summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/68993-0.txt10168
-rw-r--r--old/68993-0.zipbin177048 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68993-h.zipbin380247 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68993-h/68993-h.htm9903
-rw-r--r--old/68993-h/images/new-cover.jpgbin177014 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68993-h/images/titlepage.pngbin13613 -> 0 bytes
9 files changed, 17 insertions, 20071 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..1079a1c
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #68993 (https://www.gutenberg.org/ebooks/68993)
diff --git a/old/68993-0.txt b/old/68993-0.txt
deleted file mode 100644
index 5c6507b..0000000
--- a/old/68993-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,10168 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Indische menschen in Holland, by
-Maurits
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Indische menschen in Holland
- Oorspronkelijke roman
-
-Author: Maurits
-
-Release Date: September 15, 2022 [eBook #68993]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- book was produced from scanned images of public domain
- material from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK INDISCHE MENSCHEN IN
-HOLLAND ***
-
-
-
-
-
-
- INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND.
- OORSPRONKELIJKE ROMAN
-
-
- DOOR
- MAURITS.
-
-
- LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND.
-
-
-’t Was nog niet ver in het najaar, maar toch reeds vinnig koud. In de
-nieuwe wijken van Den Haag, te zamen grooter dan de oude stad, scheen
-het guurder dan elders; eentoniger en stiller was het er zeker, vooral
-in de straat, waar kapitein Roos met zijn talrijk gezin een bovenhuis
-had gehuurd. Wie dien dag den hoek om kwam, kreeg van den scherpen
-noordoostenwind de volle laag en zijn deel van het voor den sterken
-luchtstroom opstuivend zand, dat de pas gelegde bestrating bedekte.
-
-De twee lange rijen huizen stonden, op enkele uitzonderingen na, nog
-leeg. Één lijn vormden de lijsten der dakgoten aan weerskanten, één
-lijn de architraven, één lijn de rollagen der trottoirs. De net
-gemetselde roode baksteenen van het weinige en dunne muurvlak tusschen
-deuren en vensters waren opgebleekt onder den drogen, kouden wind, die
-door de reten gierde, het te versche hout der paneelen deed krimpen en
-scheuren, of spleten trok in de voegen, waarvan ’t laagje verf week met
-een knal. Het was een mislukte bouwspeculatie, die geheele straat,
-gelijk er zooveel waren. De huren waren laag, maar toch wilde niemand
-er wonen voorshands, en slechts hier en daar zag men een armzalig
-winkeltje in een der benedenhuizen genesteld, met een mageren
-inventaris, die een parodie leek op de huisdeur à jour en den
-porseleinen schelknop.
-
-En over die nare ongezellige straat hing een effen grijze lucht, met
-geen kans om een zonnestraaltje door te laten, in de talrijke vensters
-zonder gordijnen zijn grauwe tinten weerspiegelend.
-
-Kapitein Roos trok zijn handschoenen aan en nam zijn stok. Hij ging
-uit, elken dag en elken avond; hij was bijna niet meer thuis dan om te
-eten en te slapen. Zijn woning trok hem niet aan en aantrekkelijks was
-er ook bitter weinig. Twee jaren hadden ze geleefd van hun
-verlofstraktement en ingeteerd van hun Indischen spaarpot; toen was de
-tijd gekomen, dat hij gepensionneerd werd, en nu was van de laatste
-dubbeltjes, die zij in Indië zoo zuinig hadden bijeengebracht, nog maar
-een kleine som over; zij zagen den dag naderen, dat zij den bodem
-zouden zien van hun trommeltje; mevrouw Roos had het kunnen uitrekenen
-op haar vingers, maar dat wilde ze niet, en de kapitein deed het
-evenmin. Zij vonden het zóó onaangenaam, dat ze er zelfs niet samen
-over spraken. ’t Meubilair hunner woning was even troosteloos als de
-straat; het zag er kaal en slordig uit; bij de kachel, die reeds
-brandde, waardoor het benauwd warm was in de huishoudkamer, zat mevrouw
-Roos gewikkeld in een rood en zwart geruite wollen sjaal, met de armen
-kouwelijk over elkaar en toch half stikkend uit gebrek aan versche
-lucht.
-
-„Nu, bonjour,” zei de kapitein. „Tot straks. Dag jongens!”
-
-Zij bromde iets, dat een groet moest beduiden; de kinderen, die voor
-het venster zaten, keerden even met een: „Dag pa!” de donkere hoofdjes
-om, en drukten toen weer dadelijk hun reeds platte Indische neusjes
-totaal plat tegen de ruiten, waarover zij ademden, om daarna, als de
-wasem op het glas neersloeg, er met hun kleine koude vingers groteske
-soldaatjes op te teekenen. Zij waren nog niet gewasschen; ze kregen
-genoeg te eten, maar ze werden toch slecht verzorgd, geheel overgelaten
-als ze waren aan een dienstmeisje, dat, steeds in een vieze jurk
-gekleed en met meer gekapte dan gekamde haren, zoowat den baas speelde
-in huis, en niet meer of minder deed, dan ze zelve verkoos.
-
-Van een knappe Indische huismoeder, was mevrouw Roos een Hollandsche
-huismoeder geworden van treurig allooi. Zij had als ’t ware een heimwee
-naar Indië. Terwijl ze zoo huiverend bij de kachel zat en met een
-onaangenaam koortsig gevoel de grauwe zandwolken zag opstuiven in ’t
-grauwe najaarslicht, dacht ze aan niets dan aan Indië; aan den warmen,
-gouden zonneschijn, aan den rijken, diepgroenen plantengroei, aan haar
-gezellige achtergalerij. God, God! als ze naging, dat ze dat nimmer zou
-terugzien, dan wilde ze maar liever spoedig sterven!
-
-Op straat zette hij er, zooals hij ’t noemde, den pas in. ’t Hoofd meer
-dan rechtop, een gewoonte gebleven uit den tijd der stropdassen, en met
-den stok zwaaiend stapte hij naar den „Dierentuin”; daar kwamen ’s
-morgens eenige oud-gasten van zijn „kaliber” bijeen en dan maakten ze
-een partijtje. Er kwam niemand anders. Geen Hagenaar, lid van den Tuin,
-zou het ooit in ’t hoofd krijgen in dit vergevorderd seizoen en op zulk
-een uur van den dag in ’t lokaal van dien Tuin te gaan zitten. Maar dat
-maakte het nu juist voor hen zoo aantrekkelijk. ’t Was fatsoenlijk, en
-ze konden er hun bittertjes drinken als in Indië „voor de rijsttafel”,
-zonder dat iemand hen aanzag voor dronkaards, omdat ze reeds in den
-ochtend sterken drank gebruikten. Hij wist wel, dat hij met zijn groot
-gezin en zijn pensioen die leefwijze op den duur niet zou kunnen
-volhouden, maar daaraan wilde hij voorshands niet denken. Kwamen die
-tijden, dan kwamen die plagen; als het zóó ver was, dacht hij, dan zou
-hij wel eens omzien naar een baantje, dat hij er gemakkelijk
-bij—wáárbij wist hij eigenlijk niet, maar hij bedoelde zijn
-pensioen—kon waarnemen. En zoo ging hij ook nu welgemoed naar den Tuin;
-de wind was koud, en hij droeg nog maar een dichtgeknoopte zwarte jas,
-maar dat hinderde hem niet, want, placht hij te zeggen, stoffend op
-zijn krachtige persoonlijkheid, „zoo’n ouwe soldatenransel” moest
-overal tegen kunnen. Hij vond het zoo kwaad niet, dat leven in Holland,
-en hij had het pleizierig gevonden als ’t zijn vrouw ook was bevallen.
-Zij was erg veranderd, en dat hinderde hem; zij was niet meer voor hem,
-wat ze zooveel jaren geweest was, en al werd hij nu een dagje
-ouder,—het verdroot hem toch. Welzeker, hij had ingezien dat het heel
-iets anders is kapitein te zijn bij het Indisch leger in actieven
-dienst in Indië dan in Holland gepensionneerd kapitein van hetzelfde
-leger te heeten. Dan, zoo is de wereld, dacht hij, en men moest dat
-nemen zooals het was; zijn vrouw moest zich schikken naar de
-omstandigheden.
-
-Keetje en Pietje,—neen, zoo heetten ze sedert lang niet meer, de twee
-oudste dochters, die ondanks ze nu reeds vijftien en zestien jaren oud
-waren, nog in de hoogste klasse zaten van de meisjesschool voor gewoon
-lager onderwijs; ze heeten nu Corrie en Nelly, zooals Haagsche meisjes,
-’t zij par droit de naissance of par droit de conquête, betaamt.
-
-O, die konden het best stellen, als de jongens van de burger- en andere
-scholen het haar niet zoo lastig maakten op den duur. Toen ze pas op
-school kwamen, moesten ze in een lage klasse met veel jonger meisjes,
-in wier blonde, bleeke hoofdjes reeds meer schoolwijsheid stak dan in
-haar arme bruine kopjes, en die met een zeker air naar de ontwikkelde
-bustes keken van de „Oostersche nieuwelingen” alsof er persoonlijke
-schande stak in zulk een vroegtijdige physieke ontwikkeling, en
-diezelfde Haagsche meisjes vonden onder elkaar, dat Corrie en Nelly er
-met haar breede neuzen en krachtig gebouwde figuren net uitzagen als
-bruin gebraden, aangekleede dienstmeisjes; maar het mannelijk deel der
-schooljeugd dacht daar heel anders over en ontwikkelde een profusie van
-kalverliefde, erg hinderlijk voor de donkere zusjes, en alleen
-gecompenseerd door een regen van geschenken aan potlooden, papeteries,
-ulevellen en chocolaadjes. Zij leidden met haar beiden een vroolijk
-leventje, zich weinig bekommerend om de rest of om de toekomst, en als
-ze met haar lederen schooltasschen aan de hand, en in haar strak
-gespannen met astrakan afgezette manteltjes van school huiswaarts
-keerden, met moeite ontsnapt aan de overal wachtende en loerende kus-
-en knijplievende jongens, en gierend van pret, dan stond menig eigenaar
-van een perkamenten tronie stil, en zag met innig welbehagen dat
-tweetal donkere meisjes na, in de volheid harer vormen, met de rozen op
-het gezicht, een glinsterend licht in de guitige zwarte oogen, en twee
-rijen prachtige tandjes tusschen de lachende, kersroode lippen.
-
-Voor haar huis drukten zij met kracht en aanhoudend op den schelknop,
-tot de meid boven aan het touw trok en de deur openging. Stampend op de
-houten met geen loopers bedekte treden der trap, stoven zij met groot
-geraas, lachend en zingend naar boven; de kleintjes juichten haar te
-gemoet; bij de halve ellende van het huishouden en de heele van haar
-moeder, vormden zij het rumoerig element van het frisch ontluikende
-jonge leven; het eenige opwekkende, dat de doorgaans gedrukte stemming
-in de woning van kapitein Roos verlevendigde.
-
-Dien middag hadden zij vrij van school, en zij plaagden haar moeder
-zoolang tot ze er in toestemde zich te kleeden en te gaan wandelen.
-Mevrouw Roos had er eigenlijk eerst geen lust in, maar ze deed het om
-de kinderen, en toen ze eenmaal in de drukke straten wandelde,
-stilstaand om de tien schreden en luisterend naar het gesnap der
-meisjes, och, toen vermaakte het haar toch zelve wel, al het moois te
-bewonderen, achter de vensters der winkels en magazijnen uitgestald. En
-naar haar Indische opvatting zoo goedkoop! Zóó goedkoop, dat ze,
-ondanks haar geringe middelen, altijd hier of daar binnenging, en nooit
-thuis terugkwam zonder eenige guldens minder in haar portemonnaie en
-eenige noodelooze kleinigheden meer in haar bezit. Maar er was ook
-veel, dat haar hinderde op straat en haar bloed deed koken van
-verontwaardiging. Hoeveel Indische dames kruiste ze niet in die volle
-straten, evenals zij, wandelend om te zien, maar ook, niet gelijk zij,
-om gezien te worden! Zij zag er daaronder, die ze gekend had toen ze
-nog kinderen waren; anderen, die haar buren waren geweest; zij zag er,
-die, gezegend door de fortuin, ’t zij door een huwelijk, ’t zij door
-snelle bevordering van een vader of echtgenoot, in de gelegenheid waren
-zich prachtig te kleeden en te rijden in equipages. En daarbij waren
-er, die deden of zij de eenvoudig gekleede vrouw van den
-gepensionneerden kapitein en haar dochtertjes nooit te voren hadden
-gezien; anderen, die haar groetten uit de hoogte op een haast
-beleedigende manier met een genadig knikje. Dan was mevrouw Roos voor
-een oogenblik weer de kloeke vrouw van vroeger; ze richtte het hoofd
-op, glimlachte even en keek met haar groote zwarte oogen zoo inlandsch
-minachtend, dat zij, wien het gold, zich haastten voorbij te komen.
-
-„Dag Jeanne, hoe maak jij het?”
-
-Verrast, haast verschrikt, wendde mevrouw Roos ’t hoofd om.
-
-„Hé, dag Julie, hoe gaat het?”
-
-Ze gaven elkaar de hand en ze kusten elkaar. Nette Haagsche menschen
-vonden die demonstratie op het trottoir van een der hoofdstraten hoogst
-onfatsoenlijk; die Indische lui geneerden zich ook nergens voor! En een
-Haagsche straatjongen, blijkbaar ook in zijn fatsoen getast, riep
-luidkeels „pakt-em!”—De dames Roos en Van Stralen letten daar niet op.
-Ze waren zulke goede oude vriendinnen, en ze hadden elkaar in zoo lang
-niet gezien! Toen Roos nog luitenant was, diende Van Stralen reeds als
-oud kapitein, en van toen dagteekende de vriendschap der dames, die
-echter, hoe hartelijk zij zich ook liet vernieuwen, nu men elkaar weer
-persoonlijk zag, zich nooit in briefwisseling had voortgezet.
-
-„En dat zijn je oudste meisjes?” vroeg mevrouw Van Stralen, met een
-klein beetje afgunst in het oog de kloeke kinderen beschouwend; zij
-zelve had er geen.
-
-„Groot geworden, hè?”
-
-„Verbazend! ’t Zijn haast heele menschen. Dat is, als ik me niet
-bedrieg, Keetje en dat Pietje.”
-
-Mevrouw Roos lachte om de verontwaardigde gezichten harer dochters.
-
-„Nu ja, wij noemen haar Corrie en Nelly.”
-
-Mevrouw Van Stralen lachte ook.
-
-„Je hebt wel gelijk, Jeanne. ’t Klinkt veel aardiger. En hoe bevalt het
-jou hier?”
-
-„Och zoo! Wat zal ik je er van zeggen? ’t Bevalt me eigenlijk volstrekt
-niet.”
-
-„Kom,” zei mevrouw Van Stralen, die ook een Indische was. „Wij kunnen
-’t hier wel vinden; maar,” ging ze voort met een blik op het eenvoudig
-toilet harer vriendin, „wat de duurte betreft, valt het leven hier niet
-mee.”
-
-Ze praatten nog een oogenblik, intusschen het publiek, dat langs het
-trottoir wandelde, zeer in den weg staande, en het werd mevrouw Van
-Stralen onder het discours heel duidelijk, dat Jeanne verdriet had.
-
-„Je moet me komen opzoeken, ja? Beloof je het?”
-
-Mevrouw Roos aarzelde.
-
-„Je moet zeker komen, Jeanne. Wij hebben een aardig clubje als dames
-onder elkaar. De heeren loopen toch altijd maar naar de sociëteit!
-Heusch, je moet komen....” en lachend bracht zij den mond bij het oor
-harer vriendin en ging fluisterend voort.
-
-Met een uitdrukking van komieke verbazing op het gezicht, keek mevrouw
-Roos haar aan.
-
-„Loh! Wat zegje? Kepl....”
-
-„Sst!” viel mevrouw Van Stralen haar in de rede. „Niet zeggen! Het gaat
-maar om ’n kleinigheid, want we zijn haast allemaal gepensionneerd. Ik
-wed....”
-
-Snel trok zij haar kleed ter zijde voor de wielen van een prachtige
-coupé, die juist stilhield bij het modemagazijn, waarvoor zij stonden
-te praten.
-
-Er traden twee nog jeugdige dames uit ’t geopend portier, beiden
-prachtig gekleed: een klein, donker vrouwtje, met een gezond en
-levendig uiterlijk, en een lange, statige blondine, met een bleek en
-lijdend gezicht. De eerste zag snel rond, trad op mevrouw Van Stralen
-toe en gaf haar de hand.
-
-„Dag mevrouw,” zei ze met een fraaie, muzikale stem. „Gaat het goed? En
-hoe vaart de kolonel?”
-
-„Uitstekend! En dokter Van der Linden, en de kleine?”
-
-Ook dàt was in orde. Men sprak een minuut, en toen wipte ’t mooie,
-gracieuze vrouwtje den winkel in.
-
-„Ken je haar niet?” vroeg mevrouw Van Stralen, en toen Jeanne ’t hoofd
-schudde, ging zij zachtjes voort:
-
-„Zij is de dochter van dokter Van der Linden van Batavia, die met dien
-rijken Van Velton getrouwd is geweest, ’n heele tjerita, weet-je! Wij
-hebben nu geen tijd, maar je moet me vast beloven eens aan te komen,
-dan zal ik je zoo een en ander vertellen. Ik heb de reis met haar
-gemaakt, weet-je?”
-
-Toen mevrouw Roos tegen etenstijd weer thuis kwam, keerde haar heimwee
-met volle kracht terug; zuchtend en langzaam klom zij de trap op: de
-meisjes waren haar reeds vooruitgevlogen naar haar kamer. Terwijl ze
-voorbij de keuken kwam, hoorde zij de meid mopperen. Ze liep even
-binnen, en zag Kaatje met een roode kleur voor het fornuis staan, bezig
-den onvermijdelijken Hollandschen biefstuk te braden, waarvan de
-familie Roos nog altijd niet verzadigd was.
-
-„Wat is er?” vroeg ze.
-
-„Er is niets, mevrouw. Als meneer asjeblieft maar niet zoo familiaar
-is! Ik ben daar in ’t geheel niet op gesteld, en hij moet uit de keuken
-blijven. Hij moet niet denken dat hij zoo’n zwarte negerin voorheeft!”
-
-Mevrouw Roos ging gauw heen. Zij wist genoeg van ’t Hollandsche
-keuken-idioom om te begrijpen, waarop die laatste uitdrukking der in
-land- en volkenkunde niet ervaren Kaatje doelde; ze wist ook, dat wat
-de „familiariteit” van den kapitein betrof, ’t meisje volkomen gelijk
-had, en ze voelde, dat haar eigen zoo veranderd gedrag tegenover hem
-daar mede schuld aan had.
-
-’t Kon haar echter weinig schelen; het vooruitzicht nimmer weer naar
-Indië terug te kunnen en haar leven lang in het koude, onaangename land
-te moeten blijven, ontnam haar allen levenslust. Ze zou weinig jaren te
-voren in de grootste woede zijn ontstoken, als Roos haar ook maar
-eenige reden had gegeven tot jaloezie; thans was het haar volkomen
-onverschillig, al deed hij ’t ergste. Maar och! dat deed hij niet. Het
-is waar, dat hij, die jong naar Indië gegaan en nooit met verlof in
-Europa geweest was, thans vaak een zwaren strijd had te strijden,
-waarin hij althans zijn uiterste best deed telkens overwinnaar te
-blijven. Zelf van nederige afkomst, l’eau remontait à sa source: Roos
-toonde namelijk een hoogst gevaarvolle neiging voor dienstmeisjes. Hij
-kon de handen niet thuis houden; hij streek haar onder de kin of kneep
-haar in wangen of armen,—allemaal kleine, onschuldige misgrepen,
-gepleegd in volle eer en deugd, maar die Kaatje in woede deden
-ontsteken, alleen omdat zij het van zoo’n bejaard mensch, zei ze, in ’t
-geheel niet velen kon.
-
-Met het onschuldigste gezicht ter wereld, zat de kapitein, een beetje
-verhit van ’t langdurig partijtje in den Dierentuin, aan de reeds
-gedekte tafel, de courant lezend van den vorigen dag.
-
-„Marsch!” riep hij, toen zijn vrouw binnenkwam. „Dat heb ik wel zien
-aankomen: Van Schermbeek is er uit.”
-
-„Kasian,” zei ze, „hij is zoo’n goed en fatsoenlijk man!”
-
-„Van top tot teen ’n gentleman. Maar ik heb ’t hem voorspeld. Dat
-beroerde reclameeren ook! ’t Is of dat jonge volk den duivel in ’t lijf
-heeft!”
-
-„Dat heeft oud volk soms ook.”
-
-Hij keek haar eenigszins verbluft aan en las toen verder, zonder te
-vragen wat ze bedoelde. Zij vervolgde heel bedaard:
-
-„Daarom wou ik je verzoeken, de meid aan haar werk en met rust te
-laten, en niet meer in de keuken te komen.”
-
-Hg schoof onrustig heen en weer, draaide met nog hooger kleur aan zijn
-knevels en zette zijn bril recht.
-
-„Je moest je schamen!” zei ze nog.
-
-Toen frommelde hij aan de courant, dat het papier rammelde, en eerst
-langzaam en stootend, daarna met een toenemend flux de bouche kwam hij
-los in klachten en verwijten van hoogst intiemen aard, waaruit hij de
-conclusie trok, dat het alles haar schuld was. Hij was zoo niet, maar
-als men.... enfin nog gezond en krachtig was, en men had een vrouw als
-een dubbel bevroren ijsklomp....
-
-Zij hoorde het aan zonder iets tegen te zeggen; zij wist het wel, en ze
-gaf hem in veel gelijk. ’t Was haar echter onmogelijk anders te zijn
-dan zij was; hij begreep niet hoe doodelijk ongelukkig ze zich voelde,
-en hoe dit leven haar walgde en tegenstond. Er kwam een pijnlijke trek
-op haar gelaat, en toen de kapitein dat zag, sprak hij ingetogener en
-kalmer; zijn liefde voor haar kwam weer boven, maar ’t hielp niet. En
-intusschen luisterden Corrie en Nelly met Kaatje aan de deur, half
-stikkend van ingehouden lach. Toen het „standje” uit was, liepen ze
-alle drie naar de keuken, waar ze het uitschaterden.
-
-Bij het diner was het alles vrede.
-
-„Kom, ga eens mee naar de opera,” zei kapitein Roos tegen zijn vrouw.
-
-Zij schudde het hoofd.
-
-„Ik blijf liever thuis.”
-
-„Thuis sterven de meeste menschen,” merkte hij wijsgeerig aan. „Het is
-wezenlijk verkeerd van je, Jeanne! Ze geven van avond de Cloches.”
-
-„Ga jij maar,” antwoordde ze schouderophalend. „Heusch, ik geef er niet
-om; ik blijf veel liever hier.”
-
-Hij drong niet verder aan, maar stond op en ging zich kleeden. De
-meisjes vroegen of ze met Kaatje mee mochten boodschappen doen in de
-buurt, en dat werd haar vergund; de kleintjes werden naar bed gebracht;
-ze sliepen in een ommezien onder de warme dekens, en toen de huisdeur
-dichtviel, hoorde mevrouw Roos den harden militairen stap van haar man
-door de leege straat en in de holle onbewoonde huizen weerklinken in de
-eene richting, en het droge tikken der hakjes van de meisjes en van de
-meid, die gearmd en gichelend den anderen kant uit gingen. Daarna werd
-het stil in de eenzame buurt, en slechts de onverbiddelijke koude wind
-hoorde men door de schoorsteenen gieren met klagend geluid.
-
-Zij had haar sjaal weer omgedaan, en na de kachel te hebben opgestookt,
-haar stoel er bij geschoven. De tafel was nog niet „afgenomen”; dat zou
-Kaatje wel doen, als zij terugkwam, en ’t kon mevrouw ook weinig
-schelen. Zij verzonk weer in de droomen en phantasmagorieën, die haar
-heimwee vergezelden. ’t Ging haar als de schipbreukeling, die, op diëet
-van zoet water, gekweld wordt door grooten dorst, en in een staat van
-geestelijke verdooving geen andere beelden ziet dan heerlijke glazen
-ijswater, die hem aan de lippen worden gebracht, maar meedoogenloos
-verdwijnen bij elke gretige poging er iets van te drinken; allerlei
-visioenen had ze van Indië; het was haar leven in al zijn phasen, dat
-achtereenvolgens opdoemde, van haar eerste jeugd als dochter van een
-opziener op een onderneming in het gebergte tot haar later huwelijk met
-den toen 2den luitenant Roos; zij zat met gesloten oogen en glimlachte
-tegen haar hallucinaties gelijk haar man wel zou gewenscht hebben, dat
-zij het tegen hem deed.
-
-In den foyer van de opera stond deze gedurende de pauze met een groepje
-zijner oude vrienden een glas grog te drinken. Een enkel woord was
-gesproken over ’t stuk, dat werd opgevoerd, doch heel spoedig verviel
-men vanzelf in gesprekken over Indië, over expedities, promotie,
-traktementen, schandaaltjes, regeeringsfouten en intriges. Ook hen
-vervolgde en bezat het land, waar ze zooveel van hun beste levensjaren
-hadden doorgebracht; het had hen vast en ’t wilde hen niet loslaten; ze
-droegen er ’t onuitwischbaar stempel van in woord en gebaar, in houding
-en uiterlijk. En het bleek ten slotte, dàt wat hun ’t meeste
-belangstelling inboezemde, al waren de meeningen der meesten in het
-koude klimaat aanmerkelijk afgekoeld, en deden velen hun best anders te
-denken en te spreken, dan hun aandrift meebracht, om de andersdenkenden
-en sprekenden in wier midden hun gewoon dagelijksch leven verliep.
-
-Maar toch hadden ze voor alle van vreemde smetten vrije Nederlanders
-nog eigenaardigs te over: de weinigen, die aanvankelijk hadden gestaan
-bij het groepje in den foyer, uit gepensionneerden, verlofgangers en
-een enkel particulier saamgesteld, trokken spoedig af; zij verstonden
-het discours maar half en konden er niet aan deelnemen. En menige
-onvriendelijke blik gleed over dat groepje, en menige kwaadaardige
-grijns ging aan het adres der kern-gezonde, grog- en bierlievende
-verlofgangers, die „wegens ziekte” pierewaaiden in Den Haag, met
-behoorlijke verlofstraktementen, waarvoor ze niets behoefden te
-doen,—twee omstandigheden, die de Haagsche ambtenaarswereld haast deden
-stikken van woede en spijt.—Men moest hun niet vertellen, dat die
-menschen doodziek Indië hadden verlaten, en door de zeereis reeds voor
-het grootste deel herstelden, zoodat ze na een kort verblijf in Europa
-geheel beter waren; men moest hen er niet op wijzen, dat velen van die
-menschen in afgelegen oorden jaren achtereen een droefgeestig,
-eenzelvig bestaan hadden moeten leiden, haast afgesloten van allen
-Europeeschen omgang,—want zij geloofden het toch niet; ze hoorden het
-aan, schouderophalend en met een: „nu, ja”, maar voor de rest bleven
-zij er bij, dat het meer dan ergerlijk was, om, als zij in ’t Lange
-Voorhout uit hun bureau-vensters zaten te kijken, zulke verlofgangers
-in datzelfde Voorhout te zien wandelen.
-
-„Heb je mevrouw Van Velton gezien?” vroeg een oud-hoofdambtenaar, en op
-die vraag staken allen de hoofden bijeen met oolijke gezichten. Er werd
-gefluisterd en gelachen, tot luid en brutaal de schel weerklonk, die
-hen terugriep naar de zaal, omdat de pauze uit was. ’t Scheen wel, dat
-de naar de deur stroomende menigte door den dikken rook heenbrak, dien
-zóóveel brandende sigaren binnen een kwartier in den foyer hadden doen
-opgaan en die, met de massa, vergezeld van een echte kroeglucht, zich
-in de kromme gangen en gangetjes verbreidde.
-
-„Doe de deur dicht,” had Louise Van Velton tegen haar stiefdochter
-gezegd, die in haar loge er het dichtst bij zat. „Er komt zoo’n nare
-lucht binnen.”
-
-Hortense strekte zwijgend een langen arm uit en sloot de deur. Ze
-geeuwde achter haar waaier en ook Louise had geweldig ’t land. Zij zag
-er keurig uit in ’t ponceau fluweel met parelgrijze kant gegarneerd en
-een gezichtje om te stelen; haar diamanten schitterden oogverblindend.
-Ook Hortense was altijd keurig en smaakvol gekleed; het was bekend, dat
-zij prachtig woonden, schitterende equipage hielden,—kortom, dat ze
-rijk waren, rijk, schoon en elegant, en toch hielp ’t niet!
-
-O, er kwamen hoogst fashionabele lieden in haar villa op ’t Plein 1813,
-doch zij behoorden niet tot den stand, welken Louise er had wenschen te
-zien. Zelfs vroeger, toen zij met haar vader te Brussel woonde,
-verkeerde zij in hooger kringen. Van Indische clubs wilde zij niets
-weten, en met oud-gasten liet zij zich zoo weinig mogelijk in.
-Natuurlijk kon ze niet beletten, dat kennissen visites maakten, maar
-zij moedigde dat zoo weinig mogelijk aan, en bracht slechts
-tegenbezoeken als ’t niet anders kon. Zij werden nu begeleid door een
-neefje van Hortense, een jongmensch uit Arnhem met een bloemzoet
-gezicht en hoogst affabele manieren, doch in de oogen van Louise, die
-verzot was op grooten chic, niet veel meer dan een heerenboertje. Toen
-haar naam werd afgeroepen, bracht neef André de dames naar haar coupé
-en nam hij afscheid.
-
-„Ik heb me gruwelijk verveeld van avond,” zei Louise, haar sortie
-nauwer aanhalend en tegen de zacht geelzijden doffen leunend.
-
-„En ik dan!” geeuwde Hortense uit het andere hoekje.
-
-De fraai geornamenteerde lantaarns aan het hek van den tuin brandden en
-de jonge gitzwarte paarden sloegen vonken uit den bestraten
-toegangsweg. En nauwelijks stond het rijtuig stil of de deuren onder de
-koetspoort vlogen open, en in een stroom van zacht goudgeel licht uit
-de albasten lampen, beklommen ze de marmeren trap van den corridor.
-
-„Bonsoir!” zei Louise, stilstaand voor de deur van Hortenses kamer en
-haar de wang toestekend.
-
-De stiefdochter drukte er even haar lippen tegen.
-
-„Wel te rusten!” zei ze, haar kamer binnengaande.
-
-Er moest een einde aan komen,—dàt was mevrouw Van Velton met zichzelve
-eens. Zulk een saai leven, ondanks haar groot vermogen en weelderige
-levenswijze slechts verveling brengende, wilde zij op den duur niet
-leiden. Papa zag men alleen aan het ontbijt en bij het diner; voor de
-rest ging hij geheel op in haar kind, zijn eenigen kleinzoon, waarvan
-zij intusschen meer en meer vervreemdde. Het was reeds zóó ver, dat de
-oude heer jaloersch werd en boos, als zij zich zelfs maar met de
-kleeding van ’t jongske bemoeide; ’t was zijn afgod, en ofschoon
-physiek een allerliefst ventje, een naar, vervelend, bedorven kind, dat
-altijd zijn zin moest hebben. Hortense.... neen maar die was à propos
-van verveling een wereldwonder! Die zeurde nu niet met haar kind, dat
-evenwel heel aardig en lief werd, zoo’n bleek wurm als het in Indië
-was, maar die zeurde over haar man. En dat was nu juist voor Louise
-geen aangenaam onderwerp. Niet dat zij thans nog iets hoegenaamd om hem
-gaf! Wat zij voor hem gevoeld had, en wat nog een oogenblik bij haar
-laatste bezoek te Batavia hel had opgeflikkerd, was thans voor goed
-gestorven, en zij had overigens, hoewel weduwe, weinig behoefte aan een
-huwelijk of aan omgang met een man, schoon ze gevoelig was voor
-vleierij en wel hield van een aardigheid. Maar zoo mooi ze overigens
-was, zoo lief en levenslustig zij er uit zag, zoo koket zij wezen kon
-en zoo schijnbaar hartstochtelijk soms haar groote zwarte oogen
-gloeiden, zoo rustig en normaal werkte haar gestel, dat trouwens in
-haar eerste huwelijk niet was verwend. Zij had haar gevoel onder
-bedwang.
-
-De altijd eenigszins vermoeid uitziende Hortense daarentegen, met haar
-rustig onverschillig gezicht en kalmen oogopslag, leed geweldig onder
-de afwezigheid van Fournier. Nacht en dag stond hij haar voor den
-geest; zij had hem reeds lang vergeven, dat hij haar bedrogen had, door
-zijn vroegere verhouding tegenover haar stiefmoeder voor haar te
-verzwijgen. Naderhand, toen ze alles wist, vond zij het weinig, alleen
-rekenend met den uitslag, niet met het doel. ’t Was een
-kinderachtigheid geweest, een vergissing vond ze; en eenmaal uitgemaakt
-hebbende, dat het niet meer was, achtte zij het de moeite niet waard er
-verder over na te denken. En nu streed de arme Hortense een zwaren
-strijd tegen haar isolement. Zij ging, toen ze uit de opera kwamen,
-eens kijken in de kinderkamer,—de kleine sliep als een roos, en in het
-ledikant naast het kinderbedje deed de bonne hetzelfde. ’t Was alles
-stil en rustig in het groote huis. Langzaam en zuchtend ontkleedde zij
-zich, nam een boek en ging aan de tafel zitten lezen; daarmede verzette
-zij zich tant bien que mal, en tot laat in den nacht verslond zij
-boeken, haar best doende zooveel mogelijk belang te stellen in de
-handelende personen, tot ze, doodmoe, naar bed ging en dadelijk
-insliep.
-
-’t Was een koude, heldere ochtend, den volgenden dag; de wind woei
-hardnekkig uit denzelfden guren hoek, maar de grauwe wolkenmassa was
-weggedreven; de zon scheen vroolijk en vriendelijk aan de staalblauwe,
-strakke lucht; haar reeds bleeker schijnend licht verguldde de gele
-uiteinden der met zacht geruisch over ’t Plein dwarrelende bladeren.
-
-Zij ontbeten nog in de tuinkamer.
-
-„Het is zulk lekker weer; we moesten eens naar Scheveningen rijden,”
-meende Louise.
-
-„Ga gerust je gang; maar ik blijf thuis met het kind,” zei dokter Van
-der Linden, nu reeds met een bezorgden blik op zijn kleinzoon.
-
-„U zult hem nog heelemaal verwennen.”
-
-„Laat dat maar aan mij over! Ik ga met hem spelen in den tuin. Rijdt
-jullie maar naar den zeekant; wij hebben hier zeewind genoeg.”
-
-Doch Hortense wilde wel, en ze hadden reeds orders gegeven om in te
-spannen, toen de knecht een paar visitekaartjes binnenbracht.
-
-„God, hoe vervelend!” zei Louise. „Natuurlijk weer Indische lui.”
-
-Voor één presentabele Haagsche jonkersfamilie had zij gaarne ’t heele
-visschersdorp ook als badplaats een jaar lang willen ontberen.
-
-Het waren kennissen uit Indië. Zij had hun namen gelezen onder de
-passagiers der Fransche mail, en had wel gedacht, dat ze den een of
-anderen dag haar voor den neus zouden staan. Nu kwamen ze al heel
-ongelegen, maar enfin! ze moesten maar in de ontvangkamer worden
-gelaten, waar mevrouw Van Velton een oogenblik later, met een gezicht
-stralend van genoegen en een vriendelijken lach op de lippen, hen
-verwelkomde.
-
-De twee heeren behoorden niet tot ’s lands dienst; de een, ’s lands
-welvaren in persoon, was Mr. Mourant, advocaat, en de ander met het
-uiterlijk van een leverlijder, heette Veninga en was planter. Beiden
-bezaten een aardig fortuintje, maar de advocaat had met pleiten toch
-niet half zooveel verdiend als de planter met koffie-oogsten. Zoo de
-heeren van denzelfden leeftijd waren,—de dames scheelden veel in dat
-opzicht; mevrouw Mourant liep naar de veertig en zag er in uiterlijk
-schoon zeer gewoon Indisch uit; wel kon men ’t haar aanzien, dat zij
-een zeer intellectueel ontwikkelde vrouw was, maar al mocht mevrouw
-Veninga op dit laatste niet bogen, toch stelden haar groote schoonheid
-en haar twintig jaren de oudere vriendin ver in de schaduw; die deden
-zelfs afbreuk aan de mooie Louise en dat voelde zij toen ze binnenkwam
-en het jonge vrouwtje in een snoeperig reiskostuum haar om den hals
-vloog en hartelijk kuste.
-
-„We zijn nog heel vreemd in patria,” zei Mourant lachend.
-
-„Het is al zoo vèr in het seizoen,” meende Louise.
-
-„Dat is het ook,” gaf Veninga toe, „en we zouden ook gewacht hebben tot
-den volgenden zomer, als mijn gezondheid het had gepermitteerd!”
-
-„En ’t is erg lief van de Mourant’s—vindt u niet?—dat ze hun vertrek
-uit Indië om onzentwil hebben vervroegd.”
-
-„Och,” zei mevrouw Mourant, „Jet overdrijft dat; wij hebben elkaar zoo
-lang gekend; zij zijn, dat weet je, uit ons huis getrouwd, en als kind
-was ze altijd bij ons thuis....”
-
-„Toch vind ik het erg hartelijk,” viel Louise met haar liefsten
-glimlach in, en intusschen dwaalde haar vlugge blik over dat viertal,
-waarvan twee der dames naast haar zaten op de ottomane, en Veninga zich
-vermoeid had neergevleid in een leunstoel, terwijl Mourant achter dien
-stoel staande met de armen rustend op de leuning en een glimlach om den
-mond naar de dames keek, nu en dan zich met een gepast woord in het
-gesprek mengend. En er lag zoo iets meesterachtigs en cynisch in dien
-glimlach, dat Louise er zich inwendig boos over maakte en de
-wenkbrauwen samentrok.
-
-Er werd een glas morgenwijn rondgediend, en Veninga, die geen idéetje
-van spiritualiën aandurfde, uit vrees voor zijn lever, dronk een glas
-soda-water. Al pratende en zich, ondanks zichzelve, weer warm makend
-over wat sedert haar vertrek in bekende families was voorgevallen,
-vloog voor mevrouw Van Velton de tijd voorbij.
-
-„We moeten nu weg, anders komen we niet op tijd,” zei Mourant, op zijn
-horloge ziende.
-
-„Blijft u dan niet hier?” vroeg Louise.
-
-Hij zag eens rond.
-
-„We hadden afgesproken terug te gaan naar Amsterdam. Voorloopig namen
-we onzen intrek in het Amstel-hotel. Daarna denken we hier te komen.”
-
-Mevrouw Veninga was reeds opgestaan.
-
-„En we gaan nu terug naar Amsterdam,” zei ze op een toon, die duidelijk
-aangaf, dat nu het itinéraire onherroepelijk was vastgesteld.
-
-Men nam hartelijk afscheid.
-
-„Die vervelende lui,” klaagde Louise toen ze terugkwam bij Hortense,
-die droomerig voor zich uit zat te kijken met de handen in den schoot
-en zeker aan Fournier dacht: „die vervelende lui hebben me
-verschrikkelijk opgehouden. Het is nu te laat om naar Scheveningen te
-gaan.”
-
-„Och,” antwoordde Hortense, als ontwakend: „’t kan me eigenlijk ook
-niets schelen.”
-
-„Ik heb,” ging ze voort, toen ze zag dat Louise zich ergerde aan haar
-verregaande onverschilligheid, „hen even in ’t rijtuig zien stappen. Ze
-zagen er netjes uit.”
-
-„O ja! Ze zijn in Amsterdam mensch geworden. Ik heb zoo gelachen om het
-verhaal van dien Mourant. Het is een naar, pedant heer, maar hij praat
-wel aardig.”
-
-„Wat was het?”
-
-„Och, the old story: ze hebben nette familie te Amsterdam, een beetje
-stijf en vervelend, maar die toch goed meeleven. Nu, zij hadden zich
-maar vast in Indië van Europeesche kleederen voorzien, en meenden dat
-ze poes mooi waren.”
-
-„Die is aardig!”
-
-„Nietwaar? Wel, ze begrepen er niets van, toen hun in vertrouwen
-verteld werd, dat ze zich moesten laten kleeden, want dat niemand van
-de familie zich op straat met hen durfde vertoonen. Ha, ha! Aardig,
-ja!”
-
-Ook Hortense vond het erg grappig en lachte hartelijk mee.
-
-„Waarom heb je een hekel aan dien meneer Mourant?”
-
-„Ik.... ik.... kan het je haast niet zeggen, Stance! Het is misschien
-heel leelijk, maar ik vermoed iets....”
-
-Hortense keek op; zij zou geen vrouw moeten geweest zijn om tegenover
-onuitgesproken vermoedens geen nieuwsgierige belangstelling of
-belangstellende nieuwsgierigheid aan den dag te leggen.
-
-„Zeg het maar,” drong ze aan, en met een uitdrukking op ’t gezicht, die
-gebrek aan vertrouwen verweet, voegde ze er bij.... „onder ons!”
-
-„Hij heeft iets in zijn gezicht en in zijn manieren; iets waarvoor ik
-geen naam weet, maar dat elke parvenu, die niets gewoon is, over zich
-heeft als hij op zijn manier een conquête heeft gemaakt. Men kan ’t hem
-aanzien, dat hij het wel zou willen uitschreeuwen van de daken; dat hij
-er in stikt, en het springt te meer in het oog, naarmate hij haar
-behandelt, alsof er niets.... niets....”
-
-„Maar dàt is nu toch ’n beetje erg! Mijn hemel, ik zou niet graag zoo
-iets beoordeelen op zoo’n manier! Je hebt ’n hekel aan den man, en dat
-is, geloof ik, alles! En nu maar te denken, dat hij dien armen zieken
-Veninga....”
-
-„En toch is het zoo, of bijna zoo! Geloof me, Stance, men begrijpt en
-gevoelt zulke verhoudingen ’t best bij intuïtie. Er zijn onder die vier
-menschen bedriegers en bedrogenen. Daar zou ik mijn hoofd op durven
-geven.”
-
-Er werd een groot pakket binnengebracht. Het knappe werkmeisje, koket
-gekleed en met een heel air, lei het op de tafel en zei nonchalant-weg:
-
-„Asjeblieft, mevrouw, de mijl,”—zoo scherp, alsof ’t woord mail met zes
-lange ij’s werd geschreven.
-
-Mevrouw Van Velton verroerde zich niet, maar keek met boozen blik de
-netgebouwde figuur der dienstbare fee na, die met een trippelpas de
-kamer verliet in een paars japonnetje, dat haar als geschilderd aan ’t
-lijf zat, iets wat kapitein Roos in verrukking zou hebben gebracht.
-
-Louise ergerde zich geweldig aan de vrouwelijke dienstboden. De mannen
-waren beleefd en onderdanig, vond ze, maar de meisjes haatte ze, en ze
-bleef er altijd een beetje bang voor. Die hadden ook iets in haar
-houding en manieren, dat sprak, en een zoo scherpzienden blik als die
-van mevrouw Van Velton-Van der Linden ontging het niet, dat haar
-vrouwelijke bedienden voor haar niet de deferentie betoonden, als zij
-waarnam dat in echt Hollandsche voorname families aan den dag werd
-gelegd. En of zij al vorstelijke loonen betaalde,—het baatte niet. Het
-was, integendeel, of de schepsels insolenter werden, naarmate ze meer
-geld verdienden.
-
-Zenuwachtig had Hortense het pakket losgemaakt, de couranten ter zijde
-geworpen en, onder de brieven grabbelend, er een uitgehaald; ze
-scheurde er haastig ’t couvert af en verslond den inhoud. Langzaam
-naderde Louise de tafel. ’t Kon háár zoo bitter weinig schelen, wat de
-post bracht! ’t Waren meest brieven over haar geldzaken, en die gaf ze
-ongelezen aan haar vader, of enkele korte episteltjes van oude
-vriendinnen, kennisgevingen van huwelijken en overlijden, en zoo—enfin,
-dingen, waarin zij slechts matig belangstelde.
-
-Ze liet ze één voor één onverschillig door de handen gaan.
-
-„Hij komt! hij komt!”
-
-’t Was een juichtoon, zóó luid, dat Louise er van schrikte.
-
-„Hij komt!” riep Hortense nog eens, den brief als een zegeteeken boven
-haar hoofd houdend, met een kleur op de wangen en licht in de oogen,
-wat haar altijd zoo mooi maakte.
-
-„Het is jammer, Stance, dat je niet altijd zoo verheugd bent. Als je
-eens wist hoe goed het je staat!”
-
-„Hij kan al over een week of drie hier wezen. God, hoe heerlijk!”
-
-En in de overstelping harer blijdschap kuste ze Louise telkens en
-telkens weer.
-
-„Ik ga hem halen van Marseille,” riep ze: „wat een heerlijke winter zal
-dat zijn!”
-
-’t Deed hare jonge stiefmoeder pijnlijk aan. Niet om Fournier; maar zij
-benijdde Hortense, die zoo gelukkig kon zijn om ’t vooruitzicht van
-hereeniging. Was dat geluk, en zou zij, die dat nooit had gesmaakt, ook
-nimmer te weten komen, wat het was?
-
-En intusschen dacht Hortense hardop; ze sprak nu in tien minuten meer
-dan anders vaak in een heelen dag; ze maakte allerlei
-vooronderstellingen en verwierp die weer; hij zou toch wel
-telegrapheeren, of neen, dat zou hij niet, want hij zou haar verrassen;
-zij zou het wel tijdig lezen in de passagierslijsten, tenzij hij voor
-de grap zijn naam niet liet publiceeren. Zou hij dadelijk naar Den Haag
-komen en bij haar zijn intrek nemen, of zouden ze eerst een reisje doen
-door Italië en Duitschland? Zij gaf zichzelve taal en antwoord, en toen
-zij nog met den brief in de hand, vroolijk en opgewonden naar haar
-kamer ging, hoorde Louise haar zingen—voor de eerste maal sedert zij
-daar woonden!
-
-In eentonige regelmaat tikte zacht de slinger der pendule, die een
-marmeren Phryne, in verleidelijke houding haar schoone lijnen toonend,
-omhooghield; tusschen de donker damasten gordijnen drong flauw het
-weemoedig licht van den dalenden najaarsdag; Louise leunde met den
-elleboog op de tafel en keek naar buiten zonder te zien; zij voelde
-zich zoo verlaten, zoo heel, heel erg alleen! Was er dan niets voor
-haar op de wereld? Volstrekt niets? Niets wat ze zóó liefhad, dat ze er
-voor leefde, en dat haar gelukkig kon maken? Er welde als het ware iets
-op in haar binnenste, iets dat haar verschrikkelijk benauwde; zij
-voelde dat het zou losbarsten met teugellooze kracht, en ze vloog de
-kamer uit, de trappen op, naar de vertrekken van den dokter,—die waren
-eenzaam; haar vader noch haar kind waren er, maar door het venster zag
-ze hoe de erg verouderde dokter in het zweet zijns aanschijns samen met
-njo een toren bouwde in den tuin van aarde en steenen, en hoe ze zich
-allebei kolossaal amuseerden, hij, met zijn weinige zilverwitte haren,
-’t jongske met den dichten blonden krullebol. Ook die twee hadden
-elkaar lief en leefden voor elkaar. En zij was voor niemand iets,
-gelijk niemand iets was voor haar. Ging er dan zulk een afstootende
-kracht van haar uit, zóó, dat alles van haar vervreemd raakte:
-moederliefde, kinderliefde, de liefde....? De groote opwelling van
-smart, die haar daareven haast had doen stikken, kwam niet tot een
-uitbarsting; slechts zuchtte zij diep en streek haar donker fraai
-gevormd handje over haar voorhoofd. Soedalah! fluisterde zij en terwijl
-de inlandsche uitdrukking der machtigste onverschilligheid over haar
-gezicht gleed, werd die als ’t ware onderstreept door een licht
-schouderophalen.
-
-Wat kon ’t háár ook eigenlijk schelen? ’t Was toch alles maar grand
-bruit et.... bien peu de besogne!
-
-Langzaam kwam ze de trap weer af, die ze in zoo vliegende vaart was
-opgevlogen. Hortense zat met haar dochtertje op den schoot en kuste
-het.
-
-„Wat zal hij van haar staan kijken!”
-
-„Zeker! ze is hier goed vooruitgegaan.”
-
-„’t Is een heel ander kind geworden, nietwaar!” riep de gelukkige
-moeder, haar baby omhooghoudend.
-
-„Ik ga een paar boodschappen doen. Ga je mee?”
-
-„Ik kan niet! Morgen sluit de mail....”
-
-„Nu ja,” antwoordde mevrouw Van Velton driftig, „maar daarmee zal je
-toch geen brief zenden, want die bereikt hem immers toch niet meer.”
-
-„Misschien.... als ik hem adresseer naar Port-Saïd of Suez.”
-
-„En je weet niet eens, met welke boot! Kom, ga maar mee, dan kunnen we
-daar meteen naar informeeren.”
-
-Toen ze uitreden zagen ze weer de dames Van Stralen en Roos op het
-Plein 1813 wandelen.
-
-„Zijn dat zulke vriendinnen?” vroeg Hortense.
-
-„Het schijnt zoo. Mevrouw Van Stralen woont in de photografen-straat
-[1]; het gaat er erg Indisch toe; ze houden er damesclubjes en God weet
-wat nog meer; die kapiteinsvrouw is er zeker geweest, en gaat nu naar
-huis; natuurlijk hier of daar in den Indischen archipel.” [2]
-
-Het was inderdaad zoo. Mevrouw Roos had gevolg gegeven aan de
-uitnoodiging harer oude vriendin. Zij had haar een bezoek gebracht aan
-haar huis in de Willemstraat, en zij trof het goed, want juist dien dag
-was er koempoelan besar van Indische dames bij mevrouw Van Stralen. Er
-waren oude kennissen en geheel vreemden, maar met wie zij spoedig heel
-eigen was: allen waren uit ’s lands dienst, levend van pensioen,
-bespaarde sommetjes, en een enkele zag haar inkomen vergroot door den
-ijver van een nog in de kracht zijns levens zijnden man, die er een min
-of meer lucratief, maar altijd hoogst fatsoenlijk „baantje bij”—dus bij
-zijn pensioen—had weten machtig te worden.
-
-Toen men veel en geweldig dooreengepraat had bij een glas limonade, dat
-men zich „onder elkaar” niet geneerde „stroop” te noemen, begonnen de
-onschuldige spelletjes inderdaad niet hoog, maar waarbij men zich toch
-opwond en betrekkelijk nog heel wat winnen of verliezen kon. Eerst had
-mevrouw Roos geaarzeld, maar toch deed ze mee. En terwijl ze vroeger in
-Indië meest altijd verloor, won ze nu en ging ze een beetje rijker naar
-huis dan ze gekomen was. Toen Roos dien dag uit den Dierentuin kwam,
-was zij tot zijn verbazing nog niet thuis, terwijl de meisjes reeds
-lang van school waren gekomen.
-
-„Waar ben je heen geweest?”
-
-„Ik heb een paar boodschappen gedaan, en ik ben even bij mevrouw Van
-Stralen geweest.”
-
-„Zou het waar zijn, dat ze daar dobbelen?” vroeg hij, ’t manuaal van
-kaartspelen er bijmakend.
-
-„Ik weet het niet,” antwoordde ze onverschillig; „’t kan me ook niet
-schelen.”
-
-Mevrouw Roos was dien avond vroolijker dan anders, en dat zag de
-kapitein met genoegen; ze stemde er zelfs in toe na het eten een
-wandeling te doen, en ze was zoo opgewekt, dat hij er ’t beste van
-durfde hopen.
-
-„Ga je mee?”
-
-Hij had het haast werktuiglijk gevraagd en uit gewoonte.
-
-„Waarheen?”
-
-„Naar de Hollanders,” antwoordde verbaasd de kapitein, den Hollandschen
-schouwburg bedoelend.
-
-„Och ja. ’t Is nogal goed weer.”
-
-„Zeker, het weer is uitmuntend. ’t Is jammer, dat het stuk van avond
-niet van de nieuwste is.”
-
-„’t Zal voor mij nog nieuw genoeg zijn.”
-
-„Ja, je gaat zóó weinig uit! Het doet me pleizier, dat je nu eens mee
-wilt. Je weet niet, welk een genoegen me dat doet!”
-
-Hij had als ter bekrachtiging een zijner dikke handen op de tafel laten
-vallen met een harden slag. Toen zij zich had gekleed was hij een en al
-voorkomendheid, met een ouderwetsche, eenigszins overdreven galanterie.
-In de straat stapte hij met zijne vrouw aan den arm en ’t hoofd meer
-dan rechtop, met zekeren trots voort; het was in geen maanden gebeurd,
-dat ze samen uitgingen.
-
-„Wezenlijk, Jeanne, we moeten dat meer doen.”
-
-Zij glimlachte achter haar dikke voile.
-
-„Jij weet anders alleen ook wel den weg te vinden.”
-
-„Ik ben een oud militair, Jeanne; dien maakt geen sterveling tot een
-kniesoor. Als jongen heb ik al geleerd de zaken te nemen zooals ze
-zijn.”
-
-„Ja, je hebt een gelukkig gestel,” zei ze met een zucht, die naar Indië
-ging.
-
-„’t Is heelemaal naar men zichzelven went, vrouwtje! Achter de kachel
-zitten, kan ik niet. Ik moet beweging hebben in de frissche lucht en ik
-vraag er niet naar of ’t warm is of koud.”
-
-Een oogenblik wachtte hij, maar toen ze zwijgend en eenigszins
-huiverend zacht tegen hem aandrong, vervolgde hij:
-
-„Er uit moet ik, dat vat je, en ik moet zeggen....”
-
-„Dat ik je nooit tegenhoud.”
-
-„Nnneen.... dat ’s waar. Ik heb wel eens gedacht.... hm!.... Enfin, ik
-wil maar zeggen, dat het toch veel beter zou zijn voor ons beiden, als
-we meer samen uitgingen. Waarachtig, in Indië waren we meer bij
-elkaar....”
-
-„O.... dat is een verschil! In Indië!”
-
-„Dat is geen verschil. Je zoudt immers precies evengoed met me mee
-kunnen gaan naar de opera en de komedie. Ik heb er met pleizier nog ’t
-geld van een abonnement voor over, dat weet je wel!”
-
-„Praat in Godsnaam niet van geld!”
-
-„Larie!” riep Roos in zijn echte troupiers-opvatting van de waarde van
-het geld. „Als de bok zijn ribben toont, neem ik er een baantje bij.”
-
-Zij geloofde inderdaad, dat hij zoo’n baantje slechts voor het nemen
-had; wat wist ze ook van Hollandsche toestanden, en wat wist hijzelf er
-van?
-
-Roos stootte haar aan met zijn elleboog; zij keek op en zag hoe hij
-door een zijwaartsche beweging met het hoofd, haar aandacht vestigde op
-een heer, die alleen voor het helder verlichte venster van een
-boekwinkel stond te kijken. Eerst herkende zij het mager en scherp
-profiel met de lange neerhangende knevels niet, maar toen ze dichterbij
-kwamen, keek ze verrast haar man aan.
-
-„Van Schermbeek?” fluisterde zij vragend.
-
-Hij knikte bevestigend en versnelde een weinig den pas met de blijkbare
-bedoeling te trachten ongezien achter hun vroegeren mede-passagier
-voorbij te gaan.
-
-’t Gelukte bijna, maar net op ’t laatste oogenblik keerde Van
-Schermbeek zich om, zag hen en groette.
-
-„U hebt zeker gehoord, dat ik den dienst heb verlaten?” vroeg hij
-meeloopend.
-
-„Ja! Het is net gegaan, zooals ik aan boord voorspeld heb.”
-
-Van Schermbeek lachte schamper.
-
-„Ze zijn nog niet van me af!”
-
-„Nu ja, dat is ook ’n schrale troost.”
-
-„Er is in zoover nog niets verloren.”
-
-„Hè?.... Wat zeg je?.... Nog niets verloren? Maar kerel, hoe heb ik het
-met je! Je bent er uit, voor den donder! Heelemaal....”
-
-„Sst! Roos, schreeuw toch zoo niet!” zei zijn vrouw kwaad, terwijl ze
-hem heftig aan den arm trok. „De menschen zullen denken, dat je dronken
-bent.”
-
-„Laat de menschen naar de maan loopen. Ik kan niet velen dat Van
-Schermbeek, wien ze genoodzaakt hebben op zijn jongen leeftijd en als
-luitenant z’n ontslag te nemen, beweert, dat daarmee niets verloren
-is.”
-
-„Begrijp me goed,” zei de jonge man: „ik bedoel alleen dat ik er weer
-in kom.”
-
-„Dat denk je maar!”
-
-„Ik heb ’n brochure geschreven, waarop de Regeering vallen moet. Ze is
-vandaag uitgekomen. Ik zal er u morgen een exemplaar van zenden. Ze
-liggen daarginds geëtaleerd bij dozijnen voor het venster van den
-boekverkooper. Dat is de genadeslag. Die moet me gelukken, en dan zal
-men iets anders zien! Dan kom ik er weer met eer en glorie in.”
-
-Zij twistten voort tot groote woede en ergernis van mevrouw Roos. Dicht
-bij de komedie bleven ze staan, disputeerende over de oude
-strijdvragen, wat een officier doen moet, mag en kan in bepaalde en
-onbepaalde gevallen. De kapitein beriep zich telkens op het niet te
-loochenen feit, dat de ervaring hem in ’t gelijk had gesteld; Van
-Schermbeek erkende dat alleen wat zijn gedwongen ontslag uit den dienst
-betrof, maar hij hield vol, dat daarmee ’t laatste woord in zijn zaak
-nog niet was gezegd; dat hij „herstel van grieven” zou krijgen en weer
-herplaatst worden. Dat gaf Roos in het geheel niet toe. De Tweede Kamer
-.... nu ja, ’t was mooi en de heeren zeiden veel, maar men had ten
-slotte met het legerbestuur in Indië te maken, en dat stoorde er zich
-bitter weinig aan. En in de drukte van dit belangrijk twistgesprek,
-waarbij zij opnieuw hun gansche arsenaal van argumenten leeghaalden,
-vergaten zij bijna geheel de arme mevrouw Roos, tot zij, terwijl haar
-een lichte huivering van kou door de schouders voer, besloot er een
-einde aan te maken.
-
-„Nu, goeden avond, mijnheer Van Schermbeek; van harte ’t beste succes,
-ja! Wij gaan binnen, want de komedie is reeds begonnen.”
-
-„O dank u zeer, mevrouw .... Neem me niet kwalijk, dat .... Bonsoir,
-kapitein, tot genoegen.”
-
-„Als ik jou liet begaan,” mopperde mevrouw Roos, terwijl ze het
-bordesje van den schouwburg opgingen, „dan stond je daar tot
-morgenochtend door te slaan. Ze zijn al lang begonnen.”
-
-Met groote schreden en zijn wandelstok zwaaiend, keerde Van Schermbeek
-terug; zijn hoofd stond er niet naar, den schouwburg te bezoeken. Roos
-was de eenige niet, die zich in „zijn zaak” op zulk een ouderwetsch,
-achterlijk standpunt had geplaatst; hij kende dat! Beste, uitstekende
-menschen, maar die „er” niets van begrepen. Hij kon zich daar dikwijls
-boos over maken, maar van avond was er, meende hij, niemand ter wereld,
-die hem uit zijn humeur kon krijgen, en ofschoon hij ’t zichzelven niet
-had willen bekennen en tegenover iedereen in gemoede het tegendeel zou
-hebben volgehouden, toch kon hij niet zonder vreugde en trots aan die
-brochure van hem denken, die bestemd was de politieke atmosfeer zoo
-geweldig te beroeren. Het verlichte venster van den boekverkooper trok
-hem aan als een magneet; van verre zag hij het en hij ging er op af,
-onwillekeurig den pas versnellend, en evenals toen daar straks Roos
-voorbijkwam, was hij de eenige kijker. Daar lagen ze in hun grijze
-bleekrose omslagen! Daar lag zijn naam gedrukt met vette letters en de
-indrukwekkende titel er boven in dubbele grootte. Twee kleine jongens
-met de armen fideel om elkaars schouders geslagen kwamen naast hem
-staan, drukten de petjes, waarin hun hoofden staken, dicht bij elkaar
-en lazen half spellend: „Be...roep... op... het... rechtsge...voel...
-der... natie... Een... woord... aan... de... Tweedeka...mer...
-derSta...tenGe...neraal.”
-
-„Generaal,” herhaalde de een. „Zouwen ze dien dikken bedoelen van de
-grenadiers?”
-
-„Ben je gek? Het beteekent den Koning in z’n glazen koets, je weet wel!
-Staten, mot je lezen; Staaten.”
-
-„Nou, eet me maar niet op met je Staaaten! Ik weet het net zoo goed als
-jij; als de politie vooroprijdt, met een oranje sjerp.”
-
-Van Schermbeek ging glimlachend verder. Hij verkeerde, bij lotgenooten
-vergeleken, in bijzonder gunstige omstandigheden, want hij had geld.
-Noch van zijn kant, noch van dien zijner vrouw ontbrak het aan
-middelen. Dàt was een voornaam ding. Daarom was het zijn plicht de
-kastanjes uit het vuur te halen, en geen onrechtvaardige bejegening te
-verdragen. Als gefortuneerde officieren niet eens in de bres sprongen,
-wie moesten het dan doen? Wat zou die brochure een effect maken. En
-zelfs dáárbij liet hij het niet. Zijn familie had niet alleen geld,
-maar op enkele plaatsen ook invloed. Waarom zou hij geen lid worden van
-de Tweede Kamer? Duivels, wat zou hij de Regeering dan à faire nemen!
-Al voortwandelend schraapte hij alle grieven bijeen, algemeene en
-bijzondere, van het Indische leger; hij verwerkte ze tot een
-redevoering, en hield die, in zichzelven, als een maidenspeech voor
-zijn vooronderstelde waardigheid van volksvertegenwoordiger. Toen hij
-den hoek der straat omsloeg, zag hij den lichtstroom, die uit de
-vensters van de „Witte” in den donkeren avond hel naar buiten drong en
-breede schrille strepen sloeg op den weg. ’t Zag er zoo gezellig uit,
-dat hij binnen liep. Er zouden wel altijd lui zijn; misschien
-kennissen, en wellicht hadden zij zijn brochure al ontvangen en gelezen
-of bij de boekverkoopers zien liggen.
-
-Veel bezoekers waren er niet: de vaste clubjes en enkele losse leden,
-die op hun gewone plaatsen zaten, couranten of tijdschriften lezend. Er
-waren geen Indische bekenden, maar aan een tafeltje zat een reeds
-bejaard heer met een deftig grijs baardje, dat van zijn hoofd scheen
-gevallen te zijn, want daarop groeide niets meer; hij zat te genieten,
-blijkbaar, van een sigaar, want hij kneep met innig welbehagen de oogen
-dicht, telkens als hij trok.
-
-Toen Van Schermbeek hem groette, knikte hij even met het hoofd; de
-jonge man aarzelde een oogenblik; het was een oud vriend der familie,
-die er druk aan huis kwam, toen hij, Van Schermbeek, nog een kind was.
-
-„Hoe maakt u het?” vroeg hij, plaats nemend.
-
-„Dank je.”
-
-„’t Is hier stilletjes van avond.”
-
-„Ja.”
-
-„Niet naar den schouwburg?”
-
-„Neen.”
-
-Driftig stond Van Schermbeek op.
-
-„Ik wensch u een goeden avond,” zei hij op een toon van geraaktheid,
-waaruit men duidelijk kon hooren, dat hij den ouden vriend zijner
-familie een ongelikten beer vond.
-
-„Hm! Zeg! Hè.... Van Schermbeek!”
-
-Hij keerde zich om en kwam terug.
-
-„Ga nog even zitten. A propos.... ik heb vandaag een soort van
-boekje.... hoe wil je het noemen?.... van je ontvangen.... Jongens, je
-moet zulke dingen toch niet doen.”
-
-„Hebt u het gelezen?”
-
-„Och ja.... zoo eventjes doorbladerd.... Maar wezenlijk, het spijt me
-erg van je.... Ik kan me niet begrijpen, dat je oude heer in zulke
-dingen niet tusschenbeide komt.... Het is heusch.... het is.... het
-gaat niet!”
-
-„Wat gaat niet?” vroeg Van Schermbeek, wiens bloed kookte.
-
-„Nu ja.... ik wil wel gelooven, dat je niet geheel ongelijk hebt....
-maar je bent altijd veel te net om.... zulke dingen .... pamfletten,
-enfin!....”
-
-Hij hield zich kalm, maar ’t kostte moeite! Dat woord „pamflet” was hem
-als een klap in ’t gezicht, en wanneer leeftijd en verhouding hem niet
-gedwongen hadden zich met geweld te betoomen, zon hij gehandeld hebben
-alsof hem zoo’n klap gegeven was. Maar hij kon niet beletten, dat zijn
-gezicht op onweer stond toen hij antwoordde:
-
-„Wie geeft u het recht mijn geschrift een pamflet te noemen?”
-
-„Je moet dat zóó niet opnemen; het is bijwijze van spreken.”
-
-„Dan heb ik bijwijze van spreken het genoegen u te groeten.”
-
-„Bonsoir!” zei de ander, en hoofdschuddend liet hij zich weer in zijn
-stoel neer, in stille deftigheid voortgenietend van zijn sigaar.
-
-Van Schermbeek kwam heel ontstemd thuis. Zijn jonge vrouw was den
-laatsten tijd onwel en hield het bed. Hij wist dat zij het uit den
-militairen dienst treden zeer betreurde. Eerst had zij, gelijk veel van
-hun vrienden en kennissen, hem aangespoord om te zoeken wat hij zijn
-recht achtte, maar toen het zoover kwam, dat hij fatsoenshalve
-gedwongen was zijn ontslag te nemen, was zij zeer veranderd, gelijk
-velen, die ook niet gedacht hadden, dat het zoo’n vaart zou nemen, en
-die nu openlijk vertelden, dat hij, Van Schermbeek, heel voorbarig,
-lichtzinnig en dom had gehandeld; immers men wilde wel strijden vóór de
-rechtvaardigheid, maar.... tot zekere hoogte; boven die hoogte stonden
-relatiën, positie, fortuin, huisgezin, en die moesten, meenden zij,
-nimmer worden opgeofferd in zulk een strijd.
-
-En zoo dit groot verschil van gevoelen onder de nog slechts korten tijd
-gehuwden al geen merkbare verkoeling had teweeggebracht, het had toch
-schreeuwende dissonanten verwekt in hun huiselijk verkeer.
-
-In de huishoudkamer dronk hij een kop thee; het was er stil en
-vervelend, maar hij was te verdiept in gedachten om daarop te letten.
-Men was er dan toch in geslaagd hem dien avond uit zijn humeur te
-helpen! Hij had een beleediging ondergaan en dat kon hij niet
-verkroppen. Als hij er aan dacht, terwijl hij met de ellebogen op de
-tafel en de handen in het haar, in de eenzame kamer zat, vloekte hij
-tusschen de tanden en dreigden de tranen hem in de oogen te springen.
-
-Toen in de gang de schel weerklonk, schrikte hij er van, zoo geprikkeld
-waren zijn zenuwen.
-
-„Als er bezoek is,—ik ben niet thuis,” zei hij, de kamerdeur openend,
-tot de dienstbode, die naar voren ging. Doch niettemin hoorde hij een
-voetstap, en toen hij dien herkende, was hij gerust.
-
-„Goeden avond,” zei de oude heer Van Schermbeek.
-
-„Dag pa, ga zitten. Ik ben blij, dat u eens komt.”
-
-„Waarom ben je dan zelf niet eens gekomen?”
-
-„Ik weet het niet.... Misschien.... Enfin, ik kan het niet zeggen.”
-
-Hij ging erg openhartig om met zijn vader, ofschoon die altijd een
-tegenstander was geweest van zijn oppositie in vruchtelooze audienties,
-verzoeken, adressen en artikelen; maar ’t was een antagonisme, dat geen
-afbreuk deed aan de genegenheid en het vertrouwen.
-
-„Anders alles wel?”
-
-„Och zoo! Zij is ’n beetje onlekker in den laatsten tijd.”
-
-„Hm, dat gaat weer over. En jij?”
-
-„Ik? Och, beroerd! Ik ben op ’n vervloekt onaangename manier
-bejegend.... en als ’n ander het had....”
-
-„Goed, goed, vertel het maar.”
-
-En toen Van Schermbeek zijn hart gelucht had:
-
-„Hadt ge wezenlijk op iets anders gerekend?”
-
-„Of ik gerekend had op iets anders dan zoo’n bejegening?”
-
-„Nu ja: zóó of tennaastenbij. Je trekt je dat woord „pamflet” nu zoo
-aan, doch in dàt opzicht moet je in ’t geheel niet teergevoelig zijn.
-Iemand, die voor ’t publiek schrijft, moet zijn huid verharden, althans
-tegen de beoordeelingen van hemzelf als auteur en van zijn arbeid als
-zoodanig.”
-
-„Niemand is verplicht schelden aan te nemen voor goede munt.”
-
-„Welzeker! Wie iets zegt tegen één mensch of wie ’n bepaald aantal hem
-bekende personen bijeenroept en toespreekt, heeft aanspraak op ’n
-fatsoenlijke bejegening. Wie echter voor het publiek schrijft, dat is
-dus ook voor het rapaille van een maatschappelijke klasse, doet van die
-aanspraak afstand.”
-
-„Dus uw eigen oude vriend....”
-
-„Is ’n beste kerel; ’n man van fortuin en goede geboorte; ’n man van
-nette vormen en correct fatsoen; zeer achtenswaardig in die opzichten,
-maar moreel en intellectueel behoort hij tot het rapaille van zijn
-stand.”
-
-„En hij kwam jarenlang bij ons aan huis!”
-
-„Zeker! Als men iedereen als het ware zedelijk en verstandelijk van
-alle kanten wou gaan bezien en beproeven en ontleden, dan kwam men tijd
-te kort en zou men moeten leven als ’n kluizenaar.”
-
-„Daarom ben ik altijd zoo tegen jou optreden geweest,” ging de oude
-heer voort toen zijn zoon zweeg, „dat weet je wel. Telkens heb ik je
-gewaarschuwd, maar je wildet niet hooren. Je scheen eerst te moeten
-voelen; welnu—voel!”
-
-„Ik heb zóó cynisch niet over de menschen gedacht, en ik doe het nog
-niet,” zei Van Schermbeek geraakt, en toch een beetje verlegen.
-
-„Noem het zooals je wilt. De een noemt de waarheid een schotschrift, de
-ander noemt haar hondsch; het is lood om oud ijzer! Doch laten we niet
-met algemeenheden schermen. Jij hebt nu ’n brochure geschreven, en ik
-neem aan, dat als alle menschen deden wat recht en billijk was, jij
-volkomen gelijk zoudt krijgen en gerehabiliteerd zoudt worden. Toch zal
-die brochure niets uitwerken, hoegenaamd niets. Couranten zullen er
-over schrijven, al naar den geest die haar tegenover de Regeering
-bezielt,—wat in jou brochure staat, doet er minder toe; in de lagere
-volksklasse zal men je brochure niet lezen, en al deed men het, dan zou
-ze daar toch niet begrepen worden; de handel en neringdoende standen
-bemoeien zich met zulke dingen niet, die gaan haar het eene oor in en
-het andere uit; in de politieke sferen geldt alleen de vraag in hoever
-je geschrift nu bruikbaar is of in de toekomst kan worden voor gansch
-andere belangen, dan die van jou: en de adellijke standen naderen in
-dit en veel andere opzichten weer de lagere volksklassen. Maar van al
-die categorieën is één ding zeker: 9⁄10 trekt er den neus voor op.”
-
-Van Schermbeek antwoordde ook ditmaal niet; hij meende dat zijn vader
-schromelijk overdreef, maar moest zich eerst op weerspraak bedenken,
-want zijn levenservaring schoot te kort in die richting.
-
-„Men moet zich dus, volgens uw meening, maar laten trappen,” zei hij
-eindelijk met een mismoedigen grijns.
-
-„Blijf bij uw eigen omstandigheden. Je waart officier, en je kreeg
-quaestie met een hooger geplaatst officier om ’n kleinigheid.”
-
-„Waarin hij ongelijk had.”
-
-„Goed! En dan nog? Waren er geen honderd goede redenen voor één om hem
-in zijn ongelijk te laten, en je er verder niets van aan te trekken?”
-
-„Dus je moet je laten trappen..... Daar kom ik maar weer op terug.”
-
-„Als je dat „trappen” noemen wilt, ga dan je gang; dan heb ik al heel
-wat menschen getrapt, want ik heb dikwijls ongelijk gehad tegenover
-inferieuren en anderen, en dan heb jij, schoon vijf en twintig jaren
-jonger, ook zeer dikwijls in dien zin ondergeschikten getrapt.”
-
-„Dat is allemaal de zaak niet, pa. Gesteld dat ik werkelijk beter had
-gedaan, alles te slikken als koek, wat ik niet toegeef, dan blijft nog
-het verder verloop een schreeuwende onrechtvaardigheid!”
-
-„Zeker, je bent gemeen behandeld. Alleen je hadt alles zelf kunnen
-voorkomen. Nu heb je overal den indruk gemaakt van een weerspannig en
-recalcitrant militair; dat duldt men niet, en zelfs zij, die zeer goed
-inzagen, dat ge het recht op je zij hadt, konden je niet handhaven.
-Onze maatschappij is geen ideale zaak, en het militair gedeelte wel het
-allerminst. Absoluut recht, gesteld dat het bestaat, is voor toepassing
-ongeschikt; bij een streven naar recht, zal men toch altijd nu en dan
-zich gedwongen zien de macht er boven te stellen.”
-
-„Ik ben het niet met u eens,—en soedah! ik zal het nooit met u eens
-worden. Al dat opstapelen van bezwaren tegen de toepassing van het
-eenvoudigste beginsel ter wereld, noem ik een doekje voor het bloeden.
-Wel, wat zou het verschrikkelijk zijn geweest als de legercommandant
-eens had gezegd: Van Schermbeek is in zijn recht en hij zal dus hebben
-wat hem toekomt! Kijk, pa, dat zou ’n paar hoofdofficieren hun positie
-hebben gekost. Verschrikkelijk, hè? Die hadden het dan niet aan
-henzelven te wijten, die arme slachtoffers van het recht! En wat zou
-het slecht gewerkt hebben op het leger, als zelfs de mindere man had
-gezien....”
-
-„Dat een jong luitenant met verzet, gemopper en klachten er in slaagde
-hoofdofficieren een beentje te lichten!”
-
-„Neen, dat er recht was te krijgen bij het Indische leger.”
-
-„Enfin, ééns worden we het toch niet,” zei de oude heer Van Schermbeek
-opstaande. „Laat je echter zóó ver overtuigen, dat je met al de moeite,
-die je in het werk stelt, niets hoegenaamd zult bereiken. Het eenige
-is, dat de meeste menschen zich van je zullen afwenden en je er op
-aanzien. Voor een schande zal men het je niet bepaald aanrekenen....”
-
-„Dat ontbrak er slechts aan!”
-
-„Maar het scheelt dan toch niet veel! En de Regeering zal je
-wijselijk....”
-
-„Wat zegt u, wijselijk?” schreeuwde Van Schermbeek verontwaardigd.
-
-„Houd je gemak! Ik zeg wijselijk, want zij kan niet anders. Zij zal dan
-je wijselijk negeeren, doodzwijgen als je ’t liever hebt. Het is haar
-niet mogelijk zich in het bijzonder bezig te houden met een zaakje als
-dat van jou. Jullie hebt eigenaardige begrippen daaromtrent! Je denkt
-dat, wat voor jou heel belangrijk is, dit ook per se voor de heele
-wereld wezen moet.”
-
-„Het is niet „mijn zaakje,” zei Van Schermbeek somber. „Het is een zaak
-van principe voor het Indische leger.”
-
-„Volgens jou opvatting, die maar weinigen deelen. Hoe het zij, ik wilde
-je slechts waarschuwen, beste jongen, tegen mogelijke illusiën.”
-
-„God bewaar me! illusiën!” riep de ex-luitenant, de kamer op en neer
-stappend met groote schreden en de armen omhoog, terwijl hij in dien
-uitroep zijn geheelen gedachtengang van voor een paar uren
-verloochende.
-
-„Nu des te beter! Ik heb je stil je gang laten gaan, hoezeer ’t me ook
-hinderde. Maar je bent jong.... en, enfin, ik heb ook mijn sociale
-Sturm- und Drang-periode doorgemaakt. Je weet altijd bij wien je komen
-kunt, als er iets noodig mocht zijn.”
-
-Hij drukte de hand zijns vaders stijf in de zijne, en zag hem aan met
-een innige ontroering. Ja, dat wist hij wel! Wat er ook gebeurde, hij
-kon op zijn ouden heer rekenen, en dit anders heel gewoon, volstrekt
-niet bijzonder gevoel van hartelijke genegenheid, roerde hem, nu zijn
-zenuwen een beetje in de war waren door de opwinding telkens, nu eens
-al pratende met anderen, dan schrijvende of in gedachten.
-
-
-
-De Mourants en de Veninga’s hadden zich in Den Haag gevestigd. Hortense
-was naar Marseille gereisd om haar man van de boot te halen, en mevrouw
-Van Velton, die zich gruwelijk te huis verveelde en niet mee was willen
-gaan om als facheuse troisième bij den glorierijken intocht van den met
-smart verbeiden Fournier te assisteeren, maakte bij de Veninga’s een
-contra-visite. De zieke voelde zich niet beter; hij zag, vond Louise,
-er zelfs slechter uit.
-
-„’t Klimaat helpt me nog niet veel,” zei hij op haar vraag hoe het hem
-ging.
-
-„Langzaam aan, dan zult u er óók wel afkomen.”
-
-„Nietwaar?” zei Mourant, die mede een bezoek bracht. „Er zijn hier al
-zooveel zieke Indische levers genezen, dat Veninga er wel ’n beetje op
-kan vertrouwen.”
-
-Mevrouw Veninga—ze was nog zoo jong, dat iedereen haar Henriëtte of Jet
-noemde, bij haar vóórnaam—gunde Louise den tijd niet over den
-ziekte-toestand van haar man en zijne kansen op beterschap voort te
-gaan. Ze nam de bezoekster dadelijk in beslag en leidde haar het huis
-rond. Het was niet zoo weelderig, zoo grandioos, als de villa op het
-Plein 1813, noch wat ’t gebouw, noch wat den inboedel betrof. Maar
-niettemin was het een mooi, solied huis met ruime vierkante kamers en
-groote balkonvensters, en het rook in de breede corridors niet naar
-verf, versch hout en natte kalk.
-
-„Je woont hier uitstekend,” meende Louise.
-
-„Nietwaar? Het is nu wel zoo’n paleis niet als bij u; maar het kan toch
-volstaan.”
-
-„Dat zou ik denken. En ik maak je wel mijn compliment, Jet. Je hebt het
-keurig, keurig netjes en met smaak gemeubileerd.”
-
-Het jonge vrouwtje bloosde van genoegen. Men mocht te Batavia en in Den
-Haag over het humeur, het karakter en de antecedenten van mevrouw Van
-Velton-Van der Linden denken en spreken zooals men wilde,—dáárover was
-men het eens, dat ze een onberispelijk goeden smaak had; een compliment
-in dat opzicht was vleiend. En men kon het Louise aanzien, dat ze er
-pleizier in had, toen ze rond zag in het boudoir in vieux or gemeubeld
-en dat er, ofschoon ’t nog geen week was betrokken, zoo gezellig
-gebruikt uitzag, zonder eenig stuitend kenmerk van het nieuwe.
-
-„’t Is hier waarlijk lief,” zei ze, op een laag stoeltje plaats nemend,
-„maar ’t is goed dat je er geen zwart bij hebt genomen. Dat zou te
-zwaar zijn geweest en bruin kon het ook niet velen.”
-
-„O neen,” zei mevrouw Veninga levendig, „bruin in het geheel niet! Maar
-ik wist in het eerst heusch niet wat ik er bij zou nemen, tot ik op dit
-dubbel cérise ben gevallen.”
-
-„Het was gewaagd. Eén toontje te licht....”
-
-„O, afschuwelijk! dat vind ik ook; zooals het nu is, kan het net en het
-gaat met het palissander. Willem zei....”
-
-„Welke Willem?”
-
-„Ik bedoel Mourant. Hij heeft heel veel kijk op wat goed is. Waarom
-lach je?” vroeg zij plotseling, eenigszins geraakt en blozend.
-
-„Lach ik? God, dat wist ik niet eens. Welnu, wat zei.... Willem?”
-
-„Hè, wat ben je flauw!”
-
-„Hoe is ’t mogelijk! Het schijnt, dat wat hij zei ’n geheim is! Ten
-minste je bent niet van plan het te zeggen.”
-
-„Hij zei alleen, dat het zelfs met mahonie niet gaan zou, ofschoon
-ik....”
-
-„Nu, daarin had hij gelijk.”
-
-„Hoe vindt ge dat Veninga er uit ziet?”
-
-Louise keek haar vlak in de oogen, maar zij had een Indische voor,
-gelijk zijzelve er een was. In het eerst had Jet zich verpraat,
-verdiept in de schakeeringen der kleuren van haar ameublement, maar nu
-ze zag, dat ze aanleiding had gegeven haar te verdenken en werkelijk
-verdacht werd, was ze ondoorgrondelijk. Zij keek, toen ze zoo na haar
-vraag werd gefixeerd, met een gezicht volkomen zonder uitdrukking in ’s
-Blaue.
-
-„Hij ziet er slecht uit.”
-
-„Dat vind ik ook. Het is zóó naar.”
-
-„Het zal wel beter worden.”
-
-„Geloof je het?”
-
-„Ik hoop het althans; het is heel moeielijk iets te gelooven tegenover
-die ziekte; zij heeft soms zulk een vreemd verloop.”
-
-„Het duurt nu al zóó lang, en hij wordt zoo verschrikkelijk lastig.”
-
-„Dat brengt zijn kwaal mee.”
-
-„Het is waarlijk soms niet uit te houden. Ik maak het me hier in huis
-maar zoo comfortabel mogelijk, weet je, want weldra zie ik er van
-komen, dat hij in ’t geheel niet meer wil uitgaan.”
-
-„Daarom zou jij je nog niet behoeven op te sluiten.”
-
-„Denk je dat hij me permitteert alleen uit te gaan?”
-
-„Maar kind....!”
-
-„Geen quaestie van. Dat is juist het ergste. Hij is razend jaloersch,
-zóó dat het soms voor me is om wanhopig te worden. Als ik voor ’t
-venster zit beneden en er passeert een heer, die inkijkt, of als we
-boven zitten en er kijkt iemand omhoog, dan moet je wat hooren! Alle
-brieven, die ik krijg, doet hij open....”
-
-„Maar is hij dan krankzinnig? En Mourant?”
-
-„O,” zei mevrouw Veninga, de mooie oogen zedig neerslaande: „dat is
-iets anders. In hem heeft hij zoo’n onbeperkt vertrouwen!”
-
-„Dus dat is dan ’n uitzondering.”
-
-„Zeg dàt wel! Zij zijn zulke vrienden! Mourant behandelt zijn zaken en
-beheert ons vermogen. Veninga kan niet buiten hem.”
-
-Weer gleed het ironisch lachje om den mooien mond van Louise.
-
-„Neen, dat laat zich hooren,” zei ze. „En dan zie je zeker mevrouw
-Mourant ook dikwijls. Die hield altijd zoo ontzaglijk veel van je en
-was altijd zóó goed voor je!”
-
-„Dikwijls.... ja!.... ze is in den laatsten tijd niet zoo erg wel....
-Anders komt ze hier heel veel....”
-
-Het dralende antwoord ontging Louise niet.
-
-„Wat scheelt haar?”
-
-„Wat haar scheelt? Ze heeft een.... een zware kou gevat, geloof ik.”
-
-„Weet je ook het nummer van hun huis?”
-
-„Zeker, ik zal het je opgeven. Maar ik zou het liever nog een paar
-weken uitstellen. Zij zijn nog volstrekt niet klaar; ’t is nog zoo’n
-beetje een rommel en dan ontvangen ze niet graag.”
-
-In de benedenkamer zat Mourant zijn zieken vriend nog gezelschap te
-houden; op elke knie had hij een Veningaatje zitten.
-
-„De kinderen noemen hem oom,” zei Jet met een gezicht, waarop de
-vreugde glansde over de huiselijke gemeenzaamheid, die zelfs graden van
-bloedverwantschap in het leven riep!
-
-Louise ergerde zich geweldig. Men kon aan haar gezicht en aan haar
-houding zien, dat zij zich boos maakte, en de vroolijke trek verdween
-er door van het gezicht van den kindervriend. Regelrecht ging ze naar
-Veninga.
-
-„Ik zou, als ik u was, hier niet blijven.”
-
-„Waarom niet?” vroeg hij verschrikt.
-
-„Omdat ik vrees, dat u hier niet beter zult worden, en dan wordt u dus
-erger.”
-
-Hij had zich half opgericht; zijn toch reeds niet kleurig wezen was
-grauwbleek geworden bij deze onverwachte openhartigheid.
-
-„Ik heb dit huis pas gehuurd, wij zijn nauwelijks ingericht.”
-
-Zij haalde de schouders op met dat groote air de dédain, dat zelfs haar
-vader te machtig was.
-
-„Ik sprak niet over huishuur of meubilair, maar over uw gezondheid.”
-
-„Geduld maar!” zei Mourant zalvend. „Keulen en Aken zijn niet op één
-dag gebouwd! Het klimaat zal ook in dit geval wonderen doen.”
-
-Toen Louise hem even aankeek, schrikte hij, en trok een leelijk gezicht
-vol vrees, met de mondhoeken naar achter en de wenkbrauwen naar boven.
-
-Zij deed overigens precies alsof hij niets had gezegd, en vervolgde
-tegen Veninga:
-
-„Ik zou u aanraden naar het Zuiden te gaan.”
-
-„Lieve, beste mevrouw, als ik het van de warmte moet hebben!....”
-
-„Neen niet om de warmte, want die hebt ge in Indië volop gehad. Te
-veel, dat blijkt! Maar in dit gure land zult ge sterven.”
-
-„Maar mevrouw!” kon Mourant toch niet nalaten uit te roepen, terwijl
-hij de kleintjes van zijn schoot zette.
-
-„Kom!” zei mevrouw Veninga met neergeslagen oogen, „je hebt hem geheel
-ontsteld.”
-
-„Dat weet ik, en het is me in zoover onverschillig. Ik moet zeggen wat
-ik denk in dit geval. Wezenlijk, meneer Veninga, ga naar het Zuiden.
-Hier houdt ge ’t niet uit, geloof me. U ziet er bepaald slechter uit
-dan de vorige maal.”
-
-„Ik voel me ook minder goed,” zei Veninga met weifelende stem en bleek
-gezicht.
-
-„Dat is niets anders dan een gevolg van de reactie op het gestel,”
-meende Mourant.
-
-Mevrouw Van Velton keek hem nog eens aan met de diepste minachting,
-maar ditmaal deed hij alsof hij ’t niet bespeurde. Hij was een te oude
-rat om zich zoo gemakkelijk te laten intimideeren.
-
-Een oogenblik met zichzelve in tweestrijd, liet Louise den blik
-doelloos dwalen door het nette vertrek.
-
-„Het is mijn opinie,” herhaalde ze daarna, „en ik blijf er bij.
-Intusschen, ik heb haar nu gezegd en voor mijzelve mijn plicht gedaan.
-Adieu, en beterschap.”
-
-Vriendelijk knikte ze Veninga toe, die haar heel onhandig groette,
-sterk onder den indruk van dat akelige visioen van den dood, door het
-schoone, levenslustige jonge vrouwtje opgeroepen. Ze ging Mourant, die
-opgestaan was en een buiging maakte, snel voorbij zonder hem aan te
-zien, laat staan te groeten. Henriëtte, erg boos en niet minder
-ongerust, volgde haar in de gang.
-
-„Daar heb je me in ’t geheel geen dienst mee gedaan,” zei ze bits. „Wie
-zegt nu zulke dingen tegen ’n zieke!”
-
-„Wil je hem vermoorden?”
-
-„Mijn God!” riep mevrouw Veninga doodsbleek: „hoe kom je er aan?”
-
-„Welnu, jullie doen net of je den stakkerd naar ’t kerkhof wilt helpen.
-Ik zeg je, Jet, dat hij hier sterven zal, nog vóór er weer groen aan de
-boomen is.”
-
-„Hoe kan je dat toch beweren? Mourant herhaalt alleen wat de dokter
-zegt over de reactie....”
-
-„De dokters hier weten niets van ziekten als de zijne. Maar als hij
-kans heeft het leven te rekken, dan ligt die niet hier in Holland.”
-
-„Hoe kan je dat weten?”
-
-„Hij heeft den dood reeds op ’t gezicht, en, ril maar niet Jet, je hebt
-dat zelve ook wel gezien; je weet dat net zoo goed als ik. Geloof me,”
-verzocht ze dringend, „ga met hem naar Nice of zoo! Kasian! hij is toch
-al zoo ongelukkig! Weest niet zoo zelfzuchtig jullie, jij en....
-Willem.”
-
-„Hemel!” steunde Henriëtte, bevend van ’t hoofd tot de voeten.
-
-„Tot ziens,” ging Louise voort, opgewonden sprekend en zenuwachtig de
-handen bewegend. „Tot ziens, ja! Als je gaat, schrijf me dan.”
-
-Zij zat al in haar rijtuig, voordat Henriëtte van den schrik was
-bekomen. Welk een wonderlijk schepsel was en bleef dat toch altijd.
-
-„Ze is net gek!” zei ze, de kamer binnentredend.
-
-„Een geëxalteerd schepseltje!” voegde Mourant er met groote
-geringschatting in toon en gebaar bij. „Er is altijd heel zonderling
-over haar gesproken. Het is waarlijk niet te verwonderen; ze doet al
-heel vreemd.”
-
-Veninga echter zei niets. Hij zag nog erg bleek en lag in zijn
-luierdstoel achterover met gesloten oogen. Niemand wist welk een
-verschrikkelijken schok mevrouw Van Velton hem had gegeven door zoo
-onverbiddelijk duidelijk te zinspelen op den grooten vijand, dien hij
-zoo angstig vreesde—op den dood!
-
-Dàt was verschrikkelijk! Het was ’t denkbeeld, dat hem reeds in Indië
-had geplaagd; dat hem sedert was blijven vervolgen, en waartegen hij
-een inwendigen harden strijd voerde; het denkbeeld dat hij met geweld
-terugdrong en als ’t ware omver trachtte te redeneeren, maar dat met
-elke pijn in de rechterzijde of in den rechterschouder zich
-onverbiddelijk weer op den voorgrond werkte.
-
-„Ik hoop,” zei Mourant op hoogen toon, als sprak hij over iets, dat men
-vèr weg werpt, „dat je van die nonsens je niets zult aantrekken.”
-
-„Veninga zal wel verstandiger zijn,” vond zij.
-
-Maar de zieke schudde het hoofd en keek hen toen beurtelings aan met
-den doodsangst op het gezicht.
-
-„Wat weten jullie er van?” zei hij snel als beet hij hun de woorden
-toe. „Kan zij niet heel goed gelijk hebben?”
-
-Mourant en mevrouw Veninga zwegen. De bitse toon van den lijder was hun
-een te bekende klank. Hij kon niet de minste tegenspraak velen, als hij
-zoo sprak. De stilte was drukkend. Mourant had weer een der kinderen op
-zijn schoot genomen om zich met iets bezig te houden. Jet pookte in het
-haardvuur.
-
-Langzaam keek Veninga van den een naar de andere. Wat waren zij gezond!
-Hij, de vriend, met zijn welgedaan buikje en zijn dikken nek; zij, het
-mooie vrouwtje met haar frisch en jeugdig gezicht, en haar slanke,
-bevallige taille, waaraan men het niet zien kon, dat ze al kindertjes
-had gehad; net een jong meisje.
-
-Hij vreesde geen leven nà dit leven. Daaraan geloofde hij in ’t geheel
-niet. Het dogma kon naar zijn meening slechts zijn voortgekomen uit een
-lapsus linguae. De mensch, nu ja, die plantte zich voort en had de
-middelen in de hand om nooit uit te sterven, een ongeval waartegen het
-genus zonder aansporing wel zou waken. Dàt was naar zijn vaste
-overtuiging de bedoeling; anders niet. Het was, meende hij, een
-kapitale dwaasheid, die waarheid als een os zoo verkeerd op te vatten,
-dat men er een persoonlijke zaak van ging maken en in allen ernst
-gelooven, dat er voor een fragment eener individueele ikheid een eeuwig
-voortbestaan was weggelegd. Het niet,—daarin zou hij verzinken als hij
-stierf, meende hij; voortleven overdrachtelijk zou hij in zijn
-nakomelingen; maar persoonlijk „stof en asch”. Het was geen
-schrikbeeld, dat de dood, zóó gezien, opleverde; men kon hem aannemen
-als een vervelend, maar bevrijdend einde van een ziekelijk en pijnlijk
-bestaan. En toch kon de arme Veninga er niet aan denken zonder dat een
-ontzettende vrees hem in groote droppels langs voorhoofd en slapen
-gudste. En of hij al zijn redeneering te baat riep, en het algemeene
-tegenover het bijzondere stellend, het eerste deed overwinnen,—hij kwam
-niet los van den zielsangst, die hem beknelde. Moest hij dan weg? Weg
-van Jet en van de kinderen? Weg van het geld, dat hij met arbeid had
-verdiend en bespaard? Weg van alles, tot van zichzelven? En als hij nu
-eens stierf, wat zou het dan zijn! Natuurlijk kon hij niet verwachten,
-dat men om hem en zijn nagedachtenis een uitzondering zou maken op den
-regel. Waarom zou men dat doen? Het gebeurde immers met geen anderen!
-Hijzelf had nooit langer geliefde dooden betreurd dan eenige weken na
-de begrafenis. Nu ja, een enkel maal een weemoedige gedachte, een
-zucht, een traan,—maar het leven hernam dan dadelijk zijn rechten,
-streng, onverbiddelijk meesleurend, en men ging aan den arbeid, men
-waakte en sliep, men werkte en dacht, men leed en streed juist alsof
-die anderen, die dood waren, er nooit waren geweest. Hun plaats was
-niet aangevuld,—dàt behoefde niet eens; hij was met henzelven
-verdwenen, en men zou geen raad hebben geweten met den geliefden doode,
-als hij een maand na zijn begrafenis eens ware teruggekeerd met al zijn
-rechten en aanspraken, met al zijn gezag en invloed. Want die waren
-overgegaan op en als dadelijk vereenzelvigd met anderen, die dan een
-afstand zouden moeten doen op een grond door geen rechtsbegrip
-gerechtvaardigd; om een reden tot nog toe door niemand aangevoerd of
-aangenomen. Zoo zou het precies gaan als hij stierf. Zijn vrouw zou
-plichtmatig bedroefd wezen, maar als er een ander man kwam, die haar
-beviel, dan zou ze dien nemen, met hem trouwen, andere kinderen bij hem
-krijgen. Hij zuchtte diep, schoon het hem pijn deed in de zijde. Het
-was ellendig, vond hij. Ternauwernood zou men hem missen! En hij kon
-niet eens zijn geld meenemen om zijn gemis voelbaarder te maken.
-Integendeel, hij werd een post van uitgaaf minder op het budget!
-
-„Mourant!”
-
-„Wat is er, Veninga?”
-
-„Wezenlijk, ik geloof dat het hier in Holland niet goed voor me is.”
-
-Het gezicht van den advocaat betrok.
-
-„’t Is mogelijk,” zei hij op een toon, die niet bewees dat hij de
-mogelijkheid inzag.
-
-„Wees nu niet vervelend. Ik voel immers het best, dat ik hier niet
-vooruitga. Die mevrouw Van Velton....”
-
-„Och, wat!”
-
-„Neen, spreek me niet tegen. Het is een alleronaangenaamst openhartig
-mensch, maar wat ze zei is waar.”
-
-„Je hebt dat toch niet vroeger opgemerkt,” meende mevrouw Veninga, en
-ze zei het ongewoon snibbig. „Welk een dwaasheid! Omdat zij gek is,
-behoeven wij het toch ook niet te zijn.”
-
-„Ja, jij zou me, denk ik, wel graag in het graf hebben. Dan kon je
-overal heengaan, hé. Dat is een boel pleizieriger dan een zieke man.”
-
-Zij haalde onverschillig de schouders op.
-
-„Als je zóó spreekt, doe ik het best te zwijgen.”
-
-„En waar wou je dan heengaan?” vroeg Mourant.
-
-„Ik wou naar Davos en ik wou jou en je vrouw vragen voor mijn rekening
-met ons mee te gaan.”
-
-Bedenkelijk wreef Mourant zijn fijnen neus.
-
-„Het zal niet gaan, amice! Ik heb het natuurlijk gaarne voor je over.
-Of echter mijn vrouw er toe zal te bewegen zijn, betwijfel ik zeer.”
-
-„Als ik het haar dringend verzoek?”
-
-„Doe dat niet. Laat het aan mij over. Ik zal er met haar over spreken;
-van avond zal ik je antwoord brengen. En,” vervolgde hij, na een vasten
-blik op Jet, die hem in gespannen verwachting aankeek, „of zij wil of
-niet, in elk geval ga ik mee.”
-
-Een vriendelijke glimlach gleed over het gelaat van den lijder, en zijn
-gezicht teekende dankbaarheid en vriendschap, toen hij met een uiterst
-flauw idee van verzet zei, dat hij zóóveel opoffering niet vergen
-mocht.
-
-„Kom, kom! De opoffering is waarlijk zoo groot niet. Ronduit gezegd,
-zou het gezonde, rustige klimaat van Davos mij ook vrij wat meer goed
-doen, dan het ruwe gure weer in Holland.”
-
-Mevrouw Veninga draaide ook bij.
-
-„Het spijt me voor ’t lieve huis,” zei ze, „dat we moeten verlaten;
-ziedaar alles. Voor het overige spreekt het wel vanzelf, dat ik óók
-liever naar een zachter klimaat ga, en als het voor jou gezondheid
-is.....”
-
-„Het doet me pleizier, dat we het eens zijn. Dat stelt me gerust. Kom
-hier Jet, en geef me een zoen. Je neemt het me niet kwalijk, ja, dat ik
-je daar straks zoo aanviel?”
-
-Zij maakte dezelfde onverschillige beweging met de schouders, alsof ze
-wilde zeggen: Stel je voor, dat ik me zoo iets aantrok. Doch ze zei het
-niet en gaf hem een kus. Mourant wendde het hoofd af, pratend tegen de
-kinderen met een gemaakt lachje.
-
-„De vraag is nu maar wanneer?” wierp hij op, toen hij meende dat het
-wèl was.
-
-„Zoo gauw als het kan.”
-
-„Minstens drie dagen,” meende Henriëtte met het oog op de kinderen.
-
-„Drie dagen!” zuchtte Veninga, als zag hij op tegen een termijn van
-jaren.
-
-„Mij dunkt,” zeide Mourant, „’t zou overmorgen ook wel kunnen. Laat ons
-’t maar dáárop houden.”
-
-Doch mevrouw Veninga schudde het hoofd.
-
-„Ik kan niet klaar komen dan na drie dagen. We gaan geen minuut
-eerder.”
-
-„In Godsnaam dan!”
-
-„Zeur nu niet, Veninga. Je ziet wel, dat we alles doen wat we kunnen om
-je te believen.”
-
-„Ja, ja, ik zeg niets! Ik wou alleen maar, dat die drie dagen reeds
-voorbij waren.”
-
-„En een paar uren geleden dacht je nog niet aan heengaan: dat komt
-allemaal door dat malle spook.”
-
-Veninga zweeg; hij lag stil in zijn stoel met gesloten oogen. Mourant,
-die zijn hoed had genomen, stond met het hoofd in den nek naar een
-schilderij te kijken aan den wand, glimlachend om haar woede tegen
-Louise; hij wist waaruit die voortkwam en kon wel nagaan, dat tusschen
-die twee een openhartig woordje was gevallen.
-
-Zij gaf haar hart lucht. De geheele levensgeschiedenis van Louise,
-zooals die metterdaad niet was, maar „men” haar gemaakt had, borrelde
-op uit het vertoornd gemoed van het jonge vrouwtje, tot Veninga de
-magere hand omhoogstak, er een gebiedend afwijzend gebaar mee maakte,
-en op zijn gemelijksten toon uitriep:
-
-„Schei dan toch uit met dat gezanik over die mevrouw Van Velton. Als je
-nergens anders over wilt praten, ga dan asjeblieft de kamer uit!”
-
-„O ja, ik weet het wel. De heeren kunnen nooit iets van haar hooren. En
-al praat zij den grootsten onzin, dan handelen ze er nog naar.”
-
-Driftig verliet zij de kamer.
-
-„Adieu,” zei Mourant, zich omkeerende en Veninga de hand reikend. „Ik
-zal dat thuis wel in orde maken en kom dan van avond nog eens aan.”
-
-„Kom hier eten!”
-
-„Misschien. Reken niet op me; als ik kom, zie je me.”
-
-In de gang stond mevrouw Veninga hem op te wachten; ze was werkelijk
-heel boos, en toen hij haar een kus wilde geven, weerde zij hem heftig
-af.
-
-„Kom, maak asjeblieft maar geen gekheid! Met die malle nonsens! Dat
-heele naar Davos gaan is onzin.”
-
-„Och, dàt dienen we toch voor hem over te hebben.”
-
-„En dan: overmorgen!”
-
-„Misschien kom ik straks eten; in elk geval tot van avond. Er zit thuis
-bij me weer een lief leventje op!”
-
-Dat denkbeeld verteederde haar, en ze nam vriendelijker afscheid van
-hem, dan eerst haar plan was.
-
-De woning der Mourants was kleiner en veel minder luxueus, dan die der
-Veninga’s; niet alleen door het verschil in fortuin, dat nog grooter
-was geworden, sedert Mourant uit Indië bericht had gekregen van een
-paar kleine „bankroetjes”, waarbij hij nogal erg betrokken was, maar
-ook omdat ’t zoo’n klein gezin was: man en vrouw zonder kinderen.
-
-Zij zat bij het venster te lezen, eenvoudig gekleed als altijd. Hij had
-haar getrouwd in Indië, waar zij onderwijzeres was en als zoodanig een
-uitstekende reputatie had, dubbel en dwars verdiend. Zij had altijd
-haar best gedaan hem zijn intellectueele minderheid niet te doen
-gevoelen, en hij, de advocaat, ijdel in hooge mate, die erg graag deed
-uitkomen, dat hij een „academische opleiding” had genoten, wist niet
-dat zijn eigen vrouw en menig ander met haar, inzagen dat die opleiding
-slechts een dun vernisje op een poveren ondergrond gestreken had. Zij
-begreep wel, en ook hierin waren het meer menschen met haar eens, dat
-Mourant’s bekwaamheid niet verder ging, dan tot de soort gewone
-bruikbaarheid, waarbij alles moet afhangen van het goed geluk. En dàt
-had Mourant gediend. Hij viel, in Indië komend, met den neus in de
-boter van een goed beklant kantoor, met een goed rechtsgeleerde tot
-associé. Maar zoo het toeval hem zijn carrière als koeli had doen
-aanvangen, zou het een open vraag zijn gebleven of hij haar wel als
-mandoer zou hebben geëindigd!
-
-Intusschen,—zij, Mourant en zijn vrouw, hadden goed geleefd met elkaar,
-in dien zin, dat zij heel wèl waren zonder buitengewoon diepgaande
-genegenheid. In den laatsten tijd echter was hun leven een hel, en men
-kon het haar aanzien dat zij leed. Dat maakte haar uiterlijk schooner
-noch jeugdiger. Men behoefde naar de veertig jaren, die zij telde, niet
-te raden. Indien zij het zich niet had aangetrokken, alles had
-aangewend om met wat haar overbleef te woekeren, en gekoketteerd had
-met anderen, zou zij er wellicht in geslaagd zijn een zoo ijdele en
-zelfgenoegzame persoonlijkheid als Mourant te blijven boeien.
-
-Hij groette niet toen hij de kamer binnentrad, en zij zag niet op van
-het boek, dat ze las. Voor den spiegel schikte hij zijn das een weinig
-recht, trok aan zijn boordje en zei heel kort en nurksch:
-
-„Ik ga over drie dagen naar Davos. Hoe lang ik daar blijf, weet ik nog
-niet.”
-
-„Heb je het niet verstaan?” vroeg hij toen zij geen antwoord gaf.
-
-„Welzeker! Doch het was geen vraag; alleen een mededeeling.”
-
-„Ik ga naar Davos,” herhaalde hij nog eens.
-
-„’t Is me onverschillig. Moet ik meegaan, dan zal ik het doen, schoon
-ik liever hier blijf.”
-
-„Als je mee wilt gaan, zal het mij hoogst aangenaam zijn!” riep hij met
-bitteren spot. „We gaan met de Veninga’s.”
-
-„Schaam je je niet?”
-
-„Om met Veninga en z’n vrouw op reis te gaan?” ging hij op denzelfden
-toon voort: „Daar behoeft men zich waarlijk niet voor te schamen!”
-
-„Och!” zei ze zuchtend, „je aardigheden vallen volmaakt in het water.
-Er blijft niets over dan je laagheid. Ik wil niet van mijzelve spreken.
-Je weet dat ik geen achting meer voor je heb en ook geen genegenheid
-voor je koester. Maar dat je dien armen Veninga zoo schandelijk
-bedriegt, is een misdaad.”
-
-„Welnu, klaag me aan!” antwoordde hij met gemaakte vroolijkheid. „Niets
-liever, dat weet je.”
-
-Een gloed van toorn kwam op haar gezicht.
-
-„Als ik kans zag jou en haar voor een rechter te brengen, die je
-allebei de straf gaf, door je verdiend, dan zou ik het wezenlijk niet
-laten.”
-
-„Haar?.... Nu?.... En dan die arme Veninga? je zoudt hem moedwillig den
-dood doen. Foei, dat is óók een misdaad.”
-
-Dat was inderdaad het eenige, waartegen zij opzag. Ze mocht Veninga
-zeer gaarne, en ze had slechts geaarzeld om zijnentwil. Dat het zijn
-dood zou wezen, betwijfelde zij niet, en daarvoor vreesde zij. Maar
-niettemin was het voor haar een marteling. Toen ze voor het eerst
-achter de waarheid was gekomen, en de schuldigen betrapte op een
-oogenblik, dat deze zich niet spoedig genoeg konden verwijderen, had ze
-een moreelen schok ontvangen, waarvan ze voelde dat ze nimmer zou
-herstellen. Want wat ze gezegd had, was ook niet waar. Ondanks alles
-hield ze veel van Mourant, en nu misschien meer nog dan vroeger,
-ondanks ze hem wezenlijk minachtte.
-
-Hij had dadelijk den knoop doorgehakt door pogingen voor te stellen om
-tot een scheiding te komen; zij had die voor goed verworpen, door één
-voorwaarde, die ze vooraf wist dat hij niet zou aannemen. Zij vroeg
-haast zijn geheele vermogen, en bij die gelegenheid had hij geraasd en
-getierd als een bezetene. Neen, daarvan kwam niets, en dat wist ze wel.
-Sedert zinspeelde hij voortdurend op scheiding en noemde er nu en dan
-cijfers bij. Hij wist wel, dat zij het niet doen zou, en dat hij in
-geen geval behoefde te handelen vóór den dood van Veninga. Was die
-eenmaal ad patres, dan kon hij zien wat er te doen was. Zijn vrouw zou
-niets zeggen, dat wist hij zeker, alleen om Veninga te sparen.
-
-„Dus je gaat niet mee naar Davos?” vroeg hij, toen zij de kamer
-verliet.
-
-Maar zij antwoordde hem niet, en hij, een deuntje fluitend, ging naar
-zijn kamer, kleedde zich, liep eens naar de sociëteit, waar de
-oud-gasten hem gaarne zagen, mengde zich in allerlei gesprekken over
-Indië en landde nog voor etenstijd weer bij de Veninga’s aan.
-
-De zieke glimlachte vroolijk.
-
-„Dat doet me pleizier,” zei hij.
-
-„Ja, ik ben met moeite gereedgekomen; ik had nog een en ander te
-beredderen.”
-
-„Weet je wat ik morgen toch wel wilde doen?”
-
-„Neen, nog niet.”
-
-„Ik wou mijn testament laten maken.”
-
-„Het kan nooit kwaad. Het mijne bestaat reeds jaren. ’t Is
-ordelijk.....”
-
-„Zeker! Het is schande, zeg het maar gerust, dat ik er geen heb. Een
-van vroeger tijd heb ik vernietigd.”
-
-„Een uit Indië.”
-
-„Ja. Nu moest je me een pleizier doen en zorgen, dat morgen de notaris
-hier komt. Je wilt toch wel executeur zijn?”
-
-Mourant bedwong een glimlach en zei met kalmen ernst:
-
-„Waarom niet? Ik hoop intusschen dat ik nimmer de functie zal behoeven
-uit te oefenen.”
-
-„Nu maar, ik vrees dat het ’t eind van het lied wel wezen zal.”
-
-„Gekheid! Je knapt weer op.”
-
-Met groote zorg werd Veninga drie dagen later en nadat hij zijn
-testament had gemaakt, volgens Mourant uitsluitend om de „goede orde”
-van zaken, voorzichtig en in een plaid gewikkeld, vervoerd; hij
-gevoelde zich zieker dan ooit en kon den steun niet missen der
-krachtige handen van Mourant, die hem als ’t ware in en uit rijtuigen
-en waggons tilden.
-
-
-
-Louise Van Velton had nog één visite gemaakt na de geagiteerde bij de
-Veninga’s. Ze kwam bij mevrouw Van Stralen in de Willemstraat, en moest
-heel lang anti-chambre maken, voor ze boven mocht komen. Daar vond ze
-een zestal Indische dames en ze begreep heel goed, dat ze die allen
-door haar bezoek erg dérangeerde. Mevrouw Van Stralen zou dan ook voor
-ieder ander, die het speelpartijtje kwam verontrusten, belet hebben
-gegeven, maar zij hield wel van mevrouw Van Velton en zij was er in
-ieder geval zeer op gesteld de kennismaking met de villa op het Plein
-1813 aan te houden. Daarom waren spoedig de kleine kaartjes en de
-andere dobbelwerktuigen opgeruimd en weggeborgen, waren de dames van
-den grond opgestaan en hadden zij op stoelen plaats genomen, en ontving
-de vrouw des huizes haar bezoekster allervriendelijkst.
-
-Maar het standje bij de Veninga’s werkte na in het prikkelbaar gemoed
-van Louise. Geen vijf minuten hield ze het praten over koetjes en
-kalfjes vol. Ze deed er gedachtenloos aan mee, en er behoefde eigenlijk
-ook niet bij gedacht te worden. Intusschen dwaalden haar oogen
-droomerig door de kamer en over de min of meer behoorlijk gekleede
-dames van dit kransje. Het was de voorbode van iets onaangenaams, dat
-altijd onvermijdelijk volgde als zij zoo droomerig keek.
-
-„Komen de dames dikwijls bij elkaar?” vroeg ze zeer onverwacht en op
-een vinniger toon, dan de aard der vraag en de gelegenheid scheen mee
-te brengen.
-
-„Och, dat gaat nogal,” antwoordde mevrouw Van Stralen leukjes; maar
-mevrouw Roos, die Louise alleen op het gezicht niet kon uitstaan en ook
-woedend jaloersch was op haar groot fortuin, zei zeer beslist, maar
-niet vriendelijk:
-
-„Zeker, mevrouw Van Velton, wij zien elkaar haast om den anderen dag.”
-
-Zij keken allen eenigszins verbluft de kapiteinsvrouw aan, die, niet
-gewoon veel te spreken, zich zoo onverwacht en beslist op den voorgrond
-stelde. Ook Louise nam haar op van het hoofd tot de voeten. Daarna
-glimlachte ze met minachting.
-
-„En ik wed, dat de dames dan op Indische manier een partijtje maken,”
-vervolgde zij tegen mevrouw Van Stralen, die, tamelijk verlegen met
-deze onverhoopte wending van het gesprek, niet zoo dadelijk wist wat te
-antwoorden.
-
-„Och!” vervolgde Louise: „U behoeft u er volstrekt niet voor te
-geneeren. Wanneer men wat geld heeft, een goed pensioen en bovendien
-geen kinderen, dan heeft men groot gelijk als men zich op de een of
-andere manier amuseert.”
-
-„Er is waarlijk geen fortuin voor noodig,” verzekerde mevrouw Van
-Stralen. „Wij spelen haast om des keizers baard.”
-
-Doch daar geloofde Louise niets van.
-
-„Nu ja,” zei ze, „dàt ken ik. Er wordt op die Indische partijtjes om
-goed geld gespeeld, en menigeen....”
-
-„.... Herinnert zich niet u iets gevraagd te hebben,” viel mevrouw
-Roos, met een kleur als een Malmaison, haar heftig in de rede.
-
-Er volgde een oogenblik van stilte; daarna vervolgde mevrouw Roos op
-denzelfden opgewonden toon:
-
-„Het past u in ’t geheel niet u met eens anders zaken te bemoeien. Houd
-u maar bij uw eigene, dan hebt u genoeg te doen, en als u dat deedt
-zouden er niet allerlei praatjes te Batavia over u in omloop zijn. Ik
-ten minste verwacht van u geen complimenten, verstaat u?”
-
-Deze ruwe aanval bracht Louise eenigszins van haar stuk. In groote
-haast greep ze zenuwachtig haar mof, stond op en verliet zonder een
-woord te spreken met trotsche houding het salon; mevrouw Van Stralen,
-bleek van vrees, volgde haar en zei in de gang:
-
-„Je moet het haar niet kwalijk nemen; ze heeft vandaag een beetje veel
-verloren en daar kan zij niet goed tegen.”
-
-„Mevrouw Van Stralen, ik noem het een schande. Het is een schande, dat
-u hier een dobbelhuis houdt. U moest u schamen! Ik zal het overal
-vertellen en nooit, nooit kom ik hier meer over den drempel.”
-
-„Kom, wees nu niet zoo opgewonden!” hield mevrouw Van Stralen aan,
-inwendig kokend van woede, maar doodsbang juist voor dat vertellen.
-
-„Het is een schande! Jullie praten van inlanders,—je bent veel slechter
-dan de inlander, want die weet niet beter.”
-
-„Ta, ta, ta! Er gebeurt hier niets, dan wat je al te levendige
-verbeelding er van maakt. Wij spelen een gewoon partijtje whist om een
-cent het punt. Daar maak je nu zooveel noodeloos alarm over.”
-
-Louise was reeds bij de straatdeur en strekte de hand uit naar het
-slot, maar bij die woorden keerde zij zich om, stond een oogenblik
-mevrouw Van Stralen met groote oogen aan te kijken, boog toen een
-weinig voorover en siste haar toe:
-
-„Zal ik je wat zeggen? Je liegt, je liegt!”
-
-In een wip was zij de deur uit en haar rijtuig in, dat voor het
-trottoir wachtte. In het dameskransje was het een leven als een
-oordeel! Daar waren al de tongen losgegaan, onder aanvoering van
-mevrouw Roos, die eenparig bewonderd, geprezen en bewierookt werd om
-haar moed en om de flinke manier waarop zij dat gemeene mensch, die
-mevrouw Van Velton, op haar plaats had gezet. Het was een gekakel van
-belang en zonder einde, en toen mevrouw Roos naar huis ging, scheen het
-haar, ondanks de kleine geldelijke verliezen, dien dag geleden, een
-overwinningstocht.
-
-Maar niettemin hinderden diezelfde verliezen haar buitengewoon. Het in
-Indië overgespaarde geld was op; het laatste gedeelte was overgegaan in
-de beurzen harer medespelende vriendinnen. Roos zocht reeds een paar
-weken naar een „bijbaantje”—bij zijn pensioen!—maar was tot zijn groote
-verwondering en teleurstelling tot de ervaring gekomen, dat het zoeken
-heel gemakkelijk, maar het vinden verbazend moeilijk is.
-
-Het was reeds ver in den pensioenstermijn. Zij moest er niet aan
-denken! Zij kwam niet toe met haar huishoudgeld, dàt was wel zeker, en
-haar man had ook niets meer. Enfin, zij zou wel „zien”; in het ergste
-geval zou zij wat leenen van haar vriendin Van Stralen. Maar de
-gedachte aan het dreigend geldgebrek vergalde toch al de vreugde.
-
-De meisjes kwamen haar op de onbelegde houten trap harer woning te
-gemoet.
-
-„Gelukkig dat u thuis bent, ma! We hebben zoo’n honger!”
-
-„Is papa al thuis?”
-
-„Neen, dat is waar; die is er ook nog niet. Toe, geef ons maar wat
-vooraf.”
-
-„Papa komt al!” riep een der kleintjes van boven; hij had door het
-venster zijn vader zien aankomen.
-
-Aan tafel was de kapitein erg stil, en daar ook zijn vrouw weinig lust
-tot praten had, snapten en lachten de meisjes voort naar hartelust.
-
-„Ik heb iets gevonden,” zei Roos, toen het servies was afgenomen en ze
-beiden alleen in de kamer waren.
-
-„Gelukkig!” zei ze, maar meteen keek ze hem heel verwonderd aan. Ze had
-gedacht, dat hij over het vinden van het gezochte „bijbaantje” zeer
-verheugd zou zijn en dat op zijn gewone luidruchtige manier aan den dag
-zou leggen. Niets van dat alles. Hij vertelde zijn gewichtig nieuws
-zonder eenig enthousiasme, als het ware met tegenzin.
-
-„En hoeveel?” vroeg ze.
-
-„Honderd en tachtig.”
-
-„Heerlijk!” riep ze verheugd: „dat maakt met ons pensioen....”
-
-„Halt!” commandeerde de kapitein. „Het is.... in het jaar.”
-
-Verstomd bleef ze hem aanstaren. Had hij zich dan ergens verhuurd als
-toekang sepèn?
-
-Hij begreep dat hij het er niet bij kon laten.
-
-„Het is verduiveld lastig iets goeds te vinden.... Alles is bezet, en
-het is maar houden wat je hebt.... Ik heb moeite genoeg gedaan; het
-vuur uit mijn zolen geloopen, maar ’t gaf niets.... Dat is me een land
-hier, wat baantjes aangaat! Dan heilig Indië!”
-
-„Konden we maar gaan,” zuchtte ze. Het in den laatsten tijd verdwenen
-visioen keerde een oogenblik terug.
-
-„Nonsens, dat weet je wel beter! Enfin, ik zat onder vrienden, en
-beklaagde me omdat het leven zoo vervelend begon te worden en ik geen
-„bijbaantje” had. Een hunner zei, dat zijn zwager graag iemand had om
-’n paar boeken bij te houden, één uur slechts per dag.... Het is meer
-om de verveling te verdrijven, dan om die vijftien gulden in de maand.”
-
-„Ja maar Roos, we hebben geld noodig; we kunnen met ons pensioen niet
-toe. Wat baat nu vijftien gulden!”
-
-„Wat donder, ik kan het toch niet van de boomen schudden!”
-
-„Maak je niet boos, want dat helpt niets. We zullen moeten verminderen;
-goedkooper gaan wonen; de rekening bij den slager kleiner maken en je
-verteringen buitenshuis....”
-
-Het beviel hem niets.
-
-„Ja,” ging ze voort, „ik doe het ook niet voor mijn genoegen.”
-
-„Je zult je dan toch ook dienen te behelpen, en niet altijd maar
-allerlei noodelooze dingen koopen.”
-
-Als hij eens wist, dat ze speelde! Wat zou hij woedend zijn! Bij die
-gedachte zweeg ze maar, en terugkomend op dien meneer met zijn paar bij
-te houden boeken, vroeg ze:
-
-„Wat doet die man?”
-
-„Hij heeft.... hm!.... hij is wijnhandelaar.”
-
-„En je gaat er zeker ’s ochtends even heen?”
-
-„Neen, ’s avonds.”
-
-„Hoe gek! Het is immers veel beter....”
-
-„Houd nu asjeblieft den mond met dat gezanik, hé? Ik ga ’s avonds omdat
-ik wil.”
-
-Zij haalde de schouders op, en ging de kamer uit alsof ze daarmee wilde
-te kennen geven dat ze, zóó redeneerende, geen kans zag verder te
-komen. Hij, allesbehalve in zijn humeur, trok zijn jas aan en ging uit.
-Hij had juist den knop van de kamerdeur in de hand, toen ze weer
-binnenkwam en hoofdschuddend zei:
-
-„Vijftien gulden in de maand! Hoe durft zoo’n man het te presenteeren?
-’t Is het traktement van een bediende in Indië!”
-
-Zonder te antwoorden ging hij heen. Het hinderde hem, dat hij gelogen
-had, maar de waarheid wilde er niet uit. Vooreerst was het geen
-wijnkooper, wiens boeken hij zou bijhouden, maar een slijter; ten
-tweede had hij niet het avonduur gekozen omdat hij wilde, maar omdat
-hij zich geneerde elken dag gezien te worden, als hij de slijterij zou
-binnengaan. Het zou dien avond de eerste maal zijn, en het was een
-zware gang, die hem naar het oude gedeelte der stad voerde, in een
-doolhof van hobbelig bestraatte wijken, waar onregelmatig gebouwde
-huizen, soms zonderling inspringend en met en zonder hoogere en lagere
-stoepjes, fantastisch verlicht werden door meest aan de muren
-vastgemaakte lantaarns, die hier en daar in den scherpen lichtkring der
-onmiddellijke omgeving, een stuk venster opnamen, waarachter een
-zuinige eigenaar zich verheugde over de verlichting van zijn kamer van
-gemeentewege.
-
-Voor een huis, dat op de omgeving een zeer gunstige uitzondering
-maakte, hield hij stil. In deze buurt, waar doorgaans menschen huisden
-behoorend tot den fatsoenlijken, kleinen burgerstand, teekende het
-uiterlijk der woningen veel meer een zich behelpende bekrompenheid van
-middelen, dan bloeiende welvaart met ruimte van geld.
-
-Maar het jeneverpaleis maakte een uitzondering; het was hoog
-opgetrokken en er hingen dubbele staatsiegordijnen voor de ramen der
-twee verdiepingen boven den winkel, waarvan de buitenmuur tot aan de
-bel-étage van arduinsteen was, of voor ’t minst een imitatie daarvan;
-groote spiegelruiten prijkten in de vensters, voor het inkijken half
-met matglas gecoupeerd; wie de dubbele deur binnenging zag aan den
-eenen kant een groote open kast het eene muurvlak beslaande, gevuld met
-kristallen karaffen, dranken bevattend in allerlei kleur, tot water toe
-in de bovenste rijen, waar men niet bij kon komen voor het gebruik! En
-achter de toonbank van goed geboend eikenhout, bedekt met door koperen
-spijkertjes bevestigd glimmend zink, stond „mijn heer”, de mijnheer van
-deze buurt, waarvan het bekend was, dat hij elken bewoner in rijkdom
-overtrof; aan de andere zijde rustten op zware stellingen reusachtige
-vaten, bruin geverfd op de zwarte ijzeren banden na en de blinkende
-kranen, met dito emmertjes er aan, waarin de enkele droppeltjes lekten,
-die van het voor ’t Nederlandsche volk zoo kostbare vocht niet verloren
-mochten gaan.
-
-Kapitein Roos stond stil in het helle licht, dat door de ruiten en de
-glazen deur der groote slijterij naar buiten stroomde. Hij ging
-voorbij. Het was verduiveld moeilijk, vond hij; het was beneden zijn
-positie. Allerlei tooneelen uit zijn dagelijksch leven als kapitein bij
-het Indisch leger, kwamen hem voor den geest, zijn toenmalig
-maatschappelijk standpunt verheffend. Zijn positie gaf hem recht op
-gelijken voet te staan met allerlei categorieën van notabele burgers en
-nu.... boekhouder bij een slijter.... Te duivel, het was hard en dat
-voor zoo’n bagatel geld! Hij moest slikken, twee-, driemaal, eer hij ’t
-verschil verwerkt had en behoedzaam den bronzen knop der winkeldeur
-opendraaide.
-
-De slijter met een pet op, een modern fantasiepakje aan en een zwaren
-dubbelen horlogeketting, die naar elken vestzak liep, was juist bezig
-uit een helder gepoetste tinnen maat jenever te gieten in den trechter
-op een smerig fleschje, dat een armoedig gekleede oude vrouw, die voor
-de toonbank stond, zorgvuldig vasthield; toen de kapitein Roos
-binnenkwam, streek hij haastig de vier en twintig centen, door de vrouw
-neergeteld, in de lade, veegde zijn vingers af aan een helder witten
-handdoek, opgehangen aan een stijl van de kast, bracht de hand aan de
-klep van zijn pet en vroeg, met beide handen op de toonbank leunend,
-wat meneer bliefde.
-
-„Ik ben kapitein Roos.”
-
-„O, kapitein, bent u het; welzoo, dat doet me genoegen; m’n neef, die
-ook in de-n-Oost is geweest, sprak er van, en ik zei: dat is net van
-pas. Kom binnen!”
-
-De slijter, die Maas heette, ging den kapitein voor naar een net
-gezellig vertrekje met gas verlicht en dat door een zijde, geheel van
-glasruiten, licht kreeg uit den winkel.
-
-„’t Is hier ’n goed kantoortje; je kan zoo alles zien, wat in den
-winkel gebeurt.”
-
-„Ja,” antwoordde Roos, minder ingenomen met de omstandigheid, dat men
-hem ook uit den winkel zoo goed zien kon. „Speelt u hier ook piano?”
-
-„Ik? Die is goed! Neen, mijn dochter speelt hier, maar niet als er boek
-wordt gehouden, natuurlijk niet. Maar ze zingt anders heel mooi.”
-
-De administratie was allereenvoudigst; het dagboek werd accuraat en
-netjes bijgehouden. Dat er zooveel omging in een gewone slijterszaak,
-verbaasde Roos, die slechts even had moeten denken aan de bittertjes
-door hemzelven geregeld verzonden, om ’t debiet in dezen drankwinkel
-verklaarbaar te vinden; maar ’t was een leuke administratie, die een
-kind kon voeren. Men liet hem alleen; slechts eens bracht een
-dienstmeisje hem een zeer goeden kop thee; overigens stoorde hem
-niemand en met zijn bril op den neus, zat hij onder de gasvlam aan den
-lessenaar zoo rustig de boeken bij te schrijven, alsof hij het zijn
-leven lang gedaan had; eerst toen hij klaar was, kwam de slijter
-binnen.
-
-„Ik ben u maar niet komen storen,” zei hij. „Ik denk altijd maar: eerst
-de zaken. Blijft u niet nog ’n oogenblik zitten, ’n grogje drinken?
-Steek ’n sigaar op.”
-
-De sigaren zagen er goed uit; het vooruitzicht op ’n grogje was niet te
-verwerpen. Een oogenblik aarzelde de gepensionneerde kapitein, maar het
-was, vond hij, hier alles zoo behoorlijk, zoo netjes en comfortabel,
-dat hij eigenlijk niet begreep waarom hij zou weigeren. Hij bleef; hij
-werd voorgesteld aan mevrouw Maas en aan de jongejuffrouw Maas, die hem
-om ’t hardst „kaptein” noemden, wat haar eigen ijdelheid scheen te
-streelen. En juffrouw Maas zong met verschrikkelijke oogverdraaiingen
-en wegsleepende armbewegingen het miserère uit de Trouvère, zoodat de
-kapitein tot aller vreugde verklaarde het in de opera nooit mooier
-gehoord te hebben.
-
-Toen hij naar huis ging en zijn kraag opzette tegen den kouden wind,
-was hij opgewekt en vroolijk. Het waren beste menschen, de grog was
-voortreffelijk, de sigaren goed, de toon gemoedelijk en fatsoenlijk.
-Wat kwam het er ten slotte opaan, dat ze een slijterij hielden? Deze
-lui waren waarachtig beter dan menig ander, die geur maakte met
-„positie”. Hij was met dat boekhouderschap en wat er bij scheen te
-behooren, geheel verzoend. Eigenlijk kwam hij daardoor meer en meer
-terug in de sfeer, waarin hij thuishoorde. Het ophouden van den
-officiersstand had hem in Indië—schoon hij ’t zichzelven niet had
-willen bekennen, laat staan een ander—vaak moeite gekost en over het
-algemeen gruwelijk verveeld; de kring, door hem thans verlaten, was
-zijn element; dáár voelde hij zich lekker.
-
-
-
-’t Was tamelijk vol in de groote zaal van het Gebouw voor Kunsten en
-Wetenschappen, althans voor een concertavond en voor die zaal, en aan
-Indische menschen geen gebrek; zij voornamelijk waren het, die de
-zijloges vulden en de stoelen bezetten. Men kon velen herkennen aan den
-toon, waarop ze spraken; aan hun minder correct Hollandsch met hè’s,
-ja’s, hier’s, zeg’s en kasian’s rijkelijk doorspekt; aan hun glanzende
-zwarte haren en getinte huid; aan het eindeloos handjesgeven der leden
-van elkaar ontmoetende families; aan de onvermijdelijke waaiers der
-dames. Maar de Haagsche aandeelhouders in het Gebouw, die plichtmatig
-zooveel mogelijk concerten, opera’s en tooneelvoorstellingen bezochten,
-zagen dit Indisch contingent, deze steunpilaren der onderneming, met
-vreugde.
-
-Dicht bij het tooneel zat mevrouw Van Velton en naast haar mevrouw
-Fournier, die haar man had gehaald van Marseille en na een soort van
-huwelijksreisje met hem in Den Haag was aangekomen.
-
-Hij zat achter haar; hij zag er welgedaan en gezond uit; haar wezen
-straalde als het ware van genoegen; ’t was of zij alle melancholie en
-zwaarmoedigheid had afgelegd, en als ze zich ter zijde boog om hem iets
-te zeggen achter haar waaier, dan klonk haar zachte lach frisch en
-vroolijk, teruggevonden, gelijk zijzelve herboren was.
-
-Maar zij was nog niets bij Louise vergeleken, achter wier stoel een
-ritmeester stond der cavalerie, erg chic, schoon overigens gewoon van
-uiterlijk; hij had een fraaien naam, een adellijken titel en, naar men
-zeide, eenig fortuin.
-
-Hij maakte der jonge mooie weduwe het hof, en deze te midden der
-wereld, welke haar zoo bitter weinig genegenheid toonde, partij nemend,
-was op hem verliefd.
-
-Zij had hem leeren kennen sedert de komst van Fournier. Het was vreemd
-en opvallend, maar niettemin waar, en het stemde Louise tot een soort
-van eerbiedige bewondering,—het was alsof „de” wereld, waarvoor zij
-zich vruchteloos zooveel moeite had gegeven, ongevraagd zijn intrede
-had gedaan in haar huis te gelijk met Fournier. En hij behandelde dat
-als de eenvoudigste zaak ter wereld; hij maakte met zijn vrouw en zijn
-schoonmoeder visites bij eerste families, die hem hartelijk ontvingen
-en contra-bezoeken brachten, maar die nooit spraken over Indië, dan als
-’t niet anders kon en dan nog zoo spaarzaam mogelijk. Noch haar eigen
-vader, noch een algemeen geacht medicus, noch de in de handelswereld
-zoo uitstekend bekende naam van Velton, noch haar wijze van leven
-hadden haar een schrede dichter kunnen brengen tot Haagsche coterieën,
-waarnaar zij hunkerde en waarin Fournier werd toegelaten als de
-natuurlijkste zaak der wereld, en waar hij sprak over zijn oom den
-staatsraad met een jonkheerstitel en zijn zwager, den Commissaris des
-Konings, met een langen Frieschen naam vol ka’s, ma’s en ouderwetsche
-verbindingen. Hij had, als zij het indertijd had gewild, haar man
-kunnen zijn; haar kinderachtige „tinka’s” en grillig humeur hadden dat
-belet, en ofschoon ze geen liefde hoegenaamd meer voor hem gevoelde—het
-beestje was betoel „dood en begraven”—kon ze toch nog boos op zichzelve
-worden om haar groote domheid. Wat baatten al die praal en pracht, wat
-gaf het geld, als men toch door hen, naar wier omgang men haakte,
-eenigszins beschouwd werd als een paria?
-
-Intusschen genoot ze van de omstandigheid, dat zij als het ware „op
-sleeptouw” werd meegenomen. Inderdaad had Fournier ’t liever niet
-gedaan, maar hij was te dankbaar voor de gastvrijheid, zoo schitterend
-door zijn vrouw en kind genoten, en te kiesch om zelfs maar te trachten
-dit servituut te ontduiken.
-
-En op een dier bezoeken had zij kennis gemaakt met den ritmeester bij
-diens familie aan huis. De oude graaf Riquelle woonde op den
-Kneuterdijk in een deftig huis, dat in ’t geheel niet met den tijd was
-meegegaan, en zeker als het minder solied was geweest, van schaamte zou
-zijn ingestort, toen het door zijn glazen oogen van bescheiden
-afmetingen—geen ploertige spiegelruiten!—moest aanzien dat een zoo
-archi-democratisch voertuig als een paardentram met fluitende
-conducteurs en rinkelend tuigage den heelen dag langs zijn stijf en
-rustig ijzeren stoephek holde en rolde! En het stille huis zou, ware
-het een mensch geweest, tot achter zijn dakgoot gebloosd hebben om de
-majesteitschennis gelegen in het buurschap van een meubelmaker en een
-prins van den bloede!
-
-Als de oude heer dááraan dacht, zuchtte hij diep, verschoof zijn met
-gouddraad doorstikt kalotje, en trok peinzend aan zijn sneeuwwitte
-impériale, en als mevrouw Riquelle de décadence van het vroeger zoo
-„lieflijk ’s-Graevenhaege” herdacht, schudde zij bedenkelijk het hoofd,
-dat nog een mooi hoofd was, ondanks de grijze haren en de rimpels van
-den leeftijd.
-
-Neen, zij waren niet meegegaan met den sleur des tijds, gelijk zoo
-menige andere familie, waarvan de leden thans links en rechts
-verstrooid, tot kolenhandelaars en zoo gedegradeerd waren. Dáárover
-echter dacht men, maar men sprak er niet van.
-
-Doch in één opzicht, maar één enkel opzicht slechts, was de tijdgeest
-den ouden heer te machtig geweest. Voorspiegelingen van hooge renten
-bij zekere kapitaalsbelegging hadden hem gebiologeerd; hij had een deel
-van zijn matig vermogen er aan gewaagd, en was er volkomen kaalgeplukt
-afgekomen.
-
-Sedert was hij conservatiever dan ooit.
-
-Maar sedert ook was hem ’t leven moeilijker, want ofschoon Edmund, zijn
-zoon de cavalerist, volstrekt geen panier percé was, kostte hij toch
-veel geld; dáárvoor was hij ook bij het bereden wapen!
-
-De ritmeester was werkelijk geen viveur. Hij had het leven meegemaakt,
-en nu hij de dertig achter den rug had, was er weinig nieuws voor hem
-onder ’t Haagsche zonnetje. Toch was het niet uit vrijen wil, dat hij
-zich veel onthield, wat hem anders het bachelorsleven zou veraangenaamd
-hebben; hij had gaarne meer uitgegeven voor mooie paarden, fijne
-wijnen, fraaie apartementen en zoo, maar hij kende de gevaarlijke
-finantiëele omstandigheden zijner kleine familie, en hij wist welke
-kunststukken en goocheltoeren mama in alle stilte moest verrichten om
-het „evenwicht” te bewaren. En daar hij een goed mensch was, onthield
-hij zich van alles, wat die moeilijkheden kon vergrooten, spottend met
-„mooie” paarden als parade-goed voor kinderen, afkeer voorwendend van
-wijn—slechte lustte hij inderdaad niet,—groote gehechtheid veinzend aan
-zijn oude, volstrekt niet schitterend gemeubelde kamers.
-
-Het was niettemin geen geldzucht geweest, die hem tot Louise Van Velton
-had aangetrokken. Toen ze meekwam met de Fourniers, was hij toevallig
-bij zijn oudelui. En daar de donkere teint van Louise zijn mama
-eenigszins op een afstand hield, was hij bij haar gaan zitten met de
-banale vraag, hoe het haar in Den Haag beviel.
-
-„Tamelijk goed,” zei ze. „’t Is ’n lieve plaats. Ze heeft zoo geen
-eigen cachet, als veel andere Hollandsche steden, maar daarentegen iets
-huiselijks, iets prettigs.”
-
-„Nietwaar, mevrouw?” zei hij opgewekter dan gewoonlijk. „’t Is juist
-wat ik ook altijd vind. Ik dacht alleen dat het vooringenomenheid wezen
-kon.”
-
-„Ik weet het niet. Misschien komt er die van uw kant wel ’n beetje
-bij.”
-
-Zoo praatten ze voort over de stad, ’t bosch, Scheveningen; ze traden
-in de gewone vergelijkingen met ’t Bois de Boulogne als bosch, met
-Brussel als stad, met Oostende als badplaats, en men verheugde zich in
-een voor de aangename conversatie steeds zeer bevorderlijke sympathie.
-
-„Wat is die mevrouw Van Velton voor ’n dame?” vroeg zijn mama toen de
-visite was afgeloopen.
-
-„Ik weet het niet,” zei Edmund. „De tweede vrouw van Van Velton, die in
-Indië is gestorven.”
-
-„Den naam heb ik meer gehoord.... Van Velton.... Zoo heet, meen ik, een
-groot koopmanshuis in Amsterdam of Rotterdam,” lichtte de oude heer
-toe.
-
-„Zij is een zeer lieve, beschaafde vrouw,” verzekerde de ritmeester.
-
-Mevrouw Riquelle zei niets, maar keek met gefronste wenkbrauwen naar
-buiten. Zij had nu en dan wel met angst opgemerkt, dat Edmund bijzonder
-lief was voor die donkere, maar mooie vrouw; zij kende hem en ze maakte
-zich bang, want hij had tot nog toe haast nooit meer dan spot over
-gehad voor ’n vrouw of ’n meisje, dat de echtgenoote had kunnen worden
-van een graaf De Riquelle; haar moederlijk hart zag hier een gevaar, en
-toen het kort daarna wezenlijk kwam, vond het de oude dame althans niet
-onvoorbereid; zij had het van het eerste oogenblik zien aankomen.
-
-Toch had Edmund Riquelle met zijn moeder den zwaarsten strijd. Papa
-vond het nu wel niet aangenaam, dat zijn zoon wilde trouwen met de
-weduwe van een koopman—zelfs zeer onaangenaam vond hij het,—maar twee
-overwegingen gaven spoedig den doorslag: als man begreep hij hoe zijn
-zoon op ’t mooie vrouwtje verliefd was geraakt; als vader en financier
-zag de rijkdom van datzelfde vrouwtje er in zijn oog zeer aanlokkelijk
-uit.
-
-„Je behoeft me daaromtrent niets te zeggen,” zei zijn mama, toen hij
-zinspeelde op de „onafhankelijke positie” van Louise. „Je kunt me toch
-niets zeggen Edi, waarover ik niet reeds lang heb gedacht. Maar dáárom
-wil je dat huwelijk niet doen.”
-
-„Zeker niet. In mijn omstandigheden beteekent het echter niet weinig.”
-
-„Dat is wel zoo, maar je hadt ’t zelfde kunnen vinden zonder tot lager
-af te dalen. Ik vind het zóó verschrikkelijk!”
-
-„Nu ja, maar, dat zijn erg verouderde begrippen, mama, waaraan u niet
-moet vasthouden. Als u nu jong waart, zoudt u die ook laten varen.”
-
-„Edmund, dat zou ik niet. Het is mogelijk dat mijn ideeën niet meer
-passen in den tegenwoordigen tijd. Ik meen dat ook wel op te merken.
-Maar ik kan en wil niet meegaan met dien tijd; ik verfoei hem!”
-
-„Lieve, beste ma, wees nu niet zoo halsstarrig. Ik respecteer zeer uwe
-ideeën, maar u kunt de wereld toch niet noodzaken zich daarnaar te
-richten.”
-
-„Zeg ik dat dan, Edi? Ik hoor wel aan den toon van je spreken, hoe
-bespottelijk je het vindt, dat een oude dame, die niets doet dan
-bezoeken ontvangen en zorgen voor haar klein huishoudelijk
-familie-leven, zich permitteert met die wereld van gevoelen te
-verschillen. Wel, ik ben zoo vrij, Edi.—Ik durf dat gerust zeggen, want
-die wereld regardeert me niet. Ik heb niets dan papa en jou. Dat is
-mijn wereld hier in huis, en daarbuiten bepaalt ze zich tot vrienden en
-vriendinnen uit onzen eigen stand. Blijf dáárin, Edi; ik bid je, blijf
-dáárin.”
-
-„Lieve mama!” zei de ritmeester met een luiden zucht.
-
-„Neen, spreek me niet tegen. Breng in onze familie geen elementen, die
-er niet in behooren, waarmee we niet aangenaam kunnen leven en die ons
-omlaagtrekken, omdat wij ze onmogelijk omhoog kunnen krijgen.”
-
-„Er is volstrekt geen reden, waarom de familie niet goed met haar zou
-kunnen omgaan; zij is een vrouw van smaak en opvoeding. Als men u zoo
-hoorde praten en men wist niet het tegendeel, dan zou men ’n heel
-vreemd idee krijgen van onzen stand. Bovendien: ik ben in onze familie
-de eerste niet....”
-
-Mevrouw Riquelle had die opmerking wel verwacht. Edmund doelde op haar
-grootmoeder, die niet eens zoo intellectueel ontwikkeld was geweest
-noch zoo gefortuneerd als mevrouw Van Velton.
-
-„Het is geen reden om in die richting verder te gaan. Het tegendeel is
-waar. Het is nu juist zaak herhalingen te vermijden. Toe, Edi, doe je
-ma het genoegen van dat ongelukkige plan af te zien; je weet niet
-hoeveel verdriet ik er van heb. Het zou mijn laatste levensjaren
-verbitteren. Je bent ons eenigst kind, Edi, en ik zou gerust sterven,
-als ik je gelukkig getrouwd zag. Maar zóó niet.... zóó niet. Niet met
-dat zwarte mensch, die weduwe van een koopman.”
-
-Over het eenigszins vale en kale tapijt der groote bovenkamer, liep de
-ritmeester bleek en zenuwachtig op en neer bij die laatste woorden; hij
-trok met korte, heftige bewegingen aan zijn lange, rossige knevels, en
-wist niet goed wat in ’t midden te brengen, dat geen onaangenaamheden
-zou verwekken tusschen zijn moeder en hem. De oude dame, die het „hooge
-woord” gezegd had, zweeg onder den indruk van haar eigen woorden, en
-ging niet minder zenuwachtig voort aan een handwerkje, als haar zoon
-zijn knevels mishandelde; ook zij zag zeer bleek en had van opwinding
-tranen in de oogen.
-
-„Het spijt me, dat u er zoo over denkt.”
-
-„Nietwaar,” barstte zijn moeder met hartstochtelijke heftigheid los,
-terwijl ze zich niet langer bedwong, maar haar tranen vloeien liet,
-„nietwaar, het spijt je, Edmund; maar of het je spijt of niet, je zult
-haar toch tot vrouw nemen. Denk je, dat ik het te voren niet wist? Denk
-je, dat ik niet wist hoe weinig je verzoek om mijn toestemming meer was
-dan een formaliteit? O, je moet me pardonneeren, Edi, dat ik me
-verstout heb in die aangelegenheid een meening te koesteren, die niet
-strookt met de uwe. Je moet het je mama vooral niet aanrekenen, zal
-je?”
-
-„Maar maatjelief!.... Mijn God!.... Pff!....”
-
-„Ja, ’t is om het te warm te krijgen bij een moeder, die zoo het
-welzijn en het belang van haar zoon uit het oog verliest. Die niet
-juicht omdat hij trouwt met een vrouw uit Indië, de weduwe nog wel van
-een burgermannetje; die wel zwart ziet, maar geld heeft;—die ’t niet
-heerlijk vindt, dat haar zoon aan ’n dwazen hartstocht voor ’t vreemde
-toegeeft, en die niet met open armen zoo’n fortuin aan ’t hart drukt,
-waarvan niemand weet hoe men er aan is gekomen; die niet....”
-
-De ritmeester liep met een: „Dag ma, ik groet u,” heel onbeleefd de
-kamer uit; hij kon ’t niet langer houden.
-
-„Pa,” zei hij in een der benedenkamers, waar de oude heer was, „ga u
-asjeblieft bij mama en tracht haar te kalmeeren; zij is zóó vreeselijk
-opgewonden, en ik zie er geen kans toe.”
-
-’s Middags kwam hij terug. Ofschoon mevrouw Riquelle nog bleek zag van
-de sterke ontroering in den ochtend, was ze nu geheel bedaard, en in
-haar gewonen doen even deftig. Edmund deed maar alsof hij niet zag, dat
-ze hem in het oogvallend koel behandelde, trok een vouwstoeltje bij en
-ging naast haar zitten. Hij moest geheel open kaart spelen, dat stond
-bij hem vast en strookte ook met den aard der Riquelle’s, die het
-veinzen nooit goed hadden verstaan. Maar van het geld sprak hij in ’t
-geheel niet meer; hij trachtte haar alleen te vertellen, dat hij van
-Louise hield, en hoeveel. „Ik weet niet, ma,” zei hij, „hoe het kwam. U
-weet wel dat ik geen dichterlijken aard heb en met spontane
-verliefdheid altijd den draak heb gestoken. Nu zou ik er haast aan gaan
-gelooven, want het is waar wat u hebt gezegd: het was eigenlijk reeds
-beslist op dien eersten dag, toen ik haar toevallig met de Fourniers
-hier ontmoette. Het is hoe langer hoe machtiger geworden, en ik geef er
-alles, alles aan. U weet hoe veel ik altijd van u heb gehouden, en hoe
-ik nu twee en dertig jaren lang zoover ik weet steeds heb gedaan wat u
-aangenaam was, kleine „jeugdigheden” niet meegerekend. Ik ben toch
-waarlijk geen kind meer, in jaren zoomin als in ondervinding; en in
-mooie oogen heb ik dikwijls genoeg gekeken zonder gevaar. Maar voor die
-van Louise zou ik alles doen; er is niets wat me zou tegenhouden;
-niets, zelfs mijn eer niet, geloof ik, als die er mee gemoeid was.”
-
-Mevrouw Riquelle begreep het volkomen. Zij knikte toestemmend met het
-hoofd, alsof ze zeggen wou: zoo is het en niet anders; maar niettemin
-zei ze hardop en met een diepen zucht:
-
-„Het is verschrikkelijk!”
-
-Even bedaard als hij gesproken had, zonder emphase, zonder eenigen
-nadruk zelfs, maar op dien gewonen, alledaagschen toon, waarin
-uitgemaakte zaken worden geëxpliceerd, vervolgde hij:
-
-„Ik wil niet in discussiën treden, mama, over stand of positie, geld of
-geen geld. Zij is een ontwikkelde en fatsoenlijke dame met fortuin. Het
-doet er niets toe. Als ze onontwikkeld, onfatsoenlijk en arm was, nam
-ik haar nog. Het is gek, ik vind het zelf gek,—maar het is zoo.”
-
-O, zijn moeder begreep hem terdege. Geen logica kon haar ooit zoo
-duidelijk zijn, als dit gebrek aan logica! Zoo volkomen onvatbaar zij
-voor redeneering wezen kon,—zoo gereedelijk legde zij zich neer bij de
-noodlottige macht van het sentiment. Het had bovendien kunnen gebeuren,
-dat Edmund door was gegaan met een paardrijdster of een danseres, dan
-wel een gouvernante had willen trouwen of ’t woord „kindermeisje” in
-een verkeerden zin had opgevat. Dit was althans een regelmatige
-geschiedenis, al was de aanstaande schoondochter slechts een
-koopmansweduwe en een half-cast bovendien.
-
-„In Godsnaam, Edmund,” fluisterde zij. „Als het niet anders kan,—in
-Godsnaam dan! Ik zal mijn best doen, maar het zal een zware taak zijn.”
-
-„Dat denk ik niet.”
-
-Maar mevrouw Riquelle zag er tegen op, als tegen een berg, en zij was
-in hooge mate geagiteerd bij de eerste ontmoeting, ofschoon ze stijf en
-afgemeten bleef tegenover haar aanstaande schoondochter.
-
-Louise, die wel wist en gevoelde, wat dat alles moest beteekenen, al
-had Edmund haar niets gezegd van de bezwaren, die hij had moeten
-overwinnen, nam onmiddellijk haar partij en besteedde niet meer
-aandacht aan haar aanstaande schoonmoeder, dan zij welstaanshalve
-verplicht was. En haar vader, dokter Van der Linden, inwendig zeer
-gevleid met deze verbintenis, was zoo van top tot teen de
-old-gentleman, dat hij den meer militairen graaf Riquelle
-overschaduwde.
-
-„Hoe is uw indruk, ma?” vroeg Edmund naderhand.
-
-„Zij heeft groote natuurlijke gaven,” was het antwoord, waarop met een
-zucht volgde: „en ze weet er partij van te trekken.”
-
-Ontevreden haalde hij de schouders op, en wilde iets antwoorden, maar
-zijn moeder viel hem in de rede.
-
-„Je begrijpt me blijkbaar geheel verkeerd, Edi. Het is een compliment.
-Beschouw het wezenlijk als zoodanig. Zij is zeer sterk, en de oude
-dokter is dat ook. Het is heel gelukkig, Edi. ’t Zal haar althans te
-pas komen.”
-
-Dokter Van der Linden zei in een vertrouwelijk oogenblik tot zijn
-dochter:
-
-„Zeg Wies, hoe heb je ’m dàt geleverd?”
-
-Zij keek hem aan met woede en verontwaardiging.
-
-„Ik weet niet wat u bedoelt,” antwoordde ze effen.
-
-„Wees nu niet kinderachtig,” ging hij voort met onverbiddelijke ironie.
-„Je kunt mij toch wel zeggen hoe je het hebt aangelegd om je dáár in te
-dringen.”
-
-’t Woord stak haar als een schorpioen, en er volgde een scène van
-geweld, waarbij de dokter, met de pantoffels haast weggezonken in het
-dik bloemwerk van een alcatief, de handen in de zakken van zijn
-huisjasje en zijn bril op zijn kaal hoofd, haar verbaasd aankeek en
-stil liet uitrazen. Ze kwam geweldig los!
-
-„Je bent altijd m’n ongeluk geweest,” beet ze hem ten slotte toe.
-„Altijd! En toen je het niet meer wezen kon, heb je me de liefde van
-mijn kind ontstolen.”
-
-„Ah zoo! Ja, je bent ’n lieve moeder, dat moet ik zeggen,” zei hij voor
-’t eerst zelf boos om die zinspeling op zijn kleinkind. „Als ’t kind
-mij niet had gehad, zou hij waarachtig niet veel genoegen van zijn
-familie hebben beleefd!”
-
-„Je hebt hem me ontstolen,” siste zij hem toe.
-
-„Och, loop naar de maan!” riep hij buiten zichzelven van woede, omdat
-ze alweer zijn afgod er bij haalde. „Je weet zelf heel goed, hoe je ’t
-arme kind aan zijn lot hebt overgelaten. Je hebt in ’t geheel geen
-hart, zelfs niet als moeder, en zou jij me nu willen wijs maken, dat je
-betoel op dat onbeduidende ritmeestertje verliefd bent?”
-
-Er kwam een glimlach op haar bleek gezicht en trots hief ze het hoofd
-op, met de bevende handen de taille van haar japon omlaagstrijkend als
-mocht er geen kreukje zijn in de rechtheid van haar figuur.
-
-„Dat ben ik. Ik heb eens een meisjesgril gehad, die ongelukkig wat lang
-heeft geduurd; toen heb ik Van Velton getrouwd, die me onverschillig
-was, dien ik naderhand haatte. Nu ben ik een vrouw en ik heb Edmund
-Riquelle lief, zooals....”
-
-„Tatarata,” schetterde de oude dokter lachend. „Die Riquelle’s zullen
-pleizier van je hebben, nou! Ik gun hun van harte het genoegen.”
-
-„Dàt zullen ze.”
-
-Hij zweeg een oogenblik. ’t Was mogelijk, dacht hij. Ze vond daar, wat
-ze zoo vurig verlangde, en ze was van een kracht om zich daar vasten
-voet te veroveren.
-
-„En ik wensch er jou ook geluk mee. Als je er mij en het kind maar zoo
-weinig mogelijk bijhaalt. Ik heb aan die gedwongen fraaiigheid van deze
-week meer dan genoeg!”
-
-Fournier en Hortense waren samen zeer verbaasd geweest, zij met een
-gevoel van vreugde, hij niet zonder een beetje teleurstelling. Niet dat
-hij zich iets voorstelde of voor zichzelven iets wenschte,—maar ’t was
-hem duidelijk, dat hij volkomen was weggecijferd, en voor een oude
-vlam, zelfs al is die geconverteerd in een stiefschoonzoon, blijft dat
-altijd eenigszins vernederend.
-
-Maar het was spoedig voorbij, en toen zag ook hij die verbintenis met
-vreugde te gemoet.
-
-„Het is toch wel sterk,” meende Hortense.
-
-„Jaâa!” antwoordde Fournier. „Och, maar dien kant moet het uit in de
-maatschappij.”
-
-„En ze is mooi en rijk.”
-
-„Zeker.”
-
-„Vindt je haar mooi, Gérard?”
-
-Hij glimlachte gedwongen. Zij had haar armen om zijn hals geslagen en
-zag hem ernstig vragend in het gezicht.
-
-„Wees nu niet flauw, Stance. Wat doet het er nu toe of ik haar mooi
-vind of leelijk?”
-
-„Omdat ik het weten wil.”
-
-„Nu dan, ik vind haar heel mooi.”
-
-„Mooier dan mij?”
-
-Hij bedacht zich een oogenblik.
-
-„Ja, Stance-lief, mooier dan jou.”
-
-En toen de tranen haar in de oogen schoten en zij erg bleek werd,
-vervolgde hij:
-
-„Hoe is het ook mogelijk, dat je zulke malle vragen kunt doen. Je weet
-zelf, dat ze mooier is dan jij, evengoed als ik wist, dat indertijd
-mijn vriend Van Schermbeek een veel gunstiger uiterlijk had dan ik. Wat
-in ’s hemels naam doet dat ter zake? Als ik zei dat ik haar leelijk
-vond, had je misschien reden tot ergernis, want dan zou je kunnen
-weten, dat ik onwaarheid sprak.”
-
-„Welzeker, vent. Het is waar. Je hebt gelijk. Ik ben een dom schepsel,
-dat is zoo. Maar.... ik kon ’t niet goed velen van haar.”
-
-„A propos,” zei hij. „Ik sprak daar van Van Schermbeek; weet je
-wellicht waar die woont?”
-
-„Neen. Ik las zijn ontslag uit ’s lands dienst in de courant.”
-
-„Ja, hij was de laatste. Nu zijn we er alle drie uit: hij, Van Brakel
-en ik.”
-
-„Heb je nog wel eens iets gehoord van Van Brakel?”
-
-„Zelden. Hij is op allertreurigste manier aan lager wal geraakt. Ik
-moet Van Schermbeek gaan opzoeken; de arme kerel heeft het niet slim
-aangelegd.”
-
-Reeds den volgenden dag deed Fournier wat hij gezegd had; hij trof Van
-Schermbeek niet tehuis.
-
-„Als u een oogenblik zoudt willen wachten?” vroeg diens vrouw dringend;
-zij zag bleek, en Fournier, dit toeschrijvend aan haar zeer
-geprononceerde „omstandigheden”, antwoordde:
-
-„Gaarne, mevrouw, maar laat ik u niet derangeeren.”
-
-„Volstrekt niet, meneer Fournier; het tegendeel is waar; ik zou zoo
-graag willen, dat u eens met hem sprak.”
-
-En toen de advocaat bedenkelijk glimlachte:
-
-„Och, ik weet wel, dat het hem officiëel niets zal baten; dat verlang
-ik ook niet. In het eerst had ik verdriet van zijn ontslag, maar dàt is
-voorbij. Als hij het er nu maar bij wilde laten en rustig voortleven.”
-
-„Gaat hij veel uit?”
-
-„Hij is altijd uit, en als hij ’n oogenblik thuis is, dan praat hij
-voortdurend over die ongelukkige zaak; dan windt hij zich op en vrees
-ik dat hij krankzinnig zal worden van overspanning. ’s Nachts droomt
-hij er van, spreekt hardop en twist in zijn slaap met ministers en
-generaals tot hij er wakker van wordt; dan staat hij op, en ik hoor hem
-het overige van den nacht in de kamer heen en weer loopen. Hij wordt
-mager en met den dag zenuwachtiger. Toe, spreek u eens met hem.”
-
-„Ik zal ’t graag beproeven; alleen: ik vrees dat het op den duur niet
-zal baten.”
-
-„U is zoo’n oud vriend van hem, en hij spreekt altijd van u met zooveel
-achting.....”
-
-„’t Verwondert me dat ik Van Schermbeek nog niet ’reis gezien heb.”
-
-„Die ongelukkige zaak neemt hem heelemaal in beslag. Hij denkt aan
-niets. Zijn papa en ik moeten voor alles zorgen; hij bemoeit zich
-nergens mee.”
-
-„’t Is treurig!” zei Fournier, en te gelijk hoorde hij iemand den
-sleutel omdraaien in het slot van de straatdeur.
-
-„Daar is hij,” fluisterde de jonge vrouw, die zelve in niet geringe
-mate zenuwachtig was.
-
-Fournier schrikte van ’t vervallen uiterlijk van zijn ouden
-contubernaal, die op zijn beurt een verwonderden blik liet gaan over de
-tot een licht embonpoint neigende figuur van den advocaat. Ze drukten
-elkaar met groote hartelijkheid de hand.
-
-„Je weet er zeker alles van?” vroeg Van Schermbeek binnen de twee
-minuten.
-
-„Waarvan?”
-
-„Waarvan? Vraag je waarvan? Wat zou ik anders bedoelen dan de
-schandelijke wijze, waarop ik er ben uitgekaaid!”
-
-„Och, je weet: daar staat men aan bloot. Je bent de eerste niet, zoomin
-als je de laatste zult zijn.”
-
-„Nu ja maar..... Zou jij je dat dan laten welgevallen?”
-
-„Van laten welgevallen is eigenlijk in ’t geheel geen quaestie.
-Misschien zou ik er ’t land over hebben; laat ons zelfs aannemen dat
-dit zeker was.”
-
-„Welnu..... En dan?”
-
-„Dan? Dan zou ik trachten hun niet ’t pleizier te gunnen van mij in
-machtelooze woede te zien fulmineeren en ondergaan.”
-
-„Mijn brochure.....”
-
-„Je brochure heeft niets uitgewerkt en zal niets uitwerken. Je loopt
-met het hoofd tegen de bierkaai, dat is alles. En intusschen ben je de
-risée van de lui, die het je aandeden.”
-
-„Donders,” barstte Van Schermbeek los met de vlakke hand op tafel
-slaande, „dat is niet waar, Fournier. Ik ben van ochtend dien smeerlap
-tegengekomen en ik heb hem vierkant van het trottoir geloopen; ik wou
-dat je den angst op zijn ploertentronie gezien had, dan zou je niet
-zeggen, dat ik de risée was van hem.”
-
-„Het is geen waardige handelwijze,” merkte Fournier op.
-
-„Praat jij nu ook al van waardig! Is het waardig van hen, wien zooveel
-macht en gezag is toevertrouwd, te handelen, gelijk ze deden tegenover
-mij? Was het waardig mij, toen ik me niet verweren kon, te plagen, te
-kwellen en het leven te verbitteren? Moet ik dan ten slotte alleen
-altijd maar „waardig” zijn tegenover het schandelijk onrecht, dat zij
-me aandeden? God, God!” ging hij zenuwachtig en hartstochtelijk voort,
-terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen, „jullie bent met de beste
-bedoelingen toch zulke dorre, hartelooze menschen, met je voorpreeken
-van waardigheid aan verongelijkten en je liefde voor wat „netjes” is
-tegen verbitterde, wanhopige menschen, die nog maar tot één ding de
-toevlucht kunnen nemen; tot.....”
-
-„Van Schermbeek, ik zal je eens wat zeggen. Weet je wat je bezig bent
-te doen?”
-
-„Ik denk van ja.”
-
-„Ik denk van neen. Je bent bezig jezelven gek en je arme vrouw
-ongelukkig te maken, die dan van een man, als jij op die wijze
-voortgaand worden moet, nog ongelukkige kinderen kan krijgen
-bovendien.”
-
-Het scheen dat de onverbloemde waarschuwing voor een oogenblik indruk
-maakte; maar voor een oogenblik slechts.
-
-„Onzin,” zei hij ’t hoofd schuddend, „dat zijn maar praatjes, die
-jullie verzint om me van mijn doel af te houden.”
-
-En ’t hielp niet of Fournier al zijn redenaarstalent uitputte, zich op
-de zuiverheid zijner vriendschappelijke bedoelingen beriep, en
-herhaaldelijk ook een beroep deed op Van Schermbeek’s hoedanigheden van
-echtgenoot en bloedverwant voor het tegenwoordige of van vader voor de
-naaste toekomst,—het wantrouwen van den gewezen officier kon hij niet
-overwinnen.
-
-„Jullie legt allen onder één deken en tracht me te bepraten. Zonder dat
-je ’t zelf weet, wordt je allemaal opgestookt door die oude kliek, die
-me vreest.”
-
-Daartegen hielp geen redeneeren; dáárop kwam hij maar steeds terug en
-Fournier ging heen, overtuigd dat zijn oude vriend reddeloos verloren
-was, bezeten door een idée fixe.
-
-In ’t Voorhout kwam hij den ritmeester Riquelle tegen met Louise aan
-den arm. Hij groette, doch sprak hen niet aan. ’t Was in het licht, dat
-door de hooge bladerkronen speelde, een schilderijtje, vond hij. Hoe
-weinig hij ook dacht aan Louise, en hoeveel hij tegenwoordig ook van
-zijn vrouw hield,—’t hinderde hem toch, dat Louise daar aan den arm
-liep van dien cavalerie-officier met zijn zeker ongezocht air de
-grandeur als ’t zuiver cachet der Haagsche beau-monde. Schuin oogde hij
-hen na. ’t Was merkwaardig! Zooveel jaren was het nog niet geleden, dat
-hij haar gekend had als jong meisje, meer Indisch, dan goed was; dat
-hij haar in de armen genomen en gekust had, toen ze getrouwd was met
-Van Velton; toch, hoe scheen dat alles te behooren tot een ver
-verleden! En daar liep ze nu, alsof ze nooit anders gewoon was geweest.
-Aller élégantst en toch zeer eenvoudig gekleed, en door haar houding en
-manieren volkomen thuisbehoorend in die omgeving.
-
-Twee lange armen zwaaiden hem toe; ze zaten aan de lichamen van twee
-Indische kennissen.
-
-„Dag, Fournier, hoe gaat het jou in ’t Haagje?”
-
-„Wel, Fournier, het doet me pleizier je eens te zien.”
-
-Hij groette terug en vroeg van waar ze kwamen.
-
-„Uit de kampong Amsterdam. Fameus veel lol gehad, zeg! ’n Goeie boel!”
-
-„Al m’n duiten zijn op,” lachte de ander. „We zullen den boel naar den
-lommerd moeten brengen. En dan maar pindjam; de Bank is er goed voor!”
-
-De ernst van Fournier stak af bij de onverschillige gezichten dier
-beide jonge mannen, wier luidruchtigheid hem niet hinderde, omdat hij
-haar begreep. Jaren achtereen hadden zij in ’t binnenland gezeten;
-jaren, waarin jongelui in Holland alles wordt vergeven onder de leus:
-il faut que jeunesse passe. In dien tijd moesten zij hard werken en
-droegen zij zorg en verantwoordelijkheid, zonder andere dan die stille
-genoegens, door het landelijk leven in Indië geschonken, met zijn
-uiterst gemakkelijk sexueel verkeer en zijn wijsgeerige rust. Nu waren
-zij los gekomen, en kootten wat laat.
-
-„Je mag wel oppassen,” zei Fournier lachend. „De jongste berichten
-waren niet te best.”
-
-„Sst!” riep de een: „daar willen we hier niet van hooren; ’t is tijd
-genoeg als we in Indië terug zijn.”
-
-„Hoelang denk je te blijven?”
-
-„Nog zes maanden.”
-
-„In dien tijd,” lachte de ander, „kan de boel net op den flacon zijn.”
-
-„Jullie steekt er den gek maar mee,” zei Fournier; „ik maak me over de
-daling der prijzen ongerust. Waar moet het heen?”
-
-„Je hebt er duiten in, hè?” zei de een, en hij noemde het land, waarin
-Fournier een groot deel van zijn vermogen had gestoken.
-
-„Och, ben je gek,” riep de ander met een elleboogstoot: „denk je, dat
-hij er wat om geeft? Hoe beroerder de tijden worden, des te beter gaat
-het de advocaten!”
-
-„Men kan in ondernemingen binnen één halfjaar meer verliezen, dan men
-met zijn kantoor in twaalf jaren verdient.”
-
-„Wat doe je in de kou!”
-
-„Neen zeg, ik heb ’t land om hier over die dingen te spreken. Ben je
-gek! Dáárvoor ben ik niet in Europa. Maar weet je wat? Je bent advocaat
-en beau parleur, en je kent hier zeker ’n heeleboel Kamerleden en zoo.
-Zie, dat je vermindering van belasting voor ons krijgt. Als de boel
-misloopt, dan komt het voornamelijk omdat we zoo onder den druk
-zitten.”
-
-Fournier werd boos.
-
-„Hoeveel slaan jullie nu wel stuk bij zoo’n uitstapje?” vroeg hij
-scherp.
-
-De een wilde antwoorden, maar de ander trok hem mee.
-
-„Niet zaniken, zeg! We zijn niet hier om boomen op te zetten over al
-die narigheid. Die Fournier ook! Ajo, vooruit!”
-
-En groetend en lachend gingen ze heen, jong, sterk en gezond, met een
-air vol overmoed en levenslust, dat in ’t geheel niet paste binnen het
-kader van ’t Lange Voorhout.
-
-Fournier schudde het hoofd. Het waren toch rare kerels! Wie weet of ze
-niet over een jaar straatarm waren, en als ze met hun tweeën in den
-tijd, dien ze rondboemelden door Europa, geen halven ton verteerden,
-zou het wonder zijn. De ontmoeting had hem Louise doen vergeten en
-teruggebracht tot zijn vroegere bezorgdheid voor het geld, dat hij had
-in Indische landelijke ondernemingen; doch hij schudde haar van zich.
-De wereld was schoon en het leven zoo zwaar niet. In het ergste geval
-was ’t niet eens zoo vreeselijk. Wat jaren langer in Indië blijven,—dàt
-was toch ook geen straf! Het geld van Van Velton zat er mede in;
-daarvoor was hij meer bevreesd. Als dáárvan een deel verloren ging,
-kwam het niet weer terecht. Hij had er ’t beheer over, alsmede over de
-fortuin van den ouden heer Van der Linden. Het denkbeeld, dat hij
-verplicht was hen voor zware verliezen te behoeden, hield hem vast; ’s
-middags sprak hij er Hortense over.
-
-„En ons geld?” vroeg ze.
-
-„Nu ja, ons geld.... Het is voor ons lang zoo erg niet.”
-
-„Wel, dat zie ik niet in. Moeten wij niet net zoo goed waken voor de
-belangen van onze kinderen?”
-
-„Het is er pas een!” zei hij.
-
-Zij keek hem lachend van ter zijde aan.
-
-„In elk geval,” ging hij voort, „blijft het minder erg voor ons, want
-ik heb ’n levensverzekering van een ton, en ik ben in mijn zaken. Als
-zij verliezen, is er geen de minste kans ooit iets terug te krijgen,
-ook niet door haar aanstaanden man.”
-
-Maar Hortense gaf niet toe. Zij was de dochter van een koopman, en zij
-had een practischen blik in zaken; bovendien kon ze in den laatsten
-tijd haar geëngageerde schoonmoeder, die hoe langer hoe mooier scheen
-te worden, niet uitstaan, en de bezorgdheid van Fournier hinderde haar.
-
-„Ik heb er niets tegen,” zei ze, „dat je voor het geld van Louise en
-van papa Van der Linden zorgt. Maar eerst voor het onze. Dat ben je
-verplicht. Het is geen edelmoedigheid anderen te helpen ten koste van
-zijn eigen gezin. Charité bien ordonnée....”
-
-„Jawel, dat weet ik. Alleen de kansen zijn zoo ongelijk. Als zij hun
-geld kwijt raken, dan zouden wij ten slotte hen toch moeten helpen....”
-
-„Wij?” vroeg Hortense verbaasd.
-
-„Zeker.”
-
-„Mijn hemel.... Wij?.... En waarom?”
-
-„Maar Stance, hoe heb ik het met je? Ze is uw stiefmoeder, en onze
-verhouding in den laatsten tijd.....”
-
-Ze zag haar man strak in het gezicht en over haar trekken gleed een
-uitdrukking, die op de ongunstigste manier aan haar vader herinnerde.
-
-„Wij zijn haar niets verplicht,” zei ze stroef. „Het eenige wat ik haar
-heb te danken, is het ongelukkig leven, dat ze papa bezorgde, het
-inslikken van een goed deel zijner nalatenschap en haar pogingen om mij
-mijn man te ontrooven. Ik geloof niet, dat ik haar daarvoor dankbaar
-behoef te zijn.”
-
-Fournier zweeg een oogenblik.
-
-„Je oordeelt erg hard, Stance; hard en onrechtvaardig.”
-
-„Ik oordeel juist.”
-
-„Toch niet, en.....” maar hij ging niet verder. Hij had haar aangezien
-en was zeer getroffen over de uitdrukking van doodelijken haat op haar
-gezicht. Nooit had hij dat lijdelijk uitziende gelaat van zooveel
-expressiefs verdacht. Dat er hartstocht school achter het bleeke masque
-met de soms doffe blauwe oogen, wist hij, maar hij meende dat die
-slechts eenzijdig was ontwikkeld en in elke andere richting door een
-overweldigende, aan het onverschillige grenzende, gemoedelijkheid werd
-overtroffen.
-
-„Dat wist ik niet?” zei hij onwillekeurig en de verwondering sprak uit
-den toon zijner stem.
-
-Hortense, nu weer zichzelve meester, scheen er eenigszins verlegen mee,
-doch ze zinspeelde er niet verder op en vervolgde:
-
-„Als je ons uit dat land kunt krijgen, doe het dan gauw. Maar ons het
-eerst, Gérard. Dat is niet meer dan recht en billijk; niet meer dan
-plicht.”
-
-Aan tafel vond hij haar opvallend stil, en ze hield zooveel mogelijk de
-oogen op haar bord gericht. Fournier daarentegen was de vriendelijkheid
-zelf; hij vond haar veel belangwekkender, al speet het hem, dat zij
-Louise zulk een geweldigen haat toedroeg. Na het dessert volgde hij
-haar in haar kamer en kuste haar.
-
-„Hoe is ’t mogelijk, Stance,” zei hij erg intiem, „dat je met haar hebt
-kunnen wonen!”
-
-„Waarom niet?”
-
-„Wel.... als je zoo’n hekel aan haar hebt.”
-
-„Toen nog niet.”
-
-„Och, wat? Er is toch niets gebeurd!”
-
-Zij lei haar gezicht op zijn schouder.
-
-„Er is ook niets gebeurd, Gérard. Maar sedert je weer hier bent, haat
-ik haar gruwelijk, en dat is jou schuld.”
-
-„Kom, hoe is ’t mogelijk! Ik heb ’t mensch niet meer dan de burgerlijke
-beleefdheid bewezen.”
-
-„Neen, dat heb je ook niet.”
-
-„Welnu dan?”
-
-„Je hebt aan haar gedacht, Gérard. O, spreek het maar niet tegen! Je
-hebt aan haar gedacht op oogenblikken, dat het voor mij ’n doodelijke
-beleediging was.”
-
-De jonge advocaat zag zoo wit als zijn boordje. Zulk een perspicaciteit
-ontroerde en verschrikte hem geweldig. Hij moest het tegenspreken, hoe
-waar het was, en met de houding van een beleedigde, richtte hij zich op
-en lei haar arm van zijn schouder.
-
-„Foei! Ik begrijp niet hoe iemand aan zulke gedachten kan komen.”
-
-Zij glimlachte een beetje pijnlijk en antwoordde vergoelijkend:
-
-„Goed, goed! Laat het onbegrijpelijk zijn; laat ik ongelijk hebben en
-heel onrechtvaardig en onjuist zijn in wat ik zeg. Het doet er niet
-toe. Je wildet weten, waarom ik haar haat en sedert wanneer,—je weet
-het nu.”
-
-Ze waren er een oogenblik beiden stil van. Toen lachte hij en kuste
-haar weer en deed zijn best het wettig en overtuigend bewijs te
-leveren, dat ze ongelijk had. En zoo hij al niet slaagde voor het
-verleden,—voor het heden gelukte het hem.
-
-Nog dienzelfden dag maakte hij er werk van bij een nieuwe
-bankinstelling, die emplooi voor haar geld in Indië zocht en waarvan de
-leiding was toevertrouwd aan menschen, heel gedistingeerd, uiterst
-solied en in veler oogen onfeilbaar, maar die weinig verstand hadden
-van Indische cultuurzaken. En dat behoefde ook niet. Immers zoo goed
-als iedereen deed in of aan die zaken, zonder er veel meer van te weten
-dan weinig of niets. En in Indië waren ze vertegenwoordigd door
-menschen niet minder fatsoenlijk, gedistingeerd, solied en onfeilbaar
-en met niet meer kennis van bedoelde zaken. Ze waren ongeduldig, dat
-wist Fournier; ze moesten de beschikbare gelden rentegevend maken voor
-hun aandeelhouders, en ze maakten zich niet bezorgd over de eerst
-onlangs ingetreden daling der prijzen. Hij moest het slim aanleggen, en
-hij verzon een speculatie, welke hij op touw had gezet voor de familie,
-die mislukt was en waardoor hij gedwongen werd zijn eigen geld en dat
-van mevrouw Van Velton en van dokter Van der Linden los te maken. De
-directeuren der Bank geloofden hem op de overigens onschadelijke
-noodleugen; er werd heen en weer getelegrapheerd, en de Bank nam de
-hypotheek over.
-
-Toen hij ’t zijn vrouw vertelde, lachte zij en riep:
-
-„Die is heel aardig! Wat zijn ze er in geloopen!”
-
-„Er in geloopen? Wel neen kind. De onderneming is uitstekend.
-Alleen.....”
-
-„Alsof je er ’t geld zou hebben uitgenomen als het een goede zaak was!”
-
-„Och, dat is betrekkelijk! Ik weet niet of het geen goede zaak is.
-Alleen: ik ben bang.”
-
-„En waarom die vrees?”
-
-„Zoo in het algemeen! En als men ergens geen vertrouwen in heeft, trekt
-men zijn geld terug. Ik heb er hen niet in laten loopen.”
-
-Ze antwoordde niet; ze wist, dat hij in staat was zichzelven in gemoede
-op te dringen, dat hij er de Bank een genoegen mee had gedaan.
-
-Toen Fournier ’s middags bij Louise kwam, vond hij haar in het salon
-met den ritmeester Riquelle en den dokter, die nu wel moest
-verschijnen, hoe onaangenaam hij het ook vond.
-
-De heeren luisterden met belangstelling naar zijn verhaal; verstrooid
-hoorde Louise toe en dacht onwillekeurig aan die geschiedenis op haar
-trouwdag met Van Velton, toen haar vader zoo dicht bij den afgrond der
-armoede stond en niemand het wist dan de aanstaande schoonzoon.
-
-Riquelle zuchtte vol satisfactie toen hij hoorde dat Fournier zoo goed
-geslaagd was; de dokter drukte hem dankbaar de hand.
-
-„Het is heel verstandig gehandeld,” zei hij.
-
-„Ongetwijfeld,” meende de ritmeester, die zich de mislukte speculatiën
-van zijn vader herinnerde en doodsbang was voor geldelijke risico’s.
-
-Louise haalde de schouders op. Wat kon haar ’t geld schelen, en toen ze
-zag dat Fournier daar boos om was, vroeg ze:
-
-„Was het zoo erg?”
-
-„Erg genoeg. Zóó, dat je, als ’t fout was gegaan, zeer had moeten
-verminderen, iets wat zich nimmer zou hersteld hebben.”
-
-Een oogenblik keek ze peinzend uit het venster; toen naar den
-ritmeester en naar haar vader. ’t Was waar! Als ze haar fortuin
-verloor, was dat verlies volkomen onherstelbaar.
-
-Snel trad ze op Fournier toe en reikte hem haar handje met een lieve,
-dankbare uitdrukking op haar gezicht. Het werd hem weer zonderling om
-’t hart; hij antwoordde op haar betuiging van dank iets
-onverstaanbaars, en ging, meer zaken voorwendend, spoedig heen. Haar
-beeld volgde hem op de straat; hij zag het nog wel een kwartier lang
-voor zijn geest. Zou dat dan nooit heelemaal slijten? vroeg hij bij
-zichzelven.
-
-Het was een warme zomerdag: warm en stoffig. In de beschaduwde
-laantjes, die de „wandeling” van ’t dorpje Vlietwijk vormden, gonsden
-de vliegen en nipten de ijle, kleurige, „juffertjes”, zeilend op haar
-glazen vlerkjes. In de kroostslooten smakte en flodderde de baars en
-schoof de paling stil golvend door het groezelig glad moeraskruid en de
-wuivende waterplanten. Onder de wilgen door zag men in de verte het
-landvolk aan den harden arbeid, en hier en daar, tusschen ’t groen der
-erven en boomgaarden, kleine bosschen gelijkend in de verte, glinsterde
-een stuk wit,—een boerderij of een optrekje. O, ’t was zoo warm! En ’t
-landvolk, onwelriekend in oude pilo broeken en baaien rokken, streefde
-in het vrije veld naar een boven- en benedenwaartsch décolleté, dat de
-balzaal het land kon benijd hebben. Mourant en mevrouw Veninga hadden
-nog Indisch goed genoeg om het zich in de warmte draaglijk te maken.
-Langzaam wandelden zij door de laantjes: hij in ’t wit met witte
-schoenen aan en een helmhoed op; zij in sarong en kabaja, met slofjes
-aan haar bloote voeten en een witte pajong boven ’t hoofd. Wat kon ’t
-haar schelen? Men kwam hier toch niemand tegen, en ’t was zoo lekker.
-Want het kon gloeiend heet zijn op de zomerdagen in het gure Holland,
-veel warmer dan in Indië.
-
-Veninga was dood.
-
-Hij kon niet genezen te Davos, begon zich te vervelen, was naar Holland
-teruggekomen, en had er, onaangenamer voor zijn jonge vrouw dan ooit te
-voren, den geest gegeven, met de hand van zijn eenigen vriend Mourant
-in de zijne, en zonder ook maar één oogenblik dien vriend verdacht te
-hebben.
-
-In den aanvang had het niemand bevreemd, dat Mourant veel bij de jonge
-weduwe aan huis kwam: hij was immers executeur en voogd van de
-kindertjes, die „oom” tegen hem zeiden! Doch langzamerhand ontwaakte de
-achterdocht. Men zag hen te veel samen en altijd zonder mevrouw
-Mourant, die zich geheel had teruggetrokken, maar nog steeds door haar
-man op allerlei manieren ten voordeele eener scheiding werd bewerkt.
-Toen, om de praatjes der menschen te ontwijken, was mevrouw Veninga
-naar buiten gegaan, op een heel stil klein plaatsje; en daar bezocht
-haar dikwijls, heel dikwijls de executeur-testamentair; zóó vaak dat
-het een domiciliequaestie had kunnen worden!
-
-Hier waanden zij zich aanvankelijk vrij. Er woonden, nu ja, eenige
-families in den omtrek op grooter buitenplaatsen dan haar net, maar
-klein optrekje; zij had met haar geen kennis gemaakt en kende de namen
-alleen door het praten der dienstboden. Weldra bleek dat er ook hier
-niet weinig over hen werd gepraat op die enkele buitentjes. Zij
-trotseerden het echter.
-
-Maar Henriëtte was ongeduldig.
-
-„Hoe is het er nu mee?” vroeg ze.
-
-„Ik vorder niet,” antwoordde hij zuchtend.
-
-„’t Is pleizierig! In Indië is dat anders.”
-
-„O, in Indië, ja!”
-
-„En waarom hier niet?”
-
-„Ik weet het niet,” zei hij met nog een zucht en recht voor zich
-uitstarend. „Het is verschrikkelijk moeilijk hier tot een scheiding te
-komen. Alles, alles werkt tegen.”
-
-„En zij?”
-
-De naam van mevrouw Mourant werd tusschen hen nooit genoemd; werd er
-over haar gesproken, dan was de aanduiding „zij” voldoende.
-
-„Ik geloof dat ik haar er wel toe krijgen zal. Ze is niet zoo vast meer
-als vroeger.”
-
-„Maar dan is het toch klaar, dunkt me.”
-
-„Waarachtig niet. Ik zeg: men ondervindt niets dan tegenwerking hier in
-Holland. Bij wie men komt,—het is ’t zelfde. Spreekt men van
-separeeren, dan betrekt hun gelaat als de lucht bij een onweersbui.”
-
-Zij antwoordde niet, maar haar mooi donker gezichtje stond allesbehalve
-vriendelijk.
-
-„Je moet niet boos op mij zijn, lieve,” vervolgde hij, toen zij
-hardnekkig zweeg. „Ik doe wat ik kan.”
-
-Ze trok ongeduldig met de fijne ronde schouders.
-
-„Het is mogelijk, maar ik vind het niet. Je wilt niet; je wilt niet
-serieus. Als je wezenlijk deedt, wat je kunt, dan zou ze al zelf
-scheiding hebben geëischt.”
-
-„Lieve Jet, je kent haar niet. Wat een vrouw zedelijk ondergaan kan,
-dat heb ik haar laten ondergaan. Maar daar is een wanhopige
-onverzettelijkheid, die verschrikkelijk is om te zien. En.... ik kan
-haar toch niet mishandelen?”
-
-„Nu ja, mishandelen....”
-
-Hij begreep wel wat ze bedoelde, maar huiverde er van terug. Zóó ver
-was hij nog niet, ondanks zijn veertig jaren, en hij zag haar met
-verwondering aan.
-
-„Kom,” zei hij, onder den indruk harer bekoorlijkheden, „kom, ’n beetje
-geduld nog. We zouden toch niet kunnen trouwen met het oog op zijn
-overlijden. Tegen dat de termijn verstreken is, zal ik het er ook wel
-doorhebben.”
-
-Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar.
-
-„Het is te hopen,” zei ze vol twijfel en met een zucht.
-
-Snel trok hij den arm terug, want een zestal boerenkinderen lag half
-verscholen in ’t lange gras en de biezen aan den slootkant op een
-inspringenden berm van den weg: geelblonde raagbollen boven frischroode
-maar vuile gezichten met geïllustreerde neuzen staken nieuwsgierig
-omhoog en begluurden met een verbazing, die uit de ronde hondenoogjes
-duidelijk sprak, het paar Indische menschen.
-
-„Vader zeit, dat-ie ’n Pruus is,” fluisterde er een, doelend op den
-helmhoed van Mourant.
-
-„Ze draagt ’n wit hempie bovenop,” verzekerde een ander, die zelf
-„onderop” nooit het genoegen van een „wit hempie” had gesmaakt.
-
-Zij hoorde het in ’t voorbijgaan en moest er om lachen.
-
-„In Indië spot men dikwijls met de domheid van den inlander.”
-
-„Ja!” antwoordde hij, blij dat ze het minder aangename onderwerp had
-laten varen. „Het is al overal ’t zelfde.”
-
-„Dat is nog de vraag.”
-
-„Hoe bedoel je dat?”
-
-„Wel, ik vind de lagere klassen hier veel dommer en onbeholpener dan
-bij ons den kleinen man.”
-
-Mourant, die altijd in de stad had gewoond en zich nooit veel om den
-bruinen broeder had bekommerd of van het volksleven notitie had
-genomen, gaf dat niet toe.
-
-„Ja,” zei hij bedenkelijk, „als je bedoelt pinter.”
-
-„O neen, dat zijn ze in dien zin hier evengoed, geloof ik.”
-
-„Ei, heb je dat ervaren?”
-
-„Zeker! Als ze iemand bedriegen en bestelen kunnen, dan laten ze het
-hier evenmin als ginds.”
-
-Verwonderd zag hij haar aan.
-
-„Ze nemen vooral ons, Indische menschen, „waar”, zooals ze het noemen.
-Voor veel geld wordt ons slecht goed in de handen geduwd. Het is of ze
-een komplot hebben gemaakt. In de stad is het letterlijk een
-rooverbende, waaraan men is overgeleverd.”
-
-Hij lachte.
-
-„Nu maak je het toch wat erg, Jet. Bedenk dat ik een tottoh ben. Al die
-lieve landgenooten.....”
-
-„’t Zijn lievertjes! Ze beschouwen ons als niet veel meer dan ganzen,
-die zij moeten plukken. Van den grootsten magazijnhouder tot ’t
-kleinste winkeliertje; van den voornaamsten hotelhouder tot den
-nederigsten kruier,—allen loeren op ons als op een prooi.”
-
-„’t Is veel eigen schuld.”
-
-„Och, wat! Het zijn dieven.”
-
-„Zeker, lieverd! Als de Indische lui niet begonnen waren met in Holland
-’t gouden kalf in hun wapen te voeren, zou het anders wezen.”
-
-„Dat is mogelijk. Maar hier dan?”
-
-„Hoe dat, hier?”
-
-„Denk je wellicht, dat deze eenvoudige landlieden, zooals jij ze altijd
-blieft te noemen, een haar beter zijn?”
-
-„Er zijn ten minste magazijnhouders, winkeliers, hotelhouders noch
-kruiers onder.”
-
-„Wees nu niet flauw.”
-
-„Ik zou niet weten, wie je derhalve moeten bestelen.”
-
-„Allemaal! De man, die de melk brengt; de groentenman, de
-tuinman,—allen bestelen me geducht. Zoo gauw ze maar gemerkt hebben,
-dat ik een dame uit Indië was, zijn ze me gemoedelijk aan het plunderen
-gegaan.”
-
-„Kasian!” plaagde hij. „Die arme, onnoozele landlieden! Wat krijgen ze
-veel op hun rekening.”
-
-„Neen, op de „rekening” krijg ik alleen veel.”
-
-„Ze hebben,” ging hij voort, „een breeden rug. Er kan veel op.”
-
-„En ze nemen er veel op. Als ze naar hun gemoed te werk gingen en de
-wet het niet verbood, namen ze mijn geheelen inboedel er op en liepen
-er mee heen.”
-
-„Oho!”
-
-„Wezenlijk, Mourant. Je kunt het je niet voorstellen. Jullie, heeren,
-komen daar niet zoo mee in aanraking. Maar als ik zie wat anderen
-betalen en wat mij wordt gevraagd....!”
-
-„Boleh tawar!”
-
-„Dat kan je begrijpen!”
-
-„En als ze het anderen er voor laten!”
-
-„Dan weigeren ze het mij en laten me onverrichterzake heengaan. Het is
-wezenlijk net of ze het hebben afgesproken, of het een geheim
-genootschap is.”
-
-„Lieve Jet, ik geloof dat je verschrikkelijk overdrijft.”
-
-„In het geheel niet. Het is de zuivere waarheid.”
-
-„En de prix fixes dan!”
-
-„Nu ja, maar het is ook ’n soort van goed, dat tegen prix fixes wordt
-verkocht! Dat veel Indische menschen, die van een bescheiden inkomen
-moeten leven en het in Indië ook nooit meer dan „gewoon” hadden, er
-zich aan vergapen en aan te buiten gaan, weet ik; maar voor ons!”
-
-Hij vond dat air de dédain verrukkelijk en kuste haar weer.
-
-„Toe, nu geen gekheid! We zijn dicht bij huis! Ik zie de kinderen al in
-de verte in den tuin spelen.”
-
-En de kinderen kwamen hen weldra juichend te gemoet, door niets
-belemmerd in hun snelle bewegingen, maar integendeel opgewekt door den
-vurigen zonnegloed, verzengend als die in hun eigen geboorteland.
-
-Mevrouw Veninga ging het huis binnen om even naar het tweede ontbijt te
-zien; de kleinen volgden haar; Mourant zette zijn hoed af en liep in de
-schaduw van een paar groote boomen langzaam op en neer over het
-grasveld in den tuin.
-
-Hij had het eerste deel van hun discours dien ochtend niet vergeten;
-het zat hem dwars, al was hij blij geweest toen zij ophield; wezenlijk,
-hij zag het eind niet der historie. Hij hield dol veel van Henriëtte en
-waarschijnlijk zou hij ook op haar verliefd zijn geraakt al had ze geen
-cent bezeten. Maar dan zou hij er geen quaestie om gekregen hebben met
-zijn vrouw; dan zou hij zich vergenoegd hebben met de bereiking van het
-dichtstbijgelegen doel.
-
-Nu was hem ook het andere, haar fortuin, zeer aantrekkelijk, want met
-het zijne ging het in den laatsten tijd slechter dan ooit; eigenlijk
-was het nog slechts een klaterfortuin, dat wel revenuën gaf, maar geen
-realisabel kapitaal vertegenwoordigde.
-
-Zij had den spijker wel op den kop geslagen, toen ze zei dat het in
-Indië zooveel gemakkelijker ging. Wat had hij er dáár niet veel den
-doorniggeworden huwelijksband helpen ontbinden. Dat ging als papier de
-musique zoo constant en regelmatig. Onverschillig wat er gebeurd
-was,—’t ging voor den vorm haast altijd eender. Hetzij men van elkaar
-wilde wegens incompatibilité d’humeur, of omdat mevrouw was afgeweken
-van het „pad der deugd” dan wel meneer,—’t verloop was dat zij hem
-aanklaagde wegens onzedelijk gedrag, hij niet compareerde en
-veroordeeld werd bij verstek.
-
-En niemand trok zich iets daarvan aan; men ging stil zijns weegs, alsof
-er niets was gebeurd, zoo spoedig mogelijk nieuwe huwelijksbanden
-smedend.
-
-Maar hier!
-
-Hij wischte met den zakdoek, waarmede hij zich wuivend trachtte te
-bekoelen, het zweet van zijn voorhoofd en ging de tuinkamer binnen,
-waar hij zich een glas Rijnschen wijn met selterswater schonk, als een
-gepasten morgendrank tot wegspoeling der onaangename gedachten, die hem
-op den snikheeten zomerdag bestookten. Henriëtte kwam spoedig met de
-kinderen terug, lachend en zingend. Hij zag haar aankomen in den
-corridor; ’t was veeleer of zij een zuster was van de kleintjes dan hun
-moeder. Wat was zij vroolijk en opgewekt! Welk een verschil tusschen
-haar gemoedsstemming nu en gedurende het laatste jaar bij de gestadige
-kwellingen van den zieken Veninga. ’t Deed hem genoegen haar zoo te
-zien, en dit gevoel scheen hem toe iets zoo vaderlijks te bevatten, dat
-hij er om glimlachte. Hij stond op, liep haar te gemoet, dreigde de
-kleintjes dat hij hen „krijgen” zou, en vervolgde hen, als ze
-schreeuwend lachten van de pret en om de rokken van hun maatje hem
-„krijgertje” lieten spelen.
-
-Het was een benauwende exercitie op zoo’n warmen dag en voor iemand,
-die een reeds geprononceerden aanleg had tot gezetheid. Maar het
-behoorde tot de eigenaardigheden van deze soort candidatuur; als hij
-eenmaal door het examen was, zou hij voor die liefheid óók feestelijk
-bedanken! Nu moest hij wel den kindervriend en action vertoonen, en hij
-executeerde zich gracieuzelijk.
-
-„Kom, wees nu stil,” zei Henriëtte, die het zelve te warm kreeg. „Ga nu
-zitten, dan krijg je limonade. Toe, Willem, geef me ook wat ajer
-blanda.”
-
-Maar de kinderen waren met geen limonade te houden; zij liepen den tuin
-in om in het gras te rollen en de bonne volgde hen daar, doch kwam
-binnen een paar minuten terug met een dik pak couranten en brieven uit
-Indië en van elders. Zij sorteerden ze, en ieder nam zijn aandeel; ze
-lazen hun brieven, ieder voor zich, stil, en slechts nu en dan
-afgebroken door een korte opmerking of mededeeling. Maar daarmede hield
-Mourant spoedig op; zijn wenkbrauwen trokken samen, en al lezende werd
-de uitdrukking van ongenoegen op zijn gelaat voortdurend sterker. Het
-was een brief van een zijner oudste vrienden; hij had altijd veel van
-hem gehouden en had in zijn huis steeds een groote mate van
-gastvrijheid en vriendschap genoten; nu schreef hij hem hartelijk, maar
-hoogst ernstig. Men was het in Indië te weten gekomen, en men had er
-veel over gesproken. Er werden inlichtingen gevraagd. Was het waar, dat
-hij wilde scheiden van zijn vrouw, en dat hij wilde trouwen met de
-weduwe Veninga? Als dat waar was, wat echter zijn vrienden in Indië
-niet konden en wilden gelooven, dan was het andere óók waar, n.l., dat
-hij zijn vriend en zijn vrouw laaghartig bedrogen had. En op die wijze
-ging het voort tot het einde; zijn vrouw werd in dien brief
-verheerlijkt; al de goede, schoone hoedanigheden, die ze bezat, werden
-gereleveerd en in een helder, scherp licht gesteld.—Het was alles
-volkomen waar; hij wist het, hij wist het!—Maar Henriëtte was toch zoo
-mooi, en ze had zooveel geld. Toen hij daaraan dacht, keek hij haar
-even aan. Zij weende.
-
-„Wat is er?” vroeg hij ongerust en opstaande.
-
-„’t Is schande!” snikte ze. „Waar bemoeien ze zich mee? Ben ik niet
-vrij om te doen en te laten wat ik wil?”
-
-Hij nam een brief van haar schoot en keek dien in; ’t was van hetzelfde
-laken een pak. Een harer vrouwelijke bloedverwanten had hetzelfde
-onderwerp gekozen en zong, schoon op gansch anderen toon, hetzelfde
-lied. Die toon was scherper, hatelijker en meer beslist; hij vergunde
-geen twijfel meer; er werd niet gevraagd om inlichtingen; de
-mogelijkheid van laster werd niet aangenomen; tante schreef met de
-zekerheid van iemand, die gevoelt dat het zoo is, en die niets
-verschoont en niemand spaart.
-
-„Dat onbeschofte wijf!” zei Henriëtte.
-
-„Het beste is dit,” meende Mourant, en te gelijk maakte hij een
-beweging om den brief te verscheuren. Maar zij hield hem terug; hoe
-vernederend de inhoud ook voor haar was,—ze wilde dien toch nog eens
-overlezen à tête reposée.
-
-„Neen, Willem, verscheur hem niet.”
-
-„Och, waarom niet? Eén is waarachtig genoeg.”
-
-„Heb jij dan ook?....” vroeg ze met verwondering.
-
-„Welzeker! Waarom niet? Maar de mijne is ’n beetje fatsoenlijker,
-schoon het op ’t zelfde neerkomt.”
-
-Hij gaf haar den anderen brief en zij las hem, met saamgeknepen lippen
-van boosheid om al de loftuitingen op mevrouw Mourant.
-
-„Hm!” deed ze schamper. „Er kan niets meer bij! Het is waarlijk
-jammer!”
-
-„Nu ja.”
-
-„En zal jij daarop antwoorden?”
-
-„Natuurlijk! Ik zal hem een uitvoerigen brief schrijven en er valt niet
-aan te twijfelen of hij zal overal rondvertellen, wat daarin staat.”
-
-„Maar je zult toch niet alles schrijven?”
-
-„Waar denk je aan? Ik zal hem schrijven, dat ik met verontwaardiging,
-maar zonder verbazing heb kennis genomen van de schandelijke
-lasterpraatjes in Indië verspreid over u en mij; praatjes, die het
-beneden mijn waardigheid en uw fatsoen is te wederleggen.”
-
-Hij zag er zoo oprecht verontwaardigd en waardig uit toen hij deze
-woorden vergezeld deed gaan van een breede geste, die alle
-lasterpraatjes op zij schoof, dat Henriëtte haar lippen, die zich met
-geweld tot een lach plooiden, met haar schitterend witte tandjes in
-bedwang moest houden.
-
-Mourant zag het niet; als de geest der advocaterij over hem kwam, zag
-hij niets; dan oreerde en gesticuleerde hij, aangevuurd en opgewekt
-door den klank van zijn eigen stem; dan had hij evengoed een jury om
-den vinger gewonden, als een rechtsgeleerd college hem sous cape zou
-hebben uitgelachen.
-
-„Ik zal hem schrijven,” dus vervolgde hij, „dat een onverwachte
-samenloop van noodlottige familie-quaesties een ernstige vervreemding
-heeft teweeggebracht tusschen haar, die voor de wet mevrouw Mourant is,
-en mij; dat ik niet kan noch mag toegeven op dat punt; dat het moet
-buigen of barsten, en dat derhalve een scheiding in de toekomst niet
-tot de onmogelijkheden behoort.”
-
-Zij keek hem bewonderend aan; ze vond hem welsprekend. Het was immers
-onmogelijk te twijfelen aan de woorden van iemand, die zóó sprak en zóó
-schreef.
-
-„En verder?” vroeg ze.
-
-„Hoe bedoel je dat?”
-
-„Wel verder.... over mij.... over ons?”
-
-„Niets. Ik zal wel zorgen zóó dom niet te zijn. Alleen heel aan het
-slot zal ik er nog een oogenblik op terugkomen.”
-
-„In welken geest?”
-
-„Dat weet ik nog niet. Ik zal het je in elk geval laten lezen.”
-
-„Ja, doe dat, Willem. Het is wel niet waarschijnlijk, dat wij weer naar
-Indië teruggaan, maar men kan nooit weten.”
-
-En toen hij haar ’s avonds den brief bracht, werd haar bewondering voor
-hem nog grooter. Men kon nauwelijks met droge oogen kennis nemen van de
-diepe droefheid, die Mourant verklaarde, dat de vuige laster hem had
-berokkend. Het was „pijnlijk,” het was „ontmoedigend,” het was
-„treurig,” het was „grievend,”—het was alles wat het woordenboek aangaf
-om zich terecht of ten onrechte te drapeeren in het woordenkleed van
-den miskenden mensch.
-
-„Ik weet niet wanneer de mail sluit,” zei hij. „Men leeft hier buiten
-de wereld.”
-
-„Spijt het je?”
-
-„Lieve Henriëtte!”
-
-„Het is mooi weer; de meid kan den brief bezorgen. Het hulpkantoor is
-aan den grooten weg, geen tien minuten van hier, en ’t is mooie
-maneschijn.”
-
-De kinderen waren naar hun bedjes. Doodmoe van het spelen den ganschen
-dag in de open lucht, sliepen ze reeds half toen ze nog voor hun
-bordjes met brood en vruchten zaten. Toen de krachtige boerendeern de
-straatdeur had dichtgetrokken en den weg opliep om den brief in de bus
-te werpen, was het stil geworden in huis, en buiten stoorde ook haast
-niets de heerlijke kalmte van den prachtigen zomeravond; slechts een
-enkel insect gonsde door de zoele lucht, een zich stil door de boomen
-reppende vleermuis deed de bladeren ruischen en uit de verte kwamen
-zachtjes de volle klanken over van een nachtegaal, die, door de maan
-bekoord, zijn rol- en waterslag-romances zong met sedert eeuwen
-beroemde virtuositeit.
-
-De straatweg voor het huis was onzichtbaar in de schaduw van het
-omzoomend groen, maar de breede met kroost bedekte sloot schiep in het
-tooverachtig maanlicht een fata morgana en scheen de weg te zijn. Zij
-hadden de lampen laag gedraaid en zaten op het balkon in de schaduw der
-marquise onzichtbaar voor de buitenwereld, dicht naast elkaar,
-verzonken in het genot hunner meer door den schoonen avond, dan door de
-sociale omstandigheden geïdealiseerde liefde.
-
-Onwillekeurig richtte Henriëtte zich op, toen de dienstmeid terugkwam
-en met den sleutel de deur opende.
-
-„Zij zal wel even hier komen, Willem. Draai de lampen op.”
-
-Hij deed het, en in het licht, dat hoog opvlamde, zagen zij er beiden
-een beetje verward uit, kleuriger van wangen, slordiger van coiffure,
-onbestemder van blik.
-
-„Het groote buiten is verhuurd,” zei de meid binnenkomend en met den
-deurknop nog in de hand.
-
-„Och kom, en aan wien?”
-
-„Ik ben den naam vergeten, maar de posthouder schreef hem op een
-papiertje, en dat heb ik, geloof ik, verloren,” antwoordde de
-dienstbare geest, met een teleurgesteld gezicht in haar grooten zijzak
-tusschen allerlei voorwerpen grabbelend.
-
-Het „groote buiten” was een fraai landgoed; ’t behoorde tot den
-sterfboedel van een millionnair en was door den tegenwoordigen eigenaar
-op speculatie van de erven gekocht. Maar aanvankelijk scheen de
-speculatie geheel te mislukken, want het seizoen was reeds eenigszins
-gevorderd en nog altijd stond de plaats leeg.
-
-„Hier is het briefje, mevrouw. Het is een gekke naam. Ik kan hem haast
-niet uitspreken; maar het moet heel voornaam volk uit Den Haag zijn.”
-
-Henriëtte hield het met potlood bekrabbelde en verfrommelde stukje
-papier onder een der lampen.
-
-„Ik kan het niet lezen, Willem. Zie jij eens!”
-
-Hij zette zijn lorgnet op en keek over haar schouder naar den naam op
-het briefje.
-
-Plotseling hief zij het gelaat naar hem op, met een uitdrukking van
-schrik en ontzetting in de oogen.
-
-„Mijn God, Willem, zij is het!”
-
-„Graaf De Riquelle?.... Verduiveld, ja, dat is beroerd; dat is
-verduiveld onaangenaam.”
-
-„Ik houd het hier niet uit, Willem. Geen week, geen dag!”
-
-„Nu, nu! zóó is het nu niet.”
-
-„Geen dag! Denk je dat ik hier wil zitten in dit optrekje met jou, en
-zij, daar ginder onder mijn oogen als het ware, op dat groote
-buitengoed met haar man, dien graaf. Nooit, Willem! Nooit in m’n
-leven!”
-
-De meid had den uitval gehoord, die niet voor haar ooren bestemd was,
-en ofschoon slechts een boerendeern, was ze wel zoo wijs net te doen
-alsof ze niets begreep.
-
-„Is er nog iets, mevrouw?” vroeg ze onnoozel.
-
-Henriëtte schrikte er van; ze had om ’t heele schepsel niet meer
-gedacht.
-
-„Neen, dank je; je kunt wel naar beneden gaan.”
-
-Ze spraken geen woord verder. Mourant was aan de ronde tafel gaan
-zitten met de ellebogen op het blad, en blies, starend in het
-lamplicht, den grijsblauwen rook van zijn manilla naar het lampeglas,
-waaromheen die, door de warmte op een afstand gehouden, in krullen en
-esvormen optrok. Henriëtte zat tegenover hem met ’t verfomfaaide
-papiertje nog tusschen de vingers, ontstemd, met saamgetrokken
-wenkbrauwtjes en pruilenden mond, omdat ze nu hier ook vandaan moest!
-Dat ze nu werd gedreven tot zelfs uit dit stille hoekje!
-
-„’t Is verschrikkelijk onaangenaam.”
-
-Maar Mourant gaf er zoo dadelijk geen antwoord op. Hij zat zich hoogst
-gemoedelijk met het denkbeeld te verzoenen. Ronduit gezegd beviel hem
-het leven niet best op die manier. Zij had nog haar huishouden, dat
-haar bezig hield; hij had niets dan de courant van den vorigen dag.
-
-„Onaangenaam, zeker, maar zoo verschrikkelijk is het bij nader inzien
-niet. Het hierblijven zou toch niet langer geweest zijn, dan voor ’n
-maand of wat.”
-
-„Och, dat weet ik nog zoo niet.”
-
-„Je hadt hier toch niet willen blijven tot den winter?”
-
-„En waarom niet? Ik vind het hier goed. Ik houd van het land. Je weet,
-dat ik in Indië op het land ben opgevoed.”
-
-„O, maar dat is heel iets anders. Hier in Holland.... in den winter....
-op het land. Brrr!”
-
-„Laat ons er maar niet over redeneeren,” zei ze met een diepen zucht.
-„Het kan toch niet. Ik ga nu hier vandaan, zoo spoedig mogelijk; liever
-vandaag dan morgen.”
-
-„Zoo’n haast heeft het toch niet.”
-
-„O ja, Willem, dat heeft het wel.... Je weet niet welk een mensch zij
-is.”
-
-„Ik meen dat wel te weten; maar haar gravenkroontje zal haar wel
-veranderd hebben. Zij zal net doen of ze ons nooit heeft gezien.”
-
-„Denk je dat? Nu, dan ken je haar niet. Maar in elk geval: ik wil nu
-hier niet blijven.”
-
-Het trof hem. Zóó had zijn vrouw nooit gesproken. Hij vond het nu wel
-aardig zoo’n dametje met een wil. Als ze getrouwd waren, dan kreeg hij
-er ook een!
-
-„Waarheen dan?”
-
-„Ja, waarheen?”
-
-„Brussel?”
-
-„Och, Brussel is niet onaardig. Ik wil er wel weer naar toe voor ’n
-tijdje. En jij?”
-
-„Ik zit er juist over te pikiren; mij dunkt, ik zou er ook wel kunnen
-gaan wonen.”
-
-„Gaan wonen? En zij?”
-
-„Ze kan in Den Haag blijven. Ça n’empêche pas les sentiments.”
-
-Doch Henriëtte lachte niet om de mislukte aardigheid. In haar fraai
-hoofdje woelde het verhuisplan met al de drukte voor haar, de kinderen,
-de goederen.
-
-„Het beste zou wezen,” ging hij voort, „dat ik naar Brussel ging, een
-geschikte woning voor je zocht of een garni, en je dan zoo spoedig
-mogelijk telegrapheerde.”
-
-Het denkbeeld lachte hem toe. Dáár had hij kennissen, die wel wisten
-wat er gaande was, maar net deden, als wisten zij niets. Daar wist men,
-waar men heen kon gaan, en hoe onaangenaam en stil het in dit seizoen
-ook vergelijkenderwijze was in zoo’n groote stad,—’t was toch nog voor
-Mourant een paradijs vol genietingen tegenover een Hollandsch
-boerendorp.
-
-„Dat zal wel ’t beste zijn,” meende zij, nog altijd bezig in gedachten
-met voorbereidende maatregelen.
-
-„Dan zal ik morgen eerst naar Den Haag gaan om daar een en ander te
-regelen.”
-
-En nu had zij tal van bijzonderheden. De hoofdzaak was besloten; dat
-was gemakkelijk; maar voor de détails had Mourant een papiertje noodig
-en een potlood, want die kon hij onmogelijk onthouden.
-
-Ze zaten heel laat op en waren weer heel vroeg bij de hand; ze hadden
-dadelijk groote drukte, hij met het pakken van zijn koffers, zij met
-allerlei voorbereidende maatregelen; zij gunde zich nauwelijks den tijd
-hem „behoorlijk” goeden dag te zeggen, toen hij in het rijtuigje stapte
-om zich naar den trein te laten rijden, en het trof hem, dat zij niet
-op ’t balkon bleef staan om hem nog in de verte te groeten, gelijk in
-vroeger jaren zijn vrouw deed in Indië in de voorgalerij als hij op
-reis ging. Met zulk een verhuisboel alweer voor den boeg, had Henriëtte
-wel aan iets anders te denken, dan aan „liefheid”. Zij was al begonnen
-met uit de rommelkamer achter in den tuin eenige koffers te laten halen
-om die met de hulp van de meid vast vol te pakken met goederen, die ze
-toch niet meer noodig had. Terloops had ze nog even geluisterd naar het
-fluiten van den trein heel in de verte, en ondanks ’t weer zoo’n warme
-dag was, ging ze voort met haar bezigheden, zoodat de morgenuren
-omvlogen en de kinderen haar plaagden om toch iets te gaan eten.
-
-Zij gaf de meid last om de tafel in de tuinkamer gereed te maken, en
-ging zelve naar haar kamer om haar handen te wasschen, die stoffig
-geworden waren van het pakken in de koffers. Ze wierp haar kabaja uit
-en plaste haar fraaie armen in de groote lampetkan, zonder er op te
-letten dat achter haar de deur werd geopend en iemand binnenkwam.
-
-Toen Henriëtte de oogen opsloeg, zag zij het beeld der binnengekomene
-in den spiegel. Zij schrikte zoo geweldig dat het maar weinig scheelde
-of zij verloor haar bewustzijn. Met het instinctmatig geloof aan een
-visioen, aan een spel der verbeelding, keerde zij zich snel om, en
-stond toen niet tegenover het spiegelbeeld, maar tegenover de persoon
-zelve. Een ijzige kou ging haar door de leden. Wat haar altijd het
-ergste van alles had toegeschenen, wat zij meende dat het vreeselijkste
-oogenblik zijn moest in haar leven, en waaraan zij thans en hier in het
-minst niet had gedacht, geschiedde plotseling en als ’t ware
-geheimzinnig: een ontmoeting met mevrouw Mourant. Het was natuurlijk de
-eenvoudigste zaak ter wereld voor een netgekleede dame een huis binnen
-te gaan, de meid te zeggen dat het onnoodig was haar aan te dienen en
-de deur te openen van een kamer; maar in den plotselingen toestand van
-zenuwoverspanning, waarin Henriëtte geraakt was, scheen het haar dat
-mevrouw Mourant als een geest was neergedaald en op supra
-naturalistische wijze een illustratie vormde van de doordringbaarheid
-der stof. Zij beschouwden elkaar een oogenblik. Mevrouw Mourant bekeek
-de mooie jonge vrouw, wier fraaie lichaamsvormen, zooals ze daar stond
-in een sluitende koetang met een smal kantje, allervoordeeligst
-uitkwamen, en zoo zij niet vergaf, zoo zij haatte,—zij begreep beter
-dan ooit, zij gevoelde met haar kennis van Mourant’s karakter en
-eigenschappen, dat als hij eenmaal door zulk een keten was geboeid,
-voor haar alles voorbij was, onherroepelijk voorbij. En Henriëtte, die
-in ’t geheel niet dacht, gevoelde iets over haar komen, iets kleins en
-nietigs; het was haar te moede als toen ze een klein meisje was, dat in
-de voorgalerij bij mevrouw Mourant kwam spelen met al het moois, dat
-het toen jonge kinderlooze echtpaar voor haar kocht en bewaarde. ’t Was
-voor een moment of alles wat tusschen haar en Mourant was voorgevallen,
-wegdreef op die herinnering, en zij nog, als vroeger, naar die vrouw
-met haar verstandig en oprecht gezicht kon gaan, haar de armen om den
-hals kon slaan en haar kussen, zooals ze dat wel eens gedaan had toen
-ze nog klein was. Zoolang zij mevrouw Mourant niet had gezien, had zij
-zich ingebeeld, dat ze haar haatte en sprak ze met Mourant minachtend
-mee over „zij” en „haar”,—maar nu „zij” daar voor haar stond, schoon
-verouderd en grijzend, nog altijd hetzelfde goede beeld van zedelijke
-rust en psychische kracht,—nu overstelpte een groot gevoel van
-droefheid ’t hart der jonge weduwe; nu scheen het alsof zij haar liever
-had dan hem; alsof zij hem met een wreed genoegen en een machtige
-onverschilligheid zou hebben opgeofferd, om met een gerust geweten van
-haar weer de moederlijke genegenheid en de hartelijke opofferende
-vriendschap te kunnen genieten, die de zonneschijn was geweest harer
-eerste meisjesjaren. Zij stond voor mevrouw Mourant met neergebogen
-hoofd en slap langs het lichaam neerhangende armen; haar borst ging in
-de onregelmatige beweging van een heftig ademhalen op en neer, en ze
-slikte telkens bij haar pogen om de tranen terug te dringen, die heet
-in haar oogen drongen, door een droefheid, den eersten schrik
-vervangend en lijdenstrekken plooiend om haar mond.
-
-Zij was zoo’n sensueele natuur niet. Zij had alleen boven de
-Europeesche en Christelijke moraal, waarin zij tel quel was
-grootgebracht, van haar voormoeders de Oostersche geringschatting
-geërfd van ’t sexueel verkeer en ook de zinnelijke nieuwsgierigheid.
-Waar die laatste was bevredigd, en gekwetste ijdelheid de waarde van
-den eersten niet opdreef tot een hoog gestemden, voor niets
-terugdeinzenden naijver, daar had dat verkeer zijn waarde grootendeels
-verloren en stond achter, enkele oogenblikken van bevrediging
-uitgesloten, bij haast alles wat het leven gaf; bij huishoudelijk
-leven, bij eten, drinken, kleederen, meubelen, partijen en gezelschap;
-bij vriendschap zonk het geheel in het niet.
-
-En als het gevoel van gekrenkt en beleedigd, bedrogen en verraden te
-zijn, niet in het hart van mevrouw Mourant had gezegevierd boven elken
-anderen drang; als zij zich niet zoo erg de dupe had gevoeld van dat
-jonge vrouwtje, dat zij, ze wist het wel, nog domineerde en overtrof in
-alles wat geen jeugd en lichamelijk schoon was,—dan zou ze weer
-vriendelijk en lief zijn geweest tegen haar als vroeger. Maar dat
-overwoog of gevoelde zij niet; zij hield niet op haar te beschouwen van
-het hoofd tot de voeten, en zoo dit haar de zekerheid gaf, dat ze voor
-goed verslagen was, het gaf haar in zoover een troost dat het een
-physiek natuurlijke nederlaag was.
-
-„Is Mourant hier?”
-
-Het was voor de eerste maal in haar leven dat zij tegen Henriëtte niet
-sprak van meneer Mourant.
-
-„Neen, hij is vertrokken.”
-
-„Waarheen?”
-
-„Naar Den Haag.”
-
-„Om wat te doen?”
-
-„Ik weet het niet.... ik denk dat hij.... misschien is zijn
-bedoeling....”
-
-„Ik zou maar de waarheid zeggen; je behoeft mij niets te verzwijgen.”
-
-„Hij wilde te Brussel gaan wonen.”
-
-„Zoo. En jij gaat ook naar Brussel?”
-
-„Ja,” antwoordde Henriëtte nauwelijks hoorbaar.
-
-En toen ontstond een geweldig rumoer op den corridor; een der kleintjes
-had verteld dat „tante” er was, want hij had haar in de verte zelf
-gezien. Nu kwam ’t viertal aan in volle Indische vrije dressuur, zonder
-kloppen naar binnen, met blijde gezichtjes, lachende zwarte oogen en
-opgestoken kleine handen; ze kwamen op haar af en sprongen als ’t ware
-tegen haar op; ze hadden haar lange afwezigheid niet eens
-opgemerkt,—dat doen kinderen zoo niet; maar nu de lieve „tante” er was,
-die hen aan boord altijd zoo verzorgde, waarmee ze zoo’n pleizier
-hadden en die zoo mooi vertelde,—nu herinnerden zich de kinderen dat
-weer levendig en ze verwelkomden haar met een juichkreet.
-
-Mevrouw Mourant streed niet tegen het overweldigend gevoel, dat in haar
-opkwam; ze ging op haar hurken zitten, nam de kinderen in haar armen en
-kuste ze met den hartstocht der droefheid.
-
-Maar het beurde haar toch op; ’t gaf een oogenblik van verlichting; een
-gelegenheid om op heur verhaal te komen. Ze stond langzaam op, mevrouw
-Mourant, bracht de kinderen buiten de kamer en zond ze naar den tuin,
-belovend dat ze straks terug mochten komen, en belovend ook dat zij
-blijven zou den heelen dag. Toen kwam ze terug bij Henriëtte, die
-intusschen haar kabaja had aangeschoten, maar van zenuwachtigheid de
-knoopjes niet dicht kon krijgen.
-
-„Wanneer is Mourant naar Den Haag gegaan?”
-
-„Van ochtend met den eersten trein.”
-
-„Ik had je het verdriet kunnen besparen.”
-
-Henriëtte klemde de lippen opeen en keek, ’t hoofd afwendend, door het
-venster naar buiten. Zij wist niet hoe het kwam of wat haar aandreef,
-maar ze voelde een lafhartigen lust Mourant af te vallen en te
-verloochenen; naarmate die bekende en van vroeger geliefde stem haar
-langer in de ooren klonk, werd die aandrift, waartegen zij eerst
-streed, sterker en onweerstaanbaarder.
-
-„Het was geen verdriet voor me.”
-
-De groote oogen met smalle groefjes in de huid der leden boven en onder
-het been der holten, werden grooter van verwondering.
-
-„Ik heb je al gezegd, dat je voor mij niet behoeft te veinzen.”
-
-„Ik veins niet.”
-
-„Maar ongelukkig schepsel,” riep mevrouw Mourant met plotselinge
-hevigheid: „wat bedoel je dan?”
-
-„Ik wou dat er niets gebeurd was; nooit iets. Ik had zoo’n ongelukkig
-leven met Veninga!”
-
-„Je wist hoe kort dat duren zou.”
-
-„Elke dag was lang. U weet niet wat het is. Men heeft u nooit verdacht,
-geloof ik.”
-
-Er kwam een harde uitdrukking over ’t gezicht van mevrouw Mourant.
-
-„Ik heb er nooit aanleiding toe gegeven.”
-
-„Ik ook niet!” riep Henriëtte, haar gezicht nat van tranen toonend.
-„Toen niet, toen nooit! Maar als men elken dag van den ochtend tot den
-avond niets hoort dan de geraffineerdste verwijten, dan ruw en ronduit
-de beschuldiging van ontrouw, dan weet men op het laatst niet meer wat
-men doet; dan zou men den eersten den beste, die lief en vriendelijk
-was en het er op toelei....”
-
-„Houd den mond maar. Ik ken dat. Het is ’t gewone excuus. De een is zoo
-arm, de ander heeft zoo’n onaangenaam leven, de derde werd door mooie
-beloften bedrogen,—ik ken dat. Het zijn allemaal praatjes, anders
-niet!”
-
-„O, zeg dat niet, mevrouw! Het is waarachtig waar; het was geen liefde
-of voorkeur van dien aard.”
-
-„Dus je houdt niet van hem?”
-
-Langzaam schudde Henriëtte het hoofd; ze keek mevrouw Mourant vlak in
-het gezicht.
-
-„Neen!” zei ze.
-
-„Het kan mij ook eigenlijk niets schelen. Het is eenmaal gebeurd en ik
-heb besloten mij er niet langer tegen te verzetten. Ik ben hier gekomen
-om dat te zeggen. Ik had het even goed kunnen schrijven of beter nog:
-laten schrijven, maar ik was nieuwsgierig om dit nestje eens te zien.
-Nu heb ik het gezien, nu weet ik wat ik wilde weten, en ik groet je.”
-
-Zij ging de kamer uit, stil zooals ze gekomen was.
-
-Henriëtte was onbeweeglijk voor het venster blijven staan. Zij zag haar
-door den tuin gaan, vergezeld van de kinderen, die haar wilden houden
-en luid protesteerden tegen het vertrek; zij zag haar rustig
-voortwandelen onder haar bruin-zijden pajong, nu en dan bukkend om een
-der kleine jongens een handje te geven of een zoen; zij weende nog een
-paar minuten, waschte haar gezicht opnieuw en ging toen naar de
-tuinkamer, waar zij met smaak at en met de kinderen sprak over „tante”,
-die zoo ondeugend was om dadelijk maar weer weg te gaan.
-
-
-
-Fournier en Hortense deden een groote reis door Europa; zij reisden
-samen en genoten van het leven, van hun kind en van elkaar. Zij was
-geheel opgefleurd met rozen op de wangen, zooals die daar vroeger nooit
-hadden gebloeid. Hun tocht door de Alpen was een aaneenschakeling van
-genietingen; ze waren geen ras-touristen, die verschrikkelijke
-klimpartijen waagden; er was, vonden zij, zooveel moois te zien zonder
-bovenmatige inspanning, dat men niet meer kon verlangen. Toch deden ze
-vrij verre uitstapjes tot zelfs in den nacht als het koud glinsterend
-schemerschijnsel der maan al wat omhoogstak in de lucht verzilverde, al
-wat inzonk met roetzwarte schaduw sloeg. Ze stonden op vóór den dag en
-gingen met hem ter ruste; het was, vond Hortense, de gelukkigste tijd
-haars levens. En dat vond Louise ook op het rustige groote buiten, waar
-zij vertoefde met haar man den ritmeester, die verlof had gekregen. Zij
-was zoo kalm gelukkig, als ze zich nooit te voren had gevoeld; zij had
-in Riquelle haar man gevonden en de zekerheid was over haar gekomen,
-dat daarmee alles voor haar leven was gezegd. Zij hield veel van hem,
-niet als een romantisch meisje, dat van ideale aesthetische liefde
-droomt, maar als een gezonde vrouw, die het geluk heeft gehad haar
-andere helft te ontmoeten en nu gevoelt, dat aan den hoogsten
-levenseisch is voldaan. Want zij was er zeker van, dat ze gelukkig met
-hem zijn zou, blijvend gelukkig. Zijn geheele persoonlijkheid, zijn
-eenvoudige rustige figuur, zijn openhartig gezicht en zijn niet
-hoogvliegende maar correcte begrippen, waarborgden dat. Men had haar
-spoedig „opgenomen” in de kringen, die de Riquelle’s frequenteerden;
-het was goed gegaan, bijzonder goed zelfs. En nu waren zij hier, en zij
-wandelde in de donkere breede lanen van het park, onder de reuzeneiken,
-aan den arm van Riquelle in een licht zomerpakje en met een stroohoed
-in de hand en zelf gekleed in licht gebloemde mousseline, die met een
-sleep zacht ruischte over het pad. Ze waren eindelijk alleen en ze
-genoten er van als volop gelukkige lui.
-
-
-
-„Wat is dat voor ’n aardig huisje daar in de verte?” vroeg zij haar
-kamenier, wijzend naar het optrekje, waar Henriëtte gewoond had en dat
-met enkele plekken grijs en wit door het groen gluurde.
-
-„Het staat leeg. Er heeft een dame uit Indië gewoond.”
-
-„Ah!”
-
-„Zij woonde er met haar kindertjes; ze was jong en mooi.”
-
-„Zoo.”
-
-„Ja mevrouw. En er kwam heel dikwijls een meneer uit Den Haag.”
-
-„Och.”
-
-„Die meneer heette Mourant en zij was een weduwe; een zekere mevrouw
-Veninga.”
-
-Geen trek bewoog op ’t gelaat van Louise, die de kamenier rustig met
-kappen liet voortgaan. Ze maakte alleen een lichte beweging met de
-schouders.
-
-„Nooit hooren noemen,” zei ze.
-
-„’t Waren toch, behalve die rare visite van dien meneer aan die
-mevrouw, menschen van stand. Die meneer Mourant zag er zeer deftig uit;
-de mevrouw was rijk; het ging er, al woonden zij in dat kleine huis,
-alles erg royaal.”
-
-Maar mevrouw Riquelle zei geen woord meer en deed als ging haar al dat
-gepraat volstrekt niet aan.
-
-„Die Oostersche menschen,” zei de kamenier naderhand tegen de
-keukenmeid, „hebben net ’n bord voor het hoofd. Je kunt nooit iets zien
-aan die donkere mombakkesen. Nu weet ik toch zeker, dat zij die mevrouw
-Veninga kende, en goed ook, want haar meid stond er zelf bij, toen ’t
-mensch de vlucht ging nemen, omdat wij hier kwamen, en nu ik van morgen
-over die mevrouw Veninga spreek, doet de onze net of ze van ’t mensch
-nooit gehoord heeft.”
-
-Mourant had intusschen wel gelijk gehad, toen hij Louise beoordeelde
-naar zichzelven. Ze hadden best in het optrekje kunnen blijven; mevrouw
-Riquelle zou hen in ’t geheel niet herkend hebben!
-
-Hij keek vreemd op toen hij in Den Haag van de dienstboden vernam, dat
-zijn vrouw juist dien ochtend op reis was gegaan. Het maakte hem
-ongerust, schoon hij niet wist waarom, en daar hij toch niets doen kon
-om zekerheid te krijgen, besloot hij niet langer thuis te blijven
-wachten, dan dien eenen dag. Was zijn vrouw ’s avonds niet terug, dan
-wilde hij den volgenden ochtend met den eersten trein naar Brussel
-gaan.
-
-’s Middags uit de sociëteit komend, vond hij haar thuis.
-
-„U schijnt pleizierreisjes te maken,” zei hij.
-
-„Ik zou kunnen vragen, wat u dat aangaat.”
-
-„O neen.... mijnentwege!”
-
-„Ik ben naar Vlietwijk geweest.”
-
-Hij werd bleek, fronste nijdig ’t voorhoofd en ging met groote stappen
-op en neer loopen, ’t bewijs, dat hij erg het land had.
-
-„Zoo!” zei hij met een booze stemmodulatie.
-
-„Ik heb ’n heel interessant discours gehad met de weduwe van Veninga.”
-
-„Dat zal wel,” vervolgde hij steeds kwaadaardiger.
-
-„Ik meende u daar ook te vinden en ik kwam zelf om een blijde tijding
-te brengen.”
-
-Hij was stil gehouden en keek haar wantrouwend aan, maar zweeg.
-
-„De bezwaren, die ik vroeger tegen een scheiding had, zijn thans
-opgeheven. Ik stem toe. Dat wilde ik u en de weduwe van Veninga
-meedeelen.”
-
-Maar Mourant, die op dit bericht stond te kijken als hoorde hij het te
-Keulen donderen, zei nog altijd niets, wantrouwender dan ooit. Wat
-moest hij er van denken? Zou het waar wezen? Zou zij inderdaad met de
-voorwaarden genoegen nemen? Of was het een bespotting? Zijn oogen
-loerden wantrouwend naar zijn vrouw, die rustig voorthaakte. Wat hij
-zeggen zou, wist hij op ’t eerste oogenblik niet.
-
-Zij glimlachte met een neertrekkende uitdrukking van de diepste
-minachting.
-
-„Het is wonderlijk! Ik dacht door mijn toegevendheid twee menschen al
-heel gelukkig te hebben gemaakt. Het tegendeel schijnt waar te zijn.”
-
-„Er zal veeleer niet aan geloofd worden.”
-
-„Wie mij kennen, weten wel dat ik niet lieg. De weduwe van Veninga
-geloofde het; ze wist, dat ze geen oogenblik behoefde te twijfelen,
-maar ze scheen er niet bijzonder mee ingenomen te zijn.”
-
-Met een kort schamper lachje haalde hij de schouders op. Wat gaf hij om
-hatelijkheden! Hij meende immers als advocaat dat hij zich nimmer iets
-mocht aantrekken van de schimpscheuten eener tegenpartij, en reeds
-sedert lang was hij gewoon zijn vrouw alleen uit dat oogpunt te
-beschouwen.
-
-„Het verheugt me zeer,” zei hij op gemaakten toon, „dat je dit
-verstandig besluit hebt genomen. Wij kunnen nu wat verder komen.”
-
-„Zeker, en hoe eer hoe liever.”
-
-„U schijnt nu plotseling haast te krijgen.”
-
-„Hoe eer hoe liever, dat zeg ik nogmaals. Het zal me een waar genoegen
-zijn u zoo spoedig mogelijk met de weduwe van Veninga getrouwd te
-zien.”
-
-„Woudt u wellicht ook hertrouwen?” vroeg hij met een spottenden blik op
-haar grijze haren.
-
-„Och, dat doet er niets toe. Ik heb alleen haast om het u te zien doen,
-met die jonge weduwe; met niemand anders dan met haar en haar vermogen.
-Daartoe wil ik met alle genoegen medewerken. Er is geen schooner middel
-om me de voldoening te geven, die ik verlang.”
-
-Het werd hem toch te machtig, en hij ging naar zijn eigen kamer. Nu ja,
-het waren maar praatjes van een booze, wraakzuchtige vrouw,—doch
-niettemin hinderden ze hem, omdat hij ze in verband bracht met de
-onverschilligheid nu en dan van Henriëtte. Wie weet of ze niet samen
-gepraat hadden,—maar dat kon toch niet. Als eens.... hij moest er niet
-aan denken! Hij moest niet doordenken over zijn meer dan veertig jaren,
-qui sonnaient, omdat hij zich in zijn jeugd allesbehalve onbetuigd had
-gelaten. Hij moest die dwaze schrikbeelden terugdringen. Wat drommel,
-zij was toch waarachtig niet veel gewoon geweest bij Veninga!
-
-In het kleine benedenhuis, dat de familie Roos in den diepsten
-achterhoek van den „Indischen Archipel” bewoonde, was het zeer stil. De
-kinderen waren bij een der buren, een kamerdienaar of zoo iets aan het
-hof, met wiens finantiëele positie die van den gepensionneerden
-kapitein ongeveer op één lijn stond. De groote meisjes, die thans van
-school waren, zaten in oude jurken met winkelhaken en scheuren er in,
-elk aan een kant van het bed, met roodgeweende oogen, maar in de kracht
-harer buitengewoon ontwikkelde lichaamsvormen, haast berstend uit de
-oude, vette japonnen en ondanks hun slordige onverschilligheid de
-incarnatie van ’s lands welvaren. En te midden van een weelderigen
-rijkdom nog altijd gitzwart haar lag op het beduimelde kussen het vaal,
-vermagerd gezicht van haar moeder, die ze zwaar en reutelend hoorden
-ademhalen.
-
-Corrie klemde haar handen angstig samen en boog zich voorover naar haar
-zuster.
-
-„God, God, Nel, ik wou dat pa kwam. Ik ben zoo bang!”
-
-„Houd je stil!” antwoordde Nelly met een diepen zucht.
-
-„Waar zou hij zijn?”
-
-„Weet ik het! Hij is immers haast altijd de deur uit.”
-
-„Zouden we geen dokter kunnen roepen?”
-
-Nelly haalde de schouders op met een bedroefd gezicht, dat voor de
-honderdste maal op schreien stond.
-
-„Waar? Het is zoo ver, en de dokters zijn niet thuis. Ach! en het zal
-haar toch niet helpen!”
-
-Zij zwegen weer en zagen, met een arm op den rand van het ledikant
-geleund, naar de stervende moeder, die geen ander geluid gaf dan het
-mechanische door haar belemmerde en vernauwde luchtpijp teweeggebracht.
-Zij had het hard te verantwoorden, maar ze voelde het niet. Ze was vèr,
-vèr weg buiten de schraal gemeubelde kamer in de koude, „fatsoenlijke”
-achterbuurt van de nieuwe hofstad; zij had, sedert zij ziek was
-geworden en niet meer uit kon gaan om het partijtje te maken, dat zoo
-krachtig tot hun achteruitgang had meegewerkt, aanhoudend haar oude
-visioenen over Indië weer gehad, en het was of die sterker werden
-naarmate haar lichaam, door de ziekte ondermijnd, verzwakte. Maar dien
-dag, terwijl ze daar lag in een halve verdooving, niet bij machte zich
-te bewegen of zelfs de oogen te openen, was alles verwarder, en ze had
-daarover een flauw gevoel van verwondering; er kwamen geen bepaalde
-voorstellingen meer voor haar geest; het warde alles dooreen in den
-warmen zonneschijn; de hooge klapperboomen, de lage pisangs, de
-weelderige varens, de dispenskasten, de baboes,—het dwaalde alles rond
-in een flauwen onbestemden chaos met nevelachtige, samensmeltende
-lijnen en ineenvloeiende kleuren; het was om te lachen zoo dwaas, en de
-zwakke weerschijn van een glimlach plooide de akelig strak gespannen
-huid op haar magere kaken.
-
-„Ze lacht,” zei Corrie met een harden snik en den arm grijpend van haar
-zuster; samen bogen zij zich voorover en kusten het gezicht harer
-moeder, waarlangs haar groote tranen afrolden.
-
-Daar scheen de zieke toch iets van te bemerken, want de glimlach van
-zooeven verdween en maakte plaats voor een uitdrukking van bevreemding
-en angst. Waren dat de meisjes, de kinderen? Zonder dat ze het wist,
-had zij de hand opgelicht en rondgetast; de meisjes grepen haar beiden.
-Ja, dat waren ze. Een oogenblik werkten de hersenen wat vlugger en
-krachtiger als namen ze een aanloopje op den naderenden stilstand. Ja,
-dat waren de meisjes, nu hoorde ze haar schreien. Ze wilde wel vragen
-waar Roos was, maar ze kon niet. Als zij stierf zouden Corrie en
-Nelly.... doch dezelfde verwarring kwam als daareven in Indië; de
-beelden van haar man en haar kinderen dwarrelden dooreen in een lichten
-nevel, die over haar heenkwam, dikker en donkerder, tastbaar zwart....
-
-Nelly gaf een luiden schreeuw. De glimlach was teruggekomen op het
-gezicht harer moeder; het hoofd had even bewogen, zacht krakend had
-zich het lichaam uitgerekt en als een onbelemmerde vrije zucht was de
-laatste adem uitgegaan.
-
-Zij wierpen zich met hartstochtelijke droefheid op het lijk; zij
-noemden haar maatje bij al de lieve namen, die ze haar gaven als
-kinderen en die ze al lang vergeten waren; zij kusten haar en smeekten
-haar om één enkel woord.....
-
-Toen kapitein Roos de deur van zijn woning met den sleutel opende,
-hoorde hij het en stond verlamd van schrik en ontroering wel een halve
-minuut stil met den sleutel in de deur.
-
-Bevend, kon hij de deur toen bijna niet achter zich sluiten; hij liep
-naar de achterkamer; Corrie kwam hem te gemoet en viel hem luid
-weenende om den hals.
-
-„O pa, ze is dood, ze is dood!”
-
-Roos, verschrikkelijk bleek, maakte zich los van het meisje, ging naar
-het ledikant en nam de hand der doode in de zijne; hij moest op een
-stoel gaan zitten, zoo knikten zijn knieën. Hij had haar vermoord, dat
-stond bij hem vast; dat was sedert haar ziekte zijn idée fixe; hij had
-haar gebracht in de ellende van een klimaat, waar zij niet tegen kon,
-en in een levenswijze, waaraan zij niet gewoon was en niet kon
-gewennen. Dat idée fixe bezat hem geweldig, nu ze daar dood neerlag en
-het groot aantal bittertjes, dat hij dien ochtend reeds had
-„verschalkt”, om „zijn zinnen te verzetten,” scheen mee te werken om
-hem in dat akelig idee te versterken.
-
-Hij keek naar de meisjes, die half geknield schreiend voor het bed
-zaten, en hij strekte zijn vrije hand uit.
-
-„Daar ligt mijn slachtoffer,” zei hij pathetisch.
-
-Zij weenden stil voort, zonder veel acht op hem te geven.
-
-„Daar ligt mijn slachtoffer!” herhaalde hij op denzelfden toon. „Ik ben
-haar moordenaar.”
-
-Nelly, die nogal driftig was, kon het niet aanhooren. Zij stond op, nam
-haar vader bij den arm en trok hem weg.
-
-„Ga de kamer uit, leelijke vent. Je bent weer dronken.”
-
-Hij scheen het niet te hooren en bleef onafgebroken naar het bed
-staren, steeds op hartbrekenden, maar door den toenemenden invloed van
-den drank onvasten, hikkenden toon herhalend: „Daar ligt mijn
-slachtoffer; ik ben haar moordenaar.”
-
-De buren van boven en van het naaste huis kwamen zóó gauw, als hadden
-ze den dood zien binnengaan; ’t was of ze het hadden „geroken”. En als
-goede buren maakten zij zich bereidwillig van den toestand meester.
-Zeker, zij hadden altijd veel te zeggen gehad op dien kalen kapitein,
-die zoo dronk, op die luie „Oostersche” vrouw, die de deur uitliep en
-haar huishouden verwaarloosde, en die twee „gekke” meisjes, die zich
-zoo gemoedelijk het hof lieten maken, die elken avond „straatjes-om”
-deden met allerlei jongelui, en die al heel dikwijls „gezien” waren als
-ze zich lieten zoenen in het donker om een hoekje van de straat. Wel,
-het was, zeiden de buren, een huishouden van Jan Steen! Nu echter de
-kille hand van mageren Hein er een greep in had gedaan, verdween alle
-nijd en afkeer, verdrongen door een gevoel van medelijden, een zucht om
-bijstand te verleenen en een achtergrond van verlangen om zich met een
-schoon schijntje en goed fatsoen met eens anders huishouden te kunnen
-bemoeien. De arme Roos, die nog altijd hoe langer hoe kwijnender en
-hikkender van „moordenaar” sprak en van „slachtoffer”, werd met een
-zoet lijntje weggebracht; hij was toch eigenlijk zoo’n best mensch; nu
-ja, hij hield van een borreltje; „het” was toch voor de ganzen niet
-gebrouwen! En die arme meisjes! Nelly en Corrie werden ook, nadat men
-van het ensemble harer droefheid had genoten en er stemming uit had
-geput, door weenende buurjuffrouwen weggebracht. Bij dat alles was het
-toch maar het beste. Wat hadden zij moeten beginnen? Nu ging door de
-vreemde hulp alles vanzelf. Alles werd beredderd, het „afleggen” ook,
-en de eene juffrouw, die zich daarmee had belast, zei tegen de andere,
-die haar hielp, dat het toch een beetje griezelig was, zoo’n mensch met
-zoo’n donker vel; „als je aan den duivel dacht, weet u, die ook zoo
-zwart is!”
-
-Er was geen geld in huis, en toen bij Roos de kleine roes had
-uitgewerkt, en zijn droefheid over het verlies zijner vrouw, die hij
-jaren lang hartelijk had liefgehad, meer normaal was geworden, begreep
-hij allereerst dáárvan werk te moeten maken. Hij schreef den slijter,
-die dadelijk kwam en met vertoon van vriendschap en goedhartigheid geld
-bracht, zonder eenig besef van het kwaad, dat hij dit gezin had
-berokkend. Want sedert Roos de boeken van de slijterij bijhield, was
-hij van een oud-soldaat, die een gewonen krassen borrel „pakt”, een
-geregelde dronkaard geworden, een alcoholist, die elken avond het besef
-verloor dat een rechte lijn de kortste afstand is tusschen twee punten.
-Hij was nu een huisvriend, en daartoe behoorden ook enkele hoogst
-fatsoenlijke, maar slecht bezoldigde ambtenaren van departementen, die
-den rumgrog, waarmee de rijke slijter zoo royaal was, letterlijk
-aanbaden. En deze drankgod, die zich te hoog achtte om particuliere
-kennissen te zoeken onder de kleine bakkertjes, kruideniertjes, smeden
-en blikslagers of andere producenten van het nuttige in zijn buurt,
-moedigde zijn vrienden altijd sterk aan. Hij verkocht zooveel slechte
-jenever aan de smalle gemeente en met zóóveel winst, dat hij licht zijn
-vrienden ruimschoots hun genoegen kon schenken aan uitstekende dranken!
-
-Het was mooi, helder weer bij de begrafenis.
-
-Tusschen de kieren der neergelaten gestreepte gordijnen in de
-voorkamer, drongen spelende zonnestraaltjes; het was er vol en warm;
-vol van in het zwart gekleede mannen met witte dassen en Indische
-officieren in uniform. Zij hielden geen kennis met Roos en zijn
-familie, die, sedert hij gepensionneerd was, zoo afgetakeld waren in
-hun maatschappelijke positie; zij kwamen niet in de soort van woningen,
-waarin zij thans vertoefden; zij hadden niet veel goeds gehoord in den
-laatsten tijd van hun oud-collega, en aan zijn gezicht zagen zij wel,
-dat hij door drankmisbruik tot décadence kwam. Maar toen ze het bericht
-ontvingen van den dood van mevrouw Roos, had geen hunner zich
-teruggetrokken: de oude krijgsmakkers, sommigen met den gouden kraag
-van hoofdofficier, waren gekomen om haar „de laatste eer” te bewijzen,
-en zij stonden in de benauwde voorkamer zacht fluisterend bijeen met
-gezichten en houdingen, die aantoonden dat ze daar slechts waren uit
-een gevoel van piëteit, zonder meer. De straat—voor zoover die nog
-bewoond was—liep uit. Wat een rijtuigen! En dan die officieren! Roos
-steeg in de algemeene achting. Allen gevoelden wel, dat hun zoo’n mooie
-begrafenis niet zou ten deel vallen!
-
-Aan het graf ging het stil toe. Roos stond als versuft, daar hij nog
-geen bittertje had gehad, volkomen abnormaal en buiten staat te denken,
-met gebogen hoofd en glimmend gezicht de kist na te kijken, die op de
-touwen met een dof gedruisch werd neergelaten in het donker slijkerig
-gat, waaruit een benauwde grondlucht opsteeg.
-
-Alles verliep voor hem werktuiglijk. Hij knikte maar met het hoofd, als
-iemand zijn hand, die hij slapjes ophield, drukte, en oude bekende
-stemmen, hem met een kort woord „sterkte”, „kracht”, „’t beste”, of
-„God zegen je” wenschten; dan knikte hij maar en zei soms „merci!”, tot
-de slijter, die een erg gelegenheidsvertoon maakte in
-gelaats-uitdrukking en gebaren, hem onder den arm nam en met heel veel
-voorzichtigheid wegleidde van het kerkhof, als was hij bang dat Roos
-onderweg zou omvallen of beschadigen.
-
-De straat was zeer verwonderd toen ze al die heeren en officieren niet
-zag terugkeeren; daar was op gerekend ook in het sterfhuis, waar een
-groote schaal met sandwiches stond te wachten met „gefiltreerde”
-koffie,—een idee van de vrouw van den kamerdienaar aan het hof, die
-meende dat gewone broodjes met vleesch voor deze gelegenheid te
-ordinair waren. Maar de buren zelf en nog enkele „vrienden” handelden
-alsof ze van de bij het kerkhof naar huis gegane officieren generale
-procuratie hadden voor het eten van sandwiches. Roos had zich met
-bevende hand een bittertje ingeschonken en het met virtuositeit
-weggewipt; hij zuchtte van genot; dat was toch maar alles! Na de derde
-editie verminderde het beven, en toen ging hij mee in de voorkamer
-zitten, waar men een uur later elkaar haast niet zien kon van den
-sigarenrook, terwijl onder het genot van cognac voor de heeren en
-likeur voor de dames, luid werd gesproken en gelachen, als moest de
-achterstand zoo spoedig mogelijk bijgewerkt worden.
-
-Tusschen kapitein Roos en zijn dochters had zich langzamerhand een
-gespannen toestand ontwikkeld. Zij waren niet meer de op commando
-gehoorzamende kinderen, die met een: „Ajo marsch!” weggezonden konden
-worden. Het was zijn eigen schuld. Van den tijd, dat zij hem elken
-avond zalig thuis zagen komen, was alle achting verdwenen, en terwijl
-Corrie nog van hem bleef houden, al was het niet veel, en hem nog
-behandelde als haar vader en het hoofd des gezins, gaf Nelly, die
-harder en driftiger van karakter was, hem onverholen haar diepe
-minachting te kennen. Dan vloekte hij, en sloeg met de hand op de
-tafel; eens zelfs had hij zijn wandelstok opgeheven en toen had Nelly
-den steel gegrepen van een kastrolletje met kokende melk, dat op het
-petroleum-toestel stond, en hoogst irreverentelijk verklaard, dat zij
-dit haar voorzaat in het gezicht zou gooien, als hij haar sloeg. Roos
-zag dat zij het doen zou, en trachtte door een waardig terugtrekken vol
-minachting, den aftocht te dekken. Maar hij zat er van dat oogenblik
-diep onder.
-
-’s Avonds toen de meisjes in bed lagen, dicht bij elkaar met de dekens
-over haar neuzen, spraken ze weer van haar moeder en ze klaagden zacht
-over haar verlies, maar toen het uit was, kwamen ze op haar eigen
-toestand.
-
-„Wat doe jij?” vroeg Corrie.
-
-„Ik weet het nog niet. Wat ik wèl doen zal, weet ik niet, maar wat ik
-niet doe, is bepaald.”
-
-„Je wilt weg?”
-
-„Asjeblieft! Voor geen geld blijf ik hier langer in huis.”
-
-„En de kinderen?”
-
-„Moeten wij daarvoor zorgen? Zijn het misschien onze kinderen?”
-
-„Neen maar!”
-
-„Gekkin! Zorgt hij voor de kinderen? Heeft hij voor ons gezorgd?”
-
-„Gezorgd heeft hij zeker niet.”
-
-„Weet je, het is zijn schuld niet, dat we niet bepaald slecht zijn
-geworden, en ronduit gezegd: ’t kon mama ook weinig schelen.”
-
-„Foei Nel.”
-
-„Corrie, wees nu niet zoo flauw. Je weet heel goed, dat ik gelijk heb.
-Ze hebben ons allebei laten loopen voor wat er van komen wou.”
-
-„Maar dat hebben we nooit zoo heel onpleizierig gevonden.”
-
-„Neen,” zei Nelly met een korten lach, „da’s waar.”
-
-„En als ze ons aan een erg kort lijntje hadden gehouden, dan was het
-nog de vraag of het zou geholpen hebben.”
-
-„Geholpen, nu ja! Ik weet, wat ik weet. Wij hoeven elkaar niets te
-vertellen, Cor, en ons waarachtig tegenover elkaar niet slechter voor
-te doen, dan we zijn.”
-
-„Dat doe ik ook niet. Ik zou heel graag een man hebben en ’t kan me
-niet schelen wien, als ik maar te eten heb, mooie kleeren, niet te
-werken en geen kinderen.”
-
-Nelly gaf in stilte lachend een stomp in de vleeschmassa harer zuster.
-
-„Je bent net een varken,” zei ze.
-
-„De pot verwijt den ketel dat hij zwart ziet,” gichelde Corrie terug.
-„Adoe! Stomp me toch niet zoo of ik geef je ’n schop!”
-
-„Neen, maar zonder gekheid, Cor: ik ga het huis uit.”
-
-„Maar kind, waar moet je heen?”
-
-„’t Kan me niet schelen. Alles liever dan hier te blijven bij mijn
-dronken vader en een troep verwende bengels van broertjes en zusjes.”
-
-„En bij mij dan!” zei Corrie spottend.
-
-„Bij jou, dik beest!” ging Nelly stompend voort. „Jij, die geen hand
-uitsteekt en mij maar voor asschepoestertje laat spelen.”
-
-„Lieve Hemel! Jij doet ook wat! ’t Is me een mooi boeltje hier! Weet je
-wat ik die mevrouw van hiernaast hoorde zeggen?”
-
-„Die juffrouw bedoel je.”
-
-„Nu dan, die juffrouw die getrouwd is.”
-
-„Wel, wat zei ze dan?”
-
-„Ik weet het niet goed, maar er kwam iets in van een kardoes en van een
-bende.”
-
-„Soedah, ’t kan me niet schelen; die kardoes was jij zeker.”
-
-„Of jij.”
-
-„Ook goed; ’t is me hetzelfde. Weet je wat we moesten doen?”
-
-„Nu wat?”
-
-„We moesten van papa elk duizend pop zien te krijgen.”
-
-„Maar Nel, ben je heelemaal!.... Hoe zou de man er aan komen? Hij bezit
-geen duizend centen.”
-
-„Da’s niks; hij moet maar voorschot nemen op zijn pensioen; die man uit
-het jeneverkantoor, die hem altijd dronken maakt, zal het wel willen
-leenen.”
-
-„En dan?”
-
-„Dan gaan we naar Indië.”
-
-„En de kinderen?”
-
-„Die doet hij in een weeshuis, dat is heel gemakkelijk.”
-
-„Kasian!”
-
-„Waarom? Ze hebben het beter dan thuis. Papa kijkt in het geheel niet
-naar hen om. Ik verdraai het en jij,—nu ja, jij bent net ’n goeie! ’t
-Zou hier ’n mooie geschiedenis worden, als ik alleen wegging en jij
-zonder mij achterbleef. Ik zal maar niet zeggen wat!”
-
-„Hou jij je nu maar goed. Je bent ook ’n lievertje, zeg!”
-
-Zoo maakten ze stil ruzie onder de dekens in de duisternis, elkaar van
-allerlei verwijtend, waar en onwaar, tot ze weer terugkwamen op het
-denkbeeld om samen naar Indië te gaan; „Tjari laki”, zooals Corrie
-gichelend zei.
-
-De meisjes sliepen reeds lang, toen Roos nog op en neer liep in de
-huishoudkamer, die gemeenschap had met het vierkante hokje, waarin zijn
-ledikant stond en dat alkoof heette. Hij had dien avond zijn gewonen
-roes niet, en hij had dien reeds sedert den dood zijner vrouw niet
-gehad; hij meende het ook wel te kunnen doen met „klare” jenever met
-water, apenmelk, zooals hij ’t noemde. Maar het ging toch niet. Gewoon
-aan de lekkere rum, stond hem het ordinaire goed nu geweldig tegen; na
-eenig aarzelen kleedde hij zich, verliet in den laten avond stil het
-huis, liep met zijn kraag in de hoogte naar den naasten drankwinkel,
-kocht er een flesch rum en keerde met groote stappen naar huis terug,
-de geliefde aan het hart drukkend. Hij dronk thuis zijn eerste glas met
-welbehagen, keek het tegen het licht, bij zichzelven mompelend van
-„godendrank” en van „’n edele vrucht!” Hij ging er op zijn gemak bij
-zitten met een pijpje in den mond, drinkend en rookend. De drinker won
-het op den rooker; reeds lang lag de pijp in rust vóór hem toen hij nog
-langzaam en met de domme uitdrukking van bedwelming op het opgezet
-gelaat, het eene glas ledigde na het andere, nu niet meer met water,
-maar „kring”. Wel trachtte hij nu en dan de pijp weer aan te steken,
-maar hij zat vruchteloos te smakken, want hij hield den lucifer een
-handbreed er vandaan, tot hij hem liet vallen, als hij zich de vingers
-brandde. Het was stil in huis: alles sliep; om ’t half uur sloeg de
-Amerikaansche klok met luiden metaalklank; hij hoorde het nog tot
-halfdrie, toen zonk hij langzaam van zijn stoel af op het vloerkleed en
-lag daar als een zware onbeweeglijke massa, waaruit een heesch geluid
-bij het snorkend ademhalen en een akelige benauwende dranklucht
-opstegen.
-
-Nelly haalde haar zuster, die altijd langer sliep, den volgenden morgen
-uit het bed.
-
-„Kom nu toch eens mee!” zei ze heftig.
-
-Corrie, slaapdronken en met haar dikke beenen over den ijzeren rand van
-het ledikant getrokken, wreef haar oogen.
-
-„Och, laat me toch met rust; ’t is nog zoo vroeg!”
-
-„Slaapkop, word toch wakker. Je moet nu toch eens meekomen om het
-schandaal te zien.”
-
-Dat woord deed Corrie ontwaken.
-
-„Wat is het dan?” vroeg ze nieuwsgierig, opstaande.
-
-Maar Nelly ging de kamer uit en zij liep haar na, naar de
-huishoudkamer.
-
-Roos lag nog altijd op den grond te ronken; de rumflesch op de tafel
-was bijna leeg.
-
-„Kom help me maar eens,” zei Nelly vol toorn en verontwaardiging, „dan
-zullen we probeeren onzen dronken papa in zijn bed te leggen.”
-
-Ze waren jong en sterk, maar ze hadden er toch moeite mee; zij stootten
-zijn hoofd bij ongeluk zoo hard tegen een stoel, dat ze er van
-schrikten; maar hij voelde er niets van en werd geen oogenblik wakker.
-
-„En nu hier blijven,” zei Nelly, „nu door den dood van ma het hek
-heelemaal van den dam is?—Ik zou je danken!”
-
-Corrie zuchtte en zei niets.
-
-
-
-„Het” lokaal in ’t kleine stadje in het noorden, waar dien avond de
-candidaat der kiesvereeniging „Vrijheid en Ontwikkeling” als spreker
-zou optreden, was vol kiezers, meest boerenlieden uit den omtrek, maar
-die voor deze gelegenheid hun Zondagspak voor den dag hadden gehaald en
-wier gezichten kleurig als de wijnappelen in hunne boomgaarden boven de
-breede zwartsatijnen dassen uitstaken. Hier en daar een gewoon
-burgerheer, de notaris, de secretaris, de ontvanger en zoo. Men was in
-die streek heel erg liberaal, behalve op ’t stuk van belastingen. De
-naam van den candidaat was algemeen geacht; hij behoorde tot eene
-deftige familie van grondeigenaars de père en fils; persoonlijk kenden
-hem maar weinigen; hij was eerst aan de academie geweest en toen,
-niemand wist waarom, maar zeker niet uit eenigen nooddwang naar
-de-n-Oost gegaan. Nu was hij terug en hadden zijn bloedverwanten hem
-candidaat gesteld. Het was, meenden allen, opperbest. Neen, ze zouden
-hem kiezen, dat stond vast; men behoefde hun niet te vertellen wie de
-Fourniers waren; dat wist een kind wel. De spreekbeurt was dus meer
-voor den vorm: men moest toch zijn candidaat eens hooren! En dan: het
-was toch eigenlijk ook wel noodig, meenden zij, want iemand die in
-de-n-Oost geweest was,—men kon nooit weten! daar kwamen zulke rare
-menschen vandaan.
-
-Toen Fournier, die zich op aandrang van zijn familie en vooral van
-Hortense de candidatuur had laten welgevallen, de zaal binnentrad, kon
-hij eerst haast niet zien van den tabaksrook. Hij werd voorgesteld,
-drukte vele handen, was „heel aardig” in zijn manier van spreken, en
-ging den katheder op met de zekerheid van iemand, die een vak verstaat,
-waarbij het spreken voor het publiek behoort. ’t Was de eerste maal
-niet, dat hij als redenaar was uitgenoodigd. In een andere vereeniging,
-waar men uitsluitend sprak over Indische aangelegenheden, was hij
-meermalen „uitgenoodigd” door de leden van het bestuur, maar hij had er
-zich altijd op de een of andere wijze afgemaakt. Dáár te spreken, dacht
-hij, was allesbehalve le moyen de parvenir.
-
-Hij keek eens rond voor zoover de dikke rookwolk het veroorloofde, en
-hij moest zich bedwingen om niet te hoesten, zoo sloeg hem de
-onaangename lucht van het Amersfoorter bocht op de borst. Maar hij
-wilde niet hoesten, om geen indruk van lichamelijke zwakte te geven;
-hij hield zich goed en ving zeer bedaard, langzaam en duidelijk zijn
-rede aan.
-
-Zij konden het opperbest verstaan, de kiezers, en er waren er, die
-elkaar toeknikten; zóó mochten zij het hooren; dat ten minste kon
-iedereen verstaan.
-
-En wat was hij liberaal!
-
-Hij wilde onderwijs van den Staat, armverzorging door den Staat en nog
-heel veel meer; maar hij wilde vermindering van belastingen, vooral op
-’t stuk van grondlasten.
-
-Fournier zei dat alles, nu en dan, voor den indruk, er een paar
-Latijnsche woorden tusschenduwend.
-
-En terwijl hij daar stond te oreeren over dingen, die hem haast in ’t
-geheel niet interesseerden, en waar hij eigenlijk, indien hij er een
-studie van had gemaakt, een heel andere opinie van zou gehad hebben,
-kwam hem met onweerstaanbare kracht zijn eigen beeld voor den geest;
-het beeld zijner persoonlijkheid als jong rechterlijk ambtenaar. Wat
-had hij toen een eigen meening, en wat hechtte hij daar een waarde aan!
-Voor geen schatten zou hij er afstand van hebben gedaan, en hij
-verachtte diep ieder man, die niet sprak naar heilige overtuiging.
-
-Het scheen hem lang, zeer lang geleden; ’t was of hij dacht,—in dit
-soort van dualisme pratend voor het publiek en te gelijk denkend over
-iets anders,—aan een gansch ander man, hem geheel vreemd.
-
-„Wij moeten de handen ineenslaan,” ging hij plotseling op luiden
-declameerenden toon voort, met stille woede het pak zijner vroegere
-ideeën terugdringend en overstemmend. „Wij moeten al onze krachten
-inspannen tot verdediging en handhaving der vrijzinnige beginselen, die
-vooral het noorden van ons dierbaar vaderland bezielen, en het zoo
-krachtig doen medewerken tot beschaving en veredeling van ons nationaal
-volksleven.”
-
-Weer knikten de kiezers elkaar toe; de gouden ringetjes om hun dikke,
-ronde oorlellen dansten op en neer en schitterden in het licht. Dàt
-waren zij, die medewerkers tot beschaving en veredeling! O, maar ze
-wisten het reeds lang! Vroegere candidaten hadden het immers ook
-gezegd.
-
-Zij drukten hem allen met warmte de hand toen hij had uitgepraat, en
-zoo hij al niet heel zeker was van hun roeping tot veredeling van ons
-nationaal volksleven,—tot het hanteeren van den vaderlandschen ploeg
-waren zij ongetwijfeld in staat; dat voelde hij.
-
-„We zullen er verder maar niet veel drukte over maken,” zei lachend de
-burgemeester. „Gaat u met mij thuis soupeeren?”
-
-Veel lust had Fournier er niet in, maar wat zou hij doen? Hij was
-immers de candidaat, en als zoodanig weigert men niet bij den
-burgemeester te eten.
-
-„Wel?” vroeg Hortense, hem hartelijk omhelzend toen hij thuiskwam: „hoe
-is ’t gegaan?”
-
-„Och zoo! ’t kwam zoo ongeveer uit als ik gedacht heb.”
-
-„Waren er veel heeren?”
-
-„Neen, heel weinig.”
-
-„Hè?”
-
-„Maar boeren waren er des te meer.”
-
-„Nu ja, ik bedoel natuurlijk kiezers,—publiek enfin!”
-
-„Het is ’n raar troepje.”
-
-„Foei, Gérard!”
-
-„Kind, wees toch verstandig en tracht niet jezelve iets wijs te maken.
-Ik geloof niet, dat ik mezelven ooit dieper heb geminacht, dan toen ik
-voor die menschen allerlei common places opdreunde, ja hen zelfs gewoon
-voorloog.”
-
-„Ajakkes, vent!” riep Hortense met een teleurgesteld gezicht, een
-toetje makend van haar mond, „wat kan je toch nare dingen zeggen.”
-
-„Maar ware!”
-
-„Dat denk je maar. Je hebt toch ook wel geweten wat het was, en je zei
-nog zelf, dat je niet in die andere vereeniging als spreker wou
-optreden vóór je ’n plaats in de Kamer had.”
-
-Hij haalde de schouders op.
-
-„Wat heeft nu dat er mee te maken?”
-
-„’t Is alleen maar, zie je, dat je nu op die kiezers niet moet smalen.
-Ik vind het beste menschen.”
-
-„Charmante kerels,” zei hij half lachend. „Je moet ze eens op de thee
-vragen. Ze dampen in een kwartier alles zwart met hun stinkende tabak.”
-
-„Men kan een eenvoudig mensch wezen en slechte tabak rooken.....”
-
-„Stance-lief, schei nu uit, ja? We weten volkomen juist waarop het
-staat. Ik moet lid der Kamer worden, dass ist bestimmt in Gottes Rath,
-en in die van jou en de familie.”
-
-„’t Is volstrekt niet aardig van je. ’t Is net of wij je dwingen tot
-een opoffering.”
-
-„Volstrekt niet. Ik ben al zoover, dat mijn eigen ijdelheid er zeer
-door zal gevleid zijn. Maar geloof me, Stance, er zijn momenten, waarin
-ik walg van mijzelven; waarin ik het betreur, dat ik ’s lands dienst
-heb verlaten om in de praktijk te gaan. Het is waar, dat men in dien
-dienst veel kostbaren tijd met onbeduidendheden vermorst en men er
-maatschappelijk alles moet ontleenen aan zijn betrekking; de betrekking
-absorbeert den persoon; zij is alles, hij niets; zij merkt hem
-tegenover het publiek met een onverbreekbaar rangnummer; achter nummer
-tien of vijftig kan een groot man staan, achter nummer één of twee een
-nul; ’t doet er niets toe; het nummer geeft de waarde aan.”
-
-Hortense begreep het niet best; zij was nooit sterk geweest op het punt
-van vergelijkingen. Zij haalde zwijgend de schouders op, volstrekt niet
-wetend waar hij heen wilde.
-
-„Doch overigens,” ging hij voort, „is het toch veel waard, dat men op
-zijn opinie geen zelfmoord behoeft te plegen; men kan haar als
-rechterlijk ambtenaar vrij laten gelden; men moet dat zelfs doen,
-tenzij men tot die ongelukkigen behoort, die geen eigen meening hebben
-en maar altijd varen naar het kompas van de letter of naar dat van eens
-anders meening.”
-
-Met groote belangstelling bekeek Hortense een paar roode vlekjes in den
-hals van hun kind; zij onderzocht ze met gefronste wenkbrauwen, ernstig
-overwegend of die vlekjes ook iets met mazelen te maken konden hebben.
-Naar Fournier luisterde ze in ’t geheel niet meer; zij bleef altijd
-veel te veel de dochter van Van Velton om naar zulk onpractisch gezeur
-te luisteren.
-
-En Fournier, die ook eigenlijk meer tegen zichzelven sprak, uit
-behoefte om een formule te geven aan hetgeen hij de laatste dagen vaak
-had gedacht en om die formule zelf uit te spreken en ook weer zelf te
-hooren, vervolgde:
-
-„Voor iemand, die zich nog iets anders voelt dan een ledepop tegenover
-de maatschappij en een komediant tegenover het recht, is de praktijk
-onuitstaanbaar. Tegen haar eischen tornt men vruchteloos op. Geen
-karakter is er tegen bestand. Men moet zich onderwerpen of heengaan.
-Men komt als in een stroom, die medevoert; soms, in het begin, houdt
-men een oogenblik worstelend stand; maar de stroom gaat ’t volgende
-oogenblik voort en sleurt toch mee, als men er niet meer aan denkt. En
-men eindigt....”
-
-„Zou jij denken, Gérard, dat het mazeltjes werden?” vroeg Hortense heel
-ernstig.
-
-„’t Is de besmettelijkste ziekte, die ik ken,” ging hij voort, starend
-in ’s Blaue en zijn gedachtenloop vervolgend, „men eindigt met den
-stroom mee te roeien om het hardst, en het wordt een wedstrijd om de
-glorie het best en ’t gemakkelijkst zijn eigen persoonlijkheid te
-kunnen vertrappen.”
-
-„Och, wees nu niet zot! ’n Besmettelijke ziekte.... kom!”
-
-„Hm?”
-
-„Hè, wat ben je raar vandaag! Ik vroeg of je denkt dat dit mazeltjes
-zullen worden; dit.”
-
-Hij lei zijn vinger op de aangeduide plekjes en keek aandachtig.
-
-„Wel neen.”
-
-„Zoo, en waar zie je dat aan?”
-
-„Och, dat weet ik niet. Het komt mij zoo voor. Ik houd het voor ’n
-muggebeet.”
-
-„Ze regeeren anders erg, de mazelen.”
-
-Fournier, dien dag erg uit zijn humeur, werd boos.
-
-„Nu, als je het dan bepaald wilt.....”
-
-„Hè, wat ben je onaardig, Gérard.”
-
-Lachend gaf hij haar een kus.
-
-„’t Was niet zoo gemeend, Stance. Maar je moet je niet ongerust maken
-voor niemendal.”
-
-„Zoo! Is ons kind niemendal?”
-
-„Neen, maar mazeltjes, dat geen mazeltjes zijn.”
-
-„Ik wou toch zoo graag, vent, dat je gekozen werdt.”
-
-„Ja, dat weet ik. Ik had vroeger nooit gedacht, dat je zoo’n belang
-stelde in het Nederlandsche volk.”
-
-„Groote goden ja!” antwoordde zij lachend: „dat volk interesseert me
-erg!”
-
-Hij wist wel, dat slechts ijdelheid haar drijfveer was, en de zijne
-stond maar weinig hooger. Sedert Louise gravin De Riquelle was, had
-Hortense geen vuriger verlangen dan een of andere verheffing voor haar
-en haar man. Een graaf was van hem niet te maken, dat stond nu eenmaal
-vast. Hoe knap hij ook was, hoe verstandig en rijk aan ervaring, en hoe
-erg gewoon de intellectueele ontwikkeling van den ritmeester
-daartegenover stond,—het baatte niets; de liefelijkst kweelende
-nachtegaal kan nu eenmaal geen goudvink worden. Zij moesten het dus
-vinden op ’t maatschappelijk gebied; dáár was hun terrein, en Hortense
-vond dat iemand, die lid was van de Tweede Kamer, een groot man mocht
-heeten en dat zoo’n lidmaatschap tegen een altijd toch betrekkelijk
-nominaal graafschap best kon opwegen.
-
-Zij was toen de dag aanbrak zenuwachtiger dan Fournier.
-
-Hij voelde wel iets, maar hield zich uitstekend. Niet omdat hij zoo
-zeker was van zijn zaak, want op het geheele district kon hij niet
-rekenen. Er was een ook liberale tegencandidaat gesteld in een andere
-gemeente en ook voor dien was, dat wist hij, door vrienden en verwanten
-hard gewerkt. Hij had de verkiezings-artikelen gelezen in de
-plaatselijke courantjes; ofschoon men hem om de positie zijner familie
-had gespaard, was hij er bij de tegenstanders van eigen partij toch
-niet geheel zonder kleerscheuren afgekomen. Hij vond het heel
-fatsoenlijk voor een verkiezings-quaestie! Mijn hemel, als men eens zag
-hoe zulk een onbloedige en voor een groot deel onpersoonlijke strijd
-een deel der natie—het fatsoenlijke!—tot een ploertigen kermistroep
-verlaagde, die niets ontzag, voor wien eens anders reputatie en goede
-naam geen grooter waarde hadden dan een flesch met water in Indië!
-
-Neen, in dat opzicht was hij er bepaald goed afgekomen.
-
-Telkens als er gebeld werd, sprong Hortense op. Wel twintigmaal in een
-uur liep ze naar het venster om te zien of de telegrambesteller nog
-niet arriveerde; zij berekende den tijd en vroeg telkens aan Gérard of
-hij nu niet dacht, dat het telegraphisch bericht er reeds lang wezen
-kon.
-
-Eindelijk viel het kind zich al spelende met ’t hoofdje tegen een stoel
-een der vele builen uit een kinderleven; het zette een keel op van
-belang; de verschrikte ouders schoten toe; zij hoorden niet eens dat er
-gebeld werd.
-
-„Asjeblieft mevrouw, een telegraaf,” zei de meid.
-
-Hortense vergat haar schreeuwend kind, rukte het couvert open, vloog
-Gérard om den hals en kuste hem met aandoening. Hij, een beetje bleek
-en zenuwachtig nu ook, keek het telegram in en vergeleek het aantal
-uitgebrachte stemmen met dat op hem vereenigd.
-
-Hij was gekozen met een meerderheid van twee stemmen; „les deux font la
-paire,” dacht hij glimlachend.
-
-Het was een groote drukte, dien dag en den volgenden. Het regende
-brieven en telegrammen. Dokter Van der Linden kwam feliciteeren en was
-zeer in zijn schik. Allerlei soort van vrienden en bekenden maakten
-visites of passeerden hun kaartjes. Toen de dokter er was, kwamen er
-juist ook eenige Indische heeren, waaronder er waren, die hem niet
-weinig benijdden en hem een geluk wenschten, dat ze o zoo graag
-hunzelven hadden gegund. Ook Mourant, juist voor zaken in Den Haag,
-zooals hij zei, kwam, en keek den gekozen volksvertegenwoordiger met
-verbazing aan, als ontdekte hij iets in hem, dat hij nog nooit had
-vermoed; zoo’n beleedigende verbazing, die onuitgesproken zegt: „hoe
-heb jij ’m dat zoo kunnen leveren.”
-
-Fournier zag het en amuseerde er zich mee.
-
-„Ziezoo,” zei een der oud-gasten, een gewezen hoofdambtenaar, „nu
-hebben we weer een voorstander der Indische belangen in het
-Nederlandsche parlement.”
-
-„En ’n uitstekend redenaar,” voegde een ander er bij.
-
-„’t Spijt me,” antwoordde Fournier droogjes. „Men moet voor Indische
-aangelegenheden niet te veel op mij rekenen.”
-
-„Maar m’n waarde heer, de groote belangen dier zoo talrijke inlandsche
-bevolking.....”
-
-„Neen, toch niet. Ik denk niet, dat ik me veel moeite daarvoor geven
-zal.”
-
-„Mijn God, hoe is het mogelijk! Iemand, die in Indië is geweest en dat
-alles heeft aanschouwd.”
-
-„Nu ja, dat is zeer betrekkelijk. Ik heb op twee hoofdplaatsen gewoond.
-Persoonlijk ben ik dus met de bevolking al heel weinig in aanraking
-geweest, en ik heb ook nooit lust gevoeld verder met haar en haar
-omstandigheden in aanraking te komen.”
-
-„En dat zegt een oud-ambtenaar bij de rechterlijke macht!”
-
-Het was Mourant, die het riep, met zijn armen theatraal omhoog, en zijn
-neus en zijn buik in den wind. Fournier keek hem eens eventjes schuin
-aan met een ironisch lachje. Welzeker, hij begreep dat volkomen!
-Mourant zou het dadelijk gloeiend hebben opgenomen en nog opnemen voor
-„den” Javaan, als dat hem aan zoo’n heerlijk plaatsje op het Binnenhof
-kon helpen; hij zou hartroerende tooneelen schetsen met al het pathos,
-waarover hij, bij gebrek aan beter, beschikte.
-
-„Ja, zie je,” voegde Fournier er droogjes bij, „het is nu juist niet
-als ambtenaar bij de rechterlijke macht dat men sympathie krijgt voor
-de inlandsche bevolking.”
-
-„Men ziet toch haar lijden onder den afschuwelijken toestand van
-verdrukking en maatschappelijke ellende.”
-
-„Niet zoozeer..... Men ziet eigenlijk meer haar gemeenheid en haar door
-en door leugenachtigen en verdorven aard.”
-
-„Leugenachtig, ja; maar kan dat anders, na zooveel jaren onderdrukking?
-Wij moeten het volk de gelegenheid openen zich te ontwikkelen,
-beschaafder en beter te worden.”
-
-„Ga gerust uw gang; ik doe er niet aan mee. Ik heb niet de minste
-sympathie voor de bevolking. Gaarne erken ik, dat ik er weinig van weet
-en niet veel meer van heb gezien, dan de slechte zijde.”
-
-„Let dan op de goede; let op den zachten, vredelievenden aard der
-inlanders; op hun tevredenheid met weinig; hun berusting in het lot;
-hun kinderlijken eenvoud.....”
-
-Fournier lachte.
-
-„Die laatste is heel aardig.”
-
-„Hoe dat?”
-
-„Ik begrijp niet hoe de menschen over zulke dingen kunnen spreken. Wat
-volgens onze zeden zeer gemeen, verachtelijk, ja streng strafbaar voor
-de wet zou zijn, is bij die lieden uiterst gewoon en geoorloofd; men
-gaat nu zoover het bij hen „kinderlijk eenvoudig” te noemen.”
-
-„Het strookt met hun godsdienstige levensopvatting.”
-
-„’t Is wel mogelijk, ofschoon ze ook zonder die opvatting zoo handelen.
-Ik zeg u nogmaals, dat de inlandsche bevolking mij hoegenaamd geen
-belangstelling inboezemt.”
-
-„Maar dat volk....”
-
-„Het is niet eens ’n volk. Het is niets, eenvoudig niets. ’t Zijn een
-troep individuën met begrippen omtrent het huisgezin, die meer
-overeenkomst hebben met den toestand in een apen-kolonie of een
-konijnenhol, dan met de onze. U moet me ’t niet kwalijk nemen, maar ik
-weiger pertinent mij voor de bevolking in de Tweede Kamer in de bres te
-stellen.”
-
-Zij keken elkaar teleurgesteld aan en schudden bedenkelijk de hoofden.
-
-Na een oogenblik van stilte vroeg Mourant:
-
-„En de toestand der Europeesche ingezetenen?”
-
-„Daar weet ik iets meer van,” antwoordde Fournier; „die toestand is
-voor de particulieren niet gunstig, maar toch altijd nog gunstiger dan
-hier.”
-
-„Gunstiger dan hier?”
-
-„Welzeker. In Indië komt men om fortuin te maken. Lukt dat niet, dan
-beklaagt men zich bitter, al heeft men er ook een ruim en aangenaam
-bestaan.”
-
-„U vergeet iets.”
-
-„En dat is?”
-
-„Tal van ondernemers hebben ontzettende verplichtingen, die hen drukken
-en waaraan zij niet kunnen voldoen.”
-
-Een oogenblik kwam de advocaat geheel bij Fournier boven.
-
-„Och,” zei hij lachend, „dat is ook nog zoo kwaad niet; het beste
-baantje in Indië is tegenwoordig landeigenaar te zijn met ’n paar
-millioen hypotheek op z’n land; dan heeft men ’t beter, dan iemand
-anders.”
-
-Zij schudden weer de hoofden en keken ernstig, afkeurend.
-
-„Wij hadden niet gedacht, dat u de belangrijke Indische aangelegenheden
-zoudt belachelijk maken.”
-
-„Eigenlijk doe ik dat volstrekt niet.”
-
-„U doet feitelijk toch niets anders.”
-
-„Is het niet waar, wat ik zeg?”
-
-„Het is overdrijving; het is een caricatuur van de waarheid.”
-
-„Dat geef ik niet toe,” zei Fournier, die er een einde aan wilde maken,
-geraakt. „Ik sta op een geheel vrij standpunt. Ik ben niet naar Indië
-gegaan om een carrière of om fortuin te maken, en ik heb ook het een
-noch het ander uit Indië teruggebracht. Trouwens, ik had er geen de
-minste behoefte aan. Ik ben volstrekt niet tot lid der
-Volksvertegenwoordiging gekozen als zoogenaamd „Indisch specialiteit”;
-er is zelfs bij alles, wat mijn verkiezing voorafging, van mijn
-verblijf in Indië alleen melding gemaakt door mijn tegenstanders, als
-verwijt en verdachtmaking.”
-
-„Dat is niet de schuld van Indië.”
-
-„Ik weet het, maar permitteer mij, dat ik u voor eens en voor goed zeg,
-dat ik als lid der Kamer met Indië volstrekt niets meer verkies te
-maken te hebben, dan ieder gewoon lid.”
-
-Het was zeer beslist gezegd, zóó beslist, dat de heeren met groote
-deftigheid, waarachter veel spijt en teleurstelling was verborgen,
-opstonden, hun hoeden namen en heengingen.
-
-Hortense, die onder het gesprek even in de kamer was geweest, kwam
-binnen toen ze hoorde, dat de bezoekers heengingen; dokter Van der
-Linden was stil in een hoekje blijven zitten, bladerend in een album,
-zonder zich met het discours in te laten.
-
-Fournier stond achter het groene staatsiegordijn en zag hen druk
-pratend het plein oversteken.
-
-„Waar hadt jullie het over?” vroeg Hortense, terwijl ze bij hem kwam
-staan en tegen hem aanleunde.
-
-„Och, ze wilden me in de Kamer voor hun Indische kliek winnen.”
-
-„Je hebt geweigerd?”
-
-„Zeker, ik heb er niets mee op, hoegenaamd.”
-
-„Wel, ik zou het toch maar gedaan hebben; het is altijd iets, en je
-weet wel, die lui schrijven in couranten en tijdschriften—het is beter
-hen te vriend te houden.”
-
-„Je hadt hen ten minste wel met ’n enkel woord aan het lijntje kunnen
-houden; dat verbindt tot niets,” meende dokter Van der Linden.
-
-Fournier keek hem schuin aan en lachte. Die oude heer was ook een
-beste! zoo cynisch mogelijk!
-
-„Och, ’t is beter zoo. Ze weten nu waarop het staat; ik ben nu ineens
-van hun gezeur af, en van dat eeuwig gezanik over Indië; ze weten nu,
-dat ik niet in hun kliek kom; ze kunnen daar nu boos om zijn, maar aan
-den anderen kant zal het een goeden indruk maken.”
-
-Mourant, terugkomend bij Henriëtte, vertelde het haar met diepe
-verontwaardiging.
-
-„Ik heb in Indië dikwijls hooren zeggen, dat hij heel knap was,” merkte
-zij op.
-
-„Knap! Ja, ’t mocht wat!”
-
-„Nu, ’t is toch waar. Er werd altijd met den grootsten lof over hem
-gesproken.”
-
-„Hij is een egoïst; door en door een egoïst!”
-
-„Zoo, dat wist ik niet.”
-
-„Hij is iemand,” ging Mourant declameerend voort, „van een slechte
-cynische natuur; een man zonder hart en zonder gevoel.”
-
-„Och, wat? Hoe weet je dat allemaal?”
-
-„Wij hebben hem aangezocht om de belangen van Indië in de Kamer te
-helpen verdedigen.”
-
-„En hij heeft geweigerd?”
-
-Mourant knikte met het hoofd en keek haar aan met ’t gezicht van
-iemand, die verwacht, dat een ander verstomd zal staan.
-
-„Waarom heeft hij niet gewild?”
-
-„Och,” zei Mourant, de breede schouders ophalend, „om allerlei nonsense
-redenen. Praatjes om zich er af te maken.”
-
-Henriëtte vond het niets aardig van Fournier. Waarom, dat wist ze zelve
-niet, want van die „Indische aangelegenheden,” die in een Kamer worden
-behandeld, begreep ze niets hoegenaamd. Maar hij had het toch, meende
-ze, moeten doen al was het alleen maar voor de vrienden.
-
-„Hij is zeker trotsch geworden,” zei ze, „sedert hij geparenteerd is
-aan die familie Riquelle.”
-
-„Best mogelijk.”
-
-„’t Is jammer Willem, dat jij niet gekozen bent. Zou dat nu met geld en
-wat moeite niet te doen zijn?”
-
-Zijn gezicht betrok.
-
-„Nu niet; later misschien.”
-
-Zij had hem in zijn zwakke zijde getast. De helft van het hem nog
-resteerende leven zou hij er voor hebben gegeven; maar hij wist wel,
-dat het niet gelukken zou; in zoover sprak hij de waarheid, dat er nu
-geen quaestie van wezen kon.
-
-Terwijl hij zoo somber voor zich uitkeek, nam zij hem aandachtig waar.
-Inderdaad, hij werd er niet jonger op! Wat begon zijn hoofd kaal en ’t
-overblijvend haar grijs te worden! Wat kreeg hij oude trekken in zijn
-voorhoofd en zijn gezicht! Hoe sterk nam zijn corpulentie toe! Zou zij
-aan dien man haar toekomst binden? Ze was jong, mooi en rijk. Aan
-adspiranten zou het zeker niet ontbreken, dat vertelden haar honderden
-mannenoogen op de straten en in de theaters. En ondanks alles, was ze
-dan toch eigenlijk, als ze wilde, volkomen vrij!
-
-„Er is een geschikt oogenblik onbenut voorbijgegaan,” zei Mourant
-zuchtend, maar toen hij Henriëtte aanzag, ging hem dat geschikte
-oogenblik uit het hoofd. „Wat is er?” vroeg hij, kleurend van
-verlegenheid—iets, dat hem in jaren niet was overkomen—om haar
-zonderlinge gelaats-uitdrukking.
-
-„Er is niets. Ik dacht, dat het zoo jammer was.”
-
-„Wat?”
-
-„Wel, dat je niet eens kans zoudt hebben in de Kamer te komen.”
-
-„O, dàt zeg ik niet. Later....”
-
-Zij ging er niet verder op door. Later, dacht ze,—nu ja! Wat zou hij
-dan een echte oude heer wezen! ’t Was niet voor het eerst, dat haar die
-gedachte plaagde. Zij had de waarheid gesproken tegen mevrouw Mourant.
-Thans zou ’t haar een halve ton waard zijn geweest den wettigen man
-terug te geven aan de wettige vrouw. Maar daarvan kon in geen geval
-quaestie wezen!
-
-Dien avond sprak Mourant aanhoudend over wat hij de gouden toekomst
-noemde; hun huwelijk was thans een gebeurtenis in het verschiet,
-waarvan men het tijdstip bijna met zekerheid kon bepalen. Hij was dien
-dag nog vriendelijker en aardiger tegen de kinderen dan gewoonlijk.
-Henriëtte gaf er zoo weinig mogelijk antwoord op.
-
-„Wat ben je stil, lieve!” zei hij ten slotte, haar naar hem
-toetrekkende. „Je bent zeker niet in orde.”
-
-Zij liet toe, dat hij haar een kus gaf; meer ook niet. Zij wilde juist
-lachend zeggen, dat ze zoo gezond was als een visch, toen hij
-voortpratend, weer over hun huwelijk begon.
-
-„Ik heb den heelen dag al last van hoofdpijn.”
-
-„Nu!” zei hij triomfantelijk en als gerustgesteld: „nu, zie je wel! Dat
-dacht ik al. Ik zou maar vroeg naar bed gaan.”
-
-Zij liet het zich geen tweemaal zeggen; zij kon nu eenmaal niet met hem
-meepraten, en ze betwijfelde zeer of ze het wel ooit weer van harte zou
-kunnen doen, als hij sprak over trouwen.
-
-Hoofdpijn had ze niet en slaap evenmin. Zij ontkleedde zich toch in
-haar kamer, met het plan naar bed te gaan, denkende dat ze wel zou
-inslapen. Half ontkleed ging ze zitten op een kleinen fauteuil in een
-hoek der kamer. ’t Was zoo’n moeilijk geval! Hoe zou ze van hem
-ontslagen raken; want dat het daartoe komen moest, stond thans bij haar
-vast. Welk een berg van geweldige onaangenaamheden voor den voet! Er
-was geen overkomen aan, en met de kleine hand voor de groote donkere
-oogen en den elleboog op de leuning van den armstoel, zat ze stil na te
-denken, nu en dan met een zucht het hoofd schuddend. Dat men toch
-sommige dingen niet ongedaan kon maken! Met een lichte rilling van kou,
-die kippevel joeg over haar bloote armen, stond ze op en kroop diep
-onder de dekens in haar bed. Ze wilde er thans niet meer aan denken; ze
-had den tijd en die geeft raad; het zou nooit gebeuren, nooit!
-
-Instinctmatig hield zij haar rol van half-zieke den volgenden dag tegen
-Mourant vol, en naar de leerschool, die ze gedurende de ziekte van
-Veninga had doorloopen, was ze knorrig en gemelijk. Hij deed zijn
-uiterste best om haar ’t leven te veraangenamen; hij bracht cadeautjes
-mee en fijne bonbons, waarvan hij wist dat ze veel hield, zich volkomen
-onbewust van het feit, dat hij daardoor olie wierp op het vuur, dat
-bezig was alle genegenheid voor hem te verteren.
-
-„Ik wou wel een beetje wandelen,” zei ze op een mooien middag, met
-hetzelfde knorrige gezichtje der laatste dagen.
-
-„Uitstekend lieve! Willen we het Park eens ingaan?”
-
-„Och ja! Als ik maar wat frissche lucht krijg; ik word zoo akelig van
-dat thuis zitten.”
-
-„Het is mijn schuld niet,” zei hij aarzelend.
-
-„Neen, dat weet ik ook wel.”
-
-„Komaan, laat ons dan gaan.”
-
-Toen ze zich kleedde in haar kamer, trok hij zijn bruine
-glacé-handschoenen aan, streek zijn zijden cylinderhoed op en bekeek
-zich met welgevallen in den spiegel; de gesloten jas sloot zonder
-rimpel of plooi om zijn zware gestalte; hij was correct gekleed door
-den besten tailleur van Brussel, en terwijl hij zichzelven monsterde
-van top tot teen, streek hij met welgevallen zijn grijzende
-bakkebaarden op, hoogst met zichzelven ingenomen.
-
-Een glimlachje gleed over het gelaat van Henriëtte, toen ze hem zóó
-verraste.
-
-„Als je klaar bent?” vroeg ze spottend.
-
-Hij lachte en keek haar aan, alsof hij niets minder verwachtte dan een
-woord van bewondering, dat echter niet volgde. Er waren niet veel
-wandelaars in het Park; voor de Brusselaars was het de dag niet, noch
-de tijd van den dag; slechts hier en daar kwam men een paar
-vreemdelingen tegen of een bonne met spelende kindertjes. Zij hadden
-een heel eind gewandeld, pratend over koetjes en kalfjes, en wilden
-weer huiswaarts gaan, toen, bij het verlaten van het Park, een viertal
-heeren hen aansprak. Het waren kennissen uit Indië. Er werden handjes
-gegeven en vroolijke groeten gewisseld. Iedereen deed als wist hij van
-den prins geen kwaad, en als was het volstrekt niets bijzonders,
-Mourant en de weduwe Veninga samen daar te ontmoeten. Toch was het
-Mourant hoogst onaangenaam, en hij was bang dat het Henriëtte, die ook
-niet hield van die ontmoetingen, nog meer uit haar humeur zou helpen.
-
-„Blijven de heeren eenigen tijd hier?” vroeg zij aan den oudste van het
-viertal, een onder den tropischen hemel grijs geworden maar goed
-geconserveerd koopman.
-
-„We stellen ons voor, hier ’n dag of veertien te vertoeven.”
-
-„Wel dat doet me genoegen. Weest dan morgen mijn gasten.”
-
-Een oogenblik keken ze elkaar verbaasd en besluiteloos aan.
-
-„Met heel veel pleizier.... als we u ten minste niet derangeeren.”
-
-„Volstrekt niet! Hier,” ging ze voort, eenigszins zenuwachtig een
-kaartje nemend uit een kleine blauwzwarte portefeuille, „hier is mijn
-adres.”
-
-Mourant wist niet hoe hij het had; hij kon goedschiks niets zeggen,
-maar hij verbeet zich van spijt.
-
-„Ik begrijp je volstrekt niet,” zei hij, toen het viertal onder veel
-buigingen en hoedzwaaien het Park was ingegaan.
-
-„Zoo! ’t Is mogelijk.”
-
-„Sedert verscheiden dagen ben je onwel en klaagt aanhoudend over
-hoofdpijn.”
-
-„’n Reden te meer.”
-
-„Maar lieve Jet, hoe kan je nu toch zoo tegen jezelve zijn?”
-
-„Wat, tegen mijzelve? Ik ben tegen niets, maar ik wil eens ’n paar
-menschen aan mijn tafel zien.”
-
-„Het is nog zoo lang niet geleden, dat je daar veel op tegen hadt.”
-
-Ongeduldig haalde ze de schouders op.
-
-„Dan ben ik sedert veranderd; dat is alles.”
-
-Mourant ontstelde er van in allen ernst, en hij keek haar oplettend,
-haast angstig aan. Zóó had zij nog nooit tegen hem gesproken.
-
-„Ik gun je immers gaarne elk genoegen,” zei hij zacht.
-
-„Dat merk ik! We ontmoeten ’n paar kennissen van vroeger, die hier
-vreemd zijn; ik vraag hen te dineeren, en je staat er bij met ’n
-verstoord gezicht; nauwelijks zijn ze weg of je begint aanmerkingen te
-maken. Denk je misschien dat dit aangenaam is?”
-
-„Ik zal geen aanmerkingen meer maken,” antwoordde hij met een soort van
-sombere theatrale onderwerping, maar onwillekeurig dacht hij aan zijn
-vrouw, die nooit gasten zou geïnviteerd hebben, zonder hem vooraf te
-vragen of hij het goed vond. Nu ja, maar dat was ook iets anders.
-
-’s Avonds in hun hotel, toen ze terugkeerden uit den schouwburg, zaten
-de vier Indische heeren nog een oogenblik bij elkaar een glas grog te
-drinken voor ze hun kamers zochten. Slechts twee hoorden bij elkaar: de
-koopman Van Namen en zijn neef Jules, die administrateur was van een
-land; de twee andere heeren waren ambtenaren met verlof, die elkaar en
-de anderen toevallig in het hotel te Brussel hadden ontmoet.
-
-„Ik sta nog verbaasd, als ik denk aan die invitatie van mevrouw
-Veninga.”
-
-„Eigenlijk,” zei een der ambtenaren, „had ik ze liever niet aangenomen.
-De scheeve verhouding tusschen haar en Mourant is zoo algemeen bekend.
-’t Gaat alles zoo ontzettend openlijk.”
-
-„Och, hier te Brussel is het wel aardig,” meende Van Namen. „Bovendien:
-men behoeft als man zulke dingen niet te weten, als men niet wil.”
-
-„’t Is waar! Ik vind het verbazend jammer. ’t Is een eeuwig mooi
-vrouwtje,” vond Jules.
-
-„’t Is een beeldje. Trouwens, Mourant is wel veel ouder, maar hij is
-nog een verduiveld kranige kerel.”
-
-„Wat was hij tiré à quatre!”
-
-„Asjeblieft. Nu, het is de moeite waard.”
-
-„Men zei in Den Haag, dat hij van z’n vrouw ging scheiden, nietwaar?”
-
-„Ja,” bevestigde Van Namen; „ze heeft toegestemd.”
-
-„Zoo’n bofferd!” liet Jules zich ontvallen.
-
-Ze lachten allen luid.
-
-„Je bent, hoop ik, niet van haar gecharmeerd?”
-
-„Neen, God! Daar is wel geen quaestie van. Maar ik vond het toch
-jammer. ’t Is zonde. En Mourant vind ik in elk geval ’n ploert.”
-
-Daar kreeg men bijna standjes om; die uitdrukking was te kras en men
-redeneerde en twistte er over nog wel een uur lang.
-
-Henriëtte had den volgenden dag geen hoofdpijn; zij was de
-bedrijvigheid zelve. Het zilver, dat reeds lang in de étuis stil had
-gesluimerd, moest voor den dag gehaald en gepoetst worden.
-
-Den heelen dag bleef Mourant bij haar. Hij was nu met het diner
-verzoend. Het mocht dan een tinka wezen, maar die had het dadelijk
-aangenaam gevolg, dat zij niet zoo knorrig en uit haar humeur was als
-anders.
-
-„Wil je wat voor me doen?” vroeg ze.
-
-„Heel graag; als je maar zegt wat.”
-
-„Ik heb ’n paar dingen te bestellen bij den confiseur.”
-
-„Met genoegen, ik zal er dadelijk heengaan.”
-
-Zijn bereidwilligheid tot het doen van voor een heer toch altijd minder
-aangename boodschappen, stemde haar zacht, en ze glimlachte tegen hem,
-wat ze in geen dagen had gedaan.
-
-Het verrukte hem en met een groot air van gewicht luisterde hij naar
-haar bestellingen en noteerde ze in zijn zakboekje.
-
-’t Gaf voor ’t oogenblik een zekere vertrouwelijkheid tusschen hen,
-waarin Mourant een innig behagen schepte.
-
-De gasten kwamen prompt op tijd.
-
-Mourant kreeg een plaats aan het andere smalle eind der tafel tegenover
-Henriëtte, maar ver af. Naast hem zaten Van Namen en de oudste der twee
-ambtenaren. Jules en de jongste zaten bij Henriëtte.
-
-„Ik heb het zóó gerangschikt,” zei Henriëtte toen ieder op zijn bord
-naar zijn kaartje keek, „omdat ik weet dat de heeren graag over
-politiek praten, en daar begrijp ik niets van.”
-
-„Mogen we u daarmee niet lastig vallen?” vroeg Jules.
-
-Verrast keek Henriëtte hem aan. Hij was een mooie indo-Europeaan. In
-Indië zou hij niet de aandacht hebben getrokken, want daar is zijn type
-niet meer dan gewoon. Maar in die Europeesche omgeving maakten zijn
-lichtbruine huidskleur, zijn blauwzwarte haren en groote, sombere oogen
-een bijzonder effect; ’t was hetzelfde van Louise Van der Linden en
-hetzelfde ook van Henriëtte.
-
-„Ik wist niet dat zulke jongelui zich daar ook mee ophielden.”
-
-„Ah, dat is te zeggen: niet als staatkunde. Er is toch nog een andere
-beteekenis voor „politiek”.”
-
-„Hij bedoelt „sleem” of „pienter”,” zei een der ambtenaren.
-
-Doch bij Jules en Henriëtte viel die aardigheid geheel in het water.
-Het ergerde hun. Eigenlijk konden ze in het geheel niet hooren, dat die
-pur sang Hollanders altijd flauwe aardigheden debiteerden op de manier
-van spreken der Indische lui; het was dan toch ook wat,—de manier
-waarop de meesten zich in hun eigen taal uitdrukten, en waarbij ze zich
-vaak met vloeken, herhalingen en interjecties moesten opzweepen om hun
-denkbeelden in niet al te verkeerden vorm onder woorden te brengen!
-
-„Och!” zei Henriëtte glimlachend: „waar zoo’n politiek onder ons toe
-dienen zou, begrijp ik niet.”
-
-„Die is altijd goed!” riep Mourant luid, zich buigend over zijn bord en
-haar aankijkend.
-
-Eigenlijk had hij over die eigenwijze regeling van de tafel geweldig
-het land.
-
-„Ik heb wel eens gehoord,” zei Jules zacht tegen Henriëtte, „dat het
-soms heel gevaarlijk is politiek met de dames om te gaan.”
-
-„’t Hangt er van af.”
-
-„Dat bedoelde ik ook. Men zegt dat de dames liever oprechtheid zien,
-dan geslepenheid.”
-
-„Ja! Ik althans. Als iemand openhartig is, weet men ten minste dat hij
-het meent.”
-
-Het eten was uitmuntend en Henriëttes rechterbuurman zat in stilte te
-genieten.
-
-„Die schotel, mevrouw,” zei hij met een zucht van innige voldaanheid,
-„was een gedicht.”
-
-Toen Mourant op zijn woorden geen repliek kreeg en daarvan zelfs geen
-oogenblik notitie was genomen, keek hij met opgetrokken wenkbrauwen en
-een teleurgesteld gezicht naar de overzijde. Wat zaten die twee nu
-zacht te spreken met elkaar! Zoo’n onbeduidende sinjo! Hoe dwaas van
-haar om hem tot buurman te nemen, in plaats van Van Namen. ’t Was zelfs
-onbeleefd; de oudste der gasten behoorde aan haar rechterhand te
-zitten.
-
-’t Werd bij het dessert nog erger.
-
-De goede wijn had zijn effect gedaan en spraakzamer gemaakt. Er werd
-aan den kant van Henriëtte druk gepraat en gelachen. Jules had, schoon
-vruchteloos, getracht een telegraphische communicatie onder de tafel
-tot stand te brengen, wat hem niet gelukt was. Hij had ook gezien, dat
-zijn poging als brutaal en ongepast werd beschouwd, en haar daarom niet
-herhaald. ’t Verwonderde hem. Een vrouwtje met haar antecedenten mocht
-waarlijk zoo kleinzeerig niet zijn. Zij had, toen hij ’t niet
-herhaalde, verder ook niets laten blijken. Haar ééne vragende blik was
-genoeg geweest. Zij praatte en lachte nu weer voort, inwendig verheugd
-over de verlegenheid van den jongen man, toen haar oogen hem hadden
-gevraagd of ’t hem wellicht mangelde in zijn bovenverdieping.
-
-Bij de havana na het dessert stond Henriëtte op en de heeren ook; zij
-zouden rooken in een andere kamer, die uitkwam op den tuin met
-balkonvensters. Voordat Mourant den tijd had er iets aan te doen, stond
-Henriëtte met Jules op een der kleine balkons te kijken naar het fraai,
-maar bekrompen en ommuurd tuintje, dat er in den helderen maneschijn en
-tegen de zwarte schaduwen der gebouwen tooverachtig uitzag.
-
-En hij kon maar niet los komen van Van Namen, die, waarschijnlijk ook
-door den wijn op dreef geraakt, hem midden in het vertrek aan den praat
-hield en zelfs een knoop van zijn jas had gegrepen om hem niet te laten
-ontsnappen.
-
-Mourant stond op heete kolen, toen hij het tweetal achter de rood
-damasten gordijnen zag verdwijnen.
-
-„Vindt je het niet benauwd in de kamer?” vroeg hij met een poging om
-den knoop van zijn jas vrij te werken.
-
-Maar Van Namen liet niet los. Als hij een goed glas wijn had gedronken,
-was hij verschrikkelijk à cheval op politiek gebied. Nu was de wijn,
-die Henriëtte had doen schenken, uitmuntend, en Van Namen had hem niet
-gespaard.
-
-„Wij moeten het liberale beginsel niet loslaten,” vervolgde hij in
-extase en met half gesloten oogen.
-
-„Juist; maar we moesten niet zoo onder die warme gaslamp blijven
-staan,” meende Mourant, terwijl hij zich het zweet van zijn breed
-voorhoofd wischte.
-
-„Welke ook haar gebreken zijn geweest,” ging Van Namen voort; „welke
-verwijten men ook der liberale partij naar het hoofd slingere,—zij
-heeft goed gedaan. Het had meer, het had beter kunnen zijn.....”
-
-„Zeg, laat ons nu op ’t balkon gaan; daar kunnen we net zoo goed praten
-als hier.”
-
-„Het is waar; het had meer kunnen zijn en beter.....”
-
-„Kom, ga nu toch mee, Van Namen!”
-
-Hij zei het heel ongeduldig; hij hoorde ’t zilverlachje van Henriëtte
-in een duo met den jeugdigen barytonlach van Jules, en dat joeg hem
-gruwelijk het land op.
-
-„Het had vooral meer en beter moeten zijn voor Indië. Toch moet men in
-zijn afkeuring en critiek niet te ver gaan. Men moet niet loslaten wat
-men verkreeg na zoo veel moeite; vasthouden moet men aan zijn
-principes.”
-
-En Van Namen kneep en schudde den knoop van de jas van Mourant, als
-ware het voorwerp de incarnatie van het liberaal beginsel en ook kneep
-hij zijn eigen oogen dichter dan te voren, om geen afleiding te geven
-aan zijn politieken gedachtenloop. En Mourant keek wanhopig naar de
-breede plooien in de zware stoffage der gordijnen, waarachter Henriëtte
-op het plafond stond met Jules.
-
-„Ja, ja,” zei hij diep zuchtend. „Maar kom nu mee naar buiten; het is
-hier zoo benauwd.”
-
-Hij trachtte hem bij den arm mee te troonen, maar dat ging zoo
-gemakkelijk niet.
-
-Van Namen bespeurde het nauwelijks.
-
-„Zeker,” zei hij, „ik ga mee; maar ik wou nog dit zeggen: In Indië zijn
-er veel, die de liberale partij willen loslaten, heelemaal loslaten,
-omdat zij te weinig voor Indië deed; dáár kom ik tegen op; ik zal in
-den breede en punt voor punt aantoonen.....”
-
-Het was niets. Er gebeurde achter de gordijnen, op het balkon, in het
-geheel niets. Hoe kon dat ook? Op het balkon, er vlak naast, stonden de
-twee verlofgangers, en men kon elkaar duidelijk zien, want donker was
-het niet.
-
-Toch was het Mourant of hij het geluid hoorde van een kus. ’t Bloed
-steeg hem naar het hoofd; hij greep in zijn zak, opende een klein
-scherp mesje en sneed zonder aarzelen den knoop van zijn jas, waaraan
-Van Namen hem vasthield.
-
-O, ’t was een gezicht voor hem, toen hij de gordijnen wegschoof! Zij
-lag over de balustrade gebogen, leunend op den eenen arm en haar mooi
-gezichtje omhooggekeerd naar Jules, die op de balustrade zat. Henriëtte
-zag wel aan het invallend licht, dat er iemand naar buiten trad, en ze
-begreep volkomen wie; maar ze deed alsof ze niets bemerkte en Jules,
-die zoo’n ongunstige opinie had over Mourant, vond het, toen hij dat
-gewaarwerd, volmaakt overbodig de tegenwoordigheid van Mourant door
-woord of gebaar te constateeren.
-
-En achter hem hoorde Mourant de stem van Van Namen.... „differentiëele
-rechten”.... „vermindering van gedwongen diensten”..... „mildere
-bepalingen op de cultures”..... „Ha, ha!”
-
-Van Namen had na een paar oogenblikken doorpratens de oogen geopend en
-schaterde van het lachen toen hij „de grap” ontdekte. Hij liep naar
-Mourant, dien hij tusschen de gordijnen zag staan.
-
-„Jou oude grappenmaker!” riep hij, hem op den schouder slaande. „Daar
-heb je me origineel te pakken gehad!”
-
-Henriëtte wendde zich om. Mourant kreeg een schok door dat „oude
-grappenmaker”. ’t Kwam zoo in ’t geheel niet bij de gelegenheid te pas.
-Van Namen vertelde lachend de geschiedenis van den knoop, en allen
-lachten mee. Henriëtte keek hem zelfs wat vriendelijker aan; het was
-toch alleraardigst gevonden, dacht ze.
-
-„Ja, ja!” riep Van Namen. „Hij is goed, hij is goed! Een vos verliest
-zijn haren wel, maar niet zijn streken.”
-
-’t Pas opgeklaarde gezicht van Mourant betrok weer geweldig; dàt was
-nummer twee! Op welke wijzen zou hij nog meer moeten hooren, dat hij
-niet jong meer was?
-
-„Je oom werd zoo zwaar op de hand,” zei hij tegen Jules.
-
-„Ja, dat overkomt hem wel eens.”
-
-„We stonden net onder de kroon; ’t was er ontzettend warm.”
-
-„Ik kan ’t me voorstellen.”
-
-Er rees een gevoel van haat op in Mourant, dat voelde hij. Die korte
-antwoorden op zoo’n koelen toon kende hij; het waren zooveel
-verzekeringen, dat de aangesproken persoon liever niets wilde te maken
-hebben met hem, die ’t gesprek begon. En dan zoo’n kwajongen! Zoo’n
-sinjo!
-
-„Het is hier heerlijk,” zei Mourant tot Henriëtte.
-
-„Zoo?” vroeg zij met een spottende stemmodulatie. „Ja, dat hebben
-meneer Jules en ik dadelijk opgemerkt. Je bent echter de eerste, die
-het zegt.”
-
-Mourant had het kunnen beschouwen als een verzoek om heen te gaan. In
-elk ander geval zou hij, beleedigd en gekrenkt, zich hebben
-teruggetrokken. Hij kwam zich mengen in het gesprek tusschen een heer
-en een dame; beiden toonden vrij onbewimpeld door hun antwoorden dat
-zij van den derden man niet waren gediend.
-
-Doch hij had geen hart meer, als man. Jules, die jong was, dacht: „als
-ze mij zoo geantwoord had, zou ik zijn heengegaan.” De liefde van
-Mourant verschilde veel in jaren; zij maakte hem niet toornig of
-verontwaardigd bij een openlijke vernedering, maar onderworpen en laf.
-
-In plaats van heen te gaan, trad hij ook op het balkon en ging aan den
-anderen kant der balustrade naast Henriëtte zitten.
-
-„Wees maar voorzichtig,” zei ze.
-
-„Ik zal er niet afvallen. Was je daar bang voor?”
-
-„Neen. Verbeeld je! Maar de maan komt door, en ’t waait nogal.”
-
-Hij zette zijn borst hoog op en zijn breede schouders uit.
-
-„Ik kan er tegen.”
-
-„Nu ja! Je bent dadelijk verkouden! Hebt u daar ook zooveel last van,
-meneer Jules?”
-
-„’n Enkelen keer,” zei Jules.
-
-„Dus toch wel?”
-
-„Zooals ik zeg: ik ben ’n paar maal ’t slachtoffer geweest.”
-
-Het trof haar, dat hij niet blufte, en ’t deed Mourant genoegen, die
-door de heeren van het andere balkon werd aangeroepen.
-
-„Waarom hebt u me niet geholpen, meneer Mourant ’n beetje te plagen?”
-vroeg zij zacht en vroolijk.
-
-Jules trok driftig de schouders op.
-
-„Hoe minder ik met hem in aanraking kom, hoe liever.”
-
-„Och kom?”
-
-„Ik vind den man in ’t geheel niet de moeite waard.”
-
-„In welk opzicht?”
-
-„In elk opzicht. Ik vind hem over ’t algemeen....”
-
-„Sst!”
-
-Hij begon hoe langer hoe luider te spreken, zooals iemand doet, die
-onaangenaamheden zoekt; toen zij hem het zwijgen oplei, hield hij stil.
-Henriëtte ging terug naar de kamer en Jules, dien zij met haar waaier
-gewenkt had, volgde haar.
-
-’t Ging Mourant door merg en been; hij moest met de anderen praten, en
-hoorde en zag Henriëtte en Jules het balkon verlaten, die hem heel
-gewoon lieten staan. ’t Maakte hem zenuwachtig en overviel hem als een
-voorgevoel. Toen het gesprek uit was, ging hij ook de kamer in,
-trachtte zich een houding te geven, zette zijn lorgnet op, en
-rondkijkend uit de hoogte, met kleine pasjes draaiend op zijn hielen,
-dreef hij naar den kant, waar Jules en Henriëtte zaten in een tête à
-tête.
-
-„Foei, meneer Jules,” had ze gezegd. „Het is volstrekt niet aardig van
-u, ons genoegen te bederven.”
-
-„Het spijt me, maar het is uw schuld. Ik kan nu eenmaal dien Mourant
-niet dulden. Ik vind hem.... ik.... Permitteer me, dat ik maar niets
-zeg.”
-
-Zij zuchtte, keek naar de punten harer goudleeren schoentjes en tikte
-daar zacht op met haar waaier.
-
-„Indien ik het had geweten....”
-
-„Dan zoudt u mij niet mee hebben gevraagd! Wel, daar zoudt u gelijk aan
-hebben gehad.”
-
-„Dat niet.... Ik zou het anders geregeld hebben.”
-
-„U zoudt hem toch niet hebben uitgesloten?”
-
-„Waarom niet?”
-
-Verlegen draaide hij aan zijn zwart kneveltje, dat met jeugdigen
-overmoed twee spitse punten à crocs droeg.
-
-Zij zag hem vlak in het gezicht, en hij vermeed dien blik; ’t was een
-pijnlijk moment voor hem.
-
-„U zult me ’t genoegen wel willen doen er niet verder over te spreken.”
-
-„Soedah!” zei ze met een zucht. „Het is ook de tijd noch de plaats. ’n
-Andermaal.”
-
-„Heel graag, als u wilt. Waar en wanneer?”
-
-„Ik weet het nog niet; wij zullen zien.”
-
-„Daar komt-ie weer aan,” bromde Jules nijdig, toen Mourant langzaam
-optrad. „Ik zal maar bij de anderen gaan.”
-
-„Blijf liever. Ik heb mijn reden om meneer Mourant zoo weinig mogelijk
-te woord te staan.”
-
-„Ik heb een geldiger reden: ik haat hem! ik zou,” ging Jules weer
-driftig voort en de Europeesche taalvormen uit het oog verliezend, „ik
-zou hem met pleizier ’n pak rammeling geven.”
-
-„’n Pak rammeling?” vroeg zij lachend en Jules, die nu snapte dat hij
-zich Indisch versproken had, lachte mee.
-
-Mourant kwam dichterbij. Jules keek naar hem uit de hoeken zijner
-oogen, nijdig, moorddadig, wat men noemt „gemeen”.
-
-Gelukkig kwamen de anderen ook binnen.
-
-„Zullen de heeren niet ’n partijtje maken?” vroeg Henriëtte.
-
-Ja, dat wilden de heeren. Zij wilden whisten; Mourant kon zich er niet
-aan onttrekken; Jules bedankte en de gastvrouw verklaarde met een
-vriendelijk lachje, dat ze in ’t geheel geen esprit de jeu had; het
-beviel Van Namen en de twee anderen uitstekend; ze kregen hun cognac
-met gefrappeerd apollinaris-water, net als in Indië, en het amuseerde
-hen kostelijk dat Mourant zoo’n geweldig koopje snapte, en dom genoeg
-was duidelijk te laten blijken hoe hij uit zijn humeur geraakte. De
-eerste vijf minuten bleven „de jongelui”, zooals Van Namen niet zonder
-ironie had gezegd, bij het spel staan kijken; daarna gingen ze weer een
-luchtje scheppen en toen begon Mourant volgens zijn partner te spelen
-„als een schutter.”
-
-En hij verloor!
-
-Lachend was bepaald dat men zou spelen tot een gewoon Indisch tarief
-onder whistende heeren: een kwartje het punt; maar als Mourant’s
-partner het van te voren had geweten,—nu, hij zou dan hebben
-voorgesteld tegen Hollandsch tarief te spelen!
-
-Toen ze gedaan hadden, stond Mourant minus acht en zestig.
-
-„Ongelukkig in het spel,” zei Van Namen, „gelukkig in de liefde.”
-
-Mourant trok zijn beurs met een pijnlijken trek op ’t gezicht. Het was
-hem in den tegenwoordigen tijd werkelijk niet zoo onverschillig of hij
-een bankje verloor of niet; het leven kostte hem veel en zijn inkomen
-werd steeds kleiner. Geen Indisch finantiëel bankroetje of hij pikte
-een vorkje mee.
-
-„Acht en zestig kwartjes, dat is precies zeventien pop,” zei Van Namen
-lachend, terwijl hij de hand ophield.
-
-Men sprak nog, na het spel, een half uurtje. Welstaanshalve ging
-Mourant een eindje met de heeren mee; hij sloeg een dwarsstraat in en
-kwam met een omweg weer bij het huis terug; hij beproefde met een
-sleutel de deur te openen, maar die was van binnen gegrendeld; de meid,
-die nog aan het wegruimen was, keek uit een venster boven de deur, en
-vroeg hem wat hij verlangde, er in plat Brusselsch Fransch bijvoegend,
-dat mevrouw reeds sliep.
-
-Een onverstaanbaar antwoord brommende, ging hij heen; zijn
-gemoedsstemming was verschrikkelijk. Zij hield dus niet meer van hem;
-hij had uitgediend; hij kon gaan! Hij kon zoo dadelijk niet naar zijn
-logement terug; hij had behoefte aan beweging en terwijl de mist, die
-in den laten avond was komen opzetten, dikker werd en meer en meer den
-omtrek beperkte van het licht der straatlantaarns, was het of zijn
-stemming daalde. Daar zonk zijn schoone droom weg in den muisgrijzen
-nevel. Een mooie jonge vrouw en de twee ton van Veninga! Daar had hij
-zóó veel voor gestreden! ’t Was haast onmogelijk. En zijn persoonlijke
-ijdelheid kwam boven. Hij zou het dan toch nog eerst moeten zien! Zij
-was immers aan hem verbonden door dien eenen zonder vergunning gesmeden
-band! Zij was zijn vrouw! En bovendien: hij was de beheerder van het
-vermogen: executeur-testamentair, voogd.... Maar jawel! Al de ophef
-over die macht waren maar praatjes van onervaren roman-schrijvers,
-speculanten op geheimpjes-theorieën. Hier was immers niets geheim!
-Iedereen wist het en dat maakte het als wapen krachteloos. Hij kon er
-niemand mee verwonden, dan zichzelven, want hij kon niemand iets nieuws
-vertellen, en het eenige zou zijn, dat men van hem ging zeggen: hoe
-gemeen!
-
-En dan dat executeurschap, die voogdij!
-
-Neen, dat gaf alles niets, niets, volstrekt niets.
-
-Met geweld en dreigementen viel niets te doen; misschien met list,
-zachtheid en overreding. Zuchtend besloot hij zich dat te probeeren.
-Als die Indische lummel maar weg was!
-
-Doch toen hij den volgenden dag, na een nacht half slapeloos en voor de
-rest in nare droomen doorgebracht, op weg was naar Henriëtte, tamelijk
-opgewekt omdat hij een goed doordacht plan had beraamd, liep de gal
-dadelijk bij hem over en verzwolg zijn goed humeur, toen hij Jules, den
-Indischen lummel, bij het omslaan van een hoek plotseling te paard voor
-zich uit zag rijden. Dat ging natuurlijk het huis voorbij! Mourant
-hield zijn schreden in, minachtend grijnslachend toen hij zag hoe Jules
-trachtte den Engelschen vos te laten tandakken; hij liep dicht tegen de
-huizen aan den kant waar Henriëtte woonde, zoodat zij hem niet kon zien
-aankomen. Welzeker! Voor het huis keek Jules naar boven, groette met
-een buiging en een sierlijken coup de chapeau, glimlachte, zijn
-glinsterend witte tanden toonend, en groette met de rijzweep.
-
-Het was hem, Mourant, toch te machtig.
-
-Hij versnelde onwillekeurig den pas; dat zou hij haar betaald zetten;
-zijn oogen glinsterden toornig onder de gefronste wenkbrauwen en zijn
-eenigszins grauwe gelaatskleur werd rood. Plotseling stond hij
-verschrikt stil. De meid, de Brusselsche meid, die hem den vorigen
-avond op zoo’n eigenaardigen toon had gezegd, dat mevrouw reeds sliep,
-kwam met een koket, schoon mutsje en een tablier met een hartvormig
-verlengstuk boven den band naar buiten trippelen; hij was overtuigd,
-dat ze hem opmerkte, maar zij deed of ze hem niet zag en liep met een
-trippelpasje in de richting, die Jules uitging. Mourant volgde haar,
-hij wist eigenlijk zelf niet waarom. In een andere straat zag hij dat
-de meid stevig aanstapte, den ruiter, die stapvoets reed, opzij kwam en
-wenkte; hij kwam langs het trottoir en.... zij gaf hem een briefje.
-
-Mourant dacht dat hij door den grond zonk.
-
-Hij had wel voorondersteld dat de meid, omgekocht door „dien sinjo”,
-een briefje van hem in ontvangst zou nemen voor Henriëtte, en hij was
-het reeds met zichzelven eens over de beste manier om haar dat afhandig
-te maken.
-
-Doch dàt was iets....
-
-Een oogenblik sprak Jules met ’t meisje, dat erg draaide, en wiegde met
-hoofd en heupen, en koketteerde met gemaakte rollende lachjes en
-grooten oogopslag; hij wendde zich zijwaarts om op het paard en kreeg,
-toevallig naar het scheen, Mourant in het oog.
-
-Doch ’t was niet toevallig.
-
-„Wil ik u wat zeggen?” had de meid gevraagd.
-
-„Nu, lief kind, zeg eens op.”
-
-„Le vieux komt achter me aan.”
-
-„Allons donc!”
-
-„Op mijn woord van eer. Nu staat hij stil. Kunt u niet eens rechts op
-zij kijken?”
-
-Dat deed hij, en toen hij Mourant zag, deed hij zijn best om op zijn
-paard een uitdagende houding aan te nemen, hetgeen Mourant, die veinsde
-naar het venster van een comestibles-magazijn te kijken, ontging.
-
-
- „Cor-lief! Je zult wel erg nijdig op me zijn, omdat ik je zoo lang
- op een brief heb laten wachten. Ik beken schuld, maar als je alles
- weet, zal je me vergeven. Ik ben geëngageerd, weet-je? Jij bent
- zoo’n goeie, dikke gans! Hadt ge maar gedaan, zooals ik, dan deedt
- ge nu zeker ook een goed huwelijk, want je bent knap genoeg, dat is
- zeker. Hij is luitenant, Cor, dus word ik ook weer een
- officiersvrouw, weet-je, en zijn naam is Roozendoorn (Pierre Jean).
- Een mooie naam, ja? Erg lief: mevrouw Roozendoorn; net een naam om
- in een tuin te gaan zitten. Hij is heel knap en flink, en ook erg
- goed. Hij heeft blauwe oogen, groote, zoowat net als pa, maar die
- zwemmen zoo door het vele drinken. De zijne niet, die zijn heel
- helder. Hij heeft ook een blonden knevel en zijn neus gaat een
- beetje in de hoogte, een heel klein beetje maar, net als die van
- jou en van dat jongemensch, je-weet-wel! die altijd om ’t hoekje
- stond te wachten en zulke gekke dingen schreef. Pierre is een best
- mensch; je kunt je niet begrijpen hoe goed en knap hij is. Ik houd
- heel veel van hem en hij is al nummer negentig op de ranglijst van
- de tweede luitenants. Hij is veel knapper dan papa ooit was en hij
- zal het zeker ook veel verder brengen in de wereld. Ik hoorde aan
- boord hem wel eens praten met de andere officieren over allerlei
- dingen, waarvan ik niets begreep en die ik zeker weet dat papa ook
- niet zou begrijpen. Hoe maakt hij het? Hoe gaat het met het
- ongelukkige drinken? Het is verschrikkelijk Cor, dat je zoo dom
- hebt kunnen zijn.
-
- „Was je toch in ’s hemels naam maar met me meegegaan. Ik maak me
- soms zoo ongerust over je, dat ik zit te huilen. Ja, ik ken je door
- en door en ik weet hoe lobbesachtig en zwak je bent en hoe er maar
- weinig noodig is om je te verslingeren. En nu vooral Cor, wees
- voorzichtig, ja? Als ik nu eens mevrouw Roozendoorn ben en jij past
- niet goed op, dat zou dan toch erg onpleizierig voor me zijn. Aan
- boord, weet je, zat hij me altijd te plagen. Ze hadden er allemaal
- schik in. Een Duitsche dokter zei iets van liepzig nekzig, waarom
- ze allen erg lachten; ik zette een leuk gezicht, weet-je, maar ik
- begreep er niets van en ik weet het nog niet, want bij de familie,
- waar ik hier tijdelijk woon tot Pierre en ik getrouwd zijn, is geen
- enkel boek. Laat pa toch haast maken met de stukken. Pierre zal wel
- naar Atjeh moeten en wij zouden zoo graag trouwen vóór dien tijd.
- Je kunt nooit weten, nietwaar! Hij wil me dan hier laten, maar we
- zullen elkaar nog wel eens nader spreken. Ik ga mee, zeg! Hier is
- wat geld voor de kinderen; ik heb het mijne nu haast niet noodig en
- ik weet, dat jij het best kan gebruiken. Hoe is het er mee? Zijn
- het nog zulke bengels? Ga jij ’s avonds nog wel eens loopen? Gunst,
- Cor, wees toch voorzichtig. Ik had maar het liefst dat je naar hier
- kwam. Toen we te Batavia aan wal gingen, wist ik heusch niet dat
- Pierre verliefd op me was. In geen drie weken liet hij iets van
- zich hooren en ik was hem heusch heelemaal, of ten minste heel erg
- vergeten; op een avond komt hij ineens en vraagt me te spreken en
- hij begint erg gauw te praten, gauw en onduidelijk. Maar ik
- verstond het heel goed, zie je, en ik geloof toch, dat ik toen al
- wat van hem hield; sedikit, ja! maar nu heel, heel veel! Die twee
- japonnen hoef je niet op te zenden, Cor. Houd jij die maar; als ze
- je te nauw zijn, leg je ze maar wat uit. Ik heb altijd op den groei
- gerekend; dat was maar zaak. Dat het hier warm is, weet je nog wel.
- Maar lekker toch! Ik had den eersten dag den beste een gevoel of ik
- hier nooit vandaan ben geweest. Nu, dag lieve Cor—soedah! ik huil
- alweer. Grappig, ja! Ik wou dat je ook hier waart. We zijn altijd
- zoo samen geweest van kleins af! Schrijf me gauw en wees hartelijk
- omhelsd door je liefh.
-
- Nelly.
-
-
- P.S. Ook Pierre laat je groeten, schoon onbekend. Betaal ook dat
- ringetje, je-weet-wel, bij den goudsmid.”
-
-
-Corrie huilde ook. Tranen als knikkers rolden langs haar dikke wangen.
-Het ging zoo slecht! Met de kinderen schikte het nogal,—maar papa was
-door den drank geheel gedemoraliseerd. Zij had hem in ’t huisgezin niet
-willen verlaten en spijt had ze er eigenlijk niet van, dat ze gebleven
-was, want het scheen haar altijd toe, dat ze er haar moeder een grooten
-dienst mede deed, wat haar troostte en geduldig maakte.
-
-In het eerst had Roos hoog opgegeven van de liefde zijner dochter
-Corrie, die hem niet wilde verlaten; maar zijn met elke maand als het
-ware toenemende dronkenschap wischte den indruk van het blijven der
-eene en het heengaan der andere spoedig uit. Tegenwoordig was hij
-onhandelbaar. Sedert Nelly hem niet meer onder den duim had, was hij
-aan het uitdeelen van klappen geraakt en de minste aanleiding kon nu
-voldoende zijn om hem den rotting te doen zwaaien, die dan
-onverbiddelijk op de dikke schouders van Corrie neerkwam. Zij was boos
-op hem en had een hekel aan hem gekregen. Dikwerf zei ze tot de
-juffrouw, die boven woonde, dat ze zou wegloopen, als ze dat niet liet
-om de kinderen. En de juffrouw had verontwaardigd gezegd, dat, als zij
-het weer hoorde, zij er eens bij zou komen.
-
-Zij hoorde hem ’t huis binnenkomen; hij zong.
-
-„Ik heb,” zei hij met zware tong, „iets lekkers voor je meegebracht;
-iets fijns. Maraskino di Zara.... paperlapa! Wat zeg je er van?”
-
-Zij nam het zwijgend aan. ’t Kon haar niet schelen. Ze hield niet van
-wijn of likeur, maar ze maakte het in een mandje gevlochten fleschje
-open en dronk een klein glaasje om hem te voldoen.
-
-„Het is op de gezondheid van onze Nel en haar aanstaanden man. Ja, dat
-is altijd ’n ferme meid geweest! Die wist van aanpakken, weet-je! Ze is
-nu toch maar weer het eerste getrouwd. Ja, te duivel, ’t was altijd ’n
-aardig kind.”
-
-De herinnering aan Nelly deed hem aan, en dat deed hem weer meer
-drinken. Nu en dan stamelde hij enkele woorden en dronk dan weer een
-groot glas jenever en zweeg.
-
-Zijn dochter liet hem stil zitten; de kinderen, die eerst een beetje
-erg levendig waren geweest, had hij weggevloekt, dreigende met zijn
-rotting. Zij waren naar de keuken gevlucht, waar Corrie hun een
-boterham sneed, die ze staande opaten van de groezelige aanrechtbank,
-met een glas water uit het kraantje der leiding.
-
-Stil hielp zij de kinderen daarna te bed, nog altijd denkend aan den
-brief van Nelly en aan Indië. Ja, het was wel waar! Zij had mee moeten
-gaan, maar ze kon niet; het was onmogelijk. En hoe ze zich door dit
-finantiëel en moreel altijd achteruitgaande huisgezin moest werken,
-ging haar bevatting te boven. Zij wilde niet weer gaan zitten bij haar
-vader en keerde terug in het kleine keukentje met de verroeste
-haardkachel, en het doffe vaatwerk aan den beduimelden muur; door het
-hooge venster zonder gordijn viel een koud stalen schemerlicht uit de
-grijze wolkenlucht naar binnen, de armoedige naaktheid nog
-troosteloozer makend door het scherp afteekenen der hardgele deurposten
-en schoorsteenlijsten. Zij was nu eenmaal geen knappe propere
-huisvrouw,—dat wist ze wel, ze kon niet poetsen en schuren en wasschen
-en plassen; ze haatte het en ze deed het niet; ze had het nooit gedaan
-en het ook niet zien doen. Hoe heerlijk had die Nelly het in Indië!
-
-De buurjuffrouw keek eens om het hoekje van de keukendeur.
-
-„Je moet zoo ’t hoofd niet laten hangen,” zei ze opbeurend.
-
-Er ontspon zich een langdurig gesprek. Corrie had er zoo’n groote
-behoefte aan haar nood te klagen en ze kwam zoo rond voor haar eigen
-tekortkomingen uit, dat de buurvrouw altijd erg veel sympathie voor
-haar gevoelde, en dikwerf uit medelijden met haar een duchtigen coup de
-main gaf om het verwaarloosde huishouden een beetje op streek te
-helpen.
-
-„En de oude heer is zeker weer?”.... vroeg ze.
-
-„Als hij het niet is, zal hij het gauw zijn.”
-
-„’t Is ongelukkig.”
-
-„Ik begrijp niet hoe het moet eindigen.”
-
-„Neen, ik ook niet; menschen, die drinken, houden het dikwijls erg lang
-vol.”
-
-Corrie schrikte er van; het was een onuitgesproken gedachte, die al
-dikwijls bij haar was opgekomen.
-
-„Maar op den duur houden zij het toch niet uit. Hoe oud is hij?”
-
-„In de vijftig? Ik weet het niet precies.”
-
-„Het is nog jong. ’t Is jammer. Hij is nog zoo’n knap manspersoon. Had
-hij maar liever een vrouw genomen.”
-
-Ze praatten door, terwijl de duisternis viel, en ze dronken samen bij
-het licht van ’t keukenlampje een kop thee, intusschen gezet. Al
-pratend vervloog de tijd en vervlogen de tallooze kopjes thee. De klok
-in de gang sloeg het eene uur na het andere.
-
-„Heb je al gegeten?” vroeg de buurvrouw.
-
-„Ja, van middag al. Hoe zoo?”
-
-„Ik zou anders zeggen: ga met mij mee; ik heb nog wat lekkers.”
-
-Corrie aarzelde eerst; maar jong als ze was, en veel als ze hield van
-„wat lekkers”, liet zij zich geen tweemaal nooden. Zij bracht den avond
-door bij haar buren en vergat haar vader en zijn drankflesch geheel;
-het was een gezellig avondje geworden bij de buren; er werd gelachen en
-gekheid gemaakt door een paar klerken, die een visite maakten en
-smoorlijk werden van Corrie. ’t Was al laat toen ze naar beneden ging
-en met eenigen schrik dacht zij aan haar vader. Hij zat in zijn stoel
-en sliep; zacht naderde zij om de lamp uit te blazen, die hij had
-aangestoken; zij zou hem maar in dien leunstoel laten zitten; hij zat
-daar goed, meende zij; er was toch geen sprake van hem wakker te
-krijgen; al doende wierp zij een blik op hem en schrikte van zijn
-blauwe gelaatskleur. Een rilling overviel haar; zij liep terug naar
-boven:
-
-„Juffrouw, juffrouw! Bent u nog op?”
-
-„Ja, wat is het?”
-
-„Zoudt u eens willen komen zien... Ik ben zoo bevreesd... Papa ziet er
-zoo akelig uit.”
-
-Zelf bevend, ging de juffrouw mee, en haar man, die niet gevraagd was,
-volgde zonder jas en op zijn pantoffels, want hij stond op het punt
-naar bed te gaan.
-
-Kapitein Roos zat nog onbeweeglijk in den leunstoel met de kin op de
-borst en de armen afhangend.
-
-Zij riepen hem eerst bij den naam met eenige deferentie, omdat men
-meende dat hij zou wakker worden; die deferentie verminderde toen hij
-geen antwoord gaf, zoodat de buurman eindelijk heel familiaar vlak aan
-zijn oor: Roos! Roos! schreeuwde; zij schudden hem, maar ook dat hielp
-niet; het zware lichaam gleed stijf opzij.
-
-Daar schrikten zij allen van, en doodsbleek gingen ze achteruit.
-
-Dat was de dood geweest, de weerzinwekkende dood! En met den
-instinctmatigen eerbied, grooter voor het vergaan dan voor het worden,
-deinsden de levenden ontsteld af en hielden de handen terug.
-
-De buurman liep naar den dokter. Corrie, huilende, trachtte haar vader
-met eau-de-cologne tot zichzelven te brengen; de juffrouw wreef zijn
-polsen met azijn.
-
-„Dat is die vervloekte drank,” zei ze met een blik vol haat op de
-flesch, het symbool van den geweldigen erfvijand haars volks.
-
-Hun pogingen slaagden niet—dat wisten ze wel vooruit. Toen de dokter
-kwam en even het lichaam in den leunstoel had onderzocht, zei hij
-niets, keek eens rond en gaf de juffrouw een wenk; zij bracht Corrie
-weg.
-
-„In zijn drinkensbakje gebleven!” luidde daarna de diagnose.
-
-Voor Corrie was het heel gelukkig, dat, evenals bij het sterven harer
-moeder, andere menschen alles voor haar beredderden, want zij was tot
-niets in staat. Weer stond de voorkamer vol officieren in uniform en
-gepensionneerden in min of meer zwarte rokken. Zij moesten „iets” doen,
-dat waren ze met elkaar eens. Er moest gezorgd worden, en al waren hun
-middelen niet groot, de band, in het leger en onder officieren
-krachtiger dan bij de burgerij, verloochende zich ondanks de tallooze
-disputen onder de levenden, ook bij dit sterfgeval niet. Na de
-begrafenis kwam er een commissie, die bepalen zou wat er te doen viel
-en dat zou gedaan worden. Zij maakten het aanvankelijk Corrie niet
-lastig, maar een week later bezochten zij haar.
-
-Ze waren met hun drieën, een gepensionneerd majoor en een kapitein en
-een luitenant met verlof.
-
-„We komen u eens spreken, juffrouw, over uw omstandigheden, wat u ons
-wel niet kwalijk zult nemen.”
-
-„O neen,” zei Corrie met haar gewone openhartigheid. „Ik ben u heel
-dankbaar voor uw moeite en opoffering.”
-
-„Och, laat dat! Onder kameraden!....”
-
-„Nu ja, majoor, dat weet ik. Intusschen zijn toch maar, naar ik hoor,
-de loopende huisschulden afbetaald en....”
-
-„En verpande sieraden gelost, zeker! En nu komen wij u eens vragen of u
-ook eenig plan hebt.”
-
-„Een plan? Neen, hoe zou ik een plan hebben?”
-
-„Zie eens, juffrouw Corrie; het komt ons beter voor dat u dit
-huishouden niet voortzet.”
-
-„Mij ook. Ik zou het niet kunnen. De kinderen zijn zoo lastig en
-brutaal! Maar als ze het zonder mij slecht moesten hebben.....”
-
-„Ze hebben tucht noodig, en die zullen ze in gepaste mate deelachtig
-worden. U kunt daaromtrent zeer gerust zijn. Zij zullen goed worden
-behandeld; dáárop geef ik u mijn woord van eer.”
-
-„Gelukkig!”
-
-„En nu wat u aangaat. U weet wel dat uw papa in den laatsten tijd de
-boeken bijhield van den heer Maas. Het schijnen menschen te zijn, die
-nogal fortuin hebben.”
-
-„Ik weet het niet,” zei Corrie boos en met een opwelling van
-trotschheid, meer uit haat dan uit karakter voortkomend. „Ik weet het
-niet: ik bemoeide me met dat volk nooit.”
-
-„Het is maar, dat zij het voorstel hebben gedaan u bij hen in huis te
-nemen!”
-
-„Mij? U hebt er toch niet aan gedacht, hoop ik?”
-
-„Ik wist niet, dat u zoo’n afkeer van die menschen hadt.”
-
-„Zij zijn mijns vaders ongeluk geweest,” zei Corrie ontroerd. „Bij die
-menschen is hij een slaaf van den drank geworden en dat hebben zij van
-hem gemaakt.”
-
-Allen zwegen. Het was waar, dat wisten ze. Juist daarom was het zoo
-pijnlijk, wat nog volgen moest.
-
-„Misschien weet u ook, dat uw papa bij meneer Maas een schuld had
-wegens geleende gelden van ’n paar duizend gulden.”
-
-„Ik wist niet, dat het zooveel was.”
-
-„Nu is hun voorstel, dat u daar zult komen inwonen en helpen in de
-besturing van het huishouden, om zoodoende die schuld een weinig in te
-verdienen.”
-
-Corrie gaf zoo dadelijk geen antwoord. Zij zag erg bleek en keek
-droevig voor zich uit naar de figuren op ’t goedkoope, verschietende
-behangselpapier aan den wand. Dat was de „beer” dien hij had gemaakt
-voor Nelly. Nu hij dood was, zou zij bij die lui in een soort van
-slavernij of pandelingschap gaan om althans in persoon de rente op te
-brengen van dat geld. Er ging haar van alles door het hoofd. Zij dacht
-aan zooveel mooi opgetuigde vrouwen, die men ’s middags in de
-hoofdstraten kon ontmoeten; die voor veel meer waarde dan een paar
-duizend gulden aan het lijf hadden, en die toch zoo gemakkelijk aan
-geld kwamen. Maar dat kon niet, dat was onmogelijk! Zij had eigenlijk
-geen keus; zij moest maar doen wat anderen wilden en voor anderen.
-Gelaten sloeg zij haar groote donkere oogen op naar den majoor, die
-zenuwachtig op zijn grijze knevels beet en zich, nu hij recht besefte
-wat dat inhad, in stilte reeds had voorgenomen, dat het toch niet zou
-gebeuren.
-
-„Als het zóó is,” zei ze zuchtend, „in Godsnaam dan, majoor; dan zal ik
-er maar heengaan.”
-
-„Maar indien het voor u zulk een groote opoffering is, dan zou
-misschien.... er wel iets op te vinden zijn,” meende de kapitein, die
-voor het eerst tusschenbeide kwam.
-
-Allen zagen hem aan. Hij was een man van zes, zeven en dertig jaar,
-kort en breed, met een gladgeschoren gezicht en scherpe, schrandere
-trekken; hij had iets gedecideerds, dat vertrouwen schonk.
-
-„Als u bedoelt dat het geld door een collecte of een inschrijving moet
-bijeengebracht worden, dan moet ik er voor bedanken,” zei Corrie, met
-een plotselinge inspiratie van offervaardigheid.
-
-„Men zou het kunnen opnemen,” meende de luitenant.
-
-„Ik geloof,” zei Corrie, „dat het alles ’t zelfde blijft; papa was het
-geld eerlijk schuldig, en als ik iets moet doen om te zorgen, dat het
-wordt teruggegeven, dan zal ik het wel doen,” ging ze nog steeds zeer
-bleek en met tranen in de oogen voort. „En daarom zal ik bij de familie
-Maas in betrekking gaan.”
-
-De heeren stonden op, bogen zwijgend en drukten haar met voelbare
-hartelijkheid de hand. Op straat spraken ze niet, maar liepen door met
-krachtigen militairen pas.
-
-Corrie was in tranen uitgebarsten, toen ze weg waren. Nu was de maat
-vol! Dat was nog wel het eenige, dat aan haar ongelukkig bestaan
-ontbrak! Gaan dienen bij zulk volk!
-
-Des avonds bezocht de kapitein zijn ouderen vriend den majoor, die
-dadelijk weer over middelen begon om Corrie te helpen, zonder dat het
-een bedelpartij werd.
-
-„Want daar wil ze niet aan,” zei hij.
-
-„Dat prouveert voor haar.”
-
-„Waarachtig! Zij is een flinke meid; ik had het niet achter haar
-gezocht.”
-
-„Roos was in z’n tijd ook een man van ferm karakter.”
-
-„Dat was hij,” zei de majoor eenigszins aangedaan. „Als ik bedenk, dat
-hij mijn slaap is geweest hier in Holland! Het was ’n brave, beste
-kerel. Op de chambrée leer je mekaar ’t beste kennen.”
-
-De kapitein, van de academie, liet dat in ’t midden.
-
-„Intusschen,” vervolgde de majoor, „is het lastig.”
-
-„Ja. Ik zie er geen gat in.”
-
-„Als het een jongen was, dan ging het makkelijk.”
-
-„Zeker, maar dat is ze nu eenmaal niet. Laat ons bij de zaak blijven.
-Zij is jong.”
-
-„Precies.”
-
-„Mooi.”
-
-„Hm!.... Dat is te zeggen..... Nu soit, soedah, laat ons aannemen dat
-ze mooi is.”
-
-„Neen, maar ze is het, majoor.”
-
-„Goed, goed. Ik zie nog niet, waar je heen wilt. Aangenomen dus: ze is
-mooi!”
-
-„Zij heeft een goed hart, een degelijk karakter.”
-
-„Ik twijfel er niet aan, mijn vriend,” antwoordde de majoor erg
-boekerig. „Ga voort asjeblieft.”
-
-„Ze is van fatsoenlijke afkomst; de dochter van een braaf officier.”
-
-De majoor zette groote oogen op en keek strak zijn bezoeker aan, die
-onder het halve licht van een door transparenten beperkte lamp, zijn
-sigaar kneep.
-
-„Voor den bliksem!” viel de majoor uit. „Wat is dat? Hoor ik goed?
-Begrijp ik je of begrijp ik je niet? Vooruit met je stukken, zeg!
-Vooruit er mee!”
-
-„Een oogenblik; m’n sigaar wil niet trekken..... Ziezoo. Ja, majoor, ik
-geloof dat het volkomen begrepen is.”
-
-„Dus,” vroeg de majoor met zijn bovenlijf vooruitkomend over de tafel,
-zacht en weifelend, „dus zou je waarachtig van plan zijn haar te
-trouwen?”
-
-„Waarom niet?”
-
-„Waarom wèl?”
-
-„Dat is geen antwoord, maar een weervraag.”
-
-„Kijk eens! Het is iets anders een meisje te vinden waarop men de
-algemeene benaming „knap”—van uiterlijk—en goed kan toepassen, en het
-is iets anders haar te trouwen.”
-
-„Ongetwijfeld!”
-
-„Het is iets anders kasian te hebben met een arme wees en respect voor
-haar flinke eigenschappen, en het is iets anders haar tot vrouw te
-nemen.”
-
-„Zeker, zeker, dat geef ik toe.”
-
-„Welnu dan?”
-
-„Het is ook daarom alleen niet: zij bevalt me; haar persoon heeft
-indruk op me gemaakt; ik zie in, dat ik vrij wel op haar verliefd ben.”
-
-De majoor schudde het hoofd met gefronste wenkbrauwen en blies zulk een
-rookwolk onder de lampekap, dat er eerst weer licht kwam op het
-tafelkleed, toen de warrelende spiralen waren weggetrokken.
-
-„Dat moet je niet doen, hoor!”
-
-„’t Verwondert me. ’t Was meteen het middel.”
-
-„’t Doet er niet toe. ’t Is ’n ander geval. De menschen verwarren
-altijd. Weet je wat ik geloof?”
-
-„Wat dan?”
-
-Het antwoord kwam niet zoo spoedig; de majoor scheen er moeite mee te
-hebben.
-
-„Ik spreek als ’n oud vriend,” zei hij gemoedelijk, „en met geen andere
-bedoeling, dan je bestwil.”
-
-„Daarvan ben ik immers overtuigd. Zeg maar op; ik beloof te voren
-onderwerping en geheimhouding.”
-
-„Zie je, je bent nu met verlof, en je zult ook wel eens gepierewaaid
-hebben hier in Holland.”
-
-„Zelfs te Parijs en te Weenen,” antwoordde de kapitein lachend. „Ik had
-nog wat geld hier en dat heb ik verteerd met Wijntje en Trijntje. Heel
-veel pleizier gehad, betoel!”
-
-„Zoo! Enfin; ik had het van jou niet gedacht. Maar ik begrijp het. Je
-hadt in Indië een huishoudster.”
-
-„Dat spreekt.”
-
-„En nu je hier niets nieuws meer kan vinden, wordt je verliefd op ’n
-nonnaatje, zoo bruin als waarschijnlijk haar grootmoeder was. Komen
-daarbij geen souvenirs in het spel, amice? Zoo ja, is het dan goed? Is
-het wenschelijk voor jezelf; is het eerlijk spel tegenover het meisje?”
-
-Het ernstig glad gezicht van den kapitein met den sterk geprononceerden
-neus was zeer betrokken; met de hand in de borst van zijn jas, had hij
-een faux air van „Napoleon te St.-Helena.”
-
-„Verdomme majoor,” zei hij eindelijk, „dat doet me onaangenaam aan.”
-
-„Denk er eens over.”
-
-„Dat behoeft niet. Ik heb geen oogenblik aan zoo iets gedacht.”
-
-„Ik weet het wel, en dat was ook niet noodig.”
-
-„Ik ben er niets lekker over, dat u zoo iets vooronderstelt.”
-
-„Vooronderstellen doe ik niet; ik waarschuw slechts.”
-
-„Ja maar.....”
-
-„En bovendien,—je weet wat we bepaalden.”
-
-„’t Is waar. Maar ik moet u een tegenbewijs leveren; ik ga haar vragen
-op staanden voet.”
-
-„Ga je gang,” zei de majoor verstoord. „En moge het je wel bekomen.”
-
-Corrie had haar broertjes en zusjes naar bed gebracht; zij had de
-poging harer goede burger-buurlui om haar gezelschap te houden en op te
-vroolijken, in dank van de hand gewezen. Zij was vermoeid en wilde
-vroeg gaan slapen. Het verdriet over de vernedering, om bij die gehate
-menschen als ondergeschikte te moeten dienen—want daarop kwam het „in
-betrekking” gaan toch neer—had ze ter zijde gesteld. Zulk verdriet
-bleef op haar leeftijd niet lang demonstratief; zij zag er
-verschrikkelijk tegenop, maar nu het eenmaal besloten was, onderwierp
-zij zich er aan, als aan een onafwijsbaar noodlot; het Oostersch
-fatalisme zat haar zóóver nog in ’t bloed.
-
-Langzaam en zacht weerklonk de schel; zij schrikte er van; wat kon dàt
-wezen? en zonder te weten waarom het gewone feit, dat er gebeld werd,
-zulk een indruk op haar maakte, bonsde haar hart, als stond er iets
-verschrikkelijks voor de deur.—Zij hoorde dat boven een deur werd
-geopend en iemand van de trap kwam, om te zien wie zoo laat—’t was nog
-geen acht uren—nog een bezoek bracht.
-
-„Juffrouw!” zei de buurvrouw een oogenblik later buiten de kamerdeur in
-de gang.
-
-Corrie deed open.
-
-„Wat blieft u?”
-
-„Daar is iemand om u te spreken. Een van de heeren van hedenochtend.”
-
-Zij draaide de petroleumlamp hoogerop en lei machinaal het tafelkleed
-recht.
-
-„Wilt u meneer maar hier laten komen?” vroeg ze.
-
-Zonder te aarzelen trad de kapitein de kamer in en groette.
-
-„Ga zitten meneer,” zei Corrie hem een stoel wijzend. „Wat is er van uw
-dienst?”
-
-Maar hij bleef staan voor den stoel.
-
-„U zult mij, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij ben u nog te
-komen bezoeken, maar het kan geen uitstel dulden.”
-
-Verwonderd keek zij hem aan.
-
-„Is het iets zoo dringends?”
-
-„Ja, juffrouw..... Wilt u mijn vrouw worden?”
-
-„Uw vrouw?” herhaalde zij en haar groote zwarte oogen gingen wijd open.
-„Uw vrouw? Maar meneer, fopt u mij? Dat zou u allesbehalve mooi
-staan.... in mijn omstandigheden.”
-
-„Ik meen het zeer ernstig.”
-
-„Mijn hemel, meneer.... hoe komt het u in ’t hoofd?”
-
-„Dat weet ik niet. Ik denk dat niemand zoo iets weet. Alleen verzeker
-ik u op mijn woord van eer, dat het mij ernst is.”
-
-Zij keek hem eens aan. Nu, als een grappenmaker zag hij er in ’t geheel
-niet uit. Integendeel, zijn scherp geteekende trekken, sterker
-uitgedrukt dan ooit, lieten geen twijfel toe aan de oprechtheid zijner
-woorden.
-
-Een oogenblik dwaalde haar blik doelloos langs de kale behangselwanden
-en over de half beschaduwde povere meubeltjes der kamer; intusschen
-stond de buurjuffrouw te luisteren aan de op een kier staande deur,
-stikkend haast van nieuwsgierigheid.
-
-Corrie steunde haar hoofd, dat zij zwak voelde, met haar kleine bruine
-hand. Het schemerde haar voor den geest. Wat was dit nu voor een gek
-geval! Waarom vroeg hij haar? Uit kasian, dat sprak vanzelf. Zij
-gevoelde niets voor hem en was zelfs een beetje bang voor zijn streng
-gezicht. Hij zag er in ’t geheel niet uit als iemand, die uit vrijen
-ging; het was veeleer of hij in dienst was voor den troep.
-
-„Wilt u mijn aanzoek in overweging houden?” vroeg hij.
-
-„Neen meneer, ik dank u. Het is zeer vriendelijk van u, maar het
-medelijden met mijn toestand is te ver gedreven.”
-
-„Dat is het niet,” zei hij zacht. „Ik houd heel veel van u.”
-
-Corrie schudde glimlachend het hoofd.
-
-„Dat kan niet!”
-
-„Waarom niet? Ik geef toe dat mijn aanzoek onder vreemde, voor menigeen
-ongepaste omstandigheden plaats heeft. Laat dat zijn. Het is een
-buitengewoon geval. Morgen zoudt u wellicht voor goed besluiten....”
-
-„Ik heb al besloten. Ik dank u voor uw aanzoek, maar ik kan het niet
-aannemen.”
-
-„Wijs mij zóó niet af,” zei hij eenigszins bewogen. „Mijn bedoelingen
-waren zuiver. Verdenk die niet.”
-
-„Dat laat ik daar. Ik denk en ik kan niet anders denken, dan dat dit
-een soort van menschlievende daad is, en dáárvoor bedank ik.”
-
-„Geloof me, het is dat niet.”
-
-„Voor mij wel en dus blijft dat hetzelfde. Eens en voor goed: ik doe
-het niet.”
-
-„Dus u weigert om die reden?”
-
-„Ja! Onvoorwaardelijk ja. Ik ben geen grootheid; geld en goed bezit ik
-niet; een schoonheid ben ik evenmin; ik ben in het minst geen partij.
-Als u mij nu vraagt, na het gesprek van hedenochtend, dan zie ik er
-niets in dan kasian. Ik wil niet, meneer, ik wil niet. Zóó ben ik
-niet!”
-
-De gave van het woord bezat ze maar in zeer geringe mate; doch ze had
-zich opgewonden en zag bleek, terwijl de tranen weer opkwamen in haar
-nog roodgeweende oogen.
-
-Hij zag, dat er op dit moment niets met haar was aan te vangen.
-
-„Wind u niet op,” kalmeerde hij. „Denk over mijn voorstel na. Het is
-gedaan uit achting en liefde. Maar ik dring mij niet op. Ik vraag
-alleen een redelijken bedenktijd vóór u beslist.”
-
-„Geloof me, het is onnoodig. Ik zou het u nooit vergeven en mijzelve
-ook niet. ’t Zou een ongelukkig huwelijk worden, anders niet. Ik houd
-nu niets van u en als ik u nam, zou ik het moeten doen om mij te
-bergen. Dat wil ik niet, nu niet en nimmer.”
-
-„Ik zal thans niet verder aandringen,” zei hij; „toch hoop ik, dat u
-denken zult over mijn woorden, die waar zijn en welgemeend.”
-
-„Het zij hoe het wil, maar ik moet u bepaald afwijzen.”
-
-De kapitein zei geen woord meer, boog en ging.
-
-Corrie kreeg een moederlijke vermaning van de buurjuffrouw, die, zei
-ze, wel niet geluisterd had, maar toevallig gehoord wat de kapitein had
-gezegd en Corrie had geantwoord. Zij was in de gang geweest en de deur
-had opengestaan. Een mensch kan toch niet helpen, dat hij niet doof is!
-Maar een kapitein af te wijzen,—dat vond de buurjuffrouw, die met haar
-echtvriend de liefdefirma op touw had gezet toen deze nog slechts
-sergeant was—en in „het militaire” had hij het bij die waardigheid
-gelaten—toch al te kras; zij meende dat iemand in de omstandigheden van
-haar buurmeisje een kapitein moest aannemen, het mocht dan zijn hoe het
-wilde. Vooral in een tijd, dat het zoo slecht ging met alles; vooral in
-Indië moest alles heel slecht gaan, had haar man op zijn bureau hooren
-vertellen.
-
-Nu, dat was zoo.
-
-De berichten luidden steeds ongunstiger.
-
-
-
-Mourant, die een hevige scène had gehad met Henriëtte, waarin hij ruzie
-gemaakt en gevleid, gebeden en gevloekt, gesmeekt en gedreigd had, was
-kortweg ’t huis uitgejaagd, met een haat en een minachting, die hem
-razend maakten. Hij was, niet wetende wat te doen, de straat
-opgeloopen, inwendig kokend van woede, en schoon uiterlijk zijn kalmte
-bewarend, wel tien jaren ouder in zijn gezicht. Nogeens zou hij het
-dien dag beproeven. Hij wilde, hij kon de werkelijkheid niet als
-zoodanig aannemen. Het was al te dwaas! Zij was ziek; ze moesten weg;
-een groote reis door Italië en Griekenland of zoo! ’t Kon, ’t mocht
-niet zijn, dat zij en haar vermogen hem ontgingen en hij daar werd
-neergezet alleen, verlaten, bespot, geminacht. In een restaurant
-trachtte hij tot kalmte te komen door iets te eten en een glas
-champagne met ijs te gebruiken. Het gelukte hem, en bedaarder, schoon
-niet minder somber gestemd, ging hij naar zijn kamers om er de middelen
-te beramen, die nog denzelfden dag, zonder verwijl, toegepast moesten
-worden.
-
-Er was een mail aan.
-
-Mourant was gewoon veel brieven te ontvangen, vooral in den laatsten
-tijd, maar zooveel als er ditmaal op de tafel lagen, waren er anders
-toch nooit.
-
-Hij las er een en werd erg bleek. Mijn God, dat moest er nog bij komen!
-Zijn vriend, zijn beste vriend, zijn boezemvriend, dien hij een
-onbeperkt vertrouwen had geschonken, bleek hem voor een goed deel van
-zijn vermogen te hebben bestolen en opgelicht. Bevend streek hij de
-handen over ’t hoofd, als vreesde hij, dat iets daarin verkeerd zou
-gaan zitten. Met zijn weinige grijze haren en potsierlijke verwarring,
-half luid sprekend met de breede gemaakte gebaren, die ten slotte
-natuurlijk bij hem waren geworden, liep hij heen en weer in de kamer,
-nu eens een enveloppe van een brief scheurend en dien, na een
-vluchtigen blik op den inhoud, neerwerpend bij de andere. Het was
-immers alles ’t zelfde! Zijn vrienden beklaagden hem allen, maar zijn
-geld kreeg hij niet terug. Wat te doen, wat te doen? En allen schreven
-hem, dat hij in ’t belang van de kansen op redding, van een gedeelte
-althans, zoo spoedig mogelijk naar Indië moest komen. Hij wist, althans
-begreep, dat dit volkomen waar was, maar dan verwierp hij hier
-moedwillig alle kansen.
-
-Een denkbeeld kwam bij hem op: als zij eens te bewegen was ook naar
-Indië te gaan!
-
-Hij begon zich te verkleeden in een stemming, welke hem toescheen
-overeenkomst te moeten hebben met die van een ter dood veroordeelde.
-Zijn handen beefden zoo, dat hij de knoopjes van zijn overhemd niet
-vast kon krijgen.
-
-De huissleutel van Henriëtte’s woning was nog in zijn bezit en hij trad
-binnen met zijn gewone air van heer en meester der vesting; maar de
-meid kwam hem dadelijk in de gang te gemoet; het was of ze op hem had
-gewacht.
-
-„Ik zou u niet aanraden binnen te gaan,” zei ze snibbig en brutaal.
-
-Hij verwaardigde haar met geen blik en had reeds den voet op de eerste
-trede van de trap.
-
-„Meneer Jules is boven.”
-
-Mourant trok den voet terug en keek het meisje in haar aardig, maar
-onbeschaamd gezichtje. Zijn verbeelding stelde hem de kamer voor, met
-Henriëtte en Jules er in, zijn optreden daar en de onvermijdelijke
-onaangenaamheden. Hij wist dat die jonge kerel zich voor niets zou
-ontzien en dat hij zich blootstelde aan een bejegening, die tot alles
-kon leiden, van een kaakslag tot een tweegevecht. De vrees maakte zich
-van hem meester; hij was bang. Een held was hij met het woord en waar
-dat indruk teweegbracht kon hij verschrikkelijk zijn; zijn uiterlijk
-was groot, forsch, indrukwekkend. Maar zijn persoonlijke moed was een
-muisje door dezen berg gebaard. Als er kans bestond op een vuistslag,
-een sabelhouw of een pistoolkogel, dan trok hij zich gaarne terug met
-al de kracht die in hem was. Een oogenblik aarzelde hij; toen stak hij
-duim en vinger in een vestzak en haalde langzaam een sovereign te
-voorschijn.
-
-Het meisje lachte hem brutaal uit.
-
-„Ik laat me niet omkoopen! Ik doe wat mevrouw mij heeft gelast.”
-
-„Dus zij heeft je hier gezonden?”
-
-„Zeker. Waarom niet?”
-
-„En om mij te beletten....”
-
-„Wel neen! Wie belet u iets? Ga maar gerust binnen.”
-
-Zij zei het spottend; ze had gezien dat hij niet durfde.
-
-„Nu ja.”
-
-„Neen wezenlijk meneer; geneer u niet.”
-
-„Je moet me helpen er een eind aan te maken.”
-
-„Dank u; ik help u niet.”
-
-„Ik zal je er rijk voor beloonen; je moet!”
-
-„En ik wil niet. Wat denkt u! Ik heb heel graag een fooi, maar ik mag
-zien, dat die met pleizier wordt gegeven. Heb ik vroeger ooit iets van
-u gehad?”
-
-Thans begreep hij welk een groote fout hij had begaan door tegen de
-kleinigheden te zondigen; zijn zuinigheid met fooien had op gruwelijke
-manier de wijsheid bedrogen.
-
-Aarzelend liep hij in de gang op en neer, den neus in den wind, de
-handen op den rug, inwendig dol van woede, uiterlijk vrij kalm. De
-bonne telde met een cynischen glimlach de knoopjes van het lijf harer
-japon: gaan, niet gaan! De lust om binnen te dringen was er bij
-Mourant; de physieke moed ontbrak, en dit leidde hem tot een
-philosopheeren over redenen, die hem het maken eener scène—’t zij
-luidruchtig of in gewonen toon—onmogelijk maakten. Zoo viel het hem in
-dat hij geen zedelijk recht bezat; dat hem bij een gewelddadig optreden
-elke rechtsgrond ontbrak, omdat hij geen ander beroep had, dat uit een
-immoreele verhouding voortsproot. Was hij zelfs niet op wettige gronden
-als voogd der kinderen te wraken? In een oogenblik zette hij een
-pleidooi op tegen zichzelven en vóór de noodzakelijkheid
-onverrichterzake heen te gaan.
-
-„Zeg aan mevrouw,” zei hij, „dat ik haar het onaangename van mijn
-tusschenkomst thans wensch te besparen, maar dat ik haar verzoek mij
-morgen vóór negen uren mede te deelen, waar en wanneer ze mij kan
-ontvangen.”
-
-„Het is goed.”
-
-Zij liet hem uit met overdreven gedienstigheid.
-
-„Niets meer van uw orders?”
-
-Zonder het brutaal schepsel met een blik te verwaardigen, ging Mourant,
-in groote deftigheid en met zenuwachtigen greep zijn demi-saison hooger
-op de borst trekkend, het trottoir op.
-
-Intusschen waren Jules en Henriëtte volstrekt niet meer op hun gemak,
-dan de man in de gang was geweest. Jules had vast besloten voor goed
-Mourant af te maken; hij was jong en sterk en zijn voornemen stond
-vast. Maar als hij dacht aan de persoonlijkheid van den advocaat en
-zich voorstelde hoe deze hem met het woord dadelijk de baas zijn zou,
-zoodat hem om te overwinnen niets anders overbleven dan de ruwe
-uitingen van het vuistrecht, dan parelde het zweet hem erger op het
-voorhoofd in dit koel klimaat, dan ooit onder het tropisch zonnetje van
-Indië; dan werd hij zoo zenuwachtig, dat, als zijn liefde voor
-Henriëtte niet zoo sterk was geweest, hij zoo spoedig mogelijk een goed
-heenkomen zou gezocht hebben. Thans zou hij blijven; het gold niet meer
-of minder dan.... zijn aanstaande vrouw.
-
-Zij had hem alles verteld; alles.
-
-Zij had hem bleek, zenuwachtig en met tranen in stem en oogen, haar
-leven geschetst gedurende de ziekte van Veninga, en haar lijden onder
-zijn beleedigende, ruwe bejegening; zij had hem doen gevoelen hoe zij
-bezweken was, niet uit liefde voor Mourant, maar door de groote
-behoefte aan liefde, die zij, zonder andere vrienden of familie, elken
-dag dieper gevoelde naarmate het humeur van Veninga haar erger griefde
-en verbitterde. En eindelijk had zij toegegeven, half en half met het
-denkbeeld: als ik dan toch elken dag word uitgescholden alsof ik het
-was; als ik ieder oogenblik onder de uitgedrukte verdenking moet staan
-het te zijn, welnu, dan zal ik het wezen.
-
-En Jules, die in zijn wijze van denken, in zijn geheele levensrichting
-een niet minder groote overeenkomst toonde met Henriëtte, dan in de
-kleur van oogen, haar en huid, had dat dadelijk volkomen begrepen.
-
-Maar die bekentenis had voor hem den toestand geheel veranderd.
-
-Aanvankelijk had hij gedacht, dat deze kennismaking met het mooie jonge
-weeuwtje zou uitloopen op een voorbijgaande liefdesgeschiedenis,
-waarbij Mourant den gefopten minnaar zou vertoonen; hij had zich ’t
-verloop onder de bestaande omstandigheden haast niet anders kunnen
-voorstellen. Thans was dat heel veranderd. Hij gevoelde dat hij
-Henriëtte zeer liefhad, en zij hem ook. Het begon er anders uit te
-zien. Hij moest haar òf dadelijk verlaten òf haar trouwen! Heel gauw
-had hij tot dat laatste besloten. Zijn oom, thans razend van woede, had
-Brussel verlaten, zwerende, dat als Jules het deed, hij nimmer meer in
-zijn woning te Batavia zou worden toegelaten. En Jules, die wel wist
-dat dit op den duur tegenover een planter, wien het voor den wind gaat,
-niet is vol te houden, liet zijn oom stilletjes vertrekken.
-
-De slechte berichten uit Indië hadden ook Fournier bereikt.
-
-Ondanks den practischen raad van Hortense, had hij toch niet zoo goed
-gezorgd voor hun eigen geld, als voor dat van Louise en van dokter Van
-der Linden. Dat maakte het heel moeilijk voor hem en drukte hem zwaar
-ter neer, terwijl hij de Jobstijdingen las, die de jongste mail
-aanbracht.
-
-„Wat scheelt er aan?” vroeg zijn vrouw, toen ze zijn kantoorkamer
-binnenkwam om te zien of er ook brieven voor haar waren.
-
-En toen hij zoo gauw niet antwoordde, vroeg ze ongerust:
-
-„Is het weer mis?”
-
-Hij knikte toestemmend en zuchtte diep. Het zat hem als een brok in de
-keel. Nooit was hij geldzuchtig van aard geweest, en voor hemzelven was
-het niet erg. Maar nu hij kinderen had, nu was de mededeeling, dat zijn
-halve fortuin gewoon naar de maan was, hoogst verdrietig; ’t was hem of
-zijn kinderen in hun toekomst werden bestolen en hij de dief was.
-
-Hortense ging naast hem zitten, en haar gezicht tegen het zijne
-drukkend, keek ze mee in den noodlottigen brief, dien hij voortging met
-lezen; toen ze die cijfers zag, begreep haar heldere geest alles; een
-oogenblik werd ze erg, erg bleek.
-
-„’t Is een ruïne!” zei hij toonloos.
-
-„Het is verschrikkelijk!”
-
-Een paar seconden zwegen beiden.
-
-„’t Beste is, Gérard, dat we hier den boel zoo spoedig mogelijk aan
-kant doen; dat je voor het lidmaatschap bedankt; dat we teruggaan naar
-Indië en je de praktijk weer opneemt.”
-
-„Ja,” zei hij nogmaals uiterst ontstemd.
-
-„’t Baat niet, Gérard, of we er lang over tobben. Een kort besluit, een
-goed besluit.”
-
-„Had ik maar heelemaal gedaan, zooals je gezegd hebt!”
-
-„Gedane zaken nemen geen keer, vent. Er moeten spijkers met koppen
-worden geslagen. Het is hoogst verdrietig, dat weet ik immers zoo goed
-als jij! Maar ’t baat niet er om te treuren.”
-
-Fournier keek haar met verwondering aan.
-
-Hij wist dat zij een hekel had aan Indië; dat zij er altijd ziek was;
-dat hun eerste kind er zoo geleden had; dat aan haar verblijf te
-Batavia hoogst onaangename herinneringen waren verbonden.
-
-En hij wist hoe blij ze was om zijn verkiezing, hoe zij in haar vreugde
-zelfs nog weinig dagen te voren had gesmaald op Indië.
-
-Nu was zij de eerste, die sprak van teruggaan naar Indië, niet alsof
-het een zaak was van de grootste opoffering, maar de meest alledaagsche
-ter wereld.
-
-„Ik vrees dat het onvermijdelijk zijn zal,” zei hij.
-
-„Zeker, met wat ons overblijft kunnen wij immers niet blijven leven,
-zonder erg te verminderen.”
-
-„Als we dat toch eens deden.”
-
-Beslist schudde zij het hoofd.
-
-„Neen, Gérard, dat mag niet; dáárvoor zijn we te jong.”
-
-„Ik heb zulke ernstige bezwaren.”
-
-„Zeker. Ik begrijp dat wel: je verkiezing hier; het nare werk ginds;
-het andere leven, eentonig en afmattend.”
-
-„Juist, dàt ook. Maar.....”
-
-„Kom,” zei ze, hem kussend en lachend, wel zenuwachtig maar toch met
-vertoon van vroolijkheid, „kom, het zal wel schikken. Wellicht is het
-weer in orde binnen een jaar of vijf. Dan zijn we weer hier terug, en
-het is maar de quaestie van eenigen verloren tijd.”
-
-„En jij, en de kinderen?”
-
-„Wij gaan natuurlijk mee.”
-
-„Om er weer als vroeger doodziek te worden?”
-
-„Wel neen; we zijn nu, Goddank, allen uitstekend gezond, en ik zie niet
-in, dat....”
-
-„En vroeger dan?”
-
-„Dat was iets anders. Mijn hemel, je kunt toch niet zeggen dat men
-ergens per se ziek moet zijn, omdat men er eens ziek was?”
-
-„Enfin, ik moet er eerst nog eens over nadenken; het is een heel
-besluit.”
-
-„Gérard, het geeft niets of je al langer nadenkt; het moet gebeuren,
-daartegen is niets te doen. Wat schrijft Droz?”
-
-„Kijk zelve maar,” antwoordde hij, zuchtend den brief overhandigend.
-
-Zij las hem met een gezicht vol ernst en gewicht.
-
-„Juist wat ik dacht! ’t Kantoor gaat prachtig, te beter naarmate de
-tijden slechter zijn.”
-
-„Ja, dat wist ik.”
-
-„En hij wil graag eens naar hier. O, maar Gérard, dat treft prachtig.”
-
-Doch Fournier werd boos.
-
-„Het ontbreekt er nog maar aan, dat je verheugd bent,” zei hij
-schamper. „Je schijnt heelemaal te vergeten, dat het vandaag de
-ongelukkigste dag is, die we in jaren hebben doorleefd. Je weet, ik
-hecht niet aan het geld om ’t geld, maar ik verzeker je, dat dit me te
-machtig is.”
-
-Het scheelde maar weinig of tranen van aandoening kwamen hem in de
-oogen. Hortense troostte en bemoedigde hem. Doch toen hij des middags
-in zijn kantoor was begonnen met maatregelen te nemen voor zijn
-vertrek, en hij voor ’t een en ander het advies zijner vrouw noodig
-had, vond hij haar met de kinderen op het tapijt zitten in hun
-kleedkamer, schreiend en snikkend.
-
-Hij was er zeer door bewogen, en zij, schrikkend op zijn onverwacht
-binnentreden, droogde haastig haar tranen. Daar had je het! dacht hij.
-Zij had zich goed gehouden voor hem; zij had zichzelve geweld aangedaan
-en hem het denkbeeld, naar Indië terug te keeren, met opgewektheid
-aangepraat, terwijl het haarzelve doodelijk bedroefde, hoewel ze hem
-toch niet alleen wilde laten gaan, al waagde zij er ook haar eigen
-gezondheid aan en die van haar kinderen.
-
-Bewogen keek hij haar aan, terwijl ze haar best deed om, zich
-bezighoudend en sprekend met de kinderen, hem niet te laten zien, dat
-ze gehuild had, en toen hij haar stil en met dankbare genegenheid
-aanzag, vond hij haar mooi en lief; het was de eerste maal in zijn
-leven.
-
-„Stance,” zei hij: „wil je me een groot, groot genoegen doen?”
-
-Verschrikt zag ze hem aan met wijdgeopende oogen en angsttrekken om den
-mond. Zij behoefde geen uitlegging; ze wist wat het was; zij had het
-gevoel dat ze in Indië haar dood te gemoet ging, doch dat vond ze het
-ergste niet; zij sloeg haar armen om zijn hals, en streed niet verder
-om haar droefheid te bedwingen.
-
-„Nooit, Gérard, nooit! Ik heb je eens laten blijven en ben alleen naar
-hier gegaan, en je hebt me zelf verteld hoe akelig en verdrietig je dat
-leven was zonder familie, zonder eigen gezin.”
-
-„Nu ja, doch wat.....”
-
-„Gérard, spreek er niet van; ik doe het niet. Wij moeten bij elkaar
-blijven. Later, als we ouder zijn en het mocht dan nog noodig wezen,
-dan kunnen we altijd zien.”
-
-„Dat is ook een uitvlucht!”
-
-„Het kan me niet schelen: nu doe ik het niet.”
-
-Hij kuste haar blonde haren; haar aanhankelijkheid deed hem goed, en
-zeker, het zou een heel ander leven voor hem zijn met haar en de
-kinderen in eigen woning, dan hier of daar te Weltevreden in een
-paviljoentje.
-
-Dokter Van der Linden en de jonge familie Riquelle hadden geen last van
-slechte tijdingen uit Indië. Wel hoorden zij er van spreken in Den Haag
-en zagen zij dat de couranten wemelden van advertenties, waarin huizen
-en villa’s te huur en te koop werden aangeboden met en zonder
-ameublement, maar verder trof het hen niet,—tot op een goeden middag
-Louise een brief ontving van haar gewezen stiefdochter, waarin die
-meedeelde, dat zij en Fournier door finantiëele omstandigheden
-genoodzaakt waren terug te keeren. Het trof haar hoogst onaangenaam;
-zooals haar sedert haar huwelijk met den ritmeester nog niets had
-getroffen, want alles ging van een leien dakje. Zij was op normalen
-tijd in „de” omstandigheden geraakt, en nu lag sedert maanden reeds,
-meer op den schoot van papa en mama Riquelle dan in zijn prachtig met
-kanten en strikken opgesierd wiegje, een jeugdige gravin Riquelle met
-den blonden krullebol, die sedert vele jaren het hoofd van dokter Van
-der Linden had verlaten, en met eenige sprekende bijzonderheden der Van
-Veltons, als had die oude Bataviasche koopman voor goed zijn tjap
-gedrukt op de nakomelingschap van Louise.
-
-Zij had daar, ondanks haar scherpzinnigheid, niets van bespeurd; zij
-verbeeldde zich, dat ’t kleintje sprekend op haar man geleek, en daar
-waren beiden recht gelukkig mee. Louise had een gevoel alsof ze tot
-rust was gekomen; alsof zij eindelijk was beland waar zij wezen moest.
-
-Met gemoedelijkheid en een kalm vertrouwen zag zij de toekomst tegen.
-Niets kon haar deren. Zij had Riquelle voor goed lief, en hij haar, dat
-wist ze; in de coterieën was zij opgenomen; men mocht haar gaarne en
-bewonderde haar gedistingeerde vormen en goeden conversatie-toon,
-terwijl men haar schoonheid benijdde en haar rijkdom op prijs wist te
-stellen.
-
-„Vindt je het niet vreemd, Edmund?”
-
-„Ja,” zei de ritmeester zijn rossige knevels opdraaiend, „dat is het
-zeker. Het spijt me voor Fournier. Ik weet dat hij het niet voor zijn
-genoegen doet.”
-
-„En hij is pas in de Staten-Generaal gekozen.”
-
-„Dat komt er nog bij! Ik kan me toch niet voorstellen, dat hij voor ons
-geld heeft gezorgd, en niet voor het zijne.”
-
-„Het schijnt toch wel.”
-
-„’t Zou verschrikkelijk wezen! Zouden we niet eens naar papa gaan?”
-
-„Mij dunkt, dat ware ’t beste; wellicht weet pa Van der Linden er meer
-van.”
-
-Zij lieten den coupé inspannen. Toen Louise bij het afrijden even door
-het raampje keek, betrok haar gelaat en liet zij zich achterover in de
-kussens vallen. Midden op den weg liep langzaam een vrij fatsoenlijk
-gekleed burgerman, nog jong betrekkelijk, met een ronden hoed en een
-wandelstok in de hand. Hij keek haar brutaal in het gezicht met een
-ergerlijk onbeschaamde uitdrukking op zijn gelaat. Het was nu reeds de
-derde maal dat zij, haar huis verlatend, dien persoon ontmoette en op
-die wijze door hem werd gefixeerd. ’t Was onuitstaanbaar, maar er was
-niets aan te doen. Riquelle had het niet gezien. Als hij ook maar had
-kunnen vermoeden, dat die man zijn vrouwtje hinderde, hij zou hem met
-de rijzweep hebben afgerost. Bij het huis van haar vader dacht zij er
-niet meer aan. Een mooie vrouw maakt dikwijls diepen indruk; dat was ze
-van jongs af gewend!
-
-„Het is een gek geval,” zei de oude heer, die wel hoe langer hoe kaler
-en grijzer werd, maar weinig verouderde, „hij heeft inderdaad voor ons
-geld gezorgd en niet voor ’t hunne.”
-
-„Maar hoe is het mogelijk?”
-
-„Sommige menschen zijn zoo. Hij is voorzichtig voor anderen, sekuur van
-aanbelang; maar zijn eigen geld moest hij door anderen laten beheeren.”
-
-„Zouden wij hen niet kunnen helpen?” vroeg Louise.
-
-Riquelle zei niets, maar keek haar een beetje angstig aan; hij bevond
-zich zoo uitstekend bij de tegenwoordige ruimte van middelen! En als
-iemand, die weet wat ontbering van comfort is, als men dit zoo gaarne
-zou hebben, was hij haast gierig op het bezit.
-
-„Wij zouden wel kunnen,” meende de dokter.
-
-„Welnu, dan moeten we het doen.”
-
-Maar haar vader schudde het hoofd.
-
-„Nonsens, kind. Persoontjes als Fournier en Hortense nemen zulke hulp
-niet aan.”
-
-De ritmeester haalde diep adem.
-
-„Dat meende ik ook.”
-
-„Wij konden het toch beproeven.”
-
-„Goed! Ik zal het doen, kind. Het is zeer zeker, dat het niets
-hoegenaamd zal baten; maar als ik je er een pleizier mee doe, dan
-gaarne, en ik beloof je, dat ik mijn best zal doen.”
-
-Zij vroeg naar haar zoon. Die was naar school, zei de dokter op een
-toon van gewicht.
-
-„Waarom neemt u niet liever een gouverneur?”
-
-„Gekheid! kinderen moeten met kinderen omgaan.”
-
-„Dat vind ik ook,” zei Riquelle.
-
-„Als jullie nog een kwartier wacht is hij thuis.”
-
-Maar daar had Louise geen tijd voor, want ze moesten nog noodzakelijk
-eenige visites maken, nu ze toch en route waren. Riquelle bevestigde
-het; hij was volstrekt niet verlangend naar den jongenheer Van Velton
-en de antipathie was wederkeerig.
-
-Glimlachend schudde de dokter het hoofd, hen uitlatend op den corridor.
-
-„U bent al tweemalen naar uw kleindochter wezen zien,” zei Louise
-verwijtend en terwijl ze de trap afging omkijkend naar haar vader.
-
-„Ik ga weinig uit, maar ik kom toch gauw eens aan.”
-
-Wat kon hem dat pasgeboren gravinnetje schelen! Had hij niet zijn eigen
-kleinzoon, dien fermen jongen?
-
-Toen zij in het rijtuig stapte, zag ze wederom aan de andere zijde door
-het raampje het gezicht van den man, dien ze de laatste dagen telkens
-als ze uitging ontmoette, die haar fixeerde en volgde; zij schrikte er
-ditmaal van. Het trof den ritmeester ook, dat die man zoo keek en hij
-monsterde hem met een gezicht en een paar oogen, die den kerel dadelijk
-vol vrees het hoofd deden omwenden.
-
-„Wat is dat voor een man?” vroeg hij, toen het rijtuig wegreed.
-
-„Ik weet het niet.”
-
-„Onbeschoft volk!”
-
-„Wel Edmund, ik zie nu al dagen lang dien man, telkens als we uitgaan,
-en iederen keer kijkt hij zoo verschrikkelijk brutaal.”
-
-Riquelle’s gezicht betrok onheilspellend.
-
-„Maar lieve Louise, waarom dat niet eer gezegd?”
-
-„Ik durfde niet goed, ik vond het zoo gek.”
-
-„Integendeel, het is....”
-
-„Ik was bang, dat je me zoudt uitlachen, of misschien in drift een
-ongeluk begaan.”
-
-„O zoo! Neen, ik zal wijzer zijn. Persoonlijk zal ik aan zoo’n individu
-de handen niet vuil maken.”
-
-„Het is allervervelendst!”
-
-„Wees maar gerust,” zei hij, zijn hand op haar schoot leggend en de
-hare zacht drukkend met een teedere beschermende uitdrukking op zijn
-gezicht: „je zult er geen last meer van hebben.”
-
-Dokter Van der Linden liet er geen gras over groeien. Nauwelijks was
-zijn kleinzoon van school thuis gekomen, of hij liet hem netjes kleeden
-en toog op weg naar de Fourniers; al wandelend praatte hij met het
-ventje; het was zijn grootste genoegen. Aan de overzijde van de straat,
-een eindje achter hen, volgde dezelfde man, van wien Louise last had.
-Met de handen in de zakken van zijn paletot, den wandelstok onder den
-arm, het hoofd vooruit en een weinig gebogen, slenterde hij langzaam
-voort, in gedachten verzonken, nu en dan een blik slaande op den ouden
-heer en het kind aan de overzijde. Zoo volgde hij hen tot voor het huis
-van Fournier.
-
-„Toe Hortense,” zei de dokter, „hou jij mijn kleinen vent zoolang
-bezig. Ik wou Gérard eens spreken over zaken.”
-
-„Hij is op zijn kantoor.”
-
-„Goed kind, dan vind ik hem wel.”
-
-„U wilt....”
-
-„Wat?”
-
-„U wilt ons toch geen proposities doen om hier te blijven?”
-
-„En als dat nu eens ’t geval was?”
-
-Hortense kreeg een kleur en haar hoofd, zich oprichtend, maakte korte,
-zenuwachtige bewegingen vol trots.
-
-„Het is heel lief van u, doch het helpt niet.”
-
-„En waarom niet, asjeblieft?” vroeg de oude heer boos en op den
-eenigszins ruwen toon, die hem in vroeger jaren niet vreemd was.
-
-„Omdat wij niet mogen en niet kunnen.”
-
-„Pfff! groote woorden, meisje! Zaken zijn zaken, dat zei je oude heer
-altijd en dat is waar. Asjeblieft geen sentimentaliteit.”
-
-„Het is geen sentimentaliteit!”
-
-„Wat is het dan? Is ons fortuin niet wezenlijk het onze en zijn wij er
-niet op eerlijke en fatsoenlijke manier aangekomen?”
-
-„Och, dat is het niet, meneer Van der Linden.”
-
-„Dat is het wel, mevrouw Fournier, want was dat anders, dan hadt je
-gelijk. Het is ’t eenig motief voor het afwijzen van proposities als de
-onze.”
-
-„We kunnen heusch niet.”
-
-„Nu,” vervolgde hij lachend, „wind je maar niet op. Ik zal het wel eens
-bepraten met je man.”
-
-En hoe weinig hoop hij daarop had, deed hij toch zijn best; toen hij
-binnenkwam riep hij met bonhomie, waardoor echter een tintje
-ontevredenheid straalde:
-
-„Wat ga je nu voor onbezonnen dingen doen?”
-
-Fournier stond op en ging hem met een uitgestoken hand te gemoet.
-
-„Het moet, papa Van der Linden; het is onaangenaam, maar het kan niet
-anders.”
-
-„Hoor eens, Fournier: een kort lied is gauw gezongen. Wil je me cijfers
-noemen?”
-
-„Onder ons, natuurlijk!”
-
-„Dat spreekt vanzelf.”
-
-Zij staken de hoofden bijeen boven het zakboekje, dat Fournier op zijn
-schrijftafel opensloeg.
-
-„Nu,” zei de dokter opkijkend over zijn bril. „Het is te doen!”
-
-„Dat wil zeggen?” vroeg Fournier, die met minder scherpzinnigheid in
-dit geval dan Hortense, niet zoo dadelijk het fijne van de zaak
-begreep.
-
-„Kijk eens hier! Wij, Louise en ik, kunnen samen zooveel dekken dat
-jullie niet naar Indië behoeft te gaan.”
-
-Fournier stond driftig op met een breed gebaar van afwijzing.
-
-„Stil!” vervolgde de dokter: „laat me uitspreken. Als je gaat met je
-familie, zal Stance er zeker ziek worden, want zij is nu eenmaal niet
-voor het klimaat vervaardigd, en je kindertjes hoogstwaarschijnlijk
-ook. Ik heb veel, wat het beheer van mijn vermogen aangaat, haar vader
-en jou te danken. Louise nog veel meer door haar zoo belangrijk aandeel
-in de erfenis van Van Velton. Het is dus geen geschenk, geen
-edelmoedigheid of zoo,—het is een uitvloeisel van knellende zedelijke
-verplichting en het zal mijn dochter en mij een vreugde zijn.”
-
-Een oogenblik dacht Fournier na, aarzelend.
-
-„Laat Hortense beslissen.”
-
-Maar de dokter werd rood van kwaadheid, sloeg met zijn vlakke hand op
-de schrijftafel, dat de inkt uit den koker spatte, en riep:
-
-„Dat behoeft niet, want ze verdomt het. Ziedaar!”
-
-Zich in stilte vermakend om den barschen uitval van den dokter,
-betoogde nu Fournier met grooten ernst, dat het voorstel, hoe goed
-gemeend en hoe treffend offervaardig, onmogelijk kon worden aangenomen.
-
-„Men doet zoo iets,” dus eindigde hij, „als men in werkelijken nood zit
-en dan, zou ik zeggen, is het plicht.”
-
-„Maar jullie zit in nood.”
-
-„Och kom!” lachte Fournier: „dat is ook wat!”
-
-„Waarachtig! Je begrijpt het niet, mijn waarde, maar het is zoo.
-Hortense houdt het niet vol in Indië en de kinderen ook niet.”
-
-„Dat is niet gezegd; zij zijn er vroeger....”
-
-„Geloof je dat ik van zulke zaken meer weet dan jij?”
-
-„Zeker. Maar u heeft thans een nevenbedoeling.”
-
-„Goed! Als je meent dat dit overwegend is, kan ik je niet overtuigen;
-intusschen: ik heb je gewaarschuwd en ik zal het Stance ook doen. De
-gevolgen van deze dwaasheid komen voor jullie rekening.”
-
-Half boos ging de oude heer heen, en toen hij in de kamer kwam waar
-zijn kleinzoon, die zich veel te groot achtte om zich met die
-„kleintjes” bezig te houden, een heel eigenwijs gesprek hield met
-Hortense—ging hij regelrecht op haar af.
-
-„Zeg Stance, als je soms lust hebt tot zelfmoord, dan is er een
-gemakkelijker manier voor jou en de kinderen dan naar Indië te gaan.”
-
-Zij trok ongeloovig en minachtend de schouders op.
-
-„Je denkt, dat het niet waar is, maar ik geef je er mijn woord op, mijn
-woord van eer.”
-
-„Waarop?”
-
-„Op de waarheid van ’t geen ik zeg. Binnen het jaar ben je dood.”
-
-„Het is goed!”
-
-„Wat is het? Is het goed?”
-
-„Nu, zoo meen ik het niet. Maar als het waar was...”
-
-„Als het waar was? Het is waar.”
-
-„Ik zeg: als het waar was, ging ik toch nog liever, dan hem alleen te
-laten gaan.”
-
-„Maar mijn God, jullie bent zoo koppig als ezels. Hij behoeft immers
-evenmin te gaan.”
-
-Zij knikte vastberaden met het hoofd.
-
-„Wij moeten.”
-
-Driftig reikte de oude heer haar de hand.
-
-„Dan wil ik je groeten.”
-
-Hij trok zijn kleinzoon mee, en Hortense half lachend liep hem
-achterna.
-
-„Ik hoop niet, dat u boos zijt.”
-
-„Och wat? Jullie bent een paar dwazen; een paar kinderen, die elkaar
-opwinden. Jullie brengt van die nonsense ideeën uit romans en
-tooneelstukken over in je dagelijksch leven. ’t Is een paskwil!”
-
-En hij liep woedend weg, regelrecht naar de Riquelles.
-
-„Ik had het wel gedacht,” zei Louise zuchtend.
-
-„’t Is jammer,” veinsde de ritmeester, „maar het doet hen toch in mijn
-achting rijzen.”
-
-„Zoo,” grijnsde de dokter, hem kwaadaardig door zijn bril beglurend, en
-bij zichzelven dacht hij: die is goed! eerst neemt hij uit
-onbaatzuchtigheid Wies om haar dubbeltjes en nu een ander weigert iets
-daarvan te aanvaarden, doet dat hem in zijn achting rijzen. Hij zei
-niets, maar lachte zacht en met ergernis.
-
-„Wil ik het nog eens beproeven?” vroeg zij aarzelend.
-
-Dat zou wel een zeer slecht middel zijn geweest, en zij zag er
-gruwelijk tegen op.
-
-„Geen moeite doen, kind! Zij willen niet en jij noch iemand ter wereld
-zal die stijfkoppen tot verstandige menschen bekeeren.”
-
-„Ik kan die opvatting niet deelen,” zei de ritmeester ter verdediging
-der Fourniers.
-
-„En ik zeg, dat het belachelijk komedievertoon is.”
-
-„Ja, men kan alles zoo noemen. Op die wijze wordt elke geste een
-acteursdaad en elk beter gevoel theatralia.”
-
-„Niet alles, maar heel veel. Pouah! ’t is belachelijk,” ging de dokter
-voort, wiens ironische geest bovenkwam. „Als ik in den schouwburg zit,
-zie ik bijvoorbeeld een stuk opvoeren. Twee jonge menschen zijn op
-elkaar verliefd; dat hebben ze natuurlijk al lang aan elkaars gezicht
-gezien. Het meisje is rijk, de jongeling arm. Het is voor zijn
-fijngevoelig hart een onoverkomelijk bezwaar. Ik woon zijn zielsstrijd
-bij en haar verdriet; ik hoor zijn klachten, ik zie hem lijden, en dat
-werkt op mijn zenuwen. Ik krijg er tranen van in de oogen, en ik ga met
-een bewogen gemoed naar huis. Zoo’n edel karakter, hè! Maar gesteld
-eens, dat ik een zoon had, een knap jongmensch met een fatsoenlijke
-positie, maar, evenals ik dan, zonder fortuin en die zoon kwam me tegen
-terwijl ik nog onder den indruk van die edele onbaatzuchtigheid op de
-planken, naar huis wandelde; en die zoon zei: Papa, ik ben doodelijk
-verliefd op een meisje met een ton of vier, wat denk je dan, dat ik zou
-antwoorden?”
-
-Riquelle draaide zijn knevels op en zei niets; Louise, eenigszins boos,
-evenmin.
-
-„Dan zou ik zeggen,” ging de oude heer voort: „blikskater, die moet je
-zien te krijgen. En als hij mij dan antwoordde, dat het meisje ook heel
-veel van hem hield, maar dat hij haar niet wilde vragen uit een gevoel
-van kieschheid of onbaatzuchtigheid, omdat zij zooveel geld had en hij
-niet, dan geloof ik dat ik hem op straat om zijn ooren zou slaan, mij
-bitter beklagend dat de goede God me zoo’n domoor tot zoon had gegeven.
-Ik weet niet, schoonzoon,” voegde hij er bij, „hoe u daarover denkt.”
-
-Als ze onder vier oogen waren geweest, zou Louise, die inwendig kookte
-van woede, haar vader de repliek niet schuldig zijn gebleven; nu vond
-ze ’t beter te zwijgen.
-
-„De oude heer,” zei Riquelle later, „zal mij nooit vergeven, dat ik
-zijn kleinzoon concurrenten bezorg.”
-
-In geen jaren was de dokter zoo uit zijn humeur geweest en knorrig
-zelfs tegen zijn afgod, den kleinzoon, die op zijn beurt zeer boos was,
-wilde hij in zijn coupé stappen dien hij ontboden had, terwijl hij bij
-zijn dochter vertoefde.
-
-Maar er werd een hand op zijn arm gelegd en hij stond stil, trachtend
-door zijn bril den persoon te herkennen, die hem staande hield, wat
-door de ingevallen duisternis niet gelukte.
-
-„Dèg dokter,” zei een pedante Haagsche stem met een intonatie, die
-duidelijk vroeg: herken je me niet?
-
-En de dokter, die de stem herkende, zei barsch:
-
-„Wat mot-je?”
-
-„U is wel vriendelijk! En dat onder goede bekenden.”
-
-„Zoek je bekenden maar elders.”
-
-„En als men nog wel aan elkaar is geparenteerd langs de teedere
-vrouwelijke lijn.”
-
-„Hoor eens, geen praatjes, hè! Ik wil niets met je te maken hebben. Ik
-heb destijds niets als onaangenaamheden van je beleefd. Wat ik na dien
-van je gehoord heb....”
-
-„Lèster, lèster, allemaal lèster!”
-
-„Het kan me niet schelen of het laster is, maar ik verbied je mij
-lastig te vallen en mij aan te spreken.”
-
-„O gèèrne, gèèrne! ’t Is niet om lèstig te zijn, volstrekt niet. Ik wou
-u alleen maar aanpompen voor vijf en twintig pop.”
-
-Het was de oude geschiedenis. Bij al zijn boosheid overviel den dokter
-een onweerstaanbare lachlust om den dwazen vent; maar hij hield zich
-goed.
-
-„Geen cent,” zei hij barsch en wilde in zijn rijtuig gaan.
-
-Doch de andere hield hem vast bij zijn jas.
-
-„Kom dokter, wees niet chicaneus; tien pop, ziedaar; tien pop en een
-lekkere sigaar. Ik weet niet meer hoe die smaakt, parole d’honneur!
-en,” zei hij zachter, „ik heb honger ook.”
-
-De oude heer voelde in zijn vestzak, haalde er een gouden tientje uit
-en stopte het in de lange knokkelige hand.
-
-„Merci! En nu de sigaar.”
-
-„Loop naar den duivel.”
-
-Dokter Van der Linden wipte in zijn coupé, waar het kind reeds in een
-hoekje zat gedoken, en sloeg de deur met een harden slag dicht.
-
-Ronduit gezegd was dit een waardig einde van dien onaangenamen dag. Hij
-had niet kunnen weigeren op dat woord: honger, dat zoo’n naren klank
-had; maar het was een dwaasheid geweest. De vent zou hem wel weer weten
-te vinden; hij was te zeer een panier percé en te goed geslaagd met die
-tien gulden om het bij deze eerste poging te laten. Wat daartegen te
-doen? De politie? Maar och, dat was ook al zoo moeilijk. De heele oude
-geschiedenis, met dien Van Leeuwendaal te Batavia voorgevallen, stond
-hem nu weer helder voor den geest. Ze was reeds lang in ’t vergeetboek
-geraakt. Men sprak er niet meer van en zou er wellicht nooit meer over
-gesproken hebben, als dat akelig individu daar niet onverwacht en van
-slechter conditie dan ooit, uit de lucht kwam vallen. Een diepe zucht
-ontsnapte den dokter. Het was een beroerd geval. Nog denzelfden avond
-schreef hij aan Louise:
-
-„Kindlief! Hedenavond ben ik aangehouden en om geld gevraagd door dien
-Van Leeuwendaal. Mocht hij zich ook tot u wenden, zeg hem of laat hem
-zeggen, dat gij hem niet te woord staat. Vroeger was hij een dwaas, nu
-is hij een gemeen sujet geworden, waarmede een vrouw als gij zelfs geen
-gesprek kunt voeren. Je Pa.”
-
-Het was volstrekt niet overdreven en dokter Van der Linden was goed
-ingelicht.
-
-Toen Van Leeuwendaal terugkwam bij zijn ouders met zijn kort, maar naar
-zijn meening hoogst interessant avontuur in Indië, dacht hij er minder
-dan ooit aan iets ter hand te nemen. Hij slenterde rond, kroeg in,
-kroeg uit, flaneerend langs de straten, burger- en dienstmeisjes
-bewerkend met monocle en badientje, en eindelijk, toen zijn ouders
-gestorven waren en ’t beetje geld op was, toog hij naar Amerika. Hij
-speelde er den schuimlooper een jaar of wat lang, tot dat nergens meer
-goed ging, en kwam terug naar Europa. Eerst trad hij op te Londen,
-leefde er goed van, doch werd op een zeer onbehoorlijke manier
-betrokken als medeplichtige in een valsche wisselzaak. Dit bracht hem
-een paar jaren in de gevangenis, en dit knakte hem naar het uiterlijk
-zóó, dat haast niemand hem herkende en men er over verbaasd moest
-staan, dat zulk een hoogst ordinair uitziend individu ooit een swell
-was geweest. Nog teerde hij op zijn naam, die bekend was, en zijn
-titel; nog waren er kroeghouders, gewezen livreibedienden of
-kamerdienaars, die zich herinnerden hoe zij voor hem als kind en voor
-zijn familie, met nederige buigingen de deur hadden geopend, en die het
-niet over hun hart konden krijgen hem krediet te weigeren, al wisten
-zij ook, dat hij nimmer zou betalen.
-
-Op een goeden dag, slenterend langs de straten, zijn eenig bedrijf, zag
-hij mevrouw Riquelle. Hij twijfelde; ook zij was veranderd, schoon niet
-zoo ongunstig; zij was dik geworden, en ze scheen nog veel dikker door
-haar „omstandigheden”, welke zij rustig, zonder vertoon, maar ook
-zonder terughoudendheid, droeg; hij liep haar vooruit en toen weer
-terug; toevallig keek ze hem aan; nu twijfelde hij niet meer; zij was
-het, maar ze had hem niet herkend, en hij miste den moed haar aan te
-spreken. Doch hij had nagedacht en geïnformeerd, en hij had ingezien
-dat dit voor een chevalier d’industrie als hij, een waar buitenkansje
-was, een melkkoetje, dat in geen jaren zou opdrogen.
-
-Zoo had hij eenige dagen rondgegluurd en geloerd.
-
-En eindelijk, zijn kans schoon ziende, had hij den dokter gesnapt en
-met betrekkelijk goed resultaat. Hij wreef het gouden tientje tusschen
-zijn mageren duim en wijsvinger. ’t Was zoo’n aangenaam gevoel. In geen
-maanden had hij goud in zijn handen gehad!
-
-Voor het venster van een winkel, waaruit een breede lichtbundel zich
-krachtig naar buiten verwijdde, veegde Van Leeuwendaal met groote zorg
-zijn rossigen hoed en sloeg hij de pluisjes van zijn kale jas; toen
-liep hij met zijn kromme, naar binnen gebogen magere beenen snel de
-Plaats over en trad vast besloten de restauratie van Van der Pijl
-binnen. Er zaten verscheiden gasten, waaronder die Van Leeuwendaal en
-zijn verleden op hun duimpje kenden. Het waren meer verwonderde en
-medelijdende blikken, die hem troffen, dan boosaardige, zelfs van den
-kant des ouden kellners. Hij zette zijn hoed af; in die weinige jaren
-had hij zijn ganschen haartooi verloren; zijn schedel glom als een
-spiegel.
-
-Toen hij op zijn ouden toon een matig dinertje bestelde, liet hij
-gemakshalve den bediende ’t goudstuk zien; toen werd hij in dit
-établissement, waar hij ook meer schuld had dan krediet, bediend. Hij
-at geweldig, en de oude knecht, die toekeek, had zulk een medelijden,
-dat hij desnoods voor hem zou betaald hebben. Van Leeuwendaal keek daar
-niet naar,—wie bekommerde zich om knechts! Hij riep, toen hij voldaan
-was, om een havana, stak die aan, slurpte een likeurtje en stak zijn
-beenen voor zooveel mogelijk rechtuit onder de tafel.
-
-En al „savoureerend”, zooals hijzelf zou gezegd hebben, van het een in
-het ander, met een lichten nevel om zijn geest en een sterke neiging
-tot slaperigheid, trachtte hij er over na te denken, welke middelen hem
-ten dienste stonden om de Van der Lindens verder te exploiteeren.
-
-Hij zou haar bang maken, en dan zou zij wel moeten afschuiven; niet dat
-hij het doen zou op brutalen, dreigenden toon,—volstrekt niet. Daartoe
-was hij te veel gentleman; men moest nooit onbeschoft zijn tegen de
-dames. Hij zou zeer nederig verzoeken op zijn manier, en dan zou zij
-toch wel gevoelen en begrijpen, dat een fatsoenlijke dame zich geen man
-tot vijand maakt, die, toen ze nog jong meisje was, ’s nachts, terwijl
-ze sliep, bij haar in de kamer is geweest. Er was wel niets gebeurd,
-maar toch: iedereen kon het zijne er van denken, en de graaf Riquelle,
-officier der cavalerie, zou zeker niet gesticht zijn als hij er van
-hoorde; Van Leeuwendaal gevoelde zich niet op zijn gemak toen hij dacht
-aan dien ritmeester, die hem zoo nijdig had aangekeken, en die volkomen
-in staat was hem een geweldig pak slaag toe te dienen. Doch zij kon wel
-zwijgen en opdokken; hij had haar in zijn macht; ’t was maar te doen om
-een handig gebruik te maken van wat hij wist.
-
-Langzaam en met tegenzin stond hij op en betaalde. Er werd in het
-fatsoenlijk établissement zelfs geen poging gedaan om hem ’t geld op
-afrekening zijner oude schulden in te houden; wat er na de vertering
-over was, kreeg hij terug; recht liep hij naar de overzijde een stil
-koffiehuis binnen, waar hij plaats nam achter het groene gordijn, dat
-hen, die voor het venster zaten, in de duisternis hield en dus onttrok
-aan de blikken der voorbijgangers; hij dronk er eenige glazen bier en
-een paar grogjes, en ging toen eenigszins zwaaibeenend naar wat hij
-zijn huis moest noemen; een armzalig zolderkamertje in een hoog,
-vervallen huis door tal van gezinnen bewoond, dat in de oude stad stond
-en bekend was in de wandeling als de „Arke Noachs”.
-
-Baron Van Leeuwendaal liet zich maar half ontkleed in het bed vallen,
-kroop tusschen het vuile beddegoed en sliep, dank zij den sterken
-drank, weldra vast genoeg om geen last te hebben van talrijke gasten,
-die gymnastiek maakten tegen de bedgordijnen.
-
-En toen hij reeds sliep, droomend van een lui en lekker leven, zat
-Louise nog op, ongerust en zenuwachtig over dat briefje van haar vader.
-
-Maar zij was het daarmee niet eens.
-
-Een passieve houding strookte, als er iets bijzonders te doen was, in
-’t geheel niet met haar aard. Zij had allerlei plannen bedacht om
-handelend op te treden en weer verworpen.
-
-Toen ze haar man van een vergadering hoorde thuiskomen, waarin
-militaire zaken werden besproken, bergde zij ’t briefje weg en
-veranderde de uitdrukking van haar gezicht.
-
-„Het heeft lang geduurd,” zei ze.
-
-„Ja, maar ’t was zeer interessant; een lezing over de ontwikkeling van
-het paard.”
-
-„Nu, dat zal jij wel mooi hebben gevonden.”
-
-„Natuurlijk.”
-
-„En wat vertelden ze?”
-
-Het interesseerde haar niets, maar zij kende zijn liefhebberij voor
-paarden, en ze wist hoe graag hij er over sprak, als hij meende haar
-niet te zullen vervelen. Zoo verviel hij nu ook in een uitweiding over
-tal van bijzonderheden uit het leven van veulens, waarbij zij
-aandachtig luisterde, met moeite den drang tot geeuwen bedwingend.
-
-„A propos, ik heb dien kerel gerecommandeerd,” zei hij, toen zijn
-mededeelingen gedaan waren.
-
-„Wien?” vroeg zij verschrikt.
-
-„Wel, dien ploert, die ons altijd zoo brutaal fixeert en soms hier om
-het huis draait.”
-
-„Je hebt toch geen aangifte.....”
-
-„Bij de politie? Neen, merci, mijn beste! met de politie,” zoo
-vervolgde hij op den toon der diepste verachting, die een hooggeboren
-Hagenaar voor de politie koestert, „wil ik nimmer iets te maken
-hebben.”
-
-„Dat is goed!”
-
-„Ik heb veel eenvoudiger expediënten voor zulk volk.”
-
-„Wat dan, Edmund?”
-
-„Ik heb twee van mijn mannetjes gezegd nu en dan een oog in het zeil te
-houden.”
-
-„En als ze dien man zien?”
-
-„Dan zoekt een hunner ruzie met hem en ranselt hem af, terwijl de ander
-op den uitkijk blijft staan; dat doen wij altijd met zulk volk.”
-
-„Het is zeker heel gemakkelijk, maar is het niet gevaarlijk?”
-
-„Bah, men laat de cavalerie met rust.”
-
-De recommandatie trof al zeer spoedig doel.
-
-Het gaf geen aanleiding tot tusschenkomst der politie; al wist Van
-Leeuwendaal uit welken hoek de wind woei, toch vond hij het niet
-raadzaam een aanklacht in te dienen, welke bij zijn antecedenten zeer
-zeker tot geen voldoening zou geleid hebben. Met een doek om zijn oog
-en een kreupel been, ging hij dokter Van der Linden opzoeken, die, toen
-hij van den bediende hoorde hoe het individu was toegetakeld, zijn
-pleizier en zijn nieuwsgierigheid beide niet kon bedwingen.
-
-„Zóó,” zei hij norsch, „wat is het nu weer?”
-
-„Ik kom uw geneeskundige hulp inroepen.”
-
-„Dank je. Ik gun jongere collega’s graag patiënten.”
-
-„Het is anders niets meer dan billijk,” vervolgde Van Leeuwendaal op
-klagenden toon, „dat de vader repareert, wat de dochter beschadigt.”
-
-„Ik verzoek je mijn dochter buiten spel te laten; zij heeft met
-vechtpartijen en dronkenmansgelagen niets te maken.”
-
-„Och wèt? Vechtpartijen en dronkenmènsgelagen! Ik wou wèrèchtig, dat ik
-dronken was geweest en gevochten had. Ik ben aangerand en mishandeld,
-door gemeene soldaten, die u of uw schoonzoon op me hebt afgezonden.”
-
-„Zoo?” zei de dokter lachend. „Nu, ik deed het niet, maar als mijn
-schoonzoon dat mocht gedaan hebben, geef ik hem groot gelijk. Lieden
-als jij verdienen niet beter. Doe dien band eens van je oog.... hm! ze
-hebben je aardig te pakken gehad..... De kerel, die je dien opstopper
-gaf, had iets in zijn mouwen.... Ik zal je een smeersel voorschrijven
-en droppels tegen de ontsteking..... Doe nu maar weer dicht, en laat me
-het been zien.”
-
-Van Leeuwendaal deed het alles in stilte, blij dat het zoo gelukt was,
-zich op die wijze weer in te dringen.
-
-„Ze hebben je zeker een trap gegeven tegen het scheenbeen, hè?” vroeg
-dokter Van der Linden en meteen kneep hij in het been, dat Van
-Leeuwendaal het uitschreeuwde.
-
-„Net ooievaarspooten,” mompelde de dokter met belangstellende
-verbazing.
-
-Maar intusschen schreef hij wat voor en blies in zijn beurs.
-
-„En hoe weet jij nu,” vroeg hij ten slotte, „of die kerels iets met den
-ritmeester Riquelle te maken hadden?”
-
-„Het was in den omtrek van zijn huis.....”
-
-„Dus je liep te spionneeren!”
-
-„Volstrekt niet, dokter! Ik dacht er zelfs niet aan. Ik deed mijn
-avondwandeling voor de digestie, en dan kom ik altijd langs het huis;
-ik pèsseer....”
-
-„Maak het maar kort.”
-
-„Plotseling komt mij een eindje verder, juist voor een klein stil
-zijstraatje, een soldaat op zij, grijpt mij bij den arm en rukt mij ’t
-straatje in; een ander soldaat scheen daarvoor de wacht te houden. Ik
-geef den vent parole d’honneur een what you call voor zijn kop, maar
-hij was de sterkste. Enfin, hij zei: smeerlap, nu voortaan uit de buurt
-van mijn ritmeester blijven! Is dit niet een afdoend bewijs?”
-
-De dokter haalde lachend de schouders op.
-
-„Ik zou het aannemen, als ik in jou plaats was, voor een goeden raad,
-mij er naar gedragen, en God danken dat ik er nog zoo goed was
-afgekomen.”
-
-„Tudieu! God danken voor een pak slaag,—die is wel aardig! Ik weet nog
-niet precies of ik het doen zal.”
-
-Van Leeuwendaal grijnsde zoo leelijk, dat de dokter hem sterk verdacht
-van wraakzuchtige plannen.
-
-„Als je nu heel fatsoenlijk bent,” zei hij, „dan zal ik je nu en dan
-iets geven voor je onderhoud. Maar maak het mij noch iemand lastig, dat
-zeg ik je, want dan is het uit en voor goed ook, hoor! Ga nu maar
-gauw!”
-
-„Dank u, dokter, mèèk u verder niet ingerust over mijn précieuze
-gezondheid.”
-
-Buiten frommelde hij ’t papiertje ineen en wierp het weg. Dat oog en
-dat been zouden ook wel beteren zonder zalf of droppels. Een glas grog
-meer, men sliep lekker, slaap genas en dat was minder kostbaar, doch
-veel lekkerder. „Een trouvaille,” mompelde hij hoofdschuddend
-voortstrompelend, „een ware trouvaille die familie. De oude heer zal me
-in mijn ziekte nog vet mesten en als ik beter ben, wacht maar, dan
-zullen we die lieve familie wel straffen. Die dragondergrap zal haar
-duur te staan komen.”
-
-Terwijl hij voortliep, tornde hij om een hoek bijna tegen een heer op,
-die, met zijn wandelstok zwaaiend, luid in zijn eentje sprak.
-
-„Pèrdon!” zei Van Leeuwendaal pijnlijk.
-
-„Het is niets; hebt gij u niet bezeerd?” vroeg de andere, den doek
-ziende en het kreupel loopen.....
-
-„U is wel vriendelijk! Dat is niet iedereen.”
-
-„Zijt ge zoo weinig niet gewoon?”
-
-„Om u de wèèrheid te zeggen, in den laatsten tijd niet erg. Als men
-geen geld heeft, pèrbleu!....”
-
-„Ge schijnt toch een goede opvoeding te hebben genoten.”
-
-„Magnifique!” zei Van Leeuwendaal met een geheimen spot, die den ander
-ontging. „De fijne puntjes ontbraken, dat is het eenige wat er aan
-mankeert.”
-
-„En geen werk?”
-
-„Wat blief? Geen werk, vraagt u?”
-
-„Ja, ik vraag of gij geen werk, geen betrekking kunt vinden in deze
-door en door verrotte maatschappij.”
-
-„Ah!.... u bent een sociaal-democraat?”
-
-„Ja.”
-
-„Dat zou men u niet aanzeggen.”
-
-„Ik ben het niet uit armoede, maar uit overtuiging. Sedert ik weet hoe
-onze samenleving het recht met de voeten treedt en hem, die er voor
-strijdt, verguist en beleedigt, heb ik nagedacht en ben tot een
-bepaalde overtuiging gekomen.”
-
-Hij had eenige schreden met den kreupelen, doodarmen baron opgeloopen,
-en was nu stil blijven staan onder het licht van een lantaarn.
-
-„Mijn denkbeelden hebben zich verruimd; van het enge van een bepaalden
-werkkring, zijn zij gekomen tot een begrip, dat het geheel onzer
-maatschappelijke samenleving ook in zijn onderlinge verhoudingen
-begrijpt. Ik weet thans welke ellende wordt schuil gehouden onder het
-dunne vernislaagje onzer beschaving.”
-
-„Eééh!” riep Van Leeuwendaal buitengewoon verrast.
-
-Hij rekte zijn mageren hals uit en draaide met zijn hoofd heen en weer,
-om met het beschikbare ééne oog het gezicht van den vreemdeling beter
-te kunnen zien; deze, die van de zonderlinge inspectie niets begreep,
-richtte zijn kloek gebouwde gestalte meer op, benieuwd te weten, wat
-deze proletariër bedoelde.
-
-„Eééh!” herhaalde Van Leeuwendaal op fijnen, gerekten toon. „Maar u
-bent, wacht eens.... Wat drommel, het is haast onmogelijk, dat ik me
-vergis.... Laat eens kijken: de luitenant Van.... de luitenant Van....
-Tiens, tiens! ik kan op den naam niet komen.”
-
-„Ik heet Van Schermbeek.”
-
-„Precies! Eureka! Het is Van Schermbeek!”
-
-„Maar wie is u?”
-
-„Van Schermbeek! In Indië geweest.... artillerie.... gewoond bij moeder
-Sleeks.... met Fournier en van.... van.... Die duivelsche namen!”
-
-„Van Brakel,” klonk het, maar niet meer opgewekt of oratorisch; veeleer
-pijnlijk.
-
-„A la bonne heure! Van Brakel! Ja, dat was een andere tijd; een rare
-boel voor mij, maar toch nog zoo kwaad niet bij later vergeleken.
-Enfin! Het is wonderlijk, dat u mij niet herkent. Iedereen herkent mij
-bij het eerste woord. Ik ben Leeuwendaal, baron Van Leeuwendaal.”
-
-De gewezen luitenant Van Schermbeek ging een schrede terug; hoezeer hij
-in den laatsten tijd nogal in aanraking kwam met menschen van minder
-allooi, was hem dit specimen toch te machtig. In een oogenblik
-herinnerde hij zich weer de geheele geschiedenis te Batavia
-voorgevallen en ook de veel erger ongunstige mededeelingen nu en dan
-gedurende zijn verblijf in Holland vernomen. Hij was door opvoeding,
-verleden en karakter een veel te fatsoenlijk man om zich met gemeen
-volk gemakkelijk te encanailleeren.
-
-„O zoo!” zei hij langzaam en tamelijk ontnuchterd. „Is u die persoon?”
-
-„Hm! Dezelfde.”
-
-Van Schermbeek zon gaarne gezegd hebben, dat hij dan het genoegen had
-hem te groeten, maar zijn nieuwe denkbeelden omtrent de maatschappij
-enzoovoort waren daarmee in lijnrechten strijd.
-
-„En hebt u geen middel van bestaan?”
-
-„Direct niet. Ik leef zoo’n beetje van den eenen dag in den anderen.”
-
-„Zoudt gij geregelden arbeid verlangen?”
-
-„Werk! Ik weet eigenlijk niet goed wat dat is. Ik heb nooit gewerkt.”
-
-„Dan is het meer dan tijd, om, als het kan, een fatsoenlijk, werkzaam
-leven aan te vangen.”
-
-„Daar zit juist de knoop: het kan niet.”
-
-„Waarom niet?”
-
-„Het is geheel in strijd met mijn aard en gewoonten; ik zou kunnen
-voorgaan, toespreken....”
-
-„Aan voorgangers en redenaars van uw slag is geen behoefte,” zei Van
-Schermbeek, kalm en ernstig: „wij hebben dus verder niets te bespreken.
-Goeden avond!”
-
-„A propos, werp het idee niet weg. Ik zou....”
-
-„Goeden avond!” herhaalde de ander op een toon, die voor Van
-Leeuwendaal geen verdere discussie toeliet. En Van Schermbeek ging op
-zijn schreden terug.
-
-
-
-Corrie Roos had haar intrek genomen bij den slijter om, zoo dacht zij,
-de schuld haars vaders in te verdienen. De behandeling viel haar mee;
-de menschen waren zoo kwaad niet. Doch langzamerhand en zonder dat zij
-het eigenlijk bespeurde, verviel zij metterdaad in het dagelijksch
-leven tot weinig meer dan een gewone dienstbode.
-
-Alleen als er „partijen” waren of de burgerluitjes uitgingen was zij
-zoo iets als een dame, want dan werd met haar geparadeerd als met de
-kapiteinsdochter, die tot levend en welgedaan bewijs moest strekken van
-de menschlievendheid der familie, welke haar om niet in huis had
-genomen en verzorgde. Zij kwam in gezelschappen, die ze niet kende;
-waar het er netjes en goed gemeubeld uitzag; waar het aan dranken en
-lekkernijen niet haperde; waar de dochters en vriendinnen goed gekleed
-waren; waar het vroolijk toeging,—maar waar toch stukjes werden
-uitgehaald en uitlatingen werden gebezigd, die ze wel kende van de
-school en van de straat, maar die ze noch in haar kinderjaren in Indië,
-noch thuis van haar vader en moeder ooit had bijgewoond of gehoord.
-
-Corrie dacht nog wel eens aan den afgewezen kapitein en aan haar nu
-getrouwde zuster, maar toch zonder spijt. Voor den man gevoelde zij
-niets en Nelly benijdde ze niet. Zij kon zich in de nieuwe
-levensomstandigheden vrij goed schikken, even goed als destijds haar
-vader dat had kunnen doen, wiens aard ze in menig opzicht had. En zij
-en de dochter des huizes hadden elk in stilte een galant; ze verzonnen
-samen zooveel mogelijk boodschapjes tusschen licht en donker, net als
-ze vroeger deed met haar zuster, en dan maakte ze lange wandelingen met
-die jongelui, klerken bij een van de ministeries.
-
-Zoo leidde zij onbezorgd en tamelijk onverschillig een leven, dat,
-vergeleken bij haar jongste verleden, inderdaad zoo slecht nog niet
-scheen.
-
-Haar zuster schreef zij niet meer.
-
-Op den brief, waarin zij had herhaald dat zij het aanzoek van den
-kapitein had afgewezen, was een epistel gevolgd, dat allesbehalve
-malsch mocht heeten en waarin zij werd uitgemaakt voor al wat dom was.
-Haar te vergeven, dat zij een kapitein had afgewezen, terwijl Nelly
-zelfs een tweeden luitenant in liefde had aangenomen, was onmogelijk.
-Zoo was de briefwisseling tusschen de zusters op onaangename wijze
-gestaakt.
-
-Maar er kwam een oogenblik dat Corrie in doodelijke ongerustheid, haast
-soms niet wist wat ze deed en onder tranen bij zichzelve Nelly groot
-gelijk gaf; gelijk in alles!
-
-Het was dan gebeurd, zooals haar zuster had voorspeld; ’t was op een
-avond,—natuurlijk; zoo iets gebeurt altijd ’s avonds; zij waren alleen,
-zij en Etienne; ook precies als altijd bij gelegenheden, dat een derde
-persoon een onmogelijkheid is; zij zaten samen in een buitentuin, in
-het donker, in een priëeltje,—soedah, het was de old, old story! Maar
-Etienne—Steef noemden „ze” hem thuis—was in zijn soort geen slecht
-jongmensch en, wat in dit geval meer zei: hij was dol van Corrie. Een
-erge kwast was hij, volgens het algemeen gevoelen van zijn collega’s en
-superieuren; hij droeg manchetten tot op zijn nagels, zat keurig netjes
-in de kleeren, en sprak bijna zoo schaapachtig Haagsch als Van
-Leeuwendaal, zoodat zij, die hem niet kenden, hem in de wandeling voor
-een heel heer hielden, ofschoon hij ’t grootste deel van elke maand
-zonder fondsen was, en dan vaak een sleutel droeg op de plaats, waar
-men een horloge had mogen veronderstellen. Hij woonde in bij zijn
-vader, een eerzaam mandenmaker, die op een plank in het voorhuis
-zittend, met stalen vlijt rietjes en teentjes tot manden en mandjes
-vlocht. ’s Morgens als Etienne naar zijn kantoor ging, wipte hij vlug
-het kleine huisje uit, waarover hij zich schaamde, en ’s middags sloop
-hij er in, of, als er toevallig een dame aankwam, liep hij er voorbij
-om naderhand langs een omweg terug te keeren.
-
-Doch ondanks al die kleine ijdelheden en gebreken, was Etienne Van
-Haafte bij weinig kennis en een middelmatig verstandje, geen jonkman
-met bepaald slechte eigenschappen, en toen Corrie hem huilend vertelde,
-hoe het met haar geschapen stond, schrikte hij wel hevig, maar zwoer
-dadelijk dure eeden, dat hij haar trouwen zou.
-
-De verdere ontdekking gaf aanleiding tot hevige tooneelen bij de
-familie Maas, te meer toen bleek, dat ook de jongejuffrouw Maas in
-omstreeks geheel overeenkomstige omstandigheden verkeerde. Ook de
-oudelui Van Haafte waren woedend; niettemin duurde al die boosheid met
-de geweldige uitbarstingen en het gehuil, dat die vergezelden, niet
-heel lang. Corrie was er geheel suf van en betreurde bitter, dat zij
-bij de préliminairen geen weerstandsvermogen genoeg aan den dag had
-gelegd; dan was er niets gebeurd. Doch, als altijd, kwam het berouw te
-laat; zij zou trouwen, dat was de slotsom, en daar Etienne schoon
-slechts klerk toch ambtenaar was, zou ze „mevrouw” worden, dàt was ten
-minste een troost!
-
-Toen men eenmaal zóóver was, ging alles vrij gemakkelijk. Op een goeden
-ochtend kleedde zij zich en.... ’s avonds reed zij als mevrouw Van
-Haafte naar een kleine woning op het dorpje Rijswijk, waar ze zouden
-wonen voor de goedkoopte, want le mari had slechts zooveel jaarlijksch
-inkomen, als in den tijd van zijn actieven dienst in Indië, wijlen papa
-Roos per maand had genoten.
-
-Het ging Corrie slecht af, huis te houden met zoo weinig en Etienne zat
-halve nachten copiëerwerk te doen, dat hij had machtig weten te worden
-tegen zóóveel centen per bladzijde van zóóveel regels met zóóveel
-letters op elken regel.
-
-Toen het eerste product de bloemkool had verlaten, en Corrie
-lichamelijk nog nauwelijks hersteld en finantiëel zieker dan ooit was,
-kwam haar man opgewonden en druk te huis.
-
-Hij kuste haar en het kind.
-
-„Lieve,” zei hij, „we moeten eens ernstig spreken.”
-
-„Wat is het?”
-
-„Er worden ambtenaren gevraagd om naar Indië te gaan.”
-
-Zij streek haar hand langs het voorhoofd en zuchtte. Naar Indië! Hoe
-kwam hij daaraan? Hoe kwam hij aan dat stille droombeeld, dat ze altijd
-zoo zorgvuldig had teruggedrongen, als het bij haar opkwam?
-
-„Naar Indië!” herhaalde ze.
-
-„Er worden er zes gevraagd, maar er zijn wel zestig sollicitanten.
-Verbeeld je, het geeft driehonderd en vijftig gulden in de maand,
-vrijen overtocht en een voorschot voor uitrusting!”
-
-„Maar als er zooveel sollicitanten zijn....”
-
-„Dan heb ik weinig kans, dat is waar; doch je hebt me zoo dikwijls
-verteld, dat er zooveel hoofdofficieren hier zijn en andere
-gepensionneerde hoofdambtenaren, die je nog kent uit den tijd van je
-papa.”
-
-„Ja, dat is zoo.”
-
-„Als ik eens naar hen toeging? Want je begrijpt, het is alles een
-quaestie van protectie.”
-
-„Ze kennen je niet.”
-
-Hij liep onrustig op en neer. Het denkbeeld uit zijn Haagsche misère te
-komen, lachte hem zoo toe! Maar hij was heel jaloersch, en de vraag,
-die hem thans op de lippen lag, kostte hem heel veel strijd.
-
-Toen hij haar toch doen zou, kreeg hij er een kleur van, hij wist zelf
-niet hoe ’t kwam.
-
-„Als jij eens ging?”
-
-Het viel den jongen ambtenaar erg mee. Corrie toonde geen de minste
-verwondering of ergernis. Met haar van nature practischen Indischen
-aard, had zij dadelijk ingezien dat dit om te slagen verreweg de beste
-oplossing was. Van kindsbeen af had ze te veel menschen gezien om
-bepaald verlegen te zijn, al zag ze er tegen op.
-
-„Ik zal het doen, Etienne, maar indien het mocht gelukken, moet je me
-één ding vast beloven.”
-
-„En dat is?”
-
-„Zonder dan elke maand een kleinigheid af van je traktement, en laat
-dat hier ontvangen door Maas, tot de schuld, die pa aan hem had, is
-betaald.”
-
-Hij had er weinig lust in, want hij meende dat dit de plicht van Nelly,
-zijn onbekende schoonzuster, was; hij beloofde het echter.
-
-Maar zijn belofte was op dat oogenblik welgemeend. Zij had meer kunnen
-vragen, als zij gewild had, want Etienne was overgelukkig door het
-welslagen zijner poging om Corrie te spannen voor de lading protectie,
-die den kruiwagen vullen moest, welke hem naar de betrekking in Indië
-zou rijden. Hij was zoo lief, zoo vriendelijk en zoo zorgzaam voor haar
-als in de beste dagen hunner eerste intieme verhouding. Corrie sloeg er
-geen acht op; zij was vol van het denkbeeld der démarches, die zij doen
-moest, en zij had geen veelzijdig verstand genoeg om, als haar één
-gedachte vasthield, op andere bijzonderheden te letten.
-
-„Ik geloof,” was het eerste, dat zij den volgenden ochtend zei, „dat ik
-het beste doe met de Van Stralens te beginnen.”
-
-„De kolonel Van Stralen,” zei Etienne om iets te zeggen, en met een
-eerbiedigen klemtoon op den hoofdofficiers-rang.
-
-„Het is te hopen, dat ik hem thuis tref. Ik zal daarom wat vroeger
-gaan, dan mama er destijds heenging, want die kwam altijd eerst, als de
-oude heer naar de sociëteit was.”
-
-Etienne had een idee; of het uit zijn eigen slimheid voortkwam, dan wel
-een puntje jaloezie hem stak, had hijzelf niet kunnen uitmaken, maar
-hij zei met een erg leep gezicht: „Misschien kon het geen kwaad als je
-eens eerst met haar sprak.”
-
-Zij gaf het hem toe; dat was wellicht nog het verstandigste en op
-denzelfden tijd van den dag, dat haar moeder zoo dikwerf vol hoop op de
-fortuin van het spel de schel had doen weerklinken in de marmeren gang
-der Van Stralens, drukte Corrie op den koperen knop.
-
-Een klein beetje in verwarring trad mevrouw Van Stralen, die juist in
-de bekende kamer haar dames-partners bijeen had om het gewone spelletje
-aan te vangen, de benedenzijkamer binnen, niet wetend welke vreemde
-bezoekster haar overviel op dit ongewone uur, want schoon Corrie haar
-bij het huwelijk de gebruikelijke kennisgeving had gezonden, was de
-naam van Van Haafte haar volkomen ontgaan en het zien van Corrie maakte
-haar niet wijzer.
-
-„Met wie heb ik het genoegen te spreken?” vroeg ze koel.
-
-„Kent u me niet meer?” vroeg Corrie, teleurgesteld: „mijn papa was de
-kapitein Roos.”
-
-„Och wat! ben jij een van de meisjes Roos....? Ja, nu herinner ik mij;
-je bent eenigen tijd geleden getrouwd, en hoe gaat het je?”
-
-„Wat zal ik u zeggen, mevrouw?” antwoordde Corrie glimlachend: „mijn
-man is een jong ambtenaar en de traktementen hier in Holland....”
-
-Mevrouw Van Stralen begon te lachen. „Ja kind, dat begrijp ik; dat is
-misère ouverte.”
-
-Zij voorzag een aanval op haar beurs en hoe onaangenaam dat ook is in
-gewone omstandigheden, schrikte het haar thans niet af; zij had nog
-genoeg sympathie voor haar gestorven vriendin om iets voor de dochter
-over te hebben.
-
-Toen Corrie haar echter verteld had waarom het te doen was, kwam zij
-geheel in haar humeur; zij vond het heel verstandig van het jonge
-vrouwtje, dat zij niet had geaarzeld de hulp in te roepen van goede,
-oude relaties, en het getuigde naar hare meening gunstig voor het
-karakter van den jongen man, dat hij het er op durfde wagen de groote
-wijde wereld in het Oosten in te gaan, in plaats van als een huismusch
-te willen leven en sterven onder den rook der schoorsteentjes van zijn
-geboorteplaats.
-
-Het maakte haar zoo warm, dat zij in een opwelling van haar goed hart
-zich de zaak geheel aantrok; verklaarde, dat Corrie geen moeite meer
-hoegenaamd behoefde te doen, want dat zij, mevrouw Van Stralen, alles
-in ’t werk zou stellen om Van Haafte het baantje te bezorgen.
-
-„Maar, zie je kind, de kolonel heeft zijn eigenaardigheden; hij zou
-voor iemand door het vuur gaan, maar hij wil altijd graag zelf gekend
-wezen. Kom daarom nu morgenochtend, om een uur of tien, nog eens terug
-en vraag het hemzelf ook.”
-
-Met die blijde boodschap reed de jonge vrouw met de paardentram naar
-haar dorpje, en den volgenden morgen zat zij precies op tijd tegenover
-den kolonel, die met zijn vrouw in de huishoudkamer het ontbijt
-gebruikte. Zij moest haar hoed en haar mantel af doen en mee aanzitten;
-de dochter van een oud krijgskameraad mocht, zei de kolonel, geen
-vreemde in zijn huis zijn. Hij behandelde haar met die eigenaardige,
-hoffelijke vriendelijkheid, waarover zijn vrouw altijd in stilte lachte
-en die, zoo zei ze, tot de streken behoorde, welke hij niet verloor, al
-raakte hij zijn haren kwijt.
-
-Toen zij had verteld, wat de kolonel trouwens reeds achter de gordijnen
-hoogst uitvoerig van zijn vrouw had vernomen, trok hij voor een
-oogenblik het passend bedenkelijk gezicht, dat elke gedachte aan
-luchthartigheid moest uitsluiten.
-
-„Er zal een zware wijs opgaan, mevrouwtje; ik heb er al van gehoord.
-Slechts enkele plaatsen en, zooals het gaat, veel liefhebbers!”
-
-„Ja, kolonel, dat is zoo,” gaf Corrie toe met haar gemoedelijkst
-lachje, „maar toch als u, met uw vele relaties en hooggeplaatste
-vrienden en kennissen, uw best voor ons zoudt willen doen, hadden wij
-zeker een mooie kans.”
-
-De kolonel was opgestaan. Hij klopte haar vaderlijk met de hand op den
-gevulden schouder. Het was nu eenmaal zijn oude zwak: als hij een
-jonge, knappe vrouw zag, kon hij moeilijk zijn handen heelemaal
-thuishouden. En hij lachte haar allervriendelijkst toe met scherpe
-mondtrekking onder zijn grijze knevels en erg geteekende ganzenpootjes
-naast zijn oogen.
-
-„Wel,” zei hij, „we zullen ons best doen, dat spreekt vanzelf, en je
-moet maar nu en dan hier bij mevrouw komen informeeren, wat je man te
-doen staat. Zijn request heeft hij natuurlijk al verzonden?”
-
-Corrie wist dat eigenlijk zelf niet, maar zei gemoedelijk: ja, en zij
-ging heen tot aan de deur begeleid door den gevoeligen ouden heer,
-wiens welwillende hand en vinger zij nog voelde, toen zij reeds op het
-trottoir was. Het beviel Etienne maar half. Aan den eenen kant was hij
-blij, dat het geloop van zijn vrouw bij al die oud-gasten, over het
-algemeen voor niet heel onschuldig gehouden, zoo spoedig ten einde was;
-maar overigens vreesde hij, dat, door alles aan die familie Van Stralen
-over te laten, het doel niet zou bereikt worden. Corrie bestreed zijn
-tegenwerpingen. Zij stelde een onbeperkt vertrouwen in de slimheid en
-den invloed van mevrouw „de kolonelsche” en daar Etienne inderdaad zijn
-verzoekschrift reeds aan den minister had verzonden, was zij na
-tweemaal vier en twintig uren weer bij haar beschermster, om te
-vernemen, of haar man ook „stappen” moest doen.
-
-
-
-De geheele kleine kring der familie Maas en der Van Haaftes was in rep
-en roer. Het was een feit en het stond in alle couranten: Etienne was
-benoemd als ambtenaar in Indischen dienst. Driehonderd en vijftig
-gulden in één enkele maand! Vier duizend en tweehonderd gulden in één
-jaar! Als de eerzame mandenmaker zich deze som voorstelde in den vorm
-van gevlochten mandjes en korfjes, dan duizelde hij er van. Al die
-kleine burgerlieden, die in hun kring van zulke inkomsten voor jonge
-mannen nooit hoorden, keken Etienne, die zelf half gek was van vreugde
-en zenuwachtige opgewondenheid, aan, alsof hij een wonderdier was,
-waaraan noodwendig iets bijzonders moest te zien zijn, dat zij te voren
-nooit bij hem hadden opgemerkt.
-
-Maar voor elkaar wilden zij dat niet weten en zelfs zij, die Etienne
-voor nooit iets anders hadden gehouden dan een „kwast”, waarin niets
-dan dwaasheid stak, verklaarden nu het luidst, dat zij altijd wel
-gedacht hadden, dat er „iets” in hem zat en hij het ver in de wereld
-zou brengen. In de eenvoudige woning op het dorpje Rijswijk heerschte
-een gestadige drukte, die Corrie, toch zelf reeds opgewonden door het
-vooruitzicht haar vaderland weer te zien, somtijds het hoofd geheel
-deed verliezen. Den ganschen dag snorden de naaimachines, brachten
-winkelknechts stukken goed van allerlei soort en werd tot in het
-oneindige gedisputeerd over de „uitrusting” en wat daarvoor noodig was.
-Etienne moest zich bij elk bezoek van familieleden, kennissen en
-confraters van zijn departement in een andere kamer gaan verkleeden en
-kwam dan terug in zijn onmogelijk wijden kabajo en dito slaapbroek, tot
-groote hilariteit van allen en in de eerste plaats van hemzelf, doch
-met uitzondering van Corrie, die zoo trouw mogelijk de modellen had
-gevolgd van wijlen haar vader, den ouderwetschen, groot- en
-zwaargebouwden kapitein Roos. Hoe die roezige tijd vóór het vertrek
-naar Indië verliep, wist ze zelve niet; maar zeker is het, dat ze op
-den bepaalden ochtend met man en kind en een groote hoeveelheid bagage,
-in een waggon zat van een trein, die het station van den Hollandschen
-spoorweg zou verlaten; dat er velen op het perron stonden, afscheid
-nemend met vertoon van aandoenlijkheid, waarbij kwam een groote mate
-van eerbied voor de jonge vrouw, toen de deftige kolonel Van Stralen en
-zijn echtgenoote ook even verschenen om den vertrekkenden vaarwel te
-zeggen.
-
-Te Nieuwediep lag het groote stoomschip, waarmee ze de reis zouden
-maken. Al de herinneringen uit haar kinderjaren waren bij Corrie
-levendig geworden. Zij vond het niets vreemd aan boord en installeerde
-zich met haar kleine in de voor hen bestemde hut, zonder iets te vragen
-of ergens aanmerking op te maken, zich schikkend in bekende
-omstandigheden. Maar voor den Hèègschen jongen bureau-ambtenaar, die
-nog nooit een voet had gezet op een mailboot, was het zoo overstelpend
-vreemd, dat hij nauwelijks goed wist, wat hij zei en deed, en in zijn
-verwardheid een van verlof terugkeerenden luitenant-kwartiermeester
-aansprak voor den administrateur. En toen het oogenblik kwam, dat de
-trossen werden losgeworpen, het schip met zachte schommeling van den
-oever deinde, den afstand van het land met elke seconde vergrootend;
-toen van het wachtschip het volkslied in schetterende tonen weerklonk
-en de Jantjes in het want een luid hoezee! aanhieven, toen werd
-Etienne, leunend over de reeling, bleek als een doek; een gevoel van
-angstige beklemdheid maakte zich van hem meester en, hij wist zelf niet
-hoe ’t kwam, maar de tranen schoten hem in de oogen en zijn sigaar
-ontsnapte zijn bevenden vingers. Doch Corrie was niet aan dek; zij was
-bezig met haar kind en met haar goed beneden in de hut; zij hoorde wel
-aan het geluid daarbuiten, dat men de reis aanvaardde, doch wat
-daarachter bleef was niets voor haar, en de oogenblikken van geluk en
-genot, dáár genoten en gesmaakt, wogen te weinig op tegen de zorgen en
-het verdriet, dan dat zij iets er voor zou hebben gevoeld bij haar
-terugkeer naar het groene land der zon, waar zij haar vroolijke,
-onbezorgde eerste jeugd in het toen zoo gelukkig ouderhuis had
-doorgebracht.
-
-
-
-Verwezen tuurde Nelly op het bericht onder het mail-nieuws in de
-courant, die haar man met een collega samen las. Op het eerste lijstje
-der benoeming van het, zooals men het in Indië noemde, „nieuwe
-factuurtje geïmporteerde ambtenaren,” had zij niet zoozeer gelet. Maar
-nu zij in de passagierslijst van den naar Indië vertrokken stoomer las:
-„E. Van Haafte, echtg. en één kind”, kwam het denkbeeld bij haar op,
-dat die „echtgenoote” niemand anders wezen kon dan haar zuster. Zij
-informeerde te Batavia waar zij maar eenigszins kon, doch niemand
-maakte haar wijzer, tot een brief van Corrie zelf, kort en inderhaast
-geschreven, haar zekerheid gaf.
-
-Toen moest ze er toch om lachen.
-
-„Zoo’n nest,” zei ze tot haar man; „ik had nooit gedacht, dat er nog
-iets van zou terechtkomen.”
-
-En hij met een cynischen glimlach:
-
-„In Indië komt alles terecht!”
-
-
-
-Het was dien dag, wat men noemt, allergemeenst weer. Het anders zoo
-vroolijke en vriendelijke Brussel met zijn kleurrijke en opgesmukte
-winkelgevels en zijn levendige drukte in de hoofdstraten, zag er
-naargeestig en grauw uit. De regen viel kletterend neer op het
-plaveisel der trottoirs en rommelde op de regenschermen der
-voetgangers, die zich zoo snel zij konden door de straten spoedden.
-Onder de reusachtige marquise van het station du Nord, die nog voor een
-deel het dofgrauwe daglicht onderschepte, was het kwartduister, en
-overal droegen reizigers en bedienden de natte sporen door de lokalen
-over het perron en in de drukkende en benauwde atmosfeer verspreidde
-zich de duffe, onaangename geur, die dampte uit het natte hout der
-waggons van aangekomen treinen, uit de druipende dekkleeden en uit de
-vochtige lading der open véhikels.
-
-Met den kraag van zijn demi-saison hoog opgeslagen, de dampende sigaar
-voortdurend in den mond en de handen diep in de zijzakken verborgen,
-stapte Mourant ongeduldig het perron op en neer, het oogenblik wachtend
-dat de trein naar Holland zou vertrekken.
-
-Hij zag er bleek en vervallen uit en al hield hij uit jarenlange
-gewoonte iets aangeleerd deftigs in zijn houding, toch kon men het hem
-aanzien, dat hij in den laatsten tijd onevenredig verouderd was.
-
-Alles tusschen hem en Henriëtte was uit, voor goed uit.
-
-Toen hij de laatste maal een poging had aangewend om haar te spreken te
-krijgen, was hem dat alleen gelukt op een soort van
-deurwaardersbriefje, waarin hij haar in bijna officiëele termen als het
-ware sommeerde, hem in zijn hoedanigheid van voogd over haar
-minderjarige kinderen, te woord te staan.
-
-Zij ontving hem alleen en ofschoon hij dadelijk aan haar gezicht had
-gezien, dat er hoegenaamd geen hoop bestond op herstel hunner vroegere
-verhouding, had hij toch na eerst gesproken te hebben, zoo kalm en
-bedaard dat mogelijk was over de belangen der kinderen, een laatste
-poging tot toenadering gedaan. Dat het een kapitale dwaasheid was,
-gevoelde hij toen en betreurde hij nu, maar het was hem onmogelijk
-geweest anders te handelen. Terwijl hij daar tegenover haar zat
-overstelpte hem de gedachte, dat al zijn droombeelden voor de naaste
-toekomst, ook zijn finantiëele, zoo plotseling en geheel onverwacht
-waren vernietigd, en toen hij gereed was met zijn mededeelingen en haar
-de stukken overhandigde, die betrekking hadden op zijn voogdij en het
-beheer van haar vermogen, waarom hij met bevende hand weer het bruin
-elastiek sloeg, dat ze bijeenhield, loosde hij een diepen zucht en zag
-haar smeekend aan.
-
-Het baatte niet; het kon niet baten.
-
-Ware zij een man geweest, een vroegere vriend, dan had er sprake kunnen
-zijn van medelijden; thans trof hem slechts uit twee groote koude
-zwarte oogen een blik vol haat en minachting. „Henriëtte,” zei hij, „is
-’t mogelijk, dat alles zóó moet eindigen?”
-
-Zij trok even ongeduldig de schouders op.
-
-„Heb je,” vervolgde hij, toen er geen antwoord kwam, „alles goed
-overdacht?”
-
-„Er valt niets te overdenken,” zei ze snibbig.
-
-„Meen je dat inderdaad? Geloof je werkelijk met dien jongen man
-gelukkig te kunnen zijn?”
-
-Zij had hem half den rug toegekeerd en staarde, spelend met een der
-cordelières van de staatsiegordijnen, uit het venster.
-
-„Wij zijn geëngageerd en als de stukken in orde zijn, trouwen we.”
-
-„Dat weet ik, dat heb je me doen weten. Maar het is geen antwoord op
-mijn vraag.”
-
-„Mij dunkt van ja. Wat zoudt u nog verder dienen te weten?”
-
-„Ik vroeg, of je kunt veronderstellen, een gelukkig leven te zullen
-leiden met dat jonge mensch, die alles weet.”
-
-„Hij is een fatsoenlijk man,” zei ze met emphase, „een man van eer!
-Bovendien: wat gaat het u aan, als ik u tòch niet hebben wil?”
-
-„Het gaat mij aan, Henriëtte, omdat ik u liefheb, omdat wij elkaar
-hebben liefgehad en omdat ik beloofd heb een vader te willen zijn voor
-uw kinderen.”
-
-„Dáár zou ik me op beroepen,” zei ze schamper lachend en hem haar
-gelaat toekeerend, waaruit woede en haat spraken.
-
-„Of hij fatsoenlijk is en een man van eer, laat ik in ’t midden. Het
-kan zijn dat hij thans de beste bedoelingen heeft; doch wat zal later
-het geval zijn, als het eerste vuur gedoofd is; als er kleine
-verschillen ontstaan en de herinnering, die hem nooit geheel verlaten
-kan, opkomt aan de verhouding tusschen u en mij!”
-
-Mourant had haar ongetwijfeld getroffen in een zwakke zij, doch hij was
-te veel advocaat geweest in zijn betoogtrant en had er geen rekening
-mee gehouden dat hij voor een zaak stond, die met geen logische
-redeneering te winnen was. Het was als olie in het vuur.
-
-„Jij,” stoof ze op, „jij rekent alle menschen naar jezelve. Hij is geen
-gemeene kerel! Hij is iemand met een goed hart, in wiens schaduw je
-niet staan kunt met al je mooie praatjes. Hij zal me niet ongelukkig
-maken, zooals jij het je goeie arme vrouw hebt gedaan.”
-
-Tranen van woede waren haar in de oogen gesprongen en terwijl Mourant,
-door den hevigen uitval een oogenblik van zijn stuk gebracht, niet wist
-wat te antwoorden, nu deze bom was gesprongen in zoo geheel verkeerde
-richting, ging een zijdeur open en trad Jules driftig en bleek de kamer
-binnen en op Mourant toe.
-
-„Hebt u hier,” vroeg hij op hoogen toon, „uw zaken als voogd van de
-kinderen afgedaan?”
-
-Mourant had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Zij stonden
-dicht voor elkaar, man tegen man, en zagen, als leeuwen gereed toe te
-springen, elkaar in de oogen.
-
-„Ik weet niet,” zei Mourant, „dat ik u daarover eenige opheldering zou
-schuldig zijn.”
-
-„Het raakt me niet, wat u weet. Ik heb u alleen te zeggen dat mevrouw
-Veninga mijn aanstaande is.”
-
-„Dàt raakt mij niet.”
-
-„En ik zeg u er bij, dat ik niet verkies, haar door u lastig te zien
-vallen.”
-
-„Wat u verkiest,” zei Mourant, thans op zijn beurt erg uit de hoogte,
-„doet hier niet ter zake. Dit is het huis van mevrouw en zoo ik hier
-kom, om zaken met haar te bespreken, zou het gepast zijn als vreemden
-zich daarbuiten hielden.”
-
-De jonge man, die zich meer en meer opwond en begreep, althans
-gevoelde, dat hij tegenover Mourant met praten het veeleer zou
-afleggen, dan verder komen, greep onverhoeds een glas water, dat er als
-het ware voor klaar stond op een guéridon, en wierp het Mourant met
-volle kracht in het gezicht.
-
-Het was een armzalige figuur, die de man van eenigszins gevorderden
-leeftijd daar maakte. Zijn met zooveel zorg opgekamde bakkebaarden
-hingen hem als een paar natte haarkrullen aan ’t gezicht en groote
-waterdroppels liepen snel van de punt van zijn spitsen neus. Hij rukte
-een foulard uit zijn borstzak, wreef snel zijn oogen uit en droogde
-zijn gezicht. Toen hij weer zien kon, was het eerste, wat zijn blik
-trof, het opgewonden gelaat en de gloeiende oogen van den minnaar
-zijner vroegere minnares, die hem toesnauwde:
-
-„Je kunt nu verder van me krijgen wat je hebben wilt; mijn adres is
-bekend; maak nu, dat je weg komt en zet hier geen voet meer in huis of,
-zoo waar als God leeft, ik trap je de deur uit.”
-
-Zonder een woord te spreken ging Mourant heen. Met die scène was alles
-uitgeweest; voor goed uit.
-
-Terwijl de trein voortvloog tusschen de onafzienbare rijen, tot dwergen
-getopte, pereboompjes, die de bermen van den weg begroeiden, was het
-weer helder geworden, en vroolijk speelde het zonlicht op de natte
-blaren van het geboomte; maar in de donkere stemming, waarin Mourant
-verkeerde, was geen verandering teweeggebracht. Hoe meer hij nadacht,
-leunend tegen de harde kussens van den weinig comfortabelen Belgischen
-spoorwegwaggon, des te bitterder werden zijn conclusiën. Dat Henriëtte
-zich tegenover hem had schuldig gemaakt aan de zwartste ondankbaarheid,
-was voor zijn zelfgenoegzamen aard een onbetwistbaar feit. Maar er was
-meer. Langzamerhand begon hij tot de overtuiging te komen, dat het toch
-eigenlijk van hem had afgehangen aan alles een anderen loop te geven.
-Hij begreep nu, rustig en stil neerzittend in den coupé, volstrekt niet
-hoe het mogelijk was, dat hij zich door het brutaal optreden van dien
-jongen „sinjo” zoo uit het veld had laten slaan. Thans buiten de
-omgeving, waarin hij zich den laatsten tijd bevonden had, thans alleen,
-had hij grooten moed en hij dacht er zelfs een oogenblik aan op een der
-tusschenstations uit te stappen en naar de hoofdstad terug te keeren.
-Doch hij deed het niet. Ondanks zijn groote ingenomenheid met
-zichzelven begreep hij wel, dat hij een al te dwaas figuur had gemaakt;
-onherstelbaar dwaas!
-
-En wat nu? Toen hij zoover was met zijn gedachtenloop, ontsnapte hem
-een luide zucht, die door het rammelend spoorweggedruisch heen, het oor
-scheen te bereiken van den in een Belgischen spoorwegwaggon
-onvermijdelijken geestelijke, die stil en zonder op te zien zijn
-getijden las, maar nu eensklaps gestoord scheen en een oogenblik den
-deftigen heer in het hoekje aankeek. Mourant wierp hem een grimmigen
-blik toe; hij had zoo’n hekel aan die heeren, al hadden zij hem nooit
-iets in den weg gelegd!
-
-Het was reeds laat in den namiddag, toen hij in Den Haag aankwam; toch
-stond hij op het punt in een vigilante te stappen, zonder een bepaald
-plan, zonder dat hij de vraag: waarheen? voor zichzelven had beslist.
-Hij noemde den koetsier den naam van een hotel, omdat hij den man, die
-met een gezicht als een vraagteeken van den bok naar beneden keek, niet
-op een adres kon laten wachten.
-
-Maar hij deed het machinaal en zonder overtuiging, en met loomen tred
-volgde hij in het logement den kellner, die hem, met drie treden te
-gelijk, voorsprong naar zijn kamer op de bel étage. Den ganschen avond
-liep hij het voor een hotel fraaie, doch als in een hotel ongezellige
-vertrek op en neer, sigaren rookend en champagne drinkend, om zijn leed
-te verzetten en het gevoel van diepe onbehaaglijkheid te verdrijven,
-dat hem nooit zoo had beheerscht, als dien ganschen langen dag en dat
-hem den volgenden ochtend, na een nacht vol looden slaap, bij het
-eerste ontwaken dadelijk weer overviel. Reeds vroeg ontbeet hij in de
-eetzaal, geheel tegen de gewoonten der soort van gasten, die hier hun
-intrek namen. Hij was blij, toen hij op straat was en de koele wind der
-zeestreken hem verfrischte. Mourant wandelde in de richting van zijn
-oude huis; het huis, waarin zijn nu verlaten vrouw woonde; maar nog
-voor hij er aankwam, zag hij met verbazing, dat er een huurbordje
-uitstak. Toen verwonderde hij zich over zijn verwondering. Het was
-immers de natuurlijkste zaak der wereld, dat zij alleen niet was
-blijven wonen in zulk een betrekkelijk ruim huis; hij had dat als ’t
-ware op de vingers kunnen narekenen, doch hij rekende zoo weinig met
-wat zijn vrouw betrof, dat de gedachte geen oogenblik bij hem was
-opgekomen. Nu liep hij er voorbij en keek nieuwsgierig door de
-spiegelruiten naar binnen in de holle, leege benedenkamers. Waar zou
-zij gebleven zijn? Het scheen voor ’t oogenblik moeilijk dit te weten
-te komen, hoe uiterst gemakkelijk dat metterdaad was.
-
-Zij had een advocaat, wiens naam en adres hem bekend waren, en naar
-diens kantoor wandelde hij heen.
-
-Een uur later stond hij voor een nette eenvoudige woning aan den
-Bezuidenhoutschen weg en schelde aan.
-
-Het dienstmeisje, dat hem open deed en hij te voren nooit gezien had,
-scheen van hem te schrikken.
-
-„Is mevrouw thuis?” vroeg hij op den afgemeten toon, dien hij altijd
-aannam tegen minderen.
-
-Doch hij wachtte het antwoord niet af. Door een open deur aan het einde
-van de gang, zag hij een vrouwengestalte in den tuin met den rug naar
-hem toegekeerd, gebogen over een bloemperk, en zonder iets te vragen of
-te zeggen, schreed hij voort over den looper en trad met een zekerheid,
-als ware hij volkomen op de hoogte der lokaliteit, de kamer binnen, die
-op den tuin uitzag. Een poedel—zijn hond!—sprong van een canapé met
-kort gebrom, maar zijn baas herkennend, kwispelstaartte hij en lekte
-hem de hand. Mourant ging zitten en streelde het dier den kop; hij keek
-de kamer rond en vond haar erg gezellig en met goeden smaak gemeubeld.
-Doch hij had niet lang tijd aan die bijzonderheden te denken; hij
-onderging haast tegen zijn wil een hem sedert lang vreemde sensatie:
-een gevoel van rust en behaaglijkheid, dat hem vreemd geworden was; dat
-iets moest hebben van den indruk, dien een zwerver ondervindt bij zijn
-terugkeer.
-
-Zijn vrouw was binnengekomen en recht naar haar plaats gegaan aan de
-tafel, waarop naast het theeservies een mandje borduurwerk stond. Zij
-zag bleek, maar scheen in ’t minst niet ontsteld en zij keek hem ook
-aan met een gezicht, dat duidelijk vroeg wat hij eigenlijk verlangde.
-
-En de zwijgende vraag bracht hem in verlegenheid. Hij had haar nooit
-ontzien; hij had altijd tegenover haar de grootst mogelijke vrijheid
-betoond in zijn spreken en doen; meer, veel meer, dan hem ooit toekwam.
-Thans wist hij niet, wat te zeggen en keek met saamgeknepen lippen
-aandachtig naar den hoed, dien hij in de hand hield, als ware ’t een
-kunstwerk.
-
-Zoo zaten zij eenige oogenblikken zwijgend tegenover elkaar: zij in
-stillen triumf, in het algemeen zoo volkomen begrijpend, wat er gebeurd
-was, als had ze het bijgewoond; hij niet wetend, hoe aan te vangen en
-in pijnlijke onzekerheid, of, indien hij iets zei, zijn woorden goed
-zouden opgenomen worden.
-
-„Ik heb je erg gegriefd.”
-
-Bij zichzelve moest ze lachen om het onhandig begin; hij was en bleef
-toch altijd dezelfde: een groot en ijdel menschenkind, vol aanstellerij
-en met een minimum wezenlijk gevoel. Nooit was hij zoozeer naar het
-uiterlijk in harmonie geweest met haar schatting van zijn innerlijk
-wezen.
-
-„Waartoe kan het dienen dáárover te komen spreken?” vroeg zij.
-
-„Omdat het mij berouwt.”
-
-„Een berouw, dat te laat komt, als altijd.”
-
-„Waarom te laat? Er is immers in den zin der wet....”
-
-Zij viel hem toornig in de rede.
-
-„De zin der wet doet hier niets ter zake.”
-
-Maar hij gevoelde zich à cheval op dien „zin”.
-
-„Toch wel. Er zijn in zoover immers nog slechts voorbereidende stappen
-gedaan, waarop met een enkel woord is terug te komen.”
-
-„Ik spreek daar niet van en ik wensch daar niet van te hooren. Een
-scheiding is, wat het is, met of zonder de wet; formaliteiten tel ik
-niet. Waarom ben je hier gekomen?”
-
-„Ik kwam.... ik kwam een verzoening voorstellen.”
-
-„Wat is er gebeurd met de weduwe van Veninga?”
-
-„Zij is.... te Brussel.”
-
-„Dat is mijn bedoeling niet.”
-
-Hij trok met een zeker air de schouders op.
-
-„Wat kan ik er meer van zeggen! Zij is te Brussel en zij en ik zijn
-voor eeuwig gebrouilleerd.”
-
-„Gebrouilleerd,” zei ze niet zonder spot, „ja, dat begrijp ik.”
-
-„Welnu, laat het dan daarbij blijven.”
-
-Maar zijn vrouw bleef onverbiddelijk. Na haar laatste bezoek aan
-Henriëtte, had zij de waarschijnlijkheid van terugkeer van dezen quasi
-berouwhebbenden zondaar voor oogen gehad en zij was vastbesloten, hem
-niet te sparen, maar, indien zij vergeven wilde, een geheel andere
-houding tegenover hem aan te nemen, dan de vroegere vol meegaandheid.
-
-„Waarom,” vroeg mevrouw Mourant, zich oprichtend, „heeft de weduwe
-Veninga u weggezonden?”
-
-Mourant kreeg een kleur als bloed. Hij had een verhaal verzonnen, dat
-hij, als ’t noodig mocht zijn, wilde opdisschen en waarin hij, zoo al
-geen schoone, dan toch een eenigszins waardige rol vervulde. Dat
-„weggezonden” was hem een klap in ’t gezicht en op geraakten toon
-antwoordde hij blufferig:
-
-„Er is geen sprake van.”
-
-„Het is onnoodig er doekjes om te winden. Je zegt dat je een verzoening
-verlangt?”
-
-„Dat herhaal ik.”
-
-„Ik kan het alleen gelooven, indien je oprecht bent en niet huichelt of
-liegt. Ze heeft je dus weggezonden?”
-
-Het klamme zweet parelde hem op het voorhoofd.
-
-Zoo iets had hij allerminst verwacht, en vruchteloos trachtend zich in
-deze pijnlijke omstandigheid een houding te geven, zag hij haar aan met
-iets van vrees op zijn gezicht.
-
-„Ik wil,” ging zij voort, toen hij niet dadelijk antwoordde, „de volle
-waarheid weten. Zooals je hoort, weet ik er reeds een deel van. Doch
-dit zeg ik u: indien ik niet alles van u verneem, wat aanleiding gaf
-tot uw komst hier in mijn huis, dan ben ik voor niets te spreken; dan
-wil ik van geen verzoening weten; dan gaat de scheiding onverbiddelijk
-door.”
-
-Er viel niets tegen te doen, dat zag hij duidelijk in.
-
-C’était à prendre ou à laisser. Een oogenblik streed hij een zwaren
-strijd tegen zijn groote ijdelheid, die hier den genadeslag scheen te
-moeten krijgen, en zij met haar effen rustig gelaat en kalmen helderen
-blik las in zijn geest zooals zij het altijd gedaan had: gelijk in een
-open boek.
-
-Eindelijk ving hij hortend en stootend aan met het verhaal van zijn
-jammerlijk wedervaren, doch al doende kwam hij meer op streek en van
-een opsomming van feiten, werd het allengs meer een klacht dan een
-zelfverdediging.
-
-Zoo zwaar het hem gevallen was in den aanvang, zoo luchtte het ten
-slotte zijn gemoed en hij verdiepte zich, al pratend, in kleinigheden,
-die hij had mogen verzwijgen, maar die het hem nu een droevige wellust
-werd in bittere woorden weer te geven.
-
-Geen enkele maal viel zijn vrouw hem in de rede. Zwijgend hoorde zij
-hem aan, langer dan een kwartier, en toen hij gloeiend van
-opgewondenheid met tranen van woede in de oogen en trillingen van
-wraakzucht in de stem, alles en alles had verhaald, toen wist ze, dat
-hij de geheele waarheid had gesproken.
-
-„Het moest zoo gaan,” zei ze eenvoudig, nadat hij had uitgepraat; „het
-kon niet anders.”
-
-En toen hij haar vragend aankeek:
-
-„Ik heb haar bezocht te Vlietwijk; zonder dat ik haar iets vroeg, zei
-ze mij toen reeds, dat ze van je ontslagen wenschte te zijn.”
-
-Mourant boog onder den slag het hoofd. Dat het waar was, wat ze zei,
-betwijfelde hij nu niet meer. Wat waren toch de vrouwen!
-
-Er werden niet veel woorden meer tusschen hen gewisseld. Mevrouw
-Mourant gaf de verbaasde dienstbode last een kamer voor „mijnheer” in
-orde te maken. Hij keerde terug naar ’t hotel om zijn rekening te
-betalen en zijn bagage te halen en nog denzelfden avond installeerde
-hij zich in het huis zijner vrouw met een onverklaarbaar gevoel van
-groote vreugde, dat al de soesa van den laatsten tijd, die zijn
-zenuwgestel geweldig had aangegrepen, voorbij was. Voor geen schatten
-der wereld had hij die laatste weken nog eens willen doormaken.
-
-„Ziezoo,” zei Jules, na den smadelijken aftocht van zijn tegenstander,
-met erg manhafte schreden op en neer stappend: „ziezoo; nu geloof ik
-niet, dat dit heerschap het u nog lastig zal maken.”
-
-De waarheid was, dat, toen Mourant zwijgend heenging, hem een pak van
-het hart viel. Hij was, van nature, schoon sterk en kloek gebouwd,
-zoo’n voorvechter niet; het zou zeer de vraag zijn geweest of hij, had
-Mourant zich flink en onverschrokken vertoond, een schitterend figuur
-zou gemaakt hebben. Nu hij hem zoo gemakkelijk van de baan had
-geslagen, klom zijn moed tot groote hoogte.
-
-„Ik ben er zóó verschrikt van!” zei Henriëtte, inderdaad nog bevend van
-het hoofd tot de voeten.
-
-Jules drukte haar aan ’t hart en gaf haar een zoen.
-
-„Het is de moeite niet waard, lieve. Het moest gebeuren. Had ik mijn
-zin gehad, dan zou ik, dat weet je, er al veel eer een eind aan hebben
-gemaakt.”
-
-„Zou hij het er bij laten?”
-
-„Of hij wat?” vroeg Jules, een weinig ontsteld.
-
-„Of hij je niet zou uitdagen?”
-
-„Dat denk ik niet; maar als hij het deed....”
-
-„O, neen, ik zou het niet gedoogen. Je leven is mij veel te dierbaar,
-om het op die wijze in gevaar te zien.”
-
-„Mijn leven,” herhaalde hij verwonderd en gedwongen lachend, „maar
-beste Jet, haal je nu geen dwaasheden in het hoofd. Hij zal wel zoo
-verstandig zijn, niets van zich te laten hooren.”
-
-Doch de jonge vrouw was maar half gerustgesteld. Zij bezat niet de
-scherpzinnigheid en de menschenkennis van een mevrouw Mourant en zij
-behield nog altijd een zeker denkbeeld, dat heel conventioneel achter
-uiterlijk vertoon innerlijke waarde onderstelde.
-
-Telkens kwam zij ongerust terug op de mogelijkheid, voor haar een
-waarschijnlijkheid, dat Mourant de ondergane beleediging zou willen
-wreken.
-
-„Beloof me,” drong ze aan, toen Jules haar verliet, „beloof me stellig,
-dat je een duel zult weigeren.”
-
-„Dat zou ik onmogelijk kunnen.”
-
-„Lieve Jules,” ging ze opgewonden voort, „ik wil het niet hebben.”
-
-En toen hij zag, dat zij zich weer meer opwond en de tranen haar in de
-mooie oogen stonden, deed hij opnieuw zijn best haar gerust te stellen,
-ofschoon het ook, door al haar praten, bij hemzelven hoe langer hoe
-meer begon vast te staan, dat een cartel hem van den kant van Mourant
-te wachten stond.
-
-Van dat idee doordrongen, ging hij niet naar zijn logement, informeerde
-in een wapenwinkel naar het adres van den besten Brusselschen
-schermmeester, bij wien hij een even dure, als langdurige les op de
-sabel nam.
-
-Henriëtte kon, toen hij weg was, haar vrees niet alleen dragen; zij
-maakte de bonne, reeds lang haar vertrouwelinge, er deelgenoote van, en
-dit had in zooverre een goede zijde, dat het haar meer geruststelling
-bracht, dan al de betuigingen van haar aanstaande.
-
-„Celui là!” riep het coquette ding, de handen van verbazing
-ineenslaande. „Le vieux? Est-il possible? Mais c’est un gros blagueur,
-madame. Il est poltron comme le dernier des derniers!”
-
-En toen haar meesteres nog twijfelde, ging zij geruststellend voort:
-
-„Croyez-moi, madame, je m’y connais. Avec ses grand airs il a peur d’un
-rien. Ce ne sera pas lui qui cherchera querelle à msieur Jules.”
-
-Zoo babbelde zij voort en verhaalde al lachend nu en dan hoe Mourant
-zich steeds angstvallig had teruggetrokken, als naar haar opinie een
-man in zijn omstandigheden tot uitersten van gewelddadigheid behoorde
-over te slaan.
-
-„Zie je wel,” zei Jules den volgenden avond, thans volkomen
-gerustgesteld en triumfantelijk, „zie je wel, dat ik gelijk heb gehad.
-Hij is een blufzak, anders niet.”
-
-Maar Henriëtte, terwijl zij het toegaf, dacht aan het geklap van haar
-bonne, die het toch eer en beter scheen geweten te hebben dan hij.
-
-„Ik wou,” vervolgde Jules, den rechterarm uitstekend en met een
-beweging als bracht hij een „slag naar ’t hoofd” toe, die zijn
-tegenstander moest verpletteren, „dat de kerel den moed had gehad, mij
-uit te dagen; hij zou dan van een nog heel andere reis zijn
-thuisgekomen.”
-
-Nu het gevaar voor goed was geweken, maakten zij druk werk van de
-verwezenlijking hunner plannen. Jules had zijn stukken in orde
-gekregen; die van Henriëtte waren compleet; daarvoor had destijds
-Mourant gezorgd. Uiterst stil en eenvoudig werd hun huwelijk te Brussel
-voltrokken; daartoe gehuurde lieden dienden hun tot getuigen, en kort
-daarna vingen zij de groote reis aan naar Indië, waar Jules, wiens tijd
-reeds lang was verstreken, met ongeduld werd verwacht; het was meteen
-hun huwelijksreis, al had er dat, door de kinderen, niet den schijn
-van. Te Marseille aan boord gaand, trof Henriëtte het uiterlijk van een
-bijzonder kloek gebouwde jonge vrouw, met een echt Indisch gezichtje.
-Ze keken elkaar een oogenblik aan, alsof ze trachtten zich te binnen te
-brengen, waar ze elkaar vroeger hadden ontmoet; maar toen ze nog
-dienzelfden dag, op de gebruikelijke manier, aan elkander werden
-voorgesteld, maakten de namen der wederzijdsche echtgenooten haar niet
-wijzer. Van een mevrouw Van Haafte had Henriëtte in haar leven niet
-gehoord.
-
-De oude dokter Van der Linden begon er langzamerhand aan te gewennen,
-vrij geregeld, maar voor zijn beschikbare middelen toch zeer matig,
-door Van Leeuwendaal geëxploiteerd te worden. Wel was zijn kleinkind
-nog steeds de lust zijns levens, en zou dat ook wel blijven tot hij
-stierf, maar de jongeheer moest trouw naar school en kreeg privaatles
-bovendien. Deze opvoeding strookte geheel met des dokters begrippen.
-Van die apenliefde, waardoor kinderen tot weetnieten worden
-grootgebracht, wilde hij nimmer hooren. En zoo kwam ’t, dat de oude
-heer, zijn plicht doende tegenover den knaap, het levensgenot zijner
-laatste jaren zeer verkort zag. Hij kon zich soms gruwelijk vervelen.
-Lust in uitgaan had hij niet meer; in studie of lectuur nog maar bitter
-weinig; een wandelingetje was in een half uur gedaan en in het lieflijk
-Hollandsch klimaat meestal verre van aangenaam; in eten, drinken en
-rooken moest hij matig zijn en zich ontzien, dat voelde hij het best
-aan zijn eigen lichaam. Zoo sleet hij dan den langen dag grootendeels
-in de zitkamer van zijn huis, turende door het venster met een
-gedwongen belangstelling in kleinigheden, waarover hij vaak zelf vol
-ergernis en met minachting de schouders ophaalde. Hij werd oud, zeer
-oud. Het teekende zich in zijn trekken en zijn gestalte; zijn vele
-campagnejaren, in alle beteekenis, wogen zwaar. Slechts zelden ontving
-hij bezoek. De oud-gasten dachten niet meer aan hem; daartoe vertoonde
-hij zich te weinig in het publiek; daartoe was hij betrekkelijk te lang
-uit Indië. Eens in de week bezochten hem Louise en haar man, de
-ritmeester; het waren een soort van plichtmatige bezoeken, waarin nu en
-dan wel iets van de oude affectie doorstraalde, maar die toch niet
-langer werden gerekt dan strikt noodzakelijk was; hij had iets tegen
-Riquelle en deze had iets tegen hem; wat het was, wisten zij niet;
-nooit hadden zij onaangenaamheden gehad met elkaar en de ritmeester
-behandelde zijn schoonvader steeds met onderscheiding en groote
-beleefdheid. Doch juist dat laatste hinderde den ouden heer; hij had
-wel eens met dien eenigen man in zijn familie meeningsverschil willen
-hebben en daarover gemoedelijk twisten, doch bij de afgepaste manieren
-van den ritmeester wilde dat niet gelukken en daardoor was dokter Van
-der Linden tot de slotsom gekomen, dat zijn schoonzoon geen meening
-had.
-
-Van Leeuwendaal, die intusschen van het pak slaag, door hem opgeloopen,
-geheel bekomen was, amuseerde den dokter door zijn dwaas gebabbel.
-
-Het was wel vervelend, dat deze sinjeur altijd om geld kwam, maar aan
-den anderen kant was hij een gezellig tijdverdrijf. Het geld, dat deze
-verloopen telg van een voorname familie kwam afbedelen, was voor een
-zeer bemiddeld man maar een kleinigheid. Niettemin begon dokter Van der
-Linden steeds met zich schrap te zetten tegen elken aanval op zijn
-beurs en dan smaakte hij het dubbel genoegen der toepassing van het
-boléh tawar en van de vermakelijke argumenten, die Van Leeuwendaal
-aanvoerde in zijn betoog, dat hij het „parole d’honneur” voor niet
-minder doen kon.
-
-De wraakzuchtige plannen van dezen panier percé tegenover de familie
-Riquelle traden bij die zonderlinge verhouding ook op den achtergrond;
-zij sluimerden in, zonder uit te sterven. Hij kreeg genoeg om het leven
-van een „fatsoenlijken” vagebond voort te zetten, maar de pogingen nu
-en dan door dokter Van der Linden aangewend om hem op te heffen uit den
-modderpoel van zijn bestaan, mislukten. Werd er beproefd hem beter te
-kleeden, dan verdwaalde na weinige dagen het nieuwe pak in den lommerd,
-wat meer dan eens leidde tot verwoede scènes, die den ouden heer geen
-kwaad deden, in zoover hij dan zijn gemoed kon koelen over allerlei
-kleinigheden, die hem hinderden in zijn eigen bestaan. Daarbij dacht
-ook hij geen oogenblik meer aan de mogelijkheid, die eerst zoo zwaar
-bij hem gewogen had, dat Van Leeuwendaal iets zou ondernemen tegen de
-familie; dit deed hem te ver gaan.
-
-In een vlaag van buitengewone mildheid had hij Van Leeuwendaal een
-zilveren horloge geschonken en bij de eerste aanvraag om middelen kwam
-hij tot de ontdekking, dat het den weg der nieuwe pakken was opgegaan.
-Het trof dien dag al heel ongelukkig; des dokters maag was van streek
-en bovendien had de onderwijzer van zijn lieveling hem geschreven, dat
-hij ernstige klachten had over vlijt en het gedrag van dit veel
-belovend knaapje. Hij voer geweldig uit tegen Van Leeuwendaal. Het was
-een dier heftige attaques van boosheid, die hem in zijn jeugd vaak
-hadden overvallen; doch waarvan hij zich op lateren leeftijd had
-gecorrigeerd door er een goede dosis cynisme voor in de plaats te
-stellen. En Van Leeuwendaal, die ondanks zijn verregaand verval, toch
-niet alles kon verdragen, was onder dien vloed van smaadredenen
-weggeloopen. Snel stapte hij voort, zooals zijn gewoonte was met de
-handen in de zakken van zijn veel getinte overjas en het scherpe,
-magere gezicht ver vooruitgestoken. Hij was woedend en al zijn half
-begraven plannen van wraak herleefden. Als men hem zóó behandelde, dan
-zou men toch eens zien, met wien men te doen had. Te verliezen had hij
-niets, zoodat hij er veel op wagen kon. Deze gedachte kalmeerde hem;
-hij ging niet naar een of andere kroeg, zooals zijn gewoonte was,
-hetzij hij geld had of niet, maar trok zich terug op zijn ellendig
-kamertje en zat er uren na te denken over het leed, dat hij die
-verwenschte familie Van der Linden kon aandoen met de mogelijkheid dat
-er nog wat geldelijk voordeel voor hem viel te behalen, want sneed het
-mes niet van die twee kanten, dan zou het toch maar half werk zijn.
-
-Het kostte hem veel inspanning; nu eens bedacht hij dit, dan weer iets
-anders en meestal verwierp hij het uit gebrek aan moed. Doch toen hij
-dacht aan den kleinzoon, helderde zijn gezicht op. Dat was het teere
-punt, voor hem ook het zwakke, en daarin zou hij hen allen treffen.
-
-Het denkbeeld stond hem met dat al maar vaagjes voor den geest. Doch
-daarover bekommerde hij zich het minst.
-
-Het kon wel een paar dagen lijden, dacht hij, vertrouwend op zijn
-„krediet”. Maar daarin vergiste hij zich. Het feit, dat hij in den
-laatsten tijd betaalde en soms zelfs groot geld „op zak” had, werkte
-juist in den tegenovergestelden zin; het had zijn op medelijden gegrond
-krediet van vroeger totaal ondermijnd. Dat viel hem tegen! Hij moest
-toch leven! Hij had behoefte aan eten, rooken en drinken; aan drinken
-vooral. Zijn wraakzuchtige plannen streden tegen het meer en meer
-opkomend idee naar dokter Van der Linden te gaan en vergiffenis te
-vragen. Het laatste vonkje van betrekkelijke eerlijkheid, dat door dien
-strijd zelf nog werd bewezen, zou er bij ondergaan. Hij stond stil en
-glimlachte. Hoe dwèès! Er behoefde in ’t geheel geen strijd te wezen.
-Het een stond het ander volstrekt niet in den weg. Hij zou heel leuk
-naar den ouden heer gaan om pèrdon te vragen en te zien wat geld
-machtig te worden. Vervolgens zou hij zijn grooten coup slaan.
-
-Maar de oude heer had zijn goed humeur nog niet terug.
-
-„Onbeschaamde ploert!” viel hij uit, waar de dienstbode bij was,
-driftig de vestibule instormend, waar Van Leeuwendaal op de mat stond.
-„Hoe durf je hier in huis komen!”
-
-„Pèrdon!”
-
-„Ik verbied je een voet meer over mijn drempel te zetten.”
-
-„Pèrdon, dokter. Ik kom mijn excusen aanbieden.”
-
-„Ik heb met jou excusen niets te maken. Je bent ’n laag sujet; ’n door
-en door gedemoraliseerd individu.”
-
-„Het is zoo, dokter; het spijt me; ik kan het niet helpen.”
-
-„Wat ’n kerel!” riep de oude heer hoonend, met het hoofd in den nek Van
-Leeuwendaal beschouwend door zijn bril. „Hij kan het niet helpen!”
-
-„Parole d’honneur, dokter; het is mijn schuld niet.”
-
-„De mijne zeker!”
-
-„Pèrdon; het is een fout in mijn gestel; een onjuistheid in mijn
-appreciatie-vermogen. Ik kan den tijd niet waardeeren; daarom heb ik
-nooit ’n horloge kunnen hebben. Als schooljongen heb ik ook altijd mijn
-horloge naar den lommerd gebracht. Het is een zwak.”
-
-De oude heer keerde zich om en keek naar de groote klok aan den wand
-als moest dit getuigen dat het hem niet ontbrak aan het vermogen den
-tijd te waardeeren; metterdaad schoot hij bijna in een lach. Wie had
-ooit zulk een dwaas gehoord. Hij had veel komieks in zijn leven
-gehoord, maar de zucht tot het verpanden van horloges te hooren
-verklaren uit een soort van psychologischen drang, uit een soort van
-onweerstaanbaren lust tot het feit zelf, was hem te machtig.
-
-„Je begrijpt wel, dat ik van zulke kinderachtige praatjes niets wil
-hooren,” zei hij, zich goedhoudend.
-
-„Dokter!” riep Van Leeuwendaal op kluchtigen toon, pathos parodiëerend,
-„wees niet langer boos. Ik beloof beterschap, parole d’honneur! Mag ik
-meteen zoo vrij zijn u nog eens aan te pompen! Hm! Tien pop!”
-
-Een oogenblik keek dokter Van der Linden verbaasd en verbluft over zulk
-een verregaande brutaliteit, sprakeloos in het smal en mager
-vogelengezicht van Van Leeuwendaal met de hoogopgetrokken wenkbrauwen
-en de scherpe, lange trekken om den mond. Hij wist niet wat hij doen
-zou: hem de deur uitjagen of toegeven aan den opkomenden lust deze
-haast eenige gelegenheid om zich te amuseeren niet onherroepelijk weg
-te werpen.
-
-„Je bent een echte chevalier d’industrie”, zei hij grommend, maar
-inwendig lachend. „Ik moest je eigenlijk door de politie laten
-oppakken!”
-
-En Van Leeuwendaal, die zag dat hij het gewonnen had:
-
-„Zeker, ongetwijfeld!”
-
-„Zoo, ben je zelfs dat met me eens?”
-
-„Zelfs dat! Maar verbeeld u, dat ik het liever niet zou willen, voor de
-politie. Wat zou zij er aan hebben! Het zou geen aanwinst zijn. Bij de
-politie zijn er veel, niet beter dan ik. En wat de horloges
-aangaat!....”
-
-Al voortbabbelend met de bedoeling zijn clowns-rol zóó te spelen, dat
-de oude heer er heel veel pleizier in had, volgde hij, ongevraagd,
-ongeweigerd, dezen naar binnen. En terwijl zijn mond allerlei dwaasheid
-sprak, bromde in zijn geest de weder opgewekte woede over de harde en
-onomwonden bejegening en vlamden de oude wraakplannen hooger op dan
-ooit.
-
-„Ik heb,” zei de oude heer, zoekend onder papieren op zijn
-schrijftafel, „een paar oude stukken, die je eens voor me moest
-overschrijven.”
-
-„Ik schrijf een leelijke hand.”
-
-„Dat weet ik, maar dan doe je je best maar ’n beetje!”
-
-„Helaas! het helpt niet. Het is toch altijd even leelijk.”
-
-„Nu, het komt er niet op aan; doe het maar.”
-
-„Geloof me, dokter, het gaat niet; mijn schrift is tegenwoordig totaal
-onleesbaar.”
-
-„Dus,” zei de oude heer, weer woedend, „dus je bent zelfs te lui om
-voor mij, die je, onverplicht, geruimen tijd zoo goed als geheel
-onderhoudt; van wien je leeft, wiens parasiet je bent,—om voor mij iets
-te copiëeren.”
-
-„Dat is het waarlijk niet, parole d’honneur! Maar heusch, geloof me; u
-zoudt er toch maar uw oogen op bederven.”
-
-„Het is wel!”
-
-„Kan ik u met nog iets van dienst zijn?”
-
-„Loop naar den duivel, vent.”
-
-„Dank u. En vooral voor de tien pop. Ik zal ze opschrijven bij de rest,
-en als ik nog eens ’n erfenis krijg....”
-
-„Kom, ga nu maar.”
-
-Van Leeuwendaal kocht zich een paar glaasjes cognac en wandelde toen
-naar den kant der school van den jongenheer Van Velton.
-
-„Dàg schoone mèègd,” zei hij tot een dienstmeisje, dat den grooten
-schelknop en ’t handvat der deur blinkend wreef.
-
-„Kijk hij!” riep de dienstbare met verachting, en in stilte voegde zij
-er bij: „zoo’n verloopen mesjeu!”
-
-„Gaat hier een jonkertje Van Velton school?”
-
-„Weet ik het?”
-
-„Als je ’t niet weet, lief kind, wees dan zoo goed en vraag het eens.”
-
-De dienstbode deed het, maar met tegenzin.
-
-Van Leeuwendaal zag haar de lange gang doorgaan en aan het eind daarvan
-een deur openen. Een eigenaardig geluid drong tot hem door: een dof
-gestommel, waartusschen verwarde menschelijke klanken en gonzend
-geschuifel; hij herinnerde het zich uit zijn jeugd; hij had altijd
-gruwelijk ’t land gehad aan dat geluid, want het had hem, luien
-ondeugenden knaap, nooit iets anders voorspeld dan straf en nog eens
-straf.
-
-Er verscheen een jongmensch in ’t vaal en kaal zwart met een bril op en
-een keurig gepunt potlood achter het oor: het type van een kweekeling.
-Hij bekeek Van Leeuwendaal wantrouwend.
-
-„Wat is er van uw dienst?” vroeg hij.
-
-„Ik kom den jongenheer Van Velton halen.”
-
-„Namens wien?”
-
-„Namens dokter Van der Linden.”
-
-„Meneer Van der Linden laat anders nooit den jongenheer Van Velton
-halen.”
-
-„Och kom!” zei Van Leeuwendaal woedend: „ik meende dat hij het elken
-middag deed.”
-
-„O ja, na schooltijd; dat bedoel ik niet; ik bedoel: binnenstijds.”
-
-„Dan heeft de grootpa van den jongenheer daarop vandaag een
-uitzondering gemaakt. Hij heeft mij verzocht....”
-
-„Ik zal hem halen,” zei de kweekeling, thans gerustgesteld door Van
-Leeuwendaals bekendheid met de omstandigheden. „Alleen zal meneer
-waarschijnlijk een briefje meegeven.”
-
-Het duurde wel een kwartier eer ’t ventje kwam.
-
-Van Leeuwendaal stond op heete kolen; als de meid van den dokter zich
-eens vergiste in den tijd en te vroeg kwam, dan was hij verloren.
-
-De kleine Van Velton met zijn schooltasch op den rug en zijn pet achter
-op het hoofd, keek eenigszins vreemd, maar hij zei niets.
-
-„Wilt u zoo goed zijn dit briefje aan meneer Van der Linden te geven?”
-vroeg de kweekeling.
-
-„Met pleizier.”
-
-Van Leeuwendaal stak het in zijn zak en greep de hand van het jongetje.
-
-„Je grootpa heeft me verzocht je van school te halen. Ben je niet blij
-dat je zoo vroeg weg mag?”
-
-Het kind keek eens naar den kweekeling; hij had graag „ja” gezegd, maar
-hij durfde niet.
-
-Op straat hield Van Leeuwendaal hem vast.
-
-„Ik kan anders wel los loopen.”
-
-„Ja zie je, ik ben zoo bang dat je ’n ongeluk krijgt. Hoe heet je?”
-
-„Ik heet Willem en ik kan heel goed alleen loopen. Waarom komt grootpa
-niet zelf?”
-
-„Omdat hij te Scheveningen is met gezelschap.”
-
-Kleine Willem lette er niet op dat voor Scheveningen het weer wel wat
-guur was; ook niet dat het vreemd was te Scheveningen te blijven, als
-iedereen zoowat naar de stad kwam om te eten. Evenmin dacht het kind
-aan de altijd noodige verwisseling van kleeren; grootpa zou hem toch
-nooit in zijn schoolpak en met zijn tasch op den rug uit hebben laten
-gaan.
-
-Maar hij had het eene woord gehoord, en dat had hem geëlectriseerd:
-Scheveningen, de duinen, het strand! Hij schudde zijn blonden krullebol
-tot de lokken van pleizier om zijn ooren dansten.
-
-„Gaan we dadelijk?” vroeg hij.
-
-„Wel ja; grootpa heeft gezegd, dat we gauw moesten komen.”
-
-„Hoe gaan we dan?”
-
-„We zullen een vigilante nemen.”
-
-„Daar komt er een aan. Hé koetsier! Hij houdt al stil. Zeg meneer, wie
-ben je?”
-
-„Ja..... Ik ben.... ik heet....—hoe mal dat hij nu niet op een
-geschikten naam kon komen!—Neitsel.”
-
-„Nu, meneer Neitsel, mag ik op den bok zitten bij den koetsier?”
-
-„Wel neen, zeker niet.”
-
-„Waarom niet?”
-
-„Dat zou je grootpa niet willen hebben; ’t is veel te gevaarlijk!”
-
-„Gevaarlijk!” riep Willempje met diepe minachting, „’t Is in het geheel
-niet gevaarlijk.”
-
-Maar Van Leeuwendaal trok hem zenuwachtig met zich mee in het
-huurrijtuig, en liet dat naar Scheveningen rijden. De mond van den
-kleinen jongen stond niet stil; hij rammelde maar altijd door; het was
-nog licht genoeg, zei hij, om in het duinzand wegen en gangen te
-graven; als grootpa zijn werktuigen maar had meegenomen. En Van
-Leeuwendaal antwoordde gedachtenloos. Wat was hij over zichzelven
-ontevreden! Het bleek hem nu alweder te laat welk een volkomen gemis
-aan geschiktheid hem kenmerkte om iets, wat dan ook, te doen. Hij kon
-iets verzinnen en daarover praten, maar hij kon niets uitrichten zonder
-het van meet af verkeerd te doen. Zoo was er ook nu niets behoorlijk
-voorbereid. Wat moest hij te Scheveningen met dien knaap aanvangen?
-
-Hij vond zichzelven stapelgek.
-
-„Is grootpa in het Badhuis?”
-
-„Ja.”
-
-„Zijn er veel menschen?”
-
-„Neen, niet heel veel. Ik heb ze niet gezien.”
-
-„Zijn er kinderen bij? Ik bedoel jongens?”
-
-„Dat geloof ik wel.”
-
-Het vragen maakte Van Leeuwendaal zenuwachtig; hij had gaarne den
-koetsier gelast terug te keeren, maar het was daartoe te ver gekomen.
-
-Bij het dorp liet Van Leeuwendaal de vigilante stilhouden.
-
-„Laat hem toch om de kerk rijden,” zei de kleine ongeduldig, „dan komen
-we immers achter bij de trap.”
-
-Maar Van Leeuwendaal luisterde niet langer naar hem; met haastigen tred
-en het kind bij de hand voorttrekkend, liep hij, wadend door het mulle
-zand, naar den hoogen weg, die langs het Badhuis voerde.
-
-„Loop toch zoo hard niet,” riep Willempje, kwaad: „we zullen er immers
-wel komen.”
-
-Ze kwamen er, en rilling op rilling voer Van Leeuwendaal door het lijf;
-een stijve wind zweepte het duinzand over den eenzamen weg; de avond
-begon te vallen; in sombere eentonigheid loeide de groote zee, dof
-weerspiegelend de jagende wolkenmassa boven haar in grijzen, grauwen
-toon; de nog gesloten gebouwen ter rechterzijde rezen als doodsche
-monumenten uit de dofgroene helm en ’t bleekgeel duin. Er liep of
-wandelde niemand. Slechts hier en daar zat op een bank een oude
-visscher met diepe groeven in het verweerd gezicht, met een grof buis
-aan en donkerblauwe morsmouwen er onder; met een ouden hoogen hoed op
-en een zwartgerookt pijpje tusschen de knevels, starend met zijn kleine
-dofgeworden oogen, recht voor zich uit, naar de zee,—zijn verleden,
-zijn oud arbeidsveld, zijn herinnering.
-
-Op een helling van den weg zagen zij het Badhuis, gesloten, stil en
-verlaten.
-
-„Het is dicht!” zei Willempje.
-
-Een oogenblik stond Van Leeuwendaal stil, nam zijn hoed af en veegde de
-zweetdroppels weg, die op zijn voorhoofd parelden als ware het een
-snikheete Julidag. Hij deed zijn best om zichzelven meester te blijven.
-
-„Hé, ja!” zei hij, verbazing veinzend, „dat zie ik ook.”
-
-„En je zei, dat grootpa er was.”
-
-„Dat heeft hij me ook gezegd.”
-
-„En hij is er niet en het is dicht,” ging het kind voort met
-onverbiddelijke logica, maar op eenigszins angstigen toon.
-
-„Dat zie ik ook.”
-
-„Ik wil naar huis. Waarom heeft grootpapa mij voor den gek gehouden?
-Dat doet hij nooit.”
-
-„Wacht even. Nu weet ik het. Hij heeft gezegd: een villa voorbij het
-Badhuis; daar was hij bij kennissen.”
-
-„Ik wil maar liever naar huis.”
-
-„Goed, strakjes. Maar eerst moeten wij toch je grootpa gaan opzoeken.”
-
-Kleine Willem scheen het daarmee niet eens te zijn, want toen Van
-Leeuwendaal weer haastig voortstapte, het Badhuis voorbij, keek het
-kind met een pruilend gezicht naar de gesloten stores en liet zich,
-tegenstrevend, half voorttrekken.
-
-Een eindje verder hield de met roode baksteenen losjes bestraatte weg
-op; Van Leeuwendaal beklom het tegenoverliggend duin en kleine Willem,
-verlokt door het gezicht, dat hem altijd zoo bekoorde, vergat zijn
-vrees, zijn grootpa en zijn verlangen naar huis; als een kat klauterde
-hij naar boven, door zijn hijgenden en kuchenden geleider gevolgd. Toen
-gingen ze rechts, als het ware weer in de richting van de stad. Maar na
-een kwartier nam de schemering toe; kleine Willem werd moe en had geen
-pleizier meer in klimmen en klouteren. Van Leeuwendaal was halfdood van
-angst en afgetobdheid.
-
-„Ik wil hier nu niet langer blijven,” zei het kind, bang om zich heen
-ziende en op schreienden toon.
-
-„Houd je mond, kwajongen,” riep Van Leeuwendaal met krassende hooge
-stem, buiten adem.
-
-Maar de jongeheer Van Velton, verwend door zijn omgeving en met eenige
-eigenschappen zijner moeder begaafd, was geen zoet en gezeglijk kind.
-
-„Ik wil niet,” schreeuwde hij. „Ik wil naar huis!”
-
-„Kleine draak, wees stil, of ik trap je voor den grond.”
-
-„Ik wil naar huis!” herhaalde Willempje, en toen hij er een om de ooren
-kreeg: „Help! Hij slaat me! Ik wil naar huis.”
-
-Van Leeuwendaal stond stil, buiten zichzelven van woede.
-
-„Zal je stil zijn?” vroeg hij hijgend, het kind aan een oor trekkend.
-
-Willempje, aan zulk een behandeling niet gewoon, begon te schoppen en
-te trappen en raakte met den rand van zijn schoenzool Van Leeuwendaal
-vrij hard tegen het broodmager scheenbeen. Met een vloek liet de baron
-los. Het kind wilde wegloopen, maar viel in het zand, en kreeg daar van
-Van Leeuwendaal, die het vol angst was nageloopen, den reeds
-toegezegden trap.
-
-„Houd nou je bek, kleine adder, of ik vermoord je.”
-
-Maar er was niets, niets aan te doen.
-
-Willem schreeuwde hoe langer hoe vervaarlijker en luider; in grooten
-angst keek Van Leeuwendaal rond; er was niets te zien, dan de
-duinranden, afstekend tegen de duister wordende lucht, en hier en daar
-een ijle rhododendron; maar het was den in overspannen zenuwtoestand
-verkeerenden man of hij in de verte twee personen zag, die haastig naar
-hem toekwamen; zij kwamen op het rumoer af, dat scheen hem duidelijk,
-en zich over het schreeuwend en in zijn woede kronkelend kind buigend,
-beukte hij het met de vuist.
-
-„Wees toch stil, hondenkind! Zal je nu stil zijn? Dáár, dáár!
-Vervloekt, wees stil zeg ik!”
-
-Doch Willempje schreeuwde niet meer; hij brulde, met kreten van pijn
-onder de stompen der harde knokkels, maar hij was ook boven het punt
-waaronder stil en bedaard worden nog mogelijk is; hij bleef, al
-brullend, zich verzetten, schoppend en trappend, en terwijl Van
-Leeuwendaal zich vooroverboog in het halfduister, trof hem de
-jongensschoen onverhoeds midden in het gezicht. Razend wierp hij zich
-op het kind.
-
-„Ga dan naar de hel bij je vader, satansjong!” siste hij geheel buiten
-zichzelven en, woelend met zijn lange magere handen om den hals van het
-knaapje, drukte en kneep hij uit al zijn macht, met de wilde woede van
-een bezetene.
-
-Het arme kind gaf geen geluid meer; het lag onbeweeglijk stil, en
-langzaam steunend op de handen, struikelend, en op zijn magere beenen
-waggelend, stond Van Leeuwendaal op. Schuw keek hij rond in het dieper
-wordend duister. Hij wist niet en hij dacht niet; zijn hoofd was leeg,
-versuft, dronken. Zóó bleef hij een lange minuut staan, raapte, half op
-den tast, zijn kalen hoed op en beklom zuchtend het naaste duin
-stadwaarts, langzaam en met groote moeite. Op den heuvel woei de wind
-hem in ’t gezicht; in de verte hoorde hij een voertuig ratelen, en
-daarachter tegen de zwarte lucht ving een heldere gloed aan te glanzen,
-de weerschijn van de pas ontstoken lichten in de groote stad. Hij keek
-er naar en er kwam besef in zijn geest; hij keek er naar met groote
-uitpuilende oogen, en toen zette hij het op een loopen, met wijde wilde
-sprongen en stappen, wegzinkend in het zand of uitglijdend op de gladde
-helm; viel hij, dan sprong hij op, vlug en lenig in zijn overspannen
-toestand, als een kat, en hij vloog weer vooruit in de zwart-grauwe
-duisternis onder den invloed van een vrees, die hem gek maakte, altijd
-in de richting van het noorden, diep het duin in, tot hij neerviel in
-het mulle schuivende zand, bewusteloos, met het gezicht voorover op den
-grond.
-
-’t Was rustig en doodstil in de zoo goed als geheel onbewoonde
-duinstreek. Willempje Van Velton en baron Van Leeuwendaal omringde geen
-geluid, dan het gekwaak in de lucht van een overvliegende eendenvlucht,
-hier of daar opgejaagd, of ’t geritsel van het onrustig naar den kost
-zoekend konijn.
-
-Maar in de stad was het zeer onrustig over hen; zij was er vol van. Het
-toeval had gewild dat de dokter zelf met zijn coupétje zijn kleinzoon
-van de school kwam halen.
-
-„We hebben hem al meegegeven.”
-
-„Hè?” vroeg de dokter verbaasd, en aan niets anders denkend dan een
-onverwachte en zeldzame uiting van moederlijke teederheid. „Al
-meegegeven?”
-
-„Ja, u hebt hem zelf laten halen.”
-
-Dokter Van der Linden verbleekte.
-
-„Wel neen, dat heb ik niet.”
-
-„Er is hier ’n uur ongeveer geleden ’n meneer geweest, namens u. Hij
-zag er niet rijk, maar toch nogal fatsoenlijk uit. ’n Heel mager heer
-met ’n grooten neus. Hij kwam namens u den jongenheer halen!”
-
-„En je hebt hem meegegeven aan ’n onbekenden vent?”
-
-„Ik wist niet.... ik meende.... hij zei....” stotterde het jongemensch
-achteruittredend voor den ouden heer, die woedend op hem afkwam.
-
-„Wie gaf je het recht, beroerde kwajongen, mijn kind....”
-
-„Ik zal meneer roepen”, zei de kweekeling en liep hard naar achteren,
-op den voet gevolgd door den dokter. De school was nog aan, en het
-praatje was dadelijk bekend: de kinderen mochten naar huis gaan en als
-een zwerm verspreidde zich over honderden huisgezinnen in de stad het
-nieuws: „er was een jongetje gestolen”; enkele wettische heeren zeiden,
-dat er een „minderjarige was ontvoerd.”
-
-De onderwijzer zelf was zeer ongerust; hij trachtte niet zijn personeel
-te verontschuldigen; hij zag wel dat het niet baatte; maar hij reed met
-zijn kweekeling mee naar het politie-bureel. Aan de
-persoonsbeschrijving had de dokter dadelijk Van Leeuwendaal herkend. In
-het rijtuig voerde de onderwijzer alleen het woord, troostend en
-opbeurend, voorbeelden aanhalend van dien aard, die ook alleen hadden
-geleid tot noodelooze ongerustheid. Maar de dokter dacht aan de oude
-geschiedenis te Batavia; aan Van Leeuwendaal’s wraakzucht over het pak
-slaag; aan de positie zijner dochter; en wat het verschrikkelijkste
-was: aan het lot van zijn lieveling; hij was een man, en in zijn lange
-medische en chirurgische carrière had hij geleerd met droge oogen het
-lijden der menschen aan te zien; maar nu was hij oud; hij had al zijn
-liefde bijeengebracht op dat kind, en als hij er aan dacht, dat
-Willempje wellicht gruwelijk werd mishandeld, dan liepen hem rillingen
-van smart door het lichaam, dan moest hij veel moeite doen om zijn
-tranen te bedwingen.
-
-Een inspecteur van politie bracht hen naar een hoofdinspecteur van
-politie, die hen bracht naar een commissaris, die hen deed binnengaan
-bij een hoofdcommissaris. Ieder hoorde het verhaal van den kweekeling
-en de verklaringen van den dokter, noteerde ze, trok een bedenkelijk
-gezicht, vond het een hoogst ernstig geval, en schoof dat over op zijn
-chef, tot groote woede van den doodelijk ongerusten dokter, die
-stampvoette over het tijdverlies.
-
-De hoogste politioneele macht gaf dadelijk orders.
-
-„Duizend gulden,” zei de dokter, „voor den man, die me het kind gauw en
-goed terugbrengt.”
-
-De voorgeroepen agenten zeiden niets; ze keken eerbiedig naar dien
-ontstelden ouden heer, die zulk een som uitloofde; voor henzelven
-beschouwden ze het verdwijnen uit de school onder den leertijd een
-kwajongensgrap; die kinderen van de Haagsche „groote lui” waren
-lievertjes! Daar wisten zij, politie-agenten, van mee te praten!
-
-„Er schiet thans niets over dan te wachten,” zei de hoofdcommissaris
-toen de agenten met instructies waren vertrokken.
-
-„Te wachten!” zuchtte de oude heer. „Het is verschrikkelijk!”
-
-Hij reed naar de Riquelles.
-
-Juist kwam hem de panier van den ritmeester te gemoet. Louise met een
-frissche kleur op het gezicht, mooier en eleganter dan ooit, mende de
-poneys, die, hun korte dikke manen schuddend, op de stangen beten.
-
-Toen papa, nog voor de rijtuigen geheel stilstonden, de deur van zijn
-coupé opende, er uit sprong en op angstigen toon riep:
-
-„Ik wou Wim van school halen.... Hij is weg!”—begon Riquelle te lachen.
-
-„Maak u niet zoo ongerust, pa. Hij zal gespijpeld hebben: dat is zoo
-erg niet; dat heb ik ook wel eens gedaan!”
-
-Maar Louise lachte niet.
-
-Zij kende haar vader en ze zag duidelijk aan zijn gezicht, dat er meer
-stak achter het enkele woord. Den koetsier achter haar gaf zij de
-teugels en sprong uit den panier.
-
-„Wat is er, pa?”
-
-„Ik zeg je: Willem is weg.”
-
-„Maar hoe komt dat dan? Spreek toch duidelijk!”
-
-„Hij heeft hem onder schooltijd weggehaald.”
-
-Dokter Van der Linden zei het als tegen zichzelven op den smartelijken
-toon van iemand, die een pijnlijke gedachte doelloos en machinaal
-herhaalt en onder woorden brengt.
-
-„Hij?” herhaalde Louise, haar man aankijkend met een vreemden blik, die
-vroeg of papa wellicht in een stadium van kindschheid geraakte. „Wien
-bedoelt u, pa?”
-
-„Van Leeuwendaal.”
-
-Zij werd zeer bleek; haar trekken drukten grooten angst uit.
-
-„Wie is dat?” vroeg Riquelle.
-
-„Ik kan het je niet in twee woorden zeggen; het is een smeerlap, een
-vagebond, een verloopen zoon van ’n voorname familie.”
-
-„Wacht even,” zei Riquelle, „daarover herinner ik me iets, maar ik weet
-waarachtig niet wat. Het was een bekende familie in mijn jeugd, maar
-sedert uitgestorven als ik me niet bedrieg.”
-
-„Het is de kerel, dien je hebt laten afranselen.”
-
-„Och wat! En kende u hem?”
-
-„Zeker! Ik kende hem, helaas!”
-
-„Dat is curieus,” ging de ritmeester langzaam voort met een
-onderzoekenden blik op zijn vrouw.
-
-„Zijn vader heeft hem eens in Indië op mijn dak gezonden.”
-
-„Dus kende jij hem ook?” vervolgde Riquelle tot zijn vrouw.
-
-Louise sloeg de oogen neer; zij had een benauwd gevoel als stond haar
-een groot ongeluk voor de deur.
-
-„Ja, ik kende hem.”
-
-„Daarvan heb je me niets gezegd.”
-
-„Neen.”
-
-„Maar lieve, dat is toch vreemd. Als ik zijn afkomst had gekend en
-geweten had, dat hij vroeger de gast van je papa was geweest....”
-
-„Wat zou het hebben uitgemaakt?”
-
-„Het scheelt nogal iets! Ik zou hem dan zeker geen pak slaag hebben
-laten geven door ’n paar dragonders.”
-
-„Ook dat doet er niet toe,” riep de oude heer. „Hij heeft het pak slaag
-beet en ik vrees.... ik vrees....”
-
-„Wat?” vroeg Riquelle snel.
-
-„Dat de schurk zich wreekt op mijn arm kind.”
-
-Een oogenblik stond de ritmeester verstomd. Hij hield volstrekt niet
-van het souvenir zijner vrouw aan haar Indisch huwelijk, maar als man
-van eer en fatsoen schokte het hem toch geweldig de middellijke oorzaak
-te zijn geweest van het vermoedelijk ongeluk van een kind.
-
-Maar hij herstelde zich.
-
-„Ik geloof pa, dat u het veel te donker inziet.”
-
-„Je hebt goed praten.”
-
-„Wat zou zoo’n man aan ’n enkele wraakneming hebben?”
-
-„Weet ik het! Maar het gebeurt in de wereld, dàt weet ik bij
-ondervinding.”
-
-„Nu ja, maar zeer zeldzaam. Weet u waaraan ik denk?”
-
-„Neen!”
-
-De oude heer zei het op een toon, alsof hem de gedachten van zijn
-schoonzoon volkomen onverschillig waren.
-
-„Chantage.”
-
-Een oogenblik dacht dokter Van der Linden na.
-
-„Waarom niet, pa?” riep Louise. „Ik geloof het ook. Waarom zou ’t hem
-anders te doen zijn, dan om geld?”
-
-„Ik had hem denzelfden ochtend pas geld gegeven.”
-
-Ze zwegen nu alle drie een oogenblik, tot de dokter, die geen rust had
-en met het hoofd op de borst en onrustig dwalende oogen geen twee
-seconden stil kon staan, in zijn coupé sprong.
-
-„Ik ga nog eens naar ’t politie-bureel.”
-
-„Kom u gauw, als er iets is?” riep Louise met een in ’t oog vallend
-opvlammen van moederlijke bezorgdheid.
-
-Haar vader wuifde met de hand en knikte bijwijze van belofte met het
-hoofd.
-
-„Ik zal je de heele geschiedenis met Van Leeuwendaal vertellen,” zei
-Louise toen ze thuis was met haar man.
-
-„Is het zooveel?”
-
-„Och neen, eigenlijk niet, Ed. Maar toch voorzie ik iets
-verschrikkelijks.”
-
-„Geloof je dan waarachtig ook, dat die man het kind zal kwaad doen?”
-
-„Misschien niet, maar of hij ’t doet of laat, er zal veel over de zaak
-gesproken en geschreven worden.”
-
-„Ja, natuurlijk. Dat is altijd onpleizierig.”
-
-„En dat wordt het dubbel om en door de oude geschiedenis met dien Van
-Leeuwendaal te Batavia.”
-
-Zij vertelde hem alles, en het hinderde hem geweldig.
-
-Hij geloofde haar volkomen; hij wist dat ze geen woord onwaarheid
-sprak, had de volle overtuiging dat nooit iets bestaan had tusschen
-haar en dien kerel. Maar die was toch, dat wist men, in haar slaapkamer
-geweest, toen ze nog een jong meisje was en terwijl ze te bed lag, en
-dat was genoeg, zoo het besproken raakte, voor een zee van de
-schandelijkste lasterpraatjes. Daarvoor vreesde hij, dien storm zag hij
-aankomen, en dat domineerde beiden meer, veel meer dan de eigenlijke
-vraag: wat is Willempje overkomen?
-
-De chef der politie ontving den ouden heer triumfantelijk.
-
-„We zijn op het spoor,” zei hij.
-
-„En?”
-
-„Hij is met het kind naar Rotterdam.”
-
-„Hoe weet u dat?”
-
-De commissaris glimlachte sluw. Dat was nu ook iets! Waarom gaf men
-zulke zaken aan, als men niet meende, dat de politie in de gelegenheid
-was er achter te komen? Hij tikte de asch van zijn sigaar en antwoordde
-langzaam:
-
-„Zóó vraagt men de boeren de kunst af.”
-
-„Wat hebt u gedaan?”
-
-„Er zijn twee geheime agenten naar Rotterdam. Maak u niet ongerust
-meer. Er zal hem geen tijd worden gelaten iets kwaads te doen aan het
-kind.”
-
-„Goddank!”
-
-„Ga gerust naar huis, mijnheer Van der Linden, gerust! Er zal hem niets
-overkomen.”
-
-De dokter wilde juist eenigszins gerustgesteld heengaan, toen een
-agent, die de kamerwacht had, een collega aanmeldde, die op recherche
-was geweest in de zaak van het vermiste kind.
-
-„Als u even wilt wachten,” zeide de commissaris, „kunt u hooren wat
-deze man rapporteert.”
-
-Er kwam een heel gewoon, mager man binnen met een blonden baard,
-zweetend en kuchend van vermoeienis, en de commissaris, met de
-zelfvoldoening van iemand, die slechts zou hooren bevestigen, wat hij
-reeds wist, zei:
-
-„Ga je gang maar.”
-
-De agent wierp een schuinschen blik op den dokter, dien hij herkende
-als de oude heer van de duizend gulden; daarna keek hij zijn chef aan
-en zei in telegram-stijl:
-
-„Kind gehaald drie uur, vigilante genomen; Scheveningen gereden.”
-
-„Wat?” riep de dokter, van zijn stoel opspringend.
-
-De commissaris wenkte hem met de hand zich stil te houden, en de agent
-vervolgde:
-
-„Voor het dorp stilgehouden; hoogen weg opgewandeld; voorbij het
-Badhuis en duinen ingegaan.
-
-„Is er niet meer?”
-
-„Maar dat is....” riep de dokter doodsbleek.
-
-Weer legde hem de commissaris het zwijgen op. Hij vroeg fluisterend
-eenige inlichtingen aan den agent, liet een inspecteur roepen en gaf
-bevelen.
-
-„We zullen nu moeten afwachten,” zei hij troostend tot den ouden heer,
-toen zijn personeel was vertrokken, „dat is het eenige wat er op zit.”
-
-„In de duinen verdwenen!” zuchtte dokter Van der Linden, en zijn haren
-rezen ten berge van angst en schrik bij die gedachte.
-
-„Zou men te Scheveningen niets weten?”
-
-„Misschien wel, maar dat zullen we spoedig hier vernemen. Ik heb
-natuurlijk kennis gegeven.”
-
-„Als ik er eens heenging?”
-
-Het kwam den commissaris voor dat beweging en verplaatsing voor iemand
-in zulk een gemoedsstemming nog het beste was.
-
-„Dat kan geen kwaad.”
-
-„Ik ga dadelijk. Dank u meneer, dank u voor uw moeite. Rotterdam
-schijnt een vergissing.”
-
-„Men kan niet weten.”
-
-„Toch niet, ik zeg u dat het een vergissing is. Dáár,” zei hij met de
-bevende hand naar het noorden wijzend, „dáár is het; dat voel ik; daar
-ben ik zeker van.”
-
-Het was een lange reis in de duisternis.
-
-Er brandde een eenzame lantaarn voor het kantoortje van het
-dorpscommissariaat. Er was niemand dan de chef, en in een ander
-vertrekje één beambte. Men had gehoord van de duizend gulden en men was
-behalve met dienstijver ook vol van de gedachte aan de mogelijkheid die
-premie te verdienen.
-
-„Ik ben dokter Van der Linden.”
-
-„O! de grootvader van het vermiste jongetje! Neem plaats als ’t u
-blieft.”
-
-„Is er nog geen bericht?”
-
-„Het spijt me, meneer; voor ’t oogenblik nog niets.”
-
-De ambtenaar vertelde nu lang en breed, welke goede maatregelen ter
-opsporing waren genomen. Het duurde wel een kwartier, zoodat het
-verhaal en zijn eigen staat van overspanning dokter Van der Linden
-begonnen te biologeeren.
-
-Plotseling werd er aan de deur getikt. De beambte trad met een
-geheimzinnig gezicht binnen.
-
-„Wat is er?” vroeg zijn chef.
-
-„Ik hoor buiten, dat er in het duin een lijk is gevonden.”
-
-Als bestorven en verlamd van schrik was de oude heer op zijn stoel
-neergezonken. Dat werd daar zoo kalm en eenvoudig gezegd en het was zoo
-vredig en stil in de warme kantoorkamer met de met zand bestrooide
-houten vloer en de groote lamp boven den lessenaar,—dat ’t een parodie
-leek op den storm van ontsteltenis, die in ’s dokters hersenen woedde.
-
-„Het moet een manslijk zijn.”
-
-„Weet je dat zeker?”
-
-„Ik weet niets zeker; ik hoor het hier van voorbijgaande lui. Het is
-geen kinder- maar een manslijk, en ze zijn er al mee opweg hierheen.
-Hoor, daar komen ze al.”
-
-Er kwam gestommel in het gangetje naast ’t kantoor, een geluid van
-vermoeide, hijgende menschenstemmen. Een deur werd opengerukt en viel
-dreunend weer dicht.
-
-„Wilt u maar eens meegaan?” vroeg men den ouden heer en half versuft
-wankelde hij mee.
-
-Zij traden een kamer binnen, slecht verlicht en met geen ander
-meubilair dan een groote ongeverfde tafel en een paar banken.
-
-Op de tafel lag het magere lichaam van Van Leeuwendaal, vuil en nat van
-den regen, die lang dreinig over de duinstreek was gevallen, doch nu
-hard tegen de ruiten kletterde.
-
-Toen de heeren binnenkwamen, trok een der agenten willekeurig de
-veelgetinte demi-saison recht, als wilde hij ’t bewegingloos lichaam in
-fatsoenlijk gezelschap een presentabeler aanzien geven.
-
-„Dokter,” zei de ambtenaar, „zoudt u zoo goed willen zijn?”
-
-In deze omgeving, met een lijk op de tafel en een beroep op zijn
-hoedanigheid als deskundige, ging het dokter Van der Linden, als een
-oud dragonderspaard, dat de signalen hoort. Hij richtte zich op, zette
-zijn bril goed, stroopte zijn rechtermouw in de hoogte en onderzocht,
-voor een oogenblik zijn verdriet en angst vergetend, het lichaam.
-
-„Hij is het,” zei hij tot den ambtenaar, „en hij is dood;
-waarschijnlijk.... aneurysma.”
-
-„Wilt u ’t even constateeren?”
-
-„Ja maar.... mijn kind?”
-
-„Er wordt nog steeds gezocht, nietwaar mannen?”
-
-„Ja.... zeker....” bevestigden ze alle vier, indachtig aan de duizend
-gulden.
-
-„We zijn wel knapjes nat,” zei een hunner lachend tot den ouden heer,
-„maar we zullen het er toch maar op wagen.”
-
-Maar de dokter was niet tevreden; hij wilde meer menschen, meer lichten
-en zelf meegaan; wat het kostte, kwam er niet op aan, maar het kind
-moest dood of levend gevonden worden; het kon niet ver weg zijn. De
-menschen deden hun best; in wind en regen zwermden tientallen door het
-duin met lantaarntjes zoekend langs den grond, druipnat en vloekend,
-maar met het droombeeld der duizend gulden voor oogen, ijverig en
-oplettend.
-
-Er ging een uur voorbij; men vond niets.
-
-De meesten gaven het op en gingen naar huis.
-
-Dokter Van der Linden kon niet meer; doodmoe, buiten adem, met de
-wanhoop in ’t hart, keerde hij terug in het dorp.
-
-„Het is onverklaarbaar,” zei de ambtenaar.
-
-„Wat denkt u er van?”
-
-„Wel, ik heb goeden moed. Het kind is weggeloopen of meegevoerd.”
-
-„Denkt ge, dat hij nog leeft?”
-
-„Zeker; anders zou ’t lijkje wel gevonden zijn.”
-
-Er werd aan de deur getikt; het hart van den ouden heer bonsde. Een van
-de mannen, die nagekomen was, bracht een pet mee. De tranen sprongen
-den ouden heer in de oogen.
-
-„Het is van hem!” zei hij schor.
-
-De man, die het petje gevonden had, keek erg teleurgesteld; dat men
-dáárvoor geen duizend, geen honderd, ja geen tien gulden geven zou,
-begreep hij ook wel. En toen hij met leege handen bij de agenten
-terugkwam, vloekte hij.
-
-„Zoo’n rakkersche kwajongen! Waarom loopt hij ook onder zijn pet
-vandaan?”
-
-„Je hebt zeker niet goed gekeken,” zei een hunner; „hij moet er naast
-hebben gelegen.”
-
-„Zou die magere daar op de tafel hem opgevreten hebben?” bromde de
-petvinder met een kwaadaardigen blik op het lijk.
-
-„Jongens, er moet gauw een brancard komen om dien gast weg te brengen,”
-zei de oudste ernstig. „Als de baas komt en hij ziet, dat het nog niet
-gedaan is, zit er weer boete op. Vooruit!”
-
-Zij gingen aan het werk, mopperend en ruwe uien slaand, tot een hunner,
-die even op de stoep was geweest, door de katroldeur als het ware met
-een vloek naar binnen viel.
-
-„’t Verloren schaap is terecht, hoor! Duizend pop?—ho maar!”
-
-In het kantoor stond een arme visscher met den zuidwester in de hand en
-een dik buis aan met hoogopstaanden stijven kraag; de man scheen er een
-beetje verlegen mee, maar zijn groote mond met bruine hoeken vol
-tabakssap, lachte goedaardig toen hij zag hoe die oude heer beefde,
-schreide en het jongske kuste, dat hem de armen om den hals sloeg en
-half huilend niets dan „Grootpa!” riep. De dokter herstelde zich
-spoedig; hij nam Willempje op den schoot en luisterde naar het verhaal
-van den visscher, dat luidde: „Ik ging over de duinen naar huis, hoorde
-een kind huilen en roepen en vond dit jongske.” Détails kon de man niet
-geven; daar had hij zelfs hoegenaamd geen idee van, naar het scheen.
-Hij had het kind meegenomen naar zijn afgelegen woning, en had het
-niets gevraagd. Doch toevallig hoorde hij van iemand, die uit het dorp
-kwam, dat er zooveel te doen was bij de politie om dat jongetje, en nu
-bracht hij het. Dokter Van der Linden schreef een cheque van duizend
-gulden; de arme visscher, hoe dom ook en eenvoudig, begreep van deze
-handeling de portée bijzonder vlug; de oude heer tastte in zijn
-portefeuille, en die greep vervloeide naar de agenten van politie, die
-blij waren dat ze er toch iets van hadden, maar den „joei” gruwelijk
-benijdden.
-
-Het was in de stad om het huis van den dokter haast een volksoploop; de
-schrikkelijkste verhalen deden de ronde; toen de oude heer met het
-kind, dat ziek en pijnlijk was en bij transmissie nog naar gedroogde
-scharretjes rook, vielen de gruwelen grootendeels in duigen. Eerst had
-het geheeten, dat het kind letterlijk aan stukken was gesneden; men
-rilde, en moeders in zenuwachtigen angst besloten hunne kinderen thuis
-te houden van school, als had in Den Haag een particulier en modern
-Herodes domicilie gekozen. Den dag na de terugkomst van Willempje in
-het grootvaderlijk huis, volgden de courantenberichten met juistheid de
-feiten vermeldend en met halve woorden gissend naar het onderling
-verband. Toen moest de begeerige wolf van het algemeen gerucht een
-anderen kant uit om voedsel. Niet meer het feit zelf, maar het: waarom?
-trad op den voorgrond. Waarom had die man, een baron nog wel, het kind
-willen vermoorden? Waarom had hij zelfmoord gepleegd? Want van dat
-laatste was het publiek niet af te brengen.
-
-Daar moest iets achterzitten! En in de herinnering van oud-gasten, die
-Indië reeds veel jaren hadden verlaten, doemden met de namen de feiten
-op; de een wist er dit, de ander dàt van,—niemand meer het ware.
-Brokstukken der Leeuwendaalsche geschiedenis te Batavia raakten onder
-het publiek, groeiden aan tot omvangrijke schandalen, vonden hun weg in
-enkele clandestiene weekblaadjes, waarop iedereen laag neerzag, maar
-die haast iedereen met wellust verslond; die iedereen kende en bleef
-kennen, maar altijd verloochende. Daar was van alles in het gerucht;
-maar het essentiëele kwam hierop neer, dat mevrouw Riquelle in haar
-jeugd een ongeoorloofde liaison had gehad met Van Leeuwendaal, die, een
-nacht in haar kamer doorbrengend, zich stilletjes en terwijl zij sliep,
-had verwijderd met een schat aan geld en diamanten; dat hij was
-achterhaald door de politie, gestraft door de justitie, en nu, na vele
-jaren in de gevangenis te hebben doorgebracht, zich was komen wreken,
-doch, bijtijds betrapt, zich had gezelfmoord, vóór hij tijd had het
-kind af te maken.
-
-Het was een heerlijke bijdrage tot de chronique scandaleuse der
-residentie, en zij had, schoon van a-z een lange leugen, volkomen het
-gewicht van een véridiek verhaal, omdat iedereen het geloofde.
-
-In de hoogere standen alleen werd het zoo zwaar niet opgenomen, schoon
-even algemeen geloofd. Openlijk werd het daar tegengesproken. Hoe het
-dan ook zijn mocht,—ieders gevoel van solidariteit als menschen uit één
-stand, bracht mee, dat men een vrouw van wie gezegd werd, dat zij in
-haar jeugd amours had gemaakt met een jongen adellijken losbol, en die
-later, schatrijk, getrouwd was met een homme rangé, cavalerie-officier
-en mede behoorend tot de coterie, de hand boven het hoofd hield, vooral
-indien zij zich zoo uitstekend naar haar omstandigheden wist te
-gedragen.
-
-Toch keken de dames er Louise „op aan”, en zij zag en voelde dat.
-
-„Het is zeer onpleizierig,” zei de oude mevrouw Riquelle tot haar zoon,
-toen hij haar alles vertelde. „Het is vreemd ook.”
-
-„Ellendig is het, maar vreemd niet zoozeer.”
-
-„Ik heb het altijd wel gedacht, Eddie.”
-
-„Wat dan, ma?”
-
-„Herinner je eens dien dag, toen je me het eerst kwam spreken over je
-voorgenomen huwelijk?”
-
-„Ja.... ik herinner me dat.”
-
-„Wat heb ik toen gezegd?”
-
-„Ik weet het zoo precies niet meer, ma,” antwoordde de ritmeester
-ongeduldig. „Denkt u, dat men alle gesprekken letterlijk kan
-onthouden?”
-
-„Ik weet het nog heel precies. Wantrouw altijd eenigszins menschen uit
-Indië, heb ik gezegd. Al zijn ze nog zoo goed en beminnelijk, ze hebben
-altijd hun histoires en vroeg of laat openbaren zich die.”
-
-Mevrouw Riquelle had dat nooit gezegd tegen haar zoon, al beweerde zij
-ook het zich precies te herinneren; de ritmeester keek haar een
-oogenblik verwonderd aan; toen trok hij de wenkbrauwen samen en vroeg
-zeer onvriendelijk:
-
-„Dus u gelooft....?”
-
-„Dàt doet niets ter zake, helaas! Wat wáár is, wat jij gelooft, wat ik
-geloof,—het komt er alles niets op aan. Iedereen neemt de praatjes aan,
-die de ronde doen.”
-
-’s Middags in de sociëteit kwam een zijner collega’s en
-academievrienden naar hem toe.
-
-„Dat is een heele geschiedenis met je stiefzoontje.”
-
-„Ja, het is een beroerd geval.”
-
-„Dat is het.”
-
-Het werd met een ernst en een overtuiging gezegd, die Riquelle vreemd
-deden opzien.
-
-„De kerel had twist gehad met den ouden heer Van der Linden, bij wien
-het kind woont. Om zich te wreken, heeft hij het van de school gehaald,
-naar het schijnt om het te vermoorden.”
-
-De ander knikte toestemmend.
-
-„Ja,” zei hij weer, na een oogenblik zwijgens, „het is een hoogst
-onaangename geschiedenis.”
-
-Verder werd het onderwerp niet aangeroerd, doch wel viel het Riquelle
-op, dat sommige getrouwde officieren zoo op een afstand bleven, vooral
-die uit burgerfamilies, door hun afkomst altijd eenigszins bezield met
-stillen haat en wangunst tegenover de „hof-kringen”, zooals de Haagsche
-adellijke families niet zonder spot genoemd werden.
-
-„Als ik in jou plaats was,” zei zijn vriend, „nam ik mijn ontslag.”
-
-Riquelle werd vuurrood; het was een denkbeeld, dat hem de laatste
-dagen, bij het gevoel dat er iets onaangenaams in de lucht zat, als het
-ware snippersgewijs door ’t hoofd was gegaan. Maar hij werd er boos om
-en vroeg brusque:
-
-„Wat bedoel je daarmee?”
-
-„Wel niets; maak je niet kwaad. Het is waarachtig zoo aangenaam niet in
-den dienst! Wie fortuin heeft, is wel gek er in te blijven.”
-
-Het was pijnlijk voor den ritmeester. Hij kende dat in het militaire.
-Had het over iets anders geloopen, dan zou er toelichting kunnen
-volgen, maar op het kiesche punt: de eer zijner vrouw, ging dat niet.
-Er kon en er mocht daarvan geen sprake zijn. Het was een onderwerp,
-waarover geen woord mocht gesproken worden, zonder dat hij zijn sabel
-trok. Toch was het zoo hard, heen te gaan! Hij had den dienst met al
-het onaangename er aan verbonden, zoo lief!
-
-Met groote vaste schreden ging hij heen en wandelde alleen langs stille
-buitenwegen, waar zijn rinkelende sporen op dat uur van den dag het
-luidst gerucht waren. Ja, het moest toch maar gebeuren! Hij had de
-gezichten gezien en hij wist dat nu. Strijd er over had hij niet; hij
-besloot dadelijk en vast, maar hij had tijd en beweging noodig om „er
-over heen” te komen.
-
-Thuis vond hij de Fourniers, en het gesprek liep weer in alle
-levendigheid over die geschiedenis met Van Leeuwendaal, die, vond
-Hortense, zoo goed was afgeloopen.
-
-„Maar papa is er erg ziek van.”
-
-„Och kom,” zei Fournier, die altijd veel van den dokter had gehouden.
-„Wij zullen eens naar hem gaan zien!”
-
-„Het is ook hier,” zei Hortense met een droevig lachje, „onze
-afscheidsvisite.”
-
-Riquelle wist het en terwijl zij spraken over de reis naar Indië, zei
-hij als langs zijn neus weg:
-
-„Wij zullen hier ook niet zoo heel lang blijven. Ik denk mijn ontslag
-te nemen, en dan gaan we, als Louise ’t goed vindt, voor een poosje
-naar Italië.”
-
-Louise klemde de lippen opeen, zoodat haar mondje een messnee leek over
-haar gezicht; zij kon geen woord spreken, het had haar geweldig
-aangepakt, zij wist wat dat offer hem kostte en hoe kiesch ’t van hem
-was het zóó te behandelen, als de meest gewone zaak. Hortense begreep
-het ook, en toen ze met Fournier na een afscheid onder zenuwachtige
-handdrukken en harde kussen, in hun rijtuig zat, schudde zij met de
-oude peinzende langzaamheid haar ernstig blond hoofd.
-
-„Zij is een zonderling schepsel, Gérard. Die Van Leeuwendaal, jij,
-papa, Riquelle....”
-
-„Beste Stance,” riep Fournier met meer drukte dan noodig was, „zeg toch
-zulke dwaze dingen niet!”
-
-Voor het huis van den dokter sprong hij uit het rijtuig en schelde. Ook
-Hortense stapte uit. Zij moesten lang wachten en Fournier werd
-ongeduldig.
-
-„Meneer thuis?” vroeg hij boos, toen eindelijk de deur openging en
-terwijl beiden reeds de gang instapten, omdat ze wel wisten dat
-„meneer” nu niet uit was.
-
-Maar de meid zei, met bewogen stem en tranen in de oogen:
-
-„De ouwe heer is daar net met een harde koorts de eeuwigheid ingegaan.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Willemstraat.
-
-[2] De vele straten met Indische namen in het N.-W. gedeelte van Den
-Haag.
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK INDISCHE MENSCHEN IN
-HOLLAND ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/68993-0.zip b/old/68993-0.zip
deleted file mode 100644
index 61167e0..0000000
--- a/old/68993-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68993-h.zip b/old/68993-h.zip
deleted file mode 100644
index da363a5..0000000
--- a/old/68993-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68993-h/68993-h.htm b/old/68993-h/68993-h.htm
deleted file mode 100644
index 7895331..0000000
--- a/old/68993-h/68993-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,9903 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-09-15T18:48:49Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Indische Menschen in Holland: Oorspronkelijke roman</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Paulus Adrianus Daum (1850–1898)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://purl.org/dc/elements/1.1/">
-<meta name="DC.Title" content="Indische Menschen in Holland: Oorspronkelijke roman">
-<meta name="DC.Creator" content="Paulus Adrianus Daum (1850–1898)">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-span.accent {
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
-line-height: 0.40em;
-}
-span.accent span.top {
-font-weight: bold;
-font-size: 5pt;
-}
-span.accent span.base {
-display: block;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.externalUrl {
-font-size: small;
-font-family: monospace;
-color: gray;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-margin-left: -0.1em;
-margin-top: 0.9em;
-min-width: 1.0em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-vertical-align: bottom;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.splitListTable td {
-vertical-align: top;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em;
-padding: 5em 10% 6em;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 8.4pt;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tableCaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-.small {
-font-size: small;
-}
-.large {
-font-size: large;
-}
-.vam {
-vertical-align: middle;
-}
-.center {
-text-align: center;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:452px;
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>Indische menschen in Holland</span>, by Maurits</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>Indische menschen in Holland</span></p>
-<p style='display:block; margin-left:2em; text-indent:0; margin-top:0; margin-bottom:1em;'><span lang='nl' xml:lang='nl'>Oorspronkelijke roman</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Maurits</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: September 15, 2022 [eBook #68993]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
- <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND</span> ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover">
-<div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle">
-<div class="divBody">
-<p class="first center large">INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage">
-<div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="452" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND.</div>
-<div class="subTitle">OORSPRONKELIJKE ROMAN</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR<br>
-<span class="docAuthor">MAURITS.</span></div>
-<div class="docImprint">LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="body">
-<div class="div1 last-child chapter">
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">’t Was nog niet ver in het najaar, maar toch reeds vinnig koud. In de nieuwe wijken
-van Den Haag, te zamen grooter dan de oude stad, scheen het guurder dan elders; eentoniger
-en stiller was het er zeker, vooral in de straat, waar kapitein Roos met zijn talrijk
-gezin een bovenhuis had gehuurd. Wie dien dag den hoek om kwam, kreeg van den scherpen
-noordoostenwind de volle laag en zijn deel van het voor den sterken luchtstroom opstuivend
-zand, dat de pas gelegde bestrating bedekte.
-</p>
-<p>De twee lange rijen huizen stonden, op enkele uitzonderingen na, nog leeg. Één lijn
-vormden de lijsten der dakgoten aan weerskanten, één lijn de architraven, één lijn
-de rollagen der trottoirs. De net gemetselde roode baksteenen van het weinige en dunne
-muurvlak tusschen deuren en vensters waren opgebleekt onder den drogen, kouden wind,
-die door de reten gierde, het te versche hout der paneelen deed krimpen en scheuren,
-of spleten trok in de voegen, waarvan ’t laagje verf week met een knal. Het was een
-mislukte bouwspeculatie, die geheele straat, gelijk er zooveel waren. <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>De huren waren laag, maar toch wilde niemand er wonen voorshands, en slechts hier
-en daar zag men een armzalig winkeltje in een der benedenhuizen genesteld, met een
-mageren inventaris, die een parodie leek op de huisdeur <span class="ex" lang="fr">à jour</span> en den porseleinen schelknop.
-</p>
-<p>En over die nare ongezellige straat hing een effen grijze lucht, met geen kans om
-een zonnestraaltje door te laten, in de talrijke vensters zonder gordijnen zijn grauwe
-tinten weerspiegelend.
-</p>
-<p>Kapitein Roos trok zijn handschoenen aan en nam zijn stok. Hij ging uit, elken dag
-en elken avond; hij was bijna niet meer thuis dan om te eten en te slapen. Zijn woning
-trok hem niet aan en aantrekkelijks was er ook bitter weinig. Twee jaren hadden ze
-geleefd van hun verlofstraktement en ingeteerd van hun Indischen spaarpot; toen was
-de tijd gekomen, dat hij gepensionneerd werd, en nu was van de laatste dubbeltjes,
-die zij in Indië zoo zuinig hadden bijeengebracht, nog maar een kleine som over; zij
-zagen den dag naderen, dat zij den bodem zouden zien van hun trommeltje; mevrouw Roos
-had het kunnen uitrekenen op haar vingers, maar dat wilde ze niet, en de kapitein
-deed het evenmin. Zij vonden het zóó onaangenaam, dat ze er zelfs niet samen over
-spraken. ’t Meubilair hunner woning was even troosteloos als de straat; het zag er
-kaal en slordig uit; bij de kachel, die reeds brandde, waardoor het benauwd warm was
-in de huishoudkamer, zat mevrouw Roos gewikkeld in een rood en zwart geruite wollen
-sjaal, met de armen kouwelijk over elkaar en toch half stikkend uit gebrek aan versche
-lucht.
-<span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p>
-<p>„Nu, bonjour,” zei de kapitein. „Tot straks. Dag jongens!”
-</p>
-<p>Zij bromde iets, dat een groet moest beduiden; de kinderen, die voor het venster zaten,
-keerden even met een: „Dag pa!” de donkere hoofdjes om, en drukten toen weer dadelijk
-hun reeds platte Indische neusjes totaal plat tegen de ruiten, waarover zij ademden,
-om daarna, als de wasem op het glas neersloeg, er met hun kleine koude vingers groteske
-soldaatjes op te teekenen. Zij waren nog niet gewasschen; ze kregen genoeg te eten,
-maar ze werden toch slecht verzorgd, geheel overgelaten als ze waren aan een dienstmeisje,
-dat, steeds in een vieze jurk gekleed en met meer gekapte dan gekamde haren, zoowat
-den baas speelde in huis, en niet meer of minder deed, dan ze zelve verkoos.
-</p>
-<p>Van een knappe Indische huismoeder, was mevrouw Roos een Hollandsche huismoeder geworden
-van treurig allooi. Zij had als ’t ware een heimwee naar Indië. Terwijl ze zoo huiverend
-bij de kachel zat en met een onaangenaam koortsig gevoel de grauwe zandwolken zag
-opstuiven in ’t grauwe najaarslicht, dacht ze aan niets dan aan Indië; aan den warmen,
-gouden zonneschijn, aan den rijken, diepgroenen plantengroei, aan haar gezellige achtergalerij.
-God, God! als ze naging, dat ze dat nimmer zou terugzien, dan wilde ze maar liever
-spoedig sterven!
-</p>
-<p>Op straat zette hij er, zooals hij ’t noemde, den pas in. ’t Hoofd meer dan rechtop,
-een gewoonte gebleven uit den tijd der stropdassen, en met den stok zwaaiend stapte
-hij naar den „Dierentuin”; daar kwamen ’s morgens eenige oud-gasten van zijn „kaliber”
-bijeen en dan maakten ze een partijtje. Er kwam niemand anders. Geen Hagenaar, lid
-van <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>den Tuin, zou het ooit in ’t hoofd krijgen in dit vergevorderd seizoen en op zulk
-een uur van den dag in ’t lokaal van dien Tuin te gaan zitten. Maar dat maakte het
-nu juist voor hen zoo aantrekkelijk. ’t Was fatsoenlijk, en ze konden er hun bittertjes
-drinken als in Indië „voor de rijsttafel”, zonder dat iemand hen aanzag voor dronkaards,
-omdat ze reeds in den ochtend sterken drank gebruikten. Hij wist wel, dat hij met
-zijn groot gezin en zijn pensioen die leefwijze op den duur niet zou kunnen volhouden,
-maar daaraan wilde hij voorshands niet denken. Kwamen die tijden, dan kwamen die plagen;
-als het zóó ver was, dacht hij, dan zou hij wel eens omzien naar een baantje, dat
-hij er gemakkelijk bij—wáárbij wist hij eigenlijk niet, maar hij bedoelde zijn pensioen—kon
-waarnemen. En zoo ging hij ook nu welgemoed naar den Tuin; de wind was koud, en hij
-droeg nog maar een dichtgeknoopte zwarte jas, maar dat hinderde hem niet, want, placht
-hij te zeggen, stoffend op zijn krachtige persoonlijkheid, „zoo’n ouwe soldatenransel”
-moest overal tegen kunnen. <span class="ex">Hij</span> vond het zoo kwaad niet, dat leven in Holland, en hij had het pleizierig gevonden
-als ’t zijn vrouw ook was bevallen. Zij was erg veranderd, en dat hinderde hem; zij
-was niet meer voor hem, wat ze zooveel jaren geweest was, en al werd hij nu een dagje
-ouder,—het verdroot hem toch. Welzeker, hij had ingezien dat het heel iets anders
-is kapitein te zijn bij het Indisch leger in actieven dienst in Indië dan in Holland
-gepensionneerd kapitein van hetzelfde leger te heeten. Dan, zoo <span class="ex">is</span> de wereld, dacht hij, en men moest dat nemen zooals het was; zijn vrouw moest zich
-schikken naar de omstandigheden.
-<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
-<p>Keetje en Pietje,—neen, zoo heetten ze sedert lang niet meer, de twee oudste dochters,
-die ondanks ze nu reeds vijftien en zestien jaren oud waren, nog in de hoogste klasse
-zaten van de meisjesschool voor gewoon lager onderwijs; ze heeten nu Corrie en Nelly,
-zooals Haagsche meisjes, ’t zij <span class="ex" lang="fr">par droit de naissance</span> of <span class="ex" lang="fr">par droit de conquête</span>, betaamt.
-</p>
-<p>O, die konden het best stellen, als de jongens van de burger- en andere scholen het
-haar niet zoo lastig maakten op den duur. Toen ze pas op school kwamen, moesten ze
-in een lage klasse met veel jonger meisjes, in wier blonde, bleeke hoofdjes reeds
-meer schoolwijsheid stak dan in haar arme bruine kopjes, en die met een zeker air
-naar de ontwikkelde bustes keken van de „Oostersche nieuwelingen” alsof er persoonlijke
-schande stak in zulk een vroegtijdige physieke ontwikkeling, en diezelfde Haagsche
-meisjes vonden onder elkaar, dat Corrie en Nelly er met haar breede neuzen en krachtig
-gebouwde figuren net uitzagen als bruin gebraden, aangekleede dienstmeisjes; maar
-het mannelijk deel der schooljeugd dacht daar heel anders over en ontwikkelde een
-profusie van kalverliefde, erg hinderlijk voor de donkere zusjes, en alleen gecompenseerd
-door een regen van geschenken aan potlooden, papeteries, ulevellen en chocolaadjes.
-Zij leidden met haar beiden een vroolijk leventje, zich weinig bekommerend om de rest
-of om de toekomst, en als ze met haar lederen schooltasschen aan de hand, en in haar
-strak gespannen met astrakan afgezette manteltjes van school huiswaarts keerden, met
-moeite ontsnapt aan de overal wachtende en loerende kus- en knijplievende jongens,
-en gierend <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>van pret, dan stond menig eigenaar van een perkamenten tronie stil, en zag met innig
-welbehagen dat tweetal donkere meisjes na, in de volheid harer vormen, met de rozen
-op het gezicht, een glinsterend licht in de guitige zwarte oogen, en twee rijen prachtige
-tandjes tusschen de lachende, kersroode lippen.
-</p>
-<p>Voor haar huis drukten zij met kracht en aanhoudend op den schelknop, tot de meid
-boven aan het touw trok en de deur openging. Stampend op de houten met geen loopers
-bedekte treden der trap, stoven zij met groot geraas, lachend en zingend naar boven;
-de kleintjes juichten haar te gemoet; bij de halve ellende van het huishouden en de
-heele van haar moeder, vormden zij het rumoerig element van het frisch ontluikende
-jonge leven; het eenige opwekkende, dat de doorgaans gedrukte stemming in de woning
-van kapitein Roos verlevendigde.
-</p>
-<p>Dien middag hadden zij vrij van school, en zij plaagden haar moeder zoolang tot ze
-er in toestemde zich te kleeden en te gaan wandelen. Mevrouw Roos had er eigenlijk
-eerst geen lust in, maar ze deed het om de kinderen, en toen ze eenmaal in de drukke
-straten wandelde, stilstaand om de tien schreden en luisterend naar het gesnap der
-meisjes, och, toen vermaakte het haar toch zelve wel, al het moois te bewonderen,
-achter de vensters der winkels en magazijnen uitgestald. En naar haar Indische opvatting
-zoo goedkoop! Zóó goedkoop, dat ze, ondanks haar geringe middelen, altijd hier of
-daar binnenging, en nooit thuis terugkwam zonder eenige guldens minder in haar portemonnaie
-en eenige noodelooze kleinigheden meer in haar bezit. Maar er was ook veel, dat <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>haar hinderde op straat en haar bloed deed koken van verontwaardiging. Hoeveel Indische
-dames kruiste ze niet in die volle straten, evenals zij, wandelend om te zien, maar
-ook, niet gelijk zij, om gezien te worden! Zij zag er daaronder, die ze gekend had
-toen ze nog kinderen waren; anderen, die haar buren waren geweest; zij zag er, die,
-gezegend door de fortuin, ’t zij door een huwelijk, ’t zij door snelle bevordering
-van een vader of echtgenoot, in de gelegenheid waren zich prachtig te kleeden en te
-rijden in equipages. En daarbij waren er, die deden of zij de eenvoudig gekleede vrouw
-van den gepensionneerden kapitein en haar dochtertjes nooit te voren hadden gezien;
-anderen, die haar groetten uit de hoogte op een haast beleedigende manier met een
-genadig knikje. Dan was mevrouw Roos voor een oogenblik weer de kloeke vrouw van vroeger;
-ze richtte het hoofd op, glimlachte even en keek met haar groote zwarte oogen zoo
-inlandsch minachtend, dat zij, wien het gold, zich haastten voorbij te komen.
-</p>
-<p>„Dag Jeanne, hoe maak jij het?”
-</p>
-<p>Verrast, haast verschrikt, wendde mevrouw Roos ’t hoofd om.
-</p>
-<p>„Hé, dag Julie, hoe gaat het?”
-</p>
-<p>Ze gaven elkaar de hand en ze kusten elkaar. Nette Haagsche menschen vonden die demonstratie
-op het trottoir van een der hoofdstraten hoogst onfatsoenlijk; die Indische lui geneerden
-zich ook nergens voor! En een Haagsche straatjongen, blijkbaar ook in zijn fatsoen
-getast, riep luidkeels „pakt-em!”—De dames Roos en Van Stralen letten daar niet op.
-Ze waren zulke goede oude vriendinnen, en ze hadden elkaar in zoo lang niet gezien!
-Toen Roos nog luitenant <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>was, diende Van Stralen reeds als oud kapitein, en van toen dagteekende de vriendschap
-der dames, die echter, hoe hartelijk zij zich ook liet vernieuwen, nu men elkaar weer
-persoonlijk zag, zich nooit in briefwisseling had voortgezet.
-</p>
-<p>„En dat zijn je oudste meisjes?” vroeg mevrouw Van Stralen, met een klein beetje afgunst
-in het oog de kloeke kinderen beschouwend; zij zelve had er geen.
-</p>
-<p>„Groot geworden, hè?”
-</p>
-<p>„Verbazend! ’t Zijn haast heele menschen. Dat is, als ik me niet bedrieg, Keetje en
-dat Pietje.”
-</p>
-<p>Mevrouw Roos lachte om de verontwaardigde gezichten harer dochters.
-</p>
-<p>„Nu ja, wij noemen haar Corrie en Nelly.”
-</p>
-<p>Mevrouw Van Stralen lachte ook.
-</p>
-<p>„Je hebt wel gelijk, Jeanne. ’t Klinkt veel aardiger. En hoe bevalt het jou hier?”
-</p>
-<p>„Och zoo! Wat zal ik je er van zeggen? ’t Bevalt me eigenlijk volstrekt niet.”
-</p>
-<p>„Kom,” zei mevrouw Van Stralen, die ook een Indische was. „<span class="ex">Wij</span> kunnen ’t hier wel vinden; maar,” ging ze voort met een blik op het eenvoudig toilet
-harer vriendin, „wat de duurte betreft, valt het leven hier niet mee.”
-</p>
-<p>Ze praatten nog een oogenblik, intusschen het publiek, dat langs het trottoir wandelde,
-zeer in den weg staande, en het werd mevrouw Van Stralen onder het discours heel duidelijk,
-dat Jeanne verdriet had.
-</p>
-<p>„Je moet me komen opzoeken, ja? Beloof je het?”
-</p>
-<p>Mevrouw Roos aarzelde.
-</p>
-<p>„Je moet zeker komen, Jeanne. Wij hebben een aardig <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>clubje als dames onder elkaar. De heeren loopen toch altijd maar naar de sociëteit!
-Heusch, je moet komen.…” en lachend bracht zij den mond bij het oor harer vriendin
-en ging fluisterend voort.
-</p>
-<p>Met een uitdrukking van komieke verbazing op het gezicht, keek mevrouw Roos haar aan.
-</p>
-<p>„Loh! Wat zegje? <span class="ex">Kepl</span>.…”
-</p>
-<p>„Sst!” viel mevrouw Van Stralen haar in de rede. „Niet zeggen! Het gaat maar om ’n
-kleinigheid, want we zijn haast allemaal gepensionneerd. Ik wed.…”
-</p>
-<p>Snel trok zij haar kleed ter zijde voor de wielen van een prachtige coupé, die juist
-stilhield bij het modemagazijn, waarvoor zij stonden te praten.
-</p>
-<p>Er traden twee nog jeugdige dames uit ’t geopend portier, beiden prachtig gekleed:
-een klein, donker vrouwtje, met een gezond en levendig uiterlijk, en een lange, statige
-blondine, met een bleek en lijdend gezicht. De eerste zag snel rond, trad op mevrouw
-Van Stralen toe en gaf haar de hand.
-</p>
-<p>„Dag mevrouw,” zei ze met een fraaie, muzikale stem. „Gaat het goed? En hoe vaart
-de kolonel?”
-</p>
-<p>„Uitstekend! En dokter Van der Linden, en de kleine?”
-</p>
-<p>Ook dàt was in orde. Men sprak een minuut, en toen wipte ’t mooie, gracieuze vrouwtje
-den winkel in.
-</p>
-<p>„Ken je haar niet?” vroeg mevrouw Van Stralen, en toen Jeanne ’t hoofd schudde, ging
-zij zachtjes voort:
-</p>
-<p>„Zij is de dochter van dokter Van der Linden van Batavia, die met dien rijken Van
-Velton getrouwd is geweest, ’n heele <span class="ex">tjerita</span>, weet-je! Wij hebben nu geen tijd, maar je moet me vast beloven eens aan te komen,
-dan zal ik je zoo <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>een en ander vertellen. Ik heb de reis met haar gemaakt, weet-je?”
-</p>
-<p>Toen mevrouw Roos tegen etenstijd weer thuis kwam, keerde haar heimwee met volle kracht
-terug; zuchtend en langzaam klom zij de trap op: de meisjes waren haar reeds vooruitgevlogen
-naar haar kamer. Terwijl ze voorbij de keuken kwam, hoorde zij de meid mopperen. Ze
-liep even binnen, en zag Kaatje met een roode kleur voor het fornuis staan, bezig
-den onvermijdelijken Hollandschen biefstuk te braden, waarvan de familie Roos nog
-altijd niet verzadigd was.
-</p>
-<p>„Wat is er?” vroeg ze.
-</p>
-<p>„Er is niets, mevrouw. Als meneer asjeblieft maar niet zoo familiaar is! Ik ben daar
-in ’t geheel niet op gesteld, en hij moet uit de keuken blijven. Hij moet niet denken
-dat hij zoo’n zwarte negerin voorheeft!”
-</p>
-<p>Mevrouw Roos ging gauw heen. Zij wist genoeg van ’t Hollandsche keuken-idioom om te
-begrijpen, waarop die laatste uitdrukking der in land- en volkenkunde niet ervaren
-Kaatje doelde; ze wist ook, dat wat de „familiariteit” van den kapitein betrof, ’t
-meisje volkomen gelijk had, en ze voelde, dat haar eigen zoo veranderd gedrag tegenover
-hem daar mede schuld aan had.
-</p>
-<p>’t Kon haar echter weinig schelen; het vooruitzicht nimmer weer naar Indië terug te
-kunnen en haar leven lang in het koude, onaangename land te moeten blijven, ontnam
-haar allen levenslust. Ze zou weinig jaren te voren in de grootste woede zijn ontstoken,
-als Roos haar ook maar eenige reden had gegeven tot jaloezie; thans was het haar volkomen
-onverschillig, al deed hij ’t ergste. Maar och! dat deed hij niet. <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>Het is waar, dat hij, die jong naar Indië gegaan en nooit met verlof in Europa geweest
-was, thans vaak een zwaren strijd had te strijden, waarin hij althans zijn uiterste
-best deed telkens overwinnaar te blijven. Zelf van nederige afkomst, <span class="ex" lang="fr">l’eau remontait à sa source</span>: Roos toonde namelijk een hoogst gevaarvolle neiging voor dienstmeisjes. Hij kon
-de handen niet thuis houden; hij streek haar onder de kin of kneep haar in wangen
-of armen,—allemaal kleine, onschuldige misgrepen, gepleegd in volle eer en deugd,
-maar die Kaatje in woede deden ontsteken, alleen omdat zij het van zoo’n bejaard mensch,
-zei ze, in ’t geheel niet velen kon.
-</p>
-<p>Met het onschuldigste gezicht ter wereld, zat de kapitein, een beetje verhit van ’t
-langdurig partijtje in den Dierentuin, aan de reeds gedekte tafel, de courant lezend
-van den vorigen dag.
-</p>
-<p>„Marsch!” riep hij, toen zijn vrouw binnenkwam. „Dat heb ik wel zien aankomen: Van
-Schermbeek is er uit.”
-</p>
-<p>„Kasian,” zei ze, „hij is zoo’n goed en fatsoenlijk man!”
-</p>
-<p>„Van top tot teen ’n gentleman. Maar ik heb ’t hem voorspeld. Dat beroerde reclameeren
-ook! ’t Is of dat jonge volk den duivel in ’t lijf heeft!”
-</p>
-<p>„Dat heeft oud volk soms ook.”
-</p>
-<p>Hij keek haar eenigszins verbluft aan en las toen verder, zonder te vragen wat ze
-bedoelde. Zij vervolgde heel bedaard:
-</p>
-<p>„Daarom wou ik je verzoeken, de meid aan haar werk en met rust te laten, en niet meer
-in de keuken te komen.”
-</p>
-<p>Hg schoof onrustig heen en weer, draaide met nog hooger kleur aan zijn knevels en
-zette zijn bril recht.
-</p>
-<p>„Je moest je schamen!” zei ze nog.
-<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p>
-<p>Toen frommelde hij aan de courant, dat het papier rammelde, en eerst langzaam en stootend,
-daarna met een toenemend <span class="ex" lang="fr">flux de bouche</span> kwam hij los in klachten en verwijten van hoogst intiemen aard, waaruit hij de conclusie
-trok, dat het alles haar schuld was. <span class="ex">Hij</span> was zoo niet, maar als men.… <span class="ex">enfin</span> nog gezond en krachtig was, en men had een vrouw als een dubbel bevroren ijsklomp.…
-</p>
-<p>Zij hoorde het aan zonder iets tegen te zeggen; zij wist het wel, en ze gaf hem in
-veel gelijk. ’t Was haar echter onmogelijk anders te zijn dan zij was; hij begreep
-niet <span class="ex">hoe</span> doodelijk ongelukkig ze zich voelde, en hoe dit leven haar walgde en tegenstond.
-Er kwam een pijnlijke trek op haar gelaat, en toen de kapitein dat zag, sprak hij
-ingetogener en kalmer; zijn liefde voor haar kwam weer boven, maar ’t hielp niet.
-En intusschen luisterden Corrie en Nelly met Kaatje aan de deur, half stikkend van
-ingehouden lach. Toen het „standje” uit was, liepen ze alle drie naar de keuken, waar
-ze het uitschaterden.
-</p>
-<p>Bij het diner was het alles vrede.
-</p>
-<p>„Kom, ga eens mee naar de opera,” zei kapitein Roos tegen zijn vrouw.
-</p>
-<p>Zij schudde het hoofd.
-</p>
-<p>„Ik blijf liever thuis.”
-</p>
-<p>„Thuis sterven de meeste menschen,” merkte hij wijsgeerig aan. „Het is wezenlijk verkeerd
-van je, Jeanne! Ze geven van avond de <span class="ex">Cloches</span>.”
-</p>
-<p>„Ga jij maar,” antwoordde ze schouderophalend. „Heusch, ik geef er niet om; ik blijf
-veel liever hier.”
-</p>
-<p>Hij drong niet verder aan, maar stond op en ging zich <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>kleeden. De meisjes vroegen of ze met Kaatje mee mochten boodschappen doen in de buurt,
-en dat werd haar vergund; de kleintjes werden naar bed gebracht; ze sliepen in een
-ommezien onder de warme dekens, en toen de huisdeur dichtviel, hoorde mevrouw Roos
-den harden militairen stap van haar man door de leege straat en in de holle onbewoonde
-huizen weerklinken in de eene richting, en het droge tikken der hakjes van de meisjes
-en van de meid, die gearmd en gichelend den anderen kant uit gingen. Daarna werd het
-stil in de eenzame buurt, en slechts de onverbiddelijke koude wind hoorde men door
-de schoorsteenen gieren met klagend geluid.
-</p>
-<p>Zij had haar sjaal weer omgedaan, en na de kachel te hebben opgestookt, haar stoel
-er bij geschoven. De tafel was nog niet „afgenomen”; dat zou Kaatje wel doen, als
-zij terugkwam, en ’t kon mevrouw ook weinig schelen. Zij verzonk weer in de droomen
-en phantasmagorieën, die haar heimwee vergezelden. ’t Ging haar als de schipbreukeling,
-die, op diëet van zoet water, gekweld wordt door grooten dorst, en in een staat van
-geestelijke verdooving geen andere beelden ziet dan heerlijke glazen ijswater, die
-hem aan de lippen worden gebracht, maar meedoogenloos verdwijnen bij elke gretige
-poging er iets van te drinken; allerlei visioenen had ze van Indië; het was haar leven
-in al zijn phasen, dat achtereenvolgens opdoemde, van haar eerste jeugd als dochter
-van een opziener op een onderneming in het gebergte tot haar later huwelijk met den
-toen 2den luitenant Roos; zij zat met gesloten oogen en glimlachte tegen haar hallucinaties
-gelijk haar man wel zou gewenscht hebben, dat zij het tegen hem deed.
-<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p>
-<p>In den foyer van de opera stond deze gedurende de pauze met een groepje zijner oude
-vrienden een glas grog te drinken. Een enkel woord was gesproken over ’t stuk, dat
-werd opgevoerd, doch heel spoedig verviel men vanzelf in gesprekken over Indië, over
-expedities, promotie, traktementen, schandaaltjes, regeeringsfouten en intriges. Ook
-hen vervolgde en bezat het land, waar ze zooveel van hun beste levensjaren hadden
-doorgebracht; het had hen vast en ’t wilde hen niet loslaten; ze droegen er ’t onuitwischbaar
-stempel van in woord en gebaar, in houding en uiterlijk. En het bleek ten slotte,
-dàt wat hun ’t meeste belangstelling inboezemde, al waren de meeningen der meesten
-in het koude klimaat aanmerkelijk afgekoeld, en deden velen hun best anders te denken
-en te spreken, dan hun aandrift meebracht, om de andersdenkenden en sprekenden in
-wier midden hun gewoon dagelijksch leven verliep.
-</p>
-<p>Maar toch hadden ze voor alle van vreemde smetten vrije Nederlanders nog eigenaardigs
-te over: de weinigen, die aanvankelijk hadden gestaan bij het groepje in den foyer,
-uit gepensionneerden, verlofgangers en een enkel particulier saamgesteld, trokken
-spoedig af; zij verstonden het discours maar half en konden er niet aan deelnemen.
-En menige onvriendelijke blik gleed over dat groepje, en menige kwaadaardige grijns
-ging aan het adres der kern-gezonde, grog- en bierlievende verlofgangers, die „wegens
-ziekte” pierewaaiden in Den Haag, met behoorlijke verlofstraktementen, waarvoor ze
-niets behoefden te doen,—twee omstandigheden, die de Haagsche ambtenaarswereld haast
-deden stikken van woede en spijt.—Men moest hun niet vertellen, dat <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>die menschen doodziek Indië hadden verlaten, en door de zeereis reeds voor het grootste
-deel herstelden, zoodat ze na een kort verblijf in Europa geheel beter waren; men
-moest hen er niet op wijzen, dat velen van die menschen in afgelegen oorden jaren
-achtereen een droefgeestig, eenzelvig bestaan hadden moeten leiden, haast afgesloten
-van allen Europeeschen omgang,—want zij geloofden het toch niet; ze hoorden het aan,
-schouderophalend en met een: „nu, ja”, maar voor de rest bleven zij er bij, dat het
-meer dan ergerlijk was, om, als zij in ’t Lange Voorhout uit hun bureau-vensters zaten
-te kijken, zulke verlofgangers in datzelfde Voorhout te zien wandelen.
-</p>
-<p>„Heb je mevrouw Van Velton gezien?” vroeg een oud-hoofdambtenaar, en op die vraag
-staken allen de hoofden bijeen met oolijke gezichten. Er werd gefluisterd en gelachen,
-tot luid en brutaal de schel weerklonk, die hen terugriep naar de zaal, omdat de pauze
-uit was. ’t Scheen wel, dat de naar de deur stroomende menigte door den dikken rook
-heenbrak, dien zóóveel brandende sigaren binnen een kwartier in den foyer hadden doen
-opgaan en die, met de massa, vergezeld van een echte kroeglucht, zich in de kromme
-gangen en gangetjes verbreidde.
-</p>
-<p>„Doe de deur dicht,” had Louise Van Velton tegen haar stiefdochter gezegd, die in
-haar loge er het dichtst bij zat. „Er komt zoo’n nare lucht binnen.”
-</p>
-<p>Hortense strekte zwijgend een langen arm uit en sloot de deur. Ze geeuwde achter haar
-waaier en ook Louise had geweldig ’t land. Zij zag er keurig uit in ’t ponceau fluweel
-met parelgrijze kant gegarneerd en een gezichtje om te <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>stelen; haar diamanten schitterden oogverblindend. Ook Hortense was altijd keurig
-en smaakvol gekleed; het was bekend, dat zij prachtig woonden, schitterende equipage
-hielden,—kortom, dat ze rijk waren, rijk, schoon en elegant, en toch hielp ’t niet!
-</p>
-<p>O, er kwamen hoogst fashionabele lieden in haar villa op ’t Plein 1813, doch zij behoorden
-niet tot den stand, welken Louise er had wenschen te zien. Zelfs vroeger, toen zij
-met haar vader te Brussel woonde, verkeerde zij in hooger kringen. Van Indische clubs
-wilde zij niets weten, en met oud-gasten liet zij zich zoo weinig mogelijk in. Natuurlijk
-kon ze niet beletten, dat kennissen visites maakten, maar zij moedigde dat zoo weinig
-mogelijk aan, en bracht slechts tegenbezoeken als ’t niet anders kon. Zij werden nu
-begeleid door een neefje van Hortense, een jongmensch uit Arnhem met een bloemzoet
-gezicht en hoogst affabele manieren, doch in de oogen van Louise, die verzot was op
-grooten chic, niet veel meer dan een heerenboertje. Toen haar naam werd afgeroepen,
-bracht neef André de dames naar haar coupé en nam hij afscheid.
-</p>
-<p>„Ik heb me gruwelijk verveeld van avond,” zei Louise, haar sortie nauwer aanhalend
-en tegen de zacht geelzijden doffen leunend.
-</p>
-<p>„En ik dan!” geeuwde Hortense uit het andere hoekje.
-</p>
-<p>De fraai geornamenteerde lantaarns aan het hek van den tuin brandden en de jonge gitzwarte
-paarden sloegen vonken uit den bestraten toegangsweg. En nauwelijks stond het rijtuig
-stil of de deuren onder de koetspoort vlogen open, en in een stroom van zacht goudgeel
-licht uit de albasten <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>lampen, beklommen ze de marmeren trap van den corridor.
-</p>
-<p>„Bonsoir!” zei Louise, stilstaand voor de deur van Hortenses kamer en haar de wang
-toestekend.
-</p>
-<p>De stiefdochter drukte er even haar lippen tegen.
-</p>
-<p>„Wel te rusten!” zei ze, haar kamer binnengaande.
-</p>
-<p>Er moest een einde aan komen,—dàt was mevrouw Van Velton met zichzelve eens. Zulk
-een saai leven, ondanks haar groot vermogen en weelderige levenswijze slechts verveling
-brengende, wilde zij op den duur niet leiden. Papa zag men alleen aan het ontbijt
-en bij het diner; voor de rest ging hij geheel op in <span class="ex">haar</span> kind, zijn eenigen kleinzoon, waarvan zij intusschen meer en meer vervreemdde. Het
-was reeds zóó ver, dat de oude heer jaloersch werd en boos, als zij zich zelfs maar
-met de kleeding van ’t jongske bemoeide; ’t was zijn afgod, en ofschoon physiek een
-allerliefst ventje, een naar, vervelend, bedorven kind, dat altijd zijn zin moest
-hebben. Hortense.… neen maar <span class="ex">die</span> was à propos van verveling een wereldwonder! Die <span class="corr" id="xd31e308" title="Bron: seurde">zeurde</span> nu niet met haar kind, dat evenwel heel aardig en lief werd, zoo’n bleek wurm als
-het in Indië was, maar die <span class="corr" id="xd31e311" title="Bron: seurde">zeurde</span> over haar man. En dat was nu juist voor Louise geen aangenaam onderwerp. Niet dat
-zij thans nog iets hoegenaamd om hem gaf! Wat zij voor hem gevoeld had, en wat nog
-een oogenblik bij haar laatste bezoek te Batavia hel had opgeflikkerd, was thans voor
-goed gestorven, en zij had overigens, hoewel weduwe, weinig behoefte aan een huwelijk
-of aan omgang met een man, schoon ze gevoelig was voor vleierij en wel hield van een
-aardigheid. Maar zoo mooi ze overigens was, zoo lief en levenslustig zij er uit zag,
-zoo koket zij wezen <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>kon en zoo schijnbaar hartstochtelijk soms haar groote zwarte oogen gloeiden, zoo
-rustig en normaal werkte haar gestel, dat trouwens in haar eerste huwelijk niet was
-verwend. Zij had haar gevoel onder bedwang.
-</p>
-<p>De altijd eenigszins vermoeid uitziende Hortense daarentegen, met haar rustig onverschillig
-gezicht en kalmen oogopslag, leed geweldig onder de afwezigheid van Fournier. Nacht
-en dag stond hij haar voor den geest; zij had hem reeds lang vergeven, dat hij haar
-bedrogen had, door zijn vroegere verhouding tegenover haar stiefmoeder voor haar te
-verzwijgen. Naderhand, toen ze alles wist, vond zij het weinig, alleen rekenend met
-den uitslag, niet met het doel. ’t Was een kinderachtigheid geweest, een vergissing
-vond ze; en eenmaal uitgemaakt hebbende, dat het niet <span class="ex">meer</span> was, achtte zij het <span class="corr" id="xd31e322" title="Bron: der">de</span> moeite niet waard er verder over na te denken. En nu streed de arme Hortense een
-zwaren strijd tegen haar isolement. Zij ging, toen ze uit de opera kwamen, eens kijken
-in de kinderkamer,—de kleine sliep als een roos, en in het ledikant naast het kinderbedje
-deed de <span class="ex">bonne</span> hetzelfde. ’t Was alles stil en rustig in het groote huis. Langzaam en zuchtend ontkleedde
-zij zich, nam een boek en ging aan de tafel zitten lezen; daarmede verzette zij zich
-<span class="ex" lang="fr">tant bien que mal</span>, en tot laat in den nacht verslond zij boeken, haar best doende zooveel mogelijk
-belang te stellen in de handelende personen, tot ze, doodmoe, naar bed ging en dadelijk
-insliep.
-</p>
-<p>’t Was een koude, heldere ochtend, den volgenden dag; de wind woei hardnekkig uit
-denzelfden guren hoek, maar de grauwe wolkenmassa was weggedreven; de zon scheen <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>vroolijk en vriendelijk aan de staalblauwe, strakke lucht; haar reeds bleeker schijnend
-licht verguldde de gele uiteinden der met zacht geruisch over ’t Plein dwarrelende
-bladeren.
-</p>
-<p>Zij ontbeten nog in de tuinkamer.
-</p>
-<p>„Het is zulk lekker weer; we moesten eens naar Scheveningen rijden,” meende Louise.
-</p>
-<p>„Ga gerust je gang; maar ik blijf thuis met het kind,” zei dokter Van der Linden,
-nu reeds met een bezorgden blik op zijn kleinzoon.
-</p>
-<p>„U zult hem nog heelemaal verwennen.”
-</p>
-<p>„Laat dat maar aan mij over! Ik ga met hem spelen in den tuin. Rijdt jullie maar naar
-den zeekant; <span class="ex">wij</span> hebben hier zeewind genoeg.”
-</p>
-<p>Doch Hortense wilde wel, en ze hadden reeds orders gegeven om in te spannen, toen
-de knecht een paar visitekaartjes binnenbracht.
-</p>
-<p>„God, hoe vervelend!” zei Louise. „Natuurlijk weer Indische lui.”
-</p>
-<p>Voor één presentabele Haagsche jonkersfamilie had zij gaarne ’t heele visschersdorp
-ook als badplaats een jaar lang willen ontberen.
-</p>
-<p>Het waren kennissen uit Indië. Zij had hun namen gelezen onder de passagiers der Fransche
-mail, en had wel gedacht, dat ze den een of anderen dag haar voor den neus zouden
-staan. Nu kwamen ze al heel ongelegen, maar enfin! ze moesten maar in de ontvangkamer
-worden gelaten, waar mevrouw Van Velton een oogenblik later, met een gezicht stralend
-van genoegen en een vriendelijken lach op de lippen, hen verwelkomde.
-</p>
-<p>De twee heeren behoorden niet tot ’s lands dienst; de een, <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>’s lands welvaren in persoon, was Mr. Mourant, advocaat, en de ander met het uiterlijk
-van een leverlijder, heette Veninga en was planter. Beiden bezaten een aardig fortuintje,
-maar de advocaat had met pleiten toch niet half zooveel verdiend als de planter met
-koffie-oogsten. Zoo de heeren van denzelfden leeftijd waren,—de dames scheelden veel
-in dat opzicht; mevrouw Mourant liep naar de veertig en zag er in uiterlijk schoon
-zeer gewoon Indisch uit; wel kon men ’t haar aanzien, dat zij een zeer intellectueel
-ontwikkelde vrouw was, maar al mocht mevrouw Veninga op dit laatste niet bogen, toch
-stelden haar groote schoonheid en haar twintig jaren de oudere vriendin ver in de
-schaduw; die deden zelfs afbreuk aan de mooie Louise en dat voelde zij toen ze binnenkwam
-en het jonge vrouwtje in een snoeperig reiskostuum haar om den hals vloog en hartelijk
-kuste.
-</p>
-<p>„We zijn nog heel vreemd in patria,” zei Mourant lachend.
-</p>
-<p>„Het is al zoo vèr in het seizoen,” meende Louise.
-</p>
-<p>„Dat is het ook,” gaf Veninga toe, „en we zouden ook gewacht hebben tot den volgenden
-zomer, als mijn gezondheid het had gepermitteerd!”
-</p>
-<p>„En ’t is erg lief van de Mourant’s—vindt u niet?—dat ze hun vertrek uit Indië om
-onzentwil hebben vervroegd.”
-</p>
-<p>„Och,” zei mevrouw Mourant, „Jet overdrijft dat; wij hebben elkaar zoo lang gekend;
-zij zijn, dat weet je, uit ons huis getrouwd, en als kind was ze altijd bij ons thuis.…”
-</p>
-<p>„Toch vind ik het erg hartelijk,” viel Louise met haar liefsten glimlach in, en intusschen
-dwaalde haar vlugge blik over dat viertal, waarvan twee der dames naast haar zaten
-op de ottomane, en Veninga zich vermoeid had neergevleid <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>in een leunstoel, terwijl Mourant achter dien stoel staande met de armen rustend op
-de leuning en een glimlach om den mond naar de dames keek, nu en dan zich met een
-gepast woord in het gesprek mengend. En er lag zoo iets meesterachtigs en cynisch
-in dien glimlach, dat Louise er zich inwendig boos over maakte en de wenkbrauwen samentrok.
-</p>
-<p>Er werd een glas morgenwijn rondgediend, en Veninga, die geen idéetje van spiritualiën
-aandurfde, uit vrees voor zijn lever, dronk een glas soda-water. Al pratende en zich,
-ondanks zichzelve, weer warm makend over wat sedert haar vertrek in bekende families
-was voorgevallen, vloog voor mevrouw Van Velton de tijd voorbij.
-</p>
-<p>„We moeten nu weg, anders komen we niet op tijd,” zei Mourant, op zijn horloge ziende.
-</p>
-<p>„Blijft u dan niet hier?” vroeg Louise.
-</p>
-<p>Hij zag eens rond.
-</p>
-<p>„We hadden afgesproken terug te gaan naar Amsterdam. Voorloopig namen we onzen intrek
-in het Amstel-hotel. Daarna denken we hier te komen.”
-</p>
-<p>Mevrouw Veninga was reeds opgestaan.
-</p>
-<p>„En we gaan nu terug naar Amsterdam,” zei ze op een toon, die duidelijk aangaf, dat
-nu het itinéraire onherroepelijk was vastgesteld.
-</p>
-<p>Men nam hartelijk afscheid.
-</p>
-<p>„Die vervelende lui,” klaagde Louise toen ze terugkwam bij Hortense, die droomerig
-voor zich uit zat te kijken met de handen in den schoot en zeker aan Fournier dacht:
-„die vervelende lui hebben me verschrikkelijk opgehouden. Het is nu te laat om naar
-Scheveningen te gaan.”
-<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span></p>
-<p>„Och,” antwoordde Hortense, als ontwakend: „’t kan me eigenlijk ook niets schelen.”
-</p>
-<p>„Ik heb,” ging ze voort, toen ze zag dat Louise zich ergerde aan haar verregaande
-onverschilligheid, „hen even in ’t rijtuig zien stappen. Ze zagen er netjes uit.”
-</p>
-<p>„O ja! Ze zijn in Amsterdam mensch geworden. Ik heb zoo gelachen om het verhaal van
-dien Mourant. Het is een naar, pedant heer, maar hij praat wel aardig.”
-</p>
-<p>„Wat was het?”
-</p>
-<p>„Och, <span class="ex" lang="en">the old story</span>: ze hebben nette familie te Amsterdam, een beetje stijf en vervelend, maar die toch
-goed meeleven. Nu, zij hadden zich maar vast in Indië van Europeesche kleederen voorzien,
-en meenden dat ze poes mooi waren.”
-</p>
-<p>„Die is aardig!”
-</p>
-<p>„Nietwaar? Wel, ze begrepen er niets van, toen hun in vertrouwen verteld werd, dat
-ze zich moesten laten kleeden, want dat niemand van de familie zich op straat met
-hen durfde vertoonen. Ha, ha! Aardig, ja!”
-</p>
-<p>Ook Hortense vond het erg grappig en lachte hartelijk mee.
-</p>
-<p>„Waarom heb je een hekel aan dien meneer Mourant?”
-</p>
-<p>„Ik.… ik.… kan het je haast niet zeggen, Stance! Het is misschien heel leelijk, maar
-ik vermoed iets.…”
-</p>
-<p>Hortense keek op; zij zou geen vrouw moeten geweest zijn om tegenover onuitgesproken
-vermoedens geen nieuwsgierige belangstelling of belangstellende nieuwsgierigheid aan
-den dag te leggen.
-</p>
-<p>„Zeg het maar,” drong ze aan, en met een uitdrukking op ’t gezicht, die gebrek aan
-vertrouwen verweet, voegde ze er bij.… „onder ons!”
-<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p>
-<p>„Hij heeft iets in zijn gezicht en in zijn manieren; iets waarvoor ik geen naam weet,
-maar dat elke parvenu, die niets gewoon is, over zich heeft als hij op zijn manier
-een conquête heeft gemaakt. Men kan ’t hem aanzien, dat hij het wel zou willen uitschreeuwen
-van de daken; dat hij er in stikt, en het springt te meer in het oog, naarmate hij
-haar behandelt, alsof er niets.… niets.…”
-</p>
-<p>„Maar dàt is nu toch ’n beetje erg! Mijn hemel, ik zou niet graag zoo iets beoordeelen
-op zoo’n manier! Je hebt ’n hekel aan den man, en dat is, geloof ik, alles! En nu
-maar te denken, dat hij dien armen zieken Veninga.…”
-</p>
-<p>„En toch is het zoo, of bijna zoo! Geloof me, Stance, men begrijpt en gevoelt zulke
-verhoudingen ’t best bij intuïtie. Er zijn onder die vier menschen bedriegers en bedrogenen.
-Daar zou ik mijn hoofd op durven geven.”
-</p>
-<p>Er werd een groot pakket binnengebracht. Het knappe werkmeisje, koket gekleed en met
-een heel air, lei het op de tafel en zei nonchalant-weg:
-</p>
-<p>„Asjeblieft, mevrouw, de mijl,”—zoo scherp, alsof ’t woord mail met zes lange ij’s
-werd geschreven.
-</p>
-<p>Mevrouw Van Velton verroerde zich niet, maar keek met boozen blik de netgebouwde figuur
-der dienstbare fee na, die met een trippelpas de kamer verliet in een paars japonnetje,
-dat haar als geschilderd aan ’t lijf zat, iets wat kapitein Roos in verrukking zou
-hebben gebracht.
-</p>
-<p>Louise ergerde zich geweldig aan de vrouwelijke dienstboden. De mannen waren beleefd
-en onderdanig, vond ze, maar de meisjes haatte ze, en ze bleef er altijd een beetje
-bang voor. Die hadden ook iets in haar houding en manieren, <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>dat <span class="ex">sprak</span>, en een zoo scherpzienden blik als die van mevrouw Van <span class="corr" id="xd31e407" title="Bron: Velten">Velton</span>-Van der Linden ontging het niet, dat haar vrouwelijke bedienden voor haar niet de
-deferentie betoonden, als zij waarnam dat in echt Hollandsche voorname families aan
-den dag werd gelegd. En of zij al vorstelijke loonen betaalde,—het baatte niet. Het
-was, integendeel, of de schepsels insolenter werden, naarmate ze meer geld verdienden.
-</p>
-<p>Zenuwachtig had Hortense het pakket losgemaakt, de couranten ter zijde geworpen en,
-onder de brieven grabbelend, er een uitgehaald; ze scheurde er haastig ’t couvert
-af en verslond den inhoud. Langzaam naderde Louise de tafel. ’t Kon háár zoo bitter
-weinig schelen, wat de post bracht! ’t Waren meest brieven over haar geldzaken, en
-die gaf ze ongelezen aan haar vader, of enkele korte episteltjes van oude vriendinnen,
-kennisgevingen van huwelijken en overlijden, en zoo—<span class="ex">enfin</span>, dingen, waarin zij slechts matig belangstelde.
-</p>
-<p>Ze liet ze één voor één onverschillig door de handen gaan.
-</p>
-<p>„Hij komt! hij komt!”
-</p>
-<p>’t Was een juichtoon, zóó luid, dat Louise er van schrikte.
-</p>
-<p>„Hij komt!” riep Hortense nog eens, den brief als een zegeteeken boven haar hoofd
-houdend, met een kleur op de wangen en licht in de oogen, wat haar altijd zoo mooi
-maakte.
-</p>
-<p>„Het is jammer, Stance, dat je niet altijd zoo verheugd bent. Als je eens wist hoe
-goed het je staat!”
-</p>
-<p>„Hij kan al over een week of drie hier wezen. God, hoe heerlijk!”
-</p>
-<p>En in de overstelping harer blijdschap kuste ze Louise telkens en telkens weer.
-<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p>
-<p>„Ik ga hem halen van Marseille,” riep ze: „wat een heerlijke winter zal dat zijn!”
-</p>
-<p>’t Deed hare jonge stiefmoeder pijnlijk aan. Niet om Fournier; maar zij benijdde Hortense,
-die zoo gelukkig kon zijn om ’t vooruitzicht van hereeniging. Was <span class="ex">dat</span> geluk, en zou zij, die dat nooit had gesmaakt, ook nimmer te weten komen, wat het
-was?
-</p>
-<p>En intusschen dacht Hortense hardop; ze sprak nu in tien minuten meer dan anders vaak
-in een heelen dag; ze maakte allerlei vooronderstellingen en verwierp die weer; hij
-zou toch wel telegrapheeren, of neen, dat zou hij niet, want hij zou haar verrassen;
-zij zou het wel tijdig lezen in de passagierslijsten, tenzij hij voor de grap zijn
-naam niet liet publiceeren. Zou hij dadelijk naar Den Haag komen en bij haar zijn
-intrek nemen, of zouden ze eerst een reisje doen door Italië en Duitschland? Zij gaf
-zichzelve taal en antwoord, en toen zij nog met den brief in de hand, vroolijk en
-opgewonden naar haar kamer ging, hoorde Louise haar zingen—voor de eerste maal sedert
-zij daar woonden!
-</p>
-<p>In eentonige regelmaat tikte zacht de slinger der pendule, die een marmeren Phryne,
-in verleidelijke houding haar schoone lijnen toonend, omhooghield; tusschen de donker
-damasten gordijnen drong flauw het weemoedig licht van den dalenden najaarsdag; Louise
-leunde met den elleboog op de tafel en keek naar buiten zonder te zien; zij voelde
-zich zoo verlaten, zoo heel, heel erg alleen! Was er dan niets voor haar op de wereld?
-Volstrekt niets? Niets wat ze zóó liefhad, dat ze er voor leefde, en dat haar gelukkig
-kon maken? Er welde als het ware iets op in haar binnenste, iets dat haar verschrikkelijk
-<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>benauwde; zij voelde dat het zou losbarsten met teugellooze kracht, en ze vloog de
-kamer uit, de trappen op, naar de vertrekken van den dokter,—die waren eenzaam; haar
-vader noch haar kind waren er, maar door het venster zag ze hoe de erg verouderde
-dokter in het zweet zijns aanschijns samen met njo een toren bouwde in den tuin van
-aarde en steenen, en hoe ze zich allebei kolossaal amuseerden, hij, met zijn weinige
-zilverwitte haren, ’t jongske met den dichten blonden krullebol. Ook die twee hadden
-elkaar lief en leefden voor elkaar. En zij was voor niemand iets, gelijk niemand iets
-was voor haar. Ging er dan zulk een afstootende kracht van haar uit, zóó, dat alles
-van haar vervreemd raakte: moederliefde, kinderliefde, <span class="ex">de</span> liefde.…? De groote opwelling van smart, die haar daareven haast had doen stikken,
-kwam niet tot een uitbarsting; slechts zuchtte zij diep en streek haar donker fraai
-gevormd handje over haar voorhoofd. <span class="ex" lang="ms">Soedalah!</span> fluisterde zij en terwijl de inlandsche uitdrukking der machtigste onverschilligheid
-over haar gezicht gleed, werd die als ’t ware onderstreept door een licht schouderophalen.
-</p>
-<p>Wat kon ’t háár ook eigenlijk schelen? ’t Was toch alles maar <span class="ex" lang="fr">grand bruit et.… bien peu de besogne</span>!
-</p>
-<p>Langzaam kwam ze de trap weer af, die ze in zoo vliegende vaart was opgevlogen. Hortense
-zat met haar dochtertje op den schoot en kuste het.
-</p>
-<p>„Wat zal hij van haar staan kijken!”
-</p>
-<p>„Zeker! ze is hier goed vooruitgegaan.”
-</p>
-<p>„’t Is een heel ander kind geworden, nietwaar!” riep de gelukkige moeder, haar <span class="ex">baby</span> omhooghoudend.
-</p>
-<p>„Ik ga een paar boodschappen doen. Ga je mee?”
-<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p>
-<p>„Ik kan niet! Morgen sluit de mail.…”
-</p>
-<p>„Nu ja,” antwoordde mevrouw Van Velton driftig, „maar daarmee zal je toch geen brief
-zenden, want die bereikt hem immers toch niet meer.”
-</p>
-<p>„Misschien.… als ik hem adresseer naar Port-Saïd of Suez.”
-</p>
-<p>„En je weet niet eens, met welke boot! Kom, ga maar mee, dan kunnen we daar meteen
-naar informeeren.”
-</p>
-<p>Toen ze uitreden zagen ze weer de dames Van Stralen en Roos op het Plein 1813 wandelen.
-</p>
-<p>„Zijn dat zulke vriendinnen?” vroeg Hortense.
-</p>
-<p>„Het schijnt zoo. Mevrouw Van Stralen woont in de photografen-straat<a class="noteRef" id="xd31e467src" href="#xd31e467">1</a>; het gaat er erg Indisch toe; ze houden er damesclubjes en God weet wat nog meer;
-die kapiteinsvrouw is er zeker geweest, en gaat nu naar huis; natuurlijk hier of daar
-in den Indischen archipel.”<a class="noteRef" id="xd31e470src" href="#xd31e470">2</a>
-</p>
-<p>Het was inderdaad zoo. Mevrouw Roos had gevolg gegeven aan de uitnoodiging harer oude
-vriendin. Zij had haar een bezoek gebracht aan haar huis in de Willemstraat, en zij
-trof het goed, want juist dien dag was er <span class="ex" lang="ms">koempoelan besar</span> van Indische dames bij mevrouw Van Stralen. Er waren oude kennissen en geheel vreemden,
-maar met wie zij spoedig heel eigen was: allen waren uit ’s lands dienst, levend van
-pensioen, bespaarde sommetjes, en een enkele zag haar inkomen vergroot door den ijver
-van een nog in de kracht zijns levens zijnden man, die er een min of meer lucratief,
-maar altijd <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>hoogst fatsoenlijk „baantje bij”—dus bij zijn pensioen—had weten machtig te worden.
-</p>
-<p>Toen men veel en geweldig dooreengepraat had bij een glas limonade, dat men zich „onder
-elkaar” niet geneerde „stroop” te noemen, begonnen de onschuldige spelletjes inderdaad
-niet hoog, maar waarbij men zich toch opwond en betrekkelijk nog heel wat winnen of
-verliezen kon. Eerst had mevrouw Roos geaarzeld, maar toch deed ze mee. En terwijl
-ze vroeger in Indië meest altijd verloor, won ze nu en ging ze een beetje rijker naar
-huis dan ze gekomen was. Toen Roos dien dag uit den Dierentuin kwam, was zij tot zijn
-verbazing nog niet thuis, terwijl de meisjes reeds lang van school waren gekomen.
-</p>
-<p>„Waar ben je heen geweest?”
-</p>
-<p>„Ik heb een paar boodschappen gedaan, en ik ben even bij mevrouw Van Stralen geweest.”
-</p>
-<p>„Zou het waar zijn, dat ze daar dobbelen?” vroeg hij, ’t manuaal van kaartspelen er
-bijmakend.
-</p>
-<p>„Ik weet het niet,” antwoordde ze onverschillig; „’t kan me ook niet schelen.”
-</p>
-<p>Mevrouw Roos was dien avond vroolijker dan anders, en dat zag de kapitein met genoegen;
-ze stemde er zelfs in toe na het eten een wandeling te doen, en ze was zoo opgewekt,
-dat hij er ’t beste van durfde hopen.
-</p>
-<p>„Ga je mee?”
-</p>
-<p>Hij had het haast werktuiglijk gevraagd en uit gewoonte.
-</p>
-<p>„Waarheen?”
-</p>
-<p>„Naar de Hollanders,” antwoordde verbaasd de kapitein, den Hollandschen schouwburg
-bedoelend.
-<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
-<p>„Och ja. ’t Is nogal goed weer.”
-</p>
-<p>„Zeker, het weer is uitmuntend. ’t Is jammer, dat het stuk van avond niet van de nieuwste
-is.”
-</p>
-<p>„’t Zal voor mij nog nieuw genoeg zijn.”
-</p>
-<p>„Ja, je gaat zóó weinig uit! Het doet me pleizier, dat je nu eens mee wilt. Je weet
-niet, welk een genoegen me dat doet!”
-</p>
-<p>Hij had als ter bekrachtiging een zijner dikke handen op de tafel laten vallen met
-een harden slag. Toen zij zich had gekleed was hij een en al voorkomendheid, met een
-ouderwetsche, eenigszins overdreven galanterie. In de straat stapte hij met zijne
-vrouw aan den arm en ’t hoofd meer dan rechtop, met zekeren trots voort; het was in
-geen maanden gebeurd, dat ze samen uitgingen.
-</p>
-<p>„Wezenlijk, Jeanne, we moeten dat meer doen.”
-</p>
-<p>Zij glimlachte achter haar dikke voile.
-</p>
-<p>„Jij weet anders alleen ook wel den weg te vinden.”
-</p>
-<p>„Ik ben een oud militair, Jeanne; dien maakt geen sterveling tot een kniesoor. Als
-jongen heb ik al geleerd de zaken te nemen zooals ze zijn.”
-</p>
-<p>„Ja, je hebt een gelukkig gestel,” zei ze met een zucht, die naar Indië ging.
-</p>
-<p>„’t Is heelemaal naar men zichzelven went, vrouwtje! Achter de kachel zitten, kan
-ik niet. Ik moet beweging hebben in de frissche lucht en ik vraag er niet naar of
-’t warm is of koud.”
-</p>
-<p>Een oogenblik wachtte hij, maar toen ze zwijgend en eenigszins huiverend zacht tegen
-hem aandrong, vervolgde hij:
-</p>
-<p>„Er uit moet ik, dat vat je, en ik moet zeggen.…”
-</p>
-<p>„Dat <span class="ex">ik</span> je nooit tegenhoud.”
-<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span></p>
-<p>„Nnneen.… dat ’s waar. Ik heb wel eens gedacht.… hm!.… <span class="ex">Enfin</span>, ik wil maar zeggen, dat het toch veel beter zou zijn voor ons beiden, als we meer
-<span class="ex">samen</span> uitgingen. Waarachtig, in Indië waren we meer bij elkaar.…”
-</p>
-<p>„O.… dat is een verschil! In Indië!”
-</p>
-<p>„Dat is geen verschil. Je zoudt immers precies evengoed met me mee kunnen gaan naar
-de opera en de komedie. Ik heb er met pleizier nog ’t geld van een abonnement voor
-over, dat weet je wel!”
-</p>
-<p>„Praat in Godsnaam niet van geld!”
-</p>
-<p>„Larie!” riep Roos in zijn echte troupiers-opvatting van de waarde van het geld. „Als
-de bok zijn ribben toont, neem ik er een baantje bij.”
-</p>
-<p>Zij geloofde inderdaad, dat hij zoo’n baantje slechts voor het nemen had; wat wist
-ze ook van Hollandsche toestanden, en wat wist hijzelf er van?
-</p>
-<p>Roos stootte haar aan met zijn elleboog; zij keek op en zag hoe hij door een zijwaartsche
-beweging met het hoofd, haar aandacht vestigde op een heer, die alleen voor het helder
-verlichte venster van een boekwinkel stond te kijken. Eerst herkende zij het mager
-en scherp profiel met de lange neerhangende knevels niet, maar toen ze dichterbij
-kwamen, keek ze verrast haar man aan.
-</p>
-<p>„Van Schermbeek?” fluisterde zij vragend.
-</p>
-<p>Hij knikte bevestigend en versnelde een weinig den pas met de blijkbare bedoeling
-te trachten ongezien achter hun vroegeren mede-passagier voorbij te gaan.
-</p>
-<p>’t Gelukte bijna, maar net op ’t laatste oogenblik keerde Van Schermbeek zich om,
-zag hen en groette.
-<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p>
-<p>„U hebt zeker gehoord, dat ik den dienst heb verlaten?” vroeg hij meeloopend.
-</p>
-<p>„Ja! Het is net gegaan, zooals ik aan boord voorspeld heb.”
-</p>
-<p>Van Schermbeek lachte schamper.
-</p>
-<p>„Ze zijn nog niet van me af!”
-</p>
-<p>„Nu ja, dat is ook ’n schrale troost.”
-</p>
-<p>„Er is in zoover nog niets verloren.”
-</p>
-<p>„Hè?.… Wat zeg je?.… Nog niets verloren? Maar kerel, hoe heb ik het met je! Je bent
-er uit, voor den donder! Heelemaal.…”
-</p>
-<p>„Sst! Roos, schreeuw toch zoo niet!” zei zijn vrouw kwaad, terwijl ze hem heftig aan
-den arm trok. „De menschen zullen denken, dat je dronken bent.”
-</p>
-<p>„Laat de menschen naar de maan loopen. Ik kan niet velen dat Van Schermbeek, wien
-ze genoodzaakt hebben op zijn jongen leeftijd en als luitenant z’n ontslag te nemen,
-beweert, dat daarmee niets verloren is.”
-</p>
-<p>„Begrijp me goed,” zei de jonge man: „ik bedoel alleen dat ik er weer in kom.”
-</p>
-<p>„Dat denk je maar!”
-</p>
-<p>„Ik heb ’n brochure geschreven, waarop de Regeering vallen <span class="ex">moet</span>. Ze is vandaag uitgekomen. Ik zal er u morgen een exemplaar van zenden. Ze liggen
-daarginds geëtaleerd bij dozijnen voor het venster van den boekverkooper. Dat is de
-genadeslag. Die moet me gelukken, en dan zal men iets anders zien! Dan kom ik er weer
-met eer en glorie in.”
-</p>
-<p>Zij twistten voort tot groote woede en ergernis van mevrouw Roos. Dicht bij de komedie
-bleven ze staan, disputeerende over de oude strijdvragen, wat een officier doen moet,
-<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>mag en kan in bepaalde en onbepaalde gevallen. De kapitein beriep zich telkens op
-het niet te loochenen feit, dat de ervaring hem in ’t gelijk had gesteld; Van Schermbeek
-erkende dat alleen wat zijn gedwongen ontslag uit den dienst betrof, maar hij hield
-vol, dat daarmee ’t laatste woord in zijn zaak nog niet was gezegd; dat hij „herstel
-van grieven” zou krijgen en weer herplaatst worden. Dat gaf Roos in het geheel niet
-toe. De Tweede Kamer .… nu ja, ’t was mooi en de heeren zeiden veel, maar men had
-ten slotte met het legerbestuur in Indië te maken, en dat stoorde er zich bitter weinig
-aan. En in de drukte van dit belangrijk twistgesprek, waarbij zij opnieuw hun gansche
-arsenaal van argumenten leeghaalden, vergaten zij bijna geheel de arme mevrouw Roos,
-tot zij, terwijl haar een lichte huivering van kou door de schouders voer, besloot
-er een einde aan te maken.
-</p>
-<p>„Nu, goeden avond, mijnheer Van Schermbeek; van harte ’t beste succes, ja! Wij gaan
-binnen, want de komedie is reeds begonnen.”
-</p>
-<p>„O dank u zeer, mevrouw .… Neem me niet kwalijk, dat .… Bonsoir, kapitein, tot genoegen.”
-</p>
-<p>„Als ik jou liet begaan,” mopperde mevrouw Roos, terwijl ze het bordesje van den schouwburg
-opgingen, „dan <span class="corr" id="xd31e559" title="Bron: stondt">stond</span> je daar tot morgenochtend door te slaan. Ze zijn al lang begonnen.”
-</p>
-<p>Met groote schreden en zijn wandelstok zwaaiend, keerde Van Schermbeek terug; zijn
-hoofd stond er niet naar, den schouwburg te bezoeken. Roos was de eenige niet, die
-zich in „zijn zaak” op zulk een ouderwetsch, achterlijk standpunt had geplaatst; hij
-kende dat! Beste, uitstekende menschen, <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>maar die „er” niets van begrepen. Hij kon zich daar dikwijls boos over maken, maar
-van avond was er, meende hij, niemand ter wereld, die hem uit zijn humeur kon krijgen,
-en ofschoon hij ’t zichzelven niet had willen bekennen en tegenover iedereen in gemoede
-het tegendeel zou hebben volgehouden, toch kon hij niet zonder vreugde en trots aan
-die brochure van hem denken, die bestemd was de politieke atmosfeer zoo geweldig te
-beroeren. Het verlichte venster van den boekverkooper trok hem aan als een magneet;
-van verre zag hij het en hij ging er op af, onwillekeurig den pas versnellend, en
-evenals toen daar straks Roos voorbijkwam, was hij de eenige kijker. Daar lagen ze
-in hun grijze bleekrose omslagen! Daar lag zijn naam gedrukt met vette letters en
-de indrukwekkende titel er boven in dubbele grootte. Twee kleine jongens met de armen
-fideel om elkaars schouders geslagen kwamen naast hem staan, drukten de petjes, waarin
-hun hoofden staken, dicht bij elkaar en lazen half spellend: „Be … roep … op … het …
-rechtsge … voel … der … natie … Een … woord … aan … de … Tweedeka … mer … derSta … tenGe … neraal.”
-</p>
-<p>„Generaal,” herhaalde de een. „Zouwen ze dien dikken bedoelen van de grenadiers?”
-</p>
-<p>„Ben je gek? Het beteekent den Koning in z’n glazen koets, je weet wel! <span class="ex">Staten</span>, mot je lezen; <span class="ex">Staaten</span>.”
-</p>
-<p>„Nou, eet me maar niet op met je <span class="sic">Staaaten</span>! Ik weet het net zoo goed als jij; als de politie vooroprijdt, met een oranje sjerp.”
-</p>
-<p>Van Schermbeek ging glimlachend verder. Hij verkeerde, bij lotgenooten vergeleken,
-in bijzonder gunstige omstandigheden, <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>want hij had geld. Noch van zijn kant, noch van dien zijner vrouw ontbrak het aan
-middelen. Dàt was een voornaam ding. Daarom was het zijn plicht de kastanjes uit het
-vuur te halen, en geen onrechtvaardige bejegening te verdragen. Als gefortuneerde
-officieren niet eens in de bres sprongen, wie moesten het dan doen? Wat zou die brochure
-een effect maken. En zelfs dáárbij liet hij het niet. Zijn familie had niet alleen
-geld, maar op enkele plaatsen ook invloed. Waarom zou hij geen lid worden van de Tweede
-Kamer? Duivels, wat zou hij de Regeering dan <span class="ex" lang="fr">à faire</span> nemen! Al voortwandelend schraapte hij alle grieven bijeen, algemeene en bijzondere,
-van het Indische leger; hij verwerkte ze tot een redevoering, en hield die, in zichzelven,
-als een maidenspeech voor zijn vooronderstelde waardigheid van volksvertegenwoordiger.
-Toen hij den hoek der straat omsloeg, zag hij den lichtstroom, die uit de vensters
-van de „Witte” in den donkeren avond hel naar buiten drong en breede schrille strepen
-sloeg op den weg. ’t Zag er zoo gezellig uit, dat hij binnen liep. Er zouden wel altijd
-lui zijn; misschien kennissen, en wellicht hadden zij zijn brochure al ontvangen en
-gelezen of bij de boekverkoopers zien liggen.
-</p>
-<p>Veel bezoekers waren er niet: de vaste clubjes en enkele losse leden, die op hun gewone
-plaatsen zaten, couranten of tijdschriften lezend. Er waren geen Indische bekenden,
-maar aan een tafeltje zat een reeds bejaard heer met een deftig grijs baardje, dat
-van zijn hoofd scheen gevallen te zijn, want daarop groeide niets meer; hij zat te
-genieten, blijkbaar, van een sigaar, want hij kneep met innig welbehagen de oogen
-dicht, telkens als hij trok.
-<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
-<p>Toen Van Schermbeek hem groette, knikte hij even met het hoofd; de jonge man aarzelde
-een oogenblik; het was een oud vriend der familie, die er druk aan huis kwam, toen
-hij, Van Schermbeek, nog een kind was.
-</p>
-<p>„Hoe maakt u het?” vroeg hij, plaats nemend.
-</p>
-<p>„Dank je.”
-</p>
-<p>„’t Is hier stilletjes van avond.”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„Niet naar den schouwburg?”
-</p>
-<p>„Neen.”
-</p>
-<p>Driftig stond Van Schermbeek op.
-</p>
-<p>„Ik wensch u een goeden avond,” zei hij op een toon van geraaktheid, waaruit men duidelijk
-kon hooren, dat hij den ouden vriend zijner familie een ongelikten beer vond.
-</p>
-<p>„Hm! Zeg! Hè.… Van Schermbeek!”
-</p>
-<p>Hij keerde zich om en kwam terug.
-</p>
-<p>„Ga nog even zitten. <span class="ex" lang="fr">A propos</span>.… ik heb vandaag een soort van boekje.… hoe wil je het noemen?.… van je ontvangen.…
-Jongens, je moet zulke dingen toch niet doen.”
-</p>
-<p>„Hebt u het gelezen?”
-</p>
-<p>„Och ja.… zoo eventjes doorbladerd.… Maar wezenlijk, het spijt me erg van je.… Ik
-kan me niet begrijpen, dat je oude heer in zulke dingen niet tusschenbeide komt.…
-Het is heusch.… het is.… het gaat niet!”
-</p>
-<p>„Wat gaat niet?” vroeg Van Schermbeek, wiens bloed kookte.
-</p>
-<p>„Nu ja.… ik wil wel gelooven, dat je niet geheel ongelijk hebt.… maar je bent altijd
-veel te net om.… zulke dingen .… pamfletten, enfin!.…”
-<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p>
-<p>Hij hield zich kalm, maar ’t kostte moeite! Dat woord „pamflet” was hem als een klap
-in ’t gezicht, en wanneer leeftijd en verhouding hem niet gedwongen hadden zich met
-geweld te betoomen, zon hij gehandeld hebben alsof hem zoo’n klap gegeven was. Maar
-hij kon niet beletten, dat zijn gezicht op onweer stond toen hij antwoordde:
-</p>
-<p>„Wie geeft u het recht mijn geschrift een pamflet te noemen?”
-</p>
-<p>„Je moet dat zóó niet opnemen; het is bijwijze van spreken.”
-</p>
-<p>„Dan heb ik bijwijze van spreken het genoegen u te groeten.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">Bonsoir!</span>” zei de ander, en hoofdschuddend liet hij zich weer in zijn stoel neer, in stille
-deftigheid voortgenietend van zijn sigaar.
-</p>
-<p>Van Schermbeek kwam heel ontstemd thuis. Zijn jonge vrouw was den laatsten tijd onwel
-en hield het bed. Hij wist dat zij het uit den militairen dienst treden zeer betreurde.
-Eerst had zij, gelijk veel van hun vrienden en kennissen, hem aangespoord om te zoeken
-wat hij zijn recht achtte, maar toen het zoover kwam, dat hij fatsoenshalve gedwongen
-was zijn ontslag te nemen, was zij zeer veranderd, gelijk velen, die ook niet gedacht
-hadden, dat het zoo’n vaart zou nemen, en die nu openlijk vertelden, dat hij, Van
-Schermbeek, heel voorbarig, lichtzinnig en dom had gehandeld; immers men wilde wel
-strijden vóór de rechtvaardigheid, maar.… tot zekere hoogte; boven die hoogte stonden
-relatiën, positie, fortuin, huisgezin, en <span class="ex">die</span> moesten, meenden zij, nimmer worden opgeofferd in zulk een strijd.
-<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span></p>
-<p>En zoo dit groot verschil van gevoelen onder de nog slechts korten tijd gehuwden al
-geen merkbare verkoeling had teweeggebracht, het had toch schreeuwende dissonanten
-verwekt in hun huiselijk verkeer.
-</p>
-<p>In de huishoudkamer dronk hij een kop thee; het was er stil en vervelend, maar hij
-was te verdiept in gedachten om daarop te letten. Men was er dan toch in geslaagd
-hem dien avond uit zijn humeur te helpen! Hij had een beleediging ondergaan en dat
-<span class="ex">kon</span> hij niet verkroppen. Als hij er aan dacht, terwijl hij met de ellebogen op de tafel
-en de handen in het haar, in de eenzame kamer zat, vloekte hij tusschen de tanden
-en dreigden de tranen hem in de oogen te springen.
-</p>
-<p>Toen in de gang de schel weerklonk, schrikte hij er van, zoo geprikkeld waren zijn
-zenuwen.
-</p>
-<p>„Als er bezoek is,—ik ben niet thuis,” zei hij, de kamerdeur openend, tot de dienstbode,
-die naar voren ging. Doch niettemin hoorde hij een voetstap, en toen hij dien herkende,
-was hij gerust.
-</p>
-<p>„Goeden avond,” zei de oude heer Van Schermbeek.
-</p>
-<p>„Dag pa, ga zitten. Ik ben blij, dat u eens komt.”
-</p>
-<p>„Waarom ben je dan zelf niet eens gekomen?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet.… Misschien.… Enfin, ik kan het niet zeggen.”
-</p>
-<p>Hij ging erg openhartig om met zijn vader, ofschoon die altijd een tegenstander was
-geweest van zijn oppositie in vruchtelooze audienties, verzoeken, adressen en artikelen;
-maar ’t was een antagonisme, dat geen afbreuk deed aan de genegenheid en het vertrouwen.
-<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span></p>
-<p>„Anders alles wel?”
-</p>
-<p>„Och zoo! Zij is ’n beetje onlekker in den laatsten tijd.”
-</p>
-<p>„Hm, dat gaat weer over. En jij?”
-</p>
-<p>„Ik? Och, beroerd! Ik ben op ’n vervloekt onaangename manier bejegend.… en als ’n
-ander het had.…”
-</p>
-<p>„Goed, goed, vertel het maar.”
-</p>
-<p>En toen Van Schermbeek zijn hart gelucht had:
-</p>
-<p>„Hadt ge wezenlijk op iets anders gerekend?”
-</p>
-<p>„Of ik gerekend had op iets anders dan zoo’n bejegening?”
-</p>
-<p>„Nu ja: zóó of tennaastenbij. Je trekt je dat woord „pamflet” nu zoo aan, doch in
-dàt opzicht moet je in ’t geheel niet teergevoelig zijn. Iemand, die voor ’t publiek
-schrijft, moet zijn huid verharden, althans tegen de beoordeelingen van hemzelf als
-auteur en van zijn arbeid als zoodanig.”
-</p>
-<p>„Niemand is verplicht schelden aan te nemen voor goede munt.”
-</p>
-<p>„Welzeker! Wie iets zegt tegen één mensch of wie ’n bepaald aantal hem bekende personen
-bijeenroept en toespreekt, heeft aanspraak op ’n fatsoenlijke bejegening. Wie echter
-voor het publiek schrijft, dat is dus ook voor het rapaille van een maatschappelijke
-klasse, doet van die aanspraak afstand.”
-</p>
-<p>„Dus uw eigen oude vriend.…”
-</p>
-<p>„Is ’n beste kerel; ’n man van fortuin en goede geboorte; ’n man van nette vormen
-en correct fatsoen; zeer achtenswaardig in <span class="ex">die</span> opzichten, maar moreel en intellectueel behoort hij tot het rapaille van zijn stand.”
-</p>
-<p>„En hij kwam jarenlang bij ons aan huis!”
-<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p>
-<p>„Zeker! Als men iedereen als het ware zedelijk en verstandelijk van alle kanten wou
-gaan bezien en beproeven en ontleden, dan kwam men tijd te kort en zou men moeten
-leven als ’n kluizenaar.”
-</p>
-<p>„Daarom ben ik altijd zoo tegen jou optreden geweest,” ging de oude heer voort toen
-zijn zoon zweeg, „dat weet je wel. Telkens heb ik je gewaarschuwd, maar je wildet
-niet hooren. Je scheen eerst te moeten voelen; welnu—<span class="ex">voel</span>!”
-</p>
-<p>„Ik heb zóó cynisch niet over de menschen gedacht, en ik doe het nog niet,” zei Van
-Schermbeek geraakt, en toch een beetje verlegen.
-</p>
-<p>„Noem het zooals je wilt. De een noemt de waarheid een schotschrift, de ander noemt
-haar hondsch; het is lood om oud ijzer! Doch laten we niet met algemeenheden schermen.
-Jij hebt nu ’n brochure geschreven, en ik neem aan, dat als alle menschen deden wat
-recht en billijk was, jij volkomen gelijk zoudt krijgen en gerehabiliteerd zoudt worden.
-Toch zal die brochure niets uitwerken, hoegenaamd niets. Couranten zullen er over
-schrijven, al naar den geest die haar tegenover de Regeering bezielt,—wat in jou brochure
-staat, doet er minder toe; in de lagere volksklasse zal men je brochure niet lezen,
-en al deed men het, dan zou ze daar toch niet begrepen worden; de handel en neringdoende
-standen bemoeien zich met zulke dingen niet, die gaan haar het eene oor in en het
-andere uit; in de politieke sferen geldt alleen de vraag in hoever je geschrift nu
-bruikbaar is of in de toekomst kan worden voor gansch andere belangen, dan die van
-<span class="ex">jou</span>: en de adellijke standen naderen in dit en veel andere opzichten weer de lagere volksklassen.
-Maar van <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>al die categorieën is één ding zeker: 9⁄10 trekt er den neus voor op.”
-</p>
-<p>Van Schermbeek antwoordde ook ditmaal niet; hij meende dat zijn vader schromelijk
-overdreef, maar moest zich eerst op weerspraak bedenken, want zijn levenservaring
-schoot te kort in die richting.
-</p>
-<p>„Men moet zich dus, volgens uw meening, maar laten trappen,” zei hij eindelijk met
-een mismoedigen grijns.
-</p>
-<p>„Blijf bij uw eigen omstandigheden. Je waart officier, en je kreeg quaestie met een
-hooger geplaatst officier om ’n kleinigheid.”
-</p>
-<p>„Waarin hij ongelijk had.”
-</p>
-<p>„Goed! En dan nog? Waren er geen honderd goede redenen voor één om hem in zijn ongelijk
-te laten, en je er verder niets van aan te trekken?”
-</p>
-<p>„Dus je moet je laten trappen.…. Daar kom ik maar weer op terug.”
-</p>
-<p>„Als je dat „trappen” noemen wilt, ga dan je gang; dan heb ik al heel wat menschen
-getrapt, want ik heb dikwijls ongelijk gehad tegenover inferieuren en anderen, en
-dan heb jij, schoon vijf en twintig jaren jonger, ook zeer dikwijls in dien zin ondergeschikten
-getrapt.”
-</p>
-<p>„Dat is allemaal de zaak niet, pa. Gesteld dat ik werkelijk beter had gedaan, alles
-te slikken als koek, wat ik niet toegeef, dan blijft nog het verder verloop een schreeuwende
-onrechtvaardigheid!”
-</p>
-<p>„Zeker, je bent gemeen behandeld. Alleen je hadt alles zelf kunnen voorkomen. Nu heb
-je overal den indruk gemaakt van een weerspannig en recalcitrant militair; dat duldt
-men <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>niet, en zelfs zij, die zeer goed inzagen, dat ge het recht op je zij hadt, <span class="ex">konden</span> je niet handhaven. Onze maatschappij is geen ideale zaak, en het militair gedeelte
-wel het allerminst. Absoluut recht, gesteld dat het bestaat, is voor toepassing ongeschikt;
-bij een <span class="ex">streven</span> naar recht, zal men toch altijd nu en dan zich gedwongen zien de macht er boven te
-stellen.”
-</p>
-<p>„Ik ben het niet met u eens,—en <span class="ex" lang="ms">soedah</span>! ik zal het nooit met u eens worden. Al dat opstapelen van bezwaren tegen de toepassing
-van het eenvoudigste beginsel ter wereld, noem ik een doekje voor het bloeden. Wel,
-wat zou het verschrikkelijk zijn geweest als de legercommandant eens had gezegd: Van
-Schermbeek is in zijn recht en hij zal dus hebben wat hem toekomt! Kijk, pa, dat zou
-’n paar hoofdofficieren hun positie hebben gekost. Verschrikkelijk, hè? Die hadden
-het dan <span class="ex">niet</span> aan henzelven te wijten, die arme slachtoffers van het recht! En wat zou het slecht
-gewerkt hebben op het leger, als zelfs de mindere man had gezien.…”
-</p>
-<p>„Dat een jong luitenant met verzet, gemopper en klachten er in slaagde hoofdofficieren
-een beentje te lichten!”
-</p>
-<p>„Neen, dat er <span class="ex">recht</span> was te krijgen bij het Indische leger.”
-</p>
-<p>„Enfin, <span class="ex">ééns</span> worden we het toch niet,” zei de oude heer Van Schermbeek opstaande. „Laat je echter
-zóó ver overtuigen, dat je met al de moeite, die je in het werk stelt, niets hoegenaamd
-zult bereiken. Het eenige is, dat de meeste menschen zich van je zullen afwenden en
-je er op aanzien. Voor een schande zal men het je niet bepaald aanrekenen.…”
-</p>
-<p>„Dat ontbrak er slechts aan!”
-<span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span></p>
-<p>„Maar het scheelt dan toch niet veel! En de Regeering zal je wijselijk.…”
-</p>
-<p>„Wat zegt u, <span class="ex">wijselijk</span>?” schreeuwde Van Schermbeek verontwaardigd.
-</p>
-<p>„Houd je gemak! Ik zeg wijselijk, want zij <span class="ex">kan</span> niet anders. Zij zal dan je wijselijk negeeren, doodzwijgen als je ’t liever hebt.
-Het is haar niet mogelijk zich in het bijzonder bezig te houden met een zaakje als
-dat van jou. Jullie hebt eigenaardige begrippen daaromtrent! Je denkt dat, wat voor
-jou heel belangrijk is, dit ook <span class="ex">per se</span> voor de heele wereld wezen moet.”
-</p>
-<p>„Het is niet „mijn zaakje,” zei Van Schermbeek somber. „Het is een zaak van principe
-voor het Indische leger.”
-</p>
-<p>„Volgens jou opvatting, die maar weinigen deelen. Hoe het zij, ik wilde je slechts
-waarschuwen, beste jongen, tegen mogelijke illusiën.”
-</p>
-<p>„God bewaar me! illusiën!” riep de ex-luitenant, de kamer op en neer stappend met
-groote schreden en de armen omhoog, terwijl hij in dien uitroep zijn geheelen gedachtengang
-van voor een paar uren verloochende.
-</p>
-<p>„Nu des te beter! Ik heb je stil je gang laten gaan, hoezeer ’t me ook hinderde. Maar
-je bent jong.… en, enfin, ik heb ook mijn sociale <span class="ex">Sturm- und Drang-periode</span> doorgemaakt. Je weet altijd bij wien je komen kunt, als er iets noodig mocht zijn.”
-</p>
-<p>Hij drukte de hand zijns vaders stijf in de zijne, en zag hem aan met een innige ontroering.
-Ja, dat wist hij wel! Wat er ook gebeurde, hij kon op zijn ouden heer rekenen, en
-dit anders heel gewoon, volstrekt niet bijzonder gevoel <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>van hartelijke genegenheid, roerde hem, nu zijn zenuwen een beetje in de war waren
-door de opwinding telkens, nu eens al pratende met anderen, dan schrijvende of in
-gedachten.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De Mourants en de Veninga’s hadden zich in Den Haag gevestigd. Hortense was naar Marseille
-gereisd om haar man van de boot te halen, en mevrouw Van Velton, die zich gruwelijk
-te huis verveelde en niet mee was willen gaan om als <span class="ex" lang="fr">facheuse troisième</span> bij den glorierijken intocht van den met smart verbeiden Fournier te assisteeren,
-maakte bij de Veninga’s een contra-visite. De zieke voelde zich niet beter; hij zag,
-vond Louise, er zelfs slechter uit.
-</p>
-<p>„’t Klimaat helpt me nog niet veel,” zei hij op haar vraag hoe het hem ging.
-</p>
-<p>„Langzaam aan, dan zult u er óók wel afkomen.”
-</p>
-<p>„Nietwaar?” zei Mourant, die mede een bezoek bracht. „Er zijn hier al zooveel zieke
-Indische levers genezen, dat Veninga er wel ’n beetje op kan vertrouwen.”
-</p>
-<p>Mevrouw Veninga—ze was nog zoo jong, dat iedereen haar <span class="corr" id="xd31e760" title="Bron: Henriette">Henriëtte</span> of Jet noemde, bij haar vóórnaam—gunde Louise den tijd niet over den ziekte-toestand
-van haar man en zijne kansen op beterschap voort te gaan. Ze nam de bezoekster dadelijk
-in beslag en leidde haar het huis rond. Het was niet zoo weelderig, zoo grandioos,
-als de villa op het Plein 1813, noch wat ’t gebouw, noch wat den inboedel betrof.
-Maar niettemin was het een mooi, solied huis met ruime vierkante kamers en groote
-balkonvensters, <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>en het rook in de breede corridors niet naar verf, versch hout en natte kalk.
-</p>
-<p>„Je woont hier uitstekend,” meende Louise.
-</p>
-<p>„Nietwaar? Het is nu wel zoo’n paleis niet als bij u; maar het kan toch volstaan.”
-</p>
-<p>„Dat zou ik denken. En ik maak je wel mijn compliment, Jet. Je hebt het keurig, keurig
-netjes en met smaak gemeubileerd.”
-</p>
-<p>Het jonge vrouwtje bloosde van genoegen. Men mocht te Batavia en in Den Haag over
-het humeur, het karakter en de antecedenten van mevrouw Van Velton-Van der Linden
-denken en spreken zooals men wilde,—dáárover was men het eens, dat ze een onberispelijk
-goeden smaak had; een compliment in dat opzicht was vleiend. En men kon het Louise
-aanzien, dat ze er pleizier in had, toen ze rond zag in het boudoir in vieux or gemeubeld
-en dat er, ofschoon ’t nog geen week was betrokken, zoo gezellig gebruikt uitzag,
-zonder eenig stuitend kenmerk van het nieuwe.
-</p>
-<p>„’t Is hier waarlijk lief,” zei ze, op een laag stoeltje plaats nemend, „maar ’t is
-goed dat je er geen zwart bij hebt genomen. Dat zou te zwaar zijn geweest en bruin
-kon het ook niet velen.”
-</p>
-<p>„O neen,” zei mevrouw Veninga levendig, „bruin in het geheel niet! Maar ik wist in
-het eerst heusch niet wat ik er bij zou nemen, tot ik op dit dubbel cérise ben gevallen.”
-</p>
-<p>„Het was gewaagd. Eén toontje te licht.…”
-</p>
-<p>„O, afschuwelijk! dat vind ik ook; zooals het nu is, kan het net en het gaat met het
-palissander. Willem zei.…”
-</p>
-<p>„Welke Willem?”
-<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span></p>
-<p>„Ik bedoel Mourant. Hij heeft heel veel kijk op wat goed is. Waarom lach je?” vroeg
-zij plotseling, eenigszins geraakt en blozend.
-</p>
-<p>„Lach ik? God, dat wist ik niet eens. Welnu, wat zei.… Willem?”
-</p>
-<p>„Hè, wat ben je flauw!”
-</p>
-<p>„Hoe is ’t mogelijk! Het schijnt, dat wat hij zei ’n geheim is! Ten minste je bent
-niet van plan het te zeggen.”
-</p>
-<p>„Hij zei alleen, dat het zelfs met mahonie niet gaan zou, ofschoon ik.…”
-</p>
-<p>„Nu, daarin had hij gelijk.”
-</p>
-<p>„Hoe vindt ge dat Veninga er uit ziet?”
-</p>
-<p>Louise keek haar vlak in de oogen, maar zij had een Indische voor, gelijk zijzelve
-er een was. In het eerst had Jet zich verpraat, verdiept in de schakeeringen der kleuren
-van haar ameublement, maar nu ze zag, dat ze aanleiding had gegeven haar te verdenken
-en werkelijk verdacht werd, was ze ondoorgrondelijk. Zij keek, toen ze zoo na haar
-vraag werd gefixeerd, met een gezicht volkomen zonder uitdrukking <span class="ex" lang="de">in ’s Blaue</span>.
-</p>
-<p>„Hij ziet er slecht uit.”
-</p>
-<p>„Dat vind ik ook. Het is zóó naar.”
-</p>
-<p>„Het zal wel beter worden.”
-</p>
-<p>„Geloof je het?”
-</p>
-<p>„Ik hoop het althans; het is heel moeielijk iets te gelooven tegenover die ziekte;
-zij heeft soms zulk een vreemd verloop.”
-</p>
-<p>„Het duurt nu al zóó lang, en hij wordt zoo verschrikkelijk lastig.”
-</p>
-<p>„Dat brengt zijn kwaal mee.”
-<span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span></p>
-<p>„Het is waarlijk soms niet uit te houden. Ik maak het me hier in huis maar zoo comfortabel
-mogelijk, weet je, want weldra zie ik er van komen, dat hij in ’t geheel niet meer
-wil uitgaan.”
-</p>
-<p>„Daarom zou jij je nog niet behoeven op te sluiten.”
-</p>
-<p>„Denk je dat hij me permitteert alleen uit te gaan?”
-</p>
-<p>„Maar kind.…!”
-</p>
-<p>„Geen quaestie van. Dat is juist het ergste. Hij is razend jaloersch, zóó dat het
-soms voor me is om wanhopig te worden. Als ik voor ’t venster zit beneden en er passeert
-een heer, die inkijkt, of als we boven zitten en er kijkt iemand omhoog, dan moet
-je wat hooren! Alle brieven, die ik krijg, doet hij open.…”
-</p>
-<p>„Maar is hij dan krankzinnig? En Mourant?”
-</p>
-<p>„O,” zei mevrouw Veninga, de mooie oogen zedig neerslaande: „dat is iets anders. In
-<span class="ex">hem</span> heeft hij zoo’n onbeperkt vertrouwen!”
-</p>
-<p>„Dus dat is dan ’n uitzondering.”
-</p>
-<p>„Zeg dàt wel! Zij zijn zulke vrienden! Mourant behandelt zijn zaken en beheert ons
-vermogen. Veninga kan niet buiten hem.”
-</p>
-<p>Weer gleed het ironisch lachje om den mooien mond van Louise.
-</p>
-<p>„Neen, dat laat zich hooren,” zei ze. „En dan zie je zeker mevrouw Mourant ook dikwijls.
-Die hield altijd zoo ontzaglijk veel van je en was altijd zóó goed voor je!”
-</p>
-<p>„Dikwijls.… ja!.… ze is in den laatsten tijd niet zoo erg wel.… Anders komt ze hier
-heel veel.…”
-</p>
-<p>Het dralende antwoord ontging Louise niet.
-<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p>
-<p>„Wat scheelt haar?”
-</p>
-<p>„Wat haar scheelt? Ze heeft een.… een zware kou gevat, geloof ik.”
-</p>
-<p>„Weet je ook het nummer van hun huis?”
-</p>
-<p>„Zeker, ik zal het je opgeven. Maar ik zou het liever nog een paar weken uitstellen.
-Zij zijn nog volstrekt niet klaar; ’t is nog zoo’n beetje een rommel en dan ontvangen
-ze niet graag.”
-</p>
-<p>In de benedenkamer zat Mourant zijn zieken vriend nog gezelschap te houden; op elke
-knie had hij een Veningaatje zitten.
-</p>
-<p>„De kinderen noemen hem oom,” zei Jet met een gezicht, waarop de vreugde glansde over
-de huiselijke gemeenzaamheid, die zelfs graden van bloedverwantschap in het leven
-riep!
-</p>
-<p>Louise ergerde zich geweldig. Men kon aan haar gezicht en aan haar houding zien, dat
-zij zich boos maakte, en de vroolijke trek verdween er door van het gezicht van den
-kindervriend. Regelrecht ging ze naar Veninga.
-</p>
-<p>„Ik zou, als ik u was, hier niet blijven.”
-</p>
-<p>„Waarom niet?” vroeg hij verschrikt.
-</p>
-<p>„Omdat ik vrees, dat u hier niet beter zult worden, en dan wordt u dus erger.”
-</p>
-<p>Hij had zich half opgericht; zijn toch reeds niet kleurig wezen was grauwbleek geworden
-bij deze onverwachte openhartigheid.
-</p>
-<p>„Ik heb dit huis pas gehuurd, wij zijn nauwelijks ingericht.”
-</p>
-<p>Zij haalde de schouders op met dat groote <span class="ex" lang="fr">air de dédain</span>, dat zelfs haar vader te machtig was.
-</p>
-<p>„Ik sprak niet over huishuur of meubilair, maar over uw gezondheid.”
-<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p>
-<p>„Geduld maar!” zei Mourant zalvend. „Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd!
-Het klimaat zal ook in dit geval wonderen doen.”
-</p>
-<p>Toen Louise hem even aankeek, schrikte hij, en trok een leelijk gezicht vol vrees,
-met de mondhoeken naar achter en de wenkbrauwen naar boven.
-</p>
-<p>Zij deed overigens precies alsof hij niets had gezegd, en vervolgde tegen Veninga:
-</p>
-<p>„Ik zou u aanraden naar het Zuiden te gaan.”
-</p>
-<p>„Lieve, beste mevrouw, als ik het van de warmte moet hebben!.…”
-</p>
-<p>„Neen niet om de warmte, want die hebt ge in Indië volop gehad. Te veel, dat blijkt!
-Maar in dit gure land zult ge sterven.”
-</p>
-<p>„Maar mevrouw!” kon Mourant toch niet nalaten uit te roepen, terwijl hij de kleintjes
-van zijn schoot zette.
-</p>
-<p>„Kom!” zei mevrouw Veninga met neergeslagen oogen, „je hebt hem geheel ontsteld.”
-</p>
-<p>„Dat weet ik, en het is me in zoover onverschillig. Ik moet zeggen wat ik denk in
-dit geval. Wezenlijk, meneer Veninga, ga naar het Zuiden. Hier houdt ge ’t niet uit,
-geloof me. U ziet er bepaald slechter uit dan de vorige maal.”
-</p>
-<p>„Ik voel me ook minder goed,” zei Veninga met weifelende stem en bleek gezicht.
-</p>
-<p>„Dat is niets anders dan een gevolg van de reactie op het gestel,” meende Mourant.
-</p>
-<p>Mevrouw Van Velton keek hem nog eens aan met de diepste minachting, maar ditmaal deed
-hij alsof hij ’t niet bespeurde. Hij was een te oude rat om zich zoo gemakkelijk te
-laten intimideeren.
-<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span></p>
-<p>Een oogenblik met zichzelve in tweestrijd, liet Louise den blik doelloos dwalen door
-het nette vertrek.
-</p>
-<p>„Het is mijn opinie,” herhaalde ze daarna, „en ik blijf er bij. Intusschen, ik heb
-haar nu gezegd en voor mijzelve mijn plicht gedaan. Adieu, en beterschap.”
-</p>
-<p>Vriendelijk knikte ze Veninga toe, die haar heel onhandig groette, sterk onder den
-indruk van dat akelige visioen van den dood, door het schoone, levenslustige jonge
-vrouwtje opgeroepen. Ze ging Mourant, die opgestaan was en een buiging maakte, snel
-voorbij zonder hem aan te zien, laat staan te groeten. Henriëtte, erg boos en niet
-minder ongerust, volgde haar in de gang.
-</p>
-<p>„Daar heb je me in ’t geheel geen dienst mee gedaan,” zei ze bits. „Wie zegt nu zulke
-dingen tegen ’n zieke!”
-</p>
-<p>„Wil je hem vermoorden?”
-</p>
-<p>„Mijn God!” riep mevrouw Veninga doodsbleek: „hoe kom je er aan?”
-</p>
-<p>„Welnu, jullie doen net of je den stakkerd naar ’t kerkhof wilt helpen. Ik zeg je,
-Jet, dat hij hier sterven zal, nog vóór er weer groen aan de boomen is.”
-</p>
-<p>„Hoe kan je dat toch beweren? Mourant herhaalt alleen wat de dokter zegt over de reactie.…”
-</p>
-<p>„De dokters hier weten niets van ziekten als de zijne. Maar <span class="ex">als</span> hij kans heeft het leven te rekken, dan ligt die niet hier in Holland.”
-</p>
-<p>„Hoe kan je dat weten?”
-</p>
-<p>„Hij heeft den dood reeds op ’t gezicht, en, ril maar niet Jet, je hebt dat zelve
-ook wel gezien; je weet dat net zoo goed als ik. Geloof me,” verzocht ze dringend,
-„ga met hem <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>naar Nice of zoo! <span class="ex" lang="ms">Kasian!</span> hij is toch al zoo ongelukkig! Weest niet zoo zelfzuchtig jullie, jij en.… Willem.”
-</p>
-<p>„Hemel!” steunde Henriëtte, bevend van ’t hoofd tot de voeten.
-</p>
-<p>„Tot ziens,” ging Louise voort, opgewonden sprekend en zenuwachtig de handen bewegend.
-„Tot ziens, ja! Als je gaat, schrijf me dan.”
-</p>
-<p>Zij zat al in haar rijtuig, voordat Henriëtte van den schrik was bekomen. Welk een
-wonderlijk schepsel was en bleef dat toch altijd.
-</p>
-<p>„Ze is net gek!” zei ze, de kamer binnentredend.
-</p>
-<p>„Een geëxalteerd schepseltje!” voegde Mourant er met groote geringschatting in toon
-en gebaar bij. „Er is altijd heel zonderling over haar gesproken. Het is waarlijk
-niet te verwonderen; ze doet al heel vreemd.”
-</p>
-<p>Veninga echter zei niets. Hij zag nog erg bleek en lag in zijn luierdstoel achterover
-met gesloten oogen. Niemand wist welk een verschrikkelijken schok mevrouw Van Velton
-hem had gegeven door zoo onverbiddelijk duidelijk te zinspelen op den grooten vijand,
-dien hij zoo angstig vreesde—op den dood!
-</p>
-<p>Dàt was verschrikkelijk! Het was ’t denkbeeld, dat hem reeds in Indië had geplaagd;
-dat hem sedert was blijven vervolgen, en waartegen hij een inwendigen harden strijd
-voerde; het denkbeeld dat hij met geweld terugdrong en als ’t ware omver trachtte
-te redeneeren, maar dat met elke pijn in de rechterzijde of in den rechterschouder
-zich onverbiddelijk weer op den voorgrond werkte.
-</p>
-<p>„Ik hoop,” zei Mourant op hoogen toon, als sprak hij over <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>iets, dat men vèr weg werpt, „dat je van die nonsens je niets zult aantrekken.”
-</p>
-<p>„Veninga zal wel verstandiger zijn,” vond zij.
-</p>
-<p>Maar de zieke schudde het hoofd en keek hen toen beurtelings aan met den doodsangst
-op het gezicht.
-</p>
-<p>„Wat weten jullie er van?” zei hij snel als beet hij hun de woorden toe. „Kan zij
-niet heel goed gelijk hebben?”
-</p>
-<p>Mourant en mevrouw Veninga zwegen. De bitse toon van den lijder was hun een te bekende
-klank. Hij kon niet de minste tegenspraak velen, als hij zoo sprak. De stilte was
-drukkend. Mourant had weer een der kinderen op zijn schoot genomen om zich met iets
-bezig te houden. Jet pookte in het haardvuur.
-</p>
-<p>Langzaam keek Veninga van den een naar de andere. Wat waren zij gezond! Hij, de vriend,
-met zijn welgedaan buikje en zijn dikken nek; zij, het mooie vrouwtje met haar frisch
-en jeugdig gezicht, en haar slanke, bevallige taille, waaraan men het niet zien kon,
-dat ze al kindertjes had gehad; net een jong meisje.
-</p>
-<p>Hij vreesde geen leven nà dit leven. Daaraan geloofde hij in ’t geheel niet. Het dogma
-kon naar zijn meening slechts zijn voortgekomen uit een <span class="ex" lang="la">lapsus linguae</span>. De mensch, nu ja, die plantte zich voort en had de middelen in de hand om nooit
-uit te sterven, een ongeval waartegen het <span class="ex">genus</span> zonder aansporing wel zou waken. Dàt was naar zijn vaste overtuiging de bedoeling;
-anders niet. Het was, meende hij, een kapitale dwaasheid, die waarheid als een os
-zoo verkeerd op te vatten, dat men er een persoonlijke zaak van ging maken en in allen
-ernst gelooven, dat er voor een fragment eener <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>individueele ikheid een eeuwig voortbestaan was weggelegd. Het <span class="ex">niet</span>,—daarin zou hij verzinken als hij stierf, meende hij; voortleven overdrachtelijk
-zou hij in zijn nakomelingen; maar persoonlijk „stof en asch”. Het was geen schrikbeeld,
-dat de dood, zóó gezien, opleverde; men kon hem aannemen als een vervelend, maar bevrijdend
-einde van een ziekelijk en pijnlijk bestaan. En toch kon de arme Veninga er niet aan
-denken zonder dat een ontzettende vrees hem in groote droppels langs voorhoofd en
-slapen gudste. En of hij al zijn redeneering te baat riep, en het algemeene tegenover
-het bijzondere stellend, het eerste deed overwinnen,—hij kwam niet los van den zielsangst,
-die hem beknelde. Moest hij dan weg? Weg van Jet en van de kinderen? Weg van het geld,
-dat hij met arbeid had verdiend en bespaard? Weg van alles, tot van zichzelven? En
-als hij nu eens stierf, wat zou het dan zijn! Natuurlijk kon hij niet verwachten,
-dat men om hem en zijn nagedachtenis een uitzondering zou maken op den regel. Waarom
-zou men dat doen? Het gebeurde immers met geen anderen! Hijzelf had nooit langer geliefde
-dooden betreurd dan eenige weken na de begrafenis. Nu ja, een enkel maal een weemoedige
-gedachte, een zucht, een traan,—maar het leven hernam dan dadelijk zijn rechten, streng,
-onverbiddelijk meesleurend, en men ging aan den <span class="corr" id="xd31e908" title="Bron: arbid">arbeid</span>, men waakte en sliep, men werkte en dacht, men leed en streed juist alsof die anderen,
-die dood waren, er nooit waren geweest. Hun plaats was niet aangevuld,—dàt behoefde
-niet eens; hij was met henzelven verdwenen, en men zou geen raad hebben geweten met
-den geliefden doode, als hij een maand na zijn begrafenis eens ware teruggekeerd met
-al zijn rechten <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>en aanspraken, met al zijn gezag en invloed. Want die waren overgegaan op en als dadelijk
-vereenzelvigd met anderen, die dan een afstand zouden moeten doen op een grond door
-geen rechtsbegrip gerechtvaardigd; om een reden tot nog toe door niemand aangevoerd
-of aangenomen. Zoo zou het precies gaan als hij stierf. Zijn vrouw zou plichtmatig
-bedroefd wezen, maar als er een ander man kwam, die haar beviel, dan zou ze dien nemen,
-met hem trouwen, andere kinderen bij hem krijgen. Hij zuchtte diep, schoon het hem
-pijn deed in de zijde. Het was ellendig, vond hij. Ternauwernood zou men hem missen!
-En hij kon niet eens zijn geld meenemen om zijn gemis voelbaarder te maken. Integendeel,
-hij werd een post van uitgaaf minder op het budget!
-</p>
-<p>„Mourant!”
-</p>
-<p>„Wat is er, Veninga?”
-</p>
-<p>„Wezenlijk, ik geloof dat het hier in Holland niet goed voor me is.”
-</p>
-<p>Het gezicht van den advocaat betrok.
-</p>
-<p>„’t Is mogelijk,” zei hij op een toon, die niet bewees dat hij de mogelijkheid inzag.
-</p>
-<p>„Wees nu niet vervelend. Ik voel immers het best, dat ik hier niet vooruitga. Die
-mevrouw Van Velton.…”
-</p>
-<p>„Och, wat!”
-</p>
-<p>„Neen, spreek me niet tegen. Het is een alleronaangenaamst openhartig mensch, maar
-wat ze zei is waar.”
-</p>
-<p>„Je hebt dat toch niet vroeger opgemerkt,” meende mevrouw Veninga, en ze zei het ongewoon
-snibbig. „Welk een dwaasheid! Omdat zij gek is, behoeven wij het toch ook niet te
-zijn.”
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>„Ja, jij zou me, denk ik, wel graag in het graf hebben. Dan kon je overal heengaan,
-hé. Dat is een boel pleizieriger dan een zieke man.”
-</p>
-<p>Zij haalde onverschillig de schouders op.
-</p>
-<p>„Als je zóó spreekt, doe ik het best te zwijgen.”
-</p>
-<p>„En waar wou je dan heengaan?” vroeg Mourant.
-</p>
-<p>„Ik wou naar Davos en ik wou jou en je vrouw vragen voor mijn rekening met ons mee
-te gaan.”
-</p>
-<p>Bedenkelijk wreef Mourant zijn fijnen neus.
-</p>
-<p>„Het zal niet gaan, amice! <span class="ex">Ik</span> heb het natuurlijk gaarne voor je over. Of echter mijn vrouw er toe zal te bewegen
-zijn, betwijfel ik zeer.”
-</p>
-<p>„Als ik het haar dringend verzoek?”
-</p>
-<p>„Doe dat niet. Laat het aan mij over. Ik zal er met haar over spreken; van avond zal
-ik je antwoord brengen. En,” vervolgde hij, na een vasten blik op Jet, die hem in
-gespannen verwachting aankeek, „of zij wil of niet, in elk geval ga ik mee.”
-</p>
-<p>Een vriendelijke glimlach gleed over het gelaat van den lijder, en zijn gezicht teekende
-dankbaarheid en vriendschap, toen hij met een uiterst flauw idee van verzet zei, dat
-hij zóóveel opoffering niet vergen mocht.
-</p>
-<p>„Kom, kom! De opoffering is waarlijk zoo groot niet. Ronduit gezegd, zou het gezonde,
-rustige klimaat van Davos mij ook vrij wat meer goed doen, dan het ruwe gure weer
-in Holland.”
-</p>
-<p>Mevrouw Veninga draaide ook bij.
-</p>
-<p>„Het spijt me voor ’t lieve huis,” zei ze, „dat we moeten verlaten; ziedaar alles.
-Voor het overige spreekt het wel vanzelf, <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>dat ik óók liever naar een zachter klimaat ga, en als het voor jou gezondheid is.….”
-</p>
-<p>„Het doet me pleizier, dat we het eens zijn. Dat stelt me gerust. Kom hier Jet, en
-geef me een zoen. Je neemt het me niet kwalijk, ja, dat ik je daar straks zoo aanviel?”
-</p>
-<p>Zij maakte dezelfde onverschillige beweging met de schouders, alsof ze wilde zeggen:
-Stel je voor, dat ik me zoo iets aantrok. Doch ze zei het niet en gaf hem een kus.
-Mourant wendde het hoofd af, pratend tegen de kinderen met een gemaakt lachje.
-</p>
-<p>„De vraag is nu maar wanneer?” wierp hij op, toen hij meende dat het wèl was.
-</p>
-<p>„Zoo gauw als het kan.”
-</p>
-<p>„Minstens drie dagen,” meende Henriëtte met het oog op de kinderen.
-</p>
-<p>„Drie dagen!” zuchtte Veninga, als zag hij op tegen een termijn van jaren.
-</p>
-<p>„Mij dunkt,” zeide Mourant, „’t zou overmorgen ook wel kunnen. Laat ons ’t maar dáárop
-houden.”
-</p>
-<p>Doch mevrouw Veninga schudde het hoofd.
-</p>
-<p>„Ik kan niet klaar komen dan na drie dagen. We gaan geen minuut eerder.”
-</p>
-<p>„In Godsnaam dan!”
-</p>
-<p>„<span class="corr" id="xd31e960" title="Bron: Seur">Zeur</span> nu niet, Veninga. Je ziet wel, dat we alles doen wat we kunnen om je te believen.”
-</p>
-<p>„Ja, ja, ik zeg niets! Ik wou alleen maar, dat die drie dagen reeds voorbij waren.”
-</p>
-<p>„En een paar uren geleden dacht je nog niet aan heengaan: dat komt allemaal door dat
-malle spook.”
-<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p>
-<p>Veninga zweeg; hij lag stil in zijn stoel met gesloten oogen. Mourant, die zijn hoed
-had genomen, stond met het hoofd in den nek naar een schilderij te kijken aan den
-wand, glimlachend om haar woede tegen Louise; hij wist waaruit die voortkwam en kon
-wel nagaan, dat tusschen die twee een openhartig woordje was gevallen.
-</p>
-<p>Zij gaf haar hart lucht. De geheele levensgeschiedenis van Louise, zooals die metterdaad
-<span class="ex">niet</span> was, maar „men” haar gemaakt had, borrelde op uit het vertoornd gemoed van het jonge
-vrouwtje, tot Veninga de magere hand omhoogstak, er een gebiedend afwijzend gebaar
-mee maakte, en op zijn gemelijksten toon uitriep:
-</p>
-<p>„Schei dan toch uit met dat gezanik over die mevrouw Van Velton. Als je nergens anders
-over wilt praten, ga dan asjeblieft de kamer uit!”
-</p>
-<p>„O ja, ik weet het wel. De heeren kunnen nooit iets van haar hooren. En al praat zij
-den grootsten onzin, dan handelen ze er nog naar.”
-</p>
-<p>Driftig verliet zij de kamer.
-</p>
-<p>„Adieu,” zei Mourant, zich omkeerende en Veninga de hand reikend. „Ik zal dat thuis
-wel in orde maken en kom dan van avond nog eens aan.”
-</p>
-<p>„Kom hier eten!”
-</p>
-<p>„Misschien. Reken niet op me; als ik kom, zie je me.”
-</p>
-<p>In de gang stond mevrouw Veninga hem op te wachten; ze was werkelijk heel boos, en
-toen hij haar een kus wilde geven, weerde zij hem heftig af.
-</p>
-<p>„Kom, maak asjeblieft maar geen gekheid! Met die malle nonsens! Dat heele naar Davos
-gaan is onzin.”
-<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p>
-<p>„Och, dàt dienen we toch voor hem over te hebben.”
-</p>
-<p>„En dan: overmorgen!”
-</p>
-<p>„Misschien kom ik straks eten; in elk geval tot van avond. Er zit thuis bij me weer
-een lief leventje op!”
-</p>
-<p>Dat denkbeeld verteederde haar, en ze nam vriendelijker afscheid van hem, dan eerst
-haar plan was.
-</p>
-<p>De woning der Mourants was kleiner en veel minder luxueus, dan die der Veninga’s;
-niet alleen door het verschil in fortuin, dat nog grooter was geworden, sedert Mourant
-uit Indië bericht had gekregen van een paar kleine „bankroetjes”, waarbij hij nogal
-erg betrokken was, maar ook omdat ’t zoo’n klein gezin was: man en vrouw zonder kinderen.
-</p>
-<p>Zij zat bij het venster te lezen, eenvoudig gekleed als altijd. Hij had haar getrouwd
-in Indië, waar zij onderwijzeres was en als zoodanig een uitstekende reputatie had,
-dubbel en dwars verdiend. Zij had altijd haar best gedaan hem zijn intellectueele
-minderheid niet te doen gevoelen, en hij, de advocaat, ijdel in hooge mate, die erg
-graag deed uitkomen, dat hij een „academische opleiding” had genoten, wist niet dat
-zijn eigen vrouw en menig ander met haar, inzagen dat die opleiding slechts een dun
-vernisje op een poveren ondergrond gestreken had. Zij begreep wel, en ook hierin waren
-het meer menschen met haar eens, dat Mourant’s bekwaamheid niet verder ging, <span class="corr" id="xd31e992" title="Bron: dat">dan</span> tot de soort gewone bruikbaarheid, waarbij alles moet afhangen van het goed geluk.
-En dàt had Mourant gediend. Hij viel, in Indië komend, met den neus in de boter van
-een goed beklant kantoor, met een goed rechtsgeleerde tot associé. Maar zoo het toeval
-hem zijn carrière als koeli had doen aanvangen, <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>zou het een open vraag zijn gebleven of hij haar wel als mandoer zou hebben geëindigd!
-</p>
-<p>Intusschen,—zij, Mourant en zijn vrouw, hadden goed geleefd met elkaar, in dien zin,
-dat zij heel wèl waren zonder buitengewoon diepgaande genegenheid. In den laatsten
-tijd echter was hun leven een hel, en men kon het haar aanzien dat zij leed. Dat maakte
-haar uiterlijk schooner noch jeugdiger. Men behoefde naar de veertig jaren, die zij
-telde, niet te raden. Indien zij het zich niet had aangetrokken, alles had aangewend
-om met wat haar overbleef te woekeren, en gekoketteerd had met anderen, zou zij er
-wellicht in geslaagd zijn een zoo ijdele en zelfgenoegzame persoonlijkheid als Mourant
-te blijven boeien.
-</p>
-<p>Hij groette niet toen hij de kamer binnentrad, en zij zag niet op van het boek, dat
-ze las. Voor den spiegel schikte hij zijn das een weinig recht, trok aan zijn boordje
-en zei heel kort en nurksch:
-</p>
-<p>„Ik ga over drie dagen naar Davos. Hoe lang ik daar blijf, weet ik nog niet.”
-</p>
-<p>„Heb je het niet verstaan?” vroeg hij toen zij geen antwoord gaf.
-</p>
-<p>„Welzeker! Doch het was geen vraag; alleen een mededeeling.”
-</p>
-<p>„Ik ga naar Davos,” herhaalde hij nog eens.
-</p>
-<p>„’t Is me onverschillig. Moet ik meegaan, dan zal ik het doen, schoon ik liever hier
-blijf.”
-</p>
-<p>„Als je mee wilt gaan, zal het mij hoogst aangenaam zijn!” riep hij met bitteren spot.
-„We gaan met de Veninga’s.”
-</p>
-<p>„Schaam je je niet?”
-<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p>
-<p>„Om met Veninga en z’n vrouw op reis te gaan?” ging hij op denzelfden toon voort:
-„Daar behoeft men zich waarlijk niet voor te schamen!”
-</p>
-<p>„Och!” zei ze zuchtend, „je aardigheden vallen volmaakt in het water. Er blijft niets
-over dan je laagheid. Ik wil niet van mijzelve spreken. Je weet dat ik geen achting
-meer voor je heb en ook geen genegenheid voor je koester. Maar dat je dien armen Veninga
-zoo schandelijk bedriegt, is een misdaad.”
-</p>
-<p>„Welnu, klaag me aan!” antwoordde hij met gemaakte vroolijkheid. „Niets liever, dat
-weet je.”
-</p>
-<p>Een gloed van toorn kwam op haar gezicht.
-</p>
-<p>„Als ik kans zag jou en haar voor een rechter te brengen, die je allebei de straf
-gaf, door je verdiend, dan zou ik het wezenlijk niet laten.”
-</p>
-<p>„Haar?.… Nu?.… En dan die arme Veninga? je zoudt hem moedwillig den dood doen. Foei,
-dat is óók een misdaad.”
-</p>
-<p>Dat was inderdaad het eenige, waartegen zij opzag. Ze mocht Veninga zeer gaarne, en
-ze had slechts geaarzeld om zijnentwil. Dat het zijn dood zou wezen, betwijfelde zij
-niet, en daarvoor vreesde zij. Maar niettemin was het voor haar een marteling. Toen
-ze voor het eerst achter de waarheid was gekomen, en de schuldigen betrapte op een
-oogenblik, dat deze zich niet spoedig genoeg konden verwijderen, had ze een moreelen
-schok ontvangen, waarvan ze voelde dat ze nimmer zou herstellen. Want wat ze gezegd
-had, was ook niet waar. Ondanks alles hield ze veel van Mourant, en nu misschien meer
-nog dan vroeger, ondanks ze hem wezenlijk minachtte.
-</p>
-<p>Hij had dadelijk den knoop doorgehakt door pogingen <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>voor te stellen om tot een scheiding te komen; zij had die voor goed verworpen, door
-één voorwaarde, die ze vooraf wist dat hij niet zou aannemen. Zij vroeg haast zijn
-geheele vermogen, en bij die gelegenheid had hij geraasd en getierd als een bezetene.
-Neen, daarvan kwam niets, en dat wist ze wel. Sedert zinspeelde hij voortdurend op
-scheiding en noemde er nu en dan cijfers bij. Hij wist wel, dat zij het niet doen
-zou, en dat hij in geen geval behoefde te handelen vóór den dood van Veninga. Was
-die eenmaal ad patres, dan kon hij zien wat er te doen was. Zijn vrouw zou niets zeggen,
-dat wist hij zeker, alleen om Veninga te sparen.
-</p>
-<p>„Dus je gaat <span class="ex">niet</span> mee naar Davos?” vroeg hij, toen zij de kamer verliet.
-</p>
-<p>Maar zij antwoordde hem niet, en hij, een deuntje fluitend, ging naar zijn kamer,
-kleedde zich, liep eens naar de sociëteit, waar de oud-gasten hem gaarne zagen, mengde
-zich in allerlei gesprekken over Indië en landde nog voor etenstijd weer bij de Veninga’s
-aan.
-</p>
-<p>De zieke glimlachte vroolijk.
-</p>
-<p>„Dat doet me pleizier,” zei hij.
-</p>
-<p>„Ja, ik ben met moeite gereedgekomen; ik had nog een en ander te beredderen.”
-</p>
-<p>„Weet je wat ik morgen toch wel wilde doen?”
-</p>
-<p>„Neen, nog niet.”
-</p>
-<p>„Ik wou mijn testament laten maken.”
-</p>
-<p>„Het kan nooit kwaad. Het mijne bestaat reeds jaren. ’t Is ordelijk.….”
-</p>
-<p>„Zeker! Het is schande, zeg het maar gerust, dat ik er geen heb. Een van vroeger tijd
-heb ik vernietigd.”
-<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span></p>
-<p>„Een uit Indië.”
-</p>
-<p>„Ja. Nu moest je me een pleizier doen en zorgen, dat morgen de notaris hier komt.
-Je wilt toch wel executeur zijn?”
-</p>
-<p>Mourant bedwong een glimlach en zei met kalmen ernst:
-</p>
-<p>„Waarom niet? Ik hoop intusschen dat ik nimmer de functie zal behoeven uit te oefenen.”
-</p>
-<p>„Nu maar, ik vrees dat het ’t eind van het lied wel wezen zal.”
-</p>
-<p>„Gekheid! Je knapt weer op.”
-</p>
-<p>Met groote zorg werd Veninga drie dagen later en nadat hij zijn testament had gemaakt,
-volgens Mourant uitsluitend om de „goede orde” van zaken, voorzichtig en in een plaid
-gewikkeld, vervoerd; hij gevoelde zich zieker dan ooit en kon den steun niet missen
-der krachtige handen van Mourant, die hem als ’t ware in en uit rijtuigen en waggons
-tilden.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Louise Van Velton had nog één visite gemaakt na de geagiteerde bij de Veninga’s. Ze
-kwam bij mevrouw Van Stralen in de Willemstraat, en moest heel lang anti-chambre maken,
-voor ze boven mocht komen. Daar vond ze een zestal Indische dames en ze begreep heel
-goed, dat ze die allen door haar bezoek erg dérangeerde. Mevrouw Van Stralen zou dan
-ook voor ieder ander, die het speelpartijtje kwam verontrusten, belet hebben gegeven,
-maar zij hield wel van mevrouw Van Velton en zij was er in ieder geval zeer op gesteld
-de kennismaking met de villa op het Plein 1813 aan te houden. Daarom waren spoedig
-de kleine kaartjes en de andere dobbelwerktuigen opgeruimd en weggeborgen, waren de
-dames van den grond opgestaan en hadden zij op stoelen plaats genomen, <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>en ontving de vrouw des huizes haar bezoekster allervriendelijkst.
-</p>
-<p>Maar het standje bij de Veninga’s werkte na in het prikkelbaar gemoed van Louise.
-Geen vijf minuten hield ze het praten over koetjes en kalfjes vol. Ze deed er gedachtenloos
-aan mee, en er behoefde eigenlijk ook niet bij gedacht te worden. Intusschen dwaalden
-haar oogen droomerig door de kamer en over de min of meer behoorlijk gekleede dames
-van dit kransje. Het was de voorbode van iets onaangenaams, dat altijd onvermijdelijk
-volgde als zij zoo droomerig keek.
-</p>
-<p>„Komen de dames dikwijls bij elkaar?” vroeg ze zeer onverwacht en op een vinniger
-toon, dan de aard der vraag en de gelegenheid scheen mee te brengen.
-</p>
-<p>„Och, dat gaat nogal,” antwoordde mevrouw Van Stralen leukjes; maar mevrouw Roos,
-die Louise alleen op het gezicht niet kon uitstaan en ook woedend jaloersch was op
-haar groot fortuin, zei zeer beslist, maar niet vriendelijk:
-</p>
-<p>„Zeker, mevrouw Van Velton, wij zien elkaar haast om den anderen dag.”
-</p>
-<p>Zij keken allen eenigszins verbluft de kapiteinsvrouw aan, die, niet gewoon veel te
-spreken, zich zoo onverwacht en beslist op den voorgrond stelde. Ook Louise nam haar
-op van het hoofd tot de voeten. Daarna glimlachte ze met minachting.
-</p>
-<p>„En ik wed, dat de dames dan op Indische manier een partijtje maken,” vervolgde zij
-tegen mevrouw Van Stralen, die, tamelijk verlegen met deze onverhoopte wending van
-het gesprek, niet zoo dadelijk wist wat te antwoorden.
-</p>
-<p>„Och!<span class="corr" id="xd31e1060" title="Niet in bron">”</span> vervolgde Louise: „<i>U</i> behoeft u er volstrekt niet voor <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>te geneeren. Wanneer men wat geld heeft, een goed pensioen en bovendien geen kinderen,
-dan heeft men groot gelijk als men zich op de een of andere manier amuseert.”
-</p>
-<p>„Er is waarlijk geen fortuin voor noodig,” verzekerde mevrouw Van Stralen. „Wij spelen
-haast om des keizers baard.”
-</p>
-<p>Doch daar geloofde Louise niets van.
-</p>
-<p>„Nu ja,” zei ze, „dàt ken ik. Er wordt op die Indische partijtjes om goed geld gespeeld,
-en menigeen.…”
-</p>
-<p>„.… Herinnert zich niet u iets gevraagd te hebben,” viel mevrouw Roos, met een kleur
-als een Malmaison, haar heftig in de rede.
-</p>
-<p>Er volgde een oogenblik van stilte; daarna vervolgde mevrouw Roos op denzelfden opgewonden
-toon:
-</p>
-<p>„Het past u in ’t geheel niet u met eens anders zaken te bemoeien. Houd u maar bij
-uw eigene, dan hebt u genoeg te doen, en als u dat deedt zouden er niet allerlei praatjes
-te Batavia over u in omloop zijn. Ik ten minste verwacht van u geen complimenten,
-verstaat u?”
-</p>
-<p>Deze ruwe aanval bracht Louise eenigszins van haar stuk. In groote haast greep ze
-zenuwachtig haar mof, stond op en verliet zonder een woord te spreken met trotsche
-houding het salon; mevrouw Van Stralen, bleek van vrees, volgde haar en zei in de
-gang:
-</p>
-<p>„Je moet het haar niet kwalijk nemen; ze heeft vandaag een beetje veel verloren en
-daar kan zij niet goed tegen.”
-</p>
-<p>„Mevrouw Van Stralen, ik noem het een schande. Het is een schande, dat u hier een
-dobbelhuis houdt. U moest u schamen! Ik zal het overal vertellen en nooit, nooit kom
-ik hier meer over den drempel.”
-<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p>
-<p>„Kom, wees nu niet zoo opgewonden!” hield mevrouw Van Stralen aan, inwendig kokend
-van woede, maar doodsbang juist voor dat vertellen.
-</p>
-<p>„Het is een schande! Jullie praten van inlanders,—je bent veel slechter dan de inlander,
-want die weet niet beter.”
-</p>
-<p>„Ta, ta, ta! Er gebeurt hier niets, dan wat je al te levendige verbeelding er van
-maakt. Wij spelen een gewoon partijtje whist om een cent het punt. Daar maak je nu
-zooveel noodeloos alarm over.”
-</p>
-<p>Louise was reeds bij de straatdeur en strekte de hand uit naar het slot, maar bij
-die woorden keerde zij zich om, stond een oogenblik mevrouw Van Stralen met groote
-oogen aan te kijken, boog toen een weinig voorover en siste haar toe:
-</p>
-<p>„Zal ik je wat zeggen? Je liegt, je liegt!”
-</p>
-<p>In een wip was zij de deur uit en haar rijtuig in, dat voor het trottoir wachtte.
-In het dameskransje was het een leven als een oordeel! Daar waren al de tongen losgegaan,
-onder aanvoering van mevrouw Roos, die eenparig bewonderd, geprezen en bewierookt
-werd om haar moed en om de flinke manier waarop zij dat gemeene mensch, <i>die</i> mevrouw Van Velton, op haar plaats had gezet. Het was een gekakel van belang en zonder
-einde, en toen mevrouw Roos naar huis ging, scheen het haar, ondanks de kleine geldelijke
-verliezen, dien dag geleden, een overwinningstocht.
-</p>
-<p>Maar niettemin hinderden diezelfde verliezen haar buitengewoon. Het in Indië overgespaarde
-geld was op; het laatste gedeelte was overgegaan in de beurzen harer medespelende
-vriendinnen. Roos zocht reeds een paar weken naar een „bijbaantje”—bij zijn pensioen!—maar
-was tot zijn groote <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>verwondering en teleurstelling tot de ervaring gekomen, dat het zoeken heel gemakkelijk,
-maar het vinden verbazend moeilijk is.
-</p>
-<p>Het was reeds ver in den pensioenstermijn. Zij moest er niet aan denken! Zij kwam
-niet toe met haar huishoudgeld, dàt was wel zeker, en haar man had ook niets meer.
-Enfin, zij zou wel „zien”; in het ergste geval zou zij wat leenen van haar vriendin
-Van Stralen. Maar de gedachte aan het dreigend geldgebrek vergalde toch al de vreugde.
-</p>
-<p>De meisjes kwamen haar op de onbelegde houten trap harer woning te gemoet.
-</p>
-<p>„Gelukkig dat u thuis bent, ma! We hebben zoo’n honger!”
-</p>
-<p>„Is papa al thuis?”
-</p>
-<p>„Neen, dat is waar; die is er ook nog niet. Toe, geef ons maar wat vooraf.”
-</p>
-<p>„Papa komt al!” riep een der kleintjes van boven; hij had door het venster zijn vader
-zien aankomen.
-</p>
-<p>Aan tafel was de kapitein erg stil, en daar ook zijn vrouw weinig lust tot praten
-had, snapten en lachten de meisjes voort naar hartelust.
-</p>
-<p>„Ik heb iets gevonden,” zei Roos, toen het servies was afgenomen en ze beiden alleen
-in de kamer waren.
-</p>
-<p>„Gelukkig!” zei ze, maar meteen keek ze hem heel verwonderd aan. Ze had gedacht, dat
-hij over het vinden van het gezochte „bijbaantje” zeer verheugd zou zijn en dat op
-zijn gewone luidruchtige manier aan den dag zou leggen. Niets van dat alles. Hij vertelde
-zijn gewichtig nieuws zonder eenig enthousiasme, als het ware met tegenzin.
-</p>
-<p>„En hoeveel?” vroeg ze.
-<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p>
-<p>„Honderd en tachtig.”
-</p>
-<p>„Heerlijk!” riep ze verheugd: „dat maakt met ons pensioen.…”
-</p>
-<p>„Halt!” commandeerde de kapitein. „Het is.… <span class="ex">in het jaar</span>.”
-</p>
-<p>Verstomd bleef ze hem aanstaren. Had hij zich dan ergens verhuurd als <span class="ex" lang="ms">toekang sepèn</span>?
-</p>
-<p>Hij begreep dat hij het er niet bij kon laten.
-</p>
-<p>„Het is verduiveld lastig iets goeds te vinden.… Alles is bezet, en het is maar houden
-wat je hebt.… Ik heb moeite genoeg gedaan; het vuur uit mijn zolen geloopen, maar
-’t gaf niets.… Dat is me een land hier, wat baantjes aangaat! Dan heilig Indië!”
-</p>
-<p>„Konden we maar gaan,” zuchtte ze. Het in den laatsten tijd verdwenen visioen keerde
-een oogenblik terug.
-</p>
-<p>„Nonsens, dat weet je wel beter! Enfin, ik zat onder vrienden, en beklaagde me omdat
-het leven zoo vervelend begon te worden en ik geen „bijbaantje” had. Een hunner zei,
-dat zijn zwager graag iemand had om ’n paar boeken bij te houden, één uur slechts
-per dag.… Het is meer om de verveling te verdrijven, dan om die vijftien gulden in
-de maand.”
-</p>
-<p>„Ja maar Roos, we hebben geld noodig; we kunnen met ons pensioen niet toe. Wat baat
-nu vijftien gulden!”
-</p>
-<p>„Wat donder, ik kan het toch niet van de boomen schudden!”
-</p>
-<p>„Maak je niet boos, want dat helpt niets. We zullen moeten verminderen; goedkooper
-gaan wonen; de rekening bij den slager kleiner maken en je verteringen buitenshuis.…”
-</p>
-<p>Het beviel hem niets.
-</p>
-<p>„Ja,” ging ze voort, „ik doe het ook niet voor mijn genoegen.”
-</p>
-<p>„Je zult je dan toch ook dienen te behelpen, en niet altijd maar allerlei noodelooze
-dingen koopen.”
-<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p>
-<p>Als hij eens wist, dat ze speelde! Wat zou hij woedend zijn! Bij die gedachte zweeg
-ze maar, en terugkomend op dien meneer met zijn paar bij te houden boeken, vroeg ze:
-</p>
-<p>„Wat doet die man?”
-</p>
-<p>„Hij heeft.… hm!.… hij is wijnhandelaar.”
-</p>
-<p>„En je gaat er zeker ’s ochtends even heen?”
-</p>
-<p>„Neen, ’s avonds.”
-</p>
-<p>„Hoe gek! Het is immers veel beter.…”
-</p>
-<p>„Houd nu asjeblieft den mond met dat gezanik, hé? Ik ga ’s avonds omdat ik wil.”
-</p>
-<p>Zij haalde de schouders op, en ging de kamer uit alsof ze daarmee wilde te kennen
-geven dat ze, zóó redeneerende, geen kans zag verder te komen. Hij, allesbehalve in
-zijn humeur, trok zijn jas aan en ging uit. Hij had juist den knop van de kamerdeur
-in de hand, toen ze weer binnenkwam en hoofdschuddend zei:
-</p>
-<p>„Vijftien gulden in de maand! Hoe durft zoo’n man het te presenteeren? ’t Is het traktement
-van een bediende in Indië!”
-</p>
-<p>Zonder te antwoorden ging hij heen. Het hinderde hem, dat hij gelogen had, maar de
-waarheid wilde er niet uit. Vooreerst was het geen wijnkooper, wiens boeken hij zou
-bijhouden, maar een slijter; ten tweede had hij niet het avonduur gekozen omdat hij
-<span class="ex">wilde</span>, maar omdat hij zich geneerde elken dag gezien te worden, als hij de slijterij zou
-binnengaan. Het zou dien avond de eerste maal zijn, en het was een zware gang, die
-hem naar het oude gedeelte der stad voerde, in een doolhof van hobbelig bestraatte
-wijken, waar onregelmatig gebouwde huizen, soms zonderling inspringend en met en zonder
-hoogere en lagere stoepjes, fantastisch <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>verlicht werden door meest aan de muren vastgemaakte lantaarns, die hier en daar in
-den scherpen lichtkring der onmiddellijke omgeving, een stuk venster opnamen, waarachter
-een zuinige eigenaar zich verheugde over de verlichting van zijn kamer van gemeentewege.
-</p>
-<p>Voor een huis, dat op de omgeving een zeer gunstige uitzondering maakte, hield hij
-stil. In deze buurt, waar doorgaans menschen huisden behoorend tot den fatsoenlijken,
-kleinen burgerstand, teekende het uiterlijk der woningen veel meer een zich behelpende
-bekrompenheid van middelen, dan bloeiende welvaart met ruimte van geld.
-</p>
-<p>Maar het jeneverpaleis maakte een uitzondering; het was hoog opgetrokken en er hingen
-dubbele staatsiegordijnen voor de ramen der twee verdiepingen boven den winkel, waarvan
-de buitenmuur tot aan de bel-étage van arduinsteen was, of voor ’t minst een imitatie
-daarvan; groote spiegelruiten prijkten in de vensters, voor het inkijken half met
-matglas gecoupeerd; wie de dubbele deur binnenging zag aan den eenen kant een groote
-open kast het eene muurvlak beslaande, gevuld met kristallen karaffen, dranken bevattend
-in allerlei kleur, tot water toe in de bovenste rijen, waar men niet bij kon komen
-voor het gebruik! En achter de toonbank van goed geboend eikenhout, bedekt met door
-koperen spijkertjes bevestigd glimmend zink, stond „mijn heer”, de mijnheer van deze
-buurt, waarvan het bekend was, dat hij elken bewoner in rijkdom overtrof; aan de andere
-zijde rustten op zware stellingen reusachtige vaten, bruin geverfd op de zwarte ijzeren
-banden na en de blinkende kranen, met dito emmertjes er aan, waarin de enkele droppeltjes
-<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>lekten, die van het voor ’t Nederlandsche volk zoo kostbare vocht niet verloren mochten
-gaan.
-</p>
-<p>Kapitein Roos stond stil in het helle licht, dat door de ruiten en de glazen deur
-der groote slijterij naar buiten stroomde. Hij ging voorbij. Het was verduiveld moeilijk,
-vond hij; het was beneden zijn positie. Allerlei tooneelen uit zijn dagelijksch leven
-als kapitein bij het Indisch leger, kwamen hem voor den geest, zijn toenmalig maatschappelijk
-standpunt verheffend. Zijn positie gaf hem recht op gelijken voet te staan met allerlei
-categorieën van notabele burgers en nu.… boekhouder bij een slijter.… Te duivel, het
-was hard en dat voor zoo’n bagatel geld! Hij moest slikken, twee-, driemaal, eer hij
-’t verschil verwerkt had en behoedzaam den bronzen knop der winkeldeur opendraaide.
-</p>
-<p>De slijter met een pet op, een modern fantasiepakje aan en een zwaren dubbelen horlogeketting,
-die naar elken vestzak liep, was juist bezig uit een helder gepoetste tinnen maat
-jenever te gieten in den trechter op een smerig fleschje, dat een armoedig gekleede
-oude vrouw, die voor de toonbank stond, zorgvuldig vasthield; toen de kapitein Roos
-binnenkwam, streek hij haastig de vier en twintig centen, door de vrouw neergeteld,
-in de lade, veegde zijn vingers af aan een helder witten handdoek, opgehangen aan
-een stijl van de kast, bracht de hand aan de klep van zijn pet en vroeg, met beide
-handen op de toonbank leunend, wat meneer bliefde.
-</p>
-<p>„Ik ben kapitein Roos.”
-</p>
-<p>„O, kapitein, bent u het; welzoo, dat doet me genoegen; m’n neef, die ook in de-n-Oost
-is geweest, sprak er van, en ik zei: dat is net van pas. Kom binnen!”
-<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p>
-<p>De slijter, die Maas heette, ging den kapitein voor naar een net gezellig vertrekje
-met gas verlicht en dat door een zijde, geheel van glasruiten, licht kreeg uit den
-winkel.
-</p>
-<p>„’t Is hier ’n goed kantoortje; je kan zoo alles zien, wat in den winkel gebeurt.”
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde Roos, minder ingenomen met de omstandigheid, dat men hem ook uit
-den winkel zoo goed zien kon. „Speelt u hier ook piano?”
-</p>
-<p>„Ik? Die is goed! Neen, mijn dochter speelt hier, maar niet als er boek wordt gehouden,
-natuurlijk niet. Maar ze zingt anders heel mooi.”
-</p>
-<p>De administratie was allereenvoudigst; het dagboek werd accuraat en netjes bijgehouden.
-Dat er zooveel omging in een gewone slijterszaak, verbaasde Roos, die slechts even
-had moeten denken aan de bittertjes door hemzelven geregeld verzonden, om ’t debiet
-in dezen drankwinkel verklaarbaar te vinden; maar ’t was een leuke administratie,
-die een kind kon voeren. Men liet hem alleen; slechts eens bracht een dienstmeisje
-hem een zeer goeden kop thee; overigens stoorde hem niemand en met zijn bril op den
-neus, zat hij onder de gasvlam aan den lessenaar zoo rustig de boeken bij te schrijven,
-alsof hij het zijn leven lang gedaan had; eerst toen hij klaar was, kwam de slijter
-binnen.
-</p>
-<p>„Ik ben u maar niet komen storen,” zei hij. „Ik denk altijd maar: eerst de zaken.
-Blijft u niet nog ’n oogenblik zitten, ’n grogje drinken? Steek ’n sigaar op.”
-</p>
-<p>De sigaren zagen er goed uit; het vooruitzicht op ’n grogje was niet te verwerpen.
-Een oogenblik aarzelde de gepensionneerde kapitein, maar het was, vond hij, hier alles
-zoo behoorlijk, <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>zoo netjes en comfortabel, dat hij eigenlijk niet begreep waarom hij zou weigeren.
-Hij bleef; hij werd voorgesteld aan mevrouw Maas en aan de jongejuffrouw Maas, die
-hem om ’t hardst „kaptein” noemden, wat haar eigen ijdelheid scheen te streelen. En
-juffrouw Maas zong met verschrikkelijke oogverdraaiingen en wegsleepende armbewegingen
-het <span class="ex" lang="fr">miserère</span> uit de <span class="ex" lang="fr">Trouvère</span>, zoodat de kapitein tot aller vreugde verklaarde het in de opera nooit mooier gehoord
-te hebben.
-</p>
-<p>Toen hij naar huis ging en zijn kraag opzette tegen den kouden wind, was hij opgewekt
-en vroolijk. Het waren beste menschen, de grog was voortreffelijk, de sigaren goed,
-de toon gemoedelijk en fatsoenlijk. Wat kwam het er ten slotte opaan, dat ze een slijterij
-hielden? Deze lui waren waarachtig beter dan menig ander, die geur maakte met „positie”.
-Hij was met dat boekhouderschap en wat er bij scheen te behooren, geheel verzoend.
-Eigenlijk kwam hij daardoor meer en meer terug in de sfeer, waarin hij thuishoorde.
-Het ophouden van den officiersstand had hem in Indië—schoon hij ’t zichzelven niet
-had willen bekennen, laat staan een ander—vaak moeite gekost en over het algemeen
-gruwelijk verveeld; de kring, door hem thans verlaten, was zijn element; dáár voelde
-hij zich lekker.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>’t Was tamelijk vol in de groote zaal van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen,
-althans voor een concertavond en voor die zaal, en aan Indische menschen geen gebrek;
-zij voornamelijk waren het, die de zijloges vulden en de stoelen bezetten. Men kon
-velen herkennen aan den toon, waarop <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>ze spraken; aan hun minder correct Hollandsch met hè’s, ja’s, hier’s, zeg’s en kasian’s
-rijkelijk doorspekt; aan hun glanzende zwarte haren en getinte huid; aan het eindeloos
-handjesgeven der leden van elkaar ontmoetende families; aan de onvermijdelijke waaiers
-der dames. Maar de Haagsche aandeelhouders in het Gebouw, die plichtmatig zooveel
-mogelijk concerten, opera’s en tooneelvoorstellingen bezochten, zagen dit Indisch
-contingent, deze steunpilaren der onderneming, met vreugde.
-</p>
-<p>Dicht bij het tooneel zat mevrouw Van Velton en naast haar mevrouw Fournier, die haar
-man had gehaald van Marseille en na een soort van huwelijksreisje met hem in Den Haag
-was aangekomen.
-</p>
-<p>Hij zat achter haar; hij zag er welgedaan en gezond uit; haar wezen straalde als het
-ware van genoegen; ’t was of zij alle melancholie en zwaarmoedigheid had afgelegd,
-en als ze zich ter zijde boog om hem iets te zeggen achter haar waaier, dan klonk
-haar zachte lach frisch en vroolijk, teruggevonden, gelijk zijzelve herboren was.
-</p>
-<p>Maar zij was nog niets bij Louise vergeleken, achter wier stoel een ritmeester stond
-der cavalerie, erg chic, schoon overigens gewoon van uiterlijk; hij had een fraaien
-naam, een adellijken titel en, naar men zeide, eenig fortuin.
-</p>
-<p>Hij maakte der jonge mooie weduwe het hof, en deze te midden der wereld, welke haar
-zoo bitter weinig genegenheid toonde, partij nemend, was op hem verliefd.
-</p>
-<p>Zij had hem leeren kennen sedert de komst van Fournier. Het was vreemd en opvallend,
-maar niettemin waar, en het stemde Louise tot een soort van eerbiedige bewondering,—het
-was alsof „de” wereld, waarvoor zij zich vruchteloos zooveel <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>moeite had gegeven, ongevraagd zijn intrede had gedaan in haar huis te gelijk met
-Fournier. En hij behandelde dat als de eenvoudigste zaak ter wereld; hij maakte met
-zijn vrouw en zijn schoonmoeder visites bij eerste families, die hem hartelijk ontvingen
-en contra-bezoeken brachten, maar die nooit spraken over Indië, dan als ’t niet anders
-kon en dan nog zoo spaarzaam mogelijk. Noch haar eigen vader, noch een algemeen geacht
-medicus, noch de in de handelswereld zoo uitstekend bekende naam van Velton, noch
-haar wijze van leven hadden haar een schrede dichter kunnen brengen tot Haagsche coterieën,
-waarnaar zij hunkerde en waarin Fournier werd toegelaten als de natuurlijkste zaak
-der wereld, en waar hij sprak over zijn oom den staatsraad met een jonkheerstitel
-en zijn zwager, den Commissaris des Konings, met een langen Frieschen naam vol ka’s,
-ma’s en ouderwetsche verbindingen. Hij had, als zij het indertijd had gewild, haar
-man kunnen zijn; haar kinderachtige „tinka’s” en grillig humeur hadden dat belet,
-en ofschoon ze geen liefde hoegenaamd meer voor hem gevoelde—het beestje was <span class="ex" lang="ms">betoel</span> „dood en begraven”—kon ze toch nog boos op zichzelve worden om haar groote domheid.
-Wat baatten al die praal en pracht, wat gaf het geld, als men toch door hen, naar
-wier omgang men haakte, eenigszins beschouwd werd als een paria?
-</p>
-<p>Intusschen genoot ze van de omstandigheid, dat zij als het ware „op sleeptouw” werd
-meegenomen. Inderdaad had Fournier ’t liever niet gedaan, maar hij was te dankbaar
-voor de gastvrijheid, zoo schitterend door zijn vrouw en kind genoten, en te kiesch
-om zelfs maar te trachten dit servituut te ontduiken.
-<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p>
-<p>En op een dier bezoeken had zij kennis gemaakt met den ritmeester bij diens familie
-aan huis. De oude graaf Riquelle woonde op den Kneuterdijk in een deftig huis, dat
-in ’t geheel niet met den tijd was meegegaan, en zeker als het minder solied was geweest,
-van schaamte zou zijn ingestort, toen het door zijn glazen oogen van bescheiden afmetingen—geen
-ploertige spiegelruiten!—moest aanzien dat een zoo archi-democratisch voertuig als
-een paardentram met fluitende conducteurs en rinkelend tuigage den heelen dag langs
-zijn stijf en rustig ijzeren stoephek holde en rolde! En het stille huis zou, ware
-het een mensch geweest, tot achter zijn dakgoot gebloosd hebben om de majesteitschennis
-gelegen in het buurschap van een meubelmaker en een prins van den bloede!
-</p>
-<p>Als de oude heer dááraan dacht, zuchtte hij diep, verschoof zijn met gouddraad doorstikt
-kalotje, en trok peinzend aan zijn sneeuwwitte impériale, en als mevrouw Riquelle
-de décadence van het vroeger zoo „lieflijk ’s-Graevenhaege” herdacht, schudde zij
-bedenkelijk het hoofd, dat nog een mooi hoofd was, ondanks de grijze haren en de rimpels
-van den leeftijd.
-</p>
-<p>Neen, zij waren niet meegegaan met den sleur des tijds, gelijk zoo menige andere familie,
-waarvan de leden thans links en rechts verstrooid, tot kolenhandelaars en zoo gedegradeerd
-waren. Dáárover echter dacht men, maar men sprak er niet van.
-</p>
-<p>Doch in één opzicht, maar één enkel opzicht slechts, was de tijdgeest den ouden heer
-te machtig geweest. Voorspiegelingen van hooge renten bij zekere kapitaalsbelegging
-hadden hem gebiologeerd; hij had een deel van zijn matig vermogen <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>er aan gewaagd, en was er volkomen kaalgeplukt afgekomen.
-</p>
-<p>Sedert was hij conservatiever dan ooit.
-</p>
-<p>Maar sedert ook was hem ’t leven moeilijker, want ofschoon Edmund, zijn zoon de cavalerist,
-volstrekt geen <span class="ex" lang="fr">panier percé</span> was, kostte hij toch veel geld; dáárvoor was hij ook bij <span class="ex">het</span> bereden wapen!
-</p>
-<p>De ritmeester was werkelijk geen <span class="ex" lang="fr">viveur</span>. Hij had het leven meegemaakt, en nu hij de dertig achter den rug had, was er weinig
-nieuws voor hem onder ’t Haagsche zonnetje. Toch was het niet uit vrijen wil, dat
-hij zich veel onthield, wat hem anders het bachelorsleven zou veraangenaamd hebben;
-hij had gaarne meer uitgegeven voor mooie paarden, fijne wijnen, fraaie apartementen
-en zoo, maar hij kende de gevaarlijke finantiëele omstandigheden zijner kleine familie,
-en hij wist welke kunststukken en goocheltoeren mama in alle stilte moest verrichten
-om het „evenwicht” te bewaren. En daar hij een goed mensch was, onthield hij zich
-van alles, wat die moeilijkheden kon vergrooten, spottend met „mooie” paarden als
-parade-goed voor kinderen, afkeer voorwendend van wijn—slechte lustte hij inderdaad
-niet,—groote gehechtheid veinzend aan zijn oude, volstrekt niet schitterend gemeubelde
-kamers.
-</p>
-<p>Het was niettemin geen geldzucht geweest, die hem tot Louise Van Velton had aangetrokken.
-Toen ze meekwam met de Fourniers, was hij toevallig bij zijn oudelui. En daar de donkere
-teint van Louise zijn mama eenigszins op een afstand hield, was hij bij haar gaan
-zitten met de banale vraag, hoe het haar in Den Haag beviel.
-</p>
-<p>„Tamelijk goed,” zei ze. „’t Is ’n lieve plaats. Ze heeft zoo <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>geen eigen cachet, als veel andere Hollandsche steden, maar daarentegen iets huiselijks,
-iets prettigs.”
-</p>
-<p>„Nietwaar, mevrouw?” zei hij opgewekter dan gewoonlijk. „’t Is juist wat ik ook altijd
-vind. Ik dacht alleen dat het vooringenomenheid wezen kon.”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet. Misschien komt er die van uw kant wel ’n beetje bij.”
-</p>
-<p>Zoo praatten ze voort over de stad, ’t bosch, Scheveningen; ze traden in de gewone
-vergelijkingen met ’t Bois de Boulogne als bosch, met Brussel als stad, met <span class="corr" id="xd31e1229" title="Bron: Ostende">Oostende</span> als badplaats, en men verheugde zich in een voor de aangename conversatie steeds
-zeer bevorderlijke sympathie.
-</p>
-<p>„Wat is die mevrouw Van Velton voor ’n dame?” vroeg zijn mama toen de visite was afgeloopen.
-</p>
-<p>„Ik weet het niet,” zei Edmund. „De tweede vrouw van Van Velton, die in Indië is gestorven.”
-</p>
-<p>„Den naam heb ik meer gehoord.… Van Velton.… Zoo heet, meen ik, een groot koopmanshuis
-in Amsterdam of Rotterdam,” lichtte de oude heer toe.
-</p>
-<p>„Zij is een zeer lieve, beschaafde vrouw,” verzekerde de <span class="corr" id="xd31e1237" title="Bron: ritmeeester">ritmeester</span>.
-</p>
-<p>Mevrouw Riquelle zei niets, maar keek met gefronste wenkbrauwen naar buiten. Zij had
-nu en dan wel met angst opgemerkt, dat Edmund bijzonder lief was voor die donkere,
-maar mooie vrouw; zij kende hem en ze maakte zich bang, want hij had tot nog toe haast
-nooit meer dan spot over gehad voor ’n vrouw of ’n meisje, dat de echtgenoote <span class="ex">had kunnen</span> worden van een graaf De Riquelle; haar moederlijk hart zag hier een gevaar, en toen
-het kort daarna wezenlijk kwam, <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>vond het de oude dame althans niet onvoorbereid; zij had het van het eerste oogenblik
-zien aankomen.
-</p>
-<p>Toch had Edmund Riquelle met zijn moeder den zwaarsten strijd. Papa vond het nu wel
-niet aangenaam, dat zijn zoon wilde trouwen met de weduwe van een koopman—zelfs zeer
-onaangenaam vond hij het,—maar twee overwegingen gaven spoedig den doorslag: als man
-begreep hij hoe zijn zoon op ’t mooie vrouwtje verliefd was geraakt; als vader en
-financier zag de rijkdom van datzelfde vrouwtje er in zijn oog zeer aanlokkelijk uit.
-</p>
-<p>„Je behoeft me daaromtrent niets te zeggen,” zei zijn mama, toen hij zinspeelde op
-de „onafhankelijke positie” van Louise. „Je kunt me <span class="ex">toch</span> niets zeggen Edi, waarover ik niet reeds lang heb gedacht. Maar dáárom wil je dat
-huwelijk niet doen.”
-</p>
-<p>„Zeker niet. In mijn omstandigheden beteekent het echter niet weinig.”
-</p>
-<p>„Dat is wel zoo, maar je hadt ’t zelfde kunnen vinden zonder tot lager af te dalen.
-Ik vind het zóó verschrikkelijk!”
-</p>
-<p>„Nu ja, maar, dat zijn erg verouderde begrippen, mama, waaraan u niet moet vasthouden.
-Als u nu jong waart, zoudt u die ook laten varen.”
-</p>
-<p>„Edmund, dat zou ik niet. Het is mogelijk dat mijn ideeën niet meer passen in den
-tegenwoordigen tijd. Ik meen dat ook wel op te merken. Maar ik kan en wil niet meegaan
-met dien tijd; ik verfoei hem!”
-</p>
-<p>„Lieve, beste ma, wees nu niet zoo halsstarrig. Ik respecteer zeer uwe ideeën, maar
-u kunt de wereld toch niet noodzaken zich daarnaar te richten.”
-<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p>
-<p>„Zeg ik dat dan, Edi? Ik hoor wel aan den toon van je spreken, hoe bespottelijk je
-het vindt, dat een oude dame, die niets doet dan bezoeken ontvangen en zorgen voor
-haar klein huishoudelijk familie-leven, zich permitteert met die wereld van gevoelen
-te verschillen. Wel, ik ben zoo vrij, Edi.—Ik durf dat gerust zeggen, want die wereld
-regardeert me niet. Ik heb niets dan papa en jou. Dat is <span class="ex">mijn</span> wereld hier in huis, en daarbuiten bepaalt ze zich tot vrienden en vriendinnen uit
-onzen eigen stand. Blijf dáárin, Edi; ik bid je, blijf dáárin.”
-</p>
-<p>„Lieve mama!” zei de ritmeester met een luiden zucht.
-</p>
-<p>„Neen, spreek me niet tegen. Breng in onze familie geen elementen, die er niet in
-behooren, waarmee we niet aangenaam kunnen leven en die ons omlaagtrekken, omdat wij
-ze onmogelijk omhoog kunnen krijgen.”
-</p>
-<p>„Er is volstrekt geen reden, waarom de familie niet goed met haar zou kunnen omgaan;
-zij is een vrouw van smaak en opvoeding. Als men u zoo hoorde praten en men wist niet
-het tegendeel, dan zou men ’n heel vreemd idee krijgen van <span class="ex">onzen stand</span>. Bovendien: ik ben in onze familie de eerste niet.…”
-</p>
-<p>Mevrouw Riquelle had die opmerking wel verwacht. Edmund doelde op haar grootmoeder,
-die niet eens zoo intellectueel ontwikkeld was geweest noch zoo gefortuneerd als mevrouw
-Van Velton.
-</p>
-<p>„Het is geen reden om in die richting verder te gaan. Het tegendeel is waar. Het is
-nu juist zaak herhalingen te vermijden. Toe, Edi, doe je ma het genoegen van dat ongelukkige
-plan af te zien; je weet niet hoeveel verdriet <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>ik er van heb. Het zou mijn laatste levensjaren verbitteren. Je bent ons <span class="sic">eenigst</span> kind, Edi, en ik zou gerust sterven, als ik je gelukkig getrouwd zag. Maar zóó niet.…
-zóó niet. Niet met dat zwarte mensch, die weduwe van een koopman.”
-</p>
-<p>Over het eenigszins vale en kale tapijt der groote bovenkamer, liep de ritmeester
-bleek en zenuwachtig op en neer bij die laatste woorden; hij trok met korte, heftige
-bewegingen aan zijn lange, rossige knevels, en wist niet goed wat in ’t midden te
-brengen, dat geen onaangenaamheden zou verwekken tusschen zijn moeder en hem. De oude
-dame, die het „hooge woord” gezegd had, zweeg onder den indruk van haar eigen woorden,
-en ging niet minder zenuwachtig voort aan een handwerkje, als haar zoon zijn knevels
-mishandelde; ook zij zag zeer bleek en had van opwinding tranen in de oogen.
-</p>
-<p>„Het spijt me, dat u er zoo over denkt.”
-</p>
-<p>„Nietwaar,” barstte zijn moeder met hartstochtelijke heftigheid los, terwijl ze zich
-niet langer bedwong, maar haar tranen vloeien liet, „nietwaar, het spijt je, Edmund;
-maar of het je spijt of niet, je zult haar toch tot vrouw nemen. Denk je, dat ik het
-te voren niet wist? Denk je, dat ik niet wist hoe weinig je verzoek om mijn toestemming
-meer was dan een formaliteit? O, je moet me pardonneeren, Edi, dat ik me verstout
-heb in die aangelegenheid een meening te koesteren, die niet strookt met de uwe. Je
-moet het je mama vooral niet aanrekenen, zal je?”
-</p>
-<p>„Maar maatjelief!.… Mijn God!.… Pff!.…”
-</p>
-<p>„Ja, ’t is om het te warm te krijgen bij een moeder, <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>die zoo het welzijn en het belang van haar zoon uit het oog verliest. Die niet juicht
-omdat hij trouwt met een vrouw uit Indië, de weduwe nog wel van een burgermannetje;
-die wel zwart ziet, maar <span class="ex">geld</span> heeft;—die ’t niet heerlijk vindt, dat haar zoon aan ’n dwazen hartstocht voor ’t
-vreemde toegeeft, en die niet met open armen zoo’n fortuin aan ’t hart drukt, waarvan
-niemand weet hoe men er aan is gekomen; die niet.…”
-</p>
-<p>De ritmeester liep met een: „Dag ma, ik groet u,” heel onbeleefd de kamer uit; hij
-<span class="ex">kon</span> ’t niet langer houden.
-</p>
-<p>„Pa,” zei hij in een der benedenkamers, waar de oude heer was, „ga u asjeblieft bij
-mama en tracht haar te kalmeeren; zij is zóó vreeselijk opgewonden, en ik zie er geen
-kans toe.”
-</p>
-<p>’s Middags kwam hij terug. Ofschoon mevrouw Riquelle nog bleek zag van de sterke ontroering
-in den ochtend, was ze nu geheel bedaard, en in haar gewonen doen even deftig. Edmund
-deed maar alsof hij niet zag, dat ze hem in het oogvallend koel behandelde, trok een
-vouwstoeltje bij en ging naast haar zitten. Hij moest geheel open kaart spelen, dat
-stond bij hem vast en strookte ook met den aard der Riquelle’s, die het veinzen nooit
-goed hadden verstaan. Maar van het geld sprak hij in ’t geheel niet meer; hij trachtte
-haar alleen te vertellen, dat hij van Louise hield, en hoeveel. „Ik weet niet, ma,”
-zei hij, „hoe het kwam. U weet wel dat ik geen dichterlijken aard heb en met spontane
-verliefdheid altijd den draak heb gestoken. Nu zou ik er haast aan gaan gelooven,
-want het is waar wat u hebt gezegd: het was eigenlijk reeds beslist op dien eersten
-dag, <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>toen ik haar toevallig met de Fourniers hier ontmoette. Het is hoe langer hoe machtiger
-geworden, en ik geef er alles, alles aan. U weet hoe veel ik altijd van u heb gehouden,
-en hoe ik nu twee en dertig jaren lang zoover ik weet steeds heb gedaan wat u aangenaam
-was, kleine „jeugdigheden” niet meegerekend. Ik ben toch waarlijk geen kind meer,
-in jaren zoomin als in ondervinding; en in mooie oogen heb ik dikwijls genoeg gekeken
-zonder gevaar. Maar voor die van Louise zou ik alles doen; er is niets wat me zou
-tegenhouden; niets, zelfs mijn eer niet, geloof ik, als die er mee gemoeid was.”
-</p>
-<p>Mevrouw Riquelle begreep het volkomen. Zij knikte toestemmend met het hoofd, alsof
-ze zeggen wou: zoo is het en niet anders; maar niettemin zei ze hardop en met een
-diepen zucht:
-</p>
-<p>„Het is verschrikkelijk!”
-</p>
-<p>Even bedaard als hij gesproken had, zonder emphase, zonder eenigen nadruk zelfs, maar
-op dien gewonen, alledaagschen toon, waarin uitgemaakte zaken worden geëxpliceerd,
-vervolgde hij:
-</p>
-<p>„Ik wil niet in discussiën treden, mama, over stand of positie, geld of geen geld.
-Zij is een ontwikkelde en fatsoenlijke dame met fortuin. Het doet er niets toe. Als
-ze onontwikkeld, onfatsoenlijk en arm was, nam ik haar nog. Het is gek, ik vind het
-zelf gek,—maar het is zoo.”
-</p>
-<p>O, zijn moeder begreep hem terdege. Geen logica kon haar ooit zoo duidelijk zijn,
-als dit gebrek aan logica! Zoo volkomen onvatbaar zij voor redeneering wezen kon,—zoo
-gereedelijk legde zij zich neer bij de noodlottige macht van <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>het sentiment. Het <span class="ex">had</span> bovendien kunnen gebeuren, dat Edmund door was gegaan met een paardrijdster of een
-danseres, dan wel een gouvernante had willen trouwen of ’t woord „kindermeisje” in
-een verkeerden zin had opgevat. <span class="ex">Dit</span> was althans een regelmatige geschiedenis, al was de aanstaande schoondochter slechts
-een koopmansweduwe en een half-cast bovendien.
-</p>
-<p>„In Godsnaam, Edmund,” fluisterde zij. „Als het niet anders kan,—in Godsnaam dan!
-Ik zal mijn best doen, maar het zal een zware taak zijn.”
-</p>
-<p>„Dat denk ik niet.”
-</p>
-<p>Maar mevrouw Riquelle zag er tegen op, als tegen een berg, en zij was in hooge mate
-geagiteerd bij de eerste ontmoeting, ofschoon ze stijf en afgemeten bleef tegenover
-haar aanstaande schoondochter.
-</p>
-<p>Louise, die wel wist en gevoelde, wat dat alles moest beteekenen, al had Edmund haar
-niets gezegd van de bezwaren, die hij had moeten overwinnen, nam onmiddellijk haar
-partij en besteedde niet meer aandacht aan haar aanstaande schoonmoeder, dan zij welstaanshalve
-verplicht was. En haar vader, dokter Van der Linden, inwendig zeer gevleid met deze
-verbintenis, was zoo van top tot teen de old-gentleman, dat hij den meer militairen
-graaf Riquelle overschaduwde.
-</p>
-<p>„Hoe is uw indruk, ma?” vroeg Edmund naderhand.
-</p>
-<p>„Zij heeft groote natuurlijke gaven,” was het antwoord, waarop met een zucht volgde:
-„en ze weet er partij van te trekken.”
-</p>
-<p>Ontevreden haalde hij de schouders op, en wilde iets antwoorden, maar zijn moeder
-viel hem in de rede.
-</p>
-<p>„Je begrijpt me blijkbaar geheel verkeerd, Edi. Het is <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>een compliment. Beschouw het wezenlijk als zoodanig. Zij is zeer sterk, en de oude
-dokter is dat ook. Het is heel gelukkig, Edi. ’t Zal haar althans te pas komen.”
-</p>
-<p>Dokter Van der Linden zei in een vertrouwelijk oogenblik tot zijn dochter:
-</p>
-<p>„Zeg Wies, hoe heb je ’m dàt geleverd?”
-</p>
-<p>Zij keek hem aan met woede en verontwaardiging.
-</p>
-<p>„Ik weet niet wat u bedoelt,” antwoordde ze effen.
-</p>
-<p>„Wees nu niet kinderachtig,” ging hij voort met onverbiddelijke ironie. „Je kunt mij
-toch wel zeggen hoe je het hebt aangelegd om je dáár in te dringen.”
-</p>
-<p>’t Woord stak haar als een schorpioen, en er volgde een scène van geweld, waarbij
-de dokter, met de pantoffels haast weggezonken in het dik bloemwerk van een alcatief,
-de handen in de zakken van zijn huisjasje en zijn bril op zijn kaal hoofd, haar verbaasd
-aankeek en stil liet uitrazen. Ze kwam geweldig los!
-</p>
-<p>„Je bent altijd m’n ongeluk geweest,” beet ze hem ten slotte toe. „Altijd! En toen
-je het niet meer wezen kon, heb je me de liefde van mijn kind ontstolen.”
-</p>
-<p>„Ah zoo! Ja, je bent ’n lieve moeder, dat moet ik zeggen,” zei hij voor ’t eerst zelf
-boos om die zinspeling op zijn kleinkind. „Als ’t kind mij niet had gehad, zou hij
-waarachtig niet veel genoegen van zijn familie hebben beleefd!”
-</p>
-<p>„Je hebt hem me ontstolen,” siste zij hem toe.
-</p>
-<p>„Och, loop naar de maan!” riep hij buiten zichzelven van woede, omdat ze alweer zijn
-afgod er bij haalde. „Je weet zelf heel goed, hoe je ’t arme kind aan zijn lot hebt
-overgelaten. Je hebt in ’t geheel geen hart, zelfs niet als <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>moeder, en zou jij me nu willen wijs maken, dat je <span class="ex" lang="ms">betoel</span> op dat onbeduidende ritmeestertje verliefd bent?”
-</p>
-<p>Er kwam een glimlach op haar bleek gezicht en trots hief ze het hoofd op, met de bevende
-handen de taille van haar japon omlaagstrijkend als mocht er geen kreukje zijn in
-de rechtheid van haar figuur.
-</p>
-<p>„Dat ben ik. Ik heb eens een meisjesgril gehad, die ongelukkig wat lang heeft geduurd;
-toen heb ik Van Velton getrouwd, die me onverschillig was, dien ik naderhand haatte.
-Nu ben ik een vrouw en ik heb Edmund Riquelle lief, zooals.…”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Tatarata</span>,” schetterde de oude dokter lachend. „Die Riquelle’s zullen pleizier van je hebben,
-nou! Ik gun hun van harte het genoegen.”
-</p>
-<p>„Dàt zullen ze.”
-</p>
-<p>Hij zweeg een oogenblik. ’t Was mogelijk, dacht hij. Ze vond daar, wat ze zoo vurig
-verlangde, en ze was van een kracht om zich daar vasten voet te veroveren.
-</p>
-<p>„En ik wensch er jou ook geluk mee. Als je er mij en het kind maar zoo weinig mogelijk
-bijhaalt. Ik heb aan die gedwongen fraaiigheid van deze week meer dan genoeg!”
-</p>
-<p>Fournier en Hortense waren samen zeer verbaasd geweest, zij met een gevoel van vreugde,
-hij niet zonder een beetje teleurstelling. Niet dat hij zich iets voorstelde of voor
-zichzelven iets wenschte,—maar ’t was hem duidelijk, dat hij volkomen was weggecijferd,
-en voor een oude vlam, zelfs al is die geconverteerd in een stiefschoonzoon, blijft
-dat altijd eenigszins vernederend.
-</p>
-<p>Maar het was spoedig voorbij, en toen zag ook hij die verbintenis met vreugde te gemoet.
-<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p>
-<p>„Het is toch wel sterk,” meende Hortense.
-</p>
-<p>„Jaâa!” antwoordde Fournier. „Och, maar dien kant moet het uit in de maatschappij.”
-</p>
-<p>„En ze is mooi en rijk.”
-</p>
-<p>„Zeker.”
-</p>
-<p>„Vindt je haar mooi, Gérard?”
-</p>
-<p>Hij glimlachte gedwongen. Zij had haar armen om zijn hals geslagen en zag hem ernstig
-vragend in het gezicht.
-</p>
-<p>„Wees nu niet flauw, Stance. Wat doet het er nu toe of ik haar mooi vind of leelijk?”
-</p>
-<p>„Omdat ik het weten wil.”
-</p>
-<p>„Nu dan, ik vind haar heel mooi.”
-</p>
-<p>„Mooier dan mij?”
-</p>
-<p>Hij bedacht zich een oogenblik.
-</p>
-<p>„Ja, Stance-lief, mooier dan jou.”
-</p>
-<p>En toen de tranen haar in de oogen schoten en zij erg bleek werd, vervolgde hij:
-</p>
-<p>„Hoe is het ook mogelijk, dat je zulke malle vragen kunt doen. Je weet zelf, dat ze
-mooier is dan jij, evengoed als ik wist, dat indertijd mijn vriend Van Schermbeek
-een veel gunstiger uiterlijk had dan ik. Wat in ’s hemels naam doet dat ter zake?
-Als ik zei dat ik haar leelijk vond, had je misschien reden tot ergernis, want dan
-zou je kunnen weten, dat ik onwaarheid sprak.”
-</p>
-<p>„Welzeker, vent. Het is waar. Je hebt gelijk. Ik ben een dom schepsel, dat is zoo.
-Maar.… ik kon ’t niet goed velen van haar.”
-</p>
-<p>„A propos,” zei hij. „Ik sprak daar van Van Schermbeek; weet je wellicht waar die
-woont?”
-<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p>
-<p>„Neen. Ik las zijn ontslag uit ’s lands dienst in de courant.”
-</p>
-<p>„Ja, hij was de laatste. Nu zijn we er alle drie uit: hij, Van Brakel en ik.”
-</p>
-<p>„Heb je nog wel eens iets gehoord van Van Brakel?”
-</p>
-<p>„Zelden. Hij is op allertreurigste manier aan lager wal geraakt. Ik moet Van Schermbeek
-gaan opzoeken; de arme kerel heeft het niet slim aangelegd.”
-</p>
-<p>Reeds den volgenden dag deed Fournier wat hij gezegd had; hij trof Van Schermbeek
-niet tehuis.
-</p>
-<p>„Als u een oogenblik zoudt willen wachten?” vroeg diens vrouw dringend; zij zag bleek,
-en Fournier, dit toeschrijvend aan haar zeer geprononceerde „omstandigheden”, antwoordde:
-</p>
-<p>„Gaarne, mevrouw, maar laat ik u niet derangeeren.”
-</p>
-<p>„Volstrekt niet, meneer Fournier; het tegendeel is waar; ik zou zoo graag willen,
-dat u eens met hem sprak.”
-</p>
-<p>En toen de advocaat bedenkelijk glimlachte:
-</p>
-<p>„Och, ik weet wel, dat het hem officiëel niets zal baten; dat verlang ik ook niet.
-In het eerst had ik verdriet van zijn ontslag, maar dàt is voorbij. Als hij het er
-nu maar bij wilde laten en rustig voortleven.”
-</p>
-<p>„Gaat hij veel uit?”
-</p>
-<p>„Hij is altijd uit, en als hij ’n oogenblik thuis is, dan praat hij voortdurend over
-die ongelukkige zaak; dan windt hij zich op en vrees ik dat hij krankzinnig zal worden
-van overspanning. ’s Nachts droomt hij er van, spreekt hardop en twist in zijn slaap
-met ministers en generaals tot hij er wakker van wordt; dan staat hij op, en ik hoor
-hem het overige van den nacht in de kamer heen en weer loopen. Hij wordt <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>mager en met den dag zenuwachtiger. Toe, spreek u eens met hem.”
-</p>
-<p>„Ik zal ’t graag beproeven; alleen: ik vrees dat het op den duur niet zal baten.”
-</p>
-<p>„U is zoo’n oud vriend van hem, en hij spreekt altijd van u met zooveel achting.….”
-</p>
-<p>„’t Verwondert me dat ik Van Schermbeek nog niet ’reis gezien heb.”
-</p>
-<p>„Die ongelukkige zaak neemt hem heelemaal in beslag. Hij denkt aan niets. Zijn papa
-en ik moeten voor alles zorgen; hij bemoeit zich nergens mee.”
-</p>
-<p>„’t Is treurig!” zei Fournier, en te gelijk hoorde hij iemand den sleutel omdraaien
-in het slot van de straatdeur.
-</p>
-<p>„Daar is hij,” fluisterde de jonge vrouw, die zelve in niet geringe mate zenuwachtig
-was.
-</p>
-<p>Fournier schrikte van ’t vervallen uiterlijk van zijn ouden contubernaal, die op zijn
-beurt een verwonderden blik liet gaan over de tot een licht embonpoint neigende figuur
-van den advocaat. Ze drukten elkaar met groote hartelijkheid de hand.
-</p>
-<p>„Je weet er zeker alles van?” vroeg Van Schermbeek binnen de twee minuten.
-</p>
-<p>„Waarvan?”
-</p>
-<p>„Waarvan? Vraag je waarvan? Wat zou ik anders bedoelen dan de schandelijke wijze,
-waarop ik er ben uitgekaaid!”
-</p>
-<p>„Och, je weet: daar staat men aan bloot. Je bent de eerste niet, zoomin als je de
-laatste zult zijn.”
-</p>
-<p>„Nu ja maar.…. Zou jij je dat dan laten welgevallen?”
-</p>
-<p>„Van laten welgevallen is eigenlijk in ’t geheel geen quaestie<span class="corr" id="xd31e1411" title="Niet in bron">.</span> <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>Misschien zou ik er ’t land over hebben; laat ons zelfs aannemen dat dit zeker was.”
-</p>
-<p>„Welnu.…. En dan?”
-</p>
-<p>„Dan? Dan zou ik trachten hun niet ’t pleizier te gunnen van mij in machtelooze woede
-te zien fulmineeren en ondergaan.”
-</p>
-<p>„Mijn brochure.….”
-</p>
-<p>„Je brochure heeft niets uitgewerkt en zal niets uitwerken. Je loopt met het hoofd
-tegen de bierkaai, dat is alles. En intusschen ben je de <span class="ex" lang="fr">risée</span> van de lui, die het je aandeden.”
-</p>
-<p>„Donders,” barstte Van Schermbeek los met de vlakke hand op tafel slaande, „dat is
-<span class="ex">niet</span> waar, Fournier. Ik ben van ochtend dien smeerlap tegengekomen en ik heb hem vierkant
-van het trottoir geloopen; ik wou dat je den angst op zijn ploertentronie gezien had,
-dan zou je niet zeggen, dat <span class="ex">ik</span> de <span class="ex" lang="fr">risée</span> was van <span class="ex">hem</span>.”
-</p>
-<p>„Het is geen waardige handelwijze,” merkte Fournier op.
-</p>
-<p>„Praat jij nu ook al van waardig! Is het waardig van hen, wien zooveel macht en gezag
-is toevertrouwd, te handelen, gelijk ze deden tegenover mij? Was het waardig mij,
-toen ik me niet verweren kon, te plagen, te kwellen en het leven te verbitteren? Moet
-ik dan ten slotte alleen altijd maar „waardig” zijn tegenover het schandelijk onrecht,
-dat zij me aandeden? God, God!” ging hij zenuwachtig en hartstochtelijk voort, terwijl
-hem de tranen uit de oogen sprongen, „jullie bent met de beste bedoelingen toch zulke
-dorre, hartelooze menschen, met je voorpreeken van waardigheid aan verongelijkten
-en je liefde voor wat „netjes” is tegen verbitterde, wanhopige <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>menschen, die nog maar tot één ding de toevlucht kunnen nemen; tot.….”
-</p>
-<p>„Van Schermbeek, ik zal je eens wat zeggen. Weet je wat je bezig bent te doen?”
-</p>
-<p>„Ik denk van ja.”
-</p>
-<p>„Ik denk van neen. Je bent bezig jezelven gek en je arme vrouw ongelukkig te maken,
-die dan van een man, als jij op die wijze voortgaand worden moet, nog ongelukkige
-kinderen kan krijgen bovendien.”
-</p>
-<p>Het scheen dat de onverbloemde waarschuwing voor een oogenblik indruk maakte; maar
-voor een oogenblik slechts.
-</p>
-<p>„Onzin,” zei hij ’t hoofd schuddend, „dat zijn maar praatjes, die jullie verzint om
-me van mijn doel af te houden.”
-</p>
-<p>En ’t hielp niet of Fournier al zijn redenaarstalent uitputte, zich op de zuiverheid
-zijner vriendschappelijke bedoelingen beriep, en herhaaldelijk ook een beroep deed
-op Van Schermbeek’s hoedanigheden van echtgenoot en bloedverwant voor het tegenwoordige
-of van vader voor de naaste toekomst,—het wantrouwen van den gewezen officier kon
-hij niet overwinnen.
-</p>
-<p>„Jullie legt allen onder één deken en tracht me te bepraten. Zonder dat je ’t zelf
-weet, wordt je allemaal opgestookt door die oude kliek, die me vreest.”
-</p>
-<p>Daartegen hielp geen redeneeren; dáárop kwam hij maar steeds terug en Fournier ging
-heen, overtuigd dat zijn oude vriend reddeloos verloren was, bezeten door een <span class="ex" lang="fr">idée fixe</span>.
-</p>
-<p>In ’t Voorhout kwam hij den ritmeester Riquelle tegen met Louise aan den arm. Hij
-groette, doch sprak hen niet aan. ’t Was in het licht, dat door de hooge bladerkronen
-speelde, <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>een schilderijtje, vond hij. Hoe weinig hij ook dacht aan Louise, en hoeveel hij tegenwoordig
-ook van zijn vrouw hield,—’t hinderde hem <span class="ex">toch</span>, dat Louise daar aan den arm liep van dien cavalerie-officier met zijn zeker ongezocht
-<span class="ex" lang="fr">air de grandeur</span> als ’t zuiver cachet der Haagsche <span class="ex" lang="fr">beau-monde</span>. Schuin oogde hij hen na. ’t Was merkwaardig! Zooveel jaren was het nog niet geleden,
-dat hij haar gekend had als jong meisje, meer Indisch, dan goed was; dat hij haar
-in de armen genomen en gekust had, toen ze getrouwd was met Van Velton; toch, hoe
-scheen dat alles te behooren tot een ver verleden! En daar liep ze nu, alsof ze nooit
-anders gewoon was geweest. Aller élégantst en toch zeer eenvoudig gekleed, en door
-haar houding en manieren volkomen thuisbehoorend in die omgeving.
-</p>
-<p>Twee lange armen zwaaiden hem toe; ze zaten aan de lichamen van twee Indische kennissen.
-</p>
-<p>„Dag, Fournier, hoe gaat het jou in ’t Haagje?”
-</p>
-<p>„Wel, Fournier, het doet me pleizier je eens te zien.”
-</p>
-<p>Hij groette terug en vroeg van waar ze kwamen.
-</p>
-<p>„Uit de kampong Amsterdam. Fameus veel lol gehad, zeg! ’n Goeie boel!<span class="corr" id="xd31e1475" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Al m’n duiten zijn op,” lachte de ander. „We zullen den boel naar den lommerd moeten
-brengen. En dan maar <span class="ex" lang="ms">pindjam</span>; de Bank is er goed voor!”
-</p>
-<p>De ernst van Fournier stak af bij de onverschillige gezichten dier beide jonge mannen,
-wier luidruchtigheid hem niet hinderde, omdat hij haar begreep. Jaren achtereen hadden
-zij in ’t binnenland gezeten; jaren, waarin jongelui in Holland alles wordt vergeven
-onder de leus: <span class="ex" lang="fr">il faut que <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>jeunesse passe</span>. In dien tijd moesten zij hard werken en droegen zij zorg en verantwoordelijkheid,
-zonder andere dan die stille genoegens, door het landelijk leven in Indië geschonken,
-met zijn uiterst gemakkelijk sexueel verkeer en zijn wijsgeerige rust. Nu waren zij
-los gekomen, en kootten wat laat.
-</p>
-<p>„Je mag wel oppassen,” zei Fournier lachend. „De jongste berichten waren niet te best.”
-</p>
-<p>„Sst!” riep de een: „daar willen we hier niet van hooren; ’t is tijd genoeg als we
-in Indië terug zijn.”
-</p>
-<p>„Hoelang denk je te blijven?”
-</p>
-<p>„Nog zes maanden.”
-</p>
-<p>„In dien tijd,” lachte de ander, „kan de boel net op den flacon zijn.”
-</p>
-<p>„Jullie steekt er den gek maar mee,” <span class="corr" id="xd31e1497" title="Bron: zij">zei</span> Fournier; „ik maak me over de daling der prijzen ongerust. Waar moet het heen?”
-</p>
-<p>„Je hebt er duiten in, hè?” zei de een, en hij noemde het land, waarin Fournier een
-groot deel van zijn vermogen had gestoken.
-</p>
-<p>„Och, ben je gek,” riep de ander met een elleboogstoot: „denk je, dat hij er wat om
-geeft? Hoe beroerder de tijden worden, des te beter gaat het de advocaten!”
-</p>
-<p>„Men kan in ondernemingen binnen één halfjaar meer verliezen, dan men met zijn kantoor
-in twaalf jaren verdient.”
-</p>
-<p>„Wat doe je in de kou!”
-</p>
-<p>„Neen zeg, ik heb ’t land om hier over die dingen te spreken. Ben je gek! Dáárvoor
-ben ik niet in Europa. Maar <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>weet je wat? Je bent advocaat en <span class="ex" lang="fr">beau parleur</span>, en je kent hier zeker ’n heeleboel Kamerleden en zoo. Zie, dat je vermindering van
-belasting voor ons krijgt. Als de boel misloopt, dan komt het voornamelijk omdat we
-zoo onder den druk zitten.”
-</p>
-<p>Fournier werd boos.
-</p>
-<p>„Hoeveel slaan jullie nu wel stuk bij zoo’n uitstapje?” vroeg hij scherp.
-</p>
-<p>De een wilde antwoorden, maar de ander trok hem mee.
-</p>
-<p>„Niet zaniken, zeg! We zijn niet hier om boomen op te zetten over al die narigheid.
-Die Fournier ook! Ajo, vooruit!”
-</p>
-<p>En groetend en lachend gingen ze heen, jong, sterk en gezond, met een air vol overmoed
-en levenslust, dat in ’t geheel niet paste binnen het kader van ’t Lange Voorhout.
-</p>
-<p>Fournier schudde het hoofd. Het waren toch rare kerels! Wie weet of ze niet over een
-jaar straatarm waren, en als ze met hun tweeën in den tijd, dien ze rondboemelden
-door Europa, geen halven ton verteerden, zou het wonder zijn. De ontmoeting had hem
-Louise doen vergeten en teruggebracht tot zijn vroegere bezorgdheid voor het geld,
-dat hij had in Indische landelijke ondernemingen; doch hij schudde haar van zich.
-De wereld was schoon en het leven zoo zwaar niet. In het ergste geval was ’t niet
-eens zoo vreeselijk. Wat jaren langer in Indië blijven,—dàt was toch ook geen straf!
-Het geld van Van Velton zat er mede in; daarvoor was hij meer bevreesd. Als dáárvan
-een deel verloren ging, kwam het niet weer terecht. Hij had er ’t beheer over, alsmede
-over de fortuin van den ouden heer Van der Linden. Het denkbeeld, dat hij verplicht
-was hen voor zware verliezen <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>te behoeden, hield hem vast; ’s middags sprak hij er Hortense over.
-</p>
-<p>„En ons geld?” vroeg ze.
-</p>
-<p>„Nu ja, ons geld.… Het is voor ons lang zoo erg niet.”
-</p>
-<p>„Wel, dat zie ik niet in. Moeten wij niet net zoo goed waken voor de belangen van
-onze kinderen?”
-</p>
-<p>„Het is er pas een!” zei hij.
-</p>
-<p>Zij keek hem lachend van ter zijde aan.
-</p>
-<p>„In elk geval,” ging hij voort, „blijft het minder erg voor ons, want ik heb ’n levensverzekering
-van een ton, en ik ben in mijn zaken. Als zij verliezen, is er geen de minste kans
-ooit iets terug te krijgen, ook niet door haar aanstaanden man.”
-</p>
-<p>Maar Hortense gaf niet toe. Zij was de dochter van een koopman, en zij had een practischen
-blik in zaken; bovendien kon ze in den laatsten tijd haar geëngageerde schoonmoeder,
-die hoe langer hoe mooier scheen te worden, niet uitstaan, en de bezorgdheid van Fournier
-hinderde haar.
-</p>
-<p>„Ik heb er niets tegen,” zei ze, „dat je voor het geld van Louise en van papa Van
-der Linden zorgt. Maar <span class="ex">eerst</span> voor het onze. Dat ben je verplicht. Het is geen edelmoedigheid anderen te helpen
-ten koste van zijn eigen gezin. <span class="ex" lang="fr">Charité bien ordonnée</span>.…”
-</p>
-<p>„Jawel, dat weet ik. Alleen de kansen zijn zoo ongelijk. Als zij hun geld kwijt raken,
-dan zouden wij ten slotte hen toch moeten helpen.…”
-</p>
-<p>„Wij?” vroeg <span class="corr" id="xd31e1539" title="Bron: Louise">Hortense</span> verbaasd.
-</p>
-<p>„Zeker.”
-</p>
-<p>„Mijn hemel.… Wij?.… En waarom?”
-<span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span></p>
-<p>„Maar Stance, hoe heb ik het met je? Ze is uw stiefmoeder, en onze verhouding in den
-laatsten tijd.….”
-</p>
-<p>Ze zag haar man strak in het gezicht en over haar trekken gleed een uitdrukking, die
-op de ongunstigste manier aan haar vader herinnerde.
-</p>
-<p>„Wij zijn haar niets verplicht,” zei ze stroef. „Het eenige wat ik haar heb te danken,
-is het ongelukkig leven, dat ze papa bezorgde, het inslikken van een goed deel zijner
-nalatenschap en haar pogingen om mij mijn man te ontrooven. Ik geloof niet, dat ik
-haar daarvoor dankbaar behoef te zijn.”
-</p>
-<p>Fournier zweeg een oogenblik.
-</p>
-<p>„Je oordeelt erg hard, Stance; hard en onrechtvaardig.”
-</p>
-<p>„Ik oordeel juist.”
-</p>
-<p>„Toch niet, en.….” maar hij ging niet verder. Hij had haar aangezien en was zeer getroffen
-over de uitdrukking van doodelijken haat op haar gezicht. Nooit had hij dat lijdelijk
-uitziende gelaat van zooveel expressiefs verdacht. Dat er hartstocht school achter
-het bleeke masque met de soms doffe blauwe oogen, wist hij, maar hij meende dat die
-slechts eenzijdig was ontwikkeld en in elke andere richting door een overweldigende,
-aan het onverschillige grenzende, gemoedelijkheid werd overtroffen.
-</p>
-<p>„Dat wist ik niet?” zei hij onwillekeurig en de verwondering sprak uit den toon zijner
-stem.
-</p>
-<p>Hortense, nu weer zichzelve meester, scheen er eenigszins verlegen mee, doch ze zinspeelde
-er niet verder op en vervolgde:
-</p>
-<p>„Als je ons uit dat land kunt krijgen, doe het dan gauw. <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>Maar ons het eerst, Gérard. Dat is niet meer dan recht en billijk; niet meer dan plicht.”
-</p>
-<p>Aan tafel vond hij haar opvallend stil, en ze hield zooveel mogelijk de oogen op haar
-bord gericht. Fournier daarentegen was de vriendelijkheid zelf; hij vond haar veel
-belangwekkender, al speet het hem, dat zij Louise zulk een geweldigen haat toedroeg.
-Na het dessert volgde hij haar in haar kamer en kuste haar.
-</p>
-<p>„Hoe is ’t mogelijk, Stance,” zei hij erg intiem, „dat je met haar hebt kunnen wonen!”
-</p>
-<p>„Waarom niet?”
-</p>
-<p>„Wel.… als je zoo’n hekel aan haar hebt.”
-</p>
-<p>„Toen nog niet.”
-</p>
-<p>„Och, wat? Er is toch niets gebeurd!”
-</p>
-<p>Zij lei haar gezicht op zijn schouder.
-</p>
-<p>„Er is ook niets gebeurd, Gérard. Maar sedert je weer hier bent, haat ik haar gruwelijk,
-en dat is jou schuld.”
-</p>
-<p>„Kom, hoe is ’t mogelijk! Ik heb ’t mensch niet meer dan de burgerlijke beleefdheid
-bewezen.”
-</p>
-<p>„Neen, dat heb je ook niet.”
-</p>
-<p>„Welnu dan?”
-</p>
-<p>„Je hebt aan haar gedacht, Gérard. O, spreek het maar niet tegen! Je hebt aan haar
-gedacht op oogenblikken, dat het voor mij ’n doodelijke beleediging was.”
-</p>
-<p>De jonge advocaat zag zoo wit als zijn boordje. Zulk een perspicaciteit ontroerde
-en verschrikte hem geweldig. Hij moest het tegenspreken, hoe waar het was, en met
-de houding van een beleedigde, richtte hij zich op en lei haar arm van zijn schouder.
-<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p>
-<p>„Foei! Ik begrijp niet hoe iemand aan zulke gedachten kan komen.”
-</p>
-<p>Zij glimlachte een beetje pijnlijk en antwoordde vergoelijkend:
-</p>
-<p>„Goed, goed! Laat het onbegrijpelijk zijn; laat ik ongelijk hebben en heel onrechtvaardig
-en onjuist zijn in wat ik zeg. Het doet er niet toe. Je wildet weten, waarom ik haar
-haat en sedert wanneer,—je weet het nu.”
-</p>
-<p>Ze waren er een oogenblik beiden stil van. Toen lachte hij en kuste haar weer en deed
-zijn best het wettig en overtuigend bewijs te leveren, dat ze ongelijk had. En zoo
-hij al niet slaagde voor het verleden,—voor het heden gelukte het hem.
-</p>
-<p>Nog dienzelfden dag maakte hij er werk van bij een nieuwe bankinstelling, die emplooi
-voor haar geld in Indië zocht en waarvan de leiding was toevertrouwd aan menschen,
-heel gedistingeerd, uiterst solied en in veler oogen onfeilbaar, maar die weinig verstand
-hadden van Indische cultuurzaken. En dat behoefde ook niet. Immers zoo goed als iedereen
-deed in of aan die zaken, zonder er veel meer van te weten dan weinig of niets. En
-in Indië waren ze vertegenwoordigd door menschen niet minder fatsoenlijk, gedistingeerd,
-solied en onfeilbaar en met niet meer kennis van bedoelde zaken. Ze waren ongeduldig,
-dat wist Fournier; ze moesten de beschikbare gelden rentegevend maken voor hun aandeelhouders,
-en ze maakten zich niet bezorgd over de eerst onlangs ingetreden daling der prijzen.
-Hij moest het slim aanleggen, en hij verzon een speculatie, welke hij op touw had
-gezet voor de familie, die mislukt was en waardoor hij gedwongen werd zijn eigen geld
-en dat van mevrouw Van Velton <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>en van dokter Van der Linden los te maken. De directeuren der Bank geloofden hem op
-de overigens onschadelijke noodleugen; er werd heen en weer getelegrapheerd, en de
-Bank nam de hypotheek over.
-</p>
-<p>Toen hij ’t zijn vrouw vertelde, lachte zij en riep:
-</p>
-<p>„Die is heel aardig! Wat zijn ze er in geloopen!”
-</p>
-<p>„Er in geloopen? Wel neen kind. De onderneming is uitstekend. Alleen.….”
-</p>
-<p>„Alsof je er ’t geld zou hebben uitgenomen als het een goede zaak was!”
-</p>
-<p>„Och, dat is betrekkelijk! Ik weet niet of het geen goede zaak is. Alleen: ik ben
-bang.”
-</p>
-<p>„En waarom die vrees?”
-</p>
-<p>„Zoo in het algemeen! En als men ergens geen vertrouwen in heeft, trekt men zijn geld
-terug. Ik heb er hen niet in laten loopen.”
-</p>
-<p>Ze antwoordde niet; ze wist, dat hij in staat was zichzelven in gemoede op te dringen,
-dat hij er de Bank een genoegen mee had gedaan.
-</p>
-<p>Toen Fournier ’s middags bij Louise kwam, vond hij haar in het salon met den ritmeester
-Riquelle en den dokter, die nu wel moest verschijnen, hoe onaangenaam hij het ook
-vond.
-</p>
-<p>De heeren luisterden met belangstelling naar zijn verhaal; verstrooid hoorde Louise
-toe en dacht onwillekeurig aan die geschiedenis op haar trouwdag met Van Velton, toen
-haar vader zoo dicht bij den afgrond der armoede stond en niemand het wist dan de
-aanstaande schoonzoon.
-</p>
-<p>Riquelle zuchtte vol satisfactie toen hij hoorde dat Fournier <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>zoo goed geslaagd was; de dokter drukte hem dankbaar de hand.
-</p>
-<p>„Het is heel verstandig gehandeld,” zei hij.
-</p>
-<p>„Ongetwijfeld,” meende de ritmeester, die zich de mislukte speculatiën van zijn vader
-herinnerde en doodsbang was voor geldelijke risico’s.
-</p>
-<p>Louise haalde de schouders op. Wat kon haar ’t geld schelen, en toen ze zag dat Fournier
-daar boos om was, vroeg ze:
-</p>
-<p>„Was het zoo erg?”
-</p>
-<p>„Erg genoeg. Zóó, dat je, als ’t fout was gegaan, zeer had moeten verminderen, iets
-wat zich nimmer zou hersteld hebben.”
-</p>
-<p>Een oogenblik keek ze peinzend uit het venster; toen naar den ritmeester en naar haar
-vader. ’t Was waar! Als ze haar fortuin verloor, was dat verlies volkomen onherstelbaar.
-</p>
-<p>Snel trad ze op Fournier toe en reikte hem haar handje met een lieve, dankbare uitdrukking
-op haar gezicht. Het werd hem weer zonderling om ’t hart; hij antwoordde op haar betuiging
-van dank iets onverstaanbaars, en ging, meer zaken voorwendend, spoedig heen. Haar
-beeld volgde hem op de straat; hij zag het nog wel een kwartier lang voor zijn geest.
-Zou dat dan nooit <i>heelemaal</i> slijten? vroeg hij bij zichzelven.
-</p>
-<p>Het was een warme zomerdag: warm en stoffig. In de beschaduwde laantjes, die de „wandeling”
-van ’t dorpje Vlietwijk vormden, gonsden de vliegen en nipten de ijle, kleurige, „juffertjes”,
-zeilend op haar glazen vlerkjes. In de kroostslooten smakte en flodderde de baars
-en schoof de paling stil golvend door het groezelig glad moeraskruid en de wuivende
-<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>waterplanten. Onder de wilgen door zag men in de verte het landvolk aan den harden
-arbeid, en hier en daar, tusschen ’t groen der erven en boomgaarden, kleine bosschen
-gelijkend in de verte, glinsterde een stuk wit,—een boerderij of een optrekje. O,
-’t was zoo warm! En ’t landvolk, onwelriekend in oude pilo broeken en baaien rokken,
-streefde in het vrije veld naar een boven- en benedenwaartsch décolleté, dat de balzaal
-het land kon benijd hebben. Mourant en mevrouw Veninga hadden nog Indisch goed genoeg
-om het zich in de warmte draaglijk te maken. Langzaam wandelden zij door de laantjes:
-hij in ’t wit met witte schoenen aan en een helmhoed op; zij in sarong en kabaja,
-met slofjes aan haar bloote voeten en een witte pajong boven ’t hoofd. Wat kon ’t
-haar schelen? Men kwam hier toch niemand tegen, en ’t was zoo lekker. Want het kon
-gloeiend heet zijn op de zomerdagen in het gure Holland, veel warmer dan in Indië.
-</p>
-<p>Veninga was dood.
-</p>
-<p>Hij kon niet genezen te Davos, begon zich te vervelen, was naar Holland teruggekomen,
-en had er, onaangenamer voor zijn jonge vrouw dan ooit te voren, den geest gegeven,
-met de hand van zijn eenigen vriend Mourant in de zijne, en zonder ook maar één oogenblik
-dien vriend verdacht te hebben.
-</p>
-<p>In den aanvang had het niemand bevreemd, dat Mourant veel bij de jonge weduwe aan
-huis kwam: hij was immers executeur en voogd van de kindertjes, die „oom” tegen hem
-zeiden! Doch langzamerhand ontwaakte de achterdocht. Men zag hen te veel samen en
-altijd zonder mevrouw Mourant, die zich geheel had teruggetrokken, maar nog steeds
-door <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>haar man op allerlei manieren ten voordeele eener scheiding werd bewerkt. Toen, om
-de praatjes der menschen te ontwijken, was mevrouw Veninga naar buiten gegaan, op
-een heel stil klein plaatsje; en daar bezocht haar dikwijls, heel dikwijls de executeur-testamentair;
-zóó vaak dat het een domiciliequaestie had kunnen worden!
-</p>
-<p>Hier waanden zij zich aanvankelijk vrij. Er woonden, nu ja, eenige families in den
-omtrek op grooter buitenplaatsen dan haar net, maar klein optrekje; zij had met haar
-geen kennis gemaakt en kende de namen alleen door het praten der dienstboden. Weldra
-bleek dat er ook hier niet weinig over hen werd gepraat op die enkele buitentjes.
-Zij trotseerden het echter.
-</p>
-<p>Maar Henriëtte was ongeduldig.
-</p>
-<p>„Hoe is het er nu mee?” vroeg ze.
-</p>
-<p>„Ik vorder niet,” antwoordde hij zuchtend.
-</p>
-<p>„’t Is pleizierig! In Indië is dat anders.”
-</p>
-<p>„O, in Indië, ja!”
-</p>
-<p>„En waarom hier niet?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet,” zei hij met nog een zucht en recht voor zich uitstarend. „Het
-is verschrikkelijk moeilijk hier tot een scheiding te komen. Alles, alles werkt tegen.”
-</p>
-<p>„En zij?”
-</p>
-<p>De naam van mevrouw Mourant werd tusschen hen nooit genoemd; werd er over haar gesproken,
-dan was de aanduiding „zij” voldoende.
-</p>
-<p>„Ik geloof dat ik haar er wel toe krijgen zal. Ze is niet zoo vast meer als vroeger.”
-</p>
-<p>„Maar dan is het toch klaar, dunkt me.”
-<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p>
-<p>„Waarachtig niet. Ik zeg: men ondervindt niets dan tegenwerking hier in Holland. Bij
-wie men komt,—het is ’t zelfde. Spreekt men van separeeren, dan betrekt hun gelaat
-als de lucht bij een onweersbui.”
-</p>
-<p>Zij antwoordde niet, maar haar mooi donker gezichtje stond allesbehalve vriendelijk.
-</p>
-<p>„Je moet niet boos op mij zijn, lieve,” vervolgde hij, toen zij hardnekkig zweeg.
-„Ik doe wat ik kan.”
-</p>
-<p>Ze trok ongeduldig met de fijne ronde schouders.
-</p>
-<p>„Het is mogelijk, maar ik vind het niet. Je wilt niet; je wilt niet serieus. Als je
-wezenlijk deedt, wat je kunt, dan zou ze al zelf scheiding hebben geëischt.”
-</p>
-<p>„Lieve Jet, je kent haar niet. Wat een vrouw zedelijk ondergaan kan, dat heb ik haar
-laten ondergaan. Maar daar is een wanhopige onverzettelijkheid, die verschrikkelijk
-is om te zien. En.… ik kan haar toch niet mishandelen?”
-</p>
-<p>„Nu ja, mishandelen.…”
-</p>
-<p>Hij begreep wel wat ze bedoelde, maar huiverde er van terug. Zóó ver was hij nog niet,
-ondanks zijn veertig jaren, en hij zag haar met verwondering aan.
-</p>
-<p>„Kom,” zei hij, onder den indruk harer <span class="corr" id="xd31e1647" title="Bron: behoorlijkheden">bekoorlijkheden</span>, „kom, ’n beetje geduld nog. We zouden toch niet kunnen trouwen met het oog op <span class="ex">zijn</span> overlijden. Tegen dat de termijn verstreken is, zal ik het er ook wel doorhebben.”
-</p>
-<p>Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar.
-</p>
-<p>„Het is te hopen,” zei ze vol twijfel en met een zucht.
-</p>
-<p>Snel trok hij den arm terug, want een zestal boerenkinderen lag half verscholen in
-’t lange gras en de biezen aan den slootkant op een inspringenden berm van den weg:
-<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>geelblonde raagbollen boven frischroode maar vuile gezichten met geïllustreerde neuzen
-staken nieuwsgierig omhoog en begluurden met een verbazing, die uit de ronde hondenoogjes
-duidelijk sprak, het paar Indische menschen.
-</p>
-<p>„Vader zeit, dat-ie ’n Pruus is,” fluisterde er een, doelend op den helmhoed van Mourant.
-</p>
-<p>„Ze draagt ’n wit hempie bovenop,” verzekerde een ander, die zelf „onderop” nooit
-het genoegen van een „wit hempie” had gesmaakt.
-</p>
-<p>Zij hoorde het in ’t voorbijgaan en moest er om lachen.
-</p>
-<p>„In Indië spot men dikwijls met de domheid van den inlander.”
-</p>
-<p>„Ja!” antwoordde hij, blij dat ze het minder aangename onderwerp had laten varen.
-„Het is al overal ’t zelfde.”
-</p>
-<p>„Dat is nog de vraag.”
-</p>
-<p>„Hoe bedoel je dat?”
-</p>
-<p>„Wel, ik vind de lagere klassen hier veel dommer en onbeholpener dan bij ons den kleinen
-man.”
-</p>
-<p>Mourant, die altijd in de stad had gewoond en zich nooit veel om den bruinen broeder
-had bekommerd of van het volksleven notitie had genomen, gaf dat niet toe.
-</p>
-<p>„Ja,” zei hij bedenkelijk, „als je bedoelt pinter.”
-</p>
-<p>„O neen, dat zijn ze in dien zin hier evengoed, geloof ik.”
-</p>
-<p>„Ei, heb je dat ervaren?”
-</p>
-<p>„Zeker! Als ze iemand bedriegen en bestelen kunnen, dan laten ze het hier evenmin
-als ginds.”
-</p>
-<p>Verwonderd zag hij haar aan.
-</p>
-<p>„Ze nemen vooral ons, Indische menschen, „waar”, zooals ze het noemen. Voor veel geld
-wordt ons slecht goed in de handen geduwd. Het is of ze een komplot hebben gemaakt.
-<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>In de stad is het letterlijk een rooverbende, waaraan men is overgeleverd.”
-</p>
-<p>Hij lachte.
-</p>
-<p>„Nu maak je het toch wat erg, Jet. Bedenk dat ik een <span class="ex" lang="ms">tottoh</span> ben. Al die lieve landgenooten.….”
-</p>
-<p>„’t Zijn lievertjes! Ze beschouwen ons als niet veel meer dan ganzen, die zij moeten
-plukken. Van den grootsten magazijnhouder tot ’t kleinste winkeliertje; van den voornaamsten
-hotelhouder tot den nederigsten kruier,—allen loeren op ons als op een prooi.”
-</p>
-<p>„’t Is veel eigen schuld.”
-</p>
-<p>„Och, wat! Het zijn dieven.”
-</p>
-<p>„Zeker, lieverd! Als de Indische lui niet begonnen waren met in Holland ’t gouden
-kalf in hun wapen te voeren, zou het anders wezen.”
-</p>
-<p>„Dat is mogelijk. Maar hier dan?”
-</p>
-<p>„Hoe dat, hier?”
-</p>
-<p>„Denk je wellicht, dat deze eenvoudige landlieden, zooals jij ze altijd blieft te
-noemen, een haar beter zijn?”
-</p>
-<p>„Er zijn ten minste magazijnhouders, winkeliers, hotelhouders noch kruiers onder.”
-</p>
-<p>„Wees nu niet flauw.”
-</p>
-<p>„Ik zou niet weten, wie je derhalve moeten bestelen.”
-</p>
-<p>„Allemaal! De man, die de melk brengt; de groentenman, de tuinman,—allen bestelen
-me geducht. Zoo gauw ze maar gemerkt hebben, dat ik een dame uit Indië was, zijn ze
-me gemoedelijk aan het plunderen gegaan.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Kasian!</span>” plaagde hij. „Die arme, onnoozele landlieden! Wat krijgen ze veel op hun rekening.”
-<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
-<p>„Neen, op de „rekening” krijg <span class="ex">ik</span> alleen veel.”
-</p>
-<p>„Ze hebben,” ging hij voort, „een breeden rug. Er kan veel op.”
-</p>
-<p>„En ze nemen er veel op. Als ze naar hun gemoed te werk gingen en de wet het niet
-verbood, namen ze mijn geheelen inboedel er op en liepen er mee heen.”
-</p>
-<p>„Oho!”
-</p>
-<p>„Wezenlijk, Mourant. Je kunt het je niet voorstellen. Jullie, heeren, komen daar niet
-zoo mee in aanraking. Maar als ik zie wat anderen betalen en wat mij wordt gevraagd.…!”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Boleh tawar!</span>”
-</p>
-<p>„Dat kan je begrijpen!”
-</p>
-<p>„En als ze het anderen er voor laten!”
-</p>
-<p>„Dan weigeren ze het mij en laten me onverrichterzake heengaan. Het is wezenlijk net
-of ze het hebben afgesproken, of het een geheim genootschap is.”
-</p>
-<p>„Lieve Jet, ik geloof dat je verschrikkelijk overdrijft.”
-</p>
-<p>„In het geheel niet. Het is de zuivere waarheid.”
-</p>
-<p>„En de <span class="ex" lang="fr">prix fixes</span> dan!”
-</p>
-<p>„Nu ja, maar het is ook ’n soort van goed, dat tegen <span class="ex" lang="fr">prix fixes</span> wordt verkocht! Dat veel Indische menschen, die van een bescheiden inkomen moeten
-leven en het in Indië ook nooit meer dan „gewoon” hadden, er zich aan vergapen en
-aan te buiten gaan, weet ik; maar voor ons!”
-</p>
-<p>Hij vond dat <span class="ex" lang="fr">air de dédain</span> verrukkelijk en kuste haar weer.
-</p>
-<p>„Toe, nu geen gekheid! We zijn dicht bij huis! Ik zie de kinderen al in de verte in
-den tuin spelen.”
-</p>
-<p>En de kinderen kwamen hen weldra juichend te gemoet, <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>door niets belemmerd in hun snelle bewegingen, maar integendeel opgewekt door den
-vurigen zonnegloed, verzengend als die in hun eigen geboorteland.
-</p>
-<p>Mevrouw Veninga ging het huis binnen om even naar het tweede ontbijt te zien; de kleinen
-volgden haar; Mourant zette zijn hoed af en liep in de schaduw van een paar groote
-boomen langzaam op en neer over het grasveld in den tuin.
-</p>
-<p>Hij had het eerste deel van hun discours dien ochtend niet vergeten; het zat hem dwars,
-al was hij blij geweest toen zij ophield; wezenlijk, hij zag het eind niet der historie.
-Hij hield dol veel van Henriëtte en waarschijnlijk zou hij ook op haar verliefd zijn
-geraakt al had ze geen cent bezeten. Maar dan zou hij er geen quaestie om gekregen
-hebben met zijn vrouw; dan zou hij zich vergenoegd hebben met de bereiking van het
-dichtstbijgelegen doel.
-</p>
-<p>Nu was hem ook het andere, haar fortuin, zeer aantrekkelijk, want met het zijne ging
-het in den laatsten tijd slechter dan ooit; eigenlijk was het nog slechts een klaterfortuin,
-dat wel revenuën gaf, maar geen realisabel kapitaal vertegenwoordigde.
-</p>
-<p>Zij had den spijker wel op den kop geslagen, toen ze zei dat het in Indië zooveel
-gemakkelijker ging. Wat had hij er dáár niet veel den doorniggeworden huwelijksband
-helpen ontbinden. Dat ging als <span class="ex" lang="fr">papier de musique</span> zoo <span class="corr" id="xd31e1752" title="Bron: contant">constant</span> en regelmatig. Onverschillig wat er gebeurd was,—’t ging voor den vorm haast altijd
-eender. Hetzij men van elkaar wilde wegens <span class="ex" lang="fr">incompatibilité d’humeur</span>, of omdat mevrouw was afgeweken van het „pad der deugd” dan wel <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>meneer,—’t verloop was dat zij hem aanklaagde wegens onzedelijk gedrag, hij niet compareerde
-en veroordeeld werd bij verstek.
-</p>
-<p>En niemand trok zich iets daarvan aan; men ging stil zijns weegs, alsof er niets was
-gebeurd, zoo spoedig mogelijk nieuwe huwelijksbanden smedend.
-</p>
-<p>Maar hier!
-</p>
-<p>Hij wischte met den zakdoek, waarmede hij zich wuivend trachtte te bekoelen, het zweet
-van zijn voorhoofd en ging de tuinkamer binnen, waar hij zich een glas Rijnschen wijn
-met selterswater schonk, als een gepasten morgendrank tot wegspoeling der onaangename
-gedachten, die hem op den snikheeten zomerdag bestookten. Henriëtte kwam spoedig met
-de kinderen terug, lachend en zingend. Hij zag haar aankomen in den corridor; ’t was
-veeleer of zij een zuster was van de kleintjes dan hun moeder. Wat was zij vroolijk
-en opgewekt! Welk een verschil tusschen haar gemoedsstemming nu en gedurende het laatste
-jaar bij de gestadige kwellingen van den zieken Veninga. ’t Deed hem genoegen haar
-zoo te zien, en dit gevoel scheen hem toe iets zoo vaderlijks te bevatten, dat hij
-er om glimlachte. Hij stond op, liep haar te gemoet, dreigde de kleintjes dat hij
-hen „krijgen” zou, en vervolgde hen, als ze schreeuwend lachten van de pret en om
-de rokken van hun maatje hem „krijgertje” lieten spelen.
-</p>
-<p>Het was een benauwende exercitie op zoo’n warmen dag en voor iemand, die een reeds
-geprononceerden aanleg had tot gezetheid. Maar het behoorde tot de eigenaardigheden
-van deze soort candidatuur; als hij eenmaal door het examen was, zou hij voor die
-liefheid óók feestelijk bedanken! Nu moest <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>hij wel den kindervriend <span class="ex" lang="fr">en action</span> vertoonen, en hij executeerde zich gracieuzelijk.
-</p>
-<p>„Kom, wees nu stil,” zei Henriëtte, die het zelve te warm kreeg. „Ga nu zitten, dan
-krijg je limonade. Toe, Willem, geef me ook wat <span class="ex" lang="ms">ajer blanda</span>.”
-</p>
-<p>Maar de kinderen waren met geen limonade te houden; zij liepen den tuin in om in het
-gras te rollen en de <span class="ex">bonne</span> volgde hen daar, doch kwam binnen een paar minuten terug met een dik pak couranten
-en brieven uit Indië en van elders. Zij sorteerden ze, en ieder nam zijn aandeel;
-ze lazen hun brieven, ieder voor zich, stil, en slechts nu en dan afgebroken door
-een korte opmerking of mededeeling. Maar daarmede hield Mourant spoedig op; zijn wenkbrauwen
-trokken samen, en al lezende werd de uitdrukking van ongenoegen op zijn gelaat voortdurend
-sterker. Het was een brief van een zijner oudste vrienden; hij had altijd veel van
-hem gehouden en had in zijn huis steeds een groote mate van gastvrijheid en vriendschap
-genoten; nu schreef hij hem hartelijk, maar hoogst ernstig. Men was het in Indië te
-weten gekomen, en men had er veel over gesproken. Er werden inlichtingen gevraagd.
-Was het waar, dat hij wilde scheiden van zijn vrouw, en dat hij wilde trouwen met
-de weduwe Veninga? Als dat waar was, wat echter zijn vrienden in Indië niet konden
-en wilden gelooven, dan was het andere óók waar, n.l., dat hij zijn vriend en zijn
-vrouw laaghartig bedrogen had. En op die wijze ging het voort tot het einde; zijn
-vrouw werd in dien brief verheerlijkt; al de goede, schoone hoedanigheden, die ze
-bezat, werden gereleveerd en in een helder, scherp licht gesteld.—Het was alles volkomen
-waar; hij wist het, hij <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>wist het!—Maar Henriëtte was toch zoo mooi, en ze had zooveel geld. Toen hij daaraan
-dacht, keek hij haar even aan. Zij weende.
-</p>
-<p>„Wat is er?” vroeg hij ongerust en opstaande.
-</p>
-<p>„’t Is schande!” snikte ze. „Waar bemoeien ze zich mee? Ben ik niet vrij om te doen
-en te laten wat ik wil?”
-</p>
-<p>Hij nam een brief van haar schoot en keek dien in; ’t was van hetzelfde laken een
-pak. Een harer vrouwelijke bloedverwanten had hetzelfde onderwerp gekozen en zong,
-schoon op gansch anderen toon, hetzelfde lied. Die toon was scherper, hatelijker en
-meer beslist; hij vergunde geen twijfel meer; er werd niet gevraagd om inlichtingen;
-de mogelijkheid van laster werd niet aangenomen; tante schreef met de zekerheid van
-iemand, die gevoelt dat het zoo is, en die niets verschoont en niemand spaart.
-</p>
-<p>„Dat onbeschofte wijf!” zei Henriëtte.
-</p>
-<p>„Het beste is dit,” meende Mourant, en te gelijk maakte hij een beweging om den brief
-te verscheuren. Maar zij hield hem terug; hoe vernederend de inhoud ook voor haar
-was,—ze wilde dien toch nog eens overlezen <span class="ex" lang="fr">à tête reposée</span>.
-</p>
-<p>„Neen, Willem, verscheur hem niet.”
-</p>
-<p>„Och, waarom niet? Eén is waarachtig genoeg.”
-</p>
-<p>„Heb jij dan ook?.…” vroeg ze met verwondering.
-</p>
-<p>„Welzeker! Waarom niet? Maar de mijne is ’n beetje fatsoenlijker, schoon het op ’t
-zelfde neerkomt.”
-</p>
-<p>Hij gaf haar den anderen brief en zij las hem, met saamgeknepen lippen van boosheid
-om al de loftuitingen op mevrouw Mourant.
-<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p>
-<p>„Hm!” deed ze schamper. „Er kan niets meer bij! Het is waarlijk jammer!”
-</p>
-<p>„Nu ja.”
-</p>
-<p>„En zal jij daarop antwoorden?”
-</p>
-<p>„Natuurlijk! Ik zal hem een uitvoerigen brief schrijven en er valt niet aan te twijfelen
-of hij zal overal rondvertellen, wat daarin staat.”
-</p>
-<p>„Maar je zult toch niet <span class="ex">alles</span> schrijven?”
-</p>
-<p>„Waar denk je aan? Ik zal hem schrijven, dat ik met verontwaardiging, maar zonder
-verbazing heb kennis genomen van de schandelijke lasterpraatjes in Indië verspreid
-over u en mij; praatjes, die het beneden mijn waardigheid en uw fatsoen is te wederleggen.”
-</p>
-<p>Hij zag er zoo oprecht verontwaardigd en waardig uit toen hij deze woorden vergezeld
-deed gaan van een breede geste, die alle lasterpraatjes op zij schoof, dat Henriëtte
-haar lippen, die zich met geweld tot een lach plooiden, met haar schitterend witte
-tandjes in bedwang moest houden.
-</p>
-<p>Mourant zag het niet; als de geest der advocaterij over hem kwam, zag hij niets; dan
-oreerde en gesticuleerde hij, aangevuurd en opgewekt door den klank van zijn eigen
-stem; dan had hij evengoed een jury om den vinger gewonden, als een rechtsgeleerd
-college hem <span class="ex" lang="fr">sous cape</span> zou hebben uitgelachen.
-</p>
-<p>„Ik zal hem schrijven,” dus vervolgde hij, „dat een onverwachte samenloop van noodlottige
-familie-quaesties een ernstige vervreemding heeft teweeggebracht tusschen haar, die
-voor de wet mevrouw Mourant is, en mij; dat ik niet kan noch mag toegeven op dat punt;
-dat het moet buigen <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>of barsten, en dat derhalve een scheiding in de toekomst niet tot de onmogelijkheden
-behoort.”
-</p>
-<p>Zij keek hem bewonderend aan; ze vond hem welsprekend. Het was immers onmogelijk te
-twijfelen aan de woorden van iemand, die zóó sprak en zóó schreef.
-</p>
-<p>„En verder?” vroeg ze.
-</p>
-<p>„Hoe bedoel je dat?”
-</p>
-<p>„Wel verder.… over mij.… over ons?”
-</p>
-<p>„Niets. Ik zal wel zorgen zóó dom niet te zijn. Alleen heel aan het slot zal ik er
-nog een oogenblik op terugkomen.”
-</p>
-<p>„In welken geest?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik nog niet. Ik zal het je in elk geval laten lezen.”
-</p>
-<p>„Ja, doe dat, Willem. Het is wel niet waarschijnlijk, dat wij weer naar Indië teruggaan,
-maar men <span class="ex">kan</span> nooit weten.”
-</p>
-<p>En toen hij haar ’s avonds den brief bracht, werd haar bewondering voor hem nog grooter.
-Men kon nauwelijks met droge oogen kennis nemen van de diepe droefheid, die Mourant
-verklaarde, dat de vuige laster hem had berokkend. Het was „pijnlijk,” het was „ontmoedigend,”
-het was „treurig,” het was „grievend,”—het was alles wat het woordenboek aangaf om
-zich terecht of ten onrechte te drapeeren in het woordenkleed van den miskenden mensch.
-</p>
-<p>„Ik weet niet wanneer de mail sluit,” zei hij. „Men leeft hier buiten de wereld.”
-</p>
-<p>„Spijt het je?”
-</p>
-<p>„Lieve Henriëtte!”
-<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span></p>
-<p>„Het is mooi weer; de meid kan den brief bezorgen. Het hulpkantoor is aan den grooten
-weg, geen tien minuten van hier, en ’t is mooie maneschijn.”
-</p>
-<p>De kinderen waren naar hun bedjes. Doodmoe van het spelen den ganschen dag in de open
-lucht, sliepen ze reeds half toen ze nog voor hun bordjes met brood en vruchten zaten.
-Toen de krachtige boerendeern de straatdeur had dichtgetrokken en den weg opliep om
-den brief in de bus te werpen, was het stil geworden in huis, en buiten stoorde ook
-haast niets de heerlijke kalmte van den prachtigen zomeravond; slechts een enkel insect
-gonsde door de zoele lucht, een zich stil door de boomen reppende vleermuis deed de
-bladeren ruischen en uit de verte kwamen zachtjes de volle klanken over van een nachtegaal,
-die, door de maan bekoord, zijn rol- en waterslag-romances zong met sedert eeuwen
-beroemde virtuositeit.
-</p>
-<p>De straatweg voor het huis was onzichtbaar in de schaduw van het omzoomend groen,
-maar de breede met kroost bedekte sloot schiep in het tooverachtig maanlicht een fata
-morgana en scheen de weg te zijn. Zij hadden de lampen laag gedraaid en zaten op het
-balkon in de schaduw der marquise onzichtbaar voor de buitenwereld, dicht naast elkaar,
-verzonken in het genot hunner meer door den schoonen avond, dan door de sociale omstandigheden
-geïdealiseerde liefde.
-</p>
-<p>Onwillekeurig richtte Henriëtte zich op, toen de dienstmeid terugkwam en met den sleutel
-de deur opende.
-</p>
-<p>„Zij zal wel even hier komen, Willem. Draai de lampen op.”
-</p>
-<p>Hij deed het, en in het licht, dat hoog opvlamde, zagen <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>zij er beiden een beetje verward uit, kleuriger van wangen, slordiger van coiffure,
-onbestemder van blik.
-</p>
-<p>„Het groote buiten is verhuurd,” zei de meid binnenkomend en met den deurknop nog
-in de hand.
-</p>
-<p>„Och kom, en aan wien?”
-</p>
-<p>„Ik ben den naam vergeten, maar de posthouder schreef hem op een papiertje, en dat
-heb ik, geloof ik, verloren,” antwoordde de dienstbare geest, met een teleurgesteld
-gezicht in haar grooten zijzak tusschen allerlei voorwerpen grabbelend.
-</p>
-<p>Het „groote buiten” was een fraai landgoed; ’t behoorde tot den sterfboedel van een
-millionnair en was door den tegenwoordigen eigenaar op speculatie van de erven gekocht.
-Maar aanvankelijk scheen de speculatie geheel te mislukken, want het seizoen was reeds
-eenigszins gevorderd en nog altijd stond de plaats leeg.
-</p>
-<p>„Hier is het briefje, mevrouw. Het is een gekke naam. Ik kan hem haast niet uitspreken;
-maar het moet heel voornaam volk uit Den Haag zijn.”
-</p>
-<p>Henriëtte hield het met potlood bekrabbelde en verfrommelde stukje papier onder een
-der lampen.
-</p>
-<p>„Ik kan het niet lezen, Willem. Zie jij eens!”
-</p>
-<p>Hij zette zijn lorgnet op en keek over haar schouder naar den naam op het briefje.
-</p>
-<p>Plotseling hief zij het gelaat naar hem op, met een uitdrukking van schrik en ontzetting
-in de oogen.
-</p>
-<p>„Mijn God, Willem, <span class="ex">zij</span> is het!”
-</p>
-<p>„Graaf De Riquelle?.… Verduiveld, ja, dat is beroerd; dat is verduiveld onaangenaam.”
-<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
-<p>„Ik houd het hier niet uit, Willem. Geen week, geen dag!”
-</p>
-<p>„Nu, nu! zóó is het nu niet.”
-</p>
-<p>„Geen dag! Denk je dat <span class="ex">ik</span> hier wil zitten in dit optrekje met <span class="ex">jou</span>, en <span class="ex">zij</span>, daar ginder onder mijn oogen als het ware, op dat groote buitengoed met haar man,
-dien graaf. Nooit, Willem! Nooit in m’n leven!”
-</p>
-<p>De meid had den uitval gehoord, die niet voor haar ooren bestemd was, en ofschoon
-slechts een boerendeern, was ze wel zoo wijs net te doen alsof ze niets begreep.
-</p>
-<p>„Is er nog iets, mevrouw?” vroeg ze onnoozel.
-</p>
-<p>Henriëtte schrikte er van; ze had om ’t heele schepsel niet meer gedacht.
-</p>
-<p>„Neen, dank je; je kunt wel naar beneden gaan.”
-</p>
-<p>Ze spraken geen woord verder. Mourant was aan de ronde tafel gaan zitten met de ellebogen
-op het blad, en blies, starend in het lamplicht, den grijsblauwen rook van zijn manilla
-naar het lampeglas, waaromheen die, door de warmte op een afstand gehouden, in krullen
-en esvormen optrok. Henriëtte zat tegenover hem met ’t verfomfaaide papiertje nog
-tusschen de vingers, ontstemd, met saamgetrokken wenkbrauwtjes en pruilenden mond,
-omdat ze nu hier ook vandaan moest! Dat ze nu werd gedreven tot zelfs uit dit stille
-hoekje!
-</p>
-<p>„’t Is verschrikkelijk onaangenaam.”
-</p>
-<p>Maar Mourant gaf er zoo dadelijk geen antwoord op. Hij zat zich hoogst gemoedelijk
-met het denkbeeld te verzoenen. Ronduit gezegd beviel hem het leven niet best op die
-manier. Zij had nog haar huishouden, dat haar bezig hield; hij had niets dan de courant
-van den vorigen dag.
-<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p>
-<p>„Onaangenaam, zeker, maar zoo verschrikkelijk is het bij nader inzien niet. Het hierblijven
-zou toch niet langer geweest zijn, dan voor ’n maand of wat.”
-</p>
-<p>„Och, dat weet ik nog zoo niet.”
-</p>
-<p>„Je hadt hier toch niet willen blijven tot den winter?”
-</p>
-<p>„En waarom niet? Ik vind het hier goed. Ik houd van het land. Je weet, dat ik in Indië
-op het land ben opgevoed.”
-</p>
-<p>„O, maar dat is heel iets anders. Hier in Holland.… in den winter.… op het land. Brrr!”
-</p>
-<p>„Laat ons er maar niet over redeneeren,” zei ze met een diepen zucht. „Het kan toch
-niet. Ik ga nu hier vandaan, zoo spoedig mogelijk; liever vandaag dan morgen.”
-</p>
-<p>„Zoo’n haast heeft het toch niet.”
-</p>
-<p>„O ja, Willem, dat heeft het wel.… Je weet niet welk een mensch zij is.”
-</p>
-<p>„Ik meen dat wel te weten; maar haar gravenkroontje zal haar wel veranderd hebben.
-Zij zal net doen of ze ons nooit heeft gezien.”
-</p>
-<p>„Denk je dat? Nu, dan ken je haar <span class="ex">niet</span>. Maar in elk geval: ik <span class="ex">wil</span> nu hier niet blijven.”
-</p>
-<p>Het trof hem. Zóó had zijn vrouw nooit gesproken. Hij vond het nu wel aardig zoo’n
-dametje met een wil. Als ze getrouwd waren, dan kreeg hij er ook een!
-</p>
-<p>„Waarheen dan?”
-</p>
-<p>„Ja, waarheen?”
-</p>
-<p>„Brussel?”
-</p>
-<p>„Och, Brussel is niet onaardig. Ik wil er wel weer naar toe voor ’n tijdje. En jij?”
-<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p>
-<p>„Ik zit er juist over te pikiren; mij dunkt, ik zou er ook wel kunnen gaan wonen.”
-</p>
-<p>„Gaan wonen? En zij?”
-</p>
-<p>„Ze kan in Den Haag blijven. <span id="xd31e1919"></span><span class="ex" lang="fr"><span class="corr" id="xd31e1921" title="Bron: Ca">Ça</span> n’empêche pas les sentiments.</span>”
-</p>
-<p>Doch Henriëtte lachte niet om de mislukte aardigheid. In haar fraai hoofdje woelde
-het verhuisplan met al de drukte voor haar, de kinderen, de goederen.
-</p>
-<p>„Het beste zou wezen,” ging hij voort, „dat ik naar Brussel ging, een geschikte woning
-voor je zocht of een <span class="ex">garni</span>, en je dan zoo spoedig mogelijk telegrapheerde.”
-</p>
-<p>Het denkbeeld lachte hem toe. Dáár had hij kennissen, die wel wisten wat er gaande
-was, maar net deden, als wisten zij niets. Daar wist men, waar men heen kon gaan,
-en hoe onaangenaam en stil het in dit seizoen ook vergelijkenderwijze was in zoo’n
-groote stad,—’t was toch nog voor Mourant een paradijs vol genietingen tegenover een
-Hollandsch boerendorp.
-</p>
-<p>„Dat zal wel ’t beste zijn,” meende zij, nog altijd bezig in gedachten met voorbereidende
-maatregelen.
-</p>
-<p>„Dan zal ik morgen eerst naar Den Haag gaan om daar een en ander te regelen.”
-</p>
-<p>En nu had zij tal van bijzonderheden. De hoofdzaak was besloten; dat was gemakkelijk;
-maar voor de <span class="corr" id="xd31e1937" title="Bron: tétails">détails</span> had Mourant een papiertje noodig en een potlood, want die kon hij onmogelijk onthouden.
-</p>
-<p>Ze zaten heel laat op en waren weer heel vroeg bij de hand; ze hadden dadelijk groote
-drukte, hij met het pakken van zijn koffers, zij met allerlei voorbereidende maatregelen;
-zij <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>gunde zich nauwelijks den tijd hem „behoorlijk” goeden dag te zeggen, toen hij in
-het rijtuigje stapte om zich naar den trein te laten rijden, en het trof hem, dat
-zij niet op ’t balkon bleef staan om hem nog in de verte te groeten, gelijk in vroeger
-jaren zijn vrouw deed in Indië in de voorgalerij als hij op reis ging. Met zulk een
-verhuisboel alweer voor den boeg, had Henriëtte wel aan iets anders te denken, dan
-aan „liefheid”. Zij was al begonnen met uit de rommelkamer achter in den tuin eenige
-koffers te laten halen om die met de hulp van de meid vast vol te pakken met goederen,
-die ze toch niet meer noodig had. Terloops had ze nog even geluisterd naar het fluiten
-van den trein heel in de verte, en ondanks ’t weer zoo’n warme dag was, ging ze voort
-met haar bezigheden, zoodat de morgenuren omvlogen en de kinderen haar plaagden om
-toch iets te gaan eten.
-</p>
-<p>Zij gaf de meid last om de tafel in de tuinkamer gereed te maken, en ging zelve naar
-haar kamer om haar handen te wasschen, die stoffig geworden waren van het pakken in
-de koffers. Ze wierp haar kabaja uit en plaste haar fraaie armen in de groote lampetkan,
-zonder er op te letten dat achter haar de deur werd geopend en iemand binnenkwam.
-</p>
-<p>Toen Henriëtte de oogen opsloeg, zag zij het beeld der binnengekomene in den spiegel.
-Zij schrikte zoo geweldig dat het maar weinig scheelde of zij verloor haar bewustzijn.
-Met het instinctmatig geloof aan een visioen, aan een spel der verbeelding, keerde
-zij zich snel om, en stond toen niet tegenover het spiegelbeeld, maar tegenover de
-persoon zelve. Een ijzige kou ging haar door de leden. Wat haar altijd het ergste
-van alles had toegeschenen, wat zij meende dat het <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>vreeselijkste oogenblik zijn moest in haar leven, en waaraan zij thans en hier in
-het minst niet had gedacht, geschiedde plotseling en als ’t ware geheimzinnig: een
-ontmoeting met mevrouw Mourant. Het was natuurlijk de eenvoudigste zaak ter wereld
-voor een netgekleede dame een huis binnen te gaan, de meid te zeggen dat het onnoodig
-was haar aan te dienen en de deur te openen van een kamer; maar in den plotselingen
-toestand van zenuwoverspanning, waarin Henriëtte geraakt was, scheen het haar dat
-mevrouw Mourant als een geest was neergedaald en op supra naturalistische wijze een
-illustratie vormde van de doordringbaarheid der stof. Zij beschouwden elkaar een oogenblik.
-Mevrouw Mourant bekeek de mooie jonge vrouw, wier fraaie lichaamsvormen, zooals ze
-daar stond in een sluitende koetang met een smal kantje, allervoordeeligst uitkwamen,
-en zoo zij niet vergaf, zoo zij haatte,—zij begreep beter dan ooit, zij gevoelde met
-haar kennis van Mourant’s karakter en eigenschappen, dat als hij eenmaal door zulk
-een keten was geboeid, voor haar alles voorbij was, onherroepelijk voorbij. En Henriëtte,
-die in ’t geheel niet dacht, gevoelde iets over haar komen, iets kleins en nietigs;
-het was haar te moede als toen ze een klein meisje was, dat in de voorgalerij bij
-mevrouw Mourant kwam spelen met al het moois, dat het toen jonge kinderlooze echtpaar
-voor haar kocht en bewaarde. ’t Was voor een moment of alles wat tusschen haar en
-Mourant was voorgevallen, wegdreef op die herinnering, en zij nog, als vroeger, naar
-die vrouw met haar verstandig en oprecht gezicht kon gaan, haar de armen om den hals
-kon slaan en haar kussen, zooals ze dat wel eens gedaan had toen ze <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>nog klein was. Zoolang zij mevrouw Mourant niet had gezien, had zij zich ingebeeld,
-dat ze haar haatte en sprak ze met Mourant minachtend mee over „zij” en „haar”,—maar
-nu „zij” daar voor haar stond, schoon verouderd en grijzend, nog altijd hetzelfde
-goede beeld van zedelijke rust en psychische kracht,—nu overstelpte een groot gevoel
-van droefheid ’t hart der jonge weduwe; nu scheen het alsof zij <span class="ex">haar</span> liever had dan <span class="ex">hem</span>; alsof zij <span class="ex">hem</span> met een wreed genoegen en een machtige onverschilligheid zou hebben opgeofferd, om
-met een gerust geweten van haar weer de moederlijke genegenheid en de hartelijke opofferende
-vriendschap te kunnen genieten, die de zonneschijn was geweest harer eerste meisjesjaren.
-Zij stond voor mevrouw Mourant met neergebogen hoofd en slap langs het lichaam neerhangende
-armen; haar borst ging in de onregelmatige beweging van een heftig ademhalen op en
-neer, en ze slikte telkens bij haar pogen om de tranen terug te dringen, die heet
-in haar oogen drongen, door een droefheid, den eersten schrik vervangend en lijdenstrekken
-plooiend om haar mond.
-</p>
-<p>Zij was zoo’n sensueele natuur niet. Zij had alleen boven de Europeesche en Christelijke
-moraal, waarin zij <span class="ex" lang="fr">tel quel</span> was grootgebracht, van haar voormoeders de Oostersche geringschatting geërfd van
-’t sexueel verkeer en ook de zinnelijke nieuwsgierigheid. Waar die laatste was bevredigd,
-en gekwetste ijdelheid de waarde van den eersten niet opdreef tot een hoog gestemden,
-voor niets terugdeinzenden naijver, daar had dat verkeer zijn waarde grootendeels
-verloren en stond achter, enkele oogenblikken van bevrediging uitgesloten, bij haast
-alles wat het leven gaf; bij huishoudelijk <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>leven, bij eten, drinken, kleederen, meubelen, partijen en gezelschap; bij vriendschap
-zonk het geheel in het niet.
-</p>
-<p>En als het gevoel van gekrenkt en beleedigd, bedrogen en verraden te zijn, niet in
-het hart van mevrouw Mourant had gezegevierd boven elken anderen drang; als zij zich
-niet zoo erg de dupe had gevoeld van dat jonge vrouwtje, dat zij, ze wist het wel,
-nog domineerde en overtrof in alles wat geen jeugd en lichamelijk schoon was,—dan
-zou ze weer vriendelijk en lief zijn geweest tegen haar als vroeger. Maar dat overwoog
-of gevoelde zij niet; zij hield niet op haar te beschouwen van het hoofd tot de voeten,
-en zoo dit haar de zekerheid gaf, dat ze voor goed verslagen was, het gaf haar in
-zoover een troost dat het een physiek natuurlijke nederlaag was.
-</p>
-<p>„Is Mourant hier?”
-</p>
-<p>Het was voor de eerste maal in haar leven dat zij tegen Henriëtte niet sprak van meneer
-Mourant.
-</p>
-<p>„Neen, hij is vertrokken.”
-</p>
-<p>„Waarheen?<span class="corr" id="xd31e1974" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Naar Den Haag.”
-</p>
-<p>„Om wat te doen?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet.… ik denk dat hij.… misschien is zijn bedoeling.…”
-</p>
-<p>„Ik zou maar de waarheid zeggen; je behoeft <span class="ex">mij</span> niets te verzwijgen.”
-</p>
-<p>„Hij wilde te Brussel gaan wonen.”
-</p>
-<p>„Zoo. En jij gaat ook naar Brussel?”
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde Henriëtte nauwelijks hoorbaar.
-</p>
-<p>En toen ontstond een geweldig rumoer op den corridor; <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>een der kleintjes had verteld dat „tante” er was, want hij had haar in de verte zelf
-gezien. Nu kwam ’t viertal aan in volle Indische vrije dressuur, zonder kloppen naar
-binnen, met blijde gezichtjes, lachende zwarte oogen en opgestoken kleine handen;
-ze kwamen op haar af en sprongen als ’t ware tegen haar op; ze hadden haar lange afwezigheid
-niet eens opgemerkt,—dat doen kinderen zoo niet; maar nu de lieve „tante” er was,
-die hen aan boord altijd zoo verzorgde, waarmee ze zoo’n pleizier hadden en die zoo
-mooi vertelde,—nu herinnerden zich de kinderen dat weer levendig en ze verwelkomden
-haar met een juichkreet.
-</p>
-<p>Mevrouw Mourant streed niet tegen het overweldigend gevoel, dat in haar opkwam; ze
-ging op haar hurken zitten, nam de kinderen in haar armen en kuste ze met den hartstocht
-der droefheid.
-</p>
-<p>Maar het beurde haar toch op; ’t gaf een oogenblik van verlichting; een gelegenheid
-om op heur verhaal te komen. Ze stond langzaam op, mevrouw Mourant, bracht de kinderen
-buiten de kamer en zond ze naar den tuin, belovend dat ze straks terug mochten komen,
-en belovend ook dat zij blijven zou den heelen dag. Toen kwam ze terug bij Henriëtte,
-die intusschen haar kabaja had aangeschoten, maar van zenuwachtigheid de knoopjes
-niet dicht kon krijgen.
-</p>
-<p>„Wanneer is Mourant naar Den Haag gegaan?”
-</p>
-<p>„Van ochtend met den eersten trein.”
-</p>
-<p>„Ik had je het verdriet kunnen besparen.”
-</p>
-<p>Henriëtte klemde de lippen opeen en keek, ’t hoofd afwendend, door het venster naar
-buiten. Zij wist niet hoe het kwam of wat haar aandreef, maar ze voelde een lafhartigen
-<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>lust Mourant af te vallen en te verloochenen; naarmate die bekende en van vroeger
-geliefde stem haar langer in de ooren klonk, werd die aandrift, waartegen zij eerst
-streed, sterker en onweerstaanbaarder.
-</p>
-<p>„Het was geen verdriet voor me.”
-</p>
-<p>De groote oogen met smalle groefjes in de huid der leden boven en onder het been der
-holten, werden grooter van verwondering.
-</p>
-<p>„Ik heb je al gezegd, dat je voor mij niet behoeft te veinzen.”
-</p>
-<p>„Ik veins niet.”
-</p>
-<p>„Maar ongelukkig schepsel,” riep mevrouw Mourant met plotselinge hevigheid: „wat bedoel
-je dan?”
-</p>
-<p>„Ik wou dat er niets gebeurd was; nooit iets. Ik had zoo’n ongelukkig leven met Veninga!”
-</p>
-<p>„Je wist hoe kort dat duren zou.”
-</p>
-<p>„Elke dag was lang. U weet niet wat het is. Men heeft u nooit verdacht, geloof ik.”
-</p>
-<p>Er kwam een harde uitdrukking over ’t gezicht van mevrouw Mourant.
-</p>
-<p>„Ik heb er nooit aanleiding toe gegeven.”
-</p>
-<p>„Ik ook niet!” riep Henriëtte<span class="corr" id="xd31e2014" title="Niet in bron">,</span> haar gezicht nat van tranen toonend. „Toen niet, toen nooit! Maar als men elken dag
-van den ochtend tot den avond niets hoort dan de geraffineerdste verwijten, dan ruw
-en ronduit de beschuldiging van ontrouw, dan weet men op het laatst niet meer wat
-men doet; dan zou men den eersten den beste, die lief en vriendelijk was en het er
-op toelei.…”
-</p>
-<p>„Houd den mond maar. Ik ken dat. Het is ’t gewone excuus. De een is zoo arm, de ander
-heeft zoo’n onaangenaam <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>leven, de derde werd door mooie beloften bedrogen,—ik ken dat. Het zijn allemaal praatjes,
-anders niet!”
-</p>
-<p>„O, zeg dat niet, mevrouw! Het is waarachtig waar; het was geen liefde of voorkeur
-van dien aard.”
-</p>
-<p>„Dus je houdt niet van hem?”
-</p>
-<p>Langzaam schudde Henriëtte het hoofd; ze keek mevrouw Mourant vlak in het gezicht.
-</p>
-<p>„Neen!” zei ze.
-</p>
-<p>„Het kan mij ook eigenlijk niets schelen. Het is eenmaal gebeurd en ik heb besloten
-mij er niet langer tegen te verzetten. Ik ben hier gekomen om dat te zeggen. Ik had
-het even goed kunnen schrijven of beter nog: laten schrijven, maar ik was nieuwsgierig
-om dit nestje eens te zien. Nu heb ik het gezien, nu weet ik wat ik wilde weten, en
-ik groet je.”
-</p>
-<p>Zij ging de kamer uit, stil zooals ze gekomen was.
-</p>
-<p>Henriëtte was onbeweeglijk voor het venster blijven staan. Zij zag haar door den tuin
-gaan, vergezeld van de kinderen, die haar wilden houden en luid protesteerden tegen
-het vertrek; zij zag haar rustig voortwandelen onder haar bruin-zijden pajong, nu
-en dan bukkend om een der kleine jongens een handje te geven of een zoen; zij weende
-nog een paar minuten, waschte haar gezicht opnieuw en ging toen naar de tuinkamer,
-waar zij met smaak at en met de kinderen sprak over „tante”, die zoo ondeugend was
-om dadelijk maar weer weg te gaan.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Fournier en Hortense deden een groote reis door Europa; zij reisden samen en genoten
-van het leven, van hun kind en van elkaar. Zij was geheel opgefleurd met rozen op
-de <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>wangen, zooals die daar vroeger nooit hadden gebloeid. Hun tocht door de Alpen was
-een aaneenschakeling van genietingen; ze waren geen ras-touristen, die verschrikkelijke
-klimpartijen waagden; er was, vonden zij, zooveel moois te zien zonder bovenmatige
-inspanning, dat men niet meer kon verlangen. Toch deden ze vrij verre uitstapjes tot
-zelfs in den nacht als het koud glinsterend schemerschijnsel der maan al wat omhoogstak
-in de lucht verzilverde, al wat inzonk met roetzwarte schaduw sloeg. Ze stonden op
-vóór den dag en gingen met hem ter ruste; het was, vond Hortense, de gelukkigste tijd
-haars levens. En dat vond Louise ook op het rustige groote buiten, waar zij vertoefde
-met haar man den ritmeester, die verlof had gekregen. Zij was zoo kalm gelukkig, als
-ze zich nooit te voren had gevoeld; zij had in Riquelle haar <span class="ex">man</span> gevonden en de zekerheid was over haar gekomen, dat daarmee alles voor haar leven
-was gezegd. Zij hield veel van hem, niet als een romantisch meisje, dat van ideale
-aesthetische liefde droomt, maar als een gezonde vrouw, die het geluk heeft gehad
-haar andere helft te ontmoeten en nu gevoelt, dat aan den hoogsten levenseisch is
-voldaan. Want zij was er zeker van, dat ze gelukkig met hem zijn zou, blijvend gelukkig.
-Zijn geheele persoonlijkheid, zijn eenvoudige rustige figuur, zijn openhartig gezicht
-en zijn niet hoogvliegende maar correcte begrippen, waarborgden dat. Men had haar
-spoedig „opgenomen” in de kringen, die de Riquelle’s frequenteerden; het was goed
-gegaan, bijzonder goed zelfs. En nu waren zij hier, en zij wandelde in de donkere
-breede lanen van het park, onder de reuzeneiken, aan den arm van Riquelle in <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>een licht zomerpakje en met een stroohoed in de hand en zelf gekleed in licht gebloemde
-mousseline, die met een sleep zacht ruischte over het pad. Ze waren eindelijk alleen
-en ze genoten er van als volop gelukkige lui.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>„Wat is dat voor ’n aardig huisje daar in de verte?” vroeg zij haar kamenier, wijzend
-naar het optrekje, waar Henriëtte gewoond had en dat met enkele plekken grijs en wit
-door het groen gluurde.
-</p>
-<p>„Het staat leeg. Er heeft een dame uit Indië gewoond.”
-</p>
-<p>„Ah!”
-</p>
-<p>„Zij woonde er met haar kindertjes; ze was jong en mooi.”
-</p>
-<p>„Zoo.”
-</p>
-<p>„Ja mevrouw. En er kwam heel dikwijls een meneer uit Den Haag.”
-</p>
-<p>„Och.”
-</p>
-<p>„Die meneer heette Mourant en zij was een weduwe; een zekere mevrouw Veninga.”
-</p>
-<p>Geen trek bewoog op ’t gelaat van Louise, die de kamenier rustig met kappen liet voortgaan.
-Ze maakte alleen een lichte beweging met de schouders.
-</p>
-<p>„Nooit hooren noemen,” zei ze.
-</p>
-<p>„’t Waren toch, behalve die rare visite van dien meneer aan die mevrouw, menschen
-van stand. Die meneer Mourant zag er zeer deftig uit; de mevrouw was rijk; het ging
-er, al woonden zij in dat kleine huis, alles erg royaal.”
-</p>
-<p>Maar mevrouw Riquelle zei geen woord meer en deed als ging haar al dat gepraat volstrekt
-niet aan.
-</p>
-<p>„Die Oostersche menschen,” zei de kamenier naderhand <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>tegen de keukenmeid, „hebben net ’n bord voor het hoofd. Je kunt nooit iets zien aan
-die donkere mombakkesen. <span class="ex">Nu</span> weet ik toch zeker, dat zij die mevrouw Veninga kende, en goed ook, want haar meid
-stond er zelf bij, toen ’t mensch de vlucht ging nemen, omdat wij hier kwamen, en
-nu ik van morgen over die mevrouw Veninga spreek, doet de onze net of ze van ’t mensch
-nooit gehoord heeft.”
-</p>
-<p>Mourant had intusschen wel gelijk gehad, toen hij Louise beoordeelde naar zichzelven.
-Ze hadden best in het optrekje kunnen blijven; mevrouw Riquelle zou hen in ’t geheel
-niet herkend hebben!
-</p>
-<p>Hij keek vreemd op toen hij in Den Haag van de dienstboden vernam, dat zijn vrouw
-juist dien ochtend op reis was gegaan. Het maakte hem ongerust, schoon hij niet wist
-waarom, en daar hij toch niets doen kon om zekerheid te krijgen, besloot hij niet
-langer thuis te blijven wachten, dan dien eenen dag. Was zijn vrouw ’s avonds niet
-terug, dan wilde hij den volgenden ochtend met den eersten trein naar Brussel gaan.
-</p>
-<p>’s Middags uit de sociëteit komend, vond hij haar thuis.
-</p>
-<p>„U schijnt pleizierreisjes te maken,” zei hij.
-</p>
-<p>„Ik zou kunnen vragen, wat u dat aangaat.”
-</p>
-<p>„O neen.… mijnentwege!”
-</p>
-<p>„Ik ben naar Vlietwijk geweest.”
-</p>
-<p>Hij werd bleek, fronste nijdig ’t voorhoofd en ging met groote stappen op en neer
-loopen, ’t bewijs, dat hij erg het land had.
-</p>
-<p>„Zoo!” zei hij met een booze stemmodulatie.
-</p>
-<p>„Ik heb ’n heel interessant discours gehad met de weduwe van Veninga.”
-<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p>
-<p>„Dat zal wel,” vervolgde hij steeds kwaadaardiger.
-</p>
-<p>„Ik meende u daar ook te vinden en ik kwam zelf om een blijde tijding te brengen.”
-</p>
-<p>Hij was stil gehouden en keek haar wantrouwend aan, maar zweeg.
-</p>
-<p>„De bezwaren, die ik vroeger tegen een scheiding had, zijn thans opgeheven. Ik stem
-toe. Dat wilde ik u en de weduwe van Veninga meedeelen.”
-</p>
-<p>Maar Mourant, die op dit bericht stond te kijken als hoorde hij het te Keulen donderen,
-zei nog altijd niets, wantrouwender dan ooit. Wat moest hij er van denken? Zou het
-waar wezen? Zou zij inderdaad met de voorwaarden genoegen nemen? Of was het een bespotting?
-Zijn oogen loerden wantrouwend naar zijn vrouw, die rustig voorthaakte. Wat hij zeggen
-zou, wist hij op ’t eerste oogenblik niet.
-</p>
-<p>Zij glimlachte met een neertrekkende uitdrukking van de diepste minachting.
-</p>
-<p>„Het is wonderlijk! Ik dacht door mijn toegevendheid twee menschen al heel gelukkig
-te hebben gemaakt. Het tegendeel schijnt waar te zijn.”
-</p>
-<p>„Er zal veeleer niet aan geloofd worden.”
-</p>
-<p>„Wie mij kennen, weten wel dat ik niet lieg. De weduwe van Veninga geloofde het; ze
-wist, dat ze geen oogenblik behoefde te twijfelen, maar ze scheen er niet bijzonder
-mee ingenomen te zijn.”
-</p>
-<p>Met een kort schamper lachje haalde hij de schouders op. Wat gaf hij om hatelijkheden!
-Hij meende immers als advocaat dat hij zich nimmer iets mocht aantrekken van <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>de schimpscheuten eener tegenpartij, en reeds sedert lang was hij gewoon zijn vrouw
-alleen uit dat oogpunt te beschouwen.
-</p>
-<p>„Het verheugt me zeer,” zei hij op gemaakten toon, „dat je dit verstandig besluit
-hebt genomen. Wij kunnen nu wat verder komen.”
-</p>
-<p>„Zeker, en hoe eer hoe liever.”
-</p>
-<p>„U schijnt nu plotseling haast te krijgen.”
-</p>
-<p>„Hoe eer hoe liever, dat zeg ik nogmaals. Het zal me een waar genoegen zijn u zoo
-spoedig mogelijk met de weduwe van Veninga getrouwd te zien.”
-</p>
-<p>„Woudt u wellicht ook hertrouwen?” vroeg hij met een spottenden blik op haar grijze
-haren.
-</p>
-<p>„Och, dat doet er niets toe. Ik heb alleen haast om het u te zien doen, met die jonge
-weduwe; met niemand anders dan met haar en haar vermogen. Daartoe wil ik met alle
-genoegen medewerken. Er is geen schooner middel om me de voldoening te geven, die
-ik verlang.”
-</p>
-<p>Het werd hem toch te machtig, en hij ging naar zijn eigen kamer. Nu ja, het waren
-maar praatjes van een booze, wraakzuchtige vrouw,—doch niettemin hinderden ze hem,
-omdat hij ze in verband bracht met de onverschilligheid nu en dan van Henriëtte. Wie
-weet of ze niet samen gepraat hadden,—maar dat <span class="ex">kon</span> toch niet. Als eens.… hij moest er niet aan denken! Hij moest niet doordenken over
-zijn meer dan veertig jaren, <span class="ex" lang="fr">qui sonnaient</span>, omdat hij zich in zijn jeugd allesbehalve onbetuigd had gelaten. Hij moest die dwaze
-schrikbeelden terugdringen. Wat drommel, zij was toch waarachtig niet veel gewoon
-geweest bij Veninga!
-<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p>
-<p>In het kleine benedenhuis, dat de familie Roos in den diepsten achterhoek van den
-„Indischen Archipel” bewoonde, was het zeer stil. De kinderen waren bij een der buren,
-een kamerdienaar of zoo iets aan het hof, met wiens finantiëele positie die van den
-gepensionneerden kapitein ongeveer op één lijn stond. De groote meisjes, die thans
-van school waren, zaten in oude jurken met winkelhaken en scheuren er in, elk aan
-een kant van het bed, met roodgeweende oogen, maar in de kracht harer buitengewoon
-ontwikkelde lichaamsvormen, haast berstend uit de oude, vette japonnen en ondanks
-hun slordige onverschilligheid de incarnatie van ’s lands welvaren. En te midden van
-een weelderigen rijkdom nog altijd gitzwart haar lag op het beduimelde kussen het
-vaal, vermagerd gezicht van haar moeder, die ze zwaar en reutelend hoorden ademhalen.
-</p>
-<p>Corrie klemde haar handen angstig samen en boog zich voorover naar haar zuster.
-</p>
-<p>„God, God, Nel, ik wou dat pa kwam. Ik ben zoo bang!”
-</p>
-<p>„Houd je stil!” antwoordde <span class="corr" id="xd31e2110" title="Bron: Nellie">Nelly</span> met een diepen zucht.
-</p>
-<p>„Waar zou hij zijn?”
-</p>
-<p>„Weet ik het! Hij is immers haast altijd de deur uit.”
-</p>
-<p>„Zouden we geen dokter kunnen roepen?”
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e2117" title="Bron: Nellie">Nelly</span> haalde de schouders op met een bedroefd gezicht, dat voor de honderdste maal op schreien
-stond.
-</p>
-<p>„Waar? Het is zoo ver, en de dokters zijn niet thuis. Ach! en het zal haar toch niet
-helpen!”
-</p>
-<p>Zij zwegen weer en zagen, met een arm op den rand van het ledikant geleund, naar de
-stervende moeder, die geen ander geluid gaf dan het mechanische door haar belemmerde
-<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>en vernauwde luchtpijp teweeggebracht. Zij had het hard te verantwoorden, maar ze
-voelde het niet. Ze was vèr, vèr weg buiten de schraal gemeubelde kamer in de koude,
-„fatsoenlijke” achterbuurt van de nieuwe hofstad; zij had, sedert zij ziek was geworden
-en niet meer uit kon gaan om het partijtje te maken, dat zoo krachtig tot hun achteruitgang
-had meegewerkt, aanhoudend haar oude visioenen over Indië weer gehad, en het was of
-die sterker werden naarmate haar lichaam, door de ziekte ondermijnd, verzwakte. Maar
-dien dag, terwijl ze daar lag in een halve verdooving, niet bij machte zich te bewegen
-of zelfs de oogen te openen, was alles verwarder, en ze had daarover een flauw gevoel
-van verwondering; er kwamen geen bepaalde voorstellingen meer voor haar geest; het
-warde alles dooreen in den warmen zonneschijn; de hooge klapperboomen, de lage pisangs,
-de weelderige varens, de dispenskasten, de baboes,—het dwaalde alles rond in een flauwen
-onbestemden chaos met nevelachtige, samensmeltende lijnen en ineenvloeiende kleuren;
-het was om te lachen zoo dwaas, en de zwakke weerschijn van een glimlach plooide de
-akelig strak gespannen huid op haar magere kaken.
-</p>
-<p>„Ze lacht,” zei Corrie met een harden snik en den arm grijpend van haar zuster; samen
-bogen zij zich voorover en kusten het gezicht harer moeder, waarlangs haar groote
-tranen afrolden.
-</p>
-<p>Daar scheen de zieke toch iets van te bemerken, want de glimlach van zooeven verdween
-en maakte plaats voor een uitdrukking van bevreemding en angst. Waren dat de meisjes,
-de kinderen? Zonder dat ze het wist, had zij de hand opgelicht en rondgetast; de meisjes
-grepen haar beiden. Ja, dat <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>waren ze. Een oogenblik werkten de hersenen wat vlugger en krachtiger als namen ze
-een aanloopje op den naderenden stilstand. Ja, dat waren de meisjes, nu hoorde ze
-haar schreien. Ze wilde wel vragen waar Roos was, maar ze kon niet. Als zij stierf
-zouden Corrie en Nelly.… doch dezelfde verwarring kwam als daareven in Indië; de beelden
-van haar man en haar kinderen dwarrelden dooreen in een lichten nevel, die over haar
-heenkwam, dikker en donkerder, tastbaar zwart.…
-</p>
-<p>Nelly gaf een luiden schreeuw. De glimlach was teruggekomen op het gezicht harer moeder;
-het hoofd had even bewogen, zacht krakend had zich het lichaam uitgerekt en als een
-onbelemmerde vrije zucht was de laatste adem uitgegaan.
-</p>
-<p>Zij wierpen zich met hartstochtelijke droefheid op het lijk; zij noemden haar maatje
-bij al de lieve namen, die ze haar gaven als kinderen en die ze al lang vergeten waren;
-zij kusten haar en smeekten haar om één enkel woord.….
-</p>
-<p>Toen kapitein Roos de deur van zijn woning met den sleutel opende, hoorde hij het
-en stond verlamd van schrik en ontroering wel een halve minuut stil met den sleutel
-in de deur.
-</p>
-<p>Bevend, kon hij de deur toen bijna niet achter zich sluiten; hij liep naar de achterkamer;
-Corrie kwam hem te gemoet en viel hem luid weenende om den hals.
-</p>
-<p>„O pa, ze is dood, ze is dood!”
-</p>
-<p>Roos, verschrikkelijk bleek, maakte zich los van het meisje, ging naar het ledikant
-en nam de hand der doode in de zijne; hij moest op een stoel gaan zitten, zoo knikten
-zijn knieën. Hij had haar vermoord, dat stond bij hem vast; dat was sedert haar ziekte
-zijn <span class="ex" lang="fr">idée fixe</span>; hij had haar gebracht in de <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>ellende van een klimaat, waar zij niet tegen kon, en in een levenswijze, waaraan zij
-niet gewoon was en niet kon gewennen. Dat <span class="ex" lang="fr">idée fixe</span> bezat hem geweldig, nu ze daar dood neerlag en het groot aantal bittertjes, dat hij
-dien ochtend reeds had „verschalkt”, om „zijn zinnen te verzetten,” scheen mee te
-werken om hem in dat akelig idee te versterken.
-</p>
-<p>Hij keek naar de meisjes, die half geknield schreiend voor het bed zaten, en hij strekte
-zijn vrije hand uit.
-</p>
-<p>„Daar ligt mijn slachtoffer,” zei hij pathetisch.
-</p>
-<p>Zij weenden stil voort, zonder veel acht op hem te geven.
-</p>
-<p>„Daar ligt mijn slachtoffer!” herhaalde hij op denzelfden toon. „Ik ben haar moordenaar.”
-</p>
-<p>Nelly, die nogal driftig was, kon het niet aanhooren. Zij stond op, nam haar vader
-bij den arm en trok hem weg.
-</p>
-<p>„Ga de kamer uit, leelijke vent. Je bent weer dronken.”
-</p>
-<p>Hij scheen het niet te hooren en bleef onafgebroken naar het bed staren, steeds op
-hartbrekenden, maar door den toenemenden invloed van den drank onvasten, hikkenden
-toon herhalend: „Daar ligt mijn slachtoffer; ik ben haar moordenaar.”
-</p>
-<p>De buren van boven en van het naaste huis kwamen zóó gauw, als hadden ze den dood
-zien binnengaan; ’t was of ze het hadden „geroken”. En als goede buren maakten zij
-zich bereidwillig van den toestand meester. Zeker, zij hadden altijd veel te zeggen
-gehad op dien kalen kapitein, die zoo dronk, op die luie „Oostersche” vrouw, die de
-deur uitliep en haar huishouden verwaarloosde, en die twee „gekke” meisjes, die zich
-zoo gemoedelijk het hof lieten maken, die elken avond „straatjes-om” deden met allerlei
-jongelui, en die al heel <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>dikwijls „gezien” waren als ze zich lieten zoenen in het donker om een hoekje van
-de straat. Wel, het was, zeiden de buren, een huishouden van Jan Steen! Nu echter
-de kille hand van mageren Hein er een greep in had gedaan, verdween alle nijd en afkeer,
-verdrongen door een gevoel van medelijden, een zucht om bijstand te verleenen en een
-achtergrond van verlangen om zich met een schoon schijntje en goed fatsoen met eens
-anders huishouden te kunnen bemoeien. De arme Roos, die nog altijd hoe langer hoe
-kwijnender en hikkender van „moordenaar” sprak en van „slachtoffer”, werd met een
-zoet lijntje weggebracht; hij was toch eigenlijk zoo’n best mensch; nu ja, hij hield
-van een borreltje; „het” was toch voor de ganzen niet gebrouwen! En die arme meisjes!
-Nelly en Corrie werden ook, nadat men van het <span class="ex">ensemble</span> harer droefheid had genoten en er stemming uit had geput, door weenende buurjuffrouwen
-weggebracht. Bij dat alles was het toch maar het beste. Wat hadden zij moeten beginnen?
-Nu ging door de vreemde hulp alles vanzelf. Alles werd beredderd, het „afleggen” ook,
-en de eene juffrouw, die zich daarmee had belast, zei tegen de andere, die haar hielp,
-dat het toch een beetje griezelig was, zoo’n mensch met zoo’n donker vel; „als je
-aan den duivel dacht, weet u, die ook zoo zwart is!”
-</p>
-<p>Er was geen geld in huis, en toen bij Roos de kleine roes had uitgewerkt, en zijn
-droefheid over het verlies zijner vrouw, die hij jaren lang hartelijk had liefgehad,
-meer normaal was geworden, begreep hij allereerst dáárvan werk te moeten maken. Hij
-schreef den slijter, die dadelijk kwam en met vertoon van vriendschap en goedhartigheid
-geld bracht, zonder eenig besef van het kwaad, dat hij dit gezin had <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>berokkend. Want sedert Roos de boeken van de slijterij bijhield, was hij van een oud-soldaat,
-die een gewonen krassen borrel „pakt”, een geregelde dronkaard geworden, een alcoholist,
-die elken avond het besef verloor dat een rechte lijn de kortste afstand is tusschen
-twee punten. Hij was nu een huisvriend, en daartoe behoorden ook enkele hoogst fatsoenlijke,
-maar slecht bezoldigde ambtenaren van departementen, die den rumgrog, waarmee de rijke
-slijter zoo royaal was, letterlijk aanbaden. En deze drankgod, die zich te hoog achtte
-om particuliere kennissen te zoeken onder de kleine bakkertjes, kruideniertjes, smeden
-en blikslagers of andere producenten van het nuttige in zijn buurt, moedigde zijn
-vrienden altijd sterk aan. Hij verkocht zooveel slechte jenever aan de smalle gemeente
-en met zóóveel winst, dat hij licht zijn vrienden ruimschoots hun genoegen kon schenken
-aan uitstekende dranken!
-</p>
-<p>Het was mooi, helder weer bij de begrafenis.
-</p>
-<p>Tusschen de kieren der neergelaten gestreepte gordijnen in de voorkamer, drongen spelende
-zonnestraaltjes; het was er vol en warm; vol van in het zwart gekleede mannen met
-witte dassen en Indische officieren in uniform. Zij hielden geen kennis met Roos en
-zijn familie, die, sedert hij gepensionneerd was, zoo afgetakeld waren in hun maatschappelijke
-positie; zij kwamen niet in de soort van woningen, waarin zij thans vertoefden; zij
-hadden niet veel goeds gehoord in den laatsten tijd van hun oud-collega, en aan zijn
-gezicht zagen zij wel, dat hij door drankmisbruik tot décadence kwam. Maar toen ze
-het bericht ontvingen van den dood van mevrouw Roos, had geen hunner zich teruggetrokken:
-<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>de oude krijgsmakkers, sommigen met den gouden kraag van hoofdofficier, waren gekomen
-om haar „de laatste eer” te bewijzen, en zij stonden in de benauwde voorkamer zacht
-fluisterend bijeen met gezichten en houdingen, die aantoonden dat ze daar slechts
-waren uit een gevoel van piëteit, zonder meer. De straat—voor zoover die nog bewoond
-was—liep uit. Wat een rijtuigen! En dan die officieren! Roos steeg in de algemeene
-achting. Allen gevoelden wel, dat <span class="ex">hun</span> zoo’n mooie begrafenis niet zou ten deel vallen!
-</p>
-<p>Aan het graf ging het stil toe. Roos stond als versuft, daar hij nog geen bittertje
-had gehad, volkomen abnormaal en buiten staat te denken, met gebogen hoofd en glimmend
-gezicht de kist na te kijken, die op de touwen met een dof gedruisch werd neergelaten
-in het donker slijkerig gat, waaruit een benauwde grondlucht opsteeg.
-</p>
-<p>Alles verliep voor hem werktuiglijk. Hij knikte maar met het hoofd, als iemand zijn
-hand, die hij slapjes ophield, drukte, en oude bekende stemmen, hem met een kort woord
-„sterkte”, „kracht”, „’t beste”, of „God zegen je” wenschten; dan knikte hij maar
-en zei soms „merci!”, tot de slijter, die een erg gelegenheidsvertoon maakte in gelaats-uitdrukking
-en gebaren, hem onder den arm nam en met heel veel voorzichtigheid wegleidde van het
-kerkhof, als was hij bang dat Roos onderweg zou omvallen of beschadigen.
-</p>
-<p>De straat was zeer verwonderd toen ze al die heeren en officieren niet zag terugkeeren;
-daar was op gerekend ook in het sterfhuis, waar een groote schaal met sandwiches stond
-te wachten met „gefiltreerde” koffie,—een idee van de vrouw van den kamerdienaar aan
-het hof, die meende dat <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>gewone broodjes met vleesch voor deze gelegenheid te ordinair waren. Maar de buren
-zelf en nog enkele „vrienden” handelden alsof ze van de bij het kerkhof naar huis
-gegane officieren generale procuratie hadden voor het eten van sandwiches. Roos had
-zich met bevende hand een bittertje ingeschonken en het met virtuositeit weggewipt;
-hij zuchtte van genot; dat was toch maar alles! Na de derde editie verminderde het
-beven, en toen ging hij mee in de voorkamer zitten, waar men een uur later elkaar
-haast niet zien kon van den sigarenrook, terwijl onder het genot van cognac voor de
-heeren en likeur voor de dames, luid werd gesproken en gelachen, als moest de achterstand
-zoo spoedig mogelijk bijgewerkt worden.
-</p>
-<p>Tusschen kapitein Roos en zijn dochters had zich langzamerhand een gespannen toestand
-ontwikkeld. Zij waren niet meer de op commando gehoorzamende kinderen, die met een:
-„Ajo marsch!” weggezonden konden worden. Het was zijn eigen schuld. Van den tijd,
-dat zij hem elken avond zalig thuis zagen komen, was alle achting verdwenen, en terwijl
-Corrie nog van hem bleef houden, al was het niet veel, en hem nog behandelde als haar
-vader en het hoofd des gezins, gaf Nelly, die harder en driftiger van karakter was,
-hem onverholen haar diepe minachting te kennen. Dan vloekte hij, en sloeg met de hand
-op de tafel; eens zelfs had hij zijn wandelstok opgeheven en toen had Nelly den steel
-gegrepen van een kastrolletje met kokende melk, dat op het petroleum-toestel stond,
-en hoogst irreverentelijk verklaard, dat zij dit haar voorzaat in het gezicht zou
-gooien, als hij haar sloeg. Roos zag dat zij het doen zou, en trachtte door <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>een waardig terugtrekken vol minachting, den aftocht te dekken. Maar hij zat er van
-dat oogenblik diep onder.
-</p>
-<p>’s Avonds toen de meisjes in bed lagen, dicht bij elkaar met de dekens over haar neuzen,
-spraken ze weer van haar moeder en ze klaagden zacht over haar verlies, maar toen
-het uit was, kwamen ze op haar eigen toestand.
-</p>
-<p>„Wat doe jij?” vroeg Corrie.
-</p>
-<p>„Ik weet het nog niet. Wat ik wèl doen zal, weet ik niet, maar wat ik niet doe, is
-bepaald.”
-</p>
-<p>„Je wilt weg?”
-</p>
-<p>„Asjeblieft! Voor geen geld blijf ik hier langer in huis.”
-</p>
-<p>„En de kinderen?”
-</p>
-<p>„Moeten <span class="ex">wij</span> daarvoor zorgen? Zijn het misschien <span class="ex">onze</span> kinderen?”
-</p>
-<p>„Neen maar!”
-</p>
-<p>„Gekkin! Zorgt hij voor de kinderen? Heeft hij voor ons gezorgd?”
-</p>
-<p>„Gezorgd heeft hij zeker niet.”
-</p>
-<p>„Weet je, het is zijn schuld niet, dat we niet bepaald slecht zijn geworden, en ronduit
-gezegd: ’t kon mama ook weinig schelen.”
-</p>
-<p>„Foei Nel.”
-</p>
-<p>„Corrie, wees nu niet zoo flauw. Je weet heel goed, dat ik gelijk heb. Ze hebben ons
-allebei laten loopen voor wat er van komen wou.”
-</p>
-<p>„Maar dat hebben we nooit zoo heel onpleizierig gevonden.”
-</p>
-<p>„Neen,” zei Nelly met een korten lach, „da’s waar.”
-</p>
-<p>„En als ze ons aan een erg kort lijntje hadden gehouden, <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>dan was het nog de vraag of het zou geholpen hebben.”
-</p>
-<p>„Geholpen, nu ja! Ik weet, wat ik weet. Wij hoeven elkaar niets te vertellen, Cor,
-en ons waarachtig tegenover elkaar niet slechter voor te doen, dan we zijn.”
-</p>
-<p>„Dat doe ik ook niet. Ik zou heel graag een man hebben en ’t kan me niet schelen wien,
-als ik maar te eten heb, mooie kleeren, niet te werken en geen kinderen.”
-</p>
-<p>Nelly gaf in stilte lachend een stomp in de vleeschmassa harer zuster.
-</p>
-<p>„Je bent net een varken,” zei ze.
-</p>
-<p>„De pot verwijt den ketel dat hij zwart ziet,” gichelde Corrie terug. „<span class="ex" lang="ms">Adoe!</span> Stomp me toch niet zoo of ik geef je ’n schop!”
-</p>
-<p>„Neen, maar zonder gekheid, Cor: ik ga het huis uit.”
-</p>
-<p>„Maar kind, waar moet je heen?”
-</p>
-<p>„’t Kan me niet schelen. Alles liever dan hier te blijven bij mijn dronken vader en
-een troep verwende bengels van broertjes en zusjes.”
-</p>
-<p>„En bij mij dan!” zei Corrie spottend.
-</p>
-<p>„Bij jou, dik beest!” ging Nelly stompend voort. „Jij, die geen hand uitsteekt en
-mij maar voor asschepoestertje laat spelen.”
-</p>
-<p>„Lieve Hemel! Jij doet ook wat! ’t Is me een mooi boeltje hier! Weet je wat ik die
-mevrouw van hiernaast hoorde zeggen?”
-</p>
-<p>„Die juffrouw bedoel je.”
-</p>
-<p>„Nu dan, die juffrouw die getrouwd is.”
-</p>
-<p>„Wel, wat zei ze dan?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet goed, maar er kwam iets in van een kardoes en van een bende.”
-<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah</span>, ’t kan me niet schelen; die kardoes was jij zeker.”
-</p>
-<p>„Of jij.”
-</p>
-<p>„Ook goed; ’t is me hetzelfde. Weet je wat we moesten doen?”
-</p>
-<p>„Nu wat?”
-</p>
-<p>„We moesten van papa elk duizend pop zien te krijgen.”
-</p>
-<p>„Maar Nel, ben je heelemaal!.… Hoe zou de man er aan komen? Hij bezit geen duizend
-centen.”
-</p>
-<p>„Da’s niks; hij moet maar voorschot nemen op zijn pensioen; die man uit het jeneverkantoor,
-die hem altijd dronken maakt, zal het wel willen leenen.”
-</p>
-<p>„En dan?”
-</p>
-<p>„Dan gaan we naar Indië.”
-</p>
-<p>„En de kinderen?”
-</p>
-<p>„Die doet hij in een weeshuis, dat is heel gemakkelijk.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Kasian!</span>”
-</p>
-<p>„Waarom? Ze hebben het beter dan thuis. Papa kijkt in het geheel niet naar hen om.
-Ik verdraai het en jij,—nu ja, jij bent net ’n goeie! ’t Zou hier ’n mooie geschiedenis
-worden, als ik alleen wegging en jij zonder mij achterbleef. Ik zal maar niet zeggen
-wat!”
-</p>
-<p>„Hou jij je nu maar goed. Je bent ook ’n lievertje, zeg!”
-</p>
-<p>Zoo maakten ze stil ruzie onder de dekens in de duisternis, elkaar van allerlei verwijtend,
-waar en onwaar, tot ze weer terugkwamen op het denkbeeld om samen naar Indië te gaan;
-„<span class="ex" lang="ms">Tjari laki</span>”, zooals Corrie gichelend zei.
-</p>
-<p>De meisjes sliepen reeds lang, toen Roos nog op en neer liep in de huishoudkamer,
-die gemeenschap had met het vierkante hokje, waarin zijn ledikant stond en dat alkoof
-heette. Hij had dien avond zijn gewonen roes niet, en hij <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>had dien reeds sedert den dood zijner vrouw niet gehad; hij meende het ook wel te
-kunnen doen met „klare” jenever met water, apenmelk, zooals hij ’t noemde. Maar het
-ging toch niet. Gewoon aan de lekkere rum, stond hem het ordinaire goed nu geweldig
-tegen; na eenig aarzelen kleedde hij zich, verliet in den laten avond stil het huis,
-liep met zijn kraag in de hoogte naar den naasten drankwinkel, kocht er een flesch
-rum en keerde met groote stappen naar huis terug, de geliefde aan het hart drukkend.
-Hij dronk thuis zijn eerste glas met welbehagen, keek het tegen het licht, bij zichzelven
-mompelend van „godendrank” en van „’n edele vrucht!” <span class="corr" id="xd31e2266" title="Bron: hij">Hij</span> ging er op zijn gemak bij zitten met een pijpje in den mond, drinkend en rookend.
-De drinker won het op den rooker; reeds lang lag de pijp in rust vóór hem toen hij
-nog langzaam en met de domme uitdrukking van bedwelming op het opgezet gelaat, het
-eene glas ledigde na het andere, nu niet meer met water, maar „kring”. Wel trachtte
-hij nu en dan de pijp weer aan te steken, maar hij zat vruchteloos te smakken, want
-hij hield den lucifer een handbreed er vandaan, tot hij hem liet vallen, als hij zich
-de vingers brandde. Het was stil in huis: alles sliep; om ’t half uur sloeg de Amerikaansche
-klok met luiden metaalklank; hij hoorde het nog tot halfdrie, toen zonk hij langzaam
-van zijn stoel af op het vloerkleed en lag daar als een zware onbeweeglijke massa,
-waaruit een heesch geluid bij het snorkend ademhalen en een akelige benauwende dranklucht
-opstegen.
-</p>
-<p>Nelly haalde haar zuster, die altijd langer sliep, den volgenden morgen uit het bed.
-<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p>
-<p>„Kom nu toch eens mee!” zei ze heftig.
-</p>
-<p>Corrie, slaapdronken en met haar dikke beenen over den ijzeren rand van het ledikant
-getrokken, wreef haar oogen.
-</p>
-<p>„Och, laat me toch met rust; ’t is nog zoo vroeg!”
-</p>
-<p>„Slaapkop, word toch wakker. Je moet nu toch eens meekomen om het schandaal te zien.”
-</p>
-<p>Dat woord deed Corrie ontwaken.
-</p>
-<p>„Wat is het dan?” vroeg ze nieuwsgierig, opstaande.
-</p>
-<p>Maar Nelly ging de kamer uit en zij liep haar na, naar de huishoudkamer.
-</p>
-<p>Roos lag nog altijd op den grond te ronken; de rumflesch op de tafel was bijna leeg.
-</p>
-<p>„Kom help me maar eens,” zei Nelly vol toorn en verontwaardiging, „dan zullen we probeeren
-onzen dronken papa in zijn bed te leggen.”
-</p>
-<p>Ze waren jong en sterk, maar ze hadden er toch moeite mee; zij stootten zijn hoofd
-bij ongeluk zoo hard tegen een stoel, dat ze er van schrikten; maar hij voelde er
-niets van en werd geen oogenblik wakker.
-</p>
-<p>„En nu hier blijven,” zei Nelly, „nu door den dood van ma het hek heelemaal van den
-dam is?—Ik zou je danken!”
-</p>
-<p>Corrie zuchtte en zei niets.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>„Het” lokaal in ’t kleine stadje in het noorden, waar dien avond de candidaat der
-kiesvereeniging „Vrijheid en Ontwikkeling” als spreker zou optreden, was vol kiezers,
-meest boerenlieden uit den omtrek, maar die voor deze gelegenheid hun Zondagspak voor
-den dag hadden gehaald en wier gezichten kleurig als de wijnappelen in hunne boomgaarden
-<span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>boven de breede zwartsatijnen dassen uitstaken. Hier en daar een gewoon burgerheer,
-de notaris, de secretaris, de ontvanger en zoo. Men was in die streek heel erg liberaal,
-behalve op ’t stuk van belastingen. De naam van den candidaat was algemeen geacht;
-hij behoorde tot eene deftige familie van grondeigenaars <span class="ex" lang="fr">de père en fils</span>; persoonlijk kenden hem maar weinigen; hij was eerst aan de academie geweest en toen,
-niemand wist waarom, maar zeker niet uit eenigen nooddwang naar de-n-Oost gegaan.
-<span class="ex">Nu</span> was hij terug en hadden zijn bloedverwanten hem candidaat gesteld. Het was, meenden
-allen, opperbest. Neen, ze zouden hem kiezen, dat stond vast; men behoefde hun niet
-te vertellen wie de Fourniers waren; dat wist een kind wel. De spreekbeurt was dus
-meer voor den vorm: men moest toch zijn candidaat eens hooren! En dan: het was toch
-eigenlijk ook wel noodig, meenden zij, want iemand die in de-n-Oost geweest was,—men
-kon nooit weten! daar kwamen zulke rare menschen vandaan.
-</p>
-<p>Toen Fournier, die zich op aandrang van zijn familie en vooral van Hortense de candidatuur
-had laten welgevallen, de zaal binnentrad, kon hij eerst haast niet zien van den tabaksrook.
-Hij werd voorgesteld, drukte vele handen, was „heel aardig” in zijn manier van spreken,
-en ging den katheder op met de zekerheid van iemand, die een vak verstaat, waarbij
-het spreken voor het publiek behoort. ’t Was de eerste maal niet, dat hij als redenaar
-was uitgenoodigd. In een andere vereeniging, waar men uitsluitend sprak over Indische
-aangelegenheden, was hij meermalen „uitgenoodigd” door de leden van het bestuur, maar
-hij had <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>er zich altijd op de een of andere wijze afgemaakt. Dáár te spreken, dacht hij, was
-allesbehalve <span class="ex" lang="fr">le moyen de parvenir</span>.
-</p>
-<p>Hij keek eens rond voor zoover de dikke rookwolk het veroorloofde, en hij moest zich
-bedwingen om niet te hoesten, zoo sloeg hem de onaangename lucht van het Amersfoorter
-bocht op de borst. Maar hij wilde niet hoesten, om geen indruk van lichamelijke zwakte
-te geven; hij hield zich goed en ving zeer bedaard, langzaam en duidelijk zijn rede
-aan.
-</p>
-<p>Zij konden het opperbest verstaan, de kiezers, en er waren er, die elkaar toeknikten;
-zóó mochten zij het hooren; dat ten minste kon iedereen verstaan.
-</p>
-<p>En wat was hij liberaal!
-</p>
-<p>Hij wilde onderwijs van den Staat, armverzorging door den Staat en nog heel veel meer;
-maar hij wilde vermindering van belastingen, vooral op ’t stuk van grondlasten.
-</p>
-<p>Fournier zei dat alles, nu en dan, voor den indruk, er een paar Latijnsche woorden
-tusschenduwend.
-</p>
-<p>En terwijl hij daar stond te oreeren over dingen, die hem haast in ’t geheel niet
-interesseerden, en waar hij eigenlijk, indien hij er een studie van had gemaakt, een
-heel andere opinie van zou gehad hebben, kwam hem met onweerstaanbare kracht zijn
-eigen beeld voor den geest; het beeld zijner persoonlijkheid als jong rechterlijk
-ambtenaar. Wat had hij toen een eigen meening, en wat hechtte hij daar een waarde
-aan! Voor geen schatten zou hij er afstand van hebben gedaan, en hij verachtte diep
-ieder man, die niet sprak naar heilige overtuiging.
-</p>
-<p>Het scheen hem lang, zeer lang geleden; ’t was of hij dacht,—in dit soort van dualisme
-pratend voor het publiek en te gelijk <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>denkend over iets anders,—aan een gansch ander man, hem geheel vreemd.
-</p>
-<p>„Wij moeten de handen ineenslaan,” ging hij plotseling op luiden declameerenden toon
-voort, met stille woede het pak zijner vroegere ideeën terugdringend en overstemmend.
-„Wij moeten al onze krachten inspannen tot verdediging en handhaving der vrijzinnige
-beginselen, die vooral het noorden van ons dierbaar vaderland bezielen, en het zoo
-krachtig doen medewerken tot beschaving en veredeling van ons nationaal volksleven.”
-</p>
-<p>Weer knikten de kiezers elkaar toe; de gouden ringetjes om hun dikke, ronde oorlellen
-dansten op en neer en schitterden in het licht. Dàt waren zij, die medewerkers tot
-beschaving en veredeling! O, maar ze wisten het reeds lang! Vroegere candidaten hadden
-het immers ook gezegd.
-</p>
-<p>Zij drukten hem allen met warmte de hand toen hij had uitgepraat, en zoo hij al niet
-heel zeker was van hun roeping tot veredeling van ons nationaal volksleven,—tot het
-hanteeren van den vaderlandschen ploeg waren zij ongetwijfeld in staat; dat voelde
-hij.
-</p>
-<p>„We zullen er verder maar niet veel drukte over maken,” zei lachend de burgemeester.
-„Gaat u met mij thuis soupeeren?”
-</p>
-<p>Veel lust had Fournier er niet in, maar wat zou hij doen? Hij was immers <span class="ex">de</span> candidaat, en als zoodanig weigert men niet bij den burgemeester te eten.
-</p>
-<p>„Wel?” vroeg Hortense, hem hartelijk omhelzend toen hij thuiskwam: „hoe is ’t gegaan?”
-</p>
-<p>„Och zoo! ’t kwam zoo ongeveer uit als ik gedacht heb.”
-<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p>
-<p>„Waren er veel heeren?”
-</p>
-<p>„Neen, heel weinig.”
-</p>
-<p>„Hè?”
-</p>
-<p>„Maar boeren waren er des te meer.”
-</p>
-<p>„Nu ja, ik bedoel natuurlijk kiezers,—publiek <span class="ex">enfin</span>!”
-</p>
-<p>„Het is ’n raar troepje.”
-</p>
-<p>„Foei, Gérard!”
-</p>
-<p>„Kind, wees toch verstandig en tracht niet jezelve iets wijs te maken. Ik geloof niet,
-dat <span class="ex">ik</span> mezelven ooit dieper heb geminacht, dan toen ik voor die menschen allerlei <span class="ex" lang="en">common places</span> opdreunde, ja hen zelfs gewoon voorloog.”
-</p>
-<p>„Ajakkes, vent!” riep Hortense met een teleurgesteld gezicht, een toetje makend van
-haar mond, „wat kan je toch nare dingen zeggen.”
-</p>
-<p>„Maar ware!”
-</p>
-<p>„Dat denk je maar. Je hebt toch ook wel geweten wat het was, en je zei nog zelf, dat
-je niet in die andere vereeniging als spreker wou optreden vóór je ’n plaats in de
-Kamer had.”
-</p>
-<p>Hij haalde de schouders op.
-</p>
-<p>„Wat heeft nu dat er mee te maken?”
-</p>
-<p>„’t Is alleen maar, zie je, dat je nu op die kiezers niet moet smalen. Ik vind het
-beste menschen.”
-</p>
-<p>„Charmante kerels,” zei hij half lachend. „Je moet ze eens op de thee vragen. Ze dampen
-in een kwartier alles zwart met hun stinkende tabak.”
-</p>
-<p>„Men kan een eenvoudig mensch wezen en slechte tabak rooken.….”
-</p>
-<p>„Stance-lief, schei nu uit, ja? We weten volkomen juist waarop het staat. Ik moet
-lid der Kamer worden, <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span><span class="ex" lang="de">dass ist bestimmt in Gottes Rath</span>, en in die van jou en de familie.”
-</p>
-<p>„’t Is volstrekt niet aardig van je. ’t Is net of wij je dwingen tot een opoffering.”
-</p>
-<p>„Volstrekt niet. Ik ben al zoover, dat mijn eigen ijdelheid er zeer door zal gevleid
-zijn. Maar geloof me, Stance, er zijn momenten, waarin ik walg van mijzelven; waarin
-ik het betreur, dat ik ’s lands dienst heb verlaten om in de praktijk te gaan. Het
-is waar, dat men in dien dienst veel kostbaren tijd met onbeduidendheden vermorst
-en men er maatschappelijk alles moet ontleenen aan zijn betrekking; de betrekking
-absorbeert den persoon; zij is alles, hij niets; zij merkt hem tegenover het publiek
-met een onverbreekbaar rangnummer; achter nummer tien of vijftig kan een groot man
-staan, achter nummer één of twee een nul; ’t doet er niets toe; het nummer geeft de
-waarde aan.”
-</p>
-<p>Hortense begreep het niet best; zij was nooit sterk geweest op het punt van vergelijkingen.
-Zij haalde zwijgend de schouders op, volstrekt niet wetend waar hij heen wilde.
-</p>
-<p>„Doch overigens,” ging hij voort, „is het toch veel waard, dat men op zijn opinie
-geen zelfmoord behoeft te plegen; men kan haar als rechterlijk ambtenaar vrij laten
-gelden; men <span class="ex">moet</span> dat zelfs doen, tenzij men tot die ongelukkigen behoort, die geen eigen meening hebben
-en maar altijd varen naar het kompas van de letter of naar dat van eens anders meening.”
-</p>
-<p>Met groote belangstelling bekeek Hortense een paar roode vlekjes in den hals van hun
-kind; zij onderzocht ze met gefronste wenkbrauwen, ernstig overwegend of die vlekjes
-ook <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>iets met mazelen te maken konden hebben. Naar Fournier luisterde ze in ’t geheel niet
-meer; zij bleef altijd veel te veel de dochter van Van Velton om naar zulk onpractisch
-gezeur te luisteren.
-</p>
-<p>En Fournier, die ook eigenlijk meer tegen zichzelven sprak, uit behoefte om een formule
-te geven aan hetgeen hij de laatste dagen vaak had gedacht en om die formule zelf
-uit te spreken en ook weer zelf te hooren, vervolgde:
-</p>
-<p>„Voor iemand, die zich nog iets anders voelt dan een ledepop tegenover de maatschappij
-en een komediant tegenover het recht, is de praktijk onuitstaanbaar. Tegen haar eischen
-tornt men vruchteloos op. Geen karakter is er tegen bestand. Men moet zich onderwerpen
-of heengaan. Men komt als in een stroom, die medevoert; soms, in het begin, houdt
-men een oogenblik worstelend stand; maar de stroom gaat ’t volgende oogenblik voort
-en sleurt toch mee, als men er niet meer aan denkt. En men eindigt.…”
-</p>
-<p>„Zou jij denken, Gérard, dat het mazeltjes werden?” vroeg Hortense heel ernstig.
-</p>
-<p>„’t Is de besmettelijkste ziekte, die ik ken,” ging hij voort, starend <span class="ex" lang="de">in ’s Blaue</span> en zijn gedachtenloop vervolgend, „men eindigt met den stroom mee te roeien om het
-hardst, en het wordt een wedstrijd om de glorie het best en ’t gemakkelijkst zijn
-eigen persoonlijkheid te kunnen vertrappen.”
-</p>
-<p>„Och, wees nu niet zot! ’n Besmettelijke ziekte.… kom!”
-</p>
-<p>„Hm?”
-</p>
-<p>„Hè, wat ben je raar vandaag! Ik vroeg of je denkt dat <span class="ex">dit</span> mazeltjes zullen worden; <span class="ex">dit</span>.”
-</p>
-<p>Hij lei zijn vinger op de aangeduide plekjes en keek aandachtig.
-<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p>
-<p>„Wel neen.”
-</p>
-<p>„Zoo, en waar zie je dat aan?”
-</p>
-<p>„Och, dat weet ik niet. Het komt mij zoo voor. Ik houd het voor ’n muggebeet.”
-</p>
-<p>„Ze regeeren anders erg, de mazelen.”
-</p>
-<p>Fournier, dien dag erg uit zijn humeur, werd boos.
-</p>
-<p>„Nu, als je het dan bepaald wilt.….”
-</p>
-<p>„Hè, wat ben je onaardig, Gérard.”
-</p>
-<p>Lachend gaf hij haar een kus.
-</p>
-<p>„’t Was niet zoo gemeend, Stance. Maar je moet je niet ongerust maken voor niemendal.”
-</p>
-<p>„Zoo! Is ons kind niemendal?”
-</p>
-<p>„Neen, maar mazeltjes, dat geen mazeltjes zijn.”
-</p>
-<p>„Ik wou toch zoo graag, vent, dat je gekozen werdt.”
-</p>
-<p>„Ja, dat weet ik. Ik had vroeger nooit gedacht, dat je zoo’n belang stelde in het
-Nederlandsche volk.”
-</p>
-<p>„Groote goden ja!” antwoordde zij lachend: „dat volk interesseert me erg!”
-</p>
-<p>Hij wist wel, dat slechts ijdelheid haar drijfveer was, en de zijne stond maar weinig
-hooger. Sedert Louise gravin De Riquelle was, had Hortense geen vuriger verlangen
-dan een of andere verheffing voor haar en haar man. Een graaf was van hem niet te
-maken, dat stond nu eenmaal vast. Hoe knap hij ook was, hoe verstandig en rijk aan
-ervaring, en hoe erg gewoon de intellectueele ontwikkeling van den ritmeester daartegenover
-stond,—het baatte niets; de liefelijkst kweelende nachtegaal kan nu eenmaal geen goudvink
-worden. Zij moesten het dus vinden op ’t maatschappelijk gebied; dáár was hun terrein,
-en Hortense vond dat iemand, <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>die lid was van de Tweede Kamer, een groot man mocht heeten en dat zoo’n lidmaatschap
-tegen een altijd toch betrekkelijk nominaal graafschap best kon opwegen.
-</p>
-<p>Zij was toen <span class="ex">de</span> dag aanbrak zenuwachtiger dan Fournier.
-</p>
-<p>Hij voelde wel iets, maar hield zich uitstekend. Niet omdat hij zoo zeker was van
-zijn zaak, want op het geheele district kon hij niet rekenen. Er was een ook liberale
-tegencandidaat gesteld in een andere gemeente en ook voor dien was, dat wist hij,
-door vrienden en verwanten hard gewerkt. Hij had de verkiezings-artikelen gelezen
-in de plaatselijke courantjes; ofschoon men hem om de positie zijner familie had gespaard,
-was hij er bij de tegenstanders van eigen partij toch niet geheel zonder kleerscheuren
-afgekomen. Hij vond het heel fatsoenlijk voor een verkiezings-quaestie! Mijn hemel,
-als men eens zag hoe zulk een onbloedige en voor een groot deel onpersoonlijke strijd
-een deel der natie—het fatsoenlijke!—tot een ploertigen kermistroep verlaagde, die
-niets ontzag, voor wien eens anders reputatie en goede naam geen grooter waarde hadden
-dan een flesch met water in Indië!
-</p>
-<p>Neen, in dat opzicht was hij er bepaald goed afgekomen.
-</p>
-<p>Telkens als er gebeld werd, sprong Hortense op. Wel twintigmaal in een uur liep ze
-naar het venster om te zien of de telegrambesteller nog niet arriveerde; zij berekende
-den tijd en vroeg telkens aan Gérard of hij nu niet dacht, dat het telegraphisch bericht
-er reeds lang wezen kon.
-</p>
-<p>Eindelijk viel het kind zich al spelende met ’t hoofdje tegen een stoel een der vele
-builen uit een kinderleven; het zette een keel op van belang; de verschrikte ouders
-schoten toe; zij hoorden niet eens dat er gebeld werd.
-<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p>
-<p>„Asjeblieft mevrouw, een telegraaf,” zei de meid.
-</p>
-<p>Hortense vergat haar schreeuwend kind, rukte het couvert open, vloog Gérard om den
-hals en kuste hem met aandoening. Hij, een beetje bleek en zenuwachtig nu ook, keek
-het telegram in en vergeleek het aantal uitgebrachte stemmen met dat op hem vereenigd.
-</p>
-<p>Hij was gekozen met een meerderheid van twee stemmen; <span class="corr" id="xd31e2433" title="Niet in bron">„</span><span class="ex" lang="fr">les deux font la paire</span>,” dacht hij glimlachend.
-</p>
-<p>Het was een groote drukte, dien dag en den volgenden. Het regende brieven en telegrammen.
-Dokter Van der Linden kwam feliciteeren en was zeer in zijn schik. Allerlei soort
-van vrienden en bekenden maakten visites of passeerden hun kaartjes. Toen de dokter
-er was, kwamen er juist ook eenige Indische heeren, waaronder er waren, die hem niet
-weinig benijdden en hem een geluk wenschten, dat ze o zoo graag hunzelven hadden gegund.
-Ook Mourant, juist voor zaken in Den Haag, zooals hij zei, kwam, en keek den gekozen
-volksvertegenwoordiger met verbazing aan, als ontdekte hij iets in hem, dat hij nog
-nooit had vermoed; zoo’n beleedigende verbazing, die onuitgesproken zegt: „hoe heb
-jij ’m dat zoo kunnen leveren.”
-</p>
-<p>Fournier zag het en amuseerde er zich mee.
-</p>
-<p>„Ziezoo,” zei een der oud-gasten, een gewezen hoofdambtenaar, „nu hebben we weer een
-voorstander der Indische belangen in het Nederlandsche parlement.”
-</p>
-<p>„En ’n uitstekend redenaar,” voegde een ander er bij.
-</p>
-<p>„’t Spijt me,” antwoordde Fournier droogjes. „Men moet voor Indische aangelegenheden
-niet te veel op mij rekenen.”
-<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
-<p>„Maar m’n waarde heer, de groote belangen dier zoo talrijke inlandsche bevolking.….”
-</p>
-<p>„Neen, toch niet. Ik denk niet, dat ik me veel moeite daarvoor geven zal.”
-</p>
-<p>„Mijn God, hoe is het mogelijk! Iemand, die in Indië is geweest en dat alles heeft
-aanschouwd.”
-</p>
-<p>„Nu ja, dat is zeer betrekkelijk. Ik heb op twee hoofdplaatsen gewoond. Persoonlijk
-ben ik dus met de bevolking al heel weinig in aanraking geweest, en ik heb ook nooit
-lust gevoeld verder met haar en haar omstandigheden in aanraking te komen.”
-</p>
-<p>„En dat zegt een oud-ambtenaar bij de rechterlijke macht!”
-</p>
-<p>Het was Mourant, die het riep, met zijn armen theatraal omhoog, en zijn neus en zijn
-buik in den wind. Fournier keek hem eens eventjes schuin aan met een ironisch lachje.
-Welzeker, hij begreep dat volkomen! Mourant zou het dadelijk gloeiend hebben opgenomen
-en nog opnemen voor „den” Javaan, als dat hem aan zoo’n heerlijk plaatsje op het Binnenhof
-kon helpen; hij zou hartroerende tooneelen schetsen met al het pathos, waarover hij,
-bij gebrek aan beter, beschikte.
-</p>
-<p>„Ja, zie je,” voegde Fournier er droogjes bij, „het is nu juist niet als ambtenaar
-bij de rechterlijke macht dat men sympathie krijgt voor de inlandsche bevolking.”
-</p>
-<p>„Men ziet toch haar lijden onder den afschuwelijken toestand van verdrukking en maatschappelijke
-ellende.”
-</p>
-<p>„Niet zoozeer.…. Men ziet eigenlijk meer haar gemeenheid en haar door en door leugenachtigen
-en verdorven aard.”
-</p>
-<p>„Leugenachtig, ja; maar kan dat anders, na zooveel jaren <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>onderdrukking? Wij moeten het volk de gelegenheid openen zich te ontwikkelen, beschaafder
-en beter te worden.”
-</p>
-<p>„Ga gerust uw gang; ik doe er niet aan mee. Ik heb niet de minste sympathie voor de
-bevolking. Gaarne erken ik, dat ik er weinig van weet en niet veel meer van heb gezien,
-dan de slechte zijde.”
-</p>
-<p>„Let dan op de goede; let op den zachten, vredelievenden aard der inlanders; op hun
-tevredenheid met weinig; hun berusting in het lot; hun kinderlijken eenvoud.….”
-</p>
-<p>Fournier lachte.
-</p>
-<p>„Die laatste is heel aardig.”
-</p>
-<p>„Hoe dat?”
-</p>
-<p>„Ik begrijp niet hoe de menschen over zulke dingen kunnen spreken. Wat volgens onze
-zeden zeer gemeen, verachtelijk, ja streng strafbaar voor de wet zou zijn, is bij
-die lieden uiterst gewoon en geoorloofd; men gaat nu zoover het bij hen „kinderlijk
-eenvoudig” te noemen.”
-</p>
-<p>„Het strookt met hun godsdienstige levensopvatting.”
-</p>
-<p>„’t Is wel mogelijk, ofschoon ze ook zonder die opvatting zoo handelen. Ik zeg u nogmaals,
-dat de inlandsche bevolking mij hoegenaamd geen belangstelling inboezemt.”
-</p>
-<p>„Maar dat volk.…”
-</p>
-<p>„Het is niet eens ’n volk. Het is niets, eenvoudig niets. ’t Zijn een troep individuën
-met begrippen omtrent het huisgezin, die meer overeenkomst hebben met den toestand
-in een apen-kolonie of een konijnenhol, dan met de onze. U moet me ’t niet kwalijk
-nemen, maar ik weiger pertinent mij voor de bevolking in de Tweede Kamer in de bres
-te stellen.”
-<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p>
-<p>Zij keken elkaar teleurgesteld aan en schudden bedenkelijk de hoofden.
-</p>
-<p>Na een oogenblik van stilte vroeg Mourant:
-</p>
-<p>„En de toestand der Europeesche ingezetenen?”
-</p>
-<p>„Daar weet ik iets meer van,” antwoordde Fournier; „die toestand is voor de particulieren
-niet gunstig, maar toch altijd nog gunstiger dan hier.”
-</p>
-<p>„Gunstiger dan hier?”
-</p>
-<p>„Welzeker. In Indië komt men om fortuin te maken. Lukt dat niet, dan beklaagt men
-zich bitter, al heeft men er ook een ruim en aangenaam bestaan.”
-</p>
-<p>„U vergeet iets.”
-</p>
-<p>„En dat is?”
-</p>
-<p>„Tal van ondernemers hebben ontzettende verplichtingen, die hen drukken en waaraan
-zij niet kunnen voldoen.”
-</p>
-<p>Een oogenblik kwam de advocaat geheel bij Fournier boven.
-</p>
-<p>„Och,” zei hij lachend, „dat is ook nog zoo kwaad niet; het beste baantje in Indië
-is tegenwoordig landeigenaar te zijn met ’n paar millioen hypotheek op z’n land; dan
-heeft men ’t beter, dan iemand anders.”
-</p>
-<p>Zij schudden weer de hoofden en keken ernstig, afkeurend.
-</p>
-<p>„Wij hadden niet gedacht, dat u de belangrijke Indische aangelegenheden zoudt belachelijk
-maken.”
-</p>
-<p>„Eigenlijk doe ik dat volstrekt niet.”
-</p>
-<p>„U doet feitelijk toch niets anders.”
-</p>
-<p>„Is het niet waar, wat ik zeg?”
-</p>
-<p>„Het is overdrijving; het is een caricatuur van de waarheid.”
-</p>
-<p>„Dat geef ik niet toe,” zei Fournier, die er een einde aan wilde maken, geraakt. „Ik
-sta op een geheel vrij standpunt. <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>Ik ben niet naar Indië gegaan om een carrière of om fortuin te maken, en ik heb ook
-het een noch het ander uit Indië teruggebracht. Trouwens, ik had er geen de minste
-behoefte aan. Ik ben volstrekt niet tot lid der Volksvertegenwoordiging gekozen als
-zoogenaamd „Indisch specialiteit”; er is zelfs bij alles, wat mijn verkiezing voorafging,
-van mijn verblijf in Indië alleen melding gemaakt door mijn tegenstanders, als verwijt
-en verdachtmaking.”
-</p>
-<p>„Dat is niet de schuld van Indië.”
-</p>
-<p>„Ik weet het, maar permitteer mij, dat ik u voor eens en voor goed zeg, dat ik als
-lid der Kamer met Indië volstrekt niets meer verkies te maken te hebben, dan ieder
-gewoon lid.”
-</p>
-<p>Het was zeer beslist gezegd, zóó beslist, dat de heeren met groote deftigheid, waarachter
-veel spijt en teleurstelling was verborgen, opstonden, hun hoeden namen en heengingen.
-</p>
-<p>Hortense, die onder het gesprek even in de kamer was geweest, kwam binnen toen ze
-hoorde, dat de bezoekers heengingen; dokter Van der Linden was stil in een hoekje
-blijven zitten, bladerend in een album, zonder zich met het discours in te laten.
-</p>
-<p>Fournier stond achter het groene staatsiegordijn en zag hen druk pratend het plein
-oversteken.
-</p>
-<p>„Waar hadt jullie het over?” vroeg Hortense, terwijl ze bij hem kwam staan en tegen
-hem aanleunde.
-</p>
-<p>„Och, ze wilden me in de Kamer voor hun Indische kliek winnen.”
-</p>
-<p>„Je hebt geweigerd?”
-<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p>
-<p>„Zeker, ik heb er niets mee op, hoegenaamd.”
-</p>
-<p>„Wel, ik zou het toch maar gedaan hebben; het is altijd iets, en je weet wel, die
-lui schrijven in couranten en tijdschriften—het is beter hen te vriend te houden.”
-</p>
-<p>„Je hadt hen ten minste wel met ’n enkel woord aan het lijntje kunnen houden; dat
-verbindt tot niets,” meende dokter Van der Linden.
-</p>
-<p>Fournier keek hem schuin aan en lachte. Die oude heer was ook een beste! zoo cynisch
-mogelijk!
-</p>
-<p>„Och, ’t is beter zoo. Ze weten nu waarop het staat; ik ben nu ineens van hun <span class="corr" id="xd31e2511" title="Bron: geseur">gezeur</span> af, en van dat eeuwig gezanik over Indië; ze weten nu, dat ik niet in hun kliek kom;
-ze kunnen daar nu boos om zijn, maar aan den anderen kant zal het een goeden indruk
-maken.”
-</p>
-<p>Mourant, terugkomend bij Henriëtte, vertelde het haar met diepe verontwaardiging.
-</p>
-<p>„Ik heb in Indië dikwijls hooren zeggen, dat hij heel knap was,” merkte zij op.
-</p>
-<p>„Knap! Ja, ’t mocht wat!”
-</p>
-<p>„Nu, ’t is toch waar. Er werd altijd met den grootsten lof over hem gesproken.”
-</p>
-<p>„Hij is een egoïst; door en door een egoïst!”
-</p>
-<p>„Zoo, dat wist ik niet.”
-</p>
-<p>„Hij is iemand,” ging Mourant declameerend voort, „van een slechte cynische natuur;
-een man zonder hart en zonder gevoel.”
-</p>
-<p>„Och, wat? Hoe weet je dat allemaal?”
-</p>
-<p>„Wij hebben hem aangezocht om de belangen van Indië in de Kamer te helpen verdedigen.”
-<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p>
-<p>„En hij heeft geweigerd?”
-</p>
-<p>Mourant knikte met het hoofd en keek haar aan met ’t gezicht van iemand, die verwacht,
-dat een ander verstomd zal staan.
-</p>
-<p>„Waarom heeft hij niet gewild?”
-</p>
-<p>„Och,” zei Mourant, de breede schouders ophalend, „om allerlei <span class="ex" lang="en">nonsense</span> redenen. Praatjes om zich er af te maken.”
-</p>
-<p>Henriëtte vond het niets aardig van Fournier. Waarom, dat wist ze zelve niet, want
-van die „Indische aangelegenheden,” die in een Kamer worden behandeld, begreep ze
-niets hoegenaamd. Maar hij had het toch, meende ze, moeten doen al was het alleen
-maar voor de vrienden.
-</p>
-<p>„Hij is zeker trotsch geworden,” zei ze, „sedert hij geparenteerd is aan die familie
-Riquelle.”
-</p>
-<p>„Best mogelijk.”
-</p>
-<p>„’t Is jammer Willem, dat jij niet gekozen bent. Zou dat nu met geld en wat moeite
-niet te doen zijn?”
-</p>
-<p>Zijn gezicht betrok.
-</p>
-<p>„Nu niet; later misschien.”
-</p>
-<p>Zij had hem in zijn zwakke zijde getast. De helft van het hem nog resteerende leven
-zou hij er voor hebben gegeven; maar hij wist wel, dat het niet gelukken zou; in zoover
-sprak hij de waarheid, dat er <span class="ex">nu</span> geen quaestie van wezen kon.
-</p>
-<p>Terwijl hij zoo somber voor zich uitkeek, nam zij hem aandachtig waar. Inderdaad,
-hij werd er niet jonger op! Wat begon zijn hoofd kaal en ’t overblijvend haar grijs
-te worden! Wat kreeg hij oude trekken in zijn voorhoofd en zijn gezicht! Hoe sterk
-nam zijn corpulentie toe! Zou zij <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>aan dien man haar toekomst binden? Ze was jong, mooi en rijk. Aan adspiranten zou
-het zeker niet ontbreken, dat vertelden haar honderden mannenoogen op de straten en
-in de theaters. En ondanks alles, was ze dan toch eigenlijk, als ze wilde, volkomen
-vrij!
-</p>
-<p>„Er is een geschikt oogenblik onbenut voorbijgegaan,” zei Mourant zuchtend, maar toen
-hij Henriëtte aanzag, ging hem dat geschikte oogenblik uit het hoofd. „Wat is er?”
-vroeg hij, kleurend van verlegenheid—iets, dat hem in jaren niet was overkomen—om
-haar zonderlinge gelaats-uitdrukking.
-</p>
-<p>„Er is niets. Ik dacht, dat het zoo jammer was.”
-</p>
-<p>„Wat?”
-</p>
-<p>„Wel, dat je niet eens kans zoudt hebben in de Kamer te komen.”
-</p>
-<p>„O, dàt zeg ik niet. Later.…”
-</p>
-<p>Zij ging er niet verder op door. Later, dacht ze,—nu ja! Wat zou hij dan een echte
-oude heer wezen! ’t Was niet voor het eerst, dat haar die gedachte plaagde. Zij had
-de waarheid gesproken tegen mevrouw Mourant. Thans zou ’t haar een halve ton waard
-zijn geweest den wettigen man terug te geven aan de wettige vrouw. Maar daarvan kon
-in geen geval quaestie wezen!
-</p>
-<p>Dien avond sprak Mourant aanhoudend over wat hij de gouden toekomst noemde; hun huwelijk
-was thans een gebeurtenis in het verschiet, waarvan men het tijdstip bijna met zekerheid
-kon bepalen. Hij was dien dag nog vriendelijker en aardiger tegen de kinderen dan
-gewoonlijk. Henriëtte gaf er zoo weinig mogelijk antwoord op.
-<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p>
-<p>„Wat ben je stil, lieve!” zei hij ten slotte, haar naar hem toetrekkende. „Je bent
-zeker niet in orde.”
-</p>
-<p>Zij liet toe, dat hij haar een kus gaf; meer ook niet. Zij wilde juist lachend zeggen,
-dat ze zoo gezond was als een visch, toen hij voortpratend, weer over hun huwelijk
-begon.
-</p>
-<p>„Ik heb den heelen dag al last van hoofdpijn.”
-</p>
-<p>„Nu!” zei hij triomfantelijk en als gerustgesteld: „nu, zie je wel! Dat dacht ik al.
-Ik zou maar vroeg naar bed gaan.”
-</p>
-<p>Zij liet het zich geen tweemaal zeggen; zij kon nu eenmaal niet met hem meepraten,
-en ze betwijfelde zeer of ze het wel ooit weer van harte zou kunnen doen, als hij
-sprak over trouwen.
-</p>
-<p>Hoofdpijn had ze niet en slaap evenmin. Zij ontkleedde zich toch in haar kamer, met
-het plan naar bed te gaan, denkende dat ze wel zou inslapen. Half ontkleed ging ze
-zitten op een kleinen fauteuil in een hoek der kamer. ’t Was zoo’n moeilijk geval!
-Hoe zou ze van hem ontslagen raken; want dat het daartoe komen moest, stond thans
-bij haar vast. Welk een berg van geweldige onaangenaamheden voor den voet! Er was
-geen overkomen aan, en met de kleine hand voor de groote donkere oogen en den elleboog
-op de leuning van den armstoel, zat ze stil na te denken, nu en dan met een zucht
-het hoofd schuddend. Dat men toch sommige dingen niet ongedaan kon maken! Met een
-lichte rilling van kou, die kippevel joeg over haar bloote armen, stond ze op en kroop
-diep onder de dekens in haar bed. Ze wilde er thans niet meer aan denken; ze had den
-<span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>tijd en die geeft raad; het zou nooit gebeuren, <span class="ex">nooit</span>!
-</p>
-<p>Instinctmatig hield zij haar rol van half-zieke den volgenden dag tegen Mourant vol,
-en naar de leerschool, die ze gedurende de ziekte van Veninga had doorloopen, was
-ze knorrig en gemelijk. Hij deed zijn uiterste best om haar ’t leven te veraangenamen;
-hij bracht cadeautjes mee en fijne bonbons, waarvan hij wist dat ze veel hield, zich
-volkomen onbewust van het feit, dat hij daardoor olie wierp op het vuur, dat bezig
-was alle genegenheid voor hem te verteren.
-</p>
-<p>„Ik wou wel een beetje wandelen,” zei ze op een mooien middag, met hetzelfde knorrige
-gezichtje der laatste dagen.
-</p>
-<p>„Uitstekend lieve! Willen we het Park eens ingaan?”
-</p>
-<p>„Och ja! Als ik maar wat frissche lucht krijg; ik word zoo akelig van dat thuis zitten.”
-</p>
-<p>„Het is mijn schuld niet,” zei hij aarzelend.
-</p>
-<p>„Neen, dat weet ik ook wel.”
-</p>
-<p>„Komaan, laat ons dan gaan.”
-</p>
-<p>Toen ze zich kleedde in haar kamer, trok hij zijn bruine glacé-handschoenen aan, streek
-zijn zijden cylinderhoed op en bekeek zich met welgevallen in den spiegel; de gesloten
-jas sloot zonder rimpel of plooi om zijn zware gestalte; hij was correct gekleed door
-den besten tailleur van Brussel, en terwijl hij zichzelven monsterde van top tot teen,
-streek hij met welgevallen zijn grijzende bakkebaarden op, hoogst met zichzelven ingenomen.
-</p>
-<p>Een glimlachje gleed over het gelaat van Henriëtte, toen ze hem zóó verraste.
-</p>
-<p>„Als je klaar bent?” vroeg ze spottend.
-<span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span></p>
-<p>Hij lachte en keek haar aan, alsof hij niets minder verwachtte dan een woord van bewondering,
-dat echter niet volgde. Er waren niet veel wandelaars in het Park; voor de Brusselaars
-was het de dag niet, noch de tijd van den dag; slechts hier en daar kwam men een paar
-vreemdelingen tegen of een bonne met spelende kindertjes. Zij hadden een heel eind
-gewandeld, pratend over koetjes en kalfjes, en wilden weer huiswaarts gaan, toen,
-bij het verlaten van het Park, een viertal heeren hen aansprak. Het waren kennissen
-uit Indië. Er werden handjes gegeven en vroolijke groeten gewisseld. Iedereen deed
-als wist hij van den prins geen kwaad, en als was het volstrekt niets bijzonders,
-Mourant en de weduwe Veninga samen daar te ontmoeten. Toch was het Mourant hoogst
-onaangenaam, en hij was bang dat het Henriëtte, die ook niet hield van die ontmoetingen,
-nog meer uit haar humeur zou helpen.
-</p>
-<p>„Blijven de heeren eenigen tijd hier?” vroeg zij aan den oudste van het viertal, een
-onder den tropischen hemel grijs geworden maar goed geconserveerd koopman.
-</p>
-<p>„We stellen ons voor, hier ’n dag of veertien te vertoeven.”
-</p>
-<p>„Wel dat doet me genoegen. Weest dan morgen mijn gasten.”
-</p>
-<p>Een oogenblik keken ze elkaar verbaasd en besluiteloos aan.
-</p>
-<p>„Met heel veel pleizier.… als we u ten minste niet derangeeren.”
-</p>
-<p>„Volstrekt niet! Hier,” ging ze voort, eenigszins zenuwachtig een kaartje nemend uit
-een kleine blauwzwarte portefeuille, „hier is mijn adres.”
-</p>
-<p>Mourant wist niet hoe hij het had; hij kon goedschiks niets zeggen, maar hij verbeet
-zich van spijt.
-<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span></p>
-<p>„Ik begrijp je volstrekt niet,” zei hij, toen het viertal onder veel buigingen en
-hoedzwaaien het Park was ingegaan.
-</p>
-<p>„Zoo! ’t Is mogelijk.”
-</p>
-<p>„Sedert verscheiden dagen ben je onwel en klaagt aanhoudend over hoofdpijn.”
-</p>
-<p>„’n Reden te meer.”
-</p>
-<p>„Maar lieve Jet, hoe kan je nu toch zoo tegen jezelve zijn?”
-</p>
-<p>„Wat, tegen mijzelve? Ik ben tegen niets, maar ik wil eens ’n paar menschen aan mijn
-tafel zien.”
-</p>
-<p>„Het is nog zoo lang niet geleden, dat je daar veel op tegen hadt.”
-</p>
-<p>Ongeduldig haalde ze de schouders op.
-</p>
-<p>„Dan ben ik sedert veranderd; dat is alles.”
-</p>
-<p>Mourant ontstelde er van in allen ernst, en hij keek haar oplettend, haast angstig
-aan. Zóó had zij nog nooit tegen hem gesproken.
-</p>
-<p>„Ik gun je immers gaarne elk genoegen,” zei hij zacht.
-</p>
-<p>„Dat merk ik! We ontmoeten ’n paar kennissen van vroeger, die hier vreemd zijn; ik
-vraag hen te dineeren, en je staat er bij met ’n verstoord gezicht; nauwelijks zijn
-ze weg of je begint aanmerkingen te maken. Denk je misschien dat dit aangenaam is?”
-</p>
-<p>„Ik zal geen aanmerkingen meer maken,” antwoordde hij met een soort van sombere theatrale
-onderwerping, maar onwillekeurig dacht hij aan zijn vrouw, die nooit gasten zou geïnviteerd
-hebben, zonder hem vooraf te vragen of hij het goed vond. Nu ja, maar dat was ook
-iets anders.
-</p>
-<p>’s Avonds in hun hotel, toen ze terugkeerden uit den schouwburg, zaten de vier Indische
-heeren nog een oogenblik bij <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>elkaar een glas grog te drinken voor ze hun kamers zochten. Slechts twee hoorden bij
-elkaar: de koopman Van Namen en zijn neef Jules, die administrateur was van een land;
-de twee andere heeren waren ambtenaren met verlof, die elkaar en de anderen toevallig
-in het hotel te Brussel hadden ontmoet.
-</p>
-<p>„Ik sta nog verbaasd, als ik denk aan die invitatie van mevrouw Veninga.”
-</p>
-<p>„Eigenlijk,” zei een der ambtenaren, „had ik ze liever niet aangenomen. De scheeve
-verhouding tusschen haar en Mourant is zoo algemeen bekend. ’t Gaat alles zoo ontzettend
-openlijk.”
-</p>
-<p>„Och, hier te Brussel is het wel aardig,” meende Van Namen. „Bovendien: men behoeft
-als man zulke dingen niet te weten, als men niet wil.”
-</p>
-<p>„’t Is waar! Ik vind het verbazend jammer. ’t Is een eeuwig mooi vrouwtje,” vond Jules.
-</p>
-<p>„’t Is een beeldje. Trouwens, Mourant is wel veel ouder, maar hij is nog een verduiveld
-kranige kerel.”
-</p>
-<p>„Wat was hij <span class="ex" lang="fr">tiré à quatre</span>!”
-</p>
-<p>„Asjeblieft. Nu, het is de moeite waard.”
-</p>
-<p>„Men zei in Den Haag, dat hij van z’n vrouw ging scheiden, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Ja,” bevestigde Van Namen; „ze heeft toegestemd.”
-</p>
-<p>„Zoo’n bofferd!” liet Jules zich ontvallen.
-</p>
-<p>Ze lachten allen luid.
-</p>
-<p>„Je bent, hoop ik, niet van haar gecharmeerd?”
-</p>
-<p>„Neen, God! Daar is wel geen quaestie van. Maar ik vond het toch jammer. ’t Is zonde.
-En Mourant vind ik in elk geval ’n ploert.”
-<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p>
-<p>Daar kreeg men bijna standjes om; <span class="ex">die</span> uitdrukking was te kras en men redeneerde en twistte er over nog wel een uur lang.
-</p>
-<p>Henriëtte had den volgenden dag geen hoofdpijn; zij was de bedrijvigheid zelve. Het
-zilver, dat reeds lang in de étuis stil had gesluimerd, moest voor den dag gehaald
-en gepoetst worden.
-</p>
-<p>Den heelen dag bleef Mourant bij haar. Hij was nu met het diner verzoend. Het mocht
-dan een <span class="ex">tinka</span> wezen, maar die had het dadelijk aangenaam gevolg, dat zij niet zoo knorrig en uit
-haar humeur was als anders.
-</p>
-<p>„Wil je wat voor me doen?” vroeg ze.
-</p>
-<p>„Heel graag; als je maar zegt wat.”
-</p>
-<p>„Ik heb ’n paar dingen te bestellen bij den confiseur.”
-</p>
-<p>„Met genoegen, ik zal er dadelijk heengaan.”
-</p>
-<p>Zijn bereidwilligheid tot het doen van voor een heer toch altijd minder aangename
-boodschappen, stemde haar zacht, en ze glimlachte tegen hem, wat ze in geen dagen
-had gedaan.
-</p>
-<p>Het verrukte hem en met een groot air van gewicht luisterde hij naar haar bestellingen
-en noteerde ze in zijn zakboekje.
-</p>
-<p>’t Gaf voor ’t oogenblik een zekere vertrouwelijkheid tusschen hen, waarin Mourant
-een innig behagen schepte.
-</p>
-<p>De gasten kwamen prompt op tijd.
-</p>
-<p>Mourant kreeg een plaats aan het andere smalle eind der tafel tegenover Henriëtte,
-maar ver af. Naast hem zaten Van Namen en de oudste der twee ambtenaren. Jules en
-de jongste zaten bij Henriëtte.
-</p>
-<p>„Ik heb het zóó gerangschikt,” zei Henriëtte toen ieder op <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>zijn bord naar zijn kaartje keek, „omdat ik weet dat de heeren graag over politiek
-praten, en daar begrijp ik niets van.”
-</p>
-<p>„Mogen we u daarmee niet lastig vallen?” vroeg Jules.
-</p>
-<p>Verrast keek Henriëtte hem aan. Hij was een mooie indo-Europeaan. In Indië zou hij
-niet de aandacht hebben getrokken, want daar is zijn type niet meer dan gewoon. Maar
-in die Europeesche omgeving maakten zijn lichtbruine huidskleur, zijn blauwzwarte
-haren en groote, sombere oogen een bijzonder effect; ’t was hetzelfde van Louise Van
-der Linden en hetzelfde ook van Henriëtte.
-</p>
-<p>„Ik wist niet dat zulke jongelui zich daar ook mee ophielden.”
-</p>
-<p>„Ah, dat is te zeggen: niet als staatkunde. Er is toch nog een andere beteekenis voor
-„politiek”.”
-</p>
-<p>„Hij bedoelt „sleem” of „pienter”,” zei een der ambtenaren.
-</p>
-<p>Doch bij Jules en Henriëtte viel die aardigheid geheel in het water. Het ergerde hun.
-Eigenlijk konden ze in het geheel niet hooren, dat die <span class="ex" lang="fr">pur sang</span> Hollanders altijd flauwe aardigheden debiteerden op de manier van spreken der Indische
-lui; het was dan toch ook wat,—de manier waarop de meesten zich in hun eigen taal
-uitdrukten, en waarbij ze zich vaak met vloeken, herhalingen en interjecties moesten
-opzweepen om hun denkbeelden in niet al te verkeerden vorm onder woorden te brengen!
-</p>
-<p>„Och!” zei Henriëtte glimlachend: „waar zoo’n politiek onder ons toe dienen zou, begrijp
-ik niet.”
-</p>
-<p>„Die is altijd goed!” riep Mourant luid, zich buigend over zijn bord en haar aankijkend.
-<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
-<p>Eigenlijk had hij over die eigenwijze regeling van de tafel geweldig het land.
-</p>
-<p>„Ik heb wel eens gehoord,” zei Jules zacht tegen Henriëtte, „dat het soms heel gevaarlijk
-is politiek met de dames om te gaan.”
-</p>
-<p>„’t Hangt er van af.”
-</p>
-<p>„Dat bedoelde ik ook. Men zegt dat de dames liever oprechtheid zien, dan geslepenheid.”
-</p>
-<p>„Ja! Ik althans. Als iemand openhartig is, weet men ten minste dat hij het meent.”
-</p>
-<p>Het eten was uitmuntend en Henriëttes rechterbuurman zat in stilte te genieten.
-</p>
-<p>„Die schotel, mevrouw,” zei hij met een zucht van innige voldaanheid, „was een gedicht.”
-</p>
-<p>Toen Mourant op zijn woorden geen repliek kreeg en daarvan zelfs geen oogenblik notitie
-was genomen, keek hij met opgetrokken wenkbrauwen en een teleurgesteld gezicht naar
-de overzijde. Wat zaten die twee nu zacht te spreken met elkaar! Zoo’n onbeduidende
-sinjo! Hoe dwaas van haar om hem tot buurman te nemen, in plaats van Van Namen. ’t
-Was zelfs onbeleefd; de oudste der gasten behoorde aan haar rechterhand te zitten.
-</p>
-<p>’t Werd bij het dessert nog erger.
-</p>
-<p>De goede wijn had zijn effect gedaan en spraakzamer gemaakt. Er werd aan den kant
-van Henriëtte druk gepraat en gelachen. Jules had, schoon vruchteloos, getracht een
-telegraphische communicatie onder de tafel tot stand te brengen, wat hem niet gelukt
-was. Hij had ook gezien, dat zijn poging als brutaal en ongepast werd beschouwd, en
-haar <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>daarom niet herhaald. ’t Verwonderde hem. Een vrouwtje met haar antecedenten mocht
-waarlijk zoo kleinzeerig niet zijn. Zij had, toen hij ’t niet herhaalde, verder ook
-niets laten blijken. Haar ééne vragende blik was genoeg geweest. Zij praatte en lachte
-nu weer voort, inwendig verheugd over de verlegenheid van den jongen man, toen haar
-oogen hem hadden gevraagd of ’t hem wellicht mangelde in zijn bovenverdieping.
-</p>
-<p>Bij de havana na het dessert stond Henriëtte op en de heeren ook; zij zouden rooken
-in een andere kamer, die uitkwam op den tuin met balkonvensters. Voordat Mourant den
-tijd had er iets aan te doen, stond Henriëtte met Jules op een der kleine balkons
-te kijken naar het fraai, maar bekrompen en ommuurd tuintje, dat er in den helderen
-maneschijn en tegen de zwarte schaduwen der gebouwen tooverachtig uitzag.
-</p>
-<p>En hij <span class="ex">kon</span> maar niet los komen van Van Namen, die, waarschijnlijk ook door den wijn op dreef
-geraakt, hem midden in het vertrek aan den praat hield en zelfs een knoop van zijn
-jas had gegrepen om hem niet te laten ontsnappen.
-</p>
-<p>Mourant stond op heete kolen, toen hij het tweetal achter de rood damasten gordijnen
-zag verdwijnen.
-</p>
-<p>„Vindt je het niet benauwd in de kamer?” vroeg hij met een poging om den knoop van
-zijn jas vrij te werken.
-</p>
-<p>Maar Van Namen liet niet los. Als hij een goed glas wijn had gedronken, was hij verschrikkelijk
-<span class="ex" lang="fr">à cheval</span> op politiek gebied. Nu was de wijn, die Henriëtte had doen schenken, uitmuntend,
-en Van Namen had hem niet gespaard.
-</p>
-<p>„Wij moeten het liberale beginsel niet loslaten,” vervolgde hij in extase en met half
-gesloten oogen.
-<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p>
-<p>„Juist; maar we moesten niet zoo onder die warme gaslamp blijven staan,” meende Mourant,
-terwijl hij zich het zweet van zijn breed voorhoofd wischte.
-</p>
-<p>„Welke ook haar gebreken zijn geweest,” ging Van Namen voort; „welke verwijten men
-ook der liberale partij naar het hoofd slingere,—zij heeft goed gedaan. Het had meer,
-het had beter kunnen zijn.….”
-</p>
-<p>„Zeg, laat ons nu op ’t balkon gaan; daar kunnen we net zoo goed praten als hier.”
-</p>
-<p>„Het <span class="ex">is</span> waar; het <span class="ex">had</span> meer kunnen zijn en beter.….”
-</p>
-<p>„Kom, ga nu toch mee, Van Namen!”
-</p>
-<p>Hij zei het heel ongeduldig; hij hoorde ’t zilverlachje van Henriëtte in een duo met
-den jeugdigen barytonlach van Jules, en dat joeg hem gruwelijk het land op.
-</p>
-<p>„Het had vooral meer en beter moeten zijn voor Indië. Toch moet men in zijn afkeuring
-en critiek niet te ver gaan. Men moet niet loslaten wat men verkreeg na zoo veel moeite;
-vasthouden moet men aan zijn principes.”
-</p>
-<p>En Van Namen kneep en schudde den knoop van de jas van Mourant, als ware het voorwerp
-de incarnatie van het liberaal beginsel en ook kneep hij zijn eigen oogen dichter
-dan te voren, om geen afleiding te geven aan zijn politieken gedachtenloop. En Mourant
-keek wanhopig naar de breede plooien in de zware stoffage der gordijnen, waarachter
-Henriëtte op het plafond stond met Jules.
-</p>
-<p>„Ja, ja,” zei hij diep zuchtend. „Maar kom nu mee naar buiten; het is hier zoo benauwd.”
-</p>
-<p>Hij trachtte hem bij den arm mee te troonen, maar dat ging zoo gemakkelijk niet.
-<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p>
-<p>Van Namen bespeurde het nauwelijks.
-</p>
-<p>„Zeker,” zei hij, „ik ga mee; maar ik wou nog <span class="ex">dit</span> zeggen: In Indië zijn er veel, die de liberale partij willen loslaten, heelemaal
-loslaten, omdat zij te weinig voor Indië deed; dáár kom ik tegen op; ik zal in den
-breede en punt voor punt aantoonen.….”
-</p>
-<p>Het was niets. Er gebeurde achter de gordijnen, op het balkon, in het geheel niets.
-Hoe kon dat ook? Op het balkon, er vlak naast, stonden de twee verlofgangers, en men
-kon elkaar duidelijk zien, want donker was het niet.
-</p>
-<p>Toch was het Mourant of hij het geluid hoorde van een kus. ’t Bloed steeg hem naar
-het hoofd; hij greep in zijn zak, opende een klein scherp mesje en sneed zonder aarzelen
-den knoop van zijn jas, waaraan Van Namen hem vasthield.
-</p>
-<p>O, ’t was een gezicht voor hem, toen hij de gordijnen wegschoof! <span class="ex">Zij</span> lag over de balustrade gebogen, leunend op den eenen arm en haar mooi gezichtje omhooggekeerd
-naar Jules, die op de balustrade zat. Henriëtte zag wel aan het invallend licht, dat
-er iemand naar buiten trad, en ze begreep volkomen wie; maar ze deed alsof ze niets
-bemerkte en Jules, die zoo’n ongunstige opinie had over Mourant, vond het, toen hij
-dat gewaarwerd, volmaakt overbodig de tegenwoordigheid van Mourant door woord of gebaar
-te constateeren.
-</p>
-<p>En achter hem hoorde Mourant de stem van Van Namen.… „differentiëele rechten”.… „vermindering
-van gedwongen diensten”.…. „mildere bepalingen op de cultures”.…. „Ha, ha!”
-</p>
-<p>Van Namen had na een paar oogenblikken doorpratens de oogen geopend en schaterde van
-het lachen toen hij „de <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>grap” ontdekte. Hij liep naar Mourant, dien hij tusschen de gordijnen zag staan.
-</p>
-<p>„Jou oude grappenmaker!” riep hij, hem op den schouder slaande. „Daar heb je me origineel
-te pakken gehad!”
-</p>
-<p>Henriëtte wendde zich om. Mourant kreeg een schok door dat „oude grappenmaker”. ’t
-Kwam zoo in ’t geheel niet bij de gelegenheid te pas. Van Namen vertelde lachend de
-geschiedenis van den knoop, en allen lachten mee. Henriëtte keek hem zelfs wat vriendelijker
-aan; het was toch alleraardigst gevonden, dacht ze.
-</p>
-<p>„Ja, ja!” riep Van Namen. „Hij is goed, hij is goed! Een vos verliest zijn haren wel,
-maar niet zijn streken.”
-</p>
-<p>’t Pas opgeklaarde gezicht van Mourant betrok weer geweldig; dàt was nummer twee!
-Op welke wijzen zou hij nog meer moeten hooren, dat hij niet jong meer was?
-</p>
-<p>„Je oom werd zoo zwaar op de hand,” zei hij tegen Jules.
-</p>
-<p>„Ja, dat overkomt hem wel eens.”
-</p>
-<p>„We stonden net onder de kroon; ’t was er ontzettend warm.”
-</p>
-<p>„Ik kan ’t me voorstellen.”
-</p>
-<p>Er rees een gevoel van haat op in Mourant, dat voelde hij. Die korte antwoorden op
-zoo’n koelen toon kende hij; het waren zooveel verzekeringen, dat de aangesproken
-persoon liever niets wilde te maken hebben met hem, die ’t gesprek begon. En dan zoo’n
-kwajongen! Zoo’n sinjo!
-</p>
-<p>„Het is hier heerlijk,” zei Mourant tot Henriëtte.
-</p>
-<p>„Zoo?” vroeg zij met een spottende stemmodulatie. „Ja, dat hebben meneer Jules en
-ik dadelijk opgemerkt. Je bent echter de eerste, die het zegt.”
-</p>
-<p>Mourant had het kunnen beschouwen als een verzoek om <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>heen te gaan. In elk ander geval zou hij, beleedigd en gekrenkt, zich hebben teruggetrokken.
-Hij kwam zich mengen in het gesprek tusschen een heer en een dame; beiden toonden
-vrij onbewimpeld door hun antwoorden dat zij van den derden man niet waren gediend.
-</p>
-<p>Doch hij had geen hart meer, als man. Jules, die jong was, dacht: „als ze mij zoo
-geantwoord had, zou ik zijn heengegaan.” De liefde van Mourant verschilde veel in
-jaren; zij maakte hem niet toornig of verontwaardigd bij een openlijke vernedering,
-maar onderworpen en laf.
-</p>
-<p>In plaats van heen te gaan, trad hij ook op het balkon en ging aan den anderen kant
-der balustrade naast Henriëtte zitten.
-</p>
-<p>„Wees maar voorzichtig,” zei ze.
-</p>
-<p>„Ik zal er niet afvallen. Was je daar bang voor?”
-</p>
-<p>„Neen. Verbeeld je! Maar de maan komt door, en ’t waait nogal.”
-</p>
-<p>Hij zette zijn borst hoog op en zijn breede schouders uit.
-</p>
-<p>„Ik kan er tegen.”
-</p>
-<p>„Nu ja! Je bent dadelijk verkouden! Hebt u daar ook zooveel last van, meneer Jules?”
-</p>
-<p>„’n Enkelen keer,” zei Jules.
-</p>
-<p>„Dus toch wel?”
-</p>
-<p>„Zooals ik zeg: ik ben ’n paar maal ’t slachtoffer geweest.”
-</p>
-<p>Het trof haar, dat hij niet blufte, en ’t deed Mourant genoegen, die door de heeren
-van het andere balkon werd aangeroepen.
-</p>
-<p>„Waarom hebt u me niet geholpen, meneer Mourant ’n beetje te plagen?” vroeg zij zacht
-en vroolijk.
-<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p>
-<p>Jules trok driftig de schouders op.
-</p>
-<p>„Hoe minder ik met hem in aanraking kom, hoe liever.”
-</p>
-<p>„Och kom?”
-</p>
-<p>„Ik vind den man in ’t geheel niet de moeite waard.”
-</p>
-<p>„In welk opzicht?”
-</p>
-<p>„In <span class="ex">elk</span> opzicht. Ik vind hem over ’t algemeen.…”
-</p>
-<p>„Sst!”
-</p>
-<p>Hij begon hoe langer hoe luider te spreken, zooals iemand doet, die onaangenaamheden
-zoekt; toen zij hem het zwijgen oplei, hield hij stil. Henriëtte ging terug naar de
-kamer en Jules, dien zij met haar waaier gewenkt had, volgde haar.
-</p>
-<p>’t Ging Mourant door merg en been; hij moest met de anderen praten, en hoorde en zag
-Henriëtte en Jules het balkon verlaten, die hem heel gewoon lieten staan. ’t Maakte
-hem zenuwachtig en overviel hem als een voorgevoel. Toen het gesprek uit was, ging
-hij ook de kamer in, trachtte zich een houding te geven, zette zijn lorgnet op, en
-rondkijkend uit de hoogte, met kleine pasjes draaiend op zijn hielen, dreef hij naar
-den kant, waar Jules en Henriëtte zaten in een <span class="ex" lang="fr">tête à tête</span>.
-</p>
-<p>„Foei, meneer Jules,” had ze gezegd. „Het is volstrekt niet aardig van u, ons genoegen
-te bederven.”
-</p>
-<p>„Het spijt me, maar het is uw schuld. Ik kan nu eenmaal dien Mourant niet dulden.
-Ik vind hem.… ik.… Permitteer me, dat ik maar niets zeg.”
-</p>
-<p>Zij zuchtte, keek naar de punten harer goudleeren schoentjes en tikte daar zacht op
-met haar waaier.
-</p>
-<p>„Indien ik het had geweten.…”
-<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span></p>
-<p>„Dan zoudt u mij niet mee hebben gevraagd! Wel, daar zoudt u gelijk aan hebben gehad.”
-</p>
-<p>„Dat niet.… Ik zou het anders geregeld hebben.”
-</p>
-<p>„U zoudt hem toch niet hebben uitgesloten?”
-</p>
-<p>„Waarom niet?”
-</p>
-<p>Verlegen draaide hij aan zijn zwart kneveltje, dat met jeugdigen overmoed twee spitse
-punten <span class="ex" lang="fr">à crocs</span> droeg.
-</p>
-<p>Zij zag hem vlak in het gezicht, en hij vermeed dien blik; ’t was een pijnlijk moment
-voor hem.
-</p>
-<p>„U zult me ’t genoegen wel willen doen er niet verder over te spreken.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span>” zei ze met een zucht. „Het is ook de tijd noch de plaats. ’n Andermaal.”
-</p>
-<p>„Heel graag, als u wilt. Waar en wanneer?”
-</p>
-<p>„Ik weet het nog niet; wij zullen zien.”
-</p>
-<p>„Daar komt-ie weer aan,” bromde Jules nijdig, toen Mourant langzaam optrad. „Ik zal
-maar bij de anderen gaan.”
-</p>
-<p>„Blijf liever. Ik heb mijn reden om meneer Mourant zoo weinig mogelijk te woord te
-staan.”
-</p>
-<p>„Ik heb een geldiger reden: ik haat hem! ik zou,” ging Jules weer driftig voort en
-de Europeesche taalvormen uit het oog verliezend, „ik zou hem met pleizier ’n pak
-rammeling geven.”
-</p>
-<p>„’n Pak rammeling?” vroeg zij lachend en Jules, die nu snapte dat hij zich Indisch
-versproken had, lachte mee.
-</p>
-<p>Mourant kwam dichterbij. Jules keek naar hem uit de hoeken zijner oogen, nijdig, moorddadig,
-wat men noemt „gemeen”.
-</p>
-<p>Gelukkig kwamen de anderen ook binnen.
-<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p>
-<p>„Zullen de heeren niet ’n partijtje maken?” vroeg Henriëtte.
-</p>
-<p>Ja, dat wilden de heeren. Zij wilden whisten; Mourant <span class="ex">kon</span> zich er niet aan onttrekken; Jules bedankte en de gastvrouw verklaarde met een vriendelijk
-lachje, dat ze in ’t geheel geen <span class="ex" lang="fr">esprit de jeu</span> had; het beviel Van Namen en de twee anderen uitstekend; ze kregen hun cognac met
-gefrappeerd apollinaris-water, net als in Indië, en het amuseerde hen kostelijk dat
-Mourant zoo’n geweldig koopje snapte, en dom genoeg was duidelijk te laten blijken
-hoe hij uit zijn humeur geraakte. De eerste vijf minuten bleven „de jongelui”, zooals
-Van Namen niet zonder ironie had gezegd, bij het spel staan kijken; daarna gingen
-ze weer een luchtje scheppen en toen begon Mourant volgens zijn partner te spelen
-„als een schutter.”
-</p>
-<p>En hij verloor!
-</p>
-<p>Lachend was bepaald dat men zou spelen tot een gewoon Indisch tarief onder whistende
-heeren: een kwartje het punt; maar als Mourant’s partner het van te voren had geweten,—nu,
-hij zou dan hebben voorgesteld tegen Hollandsch tarief te spelen!
-</p>
-<p>Toen ze gedaan hadden, stond Mourant minus acht en zestig.
-</p>
-<p>„Ongelukkig in het spel,” zei Van Namen, „gelukkig in de liefde.”
-</p>
-<p>Mourant trok zijn beurs met een pijnlijken trek op ’t gezicht. Het was hem in den
-tegenwoordigen tijd werkelijk niet zoo onverschillig of hij een bankje verloor of
-niet; het leven kostte hem veel en zijn inkomen werd steeds <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>kleiner. Geen Indisch finantiëel bankroetje of hij pikte een vorkje mee.
-</p>
-<p>„Acht en zestig kwartjes, dat is precies zeventien pop,” zei Van Namen lachend, terwijl
-hij de hand ophield.
-</p>
-<p>Men sprak nog, na het spel, een half uurtje. Welstaanshalve ging Mourant een eindje
-met de heeren mee; hij sloeg een dwarsstraat in en kwam met een omweg weer bij het
-huis terug; hij beproefde met een sleutel de deur te openen, maar die was van binnen
-gegrendeld; de meid, die nog aan het wegruimen was, keek uit een venster boven de
-deur, en vroeg hem wat hij verlangde, er in plat Brusselsch Fransch bijvoegend, dat
-mevrouw reeds sliep.
-</p>
-<p>Een onverstaanbaar antwoord brommende, ging hij heen; zijn gemoedsstemming was verschrikkelijk.
-Zij hield dus niet meer van hem; hij had uitgediend; hij kon gaan! Hij kon zoo dadelijk
-niet naar zijn logement terug; hij had behoefte aan beweging en terwijl de mist, die
-in den laten avond was komen opzetten, dikker werd en meer en meer den omtrek beperkte
-van het licht der straatlantaarns, was het of zijn stemming daalde. Daar zonk zijn
-schoone droom weg in den muisgrijzen nevel. Een mooie jonge vrouw en de twee ton van
-Veninga! Daar had hij zóó veel voor gestreden! ’t Was haast onmogelijk. En zijn persoonlijke
-ijdelheid kwam boven. Hij zou het dan toch nog eerst moeten zien! Zij was immers aan
-hem verbonden door dien eenen zonder vergunning gesmeden band! Zij <span class="ex">was</span> zijn vrouw! En bovendien: hij was de beheerder van het vermogen: executeur-testamentair,
-voogd.… Maar jawel! Al de ophef over die macht waren maar praatjes van onervaren roman-schrijvers,
-<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>speculanten op geheimpjes-theorieën. Hier <span class="ex">was</span> immers niets geheim! Iedereen wist het en dat maakte het als wapen krachteloos. Hij
-kon er niemand mee verwonden, dan zichzelven, want hij kon niemand iets nieuws vertellen,
-en het eenige zou zijn, dat men van hem ging zeggen: hoe gemeen!
-</p>
-<p>En dan dat executeurschap, die voogdij!
-</p>
-<p>Neen, dat gaf alles niets, niets, volstrekt niets.
-</p>
-<p>Met geweld en dreigementen viel niets te doen; misschien met list, zachtheid en overreding.
-Zuchtend besloot hij zich dat te probeeren. Als die Indische lummel maar weg was!
-</p>
-<p>Doch toen hij den volgenden dag, na een nacht half slapeloos en voor de rest in nare
-droomen doorgebracht, op weg was naar Henriëtte, tamelijk opgewekt omdat hij een goed
-doordacht plan had beraamd, liep de gal dadelijk bij hem over en verzwolg zijn goed
-humeur, toen hij Jules, den Indischen lummel, bij het omslaan van een hoek plotseling
-te paard voor zich uit zag rijden. Dat ging natuurlijk het huis voorbij! Mourant hield
-zijn schreden in, minachtend grijnslachend toen hij zag hoe Jules trachtte den Engelschen
-vos te laten tandakken; hij liep dicht tegen de huizen aan den kant waar Henriëtte
-woonde, zoodat zij hem niet kon zien aankomen. Welzeker! Voor het huis keek Jules
-naar boven, groette met een buiging en een sierlijken <span class="ex" lang="fr">coup de chapeau</span>, glimlachte, zijn glinsterend witte tanden toonend, en groette met de rijzweep.
-</p>
-<p>Het was hem, Mourant, toch te machtig.
-</p>
-<p>Hij versnelde onwillekeurig den pas; dat zou hij haar betaald zetten; zijn oogen glinsterden
-toornig onder de <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>gefronste wenkbrauwen en zijn eenigszins grauwe gelaatskleur werd rood. Plotseling
-stond hij verschrikt stil. De meid, de Brusselsche meid, die hem den vorigen avond
-op zoo’n eigenaardigen toon had gezegd, dat mevrouw reeds sliep, kwam met een koket,
-schoon mutsje en een tablier met een hartvormig verlengstuk boven den band naar buiten
-trippelen; hij was overtuigd, dat ze hem opmerkte, maar zij deed of ze hem niet zag
-en liep met een trippelpasje in de richting, die Jules uitging. Mourant volgde haar,
-hij wist eigenlijk zelf niet waarom. In een andere straat zag hij dat de meid stevig
-aanstapte, den ruiter, die stapvoets reed, opzij kwam en wenkte; hij kwam langs het
-trottoir en.… zij gaf hem een briefje.
-</p>
-<p>Mourant dacht dat hij door den grond zonk.
-</p>
-<p>Hij had wel voorondersteld dat de meid, omgekocht door „dien sinjo”, een briefje van
-hem in ontvangst zou nemen voor Henriëtte, en hij was het reeds met zichzelven eens
-over de beste manier om haar dat afhandig te maken.
-</p>
-<p>Doch dàt was iets.…
-</p>
-<p>Een oogenblik sprak Jules met ’t meisje, dat erg draaide, en wiegde met hoofd en heupen,
-en koketteerde met gemaakte rollende lachjes en grooten oogopslag; hij wendde zich
-zijwaarts om op het paard en kreeg, toevallig naar het scheen, Mourant in het oog.
-</p>
-<p>Doch ’t was niet toevallig.
-</p>
-<p>„Wil ik u wat zeggen?” had de meid gevraagd.
-</p>
-<p>„Nu, lief kind, zeg eens op.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">Le vieux</span> komt achter me aan.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">Allons donc!</span>”
-<span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span></p>
-<p>„Op mijn woord van eer. Nu staat hij stil. Kunt u niet eens rechts op zij kijken?”
-</p>
-<p>Dat deed hij, en toen hij Mourant zag, deed hij zijn best om op zijn paard een uitdagende
-houding aan te nemen, hetgeen Mourant, die veinsde naar het venster van een comestibles-magazijn
-te kijken, ontging.
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first">„Cor-lief! Je zult wel erg nijdig op me zijn, omdat ik je zoo lang op een brief heb
-laten wachten. Ik beken schuld, maar als je alles weet, zal je me vergeven. Ik ben
-geëngageerd, weet-je? Jij bent zoo’n goeie, dikke gans! Hadt ge maar gedaan, zooals
-ik, dan deedt ge nu zeker ook een goed huwelijk, want je bent knap genoeg, dat is
-zeker. Hij is luitenant, Cor, dus word ik ook weer een officiersvrouw, weet-je, en
-zijn naam is Roozendoorn (Pierre Jean). Een mooie naam, ja? Erg lief: mevrouw Roozendoorn;
-net een naam om in een tuin te gaan zitten. Hij is heel knap en flink, en ook erg
-goed. Hij heeft blauwe oogen, groote, zoowat net als pa, maar die zwemmen zoo door
-het vele drinken. De zijne niet, die zijn heel helder. Hij heeft ook een blonden knevel
-en zijn neus gaat een beetje in de hoogte, een heel klein beetje maar, net als die
-van jou en van dat jongemensch, je-weet-wel! die altijd om ’t hoekje stond te wachten
-en zulke gekke dingen schreef. Pierre is een best mensch; je kunt je niet begrijpen
-hoe goed en knap hij is. Ik houd heel veel van hem en hij is al nummer negentig op
-de ranglijst van de tweede luitenants. Hij is veel knapper dan papa ooit was en hij
-zal het zeker ook veel verder brengen in de wereld. Ik hoorde aan boord hem wel eens
-<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>praten met de andere officieren over allerlei dingen, waarvan ik niets begreep en
-die ik zeker weet dat papa ook niet zou begrijpen. Hoe maakt hij het? Hoe gaat het
-met het ongelukkige drinken? Het is verschrikkelijk Cor, dat je zoo dom hebt kunnen
-zijn.
-</p>
-<p>„Was je toch in ’s hemels naam maar met me meegegaan. Ik maak me soms zoo ongerust
-over je, dat ik zit te huilen. Ja, ik ken je door en door en ik weet hoe lobbesachtig
-en zwak je bent en hoe er maar weinig noodig is om je te verslingeren. En nu vooral
-Cor, wees voorzichtig, ja? Als ik nu eens mevrouw Roozendoorn ben en jij past niet
-goed op, dat zou dan toch erg onpleizierig voor me zijn. Aan boord, weet je, zat hij
-me altijd te plagen. Ze hadden er allemaal schik in. Een Duitsche dokter zei iets
-van <span class="ex" lang="de">liepzig nekzig</span>, waarom ze allen erg lachten; ik zette een leuk gezicht, weet-je, maar ik begreep
-er niets van en ik weet het nog niet, want bij de familie, waar ik hier tijdelijk
-woon tot Pierre en ik getrouwd zijn, is geen enkel boek. Laat pa toch haast maken
-met de stukken. Pierre zal wel naar Atjeh moeten en wij zouden zoo graag trouwen vóór
-dien tijd. Je kunt nooit weten, nietwaar! Hij wil me dan hier laten, maar we zullen
-elkaar nog wel eens nader spreken. Ik ga mee, zeg! Hier is wat geld voor de kinderen;
-ik heb het mijne nu haast niet noodig en ik weet, dat jij het best kan gebruiken.
-Hoe is het er mee? Zijn het nog zulke bengels? Ga jij ’s avonds nog wel eens loopen?
-Gunst, Cor, wees toch voorzichtig. Ik had maar het liefst dat je naar hier kwam. Toen
-we te Batavia aan wal gingen, wist ik heusch niet dat Pierre verliefd op me was. In
-geen drie <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>weken liet hij iets van zich hooren en ik was hem heusch heelemaal, of ten minste
-heel erg vergeten; op een avond komt hij ineens en vraagt me te spreken en hij begint
-erg gauw te praten, gauw en onduidelijk. Maar ik verstond het heel goed, zie je, en
-ik geloof toch, dat ik toen al wat van hem hield; <span class="ex">sedikit</span>, ja! maar nu heel, heel veel! Die twee japonnen hoef je niet op te zenden, Cor. Houd
-jij die maar; als ze je te nauw zijn, leg je ze maar wat uit. Ik heb altijd op den
-groei gerekend; dat was maar zaak. Dat het hier warm is, weet je nog wel. Maar lekker
-toch! Ik had den eersten dag den beste een gevoel of ik hier nooit vandaan ben geweest.
-Nu, dag lieve Cor—soedah! ik huil alweer. Grappig, ja! Ik wou dat je ook hier waart.
-We zijn altijd zoo samen geweest van kleins af! Schrijf me gauw en wees hartelijk
-omhelsd door je liefh.
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">Nelly.</span>
-</p>
-<p>P.S. Ook Pierre laat je groeten, schoon onbekend. Betaal ook dat ringetje, je-weet-wel,
-bij den goudsmid.<span class="corr" id="xd31e2914" title="Niet in bron">”</span></p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Corrie huilde ook. Tranen als knikkers rolden langs haar dikke wangen. Het ging zoo
-slecht! Met de kinderen schikte het nogal,—maar papa was door den drank geheel gedemoraliseerd.
-Zij had hem in ’t huisgezin niet willen verlaten en spijt had ze er eigenlijk niet
-van, dat ze gebleven was, want het scheen haar altijd toe, dat ze er haar moeder een
-grooten dienst mede deed, wat haar troostte en geduldig maakte.
-</p>
-<p>In het eerst had Roos hoog opgegeven van de liefde zijner dochter Corrie, die hem
-niet wilde verlaten; maar <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>zijn met elke maand als het ware toenemende dronkenschap wischte den indruk van het
-blijven der eene en het heengaan der andere spoedig uit. Tegenwoordig was hij onhandelbaar.
-Sedert Nelly hem niet meer onder den duim had, was hij aan het uitdeelen van klappen
-geraakt en de minste aanleiding kon nu voldoende zijn om hem den rotting te doen zwaaien,
-die dan onverbiddelijk op de dikke schouders van Corrie neerkwam. Zij was boos op
-hem en had een hekel aan hem gekregen. Dikwerf zei ze tot de juffrouw, die boven woonde,
-dat ze zou wegloopen, als ze dat niet liet om de kinderen. En de juffrouw had verontwaardigd
-gezegd, dat, als zij het weer hoorde, zij er eens bij zou komen.
-</p>
-<p>Zij hoorde hem ’t huis binnenkomen; hij zong.
-</p>
-<p>„Ik heb,” zei hij met zware tong, „iets lekkers voor je meegebracht; iets fijns. Maraskino
-di Zara.… paperlapa! Wat zeg je er van?”
-</p>
-<p>Zij nam het zwijgend aan. ’t Kon haar niet schelen. Ze hield niet van wijn of likeur,
-maar ze maakte het in een mandje gevlochten fleschje open en dronk een klein glaasje
-om hem te voldoen.
-</p>
-<p>„Het is op de gezondheid van onze Nel en haar aanstaanden man. Ja, dat is altijd ’n
-ferme meid geweest! Die wist van aanpakken, weet-je! Ze is nu toch maar weer het eerste
-getrouwd. Ja, te duivel, ’t was altijd ’n aardig kind.”
-</p>
-<p>De herinnering aan Nelly deed hem aan, en dat deed hem weer meer drinken. Nu en dan
-stamelde hij enkele woorden en dronk dan weer een groot glas jenever en zweeg.
-</p>
-<p>Zijn dochter liet hem stil zitten; de kinderen, die eerst een <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>beetje erg levendig waren geweest, had hij weggevloekt, dreigende met zijn rotting.
-Zij waren naar de keuken gevlucht, waar Corrie hun een boterham sneed, die ze staande
-opaten van de groezelige aanrechtbank, met een glas water uit het kraantje der leiding.
-</p>
-<p>Stil hielp zij de kinderen daarna te bed, nog altijd denkend aan den brief van Nelly
-en aan Indië. Ja, het was wel waar! Zij had mee moeten gaan, maar ze kon niet; het
-was onmogelijk. En hoe ze zich door dit finantiëel en moreel altijd achteruitgaande
-huisgezin moest werken, ging haar bevatting te boven. Zij wilde niet weer gaan zitten
-bij haar vader en keerde terug in het kleine keukentje met de verroeste haardkachel,
-en het doffe vaatwerk aan den beduimelden muur; door het hooge venster zonder gordijn
-viel een koud stalen schemerlicht uit de grijze wolkenlucht naar binnen, de armoedige
-naaktheid nog troosteloozer makend door het scherp afteekenen der hardgele deurposten
-en schoorsteenlijsten. Zij was nu eenmaal geen knappe propere huisvrouw,—dat wist
-ze wel, ze kon niet poetsen en schuren en wasschen en plassen; ze haatte het en ze
-deed het niet; ze had het nooit gedaan en het ook niet zien doen. Hoe heerlijk had
-die Nelly het in Indië!
-</p>
-<p>De buurjuffrouw keek eens om het hoekje van de keukendeur.
-</p>
-<p>„Je moet zoo ’t hoofd niet laten hangen,” zei ze opbeurend.
-</p>
-<p>Er ontspon zich een langdurig gesprek. Corrie had er zoo’n groote behoefte aan haar
-nood te klagen en ze kwam zoo rond voor haar eigen tekortkomingen uit, dat de buurvrouw
-altijd erg veel sympathie voor haar gevoelde, en dikwerf uit <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>medelijden met haar een duchtigen <span class="ex" lang="fr">coup de main</span> gaf om het verwaarloosde huishouden een beetje op streek te helpen.
-</p>
-<p>„En de oude heer is zeker weer?”.… vroeg ze.
-</p>
-<p>„Als hij het niet is, zal hij het gauw zijn.”
-</p>
-<p>„’t Is ongelukkig.”
-</p>
-<p>„Ik begrijp niet hoe het moet eindigen.”
-</p>
-<p>„Neen, ik ook niet; menschen, die drinken, houden het dikwijls erg lang vol.”
-</p>
-<p>Corrie schrikte er van; het was een onuitgesproken gedachte, die al dikwijls bij haar
-was opgekomen.
-</p>
-<p>„Maar op den duur houden zij het toch niet uit. Hoe oud is hij?”
-</p>
-<p>„In de vijftig? Ik weet het niet precies.”
-</p>
-<p>„Het is nog jong. ’t Is jammer. Hij is nog zoo’n knap manspersoon. Had hij maar liever
-een vrouw genomen.”
-</p>
-<p>Ze praatten door, terwijl de duisternis viel, en ze dronken samen bij het licht van
-’t keukenlampje een kop thee, intusschen gezet. Al pratend vervloog de tijd en vervlogen
-de tallooze kopjes thee. De klok in de gang sloeg het eene uur na het andere.
-</p>
-<p>„Heb je al gegeten?” vroeg de buurvrouw.
-</p>
-<p>„Ja, van middag al. Hoe zoo?”
-</p>
-<p>„Ik zou anders zeggen: ga met mij mee; ik heb nog wat lekkers.”
-</p>
-<p>Corrie aarzelde eerst; maar jong als ze was, en veel als ze hield van „wat lekkers”,
-liet zij zich geen tweemaal nooden. Zij bracht den avond door bij haar buren en vergat
-haar vader en zijn drankflesch geheel; het was een gezellig avondje geworden bij de
-buren; er werd gelachen en gekheid gemaakt <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>door een paar klerken, die een visite maakten en smoorlijk werden van Corrie. ’t Was
-al laat toen ze naar beneden ging en met eenigen schrik dacht zij aan haar vader.
-Hij zat in zijn stoel en sliep; zacht naderde zij om de lamp uit te blazen, die hij
-had aangestoken; zij zou hem maar in dien leunstoel laten zitten; hij zat daar goed,
-meende zij; er was toch geen sprake van hem wakker te krijgen; al doende wierp zij
-een blik op hem en schrikte van zijn blauwe gelaatskleur. Een rilling overviel haar;
-zij liep terug naar boven:
-</p>
-<p>„Juffrouw, juffrouw! Bent u nog op?”
-</p>
-<p>„Ja, wat is het?”
-</p>
-<p>„Zoudt u eens willen komen zien … Ik ben zoo bevreesd … Papa ziet er zoo akelig uit.”
-</p>
-<p>Zelf bevend, ging de juffrouw mee, en haar man, die niet gevraagd was, volgde zonder
-jas en op zijn pantoffels, want hij stond op het punt naar bed te gaan.
-</p>
-<p>Kapitein Roos zat nog onbeweeglijk in den leunstoel met de kin op de borst en de armen
-afhangend.
-</p>
-<p>Zij riepen hem eerst bij den naam met eenige deferentie, omdat men meende dat hij
-zou wakker worden; die deferentie verminderde toen hij geen antwoord gaf, zoodat de
-buurman eindelijk heel familiaar vlak aan zijn oor: Roos! Roos! schreeuwde; zij schudden
-hem, maar ook dat hielp niet; het zware lichaam gleed stijf opzij.
-</p>
-<p>Daar schrikten zij allen van, en doodsbleek gingen ze achteruit.
-</p>
-<p>Dat was de dood geweest, de weerzinwekkende dood! En met den instinctmatigen eerbied,
-grooter voor het vergaan dan voor het worden, deinsden de levenden ontsteld af en
-hielden de handen terug.
-<span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span></p>
-<p>De buurman liep naar den dokter. Corrie, huilende, trachtte haar vader met eau-de-cologne
-tot zichzelven te brengen; de juffrouw wreef zijn polsen met azijn.
-</p>
-<p>„Dat is die vervloekte drank,” zei ze met een blik vol haat op de flesch, het symbool
-van den geweldigen erfvijand haars volks.
-</p>
-<p>Hun pogingen slaagden niet—dat wisten ze wel vooruit. Toen de dokter kwam en even
-het lichaam in den leunstoel had onderzocht, zei hij niets, keek eens rond en gaf
-de juffrouw een wenk; zij bracht Corrie weg.
-</p>
-<p>„In zijn drinkensbakje gebleven!” luidde daarna de diagnose.
-</p>
-<p>Voor Corrie was het heel gelukkig, dat, evenals bij het sterven harer moeder, andere
-menschen alles voor haar beredderden, want zij was tot niets in staat. Weer stond
-de voorkamer vol officieren in uniform en gepensionneerden in min of meer zwarte rokken.
-Zij moesten „iets” doen, dat waren ze met elkaar eens. Er moest gezorgd worden, en
-al waren hun middelen niet groot, de band, in het leger en onder officieren krachtiger
-dan bij de burgerij, verloochende zich ondanks de tallooze disputen onder de levenden,
-ook bij dit sterfgeval niet. Na de begrafenis kwam er een commissie, die bepalen zou
-wat er te doen viel en dat zou gedaan worden. Zij maakten het aanvankelijk Corrie
-niet lastig, maar een week later bezochten zij haar.
-</p>
-<p>Ze waren met hun drieën, een gepensionneerd majoor en een kapitein en een luitenant
-met verlof.
-</p>
-<p>„We komen u eens spreken, juffrouw, over uw omstandigheden, wat u ons wel niet kwalijk
-zult nemen.”
-<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p>
-<p>„O neen,” zei Corrie met haar gewone openhartigheid. „Ik ben u heel dankbaar voor
-uw moeite en opoffering.”
-</p>
-<p>„Och, laat dat! Onder kameraden!.…”
-</p>
-<p>„Nu ja, majoor, dat weet ik. Intusschen zijn toch maar, naar ik hoor, de loopende
-huisschulden afbetaald en.…”
-</p>
-<p>„En verpande sieraden gelost, zeker! En nu komen wij u eens vragen of u ook eenig
-plan hebt.”
-</p>
-<p>„Een plan? Neen, hoe zou ik een plan hebben?”
-</p>
-<p>„Zie eens, juffrouw Corrie; het komt ons beter voor dat u dit huishouden niet voortzet.”
-</p>
-<p>„Mij ook. Ik zou het niet kunnen. De kinderen zijn zoo lastig en brutaal! Maar als
-ze het zonder mij slecht moesten hebben.….”
-</p>
-<p>„Ze hebben tucht noodig, en die zullen ze in gepaste mate deelachtig worden. U kunt
-daaromtrent zeer gerust zijn. Zij zullen goed worden behandeld; dáárop geef ik u mijn
-woord van eer.”
-</p>
-<p>„Gelukkig!”
-</p>
-<p>„En nu wat u aangaat. U weet wel dat uw papa in den laatsten tijd de boeken bijhield
-van den heer Maas. Het schijnen menschen te zijn, die nogal fortuin hebben.”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet,” zei Corrie boos en met een opwelling van trotschheid, meer uit
-haat dan uit karakter voortkomend. „Ik weet het niet: ik bemoeide me met dat volk
-nooit.”
-</p>
-<p>„Het is maar, dat zij het voorstel hebben gedaan u bij hen in huis te nemen!”
-</p>
-<p>„Mij? U hebt er toch niet aan gedacht, hoop ik?”
-</p>
-<p>„Ik wist niet, dat u zoo’n afkeer van die menschen hadt.”
-</p>
-<p>„Zij zijn mijns vaders ongeluk geweest,” zei Corrie ontroerd. <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>„Bij die menschen is hij een slaaf van den drank geworden en dat hebben zij van hem
-gemaakt.”
-</p>
-<p>Allen zwegen. Het was waar, dat wisten ze. Juist daarom was het zoo pijnlijk, wat
-nog volgen moest.
-</p>
-<p>„Misschien weet u ook, dat uw papa bij meneer Maas een schuld had wegens geleende
-gelden van ’n paar duizend gulden.”
-</p>
-<p>„Ik wist niet, dat het zooveel was.”
-</p>
-<p>„Nu is hun voorstel, dat u daar zult komen inwonen en helpen in de besturing van het
-huishouden, om zoodoende die schuld een weinig in te verdienen.”
-</p>
-<p>Corrie gaf zoo dadelijk geen antwoord. Zij zag erg bleek en keek droevig voor zich
-uit naar de figuren op ’t goedkoope, verschietende behangselpapier aan den wand. Dat
-was de „beer” dien hij had gemaakt voor Nelly. Nu hij dood was, zou zij bij die lui
-in een soort van slavernij of pandelingschap gaan om althans in persoon de rente op
-te brengen van dat geld. Er ging haar van alles door het hoofd. Zij dacht aan zooveel
-mooi opgetuigde vrouwen, die men ’s middags in de hoofdstraten kon ontmoeten; die
-voor veel meer waarde dan een paar duizend gulden aan het lijf hadden, en die toch
-zoo gemakkelijk aan geld kwamen. Maar dat kon niet, dat was onmogelijk! Zij had eigenlijk
-geen keus; zij moest maar doen wat anderen wilden en voor anderen. Gelaten sloeg zij
-haar groote donkere oogen op naar den majoor, die zenuwachtig op zijn grijze knevels
-beet en zich, nu hij recht besefte wat dat inhad, in stilte reeds had voorgenomen,
-dat het <span class="ex">toch</span> niet zou gebeuren.
-</p>
-<p>„Als het zóó is,” zei ze zuchtend, „in Godsnaam dan, majoor; dan zal ik er maar heengaan.”
-<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p>
-<p>„Maar indien het voor u zulk een groote opoffering is, dan zou misschien.… er wel
-iets op te vinden zijn,” meende de kapitein, die voor het eerst tusschenbeide kwam.
-</p>
-<p>Allen zagen hem aan. Hij was een man van zes, zeven en dertig jaar, kort en breed,
-met een gladgeschoren gezicht en scherpe, schrandere trekken; hij had iets gedecideerds,
-dat vertrouwen schonk.
-</p>
-<p>„Als u bedoelt dat het geld door een collecte of een inschrijving moet bijeengebracht
-worden, dan moet ik er voor bedanken,” zei Corrie, met een plotselinge inspiratie
-van offervaardigheid.
-</p>
-<p>„Men zou het kunnen opnemen,” meende de luitenant.
-</p>
-<p>„Ik geloof,” zei Corrie, „dat het alles ’t zelfde blijft; papa was het geld eerlijk
-schuldig, en als ik iets moet doen om te zorgen, dat het wordt teruggegeven, dan zal
-ik het wel doen,” ging ze nog steeds zeer bleek en met tranen in de oogen voort. „En
-daarom zal ik bij de familie Maas in betrekking gaan.”
-</p>
-<p>De heeren stonden op, bogen zwijgend en drukten haar met voelbare hartelijkheid de
-hand. Op straat spraken ze niet, maar liepen door met krachtigen militairen pas.
-</p>
-<p>Corrie was in tranen uitgebarsten, toen ze weg waren. Nu was de maat vol! Dat was
-nog wel het eenige, dat aan haar ongelukkig bestaan ontbrak! Gaan dienen bij zulk
-volk!
-</p>
-<p>Des avonds bezocht de kapitein zijn ouderen vriend den majoor, die dadelijk weer over
-middelen begon om Corrie te helpen, zonder dat het een bedelpartij werd.
-</p>
-<p>„Want daar wil ze niet aan,” zei hij.
-</p>
-<p>„Dat prouveert voor haar.”
-<span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span></p>
-<p>„Waarachtig! Zij is een flinke meid; ik had het niet achter haar gezocht.”
-</p>
-<p>„Roos was in z’n tijd ook een man van ferm karakter.”
-</p>
-<p>„Dat was hij,” zei de majoor eenigszins aangedaan. „Als ik bedenk, dat hij mijn slaap
-is geweest hier in Holland! Het <span class="ex">was</span> ’n brave, beste kerel. Op de chambrée leer je mekaar ’t beste kennen.”
-</p>
-<p>De kapitein, van de academie, liet dat in ’t midden.
-</p>
-<p>„Intusschen,” vervolgde de majoor, „is het lastig.”
-</p>
-<p>„Ja. Ik zie er geen gat in.”
-</p>
-<p>„Als het een jongen was, dan ging het makkelijk.”
-</p>
-<p>„Zeker, maar dat is ze nu eenmaal niet. Laat ons bij de zaak blijven. Zij is jong.”
-</p>
-<p>„Precies.”
-</p>
-<p>„Mooi.”
-</p>
-<p>„Hm!.… Dat is te zeggen.…. Nu <span class="ex" lang="fr">soit</span>, soedah, laat ons aannemen dat ze mooi is.”
-</p>
-<p>„Neen, maar ze is het, majoor.”
-</p>
-<p>„Goed, goed. Ik zie nog niet, waar je heen wilt. Aangenomen dus: ze is mooi!”
-</p>
-<p>„Zij heeft een goed hart, een degelijk karakter.”
-</p>
-<p>„Ik twijfel er niet aan, mijn vriend,” antwoordde de majoor erg boekerig. „Ga voort
-asjeblieft.”
-</p>
-<p>„Ze is van fatsoenlijke afkomst; de dochter van een braaf officier.”
-</p>
-<p>De majoor zette groote oogen op en keek strak zijn bezoeker aan, die onder het halve
-licht van een door transparenten beperkte lamp, zijn sigaar kneep.
-</p>
-<p>„Voor den bliksem!” viel de majoor uit. „Wat is dat? Hoor <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>ik goed? Begrijp ik je of begrijp ik je niet? Vooruit met je stukken, zeg! Vooruit
-er mee!”
-</p>
-<p>„Een oogenblik; m’n sigaar wil niet trekken.…. Ziezoo. Ja, majoor, ik geloof dat het
-volkomen begrepen is.”
-</p>
-<p>„Dus,” vroeg de majoor met zijn bovenlijf vooruitkomend over de tafel, zacht en weifelend,
-„dus zou je waarachtig van plan zijn haar te trouwen?”
-</p>
-<p>„Waarom niet?”
-</p>
-<p>„Waarom wèl?”
-</p>
-<p>„Dat is geen antwoord, maar een weervraag.”
-</p>
-<p>„Kijk eens! Het is iets anders een meisje te vinden waarop men de algemeene benaming
-„knap”—van uiterlijk—en goed kan toepassen, en het is iets anders haar te trouwen.”
-</p>
-<p>„Ongetwijfeld!”
-</p>
-<p>„Het is iets anders <span class="ex" lang="ms">kasian</span> te hebben met een arme wees en respect voor haar flinke eigenschappen, en het is
-iets anders haar tot vrouw te nemen.”
-</p>
-<p>„Zeker, zeker, dat geef ik toe.”
-</p>
-<p>„Welnu dan?”
-</p>
-<p>„Het is ook daarom alleen niet: zij bevalt me; haar persoon heeft indruk op me gemaakt;
-ik zie in, dat ik vrij wel op haar verliefd ben.”
-</p>
-<p>De majoor schudde het hoofd met gefronste wenkbrauwen en blies zulk een rookwolk onder
-de lampekap, dat er eerst weer licht kwam op het tafelkleed, toen de warrelende spiralen
-waren weggetrokken.
-</p>
-<p>„Dat moet je niet doen, hoor!”
-</p>
-<p>„’t Verwondert me. ’t Was meteen <span class="ex">het</span> middel.”
-<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p>
-<p>„’t Doet er niet toe. ’t Is ’n ander geval. De menschen verwarren altijd. Weet je
-wat ik geloof?”
-</p>
-<p>„Wat dan?”
-</p>
-<p>Het antwoord kwam niet zoo spoedig; de majoor scheen er moeite mee te hebben.
-</p>
-<p>„Ik spreek als ’n oud vriend,” zei hij gemoedelijk, „en met geen andere bedoeling,
-dan je bestwil.”
-</p>
-<p>„Daarvan ben ik immers overtuigd. Zeg maar op; ik beloof te voren onderwerping en
-geheimhouding.”
-</p>
-<p>„Zie je, je bent nu met verlof, en je zult ook wel eens gepierewaaid hebben hier in
-Holland.”
-</p>
-<p>„Zelfs te Parijs en te Weenen,” antwoordde de kapitein lachend. „Ik had nog wat geld
-hier en dat heb ik verteerd met Wijntje en Trijntje. Heel veel pleizier gehad, <span class="ex" lang="ms">betoel</span>!”
-</p>
-<p>„Zoo! Enfin; ik had het van jou niet gedacht. Maar ik begrijp het. Je hadt in Indië
-een huishoudster.”
-</p>
-<p>„Dat spreekt.”
-</p>
-<p>„En nu je hier niets nieuws meer kan vinden, wordt je verliefd op ’n nonnaatje, zoo
-bruin als waarschijnlijk haar grootmoeder was. Komen daarbij geen souvenirs in het
-spel, amice? Zoo ja, is het dan goed? Is het wenschelijk voor jezelf; is het eerlijk
-spel tegenover het meisje?”
-</p>
-<p>Het ernstig glad gezicht van den kapitein met den sterk geprononceerden neus was zeer
-betrokken; met de hand in de borst van zijn jas, had hij een faux air van „Napoleon
-te St.-Helena.”
-</p>
-<p>„Verdomme majoor,” zei hij eindelijk, „dat doet me onaangenaam aan.”
-</p>
-<p>„Denk er eens over.”
-<span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span></p>
-<p>„Dat behoeft niet. Ik heb geen oogenblik aan zoo iets gedacht.”
-</p>
-<p>„Ik weet het wel, en dat was ook niet noodig.”
-</p>
-<p>„Ik ben er niets lekker over, dat u zoo iets vooronderstelt.”
-</p>
-<p>„Vooronderstellen doe ik niet; ik waarschuw slechts.”
-</p>
-<p>„Ja maar.….”
-</p>
-<p>„En bovendien,—je weet wat we bepaalden.”
-</p>
-<p>„’t Is waar. Maar ik moet u een tegenbewijs leveren; ik ga haar vragen op staanden
-voet.”
-</p>
-<p>„Ga je gang,” zei de majoor verstoord. „En moge het je wel bekomen.”
-</p>
-<p>Corrie had haar broertjes en zusjes naar bed gebracht; zij had de poging harer goede
-burger-buurlui om haar gezelschap te houden en op te vroolijken, in dank van de hand
-gewezen. Zij was vermoeid en wilde vroeg gaan slapen. Het verdriet over de vernedering,
-om bij die gehate menschen als ondergeschikte te moeten dienen—want daarop kwam het
-„in betrekking” gaan toch neer—had ze ter zijde gesteld. Zulk verdriet bleef op haar
-leeftijd niet lang demonstratief; zij zag er verschrikkelijk tegenop, maar nu het
-eenmaal besloten was, onderwierp zij zich er aan, als aan een onafwijsbaar noodlot;
-het Oostersch fatalisme zat haar zóóver nog in ’t bloed.
-</p>
-<p>Langzaam en zacht weerklonk de schel; zij schrikte er van; wat kon dàt wezen? en zonder
-te weten waarom het gewone feit, dat er gebeld werd, zulk een indruk op haar maakte,
-bonsde haar hart, als stond er iets verschrikkelijks voor de deur.—Zij hoorde dat
-boven een deur werd geopend en <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>iemand van de trap kwam, om te zien wie zoo laat—’t was nog geen acht uren—nog een
-bezoek bracht.
-</p>
-<p>„Juffrouw!” zei de buurvrouw een oogenblik later buiten de kamerdeur in de gang.
-</p>
-<p>Corrie deed open.
-</p>
-<p>„Wat blieft u?”
-</p>
-<p>„Daar is iemand om u te spreken. Een van de heeren van hedenochtend.”
-</p>
-<p>Zij draaide de petroleumlamp hoogerop en lei machinaal het tafelkleed recht.
-</p>
-<p>„Wilt u meneer maar hier laten komen?” vroeg ze.
-</p>
-<p>Zonder te aarzelen trad de kapitein de kamer in en groette.
-</p>
-<p>„Ga zitten meneer,” zei Corrie hem een stoel wijzend. „Wat is er van uw dienst?”
-</p>
-<p>Maar hij bleef staan voor den stoel.
-</p>
-<p>„U zult mij, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij ben u nog te komen bezoeken,
-maar het kan geen uitstel dulden.”
-</p>
-<p>Verwonderd keek zij hem aan.
-</p>
-<p>„Is het iets zoo dringends?”
-</p>
-<p>„Ja, juffrouw.…. Wilt u mijn vrouw worden?”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Uw</span> vrouw?” herhaalde zij en haar groote zwarte oogen gingen wijd open. „<span class="ex">Uw</span> vrouw? Maar meneer, fopt u mij? Dat zou u allesbehalve mooi staan.… in mijn omstandigheden.”
-</p>
-<p>„Ik meen het zeer ernstig.”
-</p>
-<p>„Mijn hemel, meneer.… hoe komt het u in ’t hoofd?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet. Ik denk dat niemand zoo iets weet. Alleen verzeker ik u op mijn
-woord van eer, dat het mij ernst is.”
-<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p>
-<p>Zij keek hem eens aan. Nu, als een grappenmaker zag hij er in ’t geheel niet uit.
-Integendeel, zijn scherp geteekende trekken, sterker uitgedrukt dan ooit, lieten geen
-twijfel toe aan de oprechtheid zijner woorden.
-</p>
-<p>Een oogenblik dwaalde haar blik doelloos langs de kale behangselwanden en over de
-half beschaduwde povere meubeltjes der kamer; intusschen stond de buurjuffrouw te
-luisteren aan de op een kier staande deur, stikkend haast van nieuwsgierigheid.
-</p>
-<p>Corrie steunde haar hoofd, dat zij zwak voelde, met haar kleine bruine hand. Het schemerde
-haar voor den geest. Wat was dit nu voor een gek geval! Waarom vroeg hij haar? Uit
-<span class="ex" lang="ms">kasian</span>, dat sprak vanzelf. Zij gevoelde niets voor hem en was zelfs een beetje bang voor
-zijn streng gezicht. Hij zag er in ’t geheel niet uit als iemand, die uit vrijen ging;
-het was veeleer of hij in dienst was voor den troep.
-</p>
-<p>„Wilt u mijn aanzoek in overweging houden?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Neen meneer, ik dank u. Het is zeer vriendelijk van u, maar het medelijden met mijn
-toestand is te ver gedreven.”
-</p>
-<p>„Dat is het niet,” zei hij zacht. „Ik houd heel veel van u.”
-</p>
-<p>Corrie schudde glimlachend het hoofd.
-</p>
-<p>„Dat kan niet!”
-</p>
-<p>„Waarom niet? Ik geef toe dat mijn aanzoek onder vreemde, voor menigeen ongepaste
-omstandigheden plaats heeft. Laat dat zijn. Het is een buitengewoon geval. Morgen
-zoudt u wellicht voor goed besluiten.…”
-</p>
-<p>„Ik heb al besloten. Ik dank u voor uw aanzoek, maar ik kan het niet aannemen.”
-<span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span></p>
-<p>„Wijs mij zóó niet af,” zei hij eenigszins bewogen. „Mijn bedoelingen waren zuiver.
-Verdenk die niet.”
-</p>
-<p>„Dat laat ik daar. Ik denk en ik kan niet anders denken, dan dat dit een soort van
-menschlievende daad is, en dáárvoor bedank ik.”
-</p>
-<p>„Geloof me, het is dat niet.”
-</p>
-<p>„Voor mij wel en dus blijft dat hetzelfde. Eens en voor goed: ik doe het niet.”
-</p>
-<p>„Dus u weigert om die reden?”
-</p>
-<p>„Ja! Onvoorwaardelijk ja. Ik ben geen grootheid; geld en goed bezit ik niet; een schoonheid
-ben ik evenmin; ik ben in het minst geen partij. Als u mij nu vraagt, na het gesprek
-van hedenochtend, dan zie ik er niets in dan <span class="ex" lang="ms">kasian</span>. Ik wil niet, meneer, ik wil niet. Zóó ben ik niet!”
-</p>
-<p>De gave van het woord bezat ze maar in zeer geringe mate; doch ze had zich opgewonden
-en zag bleek, terwijl de tranen weer opkwamen in haar nog roodgeweende oogen.
-</p>
-<p>Hij zag, dat er op dit moment niets met haar was aan te vangen.
-</p>
-<p>„Wind u niet op,” kalmeerde hij. „Denk over mijn voorstel na. Het is gedaan uit achting
-en liefde. Maar ik dring mij niet op. Ik vraag alleen een redelijken bedenktijd vóór
-u beslist.”
-</p>
-<p>„Geloof me, het is onnoodig. Ik zou het u nooit vergeven en mijzelve ook niet. ’t
-Zou een ongelukkig huwelijk worden, anders niet. Ik houd nu niets van u en als ik
-u nam, zou ik het moeten doen om mij te bergen. Dat wil ik niet, nu niet en nimmer.”
-</p>
-<p>„Ik zal thans niet verder aandringen,” zei hij; „toch hoop <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>ik, dat u denken zult over mijn woorden, die waar zijn en welgemeend.”
-</p>
-<p>„Het zij hoe het wil, maar ik moet u bepaald afwijzen.”
-</p>
-<p>De kapitein zei geen woord meer, boog en ging.
-</p>
-<p>Corrie kreeg een moederlijke vermaning van de buurjuffrouw, die, zei ze, wel niet
-geluisterd had, maar toevallig gehoord wat de kapitein had gezegd en Corrie had geantwoord.
-Zij was in de gang geweest en de deur had opengestaan. Een mensch kan toch niet helpen,
-dat hij niet doof is! Maar een kapitein af te wijzen,—dat vond de buurjuffrouw, die
-met haar echtvriend de liefdefirma op touw had gezet toen deze nog slechts sergeant
-was—en in „het militaire” had hij het bij die waardigheid gelaten—toch al te kras;
-zij meende dat iemand in de omstandigheden van haar buurmeisje een kapitein <span class="ex">moest</span> aannemen, het mocht dan zijn hoe het wilde. Vooral in een tijd, dat het zoo slecht
-ging met alles; vooral in Indië moest alles heel slecht gaan, had haar man op zijn
-bureau hooren vertellen.
-</p>
-<p>Nu, dat was zoo.
-</p>
-<p>De berichten luidden steeds ongunstiger.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Mourant, die een hevige scène had gehad met Henriëtte, waarin hij ruzie gemaakt en
-gevleid, gebeden en gevloekt, gesmeekt en gedreigd had, was kortweg ’t huis uitgejaagd,
-met een haat en een minachting, die hem razend maakten. Hij was, niet wetende wat
-te doen, de straat opgeloopen, inwendig kokend van woede, en schoon uiterlijk zijn
-kalmte bewarend, wel tien jaren ouder in zijn gezicht. Nogeens zou hij het dien dag
-beproeven. Hij wilde, hij kon de werkelijkheid <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>niet als zoodanig aannemen. Het was al te dwaas! Zij was ziek; ze moesten weg; een
-groote reis door Italië en Griekenland of zoo! ’t Kon, ’t mocht niet zijn, dat zij
-en haar vermogen hem ontgingen en hij daar werd neergezet alleen, verlaten, bespot,
-geminacht. In een restaurant trachtte hij tot kalmte te komen door iets te eten en
-een glas champagne met ijs te gebruiken. Het gelukte hem, en bedaarder, schoon niet
-minder somber gestemd, ging hij naar zijn kamers om er de middelen te beramen, die
-nog denzelfden dag, zonder verwijl, toegepast moesten worden.
-</p>
-<p>Er was een mail aan.
-</p>
-<p>Mourant was gewoon veel brieven te ontvangen, vooral in den laatsten tijd, maar zooveel
-als er ditmaal op de tafel lagen, waren er anders toch nooit.
-</p>
-<p>Hij las er een en werd erg bleek. Mijn God, dat moest er nog bij komen! Zijn vriend,
-zijn beste vriend, zijn boezemvriend, dien hij een onbeperkt vertrouwen had geschonken,
-bleek hem voor een goed deel van zijn vermogen te hebben bestolen en opgelicht. Bevend
-streek hij de handen over ’t hoofd, als vreesde hij, dat iets daarin verkeerd zou
-gaan zitten. Met zijn weinige grijze haren en potsierlijke verwarring, half luid sprekend
-met de breede gemaakte gebaren, die ten slotte natuurlijk bij hem waren geworden,
-liep hij heen en weer in de kamer, nu eens een enveloppe van een brief scheurend en
-dien, na een vluchtigen blik op den inhoud, neerwerpend bij de andere. Het was immers
-alles ’t zelfde! Zijn vrienden beklaagden hem allen, maar zijn geld kreeg hij niet
-terug. Wat te doen, wat te doen? En allen schreven hem, dat hij in ’t belang van de
-kansen op redding, van <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>een gedeelte althans, zoo spoedig mogelijk naar Indië moest komen. Hij wist, althans
-begreep, dat dit volkomen waar was, maar dan verwierp hij hier moedwillig alle kansen.
-</p>
-<p>Een denkbeeld kwam bij hem op: als zij eens te bewegen was ook naar Indië te gaan!
-</p>
-<p>Hij begon zich te verkleeden in een stemming, welke hem toescheen overeenkomst te
-moeten hebben met die van een ter dood veroordeelde. Zijn handen beefden zoo, dat
-hij de knoopjes van zijn overhemd niet vast kon krijgen.
-</p>
-<p>De huissleutel van Henriëtte’s woning was nog in zijn bezit en hij trad binnen met
-zijn gewone air van heer en meester der vesting; maar de meid kwam hem dadelijk in
-de gang te gemoet; het was of ze op hem had gewacht.
-</p>
-<p>„Ik zou u niet aanraden binnen te gaan,” zei ze snibbig en brutaal.
-</p>
-<p>Hij verwaardigde haar met geen blik en had reeds den voet op de eerste trede van de
-trap.
-</p>
-<p>„Meneer Jules is boven<span class="corr" id="xd31e3207" title="Niet in bron">.</span>”
-</p>
-<p>Mourant trok den voet terug en keek het meisje in haar aardig, maar onbeschaamd gezichtje.
-Zijn verbeelding stelde hem de kamer voor, met Henriëtte en Jules er in, zijn optreden
-daar en de onvermijdelijke onaangenaamheden. Hij wist dat die jonge kerel zich voor
-niets zou ontzien en dat hij zich blootstelde aan een bejegening, die tot alles kon
-leiden, van een kaakslag tot een tweegevecht. De vrees maakte zich van hem meester;
-hij was bang. Een held was hij met het woord en waar dat indruk teweegbracht kon hij
-verschrikkelijk zijn; zijn uiterlijk was groot, forsch, indrukwekkend. Maar zijn persoonlijke
-moed was een muisje <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>door dezen berg gebaard. Als er kans bestond op een vuistslag, een sabelhouw of een
-pistoolkogel, dan trok hij zich gaarne terug met al de kracht die in hem was. Een
-oogenblik aarzelde hij; toen stak hij duim en vinger in een vestzak en haalde langzaam
-een sovereign te voorschijn.
-</p>
-<p>Het meisje lachte hem brutaal uit.
-</p>
-<p>„Ik laat me niet omkoopen! Ik doe wat mevrouw mij heeft gelast.”
-</p>
-<p>„Dus zij heeft je hier gezonden?”
-</p>
-<p>„Zeker. Waarom niet?”
-</p>
-<p>„En om mij te beletten.…”
-</p>
-<p>„Wel neen! Wie belet u iets? Ga maar gerust binnen.”
-</p>
-<p>Zij zei het spottend; ze had gezien dat hij niet durfde.
-</p>
-<p>„Nu ja.”
-</p>
-<p>„Neen wezenlijk meneer; geneer u niet.”
-</p>
-<p>„Je moet me helpen er een eind aan te maken.”
-</p>
-<p>„Dank u; ik help u niet.”
-</p>
-<p>„Ik zal je er rijk voor beloonen; je <span class="ex">moet</span>!”
-</p>
-<p>„En ik wil niet. Wat denkt u! Ik heb heel graag een fooi, maar ik mag zien, dat die
-met pleizier wordt gegeven. Heb ik vroeger ooit iets van u gehad?”
-</p>
-<p>Thans begreep hij welk een groote fout hij had begaan door tegen de kleinigheden te
-zondigen; zijn zuinigheid met fooien had op gruwelijke manier de wijsheid bedrogen.
-</p>
-<p>Aarzelend liep hij in de gang op en neer, den neus in den wind, de handen op den rug,
-inwendig dol van woede, uiterlijk vrij kalm. De <span class="ex">bonne</span> telde met een cynischen glimlach de knoopjes van het lijf harer japon: gaan, niet
-gaan! De lust om binnen te dringen was er bij Mourant; de physieke <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>moed ontbrak, en dit leidde hem tot een philosopheeren over redenen, die hem het maken
-eener scène—’t zij luidruchtig of in gewonen toon—onmogelijk maakten. Zoo viel het
-hem in dat hij geen zedelijk recht bezat; dat hem bij een gewelddadig optreden elke
-rechtsgrond ontbrak, omdat hij geen ander beroep had, <span class="corr" id="xd31e3239" title="Bron: dan">dat</span> uit een immoreele verhouding voortsproot. Was hij zelfs niet op wettige gronden als
-voogd der kinderen te wraken? In een oogenblik zette hij een pleidooi op tegen zichzelven
-en vóór de noodzakelijkheid onverrichterzake heen te gaan.
-</p>
-<p>„Zeg aan mevrouw,” zei hij, „dat ik haar het onaangename van mijn tusschenkomst thans
-wensch te besparen, maar dat ik haar verzoek mij morgen vóór negen uren mede te deelen,
-waar en wanneer ze mij kan ontvangen.”
-</p>
-<p>„Het is goed.”
-</p>
-<p>Zij liet hem uit met overdreven gedienstigheid.
-</p>
-<p>„Niets meer van uw orders?”
-</p>
-<p>Zonder het brutaal schepsel met een blik te verwaardigen, ging Mourant, in groote
-deftigheid en met zenuwachtigen greep zijn demi-saison hooger op de borst trekkend,
-het trottoir op.
-</p>
-<p>Intusschen waren Jules en Henriëtte volstrekt niet meer op hun gemak, dan de man in
-de gang was geweest. Jules had vast besloten voor goed Mourant af te maken; hij was
-jong en sterk en zijn voornemen stond vast. Maar als hij dacht aan de persoonlijkheid
-van den advocaat en zich voorstelde hoe deze hem met het woord dadelijk de baas zijn
-zou, zoodat hem om te overwinnen niets anders overbleven dan de ruwe uitingen van
-het vuistrecht, dan parelde het zweet hem erger <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>op het voorhoofd in dit koel klimaat, dan ooit onder het tropisch zonnetje van Indië;
-dan werd hij zoo zenuwachtig, dat, als zijn liefde voor Henriëtte niet zoo sterk was
-geweest, hij zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen zou gezocht hebben. Thans zou
-hij blijven; het gold niet meer of minder dan.… zijn aanstaande vrouw.
-</p>
-<p>Zij had hem alles verteld; <span class="ex">alles</span>.
-</p>
-<p>Zij had hem bleek, zenuwachtig en met tranen in stem en oogen, haar leven geschetst
-gedurende de ziekte van Veninga, en haar lijden onder zijn beleedigende, ruwe bejegening;
-zij had hem doen gevoelen hoe zij bezweken was, niet uit liefde voor Mourant, maar
-door de groote behoefte aan liefde, die zij, zonder andere vrienden of familie, elken
-dag dieper gevoelde naarmate het humeur van Veninga haar erger griefde en verbitterde.
-En eindelijk had zij toegegeven, half en half met het denkbeeld: als ik dan toch elken
-dag word uitgescholden <span class="ex">alsof</span> ik het was; als ik ieder oogenblik onder de uitgedrukte verdenking moet staan het
-te <span class="ex">zijn</span>, welnu, dan <span class="ex">zal</span> ik het wezen.
-</p>
-<p>En Jules, die in zijn wijze van denken, in zijn geheele levensrichting een niet minder
-groote overeenkomst toonde met Henriëtte, dan in de kleur van oogen, haar en huid,
-had dat dadelijk volkomen begrepen.
-</p>
-<p>Maar die bekentenis had voor hem den toestand geheel veranderd.
-</p>
-<p>Aanvankelijk had hij gedacht, dat deze kennismaking met het mooie jonge weeuwtje zou
-uitloopen op een voorbijgaande liefdesgeschiedenis, waarbij Mourant den gefopten minnaar
-zou vertoonen; hij had zich ’t verloop onder de bestaande <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>omstandigheden haast niet anders kunnen voorstellen. Thans was dat heel veranderd.
-Hij gevoelde dat hij Henriëtte zeer liefhad, en zij hem ook. Het begon er anders uit
-te zien. Hij moest haar òf dadelijk verlaten òf haar trouwen! Heel gauw had hij tot
-dat laatste besloten. Zijn oom, thans razend van woede, had Brussel verlaten, zwerende,
-dat als Jules het deed, hij nimmer meer in zijn woning te Batavia zou worden toegelaten.
-En Jules, die wel wist dat dit op den duur tegenover een planter, wien het voor den
-wind gaat, niet is vol te houden, liet zijn oom stilletjes vertrekken.
-</p>
-<p>De slechte berichten uit Indië hadden ook Fournier bereikt.
-</p>
-<p>Ondanks den practischen raad van Hortense, had hij toch niet zoo goed gezorgd voor
-hun eigen geld, als voor dat van Louise en van dokter Van der Linden. Dat maakte het
-heel moeilijk voor hem en drukte hem zwaar ter neer, terwijl hij de Jobstijdingen
-las, die de jongste mail aanbracht.
-</p>
-<p>„Wat scheelt er aan?” vroeg zijn vrouw, toen ze zijn kantoorkamer binnenkwam om te
-zien of er ook brieven voor haar waren.
-</p>
-<p>En toen hij zoo gauw niet antwoordde, vroeg ze ongerust:
-</p>
-<p>„Is het weer mis?”
-</p>
-<p>Hij knikte toestemmend en zuchtte diep. Het zat hem als een brok in de keel. Nooit
-was hij geldzuchtig van aard geweest, en voor hemzelven was het niet erg. Maar nu
-hij kinderen had, nu was de mededeeling, dat zijn halve fortuin gewoon naar de maan
-was, hoogst verdrietig; ’t was hem of zijn kinderen in hun toekomst werden bestolen
-en hij de dief was.
-</p>
-<p>Hortense ging naast hem zitten, en haar gezicht tegen het <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>zijne drukkend, keek ze mee in den noodlottigen brief, dien hij voortging met lezen;
-toen ze die cijfers zag, begreep haar heldere geest alles; een oogenblik werd ze erg,
-erg bleek.
-</p>
-<p>„’t Is een ruïne!” zei hij toonloos.
-</p>
-<p>„Het is verschrikkelijk!”
-</p>
-<p>Een paar seconden zwegen beiden.
-</p>
-<p>„’t Beste is, Gérard, dat we hier den boel zoo spoedig mogelijk aan kant doen; dat
-je voor het lidmaatschap bedankt; dat we teruggaan naar Indië en je de praktijk weer
-opneemt.”
-</p>
-<p>„Ja,” zei hij nogmaals uiterst ontstemd.
-</p>
-<p>„’t Baat niet, Gérard, of we er lang over tobben. Een kort besluit, een goed besluit.”
-</p>
-<p>„Had ik maar heelemaal gedaan, zooals je gezegd hebt!”
-</p>
-<p>„Gedane zaken nemen geen keer, vent. Er moeten spijkers met koppen worden geslagen.
-Het is hoogst verdrietig, dat weet ik immers zoo goed als jij! Maar ’t baat niet er
-om te treuren.”
-</p>
-<p>Fournier keek haar met verwondering aan.
-</p>
-<p>Hij wist dat zij een hekel had aan Indië; dat zij er altijd ziek was; dat hun eerste
-kind er zoo geleden had; dat aan haar verblijf te Batavia hoogst onaangename herinneringen
-waren verbonden.
-</p>
-<p>En hij wist hoe blij ze was om zijn verkiezing, hoe zij in haar vreugde zelfs nog
-weinig dagen te voren had gesmaald op Indië.
-</p>
-<p>Nu was zij de eerste, die sprak van teruggaan naar Indië, niet alsof het een zaak
-was van de grootste opoffering, maar de meest alledaagsche ter wereld.
-</p>
-<p>„Ik vrees dat het onvermijdelijk zijn zal,” zei hij.
-<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p>
-<p>„Zeker, met wat ons overblijft kunnen wij immers niet blijven leven, zonder erg te
-verminderen.”
-</p>
-<p>„Als we dat toch eens deden.”
-</p>
-<p>Beslist schudde zij het hoofd.
-</p>
-<p>„Neen, Gérard, dat mag niet; dáárvoor zijn we te jong.”
-</p>
-<p>„Ik heb zulke ernstige bezwaren.”
-</p>
-<p>„Zeker. Ik begrijp dat wel: je verkiezing hier; het nare werk ginds; het andere leven,
-eentonig en afmattend.”
-</p>
-<p>„Juist, dàt ook. Maar.….”
-</p>
-<p>„Kom,” zei ze, hem kussend en lachend, wel zenuwachtig maar toch met vertoon van vroolijkheid,
-„kom, het zal wel schikken. Wellicht is het weer in orde binnen een jaar of vijf.
-Dan zijn we weer hier terug, en het is maar de quaestie van eenigen verloren tijd.”
-</p>
-<p>„En jij, en de kinderen?”
-</p>
-<p>„Wij gaan natuurlijk mee.”
-</p>
-<p>„Om er weer als vroeger doodziek te worden?”
-</p>
-<p>„Wel neen; we zijn nu, Goddank, allen uitstekend gezond, en ik zie niet in, dat.…”
-</p>
-<p>„En vroeger dan?”
-</p>
-<p>„Dat was iets anders. Mijn hemel, je kunt toch niet zeggen dat men ergens per se ziek
-moet zijn, omdat men er eens ziek was?”
-</p>
-<p>„Enfin, ik moet er eerst nog eens over nadenken; het is een heel besluit.”
-</p>
-<p>„Gérard, het geeft niets of je al langer nadenkt; het moet gebeuren, daartegen is
-niets te doen. Wat schrijft Droz?”
-</p>
-<p>„Kijk zelve maar,” antwoordde hij, zuchtend den brief overhandigend.
-<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p>
-<p>Zij las hem met een gezicht vol ernst en gewicht.
-</p>
-<p>„Juist wat ik dacht! ’t Kantoor gaat prachtig, te beter naarmate de tijden slechter
-zijn.”
-</p>
-<p>„Ja, dat wist ik.”
-</p>
-<p>„En hij wil graag eens naar hier. O, maar Gérard, dat treft prachtig.”
-</p>
-<p>Doch Fournier werd boos.
-</p>
-<p>„Het ontbreekt er nog maar aan, dat je verheugd bent,” zei hij schamper. „Je schijnt
-heelemaal te vergeten, dat het vandaag de ongelukkigste dag is, die we in jaren hebben
-doorleefd. Je weet, ik hecht niet aan het geld om ’t geld, maar ik verzeker je, dat
-dit me te machtig is.”
-</p>
-<p>Het scheelde maar weinig of tranen van aandoening kwamen hem in de oogen. Hortense
-troostte en bemoedigde hem. Doch toen hij des middags in zijn kantoor was begonnen
-met maatregelen te nemen voor zijn vertrek, en hij voor ’t een en ander het advies
-zijner vrouw noodig had, vond hij haar met de kinderen op het tapijt zitten in hun
-kleedkamer, schreiend en snikkend.
-</p>
-<p>Hij was er zeer door bewogen, en zij, schrikkend op zijn onverwacht binnentreden,
-droogde haastig haar tranen. Daar had je het! dacht hij. Zij had zich goed gehouden
-voor hem; zij had zichzelve geweld aangedaan en hem het denkbeeld, naar Indië terug
-te keeren, met opgewektheid aangepraat, terwijl het haarzelve doodelijk bedroefde,
-hoewel ze hem toch niet alleen wilde laten gaan, al waagde zij er ook haar eigen gezondheid
-aan en die van haar kinderen.
-</p>
-<p>Bewogen keek hij haar aan, terwijl ze haar best deed om, zich bezighoudend en sprekend
-met de kinderen, hem niet <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>te laten zien, dat ze gehuild had, en toen hij haar stil en met dankbare genegenheid
-aanzag, vond hij haar mooi en lief; het was de eerste maal in zijn leven.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e3336" title="Niet in bron">„</span>Stance,” zei hij: „wil je me een groot, groot genoegen doen?”
-</p>
-<p>Verschrikt zag ze hem aan met wijdgeopende oogen en angsttrekken om den mond. Zij
-behoefde geen uitlegging; ze wist wat het was; zij had het gevoel dat ze in Indië
-haar dood te gemoet ging, doch dat vond ze het ergste niet; zij sloeg haar armen om
-zijn hals, en streed niet verder om haar droefheid te bedwingen.
-</p>
-<p>„Nooit, Gérard, nooit! Ik heb je eens laten blijven en ben alleen naar hier gegaan,
-en je hebt me zelf verteld hoe akelig en verdrietig je dat leven was zonder familie,
-zonder eigen gezin.”
-</p>
-<p>„Nu ja, doch wat.….”
-</p>
-<p>„Gérard, spreek er niet van; ik doe het niet. Wij moeten bij elkaar blijven. Later,
-als we ouder zijn en het mocht dan nog noodig wezen, dan kunnen we altijd zien.”
-</p>
-<p>„Dat is ook een uitvlucht!”
-</p>
-<p>„Het kan me niet schelen: <span class="ex">nu</span> doe ik het niet.”
-</p>
-<p>Hij kuste haar blonde haren; haar aanhankelijkheid deed hem goed, en zeker, het zou
-een heel ander leven voor hem zijn met haar en de kinderen in eigen woning, dan hier
-of daar te Weltevreden in een paviljoentje.
-</p>
-<p>Dokter Van der Linden en de jonge familie Riquelle hadden geen last van slechte tijdingen
-uit Indië. Wel hoorden zij er van spreken in Den Haag en zagen zij dat de couranten
-wemelden van advertenties, waarin huizen en villa’s te huur en te koop <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>werden aangeboden met en zonder ameublement, maar verder trof het hen niet,—tot op
-een goeden middag Louise een brief ontving van haar gewezen stiefdochter, waarin die
-meedeelde, dat zij en Fournier door finantiëele omstandigheden genoodzaakt waren terug
-te keeren. Het trof haar hoogst onaangenaam; zooals haar sedert haar huwelijk met
-den ritmeester nog niets had getroffen, want alles ging van een leien dakje. Zij was
-op normalen tijd in „de” omstandigheden geraakt, en nu lag sedert maanden reeds, meer
-op den schoot van papa en mama Riquelle dan in zijn prachtig met kanten en strikken
-opgesierd wiegje, een jeugdige gravin Riquelle met den blonden krullebol, die sedert
-vele jaren het hoofd van dokter Van der Linden had verlaten, en met eenige sprekende
-bijzonderheden der Van Veltons, als had die oude Bataviasche koopman voor goed zijn
-tjap gedrukt op de nakomelingschap van Louise.
-</p>
-<p>Zij had daar, ondanks haar scherpzinnigheid, niets van bespeurd; zij verbeeldde zich,
-dat ’t kleintje sprekend op haar man geleek, en daar waren beiden recht gelukkig mee.
-Louise had een gevoel alsof ze tot rust was gekomen; alsof zij eindelijk was beland
-waar zij wezen moest.
-</p>
-<p>Met gemoedelijkheid en een kalm vertrouwen zag zij de toekomst tegen. Niets kon haar
-deren. Zij had Riquelle voor goed lief, en hij haar, dat wist ze; in de coterieën
-was zij opgenomen; men mocht haar gaarne en bewonderde haar gedistingeerde vormen
-en goeden conversatie-toon, terwijl men haar schoonheid benijdde en haar rijkdom op
-prijs wist te stellen.
-<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></p>
-<p>„Vindt je het niet vreemd, Edmund?”
-</p>
-<p>„Ja,” zei de ritmeester zijn rossige knevels opdraaiend, „dat is het zeker. Het spijt
-me voor Fournier. Ik weet dat hij het niet voor zijn genoegen doet.”
-</p>
-<p>„En hij is pas in de Staten-Generaal gekozen.”
-</p>
-<p>„Dat komt er nog bij! Ik kan me toch niet voorstellen, dat hij voor ons geld heeft
-gezorgd, en niet voor het zijne.”
-</p>
-<p>„Het schijnt toch wel.”
-</p>
-<p>„’t Zou verschrikkelijk wezen! Zouden we niet eens naar papa gaan?”
-</p>
-<p>„Mij dunkt, dat ware ’t beste; wellicht weet pa Van der Linden er meer van.”
-</p>
-<p>Zij lieten den coupé inspannen. Toen Louise bij het afrijden even door het raampje
-keek, betrok haar gelaat en liet zij zich achterover in de kussens vallen. Midden
-op den weg liep langzaam een vrij fatsoenlijk gekleed burgerman, nog jong betrekkelijk,
-met een ronden hoed en een wandelstok in de hand. Hij keek haar brutaal in het gezicht
-met een ergerlijk onbeschaamde uitdrukking op zijn gelaat. Het was nu reeds de derde
-maal dat zij, haar huis verlatend, dien persoon ontmoette en op die wijze door hem
-werd gefixeerd. ’t Was onuitstaanbaar, maar er was niets aan te doen. Riquelle had
-het niet gezien. Als hij ook maar had kunnen vermoeden, dat die man zijn vrouwtje
-hinderde, hij zou hem met de rijzweep hebben afgerost. Bij het huis van haar vader
-dacht zij er niet meer aan. Een mooie vrouw maakt dikwijls diepen indruk; dat was
-ze van jongs af gewend!
-</p>
-<p>„Het is een gek geval,” zei de oude heer, die wel hoe langer hoe kaler en grijzer
-werd, maar weinig verouderde, <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>„hij heeft inderdaad voor ons geld gezorgd en niet voor ’t hunne.”
-</p>
-<p>„Maar hoe is het mogelijk?”
-</p>
-<p>„Sommige menschen zijn zoo. Hij is voorzichtig voor anderen, sekuur van aanbelang;
-maar zijn eigen geld moest hij door anderen laten beheeren.”
-</p>
-<p>„Zouden wij hen niet kunnen helpen?” vroeg Louise.
-</p>
-<p>Riquelle zei niets, maar keek haar een beetje angstig aan; hij bevond zich zoo uitstekend
-bij de tegenwoordige ruimte van middelen! En als iemand, die weet wat ontbering van
-comfort is, als men dit zoo gaarne zou hebben, was hij haast gierig op het bezit.
-</p>
-<p>„Wij zouden wel kunnen,” meende de dokter.
-</p>
-<p>„Welnu, dan moeten we het doen.”
-</p>
-<p>Maar haar vader schudde het hoofd.
-</p>
-<p>„Nonsens, kind. Persoontjes als Fournier en Hortense nemen zulke hulp niet aan.”
-</p>
-<p>De ritmeester haalde diep adem.
-</p>
-<p>„Dat meende ik ook.”
-</p>
-<p>„Wij konden het toch beproeven.”
-</p>
-<p>„Goed! Ik zal het doen, kind. Het is zeer zeker, dat het niets hoegenaamd zal baten;
-maar als ik je er een pleizier mee doe, dan gaarne, en ik beloof je, dat ik mijn best
-zal doen.”
-</p>
-<p>Zij vroeg naar haar zoon. Die was naar school, zei de dokter op een toon van gewicht.
-</p>
-<p>„Waarom neemt u niet liever een gouverneur?”
-</p>
-<p>„Gekheid! kinderen moeten met kinderen omgaan.”
-</p>
-<p>„Dat vind ik ook,” zei Riquelle.
-<span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span></p>
-<p>„Als jullie nog een kwartier wacht is hij thuis.”
-</p>
-<p>Maar daar had Louise geen tijd voor, want ze moesten nog noodzakelijk eenige visites
-maken, nu ze toch <i>en route</i> waren. Riquelle bevestigde het; hij was volstrekt niet verlangend naar den jongenheer
-Van Velton en de antipathie was wederkeerig.
-</p>
-<p>Glimlachend schudde de dokter het hoofd, hen uitlatend op den corridor.
-</p>
-<p>„U bent al tweemalen naar uw kleindochter wezen zien,” zei Louise verwijtend en terwijl
-ze de trap afging omkijkend naar haar vader.
-</p>
-<p>„Ik ga weinig uit, maar ik kom toch gauw eens aan.”
-</p>
-<p>Wat kon hem dat pasgeboren gravinnetje schelen! Had hij niet zijn <span class="ex">eigen</span> kleinzoon, dien fermen jongen?
-</p>
-<p>Toen zij in het rijtuig stapte, zag ze wederom aan de andere zijde door het raampje
-het gezicht van den man, dien ze de laatste dagen telkens als ze uitging ontmoette,
-die haar fixeerde en volgde; zij schrikte er ditmaal van. Het trof den ritmeester
-ook, dat die man zoo keek en hij monsterde hem met een gezicht en een paar oogen,
-die den kerel dadelijk vol vrees het hoofd deden omwenden.
-</p>
-<p>„Wat is dat voor een man?” vroeg hij, toen het rijtuig wegreed.
-</p>
-<p>„Ik weet het niet.”
-</p>
-<p>„Onbeschoft volk!”
-</p>
-<p>„Wel Edmund, ik zie nu al dagen lang dien man, telkens als we uitgaan, en iederen
-keer kijkt hij zoo verschrikkelijk brutaal.”
-</p>
-<p>Riquelle’s gezicht betrok onheilspellend.
-<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span></p>
-<p>„Maar lieve Louise, waarom dat niet eer gezegd?”
-</p>
-<p>„Ik durfde niet goed, ik vond het zoo gek.”
-</p>
-<p>„Integendeel, het is.…”
-</p>
-<p>„Ik was bang, dat je me zoudt uitlachen, of misschien in drift een ongeluk begaan.”
-</p>
-<p>„O zoo! Neen, ik zal wijzer zijn. Persoonlijk zal ik aan zoo’n individu de handen
-niet vuil maken.”
-</p>
-<p>„Het is allervervelendst!”
-</p>
-<p>„Wees maar gerust,” zei hij, zijn hand op haar schoot leggend en de hare zacht drukkend
-met een teedere beschermende uitdrukking op zijn gezicht: „je zult er geen last meer
-van hebben.”
-</p>
-<p>Dokter Van der Linden liet er geen gras over groeien. Nauwelijks was zijn kleinzoon
-van school thuis gekomen, of hij liet hem netjes kleeden en toog op weg naar de Fourniers;
-al wandelend praatte hij met het ventje; het was zijn grootste genoegen. Aan de overzijde
-van de straat, een eindje achter hen, volgde dezelfde man, van wien Louise last had.
-Met de handen in de zakken van zijn paletot, den wandelstok onder den arm, het hoofd
-vooruit en een weinig gebogen, slenterde hij langzaam voort, in gedachten verzonken,
-nu en dan een blik slaande op den ouden heer en het kind aan de overzijde. Zoo volgde
-hij hen tot voor het huis van Fournier.
-</p>
-<p>„Toe Hortense,” zei de dokter, „hou jij mijn kleinen vent zoolang bezig. Ik wou Gérard
-eens spreken over zaken.”
-</p>
-<p>„Hij is op zijn kantoor.”
-</p>
-<p>„Goed kind, dan vind ik hem wel.”
-</p>
-<p>„U wilt.…”
-<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p>
-<p>„Wat?”
-</p>
-<p>„U wilt ons toch geen proposities doen om hier te blijven?”
-</p>
-<p>„En als dat nu eens ’t geval was?”
-</p>
-<p>Hortense kreeg een kleur en haar hoofd, zich oprichtend, maakte korte, zenuwachtige
-bewegingen vol trots.
-</p>
-<p>„Het is heel lief van u, doch het helpt niet.”
-</p>
-<p>„En waarom niet, asjeblieft?” vroeg de oude heer boos en op den eenigszins ruwen toon,
-die hem in vroeger jaren niet vreemd was.
-</p>
-<p>„Omdat wij niet mogen en niet kunnen.”
-</p>
-<p>„Pfff! groote woorden, meisje! Zaken zijn zaken, dat zei je oude heer altijd en dat
-is waar. Asjeblieft geen sentimentaliteit.”
-</p>
-<p>„Het is geen sentimentaliteit!”
-</p>
-<p>„Wat is het dan? Is ons fortuin niet wezenlijk het onze en zijn wij er niet op eerlijke
-en fatsoenlijke manier aangekomen?”
-</p>
-<p>„Och, dat is het niet, meneer Van der Linden.”
-</p>
-<p>„Dat is het wel, mevrouw Fournier, want was dat anders, dan hadt je gelijk. Het is
-’t eenig motief voor het afwijzen van proposities als de onze.”
-</p>
-<p>„We kunnen heusch niet.”
-</p>
-<p>„Nu,” vervolgde hij lachend, „wind je maar niet op. Ik zal het wel eens bepraten met
-je man.”
-</p>
-<p>En hoe weinig hoop hij daarop had, deed hij toch zijn best; toen hij binnenkwam riep
-hij met <span class="ex" lang="fr">bonhomie</span>, waardoor echter een tintje ontevredenheid straalde:
-</p>
-<p>„Wat ga je nu voor onbezonnen dingen doen?”
-<span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span></p>
-<p>Fournier stond op en ging hem met een uitgestoken hand te gemoet.
-</p>
-<p>„Het moet, papa Van der Linden; het is onaangenaam, maar het kan niet anders.”
-</p>
-<p>„Hoor eens, Fournier: een kort lied is gauw gezongen. Wil je me cijfers noemen?”
-</p>
-<p>„Onder ons, natuurlijk!”
-</p>
-<p>„Dat spreekt vanzelf.”
-</p>
-<p>Zij staken de hoofden bijeen boven het zakboekje, dat Fournier op zijn schrijftafel
-opensloeg.
-</p>
-<p>„Nu,” zei de dokter opkijkend over zijn bril. „Het is te doen!”
-</p>
-<p>„Dat wil zeggen?” vroeg Fournier, die met minder scherpzinnigheid in dit geval dan
-Hortense, niet zoo dadelijk het fijne van de zaak begreep.
-</p>
-<p>„Kijk eens hier! Wij, Louise en ik, kunnen samen zooveel dekken dat jullie niet naar
-Indië behoeft te gaan.”
-</p>
-<p>Fournier stond driftig op met een breed gebaar van afwijzing.
-</p>
-<p>„Stil!” vervolgde de dokter: „laat me uitspreken. Als je gaat met je familie, zal
-Stance er zeker ziek worden, want zij is nu eenmaal niet voor het klimaat vervaardigd,
-en je kindertjes hoogstwaarschijnlijk ook. Ik heb veel, wat het beheer van mijn vermogen
-aangaat, haar vader en jou te danken. Louise nog veel meer door haar zoo belangrijk
-aandeel in de erfenis van Van Velton. Het is dus geen geschenk, geen edelmoedigheid
-of zoo,—het is een uitvloeisel van knellende zedelijke verplichting en het zal mijn
-dochter en mij een vreugde zijn.”
-<span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span></p>
-<p>Een oogenblik dacht Fournier na, aarzelend.
-</p>
-<p>„Laat Hortense beslissen.”
-</p>
-<p>Maar de dokter werd rood van kwaadheid, sloeg met zijn vlakke hand op de schrijftafel,
-dat de inkt uit den koker spatte, en riep:
-</p>
-<p>„Dat behoeft niet, want ze verdomt het. Ziedaar!”
-</p>
-<p>Zich in stilte vermakend om den barschen uitval van den dokter, betoogde nu Fournier
-met grooten ernst, dat het voorstel, hoe goed gemeend en hoe treffend offervaardig,
-onmogelijk kon worden aangenomen.
-</p>
-<p>„Men doet zoo iets,” dus eindigde hij, „als men in werkelijken nood zit en dan, zou
-ik zeggen, is het plicht.”
-</p>
-<p>„Maar jullie zit in nood.”
-</p>
-<p>„Och kom!” lachte Fournier: „dat is ook wat!”
-</p>
-<p>„Waarachtig! Je begrijpt het niet, mijn waarde, maar het <span class="ex">is</span> zoo. Hortense houdt het niet vol in Indië en de kinderen ook niet.”
-</p>
-<p>„Dat is niet gezegd; zij zijn er vroeger.…”
-</p>
-<p>„Geloof je dat ik van zulke zaken meer weet dan jij?”
-</p>
-<p>„Zeker. Maar u heeft thans een nevenbedoeling.”
-</p>
-<p>„Goed! Als je meent dat dit overwegend is, kan ik je niet overtuigen; intusschen:
-ik heb je gewaarschuwd en ik zal het Stance ook doen. De gevolgen van deze dwaasheid
-komen voor jullie rekening.”
-</p>
-<p>Half boos ging de oude heer heen, en toen hij in de kamer kwam waar zijn kleinzoon,
-die zich veel te groot achtte om zich met die „kleintjes” bezig te houden, een heel
-eigenwijs gesprek hield met Hortense—ging hij regelrecht op haar af.
-<span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span></p>
-<p>„Zeg Stance, als je soms lust hebt tot zelfmoord, dan is er een gemakkelijker manier
-voor jou en de kinderen dan naar Indië te gaan.”
-</p>
-<p>Zij trok ongeloovig en minachtend de schouders op.
-</p>
-<p>„Je denkt, dat het niet waar is, maar ik geef je er mijn woord op, mijn woord van
-eer.”
-</p>
-<p>„Waarop?”
-</p>
-<p>„Op de waarheid van ’t geen ik zeg. Binnen het jaar ben je dood.”
-</p>
-<p>„Het is goed!”
-</p>
-<p>„Wat is het? Is het goed?”
-</p>
-<p>„Nu, zoo meen ik het niet. Maar <span class="ex">als het waar was</span>…”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Als</span> het waar was? Het is waar.”
-</p>
-<p>„Ik zeg: <span class="ex">als</span> het waar was, ging ik toch nog liever, dan hem alleen te laten gaan.”
-</p>
-<p>„Maar mijn God, jullie bent zoo koppig als ezels. Hij behoeft immers evenmin te gaan.”
-</p>
-<p>Zij knikte vastberaden met het hoofd.
-</p>
-<p>„Wij moeten.”
-</p>
-<p>Driftig reikte de oude heer haar de hand.
-</p>
-<p>„Dan wil ik je groeten.”
-</p>
-<p>Hij trok zijn kleinzoon mee, en Hortense half lachend liep hem achterna.
-</p>
-<p>„Ik hoop niet, dat u boos zijt.”
-</p>
-<p>„Och wat? Jullie bent een paar dwazen; een paar kinderen, die elkaar opwinden. Jullie
-brengt van die nonsense ideeën uit romans en tooneelstukken over in je dagelijksch
-leven. ’t Is een paskwil!”
-</p>
-<p>En hij liep woedend weg, regelrecht naar de Riquelles.
-<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p>
-<p>„Ik had het wel gedacht,” zei Louise zuchtend.
-</p>
-<p>„’t Is jammer,” veinsde de ritmeester, „maar het doet hen toch in mijn achting rijzen.”
-</p>
-<p>„Zoo,” grijnsde de dokter, hem kwaadaardig door zijn bril beglurend, en bij zichzelven
-dacht hij: <span class="ex">die</span> is goed! eerst neemt hij uit onbaatzuchtigheid Wies om haar dubbeltjes en nu een
-ander weigert iets daarvan te aanvaarden, doet dat hem in zijn achting rijzen. Hij
-zei niets, maar lachte zacht en met ergernis.
-</p>
-<p>„Wil <span class="ex">ik</span> het nog eens beproeven?” vroeg zij aarzelend.
-</p>
-<p>Dat zou wel een zeer slecht middel zijn geweest, en zij zag er gruwelijk tegen op.
-</p>
-<p>„Geen moeite doen, kind! Zij <span class="ex">willen</span> niet en jij noch iemand ter wereld zal die stijfkoppen tot verstandige menschen bekeeren.”
-</p>
-<p>„Ik kan die opvatting niet deelen,” zei de ritmeester ter verdediging der Fourniers.
-</p>
-<p>„En ik zeg, dat het belachelijk komedievertoon is.”
-</p>
-<p>„Ja, men kan alles zoo noemen. Op die wijze wordt elke geste een acteursdaad en elk
-beter gevoel theatralia.”
-</p>
-<p>„Niet alles, maar heel veel. Pouah! ’t is belachelijk,” ging de dokter voort, wiens
-ironische geest bovenkwam. „Als ik in den schouwburg zit, zie ik bijvoorbeeld een
-stuk opvoeren. Twee jonge menschen zijn op elkaar verliefd; dat hebben ze natuurlijk
-al lang aan elkaars gezicht gezien. Het meisje is rijk, de jongeling arm. Het is voor
-zijn fijngevoelig hart een onoverkomelijk bezwaar. Ik woon zijn zielsstrijd bij en
-haar verdriet; ik hoor zijn klachten, ik zie hem lijden, en dat werkt op mijn zenuwen.
-Ik krijg er <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>tranen van in de oogen, en ik ga met een bewogen gemoed naar huis. Zoo’n edel karakter,
-hè! Maar gesteld eens, dat ik een zoon had, een knap jongmensch met een fatsoenlijke
-positie, maar, evenals ik dan, zonder fortuin en die zoon kwam me tegen terwijl ik
-nog onder den indruk van die edele onbaatzuchtigheid op de planken, naar huis wandelde;
-en die zoon zei: Papa, ik ben doodelijk verliefd op een meisje met een ton of vier,
-wat denk je dan, dat ik zou antwoorden?”
-</p>
-<p>Riquelle draaide zijn knevels op en zei niets; Louise, eenigszins boos, evenmin.
-</p>
-<p>„Dan zou ik zeggen,” ging de oude heer voort: „blikskater, die moet je zien te krijgen.
-En als hij mij dan antwoordde, dat het meisje ook heel veel van hem hield, maar dat
-hij haar niet wilde vragen uit een gevoel van kieschheid of onbaatzuchtigheid, omdat
-zij zooveel geld had en hij niet, dan geloof ik dat ik hem op straat om zijn ooren
-zou slaan, mij bitter beklagend dat de goede God me zoo’n domoor tot zoon had gegeven.
-Ik weet niet, schoonzoon,” voegde hij er bij, „hoe u daarover denkt.”
-</p>
-<p>Als ze onder vier oogen waren geweest, zou Louise, die inwendig kookte van woede,
-haar vader de repliek niet schuldig zijn gebleven; nu vond ze ’t beter te zwijgen.
-</p>
-<p>„De oude heer,” zei Riquelle later, „zal mij nooit vergeven, dat ik zijn kleinzoon
-concurrenten bezorg.”
-</p>
-<p>In geen jaren was de dokter zoo uit zijn humeur geweest en knorrig zelfs tegen zijn
-afgod, den kleinzoon, die op zijn beurt zeer boos was, wilde hij in zijn coupé stappen
-dien hij ontboden had, terwijl hij bij zijn dochter vertoefde<span class="corr" id="xd31e3553" title="Niet in bron">.</span>
-<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p>
-<p>Maar er werd een hand op zijn arm gelegd en hij stond stil, trachtend door zijn bril
-den persoon te herkennen, die hem staande hield, wat door de ingevallen duisternis
-niet gelukte.
-</p>
-<p>„Dèg dokter,” zei een pedante Haagsche stem met een intonatie, die duidelijk vroeg:
-herken je me niet?
-</p>
-<p>En de dokter, die de stem herkende, zei barsch:
-</p>
-<p>„Wat mot-je?”
-</p>
-<p>„U is wel vriendelijk! En dat onder goede bekenden.”
-</p>
-<p>„Zoek je bekenden maar elders.”
-</p>
-<p>„En als men nog wel aan elkaar is geparenteerd langs de teedere vrouwelijke lijn.”
-</p>
-<p>„Hoor eens, geen praatjes, hè! Ik wil niets met je te maken hebben. Ik heb destijds
-niets als onaangenaamheden van je beleefd. Wat ik na dien van je gehoord heb.…”
-</p>
-<p>„Lèster, lèster, allemaal lèster!”
-</p>
-<p>„Het kan me niet schelen of het laster is, maar ik verbied je mij lastig te vallen
-en mij aan te spreken.”
-</p>
-<p>„O gèèrne, gèèrne! ’t Is niet om lèstig te zijn, volstrekt niet. Ik wou u alleen maar
-aanpompen voor vijf en twintig pop.”
-</p>
-<p>Het was de oude geschiedenis. Bij al zijn boosheid overviel den dokter een onweerstaanbare
-lachlust om den dwazen vent; maar hij hield zich goed.
-</p>
-<p>„Geen cent,” zei hij barsch en wilde in zijn rijtuig gaan.
-</p>
-<p>Doch de andere hield hem vast bij zijn jas.
-</p>
-<p>„Kom dokter, wees niet chicaneus; tien pop, ziedaar; tien pop en een lekkere sigaar.
-Ik weet niet meer hoe die smaakt, <span class="ex" lang="fr">parole d’honneur</span>! en,” zei hij zachter, „ik heb honger ook.”
-<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span></p>
-<p>De oude heer voelde in zijn vestzak, haalde er een gouden tientje uit en stopte het
-in de lange knokkelige hand.
-</p>
-<p>„Merci! En nu de sigaar.”
-</p>
-<p>„Loop naar den duivel.”
-</p>
-<p>Dokter Van der Linden wipte in zijn coupé, waar het kind reeds in een hoekje zat gedoken,
-en sloeg de deur met een harden slag dicht.
-</p>
-<p>Ronduit gezegd was dit een waardig einde van dien onaangenamen dag. Hij had niet kunnen
-weigeren op dat woord: <span class="ex">honger</span>, dat zoo’n naren klank had; maar het was een dwaasheid geweest. De vent zou hem wel
-weer weten te vinden; hij was te zeer een <span class="ex" lang="fr">panier percé</span> en te goed geslaagd met die tien gulden om het bij deze eerste poging te laten. Wat
-daartegen te doen? De politie? Maar och, dat was ook al zoo moeilijk. De heele oude
-geschiedenis, met dien Van Leeuwendaal te Batavia voorgevallen, stond hem nu weer
-helder voor den geest. Ze was reeds lang in ’t vergeetboek geraakt. Men sprak er niet
-meer van en zou er wellicht nooit meer over gesproken hebben, als dat akelig individu
-daar niet onverwacht en van slechter conditie dan ooit, uit de lucht kwam vallen.
-Een diepe zucht ontsnapte den dokter. Het was een beroerd geval. Nog denzelfden avond
-schreef hij aan Louise:
-</p>
-<p>„Kindlief! Hedenavond ben ik aangehouden en om geld gevraagd door dien Van Leeuwendaal.
-Mocht hij zich ook tot u wenden, zeg hem of laat hem zeggen, dat gij hem niet te woord
-staat. Vroeger was hij een dwaas, nu is hij een gemeen sujet geworden, waarmede een
-vrouw als gij zelfs geen gesprek kunt voeren. Je Pa.”
-<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p>
-<p>Het was volstrekt niet overdreven en dokter Van der Linden was goed ingelicht.
-</p>
-<p>Toen Van Leeuwendaal terugkwam bij zijn ouders met zijn kort, maar naar zijn meening
-hoogst interessant avontuur in Indië, dacht hij er minder dan ooit aan iets ter hand
-te nemen. Hij slenterde rond, kroeg in, kroeg uit, flaneerend langs de straten, burger-
-en dienstmeisjes bewerkend met monocle en badientje, en eindelijk, toen zijn ouders
-gestorven waren en ’t beetje geld op was, toog hij naar Amerika. Hij speelde er den
-schuimlooper een jaar of wat lang, tot dat nergens meer goed ging, en kwam terug naar
-Europa. Eerst trad hij op te Londen, leefde er goed van, doch werd op een zeer onbehoorlijke
-manier betrokken als medeplichtige in een valsche wisselzaak. Dit bracht hem een paar
-jaren in de gevangenis, en dit knakte hem naar het uiterlijk zóó, dat haast niemand
-hem herkende en men er over verbaasd moest staan, dat zulk een hoogst ordinair uitziend
-individu ooit een <span class="ex" lang="en">swell</span> was geweest. Nog teerde hij op zijn naam, die bekend was, en zijn titel; nog waren
-er kroeghouders, gewezen livreibedienden of kamerdienaars, die zich herinnerden hoe
-zij voor hem als kind en voor zijn familie, met nederige buigingen de deur hadden
-geopend, en die het niet over hun hart konden krijgen hem krediet te weigeren, al
-wisten zij ook, dat hij nimmer zou betalen.
-</p>
-<p>Op een goeden dag, slenterend langs de straten, zijn eenig bedrijf, zag hij mevrouw
-Riquelle. Hij twijfelde; ook zij was veranderd, schoon niet zoo ongunstig; zij was
-dik geworden, en ze scheen nog veel dikker door haar „omstandigheden”, welke zij rustig,
-zonder vertoon, maar ook zonder terughoudendheid, <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>droeg; hij liep haar vooruit en toen weer terug; toevallig keek ze hem aan; nu twijfelde
-hij niet meer; zij was het, maar ze had hem niet herkend, en hij miste den moed haar
-aan te spreken. Doch hij had nagedacht en geïnformeerd, en hij had ingezien dat dit
-voor een <span class="ex" lang="fr">chevalier d’industrie</span> als hij, een waar buitenkansje was, een melkkoetje, dat in geen jaren zou opdrogen.
-</p>
-<p>Zoo had hij eenige dagen rondgegluurd en geloerd.
-</p>
-<p>En eindelijk, zijn kans schoon ziende, had hij den dokter gesnapt en met betrekkelijk
-goed resultaat. Hij wreef het gouden tientje tusschen zijn mageren duim en wijsvinger.
-’t Was zoo’n aangenaam gevoel. In geen maanden had hij goud in zijn handen gehad!
-</p>
-<p>Voor het venster van een winkel, waaruit een breede lichtbundel zich krachtig naar
-buiten verwijdde, veegde Van Leeuwendaal met groote zorg zijn rossigen hoed en sloeg
-hij de pluisjes van zijn kale jas; toen liep hij met zijn kromme, naar binnen gebogen
-magere beenen snel de Plaats over en trad vast besloten de restauratie van Van der
-Pijl binnen. Er zaten verscheiden gasten, waaronder die Van Leeuwendaal en zijn verleden
-op hun duimpje kenden. Het waren meer verwonderde en medelijdende blikken, die hem
-troffen, dan boosaardige, zelfs van den kant des ouden kellners. Hij zette zijn hoed
-af; in die weinige jaren had hij zijn ganschen haartooi verloren; zijn schedel glom
-als een spiegel.
-</p>
-<p>Toen hij op zijn ouden toon een matig dinertje bestelde, liet hij gemakshalve den
-bediende ’t goudstuk zien; toen werd hij in dit établissement, waar hij ook meer schuld
-had dan krediet, bediend. Hij at geweldig, en de oude knecht, die <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>toekeek, had zulk een medelijden, dat hij desnoods voor hem zou betaald hebben. Van
-Leeuwendaal keek daar niet naar,—wie bekommerde zich om knechts! Hij riep, toen hij
-voldaan was, om een havana, stak die aan, slurpte een likeurtje en stak zijn beenen
-voor zooveel mogelijk rechtuit onder de tafel.
-</p>
-<p>En al „savoureerend”, zooals hijzelf zou gezegd hebben, van het een in het ander,
-met een lichten nevel om zijn geest en een sterke neiging tot slaperigheid, trachtte
-hij er over na te denken, welke middelen hem ten dienste stonden om de Van der Lindens
-verder te exploiteeren.
-</p>
-<p>Hij zou haar bang maken, en dan zou zij wel <span class="ex">moeten</span> afschuiven; niet dat hij het doen zou op brutalen, dreigenden toon,—volstrekt niet.
-Daartoe was hij te veel gentleman; men moest nooit onbeschoft zijn tegen de dames.
-Hij zou zeer nederig verzoeken op zijn manier, en dan zou zij toch wel gevoelen en
-begrijpen, dat een fatsoenlijke dame zich geen man tot vijand maakt, die, toen ze
-nog jong meisje was, ’s nachts, terwijl ze sliep, bij haar in de kamer is geweest.
-Er was wel niets gebeurd, maar toch: iedereen kon het zijne er van denken, en de graaf
-Riquelle, officier der cavalerie, zou zeker niet gesticht zijn als hij er van hoorde;
-Van Leeuwendaal gevoelde zich niet op zijn gemak toen hij dacht aan dien ritmeester,
-die hem zoo nijdig had aangekeken, en die volkomen in staat was hem een geweldig pak
-slaag toe te dienen. Doch zij kon wel zwijgen en opdokken; hij had haar in zijn macht;
-’t was maar te doen om een handig gebruik te maken van wat hij wist.
-</p>
-<p>Langzaam en met tegenzin stond hij op en betaalde. Er werd in het fatsoenlijk établissement
-zelfs geen poging gedaan <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>om hem ’t geld op afrekening zijner oude schulden in te houden; wat er na de vertering
-over was, kreeg hij terug; recht liep hij naar de overzijde een stil koffiehuis binnen,
-waar hij plaats nam achter het groene gordijn, dat hen, die voor het venster zaten,
-in de duisternis hield en dus onttrok aan de blikken der voorbijgangers; hij dronk
-er eenige glazen bier en een paar grogjes, en ging toen eenigszins zwaaibeenend naar
-wat hij zijn huis moest noemen; een armzalig zolderkamertje in een hoog, vervallen
-huis door tal van gezinnen bewoond, dat in de oude stad stond en bekend was in de
-wandeling als de „Arke Noachs”.
-</p>
-<p>Baron Van Leeuwendaal liet zich maar half ontkleed in het bed vallen, kroop tusschen
-het vuile beddegoed en sliep, dank zij den sterken drank, weldra vast genoeg om geen
-last te hebben van talrijke gasten, die gymnastiek maakten tegen de bedgordijnen.
-</p>
-<p>En toen hij reeds sliep, droomend van een lui en lekker leven, zat Louise nog op,
-ongerust en zenuwachtig over dat briefje van haar vader.
-</p>
-<p>Maar zij was het daarmee niet eens.
-</p>
-<p>Een passieve houding strookte, als er iets bijzonders te doen was, in ’t geheel niet
-met haar aard. Zij had allerlei plannen bedacht om handelend op te treden en weer
-verworpen.
-</p>
-<p>Toen ze haar man van een vergadering hoorde thuiskomen, waarin militaire zaken werden
-besproken, bergde zij ’t briefje weg en veranderde de uitdrukking van haar gezicht.
-</p>
-<p>„Het heeft lang geduurd,” zei ze.
-</p>
-<p>„Ja, maar ’t was zeer interessant; een lezing over de ontwikkeling van het paard.”
-<span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span></p>
-<p>„Nu, dat zal jij wel mooi hebben gevonden.”
-</p>
-<p>„Natuurlijk.”
-</p>
-<p>„En wat vertelden ze?”
-</p>
-<p>Het interesseerde haar niets, maar zij kende zijn liefhebberij voor paarden, en ze
-wist hoe graag hij er over sprak, als hij meende haar niet te zullen vervelen. Zoo
-verviel hij nu ook in een uitweiding over tal van bijzonderheden uit het leven van
-veulens, waarbij zij aandachtig luisterde, met moeite den drang tot geeuwen bedwingend.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">A propos</span>, ik heb dien kerel gerecommandeerd,” zei hij, toen zijn mededeelingen gedaan waren.
-</p>
-<p>„Wien?” vroeg zij verschrikt.
-</p>
-<p>„Wel, dien ploert, die ons altijd zoo brutaal fixeert en soms hier om het huis draait.”
-</p>
-<p>„Je hebt toch geen aangifte.….”
-</p>
-<p>„Bij de politie? Neen, merci, mijn beste! met de politie,” zoo vervolgde hij op den
-toon der diepste verachting, die een hooggeboren Hagenaar voor de politie koestert,
-„wil ik nimmer iets te maken hebben.”
-</p>
-<p>„Dat is goed!”
-</p>
-<p>„Ik heb veel eenvoudiger expediënten voor zulk volk.”
-</p>
-<p>„Wat dan, Edmund?”
-</p>
-<p>„Ik heb twee van mijn mannetjes gezegd nu en dan een oog in het zeil te houden.”
-</p>
-<p>„En als ze dien man zien?”
-</p>
-<p>„Dan zoekt een hunner ruzie met hem en ranselt hem af, terwijl de ander op den uitkijk
-blijft staan; dat doen wij altijd met zulk volk.”
-</p>
-<p>„Het is zeker heel gemakkelijk, maar is het niet gevaarlijk?”
-<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span></p>
-<p>„Bah, men laat de cavalerie met rust.”
-</p>
-<p>De recommandatie trof al zeer spoedig doel.
-</p>
-<p>Het gaf geen aanleiding tot tusschenkomst der politie; al wist Van Leeuwendaal uit
-welken hoek de wind woei, toch vond hij het niet raadzaam een aanklacht in te dienen,
-welke bij zijn antecedenten zeer zeker tot geen voldoening zou geleid hebben. Met
-een doek om zijn oog en een kreupel been, ging hij dokter Van der Linden opzoeken,
-die, toen hij van den bediende hoorde hoe het individu was toegetakeld, zijn pleizier
-en zijn nieuwsgierigheid beide niet kon bedwingen.
-</p>
-<p>„Zóó,” zei hij norsch, „wat is het nu weer?”
-</p>
-<p>„Ik kom uw geneeskundige hulp inroepen.”
-</p>
-<p>„Dank je. Ik gun jongere collega’s graag patiënten.”
-</p>
-<p>„Het is anders niets meer dan billijk,” vervolgde Van Leeuwendaal op klagenden toon,
-„dat de vader repareert, wat de dochter beschadigt.”
-</p>
-<p>„Ik verzoek je mijn dochter buiten spel te laten; zij heeft met vechtpartijen en dronkenmansgelagen
-niets te maken.”
-</p>
-<p>„Och wèt? Vechtpartijen en dronkenmènsgelagen! Ik wou wèrèchtig, dat ik dronken was
-geweest en gevochten had. Ik ben aangerand en mishandeld, door gemeene soldaten, die
-u of uw schoonzoon op me hebt afgezonden.”
-</p>
-<p>„Zoo?” zei de dokter lachend. „Nu, <span class="ex">ik</span> deed het niet, maar <span class="ex">als</span> mijn schoonzoon dat mocht gedaan hebben, geef ik hem groot gelijk. Lieden als jij
-verdienen niet beter. Doe dien band eens van je oog.… hm! ze hebben je aardig te pakken
-gehad.…. De kerel, die je dien opstopper gaf, had iets in zijn mouwen.… Ik zal je
-een smeersel voorschrijven en <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>droppels tegen de ontsteking.…. Doe nu maar weer dicht, en laat me het been zien.”
-</p>
-<p>Van Leeuwendaal deed het alles in stilte, blij dat het zoo gelukt was, zich op die
-wijze weer in te dringen.
-</p>
-<p>„Ze hebben je zeker een trap gegeven tegen het scheenbeen, hè?” vroeg dokter Van der
-Linden en meteen kneep hij in het been, dat Van Leeuwendaal het uitschreeuwde.
-</p>
-<p>„Net ooievaarspooten,” mompelde de dokter met belangstellende verbazing.
-</p>
-<p>Maar intusschen schreef hij wat voor en blies in zijn beurs.
-</p>
-<p>„En hoe weet jij nu,” vroeg hij ten slotte, „of die kerels iets met den ritmeester
-Riquelle te maken hadden?”
-</p>
-<p>„Het was in den omtrek van zijn huis.….”
-</p>
-<p>„Dus je liep te spionneeren!”
-</p>
-<p>„Volstrekt niet, dokter! Ik dacht er zelfs niet aan. Ik deed mijn avondwandeling voor
-de digestie, en dan kom ik altijd langs het huis; ik pèsseer.…”
-</p>
-<p>„Maak het maar kort.”
-</p>
-<p>„Plotseling komt mij een eindje verder, juist voor een klein stil zijstraatje, een
-soldaat op zij, grijpt mij bij den arm en rukt mij ’t straatje in; een ander soldaat
-scheen daarvoor de wacht te houden. Ik geef den vent <span class="ex" lang="fr">parole d’honneur</span> een <span class="ex" lang="en">what you call</span> voor zijn kop, maar hij was de sterkste. <span class="ex">Enfin</span>, hij zei: smeerlap, nu voortaan uit de buurt van mijn ritmeester blijven! Is dit
-niet een afdoend bewijs?”
-</p>
-<p>De dokter haalde lachend de schouders op.
-</p>
-<p>„Ik zou het aannemen, als ik in jou plaats was, voor een goeden raad, mij er naar
-gedragen, en God danken dat ik er nog zoo goed was afgekomen.”
-<span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span></p>
-<p>„<span class="ex">Tudieu!</span> God danken voor een pak slaag,—die is wel aardig! Ik weet nog niet precies of ik
-het doen zal.”
-</p>
-<p>Van Leeuwendaal grijnsde zoo leelijk, dat de dokter hem sterk verdacht van wraakzuchtige
-plannen.
-</p>
-<p>„Als je nu heel fatsoenlijk bent,” zei hij, „dan zal ik je nu en dan iets geven voor
-je onderhoud. Maar maak het mij noch iemand lastig, dat zeg ik je, want dan is het
-uit en voor goed ook, hoor! Ga nu maar gauw!”
-</p>
-<p>„Dank u, dokter, mèèk u verder niet <span class="sic">ingerust</span> over mijn précieuze gezondheid.”
-</p>
-<p>Buiten frommelde hij ’t papiertje ineen en wierp het weg. Dat oog en dat been zouden
-ook wel beteren zonder zalf of droppels. Een glas grog meer, men sliep lekker, slaap
-genas en dat was minder kostbaar, doch veel lekkerder. „Een <span class="ex" lang="fr">trouvaille</span>,” mompelde hij hoofdschuddend voortstrompelend, „een ware <span class="ex" lang="fr">trouvaille</span> die familie. De oude heer zal me in mijn ziekte nog vet mesten en als ik beter ben,
-wacht maar, dan zullen we die lieve familie wel straffen. Die dragondergrap zal haar
-duur te staan komen.”
-</p>
-<p>Terwijl hij voortliep, tornde hij om een hoek bijna tegen een heer op, die, met zijn
-wandelstok zwaaiend, luid in zijn eentje sprak.
-</p>
-<p>„Pèrdon!” zei Van Leeuwendaal pijnlijk.
-</p>
-<p>„Het is niets; hebt gij u niet bezeerd?” vroeg de andere, den doek ziende en het kreupel
-loopen.….
-</p>
-<p>„U is wel vriendelijk! Dat is niet iedereen.”
-</p>
-<p>„Zijt ge zoo weinig niet gewoon?”
-</p>
-<p>„Om u de wèèrheid te zeggen, in den laatsten tijd niet erg. Als men geen geld heeft,
-<span class="ex" lang="fr">pèrbleu</span>!.…”
-<span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span></p>
-<p>„Ge schijnt toch een goede opvoeding te hebben genoten.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">Magnifique!</span>” zei Van Leeuwendaal met een geheimen spot, die den ander ontging. „De fijne puntjes
-ontbraken, dat is het eenige wat er aan mankeert.”
-</p>
-<p>„En geen werk?”
-</p>
-<p>„Wat blief? Geen werk, vraagt u?”
-</p>
-<p>„Ja, ik vraag of gij geen werk, geen betrekking kunt vinden in deze door en door verrotte
-maatschappij.”
-</p>
-<p>„Ah!.… u bent een sociaal-democraat?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„Dat zou men u niet aanzeggen.”
-</p>
-<p>„Ik ben het niet uit armoede, maar uit overtuiging. Sedert ik weet hoe onze samenleving
-het recht met de voeten treedt en hem, die er voor strijdt, verguist en beleedigt,
-heb ik nagedacht en ben tot een bepaalde overtuiging gekomen.”
-</p>
-<p>Hij had eenige schreden met den kreupelen, doodarmen baron opgeloopen, en was nu stil
-blijven staan onder het licht van een lantaarn.
-</p>
-<p>„Mijn denkbeelden hebben zich verruimd; van het enge van een bepaalden werkkring,
-zijn zij gekomen tot een begrip, dat het geheel onzer maatschappelijke samenleving
-ook in zijn onderlinge verhoudingen begrijpt. Ik weet thans welke ellende wordt schuil
-gehouden onder het dunne vernislaagje onzer beschaving.”
-</p>
-<p>„Eééh!” riep Van Leeuwendaal buitengewoon verrast.
-</p>
-<p>Hij rekte zijn mageren hals uit en draaide met zijn hoofd heen en weer, om met het
-beschikbare ééne oog het gezicht van den vreemdeling beter te kunnen zien; deze, die
-van de zonderlinge inspectie niets begreep, richtte zijn <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>kloek gebouwde gestalte meer op, benieuwd te weten, wat deze proletariër bedoelde.
-</p>
-<p>„Eééh!” herhaalde Van Leeuwendaal op fijnen, gerekten toon. „Maar u bent, wacht eens.…
-Wat drommel, het is haast onmogelijk, dat ik me vergis.… Laat eens kijken: de luitenant
-Van.… de luitenant Van.… <span class="ex" lang="fr">Tiens, tiens!</span> ik kan op den naam niet komen.”
-</p>
-<p>„Ik heet Van Schermbeek.”
-</p>
-<p>„Precies! <span class="ex">Eureka!</span> Het is Van Schermbeek!”
-</p>
-<p>„Maar wie is u?”
-</p>
-<p>„Van Schermbeek! In Indië geweest.… artillerie.… gewoond bij moeder Sleeks.… met Fournier
-en van.… van.… Die duivelsche namen!”
-</p>
-<p>„Van Brakel,” klonk het, maar niet meer opgewekt of oratorisch; veeleer pijnlijk.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">A la bonne heure!</span> Van Brakel! Ja, dat was een andere tijd; een rare boel voor mij, maar toch nog zoo
-kwaad niet bij later vergeleken. <span class="ex">Enfin!</span> Het is wonderlijk, dat u mij niet herkent. Iedereen herkent mij bij het eerste woord.
-Ik ben Leeuwendaal, baron Van Leeuwendaal.”
-</p>
-<p>De gewezen luitenant Van Schermbeek ging een schrede terug; hoezeer hij in den laatsten
-tijd nogal in aanraking kwam met menschen van minder allooi, was hem dit specimen
-toch te machtig. In een oogenblik herinnerde hij zich weer de geheele geschiedenis
-te Batavia voorgevallen en ook de veel erger ongunstige mededeelingen nu en dan gedurende
-zijn verblijf in Holland vernomen. Hij was door opvoeding, verleden en karakter een
-veel te fatsoenlijk man om zich met gemeen volk gemakkelijk te encanailleeren.
-<span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span></p>
-<p>„O zoo!” zei hij langzaam en tamelijk ontnuchterd. „Is u die persoon?”
-</p>
-<p>„Hm! Dezelfde.”
-</p>
-<p>Van Schermbeek zon gaarne gezegd hebben, dat hij dan het genoegen had hem te groeten,
-maar zijn nieuwe denkbeelden omtrent de maatschappij enzoovoort waren daarmee in lijnrechten
-strijd.
-</p>
-<p>„En hebt u geen middel van bestaan?”
-</p>
-<p>„Direct niet. Ik leef zoo’n beetje van den eenen dag in den anderen.”
-</p>
-<p>„Zoudt gij geregelden arbeid verlangen?”
-</p>
-<p>„Werk! Ik weet eigenlijk niet goed wat dat is. Ik heb nooit gewerkt.”
-</p>
-<p>„Dan is het meer dan tijd, om, als het kan, een fatsoenlijk, werkzaam leven aan te
-vangen.”
-</p>
-<p>„Daar zit juist de knoop: het kan niet.”
-</p>
-<p>„Waarom niet?”
-</p>
-<p>„Het is geheel in strijd met mijn aard en gewoonten; ik zou kunnen voorgaan, toespreken.…”
-</p>
-<p>„Aan voorgangers en redenaars van uw slag is geen behoefte,” zei Van Schermbeek, kalm
-en ernstig: „wij hebben dus verder niets te bespreken. Goeden avond!”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">A propos</span>, werp het idee niet weg. Ik zou.…”
-</p>
-<p>„Goeden avond!” herhaalde de ander op een toon, die voor Van Leeuwendaal geen verdere
-discussie toeliet. En Van Schermbeek ging op zijn schreden terug.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Corrie Roos had haar intrek genomen bij den slijter om, zoo dacht zij, de schuld haars
-vaders in te verdienen. De <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>behandeling viel haar mee; de menschen waren zoo kwaad niet. Doch langzamerhand en
-zonder dat zij het eigenlijk bespeurde, verviel zij metterdaad in het dagelijksch
-leven tot weinig meer dan een gewone dienstbode.
-</p>
-<p>Alleen als er „partijen” waren of de burgerluitjes uitgingen was zij zoo iets als
-een dame, want dan werd met haar geparadeerd als met de kapiteinsdochter, die tot
-levend en welgedaan bewijs moest strekken van de menschlievendheid der familie, welke
-haar om niet in huis had genomen en verzorgde. Zij kwam in gezelschappen, die ze niet
-kende; waar het er netjes en goed gemeubeld uitzag; waar het aan dranken en lekkernijen
-niet haperde; waar de dochters en vriendinnen goed gekleed waren; waar het vroolijk
-toeging,—maar waar toch stukjes werden uitgehaald en uitlatingen werden gebezigd,
-die ze wel kende van de school en van de straat, maar die ze noch in haar kinderjaren
-in Indië, noch thuis van haar vader en moeder ooit had bijgewoond of gehoord.
-</p>
-<p>Corrie dacht nog wel eens aan den afgewezen kapitein en aan haar nu getrouwde zuster,
-maar toch zonder spijt. Voor den man gevoelde zij niets en Nelly benijdde ze niet.
-Zij kon zich in de nieuwe levensomstandigheden <span class="corr" id="xd31e3809" title="Bron: vrijgoed">vrij goed</span> schikken, even goed als destijds haar vader dat had kunnen doen, wiens aard ze in
-menig opzicht had. En zij en de dochter des huizes hadden elk in stilte een galant;
-ze verzonnen samen zooveel mogelijk boodschapjes tusschen licht en donker, net als
-ze vroeger deed met haar zuster, en dan maakte ze lange wandelingen met die jongelui,
-klerken bij een van de ministeries.
-<span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span></p>
-<p>Zoo leidde zij onbezorgd en tamelijk onverschillig een leven, dat, vergeleken bij
-haar jongste verleden, inderdaad zoo slecht nog niet scheen.
-</p>
-<p>Haar zuster schreef zij niet meer.
-</p>
-<p>Op den brief, waarin zij had herhaald dat zij het aanzoek van den kapitein had afgewezen,
-was een epistel gevolgd, dat allesbehalve malsch mocht heeten en waarin zij werd uitgemaakt
-voor al wat dom was. Haar te vergeven, dat zij een kapitein had afgewezen, terwijl
-Nelly zelfs een tweeden luitenant in liefde had aangenomen, was onmogelijk. Zoo was
-de briefwisseling tusschen de zusters op onaangename wijze gestaakt.
-</p>
-<p>Maar er kwam een oogenblik dat Corrie in doodelijke ongerustheid, haast soms niet
-wist wat ze deed en onder tranen bij zichzelve Nelly groot gelijk gaf; gelijk in alles!
-</p>
-<p>Het was dan gebeurd, zooals haar zuster had voorspeld; ’t was op een avond,—natuurlijk;
-zoo iets gebeurt altijd ’s avonds; zij waren alleen, zij en Etienne; ook precies als
-altijd bij gelegenheden, dat een derde persoon een onmogelijkheid is; zij zaten samen
-in een buitentuin, in het donker, in een priëeltje,—<span class="ex" lang="ms">soedah</span>, het was de <span class="ex" lang="en">old, old story</span>! Maar Etienne—Steef noemden „ze” hem thuis—was in zijn soort geen slecht jongmensch
-en, wat in dit geval meer zei: hij was dol van Corrie. Een erge kwast was hij, volgens
-het algemeen gevoelen van zijn collega’s en superieuren; hij droeg manchetten tot
-op zijn nagels, zat keurig netjes in de kleeren, en sprak bijna zoo schaapachtig Haagsch
-als Van Leeuwendaal, zoodat zij, die hem niet kenden, hem in de wandeling voor een
-heel heer hielden, ofschoon hij ’t grootste <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>deel van elke maand zonder fondsen was, en dan vaak een sleutel droeg op de plaats,
-waar men een horloge had mogen veronderstellen. Hij woonde in bij zijn vader, een
-eerzaam mandenmaker, die op een plank in het voorhuis zittend, met stalen vlijt rietjes
-en teentjes tot manden en mandjes vlocht. ’s Morgens als Etienne naar zijn kantoor
-ging, wipte hij vlug het kleine huisje uit, waarover hij zich schaamde, en ’s middags
-sloop hij er in, of, als er toevallig een dame aankwam, liep hij er voorbij om naderhand
-langs een omweg terug te keeren.
-</p>
-<p>Doch ondanks al die kleine ijdelheden en gebreken, was Etienne Van Haafte bij weinig
-kennis en een middelmatig verstandje, geen jonkman met bepaald slechte eigenschappen,
-en toen Corrie hem huilend vertelde, hoe het met haar geschapen stond, schrikte hij
-wel hevig, maar zwoer dadelijk dure eeden, dat hij haar trouwen zou.
-</p>
-<p>De verdere ontdekking gaf aanleiding tot hevige tooneelen bij de familie Maas, te
-meer toen bleek, dat ook de jongejuffrouw Maas in omstreeks geheel overeenkomstige
-omstandigheden verkeerde. Ook de oudelui Van Haafte waren woedend; niettemin duurde
-al die boosheid met de geweldige uitbarstingen en het gehuil, dat die vergezelden,
-niet heel lang. Corrie was er geheel suf van en betreurde bitter, dat zij bij de préliminairen
-geen weerstandsvermogen genoeg aan den dag had gelegd; dan was er niets gebeurd. Doch,
-als altijd, kwam het berouw te laat; zij zou trouwen, dat was de slotsom, en daar
-Etienne schoon slechts klerk toch ambtenaar was, zou ze „mevrouw” worden, dàt was
-ten minste een troost!
-<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p>
-<p>Toen men eenmaal zóóver was, ging alles vrij gemakkelijk. Op een goeden ochtend kleedde
-zij zich en.… ’s avonds reed zij als mevrouw Van Haafte naar een kleine woning op
-het dorpje Rijswijk, waar ze zouden wonen voor de goedkoopte, want <span class="ex" lang="fr">le mari</span> had slechts zooveel jaarlijksch inkomen, als in den tijd van zijn actieven dienst
-in Indië, wijlen papa Roos per maand had genoten.
-</p>
-<p>Het ging Corrie slecht af, huis te houden met zoo weinig en Etienne zat halve nachten
-copiëerwerk te doen, dat hij had machtig weten te worden tegen zóóveel centen per
-bladzijde van zóóveel regels met zóóveel letters op elken regel.
-</p>
-<p>Toen het eerste product de bloemkool had verlaten, en Corrie lichamelijk nog nauwelijks
-hersteld en finantiëel zieker dan ooit was, kwam haar man opgewonden en druk te huis.
-</p>
-<p>Hij kuste haar en het kind.
-</p>
-<p>„Lieve,” zei hij, „we moeten eens ernstig spreken.”
-</p>
-<p>„Wat is het?”
-</p>
-<p>„Er worden ambtenaren gevraagd om naar Indië te gaan.”
-</p>
-<p>Zij streek haar hand langs het voorhoofd en zuchtte. Naar Indië! Hoe kwam hij daaraan?
-Hoe kwam hij aan dat stille droombeeld, dat ze altijd zoo zorgvuldig had teruggedrongen,
-als het bij haar opkwam?
-</p>
-<p>„Naar Indië!” herhaalde ze.
-</p>
-<p>„Er worden er zes gevraagd, maar er zijn wel zestig sollicitanten. Verbeeld je, het
-geeft driehonderd en vijftig gulden in de maand, vrijen overtocht en een voorschot
-voor uitrusting!”
-<span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span></p>
-<p>„Maar als er zooveel sollicitanten zijn.…”
-</p>
-<p>„Dan heb ik weinig kans, dat is waar; doch je hebt me zoo dikwijls verteld, dat er
-zooveel hoofdofficieren hier zijn en andere gepensionneerde hoofdambtenaren, die je
-nog kent uit den tijd van je papa.”
-</p>
-<p>„Ja, dat is zoo.”
-</p>
-<p>„Als ik eens naar hen toeging? Want je begrijpt, het is alles een quaestie van protectie.”
-</p>
-<p>„Ze kennen je niet.”
-</p>
-<p>Hij liep onrustig op en neer. Het denkbeeld uit zijn Haagsche misère te komen, lachte
-hem zoo toe! Maar hij was heel jaloersch, en de vraag, die hem thans op de lippen
-lag, kostte hem heel veel strijd.
-</p>
-<p>Toen hij haar toch doen zou, kreeg hij er een kleur van, hij wist zelf niet hoe ’t
-kwam.
-</p>
-<p>„Als jij eens ging?”
-</p>
-<p>Het viel den jongen ambtenaar erg mee. Corrie toonde geen de minste verwondering of
-ergernis. Met haar van nature practischen Indischen aard, had zij dadelijk ingezien
-dat dit om te slagen verreweg de beste oplossing was. Van kindsbeen af had ze te veel
-menschen gezien om bepaald verlegen te zijn, al zag ze er tegen op.
-</p>
-<p>„Ik zal het doen, Etienne, maar indien het mocht gelukken, moet je me één ding vast
-beloven.”
-</p>
-<p>„En dat is?”
-</p>
-<p>„Zonder dan elke maand een kleinigheid af van je traktement, en laat dat hier ontvangen
-door Maas, tot de schuld, die pa aan hem had, is betaald.”
-</p>
-<p>Hij had er weinig lust in, want hij meende dat dit de <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>plicht van Nelly, zijn onbekende schoonzuster, was; hij beloofde het echter.
-</p>
-<p>Maar zijn belofte was op dat oogenblik welgemeend. Zij had meer kunnen vragen, als
-zij gewild had, want Etienne was overgelukkig door het welslagen zijner poging om
-Corrie te spannen voor de lading protectie, die den kruiwagen vullen moest, welke
-hem naar de betrekking in Indië zou rijden. Hij was zoo lief, zoo vriendelijk en zoo
-zorgzaam voor haar als in de beste dagen hunner eerste intieme verhouding. Corrie
-sloeg er geen acht op; zij was vol van het denkbeeld der <span class="ex" lang="fr">démarches</span>, die zij doen moest, en zij had geen veelzijdig verstand genoeg om, als haar één
-gedachte vasthield, op andere bijzonderheden te letten.
-</p>
-<p>„Ik geloof,” was het eerste, dat zij den volgenden ochtend zei, „dat ik het beste
-doe met de Van <span class="corr" id="xd31e3873" title="Bron: Stralen’s">Stralens</span> te beginnen.”
-</p>
-<p>„De <span class="ex">kolonel</span> Van Stralen,” zei Etienne om iets te zeggen, en met een eerbiedigen klemtoon op den
-hoofdofficiers-rang.
-</p>
-<p>„Het is te hopen, dat ik hem thuis tref. Ik zal daarom wat vroeger gaan, dan mama
-er destijds heenging, want die kwam altijd eerst, als de oude heer naar de sociëteit
-was.”
-</p>
-<p>Etienne had een idee; of het uit zijn eigen slimheid voortkwam, dan wel een puntje
-jaloezie hem stak, had hijzelf niet kunnen uitmaken, maar hij zei met een erg leep
-gezicht: „Misschien kon het geen kwaad als je eens eerst met <span class="ex">haar</span> sprak.”
-</p>
-<p>Zij gaf het hem toe; dat was wellicht nog het verstandigste en op denzelfden tijd
-van den dag, dat haar moeder zoo dikwerf vol hoop op de fortuin van het spel de schel
-had <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>doen weerklinken in de marmeren gang der Van Stralens, drukte Corrie op den koperen
-knop.
-</p>
-<p>Een klein beetje in verwarring trad mevrouw Van Stralen, die juist in de bekende kamer
-haar dames-partners bijeen had om het gewone spelletje aan te vangen, de benedenzijkamer
-binnen, niet wetend welke vreemde bezoekster haar overviel op dit ongewone uur, want
-schoon Corrie haar bij het huwelijk de gebruikelijke kennisgeving had gezonden, was
-de naam van Van Haafte haar volkomen ontgaan en het zien van Corrie maakte haar niet
-wijzer.
-</p>
-<p>„Met wie heb ik het genoegen te spreken?” vroeg ze koel.
-</p>
-<p>„Kent u me niet meer?” vroeg Corrie, teleurgesteld: „mijn papa was de kapitein Roos.”
-</p>
-<p>„Och wat! ben jij een van de meisjes Roos.…? Ja, nu herinner ik mij; je bent eenigen
-tijd geleden getrouwd, en hoe gaat het je?”
-</p>
-<p>„Wat zal ik u zeggen, mevrouw?” antwoordde Corrie glimlachend: „mijn man is een jong
-ambtenaar en de traktementen hier in Holland.…”
-</p>
-<p>Mevrouw Van Stralen begon te lachen. „Ja kind, dat begrijp ik; dat is <span class="ex" lang="fr">misère ouverte</span>.”
-</p>
-<p>Zij voorzag een aanval op haar beurs en hoe onaangenaam dat ook is in gewone omstandigheden,
-schrikte het haar thans niet af; zij had nog genoeg sympathie voor haar gestorven
-vriendin om iets voor de dochter over te hebben.
-</p>
-<p>Toen Corrie haar echter verteld had waarom het te doen was, kwam zij geheel in haar
-humeur; zij vond het heel verstandig van het jonge vrouwtje, dat zij niet had geaarzeld
-<span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>de hulp in te roepen van goede, oude relaties, en het getuigde naar hare meening gunstig
-voor het karakter van den jongen man, dat hij het er op durfde wagen de groote wijde
-wereld in het Oosten in te gaan, in plaats van als een huismusch te willen leven en
-sterven onder den rook der <span class="corr" id="xd31e3907" title="Bron: schoonsteentjes">schoorsteentjes</span> van zijn geboorteplaats.
-</p>
-<p>Het maakte haar zoo warm, dat zij in een opwelling van haar goed hart zich de zaak
-geheel aantrok; verklaarde, dat Corrie geen moeite meer hoegenaamd behoefde te doen,
-want dat zij, mevrouw Van Stralen, alles in ’t werk zou stellen om Van Haafte het
-baantje te bezorgen.
-</p>
-<p>„Maar, zie je kind, de kolonel heeft zijn eigenaardigheden; hij zou voor iemand door
-het vuur gaan, maar hij wil altijd graag zelf gekend wezen. Kom daarom nu morgenochtend,
-om een uur of tien, nog eens terug en vraag het hemzelf ook.”
-</p>
-<p>Met die blijde boodschap reed de jonge vrouw met de paardentram naar haar dorpje,
-en den volgenden morgen zat zij precies op tijd tegenover den kolonel, die met zijn
-vrouw in de huishoudkamer het ontbijt gebruikte. Zij moest haar hoed en haar mantel
-af doen en mee aanzitten; de dochter van een oud krijgskameraad mocht, zei de kolonel,
-geen vreemde in zijn huis zijn. Hij behandelde haar met die eigenaardige, hoffelijke
-vriendelijkheid, waarover zijn vrouw altijd in stilte lachte en die, zoo zei ze, tot
-de streken behoorde, welke hij niet verloor, al raakte hij zijn haren kwijt.
-</p>
-<p>Toen zij had verteld, wat de kolonel trouwens reeds achter de gordijnen hoogst uitvoerig
-van zijn vrouw had vernomen, <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>trok hij voor een oogenblik het passend bedenkelijk gezicht, dat elke gedachte aan
-luchthartigheid moest uitsluiten.
-</p>
-<p>„Er zal een zware wijs opgaan, mevrouwtje; ik heb er al van gehoord. Slechts enkele
-plaatsen en, zooals het gaat, veel liefhebbers!”
-</p>
-<p>„Ja, kolonel, dat is zoo,” gaf Corrie toe met haar gemoedelijkst lachje, „maar toch
-als u, met uw vele relaties en hooggeplaatste vrienden en kennissen, uw best voor
-ons zoudt willen doen, hadden wij zeker een mooie kans.”
-</p>
-<p>De kolonel was opgestaan. Hij klopte haar vaderlijk met de hand op den gevulden schouder.
-Het was nu eenmaal zijn oude zwak: als hij een jonge, knappe vrouw zag, kon hij moeilijk
-zijn handen heelemaal thuishouden. En hij lachte haar allervriendelijkst toe met scherpe
-mondtrekking onder zijn grijze knevels en erg geteekende ganzenpootjes naast zijn
-oogen.
-</p>
-<p>„Wel,” zei hij, „we <span class="ex">zullen</span> ons best doen, dat spreekt vanzelf, en je moet maar nu en dan hier bij mevrouw komen
-informeeren, wat je man te doen staat. Zijn request heeft hij natuurlijk al verzonden?”
-</p>
-<p>Corrie wist dat eigenlijk zelf niet, maar zei gemoedelijk: ja, en zij ging heen tot
-aan de deur begeleid door den gevoeligen ouden heer, wiens welwillende hand en vinger
-zij nog voelde, toen zij reeds op het trottoir was. Het beviel Etienne maar half.
-Aan den eenen kant was hij blij, dat het geloop van zijn vrouw bij al die oud-gasten,
-over het algemeen voor niet heel onschuldig gehouden, zoo spoedig ten einde was; maar
-overigens vreesde hij, dat, door alles aan die familie Van Stralen over te laten,
-het doel niet zou bereikt worden. <span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>Corrie bestreed zijn tegenwerpingen. Zij stelde een onbeperkt vertrouwen in de slimheid
-en den invloed van mevrouw „de kolonelsche” en daar Etienne inderdaad zijn verzoekschrift
-reeds aan den minister had verzonden, was zij na tweemaal vier en twintig uren weer
-bij haar beschermster, om te vernemen, of haar man ook „stappen” moest doen.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De geheele kleine kring der familie Maas en der Van Haaftes was in rep en roer. Het
-was een feit en het stond in alle couranten: Etienne was benoemd als ambtenaar in
-Indischen dienst. Driehonderd en vijftig gulden in één enkele maand! Vier duizend
-en tweehonderd gulden in één jaar! Als de eerzame mandenmaker zich deze som voorstelde
-in den vorm van gevlochten mandjes en korfjes, dan duizelde hij er van. Al die kleine
-burgerlieden, die in hun kring van zulke inkomsten voor jonge mannen nooit hoorden,
-keken Etienne, die zelf half gek was van vreugde en zenuwachtige opgewondenheid, aan,
-alsof hij een wonderdier was, waaraan noodwendig iets bijzonders moest te zien zijn,
-dat zij te voren nooit bij hem hadden opgemerkt.
-</p>
-<p>Maar voor elkaar wilden zij dat niet weten en zelfs zij, die Etienne voor nooit iets
-anders hadden gehouden dan een „kwast”, waarin niets dan dwaasheid stak, verklaarden
-nu het luidst, dat <span class="ex">zij</span> altijd wel gedacht hadden, dat er „iets” in hem zat en hij het ver in de wereld zou
-brengen. In de eenvoudige woning op het dorpje Rijswijk heerschte een gestadige drukte,
-die Corrie, toch zelf reeds opgewonden door het vooruitzicht haar vaderland weer te
-zien, somtijds het hoofd geheel deed verliezen. Den ganschen dag snorden de <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>naaimachines, brachten winkelknechts stukken goed van allerlei soort en werd tot in
-het oneindige gedisputeerd over de „uitrusting” en wat daarvoor noodig was. Etienne
-moest zich bij elk bezoek van familieleden, kennissen en confraters van zijn departement
-in een andere kamer gaan verkleeden en kwam dan terug in zijn onmogelijk wijden <span class="sic">kabajo</span> en dito slaapbroek, tot groote hilariteit van allen en in de eerste plaats van hemzelf,
-doch met uitzondering van Corrie, die zoo trouw mogelijk de modellen had gevolgd van
-wijlen haar vader, den ouderwetschen, groot- en zwaargebouwden kapitein Roos. Hoe
-die roezige tijd vóór het vertrek naar Indië verliep, wist ze zelve niet; maar zeker
-is het, dat ze op den bepaalden ochtend met man en kind en een groote hoeveelheid
-bagage, in een waggon zat van een trein, die het station van den Hollandschen spoorweg
-zou verlaten; dat er velen op het perron stonden, afscheid nemend met vertoon van
-aandoenlijkheid, waarbij kwam een groote mate van eerbied voor de jonge vrouw, toen
-de deftige kolonel Van Stralen en zijn echtgenoote ook even verschenen om den vertrekkenden
-vaarwel te zeggen.
-</p>
-<p>Te Nieuwediep lag het groote stoomschip, waarmee ze de reis zouden maken. Al de herinneringen
-uit haar kinderjaren waren bij Corrie levendig geworden. Zij vond het niets vreemd
-aan boord en installeerde zich met haar kleine in de voor hen bestemde hut, zonder
-iets te vragen of ergens aanmerking op te maken, zich schikkend in bekende omstandigheden.
-Maar voor den Hèègschen jongen bureau-ambtenaar, die nog nooit een voet had gezet
-op een mailboot, was het zoo overstelpend vreemd, dat hij nauwelijks goed wist, wat
-hij zei en <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>deed, en in zijn verwardheid een van verlof terugkeerenden luitenant-kwartiermeester
-aansprak voor den administrateur. En toen het oogenblik kwam, dat de trossen werden
-losgeworpen, het schip met zachte schommeling van den oever deinde, den afstand van
-het land met elke seconde vergrootend; toen van het wachtschip het volkslied in schetterende
-tonen weerklonk en de Jantjes in het want een luid hoezee! aanhieven, toen werd Etienne,
-leunend over de reeling, bleek als een doek; een gevoel van angstige beklemdheid maakte
-zich van hem meester en, hij wist zelf niet hoe ’t kwam, maar de tranen schoten hem
-in de oogen en zijn sigaar ontsnapte zijn bevenden vingers. Doch Corrie was niet aan
-dek; zij was bezig met haar kind en met haar goed beneden in de hut; zij hoorde wel
-aan het geluid daarbuiten, dat men de reis aanvaardde, doch wat daarachter bleef was
-niets voor haar, en de oogenblikken van geluk en genot, dáár genoten en gesmaakt,
-wogen te weinig op tegen de zorgen en het verdriet, dan dat zij iets er voor zou hebben
-gevoeld bij haar terugkeer naar het groene land der zon, waar zij haar vroolijke,
-onbezorgde eerste jeugd in het toen zoo gelukkig ouderhuis had doorgebracht.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Verwezen tuurde Nelly op het bericht onder het mail-nieuws in de courant, die haar
-man met een collega samen las. Op het eerste lijstje der benoeming van het, zooals
-men het in Indië noemde, „nieuwe factuurtje geïmporteerde ambtenaren,” had zij niet
-zoozeer gelet. Maar nu zij in de passagierslijst van den naar Indië vertrokken stoomer
-las: „E. Van Haafte, echtg. en één kind”, kwam het denkbeeld bij haar op, dat die
-„echtgenoote” niemand anders wezen kon dan haar zuster. <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>Zij informeerde te Batavia waar zij maar eenigszins kon, doch niemand maakte haar
-wijzer, tot een brief van Corrie zelf, kort en inderhaast geschreven, haar zekerheid
-gaf.
-</p>
-<p>Toen moest ze er toch om lachen.
-</p>
-<p>„Zoo’n nest,” zei ze tot haar man; „ik had nooit gedacht, dat er nog iets van zou
-terechtkomen.”
-</p>
-<p>En hij met een cynischen glimlach:
-</p>
-<p>„In Indië komt alles terecht!”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Het was dien dag, wat men noemt, allergemeenst weer. Het anders zoo vroolijke en vriendelijke
-Brussel met zijn kleurrijke en opgesmukte winkelgevels en zijn levendige drukte in
-de hoofdstraten, zag er naargeestig en grauw uit. De regen viel kletterend neer op
-het plaveisel der trottoirs en rommelde op de regenschermen der voetgangers, die zich
-zoo snel zij konden door de straten spoedden. Onder de reusachtige marquise van het
-station du Nord, die nog voor een deel het dofgrauwe daglicht onderschepte, was het
-kwartduister, en overal droegen reizigers en bedienden de natte sporen door de lokalen
-over het perron en in de drukkende en benauwde atmosfeer verspreidde zich de duffe,
-onaangename geur, die dampte uit het natte hout der waggons van aangekomen treinen,
-uit de druipende dekkleeden en uit de vochtige lading der open véhikels.
-</p>
-<p>Met den kraag van zijn demi-saison hoog opgeslagen, de dampende sigaar voortdurend
-in den mond en de handen diep in de zijzakken verborgen, stapte Mourant ongeduldig
-het perron op en neer, het oogenblik wachtend dat de trein naar Holland zou vertrekken.
-</p>
-<p>Hij zag er bleek en vervallen uit en al hield hij uit jarenlange <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>gewoonte iets aangeleerd deftigs in zijn houding, toch kon men het hem aanzien, dat
-hij in den laatsten tijd onevenredig verouderd was.
-</p>
-<p>Alles tusschen hem en Henriëtte was uit, voor goed uit.
-</p>
-<p>Toen hij de laatste maal een poging had aangewend om haar te spreken te krijgen, was
-hem dat alleen gelukt op een soort van deurwaardersbriefje, waarin hij haar in bijna
-officiëele termen als het ware sommeerde, hem in zijn hoedanigheid van voogd over
-haar minderjarige kinderen, te woord te staan.
-</p>
-<p>Zij ontving hem alleen en ofschoon hij dadelijk aan haar gezicht had gezien, dat er
-hoegenaamd geen hoop bestond op herstel hunner vroegere verhouding, had hij toch na
-eerst gesproken te hebben, zoo kalm en bedaard dat mogelijk was over de belangen der
-kinderen, een laatste poging tot toenadering gedaan. Dat het een kapitale dwaasheid
-was, gevoelde hij toen en betreurde hij nu, maar het was hem onmogelijk geweest anders
-te handelen. Terwijl hij daar tegenover haar zat overstelpte hem de gedachte, dat
-al zijn droombeelden voor de naaste toekomst, ook zijn finantiëele, zoo plotseling
-en geheel onverwacht waren vernietigd, en toen hij gereed was met zijn mededeelingen
-en haar de stukken overhandigde, die betrekking hadden op zijn voogdij en het beheer
-van haar vermogen, waarom hij met bevende hand weer het bruin elastiek sloeg, dat
-ze bijeenhield, loosde hij een diepen zucht en zag haar smeekend aan.
-</p>
-<p>Het baatte niet; het <span class="ex">kon</span> niet baten.
-</p>
-<p>Ware zij een man geweest, een vroegere vriend, dan had er sprake kunnen zijn van medelijden;
-thans trof hem slechts <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>uit twee groote koude zwarte oogen een blik vol haat en minachting. „Henriëtte,” zei
-hij, „is ’t mogelijk, dat alles zóó moet eindigen?”
-</p>
-<p>Zij trok even ongeduldig de schouders op.
-</p>
-<p>„Heb je,” vervolgde hij, toen er geen antwoord kwam, „alles goed overdacht?”
-</p>
-<p>„Er valt niets te overdenken,” zei ze snibbig.
-</p>
-<p>„Meen je dat inderdaad? Geloof je werkelijk met dien jongen man gelukkig te kunnen
-zijn?”
-</p>
-<p>Zij had hem half den rug toegekeerd en staarde, spelend met een der cordelières van
-de staatsiegordijnen, uit het venster.
-</p>
-<p>„Wij zijn geëngageerd en als de stukken in orde zijn, trouwen we.”
-</p>
-<p>„Dat weet ik, dat heb je me doen weten. Maar het is geen antwoord op mijn vraag.”
-</p>
-<p>„Mij dunkt van ja. Wat zoudt u nog verder dienen te weten?”
-</p>
-<p>„Ik vroeg, of je kunt veronderstellen, een gelukkig leven te zullen leiden met dat
-jonge mensch, die alles weet.”
-</p>
-<p>„Hij is een fatsoenlijk man,” zei ze met emphase, „een man van eer! Bovendien: wat
-gaat het u aan, als ik u tòch niet hebben wil?”
-</p>
-<p>„Het gaat mij aan, Henriëtte, omdat ik u liefheb, omdat wij elkaar hebben liefgehad
-en omdat ik beloofd heb een vader te willen zijn voor uw kinderen.”
-</p>
-<p>„Dáár zou ik me op beroepen,” zei ze schamper lachend en hem haar gelaat toekeerend,
-waaruit woede en haat spraken.
-</p>
-<p>„Of hij fatsoenlijk is en een man van eer, laat ik in ’t midden. Het kan zijn dat
-hij thans de beste bedoelingen heeft; doch wat zal later het geval zijn, als het eerste
-vuur gedoofd <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>is; als er kleine verschillen ontstaan en de herinnering, die hem nooit geheel verlaten
-kan, opkomt aan de verhouding tusschen u en mij!”
-</p>
-<p>Mourant had haar ongetwijfeld getroffen in een zwakke zij, doch hij was te veel advocaat
-geweest in zijn betoogtrant en had er geen rekening mee gehouden dat hij voor een
-zaak stond, die met geen logische redeneering te winnen was. Het was als olie in het
-vuur.
-</p>
-<p>„Jij,” stoof ze op, „jij rekent alle menschen naar jezelve. Hij is geen gemeene kerel!
-Hij is iemand met een goed hart, in wiens schaduw je niet staan kunt met al je mooie
-praatjes. Hij zal me niet ongelukkig maken, zooals jij het je goeie arme vrouw hebt
-gedaan.”
-</p>
-<p>Tranen van woede waren haar in de oogen gesprongen en terwijl Mourant, door den hevigen
-uitval een oogenblik van zijn stuk gebracht, niet wist wat te antwoorden, nu deze
-bom was gesprongen in zoo geheel verkeerde richting, ging een zijdeur open en trad
-Jules driftig en bleek de kamer binnen en op Mourant toe.
-</p>
-<p>„Hebt u hier,” vroeg hij op hoogen toon, „uw zaken als voogd van de kinderen afgedaan?”
-</p>
-<p>Mourant had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Zij stonden dicht voor elkaar,
-man tegen man, en zagen, als leeuwen gereed toe te springen, elkaar in de oogen.
-</p>
-<p>„Ik weet niet,” zei Mourant, „dat ik u daarover eenige opheldering zou schuldig zijn.”
-</p>
-<p>„Het raakt me niet, wat u weet. Ik heb u alleen te zeggen dat mevrouw Veninga mijn
-aanstaande is.”
-</p>
-<p>„Dàt raakt mij niet.”
-<span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span></p>
-<p>„En ik zeg u er bij, dat ik niet verkies, haar door u lastig te zien vallen.”
-</p>
-<p>„Wat u verkiest,” zei Mourant, thans op zijn beurt erg uit de hoogte, „doet hier niet
-ter zake. Dit is het huis van mevrouw en zoo ik hier kom, om zaken met haar te bespreken,
-zou het gepast zijn als vreemden zich daarbuiten hielden.”
-</p>
-<p>De jonge man, die zich meer en meer opwond en begreep, althans gevoelde, dat hij tegenover
-Mourant met praten het veeleer zou afleggen, dan verder komen, greep onverhoeds een
-glas water, dat er als het ware voor klaar stond op een guéridon, en wierp het Mourant
-met volle kracht in het gezicht.
-</p>
-<p>Het was een armzalige figuur, die de man van eenigszins gevorderden leeftijd daar
-maakte. Zijn met zooveel zorg opgekamde bakkebaarden hingen hem als een paar natte
-haarkrullen aan ’t gezicht en groote waterdroppels liepen snel van de punt van zijn
-spitsen neus. Hij rukte een foulard uit zijn borstzak, wreef snel zijn oogen uit en
-droogde zijn gezicht. Toen hij weer zien kon, was het eerste, wat zijn blik trof,
-het opgewonden gelaat en de gloeiende oogen van den minnaar zijner vroegere minnares,
-die hem toesnauwde:
-</p>
-<p>„Je kunt nu verder van me krijgen wat je hebben wilt; mijn adres is bekend; maak nu,
-dat je weg komt en zet hier geen voet meer in huis of, zoo waar als God leeft, ik
-<span class="ex">trap</span> je de deur uit.”
-</p>
-<p>Zonder een woord te spreken ging Mourant heen. Met die scène was alles uitgeweest;
-voor goed uit.
-</p>
-<p>Terwijl de trein voortvloog tusschen de onafzienbare rijen, tot dwergen getopte, pereboompjes,
-die de bermen van <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>den weg begroeiden, was het weer helder geworden, en vroolijk speelde het zonlicht
-op de natte blaren van het geboomte; maar in de donkere stemming, waarin Mourant verkeerde,
-was geen verandering teweeggebracht. Hoe meer hij nadacht, leunend tegen de harde
-kussens van den weinig comfortabelen Belgischen spoorwegwaggon, des te bitterder werden
-zijn conclusiën. Dat Henriëtte zich tegenover hem had schuldig gemaakt aan de zwartste
-ondankbaarheid, was voor zijn zelfgenoegzamen aard een onbetwistbaar feit. Maar er
-was meer. Langzamerhand begon hij tot de overtuiging te komen, dat het toch eigenlijk
-van hem had afgehangen aan alles een anderen loop te geven. Hij begreep nu, rustig
-en stil neerzittend in den coupé, volstrekt niet hoe het mogelijk was, dat hij zich
-door het brutaal optreden van dien jongen „sinjo” zoo uit het veld had laten slaan.
-Thans buiten de omgeving, waarin hij zich den laatsten tijd bevonden had, thans alleen,
-had hij grooten moed en hij dacht er zelfs een oogenblik aan op een der tusschenstations
-uit te stappen en naar de hoofdstad terug te keeren. Doch hij deed het niet. Ondanks
-zijn groote ingenomenheid met zichzelven begreep hij wel, dat hij een al te dwaas
-figuur had gemaakt; onherstelbaar dwaas!
-</p>
-<p>En wat nu? Toen hij zoover was met zijn gedachtenloop, ontsnapte hem een luide zucht,
-die door het rammelend spoorweggedruisch heen, het oor scheen te bereiken van den
-in een Belgischen spoorwegwaggon onvermijdelijken geestelijke, die stil en zonder
-op te zien zijn getijden las, maar nu eensklaps gestoord scheen en een oogenblik den
-deftigen heer in het hoekje aankeek. Mourant wierp hem een grimmigen <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>blik toe; hij had zoo’n hekel aan die heeren, al hadden zij hem nooit iets in den
-weg gelegd!
-</p>
-<p>Het was reeds laat in den namiddag, toen hij in Den Haag aankwam; toch stond hij op
-het punt in een vigilante te stappen, zonder een bepaald plan, zonder dat hij de vraag:
-waarheen? voor zichzelven had beslist. Hij noemde den koetsier den naam van een hotel,
-omdat hij den man, die met een gezicht als een vraagteeken van den bok naar beneden
-keek, niet op een adres kon laten wachten.
-</p>
-<p>Maar hij deed het machinaal en zonder overtuiging, en met loomen tred volgde hij in
-het logement den kellner, die hem, met drie treden te gelijk, voorsprong naar zijn
-kamer op de <span class="ex" lang="fr">bel étage</span>. Den ganschen avond liep hij het voor een hotel fraaie, doch als in een hotel ongezellige
-vertrek op en neer, sigaren rookend en champagne drinkend, om zijn leed te verzetten
-en het gevoel van diepe onbehaaglijkheid te verdrijven, dat hem nooit zoo had beheerscht,
-als dien ganschen langen dag en dat hem den volgenden ochtend, na een nacht vol looden
-slaap, bij het eerste ontwaken dadelijk weer overviel. Reeds vroeg ontbeet hij in
-de eetzaal, geheel tegen de gewoonten der soort van gasten, die hier hun intrek namen.
-Hij was blij, toen hij op straat was en de koele wind der zeestreken hem verfrischte.
-Mourant wandelde in de richting van zijn oude huis; het huis, waarin zijn nu verlaten
-vrouw woonde; maar nog voor hij er aankwam, zag hij met verbazing, dat er een huurbordje
-uitstak. Toen verwonderde hij zich over zijn verwondering. Het was immers de natuurlijkste
-zaak der wereld, dat zij alleen niet was blijven wonen in zulk een betrekkelijk ruim
-<span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>huis; hij had dat als ’t ware op de vingers kunnen narekenen, doch hij rekende zoo
-weinig met wat zijn vrouw betrof, dat de gedachte geen oogenblik bij hem was opgekomen.
-Nu liep hij er voorbij en keek nieuwsgierig door de spiegelruiten naar binnen in de
-holle, leege benedenkamers. Waar zou zij gebleven zijn? Het scheen voor ’t oogenblik
-moeilijk dit te weten te komen, hoe uiterst gemakkelijk dat metterdaad was.
-</p>
-<p>Zij had een advocaat, wiens naam en adres hem bekend waren, en naar diens kantoor
-wandelde hij heen.
-</p>
-<p>Een uur later stond hij voor een nette eenvoudige woning aan den Bezuidenhoutschen
-weg en schelde aan.
-</p>
-<p>Het dienstmeisje, dat hem open deed en hij te voren nooit gezien had, scheen van hem
-te schrikken.
-</p>
-<p>„Is mevrouw thuis?” vroeg hij op den afgemeten toon, dien hij altijd aannam tegen
-minderen.
-</p>
-<p>Doch hij wachtte het antwoord niet af. Door een open deur aan het einde van de gang,
-zag hij een vrouwengestalte in den tuin met den rug naar hem toegekeerd, gebogen over
-een bloemperk, en zonder iets te vragen of te zeggen, schreed hij voort over den looper
-en trad met een zekerheid, als ware hij volkomen op de hoogte der lokaliteit, de kamer
-binnen, die op den tuin uitzag. Een poedel—zijn hond!—sprong van een canapé met kort
-gebrom, maar zijn baas herkennend, kwispelstaartte hij en lekte hem de hand. Mourant
-ging zitten en streelde het dier den kop; hij keek de kamer rond en vond haar erg
-gezellig en met goeden smaak gemeubeld. Doch hij had niet lang tijd aan die bijzonderheden
-te denken; hij onderging haast tegen zijn <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>wil een hem sedert lang vreemde sensatie: een gevoel van rust en behaaglijkheid, dat
-hem vreemd geworden was; dat iets moest hebben van den indruk, dien een zwerver ondervindt
-bij zijn terugkeer.
-</p>
-<p>Zijn vrouw was binnengekomen en recht naar haar plaats gegaan aan de tafel, waarop
-naast het theeservies een mandje borduurwerk stond. Zij zag bleek, maar scheen in
-’t minst niet ontsteld en zij keek hem ook aan met een gezicht, dat duidelijk vroeg
-wat hij eigenlijk verlangde.
-</p>
-<p>En de zwijgende vraag bracht hem in verlegenheid. Hij had haar nooit ontzien; hij
-had altijd tegenover haar de grootst mogelijke vrijheid betoond in zijn spreken en
-doen; meer, veel meer, dan hem ooit toekwam. Thans wist hij niet, wat te zeggen en
-keek met saamgeknepen lippen aandachtig naar den hoed, dien hij in de hand hield,
-als ware ’t een kunstwerk.
-</p>
-<p>Zoo zaten zij eenige oogenblikken zwijgend tegenover elkaar: zij in stillen triumf,
-in het algemeen zoo volkomen begrijpend, wat er gebeurd was, als had ze het bijgewoond;
-hij niet wetend, hoe aan te vangen en in pijnlijke onzekerheid, of, indien hij iets
-zei, zijn woorden goed zouden opgenomen worden.
-</p>
-<p>„Ik heb je erg gegriefd.”
-</p>
-<p>Bij zichzelve moest ze lachen om het onhandig begin; hij was en bleef toch altijd
-dezelfde: een groot en ijdel menschenkind, vol aanstellerij en met een minimum wezenlijk
-gevoel. Nooit was hij zoozeer naar het uiterlijk in harmonie geweest met haar schatting
-van zijn innerlijk wezen.
-<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span></p>
-<p>„Waartoe kan het dienen dáárover te komen spreken?” vroeg zij.
-</p>
-<p>„Omdat het mij berouwt.”
-</p>
-<p>„Een berouw, dat te laat komt, als altijd.”
-</p>
-<p>„Waarom te laat? Er is immers in den zin der wet.…”
-</p>
-<p>Zij viel hem toornig in de rede.
-</p>
-<p>„De zin der wet doet hier niets ter zake.”
-</p>
-<p>Maar hij gevoelde zich <span class="ex" lang="fr">à cheval</span> op dien „zin”.
-</p>
-<p>„Toch wel. Er zijn in zoover immers nog slechts voorbereidende stappen gedaan, waarop
-met een enkel woord is terug te komen.”
-</p>
-<p>„Ik spreek daar niet van en ik wensch daar niet van te hooren. Een scheiding is, wat
-het is, met of zonder de wet; formaliteiten tel ik niet. Waarom ben je hier gekomen?”
-</p>
-<p>„Ik kwam.… ik kwam een verzoening voorstellen.”
-</p>
-<p>„Wat is er gebeurd met de weduwe van Veninga?”
-</p>
-<p>„Zij is.… te Brussel.”
-</p>
-<p>„Dat is mijn bedoeling niet.”
-</p>
-<p>Hij trok met een zeker air de schouders op.
-</p>
-<p>„Wat kan ik er meer van zeggen! Zij is te Brussel en zij en ik zijn voor eeuwig gebrouilleerd.”
-</p>
-<p>„Gebrouilleerd,” zei ze niet zonder spot, „ja, dat begrijp ik.”
-</p>
-<p>„Welnu, laat het dan daarbij blijven.”
-</p>
-<p>Maar zijn vrouw bleef onverbiddelijk. Na haar laatste bezoek aan Henriëtte, had zij
-de waarschijnlijkheid van terugkeer van dezen quasi berouwhebbenden zondaar voor oogen
-gehad en zij was vastbesloten, hem niet te sparen, maar, indien zij vergeven <span class="ex">wilde</span>, een geheel andere houding <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>tegenover hem aan te nemen, dan de vroegere vol meegaandheid.
-</p>
-<p>„Waarom,” vroeg mevrouw Mourant, zich oprichtend, „heeft de weduwe Veninga u weggezonden?”
-</p>
-<p>Mourant kreeg een kleur als bloed. Hij had een verhaal verzonnen, dat hij, als ’t
-noodig mocht zijn, wilde opdisschen en waarin hij, zoo al geen schoone, dan toch een
-eenigszins waardige rol vervulde. Dat „weggezonden” was hem een klap in ’t gezicht
-en op geraakten toon antwoordde hij blufferig:
-</p>
-<p>„Er is geen sprake van.”
-</p>
-<p>„Het is onnoodig er doekjes om te winden. Je zegt dat je een verzoening verlangt?”
-</p>
-<p>„Dat herhaal ik.”
-</p>
-<p>„Ik kan het alleen gelooven, indien je oprecht bent en niet huichelt of liegt. Ze
-heeft je dus weggezonden?”
-</p>
-<p>Het klamme zweet parelde hem op het voorhoofd.
-</p>
-<p>Zoo iets had hij allerminst verwacht, en vruchteloos trachtend zich in deze pijnlijke
-omstandigheid een houding te geven, zag hij haar aan met iets van vrees op zijn gezicht.
-</p>
-<p>„Ik wil,” ging zij voort, toen hij niet dadelijk antwoordde, „de volle waarheid weten.
-Zooals je hoort, weet ik er reeds een deel van. Doch <span class="ex">dit</span> zeg ik u: indien ik niet alles van u verneem, wat aanleiding gaf tot uw komst hier
-in mijn huis, dan ben ik voor niets te spreken; dan wil ik van geen verzoening weten;
-dan gaat de scheiding onverbiddelijk door.”
-</p>
-<p>Er viel niets tegen te doen, dat zag hij duidelijk in.
-</p>
-<p><span class="ex" lang="fr">C’était à prendre ou à laisser.</span> Een oogenblik streed hij een zwaren strijd tegen zijn groote ijdelheid, die hier
-den <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>genadeslag scheen te moeten krijgen, en zij met haar effen rustig gelaat en kalmen
-helderen blik las in zijn geest zooals zij het altijd gedaan had: gelijk in een open
-boek.
-</p>
-<p>Eindelijk ving hij hortend en stootend aan met het verhaal van zijn jammerlijk wedervaren,
-doch al doende kwam hij meer op streek en van een opsomming van feiten, werd het allengs
-meer een klacht dan een zelfverdediging.
-</p>
-<p>Zoo zwaar het hem gevallen was in den aanvang, zoo luchtte het ten slotte zijn gemoed
-en hij verdiepte zich, al pratend, in kleinigheden, die hij had mogen verzwijgen,
-maar die het hem nu een droevige wellust werd in bittere woorden weer te geven.
-</p>
-<p>Geen enkele maal viel zijn vrouw hem in de rede. Zwijgend hoorde zij hem aan, langer
-dan een kwartier, en toen hij gloeiend van opgewondenheid met tranen van woede in
-de oogen en trillingen van wraakzucht in de stem, alles en alles had verhaald, toen
-wist ze, dat hij de geheele waarheid had gesproken.
-</p>
-<p>„Het moest zoo gaan,” zei ze eenvoudig, nadat hij had uitgepraat; „het kon niet anders.”
-</p>
-<p>En toen hij haar vragend aankeek:
-</p>
-<p>„Ik heb haar bezocht te Vlietwijk; zonder dat ik haar iets vroeg, zei ze mij toen
-reeds, dat ze van je ontslagen wenschte te zijn.”
-</p>
-<p>Mourant boog onder den slag het hoofd. Dat het waar was, wat ze zei, betwijfelde hij
-nu niet meer. Wat waren toch de vrouwen!
-</p>
-<p>Er werden niet veel woorden meer tusschen hen gewisseld. <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>Mevrouw Mourant gaf de verbaasde dienstbode last een kamer voor „mijnheer” in orde
-te maken. Hij keerde terug naar ’t hotel om zijn rekening te betalen en zijn bagage
-te halen en nog denzelfden avond installeerde hij zich in het huis zijner vrouw met
-een onverklaarbaar gevoel van groote vreugde, dat al de <span class="ex">soesa</span> van den laatsten tijd, die zijn zenuwgestel geweldig had aangegrepen, voorbij was.
-Voor geen schatten der wereld had hij die laatste weken nog eens willen doormaken.
-</p>
-<p>„Ziezoo,” zei Jules, na den smadelijken aftocht van zijn tegenstander, met erg manhafte
-schreden op en neer stappend: „ziezoo; nu geloof ik niet, dat dit heerschap het u
-nog lastig zal maken.”
-</p>
-<p>De waarheid was, dat, toen Mourant zwijgend heenging, hem een pak van het hart viel.
-Hij was, van nature, schoon sterk en kloek gebouwd, zoo’n voorvechter niet; het zou
-zeer de vraag zijn geweest of hij, had Mourant zich flink en onverschrokken vertoond,
-een schitterend figuur zou gemaakt hebben. Nu hij hem zoo gemakkelijk van de baan
-had geslagen, klom zijn moed tot groote hoogte.
-</p>
-<p>„Ik ben er zóó verschrikt van!” zei Henriëtte, inderdaad nog bevend van het hoofd
-tot de voeten.
-</p>
-<p>Jules drukte haar aan ’t hart en gaf haar een zoen.
-</p>
-<p>„Het is de moeite niet waard, lieve. Het moest gebeuren. Had ik mijn zin gehad, dan
-zou ik, dat weet je, er al veel eer een eind aan hebben gemaakt.”
-</p>
-<p>„Zou hij het er bij laten?”
-</p>
-<p>„Of hij wat?” vroeg Jules, een weinig ontsteld.
-</p>
-<p>„Of hij je niet zou uitdagen?”
-<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span></p>
-<p>„Dat denk ik niet; maar <span class="ex">als</span> hij het deed.…”
-</p>
-<p>„O, neen, ik zou het niet gedoogen. Je leven is mij veel te dierbaar, om het op die
-wijze in gevaar te zien.”
-</p>
-<p>„Mijn leven,” herhaalde hij verwonderd en gedwongen lachend, „maar beste Jet, haal
-je nu geen dwaasheden in het hoofd. Hij zal wel zoo verstandig zijn, niets van zich
-te laten hooren.”
-</p>
-<p>Doch de jonge vrouw was maar half gerustgesteld. Zij bezat niet de scherpzinnigheid
-en de menschenkennis van een mevrouw Mourant en zij behield nog altijd een zeker denkbeeld,
-dat heel conventioneel achter uiterlijk vertoon innerlijke waarde onderstelde.
-</p>
-<p>Telkens kwam zij ongerust terug op de mogelijkheid, voor haar een waarschijnlijkheid,
-dat Mourant de ondergane beleediging zou willen wreken.
-</p>
-<p>„Beloof me,” drong ze aan, toen Jules haar verliet, „beloof me stellig, dat je een
-duel zult weigeren.”
-</p>
-<p>„Dat zou ik onmogelijk kunnen.”
-</p>
-<p>„Lieve Jules,” ging ze opgewonden voort, „ik <span class="ex">wil</span> het niet hebben.”
-</p>
-<p>En toen hij zag, dat zij zich weer meer opwond en de tranen haar in de mooie oogen
-stonden, deed hij opnieuw zijn best haar gerust te stellen, ofschoon het ook, door
-al haar praten, bij hemzelven hoe langer hoe meer begon vast te staan, dat een <span class="ex">cartel</span> hem van den kant van Mourant te wachten stond.
-</p>
-<p>Van dat idee doordrongen, ging hij niet naar zijn logement, informeerde in een wapenwinkel
-naar het adres van <span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span>den besten Brusselschen schermmeester, bij wien hij een even dure, als langdurige
-les op de sabel nam.
-</p>
-<p>Henriëtte kon, toen hij weg was, haar vrees niet alleen dragen; zij maakte de <span class="ex">bonne</span>, reeds lang haar vertrouwelinge, er deelgenoote van, en dit had in zooverre een goede
-zijde, dat het haar meer geruststelling bracht, dan al de betuigingen van haar aanstaande.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">Celui là!</span>” riep het coquette ding, de handen van verbazing ineenslaande. „<span class="ex" lang="fr">Le vieux? Est-il possible? Mais c’est un gros blagueur, madame. Il est poltron comme
-le dernier des derniers!</span>”
-</p>
-<p>En toen haar meesteres nog twijfelde, ging zij geruststellend voort:
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">Croyez-moi, madame, je m’y connais. Avec ses grand airs il a peur d’un rien. Ce ne
-sera pas lui qui cherchera querelle à msieur Jules.</span>”
-</p>
-<p>Zoo babbelde zij voort en verhaalde al lachend nu en dan hoe Mourant zich steeds angstvallig
-had teruggetrokken, als naar haar opinie een man in zijn omstandigheden tot uitersten
-van gewelddadigheid behoorde over te slaan.
-</p>
-<p>„Zie je wel,” zei Jules den volgenden avond, thans volkomen gerustgesteld en triumfantelijk,
-„zie je wel, dat ik gelijk heb gehad. Hij is een blufzak, anders niet.”
-</p>
-<p>Maar Henriëtte, terwijl zij het toegaf, dacht aan het geklap van haar <span class="ex">bonne</span>, die het toch eer en beter scheen geweten te hebben dan hij.
-</p>
-<p>„Ik wou,” vervolgde Jules, den rechterarm uitstekend en met een beweging als bracht
-hij een „slag naar ’t hoofd” toe, die zijn tegenstander moest verpletteren, „dat de
-kerel <span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span>den moed had gehad, mij uit te dagen; hij zou dan van een nog heel andere reis zijn
-thuisgekomen.”
-</p>
-<p>Nu het gevaar voor goed was geweken, maakten zij druk werk van de verwezenlijking
-hunner plannen. Jules had zijn stukken in orde gekregen; die van Henriëtte waren compleet;
-daarvoor had destijds Mourant gezorgd. Uiterst stil en eenvoudig werd hun huwelijk
-te Brussel voltrokken; daartoe gehuurde lieden dienden hun tot getuigen, en kort daarna
-vingen zij de groote reis aan naar Indië, waar Jules, wiens tijd reeds lang was verstreken,
-met ongeduld werd verwacht; het was meteen hun huwelijksreis, al had er dat, door
-de kinderen, niet den schijn van. Te Marseille aan boord gaand, trof Henriëtte het
-uiterlijk van een bijzonder kloek gebouwde jonge vrouw, met een echt Indisch gezichtje.
-Ze keken elkaar een oogenblik aan, alsof ze trachtten zich te binnen te brengen, waar
-ze elkaar vroeger hadden ontmoet; maar toen ze nog dienzelfden dag, op de gebruikelijke
-manier, aan elkander werden voorgesteld, maakten de namen der wederzijdsche echtgenooten
-haar niet wijzer. Van een mevrouw Van Haafte had Henriëtte in haar leven niet gehoord.
-</p>
-<p>De oude dokter Van der Linden begon er langzamerhand aan te gewennen, vrij geregeld,
-maar voor zijn beschikbare middelen toch zeer matig, door Van Leeuwendaal geëxploiteerd
-te worden. Wel was zijn kleinkind nog steeds de lust zijns levens, en zou dat ook
-wel blijven tot hij stierf, maar de jongeheer moest trouw naar school en kreeg privaatles
-bovendien. Deze opvoeding strookte geheel met des dokters begrippen. Van die apenliefde,
-waardoor kinderen tot weetnieten <span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span>worden grootgebracht, wilde hij nimmer hooren. En zoo kwam ’t, dat de oude heer, zijn
-plicht doende tegenover den knaap, het levensgenot zijner laatste jaren zeer verkort
-zag. Hij kon zich soms gruwelijk vervelen. Lust in uitgaan had hij niet meer; in studie
-of lectuur nog maar bitter weinig; een wandelingetje was in een half uur gedaan en
-in het lieflijk Hollandsch klimaat meestal verre van aangenaam; in eten, drinken en
-rooken moest hij matig zijn en zich ontzien, dat voelde hij het best aan zijn eigen
-lichaam. Zoo sleet hij dan den langen dag grootendeels in de zitkamer van zijn huis,
-turende door het venster met een gedwongen belangstelling in kleinigheden, waarover
-hij vaak zelf vol ergernis en met minachting de schouders ophaalde. Hij werd oud,
-zeer oud. Het teekende zich in zijn trekken en zijn gestalte; zijn vele campagnejaren,
-in alle beteekenis, wogen zwaar. Slechts zelden ontving hij bezoek. De oud-gasten
-dachten niet meer aan hem; daartoe vertoonde hij zich te weinig in het publiek; daartoe
-was hij betrekkelijk te lang uit Indië. Eens in de week bezochten hem Louise en haar
-man, de ritmeester; het waren een soort van plichtmatige bezoeken, waarin nu en dan
-wel iets van de oude affectie doorstraalde, maar die toch niet langer werden gerekt
-dan strikt noodzakelijk was; hij had iets tegen Riquelle en deze had iets tegen hem;
-wat het was, wisten zij niet; nooit hadden zij onaangenaamheden gehad met elkaar en
-de ritmeester behandelde zijn schoonvader steeds met onderscheiding en groote beleefdheid.
-Doch juist dat laatste hinderde den ouden heer; hij had wel eens met dien eenigen
-man in zijn familie meeningsverschil willen hebben en daarover <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>gemoedelijk twisten, doch bij de afgepaste manieren van den ritmeester wilde dat niet
-gelukken en daardoor was dokter Van der Linden tot de slotsom gekomen, dat zijn schoonzoon
-geen meening had.
-</p>
-<p>Van Leeuwendaal, die intusschen van het pak slaag, door hem opgeloopen, geheel bekomen
-was, amuseerde den dokter door zijn dwaas gebabbel.
-</p>
-<p>Het was wel vervelend, dat deze sinjeur altijd om geld kwam, maar aan den anderen
-kant was hij een gezellig tijdverdrijf. Het geld, dat deze verloopen telg van een
-voorname familie<span id="xd31e4192"></span> kwam afbedelen<span class="corr" id="xd31e4194" title="Niet in bron">,</span> was voor een zeer bemiddeld man maar een kleinigheid. Niettemin begon dokter Van
-der Linden steeds met zich schrap te zetten tegen elken aanval op zijn beurs en dan
-smaakte hij het dubbel genoegen der toepassing van het <span class="ex" lang="ms">boléh tawar</span> en van de vermakelijke argumenten, die Van Leeuwendaal aanvoerde in zijn betoog,
-dat hij het „parole d’honneur” voor niet minder doen kon.
-</p>
-<p>De wraakzuchtige plannen van dezen <span class="ex" lang="fr">panier percé</span> tegenover de familie Riquelle traden bij die zonderlinge verhouding ook op den achtergrond;
-zij sluimerden in, zonder uit te sterven. Hij kreeg genoeg om het leven van een „fatsoenlijken”
-vagebond voort te zetten, maar de pogingen nu en dan door dokter Van der Linden aangewend
-om hem op te heffen uit den modderpoel van zijn bestaan, mislukten. Werd er beproefd
-hem beter te kleeden, dan verdwaalde na weinige dagen het nieuwe pak in den lommerd,
-wat meer dan eens leidde tot verwoede <span class="ex">scènes</span>, die den ouden heer geen kwaad deden, in zoover hij dan zijn gemoed kon koelen over
-allerlei kleinigheden, die hem hinderden in zijn eigen bestaan. <span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>Daarbij dacht ook hij geen oogenblik meer aan de mogelijkheid, die eerst zoo zwaar
-bij hem gewogen had, dat Van Leeuwendaal iets zou ondernemen tegen de familie; dit
-deed hem te ver gaan.
-</p>
-<p>In een vlaag van buitengewone mildheid had hij Van Leeuwendaal een zilveren horloge
-geschonken en bij de eerste aanvraag om middelen kwam hij tot de ontdekking, dat het
-den weg der nieuwe pakken was opgegaan. Het trof dien dag al heel ongelukkig; des
-dokters maag was van streek en bovendien had de onderwijzer van zijn lieveling hem
-geschreven, dat hij ernstige klachten had over vlijt en het gedrag van dit veel belovend
-knaapje. Hij voer geweldig uit tegen Van Leeuwendaal. Het was een dier heftige attaques
-van boosheid, die hem in zijn jeugd vaak hadden overvallen; doch waarvan hij zich
-op lateren leeftijd had gecorrigeerd door er een goede dosis cynisme voor in de plaats
-te stellen. En Van Leeuwendaal, die ondanks zijn verregaand verval, toch niet <span class="ex">alles</span> kon verdragen, was onder dien vloed van smaadredenen weggeloopen. Snel stapte hij
-voort, zooals zijn gewoonte was met de handen in de zakken van zijn veel getinte overjas
-en het scherpe, magere gezicht ver vooruitgestoken. Hij was woedend en al zijn half
-begraven plannen van wraak herleefden. Als men hem zóó behandelde, dan zou men toch
-eens zien, met wien men te doen had. Te verliezen had hij niets, zoodat hij er veel
-op wagen kon. Deze gedachte kalmeerde hem; hij ging niet naar een of andere kroeg,
-zooals zijn gewoonte was, hetzij hij geld had of niet, maar trok zich terug op zijn
-ellendig kamertje en zat er uren na te denken over het leed, dat hij die verwenschte
-<span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>familie Van der Linden kon aandoen <span class="ex">met</span> de mogelijkheid dat er nog wat geldelijk voordeel voor hem viel te behalen, want
-sneed het mes niet van die twee kanten, dan zou het toch maar half werk zijn.
-</p>
-<p>Het kostte hem veel inspanning; nu eens bedacht hij dit, dan weer iets anders en meestal
-verwierp hij het uit gebrek aan moed. Doch toen hij dacht aan den kleinzoon, helderde
-zijn gezicht op. Dat was het teere punt, voor hem ook het zwakke, en daarin zou hij
-hen allen treffen.
-</p>
-<p>Het denkbeeld stond hem met dat al maar vaagjes voor den geest. Doch daarover bekommerde
-hij zich het minst.
-</p>
-<p>Het kon wel een paar dagen lijden, dacht hij, vertrouwend op zijn „krediet”. Maar
-daarin vergiste hij zich. Het feit, dat hij in den laatsten tijd betaalde en soms
-zelfs groot geld „op zak” had, werkte juist in den tegenovergestelden zin; het had
-zijn op medelijden gegrond krediet van vroeger totaal ondermijnd. Dat viel hem tegen!
-Hij moest toch leven! Hij had behoefte aan eten, rooken en drinken; aan drinken vooral.
-Zijn wraakzuchtige plannen streden tegen het meer en meer opkomend idee naar dokter
-Van der Linden te gaan en vergiffenis te vragen. Het laatste vonkje van betrekkelijke
-eerlijkheid, dat door dien strijd zelf nog werd bewezen, zou er bij ondergaan. Hij
-stond stil en glimlachte. Hoe dwèès! Er behoefde in ’t geheel geen strijd te wezen.
-Het een stond het ander volstrekt niet in den weg. Hij zou heel leuk naar den ouden
-heer gaan om pèrdon te vragen en te zien wat geld machtig te worden. Vervolgens zou
-hij zijn grooten coup slaan.
-</p>
-<p>Maar de oude heer had zijn goed humeur nog niet terug.
-<span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span></p>
-<p>„Onbeschaamde ploert!” viel hij uit, waar de dienstbode bij was, driftig de vestibule
-instormend, waar Van Leeuwendaal op de mat stond. „Hoe <span class="ex">durf</span> je hier in huis komen!”
-</p>
-<p>„Pèrdon!”
-</p>
-<p>„Ik verbied je een voet meer over mijn drempel te zetten.”
-</p>
-<p>„Pèrdon, dokter. Ik kom mijn excusen aanbieden.”
-</p>
-<p>„Ik heb met jou excusen niets te maken. Je bent ’n laag sujet; ’n door en door gedemoraliseerd
-individu.”
-</p>
-<p>„Het is zoo, dokter; het spijt me; ik kan het niet helpen.”
-</p>
-<p>„Wat ’n kerel!” riep de oude heer hoonend, met het hoofd in den nek Van Leeuwendaal
-beschouwend door zijn bril. „Hij kan het niet helpen!”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">Parole d’honneur</span>, dokter; het is mijn schuld niet.”
-</p>
-<p>„De mijne zeker!”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Pèrdon</span>; het is een fout in mijn gestel; een onjuistheid in mijn appreciatie-vermogen. Ik
-kan den tijd niet waardeeren; daarom heb ik nooit ’n horloge kunnen hebben. Als schooljongen
-heb ik ook altijd mijn horloge naar den lommerd gebracht. Het is een zwak.”
-</p>
-<p>De oude heer keerde zich om en keek naar de groote klok aan den wand als moest dit
-getuigen dat het hem niet ontbrak aan het vermogen den tijd te waardeeren; metterdaad
-schoot hij bijna in een lach. Wie had ooit zulk een dwaas gehoord. Hij had veel komieks
-in zijn leven gehoord, maar de zucht tot het verpanden van horloges te hooren verklaren
-uit een soort van psychologischen drang, uit een soort van onweerstaanbaren lust tot
-het feit zelf, was hem te machtig.
-</p>
-<p>„Je begrijpt wel, dat ik van zulke kinderachtige praatjes niets wil hooren,” zei hij,
-zich goedhoudend.
-<span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span></p>
-<p>„Dokter!” riep Van Leeuwendaal op kluchtigen toon, pathos parodiëerend, „wees niet
-langer boos. Ik beloof beterschap, <span class="ex" lang="fr">parole d’honneur</span>! Mag ik meteen zoo vrij zijn u nog eens aan te pompen! Hm! Tien pop!”
-</p>
-<p>Een oogenblik keek dokter Van der Linden verbaasd en verbluft over zulk een verregaande
-brutaliteit, sprakeloos in het smal en mager vogelengezicht van Van Leeuwendaal met
-de hoogopgetrokken wenkbrauwen en de scherpe, lange trekken om den mond. Hij wist
-niet wat hij doen zou: hem de deur uitjagen of toegeven aan den opkomenden lust deze
-haast eenige gelegenheid om zich te amuseeren niet onherroepelijk weg te werpen.
-</p>
-<p>„Je bent een echte <span class="ex" lang="fr">chevalier d’industrie</span>”, zei hij grommend, maar inwendig lachend. „Ik moest je eigenlijk door de politie
-laten oppakken!”
-</p>
-<p>En Van Leeuwendaal, die zag dat hij het gewonnen had:
-</p>
-<p>„Zeker, ongetwijfeld!”
-</p>
-<p>„Zoo, ben je zelfs dat met me eens?”
-</p>
-<p>„Zelfs dat! Maar verbeeld u, dat ik het liever niet zou willen, voor de politie. Wat
-zou zij er aan hebben! Het zou geen aanwinst zijn. Bij de politie zijn er veel, niet
-beter dan ik. En wat de horloges aangaat!.…”
-</p>
-<p>Al voortbabbelend met de bedoeling zijn clowns-rol zóó te spelen, dat de oude heer
-er heel veel pleizier in had, volgde hij, ongevraagd, ongeweigerd, dezen naar binnen.
-En terwijl zijn mond allerlei dwaasheid sprak, bromde in zijn geest de weder opgewekte
-woede over de harde en onomwonden bejegening en vlamden de oude wraakplannen hooger
-op dan ooit.
-</p>
-<p>„Ik heb,” zei de oude heer, zoekend onder papieren op zijn <span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span>schrijftafel, „een paar oude stukken, die je eens voor me moest overschrijven.”
-</p>
-<p>„Ik schrijf een leelijke hand.”
-</p>
-<p>„Dat weet ik, maar dan doe je je best maar ’n beetje!”
-</p>
-<p>„Helaas! het helpt niet. Het is toch altijd even leelijk.”
-</p>
-<p>„Nu, het komt er niet op aan; doe het maar.”
-</p>
-<p>„Geloof me, dokter, het gaat niet; mijn schrift is tegenwoordig totaal onleesbaar.”
-</p>
-<p>„Dus,” zei de oude heer, weer woedend, „dus je bent zelfs te lui om voor mij, die
-je, onverplicht, geruimen tijd zoo goed als geheel onderhoudt; van wien je leeft,
-wiens parasiet je bent,—om voor mij iets te copiëeren.”
-</p>
-<p>„Dat is het waarlijk niet, <span class="ex" lang="fr">parole d’honneur</span>! Maar heusch, geloof me; u zoudt er toch maar uw oogen op bederven.”
-</p>
-<p>„Het is wel!”
-</p>
-<p>„Kan ik u met nog iets van dienst zijn?”
-</p>
-<p>„Loop naar den duivel, vent.”
-</p>
-<p>„Dank u. En vooral voor de tien pop. Ik zal ze opschrijven bij de rest, en als ik
-nog eens ’n erfenis krijg.…”
-</p>
-<p>„Kom, ga nu maar.”
-</p>
-<p>Van Leeuwendaal kocht zich een paar glaasjes cognac en wandelde toen naar den kant
-der school van den jongenheer Van Velton.
-</p>
-<p>„Dàg schoone mèègd,” zei hij tot een dienstmeisje, dat den grooten schelknop en ’t
-handvat der deur blinkend wreef.
-</p>
-<p>„Kijk hij!” riep de dienstbare met verachting, en in stilte voegde zij er bij: „zoo’n
-verloopen mesjeu!”
-</p>
-<p>„Gaat hier een jonkertje Van Velton school?”
-<span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span></p>
-<p>„Weet ik het?”
-</p>
-<p>„Als je ’t niet weet, lief kind, wees dan zoo goed en vraag het eens.”
-</p>
-<p>De dienstbode deed het, maar met tegenzin.
-</p>
-<p>Van Leeuwendaal zag haar de lange gang doorgaan en aan het eind daarvan een deur openen.
-Een eigenaardig geluid drong tot hem door: een dof gestommel, waartusschen verwarde
-menschelijke klanken en gonzend geschuifel; hij herinnerde het zich uit zijn jeugd;
-hij had altijd gruwelijk ’t land gehad aan dat geluid, want het had hem, luien ondeugenden
-knaap, nooit iets anders voorspeld dan straf en nog eens straf.
-</p>
-<p>Er verscheen een jongmensch in ’t vaal en kaal zwart met een bril op en een keurig
-gepunt potlood achter het oor: het type van een kweekeling. Hij bekeek Van Leeuwendaal
-wantrouwend.
-</p>
-<p>„Wat is er van uw dienst?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Ik kom den jongenheer Van Velton halen.”
-</p>
-<p>„Namens wien?”
-</p>
-<p>„Namens dokter Van der Linden.”
-</p>
-<p>„Meneer Van der Linden laat anders nooit den jongenheer Van Velton halen.”
-</p>
-<p>„Och kom!” zei Van Leeuwendaal woedend: „ik meende dat hij het elken middag deed.”
-</p>
-<p>„O ja, na schooltijd; dat bedoel ik niet; ik bedoel: binnenstijds.”
-</p>
-<p>„Dan heeft de grootpa van den jongenheer daarop vandaag een uitzondering gemaakt.
-Hij heeft mij verzocht.…”
-</p>
-<p>„Ik zal hem halen,” zei de kweekeling, thans gerustgesteld <span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span>door Van Leeuwendaals bekendheid met de omstandigheden. „Alleen zal meneer waarschijnlijk
-een briefje meegeven.”
-</p>
-<p>Het duurde wel een kwartier eer ’t ventje kwam.
-</p>
-<p>Van Leeuwendaal stond op heete kolen; als de meid van den dokter zich eens vergiste
-in den tijd en te vroeg kwam, dan was hij verloren.
-</p>
-<p>De kleine Van Velton met zijn schooltasch op den rug en zijn pet achter op het hoofd,
-keek eenigszins vreemd, maar hij zei niets.
-</p>
-<p>„Wilt u zoo goed zijn dit briefje aan meneer Van der Linden te geven?” vroeg de kweekeling.
-</p>
-<p>„Met pleizier.”
-</p>
-<p>Van Leeuwendaal stak het in zijn zak en greep de hand van het jongetje.
-</p>
-<p>„Je grootpa heeft me verzocht je van school te halen. Ben je niet blij dat je zoo
-vroeg weg mag?”
-</p>
-<p>Het kind keek eens naar den kweekeling; hij had graag „ja” gezegd, maar hij durfde
-niet.
-</p>
-<p>Op straat hield Van Leeuwendaal hem vast.
-</p>
-<p>„Ik kan anders wel los loopen.”
-</p>
-<p>„Ja zie je, ik ben zoo bang dat je ’n ongeluk krijgt. Hoe heet je?”
-</p>
-<p>„Ik heet Willem en ik kan heel goed alleen loopen. Waarom komt grootpa niet zelf?”
-</p>
-<p>„Omdat hij te Scheveningen is met gezelschap.”
-</p>
-<p>Kleine Willem lette er niet op dat voor Scheveningen het weer wel wat guur was; ook
-niet dat het vreemd was te Scheveningen te blijven, als iedereen zoowat naar de stad
-kwam om te eten. Evenmin dacht het kind aan de altijd <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>noodige verwisseling van kleeren; grootpa zou hem toch nooit in zijn schoolpak en
-met zijn tasch op den rug uit hebben laten gaan.
-</p>
-<p>Maar hij had het eene woord gehoord, en dat had hem geëlectriseerd: Scheveningen,
-de duinen, het strand! Hij schudde zijn blonden krullebol tot de lokken van pleizier
-om zijn ooren dansten.
-</p>
-<p>„Gaan we dadelijk?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Wel ja; grootpa heeft gezegd, dat we gauw moesten komen.”
-</p>
-<p>„Hoe gaan we dan?”
-</p>
-<p>„We zullen een vigilante nemen.”
-</p>
-<p>„Daar komt er een aan. Hé koetsier! Hij houdt al stil. Zeg meneer, wie ben je?”
-</p>
-<p>„Ja.…. Ik ben.… ik heet.…—hoe mal dat hij nu niet op een geschikten naam kon komen!—Neitsel.”
-</p>
-<p>„Nu, meneer Neitsel, mag ik op den bok zitten bij den koetsier?”
-</p>
-<p>„Wel neen, zeker niet.”
-</p>
-<p>„Waarom niet?”
-</p>
-<p>„Dat zou je grootpa niet willen hebben; ’t is veel te gevaarlijk!”
-</p>
-<p>„Gevaarlijk!” riep Willempje met diepe minachting, „’t Is in het geheel niet gevaarlijk.”
-</p>
-<p>Maar Van Leeuwendaal trok hem zenuwachtig met zich mee in het huurrijtuig, en liet
-dat naar Scheveningen rijden. De mond van den kleinen jongen stond niet stil; hij
-rammelde maar altijd door; het was nog licht genoeg, zei hij, om in het duinzand wegen
-en gangen te graven; als grootpa zijn werktuigen maar had meegenomen. En Van Leeuwendaal
-antwoordde gedachtenloos. <span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span>Wat was hij over zichzelven ontevreden! Het bleek hem nu alweder te laat welk een
-volkomen gemis aan geschiktheid hem kenmerkte om iets, wat dan ook, <span class="ex">te doen</span>. Hij kon iets verzinnen en daarover praten, maar hij kon niets uitrichten zonder
-het van meet af verkeerd te doen. Zoo was er ook nu niets behoorlijk voorbereid. Wat
-moest hij te Scheveningen met dien knaap aanvangen?
-</p>
-<p>Hij vond zichzelven stapelgek.
-</p>
-<p>„Is grootpa in het Badhuis?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„Zijn er veel menschen?”
-</p>
-<p>„Neen, niet heel veel. Ik heb ze niet gezien.”
-</p>
-<p>„Zijn er kinderen bij? Ik bedoel jongens?”
-</p>
-<p>„Dat geloof ik wel.”
-</p>
-<p>Het vragen maakte Van Leeuwendaal zenuwachtig; hij had gaarne den koetsier gelast
-terug te keeren, maar het was daartoe te ver gekomen.
-</p>
-<p>Bij het dorp liet Van Leeuwendaal de vigilante stilhouden.
-</p>
-<p>„Laat hem toch om de kerk rijden,” zei de kleine ongeduldig, „dan komen we immers
-achter bij de trap.”
-</p>
-<p>Maar Van Leeuwendaal luisterde niet langer naar hem; met haastigen tred en het kind
-bij de hand voorttrekkend, liep hij, wadend door het mulle zand, naar den hoogen weg,
-die langs het Badhuis voerde.
-</p>
-<p>„Loop toch zoo hard niet,” riep Willempje, kwaad: „we zullen er immers wel komen.”
-</p>
-<p>Ze kwamen er, en rilling op rilling voer Van Leeuwendaal door het lijf; een stijve
-wind zweepte het duinzand over den eenzamen weg; de avond begon te vallen; in sombere
-eentonigheid <span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span>loeide de groote zee, dof weerspiegelend de jagende wolkenmassa boven haar in grijzen,
-grauwen toon; de nog gesloten gebouwen ter rechterzijde rezen als doodsche monumenten
-uit de dofgroene helm en ’t bleekgeel duin. Er liep of wandelde niemand. Slechts hier
-en daar zat op een bank een oude visscher met diepe groeven in het verweerd gezicht,
-met een grof buis aan en donkerblauwe morsmouwen er onder; met een ouden hoogen hoed
-op en een zwartgerookt pijpje tusschen de knevels, starend met zijn kleine dofgeworden
-oogen, recht voor zich uit, naar de zee,—zijn verleden, zijn oud arbeidsveld, zijn
-herinnering.
-</p>
-<p>Op een helling van den weg zagen zij het Badhuis, gesloten, stil en verlaten.
-</p>
-<p>„Het is dicht!” zei Willempje.
-</p>
-<p>Een oogenblik stond Van Leeuwendaal stil, nam zijn hoed af en veegde de zweetdroppels
-weg, die op zijn voorhoofd parelden als ware het een snikheete Julidag. Hij deed zijn
-best om zichzelven meester te blijven.
-</p>
-<p>„Hé, ja!” zei hij, verbazing veinzend, „dat zie ik ook.”
-</p>
-<p>„En je zei, dat grootpa er was.”
-</p>
-<p>„Dat heeft hij me ook gezegd.”
-</p>
-<p>„En hij is er niet en het is dicht,” ging het kind voort met onverbiddelijke logica,
-maar op eenigszins angstigen toon.
-</p>
-<p>„Dat zie ik ook.”
-</p>
-<p>„Ik wil naar huis. Waarom heeft grootpapa mij voor den gek gehouden? Dat doet hij
-nooit.”
-</p>
-<p>„Wacht even. Nu weet ik het. Hij heeft gezegd: een villa voorbij het Badhuis; daar
-was hij bij kennissen.”
-<span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span></p>
-<p>„Ik wil maar liever naar huis.”
-</p>
-<p>„Goed, strakjes. Maar eerst moeten wij toch je grootpa gaan opzoeken.”
-</p>
-<p>Kleine Willem scheen het daarmee niet eens te zijn, want toen Van Leeuwendaal weer
-haastig voortstapte, het Badhuis voorbij, keek het kind met een pruilend gezicht naar
-de gesloten stores en liet zich, tegenstrevend, half voorttrekken.
-</p>
-<p>Een eindje verder hield de met roode baksteenen losjes bestraatte weg op; Van Leeuwendaal
-beklom het tegenoverliggend duin en kleine Willem, verlokt door het gezicht, dat hem
-altijd zoo bekoorde, vergat zijn vrees, zijn grootpa en zijn verlangen naar huis;
-als een kat klauterde hij naar boven, door zijn hijgenden en kuchenden geleider gevolgd.
-Toen gingen ze rechts, als het ware weer in de richting van de stad. Maar na een kwartier
-nam de schemering toe; kleine Willem werd moe en had geen pleizier meer in klimmen
-en klouteren. Van Leeuwendaal was halfdood van angst en afgetobdheid.
-</p>
-<p>„Ik wil hier nu niet langer blijven,” zei het kind, bang om zich heen ziende en op
-schreienden toon.
-</p>
-<p>„Houd je mond, kwajongen,” riep Van Leeuwendaal met krassende hooge stem, buiten adem.
-</p>
-<p>Maar de jongeheer Van Velton, verwend door zijn omgeving en met eenige eigenschappen
-zijner moeder begaafd, was geen zoet en gezeglijk kind.
-</p>
-<p>„Ik wil niet,” schreeuwde hij. „Ik wil naar huis!”
-</p>
-<p>„Kleine draak, wees stil, of ik trap je voor den grond.”
-</p>
-<p>„Ik wil naar huis!” herhaalde Willempje, en toen hij er <span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span>een om de ooren kreeg: „Help! Hij slaat me! Ik wil naar huis.”
-</p>
-<p>Van Leeuwendaal stond stil, buiten zichzelven van woede.
-</p>
-<p>„Zal je stil zijn?” vroeg hij hijgend, het kind aan een oor trekkend.
-</p>
-<p>Willempje, aan zulk een behandeling niet gewoon, begon te schoppen en te trappen en
-raakte met den rand van zijn schoenzool Van Leeuwendaal vrij hard tegen het broodmager
-scheenbeen. Met een vloek liet de baron los. Het kind wilde wegloopen, maar viel in
-het zand, en kreeg daar van Van Leeuwendaal, die het vol angst was nageloopen, den
-reeds toegezegden trap.
-</p>
-<p>„Houd nou je bek, kleine adder, of ik vermoord je.”
-</p>
-<p>Maar er was niets, niets aan te doen.
-</p>
-<p>Willem schreeuwde hoe langer hoe vervaarlijker en luider; in grooten angst keek Van
-Leeuwendaal rond; er was niets te zien, dan de duinranden, afstekend tegen de duister
-wordende lucht, en hier en daar een ijle rhododendron; maar het was den in overspannen
-zenuwtoestand verkeerenden man of hij in de verte twee personen zag, die haastig naar
-hem toekwamen; zij kwamen op het rumoer af, dat scheen hem duidelijk, en zich over
-het schreeuwend en in zijn woede kronkelend kind buigend, beukte hij het met de vuist.
-</p>
-<p>„Wees toch stil, hondenkind! <span class="ex">Zal</span> je nu stil zijn? Dáár, dáár! Vervloekt, wees stil zeg ik!”
-</p>
-<p>Doch Willempje schreeuwde niet meer; hij brulde, met kreten van pijn onder de stompen
-der harde knokkels, maar hij was ook boven het punt waaronder stil en bedaard <span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span>worden nog mogelijk is; hij bleef, al brullend, zich verzetten, schoppend en trappend,
-en terwijl Van Leeuwendaal zich vooroverboog in het halfduister, trof hem de jongensschoen
-onverhoeds midden in het gezicht. Razend wierp hij zich op het kind.
-</p>
-<p>„Ga dan naar de hel bij je vader, satansjong!” siste hij geheel buiten zichzelven
-en, woelend met zijn lange magere handen om den hals van het knaapje, drukte en kneep
-hij uit al zijn macht, met de wilde woede van een bezetene.
-</p>
-<p>Het arme kind gaf geen geluid meer; het lag onbeweeglijk stil, en langzaam steunend
-op de handen, struikelend, en op zijn magere beenen waggelend, stond Van Leeuwendaal
-op. Schuw keek hij rond in het dieper wordend duister. Hij wist niet en hij dacht
-niet; zijn hoofd was leeg, versuft, dronken. Zóó bleef hij een lange minuut staan,
-raapte, half op den tast, zijn kalen hoed op en beklom zuchtend het naaste duin stadwaarts,
-langzaam en met groote moeite. Op den heuvel woei de wind hem in ’t gezicht; in de
-verte hoorde hij een voertuig ratelen, en daarachter tegen de zwarte lucht ving een
-heldere gloed aan te glanzen, de weerschijn van de pas ontstoken lichten in de groote
-stad. Hij keek er naar en er kwam besef in zijn geest; hij keek er naar met groote
-uitpuilende oogen, en toen zette hij het op een loopen, met wijde wilde sprongen en
-stappen, wegzinkend in het zand of uitglijdend op de gladde helm; viel hij, dan sprong
-hij op, vlug en lenig in zijn overspannen toestand, als een kat, en hij vloog weer
-vooruit in de zwart-grauwe duisternis onder den invloed van een vrees, die hem <span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span>gek maakte, altijd in de richting van het noorden, diep het duin in, tot hij neerviel
-in het mulle schuivende zand, bewusteloos, met het gezicht voorover op den grond.
-</p>
-<p>’t Was rustig en doodstil in de zoo goed als geheel onbewoonde duinstreek. Willempje
-Van Velton en baron Van Leeuwendaal omringde geen geluid, dan het gekwaak in de lucht
-van een overvliegende eendenvlucht, hier of daar opgejaagd, of ’t geritsel van het
-onrustig naar den kost zoekend konijn.
-</p>
-<p>Maar in de stad was het zeer onrustig over hen; zij was er vol van. Het toeval had
-gewild dat de dokter zelf met zijn coupétje zijn kleinzoon van de school kwam halen.
-</p>
-<p>„We hebben hem al meegegeven.”
-</p>
-<p>„Hè?” vroeg de dokter verbaasd, en aan niets anders denkend dan een onverwachte en
-zeldzame uiting van moederlijke teederheid. „Al meegegeven?”
-</p>
-<p>„Ja, u hebt hem zelf laten halen.”
-</p>
-<p>Dokter Van der Linden verbleekte.
-</p>
-<p>„Wel neen, dat heb ik niet.”
-</p>
-<p>„Er is hier ’n uur ongeveer geleden ’n meneer geweest, namens u. Hij zag er niet rijk,
-maar toch nogal fatsoenlijk uit. ’n Heel mager heer met ’n grooten neus. Hij kwam
-namens u den jongenheer halen!”
-</p>
-<p>„En je hebt hem meegegeven aan ’n onbekenden vent?”
-</p>
-<p>„Ik wist niet.… ik meende.… hij zei.…” stotterde het jongemensch achteruittredend
-voor den ouden heer, die woedend op hem afkwam.
-</p>
-<p>„Wie gaf je het recht, beroerde kwajongen, mijn kind.…”
-</p>
-<p>„Ik zal <span id="xd31e4433"></span>meneer roepen”, zei de kweekeling en liep hard <span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span>naar achteren, op den voet gevolgd door den dokter. De school was nog aan, en het
-praatje was dadelijk bekend: de kinderen mochten naar huis gaan en als een zwerm verspreidde
-zich over honderden huisgezinnen in de stad het nieuws: „er was een jongetje gestolen”;
-enkele wettische heeren zeiden, dat er een „minderjarige was ontvoerd.”
-</p>
-<p>De onderwijzer zelf was zeer ongerust; hij trachtte niet zijn personeel te verontschuldigen;
-hij zag wel dat het niet baatte; maar hij reed met zijn kweekeling mee naar het politie-bureel.
-Aan de persoonsbeschrijving had de dokter dadelijk Van Leeuwendaal herkend. In het
-rijtuig voerde de onderwijzer alleen het woord, troostend en opbeurend, voorbeelden
-aanhalend van dien aard, die ook alleen hadden geleid tot noodelooze ongerustheid.
-Maar de dokter dacht aan de oude geschiedenis te Batavia; aan Van Leeuwendaal’s wraakzucht
-over het pak slaag; aan de positie zijner dochter; en wat het verschrikkelijkste was:
-aan het lot van zijn lieveling; hij was een man, en in zijn lange medische en chirurgische
-carrière had hij geleerd met droge oogen het lijden der menschen aan te zien; maar
-nu was hij oud; hij had al zijn liefde bijeengebracht op dat kind, en als hij er aan
-dacht, dat Willempje wellicht gruwelijk werd mishandeld, dan liepen hem rillingen
-van smart door het lichaam, dan moest hij veel moeite doen om zijn tranen te bedwingen.
-</p>
-<p>Een inspecteur van politie bracht hen naar een hoofdinspecteur van politie, die hen
-bracht naar een commissaris, die hen deed binnengaan bij een hoofdcommissaris. Ieder
-hoorde het verhaal van den kweekeling en de verklaringen van den dokter, noteerde
-ze, trok een bedenkelijk <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>gezicht, vond het een hoogst ernstig geval, en schoof dat over op zijn chef, tot groote
-woede van den doodelijk ongerusten dokter, die stampvoette over het tijdverlies.
-</p>
-<p>De hoogste politioneele macht gaf dadelijk orders.
-</p>
-<p>„Duizend gulden,” zei de dokter, „voor den man, die me het kind gauw en goed terugbrengt.”
-</p>
-<p>De voorgeroepen agenten zeiden niets; ze keken eerbiedig naar dien ontstelden ouden
-heer, die zulk een som uitloofde; voor henzelven beschouwden ze het verdwijnen uit
-de school onder den leertijd een kwajongensgrap; die kinderen van de Haagsche „groote
-lui” waren lievertjes! Daar wisten zij, politie-agenten, van mee te praten!
-</p>
-<p>„Er schiet thans niets over dan te wachten,” zei de hoofdcommissaris toen de agenten
-met instructies waren vertrokken.
-</p>
-<p>„Te wachten!” zuchtte de oude heer. „Het is verschrikkelijk!”
-</p>
-<p>Hij reed naar de Riquelles.
-</p>
-<p>Juist kwam hem de panier van den ritmeester te gemoet. Louise met een frissche kleur
-op het gezicht, mooier en eleganter dan ooit, mende de poneys, die, hun korte dikke
-manen schuddend, op de stangen beten.
-</p>
-<p>Toen papa, nog voor de rijtuigen geheel stilstonden, de deur van zijn coupé opende,
-er uit sprong en op angstigen toon riep:
-</p>
-<p>„Ik wou Wim van school halen.… Hij is weg!”—begon Riquelle te lachen.
-</p>
-<p>„Maak u niet zoo ongerust, pa. Hij zal gespijpeld hebben: dat is zoo erg niet; dat
-heb ik ook wel eens gedaan!”
-</p>
-<p>Maar Louise lachte niet.
-</p>
-<p>Zij kende haar vader en ze zag duidelijk aan zijn gezicht, <span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span>dat er meer stak achter het enkele woord. Den koetsier achter haar gaf zij de teugels
-en sprong uit den panier.
-</p>
-<p>„Wat is er, pa?”
-</p>
-<p>„Ik zeg je: Willem is weg.”
-</p>
-<p>„Maar hoe komt dat dan? Spreek toch duidelijk!”
-</p>
-<p>„Hij heeft hem onder schooltijd weggehaald.”
-</p>
-<p>Dokter Van der Linden zei het als tegen zichzelven op den smartelijken toon van iemand,
-die een pijnlijke gedachte doelloos en machinaal herhaalt en onder woorden brengt.
-</p>
-<p>„Hij?” herhaalde Louise, haar man aankijkend met een vreemden blik, die vroeg of papa
-wellicht in een stadium van kindschheid geraakte. „Wien bedoelt u, pa?”
-</p>
-<p>„Van Leeuwendaal.”
-</p>
-<p>Zij werd zeer bleek; haar trekken drukten grooten angst uit.
-</p>
-<p>„Wie is dat?” vroeg Riquelle.
-</p>
-<p>„Ik kan het je niet in twee woorden zeggen; het is een smeerlap, een vagebond, een
-verloopen zoon van ’n voorname familie.”
-</p>
-<p>„Wacht even,” zei Riquelle, „daarover herinner ik me iets, maar ik weet waarachtig
-niet wat. Het was een bekende familie in mijn jeugd, maar sedert uitgestorven als
-ik me niet bedrieg.”
-</p>
-<p>„Het is de kerel, dien je hebt laten afranselen.”
-</p>
-<p>„Och wat! En kende u hem?”
-</p>
-<p>„Zeker! Ik kende hem, helaas!”
-</p>
-<p>„Dat is curieus,” ging de ritmeester langzaam voort met een onderzoekenden blik op
-zijn vrouw.
-</p>
-<p>„Zijn vader heeft hem eens in Indië op mijn dak gezonden.”
-<span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span></p>
-<p>„Dus kende jij hem ook?” vervolgde Riquelle tot zijn vrouw.
-</p>
-<p>Louise sloeg de oogen neer; zij had een benauwd gevoel als stond haar een groot ongeluk
-voor de deur.
-</p>
-<p>„Ja, ik kende hem.”
-</p>
-<p>„Daarvan heb je me niets gezegd.”
-</p>
-<p>„Neen.”
-</p>
-<p>„Maar lieve, dat is toch vreemd. Als ik zijn afkomst had gekend en geweten had, dat
-hij vroeger de gast van je papa was geweest.…”
-</p>
-<p>„Wat zou het hebben uitgemaakt?”
-</p>
-<p>„Het scheelt nogal iets! Ik zou hem dan zeker geen pak slaag hebben laten geven door
-’n paar dragonders.”
-</p>
-<p>„Ook dat doet er niet toe,” riep de oude heer. „Hij heeft het pak slaag beet en ik
-vrees.… ik vrees.…”
-</p>
-<p>„Wat?” vroeg Riquelle snel.
-</p>
-<p>„Dat de schurk zich wreekt op mijn arm kind.”
-</p>
-<p>Een oogenblik stond de ritmeester verstomd. Hij hield volstrekt niet van het souvenir
-zijner vrouw aan haar Indisch huwelijk, maar als man van eer en fatsoen schokte het
-hem toch geweldig de middellijke oorzaak te zijn geweest van het vermoedelijk ongeluk
-van een kind.
-</p>
-<p>Maar hij herstelde zich.
-</p>
-<p>„Ik geloof pa, dat u het veel te donker inziet.”
-</p>
-<p>„Je hebt goed praten.”
-</p>
-<p>„Wat zou zoo’n man aan ’n enkele wraakneming hebben?”
-</p>
-<p>„Weet ik het! Maar het gebeurt in de wereld, dàt weet ik bij ondervinding.”
-</p>
-<p>„Nu ja, maar zeer zeldzaam. Weet u waaraan ik denk?”
-<span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span></p>
-<p>„Neen!”
-</p>
-<p>De oude heer zei het op een toon, alsof hem de gedachten van zijn schoonzoon volkomen
-onverschillig waren.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Chantage.</span>”
-</p>
-<p>Een oogenblik dacht dokter Van der Linden na.
-</p>
-<p>„Waarom niet, pa?” riep Louise. „Ik geloof het ook<span class="corr" id="xd31e4510" title="Niet in bron">.</span> Waarom zou ’t hem anders te doen zijn, dan om geld?”
-</p>
-<p>„Ik had hem denzelfden ochtend pas geld gegeven.”
-</p>
-<p>Ze zwegen nu alle drie een oogenblik, tot de dokter, die geen rust had en met het
-hoofd op de borst en onrustig dwalende oogen geen twee seconden stil kon staan, in
-zijn coupé sprong.
-</p>
-<p>„Ik ga nog eens naar ’t politie-bureel.”
-</p>
-<p>„Kom u gauw, als er iets is?” riep Louise met een in ’t oog vallend opvlammen van
-moederlijke bezorgdheid.
-</p>
-<p>Haar vader wuifde met de hand en knikte bijwijze van belofte met het hoofd.
-</p>
-<p>„Ik zal je de heele geschiedenis met Van Leeuwendaal vertellen,” zei Louise toen ze
-thuis was met haar man.
-</p>
-<p>„Is het zooveel?”
-</p>
-<p>„Och neen, eigenlijk niet, Ed. Maar toch voorzie ik iets verschrikkelijks.”
-</p>
-<p>„Geloof je dan waarachtig ook, dat die man het kind zal kwaad doen?”
-</p>
-<p>„Misschien niet, maar of hij ’t doet of laat, er zal veel over de zaak gesproken en
-geschreven worden.”
-</p>
-<p>„Ja, natuurlijk. Dat is altijd onpleizierig.”
-</p>
-<p>„En dat wordt het dubbel om en <span class="ex">door</span> de oude geschiedenis met dien Van Leeuwendaal te Batavia.”
-<span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span></p>
-<p>Zij vertelde hem alles, en het hinderde hem geweldig.
-</p>
-<p>Hij geloofde haar volkomen; hij wist dat ze geen woord onwaarheid sprak, had de volle
-overtuiging dat nooit iets bestaan had tusschen haar en dien kerel. Maar die was toch,
-dat wist <span class="ex">men</span>, in haar slaapkamer geweest, toen ze nog een jong meisje was en terwijl ze te bed
-lag, en dat was genoeg, zoo het besproken raakte, voor een zee van de schandelijkste
-lasterpraatjes. Daarvoor vreesde hij, dien storm zag hij aankomen, en dat domineerde
-beiden meer, veel meer dan de eigenlijke vraag: wat is Willempje overkomen?
-</p>
-<p>De chef der politie ontving den ouden heer triumfantelijk.
-</p>
-<p>„We zijn op het spoor,” zei hij.
-</p>
-<p>„En?”
-</p>
-<p>„Hij is met het kind naar Rotterdam.”
-</p>
-<p>„Hoe weet u dat?”
-</p>
-<p>De commissaris glimlachte sluw. Dat was nu ook iets! Waarom gaf men zulke zaken aan,
-als men niet meende, dat de politie in de gelegenheid was er achter te komen? Hij
-tikte de asch van zijn sigaar en antwoordde langzaam:
-</p>
-<p>„Zóó vraagt men de boeren de kunst af.”
-</p>
-<p>„Wat hebt u gedaan?”
-</p>
-<p>„Er zijn twee geheime agenten naar Rotterdam. Maak u niet ongerust meer. Er zal hem
-geen tijd worden gelaten iets kwaads te doen aan het kind.”
-</p>
-<p>„Goddank!”
-</p>
-<p>„Ga gerust naar huis, mijnheer Van der Linden, gerust! Er zal hem niets overkomen.”
-</p>
-<p>De dokter wilde juist eenigszins gerustgesteld heengaan, <span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span>toen een agent, die de kamerwacht had, een collega aanmeldde, die op recherche was
-geweest in de zaak van het vermiste kind.
-</p>
-<p>„Als u even wilt wachten,” zeide de commissaris, „kunt u hooren wat deze man rapporteert.”
-</p>
-<p>Er kwam een heel gewoon, mager man binnen met een blonden baard, zweetend en kuchend
-van vermoeienis, en de commissaris, met de zelfvoldoening van iemand, die slechts
-zou hooren bevestigen, wat hij reeds wist, zei:
-</p>
-<p>„Ga je gang maar.”
-</p>
-<p>De agent wierp een schuinschen blik op den dokter, dien hij herkende als de oude heer
-van de duizend gulden; daarna keek hij zijn chef aan en zei in telegram-stijl:
-</p>
-<p>„Kind gehaald drie uur, vigilante genomen; Scheveningen gereden.”
-</p>
-<p>„Wat?” riep de dokter, van zijn stoel opspringend.
-</p>
-<p>De commissaris wenkte hem met de hand zich stil te houden, en de agent vervolgde:
-</p>
-<p>„Voor het dorp stilgehouden; hoogen weg opgewandeld; voorbij het Badhuis en duinen
-ingegaan.
-</p>
-<p>„Is er niet meer?”
-</p>
-<p>„Maar dat is.…” riep de dokter doodsbleek.
-</p>
-<p>Weer legde hem de commissaris het zwijgen op. Hij vroeg fluisterend eenige inlichtingen
-aan den agent, liet een inspecteur roepen en gaf bevelen.
-</p>
-<p>„We zullen nu moeten afwachten,” zei hij troostend tot den ouden heer, toen zijn personeel
-was vertrokken, „dat is het eenige wat er op zit.”
-</p>
-<p>„In de duinen verdwenen!” zuchtte dokter Van der Linden, <span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span>en zijn haren rezen ten berge van angst en schrik bij die gedachte.
-</p>
-<p>„Zou men te Scheveningen niets weten?”
-</p>
-<p>„Misschien wel, maar dat zullen we spoedig hier vernemen. Ik heb natuurlijk kennis
-gegeven.”
-</p>
-<p>„Als ik er eens heenging?”
-</p>
-<p>Het kwam den commissaris voor dat beweging en verplaatsing voor iemand in zulk een
-gemoedsstemming nog het beste was.
-</p>
-<p>„Dat kan geen kwaad.”
-</p>
-<p>„Ik ga dadelijk. Dank u meneer, dank u voor uw moeite. Rotterdam schijnt een vergissing.”
-</p>
-<p>„Men kan niet weten.”
-</p>
-<p>„Toch niet, ik zeg u dat het een vergissing is. Dáár,” zei hij met de bevende hand
-naar het noorden wijzend, „dáár is het; dat voel ik; daar ben ik zeker van.”
-</p>
-<p>Het was een lange reis in de duisternis.
-</p>
-<p>Er brandde een eenzame lantaarn voor het kantoortje van het dorpscommissariaat. Er
-was niemand dan de chef, en in een ander vertrekje één beambte. Men had gehoord van
-de duizend gulden en men was behalve met dienstijver ook vol van de gedachte aan de
-mogelijkheid die premie te verdienen.
-</p>
-<p>„Ik ben dokter Van der Linden.”
-</p>
-<p>„O! de grootvader van het vermiste jongetje! Neem plaats als ’t u blieft.”
-</p>
-<p>„Is er nog geen bericht?”
-</p>
-<p>„Het spijt me, meneer; voor ’t oogenblik nog niets.”
-</p>
-<p>De ambtenaar vertelde nu lang en breed, welke goede <span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span>maatregelen ter opsporing waren genomen. Het duurde wel een kwartier, zoodat het verhaal
-en zijn eigen staat van overspanning dokter Van der Linden begonnen te biologeeren.
-</p>
-<p>Plotseling werd er aan de deur getikt. De beambte trad met een geheimzinnig gezicht
-binnen.
-</p>
-<p>„Wat is er?” vroeg zijn chef.
-</p>
-<p>„Ik hoor buiten, dat er in het duin een lijk is gevonden.”
-</p>
-<p>Als bestorven en verlamd van schrik was de oude heer op zijn stoel neergezonken. Dat
-werd daar zoo kalm en eenvoudig gezegd en het was zoo vredig en stil in de warme kantoorkamer
-met de met zand bestrooide houten vloer en de groote lamp boven den lessenaar,—dat
-’t een parodie leek op den storm van ontsteltenis, die in ’s dokters hersenen woedde.
-</p>
-<p>„Het moet een manslijk zijn.”
-</p>
-<p>„Weet je dat zeker?”
-</p>
-<p>„Ik weet niets zeker; ik hoor het hier van voorbijgaande lui. Het is geen kinder-
-maar een manslijk, en ze zijn er al mee opweg hierheen. Hoor, daar komen ze al.”
-</p>
-<p>Er kwam gestommel in het gangetje naast ’t kantoor, een geluid van vermoeide, hijgende
-menschenstemmen. Een deur werd opengerukt en viel dreunend weer dicht.
-</p>
-<p>„Wilt u maar eens meegaan?” vroeg men den ouden heer en half versuft wankelde hij
-mee.
-</p>
-<p>Zij traden een kamer binnen, slecht verlicht en met geen ander meubilair dan een groote
-ongeverfde tafel en een paar banken.
-</p>
-<p>Op de tafel lag het magere lichaam van Van Leeuwendaal, <span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span>vuil en nat van den regen, die lang dreinig over de duinstreek was gevallen, doch
-nu hard tegen de ruiten kletterde.
-</p>
-<p>Toen de heeren binnenkwamen, trok een der agenten willekeurig de veelgetinte demi-saison
-recht, als wilde hij ’t bewegingloos lichaam in fatsoenlijk gezelschap een presentabeler
-aanzien geven.
-</p>
-<p>„Dokter,” zei de ambtenaar, „zoudt u zoo goed willen zijn?”
-</p>
-<p>In deze omgeving, met een lijk op de tafel en een beroep op zijn hoedanigheid als
-deskundige, ging het dokter Van der Linden, als een oud dragonderspaard, dat de signalen
-hoort. Hij richtte zich op, zette zijn bril goed, stroopte zijn rechtermouw in de
-hoogte en onderzocht, voor een oogenblik zijn verdriet en angst vergetend, het lichaam.
-</p>
-<p>„Hij is het,” zei hij tot den ambtenaar, „en hij is dood; waarschijnlijk.… aneurysma.”
-</p>
-<p>„Wilt u ’t even constateeren?”
-</p>
-<p>„Ja maar.… mijn kind?”
-</p>
-<p>„Er wordt nog steeds gezocht, nietwaar mannen?”
-</p>
-<p>„Ja.… zeker.…” bevestigden ze alle vier, indachtig aan de duizend gulden.
-</p>
-<p>„We zijn wel knapjes nat,” zei een hunner lachend tot den ouden heer, „maar we zullen
-het er toch maar op wagen.”
-</p>
-<p>Maar de dokter was niet tevreden; hij wilde meer menschen, meer lichten en zelf meegaan;
-wat het kostte, kwam er niet op aan, maar het kind moest dood of levend gevonden worden;
-het kon niet ver weg zijn. De menschen deden hun best; in wind en regen zwermden tientallen
-door het duin met lantaarntjes zoekend langs den grond, druipnat en <span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span>vloekend, maar met het droombeeld der duizend gulden voor oogen, ijverig en oplettend.
-</p>
-<p>Er ging een uur voorbij; men vond niets.
-</p>
-<p>De meesten gaven het op en gingen naar huis.
-</p>
-<p>Dokter Van der Linden kon niet meer; doodmoe, buiten adem, met de wanhoop in ’t hart,
-keerde hij terug in het dorp.
-</p>
-<p>„Het is onverklaarbaar,” zei de ambtenaar.
-</p>
-<p>„Wat denkt u er van?”
-</p>
-<p>„Wel, ik heb goeden moed. Het kind is weggeloopen of meegevoerd.”
-</p>
-<p>„Denkt ge, dat hij nog leeft?”
-</p>
-<p>„Zeker; anders zou ’t lijkje wel gevonden zijn.”
-</p>
-<p>Er werd aan de deur getikt; het hart van den ouden heer bonsde. Een van de mannen,
-die nagekomen was, bracht een pet mee. De tranen sprongen den ouden heer in de oogen.
-</p>
-<p>„Het is van hem!” zei hij schor.
-</p>
-<p>De man, die het petje gevonden had, keek erg teleurgesteld; dat men dáárvoor geen
-duizend, geen honderd, ja geen tien gulden geven zou, begreep hij ook wel. En toen
-hij met leege handen bij de agenten terugkwam, vloekte hij.
-</p>
-<p>„Zoo’n rakkersche kwajongen! Waarom loopt hij ook onder zijn pet vandaan?”
-</p>
-<p>„Je hebt zeker niet goed gekeken,” zei een hunner; „hij moet er naast hebben gelegen.”
-</p>
-<p>„Zou die magere daar op de tafel hem opgevreten hebben?” bromde de petvinder met een
-kwaadaardigen blik op het lijk.
-</p>
-<p>„Jongens, er moet gauw een brancard komen om dien gast <span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span>weg te brengen,” zei de oudste ernstig. „Als de baas komt en hij ziet, dat het nog
-niet gedaan is, zit er weer boete op. Vooruit!”
-</p>
-<p>Zij gingen aan het werk, mopperend en ruwe uien slaand, tot een hunner, die even op
-de stoep was geweest, door de katroldeur als het ware met een vloek naar binnen viel.
-</p>
-<p>„’t Verloren schaap is terecht, hoor! Duizend pop?—ho maar!”
-</p>
-<p>In het kantoor stond een arme visscher met den zuidwester in de hand en een dik buis
-aan met hoogopstaanden stijven kraag; de man scheen er een beetje verlegen mee, maar
-zijn groote mond met bruine hoeken vol tabakssap, lachte goedaardig toen hij zag hoe
-die oude heer beefde, schreide en het jongske kuste, dat hem de armen om den hals
-sloeg en half huilend niets dan „Grootpa!” riep. De dokter herstelde zich spoedig;
-hij nam Willempje op den schoot en luisterde naar het verhaal van den visscher, dat
-luidde: „Ik ging over de duinen naar huis, hoorde een kind huilen en roepen en vond
-dit jongske.” Détails kon de man niet geven; daar had hij zelfs hoegenaamd geen idee
-van, naar het scheen. Hij had het kind meegenomen naar zijn afgelegen woning, en had
-het niets gevraagd. Doch toevallig hoorde hij van iemand, die uit het dorp kwam, dat
-er zooveel te doen was bij de politie om dat jongetje, en nu bracht hij het. Dokter
-Van der Linden schreef een cheque van duizend gulden; de arme visscher, hoe dom ook
-en eenvoudig, begreep van deze handeling de portée bijzonder vlug; de oude heer tastte
-in zijn portefeuille, en die greep vervloeide naar de agenten van politie, die blij
-waren <span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span>dat ze er toch iets van hadden, maar den „joei” gruwelijk benijdden.
-</p>
-<p>Het was in de stad om het huis van den dokter haast een volksoploop; de schrikkelijkste
-verhalen deden de ronde; toen de oude heer met het kind, dat ziek en pijnlijk was
-en bij transmissie nog naar gedroogde scharretjes rook, vielen de gruwelen grootendeels
-in duigen. Eerst had het geheeten, dat het kind letterlijk aan stukken was gesneden;
-men rilde, en moeders in zenuwachtigen angst besloten hunne kinderen thuis te houden
-van school, als had in Den Haag een particulier en modern Herodes domicilie gekozen.
-Den dag na de terugkomst van Willempje in het grootvaderlijk huis, volgden de courantenberichten
-met juistheid de feiten vermeldend en met halve woorden gissend naar het onderling
-verband. Toen moest de begeerige wolf van het algemeen gerucht een anderen kant uit
-om voedsel. Niet meer het feit zelf, maar het: waarom? trad op den voorgrond. Waarom
-had die man, een baron nog wel, het kind willen vermoorden? Waarom had hij zelfmoord
-gepleegd? Want van dat laatste was het publiek niet af te brengen.
-</p>
-<p>Daar moest iets achterzitten! En in de herinnering van oud-gasten, die Indië reeds
-veel jaren hadden verlaten, doemden met de namen de feiten op; de een wist er dit,
-de ander dàt van,—niemand meer het ware. Brokstukken der Leeuwendaalsche geschiedenis
-te Batavia raakten onder het publiek, groeiden aan tot omvangrijke schandalen, vonden
-hun weg in enkele clandestiene weekblaadjes, waarop iedereen laag neerzag, maar die
-haast iedereen met wellust verslond; die iedereen kende en bleef kennen, maar altijd
-<span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span>verloochende. Daar was van alles in het gerucht; maar het essentiëele kwam hierop
-neer, dat mevrouw Riquelle in haar jeugd een ongeoorloofde liaison had gehad met Van
-Leeuwendaal, die, een nacht in haar kamer doorbrengend, zich stilletjes en terwijl
-zij sliep, had verwijderd met een schat aan geld en diamanten; dat hij was achterhaald
-door de politie, gestraft door de justitie, en nu, na vele jaren in de gevangenis
-te hebben doorgebracht, zich was komen wreken, doch, bijtijds betrapt, zich had gezelfmoord,
-vóór hij tijd had het kind af te maken.
-</p>
-<p>Het was een heerlijke bijdrage tot de chronique scandaleuse der residentie, en zij
-had, schoon van a-z een lange leugen, volkomen het gewicht van een véridiek verhaal,
-omdat iedereen het geloofde.
-</p>
-<p>In de hoogere standen alleen werd het zoo zwaar niet opgenomen, schoon even algemeen
-geloofd. Openlijk werd het daar tegengesproken. Hoe het dan ook zijn mocht,—ieders
-gevoel van solidariteit als menschen uit één stand, bracht mee, dat men een vrouw
-van wie gezegd werd, dat zij in haar jeugd amours had gemaakt met een jongen adellijken
-losbol, en die later, schatrijk, getrouwd was met een <span class="ex" lang="fr">homme rangé</span>, cavalerie-officier en mede behoorend tot de coterie, de hand boven het hoofd hield,
-vooral indien zij zich zoo uitstekend naar haar omstandigheden wist te gedragen.
-</p>
-<p>Toch keken de dames er Louise „op aan”, en zij zag en voelde dat.
-</p>
-<p>„Het is zeer onpleizierig,” zei de oude mevrouw Riquelle tot haar zoon, toen hij haar
-alles vertelde. „Het is vreemd ook.”
-</p>
-<p>„Ellendig is het, maar vreemd niet zoozeer.”
-<span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span></p>
-<p>„Ik heb het altijd wel gedacht, Eddie.”
-</p>
-<p>„Wat dan, ma?”
-</p>
-<p>„Herinner je eens dien dag, toen je me het eerst kwam spreken over je voorgenomen
-huwelijk?”
-</p>
-<p>„Ja.… ik herinner me dat.”
-</p>
-<p>„Wat heb ik toen gezegd?”
-</p>
-<p>„Ik weet het zoo precies niet meer, ma,” antwoordde de ritmeester ongeduldig. „Denkt
-u, dat men alle gesprekken letterlijk kan onthouden?”
-</p>
-<p>„Ik weet het nog heel precies. Wantrouw altijd eenigszins menschen uit Indië, heb
-ik gezegd. Al zijn ze nog zoo goed en beminnelijk, ze hebben altijd hun <span class="ex" lang="fr">histoires</span> en vroeg of laat openbaren zich die.”
-</p>
-<p>Mevrouw Riquelle had dat nooit gezegd tegen haar zoon, al beweerde zij ook het zich
-precies te herinneren; de ritmeester keek haar een oogenblik verwonderd aan; toen
-trok hij de wenkbrauwen samen en vroeg zeer onvriendelijk:
-</p>
-<p>„Dus u gelooft.…?”
-</p>
-<p>„Dàt doet niets ter zake, helaas! Wat wáár is, wat jij gelooft, wat ik geloof,—het
-komt er alles niets op aan. Iedereen neemt de praatjes aan, die de ronde doen.”
-</p>
-<p>’s Middags in de sociëteit kwam een zijner collega’s en academievrienden naar hem
-toe.
-</p>
-<p>„Dat is een heele geschiedenis met je stiefzoontje.”
-</p>
-<p>„Ja, het is een beroerd geval.”
-</p>
-<p>„<span class="sc">Dat is het.</span>”
-</p>
-<p>Het werd met een ernst en een overtuiging gezegd, die Riquelle vreemd deden opzien.
-<span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span></p>
-<p>„De kerel had twist gehad met den ouden heer Van der Linden, bij wien het kind woont.
-Om zich te wreken, heeft hij het van de school gehaald, naar het schijnt om het te
-vermoorden.”
-</p>
-<p>De ander knikte toestemmend.
-</p>
-<p>„Ja,” zei hij weer, na een oogenblik zwijgens, „het is een hoogst onaangename geschiedenis.”
-</p>
-<p>Verder werd het onderwerp niet aangeroerd, doch wel viel het Riquelle op, dat sommige
-getrouwde officieren zoo op een afstand bleven, vooral die uit burgerfamilies, door
-hun afkomst altijd eenigszins bezield met stillen haat en wangunst tegenover de „hof-kringen”,
-zooals de Haagsche adellijke families niet zonder spot genoemd werden.
-</p>
-<p>„Als ik in jou plaats was,” zei zijn vriend, „nam ik mijn ontslag.”
-</p>
-<p>Riquelle werd vuurrood; het was een denkbeeld, dat hem de laatste dagen, bij het gevoel
-dat er iets onaangenaams in de lucht zat, als het ware snippersgewijs door ’t hoofd
-was gegaan. Maar hij werd er boos om en vroeg brusque:
-</p>
-<p>„Wat bedoel je daarmee?”
-</p>
-<p>„Wel niets; maak je niet kwaad. Het is waarachtig zoo aangenaam niet in den dienst!
-Wie fortuin heeft, is wel gek er in te blijven.”
-</p>
-<p>Het was pijnlijk voor den ritmeester. Hij kende dat in het militaire. Had het over
-iets anders geloopen, dan zou er toelichting kunnen volgen, maar op het kiesche punt:
-de eer zijner vrouw, ging dat niet. Er kon en er mocht daarvan geen sprake zijn. Het
-was een onderwerp, waarover <span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span>geen woord mocht gesproken worden, zonder dat hij zijn sabel trok. Toch was het zoo
-hard, heen te gaan! Hij had den dienst met al het onaangename er aan verbonden, zoo
-lief!
-</p>
-<p>Met groote vaste schreden ging hij heen en wandelde alleen langs stille buitenwegen,
-waar zijn rinkelende sporen op dat uur van den dag het luidst gerucht waren. Ja, het
-moest toch maar gebeuren! Hij had de gezichten gezien en hij wist dat nu. Strijd er
-over had hij niet; hij besloot dadelijk en vast, maar hij had tijd en beweging noodig
-om „er over heen” te komen.
-</p>
-<p>Thuis vond hij de Fourniers, en het gesprek liep weer in alle levendigheid over die
-geschiedenis met Van Leeuwendaal, die, vond Hortense, zoo goed was afgeloopen.
-</p>
-<p>„Maar papa is er erg ziek van.”
-</p>
-<p>„Och kom,” zei Fournier, die altijd veel van den dokter had gehouden. „Wij zullen
-eens naar hem gaan zien!”
-</p>
-<p>„Het is ook hier,” zei Hortense met een droevig lachje, „onze afscheidsvisite.”
-</p>
-<p>Riquelle wist het en terwijl zij spraken over de reis naar Indië, zei hij als langs
-zijn neus weg:
-</p>
-<p>„Wij zullen hier ook niet zoo heel lang blijven. Ik denk mijn ontslag te nemen, en
-dan gaan we, als Louise ’t goed vindt, voor een poosje naar Italië.”
-</p>
-<p>Louise klemde de lippen opeen, zoodat haar mondje een messnee leek over haar gezicht;
-zij kon geen woord spreken, het had haar geweldig aangepakt, zij wist wat dat offer
-hem kostte en hoe kiesch ’t van hem was het zóó te behandelen, als de meest gewone
-zaak. Hortense begreep het <span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span>ook, en toen ze met Fournier na een afscheid onder zenuwachtige handdrukken en harde
-kussen, in hun rijtuig zat, schudde zij met de oude peinzende langzaamheid haar ernstig
-blond hoofd.
-</p>
-<p>„Zij is een zonderling schepsel, Gérard. Die Van Leeuwendaal, jij, papa, Riquelle.…”
-</p>
-<p>„Beste Stance,” riep Fournier met meer drukte dan noodig was, „zeg toch zulke dwaze
-dingen niet!”
-</p>
-<p>Voor het huis van den dokter sprong hij uit het rijtuig en schelde. Ook Hortense stapte
-uit. Zij moesten lang wachten en Fournier werd ongeduldig.
-</p>
-<p>„Meneer thuis?” vroeg hij boos, toen eindelijk de deur openging en terwijl beiden
-reeds de gang instapten, omdat ze wel wisten dat „meneer” nu niet uit was.
-</p>
-<p>Maar de meid zei, met bewogen stem en tranen in de oogen:
-</p>
-<p>„De ouwe heer is daar net met een harde koorts de eeuwigheid ingegaan.”
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e467">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e467src">1</a></span> Willemstraat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e467src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e470">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e470src">2</a></span> De vele straten met Indische namen in het N.-W. gedeelte van Den Haag.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e470src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Indische Menschen in Holland: Oorspronkelijke roman</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Paulus Adrianus Daum (1850–1898)</td>
-<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/167261/</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Aanmaakdatum bestand:</b></td>
-<td>2022-09-15 18:48:49 UTC</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1890</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2022-09-14 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e308">17</a>, <a class="pageref" href="#xd31e311">17</a></td>
-<td class="width40 bottom">seurde</td>
-<td class="width40 bottom">zeurde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e322">18</a></td>
-<td class="width40 bottom">der</td>
-<td class="width40 bottom">de</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e407">24</a></td>
-<td class="width40 bottom">Velten</td>
-<td class="width40 bottom">Velton</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e559">32</a></td>
-<td class="width40 bottom">stondt</td>
-<td class="width40 bottom">stond</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e760">43</a></td>
-<td class="width40 bottom">Henriette</td>
-<td class="width40 bottom">Henriëtte</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e908">52</a></td>
-<td class="width40 bottom">arbid</td>
-<td class="width40 bottom">arbeid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e960">55</a></td>
-<td class="width40 bottom">Seur</td>
-<td class="width40 bottom">Zeur</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e992">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">dat</td>
-<td class="width40 bottom">dan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1060">62</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1475">90</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1974">119</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2914">178</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1229">76</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ostende</td>
-<td class="width40 bottom">Oostende</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1237">76</a></td>
-<td class="width40 bottom">ritmeeester</td>
-<td class="width40 bottom">ritmeester</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1411">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3207">196</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3553">215</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4510">277</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1497">91</a></td>
-<td class="width40 bottom">zij</td>
-<td class="width40 bottom">zei</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1539">93</a></td>
-<td class="width40 bottom">Louise</td>
-<td class="width40 bottom">Hortense</td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1647">101</a></td>
-<td class="width40 bottom">behoorlijkheden</td>
-<td class="width40 bottom">bekoorlijkheden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1752">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">contant</td>
-<td class="width40 bottom">constant</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1919">115</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4433">272</a></td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1921">115</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ca</td>
-<td class="width40 bottom">Ça</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1937">115</a></td>
-<td class="width40 bottom">tétails</td>
-<td class="width40 bottom">détails</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2014">121</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4194">258</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2110">128</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2117">128</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nellie</td>
-<td class="width40 bottom">Nelly</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2266">139</a></td>
-<td class="width40 bottom">hij</td>
-<td class="width40 bottom">Hij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2433">149</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3336">204</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2511">154</a></td>
-<td class="width40 bottom">geseur</td>
-<td class="width40 bottom">gezeur</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3239">198</a></td>
-<td class="width40 bottom">dan</td>
-<td class="width40 bottom">dat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3809">229</a></td>
-<td class="width40 bottom">vrijgoed</td>
-<td class="width40 bottom">vrij goed</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3873">234</a></td>
-<td class="width40 bottom">Stralen’s</td>
-<td class="width40 bottom">Stralens</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3907">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">schoonsteentjes</td>
-<td class="width40 bottom">schoorsteentjes</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4192">258</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-</html>
diff --git a/old/68993-h/images/new-cover.jpg b/old/68993-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 419cd05..0000000
--- a/old/68993-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68993-h/images/titlepage.png b/old/68993-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 1974b53..0000000
--- a/old/68993-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ