ze, en ieder nam zijn aandeel; ze -lazen hun brieven, ieder voor zich, stil, en slechts nu en dan -afgebroken door een korte opmerking of mededeeling. Maar daarmede hield -Mourant spoedig op; zijn wenkbrauwen trokken samen, en al lezende werd -de uitdrukking van ongenoegen op zijn gelaat voortdurend sterker. Het -was een brief van een zijner oudste vrienden; hij had altijd veel van -hem gehouden en had in zijn huis steeds een groote mate van -gastvrijheid en vriendschap genoten; nu schreef hij hem hartelijk, maar -hoogst ernstig. Men was het in Indië te weten gekomen, en men had er -veel over gesproken. Er werden inlichtingen gevraagd. Was het waar, dat -hij wilde scheiden van zijn vrouw, en dat hij wilde trouwen met de -weduwe Veninga? Als dat waar was, wat echter zijn vrienden in Indië -niet konden en wilden gelooven, dan was het andere óók waar, n.l., dat -hij zijn vriend en zijn vrouw laaghartig bedrogen had. En op die wijze -ging het voort tot het einde; zijn vrouw werd in dien brief -verheerlijkt; al de goede, schoone hoedanigheden, die ze bezat, werden -gereleveerd en in een helder, scherp licht gesteld.—Het was alles -volkomen waar; hij wist het, hij wist het!—Maar Henriëtte was toch zoo -mooi, en ze had zooveel geld. Toen hij daaraan dacht, keek hij haar -even aan. Zij weende. - -„Wat is er?” vroeg hij ongerust en opstaande. - -„’t Is schande!” snikte ze. „Waar bemoeien ze zich mee? Ben ik niet -vrij om te doen en te laten wat ik wil?” - -Hij nam een brief van haar schoot en keek dien in; ’t was van hetzelfde -laken een pak. Een harer vrouwelijke bloedverwanten had hetzelfde -onderwerp gekozen en zong, schoon op gansch anderen toon, hetzelfde -lied. Die toon was scherper, hatelijker en meer beslist; hij vergunde -geen twijfel meer; er werd niet gevraagd om inlichtingen; de -mogelijkheid van laster werd niet aangenomen; tante schreef met de -zekerheid van iemand, die gevoelt dat het zoo is, en die niets -verschoont en niemand spaart. - -„Dat onbeschofte wijf!” zei Henriëtte. - -„Het beste is dit,” meende Mourant, en te gelijk maakte hij een -beweging om den brief te verscheuren. Maar zij hield hem terug; hoe -vernederend de inhoud ook voor haar was,—ze wilde dien toch nog eens -overlezen à tête reposée. - -„Neen, Willem, verscheur hem niet.” - -„Och, waarom niet? Eén is waarachtig genoeg.” - -„Heb jij dan ook?....” vroeg ze met verwondering. - -„Welzeker! Waarom niet? Maar de mijne is ’n beetje fatsoenlijker, -schoon het op ’t zelfde neerkomt.” - -Hij gaf haar den anderen brief en zij las hem, met saamgeknepen lippen -van boosheid om al de loftuitingen op mevrouw Mourant. - -„Hm!” deed ze schamper. „Er kan niets meer bij! Het is waarlijk -jammer!” - -„Nu ja.” - -„En zal jij daarop antwoorden?” - -„Natuurlijk! Ik zal hem een uitvoerigen brief schrijven en er valt niet -aan te twijfelen of hij zal overal rondvertellen, wat daarin staat.” - -„Maar je zult toch niet alles schrijven?” - -„Waar denk je aan? Ik zal hem schrijven, dat ik met verontwaardiging, -maar zonder verbazing heb kennis genomen van de schandelijke -lasterpraatjes in Indië verspreid over u en mij; praatjes, die het -beneden mijn waardigheid en uw fatsoen is te wederleggen.” - -Hij zag er zoo oprecht verontwaardigd en waardig uit toen hij deze -woorden vergezeld deed gaan van een breede geste, die alle -lasterpraatjes op zij schoof, dat Henriëtte haar lippen, die zich met -geweld tot een lach plooiden, met haar schitterend witte tandjes in -bedwang moest houden. - -Mourant zag het niet; als de geest der advocaterij over hem kwam, zag -hij niets; dan oreerde en gesticuleerde hij, aangevuurd en opgewekt -door den klank van zijn eigen stem; dan had hij evengoed een jury om -den vinger gewonden, als een rechtsgeleerd college hem sous cape zou -hebben uitgelachen. - -„Ik zal hem schrijven,” dus vervolgde hij, „dat een onverwachte -samenloop van noodlottige familie-quaesties een ernstige vervreemding -heeft teweeggebracht tusschen haar, die voor de wet mevrouw Mourant is, -en mij; dat ik niet kan noch mag toegeven op dat punt; dat het moet -buigen of barsten, en dat derhalve een scheiding in de toekomst niet -tot de onmogelijkheden behoort.” - -Zij keek hem bewonderend aan; ze vond hem welsprekend. Het was immers -onmogelijk te twijfelen aan de woorden van iemand, die zóó sprak en zóó -schreef. - -„En verder?” vroeg ze. - -„Hoe bedoel je dat?” - -„Wel verder.... over mij.... over ons?” - -„Niets. Ik zal wel zorgen zóó dom niet te zijn. Alleen heel aan het -slot zal ik er nog een oogenblik op terugkomen.” - -„In welken geest?” - -„Dat weet ik nog niet. Ik zal het je in elk geval laten lezen.” - -„Ja, doe dat, Willem. Het is wel niet waarschijnlijk, dat wij weer naar -Indië teruggaan, maar men kan nooit weten.” - -En toen hij haar ’s avonds den brief bracht, werd haar bewondering voor -hem nog grooter. Men kon nauwelijks met droge oogen kennis nemen van de -diepe droefheid, die Mourant verklaarde, dat de vuige laster hem had -berokkend. Het was „pijnlijk,” het was „ontmoedigend,” het was -„treurig,” het was „grievend,”—het was alles wat het woordenboek aangaf -om zich terecht of ten onrechte te drapeeren in het woordenkleed van -den miskenden mensch. - -„Ik weet niet wanneer de mail sluit,” zei hij. „Men leeft hier buiten -de wereld.” - -„Spijt het je?” - -„Lieve Henriëtte!” - -„Het is mooi weer; de meid kan den brief bezorgen. Het hulpkantoor is -aan den grooten weg, geen tien minuten van hier, en ’t is mooie -maneschijn.” - -De kinderen waren naar hun bedjes. Doodmoe van het spelen den ganschen -dag in de open lucht, sliepen ze reeds half toen ze nog voor hun -bordjes met brood en vruchten zaten. Toen de krachtige boerendeern de -straatdeur had dichtgetrokken en den weg opliep om den brief in de bus -te werpen, was het stil geworden in huis, en buiten stoorde ook haast -niets de heerlijke kalmte van den prachtigen zomeravond; slechts een -enkel insect gonsde door de zoele lucht, een zich stil door de boomen -reppende vleermuis deed de bladeren ruischen en uit de verte kwamen -zachtjes de volle klanken over van een nachtegaal, die, door de maan -bekoord, zijn rol- en waterslag-romances zong met sedert eeuwen -beroemde virtuositeit. - -De straatweg voor het huis was onzichtbaar in de schaduw van het -omzoomend groen, maar de breede met kroost bedekte sloot schiep in het -tooverachtig maanlicht een fata morgana en scheen de weg te zijn. Zij -hadden de lampen laag gedraaid en zaten op het balkon in de schaduw der -marquise onzichtbaar voor de buitenwereld, dicht naast elkaar, -verzonken in het genot hunner meer door den schoonen avond, dan door de -sociale omstandigheden geïdealiseerde liefde. - -Onwillekeurig richtte Henriëtte zich op, toen de dienstmeid terugkwam -en met den sleutel de deur opende. - -„Zij zal wel even hier komen, Willem. Draai de lampen op.” - -Hij deed het, en in het licht, dat hoog opvlamde, zagen zij er beiden -een beetje verward uit, kleuriger van wangen, slordiger van coiffure, -onbestemder van blik. - -„Het groote buiten is verhuurd,” zei de meid binnenkomend en met den -deurknop nog in de hand. - -„Och kom, en aan wien?” - -„Ik ben den naam vergeten, maar de posthouder schreef hem op een -papiertje, en dat heb ik, geloof ik, verloren,” antwoordde de -dienstbare geest, met een teleurgesteld gezicht in haar grooten zijzak -tusschen allerlei voorwerpen grabbelend. - -Het „groote buiten” was een fraai landgoed; ’t behoorde tot den -sterfboedel van een millionnair en was door den tegenwoordigen eigenaar -op speculatie van de erven gekocht. Maar aanvankelijk scheen de -speculatie geheel te mislukken, want het seizoen was reeds eenigszins -gevorderd en nog altijd stond de plaats leeg. - -„Hier is het briefje, mevrouw. Het is een gekke naam. Ik kan hem haast -niet uitspreken; maar het moet heel voornaam volk uit Den Haag zijn.” - -Henriëtte hield het met potlood bekrabbelde en verfrommelde stukje -papier onder een der lampen. - -„Ik kan het niet lezen, Willem. Zie jij eens!” - -Hij zette zijn lorgnet op en keek over haar schouder naar den naam op -het briefje. - -Plotseling hief zij het gelaat naar hem op, met een uitdrukking van -schrik en ontzetting in de oogen. - -„Mijn God, Willem, zij is het!” - -„Graaf De Riquelle?.... Verduiveld, ja, dat is beroerd; dat is -verduiveld onaangenaam.” - -„Ik houd het hier niet uit, Willem. Geen week, geen dag!” - -„Nu, nu! zóó is het nu niet.” - -„Geen dag! Denk je dat ik hier wil zitten in dit optrekje met jou, en -zij, daar ginder onder mijn oogen als het ware, op dat groote -buitengoed met haar man, dien graaf. Nooit, Willem! Nooit in m’n -leven!” - -De meid had den uitval gehoord, die niet voor haar ooren bestemd was, -en ofschoon slechts een boerendeern, was ze wel zoo wijs net te doen -alsof ze niets begreep. - -„Is er nog iets, mevrouw?” vroeg ze onnoozel. - -Henriëtte schrikte er van; ze had om ’t heele schepsel niet meer -gedacht. - -„Neen, dank je; je kunt wel naar beneden gaan.” - -Ze spraken geen woord verder. Mourant was aan de ronde tafel gaan -zitten met de ellebogen op het blad, en blies, starend in het -lamplicht, den grijsblauwen rook van zijn manilla naar het lampeglas, -waaromheen die, door de warmte op een afstand gehouden, in krullen en -esvormen optrok. Henriëtte zat tegenover hem met ’t verfomfaaide -papiertje nog tusschen de vingers, ontstemd, met saamgetrokken -wenkbrauwtjes en pruilenden mond, omdat ze nu hier ook vandaan moest! -Dat ze nu werd gedreven tot zelfs uit dit stille hoekje! - -„’t Is verschrikkelijk onaangenaam.” - -Maar Mourant gaf er zoo dadelijk geen antwoord op. Hij zat zich hoogst -gemoedelijk met het denkbeeld te verzoenen. Ronduit gezegd beviel hem -het leven niet best op die manier. Zij had nog haar huishouden, dat -haar bezig hield; hij had niets dan de courant van den vorigen dag. - -„Onaangenaam, zeker, maar zoo verschrikkelijk is het bij nader inzien -niet. Het hierblijven zou toch niet langer geweest zijn, dan voor ’n -maand of wat.” - -„Och, dat weet ik nog zoo niet.” - -„Je hadt hier toch niet willen blijven tot den winter?” - -„En waarom niet? Ik vind het hier goed. Ik houd van het land. Je weet, -dat ik in Indië op het land ben opgevoed.” - -„O, maar dat is heel iets anders. Hier in Holland.... in den winter.... -op het land. Brrr!” - -„Laat ons er maar niet over redeneeren,” zei ze met een diepen zucht. -„Het kan toch niet. Ik ga nu hier vandaan, zoo spoedig mogelijk; liever -vandaag dan morgen.” - -„Zoo’n haast heeft het toch niet.” - -„O ja, Willem, dat heeft het wel.... Je weet niet welk een mensch zij -is.” - -„Ik meen dat wel te weten; maar haar gravenkroontje zal haar wel -veranderd hebben. Zij zal net doen of ze ons nooit heeft gezien.” - -„Denk je dat? Nu, dan ken je haar niet. Maar in elk geval: ik wil nu -hier niet blijven.” - -Het trof hem. Zóó had zijn vrouw nooit gesproken. Hij vond het nu wel -aardig zoo’n dametje met een wil. Als ze getrouwd waren, dan kreeg hij -er ook een! - -„Waarheen dan?” - -„Ja, waarheen?” - -„Brussel?” - -„Och, Brussel is niet onaardig. Ik wil er wel weer naar toe voor ’n -tijdje. En jij?” - -„Ik zit er juist over te pikiren; mij dunkt, ik zou er ook wel kunnen -gaan wonen.” - -„Gaan wonen? En zij?” - -„Ze kan in Den Haag blijven. Ça n’empêche pas les sentiments.” - -Doch Henriëtte lachte niet om de mislukte aardigheid. In haar fraai -hoofdje woelde het verhuisplan met al de drukte voor haar, de kinderen, -de goederen. - -„Het beste zou wezen,” ging hij voort, „dat ik naar Brussel ging, een -geschikte woning voor je zocht of een garni, en je dan zoo spoedig -mogelijk telegrapheerde.” - -Het denkbeeld lachte hem toe. Dáár had hij kennissen, die wel wisten -wat er gaande was, maar net deden, als wisten zij niets. Daar wist men, -waar men heen kon gaan, en hoe onaangenaam en stil het in dit seizoen -ook vergelijkenderwijze was in zoo’n groote stad,—’t was toch nog voor -Mourant een paradijs vol genietingen tegenover een Hollandsch -boerendorp. - -„Dat zal wel ’t beste zijn,” meende zij, nog altijd bezig in gedachten -met voorbereidende maatregelen. - -„Dan zal ik morgen eerst naar Den Haag gaan om daar een en ander te -regelen.” - -En nu had zij tal van bijzonderheden. De hoofdzaak was besloten; dat -was gemakkelijk; maar voor de détails had Mourant een papiertje noodig -en een potlood, want die kon hij onmogelijk onthouden. - -Ze zaten heel laat op en waren weer heel vroeg bij de hand; ze hadden -dadelijk groote drukte, hij met het pakken van zijn koffers, zij met -allerlei voorbereidende maatregelen; zij gunde zich nauwelijks den tijd -hem „behoorlijk” goeden dag te zeggen, toen hij in het rijtuigje stapte -om zich naar den trein te laten rijden, en het trof hem, dat zij niet -op ’t balkon bleef staan om hem nog in de verte te groeten, gelijk in -vroeger jaren zijn vrouw deed in Indië in de voorgalerij als hij op -reis ging. Met zulk een verhuisboel alweer voor den boeg, had Henriëtte -wel aan iets anders te denken, dan aan „liefheid”. Zij was al begonnen -met uit de rommelkamer achter in den tuin eenige koffers te laten halen -om die met de hulp van de meid vast vol te pakken met goederen, die ze -toch niet meer noodig had. Terloops had ze nog even geluisterd naar het -fluiten van den trein heel in de verte, en ondanks ’t weer zoo’n warme -dag was, ging ze voort met haar bezigheden, zoodat de morgenuren -omvlogen en de kinderen haar plaagden om toch iets te gaan eten. - -Zij gaf de meid last om de tafel in de tuinkamer gereed te maken, en -ging zelve naar haar kamer om haar handen te wasschen, die stoffig -geworden waren van het pakken in de koffers. Ze wierp haar kabaja uit -en plaste haar fraaie armen in de groote lampetkan, zonder er op te -letten dat achter haar de deur werd geopend en iemand binnenkwam. - -Toen Henriëtte de oogen opsloeg, zag zij het beeld der binnengekomene -in den spiegel. Zij schrikte zoo geweldig dat het maar weinig scheelde -of zij verloor haar bewustzijn. Met het instinctmatig geloof aan een -visioen, aan een spel der verbeelding, keerde zij zich snel om, en -stond toen niet tegenover het spiegelbeeld, maar tegenover de persoon -zelve. Een ijzige kou ging haar door de leden. Wat haar altijd het -ergste van alles had toegeschenen, wat zij meende dat het vreeselijkste -oogenblik zijn moest in haar leven, en waaraan zij thans en hier in het -minst niet had gedacht, geschiedde plotseling en als ’t ware -geheimzinnig: een ontmoeting met mevrouw Mourant. Het was natuurlijk de -eenvoudigste zaak ter wereld voor een netgekleede dame een huis binnen -te gaan, de meid te zeggen dat het onnoodig was haar aan te dienen en -de deur te openen van een kamer; maar in den plotselingen toestand van -zenuwoverspanning, waarin Henriëtte geraakt was, scheen het haar dat -mevrouw Mourant als een geest was neergedaald en op supra -naturalistische wijze een illustratie vormde van de doordringbaarheid -der stof. Zij beschouwden elkaar een oogenblik. Mevrouw Mourant bekeek -de mooie jonge vrouw, wier fraaie lichaamsvormen, zooals ze daar stond -in een sluitende koetang met een smal kantje, allervoordeeligst -uitkwamen, en zoo zij niet vergaf, zoo zij haatte,—zij begreep beter -dan ooit, zij gevoelde met haar kennis van Mourant’s karakter en -eigenschappen, dat als hij eenmaal door zulk een keten was geboeid, -voor haar alles voorbij was, onherroepelijk voorbij. En Henriëtte, die -in ’t geheel niet dacht, gevoelde iets over haar komen, iets kleins en -nietigs; het was haar te moede als toen ze een klein meisje was, dat in -de voorgalerij bij mevrouw Mourant kwam spelen met al het moois, dat -het toen jonge kinderlooze echtpaar voor haar kocht en bewaarde. ’t Was -voor een moment of alles wat tusschen haar en Mourant was voorgevallen, -wegdreef op die herinnering, en zij nog, als vroeger, naar die vrouw -met haar verstandig en oprecht gezicht kon gaan, haar de armen om den -hals kon slaan en haar kussen, zooals ze dat wel eens gedaan had toen -ze nog klein was. Zoolang zij mevrouw Mourant niet had gezien, had zij -zich ingebeeld, dat ze haar haatte en sprak ze met Mourant minachtend -mee over „zij” en „haar”,—maar nu „zij” daar voor haar stond, schoon -verouderd en grijzend, nog altijd hetzelfde goede beeld van zedelijke -rust en psychische kracht,—nu overstelpte een groot gevoel van -droefheid ’t hart der jonge weduwe; nu scheen het alsof zij haar liever -had dan hem; alsof zij hem met een wreed genoegen en een machtige -onverschilligheid zou hebben opgeofferd, om met een gerust geweten van -haar weer de moederlijke genegenheid en de hartelijke opofferende -vriendschap te kunnen genieten, die de zonneschijn was geweest harer -eerste meisjesjaren. Zij stond voor mevrouw Mourant met neergebogen -hoofd en slap langs het lichaam neerhangende armen; haar borst ging in -de onregelmatige beweging van een heftig ademhalen op en neer, en ze -slikte telkens bij haar pogen om de tranen terug te dringen, die heet -in haar oogen drongen, door een droefheid, den eersten schrik -vervangend en lijdenstrekken plooiend om haar mond. - -Zij was zoo’n sensueele natuur niet. Zij had alleen boven de -Europeesche en Christelijke moraal, waarin zij tel quel was -grootgebracht, van haar voormoeders de Oostersche geringschatting -geërfd van ’t sexueel verkeer en ook de zinnelijke nieuwsgierigheid. -Waar die laatste was bevredigd, en gekwetste ijdelheid de waarde van -den eersten niet opdreef tot een hoog gestemden, voor niets -terugdeinzenden naijver, daar had dat verkeer zijn waarde grootendeels -verloren en stond achter, enkele oogenblikken van bevrediging -uitgesloten, bij haast alles wat het leven gaf; bij huishoudelijk -leven, bij eten, drinken, kleederen, meubelen, partijen en gezelschap; -bij vriendschap zonk het geheel in het niet. - -En als het gevoel van gekrenkt en beleedigd, bedrogen en verraden te -zijn, niet in het hart van mevrouw Mourant had gezegevierd boven elken -anderen drang; als zij zich niet zoo erg de dupe had gevoeld van dat -jonge vrouwtje, dat zij, ze wist het wel, nog domineerde en overtrof in -alles wat geen jeugd en lichamelijk schoon was,—dan zou ze weer -vriendelijk en lief zijn geweest tegen haar als vroeger. Maar dat -overwoog of gevoelde zij niet; zij hield niet op haar te beschouwen van -het hoofd tot de voeten, en zoo dit haar de zekerheid gaf, dat ze voor -goed verslagen was, het gaf haar in zoover een troost dat het een -physiek natuurlijke nederlaag was. - -„Is Mourant hier?” - -Het was voor de eerste maal in haar leven dat zij tegen Henriëtte niet -sprak van meneer Mourant. - -„Neen, hij is vertrokken.” - -„Waarheen?” - -„Naar Den Haag.” - -„Om wat te doen?” - -„Ik weet het niet.... ik denk dat hij.... misschien is zijn -bedoeling....” - -„Ik zou maar de waarheid zeggen; je behoeft mij niets te verzwijgen.” - -„Hij wilde te Brussel gaan wonen.” - -„Zoo. En jij gaat ook naar Brussel?” - -„Ja,” antwoordde Henriëtte nauwelijks hoorbaar. - -En toen ontstond een geweldig rumoer op den corridor; een der kleintjes -had verteld dat „tante” er was, want hij had haar in de verte zelf -gezien. Nu kwam ’t viertal aan in volle Indische vrije dressuur, zonder -kloppen naar binnen, met blijde gezichtjes, lachende zwarte oogen en -opgestoken kleine handen; ze kwamen op haar af en sprongen als ’t ware -tegen haar op; ze hadden haar lange afwezigheid niet eens -opgemerkt,—dat doen kinderen zoo niet; maar nu de lieve „tante” er was, -die hen aan boord altijd zoo verzorgde, waarmee ze zoo’n pleizier -hadden en die zoo mooi vertelde,—nu herinnerden zich de kinderen dat -weer levendig en ze verwelkomden haar met een juichkreet. - -Mevrouw Mourant streed niet tegen het overweldigend gevoel, dat in haar -opkwam; ze ging op haar hurken zitten, nam de kinderen in haar armen en -kuste ze met den hartstocht der droefheid. - -Maar het beurde haar toch op; ’t gaf een oogenblik van verlichting; een -gelegenheid om op heur verhaal te komen. Ze stond langzaam op, mevrouw -Mourant, bracht de kinderen buiten de kamer en zond ze naar den tuin, -belovend dat ze straks terug mochten komen, en belovend ook dat zij -blijven zou den heelen dag. Toen kwam ze terug bij Henriëtte, die -intusschen haar kabaja had aangeschoten, maar van zenuwachtigheid de -knoopjes niet dicht kon krijgen. - -„Wanneer is Mourant naar Den Haag gegaan?” - -„Van ochtend met den eersten trein.” - -„Ik had je het verdriet kunnen besparen.” - -Henriëtte klemde de lippen opeen en keek, ’t hoofd afwendend, door het -venster naar buiten. Zij wist niet hoe het kwam of wat haar aandreef, -maar ze voelde een lafhartigen lust Mourant af te vallen en te -verloochenen; naarmate die bekende en van vroeger geliefde stem haar -langer in de ooren klonk, werd die aandrift, waartegen zij eerst -streed, sterker en onweerstaanbaarder. - -„Het was geen verdriet voor me.” - -De groote oogen met smalle groefjes in de huid der leden boven en onder -het been der holten, werden grooter van verwondering. - -„Ik heb je al gezegd, dat je voor mij niet behoeft te veinzen.” - -„Ik veins niet.” - -„Maar ongelukkig schepsel,” riep mevrouw Mourant met plotselinge -hevigheid: „wat bedoel je dan?” - -„Ik wou dat er niets gebeurd was; nooit iets. Ik had zoo’n ongelukkig -leven met Veninga!” - -„Je wist hoe kort dat duren zou.” - -„Elke dag was lang. U weet niet wat het is. Men heeft u nooit verdacht, -geloof ik.” - -Er kwam een harde uitdrukking over ’t gezicht van mevrouw Mourant. - -„Ik heb er nooit aanleiding toe gegeven.” - -„Ik ook niet!” riep Henriëtte, haar gezicht nat van tranen toonend. -„Toen niet, toen nooit! Maar als men elken dag van den ochtend tot den -avond niets hoort dan de geraffineerdste verwijten, dan ruw en ronduit -de beschuldiging van ontrouw, dan weet men op het laatst niet meer wat -men doet; dan zou men den eersten den beste, die lief en vriendelijk -was en het er op toelei....” - -„Houd den mond maar. Ik ken dat. Het is ’t gewone excuus. De een is zoo -arm, de ander heeft zoo’n onaangenaam leven, de derde werd door mooie -beloften bedrogen,—ik ken dat. Het zijn allemaal praatjes, anders -niet!” - -„O, zeg dat niet, mevrouw! Het is waarachtig waar; het was geen liefde -of voorkeur van dien aard.” - -„Dus je houdt niet van hem?” - -Langzaam schudde Henriëtte het hoofd; ze keek mevrouw Mourant vlak in -het gezicht. - -„Neen!” zei ze. - -„Het kan mij ook eigenlijk niets schelen. Het is eenmaal gebeurd en ik -heb besloten mij er niet langer tegen te verzetten. Ik ben hier gekomen -om dat te zeggen. Ik had het even goed kunnen schrijven of beter nog: -laten schrijven, maar ik was nieuwsgierig om dit nestje eens te zien. -Nu heb ik het gezien, nu weet ik wat ik wilde weten, en ik groet je.” - -Zij ging de kamer uit, stil zooals ze gekomen was. - -Henriëtte was onbeweeglijk voor het venster blijven staan. Zij zag haar -door den tuin gaan, vergezeld van de kinderen, die haar wilden houden -en luid protesteerden tegen het vertrek; zij zag haar rustig -voortwandelen onder haar bruin-zijden pajong, nu en dan bukkend om een -der kleine jongens een handje te geven of een zoen; zij weende nog een -paar minuten, waschte haar gezicht opnieuw en ging toen naar de -tuinkamer, waar zij met smaak at en met de kinderen sprak over „tante”, -die zoo ondeugend was om dadelijk maar weer weg te gaan. - - - -Fournier en Hortense deden een groote reis door Europa; zij reisden -samen en genoten van het leven, van hun kind en van elkaar. Zij was -geheel opgefleurd met rozen op de wangen, zooals die daar vroeger nooit -hadden gebloeid. Hun tocht door de Alpen was een aaneenschakeling van -genietingen; ze waren geen ras-touristen, die verschrikkelijke -klimpartijen waagden; er was, vonden zij, zooveel moois te zien zonder -bovenmatige inspanning, dat men niet meer kon verlangen. Toch deden ze -vrij verre uitstapjes tot zelfs in den nacht als het koud glinsterend -schemerschijnsel der maan al wat omhoogstak in de lucht verzilverde, al -wat inzonk met roetzwarte schaduw sloeg. Ze stonden op vóór den dag en -gingen met hem ter ruste; het was, vond Hortense, de gelukkigste tijd -haars levens. En dat vond Louise ook op het rustige groote buiten, waar -zij vertoefde met haar man den ritmeester, die verlof had gekregen. Zij -was zoo kalm gelukkig, als ze zich nooit te voren had gevoeld; zij had -in Riquelle haar man gevonden en de zekerheid was over haar gekomen, -dat daarmee alles voor haar leven was gezegd. Zij hield veel van hem, -niet als een romantisch meisje, dat van ideale aesthetische liefde -droomt, maar als een gezonde vrouw, die het geluk heeft gehad haar -andere helft te ontmoeten en nu gevoelt, dat aan den hoogsten -levenseisch is voldaan. Want zij was er zeker van, dat ze gelukkig met -hem zijn zou, blijvend gelukkig. Zijn geheele persoonlijkheid, zijn -eenvoudige rustige figuur, zijn openhartig gezicht en zijn niet -hoogvliegende maar correcte begrippen, waarborgden dat. Men had haar -spoedig „opgenomen” in de kringen, die de Riquelle’s frequenteerden; -het was goed gegaan, bijzonder goed zelfs. En nu waren zij hier, en zij -wandelde in de donkere breede lanen van het park, onder de reuzeneiken, -aan den arm van Riquelle in een licht zomerpakje en met een stroohoed -in de hand en zelf gekleed in licht gebloemde mousseline, die met een -sleep zacht ruischte over het pad. Ze waren eindelijk alleen en ze -genoten er van als volop gelukkige lui. - - - -„Wat is dat voor ’n aardig huisje daar in de verte?” vroeg zij haar -kamenier, wijzend naar het optrekje, waar Henriëtte gewoond had en dat -met enkele plekken grijs en wit door het groen gluurde. - -„Het staat leeg. Er heeft een dame uit Indië gewoond.” - -„Ah!” - -„Zij woonde er met haar kindertjes; ze was jong en mooi.” - -„Zoo.” - -„Ja mevrouw. En er kwam heel dikwijls een meneer uit Den Haag.” - -„Och.” - -„Die meneer heette Mourant en zij was een weduwe; een zekere mevrouw -Veninga.” - -Geen trek bewoog op ’t gelaat van Louise, die de kamenier rustig met -kappen liet voortgaan. Ze maakte alleen een lichte beweging met de -schouders. - -„Nooit hooren noemen,” zei ze. - -„’t Waren toch, behalve die rare visite van dien meneer aan die -mevrouw, menschen van stand. Die meneer Mourant zag er zeer deftig uit; -de mevrouw was rijk; het ging er, al woonden zij in dat kleine huis, -alles erg royaal.” - -Maar mevrouw Riquelle zei geen woord meer en deed als ging haar al dat -gepraat volstrekt niet aan. - -„Die Oostersche menschen,” zei de kamenier naderhand tegen de -keukenmeid, „hebben net ’n bord voor het hoofd. Je kunt nooit iets zien -aan die donkere mombakkesen. Nu weet ik toch zeker, dat zij die mevrouw -Veninga kende, en goed ook, want haar meid stond er zelf bij, toen ’t -mensch de vlucht ging nemen, omdat wij hier kwamen, en nu ik van morgen -over die mevrouw Veninga spreek, doet de onze net of ze van ’t mensch -nooit gehoord heeft.” - -Mourant had intusschen wel gelijk gehad, toen hij Louise beoordeelde -naar zichzelven. Ze hadden best in het optrekje kunnen blijven; mevrouw -Riquelle zou hen in ’t geheel niet herkend hebben! - -Hij keek vreemd op toen hij in Den Haag van de dienstboden vernam, dat -zijn vrouw juist dien ochtend op reis was gegaan. Het maakte hem -ongerust, schoon hij niet wist waarom, en daar hij toch niets doen kon -om zekerheid te krijgen, besloot hij niet langer thuis te blijven -wachten, dan dien eenen dag. Was zijn vrouw ’s avonds niet terug, dan -wilde hij den volgenden ochtend met den eersten trein naar Brussel -gaan. - -’s Middags uit de sociëteit komend, vond hij haar thuis. - -„U schijnt pleizierreisjes te maken,” zei hij. - -„Ik zou kunnen vragen, wat u dat aangaat.” - -„O neen.... mijnentwege!” - -„Ik ben naar Vlietwijk geweest.” - -Hij werd bleek, fronste nijdig ’t voorhoofd en ging met groote stappen -op en neer loopen, ’t bewijs, dat hij erg het land had. - -„Zoo!” zei hij met een booze stemmodulatie. - -„Ik heb ’n heel interessant discours gehad met de weduwe van Veninga.” - -„Dat zal wel,” vervolgde hij steeds kwaadaardiger. - -„Ik meende u daar ook te vinden en ik kwam zelf om een blijde tijding -te brengen.” - -Hij was stil gehouden en keek haar wantrouwend aan, maar zweeg. - -„De bezwaren, die ik vroeger tegen een scheiding had, zijn thans -opgeheven. Ik stem toe. Dat wilde ik u en de weduwe van Veninga -meedeelen.” - -Maar Mourant, die op dit bericht stond te kijken als hoorde hij het te -Keulen donderen, zei nog altijd niets, wantrouwender dan ooit. Wat -moest hij er van denken? Zou het waar wezen? Zou zij inderdaad met de -voorwaarden genoegen nemen? Of was het een bespotting? Zijn oogen -loerden wantrouwend naar zijn vrouw, die rustig voorthaakte. Wat hij -zeggen zou, wist hij op ’t eerste oogenblik niet. - -Zij glimlachte met een neertrekkende uitdrukking van de diepste -minachting. - -„Het is wonderlijk! Ik dacht door mijn toegevendheid twee menschen al -heel gelukkig te hebben gemaakt. Het tegendeel schijnt waar te zijn.” - -„Er zal veeleer niet aan geloofd worden.” - -„Wie mij kennen, weten wel dat ik niet lieg. De weduwe van Veninga -geloofde het; ze wist, dat ze geen oogenblik behoefde te twijfelen, -maar ze scheen er niet bijzonder mee ingenomen te zijn.” - -Met een kort schamper lachje haalde hij de schouders op. Wat gaf hij om -hatelijkheden! Hij meende immers als advocaat dat hij zich nimmer iets -mocht aantrekken van de schimpscheuten eener tegenpartij, en reeds -sedert lang was hij gewoon zijn vrouw alleen uit dat oogpunt te -beschouwen. - -„Het verheugt me zeer,” zei hij op gemaakten toon, „dat je dit -verstandig besluit hebt genomen. Wij kunnen nu wat verder komen.” - -„Zeker, en hoe eer hoe liever.” - -„U schijnt nu plotseling haast te krijgen.” - -„Hoe eer hoe liever, dat zeg ik nogmaals. Het zal me een waar genoegen -zijn u zoo spoedig mogelijk met de weduwe van Veninga getrouwd te -zien.” - -„Woudt u wellicht ook hertrouwen?” vroeg hij met een spottenden blik op -haar grijze haren. - -„Och, dat doet er niets toe. Ik heb alleen haast om het u te zien doen, -met die jonge weduwe; met niemand anders dan met haar en haar vermogen. -Daartoe wil ik met alle genoegen medewerken. Er is geen schooner middel -om me de voldoening te geven, die ik verlang.” - -Het werd hem toch te machtig, en hij ging naar zijn eigen kamer. Nu ja, -het waren maar praatjes van een booze, wraakzuchtige vrouw,—doch -niettemin hinderden ze hem, omdat hij ze in verband bracht met de -onverschilligheid nu en dan van Henriëtte. Wie weet of ze niet samen -gepraat hadden,—maar dat kon toch niet. Als eens.... hij moest er niet -aan denken! Hij moest niet doordenken over zijn meer dan veertig jaren, -qui sonnaient, omdat hij zich in zijn jeugd allesbehalve onbetuigd had -gelaten. Hij moest die dwaze schrikbeelden terugdringen. Wat drommel, -zij was toch waarachtig niet veel gewoon geweest bij Veninga! - -In het kleine benedenhuis, dat de familie Roos in den diepsten -achterhoek van den „Indischen Archipel” bewoonde, was het zeer stil. De -kinderen waren bij een der buren, een kamerdienaar of zoo iets aan het -hof, met wiens finantiëele positie die van den gepensionneerden -kapitein ongeveer op één lijn stond. De groote meisjes, die thans van -school waren, zaten in oude jurken met winkelhaken en scheuren er in, -elk aan een kant van het bed, met roodgeweende oogen, maar in de kracht -harer buitengewoon ontwikkelde lichaamsvormen, haast berstend uit de -oude, vette japonnen en ondanks hun slordige onverschilligheid de -incarnatie van ’s lands welvaren. En te midden van een weelderigen -rijkdom nog altijd gitzwart haar lag op het beduimelde kussen het vaal, -vermagerd gezicht van haar moeder, die ze zwaar en reutelend hoorden -ademhalen. - -Corrie klemde haar handen angstig samen en boog zich voorover naar haar -zuster. - -„God, God, Nel, ik wou dat pa kwam. Ik ben zoo bang!” - -„Houd je stil!” antwoordde Nelly met een diepen zucht. - -„Waar zou hij zijn?” - -„Weet ik het! Hij is immers haast altijd de deur uit.” - -„Zouden we geen dokter kunnen roepen?” - -Nelly haalde de schouders op met een bedroefd gezicht, dat voor de -honderdste maal op schreien stond. - -„Waar? Het is zoo ver, en de dokters zijn niet thuis. Ach! en het zal -haar toch niet helpen!” - -Zij zwegen weer en zagen, met een arm op den rand van het ledikant -geleund, naar de stervende moeder, die geen ander geluid gaf dan het -mechanische door haar belemmerde en vernauwde luchtpijp teweeggebracht. -Zij had het hard te verantwoorden, maar ze voelde het niet. Ze was vèr, -vèr weg buiten de schraal gemeubelde kamer in de koude, „fatsoenlijke” -achterbuurt van de nieuwe hofstad; zij had, sedert zij ziek was -geworden en niet meer uit kon gaan om het partijtje te maken, dat zoo -krachtig tot hun achteruitgang had meegewerkt, aanhoudend haar oude -visioenen over Indië weer gehad, en het was of die sterker werden -naarmate haar lichaam, door de ziekte ondermijnd, verzwakte. Maar dien -dag, terwijl ze daar lag in een halve verdooving, niet bij machte zich -te bewegen of zelfs de oogen te openen, was alles verwarder, en ze had -daarover een flauw gevoel van verwondering; er kwamen geen bepaalde -voorstellingen meer voor haar geest; het warde alles dooreen in den -warmen zonneschijn; de hooge klapperboomen, de lage pisangs, de -weelderige varens, de dispenskasten, de baboes,—het dwaalde alles rond -in een flauwen onbestemden chaos met nevelachtige, samensmeltende -lijnen en ineenvloeiende kleuren; het was om te lachen zoo dwaas, en de -zwakke weerschijn van een glimlach plooide de akelig strak gespannen -huid op haar magere kaken. - -„Ze lacht,” zei Corrie met een harden snik en den arm grijpend van haar -zuster; samen bogen zij zich voorover en kusten het gezicht harer -moeder, waarlangs haar groote tranen afrolden. - -Daar scheen de zieke toch iets van te bemerken, want de glimlach van -zooeven verdween en maakte plaats voor een uitdrukking van bevreemding -en angst. Waren dat de meisjes, de kinderen? Zonder dat ze het wist, -had zij de hand opgelicht en rondgetast; de meisjes grepen haar beiden. -Ja, dat waren ze. Een oogenblik werkten de hersenen wat vlugger en -krachtiger als namen ze een aanloopje op den naderenden stilstand. Ja, -dat waren de meisjes, nu hoorde ze haar schreien. Ze wilde wel vragen -waar Roos was, maar ze kon niet. Als zij stierf zouden Corrie en -Nelly.... doch dezelfde verwarring kwam als daareven in Indië; de -beelden van haar man en haar kinderen dwarrelden dooreen in een lichten -nevel, die over haar heenkwam, dikker en donkerder, tastbaar zwart.... - -Nelly gaf een luiden schreeuw. De glimlach was teruggekomen op het -gezicht harer moeder; het hoofd had even bewogen, zacht krakend had -zich het lichaam uitgerekt en als een onbelemmerde vrije zucht was de -laatste adem uitgegaan. - -Zij wierpen zich met hartstochtelijke droefheid op het lijk; zij -noemden haar maatje bij al de lieve namen, die ze haar gaven als -kinderen en die ze al lang vergeten waren; zij kusten haar en smeekten -haar om één enkel woord..... - -Toen kapitein Roos de deur van zijn woning met den sleutel opende, -hoorde hij het en stond verlamd van schrik en ontroering wel een halve -minuut stil met den sleutel in de deur. - -Bevend, kon hij de deur toen bijna niet achter zich sluiten; hij liep -naar de achterkamer; Corrie kwam hem te gemoet en viel hem luid -weenende om den hals. - -„O pa, ze is dood, ze is dood!” - -Roos, verschrikkelijk bleek, maakte zich los van het meisje, ging naar -het ledikant en nam de hand der doode in de zijne; hij moest op een -stoel gaan zitten, zoo knikten zijn knieën. Hij had haar vermoord, dat -stond bij hem vast; dat was sedert haar ziekte zijn idée fixe; hij had -haar gebracht in de ellende van een klimaat, waar zij niet tegen kon, -en in een levenswijze, waaraan zij niet gewoon was en niet kon -gewennen. Dat idée fixe bezat hem geweldig, nu ze daar dood neerlag en -het groot aantal bittertjes, dat hij dien ochtend reeds had -„verschalkt”, om „zijn zinnen te verzetten,” scheen mee te werken om -hem in dat akelig idee te versterken. - -Hij keek naar de meisjes, die half geknield schreiend voor het bed -zaten, en hij strekte zijn vrije hand uit. - -„Daar ligt mijn slachtoffer,” zei hij pathetisch. - -Zij weenden stil voort, zonder veel acht op hem te geven. - -„Daar ligt mijn slachtoffer!” herhaalde hij op denzelfden toon. „Ik ben -haar moordenaar.” - -Nelly, die nogal driftig was, kon het niet aanhooren. Zij stond op, nam -haar vader bij den arm en trok hem weg. - -„Ga de kamer uit, leelijke vent. Je bent weer dronken.” - -Hij scheen het niet te hooren en bleef onafgebroken naar het bed -staren, steeds op hartbrekenden, maar door den toenemenden invloed van -den drank onvasten, hikkenden toon herhalend: „Daar ligt mijn -slachtoffer; ik ben haar moordenaar.” - -De buren van boven en van het naaste huis kwamen zóó gauw, als hadden -ze den dood zien binnengaan; ’t was of ze het hadden „geroken”. En als -goede buren maakten zij zich bereidwillig van den toestand meester. -Zeker, zij hadden altijd veel te zeggen gehad op dien kalen kapitein, -die zoo dronk, op die luie „Oostersche” vrouw, die de deur uitliep en -haar huishouden verwaarloosde, en die twee „gekke” meisjes, die zich -zoo gemoedelijk het hof lieten maken, die elken avond „straatjes-om” -deden met allerlei jongelui, en die al heel dikwijls „gezien” waren als -ze zich lieten zoenen in het donker om een hoekje van de straat. Wel, -het was, zeiden de buren, een huishouden van Jan Steen! Nu echter de -kille hand van mageren Hein er een greep in had gedaan, verdween alle -nijd en afkeer, verdrongen door een gevoel van medelijden, een zucht om -bijstand te verleenen en een achtergrond van verlangen om zich met een -schoon schijntje en goed fatsoen met eens anders huishouden te kunnen -bemoeien. De arme Roos, die nog altijd hoe langer hoe kwijnender en -hikkender van „moordenaar” sprak en van „slachtoffer”, werd met een -zoet lijntje weggebracht; hij was toch eigenlijk zoo’n best mensch; nu -ja, hij hield van een borreltje; „het” was toch voor de ganzen niet -gebrouwen! En die arme meisjes! Nelly en Corrie werden ook, nadat men -van het ensemble harer droefheid had genoten en er stemming uit had -geput, door weenende buurjuffrouwen weggebracht. Bij dat alles was het -toch maar het beste. Wat hadden zij moeten beginnen? Nu ging door de -vreemde hulp alles vanzelf. Alles werd beredderd, het „afleggen” ook, -en de eene juffrouw, die zich daarmee had belast, zei tegen de andere, -die haar hielp, dat het toch een beetje griezelig was, zoo’n mensch met -zoo’n donker vel; „als je aan den duivel dacht, weet u, die ook zoo -zwart is!” - -Er was geen geld in huis, en toen bij Roos de kleine roes had -uitgewerkt, en zijn droefheid over het verlies zijner vrouw, die hij -jaren lang hartelijk had liefgehad, meer normaal was geworden, begreep -hij allereerst dáárvan werk te moeten maken. Hij schreef den slijter, -die dadelijk kwam en met vertoon van vriendschap en goedhartigheid geld -bracht, zonder eenig besef van het kwaad, dat hij dit gezin had -berokkend. Want sedert Roos de boeken van de slijterij bijhield, was -hij van een oud-soldaat, die een gewonen krassen borrel „pakt”, een -geregelde dronkaard geworden, een alcoholist, die elken avond het besef -verloor dat een rechte lijn de kortste afstand is tusschen twee punten. -Hij was nu een huisvriend, en daartoe behoorden ook enkele hoogst -fatsoenlijke, maar slecht bezoldigde ambtenaren van departementen, die -den rumgrog, waarmee de rijke slijter zoo royaal was, letterlijk -aanbaden. En deze drankgod, die zich te hoog achtte om particuliere -kennissen te zoeken onder de kleine bakkertjes, kruideniertjes, smeden -en blikslagers of andere producenten van het nuttige in zijn buurt, -moedigde zijn vrienden altijd sterk aan. Hij verkocht zooveel slechte -jenever aan de smalle gemeente en met zóóveel winst, dat hij licht zijn -vrienden ruimschoots hun genoegen kon schenken aan uitstekende dranken! - -Het was mooi, helder weer bij de begrafenis. - -Tusschen de kieren der neergelaten gestreepte gordijnen in de -voorkamer, drongen spelende zonnestraaltjes; het was er vol en warm; -vol van in het zwart gekleede mannen met witte dassen en Indische -officieren in uniform. Zij hielden geen kennis met Roos en zijn -familie, die, sedert hij gepensionneerd was, zoo afgetakeld waren in -hun maatschappelijke positie; zij kwamen niet in de soort van woningen, -waarin zij thans vertoefden; zij hadden niet veel goeds gehoord in den -laatsten tijd van hun oud-collega, en aan zijn gezicht zagen zij wel, -dat hij door drankmisbruik tot décadence kwam. Maar toen ze het bericht -ontvingen van den dood van mevrouw Roos, had geen hunner zich -teruggetrokken: de oude krijgsmakkers, sommigen met den gouden kraag -van hoofdofficier, waren gekomen om haar „de laatste eer” te bewijzen, -en zij stonden in de benauwde voorkamer zacht fluisterend bijeen met -gezichten en houdingen, die aantoonden dat ze daar slechts waren uit -een gevoel van piëteit, zonder meer. De straat—voor zoover die nog -bewoond was—liep uit. Wat een rijtuigen! En dan die officieren! Roos -steeg in de algemeene achting. Allen gevoelden wel, dat hun zoo’n mooie -begrafenis niet zou ten deel vallen! - -Aan het graf ging het stil toe. Roos stond als versuft, daar hij nog -geen bittertje had gehad, volkomen abnormaal en buiten staat te denken, -met gebogen hoofd en glimmend gezicht de kist na te kijken, die op de -touwen met een dof gedruisch werd neergelaten in het donker slijkerig -gat, waaruit een benauwde grondlucht opsteeg. - -Alles verliep voor hem werktuiglijk. Hij knikte maar met het hoofd, als -iemand zijn hand, die hij slapjes ophield, drukte, en oude bekende -stemmen, hem met een kort woord „sterkte”, „kracht”, „’t beste”, of -„God zegen je” wenschten; dan knikte hij maar en zei soms „merci!”, tot -de slijter, die een erg gelegenheidsvertoon maakte in -gelaats-uitdrukking en gebaren, hem onder den arm nam en met heel veel -voorzichtigheid wegleidde van het kerkhof, als was hij bang dat Roos -onderweg zou omvallen of beschadigen. - -De straat was zeer verwonderd toen ze al die heeren en officieren niet -zag terugkeeren; daar was op gerekend ook in het sterfhuis, waar een -groote schaal met sandwiches stond te wachten met „gefiltreerde” -koffie,—een idee van de vrouw van den kamerdienaar aan het hof, die -meende dat gewone broodjes met vleesch voor deze gelegenheid te -ordinair waren. Maar de buren zelf en nog enkele „vrienden” handelden -alsof ze van de bij het kerkhof naar huis gegane officieren generale -procuratie hadden voor het eten van sandwiches. Roos had zich met -bevende hand een bittertje ingeschonken en het met virtuositeit -weggewipt; hij zuchtte van genot; dat was toch maar alles! Na de derde -editie verminderde het beven, en toen ging hij mee in de voorkamer -zitten, waar men een uur later elkaar haast niet zien kon van den -sigarenrook, terwijl onder het genot van cognac voor de heeren en -likeur voor de dames, luid werd gesproken en gelachen, als moest de -achterstand zoo spoedig mogelijk bijgewerkt worden. - -Tusschen kapitein Roos en zijn dochters had zich langzamerhand een -gespannen toestand ontwikkeld. Zij waren niet meer de op commando -gehoorzamende kinderen, die met een: „Ajo marsch!” weggezonden konden -worden. Het was zijn eigen schuld. Van den tijd, dat zij hem elken -avond zalig thuis zagen komen, was alle achting verdwenen, en terwijl -Corrie nog van hem bleef houden, al was het niet veel, en hem nog -behandelde als haar vader en het hoofd des gezins, gaf Nelly, die -harder en driftiger van karakter was, hem onverholen haar diepe -minachting te kennen. Dan vloekte hij, en sloeg met de hand op de -tafel; eens zelfs had hij zijn wandelstok opgeheven en toen had Nelly -den steel gegrepen van een kastrolletje met kokende melk, dat op het -petroleum-toestel stond, en hoogst irreverentelijk verklaard, dat zij -dit haar voorzaat in het gezicht zou gooien, als hij haar sloeg. Roos -zag dat zij het doen zou, en trachtte door een waardig terugtrekken vol -minachting, den aftocht te dekken. Maar hij zat er van dat oogenblik -diep onder. - -’s Avonds toen de meisjes in bed lagen, dicht bij elkaar met de dekens -over haar neuzen, spraken ze weer van haar moeder en ze klaagden zacht -over haar verlies, maar toen het uit was, kwamen ze op haar eigen -toestand. - -„Wat doe jij?” vroeg Corrie. - -„Ik weet het nog niet. Wat ik wèl doen zal, weet ik niet, maar wat ik -niet doe, is bepaald.” - -„Je wilt weg?” - -„Asjeblieft! Voor geen geld blijf ik hier langer in huis.” - -„En de kinderen?” - -„Moeten wij daarvoor zorgen? Zijn het misschien onze kinderen?” - -„Neen maar!” - -„Gekkin! Zorgt hij voor de kinderen? Heeft hij voor ons gezorgd?” - -„Gezorgd heeft hij zeker niet.” - -„Weet je, het is zijn schuld niet, dat we niet bepaald slecht zijn -geworden, en ronduit gezegd: ’t kon mama ook weinig schelen.” - -„Foei Nel.” - -„Corrie, wees nu niet zoo flauw. Je weet heel goed, dat ik gelijk heb. -Ze hebben ons allebei laten loopen voor wat er van komen wou.” - -„Maar dat hebben we nooit zoo heel onpleizierig gevonden.” - -„Neen,” zei Nelly met een korten lach, „da’s waar.” - -„En als ze ons aan een erg kort lijntje hadden gehouden, dan was het -nog de vraag of het zou geholpen hebben.” - -„Geholpen, nu ja! Ik weet, wat ik weet. Wij hoeven elkaar niets te -vertellen, Cor, en ons waarachtig tegenover elkaar niet slechter voor -te doen, dan we zijn.” - -„Dat doe ik ook niet. Ik zou heel graag een man hebben en ’t kan me -niet schelen wien, als ik maar te eten heb, mooie kleeren, niet te -werken en geen kinderen.” - -Nelly gaf in stilte lachend een stomp in de vleeschmassa harer zuster. - -„Je bent net een varken,” zei ze. - -„De pot verwijt den ketel dat hij zwart ziet,” gichelde Corrie terug. -„Adoe! Stomp me toch niet zoo of ik geef je ’n schop!” - -„Neen, maar zonder gekheid, Cor: ik ga het huis uit.” - -„Maar kind, waar moet je heen?” - -„’t Kan me niet schelen. Alles liever dan hier te blijven bij mijn -dronken vader en een troep verwende bengels van broertjes en zusjes.” - -„En bij mij dan!” zei Corrie spottend. - -„Bij jou, dik beest!” ging Nelly stompend voort. „Jij, die geen hand -uitsteekt en mij maar voor asschepoestertje laat spelen.” - -„Lieve Hemel! Jij doet ook wat! ’t Is me een mooi boeltje hier! Weet je -wat ik die mevrouw van hiernaast hoorde zeggen?” - -„Die juffrouw bedoel je.” - -„Nu dan, die juffrouw die getrouwd is.” - -„Wel, wat zei ze dan?” - -„Ik weet het niet goed, maar er kwam iets in van een kardoes en van een -bende.” - -„Soedah, ’t kan me niet schelen; die kardoes was jij zeker.” - -„Of jij.” - -„Ook goed; ’t is me hetzelfde. Weet je wat we moesten doen?” - -„Nu wat?” - -„We moesten van papa elk duizend pop zien te krijgen.” - -„Maar Nel, ben je heelemaal!.... Hoe zou de man er aan komen? Hij bezit -geen duizend centen.” - -„Da’s niks; hij moet maar voorschot nemen op zijn pensioen; die man uit -het jeneverkantoor, die hem altijd dronken maakt, zal het wel willen -leenen.” - -„En dan?” - -„Dan gaan we naar Indië.” - -„En de kinderen?” - -„Die doet hij in een weeshuis, dat is heel gemakkelijk.” - -„Kasian!” - -„Waarom? Ze hebben het beter dan thuis. Papa kijkt in het geheel niet -naar hen om. Ik verdraai het en jij,—nu ja, jij bent net ’n goeie! ’t -Zou hier ’n mooie geschiedenis worden, als ik alleen wegging en jij -zonder mij achterbleef. Ik zal maar niet zeggen wat!” - -„Hou jij je nu maar goed. Je bent ook ’n lievertje, zeg!” - -Zoo maakten ze stil ruzie onder de dekens in de duisternis, elkaar van -allerlei verwijtend, waar en onwaar, tot ze weer terugkwamen op het -denkbeeld om samen naar Indië te gaan; „Tjari laki”, zooals Corrie -gichelend zei. - -De meisjes sliepen reeds lang, toen Roos nog op en neer liep in de -huishoudkamer, die gemeenschap had met het vierkante hokje, waarin zijn -ledikant stond en dat alkoof heette. Hij had dien avond zijn gewonen -roes niet, en hij had dien reeds sedert den dood zijner vrouw niet -gehad; hij meende het ook wel te kunnen doen met „klare” jenever met -water, apenmelk, zooals hij ’t noemde. Maar het ging toch niet. Gewoon -aan de lekkere rum, stond hem het ordinaire goed nu geweldig tegen; na -eenig aarzelen kleedde hij zich, verliet in den laten avond stil het -huis, liep met zijn kraag in de hoogte naar den naasten drankwinkel, -kocht er een flesch rum en keerde met groote stappen naar huis terug, -de geliefde aan het hart drukkend. Hij dronk thuis zijn eerste glas met -welbehagen, keek het tegen het licht, bij zichzelven mompelend van -„godendrank” en van „’n edele vrucht!” Hij ging er op zijn gemak bij -zitten met een pijpje in den mond, drinkend en rookend. De drinker won -het op den rooker; reeds lang lag de pijp in rust vóór hem toen hij nog -langzaam en met de domme uitdrukking van bedwelming op het opgezet -gelaat, het eene glas ledigde na het andere, nu niet meer met water, -maar „kring”. Wel trachtte hij nu en dan de pijp weer aan te steken, -maar hij zat vruchteloos te smakken, want hij hield den lucifer een -handbreed er vandaan, tot hij hem liet vallen, als hij zich de vingers -brandde. Het was stil in huis: alles sliep; om ’t half uur sloeg de -Amerikaansche klok met luiden metaalklank; hij hoorde het nog tot -halfdrie, toen zonk hij langzaam van zijn stoel af op het vloerkleed en -lag daar als een zware onbeweeglijke massa, waaruit een heesch geluid -bij het snorkend ademhalen en een akelige benauwende dranklucht -opstegen. - -Nelly haalde haar zuster, die altijd langer sliep, den volgenden morgen -uit het bed. - -„Kom nu toch eens mee!” zei ze heftig. - -Corrie, slaapdronken en met haar dikke beenen over den ijzeren rand van -het ledikant getrokken, wreef haar oogen. - -„Och, laat me toch met rust; ’t is nog zoo vroeg!” - -„Slaapkop, word toch wakker. Je moet nu toch eens meekomen om het -schandaal te zien.” - -Dat woord deed Corrie ontwaken. - -„Wat is het dan?” vroeg ze nieuwsgierig, opstaande. - -Maar Nelly ging de kamer uit en zij liep haar na, naar de -huishoudkamer. - -Roos lag nog altijd op den grond te ronken; de rumflesch op de tafel -was bijna leeg. - -„Kom help me maar eens,” zei Nelly vol toorn en verontwaardiging, „dan -zullen we probeeren onzen dronken papa in zijn bed te leggen.” - -Ze waren jong en sterk, maar ze hadden er toch moeite mee; zij stootten -zijn hoofd bij ongeluk zoo hard tegen een stoel, dat ze er van -schrikten; maar hij voelde er niets van en werd geen oogenblik wakker. - -„En nu hier blijven,” zei Nelly, „nu door den dood van ma het hek -heelemaal van den dam is?—Ik zou je danken!” - -Corrie zuchtte en zei niets. - - - -„Het” lokaal in ’t kleine stadje in het noorden, waar dien avond de -candidaat der kiesvereeniging „Vrijheid en Ontwikkeling” als spreker -zou optreden, was vol kiezers, meest boerenlieden uit den omtrek, maar -die voor deze gelegenheid hun Zondagspak voor den dag hadden gehaald en -wier gezichten kleurig als de wijnappelen in hunne boomgaarden boven de -breede zwartsatijnen dassen uitstaken. Hier en daar een gewoon -burgerheer, de notaris, de secretaris, de ontvanger en zoo. Men was in -die streek heel erg liberaal, behalve op ’t stuk van belastingen. De -naam van den candidaat was algemeen geacht; hij behoorde tot eene -deftige familie van grondeigenaars de père en fils; persoonlijk kenden -hem maar weinigen; hij was eerst aan de academie geweest en toen, -niemand wist waarom, maar zeker niet uit eenigen nooddwang naar -de-n-Oost gegaan. Nu was hij terug en hadden zijn bloedverwanten hem -candidaat gesteld. Het was, meenden allen, opperbest. Neen, ze zouden -hem kiezen, dat stond vast; men behoefde hun niet te vertellen wie de -Fourniers waren; dat wist een kind wel. De spreekbeurt was dus meer -voor den vorm: men moest toch zijn candidaat eens hooren! En dan: het -was toch eigenlijk ook wel noodig, meenden zij, want iemand die in -de-n-Oost geweest was,—men kon nooit weten! daar kwamen zulke rare -menschen vandaan. - -Toen Fournier, die zich op aandrang van zijn familie en vooral van -Hortense de candidatuur had laten welgevallen, de zaal binnentrad, kon -hij eerst haast niet zien van den tabaksrook. Hij werd voorgesteld, -drukte vele handen, was „heel aardig” in zijn manier van spreken, en -ging den katheder op met de zekerheid van iemand, die een vak verstaat, -waarbij het spreken voor het publiek behoort. ’t Was de eerste maal -niet, dat hij als redenaar was uitgenoodigd. In een andere vereeniging, -waar men uitsluitend sprak over Indische aangelegenheden, was hij -meermalen „uitgenoodigd” door de leden van het bestuur, maar hij had er -zich altijd op de een of andere wijze afgemaakt. Dáár te spreken, dacht -hij, was allesbehalve le moyen de parvenir. - -Hij keek eens rond voor zoover de dikke rookwolk het veroorloofde, en -hij moest zich bedwingen om niet te hoesten, zoo sloeg hem de -onaangename lucht van het Amersfoorter bocht op de borst. Maar hij -wilde niet hoesten, om geen indruk van lichamelijke zwakte te geven; -hij hield zich goed en ving zeer bedaard, langzaam en duidelijk zijn -rede aan. - -Zij konden het opperbest verstaan, de kiezers, en er waren er, die -elkaar toeknikten; zóó mochten zij het hooren; dat ten minste kon -iedereen verstaan. - -En wat was hij liberaal! - -Hij wilde onderwijs van den Staat, armverzorging door den Staat en nog -heel veel meer; maar hij wilde vermindering van belastingen, vooral op -’t stuk van grondlasten. - -Fournier zei dat alles, nu en dan, voor den indruk, er een paar -Latijnsche woorden tusschenduwend. - -En terwijl hij daar stond te oreeren over dingen, die hem haast in ’t -geheel niet interesseerden, en waar hij eigenlijk, indien hij er een -studie van had gemaakt, een heel andere opinie van zou gehad hebben, -kwam hem met onweerstaanbare kracht zijn eigen beeld voor den geest; -het beeld zijner persoonlijkheid als jong rechterlijk ambtenaar. Wat -had hij toen een eigen meening, en wat hechtte hij daar een waarde aan! -Voor geen schatten zou hij er afstand van hebben gedaan, en hij -verachtte diep ieder man, die niet sprak naar heilige overtuiging. - -Het scheen hem lang, zeer lang geleden; ’t was of hij dacht,—in dit -soort van dualisme pratend voor het publiek en te gelijk denkend over -iets anders,—aan een gansch ander man, hem geheel vreemd. - -„Wij moeten de handen ineenslaan,” ging hij plotseling op luiden -declameerenden toon voort, met stille woede het pak zijner vroegere -ideeën terugdringend en overstemmend. „Wij moeten al onze krachten -inspannen tot verdediging en handhaving der vrijzinnige beginselen, die -vooral het noorden van ons dierbaar vaderland bezielen, en het zoo -krachtig doen medewerken tot beschaving en veredeling van ons nationaal -volksleven.” - -Weer knikten de kiezers elkaar toe; de gouden ringetjes om hun dikke, -ronde oorlellen dansten op en neer en schitterden in het licht. Dàt -waren zij, die medewerkers tot beschaving en veredeling! O, maar ze -wisten het reeds lang! Vroegere candidaten hadden het immers ook -gezegd. - -Zij drukten hem allen met warmte de hand toen hij had uitgepraat, en -zoo hij al niet heel zeker was van hun roeping tot veredeling van ons -nationaal volksleven,—tot het hanteeren van den vaderlandschen ploeg -waren zij ongetwijfeld in staat; dat voelde hij. - -„We zullen er verder maar niet veel drukte over maken,” zei lachend de -burgemeester. „Gaat u met mij thuis soupeeren?” - -Veel lust had Fournier er niet in, maar wat zou hij doen? Hij was -immers de candidaat, en als zoodanig weigert men niet bij den -burgemeester te eten. - -„Wel?” vroeg Hortense, hem hartelijk omhelzend toen hij thuiskwam: „hoe -is ’t gegaan?” - -„Och zoo! ’t kwam zoo ongeveer uit als ik gedacht heb.” - -„Waren er veel heeren?” - -„Neen, heel weinig.” - -„Hè?” - -„Maar boeren waren er des te meer.” - -„Nu ja, ik bedoel natuurlijk kiezers,—publiek enfin!” - -„Het is ’n raar troepje.” - -„Foei, Gérard!” - -„Kind, wees toch verstandig en tracht niet jezelve iets wijs te maken. -Ik geloof niet, dat ik mezelven ooit dieper heb geminacht, dan toen ik -voor die menschen allerlei common places opdreunde, ja hen zelfs gewoon -voorloog.” - -„Ajakkes, vent!” riep Hortense met een teleurgesteld gezicht, een -toetje makend van haar mond, „wat kan je toch nare dingen zeggen.” - -„Maar ware!” - -„Dat denk je maar. Je hebt toch ook wel geweten wat het was, en je zei -nog zelf, dat je niet in die andere vereeniging als spreker wou -optreden vóór je ’n plaats in de Kamer had.” - -Hij haalde de schouders op. - -„Wat heeft nu dat er mee te maken?” - -„’t Is alleen maar, zie je, dat je nu op die kiezers niet moet smalen. -Ik vind het beste menschen.” - -„Charmante kerels,” zei hij half lachend. „Je moet ze eens op de thee -vragen. Ze dampen in een kwartier alles zwart met hun stinkende tabak.” - -„Men kan een eenvoudig mensch wezen en slechte tabak rooken.....” - -„Stance-lief, schei nu uit, ja? We weten volkomen juist waarop het -staat. Ik moet lid der Kamer worden, dass ist bestimmt in Gottes Rath, -en in die van jou en de familie.” - -„’t Is volstrekt niet aardig van je. ’t Is net of wij je dwingen tot -een opoffering.” - -„Volstrekt niet. Ik ben al zoover, dat mijn eigen ijdelheid er zeer -door zal gevleid zijn. Maar geloof me, Stance, er zijn momenten, waarin -ik walg van mijzelven; waarin ik het betreur, dat ik ’s lands dienst -heb verlaten om in de praktijk te gaan. Het is waar, dat men in dien -dienst veel kostbaren tijd met onbeduidendheden vermorst en men er -maatschappelijk alles moet ontleenen aan zijn betrekking; de betrekking -absorbeert den persoon; zij is alles, hij niets; zij merkt hem -tegenover het publiek met een onverbreekbaar rangnummer; achter nummer -tien of vijftig kan een groot man staan, achter nummer één of twee een -nul; ’t doet er niets toe; het nummer geeft de waarde aan.” - -Hortense begreep het niet best; zij was nooit sterk geweest op het punt -van vergelijkingen. Zij haalde zwijgend de schouders op, volstrekt niet -wetend waar hij heen wilde. - -„Doch overigens,” ging hij voort, „is het toch veel waard, dat men op -zijn opinie geen zelfmoord behoeft te plegen; men kan haar als -rechterlijk ambtenaar vrij laten gelden; men moet dat zelfs doen, -tenzij men tot die ongelukkigen behoort, die geen eigen meening hebben -en maar altijd varen naar het kompas van de letter of naar dat van eens -anders meening.” - -Met groote belangstelling bekeek Hortense een paar roode vlekjes in den -hals van hun kind; zij onderzocht ze met gefronste wenkbrauwen, ernstig -overwegend of die vlekjes ook iets met mazelen te maken konden hebben. -Naar Fournier luisterde ze in ’t geheel niet meer; zij bleef altijd -veel te veel de dochter van Van Velton om naar zulk onpractisch gezeur -te luisteren. - -En Fournier, die ook eigenlijk meer tegen zichzelven sprak, uit -behoefte om een formule te geven aan hetgeen hij de laatste dagen vaak -had gedacht en om die formule zelf uit te spreken en ook weer zelf te -hooren, vervolgde: - -„Voor iemand, die zich nog iets anders voelt dan een ledepop tegenover -de maatschappij en een komediant tegenover het recht, is de praktijk -onuitstaanbaar. Tegen haar eischen tornt men vruchteloos op. Geen -karakter is er tegen bestand. Men moet zich onderwerpen of heengaan. -Men komt als in een stroom, die medevoert; soms, in het begin, houdt -men een oogenblik worstelend stand; maar de stroom gaat ’t volgende -oogenblik voort en sleurt toch mee, als men er niet meer aan denkt. En -men eindigt....” - -„Zou jij denken, Gérard, dat het mazeltjes werden?” vroeg Hortense heel -ernstig. - -„’t Is de besmettelijkste ziekte, die ik ken,” ging hij voort, starend -in ’s Blaue en zijn gedachtenloop vervolgend, „men eindigt met den -stroom mee te roeien om het hardst, en het wordt een wedstrijd om de -glorie het best en ’t gemakkelijkst zijn eigen persoonlijkheid te -kunnen vertrappen.” - -„Och, wees nu niet zot! ’n Besmettelijke ziekte.... kom!” - -„Hm?” - -„Hè, wat ben je raar vandaag! Ik vroeg of je denkt dat dit mazeltjes -zullen worden; dit.” - -Hij lei zijn vinger op de aangeduide plekjes en keek aandachtig. - -„Wel neen.” - -„Zoo, en waar zie je dat aan?” - -„Och, dat weet ik niet. Het komt mij zoo voor. Ik houd het voor ’n -muggebeet.” - -„Ze regeeren anders erg, de mazelen.” - -Fournier, dien dag erg uit zijn humeur, werd boos. - -„Nu, als je het dan bepaald wilt.....” - -„Hè, wat ben je onaardig, Gérard.” - -Lachend gaf hij haar een kus. - -„’t Was niet zoo gemeend, Stance. Maar je moet je niet ongerust maken -voor niemendal.” - -„Zoo! Is ons kind niemendal?” - -„Neen, maar mazeltjes, dat geen mazeltjes zijn.” - -„Ik wou toch zoo graag, vent, dat je gekozen werdt.” - -„Ja, dat weet ik. Ik had vroeger nooit gedacht, dat je zoo’n belang -stelde in het Nederlandsche volk.” - -„Groote goden ja!” antwoordde zij lachend: „dat volk interesseert me -erg!” - -Hij wist wel, dat slechts ijdelheid haar drijfveer was, en de zijne -stond maar weinig hooger. Sedert Louise gravin De Riquelle was, had -Hortense geen vuriger verlangen dan een of andere verheffing voor haar -en haar man. Een graaf was van hem niet te maken, dat stond nu eenmaal -vast. Hoe knap hij ook was, hoe verstandig en rijk aan ervaring, en hoe -erg gewoon de intellectueele ontwikkeling van den ritmeester -daartegenover stond,—het baatte niets; de liefelijkst kweelende -nachtegaal kan nu eenmaal geen goudvink worden. Zij moesten het dus -vinden op ’t maatschappelijk gebied; dáár was hun terrein, en Hortense -vond dat iemand, die lid was van de Tweede Kamer, een groot man mocht -heeten en dat zoo’n lidmaatschap tegen een altijd toch betrekkelijk -nominaal graafschap best kon opwegen. - -Zij was toen de dag aanbrak zenuwachtiger dan Fournier. - -Hij voelde wel iets, maar hield zich uitstekend. Niet omdat hij zoo -zeker was van zijn zaak, want op het geheele district kon hij niet -rekenen. Er was een ook liberale tegencandidaat gesteld in een andere -gemeente en ook voor dien was, dat wist hij, door vrienden en verwanten -hard gewerkt. Hij had de verkiezings-artikelen gelezen in de -plaatselijke courantjes; ofschoon men hem om de positie zijner familie -had gespaard, was hij er bij de tegenstanders van eigen partij toch -niet geheel zonder kleerscheuren afgekomen. Hij vond het heel -fatsoenlijk voor een verkiezings-quaestie! Mijn hemel, als men eens zag -hoe zulk een onbloedige en voor een groot deel onpersoonlijke strijd -een deel der natie—het fatsoenlijke!—tot een ploertigen kermistroep -verlaagde, die niets ontzag, voor wien eens anders reputatie en goede -naam geen grooter waarde hadden dan een flesch met water in Indië! - -Neen, in dat opzicht was hij er bepaald goed afgekomen. - -Telkens als er gebeld werd, sprong Hortense op. Wel twintigmaal in een -uur liep ze naar het venster om te zien of de telegrambesteller nog -niet arriveerde; zij berekende den tijd en vroeg telkens aan Gérard of -hij nu niet dacht, dat het telegraphisch bericht er reeds lang wezen -kon. - -Eindelijk viel het kind zich al spelende met ’t hoofdje tegen een stoel -een der vele builen uit een kinderleven; het zette een keel op van -belang; de verschrikte ouders schoten toe; zij hoorden niet eens dat er -gebeld werd. - -„Asjeblieft mevrouw, een telegraaf,” zei de meid. - -Hortense vergat haar schreeuwend kind, rukte het couvert open, vloog -Gérard om den hals en kuste hem met aandoening. Hij, een beetje bleek -en zenuwachtig nu ook, keek het telegram in en vergeleek het aantal -uitgebrachte stemmen met dat op hem vereenigd. - -Hij was gekozen met een meerderheid van twee stemmen; „les deux font la -paire,” dacht hij glimlachend. - -Het was een groote drukte, dien dag en den volgenden. Het regende -brieven en telegrammen. Dokter Van der Linden kwam feliciteeren en was -zeer in zijn schik. Allerlei soort van vrienden en bekenden maakten -visites of passeerden hun kaartjes. Toen de dokter er was, kwamen er -juist ook eenige Indische heeren, waaronder er waren, die hem niet -weinig benijdden en hem een geluk wenschten, dat ze o zoo graag -hunzelven hadden gegund. Ook Mourant, juist voor zaken in Den Haag, -zooals hij zei, kwam, en keek den gekozen volksvertegenwoordiger met -verbazing aan, als ontdekte hij iets in hem, dat hij nog nooit had -vermoed; zoo’n beleedigende verbazing, die onuitgesproken zegt: „hoe -heb jij ’m dat zoo kunnen leveren.” - -Fournier zag het en amuseerde er zich mee. - -„Ziezoo,” zei een der oud-gasten, een gewezen hoofdambtenaar, „nu -hebben we weer een voorstander der Indische belangen in het -Nederlandsche parlement.” - -„En ’n uitstekend redenaar,” voegde een ander er bij. - -„’t Spijt me,” antwoordde Fournier droogjes. „Men moet voor Indische -aangelegenheden niet te veel op mij rekenen.” - -„Maar m’n waarde heer, de groote belangen dier zoo talrijke inlandsche -bevolking.....” - -„Neen, toch niet. Ik denk niet, dat ik me veel moeite daarvoor geven -zal.” - -„Mijn God, hoe is het mogelijk! Iemand, die in Indië is geweest en dat -alles heeft aanschouwd.” - -„Nu ja, dat is zeer betrekkelijk. Ik heb op twee hoofdplaatsen gewoond. -Persoonlijk ben ik dus met de bevolking al heel weinig in aanraking -geweest, en ik heb ook nooit lust gevoeld verder met haar en haar -omstandigheden in aanraking te komen.” - -„En dat zegt een oud-ambtenaar bij de rechterlijke macht!” - -Het was Mourant, die het riep, met zijn armen theatraal omhoog, en zijn -neus en zijn buik in den wind. Fournier keek hem eens eventjes schuin -aan met een ironisch lachje. Welzeker, hij begreep dat volkomen! -Mourant zou het dadelijk gloeiend hebben opgenomen en nog opnemen voor -„den” Javaan, als dat hem aan zoo’n heerlijk plaatsje op het Binnenhof -kon helpen; hij zou hartroerende tooneelen schetsen met al het pathos, -waarover hij, bij gebrek aan beter, beschikte. - -„Ja, zie je,” voegde Fournier er droogjes bij, „het is nu juist niet -als ambtenaar bij de rechterlijke macht dat men sympathie krijgt voor -de inlandsche bevolking.” - -„Men ziet toch haar lijden onder den afschuwelijken toestand van -verdrukking en maatschappelijke ellende.” - -„Niet zoozeer..... Men ziet eigenlijk meer haar gemeenheid en haar door -en door leugenachtigen en verdorven aard.” - -„Leugenachtig, ja; maar kan dat anders, na zooveel jaren onderdrukking? -Wij moeten het volk de gelegenheid openen zich te ontwikkelen, -beschaafder en beter te worden.” - -„Ga gerust uw gang; ik doe er niet aan mee. Ik heb niet de minste -sympathie voor de bevolking. Gaarne erken ik, dat ik er weinig van weet -en niet veel meer van heb gezien, dan de slechte zijde.” - -„Let dan op de goede; let op den zachten, vredelievenden aard der -inlanders; op hun tevredenheid met weinig; hun berusting in het lot; -hun kinderlijken eenvoud.....” - -Fournier lachte. - -„Die laatste is heel aardig.” - -„Hoe dat?” - -„Ik begrijp niet hoe de menschen over zulke dingen kunnen spreken. Wat -volgens onze zeden zeer gemeen, verachtelijk, ja streng strafbaar voor -de wet zou zijn, is bij die lieden uiterst gewoon en geoorloofd; men -gaat nu zoover het bij hen „kinderlijk eenvoudig” te noemen.” - -„Het strookt met hun godsdienstige levensopvatting.” - -„’t Is wel mogelijk, ofschoon ze ook zonder die opvatting zoo handelen. -Ik zeg u nogmaals, dat de inlandsche bevolking mij hoegenaamd geen -belangstelling inboezemt.” - -„Maar dat volk....” - -„Het is niet eens ’n volk. Het is niets, eenvoudig niets. ’t Zijn een -troep individuën met begrippen omtrent het huisgezin, die meer -overeenkomst hebben met den toestand in een apen-kolonie of een -konijnenhol, dan met de onze. U moet me ’t niet kwalijk nemen, maar ik -weiger pertinent mij voor de bevolking in de Tweede Kamer in de bres te -stellen.” - -Zij keken elkaar teleurgesteld aan en schudden bedenkelijk de hoofden. - -Na een oogenblik van stilte vroeg Mourant: - -„En de toestand der Europeesche ingezetenen?” - -„Daar weet ik iets meer van,” antwoordde Fournier; „die toestand is -voor de particulieren niet gunstig, maar toch altijd nog gunstiger dan -hier.” - -„Gunstiger dan hier?” - -„Welzeker. In Indië komt men om fortuin te maken. Lukt dat niet, dan -beklaagt men zich bitter, al heeft men er ook een ruim en aangenaam -bestaan.” - -„U vergeet iets.” - -„En dat is?” - -„Tal van ondernemers hebben ontzettende verplichtingen, die hen drukken -en waaraan zij niet kunnen voldoen.” - -Een oogenblik kwam de advocaat geheel bij Fournier boven. - -„Och,” zei hij lachend, „dat is ook nog zoo kwaad niet; het beste -baantje in Indië is tegenwoordig landeigenaar te zijn met ’n paar -millioen hypotheek op z’n land; dan heeft men ’t beter, dan iemand -anders.” - -Zij schudden weer de hoofden en keken ernstig, afkeurend. - -„Wij hadden niet gedacht, dat u de belangrijke Indische aangelegenheden -zoudt belachelijk maken.” - -„Eigenlijk doe ik dat volstrekt niet.” - -„U doet feitelijk toch niets anders.” - -„Is het niet waar, wat ik zeg?” - -„Het is overdrijving; het is een caricatuur van de waarheid.” - -„Dat geef ik niet toe,” zei Fournier, die er een einde aan wilde maken, -geraakt. „Ik sta op een geheel vrij standpunt. Ik ben niet naar Indië -gegaan om een carrière of om fortuin te maken, en ik heb ook het een -noch het ander uit Indië teruggebracht. Trouwens, ik had er geen de -minste behoefte aan. Ik ben volstrekt niet tot lid der -Volksvertegenwoordiging gekozen als zoogenaamd „Indisch specialiteit”; -er is zelfs bij alles, wat mijn verkiezing voorafging, van mijn -verblijf in Indië alleen melding gemaakt door mijn tegenstanders, als -verwijt en verdachtmaking.” - -„Dat is niet de schuld van Indië.” - -„Ik weet het, maar permitteer mij, dat ik u voor eens en voor goed zeg, -dat ik als lid der Kamer met Indië volstrekt niets meer verkies te -maken te hebben, dan ieder gewoon lid.” - -Het was zeer beslist gezegd, zóó beslist, dat de heeren met groote -deftigheid, waarachter veel spijt en teleurstelling was verborgen, -opstonden, hun hoeden namen en heengingen. - -Hortense, die onder het gesprek even in de kamer was geweest, kwam -binnen toen ze hoorde, dat de bezoekers heengingen; dokter Van der -Linden was stil in een hoekje blijven zitten, bladerend in een album, -zonder zich met het discours in te laten. - -Fournier stond achter het groene staatsiegordijn en zag hen druk -pratend het plein oversteken. - -„Waar hadt jullie het over?” vroeg Hortense, terwijl ze bij hem kwam -staan en tegen hem aanleunde. - -„Och, ze wilden me in de Kamer voor hun Indische kliek winnen.” - -„Je hebt geweigerd?” - -„Zeker, ik heb er niets mee op, hoegenaamd.” - -„Wel, ik zou het toch maar gedaan hebben; het is altijd iets, en je -weet wel, die lui schrijven in couranten en tijdschriften—het is beter -hen te vriend te houden.” - -„Je hadt hen ten minste wel met ’n enkel woord aan het lijntje kunnen -houden; dat verbindt tot niets,” meende dokter Van der Linden. - -Fournier keek hem schuin aan en lachte. Die oude heer was ook een -beste! zoo cynisch mogelijk! - -„Och, ’t is beter zoo. Ze weten nu waarop het staat; ik ben nu ineens -van hun gezeur af, en van dat eeuwig gezanik over Indië; ze weten nu, -dat ik niet in hun kliek kom; ze kunnen daar nu boos om zijn, maar aan -den anderen kant zal het een goeden indruk maken.” - -Mourant, terugkomend bij Henriëtte, vertelde het haar met diepe -verontwaardiging. - -„Ik heb in Indië dikwijls hooren zeggen, dat hij heel knap was,” merkte -zij op. - -„Knap! Ja, ’t mocht wat!” - -„Nu, ’t is toch waar. Er werd altijd met den grootsten lof over hem -gesproken.” - -„Hij is een egoïst; door en door een egoïst!” - -„Zoo, dat wist ik niet.” - -„Hij is iemand,” ging Mourant declameerend voort, „van een slechte -cynische natuur; een man zonder hart en zonder gevoel.” - -„Och, wat? Hoe weet je dat allemaal?” - -„Wij hebben hem aangezocht om de belangen van Indië in de Kamer te -helpen verdedigen.” - -„En hij heeft geweigerd?” - -Mourant knikte met het hoofd en keek haar aan met ’t gezicht van -iemand, die verwacht, dat een ander verstomd zal staan. - -„Waarom heeft hij niet gewild?” - -„Och,” zei Mourant, de breede schouders ophalend, „om allerlei nonsense -redenen. Praatjes om zich er af te maken.” - -Henriëtte vond het niets aardig van Fournier. Waarom, dat wist ze zelve -niet, want van die „Indische aangelegenheden,” die in een Kamer worden -behandeld, begreep ze niets hoegenaamd. Maar hij had het toch, meende -ze, moeten doen al was het alleen maar voor de vrienden. - -„Hij is zeker trotsch geworden,” zei ze, „sedert hij geparenteerd is -aan die familie Riquelle.” - -„Best mogelijk.” - -„’t Is jammer Willem, dat jij niet gekozen bent. Zou dat nu met geld en -wat moeite niet te doen zijn?” - -Zijn gezicht betrok. - -„Nu niet; later misschien.” - -Zij had hem in zijn zwakke zijde getast. De helft van het hem nog -resteerende leven zou hij er voor hebben gegeven; maar hij wist wel, -dat het niet gelukken zou; in zoover sprak hij de waarheid, dat er nu -geen quaestie van wezen kon. - -Terwijl hij zoo somber voor zich uitkeek, nam zij hem aandachtig waar. -Inderdaad, hij werd er niet jonger op! Wat begon zijn hoofd kaal en ’t -overblijvend haar grijs te worden! Wat kreeg hij oude trekken in zijn -voorhoofd en zijn gezicht! Hoe sterk nam zijn corpulentie toe! Zou zij -aan dien man haar toekomst binden? Ze was jong, mooi en rijk. Aan -adspiranten zou het zeker niet ontbreken, dat vertelden haar honderden -mannenoogen op de straten en in de theaters. En ondanks alles, was ze -dan toch eigenlijk, als ze wilde, volkomen vrij! - -„Er is een geschikt oogenblik onbenut voorbijgegaan,” zei Mourant -zuchtend, maar toen hij Henriëtte aanzag, ging hem dat geschikte -oogenblik uit het hoofd. „Wat is er?” vroeg hij, kleurend van -verlegenheid—iets, dat hem in jaren niet was overkomen—om haar -zonderlinge gelaats-uitdrukking. - -„Er is niets. Ik dacht, dat het zoo jammer was.” - -„Wat?” - -„Wel, dat je niet eens kans zoudt hebben in de Kamer te komen.” - -„O, dàt zeg ik niet. Later....” - -Zij ging er niet verder op door. Later, dacht ze,—nu ja! Wat zou hij -dan een echte oude heer wezen! ’t Was niet voor het eerst, dat haar die -gedachte plaagde. Zij had de waarheid gesproken tegen mevrouw Mourant. -Thans zou ’t haar een halve ton waard zijn geweest den wettigen man -terug te geven aan de wettige vrouw. Maar daarvan kon in geen geval -quaestie wezen! - -Dien avond sprak Mourant aanhoudend over wat hij de gouden toekomst -noemde; hun huwelijk was thans een gebeurtenis in het verschiet, -waarvan men het tijdstip bijna met zekerheid kon bepalen. Hij was dien -dag nog vriendelijker en aardiger tegen de kinderen dan gewoonlijk. -Henriëtte gaf er zoo weinig mogelijk antwoord op. - -„Wat ben je stil, lieve!” zei hij ten slotte, haar naar hem -toetrekkende. „Je bent zeker niet in orde.” - -Zij liet toe, dat hij haar een kus gaf; meer ook niet. Zij wilde juist -lachend zeggen, dat ze zoo gezond was als een visch, toen hij -voortpratend, weer over hun huwelijk begon. - -„Ik heb den heelen dag al last van hoofdpijn.” - -„Nu!” zei hij triomfantelijk en als gerustgesteld: „nu, zie je wel! Dat -dacht ik al. Ik zou maar vroeg naar bed gaan.” - -Zij liet het zich geen tweemaal zeggen; zij kon nu eenmaal niet met hem -meepraten, en ze betwijfelde zeer of ze het wel ooit weer van harte zou -kunnen doen, als hij sprak over trouwen. - -Hoofdpijn had ze niet en slaap evenmin. Zij ontkleedde zich toch in -haar kamer, met het plan naar bed te gaan, denkende dat ze wel zou -inslapen. Half ontkleed ging ze zitten op een kleinen fauteuil in een -hoek der kamer. ’t Was zoo’n moeilijk geval! Hoe zou ze van hem -ontslagen raken; want dat het daartoe komen moest, stond thans bij haar -vast. Welk een berg van geweldige onaangenaamheden voor den voet! Er -was geen overkomen aan, en met de kleine hand voor de groote donkere -oogen en den elleboog op de leuning van den armstoel, zat ze stil na te -denken, nu en dan met een zucht het hoofd schuddend. Dat men toch -sommige dingen niet ongedaan kon maken! Met een lichte rilling van kou, -die kippevel joeg over haar bloote armen, stond ze op en kroop diep -onder de dekens in haar bed. Ze wilde er thans niet meer aan denken; ze -had den tijd en die geeft raad; het zou nooit gebeuren, nooit! - -Instinctmatig hield zij haar rol van half-zieke den volgenden dag tegen -Mourant vol, en naar de leerschool, die ze gedurende de ziekte van -Veninga had doorloopen, was ze knorrig en gemelijk. Hij deed zijn -uiterste best om haar ’t leven te veraangenamen; hij bracht cadeautjes -mee en fijne bonbons, waarvan hij wist dat ze veel hield, zich volkomen -onbewust van het feit, dat hij daardoor olie wierp op het vuur, dat -bezig was alle genegenheid voor hem te verteren. - -„Ik wou wel een beetje wandelen,” zei ze op een mooien middag, met -hetzelfde knorrige gezichtje der laatste dagen. - -„Uitstekend lieve! Willen we het Park eens ingaan?” - -„Och ja! Als ik maar wat frissche lucht krijg; ik word zoo akelig van -dat thuis zitten.” - -„Het is mijn schuld niet,” zei hij aarzelend. - -„Neen, dat weet ik ook wel.” - -„Komaan, laat ons dan gaan.” - -Toen ze zich kleedde in haar kamer, trok hij zijn bruine -glacé-handschoenen aan, streek zijn zijden cylinderhoed op en bekeek -zich met welgevallen in den spiegel; de gesloten jas sloot zonder -rimpel of plooi om zijn zware gestalte; hij was correct gekleed door -den besten tailleur van Brussel, en terwijl hij zichzelven monsterde -van top tot teen, streek hij met welgevallen zijn grijzende -bakkebaarden op, hoogst met zichzelven ingenomen. - -Een glimlachje gleed over het gelaat van Henriëtte, toen ze hem zóó -verraste. - -„Als je klaar bent?” vroeg ze spottend. - -Hij lachte en keek haar aan, alsof hij niets minder verwachtte dan een -woord van bewondering, dat echter niet volgde. Er waren niet veel -wandelaars in het Park; voor de Brusselaars was het de dag niet, noch -de tijd van den dag; slechts hier en daar kwam men een paar -vreemdelingen tegen of een bonne met spelende kindertjes. Zij hadden -een heel eind gewandeld, pratend over koetjes en kalfjes, en wilden -weer huiswaarts gaan, toen, bij het verlaten van het Park, een viertal -heeren hen aansprak. Het waren kennissen uit Indië. Er werden handjes -gegeven en vroolijke groeten gewisseld. Iedereen deed als wist hij van -den prins geen kwaad, en als was het volstrekt niets bijzonders, -Mourant en de weduwe Veninga samen daar te ontmoeten. Toch was het -Mourant hoogst onaangenaam, en hij was bang dat het Henriëtte, die ook -niet hield van die ontmoetingen, nog meer uit haar humeur zou helpen. - -„Blijven de heeren eenigen tijd hier?” vroeg zij aan den oudste van het -viertal, een onder den tropischen hemel grijs geworden maar goed -geconserveerd koopman. - -„We stellen ons voor, hier ’n dag of veertien te vertoeven.” - -„Wel dat doet me genoegen. Weest dan morgen mijn gasten.” - -Een oogenblik keken ze elkaar verbaasd en besluiteloos aan. - -„Met heel veel pleizier.... als we u ten minste niet derangeeren.” - -„Volstrekt niet! Hier,” ging ze voort, eenigszins zenuwachtig een -kaartje nemend uit een kleine blauwzwarte portefeuille, „hier is mijn -adres.” - -Mourant wist niet hoe hij het had; hij kon goedschiks niets zeggen, -maar hij verbeet zich van spijt. - -„Ik begrijp je volstrekt niet,” zei hij, toen het viertal onder veel -buigingen en hoedzwaaien het Park was ingegaan. - -„Zoo! ’t Is mogelijk.” - -„Sedert verscheiden dagen ben je onwel en klaagt aanhoudend over -hoofdpijn.” - -„’n Reden te meer.” - -„Maar lieve Jet, hoe kan je nu toch zoo tegen jezelve zijn?” - -„Wat, tegen mijzelve? Ik ben tegen niets, maar ik wil eens ’n paar -menschen aan mijn tafel zien.” - -„Het is nog zoo lang niet geleden, dat je daar veel op tegen hadt.” - -Ongeduldig haalde ze de schouders op. - -„Dan ben ik sedert veranderd; dat is alles.” - -Mourant ontstelde er van in allen ernst, en hij keek haar oplettend, -haast angstig aan. Zóó had zij nog nooit tegen hem gesproken. - -„Ik gun je immers gaarne elk genoegen,” zei hij zacht. - -„Dat merk ik! We ontmoeten ’n paar kennissen van vroeger, die hier -vreemd zijn; ik vraag hen te dineeren, en je staat er bij met ’n -verstoord gezicht; nauwelijks zijn ze weg of je begint aanmerkingen te -maken. Denk je misschien dat dit aangenaam is?” - -„Ik zal geen aanmerkingen meer maken,” antwoordde hij met een soort van -sombere theatrale onderwerping, maar onwillekeurig dacht hij aan zijn -vrouw, die nooit gasten zou geïnviteerd hebben, zonder hem vooraf te -vragen of hij het goed vond. Nu ja, maar dat was ook iets anders. - -’s Avonds in hun hotel, toen ze terugkeerden uit den schouwburg, zaten -de vier Indische heeren nog een oogenblik bij elkaar een glas grog te -drinken voor ze hun kamers zochten. Slechts twee hoorden bij elkaar: de -koopman Van Namen en zijn neef Jules, die administrateur was van een -land; de twee andere heeren waren ambtenaren met verlof, die elkaar en -de anderen toevallig in het hotel te Brussel hadden ontmoet. - -„Ik sta nog verbaasd, als ik denk aan die invitatie van mevrouw -Veninga.” - -„Eigenlijk,” zei een der ambtenaren, „had ik ze liever niet aangenomen. -De scheeve verhouding tusschen haar en Mourant is zoo algemeen bekend. -’t Gaat alles zoo ontzettend openlijk.” - -„Och, hier te Brussel is het wel aardig,” meende Van Namen. „Bovendien: -men behoeft als man zulke dingen niet te weten, als men niet wil.” - -„’t Is waar! Ik vind het verbazend jammer. ’t Is een eeuwig mooi -vrouwtje,” vond Jules. - -„’t Is een beeldje. Trouwens, Mourant is wel veel ouder, maar hij is -nog een verduiveld kranige kerel.” - -„Wat was hij tiré à quatre!” - -„Asjeblieft. Nu, het is de moeite waard.” - -„Men zei in Den Haag, dat hij van z’n vrouw ging scheiden, nietwaar?” - -„Ja,” bevestigde Van Namen; „ze heeft toegestemd.” - -„Zoo’n bofferd!” liet Jules zich ontvallen. - -Ze lachten allen luid. - -„Je bent, hoop ik, niet van haar gecharmeerd?” - -„Neen, God! Daar is wel geen quaestie van. Maar ik vond het toch -jammer. ’t Is zonde. En Mourant vind ik in elk geval ’n ploert.” - -Daar kreeg men bijna standjes om; die uitdrukking was te kras en men -redeneerde en twistte er over nog wel een uur lang. - -Henriëtte had den volgenden dag geen hoofdpijn; zij was de -bedrijvigheid zelve. Het zilver, dat reeds lang in de étuis stil had -gesluimerd, moest voor den dag gehaald en gepoetst worden. - -Den heelen dag bleef Mourant bij haar. Hij was nu met het diner -verzoend. Het mocht dan een tinka wezen, maar die had het dadelijk -aangenaam gevolg, dat zij niet zoo knorrig en uit haar humeur was als -anders. - -„Wil je wat voor me doen?” vroeg ze. - -„Heel graag; als je maar zegt wat.” - -„Ik heb ’n paar dingen te bestellen bij den confiseur.” - -„Met genoegen, ik zal er dadelijk heengaan.” - -Zijn bereidwilligheid tot het doen van voor een heer toch altijd minder -aangename boodschappen, stemde haar zacht, en ze glimlachte tegen hem, -wat ze in geen dagen had gedaan. - -Het verrukte hem en met een groot air van gewicht luisterde hij naar -haar bestellingen en noteerde ze in zijn zakboekje. - -’t Gaf voor ’t oogenblik een zekere vertrouwelijkheid tusschen hen, -waarin Mourant een innig behagen schepte. - -De gasten kwamen prompt op tijd. - -Mourant kreeg een plaats aan het andere smalle eind der tafel tegenover -Henriëtte, maar ver af. Naast hem zaten Van Namen en de oudste der twee -ambtenaren. Jules en de jongste zaten bij Henriëtte. - -„Ik heb het zóó gerangschikt,” zei Henriëtte toen ieder op zijn bord -naar zijn kaartje keek, „omdat ik weet dat de heeren graag over -politiek praten, en daar begrijp ik niets van.” - -„Mogen we u daarmee niet lastig vallen?” vroeg Jules. - -Verrast keek Henriëtte hem aan. Hij was een mooie indo-Europeaan. In -Indië zou hij niet de aandacht hebben getrokken, want daar is zijn type -niet meer dan gewoon. Maar in die Europeesche omgeving maakten zijn -lichtbruine huidskleur, zijn blauwzwarte haren en groote, sombere oogen -een bijzonder effect; ’t was hetzelfde van Louise Van der Linden en -hetzelfde ook van Henriëtte. - -„Ik wist niet dat zulke jongelui zich daar ook mee ophielden.” - -„Ah, dat is te zeggen: niet als staatkunde. Er is toch nog een andere -beteekenis voor „politiek”.” - -„Hij bedoelt „sleem” of „pienter”,” zei een der ambtenaren. - -Doch bij Jules en Henriëtte viel die aardigheid geheel in het water. -Het ergerde hun. Eigenlijk konden ze in het geheel niet hooren, dat die -pur sang Hollanders altijd flauwe aardigheden debiteerden op de manier -van spreken der Indische lui; het was dan toch ook wat,—de manier -waarop de meesten zich in hun eigen taal uitdrukten, en waarbij ze zich -vaak met vloeken, herhalingen en interjecties moesten opzweepen om hun -denkbeelden in niet al te verkeerden vorm onder woorden te brengen! - -„Och!” zei Henriëtte glimlachend: „waar zoo’n politiek onder ons toe -dienen zou, begrijp ik niet.” - -„Die is altijd goed!” riep Mourant luid, zich buigend over zijn bord en -haar aankijkend. - -Eigenlijk had hij over die eigenwijze regeling van de tafel geweldig -het land. - -„Ik heb wel eens gehoord,” zei Jules zacht tegen Henriëtte, „dat het -soms heel gevaarlijk is politiek met de dames om te gaan.” - -„’t Hangt er van af.” - -„Dat bedoelde ik ook. Men zegt dat de dames liever oprechtheid zien, -dan geslepenheid.” - -„Ja! Ik althans. Als iemand openhartig is, weet men ten minste dat hij -het meent.” - -Het eten was uitmuntend en Henriëttes rechterbuurman zat in stilte te -genieten. - -„Die schotel, mevrouw,” zei hij met een zucht van innige voldaanheid, -„was een gedicht.” - -Toen Mourant op zijn woorden geen repliek kreeg en daarvan zelfs geen -oogenblik notitie was genomen, keek hij met opgetrokken wenkbrauwen en -een teleurgesteld gezicht naar de overzijde. Wat zaten die twee nu -zacht te spreken met elkaar! Zoo’n onbeduidende sinjo! Hoe dwaas van -haar om hem tot buurman te nemen, in plaats van Van Namen. ’t Was zelfs -onbeleefd; de oudste der gasten behoorde aan haar rechterhand te -zitten. - -’t Werd bij het dessert nog erger. - -De goede wijn had zijn effect gedaan en spraakzamer gemaakt. Er werd -aan den kant van Henriëtte druk gepraat en gelachen. Jules had, schoon -vruchteloos, getracht een telegraphische communicatie onder de tafel -tot stand te brengen, wat hem niet gelukt was. Hij had ook gezien, dat -zijn poging als brutaal en ongepast werd beschouwd, en haar daarom niet -herhaald. ’t Verwonderde hem. Een vrouwtje met haar antecedenten mocht -waarlijk zoo kleinzeerig niet zijn. Zij had, toen hij ’t niet -herhaalde, verder ook niets laten blijken. Haar ééne vragende blik was -genoeg geweest. Zij praatte en lachte nu weer voort, inwendig verheugd -over de verlegenheid van den jongen man, toen haar oogen hem hadden -gevraagd of ’t hem wellicht mangelde in zijn bovenverdieping. - -Bij de havana na het dessert stond Henriëtte op en de heeren ook; zij -zouden rooken in een andere kamer, die uitkwam op den tuin met -balkonvensters. Voordat Mourant den tijd had er iets aan te doen, stond -Henriëtte met Jules op een der kleine balkons te kijken naar het fraai, -maar bekrompen en ommuurd tuintje, dat er in den helderen maneschijn en -tegen de zwarte schaduwen der gebouwen tooverachtig uitzag. - -En hij kon maar niet los komen van Van Namen, die, waarschijnlijk ook -door den wijn op dreef geraakt, hem midden in het vertrek aan den praat -hield en zelfs een knoop van zijn jas had gegrepen om hem niet te laten -ontsnappen. - -Mourant stond op heete kolen, toen hij het tweetal achter de rood -damasten gordijnen zag verdwijnen. - -„Vindt je het niet benauwd in de kamer?” vroeg hij met een poging om -den knoop van zijn jas vrij te werken. - -Maar Van Namen liet niet los. Als hij een goed glas wijn had gedronken, -was hij verschrikkelijk à cheval op politiek gebied. Nu was de wijn, -die Henriëtte had doen schenken, uitmuntend, en Van Namen had hem niet -gespaard. - -„Wij moeten het liberale beginsel niet loslaten,” vervolgde hij in -extase en met half gesloten oogen. - -„Juist; maar we moesten niet zoo onder die warme gaslamp blijven -staan,” meende Mourant, terwijl hij zich het zweet van zijn breed -voorhoofd wischte. - -„Welke ook haar gebreken zijn geweest,” ging Van Namen voort; „welke -verwijten men ook der liberale partij naar het hoofd slingere,—zij -heeft goed gedaan. Het had meer, het had beter kunnen zijn.....” - -„Zeg, laat ons nu op ’t balkon gaan; daar kunnen we net zoo goed praten -als hier.” - -„Het is waar; het had meer kunnen zijn en beter.....” - -„Kom, ga nu toch mee, Van Namen!” - -Hij zei het heel ongeduldig; hij hoorde ’t zilverlachje van Henriëtte -in een duo met den jeugdigen barytonlach van Jules, en dat joeg hem -gruwelijk het land op. - -„Het had vooral meer en beter moeten zijn voor Indië. Toch moet men in -zijn afkeuring en critiek niet te ver gaan. Men moet niet loslaten wat -men verkreeg na zoo veel moeite; vasthouden moet men aan zijn -principes.” - -En Van Namen kneep en schudde den knoop van de jas van Mourant, als -ware het voorwerp de incarnatie van het liberaal beginsel en ook kneep -hij zijn eigen oogen dichter dan te voren, om geen afleiding te geven -aan zijn politieken gedachtenloop. En Mourant keek wanhopig naar de -breede plooien in de zware stoffage der gordijnen, waarachter Henriëtte -op het plafond stond met Jules. - -„Ja, ja,” zei hij diep zuchtend. „Maar kom nu mee naar buiten; het is -hier zoo benauwd.” - -Hij trachtte hem bij den arm mee te troonen, maar dat ging zoo -gemakkelijk niet. - -Van Namen bespeurde het nauwelijks. - -„Zeker,” zei hij, „ik ga mee; maar ik wou nog dit zeggen: In Indië zijn -er veel, die de liberale partij willen loslaten, heelemaal loslaten, -omdat zij te weinig voor Indië deed; dáár kom ik tegen op; ik zal in -den breede en punt voor punt aantoonen.....” - -Het was niets. Er gebeurde achter de gordijnen, op het balkon, in het -geheel niets. Hoe kon dat ook? Op het balkon, er vlak naast, stonden de -twee verlofgangers, en men kon elkaar duidelijk zien, want donker was -het niet. - -Toch was het Mourant of hij het geluid hoorde van een kus. ’t Bloed -steeg hem naar het hoofd; hij greep in zijn zak, opende een klein -scherp mesje en sneed zonder aarzelen den knoop van zijn jas, waaraan -Van Namen hem vasthield. - -O, ’t was een gezicht voor hem, toen hij de gordijnen wegschoof! Zij -lag over de balustrade gebogen, leunend op den eenen arm en haar mooi -gezichtje omhooggekeerd naar Jules, die op de balustrade zat. Henriëtte -zag wel aan het invallend licht, dat er iemand naar buiten trad, en ze -begreep volkomen wie; maar ze deed alsof ze niets bemerkte en Jules, -die zoo’n ongunstige opinie had over Mourant, vond het, toen hij dat -gewaarwerd, volmaakt overbodig de tegenwoordigheid van Mourant door -woord of gebaar te constateeren. - -En achter hem hoorde Mourant de stem van Van Namen.... „differentiëele -rechten”.... „vermindering van gedwongen diensten”..... „mildere -bepalingen op de cultures”..... „Ha, ha!” - -Van Namen had na een paar oogenblikken doorpratens de oogen geopend en -schaterde van het lachen toen hij „de grap” ontdekte. Hij liep naar -Mourant, dien hij tusschen de gordijnen zag staan. - -„Jou oude grappenmaker!” riep hij, hem op den schouder slaande. „Daar -heb je me origineel te pakken gehad!” - -Henriëtte wendde zich om. Mourant kreeg een schok door dat „oude -grappenmaker”. ’t Kwam zoo in ’t geheel niet bij de gelegenheid te pas. -Van Namen vertelde lachend de geschiedenis van den knoop, en allen -lachten mee. Henriëtte keek hem zelfs wat vriendelijker aan; het was -toch alleraardigst gevonden, dacht ze. - -„Ja, ja!” riep Van Namen. „Hij is goed, hij is goed! Een vos verliest -zijn haren wel, maar niet zijn streken.” - -’t Pas opgeklaarde gezicht van Mourant betrok weer geweldig; dàt was -nummer twee! Op welke wijzen zou hij nog meer moeten hooren, dat hij -niet jong meer was? - -„Je oom werd zoo zwaar op de hand,” zei hij tegen Jules. - -„Ja, dat overkomt hem wel eens.” - -„We stonden net onder de kroon; ’t was er ontzettend warm.” - -„Ik kan ’t me voorstellen.” - -Er rees een gevoel van haat op in Mourant, dat voelde hij. Die korte -antwoorden op zoo’n koelen toon kende hij; het waren zooveel -verzekeringen, dat de aangesproken persoon liever niets wilde te maken -hebben met hem, die ’t gesprek begon. En dan zoo’n kwajongen! Zoo’n -sinjo! - -„Het is hier heerlijk,” zei Mourant tot Henriëtte. - -„Zoo?” vroeg zij met een spottende stemmodulatie. „Ja, dat hebben -meneer Jules en ik dadelijk opgemerkt. Je bent echter de eerste, die -het zegt.” - -Mourant had het kunnen beschouwen als een verzoek om heen te gaan. In -elk ander geval zou hij, beleedigd en gekrenkt, zich hebben -teruggetrokken. Hij kwam zich mengen in het gesprek tusschen een heer -en een dame; beiden toonden vrij onbewimpeld door hun antwoorden dat -zij van den derden man niet waren gediend. - -Doch hij had geen hart meer, als man. Jules, die jong was, dacht: „als -ze mij zoo geantwoord had, zou ik zijn heengegaan.” De liefde van -Mourant verschilde veel in jaren; zij maakte hem niet toornig of -verontwaardigd bij een openlijke vernedering, maar onderworpen en laf. - -In plaats van heen te gaan, trad hij ook op het balkon en ging aan den -anderen kant der balustrade naast Henriëtte zitten. - -„Wees maar voorzichtig,” zei ze. - -„Ik zal er niet afvallen. Was je daar bang voor?” - -„Neen. Verbeeld je! Maar de maan komt door, en ’t waait nogal.” - -Hij zette zijn borst hoog op en zijn breede schouders uit. - -„Ik kan er tegen.” - -„Nu ja! Je bent dadelijk verkouden! Hebt u daar ook zooveel last van, -meneer Jules?” - -„’n Enkelen keer,” zei Jules. - -„Dus toch wel?” - -„Zooals ik zeg: ik ben ’n paar maal ’t slachtoffer geweest.” - -Het trof haar, dat hij niet blufte, en ’t deed Mourant genoegen, die -door de heeren van het andere balkon werd aangeroepen. - -„Waarom hebt u me niet geholpen, meneer Mourant ’n beetje te plagen?” -vroeg zij zacht en vroolijk. - -Jules trok driftig de schouders op. - -„Hoe minder ik met hem in aanraking kom, hoe liever.” - -„Och kom?” - -„Ik vind den man in ’t geheel niet de moeite waard.” - -„In welk opzicht?” - -„In elk opzicht. Ik vind hem over ’t algemeen....” - -„Sst!” - -Hij begon hoe langer hoe luider te spreken, zooals iemand doet, die -onaangenaamheden zoekt; toen zij hem het zwijgen oplei, hield hij stil. -Henriëtte ging terug naar de kamer en Jules, dien zij met haar waaier -gewenkt had, volgde haar. - -’t Ging Mourant door merg en been; hij moest met de anderen praten, en -hoorde en zag Henriëtte en Jules het balkon verlaten, die hem heel -gewoon lieten staan. ’t Maakte hem zenuwachtig en overviel hem als een -voorgevoel. Toen het gesprek uit was, ging hij ook de kamer in, -trachtte zich een houding te geven, zette zijn lorgnet op, en -rondkijkend uit de hoogte, met kleine pasjes draaiend op zijn hielen, -dreef hij naar den kant, waar Jules en Henriëtte zaten in een tête à -tête. - -„Foei, meneer Jules,” had ze gezegd. „Het is volstrekt niet aardig van -u, ons genoegen te bederven.” - -„Het spijt me, maar het is uw schuld. Ik kan nu eenmaal dien Mourant -niet dulden. Ik vind hem.... ik.... Permitteer me, dat ik maar niets -zeg.” - -Zij zuchtte, keek naar de punten harer goudleeren schoentjes en tikte -daar zacht op met haar waaier. - -„Indien ik het had geweten....” - -„Dan zoudt u mij niet mee hebben gevraagd! Wel, daar zoudt u gelijk aan -hebben gehad.” - -„Dat niet.... Ik zou het anders geregeld hebben.” - -„U zoudt hem toch niet hebben uitgesloten?” - -„Waarom niet?” - -Verlegen draaide hij aan zijn zwart kneveltje, dat met jeugdigen -overmoed twee spitse punten à crocs droeg. - -Zij zag hem vlak in het gezicht, en hij vermeed dien blik; ’t was een -pijnlijk moment voor hem. - -„U zult me ’t genoegen wel willen doen er niet verder over te spreken.” - -„Soedah!” zei ze met een zucht. „Het is ook de tijd noch de plaats. ’n -Andermaal.” - -„Heel graag, als u wilt. Waar en wanneer?” - -„Ik weet het nog niet; wij zullen zien.” - -„Daar komt-ie weer aan,” bromde Jules nijdig, toen Mourant langzaam -optrad. „Ik zal maar bij de anderen gaan.” - -„Blijf liever. Ik heb mijn reden om meneer Mourant zoo weinig mogelijk -te woord te staan.” - -„Ik heb een geldiger reden: ik haat hem! ik zou,” ging Jules weer -driftig voort en de Europeesche taalvormen uit het oog verliezend, „ik -zou hem met pleizier ’n pak rammeling geven.” - -„’n Pak rammeling?” vroeg zij lachend en Jules, die nu snapte dat hij -zich Indisch versproken had, lachte mee. - -Mourant kwam dichterbij. Jules keek naar hem uit de hoeken zijner -oogen, nijdig, moorddadig, wat men noemt „gemeen”. - -Gelukkig kwamen de anderen ook binnen. - -„Zullen de heeren niet ’n partijtje maken?” vroeg Henriëtte. - -Ja, dat wilden de heeren. Zij wilden whisten; Mourant kon zich er niet -aan onttrekken; Jules bedankte en de gastvrouw verklaarde met een -vriendelijk lachje, dat ze in ’t geheel geen esprit de jeu had; het -beviel Van Namen en de twee anderen uitstekend; ze kregen hun cognac -met gefrappeerd apollinaris-water, net als in Indië, en het amuseerde -hen kostelijk dat Mourant zoo’n geweldig koopje snapte, en dom genoeg -was duidelijk te laten blijken hoe hij uit zijn humeur geraakte. De -eerste vijf minuten bleven „de jongelui”, zooals Van Namen niet zonder -ironie had gezegd, bij het spel staan kijken; daarna gingen ze weer een -luchtje scheppen en toen begon Mourant volgens zijn partner te spelen -„als een schutter.” - -En hij verloor! - -Lachend was bepaald dat men zou spelen tot een gewoon Indisch tarief -onder whistende heeren: een kwartje het punt; maar als Mourant’s -partner het van te voren had geweten,—nu, hij zou dan hebben -voorgesteld tegen Hollandsch tarief te spelen! - -Toen ze gedaan hadden, stond Mourant minus acht en zestig. - -„Ongelukkig in het spel,” zei Van Namen, „gelukkig in de liefde.” - -Mourant trok zijn beurs met een pijnlijken trek op ’t gezicht. Het was -hem in den tegenwoordigen tijd werkelijk niet zoo onverschillig of hij -een bankje verloor of niet; het leven kostte hem veel en zijn inkomen -werd steeds kleiner. Geen Indisch finantiëel bankroetje of hij pikte -een vorkje mee. - -„Acht en zestig kwartjes, dat is precies zeventien pop,” zei Van Namen -lachend, terwijl hij de hand ophield. - -Men sprak nog, na het spel, een half uurtje. Welstaanshalve ging -Mourant een eindje met de heeren mee; hij sloeg een dwarsstraat in en -kwam met een omweg weer bij het huis terug; hij beproefde met een -sleutel de deur te openen, maar die was van binnen gegrendeld; de meid, -die nog aan het wegruimen was, keek uit een venster boven de deur, en -vroeg hem wat hij verlangde, er in plat Brusselsch Fransch bijvoegend, -dat mevrouw reeds sliep. - -Een onverstaanbaar antwoord brommende, ging hij heen; zijn -gemoedsstemming was verschrikkelijk. Zij hield dus niet meer van hem; -hij had uitgediend; hij kon gaan! Hij kon zoo dadelijk niet naar zijn -logement terug; hij had behoefte aan beweging en terwijl de mist, die -in den laten avond was komen opzetten, dikker werd en meer en meer den -omtrek beperkte van het licht der straatlantaarns, was het of zijn -stemming daalde. Daar zonk zijn schoone droom weg in den muisgrijzen -nevel. Een mooie jonge vrouw en de twee ton van Veninga! Daar had hij -zóó veel voor gestreden! ’t Was haast onmogelijk. En zijn persoonlijke -ijdelheid kwam boven. Hij zou het dan toch nog eerst moeten zien! Zij -was immers aan hem verbonden door dien eenen zonder vergunning gesmeden -band! Zij was zijn vrouw! En bovendien: hij was de beheerder van het -vermogen: executeur-testamentair, voogd.... Maar jawel! Al de ophef -over die macht waren maar praatjes van onervaren roman-schrijvers, -speculanten op geheimpjes-theorieën. Hier was immers niets geheim! -Iedereen wist het en dat maakte het als wapen krachteloos. Hij kon er -niemand mee verwonden, dan zichzelven, want hij kon niemand iets nieuws -vertellen, en het eenige zou zijn, dat men van hem ging zeggen: hoe -gemeen! - -En dan dat executeurschap, die voogdij! - -Neen, dat gaf alles niets, niets, volstrekt niets. - -Met geweld en dreigementen viel niets te doen; misschien met list, -zachtheid en overreding. Zuchtend besloot hij zich dat te probeeren. -Als die Indische lummel maar weg was! - -Doch toen hij den volgenden dag, na een nacht half slapeloos en voor de -rest in nare droomen doorgebracht, op weg was naar Henriëtte, tamelijk -opgewekt omdat hij een goed doordacht plan had beraamd, liep de gal -dadelijk bij hem over en verzwolg zijn goed humeur, toen hij Jules, den -Indischen lummel, bij het omslaan van een hoek plotseling te paard voor -zich uit zag rijden. Dat ging natuurlijk het huis voorbij! Mourant -hield zijn schreden in, minachtend grijnslachend toen hij zag hoe Jules -trachtte den Engelschen vos te laten tandakken; hij liep dicht tegen de -huizen aan den kant waar Henriëtte woonde, zoodat zij hem niet kon zien -aankomen. Welzeker! Voor het huis keek Jules naar boven, groette met -een buiging en een sierlijken coup de chapeau, glimlachte, zijn -glinsterend witte tanden toonend, en groette met de rijzweep. - -Het was hem, Mourant, toch te machtig. - -Hij versnelde onwillekeurig den pas; dat zou hij haar betaald zetten; -zijn oogen glinsterden toornig onder de gefronste wenkbrauwen en zijn -eenigszins grauwe gelaatskleur werd rood. Plotseling stond hij -verschrikt stil. De meid, de Brusselsche meid, die hem den vorigen -avond op zoo’n eigenaardigen toon had gezegd, dat mevrouw reeds sliep, -kwam met een koket, schoon mutsje en een tablier met een hartvormig -verlengstuk boven den band naar buiten trippelen; hij was overtuigd, -dat ze hem opmerkte, maar zij deed of ze hem niet zag en liep met een -trippelpasje in de richting, die Jules uitging. Mourant volgde haar, -hij wist eigenlijk zelf niet waarom. In een andere straat zag hij dat -de meid stevig aanstapte, den ruiter, die stapvoets reed, opzij kwam en -wenkte; hij kwam langs het trottoir en.... zij gaf hem een briefje. - -Mourant dacht dat hij door den grond zonk. - -Hij had wel voorondersteld dat de meid, omgekocht door „dien sinjo”, -een briefje van hem in ontvangst zou nemen voor Henriëtte, en hij was -het reeds met zichzelven eens over de beste manier om haar dat afhandig -te maken. - -Doch dàt was iets.... - -Een oogenblik sprak Jules met ’t meisje, dat erg draaide, en wiegde met -hoofd en heupen, en koketteerde met gemaakte rollende lachjes en -grooten oogopslag; hij wendde zich zijwaarts om op het paard en kreeg, -toevallig naar het scheen, Mourant in het oog. - -Doch ’t was niet toevallig. - -„Wil ik u wat zeggen?” had de meid gevraagd. - -„Nu, lief kind, zeg eens op.” - -„Le vieux komt achter me aan.” - -„Allons donc!” - -„Op mijn woord van eer. Nu staat hij stil. Kunt u niet eens rechts op -zij kijken?” - -Dat deed hij, en toen hij Mourant zag, deed hij zijn best om op zijn -paard een uitdagende houding aan te nemen, hetgeen Mourant, die veinsde -naar het venster van een comestibles-magazijn te kijken, ontging. - - - „Cor-lief! Je zult wel erg nijdig op me zijn, omdat ik je zoo lang - op een brief heb laten wachten. Ik beken schuld, maar als je alles - weet, zal je me vergeven. Ik ben geëngageerd, weet-je? Jij bent - zoo’n goeie, dikke gans! Hadt ge maar gedaan, zooals ik, dan deedt - ge nu zeker ook een goed huwelijk, want je bent knap genoeg, dat is - zeker. Hij is luitenant, Cor, dus word ik ook weer een - officiersvrouw, weet-je, en zijn naam is Roozendoorn (Pierre Jean). - Een mooie naam, ja? Erg lief: mevrouw Roozendoorn; net een naam om - in een tuin te gaan zitten. Hij is heel knap en flink, en ook erg - goed. Hij heeft blauwe oogen, groote, zoowat net als pa, maar die - zwemmen zoo door het vele drinken. De zijne niet, die zijn heel - helder. Hij heeft ook een blonden knevel en zijn neus gaat een - beetje in de hoogte, een heel klein beetje maar, net als die van - jou en van dat jongemensch, je-weet-wel! die altijd om ’t hoekje - stond te wachten en zulke gekke dingen schreef. Pierre is een best - mensch; je kunt je niet begrijpen hoe goed en knap hij is. Ik houd - heel veel van hem en hij is al nummer negentig op de ranglijst van - de tweede luitenants. Hij is veel knapper dan papa ooit was en hij - zal het zeker ook veel verder brengen in de wereld. Ik hoorde aan - boord hem wel eens praten met de andere officieren over allerlei - dingen, waarvan ik niets begreep en die ik zeker weet dat papa ook - niet zou begrijpen. Hoe maakt hij het? Hoe gaat het met het - ongelukkige drinken? Het is verschrikkelijk Cor, dat je zoo dom - hebt kunnen zijn. - - „Was je toch in ’s hemels naam maar met me meegegaan. Ik maak me - soms zoo ongerust over je, dat ik zit te huilen. Ja, ik ken je door - en door en ik weet hoe lobbesachtig en zwak je bent en hoe er maar - weinig noodig is om je te verslingeren. En nu vooral Cor, wees - voorzichtig, ja? Als ik nu eens mevrouw Roozendoorn ben en jij past - niet goed op, dat zou dan toch erg onpleizierig voor me zijn. Aan - boord, weet je, zat hij me altijd te plagen. Ze hadden er allemaal - schik in. Een Duitsche dokter zei iets van liepzig nekzig, waarom - ze allen erg lachten; ik zette een leuk gezicht, weet-je, maar ik - begreep er niets van en ik weet het nog niet, want bij de familie, - waar ik hier tijdelijk woon tot Pierre en ik getrouwd zijn, is geen - enkel boek. Laat pa toch haast maken met de stukken. Pierre zal wel - naar Atjeh moeten en wij zouden zoo graag trouwen vóór dien tijd. - Je kunt nooit weten, nietwaar! Hij wil me dan hier laten, maar we - zullen elkaar nog wel eens nader spreken. Ik ga mee, zeg! Hier is - wat geld voor de kinderen; ik heb het mijne nu haast niet noodig en - ik weet, dat jij het best kan gebruiken. Hoe is het er mee? Zijn - het nog zulke bengels? Ga jij ’s avonds nog wel eens loopen? Gunst, - Cor, wees toch voorzichtig. Ik had maar het liefst dat je naar hier - kwam. Toen we te Batavia aan wal gingen, wist ik heusch niet dat - Pierre verliefd op me was. In geen drie weken liet hij iets van - zich hooren en ik was hem heusch heelemaal, of ten minste heel erg - vergeten; op een avond komt hij ineens en vraagt me te spreken en - hij begint erg gauw te praten, gauw en onduidelijk. Maar ik - verstond het heel goed, zie je, en ik geloof toch, dat ik toen al - wat van hem hield; sedikit, ja! maar nu heel, heel veel! Die twee - japonnen hoef je niet op te zenden, Cor. Houd jij die maar; als ze - je te nauw zijn, leg je ze maar wat uit. Ik heb altijd op den groei - gerekend; dat was maar zaak. Dat het hier warm is, weet je nog wel. - Maar lekker toch! Ik had den eersten dag den beste een gevoel of ik - hier nooit vandaan ben geweest. Nu, dag lieve Cor—soedah! ik huil - alweer. Grappig, ja! Ik wou dat je ook hier waart. We zijn altijd - zoo samen geweest van kleins af! Schrijf me gauw en wees hartelijk - omhelsd door je liefh. - - Nelly. - - - P.S. Ook Pierre laat je groeten, schoon onbekend. Betaal ook dat - ringetje, je-weet-wel, bij den goudsmid.” - - -Corrie huilde ook. Tranen als knikkers rolden langs haar dikke wangen. -Het ging zoo slecht! Met de kinderen schikte het nogal,—maar papa was -door den drank geheel gedemoraliseerd. Zij had hem in ’t huisgezin niet -willen verlaten en spijt had ze er eigenlijk niet van, dat ze gebleven -was, want het scheen haar altijd toe, dat ze er haar moeder een grooten -dienst mede deed, wat haar troostte en geduldig maakte. - -In het eerst had Roos hoog opgegeven van de liefde zijner dochter -Corrie, die hem niet wilde verlaten; maar zijn met elke maand als het -ware toenemende dronkenschap wischte den indruk van het blijven der -eene en het heengaan der andere spoedig uit. Tegenwoordig was hij -onhandelbaar. Sedert Nelly hem niet meer onder den duim had, was hij -aan het uitdeelen van klappen geraakt en de minste aanleiding kon nu -voldoende zijn om hem den rotting te doen zwaaien, die dan -onverbiddelijk op de dikke schouders van Corrie neerkwam. Zij was boos -op hem en had een hekel aan hem gekregen. Dikwerf zei ze tot de -juffrouw, die boven woonde, dat ze zou wegloopen, als ze dat niet liet -om de kinderen. En de juffrouw had verontwaardigd gezegd, dat, als zij -het weer hoorde, zij er eens bij zou komen. - -Zij hoorde hem ’t huis binnenkomen; hij zong. - -„Ik heb,” zei hij met zware tong, „iets lekkers voor je meegebracht; -iets fijns. Maraskino di Zara.... paperlapa! Wat zeg je er van?” - -Zij nam het zwijgend aan. ’t Kon haar niet schelen. Ze hield niet van -wijn of likeur, maar ze maakte het in een mandje gevlochten fleschje -open en dronk een klein glaasje om hem te voldoen. - -„Het is op de gezondheid van onze Nel en haar aanstaanden man. Ja, dat -is altijd ’n ferme meid geweest! Die wist van aanpakken, weet-je! Ze is -nu toch maar weer het eerste getrouwd. Ja, te duivel, ’t was altijd ’n -aardig kind.” - -De herinnering aan Nelly deed hem aan, en dat deed hem weer meer -drinken. Nu en dan stamelde hij enkele woorden en dronk dan weer een -groot glas jenever en zweeg. - -Zijn dochter liet hem stil zitten; de kinderen, die eerst een beetje -erg levendig waren geweest, had hij weggevloekt, dreigende met zijn -rotting. Zij waren naar de keuken gevlucht, waar Corrie hun een -boterham sneed, die ze staande opaten van de groezelige aanrechtbank, -met een glas water uit het kraantje der leiding. - -Stil hielp zij de kinderen daarna te bed, nog altijd denkend aan den -brief van Nelly en aan Indië. Ja, het was wel waar! Zij had mee moeten -gaan, maar ze kon niet; het was onmogelijk. En hoe ze zich door dit -finantiëel en moreel altijd achteruitgaande huisgezin moest werken, -ging haar bevatting te boven. Zij wilde niet weer gaan zitten bij haar -vader en keerde terug in het kleine keukentje met de verroeste -haardkachel, en het doffe vaatwerk aan den beduimelden muur; door het -hooge venster zonder gordijn viel een koud stalen schemerlicht uit de -grijze wolkenlucht naar binnen, de armoedige naaktheid nog -troosteloozer makend door het scherp afteekenen der hardgele deurposten -en schoorsteenlijsten. Zij was nu eenmaal geen knappe propere -huisvrouw,—dat wist ze wel, ze kon niet poetsen en schuren en wasschen -en plassen; ze haatte het en ze deed het niet; ze had het nooit gedaan -en het ook niet zien doen. Hoe heerlijk had die Nelly het in Indië! - -De buurjuffrouw keek eens om het hoekje van de keukendeur. - -„Je moet zoo ’t hoofd niet laten hangen,” zei ze opbeurend. - -Er ontspon zich een langdurig gesprek. Corrie had er zoo’n groote -behoefte aan haar nood te klagen en ze kwam zoo rond voor haar eigen -tekortkomingen uit, dat de buurvrouw altijd erg veel sympathie voor -haar gevoelde, en dikwerf uit medelijden met haar een duchtigen coup de -main gaf om het verwaarloosde huishouden een beetje op streek te -helpen. - -„En de oude heer is zeker weer?”.... vroeg ze. - -„Als hij het niet is, zal hij het gauw zijn.” - -„’t Is ongelukkig.” - -„Ik begrijp niet hoe het moet eindigen.” - -„Neen, ik ook niet; menschen, die drinken, houden het dikwijls erg lang -vol.” - -Corrie schrikte er van; het was een onuitgesproken gedachte, die al -dikwijls bij haar was opgekomen. - -„Maar op den duur houden zij het toch niet uit. Hoe oud is hij?” - -„In de vijftig? Ik weet het niet precies.” - -„Het is nog jong. ’t Is jammer. Hij is nog zoo’n knap manspersoon. Had -hij maar liever een vrouw genomen.” - -Ze praatten door, terwijl de duisternis viel, en ze dronken samen bij -het licht van ’t keukenlampje een kop thee, intusschen gezet. Al -pratend vervloog de tijd en vervlogen de tallooze kopjes thee. De klok -in de gang sloeg het eene uur na het andere. - -„Heb je al gegeten?” vroeg de buurvrouw. - -„Ja, van middag al. Hoe zoo?” - -„Ik zou anders zeggen: ga met mij mee; ik heb nog wat lekkers.” - -Corrie aarzelde eerst; maar jong als ze was, en veel als ze hield van -„wat lekkers”, liet zij zich geen tweemaal nooden. Zij bracht den avond -door bij haar buren en vergat haar vader en zijn drankflesch geheel; -het was een gezellig avondje geworden bij de buren; er werd gelachen en -gekheid gemaakt door een paar klerken, die een visite maakten en -smoorlijk werden van Corrie. ’t Was al laat toen ze naar beneden ging -en met eenigen schrik dacht zij aan haar vader. Hij zat in zijn stoel -en sliep; zacht naderde zij om de lamp uit te blazen, die hij had -aangestoken; zij zou hem maar in dien leunstoel laten zitten; hij zat -daar goed, meende zij; er was toch geen sprake van hem wakker te -krijgen; al doende wierp zij een blik op hem en schrikte van zijn -blauwe gelaatskleur. Een rilling overviel haar; zij liep terug naar -boven: - -„Juffrouw, juffrouw! Bent u nog op?” - -„Ja, wat is het?” - -„Zoudt u eens willen komen zien... Ik ben zoo bevreesd... Papa ziet er -zoo akelig uit.” - -Zelf bevend, ging de juffrouw mee, en haar man, die niet gevraagd was, -volgde zonder jas en op zijn pantoffels, want hij stond op het punt -naar bed te gaan. - -Kapitein Roos zat nog onbeweeglijk in den leunstoel met de kin op de -borst en de armen afhangend. - -Zij riepen hem eerst bij den naam met eenige deferentie, omdat men -meende dat hij zou wakker worden; die deferentie verminderde toen hij -geen antwoord gaf, zoodat de buurman eindelijk heel familiaar vlak aan -zijn oor: Roos! Roos! schreeuwde; zij schudden hem, maar ook dat hielp -niet; het zware lichaam gleed stijf opzij. - -Daar schrikten zij allen van, en doodsbleek gingen ze achteruit. - -Dat was de dood geweest, de weerzinwekkende dood! En met den -instinctmatigen eerbied, grooter voor het vergaan dan voor het worden, -deinsden de levenden ontsteld af en hielden de handen terug. - -De buurman liep naar den dokter. Corrie, huilende, trachtte haar vader -met eau-de-cologne tot zichzelven te brengen; de juffrouw wreef zijn -polsen met azijn. - -„Dat is die vervloekte drank,” zei ze met een blik vol haat op de -flesch, het symbool van den geweldigen erfvijand haars volks. - -Hun pogingen slaagden niet—dat wisten ze wel vooruit. Toen de dokter -kwam en even het lichaam in den leunstoel had onderzocht, zei hij -niets, keek eens rond en gaf de juffrouw een wenk; zij bracht Corrie -weg. - -„In zijn drinkensbakje gebleven!” luidde daarna de diagnose. - -Voor Corrie was het heel gelukkig, dat, evenals bij het sterven harer -moeder, andere menschen alles voor haar beredderden, want zij was tot -niets in staat. Weer stond de voorkamer vol officieren in uniform en -gepensionneerden in min of meer zwarte rokken. Zij moesten „iets” doen, -dat waren ze met elkaar eens. Er moest gezorgd worden, en al waren hun -middelen niet groot, de band, in het leger en onder officieren -krachtiger dan bij de burgerij, verloochende zich ondanks de tallooze -disputen onder de levenden, ook bij dit sterfgeval niet. Na de -begrafenis kwam er een commissie, die bepalen zou wat er te doen viel -en dat zou gedaan worden. Zij maakten het aanvankelijk Corrie niet -lastig, maar een week later bezochten zij haar. - -Ze waren met hun drieën, een gepensionneerd majoor en een kapitein en -een luitenant met verlof. - -„We komen u eens spreken, juffrouw, over uw omstandigheden, wat u ons -wel niet kwalijk zult nemen.” - -„O neen,” zei Corrie met haar gewone openhartigheid. „Ik ben u heel -dankbaar voor uw moeite en opoffering.” - -„Och, laat dat! Onder kameraden!....” - -„Nu ja, majoor, dat weet ik. Intusschen zijn toch maar, naar ik hoor, -de loopende huisschulden afbetaald en....” - -„En verpande sieraden gelost, zeker! En nu komen wij u eens vragen of u -ook eenig plan hebt.” - -„Een plan? Neen, hoe zou ik een plan hebben?” - -„Zie eens, juffrouw Corrie; het komt ons beter voor dat u dit -huishouden niet voortzet.” - -„Mij ook. Ik zou het niet kunnen. De kinderen zijn zoo lastig en -brutaal! Maar als ze het zonder mij slecht moesten hebben.....” - -„Ze hebben tucht noodig, en die zullen ze in gepaste mate deelachtig -worden. U kunt daaromtrent zeer gerust zijn. Zij zullen goed worden -behandeld; dáárop geef ik u mijn woord van eer.” - -„Gelukkig!” - -„En nu wat u aangaat. U weet wel dat uw papa in den laatsten tijd de -boeken bijhield van den heer Maas. Het schijnen menschen te zijn, die -nogal fortuin hebben.” - -„Ik weet het niet,” zei Corrie boos en met een opwelling van -trotschheid, meer uit haat dan uit karakter voortkomend. „Ik weet het -niet: ik bemoeide me met dat volk nooit.” - -„Het is maar, dat zij het voorstel hebben gedaan u bij hen in huis te -nemen!” - -„Mij? U hebt er toch niet aan gedacht, hoop ik?” - -„Ik wist niet, dat u zoo’n afkeer van die menschen hadt.” - -„Zij zijn mijns vaders ongeluk geweest,” zei Corrie ontroerd. „Bij die -menschen is hij een slaaf van den drank geworden en dat hebben zij van -hem gemaakt.” - -Allen zwegen. Het was waar, dat wisten ze. Juist daarom was het zoo -pijnlijk, wat nog volgen moest. - -„Misschien weet u ook, dat uw papa bij meneer Maas een schuld had -wegens geleende gelden van ’n paar duizend gulden.” - -„Ik wist niet, dat het zooveel was.” - -„Nu is hun voorstel, dat u daar zult komen inwonen en helpen in de -besturing van het huishouden, om zoodoende die schuld een weinig in te -verdienen.” - -Corrie gaf zoo dadelijk geen antwoord. Zij zag erg bleek en keek -droevig voor zich uit naar de figuren op ’t goedkoope, verschietende -behangselpapier aan den wand. Dat was de „beer” dien hij had gemaakt -voor Nelly. Nu hij dood was, zou zij bij die lui in een soort van -slavernij of pandelingschap gaan om althans in persoon de rente op te -brengen van dat geld. Er ging haar van alles door het hoofd. Zij dacht -aan zooveel mooi opgetuigde vrouwen, die men ’s middags in de -hoofdstraten kon ontmoeten; die voor veel meer waarde dan een paar -duizend gulden aan het lijf hadden, en die toch zoo gemakkelijk aan -geld kwamen. Maar dat kon niet, dat was onmogelijk! Zij had eigenlijk -geen keus; zij moest maar doen wat anderen wilden en voor anderen. -Gelaten sloeg zij haar groote donkere oogen op naar den majoor, die -zenuwachtig op zijn grijze knevels beet en zich, nu hij recht besefte -wat dat inhad, in stilte reeds had voorgenomen, dat het toch niet zou -gebeuren. - -„Als het zóó is,” zei ze zuchtend, „in Godsnaam dan, majoor; dan zal ik -er maar heengaan.” - -„Maar indien het voor u zulk een groote opoffering is, dan zou -misschien.... er wel iets op te vinden zijn,” meende de kapitein, die -voor het eerst tusschenbeide kwam. - -Allen zagen hem aan. Hij was een man van zes, zeven en dertig jaar, -kort en breed, met een gladgeschoren gezicht en scherpe, schrandere -trekken; hij had iets gedecideerds, dat vertrouwen schonk. - -„Als u bedoelt dat het geld door een collecte of een inschrijving moet -bijeengebracht worden, dan moet ik er voor bedanken,” zei Corrie, met -een plotselinge inspiratie van offervaardigheid. - -„Men zou het kunnen opnemen,” meende de luitenant. - -„Ik geloof,” zei Corrie, „dat het alles ’t zelfde blijft; papa was het -geld eerlijk schuldig, en als ik iets moet doen om te zorgen, dat het -wordt teruggegeven, dan zal ik het wel doen,” ging ze nog steeds zeer -bleek en met tranen in de oogen voort. „En daarom zal ik bij de familie -Maas in betrekking gaan.” - -De heeren stonden op, bogen zwijgend en drukten haar met voelbare -hartelijkheid de hand. Op straat spraken ze niet, maar liepen door met -krachtigen militairen pas. - -Corrie was in tranen uitgebarsten, toen ze weg waren. Nu was de maat -vol! Dat was nog wel het eenige, dat aan haar ongelukkig bestaan -ontbrak! Gaan dienen bij zulk volk! - -Des avonds bezocht de kapitein zijn ouderen vriend den majoor, die -dadelijk weer over middelen begon om Corrie te helpen, zonder dat het -een bedelpartij werd. - -„Want daar wil ze niet aan,” zei hij. - -„Dat prouveert voor haar.” - -„Waarachtig! Zij is een flinke meid; ik had het niet achter haar -gezocht.” - -„Roos was in z’n tijd ook een man van ferm karakter.” - -„Dat was hij,” zei de majoor eenigszins aangedaan. „Als ik bedenk, dat -hij mijn slaap is geweest hier in Holland! Het was ’n brave, beste -kerel. Op de chambrée leer je mekaar ’t beste kennen.” - -De kapitein, van de academie, liet dat in ’t midden. - -„Intusschen,” vervolgde de majoor, „is het lastig.” - -„Ja. Ik zie er geen gat in.” - -„Als het een jongen was, dan ging het makkelijk.” - -„Zeker, maar dat is ze nu eenmaal niet. Laat ons bij de zaak blijven. -Zij is jong.” - -„Precies.” - -„Mooi.” - -„Hm!.... Dat is te zeggen..... Nu soit, soedah, laat ons aannemen dat -ze mooi is.” - -„Neen, maar ze is het, majoor.” - -„Goed, goed. Ik zie nog niet, waar je heen wilt. Aangenomen dus: ze is -mooi!” - -„Zij heeft een goed hart, een degelijk karakter.” - -„Ik twijfel er niet aan, mijn vriend,” antwoordde de majoor erg -boekerig. „Ga voort asjeblieft.” - -„Ze is van fatsoenlijke afkomst; de dochter van een braaf officier.” - -De majoor zette groote oogen op en keek strak zijn bezoeker aan, die -onder het halve licht van een door transparenten beperkte lamp, zijn -sigaar kneep. - -„Voor den bliksem!” viel de majoor uit. „Wat is dat? Hoor ik goed? -Begrijp ik je of begrijp ik je niet? Vooruit met je stukken, zeg! -Vooruit er mee!” - -„Een oogenblik; m’n sigaar wil niet trekken..... Ziezoo. Ja, majoor, ik -geloof dat het volkomen begrepen is.” - -„Dus,” vroeg de majoor met zijn bovenlijf vooruitkomend over de tafel, -zacht en weifelend, „dus zou je waarachtig van plan zijn haar te -trouwen?” - -„Waarom niet?” - -„Waarom wèl?” - -„Dat is geen antwoord, maar een weervraag.” - -„Kijk eens! Het is iets anders een meisje te vinden waarop men de -algemeene benaming „knap”—van uiterlijk—en goed kan toepassen, en het -is iets anders haar te trouwen.” - -„Ongetwijfeld!” - -„Het is iets anders kasian te hebben met een arme wees en respect voor -haar flinke eigenschappen, en het is iets anders haar tot vrouw te -nemen.” - -„Zeker, zeker, dat geef ik toe.” - -„Welnu dan?” - -„Het is ook daarom alleen niet: zij bevalt me; haar persoon heeft -indruk op me gemaakt; ik zie in, dat ik vrij wel op haar verliefd ben.” - -De majoor schudde het hoofd met gefronste wenkbrauwen en blies zulk een -rookwolk onder de lampekap, dat er eerst weer licht kwam op het -tafelkleed, toen de warrelende spiralen waren weggetrokken. - -„Dat moet je niet doen, hoor!” - -„’t Verwondert me. ’t Was meteen het middel.” - -„’t Doet er niet toe. ’t Is ’n ander geval. De menschen verwarren -altijd. Weet je wat ik geloof?” - -„Wat dan?” - -Het antwoord kwam niet zoo spoedig; de majoor scheen er moeite mee te -hebben. - -„Ik spreek als ’n oud vriend,” zei hij gemoedelijk, „en met geen andere -bedoeling, dan je bestwil.” - -„Daarvan ben ik immers overtuigd. Zeg maar op; ik beloof te voren -onderwerping en geheimhouding.” - -„Zie je, je bent nu met verlof, en je zult ook wel eens gepierewaaid -hebben hier in Holland.” - -„Zelfs te Parijs en te Weenen,” antwoordde de kapitein lachend. „Ik had -nog wat geld hier en dat heb ik verteerd met Wijntje en Trijntje. Heel -veel pleizier gehad, betoel!” - -„Zoo! Enfin; ik had het van jou niet gedacht. Maar ik begrijp het. Je -hadt in Indië een huishoudster.” - -„Dat spreekt.” - -„En nu je hier niets nieuws meer kan vinden, wordt je verliefd op ’n -nonnaatje, zoo bruin als waarschijnlijk haar grootmoeder was. Komen -daarbij geen souvenirs in het spel, amice? Zoo ja, is het dan goed? Is -het wenschelijk voor jezelf; is het eerlijk spel tegenover het meisje?” - -Het ernstig glad gezicht van den kapitein met den sterk geprononceerden -neus was zeer betrokken; met de hand in de borst van zijn jas, had hij -een faux air van „Napoleon te St.-Helena.” - -„Verdomme majoor,” zei hij eindelijk, „dat doet me onaangenaam aan.” - -„Denk er eens over.” - -„Dat behoeft niet. Ik heb geen oogenblik aan zoo iets gedacht.” - -„Ik weet het wel, en dat was ook niet noodig.” - -„Ik ben er niets lekker over, dat u zoo iets vooronderstelt.” - -„Vooronderstellen doe ik niet; ik waarschuw slechts.” - -„Ja maar.....” - -„En bovendien,—je weet wat we bepaalden.” - -„’t Is waar. Maar ik moet u een tegenbewijs leveren; ik ga haar vragen -op staanden voet.” - -„Ga je gang,” zei de majoor verstoord. „En moge het je wel bekomen.” - -Corrie had haar broertjes en zusjes naar bed gebracht; zij had de -poging harer goede burger-buurlui om haar gezelschap te houden en op te -vroolijken, in dank van de hand gewezen. Zij was vermoeid en wilde -vroeg gaan slapen. Het verdriet over de vernedering, om bij die gehate -menschen als ondergeschikte te moeten dienen—want daarop kwam het „in -betrekking” gaan toch neer—had ze ter zijde gesteld. Zulk verdriet -bleef op haar leeftijd niet lang demonstratief; zij zag er -verschrikkelijk tegenop, maar nu het eenmaal besloten was, onderwierp -zij zich er aan, als aan een onafwijsbaar noodlot; het Oostersch -fatalisme zat haar zóóver nog in ’t bloed. - -Langzaam en zacht weerklonk de schel; zij schrikte er van; wat kon dàt -wezen? en zonder te weten waarom het gewone feit, dat er gebeld werd, -zulk een indruk op haar maakte, bonsde haar hart, als stond er iets -verschrikkelijks voor de deur.—Zij hoorde dat boven een deur werd -geopend en iemand van de trap kwam, om te zien wie zoo laat—’t was nog -geen acht uren—nog een bezoek bracht. - -„Juffrouw!” zei de buurvrouw een oogenblik later buiten de kamerdeur in -de gang. - -Corrie deed open. - -„Wat blieft u?” - -„Daar is iemand om u te spreken. Een van de heeren van hedenochtend.” - -Zij draaide de petroleumlamp hoogerop en lei machinaal het tafelkleed -recht. - -„Wilt u meneer maar hier laten komen?” vroeg ze. - -Zonder te aarzelen trad de kapitein de kamer in en groette. - -„Ga zitten meneer,” zei Corrie hem een stoel wijzend. „Wat is er van uw -dienst?” - -Maar hij bleef staan voor den stoel. - -„U zult mij, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij ben u nog te -komen bezoeken, maar het kan geen uitstel dulden.” - -Verwonderd keek zij hem aan. - -„Is het iets zoo dringends?” - -„Ja, juffrouw..... Wilt u mijn vrouw worden?” - -„Uw vrouw?” herhaalde zij en haar groote zwarte oogen gingen wijd open. -„Uw vrouw? Maar meneer, fopt u mij? Dat zou u allesbehalve mooi -staan.... in mijn omstandigheden.” - -„Ik meen het zeer ernstig.” - -„Mijn hemel, meneer.... hoe komt het u in ’t hoofd?” - -„Dat weet ik niet. Ik denk dat niemand zoo iets weet. Alleen verzeker -ik u op mijn woord van eer, dat het mij ernst is.” - -Zij keek hem eens aan. Nu, als een grappenmaker zag hij er in ’t geheel -niet uit. Integendeel, zijn scherp geteekende trekken, sterker -uitgedrukt dan ooit, lieten geen twijfel toe aan de oprechtheid zijner -woorden. - -Een oogenblik dwaalde haar blik doelloos langs de kale behangselwanden -en over de half beschaduwde povere meubeltjes der kamer; intusschen -stond de buurjuffrouw te luisteren aan de op een kier staande deur, -stikkend haast van nieuwsgierigheid. - -Corrie steunde haar hoofd, dat zij zwak voelde, met haar kleine bruine -hand. Het schemerde haar voor den geest. Wat was dit nu voor een gek -geval! Waarom vroeg hij haar? Uit kasian, dat sprak vanzelf. Zij -gevoelde niets voor hem en was zelfs een beetje bang voor zijn streng -gezicht. Hij zag er in ’t geheel niet uit als iemand, die uit vrijen -ging; het was veeleer of hij in dienst was voor den troep. - -„Wilt u mijn aanzoek in overweging houden?” vroeg hij. - -„Neen meneer, ik dank u. Het is zeer vriendelijk van u, maar het -medelijden met mijn toestand is te ver gedreven.” - -„Dat is het niet,” zei hij zacht. „Ik houd heel veel van u.” - -Corrie schudde glimlachend het hoofd. - -„Dat kan niet!” - -„Waarom niet? Ik geef toe dat mijn aanzoek onder vreemde, voor menigeen -ongepaste omstandigheden plaats heeft. Laat dat zijn. Het is een -buitengewoon geval. Morgen zoudt u wellicht voor goed besluiten....” - -„Ik heb al besloten. Ik dank u voor uw aanzoek, maar ik kan het niet -aannemen.” - -„Wijs mij zóó niet af,” zei hij eenigszins bewogen. „Mijn bedoelingen -waren zuiver. Verdenk die niet.” - -„Dat laat ik daar. Ik denk en ik kan niet anders denken, dan dat dit -een soort van menschlievende daad is, en dáárvoor bedank ik.” - -„Geloof me, het is dat niet.” - -„Voor mij wel en dus blijft dat hetzelfde. Eens en voor goed: ik doe -het niet.” - -„Dus u weigert om die reden?” - -„Ja! Onvoorwaardelijk ja. Ik ben geen grootheid; geld en goed bezit ik -niet; een schoonheid ben ik evenmin; ik ben in het minst geen partij. -Als u mij nu vraagt, na het gesprek van hedenochtend, dan zie ik er -niets in dan kasian. Ik wil niet, meneer, ik wil niet. Zóó ben ik -niet!” - -De gave van het woord bezat ze maar in zeer geringe mate; doch ze had -zich opgewonden en zag bleek, terwijl de tranen weer opkwamen in haar -nog roodgeweende oogen. - -Hij zag, dat er op dit moment niets met haar was aan te vangen. - -„Wind u niet op,” kalmeerde hij. „Denk over mijn voorstel na. Het is -gedaan uit achting en liefde. Maar ik dring mij niet op. Ik vraag -alleen een redelijken bedenktijd vóór u beslist.” - -„Geloof me, het is onnoodig. Ik zou het u nooit vergeven en mijzelve -ook niet. ’t Zou een ongelukkig huwelijk worden, anders niet. Ik houd -nu niets van u en als ik u nam, zou ik het moeten doen om mij te -bergen. Dat wil ik niet, nu niet en nimmer.” - -„Ik zal thans niet verder aandringen,” zei hij; „toch hoop ik, dat u -denken zult over mijn woorden, die waar zijn en welgemeend.” - -„Het zij hoe het wil, maar ik moet u bepaald afwijzen.” - -De kapitein zei geen woord meer, boog en ging. - -Corrie kreeg een moederlijke vermaning van de buurjuffrouw, die, zei -ze, wel niet geluisterd had, maar toevallig gehoord wat de kapitein had -gezegd en Corrie had geantwoord. Zij was in de gang geweest en de deur -had opengestaan. Een mensch kan toch niet helpen, dat hij niet doof is! -Maar een kapitein af te wijzen,—dat vond de buurjuffrouw, die met haar -echtvriend de liefdefirma op touw had gezet toen deze nog slechts -sergeant was—en in „het militaire” had hij het bij die waardigheid -gelaten—toch al te kras; zij meende dat iemand in de omstandigheden van -haar buurmeisje een kapitein moest aannemen, het mocht dan zijn hoe het -wilde. Vooral in een tijd, dat het zoo slecht ging met alles; vooral in -Indië moest alles heel slecht gaan, had haar man op zijn bureau hooren -vertellen. - -Nu, dat was zoo. - -De berichten luidden steeds ongunstiger. - - - -Mourant, die een hevige scène had gehad met Henriëtte, waarin hij ruzie -gemaakt en gevleid, gebeden en gevloekt, gesmeekt en gedreigd had, was -kortweg ’t huis uitgejaagd, met een haat en een minachting, die hem -razend maakten. Hij was, niet wetende wat te doen, de straat -opgeloopen, inwendig kokend van woede, en schoon uiterlijk zijn kalmte -bewarend, wel tien jaren ouder in zijn gezicht. Nogeens zou hij het -dien dag beproeven. Hij wilde, hij kon de werkelijkheid niet als -zoodanig aannemen. Het was al te dwaas! Zij was ziek; ze moesten weg; -een groote reis door Italië en Griekenland of zoo! ’t Kon, ’t mocht -niet zijn, dat zij en haar vermogen hem ontgingen en hij daar werd -neergezet alleen, verlaten, bespot, geminacht. In een restaurant -trachtte hij tot kalmte te komen door iets te eten en een glas -champagne met ijs te gebruiken. Het gelukte hem, en bedaarder, schoon -niet minder somber gestemd, ging hij naar zijn kamers om er de middelen -te beramen, die nog denzelfden dag, zonder verwijl, toegepast moesten -worden. - -Er was een mail aan. - -Mourant was gewoon veel brieven te ontvangen, vooral in den laatsten -tijd, maar zooveel als er ditmaal op de tafel lagen, waren er anders -toch nooit. - -Hij las er een en werd erg bleek. Mijn God, dat moest er nog bij komen! -Zijn vriend, zijn beste vriend, zijn boezemvriend, dien hij een -onbeperkt vertrouwen had geschonken, bleek hem voor een goed deel van -zijn vermogen te hebben bestolen en opgelicht. Bevend streek hij de -handen over ’t hoofd, als vreesde hij, dat iets daarin verkeerd zou -gaan zitten. Met zijn weinige grijze haren en potsierlijke verwarring, -half luid sprekend met de breede gemaakte gebaren, die ten slotte -natuurlijk bij hem waren geworden, liep hij heen en weer in de kamer, -nu eens een enveloppe van een brief scheurend en dien, na een -vluchtigen blik op den inhoud, neerwerpend bij de andere. Het was -immers alles ’t zelfde! Zijn vrienden beklaagden hem allen, maar zijn -geld kreeg hij niet terug. Wat te doen, wat te doen? En allen schreven -hem, dat hij in ’t belang van de kansen op redding, van een gedeelte -althans, zoo spoedig mogelijk naar Indië moest komen. Hij wist, althans -begreep, dat dit volkomen waar was, maar dan verwierp hij hier -moedwillig alle kansen. - -Een denkbeeld kwam bij hem op: als zij eens te bewegen was ook naar -Indië te gaan! - -Hij begon zich te verkleeden in een stemming, welke hem toescheen -overeenkomst te moeten hebben met die van een ter dood veroordeelde. -Zijn handen beefden zoo, dat hij de knoopjes van zijn overhemd niet -vast kon krijgen. - -De huissleutel van Henriëtte’s woning was nog in zijn bezit en hij trad -binnen met zijn gewone air van heer en meester der vesting; maar de -meid kwam hem dadelijk in de gang te gemoet; het was of ze op hem had -gewacht. - -„Ik zou u niet aanraden binnen te gaan,” zei ze snibbig en brutaal. - -Hij verwaardigde haar met geen blik en had reeds den voet op de eerste -trede van de trap. - -„Meneer Jules is boven.” - -Mourant trok den voet terug en keek het meisje in haar aardig, maar -onbeschaamd gezichtje. Zijn verbeelding stelde hem de kamer voor, met -Henriëtte en Jules er in, zijn optreden daar en de onvermijdelijke -onaangenaamheden. Hij wist dat die jonge kerel zich voor niets zou -ontzien en dat hij zich blootstelde aan een bejegening, die tot alles -kon leiden, van een kaakslag tot een tweegevecht. De vrees maakte zich -van hem meester; hij was bang. Een held was hij met het woord en waar -dat indruk teweegbracht kon hij verschrikkelijk zijn; zijn uiterlijk -was groot, forsch, indrukwekkend. Maar zijn persoonlijke moed was een -muisje door dezen berg gebaard. Als er kans bestond op een vuistslag, -een sabelhouw of een pistoolkogel, dan trok hij zich gaarne terug met -al de kracht die in hem was. Een oogenblik aarzelde hij; toen stak hij -duim en vinger in een vestzak en haalde langzaam een sovereign te -voorschijn. - -Het meisje lachte hem brutaal uit. - -„Ik laat me niet omkoopen! Ik doe wat mevrouw mij heeft gelast.” - -„Dus zij heeft je hier gezonden?” - -„Zeker. Waarom niet?” - -„En om mij te beletten....” - -„Wel neen! Wie belet u iets? Ga maar gerust binnen.” - -Zij zei het spottend; ze had gezien dat hij niet durfde. - -„Nu ja.” - -„Neen wezenlijk meneer; geneer u niet.” - -„Je moet me helpen er een eind aan te maken.” - -„Dank u; ik help u niet.” - -„Ik zal je er rijk voor beloonen; je moet!” - -„En ik wil niet. Wat denkt u! Ik heb heel graag een fooi, maar ik mag -zien, dat die met pleizier wordt gegeven. Heb ik vroeger ooit iets van -u gehad?” - -Thans begreep hij welk een groote fout hij had begaan door tegen de -kleinigheden te zondigen; zijn zuinigheid met fooien had op gruwelijke -manier de wijsheid bedrogen. - -Aarzelend liep hij in de gang op en neer, den neus in den wind, de -handen op den rug, inwendig dol van woede, uiterlijk vrij kalm. De -bonne telde met een cynischen glimlach de knoopjes van het lijf harer -japon: gaan, niet gaan! De lust om binnen te dringen was er bij -Mourant; de physieke moed ontbrak, en dit leidde hem tot een -philosopheeren over redenen, die hem het maken eener scène—’t zij -luidruchtig of in gewonen toon—onmogelijk maakten. Zoo viel het hem in -dat hij geen zedelijk recht bezat; dat hem bij een gewelddadig optreden -elke rechtsgrond ontbrak, omdat hij geen ander beroep had, dat uit een -immoreele verhouding voortsproot. Was hij zelfs niet op wettige gronden -als voogd der kinderen te wraken? In een oogenblik zette hij een -pleidooi op tegen zichzelven en vóór de noodzakelijkheid -onverrichterzake heen te gaan. - -„Zeg aan mevrouw,” zei hij, „dat ik haar het onaangename van mijn -tusschenkomst thans wensch te besparen, maar dat ik haar verzoek mij -morgen vóór negen uren mede te deelen, waar en wanneer ze mij kan -ontvangen.” - -„Het is goed.” - -Zij liet hem uit met overdreven gedienstigheid. - -„Niets meer van uw orders?” - -Zonder het brutaal schepsel met een blik te verwaardigen, ging Mourant, -in groote deftigheid en met zenuwachtigen greep zijn demi-saison hooger -op de borst trekkend, het trottoir op. - -Intusschen waren Jules en Henriëtte volstrekt niet meer op hun gemak, -dan de man in de gang was geweest. Jules had vast besloten voor goed -Mourant af te maken; hij was jong en sterk en zijn voornemen stond -vast. Maar als hij dacht aan de persoonlijkheid van den advocaat en -zich voorstelde hoe deze hem met het woord dadelijk de baas zijn zou, -zoodat hem om te overwinnen niets anders overbleven dan de ruwe -uitingen van het vuistrecht, dan parelde het zweet hem erger op het -voorhoofd in dit koel klimaat, dan ooit onder het tropisch zonnetje van -Indië; dan werd hij zoo zenuwachtig, dat, als zijn liefde voor -Henriëtte niet zoo sterk was geweest, hij zoo spoedig mogelijk een goed -heenkomen zou gezocht hebben. Thans zou hij blijven; het gold niet meer -of minder dan.... zijn aanstaande vrouw. - -Zij had hem alles verteld; alles. - -Zij had hem bleek, zenuwachtig en met tranen in stem en oogen, haar -leven geschetst gedurende de ziekte van Veninga, en haar lijden onder -zijn beleedigende, ruwe bejegening; zij had hem doen gevoelen hoe zij -bezweken was, niet uit liefde voor Mourant, maar door de groote -behoefte aan liefde, die zij, zonder andere vrienden of familie, elken -dag dieper gevoelde naarmate het humeur van Veninga haar erger griefde -en verbitterde. En eindelijk had zij toegegeven, half en half met het -denkbeeld: als ik dan toch elken dag word uitgescholden alsof ik het -was; als ik ieder oogenblik onder de uitgedrukte verdenking moet staan -het te zijn, welnu, dan zal ik het wezen. - -En Jules, die in zijn wijze van denken, in zijn geheele levensrichting -een niet minder groote overeenkomst toonde met Henriëtte, dan in de -kleur van oogen, haar en huid, had dat dadelijk volkomen begrepen. - -Maar die bekentenis had voor hem den toestand geheel veranderd. - -Aanvankelijk had hij gedacht, dat deze kennismaking met het mooie jonge -weeuwtje zou uitloopen op een voorbijgaande liefdesgeschiedenis, -waarbij Mourant den gefopten minnaar zou vertoonen; hij had zich ’t -verloop onder de bestaande omstandigheden haast niet anders kunnen -voorstellen. Thans was dat heel veranderd. Hij gevoelde dat hij -Henriëtte zeer liefhad, en zij hem ook. Het begon er anders uit te -zien. Hij moest haar òf dadelijk verlaten òf haar trouwen! Heel gauw -had hij tot dat laatste besloten. Zijn oom, thans razend van woede, had -Brussel verlaten, zwerende, dat als Jules het deed, hij nimmer meer in -zijn woning te Batavia zou worden toegelaten. En Jules, die wel wist -dat dit op den duur tegenover een planter, wien het voor den wind gaat, -niet is vol te houden, liet zijn oom stilletjes vertrekken. - -De slechte berichten uit Indië hadden ook Fournier bereikt. - -Ondanks den practischen raad van Hortense, had hij toch niet zoo goed -gezorgd voor hun eigen geld, als voor dat van Louise en van dokter Van -der Linden. Dat maakte het heel moeilijk voor hem en drukte hem zwaar -ter neer, terwijl hij de Jobstijdingen las, die de jongste mail -aanbracht. - -„Wat scheelt er aan?” vroeg zijn vrouw, toen ze zijn kantoorkamer -binnenkwam om te zien of er ook brieven voor haar waren. - -En toen hij zoo gauw niet antwoordde, vroeg ze ongerust: - -„Is het weer mis?” - -Hij knikte toestemmend en zuchtte diep. Het zat hem als een brok in de -keel. Nooit was hij geldzuchtig van aard geweest, en voor hemzelven was -het niet erg. Maar nu hij kinderen had, nu was de mededeeling, dat zijn -halve fortuin gewoon naar de maan was, hoogst verdrietig; ’t was hem of -zijn kinderen in hun toekomst werden bestolen en hij de dief was. - -Hortense ging naast hem zitten, en haar gezicht tegen het zijne -drukkend, keek ze mee in den noodlottigen brief, dien hij voortging met -lezen; toen ze die cijfers zag, begreep haar heldere geest alles; een -oogenblik werd ze erg, erg bleek. - -„’t Is een ruïne!” zei hij toonloos. - -„Het is verschrikkelijk!” - -Een paar seconden zwegen beiden. - -„’t Beste is, Gérard, dat we hier den boel zoo spoedig mogelijk aan -kant doen; dat je voor het lidmaatschap bedankt; dat we teruggaan naar -Indië en je de praktijk weer opneemt.” - -„Ja,” zei hij nogmaals uiterst ontstemd. - -„’t Baat niet, Gérard, of we er lang over tobben. Een kort besluit, een -goed besluit.” - -„Had ik maar heelemaal gedaan, zooals je gezegd hebt!” - -„Gedane zaken nemen geen keer, vent. Er moeten spijkers met koppen -worden geslagen. Het is hoogst verdrietig, dat weet ik immers zoo goed -als jij! Maar ’t baat niet er om te treuren.” - -Fournier keek haar met verwondering aan. - -Hij wist dat zij een hekel had aan Indië; dat zij er altijd ziek was; -dat hun eerste kind er zoo geleden had; dat aan haar verblijf te -Batavia hoogst onaangename herinneringen waren verbonden. - -En hij wist hoe blij ze was om zijn verkiezing, hoe zij in haar vreugde -zelfs nog weinig dagen te voren had gesmaald op Indië. - -Nu was zij de eerste, die sprak van teruggaan naar Indië, niet alsof -het een zaak was van de grootste opoffering, maar de meest alledaagsche -ter wereld. - -„Ik vrees dat het onvermijdelijk zijn zal,” zei hij. - -„Zeker, met wat ons overblijft kunnen wij immers niet blijven leven, -zonder erg te verminderen.” - -„Als we dat toch eens deden.” - -Beslist schudde zij het hoofd. - -„Neen, Gérard, dat mag niet; dáárvoor zijn we te jong.” - -„Ik heb zulke ernstige bezwaren.” - -„Zeker. Ik begrijp dat wel: je verkiezing hier; het nare werk ginds; -het andere leven, eentonig en afmattend.” - -„Juist, dàt ook. Maar.....” - -„Kom,” zei ze, hem kussend en lachend, wel zenuwachtig maar toch met -vertoon van vroolijkheid, „kom, het zal wel schikken. Wellicht is het -weer in orde binnen een jaar of vijf. Dan zijn we weer hier terug, en -het is maar de quaestie van eenigen verloren tijd.” - -„En jij, en de kinderen?” - -„Wij gaan natuurlijk mee.” - -„Om er weer als vroeger doodziek te worden?” - -„Wel neen; we zijn nu, Goddank, allen uitstekend gezond, en ik zie niet -in, dat....” - -„En vroeger dan?” - -„Dat was iets anders. Mijn hemel, je kunt toch niet zeggen dat men -ergens per se ziek moet zijn, omdat men er eens ziek was?” - -„Enfin, ik moet er eerst nog eens over nadenken; het is een heel -besluit.” - -„Gérard, het geeft niets of je al langer nadenkt; het moet gebeuren, -daartegen is niets te doen. Wat schrijft Droz?” - -„Kijk zelve maar,” antwoordde hij, zuchtend den brief overhandigend. - -Zij las hem met een gezicht vol ernst en gewicht. - -„Juist wat ik dacht! ’t Kantoor gaat prachtig, te beter naarmate de -tijden slechter zijn.” - -„Ja, dat wist ik.” - -„En hij wil graag eens naar hier. O, maar Gérard, dat treft prachtig.” - -Doch Fournier werd boos. - -„Het ontbreekt er nog maar aan, dat je verheugd bent,” zei hij -schamper. „Je schijnt heelemaal te vergeten, dat het vandaag de -ongelukkigste dag is, die we in jaren hebben doorleefd. Je weet, ik -hecht niet aan het geld om ’t geld, maar ik verzeker je, dat dit me te -machtig is.” - -Het scheelde maar weinig of tranen van aandoening kwamen hem in de -oogen. Hortense troostte en bemoedigde hem. Doch toen hij des middags -in zijn kantoor was begonnen met maatregelen te nemen voor zijn -vertrek, en hij voor ’t een en ander het advies zijner vrouw noodig -had, vond hij haar met de kinderen op het tapijt zitten in hun -kleedkamer, schreiend en snikkend. - -Hij was er zeer door bewogen, en zij, schrikkend op zijn onverwacht -binnentreden, droogde haastig haar tranen. Daar had je het! dacht hij. -Zij had zich goed gehouden voor hem; zij had zichzelve geweld aangedaan -en hem het denkbeeld, naar Indië terug te keeren, met opgewektheid -aangepraat, terwijl het haarzelve doodelijk bedroefde, hoewel ze hem -toch niet alleen wilde laten gaan, al waagde zij er ook haar eigen -gezondheid aan en die van haar kinderen. - -Bewogen keek hij haar aan, terwijl ze haar best deed om, zich -bezighoudend en sprekend met de kinderen, hem niet te laten zien, dat -ze gehuild had, en toen hij haar stil en met dankbare genegenheid -aanzag, vond hij haar mooi en lief; het was de eerste maal in zijn -leven. - -„Stance,” zei hij: „wil je me een groot, groot genoegen doen?” - -Verschrikt zag ze hem aan met wijdgeopende oogen en angsttrekken om den -mond. Zij behoefde geen uitlegging; ze wist wat het was; zij had het -gevoel dat ze in Indië haar dood te gemoet ging, doch dat vond ze het -ergste niet; zij sloeg haar armen om zijn hals, en streed niet verder -om haar droefheid te bedwingen. - -„Nooit, Gérard, nooit! Ik heb je eens laten blijven en ben alleen naar -hier gegaan, en je hebt me zelf verteld hoe akelig en verdrietig je dat -leven was zonder familie, zonder eigen gezin.” - -„Nu ja, doch wat.....” - -„Gérard, spreek er niet van; ik doe het niet. Wij moeten bij elkaar -blijven. Later, als we ouder zijn en het mocht dan nog noodig wezen, -dan kunnen we altijd zien.” - -„Dat is ook een uitvlucht!” - -„Het kan me niet schelen: nu doe ik het niet.” - -Hij kuste haar blonde haren; haar aanhankelijkheid deed hem goed, en -zeker, het zou een heel ander leven voor hem zijn met haar en de -kinderen in eigen woning, dan hier of daar te Weltevreden in een -paviljoentje. - -Dokter Van der Linden en de jonge familie Riquelle hadden geen last van -slechte tijdingen uit Indië. Wel hoorden zij er van spreken in Den Haag -en zagen zij dat de couranten wemelden van advertenties, waarin huizen -en villa’s te huur en te koop werden aangeboden met en zonder -ameublement, maar verder trof het hen niet,—tot op een goeden middag -Louise een brief ontving van haar gewezen stiefdochter, waarin die -meedeelde, dat zij en Fournier door finantiëele omstandigheden -genoodzaakt waren terug te keeren. Het trof haar hoogst onaangenaam; -zooals haar sedert haar huwelijk met den ritmeester nog niets had -getroffen, want alles ging van een leien dakje. Zij was op normalen -tijd in „de” omstandigheden geraakt, en nu lag sedert maanden reeds, -meer op den schoot van papa en mama Riquelle dan in zijn prachtig met -kanten en strikken opgesierd wiegje, een jeugdige gravin Riquelle met -den blonden krullebol, die sedert vele jaren het hoofd van dokter Van -der Linden had verlaten, en met eenige sprekende bijzonderheden der Van -Veltons, als had die oude Bataviasche koopman voor goed zijn tjap -gedrukt op de nakomelingschap van Louise. - -Zij had daar, ondanks haar scherpzinnigheid, niets van bespeurd; zij -verbeeldde zich, dat ’t kleintje sprekend op haar man geleek, en daar -waren beiden recht gelukkig mee. Louise had een gevoel alsof ze tot -rust was gekomen; alsof zij eindelijk was beland waar zij wezen moest. - -Met gemoedelijkheid en een kalm vertrouwen zag zij de toekomst tegen. -Niets kon haar deren. Zij had Riquelle voor goed lief, en hij haar, dat -wist ze; in de coterieën was zij opgenomen; men mocht haar gaarne en -bewonderde haar gedistingeerde vormen en goeden conversatie-toon, -terwijl men haar schoonheid benijdde en haar rijkdom op prijs wist te -stellen. - -„Vindt je het niet vreemd, Edmund?” - -„Ja,” zei de ritmeester zijn rossige knevels opdraaiend, „dat is het -zeker. Het spijt me voor Fournier. Ik weet dat hij het niet voor zijn -genoegen doet.” - -„En hij is pas in de Staten-Generaal gekozen.” - -„Dat komt er nog bij! Ik kan me toch niet voorstellen, dat hij voor ons -geld heeft gezorgd, en niet voor het zijne.” - -„Het schijnt toch wel.” - -„’t Zou verschrikkelijk wezen! Zouden we niet eens naar papa gaan?” - -„Mij dunkt, dat ware ’t beste; wellicht weet pa Van der Linden er meer -van.” - -Zij lieten den coupé inspannen. Toen Louise bij het afrijden even door -het raampje keek, betrok haar gelaat en liet zij zich achterover in de -kussens vallen. Midden op den weg liep langzaam een vrij fatsoenlijk -gekleed burgerman, nog jong betrekkelijk, met een ronden hoed en een -wandelstok in de hand. Hij keek haar brutaal in het gezicht met een -ergerlijk onbeschaamde uitdrukking op zijn gelaat. Het was nu reeds de -derde maal dat zij, haar huis verlatend, dien persoon ontmoette en op -die wijze door hem werd gefixeerd. ’t Was onuitstaanbaar, maar er was -niets aan te doen. Riquelle had het niet gezien. Als hij ook maar had -kunnen vermoeden, dat die man zijn vrouwtje hinderde, hij zou hem met -de rijzweep hebben afgerost. Bij het huis van haar vader dacht zij er -niet meer aan. Een mooie vrouw maakt dikwijls diepen indruk; dat was ze -van jongs af gewend! - -„Het is een gek geval,” zei de oude heer, die wel hoe langer hoe kaler -en grijzer werd, maar weinig verouderde, „hij heeft inderdaad voor ons -geld gezorgd en niet voor ’t hunne.” - -„Maar hoe is het mogelijk?” - -„Sommige menschen zijn zoo. Hij is voorzichtig voor anderen, sekuur van -aanbelang; maar zijn eigen geld moest hij door anderen laten beheeren.” - -„Zouden wij hen niet kunnen helpen?” vroeg Louise. - -Riquelle zei niets, maar keek haar een beetje angstig aan; hij bevond -zich zoo uitstekend bij de tegenwoordige ruimte van middelen! En als -iemand, die weet wat ontbering van comfort is, als men dit zoo gaarne -zou hebben, was hij haast gierig op het bezit. - -„Wij zouden wel kunnen,” meende de dokter. - -„Welnu, dan moeten we het doen.” - -Maar haar vader schudde het hoofd. - -„Nonsens, kind. Persoontjes als Fournier en Hortense nemen zulke hulp -niet aan.” - -De ritmeester haalde diep adem. - -„Dat meende ik ook.” - -„Wij konden het toch beproeven.” - -„Goed! Ik zal het doen, kind. Het is zeer zeker, dat het niets -hoegenaamd zal baten; maar als ik je er een pleizier mee doe, dan -gaarne, en ik beloof je, dat ik mijn best zal doen.” - -Zij vroeg naar haar zoon. Die was naar school, zei de dokter op een -toon van gewicht. - -„Waarom neemt u niet liever een gouverneur?” - -„Gekheid! kinderen moeten met kinderen omgaan.” - -„Dat vind ik ook,” zei Riquelle. - -„Als jullie nog een kwartier wacht is hij thuis.” - -Maar daar had Louise geen tijd voor, want ze moesten nog noodzakelijk -eenige visites maken, nu ze toch en route waren. Riquelle bevestigde -het; hij was volstrekt niet verlangend naar den jongenheer Van Velton -en de antipathie was wederkeerig. - -Glimlachend schudde de dokter het hoofd, hen uitlatend op den corridor. - -„U bent al tweemalen naar uw kleindochter wezen zien,” zei Louise -verwijtend en terwijl ze de trap afging omkijkend naar haar vader. - -„Ik ga weinig uit, maar ik kom toch gauw eens aan.” - -Wat kon hem dat pasgeboren gravinnetje schelen! Had hij niet zijn eigen -kleinzoon, dien fermen jongen? - -Toen zij in het rijtuig stapte, zag ze wederom aan de andere zijde door -het raampje het gezicht van den man, dien ze de laatste dagen telkens -als ze uitging ontmoette, die haar fixeerde en volgde; zij schrikte er -ditmaal van. Het trof den ritmeester ook, dat die man zoo keek en hij -monsterde hem met een gezicht en een paar oogen, die den kerel dadelijk -vol vrees het hoofd deden omwenden. - -„Wat is dat voor een man?” vroeg hij, toen het rijtuig wegreed. - -„Ik weet het niet.” - -„Onbeschoft volk!” - -„Wel Edmund, ik zie nu al dagen lang dien man, telkens als we uitgaan, -en iederen keer kijkt hij zoo verschrikkelijk brutaal.” - -Riquelle’s gezicht betrok onheilspellend. - -„Maar lieve Louise, waarom dat niet eer gezegd?” - -„Ik durfde niet goed, ik vond het zoo gek.” - -„Integendeel, het is....” - -„Ik was bang, dat je me zoudt uitlachen, of misschien in drift een -ongeluk begaan.” - -„O zoo! Neen, ik zal wijzer zijn. Persoonlijk zal ik aan zoo’n individu -de handen niet vuil maken.” - -„Het is allervervelendst!” - -„Wees maar gerust,” zei hij, zijn hand op haar schoot leggend en de -hare zacht drukkend met een teedere beschermende uitdrukking op zijn -gezicht: „je zult er geen last meer van hebben.” - -Dokter Van der Linden liet er geen gras over groeien. Nauwelijks was -zijn kleinzoon van school thuis gekomen, of hij liet hem netjes kleeden -en toog op weg naar de Fourniers; al wandelend praatte hij met het -ventje; het was zijn grootste genoegen. Aan de overzijde van de straat, -een eindje achter hen, volgde dezelfde man, van wien Louise last had. -Met de handen in de zakken van zijn paletot, den wandelstok onder den -arm, het hoofd vooruit en een weinig gebogen, slenterde hij langzaam -voort, in gedachten verzonken, nu en dan een blik slaande op den ouden -heer en het kind aan de overzijde. Zoo volgde hij hen tot voor het huis -van Fournier. - -„Toe Hortense,” zei de dokter, „hou jij mijn kleinen vent zoolang -bezig. Ik wou Gérard eens spreken over zaken.” - -„Hij is op zijn kantoor.” - -„Goed kind, dan vind ik hem wel.” - -„U wilt....” - -„Wat?” - -„U wilt ons toch geen proposities doen om hier te blijven?” - -„En als dat nu eens ’t geval was?” - -Hortense kreeg een kleur en haar hoofd, zich oprichtend, maakte korte, -zenuwachtige bewegingen vol trots. - -„Het is heel lief van u, doch het helpt niet.” - -„En waarom niet, asjeblieft?” vroeg de oude heer boos en op den -eenigszins ruwen toon, die hem in vroeger jaren niet vreemd was. - -„Omdat wij niet mogen en niet kunnen.” - -„Pfff! groote woorden, meisje! Zaken zijn zaken, dat zei je oude heer -altijd en dat is waar. Asjeblieft geen sentimentaliteit.” - -„Het is geen sentimentaliteit!” - -„Wat is het dan? Is ons fortuin niet wezenlijk het onze en zijn wij er -niet op eerlijke en fatsoenlijke manier aangekomen?” - -„Och, dat is het niet, meneer Van der Linden.” - -„Dat is het wel, mevrouw Fournier, want was dat anders, dan hadt je -gelijk. Het is ’t eenig motief voor het afwijzen van proposities als de -onze.” - -„We kunnen heusch niet.” - -„Nu,” vervolgde hij lachend, „wind je maar niet op. Ik zal het wel eens -bepraten met je man.” - -En hoe weinig hoop hij daarop had, deed hij toch zijn best; toen hij -binnenkwam riep hij met bonhomie, waardoor echter een tintje -ontevredenheid straalde: - -„Wat ga je nu voor onbezonnen dingen doen?” - -Fournier stond op en ging hem met een uitgestoken hand te gemoet. - -„Het moet, papa Van der Linden; het is onaangenaam, maar het kan niet -anders.” - -„Hoor eens, Fournier: een kort lied is gauw gezongen. Wil je me cijfers -noemen?” - -„Onder ons, natuurlijk!” - -„Dat spreekt vanzelf.” - -Zij staken de hoofden bijeen boven het zakboekje, dat Fournier op zijn -schrijftafel opensloeg. - -„Nu,” zei de dokter opkijkend over zijn bril. „Het is te doen!” - -„Dat wil zeggen?” vroeg Fournier, die met minder scherpzinnigheid in -dit geval dan Hortense, niet zoo dadelijk het fijne van de zaak -begreep. - -„Kijk eens hier! Wij, Louise en ik, kunnen samen zooveel dekken dat -jullie niet naar Indië behoeft te gaan.” - -Fournier stond driftig op met een breed gebaar van afwijzing. - -„Stil!” vervolgde de dokter: „laat me uitspreken. Als je gaat met je -familie, zal Stance er zeker ziek worden, want zij is nu eenmaal niet -voor het klimaat vervaardigd, en je kindertjes hoogstwaarschijnlijk -ook. Ik heb veel, wat het beheer van mijn vermogen aangaat, haar vader -en jou te danken. Louise nog veel meer door haar zoo belangrijk aandeel -in de erfenis van Van Velton. Het is dus geen geschenk, geen -edelmoedigheid of zoo,—het is een uitvloeisel van knellende zedelijke -verplichting en het zal mijn dochter en mij een vreugde zijn.” - -Een oogenblik dacht Fournier na, aarzelend. - -„Laat Hortense beslissen.” - -Maar de dokter werd rood van kwaadheid, sloeg met zijn vlakke hand op -de schrijftafel, dat de inkt uit den koker spatte, en riep: - -„Dat behoeft niet, want ze verdomt het. Ziedaar!” - -Zich in stilte vermakend om den barschen uitval van den dokter, -betoogde nu Fournier met grooten ernst, dat het voorstel, hoe goed -gemeend en hoe treffend offervaardig, onmogelijk kon worden aangenomen. - -„Men doet zoo iets,” dus eindigde hij, „als men in werkelijken nood zit -en dan, zou ik zeggen, is het plicht.” - -„Maar jullie zit in nood.” - -„Och kom!” lachte Fournier: „dat is ook wat!” - -„Waarachtig! Je begrijpt het niet, mijn waarde, maar het is zoo. -Hortense houdt het niet vol in Indië en de kinderen ook niet.” - -„Dat is niet gezegd; zij zijn er vroeger....” - -„Geloof je dat ik van zulke zaken meer weet dan jij?” - -„Zeker. Maar u heeft thans een nevenbedoeling.” - -„Goed! Als je meent dat dit overwegend is, kan ik je niet overtuigen; -intusschen: ik heb je gewaarschuwd en ik zal het Stance ook doen. De -gevolgen van deze dwaasheid komen voor jullie rekening.” - -Half boos ging de oude heer heen, en toen hij in de kamer kwam waar -zijn kleinzoon, die zich veel te groot achtte om zich met die -„kleintjes” bezig te houden, een heel eigenwijs gesprek hield met -Hortense—ging hij regelrecht op haar af. - -„Zeg Stance, als je soms lust hebt tot zelfmoord, dan is er een -gemakkelijker manier voor jou en de kinderen dan naar Indië te gaan.” - -Zij trok ongeloovig en minachtend de schouders op. - -„Je denkt, dat het niet waar is, maar ik geef je er mijn woord op, mijn -woord van eer.” - -„Waarop?” - -„Op de waarheid van ’t geen ik zeg. Binnen het jaar ben je dood.” - -„Het is goed!” - -„Wat is het? Is het goed?” - -„Nu, zoo meen ik het niet. Maar als het waar was...” - -„Als het waar was? Het is waar.” - -„Ik zeg: als het waar was, ging ik toch nog liever, dan hem alleen te -laten gaan.” - -„Maar mijn God, jullie bent zoo koppig als ezels. Hij behoeft immers -evenmin te gaan.” - -Zij knikte vastberaden met het hoofd. - -„Wij moeten.” - -Driftig reikte de oude heer haar de hand. - -„Dan wil ik je groeten.” - -Hij trok zijn kleinzoon mee, en Hortense half lachend liep hem -achterna. - -„Ik hoop niet, dat u boos zijt.” - -„Och wat? Jullie bent een paar dwazen; een paar kinderen, die elkaar -opwinden. Jullie brengt van die nonsense ideeën uit romans en -tooneelstukken over in je dagelijksch leven. ’t Is een paskwil!” - -En hij liep woedend weg, regelrecht naar de Riquelles. - -„Ik had het wel gedacht,” zei Louise zuchtend. - -„’t Is jammer,” veinsde de ritmeester, „maar het doet hen toch in mijn -achting rijzen.” - -„Zoo,” grijnsde de dokter, hem kwaadaardig door zijn bril beglurend, en -bij zichzelven dacht hij: die is goed! eerst neemt hij uit -onbaatzuchtigheid Wies om haar dubbeltjes en nu een ander weigert iets -daarvan te aanvaarden, doet dat hem in zijn achting rijzen. Hij zei -niets, maar lachte zacht en met ergernis. - -„Wil ik het nog eens beproeven?” vroeg zij aarzelend. - -Dat zou wel een zeer slecht middel zijn geweest, en zij zag er -gruwelijk tegen op. - -„Geen moeite doen, kind! Zij willen niet en jij noch iemand ter wereld -zal die stijfkoppen tot verstandige menschen bekeeren.” - -„Ik kan die opvatting niet deelen,” zei de ritmeester ter verdediging -der Fourniers. - -„En ik zeg, dat het belachelijk komedievertoon is.” - -„Ja, men kan alles zoo noemen. Op die wijze wordt elke geste een -acteursdaad en elk beter gevoel theatralia.” - -„Niet alles, maar heel veel. Pouah! ’t is belachelijk,” ging de dokter -voort, wiens ironische geest bovenkwam. „Als ik in den schouwburg zit, -zie ik bijvoorbeeld een stuk opvoeren. Twee jonge menschen zijn op -elkaar verliefd; dat hebben ze natuurlijk al lang aan elkaars gezicht -gezien. Het meisje is rijk, de jongeling arm. Het is voor zijn -fijngevoelig hart een onoverkomelijk bezwaar. Ik woon zijn zielsstrijd -bij en haar verdriet; ik hoor zijn klachten, ik zie hem lijden, en dat -werkt op mijn zenuwen. Ik krijg er tranen van in de oogen, en ik ga met -een bewogen gemoed naar huis. Zoo’n edel karakter, hè! Maar gesteld -eens, dat ik een zoon had, een knap jongmensch met een fatsoenlijke -positie, maar, evenals ik dan, zonder fortuin en die zoon kwam me tegen -terwijl ik nog onder den indruk van die edele onbaatzuchtigheid op de -planken, naar huis wandelde; en die zoon zei: Papa, ik ben doodelijk -verliefd op een meisje met een ton of vier, wat denk je dan, dat ik zou -antwoorden?” - -Riquelle draaide zijn knevels op en zei niets; Louise, eenigszins boos, -evenmin. - -„Dan zou ik zeggen,” ging de oude heer voort: „blikskater, die moet je -zien te krijgen. En als hij mij dan antwoordde, dat het meisje ook heel -veel van hem hield, maar dat hij haar niet wilde vragen uit een gevoel -van kieschheid of onbaatzuchtigheid, omdat zij zooveel geld had en hij -niet, dan geloof ik dat ik hem op straat om zijn ooren zou slaan, mij -bitter beklagend dat de goede God me zoo’n domoor tot zoon had gegeven. -Ik weet niet, schoonzoon,” voegde hij er bij, „hoe u daarover denkt.” - -Als ze onder vier oogen waren geweest, zou Louise, die inwendig kookte -van woede, haar vader de repliek niet schuldig zijn gebleven; nu vond -ze ’t beter te zwijgen. - -„De oude heer,” zei Riquelle later, „zal mij nooit vergeven, dat ik -zijn kleinzoon concurrenten bezorg.” - -In geen jaren was de dokter zoo uit zijn humeur geweest en knorrig -zelfs tegen zijn afgod, den kleinzoon, die op zijn beurt zeer boos was, -wilde hij in zijn coupé stappen dien hij ontboden had, terwijl hij bij -zijn dochter vertoefde. - -Maar er werd een hand op zijn arm gelegd en hij stond stil, trachtend -door zijn bril den persoon te herkennen, die hem staande hield, wat -door de ingevallen duisternis niet gelukte. - -„Dèg dokter,” zei een pedante Haagsche stem met een intonatie, die -duidelijk vroeg: herken je me niet? - -En de dokter, die de stem herkende, zei barsch: - -„Wat mot-je?” - -„U is wel vriendelijk! En dat onder goede bekenden.” - -„Zoek je bekenden maar elders.” - -„En als men nog wel aan elkaar is geparenteerd langs de teedere -vrouwelijke lijn.” - -„Hoor eens, geen praatjes, hè! Ik wil niets met je te maken hebben. Ik -heb destijds niets als onaangenaamheden van je beleefd. Wat ik na dien -van je gehoord heb....” - -„Lèster, lèster, allemaal lèster!” - -„Het kan me niet schelen of het laster is, maar ik verbied je mij -lastig te vallen en mij aan te spreken.” - -„O gèèrne, gèèrne! ’t Is niet om lèstig te zijn, volstrekt niet. Ik wou -u alleen maar aanpompen voor vijf en twintig pop.” - -Het was de oude geschiedenis. Bij al zijn boosheid overviel den dokter -een onweerstaanbare lachlust om den dwazen vent; maar hij hield zich -goed. - -„Geen cent,” zei hij barsch en wilde in zijn rijtuig gaan. - -Doch de andere hield hem vast bij zijn jas. - -„Kom dokter, wees niet chicaneus; tien pop, ziedaar; tien pop en een -lekkere sigaar. Ik weet niet meer hoe die smaakt, parole d’honneur! -en,” zei hij zachter, „ik heb honger ook.” - -De oude heer voelde in zijn vestzak, haalde er een gouden tientje uit -en stopte het in de lange knokkelige hand. - -„Merci! En nu de sigaar.” - -„Loop naar den duivel.” - -Dokter Van der Linden wipte in zijn coupé, waar het kind reeds in een -hoekje zat gedoken, en sloeg de deur met een harden slag dicht. - -Ronduit gezegd was dit een waardig einde van dien onaangenamen dag. Hij -had niet kunnen weigeren op dat woord: honger, dat zoo’n naren klank -had; maar het was een dwaasheid geweest. De vent zou hem wel weer weten -te vinden; hij was te zeer een panier percé en te goed geslaagd met die -tien gulden om het bij deze eerste poging te laten. Wat daartegen te -doen? De politie? Maar och, dat was ook al zoo moeilijk. De heele oude -geschiedenis, met dien Van Leeuwendaal te Batavia voorgevallen, stond -hem nu weer helder voor den geest. Ze was reeds lang in ’t vergeetboek -geraakt. Men sprak er niet meer van en zou er wellicht nooit meer over -gesproken hebben, als dat akelig individu daar niet onverwacht en van -slechter conditie dan ooit, uit de lucht kwam vallen. Een diepe zucht -ontsnapte den dokter. Het was een beroerd geval. Nog denzelfden avond -schreef hij aan Louise: - -„Kindlief! Hedenavond ben ik aangehouden en om geld gevraagd door dien -Van Leeuwendaal. Mocht hij zich ook tot u wenden, zeg hem of laat hem -zeggen, dat gij hem niet te woord staat. Vroeger was hij een dwaas, nu -is hij een gemeen sujet geworden, waarmede een vrouw als gij zelfs geen -gesprek kunt voeren. Je Pa.” - -Het was volstrekt niet overdreven en dokter Van der Linden was goed -ingelicht. - -Toen Van Leeuwendaal terugkwam bij zijn ouders met zijn kort, maar naar -zijn meening hoogst interessant avontuur in Indië, dacht hij er minder -dan ooit aan iets ter hand te nemen. Hij slenterde rond, kroeg in, -kroeg uit, flaneerend langs de straten, burger- en dienstmeisjes -bewerkend met monocle en badientje, en eindelijk, toen zijn ouders -gestorven waren en ’t beetje geld op was, toog hij naar Amerika. Hij -speelde er den schuimlooper een jaar of wat lang, tot dat nergens meer -goed ging, en kwam terug naar Europa. Eerst trad hij op te Londen, -leefde er goed van, doch werd op een zeer onbehoorlijke manier -betrokken als medeplichtige in een valsche wisselzaak. Dit bracht hem -een paar jaren in de gevangenis, en dit knakte hem naar het uiterlijk -zóó, dat haast niemand hem herkende en men er over verbaasd moest -staan, dat zulk een hoogst ordinair uitziend individu ooit een swell -was geweest. Nog teerde hij op zijn naam, die bekend was, en zijn -titel; nog waren er kroeghouders, gewezen livreibedienden of -kamerdienaars, die zich herinnerden hoe zij voor hem als kind en voor -zijn familie, met nederige buigingen de deur hadden geopend, en die het -niet over hun hart konden krijgen hem krediet te weigeren, al wisten -zij ook, dat hij nimmer zou betalen. - -Op een goeden dag, slenterend langs de straten, zijn eenig bedrijf, zag -hij mevrouw Riquelle. Hij twijfelde; ook zij was veranderd, schoon niet -zoo ongunstig; zij was dik geworden, en ze scheen nog veel dikker door -haar „omstandigheden”, welke zij rustig, zonder vertoon, maar ook -zonder terughoudendheid, droeg; hij liep haar vooruit en toen weer -terug; toevallig keek ze hem aan; nu twijfelde hij niet meer; zij was -het, maar ze had hem niet herkend, en hij miste den moed haar aan te -spreken. Doch hij had nagedacht en geïnformeerd, en hij had ingezien -dat dit voor een chevalier d’industrie als hij, een waar buitenkansje -was, een melkkoetje, dat in geen jaren zou opdrogen. - -Zoo had hij eenige dagen rondgegluurd en geloerd. - -En eindelijk, zijn kans schoon ziende, had hij den dokter gesnapt en -met betrekkelijk goed resultaat. Hij wreef het gouden tientje tusschen -zijn mageren duim en wijsvinger. ’t Was zoo’n aangenaam gevoel. In geen -maanden had hij goud in zijn handen gehad! - -Voor het venster van een winkel, waaruit een breede lichtbundel zich -krachtig naar buiten verwijdde, veegde Van Leeuwendaal met groote zorg -zijn rossigen hoed en sloeg hij de pluisjes van zijn kale jas; toen -liep hij met zijn kromme, naar binnen gebogen magere beenen snel de -Plaats over en trad vast besloten de restauratie van Van der Pijl -binnen. Er zaten verscheiden gasten, waaronder die Van Leeuwendaal en -zijn verleden op hun duimpje kenden. Het waren meer verwonderde en -medelijdende blikken, die hem troffen, dan boosaardige, zelfs van den -kant des ouden kellners. Hij zette zijn hoed af; in die weinige jaren -had hij zijn ganschen haartooi verloren; zijn schedel glom als een -spiegel. - -Toen hij op zijn ouden toon een matig dinertje bestelde, liet hij -gemakshalve den bediende ’t goudstuk zien; toen werd hij in dit -établissement, waar hij ook meer schuld had dan krediet, bediend. Hij -at geweldig, en de oude knecht, die toekeek, had zulk een medelijden, -dat hij desnoods voor hem zou betaald hebben. Van Leeuwendaal keek daar -niet naar,—wie bekommerde zich om knechts! Hij riep, toen hij voldaan -was, om een havana, stak die aan, slurpte een likeurtje en stak zijn -beenen voor zooveel mogelijk rechtuit onder de tafel. - -En al „savoureerend”, zooals hijzelf zou gezegd hebben, van het een in -het ander, met een lichten nevel om zijn geest en een sterke neiging -tot slaperigheid, trachtte hij er over na te denken, welke middelen hem -ten dienste stonden om de Van der Lindens verder te exploiteeren. - -Hij zou haar bang maken, en dan zou zij wel moeten afschuiven; niet dat -hij het doen zou op brutalen, dreigenden toon,—volstrekt niet. Daartoe -was hij te veel gentleman; men moest nooit onbeschoft zijn tegen de -dames. Hij zou zeer nederig verzoeken op zijn manier, en dan zou zij -toch wel gevoelen en begrijpen, dat een fatsoenlijke dame zich geen man -tot vijand maakt, die, toen ze nog jong meisje was, ’s nachts, terwijl -ze sliep, bij haar in de kamer is geweest. Er was wel niets gebeurd, -maar toch: iedereen kon het zijne er van denken, en de graaf Riquelle, -officier der cavalerie, zou zeker niet gesticht zijn als hij er van -hoorde; Van Leeuwendaal gevoelde zich niet op zijn gemak toen hij dacht -aan dien ritmeester, die hem zoo nijdig had aangekeken, en die volkomen -in staat was hem een geweldig pak slaag toe te dienen. Doch zij kon wel -zwijgen en opdokken; hij had haar in zijn macht; ’t was maar te doen om -een handig gebruik te maken van wat hij wist. - -Langzaam en met tegenzin stond hij op en betaalde. Er werd in het -fatsoenlijk établissement zelfs geen poging gedaan om hem ’t geld op -afrekening zijner oude schulden in te houden; wat er na de vertering -over was, kreeg hij terug; recht liep hij naar de overzijde een stil -koffiehuis binnen, waar hij plaats nam achter het groene gordijn, dat -hen, die voor het venster zaten, in de duisternis hield en dus onttrok -aan de blikken der voorbijgangers; hij dronk er eenige glazen bier en -een paar grogjes, en ging toen eenigszins zwaaibeenend naar wat hij -zijn huis moest noemen; een armzalig zolderkamertje in een hoog, -vervallen huis door tal van gezinnen bewoond, dat in de oude stad stond -en bekend was in de wandeling als de „Arke Noachs”. - -Baron Van Leeuwendaal liet zich maar half ontkleed in het bed vallen, -kroop tusschen het vuile beddegoed en sliep, dank zij den sterken -drank, weldra vast genoeg om geen last te hebben van talrijke gasten, -die gymnastiek maakten tegen de bedgordijnen. - -En toen hij reeds sliep, droomend van een lui en lekker leven, zat -Louise nog op, ongerust en zenuwachtig over dat briefje van haar vader. - -Maar zij was het daarmee niet eens. - -Een passieve houding strookte, als er iets bijzonders te doen was, in -’t geheel niet met haar aard. Zij had allerlei plannen bedacht om -handelend op te treden en weer verworpen. - -Toen ze haar man van een vergadering hoorde thuiskomen, waarin -militaire zaken werden besproken, bergde zij ’t briefje weg en -veranderde de uitdrukking van haar gezicht. - -„Het heeft lang geduurd,” zei ze. - -„Ja, maar ’t was zeer interessant; een lezing over de ontwikkeling van -het paard.” - -„Nu, dat zal jij wel mooi hebben gevonden.” - -„Natuurlijk.” - -„En wat vertelden ze?” - -Het interesseerde haar niets, maar zij kende zijn liefhebberij voor -paarden, en ze wist hoe graag hij er over sprak, als hij meende haar -niet te zullen vervelen. Zoo verviel hij nu ook in een uitweiding over -tal van bijzonderheden uit het leven van veulens, waarbij zij -aandachtig luisterde, met moeite den drang tot geeuwen bedwingend. - -„A propos, ik heb dien kerel gerecommandeerd,” zei hij, toen zijn -mededeelingen gedaan waren. - -„Wien?” vroeg zij verschrikt. - -„Wel, dien ploert, die ons altijd zoo brutaal fixeert en soms hier om -het huis draait.” - -„Je hebt toch geen aangifte.....” - -„Bij de politie? Neen, merci, mijn beste! met de politie,” zoo -vervolgde hij op den toon der diepste verachting, die een hooggeboren -Hagenaar voor de politie koestert, „wil ik nimmer iets te maken -hebben.” - -„Dat is goed!” - -„Ik heb veel eenvoudiger expediënten voor zulk volk.” - -„Wat dan, Edmund?” - -„Ik heb twee van mijn mannetjes gezegd nu en dan een oog in het zeil te -houden.” - -„En als ze dien man zien?” - -„Dan zoekt een hunner ruzie met hem en ranselt hem af, terwijl de ander -op den uitkijk blijft staan; dat doen wij altijd met zulk volk.” - -„Het is zeker heel gemakkelijk, maar is het niet gevaarlijk?” - -„Bah, men laat de cavalerie met rust.” - -De recommandatie trof al zeer spoedig doel. - -Het gaf geen aanleiding tot tusschenkomst der politie; al wist Van -Leeuwendaal uit welken hoek de wind woei, toch vond hij het niet -raadzaam een aanklacht in te dienen, welke bij zijn antecedenten zeer -zeker tot geen voldoening zou geleid hebben. Met een doek om zijn oog -en een kreupel been, ging hij dokter Van der Linden opzoeken, die, toen -hij van den bediende hoorde hoe het individu was toegetakeld, zijn -pleizier en zijn nieuwsgierigheid beide niet kon bedwingen. - -„Zóó,” zei hij norsch, „wat is het nu weer?” - -„Ik kom uw geneeskundige hulp inroepen.” - -„Dank je. Ik gun jongere collega’s graag patiënten.” - -„Het is anders niets meer dan billijk,” vervolgde Van Leeuwendaal op -klagenden toon, „dat de vader repareert, wat de dochter beschadigt.” - -„Ik verzoek je mijn dochter buiten spel te laten; zij heeft met -vechtpartijen en dronkenmansgelagen niets te maken.” - -„Och wèt? Vechtpartijen en dronkenmènsgelagen! Ik wou wèrèchtig, dat ik -dronken was geweest en gevochten had. Ik ben aangerand en mishandeld, -door gemeene soldaten, die u of uw schoonzoon op me hebt afgezonden.” - -„Zoo?” zei de dokter lachend. „Nu, ik deed het niet, maar als mijn -schoonzoon dat mocht gedaan hebben, geef ik hem groot gelijk. Lieden -als jij verdienen niet beter. Doe dien band eens van je oog.... hm! ze -hebben je aardig te pakken gehad..... De kerel, die je dien opstopper -gaf, had iets in zijn mouwen.... Ik zal je een smeersel voorschrijven -en droppels tegen de ontsteking..... Doe nu maar weer dicht, en laat me -het been zien.” - -Van Leeuwendaal deed het alles in stilte, blij dat het zoo gelukt was, -zich op die wijze weer in te dringen. - -„Ze hebben je zeker een trap gegeven tegen het scheenbeen, hè?” vroeg -dokter Van der Linden en meteen kneep hij in het been, dat Van -Leeuwendaal het uitschreeuwde. - -„Net ooievaarspooten,” mompelde de dokter met belangstellende -verbazing. - -Maar intusschen schreef hij wat voor en blies in zijn beurs. - -„En hoe weet jij nu,” vroeg hij ten slotte, „of die kerels iets met den -ritmeester Riquelle te maken hadden?” - -„Het was in den omtrek van zijn huis.....” - -„Dus je liep te spionneeren!” - -„Volstrekt niet, dokter! Ik dacht er zelfs niet aan. Ik deed mijn -avondwandeling voor de digestie, en dan kom ik altijd langs het huis; -ik pèsseer....” - -„Maak het maar kort.” - -„Plotseling komt mij een eindje verder, juist voor een klein stil -zijstraatje, een soldaat op zij, grijpt mij bij den arm en rukt mij ’t -straatje in; een ander soldaat scheen daarvoor de wacht te houden. Ik -geef den vent parole d’honneur een what you call voor zijn kop, maar -hij was de sterkste. Enfin, hij zei: smeerlap, nu voortaan uit de buurt -van mijn ritmeester blijven! Is dit niet een afdoend bewijs?” - -De dokter haalde lachend de schouders op. - -„Ik zou het aannemen, als ik in jou plaats was, voor een goeden raad, -mij er naar gedragen, en God danken dat ik er nog zoo goed was -afgekomen.” - -„Tudieu! God danken voor een pak slaag,—die is wel aardig! Ik weet nog -niet precies of ik het doen zal.” - -Van Leeuwendaal grijnsde zoo leelijk, dat de dokter hem sterk verdacht -van wraakzuchtige plannen. - -„Als je nu heel fatsoenlijk bent,” zei hij, „dan zal ik je nu en dan -iets geven voor je onderhoud. Maar maak het mij noch iemand lastig, dat -zeg ik je, want dan is het uit en voor goed ook, hoor! Ga nu maar -gauw!” - -„Dank u, dokter, mèèk u verder niet ingerust over mijn précieuze -gezondheid.” - -Buiten frommelde hij ’t papiertje ineen en wierp het weg. Dat oog en -dat been zouden ook wel beteren zonder zalf of droppels. Een glas grog -meer, men sliep lekker, slaap genas en dat was minder kostbaar, doch -veel lekkerder. „Een trouvaille,” mompelde hij hoofdschuddend -voortstrompelend, „een ware trouvaille die familie. De oude heer zal me -in mijn ziekte nog vet mesten en als ik beter ben, wacht maar, dan -zullen we die lieve familie wel straffen. Die dragondergrap zal haar -duur te staan komen.” - -Terwijl hij voortliep, tornde hij om een hoek bijna tegen een heer op, -die, met zijn wandelstok zwaaiend, luid in zijn eentje sprak. - -„Pèrdon!” zei Van Leeuwendaal pijnlijk. - -„Het is niets; hebt gij u niet bezeerd?” vroeg de andere, den doek -ziende en het kreupel loopen..... - -„U is wel vriendelijk! Dat is niet iedereen.” - -„Zijt ge zoo weinig niet gewoon?” - -„Om u de wèèrheid te zeggen, in den laatsten tijd niet erg. Als men -geen geld heeft, pèrbleu!....” - -„Ge schijnt toch een goede opvoeding te hebben genoten.” - -„Magnifique!” zei Van Leeuwendaal met een geheimen spot, die den ander -ontging. „De fijne puntjes ontbraken, dat is het eenige wat er aan -mankeert.” - -„En geen werk?” - -„Wat blief? Geen werk, vraagt u?” - -„Ja, ik vraag of gij geen werk, geen betrekking kunt vinden in deze -door en door verrotte maatschappij.” - -„Ah!.... u bent een sociaal-democraat?” - -„Ja.” - -„Dat zou men u niet aanzeggen.” - -„Ik ben het niet uit armoede, maar uit overtuiging. Sedert ik weet hoe -onze samenleving het recht met de voeten treedt en hem, die er voor -strijdt, verguist en beleedigt, heb ik nagedacht en ben tot een -bepaalde overtuiging gekomen.” - -Hij had eenige schreden met den kreupelen, doodarmen baron opgeloopen, -en was nu stil blijven staan onder het licht van een lantaarn. - -„Mijn denkbeelden hebben zich verruimd; van het enge van een bepaalden -werkkring, zijn zij gekomen tot een begrip, dat het geheel onzer -maatschappelijke samenleving ook in zijn onderlinge verhoudingen -begrijpt. Ik weet thans welke ellende wordt schuil gehouden onder het -dunne vernislaagje onzer beschaving.” - -„Eééh!” riep Van Leeuwendaal buitengewoon verrast. - -Hij rekte zijn mageren hals uit en draaide met zijn hoofd heen en weer, -om met het beschikbare ééne oog het gezicht van den vreemdeling beter -te kunnen zien; deze, die van de zonderlinge inspectie niets begreep, -richtte zijn kloek gebouwde gestalte meer op, benieuwd te weten, wat -deze proletariër bedoelde. - -„Eééh!” herhaalde Van Leeuwendaal op fijnen, gerekten toon. „Maar u -bent, wacht eens.... Wat drommel, het is haast onmogelijk, dat ik me -vergis.... Laat eens kijken: de luitenant Van.... de luitenant Van.... -Tiens, tiens! ik kan op den naam niet komen.” - -„Ik heet Van Schermbeek.” - -„Precies! Eureka! Het is Van Schermbeek!” - -„Maar wie is u?” - -„Van Schermbeek! In Indië geweest.... artillerie.... gewoond bij moeder -Sleeks.... met Fournier en van.... van.... Die duivelsche namen!” - -„Van Brakel,” klonk het, maar niet meer opgewekt of oratorisch; veeleer -pijnlijk. - -„A la bonne heure! Van Brakel! Ja, dat was een andere tijd; een rare -boel voor mij, maar toch nog zoo kwaad niet bij later vergeleken. -Enfin! Het is wonderlijk, dat u mij niet herkent. Iedereen herkent mij -bij het eerste woord. Ik ben Leeuwendaal, baron Van Leeuwendaal.” - -De gewezen luitenant Van Schermbeek ging een schrede terug; hoezeer hij -in den laatsten tijd nogal in aanraking kwam met menschen van minder -allooi, was hem dit specimen toch te machtig. In een oogenblik -herinnerde hij zich weer de geheele geschiedenis te Batavia -voorgevallen en ook de veel erger ongunstige mededeelingen nu en dan -gedurende zijn verblijf in Holland vernomen. Hij was door opvoeding, -verleden en karakter een veel te fatsoenlijk man om zich met gemeen -volk gemakkelijk te encanailleeren. - -„O zoo!” zei hij langzaam en tamelijk ontnuchterd. „Is u die persoon?” - -„Hm! Dezelfde.” - -Van Schermbeek zon gaarne gezegd hebben, dat hij dan het genoegen had -hem te groeten, maar zijn nieuwe denkbeelden omtrent de maatschappij -enzoovoort waren daarmee in lijnrechten strijd. - -„En hebt u geen middel van bestaan?” - -„Direct niet. Ik leef zoo’n beetje van den eenen dag in den anderen.” - -„Zoudt gij geregelden arbeid verlangen?” - -„Werk! Ik weet eigenlijk niet goed wat dat is. Ik heb nooit gewerkt.” - -„Dan is het meer dan tijd, om, als het kan, een fatsoenlijk, werkzaam -leven aan te vangen.” - -„Daar zit juist de knoop: het kan niet.” - -„Waarom niet?” - -„Het is geheel in strijd met mijn aard en gewoonten; ik zou kunnen -voorgaan, toespreken....” - -„Aan voorgangers en redenaars van uw slag is geen behoefte,” zei Van -Schermbeek, kalm en ernstig: „wij hebben dus verder niets te bespreken. -Goeden avond!” - -„A propos, werp het idee niet weg. Ik zou....” - -„Goeden avond!” herhaalde de ander op een toon, die voor Van -Leeuwendaal geen verdere discussie toeliet. En Van Schermbeek ging op -zijn schreden terug. - - - -Corrie Roos had haar intrek genomen bij den slijter om, zoo dacht zij, -de schuld haars vaders in te verdienen. De behandeling viel haar mee; -de menschen waren zoo kwaad niet. Doch langzamerhand en zonder dat zij -het eigenlijk bespeurde, verviel zij metterdaad in het dagelijksch -leven tot weinig meer dan een gewone dienstbode. - -Alleen als er „partijen” waren of de burgerluitjes uitgingen was zij -zoo iets als een dame, want dan werd met haar geparadeerd als met de -kapiteinsdochter, die tot levend en welgedaan bewijs moest strekken van -de menschlievendheid der familie, welke haar om niet in huis had -genomen en verzorgde. Zij kwam in gezelschappen, die ze niet kende; -waar het er netjes en goed gemeubeld uitzag; waar het aan dranken en -lekkernijen niet haperde; waar de dochters en vriendinnen goed gekleed -waren; waar het vroolijk toeging,—maar waar toch stukjes werden -uitgehaald en uitlatingen werden gebezigd, die ze wel kende van de -school en van de straat, maar die ze noch in haar kinderjaren in Indië, -noch thuis van haar vader en moeder ooit had bijgewoond of gehoord. - -Corrie dacht nog wel eens aan den afgewezen kapitein en aan haar nu -getrouwde zuster, maar toch zonder spijt. Voor den man gevoelde zij -niets en Nelly benijdde ze niet. Zij kon zich in de nieuwe -levensomstandigheden vrij goed schikken, even goed als destijds haar -vader dat had kunnen doen, wiens aard ze in menig opzicht had. En zij -en de dochter des huizes hadden elk in stilte een galant; ze verzonnen -samen zooveel mogelijk boodschapjes tusschen licht en donker, net als -ze vroeger deed met haar zuster, en dan maakte ze lange wandelingen met -die jongelui, klerken bij een van de ministeries. - -Zoo leidde zij onbezorgd en tamelijk onverschillig een leven, dat, -vergeleken bij haar jongste verleden, inderdaad zoo slecht nog niet -scheen. - -Haar zuster schreef zij niet meer. - -Op den brief, waarin zij had herhaald dat zij het aanzoek van den -kapitein had afgewezen, was een epistel gevolgd, dat allesbehalve -malsch mocht heeten en waarin zij werd uitgemaakt voor al wat dom was. -Haar te vergeven, dat zij een kapitein had afgewezen, terwijl Nelly -zelfs een tweeden luitenant in liefde had aangenomen, was onmogelijk. -Zoo was de briefwisseling tusschen de zusters op onaangename wijze -gestaakt. - -Maar er kwam een oogenblik dat Corrie in doodelijke ongerustheid, haast -soms niet wist wat ze deed en onder tranen bij zichzelve Nelly groot -gelijk gaf; gelijk in alles! - -Het was dan gebeurd, zooals haar zuster had voorspeld; ’t was op een -avond,—natuurlijk; zoo iets gebeurt altijd ’s avonds; zij waren alleen, -zij en Etienne; ook precies als altijd bij gelegenheden, dat een derde -persoon een onmogelijkheid is; zij zaten samen in een buitentuin, in -het donker, in een priëeltje,—soedah, het was de old, old story! Maar -Etienne—Steef noemden „ze” hem thuis—was in zijn soort geen slecht -jongmensch en, wat in dit geval meer zei: hij was dol van Corrie. Een -erge kwast was hij, volgens het algemeen gevoelen van zijn collega’s en -superieuren; hij droeg manchetten tot op zijn nagels, zat keurig netjes -in de kleeren, en sprak bijna zoo schaapachtig Haagsch als Van -Leeuwendaal, zoodat zij, die hem niet kenden, hem in de wandeling voor -een heel heer hielden, ofschoon hij ’t grootste deel van elke maand -zonder fondsen was, en dan vaak een sleutel droeg op de plaats, waar -men een horloge had mogen veronderstellen. Hij woonde in bij zijn -vader, een eerzaam mandenmaker, die op een plank in het voorhuis -zittend, met stalen vlijt rietjes en teentjes tot manden en mandjes -vlocht. ’s Morgens als Etienne naar zijn kantoor ging, wipte hij vlug -het kleine huisje uit, waarover hij zich schaamde, en ’s middags sloop -hij er in, of, als er toevallig een dame aankwam, liep hij er voorbij -om naderhand langs een omweg terug te keeren. - -Doch ondanks al die kleine ijdelheden en gebreken, was Etienne Van -Haafte bij weinig kennis en een middelmatig verstandje, geen jonkman -met bepaald slechte eigenschappen, en toen Corrie hem huilend vertelde, -hoe het met haar geschapen stond, schrikte hij wel hevig, maar zwoer -dadelijk dure eeden, dat hij haar trouwen zou. - -De verdere ontdekking gaf aanleiding tot hevige tooneelen bij de -familie Maas, te meer toen bleek, dat ook de jongejuffrouw Maas in -omstreeks geheel overeenkomstige omstandigheden verkeerde. Ook de -oudelui Van Haafte waren woedend; niettemin duurde al die boosheid met -de geweldige uitbarstingen en het gehuil, dat die vergezelden, niet -heel lang. Corrie was er geheel suf van en betreurde bitter, dat zij -bij de préliminairen geen weerstandsvermogen genoeg aan den dag had -gelegd; dan was er niets gebeurd. Doch, als altijd, kwam het berouw te -laat; zij zou trouwen, dat was de slotsom, en daar Etienne schoon -slechts klerk toch ambtenaar was, zou ze „mevrouw” worden, dàt was ten -minste een troost! - -Toen men eenmaal zóóver was, ging alles vrij gemakkelijk. Op een goeden -ochtend kleedde zij zich en.... ’s avonds reed zij als mevrouw Van -Haafte naar een kleine woning op het dorpje Rijswijk, waar ze zouden -wonen voor de goedkoopte, want le mari had slechts zooveel jaarlijksch -inkomen, als in den tijd van zijn actieven dienst in Indië, wijlen papa -Roos per maand had genoten. - -Het ging Corrie slecht af, huis te houden met zoo weinig en Etienne zat -halve nachten copiëerwerk te doen, dat hij had machtig weten te worden -tegen zóóveel centen per bladzijde van zóóveel regels met zóóveel -letters op elken regel. - -Toen het eerste product de bloemkool had verlaten, en Corrie -lichamelijk nog nauwelijks hersteld en finantiëel zieker dan ooit was, -kwam haar man opgewonden en druk te huis. - -Hij kuste haar en het kind. - -„Lieve,” zei hij, „we moeten eens ernstig spreken.” - -„Wat is het?” - -„Er worden ambtenaren gevraagd om naar Indië te gaan.” - -Zij streek haar hand langs het voorhoofd en zuchtte. Naar Indië! Hoe -kwam hij daaraan? Hoe kwam hij aan dat stille droombeeld, dat ze altijd -zoo zorgvuldig had teruggedrongen, als het bij haar opkwam? - -„Naar Indië!” herhaalde ze. - -„Er worden er zes gevraagd, maar er zijn wel zestig sollicitanten. -Verbeeld je, het geeft driehonderd en vijftig gulden in de maand, -vrijen overtocht en een voorschot voor uitrusting!” - -„Maar als er zooveel sollicitanten zijn....” - -„Dan heb ik weinig kans, dat is waar; doch je hebt me zoo dikwijls -verteld, dat er zooveel hoofdofficieren hier zijn en andere -gepensionneerde hoofdambtenaren, die je nog kent uit den tijd van je -papa.” - -„Ja, dat is zoo.” - -„Als ik eens naar hen toeging? Want je begrijpt, het is alles een -quaestie van protectie.” - -„Ze kennen je niet.” - -Hij liep onrustig op en neer. Het denkbeeld uit zijn Haagsche misère te -komen, lachte hem zoo toe! Maar hij was heel jaloersch, en de vraag, -die hem thans op de lippen lag, kostte hem heel veel strijd. - -Toen hij haar toch doen zou, kreeg hij er een kleur van, hij wist zelf -niet hoe ’t kwam. - -„Als jij eens ging?” - -Het viel den jongen ambtenaar erg mee. Corrie toonde geen de minste -verwondering of ergernis. Met haar van nature practischen Indischen -aard, had zij dadelijk ingezien dat dit om te slagen verreweg de beste -oplossing was. Van kindsbeen af had ze te veel menschen gezien om -bepaald verlegen te zijn, al zag ze er tegen op. - -„Ik zal het doen, Etienne, maar indien het mocht gelukken, moet je me -één ding vast beloven.” - -„En dat is?” - -„Zonder dan elke maand een kleinigheid af van je traktement, en laat -dat hier ontvangen door Maas, tot de schuld, die pa aan hem had, is -betaald.” - -Hij had er weinig lust in, want hij meende dat dit de plicht van Nelly, -zijn onbekende schoonzuster, was; hij beloofde het echter. - -Maar zijn belofte was op dat oogenblik welgemeend. Zij had meer kunnen -vragen, als zij gewild had, want Etienne was overgelukkig door het -welslagen zijner poging om Corrie te spannen voor de lading protectie, -die den kruiwagen vullen moest, welke hem naar de betrekking in Indië -zou rijden. Hij was zoo lief, zoo vriendelijk en zoo zorgzaam voor haar -als in de beste dagen hunner eerste intieme verhouding. Corrie sloeg er -geen acht op; zij was vol van het denkbeeld der démarches, die zij doen -moest, en zij had geen veelzijdig verstand genoeg om, als haar één -gedachte vasthield, op andere bijzonderheden te letten. - -„Ik geloof,” was het eerste, dat zij den volgenden ochtend zei, „dat ik -het beste doe met de Van Stralens te beginnen.” - -„De kolonel Van Stralen,” zei Etienne om iets te zeggen, en met een -eerbiedigen klemtoon op den hoofdofficiers-rang. - -„Het is te hopen, dat ik hem thuis tref. Ik zal daarom wat vroeger -gaan, dan mama er destijds heenging, want die kwam altijd eerst, als de -oude heer naar de sociëteit was.” - -Etienne had een idee; of het uit zijn eigen slimheid voortkwam, dan wel -een puntje jaloezie hem stak, had hijzelf niet kunnen uitmaken, maar -hij zei met een erg leep gezicht: „Misschien kon het geen kwaad als je -eens eerst met haar sprak.” - -Zij gaf het hem toe; dat was wellicht nog het verstandigste en op -denzelfden tijd van den dag, dat haar moeder zoo dikwerf vol hoop op de -fortuin van het spel de schel had doen weerklinken in de marmeren gang -der Van Stralens, drukte Corrie op den koperen knop. - -Een klein beetje in verwarring trad mevrouw Van Stralen, die juist in -de bekende kamer haar dames-partners bijeen had om het gewone spelletje -aan te vangen, de benedenzijkamer binnen, niet wetend welke vreemde -bezoekster haar overviel op dit ongewone uur, want schoon Corrie haar -bij het huwelijk de gebruikelijke kennisgeving had gezonden, was de -naam van Van Haafte haar volkomen ontgaan en het zien van Corrie maakte -haar niet wijzer. - -„Met wie heb ik het genoegen te spreken?” vroeg ze koel. - -„Kent u me niet meer?” vroeg Corrie, teleurgesteld: „mijn papa was de -kapitein Roos.” - -„Och wat! ben jij een van de meisjes Roos....? Ja, nu herinner ik mij; -je bent eenigen tijd geleden getrouwd, en hoe gaat het je?” - -„Wat zal ik u zeggen, mevrouw?” antwoordde Corrie glimlachend: „mijn -man is een jong ambtenaar en de traktementen hier in Holland....” - -Mevrouw Van Stralen begon te lachen. „Ja kind, dat begrijp ik; dat is -misère ouverte.” - -Zij voorzag een aanval op haar beurs en hoe onaangenaam dat ook is in -gewone omstandigheden, schrikte het haar thans niet af; zij had nog -genoeg sympathie voor haar gestorven vriendin om iets voor de dochter -over te hebben. - -Toen Corrie haar echter verteld had waarom het te doen was, kwam zij -geheel in haar humeur; zij vond het heel verstandig van het jonge -vrouwtje, dat zij niet had geaarzeld de hulp in te roepen van goede, -oude relaties, en het getuigde naar hare meening gunstig voor het -karakter van den jongen man, dat hij het er op durfde wagen de groote -wijde wereld in het Oosten in te gaan, in plaats van als een huismusch -te willen leven en sterven onder den rook der schoorsteentjes van zijn -geboorteplaats. - -Het maakte haar zoo warm, dat zij in een opwelling van haar goed hart -zich de zaak geheel aantrok; verklaarde, dat Corrie geen moeite meer -hoegenaamd behoefde te doen, want dat zij, mevrouw Van Stralen, alles -in ’t werk zou stellen om Van Haafte het baantje te bezorgen. - -„Maar, zie je kind, de kolonel heeft zijn eigenaardigheden; hij zou -voor iemand door het vuur gaan, maar hij wil altijd graag zelf gekend -wezen. Kom daarom nu morgenochtend, om een uur of tien, nog eens terug -en vraag het hemzelf ook.” - -Met die blijde boodschap reed de jonge vrouw met de paardentram naar -haar dorpje, en den volgenden morgen zat zij precies op tijd tegenover -den kolonel, die met zijn vrouw in de huishoudkamer het ontbijt -gebruikte. Zij moest haar hoed en haar mantel af doen en mee aanzitten; -de dochter van een oud krijgskameraad mocht, zei de kolonel, geen -vreemde in zijn huis zijn. Hij behandelde haar met die eigenaardige, -hoffelijke vriendelijkheid, waarover zijn vrouw altijd in stilte lachte -en die, zoo zei ze, tot de streken behoorde, welke hij niet verloor, al -raakte hij zijn haren kwijt. - -Toen zij had verteld, wat de kolonel trouwens reeds achter de gordijnen -hoogst uitvoerig van zijn vrouw had vernomen, trok hij voor een -oogenblik het passend bedenkelijk gezicht, dat elke gedachte aan -luchthartigheid moest uitsluiten. - -„Er zal een zware wijs opgaan, mevrouwtje; ik heb er al van gehoord. -Slechts enkele plaatsen en, zooals het gaat, veel liefhebbers!” - -„Ja, kolonel, dat is zoo,” gaf Corrie toe met haar gemoedelijkst -lachje, „maar toch als u, met uw vele relaties en hooggeplaatste -vrienden en kennissen, uw best voor ons zoudt willen doen, hadden wij -zeker een mooie kans.” - -De kolonel was opgestaan. Hij klopte haar vaderlijk met de hand op den -gevulden schouder. Het was nu eenmaal zijn oude zwak: als hij een -jonge, knappe vrouw zag, kon hij moeilijk zijn handen heelemaal -thuishouden. En hij lachte haar allervriendelijkst toe met scherpe -mondtrekking onder zijn grijze knevels en erg geteekende ganzenpootjes -naast zijn oogen. - -„Wel,” zei hij, „we zullen ons best doen, dat spreekt vanzelf, en je -moet maar nu en dan hier bij mevrouw komen informeeren, wat je man te -doen staat. Zijn request heeft hij natuurlijk al verzonden?” - -Corrie wist dat eigenlijk zelf niet, maar zei gemoedelijk: ja, en zij -ging heen tot aan de deur begeleid door den gevoeligen ouden heer, -wiens welwillende hand en vinger zij nog voelde, toen zij reeds op het -trottoir was. Het beviel Etienne maar half. Aan den eenen kant was hij -blij, dat het geloop van zijn vrouw bij al die oud-gasten, over het -algemeen voor niet heel onschuldig gehouden, zoo spoedig ten einde was; -maar overigens vreesde hij, dat, door alles aan die familie Van Stralen -over te laten, het doel niet zou bereikt worden. Corrie bestreed zijn -tegenwerpingen. Zij stelde een onbeperkt vertrouwen in de slimheid en -den invloed van mevrouw „de kolonelsche” en daar Etienne inderdaad zijn -verzoekschrift reeds aan den minister had verzonden, was zij na -tweemaal vier en twintig uren weer bij haar beschermster, om te -vernemen, of haar man ook „stappen” moest doen. - - - -De geheele kleine kring der familie Maas en der Van Haaftes was in rep -en roer. Het was een feit en het stond in alle couranten: Etienne was -benoemd als ambtenaar in Indischen dienst. Driehonderd en vijftig -gulden in één enkele maand! Vier duizend en tweehonderd gulden in één -jaar! Als de eerzame mandenmaker zich deze som voorstelde in den vorm -van gevlochten mandjes en korfjes, dan duizelde hij er van. Al die -kleine burgerlieden, die in hun kring van zulke inkomsten voor jonge -mannen nooit hoorden, keken Etienne, die zelf half gek was van vreugde -en zenuwachtige opgewondenheid, aan, alsof hij een wonderdier was, -waaraan noodwendig iets bijzonders moest te zien zijn, dat zij te voren -nooit bij hem hadden opgemerkt. - -Maar voor elkaar wilden zij dat niet weten en zelfs zij, die Etienne -voor nooit iets anders hadden gehouden dan een „kwast”, waarin niets -dan dwaasheid stak, verklaarden nu het luidst, dat zij altijd wel -gedacht hadden, dat er „iets” in hem zat en hij het ver in de wereld -zou brengen. In de eenvoudige woning op het dorpje Rijswijk heerschte -een gestadige drukte, die Corrie, toch zelf reeds opgewonden door het -vooruitzicht haar vaderland weer te zien, somtijds het hoofd geheel -deed verliezen. Den ganschen dag snorden de naaimachines, brachten -winkelknechts stukken goed van allerlei soort en werd tot in het -oneindige gedisputeerd over de „uitrusting” en wat daarvoor noodig was. -Etienne moest zich bij elk bezoek van familieleden, kennissen en -confraters van zijn departement in een andere kamer gaan verkleeden en -kwam dan terug in zijn onmogelijk wijden kabajo en dito slaapbroek, tot -groote hilariteit van allen en in de eerste plaats van hemzelf, doch -met uitzondering van Corrie, die zoo trouw mogelijk de modellen had -gevolgd van wijlen haar vader, den ouderwetschen, groot- en -zwaargebouwden kapitein Roos. Hoe die roezige tijd vóór het vertrek -naar Indië verliep, wist ze zelve niet; maar zeker is het, dat ze op -den bepaalden ochtend met man en kind en een groote hoeveelheid bagage, -in een waggon zat van een trein, die het station van den Hollandschen -spoorweg zou verlaten; dat er velen op het perron stonden, afscheid -nemend met vertoon van aandoenlijkheid, waarbij kwam een groote mate -van eerbied voor de jonge vrouw, toen de deftige kolonel Van Stralen en -zijn echtgenoote ook even verschenen om den vertrekkenden vaarwel te -zeggen. - -Te Nieuwediep lag het groote stoomschip, waarmee ze de reis zouden -maken. Al de herinneringen uit haar kinderjaren waren bij Corrie -levendig geworden. Zij vond het niets vreemd aan boord en installeerde -zich met haar kleine in de voor hen bestemde hut, zonder iets te vragen -of ergens aanmerking op te maken, zich schikkend in bekende -omstandigheden. Maar voor den Hèègschen jongen bureau-ambtenaar, die -nog nooit een voet had gezet op een mailboot, was het zoo overstelpend -vreemd, dat hij nauwelijks goed wist, wat hij zei en deed, en in zijn -verwardheid een van verlof terugkeerenden luitenant-kwartiermeester -aansprak voor den administrateur. En toen het oogenblik kwam, dat de -trossen werden losgeworpen, het schip met zachte schommeling van den -oever deinde, den afstand van het land met elke seconde vergrootend; -toen van het wachtschip het volkslied in schetterende tonen weerklonk -en de Jantjes in het want een luid hoezee! aanhieven, toen werd -Etienne, leunend over de reeling, bleek als een doek; een gevoel van -angstige beklemdheid maakte zich van hem meester en, hij wist zelf niet -hoe ’t kwam, maar de tranen schoten hem in de oogen en zijn sigaar -ontsnapte zijn bevenden vingers. Doch Corrie was niet aan dek; zij was -bezig met haar kind en met haar goed beneden in de hut; zij hoorde wel -aan het geluid daarbuiten, dat men de reis aanvaardde, doch wat -daarachter bleef was niets voor haar, en de oogenblikken van geluk en -genot, dáár genoten en gesmaakt, wogen te weinig op tegen de zorgen en -het verdriet, dan dat zij iets er voor zou hebben gevoeld bij haar -terugkeer naar het groene land der zon, waar zij haar vroolijke, -onbezorgde eerste jeugd in het toen zoo gelukkig ouderhuis had -doorgebracht. - - - -Verwezen tuurde Nelly op het bericht onder het mail-nieuws in de -courant, die haar man met een collega samen las. Op het eerste lijstje -der benoeming van het, zooals men het in Indië noemde, „nieuwe -factuurtje geïmporteerde ambtenaren,” had zij niet zoozeer gelet. Maar -nu zij in de passagierslijst van den naar Indië vertrokken stoomer las: -„E. Van Haafte, echtg. en één kind”, kwam het denkbeeld bij haar op, -dat die „echtgenoote” niemand anders wezen kon dan haar zuster. Zij -informeerde te Batavia waar zij maar eenigszins kon, doch niemand -maakte haar wijzer, tot een brief van Corrie zelf, kort en inderhaast -geschreven, haar zekerheid gaf. - -Toen moest ze er toch om lachen. - -„Zoo’n nest,” zei ze tot haar man; „ik had nooit gedacht, dat er nog -iets van zou terechtkomen.” - -En hij met een cynischen glimlach: - -„In Indië komt alles terecht!” - - - -Het was dien dag, wat men noemt, allergemeenst weer. Het anders zoo -vroolijke en vriendelijke Brussel met zijn kleurrijke en opgesmukte -winkelgevels en zijn levendige drukte in de hoofdstraten, zag er -naargeestig en grauw uit. De regen viel kletterend neer op het -plaveisel der trottoirs en rommelde op de regenschermen der -voetgangers, die zich zoo snel zij konden door de straten spoedden. -Onder de reusachtige marquise van het station du Nord, die nog voor een -deel het dofgrauwe daglicht onderschepte, was het kwartduister, en -overal droegen reizigers en bedienden de natte sporen door de lokalen -over het perron en in de drukkende en benauwde atmosfeer verspreidde -zich de duffe, onaangename geur, die dampte uit het natte hout der -waggons van aangekomen treinen, uit de druipende dekkleeden en uit de -vochtige lading der open véhikels. - -Met den kraag van zijn demi-saison hoog opgeslagen, de dampende sigaar -voortdurend in den mond en de handen diep in de zijzakken verborgen, -stapte Mourant ongeduldig het perron op en neer, het oogenblik wachtend -dat de trein naar Holland zou vertrekken. - -Hij zag er bleek en vervallen uit en al hield hij uit jarenlange -gewoonte iets aangeleerd deftigs in zijn houding, toch kon men het hem -aanzien, dat hij in den laatsten tijd onevenredig verouderd was. - -Alles tusschen hem en Henriëtte was uit, voor goed uit. - -Toen hij de laatste maal een poging had aangewend om haar te spreken te -krijgen, was hem dat alleen gelukt op een soort van -deurwaardersbriefje, waarin hij haar in bijna officiëele termen als het -ware sommeerde, hem in zijn hoedanigheid van voogd over haar -minderjarige kinderen, te woord te staan. - -Zij ontving hem alleen en ofschoon hij dadelijk aan haar gezicht had -gezien, dat er hoegenaamd geen hoop bestond op herstel hunner vroegere -verhouding, had hij toch na eerst gesproken te hebben, zoo kalm en -bedaard dat mogelijk was over de belangen der kinderen, een laatste -poging tot toenadering gedaan. Dat het een kapitale dwaasheid was, -gevoelde hij toen en betreurde hij nu, maar het was hem onmogelijk -geweest anders te handelen. Terwijl hij daar tegenover haar zat -overstelpte hem de gedachte, dat al zijn droombeelden voor de naaste -toekomst, ook zijn finantiëele, zoo plotseling en geheel onverwacht -waren vernietigd, en toen hij gereed was met zijn mededeelingen en haar -de stukken overhandigde, die betrekking hadden op zijn voogdij en het -beheer van haar vermogen, waarom hij met bevende hand weer het bruin -elastiek sloeg, dat ze bijeenhield, loosde hij een diepen zucht en zag -haar smeekend aan. - -Het baatte niet; het kon niet baten. - -Ware zij een man geweest, een vroegere vriend, dan had er sprake kunnen -zijn van medelijden; thans trof hem slechts uit twee groote koude -zwarte oogen een blik vol haat en minachting. „Henriëtte,” zei hij, „is -’t mogelijk, dat alles zóó moet eindigen?” - -Zij trok even ongeduldig de schouders op. - -„Heb je,” vervolgde hij, toen er geen antwoord kwam, „alles goed -overdacht?” - -„Er valt niets te overdenken,” zei ze snibbig. - -„Meen je dat inderdaad? Geloof je werkelijk met dien jongen man -gelukkig te kunnen zijn?” - -Zij had hem half den rug toegekeerd en staarde, spelend met een der -cordelières van de staatsiegordijnen, uit het venster. - -„Wij zijn geëngageerd en als de stukken in orde zijn, trouwen we.” - -„Dat weet ik, dat heb je me doen weten. Maar het is geen antwoord op -mijn vraag.” - -„Mij dunkt van ja. Wat zoudt u nog verder dienen te weten?” - -„Ik vroeg, of je kunt veronderstellen, een gelukkig leven te zullen -leiden met dat jonge mensch, die alles weet.” - -„Hij is een fatsoenlijk man,” zei ze met emphase, „een man van eer! -Bovendien: wat gaat het u aan, als ik u tòch niet hebben wil?” - -„Het gaat mij aan, Henriëtte, omdat ik u liefheb, omdat wij elkaar -hebben liefgehad en omdat ik beloofd heb een vader te willen zijn voor -uw kinderen.” - -„Dáár zou ik me op beroepen,” zei ze schamper lachend en hem haar -gelaat toekeerend, waaruit woede en haat spraken. - -„Of hij fatsoenlijk is en een man van eer, laat ik in ’t midden. Het -kan zijn dat hij thans de beste bedoelingen heeft; doch wat zal later -het geval zijn, als het eerste vuur gedoofd is; als er kleine -verschillen ontstaan en de herinnering, die hem nooit geheel verlaten -kan, opkomt aan de verhouding tusschen u en mij!” - -Mourant had haar ongetwijfeld getroffen in een zwakke zij, doch hij was -te veel advocaat geweest in zijn betoogtrant en had er geen rekening -mee gehouden dat hij voor een zaak stond, die met geen logische -redeneering te winnen was. Het was als olie in het vuur. - -„Jij,” stoof ze op, „jij rekent alle menschen naar jezelve. Hij is geen -gemeene kerel! Hij is iemand met een goed hart, in wiens schaduw je -niet staan kunt met al je mooie praatjes. Hij zal me niet ongelukkig -maken, zooals jij het je goeie arme vrouw hebt gedaan.” - -Tranen van woede waren haar in de oogen gesprongen en terwijl Mourant, -door den hevigen uitval een oogenblik van zijn stuk gebracht, niet wist -wat te antwoorden, nu deze bom was gesprongen in zoo geheel verkeerde -richting, ging een zijdeur open en trad Jules driftig en bleek de kamer -binnen en op Mourant toe. - -„Hebt u hier,” vroeg hij op hoogen toon, „uw zaken als voogd van de -kinderen afgedaan?” - -Mourant had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Zij stonden -dicht voor elkaar, man tegen man, en zagen, als leeuwen gereed toe te -springen, elkaar in de oogen. - -„Ik weet niet,” zei Mourant, „dat ik u daarover eenige opheldering zou -schuldig zijn.” - -„Het raakt me niet, wat u weet. Ik heb u alleen te zeggen dat mevrouw -Veninga mijn aanstaande is.” - -„Dàt raakt mij niet.” - -„En ik zeg u er bij, dat ik niet verkies, haar door u lastig te zien -vallen.” - -„Wat u verkiest,” zei Mourant, thans op zijn beurt erg uit de hoogte, -„doet hier niet ter zake. Dit is het huis van mevrouw en zoo ik hier -kom, om zaken met haar te bespreken, zou het gepast zijn als vreemden -zich daarbuiten hielden.” - -De jonge man, die zich meer en meer opwond en begreep, althans -gevoelde, dat hij tegenover Mourant met praten het veeleer zou -afleggen, dan verder komen, greep onverhoeds een glas water, dat er als -het ware voor klaar stond op een guéridon, en wierp het Mourant met -volle kracht in het gezicht. - -Het was een armzalige figuur, die de man van eenigszins gevorderden -leeftijd daar maakte. Zijn met zooveel zorg opgekamde bakkebaarden -hingen hem als een paar natte haarkrullen aan ’t gezicht en groote -waterdroppels liepen snel van de punt van zijn spitsen neus. Hij rukte -een foulard uit zijn borstzak, wreef snel zijn oogen uit en droogde -zijn gezicht. Toen hij weer zien kon, was het eerste, wat zijn blik -trof, het opgewonden gelaat en de gloeiende oogen van den minnaar -zijner vroegere minnares, die hem toesnauwde: - -„Je kunt nu verder van me krijgen wat je hebben wilt; mijn adres is -bekend; maak nu, dat je weg komt en zet hier geen voet meer in huis of, -zoo waar als God leeft, ik trap je de deur uit.” - -Zonder een woord te spreken ging Mourant heen. Met die scène was alles -uitgeweest; voor goed uit. - -Terwijl de trein voortvloog tusschen de onafzienbare rijen, tot dwergen -getopte, pereboompjes, die de bermen van den weg begroeiden, was het -weer helder geworden, en vroolijk speelde het zonlicht op de natte -blaren van het geboomte; maar in de donkere stemming, waarin Mourant -verkeerde, was geen verandering teweeggebracht. Hoe meer hij nadacht, -leunend tegen de harde kussens van den weinig comfortabelen Belgischen -spoorwegwaggon, des te bitterder werden zijn conclusiën. Dat Henriëtte -zich tegenover hem had schuldig gemaakt aan de zwartste ondankbaarheid, -was voor zijn zelfgenoegzamen aard een onbetwistbaar feit. Maar er was -meer. Langzamerhand begon hij tot de overtuiging te komen, dat het toch -eigenlijk van hem had afgehangen aan alles een anderen loop te geven. -Hij begreep nu, rustig en stil neerzittend in den coupé, volstrekt niet -hoe het mogelijk was, dat hij zich door het brutaal optreden van dien -jongen „sinjo” zoo uit het veld had laten slaan. Thans buiten de -omgeving, waarin hij zich den laatsten tijd bevonden had, thans alleen, -had hij grooten moed en hij dacht er zelfs een oogenblik aan op een der -tusschenstations uit te stappen en naar de hoofdstad terug te keeren. -Doch hij deed het niet. Ondanks zijn groote ingenomenheid met -zichzelven begreep hij wel, dat hij een al te dwaas figuur had gemaakt; -onherstelbaar dwaas! - -En wat nu? Toen hij zoover was met zijn gedachtenloop, ontsnapte hem -een luide zucht, die door het rammelend spoorweggedruisch heen, het oor -scheen te bereiken van den in een Belgischen spoorwegwaggon -onvermijdelijken geestelijke, die stil en zonder op te zien zijn -getijden las, maar nu eensklaps gestoord scheen en een oogenblik den -deftigen heer in het hoekje aankeek. Mourant wierp hem een grimmigen -blik toe; hij had zoo’n hekel aan die heeren, al hadden zij hem nooit -iets in den weg gelegd! - -Het was reeds laat in den namiddag, toen hij in Den Haag aankwam; toch -stond hij op het punt in een vigilante te stappen, zonder een bepaald -plan, zonder dat hij de vraag: waarheen? voor zichzelven had beslist. -Hij noemde den koetsier den naam van een hotel, omdat hij den man, die -met een gezicht als een vraagteeken van den bok naar beneden keek, niet -op een adres kon laten wachten. - -Maar hij deed het machinaal en zonder overtuiging, en met loomen tred -volgde hij in het logement den kellner, die hem, met drie treden te -gelijk, voorsprong naar zijn kamer op de bel étage. Den ganschen avond -liep hij het voor een hotel fraaie, doch als in een hotel ongezellige -vertrek op en neer, sigaren rookend en champagne drinkend, om zijn leed -te verzetten en het gevoel van diepe onbehaaglijkheid te verdrijven, -dat hem nooit zoo had beheerscht, als dien ganschen langen dag en dat -hem den volgenden ochtend, na een nacht vol looden slaap, bij het -eerste ontwaken dadelijk weer overviel. Reeds vroeg ontbeet hij in de -eetzaal, geheel tegen de gewoonten der soort van gasten, die hier hun -intrek namen. Hij was blij, toen hij op straat was en de koele wind der -zeestreken hem verfrischte. Mourant wandelde in de richting van zijn -oude huis; het huis, waarin zijn nu verlaten vrouw woonde; maar nog -voor hij er aankwam, zag hij met verbazing, dat er een huurbordje -uitstak. Toen verwonderde hij zich over zijn verwondering. Het was -immers de natuurlijkste zaak der wereld, dat zij alleen niet was -blijven wonen in zulk een betrekkelijk ruim huis; hij had dat als ’t -ware op de vingers kunnen narekenen, doch hij rekende zoo weinig met -wat zijn vrouw betrof, dat de gedachte geen oogenblik bij hem was -opgekomen. Nu liep hij er voorbij en keek nieuwsgierig door de -spiegelruiten naar binnen in de holle, leege benedenkamers. Waar zou -zij gebleven zijn? Het scheen voor ’t oogenblik moeilijk dit te weten -te komen, hoe uiterst gemakkelijk dat metterdaad was. - -Zij had een advocaat, wiens naam en adres hem bekend waren, en naar -diens kantoor wandelde hij heen. - -Een uur later stond hij voor een nette eenvoudige woning aan den -Bezuidenhoutschen weg en schelde aan. - -Het dienstmeisje, dat hem open deed en hij te voren nooit gezien had, -scheen van hem te schrikken. - -„Is mevrouw thuis?” vroeg hij op den afgemeten toon, dien hij altijd -aannam tegen minderen. - -Doch hij wachtte het antwoord niet af. Door een open deur aan het einde -van de gang, zag hij een vrouwengestalte in den tuin met den rug naar -hem toegekeerd, gebogen over een bloemperk, en zonder iets te vragen of -te zeggen, schreed hij voort over den looper en trad met een zekerheid, -als ware hij volkomen op de hoogte der lokaliteit, de kamer binnen, die -op den tuin uitzag. Een poedel—zijn hond!—sprong van een canapé met -kort gebrom, maar zijn baas herkennend, kwispelstaartte hij en lekte -hem de hand. Mourant ging zitten en streelde het dier den kop; hij keek -de kamer rond en vond haar erg gezellig en met goeden smaak gemeubeld. -Doch hij had niet lang tijd aan die bijzonderheden te denken; hij -onderging haast tegen zijn wil een hem sedert lang vreemde sensatie: -een gevoel van rust en behaaglijkheid, dat hem vreemd geworden was; dat -iets moest hebben van den indruk, dien een zwerver ondervindt bij zijn -terugkeer. - -Zijn vrouw was binnengekomen en recht naar haar plaats gegaan aan de -tafel, waarop naast het theeservies een mandje borduurwerk stond. Zij -zag bleek, maar scheen in ’t minst niet ontsteld en zij keek hem ook -aan met een gezicht, dat duidelijk vroeg wat hij eigenlijk verlangde. - -En de zwijgende vraag bracht hem in verlegenheid. Hij had haar nooit -ontzien; hij had altijd tegenover haar de grootst mogelijke vrijheid -betoond in zijn spreken en doen; meer, veel meer, dan hem ooit toekwam. -Thans wist hij niet, wat te zeggen en keek met saamgeknepen lippen -aandachtig naar den hoed, dien hij in de hand hield, als ware ’t een -kunstwerk. - -Zoo zaten zij eenige oogenblikken zwijgend tegenover elkaar: zij in -stillen triumf, in het algemeen zoo volkomen begrijpend, wat er gebeurd -was, als had ze het bijgewoond; hij niet wetend, hoe aan te vangen en -in pijnlijke onzekerheid, of, indien hij iets zei, zijn woorden goed -zouden opgenomen worden. - -„Ik heb je erg gegriefd.” - -Bij zichzelve moest ze lachen om het onhandig begin; hij was en bleef -toch altijd dezelfde: een groot en ijdel menschenkind, vol aanstellerij -en met een minimum wezenlijk gevoel. Nooit was hij zoozeer naar het -uiterlijk in harmonie geweest met haar schatting van zijn innerlijk -wezen. - -„Waartoe kan het dienen dáárover te komen spreken?” vroeg zij. - -„Omdat het mij berouwt.” - -„Een berouw, dat te laat komt, als altijd.” - -„Waarom te laat? Er is immers in den zin der wet....” - -Zij viel hem toornig in de rede. - -„De zin der wet doet hier niets ter zake.” - -Maar hij gevoelde zich à cheval op dien „zin”. - -„Toch wel. Er zijn in zoover immers nog slechts voorbereidende stappen -gedaan, waarop met een enkel woord is terug te komen.” - -„Ik spreek daar niet van en ik wensch daar niet van te hooren. Een -scheiding is, wat het is, met of zonder de wet; formaliteiten tel ik -niet. Waarom ben je hier gekomen?” - -„Ik kwam.... ik kwam een verzoening voorstellen.” - -„Wat is er gebeurd met de weduwe van Veninga?” - -„Zij is.... te Brussel.” - -„Dat is mijn bedoeling niet.” - -Hij trok met een zeker air de schouders op. - -„Wat kan ik er meer van zeggen! Zij is te Brussel en zij en ik zijn -voor eeuwig gebrouilleerd.” - -„Gebrouilleerd,” zei ze niet zonder spot, „ja, dat begrijp ik.” - -„Welnu, laat het dan daarbij blijven.” - -Maar zijn vrouw bleef onverbiddelijk. Na haar laatste bezoek aan -Henriëtte, had zij de waarschijnlijkheid van terugkeer van dezen quasi -berouwhebbenden zondaar voor oogen gehad en zij was vastbesloten, hem -niet te sparen, maar, indien zij vergeven wilde, een geheel andere -houding tegenover hem aan te nemen, dan de vroegere vol meegaandheid. - -„Waarom,” vroeg mevrouw Mourant, zich oprichtend, „heeft de weduwe -Veninga u weggezonden?” - -Mourant kreeg een kleur als bloed. Hij had een verhaal verzonnen, dat -hij, als ’t noodig mocht zijn, wilde opdisschen en waarin hij, zoo al -geen schoone, dan toch een eenigszins waardige rol vervulde. Dat -„weggezonden” was hem een klap in ’t gezicht en op geraakten toon -antwoordde hij blufferig: - -„Er is geen sprake van.” - -„Het is onnoodig er doekjes om te winden. Je zegt dat je een verzoening -verlangt?” - -„Dat herhaal ik.” - -„Ik kan het alleen gelooven, indien je oprecht bent en niet huichelt of -liegt. Ze heeft je dus weggezonden?” - -Het klamme zweet parelde hem op het voorhoofd. - -Zoo iets had hij allerminst verwacht, en vruchteloos trachtend zich in -deze pijnlijke omstandigheid een houding te geven, zag hij haar aan met -iets van vrees op zijn gezicht. - -„Ik wil,” ging zij voort, toen hij niet dadelijk antwoordde, „de volle -waarheid weten. Zooals je hoort, weet ik er reeds een deel van. Doch -dit zeg ik u: indien ik niet alles van u verneem, wat aanleiding gaf -tot uw komst hier in mijn huis, dan ben ik voor niets te spreken; dan -wil ik van geen verzoening weten; dan gaat de scheiding onverbiddelijk -door.” - -Er viel niets tegen te doen, dat zag hij duidelijk in. - -C’était à prendre ou à laisser. Een oogenblik streed hij een zwaren -strijd tegen zijn groote ijdelheid, die hier den genadeslag scheen te -moeten krijgen, en zij met haar effen rustig gelaat en kalmen helderen -blik las in zijn geest zooals zij het altijd gedaan had: gelijk in een -open boek. - -Eindelijk ving hij hortend en stootend aan met het verhaal van zijn -jammerlijk wedervaren, doch al doende kwam hij meer op streek en van -een opsomming van feiten, werd het allengs meer een klacht dan een -zelfverdediging. - -Zoo zwaar het hem gevallen was in den aanvang, zoo luchtte het ten -slotte zijn gemoed en hij verdiepte zich, al pratend, in kleinigheden, -die hij had mogen verzwijgen, maar die het hem nu een droevige wellust -werd in bittere woorden weer te geven. - -Geen enkele maal viel zijn vrouw hem in de rede. Zwijgend hoorde zij -hem aan, langer dan een kwartier, en toen hij gloeiend van -opgewondenheid met tranen van woede in de oogen en trillingen van -wraakzucht in de stem, alles en alles had verhaald, toen wist ze, dat -hij de geheele waarheid had gesproken. - -„Het moest zoo gaan,” zei ze eenvoudig, nadat hij had uitgepraat; „het -kon niet anders.” - -En toen hij haar vragend aankeek: - -„Ik heb haar bezocht te Vlietwijk; zonder dat ik haar iets vroeg, zei -ze mij toen reeds, dat ze van je ontslagen wenschte te zijn.” - -Mourant boog onder den slag het hoofd. Dat het waar was, wat ze zei, -betwijfelde hij nu niet meer. Wat waren toch de vrouwen! - -Er werden niet veel woorden meer tusschen hen gewisseld. Mevrouw -Mourant gaf de verbaasde dienstbode last een kamer voor „mijnheer” in -orde te maken. Hij keerde terug naar ’t hotel om zijn rekening te -betalen en zijn bagage te halen en nog denzelfden avond installeerde -hij zich in het huis zijner vrouw met een onverklaarbaar gevoel van -groote vreugde, dat al de soesa van den laatsten tijd, die zijn -zenuwgestel geweldig had aangegrepen, voorbij was. Voor geen schatten -der wereld had hij die laatste weken nog eens willen doormaken. - -„Ziezoo,” zei Jules, na den smadelijken aftocht van zijn tegenstander, -met erg manhafte schreden op en neer stappend: „ziezoo; nu geloof ik -niet, dat dit heerschap het u nog lastig zal maken.” - -De waarheid was, dat, toen Mourant zwijgend heenging, hem een pak van -het hart viel. Hij was, van nature, schoon sterk en kloek gebouwd, -zoo’n voorvechter niet; het zou zeer de vraag zijn geweest of hij, had -Mourant zich flink en onverschrokken vertoond, een schitterend figuur -zou gemaakt hebben. Nu hij hem zoo gemakkelijk van de baan had -geslagen, klom zijn moed tot groote hoogte. - -„Ik ben er zóó verschrikt van!” zei Henriëtte, inderdaad nog bevend van -het hoofd tot de voeten. - -Jules drukte haar aan ’t hart en gaf haar een zoen. - -„Het is de moeite niet waard, lieve. Het moest gebeuren. Had ik mijn -zin gehad, dan zou ik, dat weet je, er al veel eer een eind aan hebben -gemaakt.” - -„Zou hij het er bij laten?” - -„Of hij wat?” vroeg Jules, een weinig ontsteld. - -„Of hij je niet zou uitdagen?” - -„Dat denk ik niet; maar als hij het deed....” - -„O, neen, ik zou het niet gedoogen. Je leven is mij veel te dierbaar, -om het op die wijze in gevaar te zien.” - -„Mijn leven,” herhaalde hij verwonderd en gedwongen lachend, „maar -beste Jet, haal je nu geen dwaasheden in het hoofd. Hij zal wel zoo -verstandig zijn, niets van zich te laten hooren.” - -Doch de jonge vrouw was maar half gerustgesteld. Zij bezat niet de -scherpzinnigheid en de menschenkennis van een mevrouw Mourant en zij -behield nog altijd een zeker denkbeeld, dat heel conventioneel achter -uiterlijk vertoon innerlijke waarde onderstelde. - -Telkens kwam zij ongerust terug op de mogelijkheid, voor haar een -waarschijnlijkheid, dat Mourant de ondergane beleediging zou willen -wreken. - -„Beloof me,” drong ze aan, toen Jules haar verliet, „beloof me stellig, -dat je een duel zult weigeren.” - -„Dat zou ik onmogelijk kunnen.” - -„Lieve Jules,” ging ze opgewonden voort, „ik wil het niet hebben.” - -En toen hij zag, dat zij zich weer meer opwond en de tranen haar in de -mooie oogen stonden, deed hij opnieuw zijn best haar gerust te stellen, -ofschoon het ook, door al haar praten, bij hemzelven hoe langer hoe -meer begon vast te staan, dat een cartel hem van den kant van Mourant -te wachten stond. - -Van dat idee doordrongen, ging hij niet naar zijn logement, informeerde -in een wapenwinkel naar het adres van den besten Brusselschen -schermmeester, bij wien hij een even dure, als langdurige les op de -sabel nam. - -Henriëtte kon, toen hij weg was, haar vrees niet alleen dragen; zij -maakte de bonne, reeds lang haar vertrouwelinge, er deelgenoote van, en -dit had in zooverre een goede zijde, dat het haar meer geruststelling -bracht, dan al de betuigingen van haar aanstaande. - -„Celui là!” riep het coquette ding, de handen van verbazing -ineenslaande. „Le vieux? Est-il possible? Mais c’est un gros blagueur, -madame. Il est poltron comme le dernier des derniers!” - -En toen haar meesteres nog twijfelde, ging zij geruststellend voort: - -„Croyez-moi, madame, je m’y connais. Avec ses grand airs il a peur d’un -rien. Ce ne sera pas lui qui cherchera querelle à msieur Jules.” - -Zoo babbelde zij voort en verhaalde al lachend nu en dan hoe Mourant -zich steeds angstvallig had teruggetrokken, als naar haar opinie een -man in zijn omstandigheden tot uitersten van gewelddadigheid behoorde -over te slaan. - -„Zie je wel,” zei Jules den volgenden avond, thans volkomen -gerustgesteld en triumfantelijk, „zie je wel, dat ik gelijk heb gehad. -Hij is een blufzak, anders niet.” - -Maar Henriëtte, terwijl zij het toegaf, dacht aan het geklap van haar -bonne, die het toch eer en beter scheen geweten te hebben dan hij. - -„Ik wou,” vervolgde Jules, den rechterarm uitstekend en met een -beweging als bracht hij een „slag naar ’t hoofd” toe, die zijn -tegenstander moest verpletteren, „dat de kerel den moed had gehad, mij -uit te dagen; hij zou dan van een nog heel andere reis zijn -thuisgekomen.” - -Nu het gevaar voor goed was geweken, maakten zij druk werk van de -verwezenlijking hunner plannen. Jules had zijn stukken in orde -gekregen; die van Henriëtte waren compleet; daarvoor had destijds -Mourant gezorgd. Uiterst stil en eenvoudig werd hun huwelijk te Brussel -voltrokken; daartoe gehuurde lieden dienden hun tot getuigen, en kort -daarna vingen zij de groote reis aan naar Indië, waar Jules, wiens tijd -reeds lang was verstreken, met ongeduld werd verwacht; het was meteen -hun huwelijksreis, al had er dat, door de kinderen, niet den schijn -van. Te Marseille aan boord gaand, trof Henriëtte het uiterlijk van een -bijzonder kloek gebouwde jonge vrouw, met een echt Indisch gezichtje. -Ze keken elkaar een oogenblik aan, alsof ze trachtten zich te binnen te -brengen, waar ze elkaar vroeger hadden ontmoet; maar toen ze nog -dienzelfden dag, op de gebruikelijke manier, aan elkander werden -voorgesteld, maakten de namen der wederzijdsche echtgenooten haar niet -wijzer. Van een mevrouw Van Haafte had Henriëtte in haar leven niet -gehoord. - -De oude dokter Van der Linden begon er langzamerhand aan te gewennen, -vrij geregeld, maar voor zijn beschikbare middelen toch zeer matig, -door Van Leeuwendaal geëxploiteerd te worden. Wel was zijn kleinkind -nog steeds de lust zijns levens, en zou dat ook wel blijven tot hij -stierf, maar de jongeheer moest trouw naar school en kreeg privaatles -bovendien. Deze opvoeding strookte geheel met des dokters begrippen. -Van die apenliefde, waardoor kinderen tot weetnieten worden -grootgebracht, wilde hij nimmer hooren. En zoo kwam ’t, dat de oude -heer, zijn plicht doende tegenover den knaap, het levensgenot zijner -laatste jaren zeer verkort zag. Hij kon zich soms gruwelijk vervelen. -Lust in uitgaan had hij niet meer; in studie of lectuur nog maar bitter -weinig; een wandelingetje was in een half uur gedaan en in het lieflijk -Hollandsch klimaat meestal verre van aangenaam; in eten, drinken en -rooken moest hij matig zijn en zich ontzien, dat voelde hij het best -aan zijn eigen lichaam. Zoo sleet hij dan den langen dag grootendeels -in de zitkamer van zijn huis, turende door het venster met een -gedwongen belangstelling in kleinigheden, waarover hij vaak zelf vol -ergernis en met minachting de schouders ophaalde. Hij werd oud, zeer -oud. Het teekende zich in zijn trekken en zijn gestalte; zijn vele -campagnejaren, in alle beteekenis, wogen zwaar. Slechts zelden ontving -hij bezoek. De oud-gasten dachten niet meer aan hem; daartoe vertoonde -hij zich te weinig in het publiek; daartoe was hij betrekkelijk te lang -uit Indië. Eens in de week bezochten hem Louise en haar man, de -ritmeester; het waren een soort van plichtmatige bezoeken, waarin nu en -dan wel iets van de oude affectie doorstraalde, maar die toch niet -langer werden gerekt dan strikt noodzakelijk was; hij had iets tegen -Riquelle en deze had iets tegen hem; wat het was, wisten zij niet; -nooit hadden zij onaangenaamheden gehad met elkaar en de ritmeester -behandelde zijn schoonvader steeds met onderscheiding en groote -beleefdheid. Doch juist dat laatste hinderde den ouden heer; hij had -wel eens met dien eenigen man in zijn familie meeningsverschil willen -hebben en daarover gemoedelijk twisten, doch bij de afgepaste manieren -van den ritmeester wilde dat niet gelukken en daardoor was dokter Van -der Linden tot de slotsom gekomen, dat zijn schoonzoon geen meening -had. - -Van Leeuwendaal, die intusschen van het pak slaag, door hem opgeloopen, -geheel bekomen was, amuseerde den dokter door zijn dwaas gebabbel. - -Het was wel vervelend, dat deze sinjeur altijd om geld kwam, maar aan -den anderen kant was hij een gezellig tijdverdrijf. Het geld, dat deze -verloopen telg van een voorname familie kwam afbedelen, was voor een -zeer bemiddeld man maar een kleinigheid. Niettemin begon dokter Van der -Linden steeds met zich schrap te zetten tegen elken aanval op zijn -beurs en dan smaakte hij het dubbel genoegen der toepassing van het -boléh tawar en van de vermakelijke argumenten, die Van Leeuwendaal -aanvoerde in zijn betoog, dat hij het „parole d’honneur” voor niet -minder doen kon. - -De wraakzuchtige plannen van dezen panier percé tegenover de familie -Riquelle traden bij die zonderlinge verhouding ook op den achtergrond; -zij sluimerden in, zonder uit te sterven. Hij kreeg genoeg om het leven -van een „fatsoenlijken” vagebond voort te zetten, maar de pogingen nu -en dan door dokter Van der Linden aangewend om hem op te heffen uit den -modderpoel van zijn bestaan, mislukten. Werd er beproefd hem beter te -kleeden, dan verdwaalde na weinige dagen het nieuwe pak in den lommerd, -wat meer dan eens leidde tot verwoede scènes, die den ouden heer geen -kwaad deden, in zoover hij dan zijn gemoed kon koelen over allerlei -kleinigheden, die hem hinderden in zijn eigen bestaan. Daarbij dacht -ook hij geen oogenblik meer aan de mogelijkheid, die eerst zoo zwaar -bij hem gewogen had, dat Van Leeuwendaal iets zou ondernemen tegen de -familie; dit deed hem te ver gaan. - -In een vlaag van buitengewone mildheid had hij Van Leeuwendaal een -zilveren horloge geschonken en bij de eerste aanvraag om middelen kwam -hij tot de ontdekking, dat het den weg der nieuwe pakken was opgegaan. -Het trof dien dag al heel ongelukkig; des dokters maag was van streek -en bovendien had de onderwijzer van zijn lieveling hem geschreven, dat -hij ernstige klachten had over vlijt en het gedrag van dit veel -belovend knaapje. Hij voer geweldig uit tegen Van Leeuwendaal. Het was -een dier heftige attaques van boosheid, die hem in zijn jeugd vaak -hadden overvallen; doch waarvan hij zich op lateren leeftijd had -gecorrigeerd door er een goede dosis cynisme voor in de plaats te -stellen. En Van Leeuwendaal, die ondanks zijn verregaand verval, toch -niet alles kon verdragen, was onder dien vloed van smaadredenen -weggeloopen. Snel stapte hij voort, zooals zijn gewoonte was met de -handen in de zakken van zijn veel getinte overjas en het scherpe, -magere gezicht ver vooruitgestoken. Hij was woedend en al zijn half -begraven plannen van wraak herleefden. Als men hem zóó behandelde, dan -zou men toch eens zien, met wien men te doen had. Te verliezen had hij -niets, zoodat hij er veel op wagen kon. Deze gedachte kalmeerde hem; -hij ging niet naar een of andere kroeg, zooals zijn gewoonte was, -hetzij hij geld had of niet, maar trok zich terug op zijn ellendig -kamertje en zat er uren na te denken over het leed, dat hij die -verwenschte familie Van der Linden kon aandoen met de mogelijkheid dat -er nog wat geldelijk voordeel voor hem viel te behalen, want sneed het -mes niet van die twee kanten, dan zou het toch maar half werk zijn. - -Het kostte hem veel inspanning; nu eens bedacht hij dit, dan weer iets -anders en meestal verwierp hij het uit gebrek aan moed. Doch toen hij -dacht aan den kleinzoon, helderde zijn gezicht op. Dat was het teere -punt, voor hem ook het zwakke, en daarin zou hij hen allen treffen. - -Het denkbeeld stond hem met dat al maar vaagjes voor den geest. Doch -daarover bekommerde hij zich het minst. - -Het kon wel een paar dagen lijden, dacht hij, vertrouwend op zijn -„krediet”. Maar daarin vergiste hij zich. Het feit, dat hij in den -laatsten tijd betaalde en soms zelfs groot geld „op zak” had, werkte -juist in den tegenovergestelden zin; het had zijn op medelijden gegrond -krediet van vroeger totaal ondermijnd. Dat viel hem tegen! Hij moest -toch leven! Hij had behoefte aan eten, rooken en drinken; aan drinken -vooral. Zijn wraakzuchtige plannen streden tegen het meer en meer -opkomend idee naar dokter Van der Linden te gaan en vergiffenis te -vragen. Het laatste vonkje van betrekkelijke eerlijkheid, dat door dien -strijd zelf nog werd bewezen, zou er bij ondergaan. Hij stond stil en -glimlachte. Hoe dwèès! Er behoefde in ’t geheel geen strijd te wezen. -Het een stond het ander volstrekt niet in den weg. Hij zou heel leuk -naar den ouden heer gaan om pèrdon te vragen en te zien wat geld -machtig te worden. Vervolgens zou hij zijn grooten coup slaan. - -Maar de oude heer had zijn goed humeur nog niet terug. - -„Onbeschaamde ploert!” viel hij uit, waar de dienstbode bij was, -driftig de vestibule instormend, waar Van Leeuwendaal op de mat stond. -„Hoe durf je hier in huis komen!” - -„Pèrdon!” - -„Ik verbied je een voet meer over mijn drempel te zetten.” - -„Pèrdon, dokter. Ik kom mijn excusen aanbieden.” - -„Ik heb met jou excusen niets te maken. Je bent ’n laag sujet; ’n door -en door gedemoraliseerd individu.” - -„Het is zoo, dokter; het spijt me; ik kan het niet helpen.” - -„Wat ’n kerel!” riep de oude heer hoonend, met het hoofd in den nek Van -Leeuwendaal beschouwend door zijn bril. „Hij kan het niet helpen!” - -„Parole d’honneur, dokter; het is mijn schuld niet.” - -„De mijne zeker!” - -„Pèrdon; het is een fout in mijn gestel; een onjuistheid in mijn -appreciatie-vermogen. Ik kan den tijd niet waardeeren; daarom heb ik -nooit ’n horloge kunnen hebben. Als schooljongen heb ik ook altijd mijn -horloge naar den lommerd gebracht. Het is een zwak.” - -De oude heer keerde zich om en keek naar de groote klok aan den wand -als moest dit getuigen dat het hem niet ontbrak aan het vermogen den -tijd te waardeeren; metterdaad schoot hij bijna in een lach. Wie had -ooit zulk een dwaas gehoord. Hij had veel komieks in zijn leven -gehoord, maar de zucht tot het verpanden van horloges te hooren -verklaren uit een soort van psychologischen drang, uit een soort van -onweerstaanbaren lust tot het feit zelf, was hem te machtig. - -„Je begrijpt wel, dat ik van zulke kinderachtige praatjes niets wil -hooren,” zei hij, zich goedhoudend. - -„Dokter!” riep Van Leeuwendaal op kluchtigen toon, pathos parodiëerend, -„wees niet langer boos. Ik beloof beterschap, parole d’honneur! Mag ik -meteen zoo vrij zijn u nog eens aan te pompen! Hm! Tien pop!” - -Een oogenblik keek dokter Van der Linden verbaasd en verbluft over zulk -een verregaande brutaliteit, sprakeloos in het smal en mager -vogelengezicht van Van Leeuwendaal met de hoogopgetrokken wenkbrauwen -en de scherpe, lange trekken om den mond. Hij wist niet wat hij doen -zou: hem de deur uitjagen of toegeven aan den opkomenden lust deze -haast eenige gelegenheid om zich te amuseeren niet onherroepelijk weg -te werpen. - -„Je bent een echte chevalier d’industrie”, zei hij grommend, maar -inwendig lachend. „Ik moest je eigenlijk door de politie laten -oppakken!” - -En Van Leeuwendaal, die zag dat hij het gewonnen had: - -„Zeker, ongetwijfeld!” - -„Zoo, ben je zelfs dat met me eens?” - -„Zelfs dat! Maar verbeeld u, dat ik het liever niet zou willen, voor de -politie. Wat zou zij er aan hebben! Het zou geen aanwinst zijn. Bij de -politie zijn er veel, niet beter dan ik. En wat de horloges -aangaat!....” - -Al voortbabbelend met de bedoeling zijn clowns-rol zóó te spelen, dat -de oude heer er heel veel pleizier in had, volgde hij, ongevraagd, -ongeweigerd, dezen naar binnen. En terwijl zijn mond allerlei dwaasheid -sprak, bromde in zijn geest de weder opgewekte woede over de harde en -onomwonden bejegening en vlamden de oude wraakplannen hooger op dan -ooit. - -„Ik heb,” zei de oude heer, zoekend onder papieren op zijn -schrijftafel, „een paar oude stukken, die je eens voor me moest -overschrijven.” - -„Ik schrijf een leelijke hand.” - -„Dat weet ik, maar dan doe je je best maar ’n beetje!” - -„Helaas! het helpt niet. Het is toch altijd even leelijk.” - -„Nu, het komt er niet op aan; doe het maar.” - -„Geloof me, dokter, het gaat niet; mijn schrift is tegenwoordig totaal -onleesbaar.” - -„Dus,” zei de oude heer, weer woedend, „dus je bent zelfs te lui om -voor mij, die je, onverplicht, geruimen tijd zoo goed als geheel -onderhoudt; van wien je leeft, wiens parasiet je bent,—om voor mij iets -te copiëeren.” - -„Dat is het waarlijk niet, parole d’honneur! Maar heusch, geloof me; u -zoudt er toch maar uw oogen op bederven.” - -„Het is wel!” - -„Kan ik u met nog iets van dienst zijn?” - -„Loop naar den duivel, vent.” - -„Dank u. En vooral voor de tien pop. Ik zal ze opschrijven bij de rest, -en als ik nog eens ’n erfenis krijg....” - -„Kom, ga nu maar.” - -Van Leeuwendaal kocht zich een paar glaasjes cognac en wandelde toen -naar den kant der school van den jongenheer Van Velton. - -„Dàg schoone mèègd,” zei hij tot een dienstmeisje, dat den grooten -schelknop en ’t handvat der deur blinkend wreef. - -„Kijk hij!” riep de dienstbare met verachting, en in stilte voegde zij -er bij: „zoo’n verloopen mesjeu!” - -„Gaat hier een jonkertje Van Velton school?” - -„Weet ik het?” - -„Als je ’t niet weet, lief kind, wees dan zoo goed en vraag het eens.” - -De dienstbode deed het, maar met tegenzin. - -Van Leeuwendaal zag haar de lange gang doorgaan en aan het eind daarvan -een deur openen. Een eigenaardig geluid drong tot hem door: een dof -gestommel, waartusschen verwarde menschelijke klanken en gonzend -geschuifel; hij herinnerde het zich uit zijn jeugd; hij had altijd -gruwelijk ’t land gehad aan dat geluid, want het had hem, luien -ondeugenden knaap, nooit iets anders voorspeld dan straf en nog eens -straf. - -Er verscheen een jongmensch in ’t vaal en kaal zwart met een bril op en -een keurig gepunt potlood achter het oor: het type van een kweekeling. -Hij bekeek Van Leeuwendaal wantrouwend. - -„Wat is er van uw dienst?” vroeg hij. - -„Ik kom den jongenheer Van Velton halen.” - -„Namens wien?” - -„Namens dokter Van der Linden.” - -„Meneer Van der Linden laat anders nooit den jongenheer Van Velton -halen.” - -„Och kom!” zei Van Leeuwendaal woedend: „ik meende dat hij het elken -middag deed.” - -„O ja, na schooltijd; dat bedoel ik niet; ik bedoel: binnenstijds.” - -„Dan heeft de grootpa van den jongenheer daarop vandaag een -uitzondering gemaakt. Hij heeft mij verzocht....” - -„Ik zal hem halen,” zei de kweekeling, thans gerustgesteld door Van -Leeuwendaals bekendheid met de omstandigheden. „Alleen zal meneer -waarschijnlijk een briefje meegeven.” - -Het duurde wel een kwartier eer ’t ventje kwam. - -Van Leeuwendaal stond op heete kolen; als de meid van den dokter zich -eens vergiste in den tijd en te vroeg kwam, dan was hij verloren. - -De kleine Van Velton met zijn schooltasch op den rug en zijn pet achter -op het hoofd, keek eenigszins vreemd, maar hij zei niets. - -„Wilt u zoo goed zijn dit briefje aan meneer Van der Linden te geven?” -vroeg de kweekeling. - -„Met pleizier.” - -Van Leeuwendaal stak het in zijn zak en greep de hand van het jongetje. - -„Je grootpa heeft me verzocht je van school te halen. Ben je niet blij -dat je zoo vroeg weg mag?” - -Het kind keek eens naar den kweekeling; hij had graag „ja” gezegd, maar -hij durfde niet. - -Op straat hield Van Leeuwendaal hem vast. - -„Ik kan anders wel los loopen.” - -„Ja zie je, ik ben zoo bang dat je ’n ongeluk krijgt. Hoe heet je?” - -„Ik heet Willem en ik kan heel goed alleen loopen. Waarom komt grootpa -niet zelf?” - -„Omdat hij te Scheveningen is met gezelschap.” - -Kleine Willem lette er niet op dat voor Scheveningen het weer wel wat -guur was; ook niet dat het vreemd was te Scheveningen te blijven, als -iedereen zoowat naar de stad kwam om te eten. Evenmin dacht het kind -aan de altijd noodige verwisseling van kleeren; grootpa zou hem toch -nooit in zijn schoolpak en met zijn tasch op den rug uit hebben laten -gaan. - -Maar hij had het eene woord gehoord, en dat had hem geëlectriseerd: -Scheveningen, de duinen, het strand! Hij schudde zijn blonden krullebol -tot de lokken van pleizier om zijn ooren dansten. - -„Gaan we dadelijk?” vroeg hij. - -„Wel ja; grootpa heeft gezegd, dat we gauw moesten komen.” - -„Hoe gaan we dan?” - -„We zullen een vigilante nemen.” - -„Daar komt er een aan. Hé koetsier! Hij houdt al stil. Zeg meneer, wie -ben je?” - -„Ja..... Ik ben.... ik heet....—hoe mal dat hij nu niet op een -geschikten naam kon komen!—Neitsel.” - -„Nu, meneer Neitsel, mag ik op den bok zitten bij den koetsier?” - -„Wel neen, zeker niet.” - -„Waarom niet?” - -„Dat zou je grootpa niet willen hebben; ’t is veel te gevaarlijk!” - -„Gevaarlijk!” riep Willempje met diepe minachting, „’t Is in het geheel -niet gevaarlijk.” - -Maar Van Leeuwendaal trok hem zenuwachtig met zich mee in het -huurrijtuig, en liet dat naar Scheveningen rijden. De mond van den -kleinen jongen stond niet stil; hij rammelde maar altijd door; het was -nog licht genoeg, zei hij, om in het duinzand wegen en gangen te -graven; als grootpa zijn werktuigen maar had meegenomen. En Van -Leeuwendaal antwoordde gedachtenloos. Wat was hij over zichzelven -ontevreden! Het bleek hem nu alweder te laat welk een volkomen gemis -aan geschiktheid hem kenmerkte om iets, wat dan ook, te doen. Hij kon -iets verzinnen en daarover praten, maar hij kon niets uitrichten zonder -het van meet af verkeerd te doen. Zoo was er ook nu niets behoorlijk -voorbereid. Wat moest hij te Scheveningen met dien knaap aanvangen? - -Hij vond zichzelven stapelgek. - -„Is grootpa in het Badhuis?” - -„Ja.” - -„Zijn er veel menschen?” - -„Neen, niet heel veel. Ik heb ze niet gezien.” - -„Zijn er kinderen bij? Ik bedoel jongens?” - -„Dat geloof ik wel.” - -Het vragen maakte Van Leeuwendaal zenuwachtig; hij had gaarne den -koetsier gelast terug te keeren, maar het was daartoe te ver gekomen. - -Bij het dorp liet Van Leeuwendaal de vigilante stilhouden. - -„Laat hem toch om de kerk rijden,” zei de kleine ongeduldig, „dan komen -we immers achter bij de trap.” - -Maar Van Leeuwendaal luisterde niet langer naar hem; met haastigen tred -en het kind bij de hand voorttrekkend, liep hij, wadend door het mulle -zand, naar den hoogen weg, die langs het Badhuis voerde. - -„Loop toch zoo hard niet,” riep Willempje, kwaad: „we zullen er immers -wel komen.” - -Ze kwamen er, en rilling op rilling voer Van Leeuwendaal door het lijf; -een stijve wind zweepte het duinzand over den eenzamen weg; de avond -begon te vallen; in sombere eentonigheid loeide de groote zee, dof -weerspiegelend de jagende wolkenmassa boven haar in grijzen, grauwen -toon; de nog gesloten gebouwen ter rechterzijde rezen als doodsche -monumenten uit de dofgroene helm en ’t bleekgeel duin. Er liep of -wandelde niemand. Slechts hier en daar zat op een bank een oude -visscher met diepe groeven in het verweerd gezicht, met een grof buis -aan en donkerblauwe morsmouwen er onder; met een ouden hoogen hoed op -en een zwartgerookt pijpje tusschen de knevels, starend met zijn kleine -dofgeworden oogen, recht voor zich uit, naar de zee,—zijn verleden, -zijn oud arbeidsveld, zijn herinnering. - -Op een helling van den weg zagen zij het Badhuis, gesloten, stil en -verlaten. - -„Het is dicht!” zei Willempje. - -Een oogenblik stond Van Leeuwendaal stil, nam zijn hoed af en veegde de -zweetdroppels weg, die op zijn voorhoofd parelden als ware het een -snikheete Julidag. Hij deed zijn best om zichzelven meester te blijven. - -„Hé, ja!” zei hij, verbazing veinzend, „dat zie ik ook.” - -„En je zei, dat grootpa er was.” - -„Dat heeft hij me ook gezegd.” - -„En hij is er niet en het is dicht,” ging het kind voort met -onverbiddelijke logica, maar op eenigszins angstigen toon. - -„Dat zie ik ook.” - -„Ik wil naar huis. Waarom heeft grootpapa mij voor den gek gehouden? -Dat doet hij nooit.” - -„Wacht even. Nu weet ik het. Hij heeft gezegd: een villa voorbij het -Badhuis; daar was hij bij kennissen.” - -„Ik wil maar liever naar huis.” - -„Goed, strakjes. Maar eerst moeten wij toch je grootpa gaan opzoeken.” - -Kleine Willem scheen het daarmee niet eens te zijn, want toen Van -Leeuwendaal weer haastig voortstapte, het Badhuis voorbij, keek het -kind met een pruilend gezicht naar de gesloten stores en liet zich, -tegenstrevend, half voorttrekken. - -Een eindje verder hield de met roode baksteenen losjes bestraatte weg -op; Van Leeuwendaal beklom het tegenoverliggend duin en kleine Willem, -verlokt door het gezicht, dat hem altijd zoo bekoorde, vergat zijn -vrees, zijn grootpa en zijn verlangen naar huis; als een kat klauterde -hij naar boven, door zijn hijgenden en kuchenden geleider gevolgd. Toen -gingen ze rechts, als het ware weer in de richting van de stad. Maar na -een kwartier nam de schemering toe; kleine Willem werd moe en had geen -pleizier meer in klimmen en klouteren. Van Leeuwendaal was halfdood van -angst en afgetobdheid. - -„Ik wil hier nu niet langer blijven,” zei het kind, bang om zich heen -ziende en op schreienden toon. - -„Houd je mond, kwajongen,” riep Van Leeuwendaal met krassende hooge -stem, buiten adem. - -Maar de jongeheer Van Velton, verwend door zijn omgeving en met eenige -eigenschappen zijner moeder begaafd, was geen zoet en gezeglijk kind. - -„Ik wil niet,” schreeuwde hij. „Ik wil naar huis!” - -„Kleine draak, wees stil, of ik trap je voor den grond.” - -„Ik wil naar huis!” herhaalde Willempje, en toen hij er een om de ooren -kreeg: „Help! Hij slaat me! Ik wil naar huis.” - -Van Leeuwendaal stond stil, buiten zichzelven van woede. - -„Zal je stil zijn?” vroeg hij hijgend, het kind aan een oor trekkend. - -Willempje, aan zulk een behandeling niet gewoon, begon te schoppen en -te trappen en raakte met den rand van zijn schoenzool Van Leeuwendaal -vrij hard tegen het broodmager scheenbeen. Met een vloek liet de baron -los. Het kind wilde wegloopen, maar viel in het zand, en kreeg daar van -Van Leeuwendaal, die het vol angst was nageloopen, den reeds -toegezegden trap. - -„Houd nou je bek, kleine adder, of ik vermoord je.” - -Maar er was niets, niets aan te doen. - -Willem schreeuwde hoe langer hoe vervaarlijker en luider; in grooten -angst keek Van Leeuwendaal rond; er was niets te zien, dan de -duinranden, afstekend tegen de duister wordende lucht, en hier en daar -een ijle rhododendron; maar het was den in overspannen zenuwtoestand -verkeerenden man of hij in de verte twee personen zag, die haastig naar -hem toekwamen; zij kwamen op het rumoer af, dat scheen hem duidelijk, -en zich over het schreeuwend en in zijn woede kronkelend kind buigend, -beukte hij het met de vuist. - -„Wees toch stil, hondenkind! Zal je nu stil zijn? Dáár, dáár! -Vervloekt, wees stil zeg ik!” - -Doch Willempje schreeuwde niet meer; hij brulde, met kreten van pijn -onder de stompen der harde knokkels, maar hij was ook boven het punt -waaronder stil en bedaard worden nog mogelijk is; hij bleef, al -brullend, zich verzetten, schoppend en trappend, en terwijl Van -Leeuwendaal zich vooroverboog in het halfduister, trof hem de -jongensschoen onverhoeds midden in het gezicht. Razend wierp hij zich -op het kind. - -„Ga dan naar de hel bij je vader, satansjong!” siste hij geheel buiten -zichzelven en, woelend met zijn lange magere handen om den hals van het -knaapje, drukte en kneep hij uit al zijn macht, met de wilde woede van -een bezetene. - -Het arme kind gaf geen geluid meer; het lag onbeweeglijk stil, en -langzaam steunend op de handen, struikelend, en op zijn magere beenen -waggelend, stond Van Leeuwendaal op. Schuw keek hij rond in het dieper -wordend duister. Hij wist niet en hij dacht niet; zijn hoofd was leeg, -versuft, dronken. Zóó bleef hij een lange minuut staan, raapte, half op -den tast, zijn kalen hoed op en beklom zuchtend het naaste duin -stadwaarts, langzaam en met groote moeite. Op den heuvel woei de wind -hem in ’t gezicht; in de verte hoorde hij een voertuig ratelen, en -daarachter tegen de zwarte lucht ving een heldere gloed aan te glanzen, -de weerschijn van de pas ontstoken lichten in de groote stad. Hij keek -er naar en er kwam besef in zijn geest; hij keek er naar met groote -uitpuilende oogen, en toen zette hij het op een loopen, met wijde wilde -sprongen en stappen, wegzinkend in het zand of uitglijdend op de gladde -helm; viel hij, dan sprong hij op, vlug en lenig in zijn overspannen -toestand, als een kat, en hij vloog weer vooruit in de zwart-grauwe -duisternis onder den invloed van een vrees, die hem gek maakte, altijd -in de richting van het noorden, diep het duin in, tot hij neerviel in -het mulle schuivende zand, bewusteloos, met het gezicht voorover op den -grond. - -’t Was rustig en doodstil in de zoo goed als geheel onbewoonde -duinstreek. Willempje Van Velton en baron Van Leeuwendaal omringde geen -geluid, dan het gekwaak in de lucht van een overvliegende eendenvlucht, -hier of daar opgejaagd, of ’t geritsel van het onrustig naar den kost -zoekend konijn. - -Maar in de stad was het zeer onrustig over hen; zij was er vol van. Het -toeval had gewild dat de dokter zelf met zijn coupétje zijn kleinzoon -van de school kwam halen. - -„We hebben hem al meegegeven.” - -„Hè?” vroeg de dokter verbaasd, en aan niets anders denkend dan een -onverwachte en zeldzame uiting van moederlijke teederheid. „Al -meegegeven?” - -„Ja, u hebt hem zelf laten halen.” - -Dokter Van der Linden verbleekte. - -„Wel neen, dat heb ik niet.” - -„Er is hier ’n uur ongeveer geleden ’n meneer geweest, namens u. Hij -zag er niet rijk, maar toch nogal fatsoenlijk uit. ’n Heel mager heer -met ’n grooten neus. Hij kwam namens u den jongenheer halen!” - -„En je hebt hem meegegeven aan ’n onbekenden vent?” - -„Ik wist niet.... ik meende.... hij zei....” stotterde het jongemensch -achteruittredend voor den ouden heer, die woedend op hem afkwam. - -„Wie gaf je het recht, beroerde kwajongen, mijn kind....” - -„Ik zal meneer roepen”, zei de kweekeling en liep hard naar achteren, -op den voet gevolgd door den dokter. De school was nog aan, en het -praatje was dadelijk bekend: de kinderen mochten naar huis gaan en als -een zwerm verspreidde zich over honderden huisgezinnen in de stad het -nieuws: „er was een jongetje gestolen”; enkele wettische heeren zeiden, -dat er een „minderjarige was ontvoerd.” - -De onderwijzer zelf was zeer ongerust; hij trachtte niet zijn personeel -te verontschuldigen; hij zag wel dat het niet baatte; maar hij reed met -zijn kweekeling mee naar het politie-bureel. Aan de -persoonsbeschrijving had de dokter dadelijk Van Leeuwendaal herkend. In -het rijtuig voerde de onderwijzer alleen het woord, troostend en -opbeurend, voorbeelden aanhalend van dien aard, die ook alleen hadden -geleid tot noodelooze ongerustheid. Maar de dokter dacht aan de oude -geschiedenis te Batavia; aan Van Leeuwendaal’s wraakzucht over het pak -slaag; aan de positie zijner dochter; en wat het verschrikkelijkste -was: aan het lot van zijn lieveling; hij was een man, en in zijn lange -medische en chirurgische carrière had hij geleerd met droge oogen het -lijden der menschen aan te zien; maar nu was hij oud; hij had al zijn -liefde bijeengebracht op dat kind, en als hij er aan dacht, dat -Willempje wellicht gruwelijk werd mishandeld, dan liepen hem rillingen -van smart door het lichaam, dan moest hij veel moeite doen om zijn -tranen te bedwingen. - -Een inspecteur van politie bracht hen naar een hoofdinspecteur van -politie, die hen bracht naar een commissaris, die hen deed binnengaan -bij een hoofdcommissaris. Ieder hoorde het verhaal van den kweekeling -en de verklaringen van den dokter, noteerde ze, trok een bedenkelijk -gezicht, vond het een hoogst ernstig geval, en schoof dat over op zijn -chef, tot groote woede van den doodelijk ongerusten dokter, die -stampvoette over het tijdverlies. - -De hoogste politioneele macht gaf dadelijk orders. - -„Duizend gulden,” zei de dokter, „voor den man, die me het kind gauw en -goed terugbrengt.” - -De voorgeroepen agenten zeiden niets; ze keken eerbiedig naar dien -ontstelden ouden heer, die zulk een som uitloofde; voor henzelven -beschouwden ze het verdwijnen uit de school onder den leertijd een -kwajongensgrap; die kinderen van de Haagsche „groote lui” waren -lievertjes! Daar wisten zij, politie-agenten, van mee te praten! - -„Er schiet thans niets over dan te wachten,” zei de hoofdcommissaris -toen de agenten met instructies waren vertrokken. - -„Te wachten!” zuchtte de oude heer. „Het is verschrikkelijk!” - -Hij reed naar de Riquelles. - -Juist kwam hem de panier van den ritmeester te gemoet. Louise met een -frissche kleur op het gezicht, mooier en eleganter dan ooit, mende de -poneys, die, hun korte dikke manen schuddend, op de stangen beten. - -Toen papa, nog voor de rijtuigen geheel stilstonden, de deur van zijn -coupé opende, er uit sprong en op angstigen toon riep: - -„Ik wou Wim van school halen.... Hij is weg!”—begon Riquelle te lachen. - -„Maak u niet zoo ongerust, pa. Hij zal gespijpeld hebben: dat is zoo -erg niet; dat heb ik ook wel eens gedaan!” - -Maar Louise lachte niet. - -Zij kende haar vader en ze zag duidelijk aan zijn gezicht, dat er meer -stak achter het enkele woord. Den koetsier achter haar gaf zij de -teugels en sprong uit den panier. - -„Wat is er, pa?” - -„Ik zeg je: Willem is weg.” - -„Maar hoe komt dat dan? Spreek toch duidelijk!” - -„Hij heeft hem onder schooltijd weggehaald.” - -Dokter Van der Linden zei het als tegen zichzelven op den smartelijken -toon van iemand, die een pijnlijke gedachte doelloos en machinaal -herhaalt en onder woorden brengt. - -„Hij?” herhaalde Louise, haar man aankijkend met een vreemden blik, die -vroeg of papa wellicht in een stadium van kindschheid geraakte. „Wien -bedoelt u, pa?” - -„Van Leeuwendaal.” - -Zij werd zeer bleek; haar trekken drukten grooten angst uit. - -„Wie is dat?” vroeg Riquelle. - -„Ik kan het je niet in twee woorden zeggen; het is een smeerlap, een -vagebond, een verloopen zoon van ’n voorname familie.” - -„Wacht even,” zei Riquelle, „daarover herinner ik me iets, maar ik weet -waarachtig niet wat. Het was een bekende familie in mijn jeugd, maar -sedert uitgestorven als ik me niet bedrieg.” - -„Het is de kerel, dien je hebt laten afranselen.” - -„Och wat! En kende u hem?” - -„Zeker! Ik kende hem, helaas!” - -„Dat is curieus,” ging de ritmeester langzaam voort met een -onderzoekenden blik op zijn vrouw. - -„Zijn vader heeft hem eens in Indië op mijn dak gezonden.” - -„Dus kende jij hem ook?” vervolgde Riquelle tot zijn vrouw. - -Louise sloeg de oogen neer; zij had een benauwd gevoel als stond haar -een groot ongeluk voor de deur. - -„Ja, ik kende hem.” - -„Daarvan heb je me niets gezegd.” - -„Neen.” - -„Maar lieve, dat is toch vreemd. Als ik zijn afkomst had gekend en -geweten had, dat hij vroeger de gast van je papa was geweest....” - -„Wat zou het hebben uitgemaakt?” - -„Het scheelt nogal iets! Ik zou hem dan zeker geen pak slaag hebben -laten geven door ’n paar dragonders.” - -„Ook dat doet er niet toe,” riep de oude heer. „Hij heeft het pak slaag -beet en ik vrees.... ik vrees....” - -„Wat?” vroeg Riquelle snel. - -„Dat de schurk zich wreekt op mijn arm kind.” - -Een oogenblik stond de ritmeester verstomd. Hij hield volstrekt niet -van het souvenir zijner vrouw aan haar Indisch huwelijk, maar als man -van eer en fatsoen schokte het hem toch geweldig de middellijke oorzaak -te zijn geweest van het vermoedelijk ongeluk van een kind. - -Maar hij herstelde zich. - -„Ik geloof pa, dat u het veel te donker inziet.” - -„Je hebt goed praten.” - -„Wat zou zoo’n man aan ’n enkele wraakneming hebben?” - -„Weet ik het! Maar het gebeurt in de wereld, dàt weet ik bij -ondervinding.” - -„Nu ja, maar zeer zeldzaam. Weet u waaraan ik denk?” - -„Neen!” - -De oude heer zei het op een toon, alsof hem de gedachten van zijn -schoonzoon volkomen onverschillig waren. - -„Chantage.” - -Een oogenblik dacht dokter Van der Linden na. - -„Waarom niet, pa?” riep Louise. „Ik geloof het ook. Waarom zou ’t hem -anders te doen zijn, dan om geld?” - -„Ik had hem denzelfden ochtend pas geld gegeven.” - -Ze zwegen nu alle drie een oogenblik, tot de dokter, die geen rust had -en met het hoofd op de borst en onrustig dwalende oogen geen twee -seconden stil kon staan, in zijn coupé sprong. - -„Ik ga nog eens naar ’t politie-bureel.” - -„Kom u gauw, als er iets is?” riep Louise met een in ’t oog vallend -opvlammen van moederlijke bezorgdheid. - -Haar vader wuifde met de hand en knikte bijwijze van belofte met het -hoofd. - -„Ik zal je de heele geschiedenis met Van Leeuwendaal vertellen,” zei -Louise toen ze thuis was met haar man. - -„Is het zooveel?” - -„Och neen, eigenlijk niet, Ed. Maar toch voorzie ik iets -verschrikkelijks.” - -„Geloof je dan waarachtig ook, dat die man het kind zal kwaad doen?” - -„Misschien niet, maar of hij ’t doet of laat, er zal veel over de zaak -gesproken en geschreven worden.” - -„Ja, natuurlijk. Dat is altijd onpleizierig.” - -„En dat wordt het dubbel om en door de oude geschiedenis met dien Van -Leeuwendaal te Batavia.” - -Zij vertelde hem alles, en het hinderde hem geweldig. - -Hij geloofde haar volkomen; hij wist dat ze geen woord onwaarheid -sprak, had de volle overtuiging dat nooit iets bestaan had tusschen -haar en dien kerel. Maar die was toch, dat wist men, in haar slaapkamer -geweest, toen ze nog een jong meisje was en terwijl ze te bed lag, en -dat was genoeg, zoo het besproken raakte, voor een zee van de -schandelijkste lasterpraatjes. Daarvoor vreesde hij, dien storm zag hij -aankomen, en dat domineerde beiden meer, veel meer dan de eigenlijke -vraag: wat is Willempje overkomen? - -De chef der politie ontving den ouden heer triumfantelijk. - -„We zijn op het spoor,” zei hij. - -„En?” - -„Hij is met het kind naar Rotterdam.” - -„Hoe weet u dat?” - -De commissaris glimlachte sluw. Dat was nu ook iets! Waarom gaf men -zulke zaken aan, als men niet meende, dat de politie in de gelegenheid -was er achter te komen? Hij tikte de asch van zijn sigaar en antwoordde -langzaam: - -„Zóó vraagt men de boeren de kunst af.” - -„Wat hebt u gedaan?” - -„Er zijn twee geheime agenten naar Rotterdam. Maak u niet ongerust -meer. Er zal hem geen tijd worden gelaten iets kwaads te doen aan het -kind.” - -„Goddank!” - -„Ga gerust naar huis, mijnheer Van der Linden, gerust! Er zal hem niets -overkomen.” - -De dokter wilde juist eenigszins gerustgesteld heengaan, toen een -agent, die de kamerwacht had, een collega aanmeldde, die op recherche -was geweest in de zaak van het vermiste kind. - -„Als u even wilt wachten,” zeide de commissaris, „kunt u hooren wat -deze man rapporteert.” - -Er kwam een heel gewoon, mager man binnen met een blonden baard, -zweetend en kuchend van vermoeienis, en de commissaris, met de -zelfvoldoening van iemand, die slechts zou hooren bevestigen, wat hij -reeds wist, zei: - -„Ga je gang maar.” - -De agent wierp een schuinschen blik op den dokter, dien hij herkende -als de oude heer van de duizend gulden; daarna keek hij zijn chef aan -en zei in telegram-stijl: - -„Kind gehaald drie uur, vigilante genomen; Scheveningen gereden.” - -„Wat?” riep de dokter, van zijn stoel opspringend. - -De commissaris wenkte hem met de hand zich stil te houden, en de agent -vervolgde: - -„Voor het dorp stilgehouden; hoogen weg opgewandeld; voorbij het -Badhuis en duinen ingegaan. - -„Is er niet meer?” - -„Maar dat is....” riep de dokter doodsbleek. - -Weer legde hem de commissaris het zwijgen op. Hij vroeg fluisterend -eenige inlichtingen aan den agent, liet een inspecteur roepen en gaf -bevelen. - -„We zullen nu moeten afwachten,” zei hij troostend tot den ouden heer, -toen zijn personeel was vertrokken, „dat is het eenige wat er op zit.” - -„In de duinen verdwenen!” zuchtte dokter Van der Linden, en zijn haren -rezen ten berge van angst en schrik bij die gedachte. - -„Zou men te Scheveningen niets weten?” - -„Misschien wel, maar dat zullen we spoedig hier vernemen. Ik heb -natuurlijk kennis gegeven.” - -„Als ik er eens heenging?” - -Het kwam den commissaris voor dat beweging en verplaatsing voor iemand -in zulk een gemoedsstemming nog het beste was. - -„Dat kan geen kwaad.” - -„Ik ga dadelijk. Dank u meneer, dank u voor uw moeite. Rotterdam -schijnt een vergissing.” - -„Men kan niet weten.” - -„Toch niet, ik zeg u dat het een vergissing is. Dáár,” zei hij met de -bevende hand naar het noorden wijzend, „dáár is het; dat voel ik; daar -ben ik zeker van.” - -Het was een lange reis in de duisternis. - -Er brandde een eenzame lantaarn voor het kantoortje van het -dorpscommissariaat. Er was niemand dan de chef, en in een ander -vertrekje één beambte. Men had gehoord van de duizend gulden en men was -behalve met dienstijver ook vol van de gedachte aan de mogelijkheid die -premie te verdienen. - -„Ik ben dokter Van der Linden.” - -„O! de grootvader van het vermiste jongetje! Neem plaats als ’t u -blieft.” - -„Is er nog geen bericht?” - -„Het spijt me, meneer; voor ’t oogenblik nog niets.” - -De ambtenaar vertelde nu lang en breed, welke goede maatregelen ter -opsporing waren genomen. Het duurde wel een kwartier, zoodat het -verhaal en zijn eigen staat van overspanning dokter Van der Linden -begonnen te biologeeren. - -Plotseling werd er aan de deur getikt. De beambte trad met een -geheimzinnig gezicht binnen. - -„Wat is er?” vroeg zijn chef. - -„Ik hoor buiten, dat er in het duin een lijk is gevonden.” - -Als bestorven en verlamd van schrik was de oude heer op zijn stoel -neergezonken. Dat werd daar zoo kalm en eenvoudig gezegd en het was zoo -vredig en stil in de warme kantoorkamer met de met zand bestrooide -houten vloer en de groote lamp boven den lessenaar,—dat ’t een parodie -leek op den storm van ontsteltenis, die in ’s dokters hersenen woedde. - -„Het moet een manslijk zijn.” - -„Weet je dat zeker?” - -„Ik weet niets zeker; ik hoor het hier van voorbijgaande lui. Het is -geen kinder- maar een manslijk, en ze zijn er al mee opweg hierheen. -Hoor, daar komen ze al.” - -Er kwam gestommel in het gangetje naast ’t kantoor, een geluid van -vermoeide, hijgende menschenstemmen. Een deur werd opengerukt en viel -dreunend weer dicht. - -„Wilt u maar eens meegaan?” vroeg men den ouden heer en half versuft -wankelde hij mee. - -Zij traden een kamer binnen, slecht verlicht en met geen ander -meubilair dan een groote ongeverfde tafel en een paar banken. - -Op de tafel lag het magere lichaam van Van Leeuwendaal, vuil en nat van -den regen, die lang dreinig over de duinstreek was gevallen, doch nu -hard tegen de ruiten kletterde. - -Toen de heeren binnenkwamen, trok een der agenten willekeurig de -veelgetinte demi-saison recht, als wilde hij ’t bewegingloos lichaam in -fatsoenlijk gezelschap een presentabeler aanzien geven. - -„Dokter,” zei de ambtenaar, „zoudt u zoo goed willen zijn?” - -In deze omgeving, met een lijk op de tafel en een beroep op zijn -hoedanigheid als deskundige, ging het dokter Van der Linden, als een -oud dragonderspaard, dat de signalen hoort. Hij richtte zich op, zette -zijn bril goed, stroopte zijn rechtermouw in de hoogte en onderzocht, -voor een oogenblik zijn verdriet en angst vergetend, het lichaam. - -„Hij is het,” zei hij tot den ambtenaar, „en hij is dood; -waarschijnlijk.... aneurysma.” - -„Wilt u ’t even constateeren?” - -„Ja maar.... mijn kind?” - -„Er wordt nog steeds gezocht, nietwaar mannen?” - -„Ja.... zeker....” bevestigden ze alle vier, indachtig aan de duizend -gulden. - -„We zijn wel knapjes nat,” zei een hunner lachend tot den ouden heer, -„maar we zullen het er toch maar op wagen.” - -Maar de dokter was niet tevreden; hij wilde meer menschen, meer lichten -en zelf meegaan; wat het kostte, kwam er niet op aan, maar het kind -moest dood of levend gevonden worden; het kon niet ver weg zijn. De -menschen deden hun best; in wind en regen zwermden tientallen door het -duin met lantaarntjes zoekend langs den grond, druipnat en vloekend, -maar met het droombeeld der duizend gulden voor oogen, ijverig en -oplettend. - -Er ging een uur voorbij; men vond niets. - -De meesten gaven het op en gingen naar huis. - -Dokter Van der Linden kon niet meer; doodmoe, buiten adem, met de -wanhoop in ’t hart, keerde hij terug in het dorp. - -„Het is onverklaarbaar,” zei de ambtenaar. - -„Wat denkt u er van?” - -„Wel, ik heb goeden moed. Het kind is weggeloopen of meegevoerd.” - -„Denkt ge, dat hij nog leeft?” - -„Zeker; anders zou ’t lijkje wel gevonden zijn.” - -Er werd aan de deur getikt; het hart van den ouden heer bonsde. Een van -de mannen, die nagekomen was, bracht een pet mee. De tranen sprongen -den ouden heer in de oogen. - -„Het is van hem!” zei hij schor. - -De man, die het petje gevonden had, keek erg teleurgesteld; dat men -dáárvoor geen duizend, geen honderd, ja geen tien gulden geven zou, -begreep hij ook wel. En toen hij met leege handen bij de agenten -terugkwam, vloekte hij. - -„Zoo’n rakkersche kwajongen! Waarom loopt hij ook onder zijn pet -vandaan?” - -„Je hebt zeker niet goed gekeken,” zei een hunner; „hij moet er naast -hebben gelegen.” - -„Zou die magere daar op de tafel hem opgevreten hebben?” bromde de -petvinder met een kwaadaardigen blik op het lijk. - -„Jongens, er moet gauw een brancard komen om dien gast weg te brengen,” -zei de oudste ernstig. „Als de baas komt en hij ziet, dat het nog niet -gedaan is, zit er weer boete op. Vooruit!” - -Zij gingen aan het werk, mopperend en ruwe uien slaand, tot een hunner, -die even op de stoep was geweest, door de katroldeur als het ware met -een vloek naar binnen viel. - -„’t Verloren schaap is terecht, hoor! Duizend pop?—ho maar!” - -In het kantoor stond een arme visscher met den zuidwester in de hand en -een dik buis aan met hoogopstaanden stijven kraag; de man scheen er een -beetje verlegen mee, maar zijn groote mond met bruine hoeken vol -tabakssap, lachte goedaardig toen hij zag hoe die oude heer beefde, -schreide en het jongske kuste, dat hem de armen om den hals sloeg en -half huilend niets dan „Grootpa!” riep. De dokter herstelde zich -spoedig; hij nam Willempje op den schoot en luisterde naar het verhaal -van den visscher, dat luidde: „Ik ging over de duinen naar huis, hoorde -een kind huilen en roepen en vond dit jongske.” Détails kon de man niet -geven; daar had hij zelfs hoegenaamd geen idee van, naar het scheen. -Hij had het kind meegenomen naar zijn afgelegen woning, en had het -niets gevraagd. Doch toevallig hoorde hij van iemand, die uit het dorp -kwam, dat er zooveel te doen was bij de politie om dat jongetje, en nu -bracht hij het. Dokter Van der Linden schreef een cheque van duizend -gulden; de arme visscher, hoe dom ook en eenvoudig, begreep van deze -handeling de portée bijzonder vlug; de oude heer tastte in zijn -portefeuille, en die greep vervloeide naar de agenten van politie, die -blij waren dat ze er toch iets van hadden, maar den „joei” gruwelijk -benijdden. - -Het was in de stad om het huis van den dokter haast een volksoploop; de -schrikkelijkste verhalen deden de ronde; toen de oude heer met het -kind, dat ziek en pijnlijk was en bij transmissie nog naar gedroogde -scharretjes rook, vielen de gruwelen grootendeels in duigen. Eerst had -het geheeten, dat het kind letterlijk aan stukken was gesneden; men -rilde, en moeders in zenuwachtigen angst besloten hunne kinderen thuis -te houden van school, als had in Den Haag een particulier en modern -Herodes domicilie gekozen. Den dag na de terugkomst van Willempje in -het grootvaderlijk huis, volgden de courantenberichten met juistheid de -feiten vermeldend en met halve woorden gissend naar het onderling -verband. Toen moest de begeerige wolf van het algemeen gerucht een -anderen kant uit om voedsel. Niet meer het feit zelf, maar het: waarom? -trad op den voorgrond. Waarom had die man, een baron nog wel, het kind -willen vermoorden? Waarom had hij zelfmoord gepleegd? Want van dat -laatste was het publiek niet af te brengen. - -Daar moest iets achterzitten! En in de herinnering van oud-gasten, die -Indië reeds veel jaren hadden verlaten, doemden met de namen de feiten -op; de een wist er dit, de ander dàt van,—niemand meer het ware. -Brokstukken der Leeuwendaalsche geschiedenis te Batavia raakten onder -het publiek, groeiden aan tot omvangrijke schandalen, vonden hun weg in -enkele clandestiene weekblaadjes, waarop iedereen laag neerzag, maar -die haast iedereen met wellust verslond; die iedereen kende en bleef -kennen, maar altijd verloochende. Daar was van alles in het gerucht; -maar het essentiëele kwam hierop neer, dat mevrouw Riquelle in haar -jeugd een ongeoorloofde liaison had gehad met Van Leeuwendaal, die, een -nacht in haar kamer doorbrengend, zich stilletjes en terwijl zij sliep, -had verwijderd met een schat aan geld en diamanten; dat hij was -achterhaald door de politie, gestraft door de justitie, en nu, na vele -jaren in de gevangenis te hebben doorgebracht, zich was komen wreken, -doch, bijtijds betrapt, zich had gezelfmoord, vóór hij tijd had het -kind af te maken. - -Het was een heerlijke bijdrage tot de chronique scandaleuse der -residentie, en zij had, schoon van a-z een lange leugen, volkomen het -gewicht van een véridiek verhaal, omdat iedereen het geloofde. - -In de hoogere standen alleen werd het zoo zwaar niet opgenomen, schoon -even algemeen geloofd. Openlijk werd het daar tegengesproken. Hoe het -dan ook zijn mocht,—ieders gevoel van solidariteit als menschen uit één -stand, bracht mee, dat men een vrouw van wie gezegd werd, dat zij in -haar jeugd amours had gemaakt met een jongen adellijken losbol, en die -later, schatrijk, getrouwd was met een homme rangé, cavalerie-officier -en mede behoorend tot de coterie, de hand boven het hoofd hield, vooral -indien zij zich zoo uitstekend naar haar omstandigheden wist te -gedragen. - -Toch keken de dames er Louise „op aan”, en zij zag en voelde dat. - -„Het is zeer onpleizierig,” zei de oude mevrouw Riquelle tot haar zoon, -toen hij haar alles vertelde. „Het is vreemd ook.” - -„Ellendig is het, maar vreemd niet zoozeer.” - -„Ik heb het altijd wel gedacht, Eddie.” - -„Wat dan, ma?” - -„Herinner je eens dien dag, toen je me het eerst kwam spreken over je -voorgenomen huwelijk?” - -„Ja.... ik herinner me dat.” - -„Wat heb ik toen gezegd?” - -„Ik weet het zoo precies niet meer, ma,” antwoordde de ritmeester -ongeduldig. „Denkt u, dat men alle gesprekken letterlijk kan -onthouden?” - -„Ik weet het nog heel precies. Wantrouw altijd eenigszins menschen uit -Indië, heb ik gezegd. Al zijn ze nog zoo goed en beminnelijk, ze hebben -altijd hun histoires en vroeg of laat openbaren zich die.” - -Mevrouw Riquelle had dat nooit gezegd tegen haar zoon, al beweerde zij -ook het zich precies te herinneren; de ritmeester keek haar een -oogenblik verwonderd aan; toen trok hij de wenkbrauwen samen en vroeg -zeer onvriendelijk: - -„Dus u gelooft....?” - -„Dàt doet niets ter zake, helaas! Wat wáár is, wat jij gelooft, wat ik -geloof,—het komt er alles niets op aan. Iedereen neemt de praatjes aan, -die de ronde doen.” - -’s Middags in de sociëteit kwam een zijner collega’s en -academievrienden naar hem toe. - -„Dat is een heele geschiedenis met je stiefzoontje.” - -„Ja, het is een beroerd geval.” - -„Dat is het.” - -Het werd met een ernst en een overtuiging gezegd, die Riquelle vreemd -deden opzien. - -„De kerel had twist gehad met den ouden heer Van der Linden, bij wien -het kind woont. Om zich te wreken, heeft hij het van de school gehaald, -naar het schijnt om het te vermoorden.” - -De ander knikte toestemmend. - -„Ja,” zei hij weer, na een oogenblik zwijgens, „het is een hoogst -onaangename geschiedenis.” - -Verder werd het onderwerp niet aangeroerd, doch wel viel het Riquelle -op, dat sommige getrouwde officieren zoo op een afstand bleven, vooral -die uit burgerfamilies, door hun afkomst altijd eenigszins bezield met -stillen haat en wangunst tegenover de „hof-kringen”, zooals de Haagsche -adellijke families niet zonder spot genoemd werden. - -„Als ik in jou plaats was,” zei zijn vriend, „nam ik mijn ontslag.” - -Riquelle werd vuurrood; het was een denkbeeld, dat hem de laatste -dagen, bij het gevoel dat er iets onaangenaams in de lucht zat, als het -ware snippersgewijs door ’t hoofd was gegaan. Maar hij werd er boos om -en vroeg brusque: - -„Wat bedoel je daarmee?” - -„Wel niets; maak je niet kwaad. Het is waarachtig zoo aangenaam niet in -den dienst! Wie fortuin heeft, is wel gek er in te blijven.” - -Het was pijnlijk voor den ritmeester. Hij kende dat in het militaire. -Had het over iets anders geloopen, dan zou er toelichting kunnen -volgen, maar op het kiesche punt: de eer zijner vrouw, ging dat niet. -Er kon en er mocht daarvan geen sprake zijn. Het was een onderwerp, -waarover geen woord mocht gesproken worden, zonder dat hij zijn sabel -trok. Toch was het zoo hard, heen te gaan! Hij had den dienst met al -het onaangename er aan verbonden, zoo lief! - -Met groote vaste schreden ging hij heen en wandelde alleen langs stille -buitenwegen, waar zijn rinkelende sporen op dat uur van den dag het -luidst gerucht waren. Ja, het moest toch maar gebeuren! Hij had de -gezichten gezien en hij wist dat nu. Strijd er over had hij niet; hij -besloot dadelijk en vast, maar hij had tijd en beweging noodig om „er -over heen” te komen. - -Thuis vond hij de Fourniers, en het gesprek liep weer in alle -levendigheid over die geschiedenis met Van Leeuwendaal, die, vond -Hortense, zoo goed was afgeloopen. - -„Maar papa is er erg ziek van.” - -„Och kom,” zei Fournier, die altijd veel van den dokter had gehouden. -„Wij zullen eens naar hem gaan zien!” - -„Het is ook hier,” zei Hortense met een droevig lachje, „onze -afscheidsvisite.” - -Riquelle wist het en terwijl zij spraken over de reis naar Indië, zei -hij als langs zijn neus weg: - -„Wij zullen hier ook niet zoo heel lang blijven. Ik denk mijn ontslag -te nemen, en dan gaan we, als Louise ’t goed vindt, voor een poosje -naar Italië.” - -Louise klemde de lippen opeen, zoodat haar mondje een messnee leek over -haar gezicht; zij kon geen woord spreken, het had haar geweldig -aangepakt, zij wist wat dat offer hem kostte en hoe kiesch ’t van hem -was het zóó te behandelen, als de meest gewone zaak. Hortense begreep -het ook, en toen ze met Fournier na een afscheid onder zenuwachtige -handdrukken en harde kussen, in hun rijtuig zat, schudde zij met de -oude peinzende langzaamheid haar ernstig blond hoofd. - -„Zij is een zonderling schepsel, Gérard. Die Van Leeuwendaal, jij, -papa, Riquelle....” - -„Beste Stance,” riep Fournier met meer drukte dan noodig was, „zeg toch -zulke dwaze dingen niet!” - -Voor het huis van den dokter sprong hij uit het rijtuig en schelde. Ook -Hortense stapte uit. Zij moesten lang wachten en Fournier werd -ongeduldig. - -„Meneer thuis?” vroeg hij boos, toen eindelijk de deur openging en -terwijl beiden reeds de gang instapten, omdat ze wel wisten dat -„meneer” nu niet uit was. - -Maar de meid zei, met bewogen stem en tranen in de oogen: - -„De ouwe heer is daar net met een harde koorts de eeuwigheid ingegaan.” - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Willemstraat. - -[2] De vele straten met Indische namen in het N.-W. gedeelte van Den -Haag. - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK INDISCHE MENSCHEN IN -HOLLAND *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
