diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-21 19:13:25 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-21 19:13:25 -0800 |
| commit | 4d9f398a44737de94abf3de31a0eae144cd4d973 (patch) | |
| tree | 4acf603f815eeaed00d9002dfe08003d79c4e09f /old/68381-0.txt | |
| parent | 750bf44fc7ae048e1b45fbb220351aa33cc19808 (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/68381-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/68381-0.txt | 8881 |
1 files changed, 0 insertions, 8881 deletions
diff --git a/old/68381-0.txt b/old/68381-0.txt deleted file mode 100644 index 968ab2c..0000000 --- a/old/68381-0.txt +++ /dev/null @@ -1,8881 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Heilige Banden, by Abraham Anthony -Fokker - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Heilige Banden - Roman - -Author: Abraham Anthony Fokker - -Release Date: June 23, 2022 [eBook #68381] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - (Prepared from scans kindly made available by the - Koninklijke Bibliotheek, The Hague) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HEILIGE BANDEN *** - - - - - HEILIGE BANDEN - - ROMAN - VAN - A. A. FOKKER - (KARAMATI) - - - UITGEGEVEN IN 1903 DOOR - C. A. J. VAN DISHOECK TE BUSSUM. - - - - - - - - -I. - - -Paula stond op van haar stoeltje in de studeerkamer van haar man. Ze -had er met hem koffie gedronken, zooals ze dat gewoon waren sinds -jaren, na den eten. Hij had intusschen wat zitten bladeren in een oud -manuscript, een bijna vergeten stuk werk uit een portefeuille met half -voltooide of afgekeurde opstellen, die hij toevallig weer in handen -gekregen had. Nu en dan hadden ze een woord gewisseld. Zij had zich -verveeld. - -„Kom, ik ga ’s naar Louise. Ik moet haar kindje eens zien,” zeide zij, -trad op hem toe, en gaf hem een tikje tegen de wang. - -„Blijf je lang uit?” vroeg hij, op eens geheel aandacht. - -Ze lachte even. Ze wist dat hij haar vooral ’s avonds moeilijk missen -kon. - -„O, nee, een oogenblik. Ik ben terug vóor de thee; maak je maar niet -ongerust. Daag!” - -„Goed, goed, tot straks!” - -Weg was ze. - -Hij keek haar na, en bleef staren naar de deur waardoor ze heen was -gegaan. - -Ze waren dertien jaar getrouwd, en nòg was hij verliefd. Hij begreep -het soms zelf niet.... Hij, de ernstige man van studie, reeds de -veertig voorbij, nog verliefd als in de eerste dagen van hun huwelijk! - -’t Was hem nu weer duidelijk op dat oogenblik: die vrouw was een -element in zijn leven dat hij niet missen kon. Hij kon zich het leven -niet buiten haar denken, zij was hem dierbaar en onontbeerlijk als het -licht zijner oogen. Neen, meer nog; want blind zou hij nog aan ’t leven -hechten, zonder zijn Paula scheen het hem waardeloos. En zij had hem -immers lief, het bekoorlijke vrouwtje dat zijn bestaan doorzonde. - -Ondanks haar vier-en-dertig jaren was ze altijd even aantrekkelijk voor -hem. Hij kende geen gebaar van haar, geen houding, geen stemgeluid, dat -hem ooit mishaagd had, en haar schoonheid was hem telkens en telkens -weer een bron van nieuw genot. - -Droomerig staarde hij vóor zich uit, half omgedraaid in de -bureau-stoel. Haar beeld was nog niet weggewischt van zijn geest: hij -zag haar nog, zooals ze, bevallig als altijd, met een beminnelijk -lachje weggewipt was, luchtig als een vogeltje, en toch met volkomen -zelfbewuste bewegingen. - -Hij was toch een zondagskind! Hij.... zoo’n vrouwtje!.... En hij dacht -aan al de moeilijkheden die indertijd hun huwelijk in de weg hadden -gestaan, haar aanvankelijke tegenzin, zijn aanhouden. En thans, ná -zooveel jaren nog geluk.... Hij was vader, sinds het tweede jaar van -hun echt, en het nieuwe geluk had zich naast het oude gesteld, had het -aangevuld en verhoogd, zonder het in ’t minst te verdringen. Hun -eenigst kind was een meisje van elf jaar, en zijn verlangen naar een -zoon was na korte vervulling—’t ventje was nu vijf jaar geleden na -dertien maanden levens gestorven—verder onbevredigd gebleven. Ander -verdriet had hij nooit gekend, en ’t gemeenschappelijk leed had man en -vrouw immers dichter bijeen gebracht, als dat mogelijk was.... O, geen -twijfel: hij was gelukkig. Hij.... En ’t kwam hem voor de zooveelste -maal vóor de geest, hoe weinig aantrekkelijk hij als man wel moest -wezen. Hij was ernstig en in zich zelf gekeerd, een man van studie en -huiselijke neigingen, en .... waarlijk geen verschijning om een -vrouwenhart in gloed te zetten. Men moest hem kennen, goed kennen. Ja, -dat wàs ’t: zij kènde hem, en daarom had ze hem lief.... Dat pleitte -voor haar degelijkheid. Ze had best andere, even goede partijen kunnen -doen. ’t Is waar, hij was „knap”, maar de meeste vrouwen hebben dat -woord, op een man toegepast, liever in de andere beteekenis. Hij was -professor op zijn acht-en-twintigste jaar, en had wat geld. Doch wat -zou dat? Paula had hem zeker niet daarom genomen, al waren haar ouders -vrij onbemiddeld; zij de gevierde, mooie, geestige Paula Lindes. - -De bureau-stoel kraakte. Larsen’s blik dwaalde naar de andere zijde van -’t ruime studeervertrek. Daar stond Paula’s schrijftafeltje. ’t Paste -eigenlijk niet in de strenge eenvoud der omgeving: ’t stond daar als -het beeld van haar losse gratie tegenover de ietwat logge ernst van -zijn wezen. Zij had het meubeltje boven laten brengen uit haar -„pruilkamertje”, voor de gezelligheid, om meer bij hem te zijn, zooals -ze zeide. - -Als onwillekeurig aangetrokken, richtte Larsen zich op, en ging naar -het schrijftafeltje toe. - -O, er was niets bizonders aan te zien. Hij had het honderd malen -gezien. Zij had er in zijn bijzijn nu reeds tientallen geurige briefjes -aan vriendinnen en verwanten aan zitten afpennen, haar werk slechts -afbrekend om nu en dan guitig op te kijken, en hem, quasi ruw, toe te -roepen: - -„Zeg’s, geleerde, slepen met twee e’s of met éen? Kom, gauw ’s wat!” of -iets dergelijks. - -Ze had immers ook geen geheimen voor hem.... Aan ’t tafeltje was niets -bizonders, evenmin als aan de inhoud der laadjes. Hij kende al haar -brieven. Hij keek ze voor haar na, steeds. Bij al haar ontwikkeling had -de spelling van haar moedertaal haar steeds moeilijkheden in de weg -gelegd. Ze vond die „stupide”, en „kon er geen touw aan vastknoopen”. -Ze was te levendig, ongedurig, zenuwachtig, om ooit de ingewikkelde -regels onzer orthografie behoorlijk uit een te houden. En op -„Kollewijnsche” manier te spellen vond ze te „burgerlijk” of -„kruidenierachtig”, wat bij haar op ’t zelfde neerkwam. - -Wat kon ze ’n brieven schrijven! Zes kleine, geurige, rooskleurige of -roomgetinte velletjes waren in een ommezien vol gekrabbeld. En wat een -hand! Zes regels op een bladzijde. O, hij zag haar zitten, met het -gitzwarte haar in een sierlijke dikke wrong, waarin éen fraaie -haarnaald haar fonkelend knopje vertoonde, de „dolle” haartjes in de -nek, en dan ’t enkele lokje, dat vóor over ’t voorhoofd neerviel, en -telkens met een driftige beweging werd weggetrokken, tusschen twee -vurige adjectieven eener ontboezeming in. Dan haar plotseling zich -omwenden, om een vraag te doen, of naar „hem” te kijken, uit pure -ongedurigheid: de pen balanceerend tusschen wijs- en middenvinger der -linkerhand, de rechterarm languit over de leuning van haar stoeltje -geslagen, met groote, kinderlijk open blik en iets sterk verwachtends -in de oogopslag als van een paardrijdster, die zich plotseling -voorbereidt tot een sprong door een hoepel. - -Hij had dikwijls opgezien van zijn werk, als zij zoo opkeek, de -verliefde „lobbes”, zooals zij hem noemde. En had hij haar dan in -stilte gadegeslagen, wanneer ze half omgewend in gepeins zat met de -saamgeknepen lipjes, waarboven ’t fijne zwarte dons zoo aardig uitkwam. -Soms had ze hem betrapt en, bruusk als altijd, had ze hem toegeroepen: - -„Hei daar, ouwe jonge, eet me niet op met je oogen! Schaam je wat. Ga -aan je werk.” En met een ruk zette zij zich dan weer aan haar brief, om -voort te kriewelen in ritselende vaart. - -Larsen zat voor het schrijftafeltje. - -Waarom lustte het hem op dat oogenblik de laadjes open te trekken, éen -voor éen, en er de bundeltjes veelkleurige brieven en briefjes uit te -nemen? Om ze te lezen? Och, hij kende ze immers alle! Geleuter en -gebabbel van vrouwtjes, overdreven uitingen van vriendschap, van -verveling of ergernis, van vreugdetjes of smartjes van meest -onbeduidende vrouwenleventjes! Om de geur in te ademen die Paula binnen -haar fijne bewegelijke neusvleugeltjes liet dringen, om aan te raken -wat haar poezele vingertjes betast hadden, om in dwaas verliefd doen te -grasduinen in een atmosfeer van haar wezen.... - -Droomerig nam hij pakje voor pakje uit de laadjes en legde ze weer -neer, ordelijk, zooals ze gelegen hadden. Enkele losse brieven keek hij -even in, nauw glimlachend nu en dan bij een woord, dat hij las—„lieve -zoete Paulepoetje”: dat was van Louise, een brief van huis geschreven -door Louise, toen ze haar zielsvriendin de eerste roes van ’t komend -moederschap meedeelde—„doe mijn uitbundige groeten aan je beminde -zooltreder of huisband”: dit was van Margot, die hem altijd op zoo’n -vervelende manier „in ’t ootje” wilde nemen, en steeds meende daarin te -slagen—och, hij gunde haar ’t genoegen: ze moest haar aardigheden met -alle geweld luchten—en zoo ging het voort. Een enkel halfvoltooid -briefje van Paula zelf, later afgekeurd: „Och, help me, red me, verlos -me uit deze zee van verveling, die me overstelpt en verzwelgt! En mijn -man, die zoo geleerd is en zoo degelijk en zoo ernstig! Kom bij ons -eten: je moet, versta je? en vandaag nog....” Wat had hij er om -gelachen indertijd, en juist dit had haar ontwapend en haar van ’t -zenden van ’t schriftuur doen afzien. - -Een dwaas vrouwtje! En toch: hij wenschte haar zich niet anders. Zijn -Paula was een geheel van dwaasheden en lieve eigenschappen, die hij -zich niet anders denken kon. Hij had zich geen moeite gegeven haar te -leiden. Trouwens, had hij ’t gekund? Kon een man als hij een vrouw -leiden? Hij lachte zelf om ’t idee. Wat schaadden hem haar kleine -onvolkomenheden! ’t Is waar, in de dertien jaar van hun huwelijk was -zijn kapitaal tot op de helft geslonken, maar wat zou dat nog? Hij had -immers nog voldoende, en nu was zijn traktement toch groot genoeg om -bijna toe te komen. Anderen betaalden hun geluk wel duurder—of wat ze -voor geluk aanzagen. - -Een merkwaardig archiefje, dat van zijn vrouw.... Waarom hield ze die -brieven alle bij elkaar? ’t Was toch alles, of grootendeels althans, -nullig... Ja, maar ’t waren trouwe afdrukken van echt-vrouwelijk leven, -’t was natuur, al deed de weelderigheid aan tropische plantengroei -denken; en uit alles steeg de bedwelming der elegante vrouw, als de -geur eener grillige orchidee. - -Aanbiddelijk, verrukkelijk, ondanks haar grilligheid, neen òm haar -grilligheid. Want was ze niet edel en beminnelijk, bij al haar kleine -tekortkomingen, niet ontoegankelijk voor ontheiliging als de bloem der -diepe wouden, die slechts geurt en bloeit voor de gelukkige die haar -vindt. Hij was die gelukkige. Hij was zoo zeker van zijn bezit, dat hij -nooit jaloezie voelde bij al haar behaagzieke streekjes en -aanstellerijtjes—hij kende ze, hij vond ze „lief”, o, „ergerlijk lief”, -zooals hij ’t vaak noemde—hij was zóo overtuigd van de degelijke -grondslag van haar karakter, dat hij bijna nooit boos werd om haar -driftbuitjes, die nu en dan voorkwamen; hij lachte er om op goedige, -lobbesachtige wijze. Dan vond ze hem „stupide”, en ook dit vond hij -vermakelijk... - -Larsen had de beide laadjes doorsnuffeld, en schoof ze nu met kracht -dicht. - -Links van ’t bureautje hing een spiegel. Onwillekeurig viel zijn oog op -zijn beeld, ’t Gebeurde niet vaak, dat hij in een spiegel keek, en de -tegenstelling met Paula trof hem als iets grappigs. Hij zag zijn door -’t vele lezen en schrijven ietwat gekromde gestalte, zijn dun haar aan -de slapen, het hoog voorhoofd, de borstelige wenkbrauwen—rood! evenals -zijn baard en snor—zijn eenigszins breede neus, de vrij groote mond, -als wegschuilend in ’t overvloedige baardhaar met de dunne op elkaar -geknepen lippen met een trekje van goedige ironie, zijn moede blauwe -oogen; ’t geheel wel forsch en mannelijk, maar hoekig en onbeholpen! -Hij had iets van een beer, een „zooltreder”, zooals de would-be -geestige Margot hem noemde: niet daarom alleen, maar ook omdat hij op -zijn gemak gesteld was als alle geleerden, en thuis meestal op -pantoffels liep. Hij zag ook de onberispelijkheid van zijn -linnengoed—haar zorg, ondanks al zijn protesten!—de strik van zijn -zwarte das—door haar gelegd! Nee, zeker, hij was niet terugstootend of -onaangenaam.... maar toch welk een contrast tusschen die beiden! Hij -glimlachte, kalm voldaan over zijn geluk, en wendde zich om. - -Daar viel zijn blik op een wit stuk papier onder ’t bureautje van zijn -vrouw. O, hij had bij ’t dichtschuiven der lade een briefje er uit -laten vallen. ’t Had tusschen tafel en lade beklemd gezeten. - -Hij raapte ’t op. ’t Was in elkaar gevouwen, en hij opende het, als -ongedachtig. ’t Was een oude brief, reeds geel geworden. - -De inhoud boeide hem onmiddellijk op onweerstaanbare wijze. Hij zette -zich weer op de stoel vóor ’t bureautje, boog zich voorover, en steunde -het hoofd op éen arm. - -’t Papier ontgleed aan zijn vingers, en viel op de grond. - -Wat stond er eigenlijk? ’t Schemerde hem vóor de oogen en hij beefde. -Zenuwachtig bukte hij zich, en hervatte de lectuur, ontdaan, een ander -mensch dan te voren. - -Dan liet hij ’t vóor zich vallen, boog geheel voorover, de beide handen -krampachtig aan ’t hoofd gedrukt. - -„Mijn God, mijn God!” kermde hij. - -Hij was geen man van hevige gemoedsuitingen. Zijn zielsleven was tot -dusverre zoo kalm, zoo vredig en ongestoord geweest; en al wat daar in -zijn binnenste omging kwam zoo zelden aan de oppervlakte. In zijn -oogenblikken van hoogste intimiteit bleef hij schijnbaar onbewogen. -Toch was zijn gevoeligheid groot, zijn ontvankelijkheid voor indrukken -fijn ontwikkeld. Wat anderen koud liet deed hem vaak pijnlijk aan, wat -anderen onverschillig voorbijgingen was hem dikwijls genot. Hij voelde -diep, al uitte hij weinig. Vereering was daarom bij hem verafgoding, -liefde aanbidding. Zijn liefde voor Paula was hem heiliger dan het -heiligste, samenhangend en innig verbonden met de edelste aandoeningen -zijner ziel, neen, éen daarmee, ’t Geloof in haar was ’t geloof in ’t -schoone en reine. Al was hij ’t zich niet volkomen bewust, hij had de -dichter kunnen nazeggen: - - - Ton nom est ma prière de la nuit et du jour! - - -Paula was wat wuft, wat lichtzinnig, wat dol soms, goed, maar.... ze -was immers rein als een engel, de belichaming van wat aanbiddelijk is -in een vrouw. En die overtuiging had hem gelukkig gemaakt, nu dertien -jaren lang, was zijn kracht geweest en zijn trots... - -Hij zag ze thans vóor zich, die dertien jaren van slechts kort -gestoorde levensvreugde, al de herinneringen doorliepen zijn geest als -een verbijsterende fantasmagorie, scherp omlijnd en voorbij snellend -als een koortsdroom. Hij doorleefde nog eens al die onvergetelijke -gebeurtenissen van zijn huwelijksleven, van ’t oogenblik dat hij Paula -zijn eerste kus gaf, tot nu. En ’t was of thans de reeks afsloot; en ’t -slottafereel der afgerolde jaren week en week terug in zijn -voorstellingsvermogen met wondere snelheid. - -Tusschen nu en straks—nauw vijf minuten!—lag een eeuwigheid voor hem. - -Hij richtte het hoofd op, als verdwaasd. Zijn haren waren verward, hij -staarde rond, wezenloos, zonder gedachte dan deze éene, die hem -waanzinnig maakte: - -„’t Is uit, mijn God, ’t is uit, voor goed!” - -En toch, ’t was ongelooflijk, ’t kon, ’t mocht niet waar zijn. ’t Kon -er niet staan, ’t was een zinsbegoocheling, hij moest gedroomd hebben. - -Wederom greep hij naar de brief, en voor de derde keer las hij de -woorden, die in zijn gemoed brandden met onduldbare smart: - - - Liefste, - - ’t Kan niet langer zoo. Dit leven is mij een hel geworden en ik ga - heen, zooals ik je gezegd heb. O, Paula, hoe kàn je anders van mij - verwachten, hoe kan je van me vergen dat we dat komediespel nog éen - dag langer voortzetten? ’t Is mij onbegrijpelijk, hoe ik het nog - deze maand heb kunnen uithouden. Ons kind te zien en mij te - verheugen in ’t bezit van zulk een schat, ’t pand van onze liefde, - en steeds te huichelen, alsof zijn vadervreugde mij een - verkwikkelijk schouwspel was; aan te zien dat hij, mijn weldoener, - degeen aan wie ik alles te danken heb, zich gelukkig waant, en mij - in zijn hartelijkheid over zijn geluk spreekt in geestdriftige - woorden, alsof ik erin deelen moest; terwijl hij anders zoo - gesloten is tegenover anderen.... o, ’t is mij onmogelijk verder. - Ik kan hem de hand niet meer drukken, en hem in de trouwe oogen - zien, zonder dat mijn geweten mij voor een verrader, een ondankbare - huichelaar scheldt. - - Ik ga naar Indië. Je weet dat ik er hem over gesproken heb, en dat - hij mijn plan goedkeurt. Ik heb hem gezegd dat ik haastig weg - moest, omdat de maatschappij, die mij door zijn tusschenkomst - uitzendt, mijn diensten eerder noodig had dan ik oorspronkelijk - dacht—een plotseling telegram uit Indië—en ik zou na de noodige - besprekingen te Amsterdam, nog eens terugkomen, om afscheid van jou - en Didi te nemen. Ik doe ’t echter niet, en ik zal wel een - uitvlucht vinden, en hem uit Amsterdam schrijven, dat ik tot mijn - grooten spijt niet meer kan terugkomen. - - Draag je smart zoo goed je kunt. En, o Paula, wees goed voor hem. - Tracht hem lief te hebben en mij te vergeten. Ik ben een onwaardige - en hij is zoo goed! Mijn God, als ik denk dat zijn goedheid zóo - vergolden is! - - ’t Ga je goed in je verdere leven. Vergeet mij en mijn liefde. Ik - zal als een man strijden tegen het misdadige gevoel en ’t - overwinnen, om eindelijk na jaren van boete mij waardig te maken, - om hem terug te zien en om vergiffenis te smeeken. - - Rudolf. - - -Weder zonk Larsen’s hoofd neder, en in doffe wanhoop snikte hij ’t uit, -verplet, vernietigd. - - - - - - - - -II. - - -Hij wist zelf niet hoe lang hij zoo wezenloos voorover gelegen had, -toen hij voelde, dat iemand zijn schouder aanraakte. - -Verschrikt keek hij op, als plotseling ontwakend. - -O, ’t was Paula. - -„Wat is er?” vroeg ze verwonderd. Ben je hier in slaap gevallen?.... -Doch spoedig trof haar ’t ontdane zijner gelaatstrekken. Meteen viel -haar blik op de brief vóor hem op ’t bureautje. Ze herkende hem -onmiddellijk. - -God, hoe kwam dat ongelukkige ding hier?! - -Paula begreep in een oogwenk haar toestand, zijn smart; en, hem -kennend, voorzag zij de gevolgen van ’t gebeurde. - -Eén oogenblik stond ze in beraad. Zou ze ontkennen, en er iets op -verzinnen? Hij was lichtgeloovig genoeg, en wie is dat meer dan de -verliefde man eener verleidelijke vrouw? Maar hoe kon dat? De brief was -immers een acte van beschuldiging in optima forma.... Nee, in ’s Hemels -naam: bekennen dan maar, en op zijn gevoel werken. Hij aanbad haar, kon -niet buiten haar, en zou vergeven, als hij maar berouw meende te zien. -In ieder geval moest ze zien hem gunstig te stemmen, alle vijandigheid -te voorkomen; want zoolang dat document in zijn handen was, kon hij -echtscheiding aanvragen op grond van overspel van haar! Mocht het haar -gelukken ’t stuk machtig te worden, wel, dan kon ze immers nog altijd -elke erkenning van schuld loochenen.... - -Zij zou ’t eerst spreken, dadelijk elke uitbarsting van zijn kant -stuiten: - -„O, ik zie ’t,” zei ze zacht. „Je hebt die brief gelezen.... Die -ellendige oude geschiedenis, waar ik zooveel om geleden heb.... waar ik -zooveel nachten van wroeging om doorgebracht heb.... Ik heb God zoolang -om vergiffenis gebeden; maar ’t heeft niet mogen zijn.... De straf -moest eenmaal komen.... O God, o God!” - -En snikkend wierp ze zich voorover op een kleine sofa, die bij ’t -bureautje stond. - -„Dat jij ’t weten moest, weten moest....” ging ze, telkens afbrekend, -voort, „waarom, mijn God, waarom? Jij zoo goed en zoo lief voor mij, -dat jij deze slag hebben moest! ’t Is vreeselijk, vreeselijk.... O, wat -heb ik je lief gekregen na die verschrikkelijke dingen, die er zijn -gebeurd, juist omdat ik voelde hoe onwaardig ik was, dat jij zooveel -van me hieldt.... En nu hoû je niets meer van me.... Nu veracht je -me.... Nu wil je niets, niets meer van je Paula weten.... O, mijn God, -wat ben ik ongelukkig!” - -Ze hield even op, en wachtte. - -Hij zeide niets, verroerde zich niet. Paula’s woorden drongen helder in -zijn ooren als in een levendige droom. ’t Tooneel daar vóor hem, zijn -vroolijke, luchtige Paula, wanhopig schreiend en zichzelf -beschuldigend, leek hem onwerkelijk. De pijnlijke waarheid moest nog -tot hem doordringen. - -Paula ging voort. - -„O, je antwoordt niet.... Je Paula is niets meer in je oogen. Je zult -haar nu wegsturen als een straatmeid....” En weer snikte ze, en woelde -wanhopig heen en weer, terwijl ze het kussen, dat er lag, krampachtig -tegen zich aan drukte. - -Larsen stond op, en trad op haar toe. - -„Paula!” zei hij dof. - -„Willem....” En ze barstte uit, zich neerwerpend vóor zijn voeten: - -„O, mijn God, vergeef me! Willem, vergeef me wat ik misdaan heb. Ik ben -zoo diep, zoo diep rampzalig!” - -„Kom, sta op....” zeide hij. „Ik kan dat niet aanzien. Kom, Paula, wees -kalm. Ga daar zitten.” - -Ze deed het, gedwee, en verborg het gelaat tusschen de handen. - -„Als je berouw oprecht is,” ging Larsen somber voort, „heeft God je de -zonde al lang vergeven. En dan.... hoe zou ik dan mijn vergiffenis -weigeren kunnen?...” - -Met blijde verrassing keek ze op. - -„Je vergeeft me. Och, Willem, is ’t waar?” - -„Mijn kind, wat geeft dat nog? Wat verandert dat aan onze ellende? Ik -kan je vergeven—o, van ganscher harte—maar kan ik ooit vergeten?” - -Hij wendde ’t hoofd af, en zette zich weer op de stoel vóor ’t -bureautje, tegenover haar. - -„O, maar dan vergeef je me ook niet!” riep Paula opnieuw wanhopig uit. -„Dan vergeef je me ook niet!” - -„Dat doe ik wel. Ik voel in mijn hart geen vijandigheid, geen -wraakzucht tegen jou, maar mijn verstand kan me niet wijsmaken dat ik -gedroomd heb, dat ’t gebeurde niet gebeurd is....” - -„En wat dan?” vroeg ze klagelijk. - -„Wat dan? Dat verder samenleven tusschen ons onmogelijk is.” - -Ze antwoordde niet, maar wachtte in spanning, ’t hoofd voorover. - -„Hoe ik ook mijn best deed om goed en lief tegen je te zijn, ik zou ’t -spook.... niet weg kunnen jagen. ’t Zou steeds tusschen jou en mij -staan. En dan de herinnering aan ’t kind.... ik was er zoo gelukkig -mee....” - -Zijn stem stokte. Een dikke traan ontperste zich aan zijn oogen. - -„Nee, Paula, dat zou niet gaan.... Dat zou een marteling wezen voor ons -beiden....” - -„Dus hoû je dan niets, niets meer van je Paula?” - -Weer wilde ze zich op de grond werpen, maar Larsen weerhield haar. - -„Of ik nòg van je houd? Ik weet ’t niet.... Eén ding is zeker: mijn -heilige heeft haar stralenkrans verloren.... Jij was mijn heilige....” -Weer werden zijn oogen vochtig, en hij keek strak vóor zich naar de -grond, zwijgend. - -„Och, Willem,” vleide zij zacht na een poos. - -„Ja?” Hij keek niet op, maar luisterde. - -„Als je wist, als je wist hoe alles gekomen was.... O, ik zal ’t je -zeggen.” - -Hij viel haar in de rede, bruusk: - -„Och, waarom? Ik wil niets weten, niet meer dan wat ik weet. Ik zeg je -immers dat ik je vergeef.... nu al, nu ik het nauwelijks weet. Wat je -me ook vertellen wil, ’t verandert immers niets aan de zaak. Je bent me -ontrouw geweest.... en dat niet alleen, groote God, maar mijn kind, ’t -kind, dat ik voor ’t mijne hield, was van hèm.... van Rudolf!” - -„O, maar ik kan niet uitstaan dat je me verkeerd beoordeelt, je mòet -weten hoe alles gegaan is.... Ik was gek, gek toen ik.... zes jaar -geleden.... deed wat me later.... zulk een wroeging gaf. En ik alleen -was de schuldige, toen.... dat eene oogenblik.... O, laat me je alles -vertellen!” - -„Goed dan,” klonk het lusteloos en mat. - -„Hij was niet de verleider.... ik was ’t die hem ertoe bracht.” - -„Bah, een man!” viel Larsen in. „’t Is een schande voor een man zich te -laten verleiden door een vrouw!” - -„Zeker, zeker, maar ’t is toch een verzachtende omstandigheid.... En -wat mij aangaat.... ik wist niet wat ik deed.... Ik voelde me eenzaam, -verlaten. Jij was steeds in je boeken.... Ik dacht dat je niet meer van -me hieldt....” - -Larsen trok de schouders op. - -„’t Was verbeelding, zeker, dat zie ik nu wel in.... maar toen.... toen -geloofde ik ’t.... en hij—Rudolf—was zoo vriendelijk en zoo -belangstellend, en zoo vol attenties, en zoo altijd om mij heen. Jij -zat in je studeerkamer. En dan zat hij bij mij.... soms tot ’s avonds -laat. Of jij was uit, naar de bibliotheek... Eens op een avond....” - -Larsen maakte een afwerend gebaar. - -„Ik weet heusch niet hoe ’t kwam,” ging Paula hartstochtelijk voort. -„Maar.... ’t was maar eens, net eens....” - -Weer maakte Larsen een gebaar, ditmaal van ongeduld en wrevel, als -wilde hij zeggen: „Alsof dat er iets toe doet!” - -„Ik zeg ’t alleen, omdat ik wil hebben dat je alles begrijpt.... Ik ben -geen slechte vrouw....” Ze snikte en kon bijna niet voortgaan. „Ik bèn -niet slecht.... ’t was een „surprise des sens”.... een dolheid.... een -oogenblik van waanzin.... Niets overdachts.... geen bedrog....” - -„Maar ’t bedrog kwam later,” zei Larsen bitter. - -„Later? Ja, hoe kon ik anders.... En juist dit was mijn straf. Ik moest -je bedriegen, omdat.... omdat....” - -Larsen keek op, een vraag in de oogen. - -„Omdat ik je niet verliezen woû, omdat ik je liefde niet verliezen woû, -omdat ik zooveel van je hield.” - -„O zeker, dat wàs zoo, hoe ongelooflijk ’t je nu ook klinkt. Ik hield -door mijn berouw.... meer van je dan ooit te voren..... Dat wàs zoo, -dat wàs zoo!” - -Weer schreide ze hartstochtelijk. - -„Goed, laat dat zijn,” zei Larsen bedaard, „maak je nu maar niet zoo -naar. De zaak wordt er niet beter door. ’t Gedane is onherstelbaar. En -mijn geluk is toch verwoest.” - -Hij liet het hoofd weer zinken, in doffe smart. - -„Wat bedoel je? Kan ik dan niet meer goed maken wat ik deed toen ik -buiten mezelve was? God, dat kan je niet meenen.... jij zoo goed en -vergevensgezind....” - -„Maar, mijn hemel, begrijp me dan toch! Zoo iets is niet goed te maken. -Jij kunt me niet het geloof teruggeven, mijn geloof in jou, dat ik voor -goed verloren heb.... Dat heeft niets met vergeven of goedheid te -maken.... Ik heb medelijden met je.... veel medelijden. Maar dat jaagt -’t spook van mijn schande en mijn verdriet niet weg!” - -Paula antwoordde niet. Ze zag haar spel verloren, en dit dreef haar -schier tot wanhoop. - -„Mijn God, mijn God,” bracht zij eindelijk uit. „Eisch van me wat je -wil. Ik wil je slavin zijn, boete doen als een ellendige zondares. Ik -zal je je geluk teruggeven. Och, Willem, geloof me, ik zàl ’t je -teruggeven! Maak me niet ellendig. Ik kan niet zonder jou leven.... Een -scheiding zou me doen sterven van verdriet....” - -Ze wist hoe zijn liefde voor haar geweest was: ze geloofde niet dat -zulk een liefde plotseling dood kon wezen. - -Haar lang geoefende kunst om komedie te spelen kwam haar uitstekend te -pas. O, ze zou winnen ten slotte. Hij kon niet buiten haar, en niets -kon hem meer verteederen dan de betuiging van haar liefde voor hem. Ze -had hem daarmee immers reeds zoo dikwijls bekoord. Thans speelde ze -hoog spel: ’t gold haar heele toekomst, haar aanzien als vrouw van de -wereld, ’t voorkómen van een schandaal. - -„Ik zie geen andere uitweg,” antwoordde Larsen en stond op. „Kom Paula, -laat me alleen met mijn ellende. Verder spreken hierover is me nu te -pijnlijk. Laat me in Godsnaam alleen. Wat geeft ’t alles: we kunnen ’t -niet eens worden....” - -Zij zag ’t nuttelooze van verder tegenspreken voor ’t oogenblik in, en -achtte het wijs thans maar toe te geven. O, ze zou hem wel verteederen: -’t moest, ’t moest.... - -En opstaande richtte ze zich naar de deur, met gebogen hoofd en loome -tred. - -Even hield ze op, en keek om. Dan zei ze op bedeesder toon, als een -kind dat knorren gehad heeft: - -„En je thee? Wil je van avond geen thee? Hier boven?” - -„Och, laat maar.” - -Toen ze de deur achter zich gesloten had, zuchtte hij diep, hief de -rechter arm op, liet zijn hand met kracht op zijn dij neervallen, en -schudde ’t hoofd met verwrongen gelaatstrekken. - -Dan verzonk hij in zijn vorig broeden. - - - - - - - - -III. - - -Hoe weinig kenden Larsen en Paula elkander! Hadden ze onmiddellijk na -hun laatste gesprek in elkanders harten kunnen lezen, hoe zouden ze -geschrokken zijn! - -Larsen twijfelde geen oogenblik aan Paula’s oprechtheid, haar innig -berouw. - -Zij dacht het eerst aan haar eigen domheid om die brief te laten -slingeren, en overlegde vrij kalm haar plan: òf hem weer aan zich -binden door liefdevolle onderwerping, door berouwvertoon, door de -bekoring harer lichamelijke aantrekkelijkheid, òf als dat alles niet -baatte—als!—dan hem de brief op de een of andere wijze zien te -ontfutselen: dan was alle bewijs verloren. ’t Kwam geen oogenblik bij -haar op dat Larsen’s edelmoedigheid waarschijnlijk niet gedogen zou van -het bewijsstuk tegen haar gebruik te maken. O, en àls hij dat deed, dan -zou haar houding ook plotseling veranderen, dan zou ze eindelijk het -dwangbuis harer gehuichelde liefde voor hem afwerpen; ’t had haar reeds -zooveel jaren beklemd! Dan zou ze, alleen met hem, alle veinzen laten -varen. Dan was hij haar vijand, haar verklaarde tegenstander; en hoe -dieper hij dàn zijn ellende en machteloosheid voelde, hoe meer -voldoening haar de overwinning zou geven: vóor de rechter zou ze -hardnekkig ontkennen.... - -Haar kind? Och, daarom zou ze ’t niet doen: het te verliezen in -zooverre dat Larsen het krijgen zou, was haar als moeder niet bepaald -ondragelijk. Ze hield van ’t kind, op haar manier, zonder diepte. Zij -behoorde nu eenmaal tot dat soort van vrouwen, bij wie elk gevoel aan -de oppervlakte blijft. Didi was een soort troetelpopje voor haar -geweest, vooral toen ze nog klein was: ’t kind zag er altijd keurig -uit, en in stoffelijke zin ontbrak haar niets. Innige omgang tusschen -moeder en dochter had nooit bestaan, en de liefste indrukken van Didi’s -gemoedsleven dankte ze alle aan haar vader. Deze onderhield zich -ernstig en vriendelijk met haar, stelde belang in al haar kleine -verdrietjes en genoegentjes, haar gelukjes en tegenspoedjes; vermaande -en leerde haar, en was haar zelden vermoeide raadsman en inlichter. Bij -de moeder wist ze al spoedig dat ze voor al wat buiten materieele zorg -ging niet terecht kon. Gezegden als „Och, kind, zeur niet! Jengel zoo -niet! Verveel me niet!” waren haar maar al te wel bekend. Neen, zij zou -Didi weinig missen, en als ze ’t kind maar nu en dan eens zag, zou haar -moederlijke behoefte voldoende bevredigd wezen. Dat was ’t niet; maar -’t verlies van haar waardigheid, haar wereldsch aanzien, en haar -gemakkelijk vrij leven naast een domverliefde, lichtgeloovige, -doodgoede man, ’t verlies van haar naam.... dat was wat anders: die -kans te ontloopen was wat strijd en inspanning waard. Ze besefte zoo -goed dat haar vrijheid van handelen als getrouwde vrouw veel grooter -was, en van harte stemde zij in met die Fransche wereldkenner, die -beweerde dat een kokette vrouw, wil ze ’t goed hebben, getrouwd moet -wezen. En „gescheiden” te zijn! ’t Was een schrikbeeld, waar ze niet -aan denken woû. Wat was een gescheiden vrouw in ’t oog der wereld, ook -al geloofde men aan haar onschuld? Ze wist hoe men er de neus voor -optrok, als droeg zulk een vrouw een schandmerk op ’t voorhoofd. O, -afschuwelijk, akelig.... - -Deze gedachten speelden Paula door ’t hoofd, toen ze met gefronste -wenkbrauwen bezig was beneden in de huiskamer voor de thee te zorgen. -Didi, een slank opgeschoten meisje met mooi zwart afhangend haar en -heldere groote kijkers, zat lusteloos bij de tafel, met een boek vóor -zich. Ze las veel: vaak ook haar eenige troost, waar haar vader zoo -dikwijls ongestoord werken wilde, en haar moeder òf uithuizig, òf aan -haar toilet, òf op andere wijze „bezig” was en „geen tijd” had. - -Het meisje had spoedig gezien dat er wat haperde: Mama was uit haar -humeur, en dan zweeg ze maar. - -De lamp was aan in de smaakvol ingerichte huiskamer. Paula voorzag een -lang samenzijn met Didi, en in de gemoedsstemming waarin zij verkeerde, -hinderde haar het gezelschap. Ze kwam op een inval: Larsen was dol op -zijn dochtertje, dat wist ze, en was nu zeker niet aan ’t werk: ’t kind -zou hem afleiden, zijn teedere gevoelens wakker roepen, hem gunstiger -stemmen ook tegenover de moeder. - -„Kom, Didi, ga maar naar boven, naar vader. Neem je boek mee, als je -wil. Vader werkt nu toch niet.” - -„Vader” en „moeder” waren de door Paula ingevoerde benamingen, waarmee -het kind haar ouders toesprak en over hen sprak: dat was ’t nieuwste. -Bij alle deftige families was dat zoo; want Papa en Mama begon meer en -meer „burgerlijk” te klinken: dat zeiden zoo alle kinderen tegenwoordig -bij bakker en kruidenier. - -’t Kind gehoorzaamde zwijgend. Ze ging graag naar haar vader, en het -bijzijn van haar ontstemde, knorrige moeder had niets om haar te -weerhouden. - -Didi opende zacht de deur der studeerkamer. - -Ze vond haar vader op en neer stappend, met zware tred en gebogen -hoofd. - -Hij zag haar eerst niet. - -„O, kindje!” riep hij opschrikkend, toen ze hem bij een arm nam en -lachend tot hem opkeek. - -Hartstochtelijk nam hij haar om ’t middel, en kuste haar herhaaldelijk. - -Wat had vader toch? Zoo iets deed hij zoo zelden! - -„Ik kom wat bij je zitten, mag dat?” - -Ook het gebruik van „jij en jou” was op Paula’s wensch tusschen kind en -ouders ingevoerd. - -„Zeker, lieveling.” - -Hij trok haar met zich mee naar de sofa, en daar zetten ze zich naast -elkaar neer. - -„Heeft vader ’t niet druk van avond?” vroeg Didi met eigenaardige -stembuiging, waaruit verwondering sprak. - -„Nee, mijn kindje.” - -„En komt moeder ook niet boven thee drinken?” - -„Nee.” - -„Waarom niet? Moeder zei ’t toch van middag aan tafel....” - -„Ze heeft hoofdpijn—ze wil liever alleen zitten.” - -„O,” en ’t lieve ernstige kopje keek peinzend. - -Voor Larsen was de verschijning van zijn innig geliefd kind een ware -lafenis. Zijn heele ziel hing thans aan haar. - -In de verbijstering van zijn plotseling veranderd levenslot had de -gedachte aan wat er van haar worden zou, wanneer het tot een -echtscheiding kwam, hem nog niet verontrust. ’t Was alsof het voor hem -vanzelf sprak dat dan Didi en hij bijeen zouden blijven. Didi was veel -meer zijn kind dan ’t hare, o, veel, veel meer! Ook thans, nu hij haar -weer vóor zich zag, scheen het dat een scheiding nooit tusschen hem en -zijn kind eenige verwijdering zou kunnen brengen: Neen, hij dacht zelfs -niet aan ’t vraagstuk, dat hem later zou kwellen.... - -’t Begon donker te worden op die herfstavond. Om zeven uur was anders -’t licht op in Larsen’s studeerkamer, als hij daar zat, en dat deed hij -meestal. Eerst tegen tien placht hij beneden te komen voor een -„boterhammetje” en een praatje met zijn vrouw. Klokke half twaalf was -bedtijd, waar zelden van afgeweken werd. Paula noemde deze geregelde -leefwijze, die zich bij Larsen in zijn meeste dagelijksche handelingen -openbaarde „een domme machinegang”. Haar levendige natuur hield van -afwisseling en ongestadigheid. - -De zware gordijnen in Larsen’s studeerkamer—donkergroen als ’t heele -meubilair—de stijve rijen donkere boeken langs bijna drie wanden, de -zware stoelen en zijn massieve, groote schrijftafel, alles gaf aan ’t -groote vertrek met zijn vrij lage zoldering iets sombers, en ’t was er -vroeg duister. Slechts Paula’s smaakvol bureautje brak—bij licht—de -ernst dezer werkplaats des geestes. - -Voor Didi had de stilte die er heerschte, bij al die ernst, een groote -aantrekkingskracht. Zij zat er gaarne, en vóor achten was ze er dan ook -dikwijls, soms met, maar liever zonder haar moeder. Larsen babbelde -graag met zijn „kleine meid”, zooals hij haar steeds bleef noemen, -ondanks haar opgeschoten gestalte, die bijna aan zijn schouder reikte, -en, als moeder erbij was, zat zij gewoonlijk stil. - -Nu was ’t wat laat, en vader week van zijn gewoonte af. Ze vond het -vreemd, begreep er niets van. En vader was zoo innig, zoo heel anders -dan gewoonlijk. O ja, ze herinnerde zich goed, dat hij eens, net eens, -heel lang geleden, ook zoo lief—nee teeder, meende ze, want lief was -vader altijd—geweest was: dat was toen ze weer voor ’t eerst haar -ouders mocht omhelzen na de wekenlange afzondering toen ze diphteritis -had. Toen was vader net zoo geweest, ja net zoo. Moeder was dikwijls -bizonder druk met kussen en liefkoozen; maar hoe kwam ’t toch dat ze al -die hartstochtelijke aanhalerij zoo weinig prettig vond, terwijl een -tikje op de wang van vader, of een zoentje op haar voorhoofd van hem, -haar altijd opnieuw aangenaam stemde? Moeder was zoo ongelijk. Soms -beknorde ze haar hevig, zag kort daarna haar overdrijving, soms -onrecht, in, en dan draaide ze ineens om. „Mijn engel, mijn snoes, mijn -alles, mijn beestje, mijn hondje” was ’t dan, en Didi stikte haast -onder een overvloed van kussen en omhelzingen. - -Larsen sloeg zijn arm weer om Didi’s middel, en drukte haar tegen zich -aan. Zij vleide haar donkere kopje tegen zijn schouder, innig gelukkig -en toch vreemd te moede. - -„Wat is er toch, vadertje?” vroeg ze na een oogenblik, niet langer -weerstand kunnende bieden aan haar nieuwsgierigheid. - -Larsen zag niet duidelijk hoe de uitdrukking harer oogen was, toen ze -dat zeide. Anders had hij bespeurd hoe er iets van ondeugende -plaagzucht in lag, vermengd met een beetje bezorgdheid tevens. - -Haar vraag deed hem aan ’t laatste alleen denken, en al de ellende van -eenige oogenblikken te voren overstelpte hem opeens weer. Hij besefte -voor ’t eerst welke schrikkelijke dingen ook zijn vaderhart bedreigden, -wanneer hij en Paula.... - -„Hoe bedoel je dat, kindlief?” vroeg hij op zijn beurt, met moeilijk -bedwongen beving in zijn stem. - -„Dat u van avond zóo is....” Verlegen trok ze haar hoofdje terug. - -„Zoo? Hoe, mijn lieveling?” - -„Zoo.... zoo.... och, hoe zal ik dat zeggen? zoo bizonder lief!” - -Larsen deed alsof hij lachte. O, hij moest zijn droefenis vóor zich -houden.... haar niets laten merken.... Hij was zichzelf zoo weinig -bewust van zijn onmacht tot veinzen. - -„Maar, Didi, is je vader dan niet altijd lief?” - -„Nou ja.... maar zooals van avond toch niet....” - -Weer vleide ze zich tegen hem aan. Hij drukte haar vast aan zich. Hij -worstelde nog een oogenblik tegen de stroom van droeve teederheid, die -zijn gemoed overstelpte met ongekende kracht. Och, hij kòn niet, ’t was -te machtig.... - -Hij antwoordde niet. De duisternis verborg voor Didi’s blikken een -traan, die uit zijn oogen welde. - -Ze werd ongerust: Vader had zeker iets, dat hem verdriet deed. Zou hij -’t voor haar willen weten? Waarom zou ze maar niet ronduit vragen wat -hij had: tegenover haar vader was ze immers nooit terughoudend! - -„Vader,”.... fluisterde ze bijna, met innige vleiing. - -„Kind?” - -O, nu wist ze ’t zeker: vader schreide bijna. - -„Heb je verdriet?” - -Weer geen antwoord dan alleen een krampachtig drukken van haar handje -in zijn hand, achter om haar middel heen. - -„Wil je ’t me niet zeggen, vadertje?” vleide ’t meisje voort, haar -gezicht vlak bij ’t zijne. Ze zag zijn tranen blinken. Haar hartje zwol -van warm medegevoel, van echt vrouwelijke bezorgdheid, van -troostbehoefte. - -„Hou je veel van je vader, mijn kindje?” vroeg hij, niet lettende op -wat ze gezegd had. - -„Natuurlijk, heel veel.... Maar....?” - -„Niets, je moet ’t me alleen oprecht en eerlijk zeggen.” - -„Maar, vader....!” - -„Zou je ’t vreeselijk vinden als.... ik doodging.... of zoo?” - -„Waarom vraagt u toch zulke dingen? Maar ’t spreekt immers van zelf, -dat ik.... dat ik ’t vreeselijk zou vinden. O, vader, ik wil er niet -aan denken....” - -En weer kroop ze dichter op hem, drukte zijn arm, in angstige -verbazing. - -„En moeder?” vroeg Larsen na een oogenblik zwijgens. - -„Of ik van haar hoû? Dat weet u toch ook wel.... Zeker, natuurlijk.... -een kind houdt altijd van zijn moeder....” - -Zij was een oogenblik verlegen, zocht naar woorden. - -’t Verschil in de beide liefdesbetuigingen viel Larsen vreemd op. Zou -’t kind werkelijk zooveel minder van haar moeder houden dan van hem? ’t -Was hem nooit op die wijze klaar geworden, al hadden vage vermoedens -soms zijn vaderlijke eigenliefde gestreeld. - -„Nu?” zeide hij uitvorschend. - -„Ik hoû toch meer van jou, vadertje....” - -„Och, dat zeg je nu maar zoo, omdat je denkt, dat ik verdriet heb....” - -„Och, wel nee.... nee, heusch.... ik hoû meer, veel meer van jou”.... -’t Kwam er vreemd uit, met overtuiging, maar op een toon als ware zij -zelve verbaasd deze verhouding waar te nemen, ’t verschil duidelijk uit -te spreken. Ze had er nooit over nagedacht, al had ze ’t vaak, o zoo -vaak gevoeld.... - -„Maar,” ging ze aarzelend voort, „waarom vraag je dat alles toch? Je -gaat toch niet van me weg.... en je bent toch ook niet ziek, wel?” - -„Goddank niet, mijn lieveling,” antwoordde hij in gedachten verzonken. -„Ik vraag het.... zoo maar.... omdat ik ’t weten wilde.” - -„Och kom! En waarom ben je dan zoo bedroefd?” - -Zijn hart drong tot spreken. Maar hoe kòn hij haar zeggen wat hem die -vragen had ingegeven? Hij verzon een leugentje, blij dat het vrijwel -geheel donker in de kamer was, en zij de uitdrukking van zijn gezicht -niet kon zien. - -„Ik denk aan klein broertje....” zeide hij. - -Er was een kern van waarheid in de uitvlucht. - -„O,” zei Didi, en zweeg even. Ze drukte weer zijn arm, en, bijna -fluisterend: „Arm vadertje....” - -Toch was haar groote onrust eenigermate bedaard. Iets bleef bij haar -hangen: de opgegeven reden scheen haar niet bevredigend. - -En hij, meenend nog iets te moeten zeggen, liet volgen: - -„Ja, mijn kindje, als ouders zooveel verdriet hebben om een kind dat -sterft.... dan denken ze.... verwachten ze, dat een kind nog grooter -verdriet heeft, als vader of moeder heengaat....” - -Hij zuchtte zwaar en rees op. „Wacht, ik zal de lamp aansteken,” zeide -hij, om iets te zeggen. - -Juist klopte de meid, en bracht twee kopjes thee: ’t groote waaruit hij -placht te drinken en een kleine voor Didi. - -„Zit u nog in ’t donker?” zei de binnentredende verbaasd. „Zal ik even -licht maken?” - -„Goed.” - -Larsen zette zich weer op de sofa. - -„Waar heb je je boek gelegd, Didi?” vroeg hij. „Ik zag je met een boek -binnenkomen....” - -„Hier, vader.” En, verwonderd, trad ze naar het bureautje, waarop ze -haar boek bij ’t binnenkomen had neergelegd. - -„Ga nu wat lezen. Hier heb je je thee.” - -„Goed, vader.” - -’t Kind gehoorzaamde, en liet haar vader aan zijn gepeins over. - -In de stilte, die nu volgde, was ’t of hun gedachten nog gemeenschap -hadden: zij achteloos bij haar boek zittende, lezende zonder goed te -verstaan, dacht aan „vadertje, die verdriet had,” hij aan de schipbreuk -van zijn huiselijk leven. - -O, hij moest en zou spoedig zekerheid hebben. Zou hij misschien toch -afstand moeten doen van ’t samenzijn met zijn kind, en alleen tot die -prijs van Paula kunnen scheiden? Maar dat zou hij niet willen, niet -kunnen dragen.... Dan om ’t kind van scheiding afzien? Een hel in huis -hebben, ook al toonde Paula zich de boetvaardige en berouwvolle.... dat -was even onduldbaar! O, als er geen keuze was dan die, dan zou hij ’t -besterven of krankzinnig worden. Hoe zou hij ’t kunnen aanzien, dat -zijn kind de verwijdering, de onhuichelbare verkoeling zijner liefde -voor haar moeder, opmerkte en eronder leed? Hij zou ’t immers niet -verborgen kunnen houden. En was ’t dat nog maar alleen! En in ’t andere -geval: hoe zou hij in eenzaamheid zijn smart kunnen dragen, zonder zijn -aangebeden kind, thans ’t eenige schepsel ter wereld dat hem zou kunnen -troosten en door haar liefde zijn vreeselijk gemis wat vergoeden? Hij -had niemand buiten haar: zijn ouders waren lang gestorven, hij had geen -broeders of zusters, terwijl zijn schoonmoeder natuurlijk haar partij -zou kiezen. Want die zou immers nooit vernemen, wat de reden hunner -plotselinge scheiding was! Wie wist ervan, wie zou er ooit van weten, -als hij er niet over sprak? Nee, hij zou zwijgen als ’t graf, dan -alleen.... tegen zijn kind. Haar zou hij eenmaal, in later jaren, alles -openbaren. En ook bij haar zou ’t geheim veilig wezen.... En de -rechter? Ook die niet.... Om die reden, om haar ontrouw, mocht hij geen -scheiding vragen. Er was immers wel een andere weg. Welke wist hij niet -recht. O, maar die moest er zijn! Men kon immers echtscheiding krijgen -waar ’t noodig was.... - -In zijn onwetendheid omtrent de burgerlijke wetten op dit punt stelde -hij zich de zaak als vrij gemakkelijk voor. O, ja zeker, er was wel wat -op te vinden, stellig, zeker.... Alleen ’t kind, dat moest hij zeker -weten: daaromtrent was hij nog niet gerust. - -Er kwamen zooveel echtscheidingen voor. Onder zijn kennissen waren er -die zoo iets doorgemaakt hadden. Dat was schijnbaar zoo vlot gegaan. -Zeker niet wegens overspel of iets van dien aard.... - -Larsen’s onbekendheid met de menschelijke maatschappij in haar ruwe -naaktheid, was al even groot als zijn onwetendheid in zake menschelijke -wetten, ondanks zijn veertig jaren en ondanks zijn geleerdheid. Zijn -liefde en zijn studie waren zijn leven geweest, zijn geluk had hem -belet de wereld te leeren kennen zooals die is. Hij was een -zondagskind—in zijn waan, maar dat was voor de gevolgen ’t zelfde—en de -gelukstralen, die hem als ’t ware omgaven, deden hem veel anders zien -dan minder bevoorrechten ’t zagen; hij was door en door goedhartig en -edeldenkend, wars van, vreemd aan alle veinzen, en naar de maatstaf van -zijn eigen wezen beoordeelde hij anderen. Hij had zich in Paula -bedrogen, met wie hij dagelijks, haast uur aan uur verkeerde; hoe -bedroog hij zich in anderen, die hij slechts oppervlakkig kon -waarnemen!.... - -De eenige groote moeilijkheid zag hij in ’t vraagstuk van ’t kind. -Daaromtrent moest hij zoo spoedig mogelijk ingelicht, gerustgesteld -worden. Zijn vriend Van Thiemen zou hem raad kunnen schaffen: dat was -een collega en een goed rechtsgeleerde. Maar hij zag er tegen op juist -een collega voor zoo iets te nemen. Nee, dan liever Cruijt, zijn oude -academie-vriend, club-genoot in zijn studenten-jaren te Utrecht. Die -woonde in Den Haag, en was er een bekend advocaat, die zeker tal van -zulke zaken in handen had gehad. Ja, hem zou hij de zaak toevertrouwen, -dadelijk, zoo spoedig mogelijk. Hij zou maar dadelijk naar Den Haag -gaan, en hem zien te spreken te krijgen. Nog vóor den avond moest hij -gerust wezen, zeker: dat zou hem heel wat ellendige zorg uit het hoofd -nemen. Om kwart over acht ging er een trein.... - -Hij stond op. - -„Zeg, kindje,” zei hij vriendelijk tot Didi: „Ik moet noodzakelijk -uit.” - -Didi sloeg groote, vragende kijkers op. - -„Hè!” antwoordde ze spijtig. „Ga je nu weg?” - -„Ik moet wel. Ga maar beneden bij moeder zitten, of wil je hier -blijven?” - -„Hè ja, een uurtje, en wachten tot je terugkomt.” - -Ouder gewoonte kwam Larsen zijn dochtertje iederen avond, voordat zij -slapen ging „nog ’s goeie nacht zeggen”. Dat wil zeggen dat hij eenige -minuten met het kind babbelde, soms een kwartier lang. ’t Kind was er -zóo aan gewend, dat ze ’t bedpraatje als een recht beschouwde. - -„Over een uur ben ik nog niet terug. Ga maar rustig slapen, als ’t je -tijd is. Ik zal je nu maar goeie nacht zeggen. Nacht, lieveling.” En -hij kuste haar hartelijk en innig. - -„Kom je van-avond niet aan mijn bed?” vroeg Didi schroomvallig. - -„Dat zal niet gaan, vrees ik. ’t Zal wel laat worden....” - -„Mag ik dan opblijven?” - -De dringend vleiende toon van ’t verzoek klonk hem thans zoo pijnlijk. -Welk een kinderlijke teederheid sprak er uit, en hoe smartelijk leek -hem die eene korte scheiding, noodig voor een stap die voor haar lot -beslissend kon wezen! - -„Och, kindje, doe dat maar niet....” - -„Ik blijf toch wakker in mijn bed tot je thuis komt....” ’t Kwam er -pruilend uit. - -Larsen kuste haar nog eens. - -„Nu goed dan, maar ga dan straks bij moeder zitten....” - -Zonder een antwoord af te wachten stapte hij de kamer uit. Een -zonderlinge beklemming maakte zich van hem meester. ’t Was hem alsof -hij zijn kind voor goed ging verlaten.... - -Hij verzette zich daartegen, en sprak zich moed in. ’t Moest nu -eenmaal. ’t Was dwaasheid zoo sentimenteel te zijn.... - -In de huiskamer vond hij Paula in haar gewone leuningstoel. Ze zat met -in elkaar gevouwen handen in gedachten. - -Haar opkijken bij zijn binnenkomen had iets verwilderds en schuws. - -„Ik moet uit....” zei Larsen zenuwachtig. - -Een bang vermoeden sprak haar van onherstelbare stappen, die hij ging -doen voor hun echtscheiding. Ze had van dat scheiden zeer verwarde -voorstellingen, maar zooveel wist zij ervan, dat de vrouw in die zaken -vaak in ’t nadeel was. Zou hij soms nu reeds een advocaat gaan spreken? -Wie? Van Thiemen misschien. Hij was daar zeer wel mee. God, dat mocht -niet, voordat ze nog met hem gesproken had. Hij had haar niet laten -uitspreken in hun eerste stormachtig onderhoud. Ze moest en zou hem van -avond thuis zien te houden; ’t kostte wat het wilde.... - - - - - - - - -IV. - - -Paula stond op, en trad op Larsen toe. Met kinderlijke smeeking in haar -oogen keek ze hem aan: - -„Je gaat Van Thiemen spreken?...,” zei ze aarzelend. - -„Wat zou dat?” - -„Over onze scheiding? En ga je hem nu alles.... alles zeggen?” - -„Nee.... natuurlijk niet, wat noodig is, meer niet.... En niet aan Van -Thiemen: Ik wou naar Den Haag....” - -Ze greep hem bij de hand. - -„Och,” smeekte ze, „stel dat uit! Waarom zoo’n haast? Je kunt immers -morgen gaan....” - -Hij antwoordde niet, met gefronste wenkbrauwen. Haar smeekend dringende -toon deed hem onaangenaam aan. Hij had haar nooit zoo gekend. - -„Kom, ga morgen. Je zult er niet bij verliezen, als je éen dag wacht, -om.... van je slechte vrouw.... af te komen.” - -„Och,” mompelde hij onwillig. - -Toch ging hij zitten, reeds half overgehaald. - -Paula bracht haar zakdoek aan de oogen, en stond te schreien. - -„Doe toch niet zoo dwaas!” riep hij. „Je doet je zelf en mij onnoodig -verdriet aan. De zaak verandert er niet door....” - -„Daarom kan je van-avond nog wel thuis blijven....” - -„Nu goed, ik blijf thuis....” - -„En blijf je dan hier zitten?” - -Zij zette zich weer op haar plaats. - -„Vanavond alleen nog maar.... Nog eens samen met je Paula.... zooals -vroeger....” Ze snikte. - -„Als je redelijk bent....” antwoordde hij onaangenaam te moede. „Maar -ik begrijp niet dat je er op gesteld bent.” - -Paula herstelde zich, en hem met haar groote betraande oogen vol -aanziende: - -„Erop gesteld.... natuurlijk. De laatste maal misschien.... nee, zeker -de laatste maal....” - -Geen antwoord. Larsen verschuift onwillig op zijn stoel, en neemt de -courant op, om zich een houding te geven. - -„Och, je gelooft ook niet dat ik.... nog van je hoû.... nog altijd.... -en meer dan vroeger.... heel veel....” - -Paula’s stem klinkt huilerig, als die van een kind, dat klappen gehad -heeft en beterschap belooft, en wordt afgebroken door snikken. Ze houdt -de blik neergeslagen, de handen lusteloos in haar schoot. - -„Waarom zou ik dat niet gelooven?” zegt Larsen eindelijk zacht en met -groote droefheid. „De zaak wordt er niet beter door. Integendeel....” - -„Woû je dan dat ik niet meer van je hield?” Schuchter slaat ze even de -oogen op. - -„Och.... ’t verdriet zou dan minder groot zijn....” - -„Als we scheiden?” - -„Dat bedoel ik.” ’t Antwoord hindert hem zelf: ’t was niet noodig -geweest. Waarom wilde ze hem dan ook niet begrijpen? - -Als Larsen zich dan quasi in zijn courant verdiept, zwijgt ze eenige -minuten. Dan op eens: - -„Willem....” Paula’s stem klinkt gedempt, zwak. - -Als hij opziet, kijken haar oogen hem wanhopig smeekend aan, drijvend -in tranen. - -„Willem, is ’t nu alles waar?” - -„Wat?” - -„Dat we.... voor goed.... voor altijd van elkaar gaan?” - -„Och.... Paula....” - -„Ja? ’t Kan.... ’t kan immers niet waar wezen. Zeg nu, toe! Je kunt, je -wilt je Paula nog wel vergeven?”.... - -Larsen staat op. Die blik vol angstige smeeking doet hem zeer. ’t -Eeuwig misverstand van vergeven of niet vergeven maakt hem wrevelig, -ten einde raad. - -„Ga je heen?” vraagt ze, en grijpt zijn hand. - -„Ik vin’ dit gesprek.... onmogelijk....” antwoordt hij afwerend. „Ik -kan er verder niets over zeggen....” - -„Och, wees nu maar niet boos. Ik zal zwijgen.... Ga nu maar weer -zitten.” - -Ze begrijpt dat ze van taktiek veranderen moet. Woorden zullen niets -uitrichten voorloopig, hem veeleer minder vatbaar maken voor haar -invloed. Eén kleine overwinning heeft ze behaald: hij is thuis -gebleven. Van nu tot morgen is een heele tijd: een heele nacht ligt -ertusschen, nog uren van gedwongen samenzijn.... - -Zwijgend schenkt ze een kopje thee in, en zet het vóor Larsen neer. -Deze heeft de lectuur hervat, of doet ten minste zoo. Zijn gedachten -dwalen telkens af, verwarren zich. Hij verlangt naar ’t eind van de -avond, naar zijn bed. - -Daar schiet ’t hem te binnen dat hij en Paula in ’t zelfde bed slapen, -ouder gewoonte, al de jaren van hun huwelijk. Zoo iets was nu niet meer -doenlijk, dat begreep hij. Hij zou die nacht in de logeerkamer -doorbrengen. Hoe vreemd tegenover de dienstboden!.... Och, die zouden -toch spoedig op de hoogte zijn van hun breuk. En Didi evenzeer. - -De gedachte aan zijn kind vervult hem met nieuwe droefenis. Ze is boven -in zijn studeerkamer alleen blijven zitten, de lieveling: uit -gehechtheid aan hem, aan alles wat haar aan hem herinnerde. - -Juist trad ze binnen. - -„O,” zei ze met blijde verrassing, haar vader ontwarende. - -„Ben je toch thuisgebleven, Paatje?” - -Larsen streelt haar over de mooie haren. - -„Ja, mijn kindje, ik ben niet gegaan.” - -Als Didi zich gereed maakt om aan tafel te gaan zitten, wendt haar -moeder zich ongeduldig tot haar: - -„’t Is al laat, Didi. Je moet naar bed.” - -„’t Is pas half negen....” protesteert het kind teleurgesteld, en kijkt -haar vader aan, als verwachtte ze hulp vandaar. - -„Dat doet er niet toe. Ga dan van-avond wat vroeger....” - -’t Bijzijn van het kind verveelde haar, dwong haar tot zelfbedwang. -Voor Larsen bood Didi’s naar bed gaan een welkome afleiding. - -„Brengt Paatje me naar bed?” vroeg ’t kind getroost. - -„Je bedoelt, of ik je straks goeie nacht kom zeggen? Ja, goed. Ga nu -maar.” - -Didi gaf haar moeder een kus, die deze onverschillig teruggaf. - -„Kom je gauw?” riep ’t meisje nog aan de deur tot haar vader. - -Larsen knikte, en staarde haar na. - -Paula merkte zijn blik op, en besefte al de teederheid voor zijn kind, -die daaruit sprak. Zij voorzag een bizonder hartelijk samenzijn -tusschen vader en dochter die avond.... Wie weet of hij dan.... - -Toen Larsen, na zijn thee gedronken te hebben, naar boven wilde gaan, -kon ze niet nalaten te zeggen: - -„Willem.... je zegt Didi toch.... niets....?” - -Hij viel haar driftig in de rede: - -„Hoe kan je zoo iets vragen? Geen woord....” - -Hoe weerzinwekkend klonk hem dit wantrouwen! En dan dat gebrek aan -waardigheid, dat zichzelf vernederen tot smeeken en bidden, dat -geschrei.... Hij had haar nog nooit zóo tegenover hem gezien, zijn -vroolijke, overmoedige, luidruchtige Paula! - -Bij het bed van zijn kind gekomen bleef hij afgetrokken, en op al haar -vleiende en aanhalige woorden antwoordde hij slechts met kussen en een -betoon van hartstochtelijke teederheid, zooals ze nooit van hem -ondervonden had. Verbijsterd en onbevredigd op haar vragen, legde ze -zich eindelijk neer: na een gebedje vol innigheid, waarin ze bij ’t -„Onze Vader” slechts aan háar vader dacht. Hij trok de wollen deken -terecht, en kuste haar voor ’t laatst: - -„Lief slapen, lieveling,” zei hij aangedaan. „Denk nu maar alleen aan -prettige dingen....” - -Hij wendde zich af, sloot zacht de deur, en trad de kamer uit. Even -stond hij besluiteloos: dan niet wetende wat hij beter doen kon, -richtte hij zich naar ’t ander einde van de overloop, naar de -logeerkamer. Maar naar bed, dan vermeed hij een pijnlijk tooneel -beneden, wanneer hij straks Paula goede nacht moest zeggen.... - -Met een zware zucht opende hij de deur der kamer. - -Dit was voor ’t eerst in dertien jaar dat hij zonder „goeie nacht” van -zijn vrouw naar bed ging! ’t Was hem als beging hij een zonde, zoo -onbehagelijk deed hem dit onvormelijk afwijken van een dierbare -gewoonte aan. - -Schuw schoof hij in ’t kleine vertrek, kleedde zich haastig uit, en -legde zich neer. Nauwelijks in bed sprong hij op, sloot de deur. Even -viel zijn oog op de spiegel, en hij schrok van zijn beeld: wat een -dwaze uitdrukking van kinderlijke angst las hij op zijn gelaat! - -Aan slapen dacht hij niet. Maar wat zou dat? ’t Bed was de eenige -plaats waar hij zich op dat oogenblik veilig voelde, waar hij -ongestoord de vrije loop aan zijn gedachten laten kon. Dat was hem een -behoefte, hoe pijnlijk ook. - -Met open oogen lag hij achterover. Tevergeefs trachtte hij orde te -brengen in zijn denken: ’t was steeds dezelfde verwarde kringloop, -afmattend, martelend. ’t Was of ’t wezens waren, die zijn eigen wil -ontliepen, die kwamen aanstormen in zijn hersens, daar dol -dooreenraasden, hem weer verlieten, om onmiddellijk daarna terug te -komen in bandelooze wanorde: scheiding—’t hoongelach der wereld—zijn -kind—eenzaamheid, de schrikkelijke leegte in zijn hart—zijn vermoord -geloof in haar—zijn afgod in de modder geworpen—zijn eer—haar -verlatenheid—zijn deernis met haar lot—de onmogelijkheid van herstel, -onmogelijk, onmogelijk—scheiding—eenzaamheid, eenzaamheid—zijn kind.... -O God, hij wilde niet meer denken. En toch, hij moest, hij wilde wél, -hij zocht de zelfmarteling der jagende gedachten, als in wezenlooze -wellust staarde hij zich blind op hun bonte warreling. - -Van beneden klonk muziek, teedere vleiende muziek. Een welbekende stem -zong zacht, zichzelf begeleidend: - - - Lehn deine wang’ an meine wang’, - Dann fliessen die thränen zusammen! - - -In de bijna wezenlooze toestand waarin hij verkeerde, duurde ’t eenige -oogenblikken, voordat hij zich bewust werd vanwaar die tonen klonken, -en zelfs toen het besef tot hem doordrong, dat daar iets ongewoons -geschiedde, was de bekoring van ’t lied te sterk, om zijn afgebeulde -hersens tijd te gunnen tot bewondering. - -Als bij tooverslag verdwenen de spookgestalten uit zijn brein, en een -zachte weemoed overstelpte hem geheel. Hij gaf eraan toe, en ’t was hem -een weelde van droefenis—een heel andere dan de marteling van zooeven. -Tranen welden op in zijn starre oogen. Er was daar niemand die ze -zag.... - -Hij kende dat lied zoo goed. Hoe menigmaal had hij er naar geluisterd -als Paula het op zijn verzoek zong. Ze had een vrij goede stem, -buigzaam en streelend, en hij was met weinig tevreden. Och, hij vroeg -niet naar ’t zuiver artistieke in de zang: voor hem lag in de lieve -voordracht van ’t lied de uitdrukking van een lief vrouwengemoed, van -onbedorven oprecht gevoelsleven. Zijn vereering voor haar was zelden -grooter, nooit inniger dan wanneer hij in stil genieten luisterde naar -haar zang. Haar natuurlijke gratie kwam hierbij uit als in alles wat -zij deed, hartveroverend voor een ieder, bij iedere persoonlijke -aanraking, nijd verwinnend, vermoedens doodend bij de kwaadwilligsten. -En bij hem! Bij hem, die dagelijks, schier ieder uur haar bekoring -voelde, was nooit plaats geweest voor éen kwade gedachte waar ’t zijn -Paula gold! - -Op ’t eene lied volgden andere. Ze waren goed gekozen: alle met het -droefgeestige erin dat op hem altijd zulk een eigenaardig bevredigende -uitwerking gehad had, als ’t klagelijk zingen eener moeder die haar -vermoeid kind in slaap sust. Ook hij was vermoeid, en het zingen deed -zijn reeds vage gedachten allengs vervloeien tot droomen. Hij sliep in, -of althans zijn toestand was die tusschen waken en slapen geworden, -waarin de geest nog vatbaar is voor halve waarneming. Hij was zich nog -bewust dat Paula zong, alleen droomde hij bij haar te zitten in hun -voorkamer, waar ze zoo vaak samen zaten, de laatste uren van den avond, -als Larsen beneden kwam van studie of arbeid. - -En Paula was lieftalliger dan ooit.... Hoe smaakvol zat haar die -peignoir—geel met witte kant—hoe teeder was de uitdrukking dier -fluweelige oogen: ’t was of ze teederheid uitstraalden, over de -toetsen, die haar fijne vingers liefdevol streelden, over het -muziekblad, waar ze de melodie lazen als met kinderlijk vrome aandacht; -over hem nu en dan, als ze even opkeken en een nauw merkbaar lachje hem -dankte en liefkoosde tevens. Hij zat ditmaal vlak bij haar op een poef; -gewoonlijk leunde hij achterover op de sofa in de hoek schuin achter -haar. Nu wilde hij haar niet alleen hóoren, ook haar zien, zich -bedwelmen aan klank, aan vorm en lijn, aan de subtiele geur die van -haar uitging. Ze was mooi die avond, mooier dan ooit te voren, -frisscher, jonger dan op andere avonden. Haar blik had opgewekter -schittering dan de gewone levenslustige glans, het ravenzwarte haar lag -in wilder overmoed en met meer ongekunstelde bevalligheid om haar blank -voorhoofd; de dunne incarnate lippen met de lichte donslijnen hadden -naïever en toch bewuster, overmoediger verlokking in haar even merkbare -uitpuiling in rust, meer vleiing en genotsbesef dan anders in ’t -lachend ontsluiten, om tonen door te laten zóo innig en toch zóo -eenvoudig als welden ze rechtstreeks uit het hart—’t hart van een rein -en dartel kind, dat jubelt in levensvreugde. Haar boezem scheen rijker, -weelderiger, heerlijker van lijn en welving, haar houding in ’t telkens -even accentueeren van de zang harmonieuzer zich parend aan de luchtige -darteling der vingers over ’t klavier. Haar gansche wezen was -bekoorlijker, begeerlijker die avond dan hij haar ooit gekend had—o, -hoe veel intenser wordt bij naturen als de zijne de liefde na jaren van -weten en kennen! - -Larsen had haar nooit zóo liefgehad.... Hij zat daar in extaze, zijn -blik dronk haar beeld.... - -Op eens verstomde de zang. De lieve gestalte wendde zich plotseling tot -hem in een van die bruuste bewegingen en opwellingen die haar eigen -waren. - -Hij voelde haar hand streelend langs zijn voorhoofd, tegen zijn haar. -Hij hoorde haar stem, zacht, zielroerender dan ooit: - -„Willem, je houdt van me als altijd!” - -Larsen zuchtte zwaar, en keek op. - -Paula stond naast zijn bed, half erover heen leunend. - -Ze was binnengekomen, want Larsen had in zijn zenuwachtigheid het slot -slechts half omgedraaid, en toen Paula de knop bewogen had, was het -teruggesprongen. - -Ze had hem slapende gevonden, met een glimlach op de lippen en ’t -oogenblik gunstig geacht om daadwerkelijk zich in zijn droom te mengen, -waarin ze reeds in de verbeelding de hoofdrol speelde: dat vermoedde ze -dadelijk met groote voldoening. - -Larsen bleef haar eenige oogenblikken aankijken. - -Door het eenige venster in ’t kleine vertrek, dat op straat uitkwam, -drong een schemerachtig licht binnen, voldoende om de voorwerpen te -onderscheiden; want Larsen had verzuimd het gordijn neer te laten. - -„Paula,” lispte hij droomerig, eerst half ontwaakt. - -Als eenig antwoord kuste ze hem op ’t voorhoofd, dan op de mond, en -haar kussen waren kort, maar zinverbijsterend vurig. Dan keek ze hem -vlak in de oogen, haar hoofd over ’t zijne gebogen, dat de neerhangende -geurige lokken zijn slapen streelden. Haar blik vroeg niet, maar -eischte begeeren, zelfvergeten, dolle lust. Haar weelderige boezem -hijgde warm tegen zijn borst, omwasemde zijn dommelige zinnen.... - -Hij sloeg zijn armen om haar volle schouders, waar de peignoir -achteloos afgegleden was.... wilde haar tot zich trekken. Doch -plotseling kwam ’t besef, nog vaag, maar onmiddellijk winnend in -kracht. - -Zacht stootte hij haar van zich af. - -„Wat is er? Wat moet dat?” zei hij verward. „Mijn God, Paula, wat wil -je? Hoe kom je hier?” - -Ze keek hem lachend aan, nu rechtop staande, met het volle schijnsel -van ’t venster op haar gestalte; geen spoor van verlegenheid of -verwarring in haar houding, slechts bedroefde verwondering. - -Larsen had zich in zijn bed opgericht. - -„Mag je Paula je niet meer goeie nacht kussen.... voor ’t laatst?” Weer -die kinderlijke vleitoon vol klaging. - -„Paula, doe me genoegen.... ga hier vandaan.... Laat me met rust, wat -ik je bidden mag....” - -Ze greep zijn hand. Hij trok de zijne onwillig terug, bang voor -zichzelf, nog trillend van ’t nauw onderdrukte begeeren. Bij God, hij -mocht niet zwak zijn! Als hij nu zwichtte, zou hij zichzelf minachten. -Sedert dat hij zijn schande kende, was zij zijn vrouw niet meer: alles -moest uit zijn, voor goed, voor goed, of hij moest zich beschouwen als -een eerlooze, die genoegen neemt met zijn vernedering.... - -„Willem, geef me éen kus.... en ik zal heengaan, heusch. Ben ik zoo -laag en gemeen in je oog, dat je me.... geen kus waard acht.... Nu, op -eens.... Je zegt dat je me vergeeft, en nu behandel je me zoo!.... -Dacht je dat ik dat verdragen kon?.... Je gaat heen zonder een woord, -en.... nu van nacht slaap je hier, in een andere kamer.... Onze -scheiding moet nu al beginnen, nu dadelijk al, zonder overgang.... zoo -bruusk mogelijk! Is ’t zoo veel gevergd dat je afscheid van me -neemt....” - -„Onzin,” viel Larsen in. Hij voelde zich hoogst onbehagelijk. De -positie werd met elke minuut onmogelijker. - -„Je weet heel goed dat dat.... zoo niet is”.... ging hij voort, „dat ik -niet van je weg zal gaan.... zonder afscheid.... zonder je ’t.... beste -toe te wenschen dat ik je wenschen kan....” - -Zijn stem stokte hem in de keel. - -„Kom, Paula, wees verstandig, ga nu heen. Hier, ik wensch je een goeie -nacht, hier is mijn hand.... Maar ga nu....” - -Paula greep de haar toegestoken hand met beî de hare, en, weer over ’t -bed leunend, klampte zij zich aan zijn heele arm en leî haar hoofd er -tegen aan. Luid snikkend schokte haar lichaam tegen ’t zijne. - -Larsen keek verbijsterd naar dit beeld van hartstochtelijke smart. Hij -kon ’t niet aanzien. - -Met zacht geweld drong hij Paula van zich. - -„Och, ik kan niet, ik kan zoo niet gaan,” kreet zij. - -Haar haren hingen nu verward, de peignoir was aan de eene schouder -geheel afgegleden, en ontblootte een deel van haar borst. Zijn blik -viel huiverend over haar wilde schoonheid. - -Het geweld dat hij zichzelf aandeed, maakte hem ruwer dan hij had -willen zijn, gaf zijn stem harder klank dan hij erin had willen leggen. -Opspringend zeide hij: - -„Paula, ik meen ’t.... Je kunt hier niet langer wezen. Ga nu heen, in -Gods naam, ga, of.... je maakt me boos....” - -Wezenloos keek ze hem met haar groote vochtige oogen aan, en toen hij -haar omvatte, en haar half voortduwende naar de deur bracht, liet ze -zich leiden als een kind. „Goeie nacht, wees nu bedaard om Gods wil.” - -Ze stond reeds buiten op ’t portaal. - -Buiten zichzelf van verwarde gevoelens—ergernis, medelijden, -verlegenheid—sloot Larsen de deur der logeerkamer tusschen haar en hem, -en wierp zich te bed, dof kreunend. - -Paula, op de half verlichte overloop, stond even stil, verbluft, -vernederd. - -„Idioot,” siste ze met opeengeklemde tanden, en langzaam ging ze de -trap af. - - - - - - - - -V. - - -Mr. Johan Van Thiemen was een paar jaar ouder dan zijn vriend Larsen. -In zijn academie-tijd had deze zich reeds als „groen” bizonder tot hem -aangetrokken gevoeld, en daar „soort, soort zoekt”, was de aantrekking -wederkeerig geweest. Beiden muntten uit door verstandsgaven, ook in die -zin genomen dat ze beiden „verstandig” waren, Larsen zelfs oud voor -zijn jaren. De jonge Van Thiemen had echter, bij alle ernst en alle -degelijkheid van karakter, een gave die zijn vriend vrijwel miste, en -die hem als advocaat later zeer te stade kwam: gemakkelijkheid van -beweging en zekere losse gratie, waardoor zijn talenten veel meer -schitterden dan ’t verborgen goud van Larsen’s eigenschappen. Was Van -Thiemen bemind en bewonderd door wie met hem in aanraking kwam, Larsen -was slechts bemind bij hen die hem goed kenden, en bewonderd—zelden. -Niettemin vonden beiden hun weg tot de professors-katheder, schoon -langs verschillende paden: bij de jurist trok het glansrijke de -aandacht, bij de literator-historicus wekte het sobere, nuchtere, droge -zijner wetenschappelijke uitstekendheid de opmerkzaamheid der vorsten -in ’t rijk van Minerva. En wat eerst genoemde betreft: ook daar buiten. -Want Mr. Johan Van Thiemen was een man van de wereld in de beste zin -van ’t woord, en vond ook „buiten ’t vak” veel waardeering en -bewondering. Wellicht te veel ’t bedorven kindje der toongevende -kringen, al te zeer gezocht door welbedochterde moeders en gevleid door -minzaam-bemoederde dochters, had de schitterende advocaat en later -welbekende hoogleeraar tot nu toe het voorbeeld van zijn vriend Larsen -niet gevolgd: hij was ondanks alles vrijgezel gebleven; en dit niet -omdat hij een afkeer van ’t huwelijk had—o neen—maar uit een zekere -kieskeurigheid en de begrijpelijke vrees voor een algeheele verandering -van levenswijze, die wellicht minder „vrij” en minder „gezellig” zou -wezen dan die welke hij thans smaakte. - -Ook ’t uiterlijk der beide vrienden stond in duidelijk verband met hun -uiteenloopende aard. Was Larsen met zijn zware gestalte, grove -beenderen, rossige baard en blonde haren, met zijn blauwe oogen en -frissche huidskleur het type van een noordling—die hier zijn afkomst -uit een voorouderlijk Noorwegen niet verloochende—Van Thiemen had in -zijn gansche verschijning iets Fransch: zwart glanzend haar, fijn -gekrulde zwarte snor, geen baard, vurige, levendige, geestige -oogen—Paula vond dat die van Larsen vaak „suf” keken—een eenigszins -gebronsde huid en een lenigheid en bewegelijkheid in de slanke, rank en -bevallig gebouwde gestalte. Larsen sprak weinig, en wat hij zeide klonk -nuchter, houterig en stijf soms: hij meende het goed en zeide het -slecht; zijn vriend sprak veel, met een wonderen zwier, met innemende -stemmodulaties: hij meende het goed, maar zeide het nog beter. Dit was -zoo in de wetenschap en dit was zoo daarbuiten. - -Larsen hield veel van zijn vriend, en bewonderde hem op zijn nuchtere -kalme wijze, en ondanks het groote aantal vrienden die Van Thiemen -telde, rekende hij Larsen tot zijn allerbeste. Dit nam niet weg dat hij -er dikwijls genoegen in schiep zijn vernuft te wetten aan de hoekige -kanten van de stoere historicus, en dat deze menigmaal een opmerking -vol tintelende ondeugd moest aanhooren: Larsen’s onhandigheid en zijn -niet altijd verzorgd uiterlijk—hoe kon zijn vrouw daar altijd op -letten!—waren een onuitputtelijke bron voor dergelijke geestspatjes. - -Hiervoor was die Octobermorgen, dat Larsen op de stoep stond vóor ’t -huis van zijn vriend, geen vrees bij hem: hij wist dat diens spot -steeds van onschuldig gehalte was en zeker nimmer in ’t lichtzinnige of -onkiesche oversloeg. ’t Was dan ook met volkomen gerustheid dat hij -aanbelde. O, nu zou hij spoedig tot klaarheid komen, de zaak zou -geregeld worden zoo goed als ’t maar eenigszins kon: Van Thiemen was -een rechtskundig raadsman uit duizenden en—een welgemeend vriend. - -„Zoo zoo, m’n waarde, zien we jou weer’s hier?” riep de laatste -hartelijk, kwam zijn collega in de studeerkamer tegemoet, en reikte hem -de hand. - -Er heerschte tusschen de beide academie-vrienden nog de oude joviale -losse toon—iets echt studentikoos, zooals dat op later jaren tusschen -vrienden maar weinig voorkomt. - -Zwijgend nam Larsen de toegestoken hand aan. - -Nog voordat hij een woord uitgebracht had, vervolgde de ander: - -„Wel kerel, wat is er? Je ziet er lang niet best uit....” - -„Och, slecht geslapen.... en dan....” Larsen hield even op en nam een -stoel. - -„En dan.... wat bedoel je? Heb je iets bizonders? Verdriet. Och kom, -jij verdriet! Zoo’n geluksvogel.... een mooie betrekking, een mooi -fortuintje, een mooi huis, een mooi vrouwtje....” - -Larsen maakte een ongeduldig gebaar. - -„Och,....” en hij zuchtte zwaar; ging niet in op de scherts. - -’t Gelaat van zijn vriend veranderde op eens van uitdrukking, toonde -groote belangstelling. Hij schoof een stoel vlak bij die van Larsen, en -hem op de knie kloppend, zeide hij op geheel andere toon: - -„Ik zie ’t: ’t is mis, m’n brave. Biecht ’s op, wat heb je op je hart? -Je weet, je kunt op mij rekenen.” - -De hartelijke woorden troffen Larsen bizonder op dat oogenblik, en zijn -oogen werden even beneveld. - -Hij schoof eenige malen ongemakkelijk op zijn stoel heen en weer, -streek over zijn ruige baard, met de oogen naar de grond. Dan -opkijkende, zeide hij somber: - -„Een ellendige zaak. Ik wil van mijn vrouw scheiden!” - -„Wat zeg je?” - -„Wat je hoort, ’t Is zoo....” - -„Hoe is dat zoo in eens? Kom, dat meen je immers niet! Dat kàn immers -niet. Jij....” Van Thiemen was bruusk opgestaan, en, eenigszins -wijdbeens, maakte hij een gebaar van verwondering, zijn vriend opnemend -met een blik alsof hij aan zijn verstand twijfelde. - -„Ja, ik,” viel Larsen even somber in. „Ik, die me zoo gelukkig voelde, -nie’ waar?.... ik, die jou altijd ’t huwelijk aanprees, en mijn.... -geluk als voorbeeld gaf....” Hij lachte even bitter. - -„Arme kerel,” zei de ander, en liet zijn arm langs ’t lijf vallen. -„Kom, vertel me ’s gauw hoe dat gekomen is.” - -Larsen aarzelde. - -„Dat gaat lastig.... ’t Is moeilijk, onmogelijk ’t zoo in eens te -zeggen. We kunnen niet overweg....” Hij kleurde. - -„Niet overweg....? Incompatibilité d’humeurs? En....” Van Thiemen -stapte een paar schreden ter zijde, en wendde zich daarna weer om. - -„Ja, zoo iets.... Nu pas ontdekt, zal je zeggen.... Nu ja, laat dat -daar. Een feit is ’t dat we niet langer bij elkaar kunnen blijven.... -Dat is een feit.... Dat kan niet....” - -„’t Kan voorkomen, jawel, jawel. Er zijn gevallen van dien aard, zeker. -Ga voort....” - -„Och, de zaak is dat ik ongerust ben over ’t lot van mijn kind. Ik wou -jouw raad hebben. Hoû ik haar in zoo’n geval?” - -„In zoo’n.... in welk geval?” - -„Als we scheiden....” - -„Hoe bedoel je? Als je niet langer samenleeft. Wel, jij bent de baas -over je kind.... en als je je vrouw onderhoud geeft, kan je met je kind -gaan waar je wil....” - -„Je vat me niet.... Ik bedoel wettelijke scheiding....” - -Weer stapte Van Thiemen een paar schreden de kamer in, en posteerde -zich daarna vlak bij zijn vriend. - -„Wettelijke? Waar denk je aan? Is die noodig?” - -„Ik zou zeggen ja.... Of geloof jij.... Denk jij dat ’t anders kan? Wat -een toestand, gescheiden leven, en wettelijk en tegenover de wereld nog -getrouwd zijn. Nog Meneer en Mevrouw Larsen! En feitelijk.... Nee, -scheiding voor goed, definitief, tegenover de wet en tegenover de -wereld.... Dat is eerlijk, royaal. Dat is zedelijker....” - -„Best, best. Maar, mijn waarde, dat gaat maar zóo niet....” - -„Wat? Er is toch een reden, en.... ik wensch het..... Ik sta erop.” - -„Welke reden?” - -„Dat.... dat.... dat we niet overeenstemmen, niet langer -overeenstemmen.... dat we onmogelijk verder samen leven kunnen....” - -„Is dat alles?” - -„Ja.... zeker.” - -„Phu, man, dat is geen reden!” Van Thiemen stapte weer op, de handen in -de zak stekend en wippend met de panden van zijn huisjasje. - -„Geen reden?” - -„Nee, wis en waarachtig niet.... We zijn niet in Frankrijk.” - -„Maar je kunt toch van elkaar af, als je wil? Beiden of éen van beiden. -Ik bedoel als je ernstig, onherroepelijk wil....” - -„Nee....” - -!? - -Van Thiemen stond weer vóor hem. - -„Je kent de wet blijkbaar niet.... Heb je je burgerlijk wetboek al -opgeslagen?” - -„.... Nee,” stamelde Larsen. - -Van Thiemen ging zitten, sloeg zijn beenen over elkaar, leunde met de -rechter elleboog op de lessenaar bij hem, en strengelde de vingers in -elkaar. - -„Kom, dat ’s ongelooflijk! Ken je de bepalingen niet? Zal ik ze ’s -zeggen? Ik ken ze uit mijn hoofd, natuurlijk. ’t Is trouwens eenvoudig -genoeg.” - -„Nu?” - -„Om echtscheiding te krijgen zooals jij die wilt.... je bedoelt immers -geen scheiding tusschen tafel en bed? Dat is iets anders.” - -„Voor vijf jaar.... om dan daarna nog eens te beslissen, of je voor -goed van elkander wenscht te gaan? Nee.... men doet zoo’n stap, of men -doet hem niet.... Daar heb je geen vijf jaren bedenktijd voor -noodig.... Ik vind dat groote onzin.” - -„Nu, goed, echtscheiding dus. Daarvoor is noodig een van de volgende -redenen: - - - kwaadwillige verlating, - grove mishandeling, - onteerend vonnis, - of echtbreuk van een der partijen.” - - -„En.... wat verder?” viel Larsen ongeduldig in, toen zijn vriend -ophield en hem vragend aankeek. - -„Verder?.... Niets. Er komt niets meer. Dat is alles.” - -„Alles? Maar, mijn God, als nu niets.... van dat alles voorkomt, en je -hebt toch een reden....” - -„Dan kan je niet scheiden.” - -„Maar dat is onmogelijk. Dat is onrechtvaardig. Hemeltergend.” - -„Que voulez vous? ’t Is de wet.” Er was een meewarig lachglimpje op van -Thiemen’s gelaat. Hij streek zijn zijdeachtige zwarte snor op, en keek -naar boven. - -„Dat is idioot!” riep Larsen buiten zichzelven, van verbazing en -verontwaardiging. „Dus.... dus.... moeten twee menschen, die.... niet -samen kunnen blijven.... gedwongen zijn samen voort te leven?” - -„Ze mogen elk afzonderlijk gaan wonen,” zei Van Thiemen kalm. - -„Och, dat weet ik, natuurlijk! Maar ze blijven dan toch man en -vrouw.... zij zijn aan elkaar gekluisterd tegen wil en dank....” - -„Ja, dat is zoo. Daar is nu eenmaal niets aan te doen. Wil je zelf de -wet zien? Hier....” Meteen reikte hij even naar een wetboek boven op -zijn lessenaar, sloeg ’t open, op de tast, zocht even, en stak het zijn -vriend over. „Asjeblief, lees zelf hier: artikel 264. Daar staat ’t -iets uitvoeriger dan ik je gezegd heb.” - -Larsen tuurde in ’t boek met gretige belangstelling. - -„Ja, goed, ik zie ’t.... ’t Staat er,” mompelde hij in zijn baard, nog -eens kijkende, als wilde hij beter lezen en begrijpen. „Ik snap het -niet....” - -„Wat? De wet is toch duidelijk genoeg....” - -„Ik wil zeggen dat ik niet vat hoe die wet zoo bekrompen kàn wezen....” - -„Er is zooveel bekrompens in onze samenleving. De ideeën over ’t -huwelijk behooren tot de achterlijkste.... Maar er komt wel licht zoo -langzamerhand. In Duitschland is ’t niet overeenstemmen der -karakters—incompatibilité d’humeurs—al als reden van echtscheiding -erkend. Sinds 1 Januari 1901....” - -Larsen keek zwijgend vóor zich, voorover geleund, ’t hoofd op de eene -arm, de andere arm slap neerhangend. - -„Overspel staat hier voorop....” mompelde hij als bij zich zelven. „Je -noemde dat ’t laatst.... ’t schijnt hier als ’t ernstigste.... ’t eerst -genoemd te zijn.... En toch de laatste reden waarom je....” - -„Ja,” viel Van Thiemen in. „Die reden wordt in onze stand zelden -aangevoerd.... al bestaat ze in verreweg de meeste....” - -„Zoo,” zei Larsen. - -„Kom, laten we ’s kalm praten,” vervolgde Van Thiemen, en stond weer -op. En een sigarenkistje opnemende, reikte hij dat over. „Kom, niet zoo -somber.” - -Larsen maakte een afwijzend gebaar. - -„Niet? Heusch, mijn waarde, al dat mokken tegen wat nu eenmaal niet -anders kan, geeft niets. Laten we eens kalm praten, en rook een sigaar. -Ik zal je ’s volledig inlichten. Als je de wet zoo leest, begrijp je er -toch niet ’t fijne van.” - -„’t Fijne!!” Werktuigelijk nam Larsen het gebodene, stond op, en ging -tegen de schoorsteenmantel leunen met over elkaar gebogen armen. - -„Nu, ik bedoel de eigenlijke zuivere opvatting. Enfin, daarvoor moet je -jurist zijn. Ofschoon.... jij en anderen mochten er wel wat meer van -weten! Maar dat leer je nu eenmaal niet op de school. ’t Maken van -zwavelwaterstofgas en ’t disconteeren van wissels schijnen op de -middelbare school belangrijker zaken voor ’s menschen geluk. Die moet -je weten.” - -„Nu ja, ter zake. Ga je gang ’s,” viel Larsen in. - -„Laten we ’s beginnen met die mishandeling. Die moet zwaar wezen.” - -„Wie mishandelt zijn vrouw nu zwaar!” - -„Of de vrouw hem.” - -„Nog onzinniger, in onze stand.” - -„’t Leven moet ermee gemoeid zijn.” - -„Krankzinnig! Dus als je je vrouw tart en plaagt, dagelijks scènes -maakt, dat ze wegkwijnt van verdriet....” - -„Of zij jou,” zei Van Thiemen. - -„Goed. In dat geval....” - -„Geen echtscheiding. Ze moet haar ziel in lijdzaamheid bezitten of.... -haar hulp zoeken bij de huisgenooten, als die er zijn.” - -„Fraai! Maar stappen we van die mishandeling af. Die is al te dol. Je -hoeft er geen woord meer van te zeggen. Blijkbaar kent de wetgever hier -alleen physieke behandeling, plompe, beestachtige barbaarschheid van -wilden; moreele mishandeling negeert hij totaal. Bah!” - -„Nee, nog mooier,” ging Van Thiemen voort—„want, zie je, ik ben ’t met -je eens, volkomen, dat die inpikkerij belachelijk is en eigenlijk -onhoudbaar. Maar dat daargelaten, ik wil dit zeggen: physiek nadeel, -dat een van de echtgenooten de ander aandoet, kan een heel leven van -ellende veroorzaken, en toch—geen reden van scheiding zijn! Je snapt -me: denk maar aan „les Avariés”. Een man die niet alleen los, maar -onvoorzichtig los geleefd heeft—een ezel, enfin!—en zijn vrouw een -ziekte bezorgt, waar ze haar heele verdere bestaan door vergald ziet, -kan om die reden niet van vrouwlief gescheiden worden, al woû hij dat -ook zelf!” - -„Behalve als door die mishandeling—want dat is ze!—de dood volgt,” -verklaarde Larsen spottend. - -„Ja juist. En dan, wat die „mishandeling” betreft, dat ’s nu jouw -opvatting. Een slim advocaat kan dat nog wel zóo uitleggen dat ’t geen -„mishandeling” is. Er kan bijvoorbeeld geen „dolus” wezen. De man kan -’t zelf niet weten, of zeggen dat hij ’t niet wist. En dan heb je ’t -doktersgeheim....” - -„Heerlijk,” gromde Larsen. „Ga voort. De andere redenen.” - -„Jawel, die vonnisgeschiedenis. ’t Moet een veroordeeling zijn tot -minstens vier jaar „vrijheidsberooving”, gevangenis laten we maar -zeggen. Let wel vier jaar, of langer. Iemand die wegens diefstal van de -gemeenste soort, straatrooverij of zoo iets drie jaar zitten krijgt, -valt niet in de termen. ’t Huwelijk blijft dan voortbestaan.” - -„En de kinderen, als papa bijvoorbeeld in de gevangenis zit?” - -„Wel die blijven dan bij moeder thuis, maar papa mag ze natuurlijk bij -zich hebben, zooveel als een gevangene bezoek van verwanten hebben -mag.” - -„Een mooi huishouden! Ze mag dus niet in die tusschentijd hertrouwen -met iemand die haar en haar kinderen onderhouden kan, en mag -verhongeren als ze er zelf niet voor zorgen kan. En als ze dat wel kan, -ontvangt ze na die drie jaar haar man weer thuis.” - -„Ja, die heeft dan weer meer ondervinding opgedaan, en kan beter als -opvoeder optreden! Tsh! Dat is nu „de heilige echt”.” Van Thiemen -maakte een hem eigen geluid met de tong tegen de tanden, iets tusschen -sissen en smakken. - -„Je weet,” ging hij voort, en verwisselde de stand zijner over elkaar -geslagen beenen, terwijl hij meditatief wolkjes rook naar boven blies, -„’t Huwelijk is een sacrament.” - -„’t Is waar, je bent Roomsch.” - -„Nou ja. Daar zeg ik het niet om. De pastoor zou op mijn godsdienstige -opvattingen wel wat aan te merken hebben.” - -Larsen glimlachte. - -„Wat ik bedoel is dit: men is oorspronkelijk van dat idee uitgegaan. En -toen men aan ’t huwelijk als iets heiligs en onverbreekbaars ging -tornen—dorst men niet te ver te gaan. Nee, dan vìnd ik dat mijn -geloofsgenooten—hm—gelijk hebben dat ze niets van echtscheiding weten -willen.” - -„Wat?” - -„Ja, natuurlijk. Hun opvatting is ten minste verdedigbaar. Zij zeggen: -’t huwelijk is een goddelijke instelling. Nu, best, dan mag er ook -absoluut niet aan getornd worden. Niets, geen zier. Geloof je daar niet -aan, en zeg je dat het huwelijk een menschelijke instelling is, ook -best, maar regel ’t dan menschelijk. En ga niet modderen, zooals de -wetgever nu gedaan heeft.” - -Larsen knikte nadenkend. Zijn forsche gestalte stond onbewegelijk, -schijnbaar volkomen kalm. - -Wie die twee daar bij elkaar gezien had, zonder te weten wie ze waren, -zou Larsen zeker voor de doceerende gehouden hebben en de ander met -zijn luchtige houding en gebaren voor de onderrichte. Trouwens, de -gansche persoonlijkheid van de jurist verried in ’t minst niet de -professor, even weinig als zijn omgeving. Dat men hier met een -geestelijk hoogstaand man te doen had bleek voldoende: men had zijn -fijne sprekende trekken maar even waar te nemen om dat te bemerken. -Maar van ’t stroeve, droge, nuchtere der gewone Minerva-priesters: geen -spoor. ’t Was alles leven, gloed, losheid en bevalligheid. - -In ’t vertrek ook heerschte allerminst de strenge ernst der studeercel. -Geen wanstaltig groote boekenplanken of rekken ontsierden de wanden: -slechts twee smaakvolle boekenkasten met blauwe gordijnen bevatten ’s -professors bibliotheek. Deze hielden behalve belletrie niets in dan ’t -werkelijk noodige, en—ook zonder zijn boeken was en bleef Van Thiemen -de geniale geleerde, iets dat zoo vaak anders is. Aan ’t effenkleurig -behang—geheel blauw met grijze rand—hingen hier en daar fraaie -staalgravures. Op de schoorsteen stonden enkele kunstvoorwerpen, o. a. -een zeldzaam mooie pendule—een meesterstuk van Fransche kunst. ’t -Tapijt was mollig en frischgetint, de meubelen waren harmonisch -gekozen: alles eikenhout met blauw bekleed en een paar aangename -fauteuils daarbij. Van Thiemen haatte de plompe, met wasdoek -overtrokken stoelen eener gewone studeerkamer, de ongemakkelijkheid tot -deugd verheven, want—zoo zegt men—wie studeert mag niet op zijn gemak -zijn. Hij voelde zich in zijn studeerkamer behagelijk, en om iets te -kunnen tot stand brengen, een onderwerp te leeren beheerschen, een -verhandeling op te stellen, een artikel schitterend te schrijven, moest -hij zich behagelijk voelen: anders vlotte het bij hem niet. Hij moest -in zijn element wezen—een van smaak en opgewektheid—om zijn geest tot -voortbrengen in staat te voelen. Hij was als de nachtegaal, die slechts -in de vrije natuur, de voor hem passende omgeving en omstandigheden, -zijn heerlijke gaven kan uiten. - -Ook de ligging der kamer met het uitzicht op een fraai aangelegde tuin, -waarvan ’t verkwikkend groen ’s zomers in ’t onmiddellijk bereik van de -blik des studeerende was, en de opwekkende geuren vrij de geopende -hooge vensters binnenstroomden, wees erop dat hier de geleerde bewoner -geen sombere blokker wezen kon. - -Larsen was ’t volkomen eens met Van Thiemen’s betoog, en knikte, -verlangend om meer te hooren. - -„Ja ja, ’t is modderen,” hervatte de jurist, en wierp met zekere drift -de asch van zijn sigaar in ’t sierlijke aschbakje naast hem, met een -welsprekend gebaar van ergernis, als smeet hij met die asch een hoop -domheid van zich af. Dan hield hij het hoofd weer achterover, trok -sterk aan zijn sigaar: - -„En zoo is ’t ook met de rest: die anderen—phh!—redenen. Daar heb je de -kwaadwillige verlating. Die moet vijf jaar geduurd hebben. Vijf jaar aan -éen stuk! Ook al weet een van de partijen dat er van terugkomen geen -sprake is—of dat eventueele hereeniging in ’t gezin verre van -wenschelijk is—kan er geen echtscheiding volgen, als man- of vrouwlief -maar binnen de fatale termijn thuiskomt. Soms kan ’t zes of zeven jaar -of nog langer wezen: zie artikel 266 laatste alinea. Nemen we ’s ’t -geval dat de vrouw vulgo er vandoor gaat. Daarna verwisselt ze in de -loop van vier jaar tienmaal van minnaar, deponeert in verschillende -steden van Europa haar onwettige telgjes; dan verkeert ze in nood, -omdat bijvoorbeeld haar aantrekkelijkheids-kapitaal vrijwel verteerd -is, en ze geen aanbidder-onderhouder meer vinden kan, en op een goeien -dag besluit ze tot de huiselijke haard terug te keeren. Haar wettige -kostwinner moet haar dan weer tot zich nemen, en zal natuurlijk in de -meeste gevallen geen scheiding kunnen krijgen, omdat de andere -reden—overspel—onmogelijk te bewijzen is. Daar komt nog bij dat de -meeste mannen—in beschaafde kringen althans—tegen een vordering wegens -overspel opzien. Een mooie, middeleeuwsche ridderlijkheid tegenover „de -zwakke vrouw”, weinig in overeenstemming met de nieuwere opvattingen -van gelijkheid, die de andere sekse tegenwoordig huldigt! Dit tusschen -twee haakjes. Tsh!” Hij wierp een vluchtige blik op de gestalte tegen -de schoorsteen: een ironietje flitste even langs zijn lippen. - -„Hm.... middeleeuwsch, middeleeuwsch.... dat weet ik nog niet,” bromde -Larsen in zijn baard. - -„Stellen we ’s een andere mogelijkheid,” ging Van Thiemen onverstoord -voort. „De man is zeeman. Hij gaat voor drie jaar naar de Oost. Voordat -hij zoo lang weg is, verneemt zijn vrouw uit goede bron dat er nooit -kans is op terugkeer. ’t Ventje heeft zich aan wal gevestigd, heeft een -„wild huishouden” opgezet, is reeds vader over een koffiekleurig -spruitje, en heeft bijvoorbeeld een winstgevend zaakje op touw gezet. -In zoo’n geval beginnen de vijf jaren pas te tellen na de drie jaren -afwezigheid om wettige redenen—zooals hier bijvoorbeeld, omdat de man -als zeeofficier weg mòest. Goed, als nu de edele fortuinzoeker, na wat -overgelegd te hebben, zijn vrouw wil laten overkomen—binnen vijf jaar -na die drie—’t kan wezen dat hij genoeg heeft van zijn linkerhandsche -wederhelft—wel, dan moet zij komen, en hem weer als haar heer en -meester erkennen. En de eventueele kindertjes uit Holland mogen braaf -spelen met hun stiefbroertje, dat dan heel geschikt voor ’n kind van de -tuinbaas kan doorgaan. Of—anders: stel dat de zaakjes van bewuste -pionier der beschaving faliekant uitgaan, en hij ’t beter vindt, -berouwvol en boetvaardig, bij moeder de vrouw terug te komen: als de -vijf „kwaadwillige” jaren maar nog niet om zijn moet zij hem als haar -echtgenoot erkennen. Dan denkt hij evenals de Boeren: „alles zal reg -kom.” Natuurlijk begint dan voor ’t hereende echtpaar een tweede „lune -de miel” vol dichterlijke liefde. Tsh!” - -Van Thiemen blies drie luchtige blauwe rookwolkjes vóor zich uit, -daarna nog twee, die in hun dartel gekringel een uitdrukking schenen te -wezen van ’s rookers smakelijke spot. - -„Hm,” bromde de leunende Wiking-figuur tegen de schoorsteen. - -„’t Aantal „verluchtingen” van dit wetsartikel met levensbeelden kan -vrijwel in ’t oneindige uitgebreid worden,” beweerde de ander weer. -„Maar je zult er wel geen lust in hebben ze van me aan te hooren. Nu -eindelijk de groote reden: echtbreuk. Blijkbaar vindt de wetgever die -de vreeselijkste. Wat mij betreft: ik vind een man die ’s een amoeretje -gehad heeft nog niet zoo’n verachtelijk wezen als iemand die drie jaar -gezeten heeft wegens oneerlijke praktijken of zoo iets. Jij?” - -„Ik weet.... ’t niet,” zei Larsen aarzelend. Hij kon zichzelf moeilijk -voorstellen als betrokken in een „amoeretje.” - -„Ik zeker niet. En als meneer in zoo’n opzichzelfstaand geval gesnapt -wordt, kan zijn wederhelft echtscheiding aanvragen. Tsh!” - -De rookwolkjes waren meditatief langzaam ditmaal. - -Larsen dacht even na, en bracht in ’t midden: - -„Je zegt dat nu zoo, maar vin’ je dat dan niet billijk?” - -„’t Kan er naar zijn. Een amoeretje zooals ik bedoel, iets als een -lapsus moralitatis—fraai Latijn, vin’ je niet?—iets zonder voor- of -naspel, een gevalletje dat ’s voor mag komen in een onbewaakt -oogenblik, en waar de overtreder der huisorde wellicht een half uur -later geduchte spijt van heeft, en dat hij dan niet aan zijn vrouw -vertelt, om de eenvoudige reden dat hij in de grond van haar houdt, -haar geen verdriet wil doen, en—haar liefde niet verliezen wil—nee, -amice, zoo’n gevalletje vind ik nog zoo vreeselijk niet.” - -„Maar je keurt het af?” - -„Och, natuurlijk, evengoed als ik ’t afkeur dat je je stomdronken -drinkt.” - -„Hm. En als je ’t nu ’s omdraait, en de vrouw zoo’n amoeretje heeft, -zooals jij ’t noemt?” - -De geestige oogen van de jurist keken een wijl scherp naar de vrager. -Doch begrijpende dat zijn blik de ander wel onaangenaam zou kunnen -wezen, wierp hij ’t hoofd weer achterover, en deed een paar -fijn-wellustige kustrekjes aan zijn sigaar. - -„Dat ’s een ander geval,” zei hij in dezelfde houding. - -„Maar, hier,” liet hij opeens volgen. „Steek je sigaar weer ’s op. Je -laat ’m uitgaan.” - -Larsen nam de lucifers aan, streek er een af, en volgde de gegeven -raad. Van Thiemen lachte opeens: - -„Kerel, je zet ’m in vlam! Hij is al lang aan.” - -„Maar je zei....” begon Larsen. - -„Dat ’t een heel ander geval is.... een heel ander geval.” - -„Ik kan ’t niet zien: man of vrouw, dat blijft gelijk. De schuld is -even groot.” - -„Phu! Dat zal ik je ’s gauw anders laten zien.” - -Als Van Thiemen in vuur raakte, kon hij niet blijven zitten, vooral -niet wanneer hij veel te zeggen had. En hier gold het een onderwerp -waar hij gaarne op inging. Hij liep even eenige schreden de kamer in, -in de richting van ’t venster, weer met de handen in de zak, en zich -dan schrap zettende vlak tegenover zijn vriend, begon hij: - -„Komaan, jij kent ’t verschil blijkbaar niet tusschen een man en een -vrouw.” - -Larsen keek vreemd. - -„Hè?” - -„Ik bedoel dat jij over ’t hoofd ziet—want je weet ’t natuurlijk even -goed als ik—dat ter zake van sexueele liefde de vrouw een heel ander -wezen is dan de man.” - -„Och!” - -„Nee, wis en drie: heel anders, volstrekt verschillend, hemelsbreed -afwijkend. Voor de vrouw is ’t liefdeleven het leven....” - -„Voor veel vrouwen....” viel Larsen in. - -„Nu ja, over die vrouwen hebben we ’t hier. Ik laat natuurlijk de -ouwevrijsters—vrijwillige of onvrijwillige—buiten rekening. We hebben -’t hier uitsluitend over ’t liefdeleven van gehuwde individuen. Goed, -voor de man is de liefde bij lange niet zoo’n hoofdfactor. Geef je dat -toe?” - -„Hm.... ja, nu goed, neem aan dat ik ’t met je eens ben.” - -„Wel, dat aangenomen, volgt eruit dat iedere liefde-uiting, -liefdedaad—sit venia verbo—van een vrouw grooter beteekenis heeft dan -die van een man. Trouwens, dit is niet te verwonderen. Het moederschap -neemt zoo’n gewìchtige plaats in ’t vrouwelijk bestaan in, dat de -natuur zelf daar als ’t ware alles op berekend heeft: het heele -vrouwelijk gestel, haar gansche lichaamsbouw wijst haar op ’t groote -doel van haar leven: moeder te zijn. Daarom zal ook voor iedere -hoogstaande vrouw iedere sexueele daad er een zijn in nauw verband met -haar zieleleven, evenzeer als met haar lichaamsfunctiën en—groot van -gevolgen zijn. De kus van een kuisch en ontwikkeld meisje is een daad, -’t symbool van een innige zielsberoering. De kus van een man mist die -wijding: het is een van die uitingen van pure zelfzucht die al zijn -liefdedaden kenmerkt, hoe goedbedoeld ze ook wezen mogen. De vrouw die -zich aan een man geeft, geeft daarmee alles. Ik bedoel hier de -beschaafde vrouw, natuurlijk. En de man: die geeft niets, die neemt -zijn genoegen.... Tsh! - -„Wat volgt hieruit?” Van Thiemen, die bij dat alles zijn rechterhand -vooruit had gebracht met uitgespreide vingers, draaide zich na zijn -plofsis op zijn eene hiel om, deed twee schreden, en kwam weer terug. -Larsen had gezwegen. - -„Daaruit volgt dat een getrouwde vrouw die zich aan een ander dan haar -man geeft daarmee een daad van verraad pleegt.... oneindig veel grooter -dan de getrouwde man die zijn genoegen neemt bij een cocotte. - -„Nee, nee, laat me uitpraten.... Vertel jij me ’s even: kan jij je -denken dat een vrouw—een beschaafde, ontwikkelde vrouw natuurlijk—zich -een oogenblik vergeet met een huisknecht?” - -„Nee,” zei Larsen. - -„Zeker, ik ook niet. Dat zou in theorie gelijkstaan met zoo’n amoeretje -van de man, waar ik ’t straks over had. ’t Spreekt van zelf dat ’t nog -wat anders is, als de man een durende hartstocht voelt voor een vrouw, -en daaraan toegeeft: dat is ook verraad. En toch.... Nu ja, laat dat -daar voorloopig.... - -„’t Is niet denkbaar dat een beschaafde vrouw zich overgeeft aan een -man, en de volgende dag als ’t ware ’t heele geval vergeten is.... -Trouwens dat vergeten wordt soms vanzelf onmogelijk. Tsh! Bij een -beschaafd man kan zoo iets zeer goed voorkomen. Zuivere -dierlijkheid.... De man is meer dier dan de vrouw....” - -Larsen’s gelaat was éen vraagteeken. - -„Ja, ja, zeker: dit hangt samen met mijn vrouwenvereering. Ik zeg -daarom niet dat de man lager staat dan de vrouw. Nee, ’t dier heeft ook -z’n goeie eigenschappen. Maar in de liefde.... is de man een beest.... -een braaf beest soms, goed, een trouw beest soms, maar toch een beest; -en de vrouw....” hij hield even op. - -„Een engel, zeg maar,” viel Larsen even glimlachend in. - -„Nee, niet precies, maar toch geeft dat mijn idee wel weer.” - -„Maar,” zei Larsen, „je sprak zoo even van daad van verraad. Als dan -dat liefdeleven voor een vrouw zoo iets gewichtigs en verhevens is, -pleegt ze dan verraad als ze zich in ’t huwelijk aan een ander man -geeft, van wie ze werkelijk houdt?” - -„Ja, beslist.” - -„Maar die liefdedaad is dan toch even heilig in jou oog als die -tegenover haar man? Ze is dan toch een nieuw leven begonnen?” - -„Als de daad alleen kan plaats hebben door bedrog? ’t Is wat moois! Ja, -als een vrouw volkomen eerlijk blijft, dan is in die tweede liefde,—laat -me ’t zoo noemen—geen kwaad. Maar dan moet ze haar man dadelijk ronduit -haar hart blootleggen. Bekennen na eenmaal in bedrog en metterdaad -toegegeven te hebben aan een nieuwe passie, mag beter zijn dan -voortgezet bedrog—bedrog blijft het. En bekennen vóor ’t zoover is—wel, -ik kan me daar eigenlijk niet in denken....” - -„Hoe zoo?” - -„Ik kan me niet begrijpen hoe een beschaafde vrouw in ’t huwelijk, -vooral als er kinderen zijn, aan zulk een nieuwe passie voedsel wil -geven. Mij dunkt, ze moet die uit een gevoel van zelf-respect, van -fierheid bestrijden....” - -„Evenals een man.” - -„Evenals een man, als ’t een passie van beteekenis is. Bij een andere -is geen overleg, geen inbeslagname van alle gedachten.... Nee, amice, -een vrouw, die zich in ’t huwelijk aan een andere man geeft, is.... een -hoer.” - -Larsen huiverde. - -„Dat is sterk,” zei hij. - -„Zeker: een vrouw die ’t hoogste wat ze heeft verlaagt, neerhaalt. Die -van een heilige functie niets dan een genotsbevrediging maakt. Geloof -me, m’n beste, hiermee staat en valt onze heele samenleving. -Vrouwenvereering, eerbied voor ’t moederschap: onmogelijk zonder deze -strenge onderscheiding. Wat hoogvereerd wordt moet streng geoordeeld -worden. Lucifer was de Engel des Lichts, en na zijn val die der -Duisternis. Tegenover hooge vereering—verachting.” - -„Dat is niet oorspronkelijk,” zei Larsen, die zijn literatuur wonderwel -kende. „Dat is een van de dolheden van Echegaray’s drama’s. Maar....” -Hij hield in, en verviel in gepeins. - -Van Thiemen lachte even, tikte zijn stompje sigaar in ’t aschbakje, en -ging weer zitten. - -„En nog iets. De vrouw die haar man bedriegt, werpt een smet op ’t -gezin, brengt de schande in huis.” - -„Woorden, mooiklinkende woorden,” mompelde Larsen. - -„Nee, amice, de nuchtere waarheid. Niet voor niets noemen de Arabieren -hun vrouw hormah, d.i. „eer”, en de Hindoe’s grha, d.i. „huis”. De -vrouw is de eer van ’t gezin, is éen met het gezin, éen met het huis, -de man in veel mindere mate....” - -„Zoo.” - -„Zeker, ondanks al de nieuwerigheid van sommige vrouwenopvattingen. In -’t huwelijk is de hoofdzaak van de vrouw het moederschap, de opvoeding -van de kinderen. Ware samenwerking—coöperatie—in ’t huwelijk is: dat zij -deze taak op zich neemt, de man die van ’t onderhoud. In de coöperatie -is zij ’t voelende, innige, diepe element, hij ’t denkende, -nuchter-leidende. Een vrouw die zich in ’t huwelijk misdraagt, schendt -de gemeenschap, en beleedigt de kinderen, als die er zijn, al was ’t -maar alleen door de kans op ’t binnensmokkelen van een vreemd -liefdepand. De overspelige vrouw verzaakt haar heiligste plicht, ze kan -hierin niet falen zonder de liefde voor haar echtgenoot op te geven, en -als ze de schijn bewaart is ze een gemeene huichelaarster.” - -Larsen zette zijn linkervoet over de rechter, en trok hevig aan zijn -sigaar. - -„Van een man,” ging de ander met een vluchtige blik op zijn vriend -voort, „is ’t mogelijk dat hij zijn vrouw blijft liefhebben ondanks -momentane aberratie....” Hij glimlachte even. „En bekent hij zijn fout, -dan is haar vergiffenis een daad van edelmoedigheid. Een man die, na -bekentenis van haar, vergeeft.... is een lammeling. Zij rijst door zulk -een vergiffenis, hij daalt onherroepelijk....” - -„Vergeven, vergeven,” zei Larsen ongemakkelijk. „Je bedoelt -vergeten....” - -„Nee, vergeven.... ten minste als je daaronder verstaat: doen alsof er -niets gebeurd is, en verder weer gewoon doorleven....” - -„O, zoo.” - -„Daarom vind ik de moraal van „la Petite Paroisse” van Daudet ook -misselijk.” - -„Hm, jawel, ik ken dat,” zei de literator-historicus. „De vergevende -man wordt daar ook voorgesteld als.... als....” - -„Als een vrij geborneerd, dom wezen. Maar,” hervatte Van Thiemen, „we -hebben nog niet gelet op een andere omstandigheid, die ’t verschil in -schuld bij man en vrouw zoo enorm groot maakt. En die omstandigheid zal -blijven zoolang we het patriarchaat in ons familieleven erkennen. De -tijd dat de moeder ’t hoofd van ’t gezin wordt zal wel nooit komen. Dat -zoo iets niet rijmbaar is met hooge beschaving bewijst wel het feit dat -nog maar bij zeer enkele volken het matriarchaat voorkomt. Bij de -dieren is ’t matriarchaat algemeen! Tsh!” - -„Hm, ja, natuurlijk.” - -„Zeker, daar zeg je ’t: natuurlijk. Wat „natuurlijk” is is vaak -onbeschaafd. Beschaving is natuur-correctie. Maar ter zake: de -omstandigheid die ik meen is deze: dat de man als naamgever en -onderhouder per se vader is over de kinderen van zijn vrouw. ’t Is dan -toch billijk, zou ik zeggen, dat hij de zekerheid heeft dat het ook -tevens zijn kinderen zijn; en een hard gelag, dunkt me, om, wanneer hij -’t weet, gedwongen te zijn een andermans kinderen niet alleen zijn naam -te geven, en dus voor de wereld als de zijne te erkennen, maar ze op te -voeden ook. En de wet wil dat.” - -„Nu ja, de wet!” bromde Larsen. - -„Ja, en dat kan nu eenmaal niet anders, Larsen; of althans zeer lastig. -Nu goed, bij een vrouw kan van zulk een smadelijk gedwongen zijn -tegenover haar mans „buitenbezittingen” nooit sprake wezen. Maar, -amice,” ging hij voort, „ons gesprek wordt wel wat lang, en we zijn nog -niet waar we wezen moeten.” - -Hij keek op zijn horloge: „Half twaalf! Wat dunkt je, blijf je -koffiedrinken? Dan kunnen we straks op ons gemak verder praten.” - -„Goed. Stuur dan even een boodschap aan m’n vrouw.” - -„Zeker, zeker.” - - - - - - - - -VI. - - -„Komaan, voel je je wat opgewekter na die koffie?” vroeg Van Thiemen -aan de lunch aan de tegenover hem zittende gast. - -De tafel was keurig van servies, kristal en spijzen. Ook in dit opzicht -was de gastheer epicurist en man van smaak. Hij rekende zich niet tot -hen die eten en drinken onder de bijzaken in ’t leven brengen: hij kwam -er rond voor uit dat een goede maaltijd zijn waarde heeft, en dat hij -er gaarne meer tijd aan besteedde dan de meeste andere harde werkers. -Een hard werker wàs hij er niet minder om. Volgens hem kon geen frisch -brein boven een verwaarloosde of met onverschilligheid verzorgde maag -zetelen. „Men leeft ook om te eten” was een van zijn stelregels. Veel -van ’t ongezonde in denkuitingen, die hij hoorde of las, schreef hij -toe aan minachting voor maageischen, een hebbelijkheid die vooral bij -„intellectueelen” nog al eens voorkomt. - -„Je koffie is goed,” zei Larsen, „beter dan de mijne.” - -„Dat geloof ik graag, deze is met zorg gezet. Koffie- en thee-zetten is -een kunst. Ik drink liever geen van beide als ze slecht gezet zijn. Er -zijn menschen die afschuwelijk vocht drinken, eenvoudig omdat ’t -„koffietijd” of „theetijd” is, en ze te onbenullig zijn om er iets aan -te veranderen. Ze drinken uit gewoonte op een bepaalde tijd van de dag, -als koeien of paarden, zonder genot. Zoo doen ook veel lui met hun -sigaren: pure gewoonte zonder genotsbesef: zes stinkstokken op een dag, -jaar in jaar uit. Tsh!” - -„Maar,” zei Larsen, terwijl hij zijn kopje droomerig neerzette, „we -moeten even terugkomen op die kwestie van zooeven....” - -„Best. Ga je gang.” - -„Ja.... de zaak is nu wat me te doen staat. We kunnen niet scheiden om -een van die redenen. Wat dan?” - -„Je wil met alle geweld?” - -„O, natuurlijk.... ’t Moet....” - -Van Thiemen had willen vragen hoe ’t kwam dat nu op eens die -onvereenigbaarheid van karakters tusschen Larsen en zijn vrouw ontdekt -was, na zooveel jaren van „best opschieten”; maar hij hield zich in: -als Larsen voor den dag woû komen met zijn reden, dan zou hij ’t wel -uit zichzelf doen.... - -„Als je vrouw niet wil.... moet je berusten in ’t onvermijdelijke.” - -„Berusten? Nooit! Onmogelijk, onmogelijk. Maar ze zal wel willen....” - -„In dat geval kan jij je laten beschuldigen van overspel,” zei Van -Thiemen kalmpjes, en keek zijn vriend leuk aan. - -„Zoo, dat ’s ook wat moois! Op de keper beschouwd toch bedrog.... maar -enfin, als ’t niet anders kan....” - -„Nee, dat is ’t eenige. Je vrouw dient een vordering in op grond van -overspel....” Hij lachte even: „Jij overspel, ’t is wel ondenkbaar -haast. Maar ’t komt meer voor: je weet dat is in onze kringen de gewone -komedie bij echtscheiding: ’t is de korte radicale weg.” - -„Hm, ja, treurig genoeg. Maar.... de kinderen.... ’t kind?” - -„Dat wordt aan de eischeres toegewezen in zoo’n geval.... tenzij....” - -„Ja?” - -„Tenzij anders bepaald. Bijvoorbeeld zou je vrouw kunnen vragen het -kind aan jou te laten.” - -„Of ze dat zou willen?” Larsen zuchtte zwaar. - -„Ja, als zij niet wil, dan moet jij je schikken....” - -„Ik zeg je immers dat zoo iets onmogelijk is....” viel Larsen kregelig -in. „Als die overspel-komedie niet gaat, schiet ik me voor m’n kop.... -Of....” - -’t Beeld der kleine Didi kwam hem vóor de geest in al zijn zoete -bekoring. De vader voelde een schok van zelfverwijt. Hij boog ’t hoofd -met vochtige oogen. - -Van Thiemen zag ’t: zijn mooie trekken namen een bizonder sympathieke -plooi aan. Hij besefte volkomen hoe daar in dat vaderhart gestreden en -geleden werd. - -„Kom, kom, Larsen, daar meen je niets van....” - -Larsen keek op, zwijgend vragend, met iets hulpeloos in zijn blik. - -„Er blijft je dan nog éen ding: niet wettelijke, maar feitelijke -scheiding....” - -„Ervandoor gaan.... met m’n kind.” Er was bittere spot in Larsen’s -toon. „’t Is waardig!” - -„Ja, kerel, aux grands maux les grands remèdes. Als jij nu eenmaal -vindt dat.... ’t andere veel erger voor je wezen zou....” - -„O zeker.... Nu goed,” ging Larsen na een wijle zwijgens voort. „Ik -weet nu waaraan ik me te houden heb. Ofschoon.... ofschoon.... ik -heusch niet weet wat ik doen moet....” - -„Slaap er nog ’s op....” antwoordde de ander, en nam een peer. - -„’t Ellendige is dat onze verhouding.... thuis onuitstaanbaar is, een -onmogelijke positie voor ons allebeî.... voor ons alle drie. Arme -Didi!” - -„Och kom, voor haar is ’t nog ’t minst, al begrijp ik ook je -medelijden. Voor jou is ’t een nare geschiedenis.” - -Beide vrienden praatten nog een poos door, de gastheer kalm, maar toch -spraakzaam en met warme belangstelling, de gast somber en zenuwachtig, -met korte zinnen, afgewisseld door bromgeluiden. - -Ondanks al zijn pogingen om Larsen tot meerdere openhartigheid te -krijgen, wilde dit den ander maar steeds niet lukken. Eindelijk ’t -opgevende, vond hij ’t toch noodig zijn vriend te wijzen op ’t -onzinnige van verder verzwijgen der ware toedracht van zaken. Hij moest -hem dan maar ronduit verklaren alles te begrijpen—zoo redde hij -Larsen’s gevoeligheid: - -„Zeg ’s, amice,” begon Van Thiemen op eens, na over veel anders -gesproken te hebben, „dat gaat zoo niet. We komen zoo geen stap verder. -Je komt hier om raad, en ’t lijkt wel of ik je aanraad ervandoor te -gaan als een roover.... Wil ik je ’s wat zeggen? Maar dan niet boos -worden, hoor....” - -„Nee....” - -„Waarom zou je je vrouw sparen?” - -„?” Larsen kleurde. - -„Kom, wees oprecht! Kom er maar voor uit. Dacht je dan dat ik niet al -lang begrepen had hoe de vork in de steel zit?” - -„Zoo, nee....” stamelde de ander ongemakkelijk. - -„Je kunt mij toch niet wijs maken dat zoo’n incompatibilité in eens -ontdekt wordt? Kom, Larsen, je vrouw is niet waard dat jij je om haar -zou opofferen....” - -„Zeker, opofferen.... Maar laten we opstappen, en wat in de tuin gaan -wandelen. Nog een sigaar? Dit is wat fijns.” - -Rookende liepen beide vrienden eenige minuten later in Van Thiemen’s -groote tuin. ’t Was een mooie herfstmiddag, vol opwekkende geuren. In -’t achterdeel, waar hooge struiken stonden, vonden de pratenden een -zonnig en toch vrij wandelpad. - -„Ik vin’ dat je in een geval als ’t joue,” begon Van Thiemen weer, -„handelend moet optreden.... tegen je vrouw.” - -„In een geval als ’t mijne? Je kent ’t niet....” - -„O zeker, ik vermoed ’t, en dat is hier even goed. Je vrouw heeft je -bedrogen, en daar ben je nu achtergekomen.” - -Larsen zweeg. - -„Ik wil geen kwaadstoken.... ik beoog alleen jou belang, kerel. Je -vrouw heeft je hoogstwaarschijnlijk meer dan eens bedrogen, met.... -meer dan éen....” - -„Nee, dat geloof ik niet....” viel Larsen hevig uit. - -„Natuurlijk, beste kerels als jij gelooven zoo iets nooit, als ze veel -van hun vrouw houen! En er zijn er die nog blinder zijn dan jij. De -buitenwereld ziet beter en merkt meer op....” - -„Je wil toch niet zeggen dat mijn vrouw....” - -„In mijn oog nooit erg „zwaar gewogen” heeft, ja, zeker wil ik dat -zeggen. En dat je nu van haar af kunt moet je als een geluk -beschouwen....” - -„Als een geluk!” - -„Vin’ jij in de rol van „koekoek” zooveel aantrekkelijks? Maar ik zeg -je dat je van haar af kunt, omdat ik veronderstel dat je bewijzen hebt: -anders zou jij zoo niet optreden.” - -„Ja.... die heb ik.... éen ten minste....” - -„Welk? Wat is dat?” - -„Een brief.... O, je weet niet hoe ellendig ik ’t vin’ hierover te -spreken....” - -„Och, larie! Jou rust en geluk gaan voor. Nog eens: je vrouw is niet -waard dat je haar zoo ontziet...” - -„Och, Van Thiemen, je weet niet wat ’t is! Jij kent dat zoo niet.... -Een vrouw met wie je dertien jaar samen bent geweest is een deel van -jezelf geworden.... je eigen vleesch en bloed.... je eigen hart....” - -„Arme bl....” mompelde Van Thiemen. „En toch.... je moet van haar af. -Die brief.... heb je die behoorlijk weggesloten?” - -„Ja, zeker.... Maar, waarom....” - -„Wel, m’n waarde, die vrouw van je is slim, slim genoeg om.... je de -bewijzen afhandig te maken.... Tsh!” - -„Kom.” - -„Nou, pas maar op. Maar ter zake. Jij produceert eenvoudig je bewijs, -en deelt haar mee wat je doen zult. Dan raad je haar in gemoede toe te -geven, en eenvoudig niet te verschijnen. Dan wordt zij bij verstek -veroordeeld, en jij blijft vrij man....” - -„Maar de schande.... zoo te verschijnen en m’n vrouw te -beschuldigen.... zoo’n rechtszitting.... en....” - -„Och, je stelt je de zaak veel te verschrikkelijk voor! Zoo’n -rechtszitting is immers niet publiek: en dan die beschuldiging: die -doet je advocaat in zijn eisch; jij zit er eenvoudig bij en beaamt. -Verder wordt je echtscheiding in twee bladen bekend gemaakt, maar -daarvoor kan men, als je vrouw bijvoorbeeld Amsterdam tot domicilie -kiest, twee bladen nemen die in onze kringen niet gelezen worden; -bovendien blijkt uit die bekendmaking niet—hoeft er althans niet uit te -blijken—wie van de partijen eischer is....” - -„Zoo, weet je dat zeker?” - -„Natuurlijk. Nee, stel je maar gerust: niemand hoeft achter de ware -toedracht van de zaak te komen. En vermoeden.... wel, laten ze -vermoeden wat ze willen.... Als jij er van door ging met je kind, zou -jou vrouw er wel voor zorgen dat de wereld jou afviel, wees daar zeker -van. En dan je betrekking.... Maar, zeg ’s, die brief, is dat een -deugdelijk bewijs?....” - -„Evengoed alsof zij ’t me met ronde woorden gezegd had....” zei Larsen -bitter. - -„Een brief van....” - -„Van.... iemand anders.” - -„O, ja.... Al oud?” - -„Vijf jaar....” - -„Je moet dat document bij mij deponeeren: hier is ’t veiliger. Dan kan -ik ’t ook ’s inzien....” - -Larsen kromp ineen. - -„Goed,” mompelde hij. - -„Zal ik ook ’s met je vrouw spreken? Je weet, ik heb er nog al slag van -met vrouwen om te gaan....” - -„Zou je denken dat het wat gaf?.... En dat ze zou willen....” - -„Och, zeg haar maar dat ik haar goeie raad zal geven.... in haar eigen -belang....” - -„Maar dan ook zeggen dat je alles weet?” - -„Nee, nog niet.... Ik zal haar wel verrassen, en in ’t nauw -brengen....” - -„Weinig ridderlijk—neem me niet kwalijk. Maar....” - -„Och, wat ridderlijk!.... De vrouw is niet een heilige omdat ze vrouw -is.... dat is onzin uit de middeleeuwen. Een eerbare vrouw komt heel -dicht bij een heilige—je kent mijn opvatting—maar ’n.... ’n....” Hij -hield zich in. „Een die jou bedriegt, zoo’n trouwe goeie kerel als jij, -nee, hoor, die verdient geen ontzien....” Van Thiemen had zich allengs -opgewonden. - -„Ik begrijp niet hoe jij zoo spreken kunt....” viel Larsen ontwijkend -in. „Jij behoorde tot onze intiemen, en scheen toch altijd sympathie -voor mijn vrouw te hebben.” - -„Och, wat zal ik je zeggen? Van sympathie was in de laatste jaren geen -sprake meer....” - -„?” - -„Nee, ’t was geen sympathie.... Ik heb die wel vroeger voor haar gehad. -Ze was jou vrouw. Ik wist dat jij haar lief hadt.... en....” - -„O, kerel....” - -„Ja, dat was voor mij al veel. Later toen ik haar begon te doorzien.... -veranderde dat. Eindelijk had ik vrij wel zekerheid.... en toen....” - -„Zekerheid.... en je liet mij in mijn waan!”.... viel Larsen heftig in. - -„Ik kòn niet anders! Die zekerheid was mijn zekerheid, niet die van een -jurist in mij, maar van de mensch, van een vriend ook....” - -„Een vriend....! Dus je wist dat ik bedrogen werd?” - -„Ja, ik wist het al lang.... En, zooals ik zei: ik geloof meer dan -eens, en.... met verschillenden....” - -Larsen zweeg somber. - -„Maar mijn bewijzen waren bewijzen waar jij en de rechter niets aan -hebben zouden.” - -„Hm.” - -„Jij, omdat je me toch niet gelooven zoudt. Niemand die een vrouw -waarlijk liefheeft—en dat deedt jij, dat wist ik—gelooft zoo iets maar -voetstoots. En.... liefde gaat boven vriendschap. Wij hadden de -hevigste onaangenaamheden gekregen, en ’t had toch niets gegeven. Je -hadt mij afgezworen—en wat nog erger is—je hadt je rust en daarmee je -geluk verloren....” - -„Een schijngeluk!” - -„Nou ja, alle geluk is schijn, verbeelding. Voelde jij je -eergisteren—laten we zeggen eergisteren—volkomen gelukkig, of soms -niet?” - -„Volkomen....” - -„Nu weet je.... je illuzie is weg, en je bent genezen.... of nee, laat -me uitspreken, ik meen: nu ben je op de goeie weg om te genezen.” - -Larsen stiet een kreunende zucht uit. - -„Ik wachtte op ’t oogenblik dat je zelf zoudt zien, zelf en daarmee -overtuigend helder. Nu màg je niet langer aarzelen.” - -Alle tegenstand was gebroken. Hulpeloos boog Larsen ’t hoofd: zijn wil -onderwierp zich schreiend aan de wreede logica van zijn vriend. - -„Adieu!” zei hij, na eenige oogenblikken zwijgend voortstappen naast -Van Thiemen. „Ik moet weg. Ik zal denken aan wat je me geraden hebt.” - -„Afgesproken. Beschik over mij, hoor.” - -De vrienden wandelden naar de voordeur, en na een hartelijke handdruk, -scheidden ze voor die dag. - - - - - - - - -VII. - - -Larsen spoedde zich huiswaarts langs de stille straten. Hij zag of -hoorde niets om zich heen. Het bezoek aan zijn vriend had hem niet -voldaan, en toch, hoe onrustig hij zich ook voelde, er was meer orde in -zijn denken dan enkele uren te voren, en hij zag duidelijker een uitweg -uit de doolhof zijner ellende. - -Haastig liep hij zijn gang door, de trap op. Hij wilde Paula spreken, -zoo spoedig mogelijk. Er moest een beslissing komen, hoe dan ook, zoo -mogelijk vandaag nog. Paula moest weten waar ’t op stond. Ja, Van -Thiemen’s raad was wel goed: hij zou haar zeggen vandaag nog bij hem -aan te gaan, om raad en inlichting. Dat was beter zoo dan lange -uitleggingen van hemzelf—hij deugde er niet voor, trouwens; en ’t was -hem zoo pijnlijk. Hij zou niet meer dan ’t allernoodigste zeggen; haar -naar zijn vriend verwijzen—die was te vertrouwen, volkomen, die kende -beide goed, die meende ’t goed met beiden.... - -Nu ja, humaan wàs Van Thiemen, al.... had hij geen sympathie meer voor -haar. De oppervlakkige beleefdheid en aangename manieren waarmee de -jurist haar steeds bejegend had, zijn bizondere takt om met vrouwen om -te gaan, zijn innemend uiterlijk en oprechte bewondering voor haar -uiterlijke verschijning namen immers voldoende de plaats in van die.... -sympathie.... - -Paula was misschien in de voorkamer. Ze zat daar nogal eens in de -namiddag, ontving er haar kennissen en vriendinnen, of zat er te lezen. - -Hij stiet de deur van ’t vertrek open, en trad binnen. Paula was er -niet. De piano stond open. Een muziekboek stond opengeslagen op de -lezenaar. Onwillekeurig wierp hij een blik op de noten: de Washington -post van de Souza.... Dat had ze gisterenavond niet gespeeld. - -Een vreemde gewaarwording trilde door hem heen, deed hem zijn -wenkbrauwen fronsen. - -Hij trad weer naar de deur en ging de trap op, onzeker waar hij heen -zou gaan. Misschien zou hij Paula boven vinden, in zijn studeerkamer. -Een naar vermoeden bekroop hem. Och, onzin! Waar dacht hij aan? - -Daar trof hem ’t geluid van zingen. Wie was dat? De meid? Nee, -onmogelijk.... ’t Kwam van boven, van de verdieping waar de slaapkamers -waren, en ’t was nu geen bedden-opmaken—anders de geliefde zang-periode -der „kamermeid”. Didi was naar school. Pietje, de eene gedienstige, -kwam net de trap op, uit de keuken op weg naar boven, een paar -badhanddoeken over de eene arm geslagen. - -„Zeg ’s Pietje.... waar is Mevrouw?” vroeg de huisheer aarzelend. - -„O, boven in de badkamer.... Meneer. Mevrouw heeft me juist om een paar -handdoeken gevraagd.” - -In de badkamer! Om twee uur in de namiddag.... Och, ’t is waar, ze deed -dat meer. Paula baadde op elk uur van de dag en van de nacht, als ze -daar trek in had, soms twee maal in de vier en twintig uren. Paula was -meer dan zindelijk: baden was haar een ware wellust. Trouwens, de -badkamer had er al het weelderige voor: daar te baden wàs een genot.... -En, zeer merkwaardig en onbegrijpelijk voor een natuur als die van -Larsen, ze baadde vaak niet uit dwang tot reinheid of zucht tot genot: -neen, uit pure vroolijkheid, als uiting van overvloeiende levenslust. -Geen wonder dat ze dan zong, kwinkeleerend als een kanarievogel, die -zijn veertjes gepoedeld heeft. - -Larsen moest dus wachten. Toch ging hij de trap op. - -Hij stapte voorbij de badkamer. Paula scheen het te merken, want het -zingen hield even op. Daarna hervatte zij het. Lustiger dan te voren, -meende Larsen te bespeuren. Onwillekeurig wierp hij een blik naar de -matglazen deur, als kon hij er door heen kijken. Een flauwe geur drong -naar buiten in zijn reukorgaan. Hij verhaastte zijn stap, en ging naar -zijn studeerkamer. Daar wierp hij zich op de sofa, vreemd te moede. Als -Paula klaar was, kwam ze misschien wel bij hem.... Dat kon niet lang -meer duren: als ’t zingen begonnen was, duurde ’t gewoonlijk niet -langer dan een kwartier. - -In zijn verbeelding zag hij haar vóor zich, zooals hij haar dien avond -gezien had, nog kort geleden—nauw een week—frisscher en begeerlijker -dan ooit, de loshangende weelderige zwarte haren over haar donkerroode -kimóno, ’t Japansche kleed, dat ze altijd droeg als ze uit de badkamer -kwam. Hij was haar toen gevolgd naar haar slaapkamer... Een lichte -huivering voer door zijn leden bij de herinnering aan dat uur. Wat was -hij verliefd geweest, en zij verleidelijk, dartel, beroezender dan -ooit! - -Hij stond op met een ruk; en ’t was of hij iets van zich af wierp. Zijn -wenkbrauwen waren gefronst, zijn gelaat vertrokken—oud, wonderoud voor -zijn jaren—zijn eene vuist balde zich. Hij deed een paar schreden. Daar -viel zijn oog op Paula’s portret boven zijn schrijftafel—als bruid. Hij -wendde zich om. - -„Mijn God, mijn God,” mompelde hij. - -Dan zette hij zich weer op de sofa en verzonk in dof gemijmer. - -Hij hoefde niet lang te wachten, veel korter dan hij gedacht had. - -„Zoo, ben jij hier?” klonk het opeens aan de deur der studeerkamer. - -„Paula!” Daar stond de welbekende verschijning, juist zooals een week -geleden, die eene avond. - -„Ja, ik hoorde je thuiskomen,” zei ze onverschillig, en wierp achteloos -een hoeveelheid haar naar achteren. - -Dadelijk trof hem haar toon. Er was iets kouds, iets gewild brutaals -in, dat hem, als geheel nieuw in haar, met verwondering vervulde. - -Ze keek even rond, op hoogst ongedwongen wijze. Toen snoof ze met een -vies gezichtje even hoorbaar: - -„Heb je hier gerookt? ’t Ruikt hier afschuwelijk!” - -Een en al verbazing keek Larsen haar aan. Wat bezielde haar? - -„Ik heb niet gerookt.... vandaag ten minste niet... gisteren misschien. -Als je wil, zullen we naar beneden gaan. Ik woû met je spreken.” - -„Je wil me altijd spreken tegenwoordig. Maar goed, deze keer wil ik jou -ook wel ’s spreken....” - -Meteen zette zij zich op een stoel bij zijn schrijfbureau. - -Larsen dacht onwillekeurig aan zijn bewijsstuk, tastte even in zijn -vestzakje, en overtuigde zich dat het sleuteltje van zijn laadje er nog -zat. - -„Je bent zoo bij je boezemvriend geweest,” hervatte de gestalte in -kimóno, terwijl ze het rechterbeen over ’t linker sloeg. Een mooi -geborduurd muiltje bengelde aan haar rozenteentjes, en liet zoo de rest -van den eenen kleinen voet bloot. - -„En,” ging ze voort, „je hebt er zeker heel wat afgepraat. Toe, vertel -’s.” - -Larsen zag haar vreemd aan. - -„Ik woû dat je niet zoo suf keek, zeg,” zei Paula weer. „Is er iets -bizonders aan me? Je hebt me zoo wel meer gezien, geloof ik....” - -„Dat is ’t niet....” antwoordde Larsen.... „We spreken over ernstige -zaken, Paula.” Er was iets strengs in zijn woorden, dat zijn vrouw deed -glimlachen. - -„O zeker, best. Ik wil ook heel, heel ernstig zijn. Maar, komaan, -vertel ’s op. Van Thiemen heeft gezegd dat je van me af moest zien te -komen, niet?” - -„Paula, wat scheel je? Waarom sla je zoo’n onverschillige losse toon -aan?” - -„Ik? Och, verbeelding! Zeur nou maar niet. Antwoord me maar.” - -Larsen haalde de schouders op. Waarom zou hij ook dit maar niet -verdragen—als de zaak maar spoedig tot een eind kwam? - -„Ik heb niets beslist....” begon hij. - -„Och kom.... die is ook leuk! En gisterenavond was je zoo zeker.” - -„O, omtrent dat eene.... nu nòg.... Ik bedoel de manier waarop....” - -„Zoo, en die weet je dus nog niet?” - -„Nee.” Larsen sprak kalm, schoon inwendig zich ergerend over haar voor -hem onverklaarbare overmoedige houding. „Ik heb me alleen wat op de -hoogte gesteld van de wet. Hij heeft me goeie raad gegeven....” - -„Dat begrijp ik, ha, ha!” - -„Ja, en hij acht het wenschelijk dat jij ook ’s met hem spreekt.... -of.... hij wil ook wel hier komen, bij jou....” - -„Zeker, ’t is een charmant mensch....” - -„Ik zou het maar doen.... als ik jou was....” - -„En,” ging Paula voort, zonder op die laatste woorden te letten, en ze -zocht iets in de ruime plooien van haar kimóno, op haar borst. „En heb -je hier niet over gesproken?” Lachend keek ze hem aan. Om haar mond -danste een ironietje als een satertje. - -Hij zag iets in haar hand, dat ze heen en weer bewoog. - -Ze zat een vijftal schreden van hem af. - -„Wat is dat?” vroeg Larsen geheel de kluts kwijt. - -Paula sloeg een in vieren gevouwen papier open, en liet hem de -beschreven kant zien. - -„Wat dit is? Herken je ’t niet? ’t Briefje van Rudolf.” - -Larsen sprong op. - -„Hoe kom je dáaraan?” Hij deed een schrede naar haar toe. - -„Wel, uit je laadje. Zie ’t goed? Daar gaat het.” Meteen, met vlugge -vingertjes, verscheurde zij ’t document in kleine stukjes—rits, rits, -rits. - -„Daar!” riep ze triomfantelijk. „Veeg nu maar op, en zie dat je ’t weer -bij elkaar krijgt.” - -Een regen van witte stukjes papier viel voor Larsen’s voeten, naast en -om hem heen. - -Bleek van schrik staarde hij naar ’t vlug afgespeelde tooneel vóor hem. -Dan trad hij op haar toe, vlammen in zijn oogen. - -„Dat ’s een lage streek!” riep hij. „Daartoe achtte ik je niet in -staat....” - -„Och kom, heusch niet? Ik jou ook niet tot zooveel hartstocht. Komaan, -nou raak je ’s los: dat mag ik zien.” - -Nog steeds zat Paula schijnbaar kalm. Doch uit de schittering harer -donkere oogen sprak meer dan louter leedvermaak. Inwendig bruiste en -kookte het in haar. - -„Ga heen!” riep Larsen buiten zichzelven. „Ik wil je niet meer zien! -Een vrouw die in staat is tot.... tot zulk bedrog.... zooveel valsch -berouw.... zoo’n huichelaarster.... Ik heb niets geen medelijden meer -met je.... Ga heen!” - -„Medelijden? Heb ik niet van je noodig.... heb ik trouwens nooit van je -gehad. En dat huichelaarster.... Weet je wel, mijn waarde echtgenoot, -dat je daaraan jaren van geluk te danken hebt?” - -Larsen begreep er niets meer van. - -„Geluk van jou soort ten minste....” Ze lachte schril. „Van ’t mijne -niet versta je? Van ’t mijne niet! Ik heb niet gehuicheld om mijn eigen -pleizier.” - -Paula stond op. Met een sierlijke zwaai wierp ze een loshangend deel -der kimóno over de linker schouder en kruiste haar armen, uitdagend en -minachtend. Strak keek ze hem aan. - -„Als ik jaren geleden, kort na ons huwelijk, toen ik inzag wat ’n -sufkop je was, dadelijk me getoond had zooals ik was, mijn afkeer voor -je getoond had.... was dat misschien beter geweest voor mijn geluk....” - -„Voor ’t mijne misschien ook....” zei Larsen somber. - -„Voor ’t jouwe? Als jij minder egoïst was geweest, hadden we beiden -gelukkig kunnen zijn.” - -„Ik heb alles voor je gedaan wat ik kon.... al die jaren.” - -„Dat lieg je! Of dacht je dat een vrouw—een vrouw zooals ik, versta je, -een vrouw met een hart, met zenuwen, met gevoel, geen houten automaat -zooals jij er een zou wezen als je vrouw was—dacht je dat een vrouw als -ik genoeg had aan een goed leven: goed eten en drinken en mooie -kleeren?” - -„Ik heb je altijd liefgehad....” - -„Liefgehad! Ik heb wat gehad aan jou liefde! Een morgenzoen en een -avondzoen, en een liefkozing die ik dulden moest wanneer mijn heer en -meester ’t voor zijn gezondheid noodig achtte.... Bah, wat ’n komedie!” - -Paula’s bewegelijk gezicht vertoonde walg: ’t Kleine neusje trilde en -haar vleezige lippen puilden vooruit. - -„Ik was voor jou niets dan een objet à plaisir—een maîtresse die je -betaalt, die je wegschopt als je genoeg van haar hebt.” - -„Paula!” - -„Nou ja. Wegschoppen deê je niet. Moreel kwam ’t op ’t zelfde neer. Als -je me niet noodig hadt, keek je niet naar me om.” - -„Ik die dagelijks genoot van je gezelschap....” - -„Ja, als je geen pleizier meer in je boeken hadt.... En dan nòg! Je zat -bij me en verveelde me. O, mijn God, die dagen, die jaren van -verveling! Ik vrat me op!.... En daar merkte jij niets van. Niets, -niets! Je hadt je boeken, je studie was je alles, je vrouw bijzaak....” - -Larsen dacht aan ’t bekende woord: de wetenschap is een jaloersche -minnares: ze wil de heele mensch. En toch bij hem was zijn liefde voor -Paula en zijn studie, zijn eerzucht, alles éen geweest. Zijn liefde -deed hem ’t leven liefhebben, staalde zijn werkkracht, prikkelde zijn -eerzucht. Haar verwijten sneden hem door de ziel. Maar hij zweeg, -tevergeefs trachtend die vrouw, die hem een raadsel was, te begrijpen. -Hij had haar nooit begrepen. Zou hij ’t thans eindelijk beseffen? - -„’t Begon al op onze huwelijksreis,” ging Paula hartstochtelijk voort. -„Ik kan er nauwelijks aan denken. God, wat een tijd! ’t Was een hel. En -jij dacht dat ’t een hemel vol zaligheid was! Voor mij ook!” Ze lachte -bitter. - -„Toen heb ik gehuicheld. Zeker dat heb ik, en ik heb er voldoening van. -Ik achtte het mijn plicht. Ik deed mijn hart dat bersten wou, mijn wil -die in opstand kwam, geweld aan. Ik overwon mezelf. En jij? Wat deê jij -ooit dan toegeven aan jezelf? Heb jij je ooit moeite gegeven om anders -te zijn? Anders te zijn om mij, om mij alleen? Geloof jij dat het ideaal -van liefde tegenover een vrouw maar daarin bestaat dat je je geeft -zooals je bent? Altijd dezelfde lodderige, vervelende, aangapende -vereering? Een vrouw is geen godheid zonder hartstochten. Jou -Newfoundlander’s verliefdheid wàs geen liefde, niet waaraan een vrouw -behoefte heeft. Wat kan ’t me schelen of je me vereert en heel diep in -je hart liefhebt? Ik wil die vereering niet! Ik wou warmte, gloed, -passie, je gaf me vereering!.... En je was zoo degelijk, zoo -in-degelijk. Ik spuug op jou degelijkheid, jou ellendige zelfzuchtige -degelijkheid! Wat geeft het mij of ik weet dat je me degelijk, inwendig -lief hebt? Als ik er niets van zag, niets van voelde? Van een vuur wil -je vlammen zien, wil je de vonken zien schitteren, je wil er de warmte -van voelen. Hu, ik heb koû geleden al die tijd! Jou ijsbeerennatuur -straalde niets dan koû af.... Je hebt je eigen ongeluk bewerkt. Al was -er ook niets dan koelheid in je aard, had dan wat warmte gehuicheld. -Een enkel woord van warmte om mij, een liefkozing om mij had me tot je -gebracht. Je hebt me afgestooten, voortdurend. Liefde is illuzie, je -deedt niets om die illuzie te doen leven.... En toen ik een man zag die -me begreep—die wist wat een vrouwenhart wil, toen die altijd om en bij -me was.... toen heb ik me gegeven.... omdat ik niet anders kon. Ik was -krankzinnig geworden anders.” - -Zij hijgde. Tartend boog ze naar hem over, haar gelaat vlak bij ’t -zijne. „En ik zou ’t weer doen, tienmaal, honderdmaal over. En ik -geniet er nu van ’t jou in je gezicht te slingeren. Hoor je ’t?! En ik -heb meer gedaan, na wat jij en de wereld mijn val zouen noemen. Ik heb -méer amants gehad....” - -Larsen trad achteruit. - -„Dat is niet waar!” kreet hij verbijsterd. „Je zegt dat alleen om mij -te beleedigen.” - -„Niet waar! Wil je namen?” - -„Hoû je mond....” viel Larsen in. „Ik wil ’t niet weten. Ik kan je -niet.... niet meer verachten dan ik nu al doe....” - -„Je zult me verachten! Je zult je ergeren tot je me verafschuwt! -Gerards is mijn vriend geweest.... en Van Breehorst, en.... nu kort -geleden Steeman. Wat kon ’t mij schelen? Toen ik eenmaal ’t met jou -opgegeven had.... ik moest toch iets hebben aan mijn jonge leven!” Ze -zweeg even. Haar neusvleugels trilden, haar wangen gloeiden, haar oogen -vonkten: ’t heele gelaat had iets sculpturaal sprekends. - -Larsen, die onbewegelijk met de handen op de rug stond, was onder de -ban harer wilde schoonheid. - -„En nu wil je van me af, nie’ waar? ’t Zal je niet lukken, mijn baasje. -Ik blijf bij je en je zult me dulden, versta je? En ik zal je -behandelen of ik je niet kende. Je zult me niet meer aanraken, en je -zult je cocu-rol die je zelf....” - -’t Werd Larsen te machtig. ’t Bloed steeg hem naar ’t hoofd. - -„Zwijg, vrouw,” riep hij heesch van woede. „Ga heen, of....” En wat hem -zelf later onbegrijpelijk voorkwam, hij greep haar bij een arm. Had zij -meegegeven, dan had ’t hem met zijn stoere kracht weinig moeite gekost -haar de kamer uit te duwen. Doch nauwelijks had hij zijn hand op haar -kleed gelegd, of hij wankelde, en ’t dwarrelde een oogenblik vóor zijn -oogen. - -Ze had hem met volle kracht vlak in ’t gezicht geslagen. - -Al de verkropte woede van de ondergane vernedering van den vorigen -avond, aangewakkerd door ’t juist afgespeelde tooneel tusschen hen, was -op eens opgevlamd in lichte laaie. - -Toen hij bijkwam, lag zij voorover op de grond te snikken. - -Larsen’s verontwaardiging was als bij tooverslag geweken. En zijn -gevoelig hart kreeg, ondanks alles, de overhand: hij had deernis met -die vrouw. Ze moest wel diep rampzalig wezen.... Hij die zelf bijna -nooit uiting gaf aan opwellingen of hevige aandoeningen, de schijnbaar -hartstochtelooze kon geen zwakke zien schreien, zonder dat ’t schrijnde -in zijn ziel: geen kind, geen vrouw, en hier was ’t zijn pas verloren -afgod, zijn Paula. - -’t Snikken duurde voort, stuipachtig, wanhopig snikken, dat haar -gansche lichaam deed schokken en trillen. - -Wat moest hij doen, wat kon hij zeggen? - -Troostwoorden, opbeuring—’t leek hem dwaas na wat er juist was -voorgevallen. En dan, hij voelde zich verbijsterd, verward, oneens met -zichzelf, verlegen tegenover deze vrouw, die hij nooit zóo gezien had, -die zich daar aan hem geopenbaard had in zulk een nooit gekende -gedaante. Dat was zijn Paula niet, de Paula van zijn droomen, van zijn -vereering. En weer bleek de waarheid van ’t bekende gezegde: dat men -niet het beminde voorwerp zelf liefheeft, maar een denkbeeldig wezen, -’t beeld dat de ziel van ’t beminnend individu er zich van vormt. - -Zijn onmacht om hier iets ten goede uit te richten inziende, trad -Larsen naar de deur, ging het vertrek uit, en sloot de deur weer achter -zich. - -Hij voelde zich als een slaapdronkene. ’t Was alles vaag om en in hem. -Hij moest de straat op, in de frissche lucht. In huis zou hij -ontmoetingen moeten dulden, met Didi, met de meiden.... Buiten zou hij -al wandelend wellicht tot kalmte komen; in staat wezen het -voorgevallene bedaard na te gaan, een besluit kunnen nemen.... Of zou -hij Van Thiemen....? Neen, nu niet: hij wilde alleen zijn met zijn -gedachten. Later, vanavond misschien nog zou hij naar hem toe gaan, -zijn oordeel vragen in de veranderde omstandigheden. - -In de gang beneden keek hij op de hangklok: half drie! Hemel, een half -uur was er verstreken sinds zijn thuiskomst van Van Thiemen, en hoe -verschillend was zijn toestand nu vergeleken met dertig minuten -tevoren! Toen scheen er wat licht te gloren in de duisternis van zijn -ellende, thans was alles weer nacht, troostlooze, ondoordringbaar -donkere nacht. - - - - - - - - -VIII. - - -„Mevrouw, d’r is visite!” klonk het van den overloop. - -„Nu nog?” was ’t wederwoord uit Mevrouw’s toiletkamer. „’t Is half -vijf!” - -„Nog niet, Mevrouw,” riep Pietje buiten. „Mag ik binnenkomen?” - -„Ga je gang.” Pietje de blozende kamermeid, koket en keurig gekleed, -betrad Mevrouw’s heiligdom. Ze was Paula’s lieveling en wist het. Vol -bewondering voor de bevalligheden harer meesteres, haar mooie japonnen -en kunstvol kapsel, haar odeurs en waschwatertjes, maakte deze -wetenschap de dienstbare toch niet al te vrij in haar omgang, en -botsingen tusschen beide waren zeldzaam. Behalve de functiën van -kamermeid nam Pietje ook die van kamenier waar. - -„Wie is ’t?” vroeg Paula met beide handen bezig haar weelderig haar de -laatste toetsen te geven. De groote „psyche” weerkaatste haar gansche -gestalte. - -Een paar uren lagen tusschen het woeste tooneel met Larsen en nu, en -sinds een uur was zij aan haar toilet. De huilbui had een kwartier -geduurd, en daarna was ze zich weer bewust geworden van de gewichtige -zorgen die haar wachtten: kleeden met al wat daarbij hoort. - -Op haar vraag antwoordde Pietje: - -„Mevrouw Ennery. Ik heb maar gezegd dat u gauw zou komen. Ze wacht in -de voorkamer.” - -„O, Margot!” zei Paula verheugd. ’t Bezoek was haar hoogst welkom, gaf -haar de afleiding die ze verlangde. - -Margot Ennery was een oude schoolvriendin, iets jonger dan zij, thans -weduwe van een rijke koffieplanter in Indië. ’t Was haar intima, voor -zoover dit bij een vrouw als Paula mogelijk was. - -Wat Paula niet gaarne deed—zich haasten—deed ze thans voor haar -vriendin. Trouwens, ze was bijna klaar, en met de hulp van Pietje had -ze juist zes minuten noodig, om zoover te komen dat ze met voldoening -een laatste blik in de „psyche” wierp: van de overgedreven storm nauw -een spoor, voor haar waarneembaar, voor anderen zeker niet. Ze had -gedurende de ingewikkelde toilet-werkzaamheden, tusschen de bedrijven -door, wel gelegenheid gehad tot nadenken. Ze was tot de slotsom gekomen -dat het hevige tooneel van zooeven zijn goede zijde had: van berouw -daarom geen vleugje. Integendeel, ze vond de verhouding tot Larsen -thans veel zuiverder dan te voren. Hè, ze was nu dan eindelijk geheel -haarzelve geweest. En wat ’t verklapte aanging—och, was dat ook wel zoo -erg? Ze kòn zich niet voorstellen dat Larsen op den duur zijn standpunt -zou blijven innemen: hoe zou dat mogelijk zijn, waar zij steeds om hem -heen zou wezen? Och kom, hij bleef, en hield ’t geen maand vol, en -dan.... zou ze weten gebruik te maken van de macht die haar -begeerlijkheid haar tegenover hem zou schenken. Ze zou hem aantrekken -door haar afstooten, o onfeilbaar zeker! En dan eindelijk, als ze zag -dat de zege zeker was, dan ten slotte toegeven. Alles wel beschouwd was -Larsen nog zoo kwaad niet. In haar woede had ze veel te veel gezegd, -ongetwijfeld. ’t Zou haar weinig moeite kosten weer lief tegen hem te -zijn, en dan hem te doen gelooven dat al wat ze uitgeflapt had -verzinsel was, louter uitdenksels om hem te krenken. Een verliefde man -zooals hij gelooft immers alles! En dan kon alles nog goed worden; want -per slot van rekening was een leven als kat en hond toch ook verre van -aangenaam.... Nee, ’t moest weer goed worden.... Als Larsen inzag dat -hij toch niet goedschiks van haar af kon, zou hij zijn gekrenkte eer -zelf wel weer bepraten en er vrede mee nemen dat alles bij ’t oude -bleef. Haar leven was toch niet zoo verwerpelijk, vergeleken bij dat -van anderen. Haar vrienden kon ze immers houden. „Pour avoir un amant, -il faut être mariée,” en vooral met zoo’n goeie lobbes. - -„Zoo’n zooltreder,” dacht Paula met een glimlach, toen ze de trap -afging. Margot noemde Larsen zoo, en de gedachte aan haar vriendin -bracht haar de uitdrukking te binnen. Ze was wel bar tegen hem geweest -die middag. Waar zou hij zitten? Weer naar Van Thiemen?.... O, daar -kwam ze op een heerlijk denkbeeld! Van Thiemen was altijd zoo aardig -tegen haar geweest, en hij had blijkbaar veel vat op Larsen. ’t Was -zijn boezemvriend. Nu ja.... was ooit vriendschap tusschen mannen een -beletsel, als een bekoorlijke vrouw ertusschen trad? Ze zou Van Thiemen -wel weten te bewerken, en dan zou ze hem er wel toe krijgen Larsen weer -in ’t goede spoor te brengen. Ze lachte wat om die vriendschap!.... Ze -hoefde maar een vinger uit te steken, en de boezemvriend zou.... -Zelfvoldaan gleed haar blik langs haar beeld beneden in de spiegels -links en rechts van de trap. - -Muziek klonk haar in de gang tegemoet. - -„Zoo?” riep ze vroolijk, en trad in de voorkamer. Margot Ennery zat -vóor de piano en speelde. „Weer met je walsen?” - -„O, ik vin’ je España-wals verrukkelijk,” zei de toegesprokene, en -stond van ’t piano-krukje op. „Ik kon niet nalaten ’m even te spelen. -Anders had ik me verveeld.” - -„Of je gelijk hebt. ’t Spijt me heusch vreeselijk dat ik je heb moeten -laten wachten.... Kom, laten we hier niet blijven. ’t Is aangenamer in -mijn boudoirtje hiernaast.” - -Paula lichtte de zware portière op, die de voorkamer—de eigenlijke -salon—van bedoeld vertrekje scheidde—en de vriendinnen gingen arm in -arm binnen. - -Naar ’t uiterlijk waren ’t vrijwel contrasten: Margot was hoog blond en -slank. Tegen Paula’s kleine, welgevormde gestalte stak haar ietwat -mager figuur sterk af. Zij miste ook de gratie zoo bizonder aan Paula -eigen. Wellicht lag dit aan haar inderdaad buitengewone lengte. In -smaakvolle kleeding deed ze voor haar vriendin niet onder. Innerlijk -was er dit verschil, dat Paula het intellectueel verre won van Margot, -al deed de laatste ook graag alsof ze geestig was. Haar levendigheid -was ook geheel anders dan die van haar vertrouweling, miste het -bekoorlijk gloedvolle, het bezielde, het echt hartstochtelijke: bij -haar was ’t luidruchtigheid wat de plaats van Paula’s opgewektheid -innam. Haar gepraat had iets bizonder druks, vermoeiends, had iets van -leeg gerammel: bij Paula was muziek in ’t afwisselend hoog en laag -harer stemmodulaties. De heele uitdrukking van haar gezicht had ook -iets kouds en levenloos. In haar licht grijsblauwe oogen was geen vuur. -Op de dunne lippen had de lach iets van een stuiptrekking. Toch was ze -lang niet leelijk. Ze was bizonder blank, en de kleur van ’t haar had -iets van licht getint goud. Geen criticus, ja zelfs geen critica, kon, -zonder zeer streng te wezen, aanmerking maken op eenig deel van haar -gelaat, althans voor zoover lijn, vorm en kleur aanging. Maar haar -schoonheid was die van een goed afgewerkt wassen beeld. - -Op vrij jeugdige leeftijd was ze met een familie mee naar Java gegaan, -als een soort gouvernante voor de kinderen, en, nauwelijks een jaar te -Batavia, had ze ’t aanzoek van een veel oudere koffieplanter uit de -Preanger aangenomen. Na een vierjarig huwelijksleven zonder eenige -stoornissen of bizondere wederwaardigheden, ook zonder moederschap, was -ze op een goeien dag vrij om te gaan waar ’t haar lustte: want manlief -was ad patres en had haar een fortuintje nagelaten. Haar eerste werk -was de „gordel van smaragd” te verlaten en ’t land van grauwe luchten -en motregens weer op te zoeken. Haar moeder woonde in dezelfde stad -waar Larsen woonde, daar had ze ook nog tal van kennissen uit haar -meisjesjaren, zoodat ze weerstand bood aan de verleiding van ’t Haagje, -die magneet voor uit Indië repatriëerende polderlanders, en zich in de -provincie vestigde. Daar was zij met haar middelmatig fortuin een -grootheid, die ze in ’t rijke Den Haag zeker niet zou geweest zijn. Ook -trok haar de omgang met Indische menschen niet aan—ze had genoeg van ’t -leven daar, om er hier in ’t land nog telkens aan herinnerd te worden. -Niet dat ze zich op Java erg misplaatst had gevoeld—o neen, haar -oppervlakkige natuur was te emotieloos om veel te lijden onder de -eentonigheid van een „plantenleven”—maar ze was te veel kleinsteedsche -en gehecht aan ’t oude en bekende, ze miste assimilatie-vermogen. Ook -wilde ze zich gaarne in haar nieuwe omstandigheden—betrekkelijk rijk en -onafhankelijk—aan haar vroegere kennissen vertoonen, waar ze eertijds -arm onderwijzeresje geweest was. Ze kocht een aardig huisje, dat er als -een villaatje uitzag, richtte het vrijwel geheel in naar Paula’s -inzichten en raadgevingen, en liet haar moeder bij zich inwonen: dit -laatste meer uit welvoegelijkheidsredenen dan om de oude vrouw zelve. -’t Stond tegenover de wereld beter dat ze met haar moeder woonde dan -zoo heel alleen. En de oude Mevrouw Van Asbeek was tegenover haar -eenige dochter steeds de goedheid en toegevendheid zelve -geweest—hoeveel te meer nu Margot haar weldoenster was. - -„’t Is toch een snoezig nestje dat je hier hebt!” riep ze bij ’t -binnentreden van ’t boudoir. „Ik kan niet nalaten ’t telkens te -bewonderen. Zeg’s Paula, weet je dat ik mijn pruilkamertje net zoo heb -laten inrichten?” - -„Verandering aangebracht?” vroeg Paula afgetrokken. - -„Ja: alles blauw laten maken, maar overigens precies als hier.” Ze keek -goedkeurend rond. - -„Och, je woû ook niet gelooven dat jij met je blonde haar niet past in -een omgeving van rozerood! Maar zeg, kindlief, kom hier wat op de sofa -zitten. Hier heb je een kussen. Zoo, zet dat achter je rug. Ziezoo, nu -kom ik hier bij je zitten. Ik heb je wat nieuws te vertellen.” - -Paula keek gewichtig. - -„Zoo? Toe, vertel ’s.” - -Paula trok haar eene been op, en sloeg de handen in elkaar om haar -opgetrokken knie, een geliefde houding van haar wanneer ze recht -vertrouwelijk ging wezen. Onder het donker granaatkleurig kleed kwam -haar roze-zijde onderrok te voorschijn. - -„Je raadt nooit wat het is,” zei Paula geheimzinnig. - -„Een nieuwe adorateur?” - -„Och! Dat is nooit nieuw genoeg. Die kan ik krijgen zooveel ik maar -hebben wil!” - -„Nu, wat dan? Ga je op reis?” - -„Pas geweest in Augustus. Nee, nee, nee, ’t is iets heel heel -ernstigs....” - -„Kom, maak me niet nieuwsgierig. Ik geef ’t op.” - -„Ruzie met m’n man!” - -„Met je zooltreder? Maar dat is niet denkbaar!! Wordt-i jaloersch?” - -„Iets van dien aard....” zei Paula peinzend. - -„Scène gehad?” - -„Ja verbeeld je, en heel erg ook!” - -„Och, kom!.... En hij had ongelijk natuurlijk?” - -„Jawel, in ’t eerst, maar.... ik heb ’t later te bont gemaakt.” - -„Zoo, hoe dan?” ’t Kwam er eenigszins aarzelend uit: Paula’s overwicht -gedoogde geen volledig uithooren. - -„Wel.... ik....,” en Paula proestte het opeens uit.... „ik heb ’m in -zijn gezicht geslagen! Nee, ’t is te erg.... die goeie brave, -zooltreder!” - -„Is ’t heusch? Ha, ha, ha! Hoe kom je nu dáar toe? En is hij erg boos?” - -„Ja, geducht.... Hij wil van me af.... Stel je voor!” - -„Van je scheiden? Kom, meent hij dat?” - -„Ja, dat zegt-i. ’t Is te mal om los te loopen. Och, ’t was ook niet -uit te houen langer! Ik heb me ’s gelucht, eindelijk. En wat nog ’t -leelijkst is, ik heb hem allerlei leelijks van mezelf verteld.” - -„Van je aanbidder?” - -„Och ja, om hem te treiteren,” zei Paula ontwijkend. - -„Hij zal je niet geloofd hebben.” - -„Dat hoop ik ook. De zaak is nu hem weer te sussen.” - -„Dat zal best gaan, zou je niet denken?” - -„Jawel, maar dan moet je me helpen. Kom hier veel: dat geeft -afleiding....” - -„Goed, best, ik kan ’t wel met hem vinden. Ik blijf van middag bij je -eten, is dat goed?” - -„Uitstekend. Ik weet anders geen raad: ’t Is zoo’n malle verhouding.... -En met Didi, vin’ je niet?” - -„Zeker. Maar komt hij aan tafel?” - -„Och, ik denk dat hij ’t wel voor de vorm doen zal. Hij geneert zich -tegenover de meiden en tegenover Didi.” - -„Stuur Didi maar veel bij mij, dan kan ze met Nero spelen.” - -Nero was een groote hond, die Margot erop nahield, een bizondere -gunsteling van Larsen’s dochtertje. - -„Ze heeft toch niets gemerkt van jullie ruzie?” ging Margot voort. - -„Ik geloof ’t niet,” antwoordde Paula onverschillig. „Maar, zeg, je -blijft dus, he? We hebben van middag tong—ossetong—daar hoû je immers -van?” - -„O, delicieus! Zooals jij die altijd hebt....” - -„Larsen is er dol op. Ik heb er nog gauw een laten halen....” - -„Zoo’n slimmert! Wat ze met haar tong verbruid heeft, wil ze weer goed -maken met een andere tong!” Margot lachte om haar eigen geestigheid. - -„Jij doet ’t woord dan maar, hoor,” zei Paula met een glimlach. „Palm -mijn zooltreder maar goed in. En ratel er maar op los, dan heeft hij -geen tijd om aan leelijke dingen te denken.” - -„Laat dat maar aan mij over.... Maar vertel me ’s, heb je weer een -andere modiste in Den Haag?” - -„Nee, juffrouw Laszalle, dezelfde van altijd. Waarom? Bevalt je dit -pakje niet?” - -„Verbeeld je! Ik vin’ ’t snoezig. Ze schijnt voor jou beter te werken -dan voor mij.” - -„Je hebt moeilijker figuur. Dat zegt ze ook.” - -Met een zucht keek Margot neer op haar lange gestalte, en op ’t nieuwe -kostuum dat ze aan had. - -„Ellendig zoo lang te wezen! Je moest ons indertijd gezien hebben, mijn -man en mij: om te schilderen! Hij meer dan een hoofd kleiner dan ik, -stevig in zijn vleesch, en ik daarnaast.... Hij moest altijd op z’n -teenen gaan staan als hij mij een zoen woû geven. Gelukkig was hij niet -erg zoenerig uitgevallen. ’t Was zoo’n eigenaardig type!” - -„Je hield van hem, he?” vroeg Paula. - -„Och ja, dat weet je immers. ’t Was een doodgoeie vent....” - -„En niet jaloersch, of....?” - -„Heelemaal niet! Trouwens, daar in de binnenlanden was niet veel -aanleiding tot zoo iets. Ik ben ’m altijd trouw geweest, heusch.” - -„Ik geloof je,” antwoordde Paula met een eigenaardige optrekking van -haar onderlip. Ze begreep heel best dat die koude natuur geheel buiten -passie kon. Margot was een van die vrouwen die noch de innige, noch de -hartstochtelijke, oppervlakkige soort van liefde kennen: geen man zou -die ooit bij haar kunnen wekken, evenmin als zij ooit in staat was -geweest, of zou wezen, een mannehart in gloed te zetten. Het huwelijk -was voor haar een formaliteit geweest, die nu eenmaal in een -vrouwenleven dient voor te komen, en had evenmin iets met innige -gemoedsaandoeningen te maken gehad als bijvoorbeeld inenten of -„aangenomen” worden bij de „dominé”. Zij had haar man genomen, omdat ze -getrouwd wou wezen, en hij haar omdat hij genoeg had van ’t leven met -een inlandsche huishoudster. En beide prozaïsche naturen hadden -wonderwel bij elkaar gepast. - -„Mis je ’m erg?” vroeg Paula met een schuinsche schalksche blik. - -„M’n man?.... Och, wat zal ik je zeggen.... ’t was ’n beste kerel, -maar.... ik ben weer aan mijn verlies gewend.” - -„Gelukkig mensch dat zich de wereldsche zaken zoo weinig aantrekt,” zei -Paula met een zuchtje. - -Er was tusschen de vriendinnen anders maar zelden sprake van Margot’s -vroeger huwelijksleven, en uit zichzelve kwam de weduwe er nooit toe, -over die haast vergeten periode een woord te zeggen. - -Haar aandacht was dan ook dadelijk op Paula’s toestand gericht. Ze leî -haar hand op haar schouder: - -„Kom, die bui drijft over,” zei ze sussend. „Larsen is een goeiert, -zooals ik er nog nooit een zag.” - -„Och, ik ben toch heusch veel, veel te bar tegen hem geweest,” zei -Paula op komisch berouwvolle toon. - -„Nu goed, doe boete, en toon je nu ’s erg lief....” - -„Dat gaat niet—en dat is nu nog ’t onpleizierigste.... Nee, ik moet -minstens veertien dagen koel blijven; vervelend voor mezelf, weet je, -want ik kàn niet haatdragend zijn—daar ken je me te goed voor, nie’ -waar?—ik kan niet mokken, en ik ben heusch bang dat ik uit mijn rol -val.” - -„En wat zou dat nog?” - -„Wel—mijn prestige! Ik heb hem zelf gezegd dat ik hem als een vreemde -zou behandelen.... en verbeel’ je dat ik dat nog niet eens veertien -dagen volhield! Nee, ik moet zien wat hij doet. Hij moet de eerste -zijn!” - -„Is dat dan ook niet bar?” - -„Och, nou ja, maar dat kan nu eenmaal niet anders. Als hij maar een -beetje toenadering toont, dan schiet ik wel los.” - -„In z’n armen.” - -„Nee, niet zoo in eens. Maar lief wil ik dan wel wezen....” Paula -verzonk in gepeins. „Hè, ik woû ’t al zoover was! Ik hoû niets van -kibbelen en zure gezichten. Ik kan niet boos blijven.” - -„Hij ook niet.” - -„Nee, ik geloof ’t niet.... nee, zeker niet. Hij is veel te goed -en—houdt te veel van me. Maar je begrijpt: hij moet toch iets toonen -nadat ik.... hem zoo.... zoo’n klets gegeven heb....” - -Bij de herinnering aan haar hardhandigheid schoot Paula in een -zenuwachtige lach: - -„Nee.... maar ’t was te.... te bar.... Hij moet een gezwollen wang -ervan hebben! Arme vent. Ha, ha! Wil je wel gelooven dat ik hem zóo zou -willen zoenen, Margot? Zoo’n beste goeie lobbes! Nee, ’t was heusch -leelijk van me....” - -„Dat is zeker de eerste keer dat je zoo iets gedaan hebt?” - -„Op m’n woord, hoor! Wat dacht je! Nee, we hebben nog nooit te voren -zoo’n ruzie gehad. Z’n eigen schuld.... wat doet-i zoo jaloersch te -wezen!.... En toch.... heb ik er eigenlijk spijt van....” - -Margot keek belangstellend en met curieuze blik naar haar vriendin; zij -kon zich al die hevigheid niet best voorstellen: tusschen haar en haar -man was alles altijd zoo vlot en kalm gegaan. - -„En wat ga je nu al die tijd doen?” vroeg ze. „Ik bedoel zoolang ’t nog -niet weer goed is? Je kunt toch niet de doofstomme tegen hem spelen zoo -veertien dagen lang....” - -„Wel.... ik ga veel piano-spelen.... en zingen. Daar luistert hij naar, -of hij wil of niet. En dan—kom jij hier, en ik praat met jou. Of.... ik -ga lezen.... ’t Is waar ook, heb je wat moois voor me te lezen? Larsen -heeft niets dan vervelende lectuur, je weet wel....” - -„O ja, ik heb wel wat. Fransch, he?” - -„Goed, Fransch. Die Hollandsche romans vin’ ik meestal taai. We hebben -maar éen romanschrijver: Couperus, vin’ je ook niet?” - -Margot las om zich de tijd te dooden, en van stijl had ze maar heel -weinig benul. Ze kende van de boeken die ze las de titels—de namen der -schrijvers daar lette ze meestal niet op. Ze verwarde Therèse Hoven met -Frederik van Eeden en Couperus met Melati van Java. - - - - - - - - -IX. - - -De vriendinnen praatten nog een poos gezellig door, en na een uurtje -was Paula weer geheel de oude en vol hoop op herstel van den vrede. In -den beginne had ze nu en dan wel aanvechtingen van twijfel gevoeld, al -waren haar woorden tegenover Margot ook nog zoo vol zekerheid. - -De meid kwam zeggen dat ’t eten klaar was. - -„Is meneer thuis?” vroeg Paula. - -„Meneer is zooeven thuisgekomen, met Didi, mevrouw. Ik geloof dat ze -boven zijn.” - -„Ga je even waarschuwen? En zeg dan meteen dat mevrouw Ennery er is, -wil je? Wij gaan vast in de eetzaal.” - -„Goed, mevrouw.” Er was een vleugje van spot om Pietje’s ondeugende -kleine mond toen ze de kamer verliet. - -In de eetzaal wees Paula haar vriendin haar gewone plaats—ze kwam bijna -iedere week familiaar eten—naast Larsen. - -„Lief die bloemen,” zei Margot, en boog een tak rozen naar zich toe, -die op de etenstafel stonden. „Je hebt goed slag van rangschikken.” - -Paula lachte. - -„Je vergeet dat ik ’t laatste uur bij jou heb gezeten! Dat heeft Pietje -gedaan.” - -„Nu ja, die inspireer jij. Ik hoû van bloemen op tafel. Ik doe ’t ook -altijd.” - -„Och, Larsen is er op gesteld.... Een Engelsch gebruik. Je weet, zijn -moeder was een Engelsche. Ik mag ’t ook, en ik heb vandaag wat nieuwe -rozen besteld. Zeg maar dat jij ze gezonden hebt....” - -Larsen trad binnen, en begroette Margot Ennery met vriendelijke -beleefdheid, zijn vrouw knikte hij gewoon toe. Zij nam hem tersluik -waar. He, ja, ze kon zien dat zijn eene wang.... of verbeeldde zij ’t -zich? - -„Wel, Larsen, wat zeg je van mijn rozen?” - -„Jou rozen? Heb jij ze gezonden? Dat is heel aardig.” - -„Ja, uit mijn tuin: najaarsrozen. Snoezig, he? Kijk ’s, Didi.” - -Didi was met haar vader binnengekomen, en had haar moeders vriendin -vriendelijk, maar op zichtbaar gedrukte wijze, gegroet. - -„Jij komt vandaag naast mij zitten, nie’waar kind?” zei Margot -aanhalig. Didi had niet veel sympathie voor de altijd pratende weduwe. -Ze mocht haar hond veel liever. „Hoe maakt Nero ’t?” vroeg ze zonder op -de uitnoodiging te letten. „Waarom heeft u ’m niet meegebracht?” - -„O nee, hij is zoo lastig. Kom jij hem maar ’s opzoeken, hoor.” - -Men zette zich aan tafel, Larsen en Paula stil, de laatste zenuwachtig; -Margot steelsche blikken werpend, terwijl ze herhaalde malen haar stoel -verzette en erg druk deed met haar servet; Didi met een wolkje van -nadenken op haar voorhoofd. - -Larsen ondernam blijkbaar met graagte zijn gewone taak: voorsnijden. - -„Een mooie kalfsrollade!” riep Margot om iets te zeggen. „En Larsen -snijdt weer om er jaloersch van te worden. Dat is nu toch een -huishoudelijke bezigheid die een man beter doet dan een vrouw.” - -„Och, kom, ik kan ’t ook,” zei Paula. - -„Tegenwoordig willen de vrouwen alles even goed doen als de mannen; wat -zeg jij, Larsen?” - -„Ik weet ’t niet....” antwoordde de gastheer met een lachje zonder van -zijn rollade op te kijken. - -„In ’t vleeschsnijden laat ik graag de mannen de eer.” Margot lachte. -„In de rest....” - -„Ben je voor volkomen gelijkheid?” vroeg Paula. - -„Nee, ik ben niet modern.... dat weet je. Ik bedoelde: voor de rest -moet de man zich niet met huishoudelijke bezigheden inlaten. Verbeel’ -je, mijn man zette zijn eigen koffie. Dat is ’t eenige waarover we ’t -nooit eens konden worden....” - -Larsen onderdrukte een zucht, en sneed eenige te dikke plakken vleesch -af. „Ja, hij beweerde, dat ’n ander ’t nooit zoo goed kon.” - -„Nu, dan zal ik je ’s mijn koffie straks laten proeven,” zei Paula. -„Trouwens, die ken je.” - -„Ik moet bekennen: mijn mans koffie was onberispelijk. Hij wou altijd -hebben dat ik ervan mee dronk, en dat deed ik dan ook maar. Je moet -elkaar wat toegeven in ’t huwelijk.” - -Onderwijl diende Paula de soep. - -Larsen ging zitten en voorzag zijn buurvrouwen van wijn. - -„Je bent stil, Larsen,” zei Margot. „’t Erg druk gehad? Zeker weer vol -van je werk?” Larsen keek op met een leegen blik. - -„Och, ja.... Je weet dat ik al maanden bezig ben. ’t Is nogal taai hier -en daar, maar ik schiet gelukkig goed op.... ’t Eischt nogal veel -gesnuffel in oude papieren, archiefstukken en zoo....” - -„Ik kan me voorstellen dat het interessant is,” zei Margot. „Ik vin’ ’t -al een heel genoegen oude brieven na te lezen. Je vindt soms -curieuzen—soms herken je jezelf niet in wat je vroeger geschreven -hebt.” - -Larsen keek weer op zijn bord, en fronste even de wenkbrauwen. - -„Jammer dat jou boeken zoo geleerd zijn, Larsen. Ik wou dat je romans -schreef.” - -Hij romans! dacht Paula en onderdrukte een lach. - -Het tweede glas wijn deed bij haar alle gedwongenheid verdwijnen. In -haar oogen blonk weer de oude overmoedigheid. Het gezicht van Larsen, -die eenigszins krom over zijn bord gebogen zat, met een onmiskenbare -trek van slecht onderdrukte wrevel om den mond, kreeg voor haar iets -komisch in verband met de moeite die Margot zich gaf om hem aan de -praat te krijgen. - -Beurtelings nam ze hen beiden waar, en ze voelde lust om zich te zijnen -koste te amuzeeren, door haar vriendin aan te sporen en hem om zijn -verlegenheid „in ’t ootje” te nemen. - -„Ja, Willem,” zei ze, „waarom schrijf je niet eens een roman? Je zou ’t -best kunnen, geloof ik. En dan had ik ook nog ’s wat aan je boeken. Je -kon er mij in te pas brengen bij voorbeeld.” - -Haar losse onbevangen toon verbaasde Larsen; maar beseffende dat hij -hier in gezelschap beter deed te doen alsof er niets gebeurd was, -antwoordde hij zoo goed hij kon op natuurlijke toon: - -„Geleerde en romanschrijver beiden zijn gaat niet. Een romanschrijver -met zijn speelzieke verbeeldingskracht zou nooit een betrouwbaar -geleerde—vooral geen historicus—kunnen wezen. En een geleerde zou met -zijn nuchtere logica nooit een leesbaar verhaal kunnen schrijven.” - -„Kom, larie!” riep Paula en sipte haar derde glas wijn leeg. „Dat is ’t -gewone praatje. Geleerden zijn naar mijn idee veel te saai, te dor, te -droog. Die mochten wel wat meer fantazie hebben: dan zouden ze -genietelijker wezen, en de menschen zouden de wetenschap niet meer -vervelend vinden. Dat is ze tegenwoordig altijd.” - -„Leve de fantazie!” riep Margot. „Zeker, Larsen, je moet maar ’s een -mooie roman beginnen. Ik weet ’n mooie titel: „Wetenschap en liefde”. -Van de liefde moet erin voorkomen, dat weet je: anders is ’t geen -roman.” - -Paula praatte door: - -„Ik zal je dadelijk een voorbeeld noemen van een geleerde die romans -schreef: Goethe. En zoo zijn er meer geweest en nog. Felix Dahn is een -historicus als jij en schrijft ook wel romans, en Ebers is ook een -geschiedenis-man. Deugen die soms minder omdat ze hun licht ook ’s -buiten ’t kringetje van vakmannen laten schijnen? Kom! En dan: dichter -of romanschrijver is „koekoek éen zang”. Nu: er zijn hoopjes dichters -geweest onder de geleerden.” - -„Zeker niet onder de leiders, de allergrootsten.” - -„Dat mag wezen; maar ’t is de vraag wie per slot van rekening de -verdienstelijksten zijn geweest tegenover ’t menschdom. En dat is toch -maar wel beschouwd ’t doel van alle wetenschap.” - -„Nee, Larsen, je legt ’t af, hoor,” zei Margot. - -Larsen glimlachte gedwongen. „Wil je nog een glas wijn?” vroeg hij en -bewoog de flesch in Margot’s richting. Zij schoof haar glas een eindje -vooruit. - -„Ze praat goed, dat moet je toegeven,” hervatte ze. - -„Zeker, daar twijfel ik niet aan. Vrouwen praten over ’t algemeen beter -dan wij mannen.” - -„Dat bedoel je ironisch,” zei Margot. - -„Ik zeg praten,” verklaarde Larsen, „dat doen ze beter. Spreken is wat -anders. Ze praten beter omdat ze meer fantazie hebben. Voor goed -spreken is alleen logisch denken noodig.” - -„Zoo, complimenteus voor ons!” antwoordde Margot. - -„Een vrouw deugt daarom ook minder voor geleerde,” ging Larsen voort. -„Een geleerde vrouw is ’t onvrouwelijkste wezen dat ik ken!” - -„Dat komt alweer om de oude misvatting!” riep Paula, „waarom is zoo’n -geleerde vrouw als jij bedoelt onvrouwelijk? Omdat ze niet aangenaam is, -omdat ze dezelfde vervelende eigenschappen heeft als een geleerde man, -zoo opgevat; en in een vrouw hinderen die nog meer. Als je geleerde -opvat zooals ik, zou ’t juist ’t omgekeerde wezen. Een geleerde moet -iemand zijn van algemeene ontwikkeling. Tegenwoordig zijn geleerden -bijna altijd eenzijdig. ’t Moeten menschen zijn wier smaak ook -ontwikkeld is, die wat kunstzin hebben; en zoo iets bereiken vrouwen -gewoonlijk makkelijker dan mannen. Er zijn vrouwen geweest die elegant -en aantrekkelijk waren en toch geleerd. Dat is je ware. Daar moet het -heen. Wij vrouwen zullen de wereld moeten toonen hoe je geleerd moet -wezen.” - -„Laten we daar ’s op drinken,” zei Margot, die vond dat het gesprek wat -„hoog” begon te worden. „Nee, ik vin’ ’t ook: een geleerde moet het -niet beneden zich achten zijn oordeel te zeggen over.... bij voorbeeld -een smaakvolle nieuwe hoed. Dat is ook kunst. Daarom betaal je die zoo -duur. Ik wed dat jij, Larsen, niet eens opgemerkt hebt dat ik vandaag -een nieuw kostuum draag!” - -„O, jawel, ’t is heel aardig!” - -„Och, kom, ik geloof er niets van! Heel aardig! Dat ’s altijd zoo jou -stopwoord. ’t Zegt zoo niets. Paula vindt ’t niet mooi.” - -„O, nu....” - -„Dan trek jij je „aardig” weer in! Prachtig, dat moet ik zeggen.” - -„Och,” zei Paula, „je moet van hem buiten zijn vak nooit iets anders -verwachten. Als ik hem iets moois voorspeel of zing, zegt hij òf niets, -òf, als ik hem vraag hoe hij ’t vindt, steeds „heel aardig”.” - -„Nu ja, je weet wel beter,” zei Larsen. - -„O, ik heb ’m eens op de proef gesteld!” ging Paula voort. „Verbeel’ -je: ik had eens mijn kapsel allerbespottelijkst opgemaakt. Onder andere -had ik er een van die kleine Japansche waaiertjes ingestoken. Hij lette -er niet op, en toen ik zijn meening vroeg, jawel, hoor: „heel aardig!” -kwam er toen weer.” - -Larsen voelde zich ongemakkelijk, en verlangde naar ’t einde van de -maaltijd. Zelfs de ossetong, zijn lievelings-gerecht, kon hem niet de -noodige afleiding geven. - -„En hoe vin’ je die tong?” vroeg Paula, die haar man even gadegeslagen -had en ’t niet pleizierig vond dat haar „attentie” blijkbaar weinig -waardeering bij hem inoogstte. - -„Heel aardig!” zei Margot, en lachte luid. - -Larsen deed ontdekkingen op ’t terrein van Paula’s karakter. Hij had -daarvan in de laatste vier-en-twintig uren meer waargenomen dan in de -voorafgaande dertien jaren van zijn huwelijk. Merkwaardigerwijze was -niets of nagenoeg niets meer overgebleven van de voorstelling die hij -zich zooveel jaren lang van haar gemaakt had. ’t Was of er een heel -ander beeld voor in de plaats was getreden. Zooals in ons -voorstellingsvermogen regel schijnt te wezen, denken wij ons een -bepaald persoon steeds in een bepaalde gedaante en steeds enkele -eigenschappen vertoonend, of woorden sprekend die ons het meest in hem -of haar opgevallen zijn. Er is als ’t ware een signalement in enkele -trekken in voorraad, ergens in ons magazijn van denkbeelden, dat we, -zoodra de persoon ter sprake komt, voor den dag halen. Dit doen we -zelfs—vooral wanneer we menschen van een overwegend impressioneel leven -zijn—wanneer de persoon aanwezig is, met ons spreekt; en al zien we ook -tegenstrijdigheden, eigenaardigheden die niet met het „signalement” -overeenkomen, we storen er ons meestal niet aan, en vaak is iets als -een electrische schok in de vorm van een treffende gebeurtenis of -handeling noodig, om ons duidelijk te maken dat het signalement niet -deugt of zelfs maar wijziging behoeft. - -Zoo ging het met Larsen tot zijn innige verbazing. - -Hij zag en hoorde Paula praten, sloeg haar ongedwongen houding gade en, -hoe dikwijls hij haar ook te voren zoo gezien had, thans was ze hem -nieuw. Voor zijn geestesoog verbond zich nu haar persoonlijkheid steeds -met de mooie furie in kimóno, en in het timbre van haar stem, waarnaar -hij zoo vaak met genot geluisterd had, klonk hem thans steeds iets -onaangenaams, schrijnends, woests. En telkens hoorde hij haar woorden: -„Wil je namen?!” zooals zij die tegen hem uitgevlijmd had; telkens ook -hoorde hij opnieuw dat honend-sarrende „cocu”, zag en voelde hij haar -op zich afvliegen als een dolle. Hij was bleek, en toch voelde hij zijn -eene wang gloeien; hij was schijnbaar kalm en hij voelde zijn hart -omdraaien van walg en afkeer. En ’t was of hij valschheid en -huichelarij zag in ieder woord, in iedere blik, in ieder gebaar dat hij -van haar waarnam. Hij slikte zijn eten met brokken in, dwong zich om -niet opvallend weinig te eten. Nu en dan bewoog hij zijn eene hand, -verschikte zijn servetring naast zijn bord, en werd zich dan opeens -bewust van zijn afgetrokkenheid: de gast mocht niets merken. Hij deed -zich geweld aan, om op gewone toon te spreken, te antwoorden althans. -Hij voelde zich ellendig. - -En Paula en Margot merkten niets, vonden hem opvallend gewoon; zooals -Margot het na tafel noemde. En de laatste luchtte haar geestigheid -onbevreesd: ze kreeg zelfs een goedkeurende glimlach van Larsen terug, -ja zelfs een goedig „zeker, zeker,” of een passe-partout als „nu, die -is goed!” waar zij van hèm al zeer mee in haar schik was. - -De koffie werd vóor gebruikt, en Larsen kon zich eindelijk, met een -onbeschrijfelijk gevoel van opluchting, op zijn gemak neerzetten; in -een fauteuil en eenigszins „verdekt”. Hij nam zich stellig voor zijn -marteling niet langer dan nog éen kwartier te laten voortduren, en zich -dan bij Margot te verontschuldigen. - -Hij was dankbaar dat de drukke gast op andere wijze lucht ging geven -aan haar vroolijkheid en rammelzucht dan door de menschelijke spraak, -al was de muziek die ze te hooren gaf dan ook van ’t zelfde gehalte. -Dat het Japansche koffiekopje, half leeggedronken op de piano, alle -maten tjingelend meedanste scheen háar niet te deeren, en hinderde de -zwaarbezochte Larsen zeker veel minder dan ’t afdwingen van zijn -aandacht voor haar gepraat. - -Paula stond naast de piano, en wisselde nu en dan een blik met haar -vriendin. - -„’t Gaat goed,” fluisterde Margot tusschen twee harde akkoorden in -„Zou-i gaan dutten?” Rèngel—dèng—tèng—tjieng—tjieng! klaterde de wals -van Margot. - -Paula keek even om, en knikte tegen haar met een lach. - -Larsen zat met half afgewend gelaat, de baard tegen de borst, beenen -over elkaar en de beide handen op zijn eene knie; zijn gedachten een -baaierd, zijn hart als een wezenlooze klomp. En hij voelde zich zwaar -neerzakken in een ongekende diepte—diep, heel diep—deed geen poging om -boven te blijven—zakte maar steeds, willoos, rampzalig.... - -De stilte als afknappend tegen Margot’s laatste akkoord, deed hem ’t -hoofd opheffen. Zij zag ’t en met haar vriendelijkst hoog -stemintervalletje vroeg ze: - -„Mooi, he, die wals, vin’ je niet, Lars?” - -De toegesprokene keek haar even aan, voordat hij antwoordde. Hij zag ’t -hoogblonde, vrij losse, ietwat raagbolachtige kapsel, de lange -nek—blank en mooi—de poppenoogen, poppeneus, poppemond en -poppetandjes—regelmatig, scherp en glanzend—en hij vond haar -antipathieker dan ooit te voren. Hij wist niet waarom. - -„Heel aardig!” zei hij niettemin vol overtuiging. - -Paula schoot in een stuiplach, die ze tevergeefs trachtte te bedwingen. - -„Och, jij ook!” zei ze tusschen twee krampjes tot Margot, om haar lach -verklaarbaar te maken. „Wat kan nu iemand die pas wakker wordt anders -zeggen dan.... heel aardig!” - -„Ik heb niet geslapen,” zei Larsen kalm en op een helder klinkende -toon, die hem zelf opviel. - -Hij verbaasde zich nogmaals over Paula, en een oogenblik later -verbaasde hij zich over zijn verbazing. Wist hij dan nog niet dat bij -die vrouw alles aan de oppervlakte lag, dat ze slechts de opperhuid van -een ziel had? - - - - - - - - -X. - - -Pietje de kamermeid zat die avond alleen in de keuken, of, beter -gezegd, die avond na achten; want haar collega de keukenmeid had haar -„uitgangsdag” en verdween dan vrijwel onmiddellijk na de maaltijd; -terwijl ze de „vaten”, zoo juist van tafel afgenomen, in hun onreine -toestand op haar thuiskomst—klokke half elf—liet wachten. Pietje had -dus ’t rijk alleen, en daarin verheugde zij zich deze keer. Zeker iets -ongewoons, want Pietje praatte anders graag, en vond het gewoonlijk -„zielig” zoo op haar eentje in het spijzen-laboratorium haar avonduren -te slijten. - -Ze had iets bizonders die avond, iets heel bizonders, dat haar volle -aandacht in beslag nam. En ’t was niet alleen iets buitengewoons, ’t -was ook een bezigheid die tijd en omzichtigheid eischte. Daarvoor moest -ze ongestoord minstens een paar uur kalmpjes kunnen neerzitten. -Niettemin was ’t een aangename bezigheid. Zeker, zeer aangenaam, hoe -onwaarschijnlijk dit ook moge klinken van een zoo bizonder gezellig, -praatziek en ongeduldig schepseltje als Paula’s vertrouwelinge, Pietje -van Groenewoud. - -Pietje’s oogen stonden dan ook heel genoegelijk. Er blonk een -eigenaardig schijnsel in van innige verkneukeling, van ondeugende -dartelheid. En ze had nòg hoogere kleur dan anders. - -Nauwelijks was de „glazen deur” met ’t mousseline gordijntje achter -Kee’s breede rokken gesloten, of Pietje zette haar stoel, waarop ze -achteroverleunend tegen de gootsteen had gewiebeld, toen Kee er nog -was, met de rugleuning naar de deur tegen de tafel, ging er voorzichtig -op zitten, schoof een paar borden en glazen een heel eind van zich af -op de withouten tafel, zoodat ze zeker een vrije ruimte van een halve -meter straal om haar boezem vóor zich had, maakte een drievoudig -vreugdegeluidje met haar keel, waarbij haar mond eens zoo lang -opgrijnsde, en—tastte in de zak. - -„Ziezoo, dat ’s éen,” mompelde ze, bekeek het kleine voorwerp -aandachtig, draaide het om, vertrok haar mond even spijtig, en leî het -vóor zich neer, heel in de hoogte. ’t Was een stukje papier zoo groot -als een cent, en er stond niets op. Onmiddellijk frommelde ze weer in -haar zak, en haalde er ditmaal twee stukjes uit, van ongeveer dezelfde -afmeting. - -Weer het aandachtig onderzoek. Een teleurstelling en een vreugde: weer -een onbeschreven stukje, en een ander met eenige letters erop. - -Wat stond er? Pietje kon er niets uit maken, met de beste wil niet! -Maar, zie, de eerste letter was een groote, een hoofdletter. En Pietje -had genoeg geleerd op school om te weten dat een zin met een -hoofdletter begint. - -Dat stukje—met de hoofdletter—dus weer bovenaan, links, naast ’t witte -van zooeven, en ’t andere blanco-stukje rechts, ver van zich af. - -Met een zucht kwam er een vierde stukje—tweemaal zoo groot als dat met -de hoofdletter, en daarop stond—heerlijk!—een drietal woorden: „hand te -drukken.” - -„Best,” zei Pietje bijna hardop. Dat was al iets, al was er geen slot -of zin aan. Ze leî het na eenig overleg en aarzeling in ’t midden. -Voorloopig, zie je. - -’t Volgende papiertje was een ware vondst: ....udolf.... stond er, -duidelijk. Wel, dat was een stuk van een naam.... En daar hoorde die -hoofdletter bij, want dat was een R! Rudolf dus, mooi. - -Pietje was verrukt, en in haar extaze vergat ze een oogenblik het -gevonden woord op de vermoedelijk juiste plaats te zetten. - -Wel, wel, Rudolf! Hij heette dus Rudolf.... Een liefje van mevrouw? -Natuurlijk! Maar wie zou ’t wezen?.... Daar hadden ze dus ruzie over -gehad, boven in de studeerkamer.... toen ze mevrouw zoo hoorde „te keer -gaan....” - -Pietje kon haar lachen niet bedwingen. Wel, wel, wel, wat was ze dom -geweest iets anders te denken! - -In blij gepeins verzonken lag ze achterover in haar stoel, de oogen -half dicht. Ze had waaratje gedacht dat.... meneer.... nee, maar -verbeel’ je, meneer, die goeie, doodgoeie meneer.... Nee, ’t was om te -proesten! Dat meneer een liefje gehad had en een brief van haar -gekregen had, en dat mevrouw daarom zoo boos geweest was. Waarom was ze -dan anders zoo verschrikkelijk nijdig geweest.... en nou ja.... die -goeie sullen van mannen.... als ’t erop aankwam waren ze al net als de -rest, hoor! Dat dacht ze zoo.... Maar toch.... nee, dit was -waarschijnlijker, veel waarschijnlijker. Een liefje van mevrouw! En die -heette Rudolf.... Zeker die officier.... - -Nog een minuut lang peinsde Pietje. Toen greep ze energiek in haar zak, -en haalde er een heele dot papiertjes uit. Ze moest er gauw meer van -weten, hoor. Ziezoo, nu uitspreiden, uitzoeken. - -Hè, ’t was om tureluursch te worden! Er waren zeker wel dertig stukjes. -’t Passen en schikken, ’t vreugdevol bijschuiven, en verdrietig -wegvegen duurde zeker een half uur. En Pietje zuchtte en lachte en -kirde zoo tusschenbeide. Hè, lam zoeken was dat! En toch.... ze zou -weten wat er in die brief stond.... daar hielp geen lieve vader of -moeder aan. Nee, mevrouwtje, daar zou ze achter komen, en lekker ook! - -De legkaart begon wat vorm te krijgen: ’t voornaamste was ontdekt, lag -op zijn plaats, behoorlijk, ontwijfelbaar juist.... - -Telkens las ze.... raadde ze. - -Wat stond er nu? Om des te meer voldoening van haar werk te hebben, had -ze een heele poos de woorden der verschillende stukjes niet in hun -onderling verband willen lezen. - -Nu deed ze ’t.... Jawel.... goed, maar was zij dáarom zoo boos -geworden?.... En, wat was dat? „Zíjn kind.... óns kind....” Lieve -deugd, had mevrouw?.... Nee, maar.... En daar was hij dus achter -gekomen, meneer! Nee, dàt had ze toch niet gedacht.... Dus.... o, nu -snapte ze alles! Pietje’s voldoening bij de volledige ontdekking van de -geheimzinnige inhoud van ’t schriftuur had een bijsmaak. - -Pietje was geen slechte meid: wat wuft, erg nieuwsgierig.... maar wat -ze daar las was toch heel erg, hoor.... Ze moest nog aangenomen worden -bij de dominé, en.... dat zou over een maand al wezen. - -Zoo’n onbescheidenheidje.... nou ja.... maar Pietje vond.... dat zij, -als ze mevrouw was.... ’t nooit zoo ver had laten komen. Een onschuldig -vrijagetje, dat had er nog door gekund. Maar, heî je nou ooit, zoo’n -geschiedenis, en dan tegenover die goeie meneer! - -Weer verzonk Pietje in gepeins achterover in haar stoel, de eene -hand—klein, maar met krootroode werkvingertjes—slap op de tafel voor -zich, de andere in haar schoot. - -Die Rudolf was toch niet.... Nee.... meneer Van Breehorst heette.... -och, hoe heette die ook weer?.... O, ja, Frederik.... of eigenlijk -Frits: zeker, ze had mevrouw wel ’s Frits hooren zeggen. Die kwam een -poos geleden nogal veel in huis, en mevrouw mocht hem heel graag: o, -zeker dat had ze wel kunnen zien. Ze was toen pas in dienst.... drie -jaar geleden.... Maar dan dat kind.... Och, hoe kon ze nou zoo -ezelachtig wezen....! Ja, maar die groote dames kunnen dat zoo mooi -stilhouden.... en dan uitbesteden ergens.... dat kind.... en dat was -toen gestorven.... Och nee, dat was toch „krimmeneel” onmogelijk: daar -zou ze als kamermeid toch wel iets van gemerkt hebben.... ’t Is waar, -mevrouw liet haar bij alle vertrouwelijkheid nooit in de badkamer, als -ze daar bezig was met water te knoeien.... maar nou ja, je kunt zoo -iets toch wel snappen.... Pietje kon zoo iets wel snappen.... Nee, -Pietje wist te veel van mevrouw.... meer dan meneer, hoor. Nee, nee, -nee, die veronderstelling was te gek. ’t Moest van vóor haar tijd -wezen. Hoe zou ze daar licht in krijgen?.... Ze wou ’t toch zoo graag -weten.... Niet om ’t een of ’t ander tegen mevrouw.... nou, dat moest -er nog bijkomen; ze hield immers zooveel van mevrouw! Maar, och, zie -je, ze.... ze.... nou ja, ze woû, ze moest en zou ’t weten.... - -Pietje’s gepeins werd dieper, absorbeerender. - -Opeens sloeg ze op de tafel met haar kleine roode vuistje. Ze schrok er -zelf even van. - -Die Rudolf.... wel, dat was die vriend.... nee, die neef van meneer, -die jaren geleden naar „de Oost” gegaan was! Daar had je ’t! O, dat was -het vast. Zeker, die heette Rudolf. Ze had er meneer wel ’s over hooren -spreken. Meneer, ja, mevrouw niet. Nee, mevrouw had nooit iets van hem -gezegd.... Laatst, ’t was voor eenige weken nog, had meneer een brief -uit Indië gehad, van z’n broer—ja, van z’n broer, ze wist het nog -goed—en toen had ie nog tegen mevrouw gezegd: „Hoe vreemd, nie waar, -vrouwtje, dat we maar altijd niets van Rudolf hooren?”.... Ja, en toen -zei mevrouw nog: „Ja, erg vreemd”—niet meer—en toen zei hij weer: „Ik -had zoo gehoopt eindelijk ’s wat van ’m te hooren.” Ze herinnerde zich -nog best dat ze juist wat in de huiskamer ronddribbelde, toen Mevrouw -haar gebeld had, aan de koffietafel. - -Zeer tevreden over haar ontdekking klaarde Pietje’s gezicht weer op. O, -maar, als ’t dàt was.... wel, recht beschouwd was ’t dàn toch zoo -vreeselijk niet. De man was immers weg, heel ver weg. Ze wisten nie’ -eens waar-i zat. En ’t kind was ommers dood. - -Pietje vond telkens nieuwe bewijsgronden dat haar mevrouw toch nog niet -zoo slecht was als ze gedacht had. - -Ze stond van haar stoel op, richtte zich naar de schoorsteen, reikte -even naar ’t lijmpotje in de hoek op de richel. Daarna ging ze weer -zitten, schoof de lâ van de keukentafel open, haalde er een stuk van -een oude courant uit, en begon te plakken. - -Er ontbraken een paar stukjes hier en daar. Dat kwam er niet op aan, -want de brief was toch goed in zijn geheel te begrijpen. Pietje begreep -er genoeg van ten minste, en ’t was een kostbaar stuk. Ja, een papier -van belang, dat besefte ze. Waar zou ze ’t bewaren? Hier in de keuken -zeker niet.... nee, voor geen geld mocht Kee zoo iets zien: de zaak was -ommers uit, heelemaal uit, en ’t was beter dat geen haan ernaar -kraaide. - -En toch was mevrouw zoo boos geweest. Nu, dat begreep ze nu wel: meneer -moest ook niet zulke ouwe koeien uit de sloot halen.... en dat had-i -zeker erg onpleizierig gedaan. Meneer kon soms onpleizierig wezen, -hoor. Niks nie vriendelijk, altijd zoo met die basstem, en dan hij -lachte zoo weinig. Nee, als zij mevrouw was geweest.... zou ze toch ’n -ander genomen hebben. En òf ze. Mevrouw hield toch ook zeker niet van -hem. Ik had ’t altijd wel gedacht: hoe kon je nou ook van zoo’n saaie -knul houden? - -Die lieve mevrouw.... - -Pietje voelde zich een beetje aangedaan. Als ze ’s die’ brief aan -mevrouw gaf.... O, mevrouw zou misschien even boos zijn, maar dan.... -per slot van rekening zou ze ’t toch wel prettig vinden dat -ongelukspapier weer in haar handen te hebben. Ze kon ’t dan -verbranden.... Ja, maar, was dat wel zoo zeker? Zou mevrouw niet -furieus op haar zijn, omdat ze zoo brutaal geweest was die stukjes op -te rapen, en de brief te lezen?.... Och, nee, ze woû ’t toch maar -liever niet doen. Niet direkt ten minste. Eerst maar goed bewaren. -Boven in haar „lâtafel”, haar heiligdom, daar zou ze ’t wegleggen, dat -papier. Onder haar baaien rok.... nee, liever in de onderste lâ: daar -kwam ze nooit in. - -Plotseling keek Pietje verschrikt op.... Wat was dat? Krimmeneel, is -dat schrikken, en ’t was maar die lange sladood van een mevrouw Ennery: -wat sloeg dat mensch op de piano! - -Pietje keek ’s op de klok rechts van haar aan de wand. Kwart over -tienen al. O, Kee kwam pas over een kwartier of zoo.... Haar gedachten -gingen een heel andere kant uit: uitgaan, haar vrijer.... of, -vrijer.... eigenlijk had ze er geen.... of meer! Ja, ze wouen haar -allemaal wel hebben, maar ze had haar woord.... - -Weer een schrik. - -De deur ging open, en Kee stevende binnen, roodstralend van wangen, met -glinsterende oogen. - -„Zoo, wat voer jij uit? Je zit zoo te koekeloeren....” - -Pietje stond doodsangsten uit. Opeens liet ze haar bovenlijf over haar -legkaart vallen, en steunde haar hoofd met beide handen. - -„Och, ik heb slaap....” - -„Waarom ga je maar niet na’ bed?” zei Kee medelijdend en moederlijk. - -„Ja.... nu jij thuis bent.... Maar die mevrouw Ennery is nog niet -weg.... Dat vervelende schepsel....” - -Kee verdween in de gang. Gelukkig. Ze had haar mantel nog niet -uitgedaan. - -Fluks schoof Pietje het papier vóor haar in de lâ van de tafel. In -vredesnaam: daar maar voorloopig. Er was niets anders op. - -Pietje ging naar bed, angst in ’t hart.... - -Eerst anderhalf uur later hoorde ze Kee naar boven komen. En toen ze in -’t kamertje naast haar Kee’s welbekend gesnurk hoorde—die meid sliep -altijd als een roos, vooral na een uitgangsavond—kroop ze voorzichtig -uit haar bed, schoot haar muilen aan, en sloop de trap af. Naar de -keuken. - -Ze had ’t papier, hoor. Dat beroerde ding! Wat ’n angsten gaf haar dat -nu al! Ze woû dat ze ’t nooit gevonden had. Ook toen ’t veilig in de -onderste lâ van de bruine „lâtafel” lag; want slapen deed ze heel -slecht die nacht. En droomen, nee’ maar! - -Ze was er de volgende ochtend kapot van. - - - - - - - - -XI. - - -Als men een fraaie fresco-schildering van een muur wegbreekt of -afkrabt, blijft er een leelijke „moet” achter, iets dat het oog -bizonder onaangenaam aandoet; en hij die weet wat vroeger daar tot -verlustiging van de blik geschilderd was, voelt dan iets van de -schrijning eener ontheiliging in zijn hart. Toch was die schildering -slechts een sieraad, een bijkomend iets, en de muur zou evenzeer aan -zijn eigenlijk doel beantwoord hebben zonder dat, en zal dat ook wel -doen nadat het verloren gegaan is. - -Voor Larsen was zijn liefde schoon als zulk een fresco, maar ze was -meer dan een sieraad van zijn bestaan, ze was daarmee vergroeid. En de -wonde in zijn ziel geslagen na de plotselinge wegrukking dier liefde, -was daarom vreeselijk. - -Larsen’s liefde was zijn gansche zieleleven: zijn godsdienst, zijn -eerzucht, zijn geestdrift voor wetenschap en kunst. - -Zijn liefde was zijn godsdienst, omdat voor hem godsdienst de vereering -was van al wat goed en schoon is. En in zijn Paula vereerde hij de -belichaming van beide. Als hij zelf er zoo nuchter over had kunnen -nadenken, dan zou hij ingezien hebben hoe dit verschijnsel bij hem -slechts een andere vorm was van dat hetwelk men bij zooveel volken -vindt: afgoden- en heiligendienst. De menschen, niet tevreden met het -abstracte, willen verpersoonlijking, concentratie van vereering op een -tastbaar voorwerp. Zijn aanbidding van die vrouw was te vergelijken met -die van de stier Apis door de Egyptenaren of van Jan van Leiden door de -Wederdoopers. - -Van ’t zelfde beginsel uitgaande, was echter zijn aanbidding vuriger en -dus ook meer verblindend. En toen ’t licht plotseling uitdoofde, stond -hij radeloos in ’t duister. - -Zijn liefde was zijn eerzucht, omdat hij zich geen geluk kon denken -zonder zijn liefde, en alle streven naar geluk in dienst zijner liefde -was. Zijn liefde maakte hem fier, staalde zijn werkkracht. En toen zij -verdween, verzwond ook de lust, zweeg het „excelsior!” dat zijn liefde -hem steeds had toegeroepen. En hij stond doelloos, verbijsterd, -wezenloos. - -Zijn liefde was zijn geestdrift voor wetenschap en kunst; want deze was -slechts éen uiting der levensvreugde die hem vervulde door zijn liefde. -Waar zij niet meer zijn ziel doorjuichte, werd ook de geestdrift -uitgebluscht, en leek hem mat en kleurloos wat hem zoo lang heerlijk -had toegeschitterd. - -Zoo was dan zijn gansche innerlijke mensch geschokt, zijn zieleleven op -het doode punt gekomen. - -Als een tastende in den blinde had hij naar een uitweg gezocht. En toen -hij zich die afgesloten zag, was het of alles voor hem ophield. Dagen -achtereen leefde hij voort in dof broeden, en zijn lichaam voldeed aan -de eischen van zijn stoffelijk bestaan als een nachtwandelaar. - -Hij meldde zich ziek, en gaf zijn colleges niet meer. Hoe zou hij -kunnen, mijn God, met zulk een hel in zijn hart, zulk een chaos in zijn -hersenen!? - -Zijn ijzersterk gestel zwichtte ten slotte, en hij gaf zich geheel en -al gewonnen, ook tegenover zichzelven. - -Op een morgen—een week na ’t vreeselijke tooneel met zijn vrouw—wilde -hij opstaan; maar de inspanning was hem te groot, en hij zonk weer -terug in zijn kussens, slap en machteloos. Hij was anders prompt om -acht uur aan ’t ontbijt, zelfs in die zeven dagen van wanhoop.... - -Om half negen verscheen Paula aan zijn bed. Hij was blijven slapen in -de logeerkamer, en Paula had er zich niet tegen durven verzetten. - -„Ben je ziek?” vroeg ze toonloos. - -Hij antwoordde niet. Zijn oogen staarden haar aan. Hij lag achterover, -’t hoofd midden op ’t kussen, zonder beweging. - -„Wil je niet wat gebruiken.... je ontbijt....? Zal ik ’t boven laten -brengen?” - -Hij schudde het hoofd, even. - -Paula drong niet verder aan. - -„Wacht,” zei ze, en schoof een nachttafeltje bij ’t bed, „ik zal de -meid boven sturen met een tafelschel. Als je dan wat noodig heb, schel -je maar even.” - -Larsen knikte nauw zichtbaar, en Paula ging stil heen. - -Voor haar was de wending die de zaken genomen hadden niet onwelkom. Ze -voorzag een ongesteldheid van eenigen duur. Larsen was anders nooit -ziek, en een afwijking in zijn „automatische” levenswijze—stipt en -geregeld met alles—scheen haar een zeker teeken van ernstige stoornis. -Toch dacht ze geen oogenblik aan gevaar, en zou dit haar ook verre van -gewenscht zijn voorgekomen: neen, waarvoor zou ze hem dood wenschen? - -Kon ze niet innig liefhebben, sterk haten was haar al even onmogelijk. -Ze haatte hem niet. Ze wilde zijn herstel. - -En ze wilde daartoe meewerken. Ze wilde hem oppassen. Dat zou hem -immers gunstig stemmen, en dan was er kans op verzoening. Dat was toch -maar ’t beste: ze hield niet van zure gezichten en ruzie. - -En dan ze had een natuurlijke, men zou geneigd zijn te zeggen een -dierlijke goedhartigheid, die haar er toe bracht met genoegen -iemand—een medemensch—en zelfs een beest, kleine diensten te -bewijzen,—goed te zijn in ’t klein. Trouwens ze deed alles in ’t klein. - -En dat ze hier een menschenhart vertrapt had, belette niet dat ze met -pleizier lekkere schoteltjes voor de zieke wilde klaarmaken, uren bij -zijn bed zitten, en hem in ’t algemeen behandelen wilde als een -volmaakte verpleegster. - -Zoo deed ze. - -Haar eerste zorg was de huisdokter te raadplegen, haar tweede naar haar -moeder te gaan, en in vredesnaam maar alles te vertellen. Ze kon dan ’s -„vrij praten”, iets waar ze ten slotte toch naar verlangde. Dit bestond -daarin dat ze op haar manier al het voorgevallene naar waarheid -beschreef en besprak. Ze wou dat met niemand anders zoo doen, al was -dan ook deze hartuitstorting verre van een volledige bekentenis met „de -waarheid en niets dan de waarheid.” Neen, dat liet haar aard eenvoudig -niet toe. ’t Was haar een behoefte te „borduren”—onoprechtheid was bij -haar natuur en viel haar nooit zwaar, hoezeer ze ook in een oogenblik -van hevige beroering zich en Larsen wijsgemaakt had dat ze uit -zelfbedwang gehuicheld had in haar verhouding en gevoelens jegens hem; -doch evengoed was haar een behoefte zich te uiten, hoe dan ook. Ze -praatte veel, suggereerde zichzelf daarbij, en wist ook anderen -meesterlijk de indruk te geven die zij wenschte te geven. Ze was een -volleerde tooneelspeelster, zooals slechts enkele vrouwen, met hun -fijnbewerkte zenuwen en wonderlijk plooi- en wisselvermogen, dat -vermogen te wezen. - -Van haar moeder zou Paula waarlijk weinig raad te wachten hebben, -aangenomen dat ze die verlangd had. De oude vrouw was een onbeteekenend -menschje, vol bewondering voor haar dochter, een-en-al toegevendheid -voor deze; zonder overtuigingen—behalve die dat Paula een buitengewone -vrouw was, voor wie alles geoorloofd was, en dit alleen nog maar omdat -de betoovering telkens en telkens vernieuwd werd—willoos en -karakterloos; voor wie het leven éen lange dommel was, waaruit ze -slechts nu en dan even wakker schrikte tot halve bewustheid. - -Larsen was altijd te gelukkig geweest om zich over de tekortkomingen -zijner schoonmoeder te ergeren. Trouwens, ze was altijd „wel” met hem, -zei nooit een onvertogen woord, en Larsen was in zijn oordeel over -medemenschen steeds zóo zacht en verdraagzaam, dat hij tegenover -Paula’s moeder moeilijk anders wezen kon: goedaardige menschen worden -door ’t geluk edelmoedig, en hier maakte de uitstraling van Paula’s -bekoring hem bovendien blind voor iemand die haar zoo na stond. - -De tijding van Larsen’s ongesteldheid met wat er aan voorafgegaan was -wekte mevrouw Lindes op tot werkdadige hulp. Ze kwam op Paula’s wensch -logeeren, en stond haar dochter dagelijks bij in de bereiding van -bouillon, het verzinnen van nieuwe smakelijke schoteltjes—voor haar en -voor „Willem”—en het gewone beheer in huis; zoodat Paula zich aan haar -zieke wijden kon. - -„Zou je niet ’s?”.... stelde ze voor, en Paula zei: - -„Waar denkt u aan, moeder? Geen kwestie van, hoor,” en dan zij weer: - -„O, ik dacht maar zoo, zie je. Maar ’t is goed, kind.... Zeker je hebt -weer gelijk....” - -Dan was haar regelmatig gezicht weer een en al sluimerglimlach, een -uitdrukking die er vrijwel altijd op lag. - -Ze sprak zacht en gedempt, liet bij ’t spreken zelden haar mooie -valsche tanden zien, en had iets afgemetens en slepends in al haar -bewegingen en gebaren. In dit opzicht een tegenbeeld van de -luidruchtige Paula met haar allegro-brioso-natuur. Deed Paula’s stem -aan Rossini’s oppervlakkige dartelmuziek denken, haar moeders orgaan -herinnerde in zijn uitingen aan een psalm die gezongen wordt in de -protestantsche kerk. - -Toen de dokter kwam deed Paula ’t woord. Hij scheen Larsen’s toestand -nogal ernstig te vinden. Na het bezoek aan de zieke bleef hij even -praten. - -„Hevige gemoedsbewegingen, mevrouwtje?” vroeg hij nu. - -„Wat bedoelt u—hij? Larsen?” - -„Ja.... ik begrijp die plotselinge overgang niet best. Lichamelijk -letsel is hem toch niet overkomen.” - -„Volkomen juist, dokter.... Hij heeft zich wat opgewonden over.... een -kleinigheid....” - -„Erg opgewonden....” - -„Ja, eigenlijk wel. Dat is nu een week geleden....” - -„En in die tusschentijd?” - -„O, stil, ziet u.... in zichzelf gekeerd; veel meer dan anders....” - -„Hm. Oppassen, mevrouwtje. Sterk gestel, maar.... als die menschen -eenmaal gaan sukkelen, kan ’t heel ernstig worden.” - -De huisdokter, een man van ongeveer Larsen’s leeftijd, had veel van de -wereld gezien, en hij kende zijn menschen. Hij schoof dus een aandrang -van gedachten als niet voor uiting vatbaar op zij, en zeî alleen nog -maar: - -„Hij is in goeie handen bij u. U zal hem wel goed verplegen. En -voorzichtig, nie’waar?” - -„Zeker, dokter, geen zorg,” zei Paula met een allerliefste lach. - -„Goed, goed. Ik kom van avond weer kijken. ’t Beste! Dag, mevrouwtje, -dag mevrouw Lindes, tot ’t genoegen....” Weg was hij. - -„’n Vreemde dokter heb ik dat altijd gevonden, Paula,” teemde mevrouw -Lindes. „Nou schrijft hij ook geen recept....” - -„Och, moeder, wat weet ú daar nou van? ’t Is een goeie dokter.” - -„O, ja kind—ik spreek je niet tegen.” - -En statig ging ze naar de keuken, om Kee over ’t eten te spreken. Paula -ging weer naar de ziekekamer. - -In Larsen geen verandering. Hij sprak niet, en verlangde niets. Haar -bijzijn scheen hem niet te hinderen, en evenmin te behagen. ’t Ontbijt -stond onaangeroerd. - -Paula had haar boek meegebracht, en zette zich tot lezen. Wat de dokter -gezegd had vervulde haar niet lang. Marcel Prévost wist haar spoedig -belang te doen stellen in zijn „Jardin Secret”. - -Toen ze twee uur had zitten lezen, zonder een oogenblik gestoord te -worden, keek ze nog eens naar de gestalte in ’t bed, zag dat Larsen -eindelijk de oogen gesloten hield, en, tot het besluit komende dat hij -sliep, stond ze met een zucht op en ging naar beneden. - -„M’n hemel, moeder, wat ’n zieke!” riep ze beneden in de huiskamer, -waar de oude mevrouw druk in de weer was met de „koffietafel”. - -„Hoe zoo, kind?” zei deze, ’t hoofd even langzaam omwendend, en met -haar gewone schaapachtig goedige uitdrukking. - -„Ik hoû ’t niet uit: Hij is gek, geloof ik.” - -„Wat zeg je?” Dit was geen vraag, maar een gewoon niets-zeggend -antwoord van de spreekster. - -„Ik zeg wat ik zeg. Ik geloof dat-i gek wordt.... Dat zou ’t einde -wezen van al dat gesuf in z’n boeken.” - -„Denk je dat heusch, Paula? ’t Zou misschien wel kunnen wezen.” - -„Nee, stellig.... De man doet niets dan staren, zegt niets, eet niet, -drinkt niet, vertrekt geen spier in z’n gezicht. Ik heb ’t nog nooit -zoo gezien.” - -„Zou hij ook een kop koffie willen hebben? Zou dat ’m niet goed doen?” - -Paula antwoordde niet, maar keerde zich driftig om: - -„Kom, moeder, laten we maar aan tafel gaan.” - -„Och, ik dacht maar zoo....” zeî moeder vergoelijkend, en nog in -dezelfde gedachtengang. - -Paula schoot in een lach. - -„U dacht, u dacht, u denkt veel te veel, moeder! Ha! ha!” - -Haar overborrelende levenslust had ’t weer gewonnen; ze moest weer -spotten en lachen. - -„Stel je voor!” riep Paula, bezig met haar eerste broodje te smeren. - -„Wat, kind?” - -„Dat hij ’s gek werd. Een prettig vooruitzicht!” - -„Maar je zou ’m toch niet in huis houden.” - -„Naar Meerenberg zenden?” - -„Vin je niet?” - -„Ik denk er niet over. Ik zou ’m hier houden. Natuurlijk! Zou u ’t niet -gezellig vinden een gekke schoonzoon te hebben?” - -Mevrouw Lindes’ gelaat was éen vraagteeken. - -„Nou?” drong Paula. - -„Och, zie je, niet erg.... Maar, als jij ’m in huis wil houden.” - -„Als Willem gek wordt, is hij zeker niet kwaadaardig. Mijn goeie -zooltreder kan niet anders dan een bizonder mak gekje worden, en zoo -iemand is een juweel van een man, en een puikje van een schoonzoon: -nooit klachten, nooit ruzie.... Nou u, moeder?” - -„Ik weet niet, kind; maar als jij ’t zegt.... Mijn man die dood is, jou -goeie vader, was wel lastig—dat is zoo—maar....” - -„U had toch liever niet dat hij gek was geweest.... Groot gelijk, -moeder. U is toch een brave ziel. Gelooft u nu vast dat ik dat alles -zooeven gemeend heb? Och kom! ’t Komt terecht, hoor. Gek! Geen idee -van.” - -„’t Doet me heusch pleizier, kind.” - -Mevrouw Lindes lachte schaapachtig, en sliep weer in. - -Ondertusschen was Paula lang niet zoo zeker van het „terechtkomen” in -kwestie, als ze wel voorgaf te wezen, en onwillekeurig dacht ze verder -door over de mogelijkheid van verstandsverbijstering bij Larsen. ’t -Vooruitzicht lachte haar niet toe; want ze had vast geloofd aan een -volkomen herstel der betrekkingen met hem, en een terugkeer van de oude -toestand. Dan, ze wenschte hem niets kwaads, ja ’t zou haar in alle -oprechtheid leed doen als zulk een ramp hem zoo plotseling alle verder -geluk onmogelijk zou maken. He, nee, ’t was akelig, griezelig, zoo -iets.... Ze wilde aan wat anders denken. - -Met ongeduld wachtte ze die avond op de dokter. Larsen had weer niets -willen eten, had ook geen woord gesproken, zelfs geen klaaggeluid doen -hooren. Ze werd er wee van het aan te zien. Had hij geslapen? Ze wist -het niet. - -De arts vond de zieke lang niet bevredigend, wist nog niet wat te -denken, maar zeide weinig of niets. „Rust.... en nog eens rust.” Hij -beloofde de volgende dag terug te komen. - -Zoo ging het dagen achtereen, alleen met dit verschil, dat de patiënt -de tweede dag wat at, telkens weinig en machinaal, na herhaald -aandringen. Hij sliep veel en onrustig, droomde of ijlde—soms moeilijk -te onderscheiden; want zijn gansche toestand leek éen verdooving. - -Wat hij sprak liep steeds over ’t zelfde: Paula, zijn echtscheiding, -haar ontrouw, zijn kind. En, hoe verward de woorden ook waren, Paula -bemerkte duidelijk hoe steeds deze éene gedachte hem door ’t hoofd -gespookt had: de onherstelbaarheid hunner breuk. Zoo, hij had dus ook -die zeven voorafgaande dagen steeds dat denkbeeld gehad, dacht ze, en -ze voelde zich teleurgesteld: ze had zich zijn zwijgen gedurende die -dagen als een gunstig overgangs-tijdperk voorgesteld! Nu was ze -voorzichtig genoeg te zorgen, dat er geen getuigen waren bij die al te -openhartige uitingen. De dokter kwam telkens maar even. Hij zeide iets -van „cerebralis” en van „stupor”, herhaalde zijn rustvoorschrift, en -liet verder alles op zijn beloop. Haar moeder hield ze zorgvuldig -buiten de ziekenkamer, en deze vond ’t veel te aangenaam Paula’s -weelderige huishouding te besturen, om in dit verbod iets hinderlijks -te vinden, verondersteld al dat ze ooit iets hinderlijk vond wat van -haar dochter uitging. - -Wat Paula trof in Larsen’s ijlen was een verward plan om te vluchten -samen met Didi, ver weg, als eenige uitredding; en telkens had hij ’t -over een huisje waar ze samen woonden, vader en dochter elkaar -vertroostend in de eenzaamheid.... - -Hij had dus over zóo iets gedacht? Dat moest dan wel: hoe kwam hij er -anders aan? In zoo’n geval zou zij er al heel leelijk aan toe zijn.... - -Bij háar was de mogelijkheid van zulk een vlucht nooit opgekomen: -verbeeld je, hij, die doodgoeie prozaïsche Larsen! ’t Was al te -romantisch. En hij zou ’t slim moeten aanleggen ook, dat zij ’t niet -merkte.... Maar toch.... juist omdat ze zoo iets nooit vermoed had, zou -’t hebben kùnnen gebeuren.... Goed dat ze nu gewaarschuwd was. Ander -gevaar had ze nooit gevreesd. Haar uitlatingen waren immers zonder -getuigen gesproken: hij had er toch geen gebruik van kunnen maken.... - -Zoo had Paula stof te over om na te denken, terwijl ze haar zieke -oppaste. - -Het denkbeeld om Van Thiemen in de arm te nemen, dat door Larsen’s -schijnbaar onderworpen houding op de achtergrond gedrongen was, -vertoonde zich weer: ja, van die kant was wel hulp te wachten, als ze -’t maar handig aanlegde. En handig wàs ze! Ze was een van die vrouwen -die een aangeboren takt schijnen te bezitten voor alles wat ze -ondernemen. Iedereen nam ze met de grootste gemakkelijkheid voor zich -in. Daarbij een aan ’t naïeve grenzende natuurlijkheid—bij háar hoogste -kunst—die niemand eenige valschheid deed vermoeden, ja menigeen iedere -verdenking daarvan met verontwaardiging van zich deed werpen. - -Ja, ze moest naar Van Thiemen, en zoo spoedig mogelijk. Ze kon nu -moeilijk hem bij zich aan huis ontvangen. De aanwezigheid van de zieke -in huis zou onwillekeurig een drukkende invloed op de stemmingen -uitoefenen—bij Van Thiemen echt, bij haar als gedwongen fraaiigheid. - -Lukte haar opzet bij hem niet—’t kon gebeuren, ofschoon ze er al heel -weinig bang voor was—wel, dan zou ze zelf zien te handelen. In alle -geval kon Van Thiemen haar wel van raad dienen, al wilde hij niet -daadwerkelijk helpen. - - - - - - - - -XII. - - -Paula liet geen gras groeien over wat ze zich voornam. - -Voor ’t bezoek aan de rechtskundige raadsman koos ze de avond. ’s -Avonds, na het diner, is de beschaafde mensch gewoonlijk het best -gestemd en ’t meest vatbaar voor indrukken, en hier hing het welslagen -der onderneming van beide factoren af. - -’s Avonds alleen op bezoek te komen bij een vrijgezel vond ze in dit -geval verre van ongepast: Van Thiemen was de vriend van haar man, en, -nu deze ziek was, lag daarin voldoende verontschuldiging voor haar om, -na een dag van trouwe oppassing, ’s avonds van een oogenblik van vrijaf -gebruik te maken. Bovendien, al zeî de wereld ook iets—ze maalde er wat -om: zij verkoos zoo te handelen, en daarin voelde ze zich als een -vorstin: zij gaf aan wat behoorlijk was, en liet het aan anderen over -slaafs een anders opinie te ontzien. - -Ze belde aan, en trof Van Thiemen thuis. - -’t Bezoek viel hem op als ongewoon, hij dacht aan kwade tijding van -zijn vriend. Begeerig de reden van haar komst te vernemen, zette hij -zich over een gevoel van tegenzin heen. En met zijn gewone -hoffelijkheid ontving hij Paula in zijn salon. - -Zij zat er toen hij binnenkwam. Zij voelde er zich behagelijk: ’t was -er zoo recht gezellig en smaakvol: geen wansmaak en overvulling zooals -ze bij zooveel anderen—collega’s van haar man bijvoorbeeld—waargenomen -had. ’t Was duidelijk dat hier de salon geen pronkkamer was, waar -alleen Zondags en anders bij buitengewone gelegenheden de huisbewoners -durven zitten, en waar in de tusschentijd muffigheid en koude -ongezelligheid heerschen. Evenals in zijn studeerkamer had Van Thiemen -hier een harmonisch gemeubeld, behangen en versierd vertrek ingericht. -Hier was alles lila en wit, behalve het mollige tapijt en de gordijnen -die havana-kleurig waren. De piano stond dwars, en was eveneens -gedrapeerd in die kleuren. Het daarachter gevormde hoekje had een tegen -de muur staande hoekbank, lila-en-wit-geverfd hout. Een dergelijke -bank, maar grooter, liep links en rechts van de andere hoek aan -dezelfde wand; terwijl tegenover den achterkant der piano een zwarte -standaard met een fraai wit beeld—een buste—prijkte. Een groote spiegel -met witte lijst boven de schoorsteen, waarop een bronzen beeld met -uurwerk. Daarnaast en bij de andere hoek een sierlijke palm. Een enkel -doek op een ezeltje tusschen de beide vensters, verder een tafeltje met -weinig stoelen en fauteuils. Eindelijk drie groote aquarellen met witte -lijsten—alle drie heerlijke bloemstukken van groote meesters—en een -elektrische lamp met licht-lilakleurige lelievormige pitten. - -De suite-deuren waren dicht. In den grooten haard brandde een klein -vuur van briquetten. Een zachte flauwdoorgeurde temperatuur vervulde -het vertrek. - -Paula had net een blik in de spiegel geslagen, en zich overtuigd dat ze -er bekoorlijk uitzag, toen de deur openging. - -„Mevrouw!” zei Van Thiemen met zijn stem vol mollige buiging. „Waarmee -kan ik U van dienst zijn? U is wel, hoop ik?” - -„O, meneer Van Thiemen, dank u. Hoe maakt u ’t?” - -„Een beetje druk, mevrouw, overigens volkomen gezond.” - -„Ik kom u niet lang ophouden,”—een lachje—„ik heb uw raad noodig. En, u -begrijpt”—dit met neergeslagen blik—„overdag geeft mijn man me te veel -te doen, om aan uitgaan te denken. Daarom kom ik op dit ongewone uur.” - -„O,” zei Van Thiemen, die inmiddels plaats genomen had—zij op een -hoekbank, hij ervóor—„dat maakt niets uit. Hoe is ’t met de zieke?” - -„O, dat gaat, dank u. Ik hinder u dus niet?” - -„Ik heb zelfs liever dat u ’s avonds komt: dan ben ik meestal thuis.” - -„Erg druk tegenwoordig, meneer Van Thiemen?” - -„Och, dat schikt. Ik ben veel in Den Haag. Koninklijke Bibliotheek,” -liet hij volgen, als achtte hij noodig deze verklaring te geven. - -„Ook al studies, net als Larsen?” - -„Wat zal ik u zeggen, mevrouw?” Van Thiemen draaide zijn knevel op en -keek in de lucht. „’t Hoort zoo bij ’t baantje—bij ’t „prof” zijn!” - -Hij lachte even. En zij vleiend en ondeugend: - -„Nu ja, prof en prof is twee. U is geen professor in de eigenlijke -beteekenis.” - -„Och kom, mevrouw!” - -„Natuurlijk niet, en dat weet u zelf ook wel. Om te beginnen kleedt u -zich te goed, en dan is u in ’t algemeen niet aartsvervelend. Dames -kunnen daarover oordeelen.” - -„Ik neem ’t laatste aan, ofschoon ik ’t compliment—hoezeer ook met -erkentelijkheid aangehoord—niet zoo grif aanvaarden kan.” - -„Larsen bij voorbeeld is vervelend.” - -„ ! ” - -„U kent hem. O, maar ik heb u nog niet goed verteld hoe ’t met hem is.” -Ze had hem nooit doen weten dat er eenig gevaar bestond, en wilde dat -ook nu niet doen. „Hij is iets beter, eet ten minste weer.” - -„Wel, ik verheug me ’t te vernemen.” - -„Hij had zich wat overspannen.” - -„Ja? Hij werkt veel....” - -„Ja, en.... dan,” weer met neergeslagen blik, „we hebben een verschil -van gevoelen gehad, voor ’t eerst van eenigszins ... ernstigen -aard....” - -„Zoo.” Van Thiemen vond de wending in ’t gesprek onaangenaam. - -„Hij heeft zich bizonder opgewonden, sprak zelfs van scheiden.” - -„Jawel, hij heeft er mij iets van gezegd.” - -„Nu, ik geloof dat de zaak wel terecht zal komen, o zeker, want ’t sop -is de kool niet waard. Nee,” en ze hief ’t hoofd op, „ik zou te -ongelukkig zijn als ’t ooit zoover kwam tusschen ons.” - -Van Thiemen zweeg, bewonderde haar komediespel. - -„Nee, trouwens zoo iets is immers onmogelijk. Er is niets....” - -„Zoo.” - -„Nee, volstrekt niets. En waarom zou hij dan scheiden? Gesteld—’t is -eigenlijk te dwaas ’t te veronderstellen—gesteld ’s dat hij ’t wilde, -zou hij ’t immers toch niet gedaan kunnen krijgen. Als men een kostbaar -bezit heeft,”—ze zuchtte—„is men soms overdreven bang het te verliezen. -Mijn huiselijke vrede—nu zooveel jaren bewaard!” - -„Als er geen redenen zijn, ook geen gefingeerde....” - -„Gefingeerde, wat wil u zeggen?” - -„Als nu hij er eens op stond van u gescheiden te worden, en een -gefingeerde schuld op zich nam.” - -„Ja, àls hij dat deed, en als ìk daarop een eisch instelde. Te dwaas om -aan te denken! Maar ik laat dat daar. Larsen doet zoo vreemd in de -laatste tijd, dat ik soms....” Ze aarzelde. - -„Aan zijn verstand twijfel?” vroeg Van Thiemen verwonderd. - -„Om de waarheid te zeggen, ja. Ik vrees een dwaasheid—een vlucht of zoo -iets, met mijn kind....” ’t Kwam er zenuwachtig uit, vol angst. - -„Och kom, mevrouw: Larsen, zoo’n nuchter bezadigd mensch! Is er dan zoo -iets vreeselijks gebeurd? U verschoont me dat ik ’t zeg, nie’waar? U -heeft mijn raad noodig, en dan mag ik wel vrijmoedig spreken.” - -„O zeker. Ja, er is wel veel naars tusschen ons voorgevallen, maar, -ziet u, hij is zoo overgevoelig en ik—zeg zooveel in mijn drift waar ik -niets van meen.” Ze lachte bekoorlijk. - -„U heeft dus dingen gezegd.... ja, ja, waardoor hij aan zoo’n dwaasheid -zooals u zegt, denkt?” - -Paula had zoo graag vernomen of Larsen alles gezegd had, dat wil zeggen -alles van na haar handtastelijkheid. Dat hij van ’t eerste hevige -tooneel tusschen hen gesproken had, wist ze vrij zeker. Maar de -bizonderheden? Van Thiemen doorzag haar, en liet zich niet uithooren. - -„Ja, maar hij neemt alles overdreven op. Ver overdreven! Er is niets -onherstelbaars. En.... zijn vrouw houdt van hem....” ’t Laatste werd op -droevige toon met neergeslagen blik uitgesproken. - -„’t Is voor mij erg moeilijk, mevrouw. Zoo lang ’t op rechtskundig -gebied blijft kan ik u van raad dienen; maar overigens.... U weet wat -de Franschen zeggen: „entre l’écorce et le bois il ne faut jamais -mettre le doigt.”” - -„Kom, dat zeggen al te voorzichtige menschen, niet u, die een goed -vriend van Larsen is, en ook voldoende vriendschap voor mij heeft om -mij geen dienst te weigeren....” - -Ze keek hem met fluweelige streeling aan. Ze was bizonder mooi die -avond, met haar donkerbruin mantelpakje en haar Cleo-de-Mérode-kapsel. - -„Ik geloof dat ú nu „overdreven” is, mevrouw. Larsen zal zoo iets niet -doen.” - -„Heeft hij u niets gezegd?” Komaan, ze waagde het ronduit de vraag te -stellen. - -„Van vluchten? Hij is te verstandig om zoo iets zonder goeie redenen te -ondernemen.” - -Paula zette haar eene voetje over ’t andere, als afleider voor een -hartgrondig stampje, dat ze op de grond had willen doen. - -„Goed, maar ìk ben er bang voor. En ìk ben bang voor groote -verwijdering tusschen ons.... U kan daar ’t uwe aan doen. Larsen houdt -van u: u heeft vat op hem, meer als iemand anders. Raad u hem ten -goede....” - -„Dat heb ik gedaan, mevrouw. En wat ik tot zijn bestwil nog verder -raden kan, zal ik niet nalaten te doen. Geloof u me vrij.” - -Zoo’n slimmerd! dacht Paula: zoo’n raad kon even goed tegen haar -gericht wezen. Maar.... zou dat wel? Had hij iets tegen haar? Ze had -zich altijd verbeeld dat hij tot haar stille aanbidders behoorde, dat -hij alleen daarom niet méer voor den dag was gekomen, omdat zij hem -geen voet gegeven had. Had ze maar éen vinger uitgestoken.... Hij was -immers altijd zoo voorkomend, zoo echt hoffelijk geweest. Misschien had -Paula geen gelegenheid gehad Van Thiemen’s houding tegenover andere -dames waar te nemen, anders had ze zeker spoedig gezien, hoe weinig al -die hoffelijkheid beteekende. Van Thiemen was nu eenmaal hoffelijk -jegens iedere dame; en eerst dan maakte deze nietszeggende -uiterlijkheid plaats voor degelijker sympathie-betuiging wanneer hij te -doen had met een vrouw voor wie hij groote achting gevoelde. En zoo -iets kwam zelden voor. Hij hield van de vrouwen, maar vreesde al te -groote toenadering: zijn feminisme hield er zulk een hoogstaand -vrouwen-ideaal op na, dat de meeste vrouwen hem slechts aantrokken als -belangwekkend studiemateriaal. Slechts enkelen hadden het vermocht hem -op andere, inniger wijze te boeien. Hij had eens werkelijk liefgehad, -jaren geleden; maar sinds de dood van het meisje zijner keuze had geen -vrouw de leege plaats in zijn hart kunnen innemen. Zijn hoffelijkheid -diende hem als schild, dat alle intiemere aanrakingen afweerde; dat -tevens wonderwel zijn eigen gevoelens over deze of gene zijner -vrouwelijke kennissen verborg. Zoo ook tegenover Paula. Zij had nooit -kunnen merken hoe een aanvankelijke genegenheid al heel spoedig had -plaats gemaakt voor onverschilligheid en zelfs voor antipathie. - -Toch ging zijn neutrale vriendelijkheid—om ’t zoo eens te noemen—niet -zoo ver dat hij in echte huichelarij verviel. Zoodra het op daden -aankwam, zoodra belangen van eenige beteekenis op ’t spel stonden, zou -hij niet aarzelen zijn ware gezindheid volkomen duidelijk te toonen, -hoe onaangenaam hij dit zelf ook mocht vinden. - -Hij vreesde dat zulk een zeldzaam geval zich thans zou voordoen, en hij -gedwongen zou wezen kleur te bekennen. - -Paula begon te weifelen. Ze bedacht zich even, en zeide toen: - -„Ik zou u willen vragen wat meer bij ons te komen. We hebben u in dagen -niet gezien.... Maar ik ben bang dat u ’t te druk heeft....” - -„Ik wou juist dezer dagen eens naar Larsen komen kijken. Ik hoorde -gisteren pas dat hij ziek was.” - -„O, Larsen mag niemand bij zich ontvangen, behalve mij,” zei Paula -snel. „Maar,” liet ze volgen, „u kan daarom toch wel komen. Moeder ziet -u ook graag. Die logeert bij ons, om me te helpen.” - -„O, als ik kan, zal ik niet nalaten te komen. Zoo, is mevrouw uw moeder -bij u? Is mevrouw wel?” - -„Dank u. Ik mag dus op u rekenen? U weet niet hoe’n groot genoegen u -ons doet, ook Larsen, al kan hij u ook niet spreken.... Als hij merkt -dat u mij dezelfde vriendschap toedraagt als te voren, zal hem dat -zeker gunstig stemmen....” - -Van Thiemen bepaalde zich tot een beleefde glimlach. - -„Dus,” zei Paula, opstaande, half als ongeduldsuiting, half omdat ze -inzag dat ze niet verder kwam, „u komt gauw ’s aanloopen? Aan de thee -vindt u ons altijd.” - -„Ik zal ’s zien wat ik doen kan, mevrouw.” Hij stond eveneens op. -„Intusschen dank voor uw vriendelijkheid. Maar, u weet hoe druk ik ’t -heb.... Wil u wel mijn eerbiedige groeten aan mevrouw uw moeder doen, -en ook Larsen beterschap voor me wenschen?” - -Hij bracht haar naar de gang, hielp haar met haar mantel, en geleidde -haar naar de voordeur. - -„Tot ziens, meneer Van Thiemen!” - -„Mevrouw,” zei Van Thiemen, boog en sloot de voordeur. - -Op straat stootte de schoone avondbezoekster een hartgrondig diepe -zucht uit, en stapte met driftige pasjes, niet in de richting van haar -huis, dat in de buurt lag, maar verderop de straat in. - -Ze keek op haar horloge bij een lantaarn: kwart voor acht. - -Gelukkig, ’t was nog vroeg. En Larsen zou nog wel slapen. Hij sliep -toen ze uitging. - -Toen ze aan de schel trok van een groot huis op een der grachten, -bonsde haar hart zoo hevig, dat ze zich geweld moest aandoen om op -kalme toon aan de meid te vragen, of mevrouw Boudewijns en de jonge -meneer thuis waren. - - - - - - - - -XIII. - - -Mevrouw Boudewijns was een deftige dame. Ze was meer dan dat. Ofschoon -zelf van een zeer gewone burgerlijke familie—haar vader was indertijd -(lang geleden) Deensch scheepskapitein, en had zich later, door -eerlijke en smokkel-handel rijk geworden, te Amsterdam gevestigd—had ze -van haar vroege jeugd af steeds iets in haar voorkomen en in haar -manieren gehad dat haar distinctie gaf boven haar omgeving. Haar -zusters noemden haar „de prinses”. Ze was bovendien mooi. ’t Een en -ander, gevoegd bij haar niet verwerpelijke bruidschat, bezorgde haar -toen ze nog zeer jong was een rijk koopman als echtgenoot, en toen deze -na eenige jaren overleden was, en zij zelf meer besef kreeg van haar -waarde en aanspraken, een aristokraat met geld en positie. Haar eenig -overgebleven zoon uit het eerste huwelijk—haar man was aan tering -gestorven en ook twee van zijn drie kinderen bij haar—volgde spoedig na -het heengaan van zijn stiefvader, het voorbeeld van zijn levengever. -Was Boudewijns al een grijsaard, Bertus was juist drie-en-twintig toen -hij bezweek. Zijn moeder had hem verafgood, en ’t gevolg was geweest -dat de jonge man een zwakkeling werd zonder ’t minste -weerstandsvermogen, noch lichamelijk, noch zedelijk of verstandelijk. -Reeds zeer jong had hij ’t leeren opgegeven, was steeds sukkelend, en -ging zich in zijn gezonde perioden braaf te buiten aan alles waaraan -een rijk jongmensch zich maar te buiten kan gaan. - -Voor de tweede maal weduwe op vijf-en-veertigjarigen leeftijd zou ze na -de dood van haar Bertus alleen op de wereld gestaan hebben, als ze niet -uit haar huwelijk met Boudewijns een zoon gehad had. Aan deze kon ze -zich thans met hart en ziel wijden. Waarschijnlijk zou ook deze -jongen—toen dertien jaar oud—geheel verweekelijkt zijn, als zijn -gezonder gestel en vaster karakter, beide van zijn vader geërfd, hem -niet te stade waren gekomen. Inplaats van een lammeling, zooals zijn -stiefbroer geweest was, werd hij eenvoudig een braaf moederskindje. Hij -leerde goed, leek op zijn moeder, had dus een gedistingeerd voorkomen, -en gaf zijn moeder alle reden tot tevredenheid. Was de stiefbroer -knorrig en soms onhandelbaar geweest, hij was gewoonlijk vroolijk en -gezeggelijk. Trouwens, dit laatste wilde bij een vertroetelende moeder -als mevrouw Boudewijns maar weinig zeggen: de jongeheer Boudewijns was -erg vroeg wijs, en ’t duurde niet lang of mama luisterde aandachtig -naar den ouwelijken praat van zoontjelief. Toen hij zestien was leek -hij twintig. Mama bewonderde hem, vroeg hem raad, en verdubbelde haar -zorgen om hem het leven zoo aangenaam mogelijk te maken. - -Deze bezorgdheid voor zijn geluk openbaarde zich ook in haar -angstvallig waarnemen der eerste uitingen zijner ontwakende -mannelijkheid met betrekking tot de andere sekse: zijn verliefdheden en -hofmakerijtjes. Ze bleef op de hoogte; wist ook zijn vertrouwen te -bewaren, en zoo was er niets in Adolf’s gemoedsleven dat haar aandacht -ontsnapte. Maar zou dit zoo blijven? Zou ze zóo lang zijn schreden op -’t goede pad kunnen houden—onder haar waakzaam oog hem kunnen behoeden -voor uitglijden in de modder of verongelukken in een poel—tot hij -veilig aangekomen was waar ze hem zoo spoedig mogelijk hebben woû: in -’t heilige huisje van ’t huwelijk? - -Tusschen dat doelwit van haar moederlijk streven en de eerste -jongelingsjaren lag immers een gevaarlijk stuk weg: de studententijd. -Want de veelbelovende Adolf moest studeeren, en een graad halen evenals -papa, liefst in de rechten. Dat was deftig, aristokratisch; bovendien: -met geld en een meesterstitel—dat wist ze—kwam men ver in ’t lieve -vaderland. - -De jonge Boudewijns met zijn fijne gezichtje en schrandere oogen kwam -met zijn moeder naar de academie-stad, waar de familie Larsen woonde. -Adolf zou bij zijn moeder blijven wonen, en er bovendien een -studentenkamer op nahouden: zoo kon hij meedoen aan alle pretjes, en -hoefde zijn moeder niet te storen wanneer hij laat thuis kwam. - -Op een avondpartijtje bij een professor ontmoette de jonge student voor -’t eerst het echtpaar Larsen. De kennismaking, ook met mevrouw -Boudewijns, leidde weldra tot een vriendschappelijke omgang. - -Met haar gewone scherpziendheid in alles wat het doen en laten van haar -Dolf betrof had de waakzame moeder onmiddellijk meer dan gewone -belangstelling bij hem opgemerkt voor de persoon van Larsen’s innemende -vrouw. De jongen was verliefd, dat zag ze duidelijk. - -Hoe moest ze hier, waar ’t inderdaad geen kalverliefde meer was, als -moeder optreden, zoodat haar Dolf beschermd bleef voor gevaar? - -Een zeker teeken voor haar, dat thans eindelijk werkelijke hartstocht -in ’t spel was, zag de scherpzinnige waakster in Dolf’s -geheimzinnigheid. Hij sprak niet over wat zijn gemoed beroerde tot de -leidsvrouw en raadgeefster zijner jeugd, ontweek iedere -vertrouwelijkheid die tot een bekentenis zou leiden, ging niet in op -toespelingen, maakte zich zelfs herhaaldelijk boos wanneer zijn moeder -liet merken dat ze op de hoogte was. Was het misschien zoo omdat de -jongeling zich eigenlijk schaamde dat hij verliefd was op een getrouwde -vrouw, en nog wel eene die bijna zijn moeder kon wezen? Och, hij was te -veel bedorven kindje, had te veel geleerd dat wat hem aangenaam was ook -goed moest wezen, dat hem te dien opzichte gewetens-aanvechtingen -zouden kwellen. Dat wist mama ook wel. Zijzelf was in haar opvattingen -lang niet streng. Neen, hier had ze te doen met het gewone verschijnsel -bij echte, diepe hartstocht bij een man: die schuwt bemoeienis van -derden. - -Maar mama móest zich hier met de zaak bemoeien. De kwestie was hoe ze -dit op de meest kiesche, voor hem minst hinderlijke en in de gevolgen -heilzaamste wijze doen kon. - -Zij kende haar wereld te goed om niet spoedig te zien dat de mooie -mevrouw Larsen wel gediend was van de vurige, schoon ietwat linksche -hofmakerij des jeugdigen Minerva-dienaars. Ze voorzag dat, als zij de -zaken op hun beloop liet, de twee minnenden elkaar al heel spoedig -„gevonden” zouden hebben. Doch hieraan waren gevaren verbonden: Dolf -was zoo jong en onervaren, zou onvoorzichtig wezen, zich -compromitteeren, haar compromitteeren, en—nog erger—misschien zijn -ongeluk bewerken. Die Larsen kon vermoedens krijgen.... Hij zag er wel -wat sullig uit, maar nu ja.... waar men aan ’t wijfje komt, wordt het -goedigste beestje wel ’s woest. - -Om te beginnen wist mevrouw Boudewijns het daarheen te leiden dat de -ontmoetingen der twee koerenden zooveel mogelijk bij haar aan huis -plaats hadden: de fatale samenkomst, waar ’t op uitliep, zou dan ook -wel in dat veilige oord tot stand komen. - -De zorgzame moeder zuchtte vaak in deze tijd: ze had ’t wel anders -willen hebben, ze had Dolfje zoo gaarne afgehouden van die -allerintiemste omgang met de vrouw die zij hem slechts in ’t huwelijk -van ganscher harte gunde. ’t Huwelijk was fatsoenlijk, veilig; -daarbuiten loerden schande, ziekte en ongeluk. Maar, och, in -vredesnaam, een jongmensch is een jongmensch, en ’t is zoo moeilijk -voor een moeder om al zijn gangen te bespieden, hem te beletten te -nemen wat zoovelen—bijna allen—immers nemen! Neen, ze moest van de nood -een deugd maken. Dolf was tot nu toe verschoond gebleven van alle -lichtmisserij—o, dat wist ze zeker, in dat opzicht was hij „zoo -onschuldig als een pasgeboren kind”—nu ’t onvermijdelijke einde zou -komen, wel, nu was deze minnarij toch nog de verkieslijkste. Mevrouw -Boudewijns waakte immers ook over Dolfje’s gezondheid, en dan was -Paula.... nee, heel wat anders dan „zoo’n slechte meid”. Foei, ze -huiverde er van: je kon nooit weten, he? En dan toch ook: beter met -zoo’n beschaafde, lieve dame dan met een dienstmeisje bij voorbeeld; -immers ook voor de mogelijke gevolgen. - -Alles ging naar wensch. - -Na drie maanden omgang was mevrouw Boudewijns de moederlijke vriendin -van Paula, nu als zoodanig bij Larsen erkend. Haar waardig voorkomen en -innemende, zachte manieren hadden Larsen zeer aangetrokken, ja, weldra -zag hij in haar wat hij zoo lang voor zijn Paula verlangd had te -bezitten: een goede vriendin, die door leeftijd en ernst van karakter -een gunstig overwicht op haar zou kunnen doen gelden. - -De omgang met de luidruchtige, leeg-rammelende Margot Ennery, was de -bedaarde degelijke geleerde maar half welkom. ’t Was goed dat daar een -andere invloed tegenover stond: wijze raad, moederlijke leiding. Och, -Paula kreeg die zoo weinig van haar eigen moeder, en de zijne was sinds -jaren dood.... - -„’t Is merkwaardig zoo spoedig als Paula uw vertrouwen gewonnen heeft! -Zij is ook erg met ú ingenomen,” zei Larsen op een dag toen mevrouw -Boudewijns bij hem op bezoek was, en Paula toevallig niet in ’t vertrek -was. - -„Och, ja, wie zou ook niet met uw vrouwtje ingenomen zijn, meneer -Larsen!” zei de deftige dame beschermend. „Ik mag haar als mijn eigen -dochter. Ze moet maar heel veel bij me aan huis komen. Ze is altijd -welkom, en ’s avonds vindt ze me altijd thuis.” - -„O, u is wel goed,” antwoordde Larsen warm, „en ik waardeer ’t zeer, -dat ze in u een moederlijke vriendin vindt.” - -Mevrouw Boudewijns straalde minzaam. In haar zwartzijden japon had ze -iets van de vorstin die een onderdaan begenadigt. - -„Ja,” ging Larsen voort. „Paula heeft dat noodig. Ik verzeker u dat ik -’t aan haar merken kan; sinds ze u kent is ze bepaald gelukkiger. Een -omgang als met u was ’t eenige wat haar ontbrak.” - -Zoo stonden de zaken dan aan de vooravond van ’t huiselijk drama dat -zich bij Larsen was begonnen af te spelen. - -Onder de namen harer aanbidders, tegenwoordige en vroegere, had Paula -de jeugdige Boudewijns niet genoemd: waarschijnlijk omdat haar de heele -verhouding te veel als een onbeteekenend spelletje voorgekomen was. Die -Dolf was nog zoo’n aapje: die telde nauwelijks mee. ’t Was wel een -aardig kereltje—frisch en onbedorven. Ze had zich lachend aan hem -gegeven, zijn zin gedaan zooals men dat doet tegenover een aanvallig -knaapje wien men niets weigeren kan. ’t Was een tijdverdrijf voor haar, -meer niet; een aardig spelletje nu en dan om haar verveling te -verdrijven; maar niets blijvends of rustverstorends; geen bedwelmende -roes, maar slechts een aangename opwekking. - -Op die avond na ’t bezoek aan Van Thiemen was Paula in geen tien dagen -bij haar vriendin geweest. Mevrouw Boudewijns overlaadde haar met -vriendelijke verwijten: haar Dolf was wanhopig geweest, hij ook had -niets van haar uitblijven begrepen; de arme jongen was er bepaald ziek -van. Paula lachte en verklaarde ’t geval. Zoo’n dwaas kind! Waar was -hij? O, thuis, natuurlijk, zuchtende, zooals hij al dagen achtereen, in -angstig wachten, was geweest. - -„Je vindt hem boven,” zei mevrouw Boudewijns, „verras hem ’s. Wat zal -hij blij zijn!” En ze voelde zich tegenover die beiden zoo recht -moederlijk gestemd op dat oogenblik. Wat zag die Paula er lief uit, en -wat hield Dolf veel van haar! - -Paula wipte de trap op, geruischloos en vlug als een eekhoorntje. - -Voorzichtig deed ze de deur van Dolf’s kamer open; de portière die -erover hing gleed van haar schouders toen ze binnentrad, voetje voor -voetje. - -Het jongmensch zat ineengedoken bij de tafel, met de rug naar de deur. -Een boek lag opengeslagen vóor hem. Het licht der gaslamp viel op zijn -fijne, mooiknaapjes-trekken. Hij hield de oogen half gesloten, de -handen op schoot in elkaar gevouwen, in een houding van misnoegdheid. -Een grijs flanellen jasje met roode tressen omsloot zijn bovenlijf, -zijn voeten staken in mooi-gewerkte pantoffels. - -Paula naderde hem van achteren, en voordat hij ’t hoofd kon omwenden, -had ze haar handen vóor zijn oogen gelegd. - -„Wie zou daar wezen?” riep ze dartel. - -„Och, Paula!” was ’t hoogverraste antwoord. Hij weerde de handen van -zich af, en sprong op. - -„Daar ben ik,” zei Paula, „ben je blij?” - -„Ja, blij en boos, hoor! Ga zitten, hier.” Hij trok haar met zich mee -naar de sofa bij het raam. - -„Boos? Och kom, daar meen je niets van!” - -„Dat meen ik wel.” Hij trok haar naar zich toe, en kuste haar -herhaaldelijk op mond en oogen. - -„Och laat dat, stoute jongen!” riep Paula. „Je zegt dat je boos bent, -en dan zoo iets!” - -„Ja, waarom laat je me hier zoo alleen? Tien dagen hoor ik taal noch -teeken van je.” - -„Waarom zou dat nu wel wezen? Omdat ik mijn kleine Dolf vergeten ben, -niets meer van hem weten wil? Daarom kom ik nu zeker weer hier. En jij -ontvangt me in je huisjasje!” - -Dolf keek ’s naar zijn négligé. - -„Nee, maar zeg me toch wat er gebeurd is. Maar geef me eerst een zoen.” - -„Nee,” zei Paula, en week terug. „Braaf zijn, van avond.” - -„Dat zal ik—ik ben niet meer boos. Een zoen.” - -„Nee, nee, nee! Ik moet eerst vertellen. Ik heb ’t land.” - -„’t Land, jij ’t land?” Dolf schikte zich in ’t onvermijdelijke, met -teleurgestelde blik. - -„Ja, of dacht je dat ’t alles maar rozengeur en maneschijn met mij was? -Als je zoo oud ben als ik....” - -„Oud! Jij wordt nooit oud!” - -„Dat heb je zeker pas tegen je grootmoeder gezegd.” - -Dolf begreep haar niet. Zij lachte, vond hem naïef. - -„Goed, ik zal je vertellen. Larsen is ziek.” - -„Zoo, ’t spijt me zeer.” - -„Nu ja, dat begrijp ik. Maar ’t is ernstig.” - -„Wat, zijn ziekte? Gaat hij dood? Allemachtig jammer! Groot verlies -voor de wetenschap.” - -„Och, hoû je mond. Laat me uitpraten. We hebben ruzie gehad, hevige -ruzie, en dàt is ernstig.” - -Dolf keek een oogenblik verschrikt. - -„Suspicie?” vroeg hij. „Op mij?” - -„Och nee, jongen! Wees nu maar niet zoo pedant. Hij denkt niet aan jou. -Hij vindt je een aardig kereltje.” - -Dolf haalde humeurig zijn schouders op. - -„Nu?” - -„Och, dwaze veronderstellingen.” - -„Hoe komt hij eraan?” Dolf veroorloofde zich de weelde van jaloersch -zijn. - -„Door een ouwe brief, een ding van niets.” - -„Och kom! Die goeie zooltreder? Hoe dat zoo op eens?” - -„Je kent ’m niet. Die man is heel anders dan ik gedacht had.” - -Paula sprak hier uit wat ze inderdaad tot haar pijnlijke verrassing -ontdekt had. - -„Ja,” ging ze voort, „als zoo’n man eenmaal argwaan krijgt, is ’t veel -erger dan bij een ander.” - -„Nu en wat dan nog? Hij weet toch niets bepaalds tegen je?” - -„Nee, maar hij is toch erg boos, denkt aan allerlei -verschrikkelijkheden.” - -„Wat dan toch?” - -„Hij wil van me af: scheiden. Maar dat gaat natuurlijk maar niet zoo.” - -„Nee. De bepalingen op de echtscheiding erkennen bij ons maar enkele -gevallen waarin die plaats mag hebben.” Dolf had zijn candidaats-examen -in de rechten nog niet gedaan, en de geheimen van ons burgerlijk recht -waren hem nog niet geopenbaard. Niettemin stelde hij graag zijn -juristenpraat tegenover de meerdere levenservaring van Paula, die hem -nog zoo vaak imponeerde. - -„O, dank je voor ’t rechtskundig advies,” zei Paula quasi-deftig. „Een -gewone scheiding kan niet. Maar hij wil toch van me af.” - -„Maar hoe dan?” - -„Hij wil vluchten, met Didi.” - -„Hij is gek! Heeft hij ’t je dan gezegd?” - -„Nee, niet bepaald met de bedoeling om ’t te zeggen. Hij is erg ziek, -en nu droomt hij ervan, en ijlt erover.” - -„Zoo, zoo. En te voren?” - -„Voordat hij ziek werd, bedoel je? We hebben nu een dag of tien geleden -die ruzie gehad, en hij is eergisteren ziek geworden. Hij heeft al die -tijd er niet van gesproken, van scheiden meen ik. Hij was erg stil al -die tijd. Ik dacht dat alles weer bij zou draaien.” - -„Maar, vertel me ’s, hoe was die ruzie eigenlijk?” - -Dolf voelde de jaloezie in hem werken, en deze prikkelde zijn -nieuwsgierigheid. Zij keek hem aan, greep zijn hand. - -„Ik ben een heel stoute vrouw geweest. ’t Is eigenlijk mijn schuld. Je -zult me een onverstandig mensch vinden.” - -„Nu?” - -„Ik heb ’m in zijn gezicht geslagen. Ik kon die onbeschaamde vragen -niet uitstaan.” - -„Heb je ’m geslagen?” Hij sloeg zijn arm om haar heen. „Braaf zoo!” -riep hij. „Zoo leer je ongelikte beeren hun streken af.” Paula liet -zich kussen. - -„Och nee, ’t spijt me. Nu is ’t zoo naar tusschen ons! Als hij beter -wordt, vrees ik dat ’t nooit meer ’t oude wordt.” - -„Wat kan jou dat schelen? Zoo’n vervelende boekenwurm! Laat hem zijn -troost zoeken in zijn boeken!” - -„Goed, ik woû dat hij ’t deed!” riep Paula mismoedig. Ze speelde met -het vergulde spilletje van haar das, met peinzende wenkbrauwen. „Maar -dat doet hij niet. Ik ben zoo bang dat er ’s iets van komt. Dat hij -wegloopt. Je kunt zoo’n man toch niet opsluiten? En als ’t ’s gebeurt, -dan zit ik met mijn gebakken peren.” - -„Ten eerste doet hij dat nog zoo gauw niet. En dan—als hij ’t doet, -wel, dan is hij gek.” Dolf sprak met oudmannetjesachtig aplomb. - -„’t Helpt mij wat!” pruilde Paula, en trok aan ’t vergulde spilletje op -haar borst. - -„Dan is hij gek. Dan bewijst hij dat hij gek is. En jij laat ’m -eenvoudig door de politie opsporen, en—in een gekkenhuis zetten.” - -„Radicaal,” zei Paula spottend. - -„Zeker, en dan ben je van hem af. Dan ben je heelemaal van mij.” - -Hij verslond haar met zijn oogen. Zij zag het, en lachte luid. - -„Ben ik dan nú niet voor jou?” zei ze streelend. „Trouwen zou je me -toch niet—en ik zou ook niet willen.” - -Hij protesteerde met een hevig gebaar. - -„Ik zie niet in waarom niet,” riep hij. - -„Nu, ìk wel. Maar ter zake: je leutert erover heen.” - -„Ik zeg je, laat ’m zijn gang gaan. Als hij ’t doet laat je ’m -opsluiten.” - -„Nee, maar in alle ernst: ik ben heusch bang dat hij gek wordt.” - -„Des te beter!” - -„Werkelijk, hij doet zoo vreemd. En hij heeft geen koorts, niets. Die -dokter laat ook niets los.” - -„Och, die doktoren weten er niets van! Maar....” Dolf trok weer zijn -wijste gezichtje, „je kunt toch nut van ’m hebben.” - -„Van wie?” - -„Van die huisdokter. ’t Is immers Dr. Brakel. Laat die hem observeeren. -Wijs jij ’m er ’s op, dat je voor Larsen’s verstand vreest. Als hij nu -toch van jou af wil, moet je ’m vóor zijn: zie dat jij hèm op een -fatsoenlijke manier kwijt raakt.” - -Paula keek peinzend. In haar hart was ze veel ongeruster dan ze wel -weten wilde. Ze was bang voor schandaal, en beter zoo’n reden, dan een -geruchtmakende vlucht. Wat zouden de menschen praten! Dat een geleerde, -een stil in zichzelf gekeerd mensch krankzinnig wordt was nog niet zoo -iets onwaarschijnlijks. En toch—die arme Larsen! Ze vond de heele zaak -toch ellendig. Ze gaf er wat voor als ze alles ongedaan kon maken, -zelfs haar avontuurtjes met dat aardige kereltje, dat zoo grappig naïef -deed in zijn verliefdheid. Och, hoe naïef ook, misschien had hij -gelijk: werkelijk, hoe meer ze erover dacht, des te vaster ging ze ’t -gelooven: eerst die heele week dat de man nagenoeg geen woord sprak en -nu die onverklaarbare ziekte, die malle praat en dat staren.... Ze zag -weer die wezenlooze blik. Wat was die man veranderd in die korte tijd, -ook zijn uiterlijk! Zeker, ’t kon best wezen dat Dolf gelijk had. ’t -Kon geen kwaad dat ze er op ging letten: ja, dat zou ze stellig doen. -Ze was in zoover tevreden dat ze nu de toestand beter inzag dan te -voren. Toen ze van Van Thiemen kwam was ze ontstemd, besluiteloos. Ze -had behoefte aan afleiding harer gedachten, ontwarring van ’t geen in -haar omging. Bij Larsen’s vriend had zij zich ongemakkelijk gevoeld, -hier ontspande ze zich. - -„Waar denk je toch aan? Vin’ je mijn raad niet goed?” vroeg Dolf, nadat -hij haar in haar gepeins gadegeslagen had. - -„Je kon wel ’s gelijk hebben,” zei Paula langzaam. Op eens, met een -bruuske beweging, stond ze op. „Ik ben blij dat ik bij je geweest ben. -Je hebt me gerustgesteld, ten minste.... ik heb nu een andere kijk op -die nare dingen. Adieu!” - -„Wil je nu weg?” Dolf sprong van zijn plaats op, en vatte haar om ’t -middel. - -Een glimpje van ondeugende spot blonk in Paula’s oogen. - -„Ja, ik moet. Ik kan van avond onmogelijk lang blijven. Nu zoet zijn.” - -Ze wendde zich geheel naar hem om, en leî haar handje op zijn -schouders. Hij was ongeveer even lang: zijn rond gezichtje met de -donshaartjes op de lip, de fijne neus, het kuiltje in de kin, de -sprekende blauwe oogen, de nauwzichtbare zijden wenkbrauwen, het -gladde, vrij hooge voorhoofd en de overvloedige blonde lokken, was vlak -tegenover Paula’s trekken. - -„Je blijft, zeg ik je,” zei Dolf quasi-boos. „Tien dagen niet komen, en -dan maar zoo kort. Ik laat je niet gaan.” - -„Dolfje, vent, frons nu maar die wenkbrauwen zoo niet.” Ze maakte geen -beweging om los te komen, maar keek hem aandachtig aan. „Je bent een -mooi kereltje, daar; maar ik blijf toch niet. Ik kan heusch niet. Nee,” -liet ze op andere toon volgen, „geloof me. Wees nu braaf. Later beter.” - -Er was iets in haar stem dat hem deed begrijpen dat ze ’t meende. Ze -wond hem om haar vinger, dat wist ze. Maar ze wilde hem troosten. Nog -steeds in dezelfde houding zei ze vleiend: - -„Niet boos zijn; maar ik ben heusch niet in een stemming van avond. Je -hebt niets aan me. Ik kom gauw terug. En dan....” - -Hij trok haar tegen zich aan, en kuste haar. - -„Vast beloven?” - -„Stellig, zoodra ik kan....” - -„Van de week....” - -„Over ’n dag of drie. Adieu, adieu!” Voordat hij ’t wist, stond ze bij -de deur, wierp hem nog een kushandje toe en verdween uit de kamer. - -Hij staarde nog op de golving der portière achter haar, had even een -aanvechting om haar achterna te gaan, doch bedacht zich. - -„Beroerde Larsen!” mompelde hij tusschen zijn tanden, ging weer op den -leuningstoel bij de tafel zitten, en sloeg zijn beenen driftig over -elkaar. - - - - - - - - -XIV. - - -’t Was een gure nacht in ’t midden van October. Nog enkele uren, en de -zon zou zich de moeite geven een bleeke dag in te wijden, guur en -winderig als de nacht geweest was. Zware wolken lagen overal als -opgestapeld aan de hemel, en slechts een enkele ster keek nu en dan als -verschrikt achter de reusachtige massa’s door, om kort daarna weer weg -te schuilen. - -Op de modderige straatweg was het donker, al was er weinig geboomte om -het gezicht te belemmeren, men kon geen tien schreden vóor of -achteruit, links of rechts van zich af zien. - -Twee menschelijke gestalten stapten naast elkaar voort, beiden warm -ingepakt, met de kragen op, zwijgend en met haastige schreden. -Blijkbaar viel het de kleinste der beiden lastig de ander bij te -houden; maar geen woord van klacht werd geuit. Wellicht merkte de -ander—een zwaar gebouwd man—aan de hijgende ademhaling naast hem, dat -hij zijn pas wat matigen moest. Hij stond even stil, en vroeg: - -„Loop ik te hard, Didi? Och, ik denk er telkens niet aan! Vadertje is -niets lief, wel?” - -„’t Is niets, vader,” zei ’t kind zacht en gelaten. „Zijn we ’r gauw?” - -Larsen haalde zijn horloge voor den dag. - -„Wacht, laat me even kijken,” zei hij, en streek een lucifer af. - -„O, al bij half zes. We zijn er gauw. Aan ’t station kunnen we wat -gebruiken. Iets warms.” En, even ongerust, liet hij volgen: „Heb je ’t -heusch niet koud?” - -„Heelemaal niet.” - -’t Meisje sprak met een kalme onderworpenheid, die hem diep in de ziel -ging. Arme schat, dacht hij, hoe moedig schikt ze zich in de ellende! -Was ’t niet zelfzuchtig geweest haar daarin te doen deelen? Hij had -zich meer dan eens die vraag gedaan, sinds ’t oogenblik dat hij zijn -huis verliet, om voor altijd heen te gaan. Maar neen, hij kon niet -anders handelen: de toestand was onhoudbaar geworden voor hem; langer -uitstel had hem krankzinnig gemaakt. En zijn Didi kòn, mocht hij niet -achterlaten in dat huis, dat hem een oord der schande geworden was, -overgeleverd aan de verpestende invloed harer moeder.... - -O, hij had wat afgedacht in die akelige uren zijner bedlegerigheid! De -wildste fantazieën hadden afgewisseld met de helderste inzichten, en -door al het gewarrel zijner gedachten heen had telkens en telkens zijn -toestand hem duidelijker in zijn onduldbaarheid vóor de geest gestaan. -Met onweerstaanbare drang was ’t teruggekomen, en had hem eindelijk -opgejaagd van zijn bed, vastbesloten tot handelen. Hoezeer ook de -toekomst hem duister leek: in schande voortleven verkoos hij niet—alles -beter dan dat. - -Die avond dat Paula op raad uit was bij Van Thiemen en haar jeugdige -aanbidder, was Larsen kort na haar vertrek wakker geworden. Didi zat -naast zijn bed, op de plaats harer moeder. Ze had het niet langer -kunnen uithouden, en ondanks het strenge verbod was ze stil in zijn -kamer gekomen: ze moest haar vader zien. Ze dacht aan al wat hij haar -gezegd had, aan zijn vreemde, stille droefheid in de dagen vóor zijn -ziekte, en nu moest ze zelf zien hoe ’t hem ging; want haar hartje was -doodelijk ongerust, hoe ook haar moeder op haar vragen steeds met een -geruststellend „’t is niets” geantwoord had. Nu was moeder uit, en kon -ze ’t wagen. Op haar teenen kwam ze binnen, en voorzichtig ging ze aan -’t hoofdeneind naast het bed zitten. Aandachtig keek ze naar de -liggende: hij had het gelaat naar haar toe gewend. Er brandde éen -gaspit, laag gedraaid, met een zachtgroene kap over de ballon. Didi kon -goed zien hoe afgevallen de zieke was, en haar medelijden nam toe. Wat -was ’t toch dat hem kwelde? Zou dat lieve leven heengaan zonder dat ze -wist waarom? En ze voelde zich vernederd in haar kinderlijke rechten. -Zij was zijn eenig kind. Al was ze nog klein, waarom mocht zij niet -weten wat hem scheelde? Ze kòn hem troosten: o, dat was vast! Vadertje -luisterde graag naar haar, en als zij maar wist wat hem deerde, zou zij -hem zeker kunnen opbeuren. Die nare moeder! Die woû maar niets zeggen. -’t Is niets, ’t is niets.... ’t was wèl wat: vader was ongelukkig, hij -was ziek van verdriet, erg ziek zelfs! Alsof ze dat niet had kunnen -zien.... - -Gelukkig dat ze zich nu eindelijk eens zelf overtuigen kon. - -Jammer dat vader net sliep. Ze had al niet best begrepen, hoe moeder, -die hem anders zoo trouw oppaste—dat moest ze toegeven—nu opeens -weggeloopen was. En zij had zoo vriendelijk gevraagd voor dat uurtje -haar moeders plaats in te nemen, en bij vader te waken; ze had er om -gebeden en gesmeekt. Waarom toch was moeder daar zoo tegen? Zij zou -vader toch geen kwaad doen! Integendeel, ’t zou hem goed doen haar eens -te zien. Hij verlangde toch zeker ook wel naar zijn Didi.... - -Didi zat peinzend op haar stoel, de kleine voetjes over elkaar -geslagen; de eene hand op de rand van het ijzeren ledikant. Wat lag -vader stil en rustig! Zou hij niet eens wakker worden? Ze zat daar al -zoo lang, zeker wel tien minuten, nee, een kwartier. Ze had een -onweerstaanbaar verlangen hem even aan te raken. Larsen’s linkerhand -lag boven het dek. Wat had ze vaak met die hand gespeeld, hem geplaagd -om de overvloedige gouden haartjes op de buitenvlakte—net van een -aap!—getracht de vingers uiteen te krijgen, wanneer Larsen haar op zijn -schoot had en krachtvertooninkjes deed. Dat was al een paar jaar -geleden. Ze was nu al een groote meid, en deed die spelletjes niet -meer.... ’t Was toch geen grove hand, nee: de vingers waren niet dik -zooals die van Kee, en ook niet rood. Ze waren mooi blank en glad, en -de nagels zoo netjes onderhouden, met witte kringetjes.... Haar -handje—de helft zoo groot—lag er vlak naast. Even wipte ze een paar -maal een vingertje op, en raakte de andere aan. Kom, vader zou wel niet -zoo gauw wakker worden: ze woû hem zoo graag streelen. Even maar, langs -die glanzende gouden haartjes.... - -Toen ze opkeek, had Larsen de oogen wijd open. Een flauwe glimlach -zweefde om zijn lippen. - -„Mijn kindje,” zei hij zacht. - -„Hè, is vader wakker geworden!” riep het kind half geschrokken, half -aangenaam verrast. - -„’t Is niets, mijn lieveling: ik heb genoeg geslapen. Waar is moeder?” - -„Uit, ik weet niet waarheen.” - -Larsen slaakte een zucht van verlichting. Het voortdurend bijzijn van -Paula had hem zoo vaak gedrukt, al had hij er nooit een klaagwoord over -geuit. - -„Al lang?” vroeg hij. - -„Zoowat.... een kwartier.... of iets langer, geloof ik.” - -„En kom jij nu bij je vadertje waken? Dat ’s braaf, schat.” - -„Ja, eigenlijk woû moeder ’t niet hebben. Maar ik heb ’t tòch gedaan.” -Didi was moedig geworden door haar vaders goedkeuring. - -Een pijnlijke trek vertoonde zich om Larsen’s mond. Hij fronste de -wenkbrauwen. De korte illuzie van geluk, door de tegenwoordigheid van -zijn kind gewekt, verdween plotseling, om plaats te maken voor de oude -kwelling. En ’t werd hem te machtig. Daar was zijn kind, zijn eenig -geluk: met haar moest hij zich redden uit de schipbreuk van zijn -leven.... - -Hij voelde zich kalm, beradener dan ooit.... Hij was niet ziek. De -storm in zijn binnenste had uitgewoed. Nu of nooit.... - -„Didi, heb je medelijden met je vadertje?” zei hij opeens. - -’t Kind haalde de schouders op; mond en oogen drukten verwonderd -verwijt uit. Didi’s mondje was trouwens bizonder welsprekend. De dunne -roode lipjes stonden in rusttoestand gewoonlijk iets uitgepuild en bij -elkaar getrokken, als waren ze steeds gereed zich vlug te ontplooien. -Haar mooie groote oogen had ze van haar moeder; maar er lag veel -zachter schijnsel in: wat bij de andere vuur was, was bij haar -innigheid. - -„En wil je altijd bij vadertje blijven, kind?” vroeg hij. Hij sloeg een -arm om haar heen. Zij neigde het kopje voorover, en de vier oogen keken -elkaar vol aan. - -„Zeker.” - -„Ook zonder moeder?” - -Didi aarzelde even: „Als ’t moet, ja.” - -Hoe kwam dat kind aan de gedachte dàt het wel eens zou moeten? vroeg -Larsen zich af. Er was dan wel veel door haar hoofdje gegaan, om tot -zoo iets te komen. - -„Geloof je vadertje in alles? In àlles?” - -„Natuurlijk....” - -De overtuigde, kordate toon van haar stem deed Larsen goed. Hij bedacht -zich even. - -„Nu, mijn eenige lieveling, moeder en ik kunnen niet langer samen -blijven.” - -„Dan ga ik met jou mee.” Er was geen spoor van aarzeling in haar -antwoord. - -„’t Kan niet anders, nie’waar? ’t Doet je vader ook verdriet.... veel -verdriet.” - -’t Meisje kuste hem op de ruige wang, en fluisterde in zijn oor: - -„Ben je niet meer ziek? Wil je al heel gauw weg?” - -„Van nacht, als ’t mogelijk is. Je moet niet schrikken als ik deze -nacht bij je bed kom.” - -Didi schudde energiek haar kopje. - -De volstrekte onverschilligheid voor haar moeder in deze voorgenomen -daad trof Larsen zeer: ze was niet geheel te verklaren uit de groote -aantrekkelijkheid van ’t avontuurlijke op ieder kindergemoed. ’t Was -beter zoo, dacht hij. Ze zou zich zóo makkelijker schikken in ’t leven -van eenzaamheid dat hen beiden wachtte. - -„Maar, vader,” zei Didi na een oogenblik stil peinzens, „waarom zoo in -de nacht? Mag moeder er dan niets van weten? Je mag toch heengaan waar -je wil, en mij meenemen?” - -De vraag maakte Larsen een oogenblik verlegen. Wat zou hij antwoorden? - -Hij had haar nooit voorgelogen: in dit opzicht als in zooveel andere -onderscheidde hij zich van Paula. Deze speldde het kind wat op de mouw, -of scheepte haar af met een praatje. Ook dit was een reden waarom Didi -haar vader meer aanhing dan haar moeder; want hoe is liefde op den duur -mogelijk zonder vertrouwen? Was ze in Paula’s opvatting een „kind”, dat -wil zeggen een wezen dat nog niet denken of oordeelen kon, bij haar -vader gold ze voor een schepseltje met verstand en geest, dat slechts -om zijn teederheid ontzien, nooit misleid mocht worden. - -Larsen greep haar handje en zeide: - -„Zeker, dat is wel zoo, kindjelief; maar toch vind ik het beter dat je -moeder en anderen ’t niet zoo dadelijk merken. Waarom dat is, zal je -later beter begrijpen.” - -’t Kind zweeg. Als vader iets niet wilde zeggen had hij er een goeie -reden voor, dat wist ze. - -Inderdaad schuwde Larsen verdere gesprekken met zijn vrouw. In de dagen -na hun breuk had Paula’s aanwezigheid hem steeds gehinderd, gedrukt en -gekweld op onzeggelijke wijze. Vooral de eindelooze uren dat ze aan -zijn bed zat waren hem ondragelijk geweest. En dan—als hij des daags -heenging, had ze hem zeker gevraagd, hoe hij zoo opeens weer wel was, -waarom hij uitging en zoo voort. Hij haatte uitvluchten en bedrog. -Bovendien wilde hij niemand van zijn kennissen en vrienden in de stad -zijn vertrek met Didi laten merken. Later mocht men denken wat men -wilde, en hen die werkelijk belang in hem stelden—de enkele -vrienden—zou hij wel op de hoogte stellen, als eenmaal een groote -afstand tusschen hen en hem lag, en verdrietelijke uitleggingen en -vragen vermeden konden worden. Wat Paula, de meest belanghebbende, -betrof: wel, hij had ’t haar immers gezegd dat hij niet langer met haar -samen kon en wilde wezen. Ze bleef niet onverzorgd achter: daartoe zou -hij de noodige maatregelen wel treffen. - -Zwijgend zaten vader en dochter nog een wijle hand in hand. Dan -streelde Larsen haar hoofdje, en zeide: - -„Nu moet je maar heengaan, hoor, kind. Straks komt moeder thuis, en die -zou ’t zeker niet goed vinden je hier te zien. Ga maar vroeg naar bed, -en zie rustig te slapen, tot—ik bij je kom.” - -„Goed, vader. Wees u maar gerust.” - -„Wacht nu maar eerst op moeder, en ga dan naar bed, onuitgekleed maar. -Voorzichtig, nie’waar?” - -Hij kuste haar goede nacht, en ’t kind verwijderde zich stil. - -En toen ze weg was overlegde hij zijn plan nog eens. Hij zou tegen een -uur of vier opstaan, Didi wekken, en samen de trap afgaan. Paula sliep -vast en zou stellig niets bespeuren. De afgeloopen nacht had ze reeds -niet meer bij zijn bed gewaakt, en ze zou stellig ook nu de -noodzakelijkheid daarvan niet inzien. ’t Zou hem niet mogelijk zijn -zich van een groote som gelds te voorzien. Maar wat zou dat? Hij had -altijd voldoende bij zich. Hij keek even zijn beurs na—die lag nog met -zijn sleutels op ’t nachttafeltje, juist zooals hij ze die laatste -nacht vóor zijn ziek worden had neergelegd—en vond een groote -vijf-en-twintig gulden. Daarmee zou hij zich desnoods de eerste dagen -kunnen redden. Dan kon hij zijn bankier immers telegrafisch de noodige -orders geven. Hij wilde van een der tusschenstations dicht in de buurt -naar Vlissingen gaan, daar blijven totdat hij ’t noodige geld ontving, -en dan met de boot naar Londen vertrekken. Hij was dan toch nog -wellicht binnen vier-en-twintig uren aan zijn bestemming.... - -Toen Paula thuiskwam, veinsde hij te slapen. Blijkbaar voldaan keek ze -in de kamer rond, overtuigde zich dat er verder niets noodig was, en -verwijderde zich. - -Geen oogenblik kwam ’t bij haar op dat Larsen die nacht reeds -ondernemen zou wat ze vreesde. - -En zoo gelukte de volvoering van het plan in die nacht volkomen. Hij -had geen oog toegedaan, het kind sliep rustig toen hij haar voorzichtig -wekte. Muisstil slopen beiden de trappen af, de gang in, voorzagen zich -van hoed, jas en mantel, en begaven zich op straat. - -Zoo hadden ze meer dan een uur geloopen. ’t Kind was moê, maar vol -moed. Ze voelde zich fier op het vertrouwen van haar vader, veilig in -zijn bescherming, en vol illuzies voor het onbekende dat vóor haar lag. -Het geheimzinnige van al wat er in de laatste weken voorgevallen was -verontrustte haar niet meer, en ze stelde de beantwoording van tal van -vragen tot later uit: later zou alles duidelijk worden, hoe vreemd het -haar nu ook leek. Later.... en haar hartje zwol bij de heerlijke -gedachte dat vader en zij voortaan steeds bij elkaar zouden wezen, dat -er meer innigheid in de omgang tusschen hen zou ontstaan, al was die in -hun wederzijdsche gevoelens ook volkomen. En haar kinderfantazie stelde -zich die voor als een vermeerdering van leesuurtjes—vader kon zoo -heerlijk voorlezen, al liet hij een prinses ook met een bromstem -spreken—van lange wandelingen; en ze dacht ook aan de eindelijke -verwezenlijking van een oude droom: een fiets te krijgen. Moeder -fietste zoo vaak, en vader ook wel eens; maar vader vond altijd dat -moeder gelijk had, dat zij nog te klein was, omdat ’t zoo gevaarlijk -was.... Nu vader steeds bij haar zou wezen, verviel immers dat bezwaar. -En zij zou vader altijd gezelschap houden, ze zou hem voorlezen, voor -hem schrijven ook—ja, ze wilde hem later helpen met zijn werk. Hoe -heerlijk, hoe „leuk” en gezellig! En misschien ging ze niet meer naar -school: ze hield van leeren, maar op school was ’t zoo vervelend. Ze -was zoo levendig en bewegelijk, en kreeg telkens „afkeuringen” voor -allerlei kleinigheden. He nee, die schooljuffrouwen waren erg -vervelend. Wat kon vader anders les geven! Zoo’n geschiedenisles op -school was als droog zand, en bij vader....! ’t Was net een mooi -verhaal in een boek. - -En Didi mijmerde voort over al ’t goede dat haar wachtte in ’t -tooverland aan de andere kant der zee. Vader had haar gezegd dat ze -over zee zouden gaan naar de grootste stad in de wereld. Ze woû niet -moê zijn, waar ze dat alles tegemoet ging.... - -De dag brak druilig aan, toen het tweetal het kleine dorpsstation -bereikten. Een blauwe wazige mist lag over de velden, hing als een fijn -web over de boomen langs de weg. De wind, die afgenomen was, had nog -voldoende kracht om hier en daar de mist bijeen te vegen en in dichtere -wittere lagen op te hopen, elders plekken open latend; terwijl dorre -bladeren, bemodderd en bruinglanzend van vocht, nu en dan opvlogen van -de weg, als verdwaasde, in hun rust opgeschrikte vogels, of -neerdwarrelden uit de klamme takken daarboven in vadsige zwijmeling. - -Het nieuwe licht, hoe droevig ook, en het besef van welslagen dier -eerste faze van hun bevrijdingsdaad, de verwachting van verandering bij -’t zien der ijzeren staven, die zich daar glimmend zwart links en -rechts uitstrekten, om zich voor ’t oog allengs op te lossen in de -nevelige verte, gaven aan Larsen’s geest een weldadige afleiding. Die -rechte, kordaat naar ’t doel voerende lijnen—mocht ook dat doel in -wazige geheimenis ver voor de blik verscholen liggen—waren hem een -beeld van zijn vastberadenheid om zijn doel te bereiken, ondanks de mist -die zijn toekomst verborg. - -De heele weg over had hij in somber, nauw afgebroken zwijgen -teruggedacht aan alles wat hij verliet om der wille van zijn eer en -zijn rust. Met innige droefheid betreurde hij ’t opgeven van een -werkkring waarin hij zich thuis gevoelde, waaraan hij zooveel van zijn -krachten met lust en ijver gewijd had. Hij was niet alleen geleerde. -Ook als docent had hij liefde gehad voor zijn betrekking. Zijn colleges -waren hem steeds een genot geweest, en hij wist dat hij bij zijn -leerlingen waardeering vond. Hij had er vrienden en bewonderaars onder, -onder die jeugdige mannen, wier gemoed hij liefde wist in te boezemen -voor zijn heerlijk vak, al was ’t meer door de helderheid van zijn -betoog en de warmte zijner eigenliefde dan door de welsprekendheid -zijner voordracht. Hij was erin, steeds, en dit won hem sympathieën. -Menigeen onder de jongeren zou zijn heengaan voelen als ’t verlies van -een vriend, van een degelijk leidsman. De studenten die zijn colleges -volgden, kwamen nu en dan familiaar bij hem, vroegen hem vrijmoedig om -inlichtingen, sommigen deden lange wandelingen met hem in leerzame -aangename kout, en geregeld eens in de maand was zijn salon het -vereenigingspunt van tal van jongelieden, die waarlijk niet het -„theeslaan” bij „de prof” alleen als een gedwongen fraaiigheid -beschouwden. Vooral éen onder hen kwam hem telkens vóor de geest. ’t -Was een veelbelovend jurist, die reeds de meesterstitel verworven had -en uit liefhebberij zijn college bleef volgen. Er waren er meer met -hem, die tot andere faculteiten behoorden, en „prof Lars” gaarne -hoorden, zich daarom alleen bij hem hadden laten inschrijven. Maar die -eene was een der talentvolsten en zeker de geestdriftigste zijner -bewonderaars. Israëliet van zeer nederige afkomst was David Zomer een -dier heldere koppen en stoere werkers die zijn ras, ten spijt van -vooroordeelen en afgunst, nog steeds tot eer strekken; een dier telgen -van het oude volk die, als zoovele voorgangers, eenmaal geroepen zouden -zijn onder de leiders der beschaving gerekend te worden. - -Wat was er een gloed in zijn woord, wat sprak er overtuiging en -wilskracht uit zijn blik! En welk een voorbeeld van liefde tot de -wetenschap in de gezondste vorm, van soberheid en plichtsbetrachting -was hij steeds geweest in de bonte verscheidenheid dier spes patriae, -onder wie zoovelen zoo weinig gaven van ’t geen ze eenmaal deden hopen! - -’t Hart van de toegewijde leermeester kromp ineen bij de gedachte aan -de gedwongen verzaking eener taak die hem zoo dierbaar was. ’t Werd hem -duidelijker dan ooit, welk een rol zijn liefde in zijn leven gespeeld -had, en een stem van verwijt klonk telkens weer op in zijn ziel, of hij -niet zelfzuchtig was geweest dat alles op te offeren, omdat een vrouw -hem beleedigd had, om een hersenschim misschien.... Want wat was die -eer, wier eischen zich zoo onweerstaanbaar deden gelden bij ’t heilige -van plichtsbetrachting? Moest hij niet dulden, in gelatenheid -aanvaarden, stil verdragen wat hem als bezoeking was opgelegd? Er waren -zooveel mannen geweest die de schande met moed en zelfverloochening -hadden getorst om der wille van een schoon ideaal, ja om de eenvoudige -gewetensdrang tot plichtsvervulling! Dat waren helden, martelaren! En -’t waren waarlijk niet altijd de slechtste mannen wier vrouwen hun eer -bezoedelden.... ’t Lot moest maar willen dat de mannen die zich wijdden -aan wetenschap of kunst, aan een veeleischende levenstaak, zich -verbonden met wufte vrouwen, die niet in staat waren daarin mee te -leven, en ontrouw was immers schier onvermijdelijk! Hij was dom -geweest, kortzichtig en onvoorzichtig.... Maar God, hoe kon een liefde -als de zijne éen oogenblik argwaan koesteren? En thans, nu ze dood was -die liefde, nu de groote beweegkracht van zijn werken en streven had -opgehouden te bestaan, voelde hij zich slap en machteloos, slechts in -staat zich voort te sleepen tot zelfbehoud, tot de vlucht. Goed, hij -was geen held, geen martelaar. Mijn God, hij kòn niet, hij kòn niet!... -Hij was een mensch met menschelijke zwakheden; hij boog ’t hoofd en -deed de droeve belijdenis reeds door zoo menig menschenkind in zijn -hart uitgesproken: - -Homo sum, humani nil a me alienum mihi puto. - -Hij had scheiding van tafel en bed kunnen aanvragen.... Zijn eer was -dan immers gered geweest en hij had zijn werk kunnen blijven -behartigen. En als ’t hem dan ondragelijk was geweest in de stad te -blijven wonen waar hij zooveel geluk gekend had, waar iedereen hem in -dat geluk gekend had, dan had hij immers moeite kunnen doen voor een -plaatsing aan een andere hoogeschool.... ’t Was dus niet zijn eer -alleen die hem tot zijn wanhoopsdaad gedreven had. Er was iets diepers, -iets machtigers in zijn ziel: de pijn van ’t geen daar uitgerukt was. -Die pijn joeg hem voort, weg van de plaats waar hem de wond was -toegebracht, ver weg van ieder oord, van ieder mensch dat hem -herinneren kon aan dat vreeselijkste oogenblik van zijn leven: Paula’s -zelfonthulling na de openbaring van haar verraad.... - -Waren dus de gedachten van ’t kind, dat hij meegenomen had als ’t -laatste wat hem nog aan ’t leven deed hechten—och, zonder haar had hij -immers den dood gezocht, zeker!—meest gericht op wat de toekomst geven -zou als vergoeding voor al ’t verlorene, voor de vader lag daarin -slechts éen belofte: rust en vergetelheid. Hij zou die zoeken in de -omgang met zijn lieveling en in zijn studie; al had hij daarvan slechts -een vaag besef. - -Vader en dochter traden de kleine wachtkamer van ’t station binnen. Zij -waren de eenige reizigers op dat vroege morgenuur. De slaperige -juffrouw aan ’t buffet reikte op Larsen’s verzoek twee dampende koppen -koffie en wat brood aan. Op de houten bank langs de wand gezeten -verorberden de beiden hun eenvoudig ontbijt. Larsen greep gedachteloos -naar een van de zwaar beduimelde couranten en blaadjes op de tafel vóor -hem; Didi sipte stil haar koffie, sloeg nu en dan een nieuwsgierige -blik om zich heen naar de kleurige reclame-platen aan de wand, en -mummelde haar broodje. - -„Echte loerie, vader,” zei ze op haar kopje wijzend, en lachte. - -„Maar toch warm, en ’t doet goed, kindjelief.” Hij streelde haar eene -hand onder de tafel. - -„O ja, en tòch wel lekker!” Ze zou alles lekker gevonden hebben op dat -oogenblik. Ze was immers „op reis”, vervuld van de heerlijke illuzie -van ’t avontuurlijke.... - -Tien minuten later reed de trein voor. Larsen begroette hem als een -vriend. Toen hij in een hoek van een eersteklas-coupé gedoken zat met -Didi tegenover zich, glimlachte hij tevreden tegen haar: hij voelde -zich veilig, en ’t was hem alsof nu eerst de beslissende stap gedaan -was. Ze zaten alleen met hun beidjes. - -Nauw onderweg sloot Larsen de oogen, en weldra overmande hem de slaap. -En het meisje streed eenige minuten tevergeefs met aanvechtingen van -dezelfde aard. De trein ging niet verder dan Rotterdam: de conducteur -zou hen daar wel wekken. En beiden waren vermoeid—Larsen ook -geestelijk. De lange wandeling bezorgde beiden een droomlooze rust. - - - - - - - - -XV. - - -„Professor Larsen is hier afgestapt?” - -„Ja, meneer, met zijn dochter, kamer 36,” antwoordde de portier van ’t -hotel. - -„Is meneer thuis?” - -„Ik meen van wel. Ze vertrekken pas van avond.” - -„Naar Engeland zeker. Weet je zeker dat hij van avond nog wilde gaan?” - -„Ja, meneer; ten minste dat zeî meneer: hij zou niet blijven logeeren. -En de boot gaat over een paar uur.” - -„Zoo. Goed. Wil je meneer dit kaartje brengen?” - -De portier liep naar binnen. Een kelner stoof de trap op, klopte aan -deur no. 36. - -„Binnen.” - -„Meneer,” en groetend trad de gedienstige het vertrek binnen, „hier is -een kaartje van iemand, die u spreken wil.” - -Verwonderd bekeek Larsen het kaartje. - -„Wie is ’t, vader?” vroeg Didi. Ze zat op een sofa, Larsen op een luien -stoel. Larsen antwoordde niet dadelijk: - -„Laat meneer.... of nee, wacht, ik kom beneden.” En tot het meisje -gewend: - -„De dokter wil me spreken.” - -„Dokter Brakel?” - -„Ja, kindje. Ik kom dadelijk terug.” - -Didi zette groote oogen op. - -Een kwartier later stond ze van haar plaats op. Ze vatte niet waarom -vader zoo lang met die dokter sprak. En wat woû die man toch? Was hij -ongerust, omdat hij dacht dat vader nog ziek was, en was hij daarom -overgekomen, zoo ver? Ze moest er ’t hare van hebben. - -Ze ging naar beneden, en vond weldra haar vader in gesprek met de -bewuste. Dadelijk trof haar ’t vreemde in de houding en -gelaats-uitdrukking van de eerste. Hij stond, de ander zat. Zijn gelaat -vertoonde een hevige gemoedsbeweging. Wat was er nù weer? - -Schuchter trad ze binnen in de kleine spreekkamer bij de ingang van ’t -hotel. - -„Och, ga heen, Didi,” riep Larsen ongeduldig en onvriendelijker dan hij -zelf gewild had. Blijkbaar had hij nog veel te zeggen. - -De arts wenkte. - -„Kom gerust binnen, hoor.” En tot de ander: - -„Waarom zou ze niet? ’t Is immers alles in orde nu.” - -Larsen barstte los ondanks de tegenwoordigheid van zijn kind. - -„In orde? Geen kwestie van! Ik ga niet met u mee. Dat zeg ik u nog -eens.” Hij maakte een beweging om heen te gaan. - -Didi stond verbluft. Ze had haar vader nog nooit zoo opgewonden en -driftig gezien. Vrees sloeg haar om ’t hart. - -De arts bleef doodkalm. - -„’t Spijt me, professor, dat u niet naar rede wil luisteren.” Hij stond -op, en legde Larsen een hand op de schouder. „U heeft toch alles goed -begrepen,” zei hij zacht. „Maak u nu maar klaar. Ik hoef u toch niet -alles te herhalen. ’t Is voor uw eigen bestwil.” - -„Och wat! Machinaties.... van mijn vrouw!” Larsen was buiten zich -zelven. De arts keek naar het kind. In vredesnaam! dacht hij; maar hij -had medelijden met haar: hij had haar dit tooneel willen besparen. - -„Kom, meneer Larsen.... Wat kan u tegen uw vrouw hebben, die u zoo goed -opgepast heeft? U moet terug, en dat ziet zij in. Ik kom op haar last. -Ik zie dat u overspannen is.” - -„Dat ben ik niet, zeg ik u. Ik wìl van avond vertrekken, verstaat u? En -daarmee basta. Dag, dokter.” - -Hij wilde heengaan. De goede man zag dat het ernst was, of liever kreeg -de overtuiging dat hij hier met voor hem zeer verklaarbare koppigheid -te doen had. Hij trad hem in de weg. - -„Een enkel woord nog, als ’t u belieft.” Hij sprak steeds kalm en op -vriendelijke toon. - -Larsen weifelde. - -„Nu?” vroeg hij nog altijd toornig. - -„Wil ik u ’s wat zeggen? ’t Doet me leed, maar u dwingt me ertoe.” Hij -tastte in de binnenzak van zijn overjas, en haalde een stuk papier uit -zijn zakportefeuille. „Ik heb hier ’t bevelschrift van de rechter.” De -arts hield het stuk op. Hij achtte het niet noodig het te laten zien. -Innerlijk was hij immers overtuigd met een krankzinnige te doen te -hebben. Hoe ver diens onredelijkheid gaan zou, wist hij wel niet; maar -hij vond het wijs de man „met een zoet lijntje” mee te krijgen, en -eerst in ’t ergste geval geweld te gebruiken. Echter had hij voor dit -laatste de noodige maatregelen getroffen. - -„Wat moet ik met dat bevelschrift? Ik ben toch geen misdadiger, en -bovendien heeft u toch geen bevoegdheid om mij te arresteeren. ’t Is al -te dol!” In zijn opgewondenheid begreep hij nog niets. - -Weer maakte Larsen een beweging naar de deur. - -De arts zag het, en zei snel: - -„Ik reken op uw meegaandheid en redelijkheid. Maar u is overspannen en -in uw geestestoestand mag ik niet toelaten dat u op reis gaat—met uw -dochter.” - -„In mijn geestestoestand!” riep Larsen verbleekend. - -Opeens werd het hem duidelijk: die man daar hield hem voor krankzinnig, -en dat niet alleen, maar het feit was geconstateerd, de rechter was er -in gemoeid. Als hij verder weerstand bood, zou hij wel met geweld -gedwongen worden mee te gaan. Dat was Paula’s werk! Plotseling zag hij -alles: hij herinnerde zich hoe zij in de dagen van zijn ziek zijn -herhaalde malen vreemd, met verschrikte blik, soms met een zonderlinge -uitdrukking van medelijden, naar hem gekeken had; ook hoe zij telkens -fluistergesprekken met de dokter gehouden had, vlak bij zijn bed. Het -woord „cerebralis” kwam hem vóor de geest.... In zijn toestand van -wezenloosheid en sufheid had dat woord hem bespookt in zijn droomen; -maar nooit als de uitdrukking van zulk een denkbeeld als thans.... - -’t Was dan zoover gekomen met hem.... Paula hield hem voor gek, en liet -hem terughalen.... O maar, dat kon niet.... dat zou opgehelderd -worden.... hij zou ’t zelf ophelderen, dadelijk! - -En hij zag de nutteloosheid van tegenweer in. - -„Dokter,” zei hij somber, op heel andere toon dan te voren, „ik begrijp -volkomen wat u bedoelt. De zaak zal terechtkomen. U heeft er geen -schuld aan.” - -De goede Esculaap haalde de schouders en de wenkbrauwen op, en spreidde -zijn tien vingers welsprekend uit: hij kon ’t niet helpen.... - -„Ik vind ’t onaangenaam genoeg, professor,” zei hij meewarig. Hij was -innig voldaan dat de zaak die wending nam. Hij was een man des vredes, -hield niet van heftige tooneelen. - -„U gaat dus mee, nie’waar,” liet hij volgen. Zijn toon had iets van -dien van iemand, die vervuld van medelijden tot een kind spreekt. -Larsen voelde ’t als een beleediging, maar onderwierp zich gelaten. Wat -gaf het hier en thans die man uit de waan te willen helpen? Iedere -krankzinnige beweerde immers het niet te wezen? - -Intusschen stond Didi met verbaasde oogen naar die beiden te kijken. Ze -begreep er niets van. Ging vader weer terug, gingen ze niet naar -Engeland? Wat kwam die nare man hier stoornis brengen in vaders -plannen? De tranen drongen naar haar oogen; maar ze zweeg. Later zou -vader alles wel uitleggen. Evenals hij schikte ze zich in ’t -onvermijdelijke. Ze boog haar kopje, en ’t mondje pruilde even op. - -„Kom, kind,” zei haar vader. En tot de dokter: „Ik ben tot uw -beschikking. Met welke trein gaat u?” - -„Iets over vijven, ik zal ’t ’s nazien,” antwoordde Dr. Brakel in -gedachten. „Vindt u goed dat ik hier even wacht tot u uw zaakjes -geregeld heeft?” - -„Goed.” Larsen was volkomen kalm, en zonder verder een woord verliet -hij met zijn kind het vertrek. - -Toen alle drie tien minuten later bij de voordeur waren, stond Dr. -Brakel even stil. - -„Een oogenblik,” zei hij. „Ik moet nog even iets vragen.” - -Een glimlach vloog over Larsen’s gebaard gelaat. - -De dokter ging naar binnen, en Didi maakte van de gelegenheid gebruik -om zenuwachtig en haast fluisterend te zeggen: - -„Vadertje.” - -„Ja, mijn kind?” - -„Gaan we nu niet naar Engeland?” - -„Vandaag niet, schattemeid. Over een paar dagen.” - -„Hè, gelukkig!” - -Ze was voldaan, en zuchtte diep: de voornaamste zorg was uit haar -gemoed weggenomen. - -Toen Dr. Brakel eenige oogenblikken later weer naar voren kwam -overdacht hij zijn allerlaatste zielkundige waarneming: ’t was toch -vreemd met die krankzinnigen: ze konden zoo zot doen, en toch ook weer -zoo heel gewoon verstandig handelen! De hotelhouder had „niks -niemendal” gemerkt: meneer had behoorlijk afgerekend ook en gewoon -afscheid genomen, en de kelner ook behoorlijk bedacht! Vreemd, -vreemd.... Een lastige studie, die psychiatrie, en men leerde telkens -wat nieuws, merkte telkens wat verrassends op.... Maar de zaak was -gezond: Larsen ging gewillig mee. - -„Stakkert!” mompelde de goede geneesheer nog in de gang, terwijl hij -zijn versleten gekleede jas toeknoopte, en de kraag van zijn overjas -opsloeg. - -„Komaan, Didi, we gaan, nie’waar, kind?” zeî hij vriendelijk tot Didi, -die hem zag aankomen, en hem aanstaarde met haar sprekende -sprookjes-oogen. - -Didi greep haar vaders hand, toen ze zag dat de dokter haar bij de hand -wilde nemen. Hè nee, ze wilde niet aan zijn hand loopen! - -En de drie stapten de straat op. - -Een eindje verder kwamen twee mannen, forschgebouwde kerels in een -gelijke donkere kleeding uit een huis. De dokter keek om. Ze gaven hem -zijn blik terug en volgden op een kleine afstand. - - - - - - - - -XVI. - - -Larsen was merkwaardig veranderd. De verandering in hem openbaarde zich -ook in zijn kijk op menschen en dingen. Hij was geen droomer, geen -fantast, geen man van oorspronkelijke gedachten of geniale invallen, -geen Faust, maar een Wagner, al was ’t van de goede soort. Wetenschap -en boek waren bij hem onafscheidelijk; zoodat hij in zijn denkleven -steeds daardoor beheerscht werd: zijn geest had jaren en jaren -achtereen in een denkbeeldige atmosfeer verkeerd, en was daarin -volkomen bevredigd geweest. Zijn gevoelsleven had als onbewust -daarnaast bestaan. Nooit had het hem verontrust, geen oogenblik in al -die jaren had hij ernstig nagedacht over eenige gemoedsvraag. De liefde -voor Paula, die alles aangrijpende drijfkracht van zijn wezen, was als -de klop van zijn hart, even natuurlijk, onwillekeurig, buiten alle -beheer van zijn denkvermogen. - -Thans dacht hij aan die hartslag; want er was stoornis in zijn -ziels-organisme. - -En hoe meer hij dacht, hoe ellendiger hij zich voelde, hoe meer hij -besefloos toegaf aan de verwarring, het verlies van evenwicht in zijn -denkbeelden. ’t Eerste gevolg der groote stoornis was angst geweest. -Die angst had hem vervolgd, opgejaagd totdat hij geen ander heil -verwachtte dan wat de vlucht hem schenken zou. En ’t vooruitzicht op -rust had hem reeds toegeblonken: ’t had hem gesust, ’t had zijn -zielebrand voor een wijl gedoofd. - -En nu? Nauwelijks was hij thuis of de angst kwam terug! Wat hem -voorgekomen was als makkelijk te overwinnen, misverstand, bleek thans -een weldoordacht plan: niet dat hij er ’t ware besef van had—hoe kon -dat in de geschokte toestand waarin hij verkeerde?—maar juist deed zijn -overspannen verbeelding hem bedrog en verraad zien waar het niet was. -Was werkelijk hier zijn vrouw alleen de schuldige; het duurde niet lang -of hij verdacht de huisdokter van gemeene samenspanning. En van de eene -verdenking kwam hij op de andere, en telkens werd de strijd, die hij er -tegen voerde, zwakker. - -Op reis naar huis terug had hij nog de kracht gehad angst-aanvechtingen -terug te dringen: zijn vrouw had hem willen dwingen terug te keeren, -zeker—waarom anders dat bevelschrift?—maar wat ’n dwaasheid te denken -dat zulk een komediespel van haar vol te houden was! Och kom, hij zou -wel heel spoedig ’t zaakje in orde hebben. En hij was begonnen met -dood-bedaard—hij deed zijn best het te wezen—in gedachten de goede Dr. -Brakel nog eens al zijn bewijzen vóor te leggen, dat hier een -betreurenswaardige dwaling in ’t spel was. - -De heele weg over, tot aan ’t oogenblik dat Larsen met zijn geleider en -de kleine Didi in de trein stapten, hadden ze nauwelijks een woord -gewisseld. Larsen stapte voort met gefronste wenkbrauwen en -saamgeknepen lippen, Didi naast hem, schuchtere blikken werpend op haar -vader, terwijl de huisarts in vreedzaam gepeins, voldaan, maar -schijnbaar onverschillig, met kleine pasjes de stoere schreden van zijn -patiënt trachtte bij te houden. - -In de coupé zette Larsen zich als een zak in een hoek, Didi schoof naar -hem toe, greep zijn hand en keek hem met groote oogen aan, met de -bezorgdheid van een klein moedertje dat troosten wil. Larsen, die reeds -de oogen gesloten hield, sloeg ze op, en voelde al de streeling die van -Didi’s blik uitging. Een warme opwelling van teederheid deed hem zijn -arm om haar heen slaan, en zijn ruige baard raakte haar zachte wang. - -„Vadertje,” zei ’t kind alleen, maar er was een wereld van -hartelijkheid en belangstelling in haar toon. - -Dr. Brakel keek toe. Er was niets dan medelijden in zijn blik, en toch -was ’t Larsen of hij er spot in las, of hij met een zweepslag -opgeschrikt werd. Driftig wendde hij zich half om: - -„Doe me genoegen, dokter,” zei hij scherp, „en kijk me niet zoo.... -vreemd aan! Ik weet waaraan u denkt. Bewaar in Godsnaam uw observaties -voor later....” - -De toegesprokene raakte even de klus kwijt—hij was een schuchter, -weinig imponeerend man—maar herstelde zich dadelijk. De meewarige -uitdrukking in zijn oogen werd nog sterker en hij antwoordde op gemaakt -luchtige toon: - -„Maar professor, ik denk er niet aan....” - -Larsen wilde uitbarsten, maar bedwong zich. Ongemakkelijk verschoof hij -zich op zijn plaats. Hij vergenoegde zich met een blik vol -misnoegdheid; thuis, wanneer de tegenwoordigheid van ’t kind hem niet -langer zou storen, zou hij die onzin wel wegpraten: zóo en zóo en -zóo.... Als hij nu toegaf aan zijn drift en hevigheid, zou de zaak er -zeker eer slechter dan beter door worden. - -Toen de trein aankwam, stond een rijtuig te wachten, door Paula -afgezonden. Larsen merkte met verbeten ergernis op dat er een -voorzorgsmaatregel genomen was: er zat een man naast de koetsier op de -bok. Zijn verlangen naar huis werd haast onduldbaar, die komedie moest -zoo gauw mogelijk uit wezen! - -Nauwelijks zijn voordeur binnen, vroeg hij naar Paula. Het welbekende -gezicht van Pietje vertoonde een vreemde, medelijdende verwondering. - -„Mevrouw?.... Dat weet ik.... heusch niet, meneer,” zei ze met een -kleur. - -Larsen voelde weer zijn bloed koken: hij, de kalme, zelden kregelige -man, had nu telkens moeite om zijn drift te bedwingen. - -„Is ze uit?” vroeg hij stuursch. - -De dokter nam de verlegen Pietje even apart, fluisterde haar een paar -woorden in, waarop ze, eveneens fluisterend, zenuwachtig antwoordde. - -Larsen, die ’t zag, wendde zich kort om, streelde zijn kind, dat zich -schuchter tegen hem aan drong; en verborg zoo zijn wrevel zoo goed hij -kon. - -Dr. Brakel zeide daarop: - -„Mevrouw is niet dadelijk te spreken, professor. Ik moet haar -voorbereiden. Ik zou u raden voorloopig naar uw kamer te gaan.” Daarna -gaf hij een teeken aan ’t dienstmeisje en wees op Didi. Zijn heele -optreden had iets autoritairs, iets korts en afdoends, als gold het -hier een weloverdacht plan van handelen. - -De anders zoo zachtmoedige professor kon zich niet meer inhouden. - -„Ik moet mevrouw spreken, versta je dat, Pietje?” riep hij woedend, -niet lettend op de dokter. „Zeg me onmiddellijk waar mevrouw is.” En -hij ging eenige schreden de gang in, in de richting van de trap. - -„Ik.... weet.... ’t niet,” stamelde de verschrikte Pietje, wie de angst -om ’t hart sloeg: je kon nooit weten, nu meneer gek was.... En haar -voorschoot aan de oogen brengend, begon ze te schreien. - -Haar vrees dat „meneer” haar aanpakken zou werd niet bewaarheid, tot -haar groote verlichting; want ze zag hem met ongekende haast de trap -opgaan, nog voordat de dokter een woord van protest kon uitbrengen. Bij -wijze van schrik-afleider nam ze Didi bij de hand, en troonde haar met -zich mee naar achteren: de dokter moest ’t maar verder klaarspelen met -meneer, zij moest er niks van hebben, hoor! - -En de dokter vond het geraden Larsen zijn gang te laten gaan. Zijn -vrouw zou hem toch wel in geen geval ontvangen. Dr. Brakel dacht aan de -afspraak, die ze vóor zijn vertrek naar Vlissingen, met hem gemaakt -had, en rekende op haar voorzichtigheid. ’t Was Paula makkelijk -gevallen hem te overtuigen dat ze bang voor haar man was, nu hij „zoo -vreemd” was, en hij had haar dan ook de raad gegeven hem onder geen -voorwendsel bij zich toe te laten: hij, Dr. Brakel, zou dan alles wel -kalmpjes afdoen. Paula had het hem vast beloofd, met groote voldoening -dat ze zóo een lastig tooneel met Larsen vermeed: wie weet wat de man -anders in zijn razernij tegen haar zeggen zou, afgezien nog van -lichamelijk letsel dat hij haar zou kunnen doen: hu, zoo’n gek!—want -dat wàs hij immers nu bepaald—’t was beter alle contact te ontloopen, -dan was er geen kans op geklets van de meiden ook, en—de zaak zou op -rolletjes gaan.... - -Zoo had Paula zich dan reeds uren te voren boven in haar kleedkamer -opgesloten, en iedere keer was ze naar het venster geloopen, wanneer ze -meende ’t gedruisch van wielen te hooren. Over de tuinmuur heen kon ze -een strook van de straat overzien. En toen eindelijk ’s avonds vrij -laat ’t verwachte rijtuig langs de muur reed, stond ze weer achter ’t -gordijn, en kon ze bij ’t schijnsel van een straatlantaarn aan de twee -gestalten op de bok merken dat Larsen wel binnen enkele oogenblikken -thuis zou wezen. Toen nog even geluisterd aan de deur, die ze met de -hand aan de knop openhield: jawel, daar hoorde ze zijn stem in de gang! -En ijlings sloot ze de deur, weer op slot. - -Paula voelde zich zenuwachtig: zou Larsen misschien tòch trachten tot -haar door te dringen? Als de dokter eens.... Ze zette zich op een -fauteuil bij haar kaptafel, en wachtte af, de ooren gespitst. Het -gerucht van stemmen beneden kwam flauw tot haar. Pietje of de dokter -zou wel spoedig boven komen. - -Daar werd aan de deur geklopt, met vrij hevige tikken. - -Dat moest Larsen zelf zijn! Ze voelde ’t, ofschoon de vlugge schreden -op de trap en op den overloop evengoed op een ander hadden kunnen -duiden; want men zou haar immers dadelijk verwittigen, wanneer de -verwachte er wezen zou. - -Een oogenblik bleef ze in beraad. - -Nog eens hevig kloppen, vrij onmiddellijk na ’t eerste. - -„Paula, mag ik binnen?” klonk het ongeduldig en gejaagd, zonder eenige -inleiding. - -De aangesprokene was ten hoogste ontroerd: ze beefde over haar heele -lijf. Ze moest een besluit nemen: niet binnenlaten, in geen geval.... -Maar dan.... als hij eens de deur forceerde? - -Haastig sprong ze op, liep naar de schel en deed er drie of vier -zenuwachtige rukken aan. - -Larsen hoorde de beweging in de kamer en ’t geluid van de schel. O, hij -begreep het: Paula was bang voor hem! Deze ontdekking die hij deed was -weinig geschikt om hem tot bedaren te brengen. ’t Speet hem nu dat hij -maar niet dadelijk naar binnen was gegaan. Hij had ’t niet gedaan, -omdat de veranderde omstandigheden hem dwongen tot grootere -vormelijkheid.... De deur zou wel open zijn.... hij moest onmiddellijk -aan dien onzin een eind maken. - -„Wat is dat?” riep hij buiten zich zelven toen hij merkte dat de deur -op slot was. „Paula! Ik moet even bij je zijn. Ik moet je spreken. Wat -is dat nu voor een komedie? Laat me binnen!” - -Geen antwoord. - -„Paula! Hoor je me niet?” - -Hij luisterde even: ’t was muisstil in de kamer. „Paula!” - -Daar kwam iemand de trap op. O, de dokter. Wat had die hier te maken? - -„Wat moet u hier?” vroeg Larsen. - -De dokter trad op hem toe en leî een hand op zijn schouder. Larsen -weerde hem driftig af: - -„Dat is onuitstaanbaar! Ik heb u niet noodig....” - -„Ik u wel,” zei Dr. Brakel kalm en met beteekenis. Weer ging de bel in -Paula’s kamer. - -„Wacht u dan beneden op me. Ik kom bij u in de voorkamer, straks. Ik -moet even mijn vrouw spreken. Dat wil u me toch niet beletten?” - -Merkwaardig stak de drift van de eene bij de kalmte van de ander af. -Dr. Brakel waagde nog een poging tot overreding. Vriendelijk vervolgde -hij: - -„Ik heb u immers gezegd dat uw vrouw u niet dadelijk ontvangen kan. Ze -komt misschien straks beneden. Ga nu met me mee, of ga naar uw kamer. -Daar doet u heusch verstandiger aan. U begrijpt toch dat uw vrouw na ’t -gebeurde.... niet opeens begrijpt.... wat ze aan u heeft.” - -Misschien zou Larsen voor die zachte drang gezwicht zijn, als niet -juist op dat oogenblik iets voorviel dat zijn reeds bedarende drift -heviger dan ooit deed opvlammen. - -De man op de bok, op wie Larsen bij ’t thuiskomen in zijn staat van -afgetrokkenheid niet meer gelet had, was een kameraad gaan halen en -beiden bleven buiten wachten nadat het rijtuig weggereden was. Pietje -had van mevrouw de uitdrukkelijke last gekregen ze in te laten zoodra -de dokter ’t noodig oordeelde, en als dat gebleken was voorloopig niet -het geval te wezen, zou ze hun dit aan de deur zeggen. De -politie-mannen—want dit waren zij, al verraadde niets in hun kleeding -hun kwaliteit—wandelden op en neer vlak vóor ’t huis. Pietje, die op -mevrouw’s bellen de oude dokter naar boven had zien „hollen”, vond ’t -geraden naar hulp uit te kijken: wie weet wat er anders gebeurde! Ze -was anders juist bezig Didi allerlei vragen te doen, en had zoo graag -wat meer uit haar gekregen—Didi was uit haar humeur geweest, had -nauwelijks bij Pietje willen blijven, en toch had deze dit noodig -gevonden „in de omstandigheden”. En Pietje stoof de gang in, terwijl ze -Didi in de keuken sloot, keek schuw links en rechts uit de voordeur, -wenkte met hevig gebaar toen ze de twee gestalten gewaar werd. - -„Doet-i vreemd?” vroeg de een, die ’t zaakje niet onaardig vond. -Mevrouw van de Prefesser was al zoo gul geweest. ’t Was daar ’n goeie -boel in huis: cognac en sigaren, asjeblief en fijn, hoor! - -„Ja, kom gauw,” zei Pietje zenuwachtig, en keek nog eens of er ook -menschen op straat waren. - -En de beide mannen kwamen stil binnen. Pietje sloot de voordeur, met -bevende vingers, en ze deed zich pijn aan de koperen knop. Ze stak haar -duim in haar mond—hè, dat lamme ding aan die deur! - -„Mevrouw is boven,” stamelde ze. - -„Ja, en?” De gebaarde politie-agent met het blozende gezicht, die iets -Duitsch krijgshaftigs in zijn uiterlijk bewaard had, al was hij ook -reeds tien jaar „uit dienst”, had zijn minder militair uitziende -kameraad—een bleek, beenig stadsmensch met kaal gezicht, iets ouder en -minder stevig—met een wenk duidelijk gemaakt dat hij wachten moest: hij -had in dienst manieren geleerd, wat blief je.... - -„Meneer.... is ook boven. En de dokter is ook boven. Ga maar ’s -kijken.” - -De Germaan van de twee glimlachte goedig over Pietje’s zenuwachtigheid. - -„Blijf jij maar hier wachten, Van Turnhout,” zeî hij op gedempte toon -tot de ander. „Ik zal je wel roepen als ’t noodig is. Ik zal wel alleen -gaan.” - -„Gauw dan toch!” jengelde Pietje zoo zacht als haar angst toeliet. -Mevrouw had haar weer gebeld.... - -En zoo kwam ’t dat er zich een ruige krijgsmanstronie boven de trap -vertoonde, juist toen Larsen die kant uitkeek, en er reeds aan dacht -toe te geven aan de aandrang van Dr. Brakel. - -Het kinderlijk, kalm jongensgezicht met de groot-starende, blauwe -kijkers had op Larsen een wonderlijke uitwerking. Zonder zich -rekenschap te geven van wat hij deed—de impulsies namen meer en meer de -overhand in zijn handelen—vloog hij op de verschijning toe. - -„Mijn trap af.... Mijn huis uit, zeg ik je!” bulderde hij vlak bij hem. - -Weer dat starende blauw, zonder spoor van verbazing; dat massieve -geheel van bewuste kracht. - -Larsen weifelde. Meteen was onze Germaan boven, en stond nu naast de -woedende. Hij wierp even een blik naar de deur aan ’t einde van de -overloop, die van Paula’s kamer. Dat was in orde: de dokter stond -ervoor, en die wenkte: hij kon zijn gang gaan. - -Larsen zag en begreep zijn blik. En smartelijker, honender dan ooit -flikkerde dit angstbeeld vóor zijn geest op: Paula wilde hem -verwijderen, naar ’t gekkenhuis laten brengen, zonder hem een oogenblik -gelegenheid te laten het misverstand uit de weg te ruimen, en de dokter -en zijn heele huis spanden samen in een duivelsch komplot! - -Dat zou niet, bij God! Hij was nog meester in zijn huis.... Maar ’t -bevelschrift dat de oude Brakel hem te Vlissingen had laten zien? ’t -Mocht wat! ’t Was al mooi dat hij daarom gewillig mee was gegaan, terug -naar zijn huis! ’t Was immers schreeuwend onrecht iemand zoo maar weg -te willen halen zonder een woord van explicatie! Dat was Paula’s -toeleg: een machinatie zonder naam, op touw gezet omdat ze haar kansen -anders tegenover hem verloren zag. Daar zou hij zich tegen verzetten, -en hij wou wel ’s zien, of hij zich geen recht zou weten te verschaffen -tegenover dat wijf!! - -En er niets van beseffende hoe hij hier juist bezig was zijn eigen spel -voor goed te bederven, liet hij zich blindelings voortsleepen door zijn -toorn. - -„Versta je me niet?” riep hij weer tot de agent met gebalde vuisten en -vlammende oogen. „Onmiddellijk naar beneden!” - -De ander zweeg, maar de dreiging in Larsen’s blik en gebaar ziende, -bracht hij snel een fluitje voor den dag, en blies er even met kracht -op. Had hij geroepen, dan was er kans geweest dat zijn kameraad beneden -een minder gunstig denkbeeld van zijn correct militair optreden -gekregen had. - -Bij Larsen deed dit de maat overloopen. Met zijn groote kracht, vroeger -ondanks al zijn ingespannen studie steeds onderhouden en geoefend door -dagelijksche huis-gymnastiek, ’s morgens na ’t bad, en thans nog -wonderlijk vermeerderd door zijn dolle woede, greep hij de agent bij -zijn schouder, en duwde hem in de richting van de trap, slechts enkele -schreden daarvandaan. De man was een oogenblik overbluft door de -vlugheid van Larsen’s optreden. Doch zich dadelijk herstellende, wist -hij met groote tegenwoordigheid van geest bovenaan de leuning te -grijpen, en zoo een anders zekere val te stuiten, toen zijn eene voet -reeds van ’t portaal af op de bovenste trede der trap was gegleden. -Nauw zijn evenwicht herkregen, zette hij zich schrap. ’t Massieve -eikenhout der leuning kraakte bedenkelijk door de forsche druk van die -athleten-arm; doch ’t was maar éen oogenblik; want de onbesuisde -tegenstander was bedwongen voordat hij nog recht wist wat er gebeurde: -de ander had hem met de eene vrije arm en zijn eene knie achteruit -gedrongen, was een ommezien later weer op het portaal, en had Larsen de -handboeien aangelegd. - -„’t Spijt me, meneer,” zei de handige politie-agent met kranig -geaffecteerde bedaardheid—hij was blij dat ’t zoo goed afgeloopen was, -nou; want de perfesser was niet meegevallen, om de dood nie!—„maar u -zal me moeten volgen. Als u zich kalm houdt wil ik u straks die boeien -wel afdoen, in ’t rijtuig misschien al.” - -De gevangene stond wezenloos, verlamd. Met uitpuilende oogen staarde -hij de agent aan, zijn neusvleugels trilden, uit zijn open mond kwamen -benauwde ademschokken. Een akelig geluid, half snik, half kreunen -ontwrong zich aan zijn borst, en hij zakte in elkaar. Een wit gipsen -beeld achter hem wankelde en viel van zijn voetstuk met een harde slag. - -Met goedige verbazing in zijn blik ondersteunde de agent het slappe -lichaam van Larsen. De dokter schoot toe, gaf orders. - -Inmiddels was de tweede agent bovengekomen. - -En Pietje schichtig daarachter, op de trap nog, aarzelend, -nieuwsgierig, bang. - -„Zal ik koud water halen?” riep ze. - -Larsen werd naar een bank geleid bij een raam op de overloop. De dokter -liet hem zitten, maakte zijn vest los. De eene agent ontdeed hem van -zijn boeien, de ander haalde wat water: de duinwaterkraan was vlak bij -de hand. Hij nam ’t zeepbakje weg en vulde dat. - -„Daar neerzetten,” zeî Dr. Brakel, toen de agent terugkwam. En dan tot -de schichtige Pietje: - -„Breng even een spons, Pietje.” En toen Pietje de trap weer af wilde: - -„Uit mevrouws kamer maar.” - -Paula, die achter haar deur had staan luisteren, een en al beving en -schrik, vermoedde wat er gaande was. Ze liet Pietje dadelijk binnen, -toen deze met huilerige stem om toegang vroeg. - -De dokter had intusschen zijn patiënt een flacon met „vlugzout” onder -de neus gehouden—hij had het bij zich genomen voor alle -gebeurlijkheden; daarna het voorhoofd wat gebet, met zijn zakdoek. -Larsen opende flauw de oogen. - -Toen Pietje terugkwam, stak haar meesteres ’t hoofd uit de deur van -haar kamer. - -„Dokter!” riep ze zacht. - -De geroepene belastte Pietje met het toezicht over zijn patiënt. - -„Ja?” antwoordde hij bijna fluisterend. - -„Hoe is ’t, dokter? Hij komt bij, nie’waar?” - -„O ja, dat gaat al. Maak u maar niet ongerust.” - -„Moet hij niet naar zijn bed?” - -„Ja, dat zal wel ’t beste zijn. Waar zal ik hem laten brengen?” - -„Och.... wat dunkt u?.... Heeft hij daar ook niet een goed bed?” - -„Daar.... Wat bedoelt u?” - -„In.... in ’t gesticht.” - -„O, jawel. Maar woû u?....” - -Paula hield even op. Toen nog zachter dan te voren: - -„Ik ben zoo bang.... voor hem, dokter. Voor hèm, ziet u? Als u toch -verzekert dat ze hem daar goed behandelen. Zou ’t heusch niet beter -zijn?” - -„Och, eigenlijk wel....” - -„Doet u ’t maar. Wacht, ik zal Pietje om een rijtuig laten -telefoneeren.... U vindt ’t immers goed zoo, nie’waar, dokter?” - -„O zeker, zeker, u heeft gelijk. Beter zoo.” - -Hij ging naar Larsen terug, loste de bevende Pietje af van haar akelige -taak: och, meneer zag zoo wit als een doek, en dan die natte haren vóor -zijn oogen! - -Beneden in de gang gekomen, hoorde ze Didi weeklagen in de keuken. ’t -Kind was buiten zichzelve. „Ik wil naar vader, ik wil naar vader!” -kreet ze telkens tusschen zenuwachtig snikken in. - -Pietje gebood haar gevoelig hart te zwijgen, en hanteerde het -spreekwerktuig met zenuwachtige haast. - - - -Een half uur later—’t was half twaalf in de nacht—reed op de weg naar -Den Haag met eenzame wielrateling een dicht rijtuig in de richting der -hofstad. Op de bok zat ditmaal alleen de koetsier met nog een man; op -de achterbank binnen het korte lichaam van Dr. Brakel, met gekruiste -armen achterover leunend, en tegenover hem Larsen in kussens half -weggezakt, in doffe onverschilligheid. - - - - - - - - -XVII. - - -„Wat nu al weer? Binnen!!” riep Larsen, die op een lederen leuningstoel -ineengedoken zat, kin op de borst, handen en voeten over elkaar. Hij -dacht na. ’t Was onaangenaam dat men hem nooit behoorlijk tijd liet om -na te denken: iedere keer werd hij gestoord! - -De deur ging open. Larsen keek niet op. Met gefronste wenkbrauwen bleef -hij vóor zich kijken. - -„Goeie morgen, Willem!” zeide de binnentredende vroolijk en hartelijk. -„Hoe staat het leven?” Hij ging naar de zittende toe, en klopte hem op -de schouder. - -„O, ben jij ’t....?” Wantrouwig blikten Larsen’s oogen. Dan opeens met -veranderde toon, maar nòg gemelijk: „Kruyt.... Albert.” - -„Zeker, amice, ik kom ’s kijken hoe je ’t maakt, net als de vorige -keer....” Medelijdend keek de bezoeker de ander aan. - -Hij was ongeveer van diens leeftijd, had een gladgeschoren rondblozend -gelaat, zwartglanzig spaarzaam haar met lichte kroezing boven de kleine -platte ooren, half dichtgeknepen grijze oogjes, gebogen, maar fraai -gevormde neus, streepmond met een zelden verdwijnend vleugje van -ironie, door rooken eenigszins zwartachtig geworden gave kleine tanden, -waarvan zich alleen de onderste rij bij een kort kramplachje liet zien; -verder een spoor van onderkin, en in hals en overige lichaamsdeelen -iets welgedaans, dat evenwel aan ’t geheel zijner verschijning eer -voor- dan nadeelig was: ’t gaf hem bij de ongedwongenheid en -evenredigheid zijner bewegingen een waas van priesterlijke waardigheid -en deftigheid, die hij gaarne aan den dag legde. Een oppervlakkig -waarnemer zou allicht, hem ziende, tot de diagnose komen: een man met -een heldere geest, die zich vaak met ernstige zaken bezighoudt, een -waardig man, en een wie ’t goed gaat in dit leven. En, wat het -uitsluitend uiterlijk aanging: een man van opvoeding en stand, die zijn -wereld kent; niet bepaald knap, maar voornaam en vriendelijk van -trekken. - -Kruyt was kort na Larsen’s opname in ’t gesticht er eens heen gegaan, -om zich op de hoogte te stellen. Hij had in een paar weken niets van -zijn oude vriend vernomen, en opeens had de tijding van diens vlucht en -wat er volgde hem zeer onaangenaam verrast. ’t Was Van Thiemen geweest, -die hem op de hoogte gesteld had. De eerste ontmoeting met zijn -ongelukkige vriend was voor Kruyt voldoende geweest, om geen oogenblik -meer te twijfelen aan diens geestestoestand: ’t was mis met Larsen, -en—misschien voor goed! - -„Gisteren is zij er weer geweest,” ging Larsen voort, met somber vóor -zich uit starende oogen en weer op gemelijke toon. - -„Je bedoelt je vrouw? Belangstelling immers,” en hij nam een stoel. - -Larsen hief zich hartstochtelijk in zijn stoel op, en beet de ander -toe: - -„Belangstelling! Ze stookt de menschen tegen me op, om me nog langer -hier te houden! Ik wil haar niet zien! Ik wil haar nooit meer zien, -versta je, Kruyt? Nooit meer! Zeg ’t haar toch!” - -De ander keek zwijgend en met meewarige blik naar deze uitbarsting van -wrevel, de derde die hij nu bijgewoond had. Larsen had het beide keeren -steeds over zijn vrouw gehad, en de bitterheid van toon daarbij was hem -meer dan eens pijnlijk opgevallen. Wat maakte de man zoo achterdochtig -tegen die vrouw, hem die toch vroeger zoo gelukkig met haar scheen te -wezen? Ofschoon hij er ’t ware niet van begreep—want Larsen onthield -zich door eigen natuurlijke afkeer van ’t openbaren der waarheid ter -zake van zijn huwelijksleven—toch besefte hij vaag dat hier iets -bizonders gebeurd moest wezen. En hij dacht: wie weet welk huiselijk -drama hier het vreeselijke gevolg gehad had, dat hij voor oogen zag! - -„Kom, kom, Willem,” antwoordde Kruyt sussend, „je vrouw meent ’t zoo -kwaad niet. Ze wil zich alleen overtuigen, of ze hier wel goed voor je -zorgen. En ze stuurt je toch ook dikwijls wat lekkers....” - -Larsen verbaasde zich niet, dat Kruyt hiervan afwist: hij was in die -staat van afgetrokkenheid waarin niets meer verbaast: gelijk de droomer -onbewogen neerliggend soms al ’t vreemde gadeslaat dat er met zijn -droom-persoonlijkheid geschiedt, zoo zag hij hier de wereld buiten hem -als geheel los van hemzelve voor zoover ze niet onmiddellijk samenhing -met zijn innerlijke wereld; die waarin zijn gedachten steeds -rondwaarden of waarin ze telkens na half ontwaken weer terugkeerden. -Hij verbeeldde zich dat zijn vriend Paula herhaalde malen gezien en -gesproken had. ’t Was altijd Paula en nog eens Paula: die stond in -contact met alles en met iedereen waarmee hij te doen had. In -werkelijkheid was Larsen’s vrouw, in de veertien dagen gedurende welke -hij verpleegd werd, driemaal om welvoegelijkheids-redenen—en andere—in -’t gesticht geweest, „om naar mijn arme man te gaan kijken”, zooals zij -’t tegen haar vriendin Margot uitdrukte, zonder een enkele keer Kruyt -te ontmoeten. Telkenmale had Larsen volstrekt geweigerd haar te woord -te staan, en zich vreeselijk opgewonden. Ofschoon een instinktmatige -kieschheid hem steeds weerhield zijn argwaan te verklaren—ware ’t -slechts door een enkele hartstochtelijke uitroep, die geen twijfel meer -liet—had hij zich dagelijks tegen het verplegend personeel beklaagd -over Paula’s optreden. Zijn hevige uitingen te dien opzichte waren in -schril contrast met de zachtmoedigheid, droefenis en teedere -belangstelling door Paula aan den dag gelegd. Men schudde het hoofd: de -beklagenswaardige man was wel „ver weg” om zoo’n arme lieve vrouw zóo -te beschuldigen! Zij uit louter boos opzet, uit haat hem hier houden, -terwijl hij zoo onzinnig doorsloeg en nooit eenige redelijke grond voor -zijn beweringen aangaf! ’t Was wel treurig, waar men immers wist hoe -goed die twee jaren en jaren achtereen geleefd hadden: dat zei immers -iedereen die de professor en zijn vrouw in hun vroeger samenzijn gekend -had! - -Op de laatste woorden van zijn vriend antwoordde Larsen niet: och, hij -was ook al op haar hand, als iedereen, als iedereen! Die vrouw palmde -iedereen in met haar duivelsche aanhalige manieren! Wat hielp het hem -er tegen te vechten? Zij had die Kruyt ook al weten wijs te maken, hoe -lief ze haar man had, hoe ze alles voor hem overhad, hoe vreeselijk ze -’t vond dat hij hier was, en wat voor fraaiigheid meer! Zoo had ze -iedereen, iedereen behekst, en zou ze hem hier in zijn ellende weten te -houden, jaar in, jaar uit, tot zijn dood toe. Waarom toch anders wilde -niemand wat voor hem doen? Waarom kreeg hij geen antwoord op zijn -brieven aan Van Thiemen, de eenige aan wie hij alles zeggen kon, waarom -geen taal of teeken van Didi? Waarom mocht hij zijn kind nooit zien? -Dat was alles om krankzinnig te worden!.... Was hij ’t niet al? O -stellig: ze zou haar zin krijgen, als deze toestand nog lang moest -voortduren, die gevangenschap zonder uitzicht op verlossing, zonder -eenige aanraking met zijn vroeger leven dan alleen Paula’s brieven, en -een enkel bezoek van Kruyt, die van niets afwist! Paula’s brieven! Hij -woû ze niet meer lezen, geen enkele meer. Hij had aan de eerste genoeg -gehad: hij walgde van die volleerde huichelarij. Twee lagen nu al -onopengemaakt op de tafel in zijn kamer. In de eenige die Larsen -gelezen had deelde Paula onder andere mede, dat Van Thiemen bij ’t -haastig inspringen van een trein, die reeds in beweging was, zijn eene -arm gebroken had, en nu het bed moest houden. Ze onthield zich van te -verklaren, waarom Van Thiemen’s antwoord op Larsen’s eerste wanhopige -brief nooit in zijn handen kwam, evenmin als eenige andere -correspondentie. Ze had anders moeten vertellen, hoe ze reeds bij haar -eerste bezoek aan ’t gesticht in overleg was getreden met de geneesheer -en hem op allerliefste en overtuigende wijze had duidelijk gemaakt dat -het voor haar man niet goed was brieven te ontvangen, behalve van haar. -„Och, dokter, ik stel hem immers van alles op de hoogte, nietwaar? Van -zijn huis, van zijn kind, van zijn vrienden.... En dan—hij kan mij -immers zien zooveel als hij zelf verlangt....” De dokter was ’t -volmaakt eens met haar: hij was een hoffelijk man en een voorzichtig -man. Hij was ook getrouwd, en, al was hij arts, niemand beter dan zijn -vrouw wist wat goed voor hem was en wat niet. Hij begon al oud te -worden, en was al een paar tientallen van jaren gewend aan de alles -bedisselende en regelende leiding, aan de vertroeteling, die hij thuis -ondervond. Hij wist er alles van, hij die zelf een mooie vrouw had, en -een goeie vrouw ook. „Zeker, zeker, zeker,” zei hij daarom met nauw -zichtbaar instemmend hoofdgeknik en de vette duimen over elkaar -draaiend, tot Paula, die tegenover hem zat in ’t spreekkamertje. - -Paula keek voldaan op de glimmende schedel schuin onder haar: de dokter -had de gewoonte meditatief naar de grond te kijken en slechts nu en dan -zijn hoofd scheef op te heffen, zoodat hij hem of haar met wie hij zat -te praten niet aanzag. Hij sprak dan met opgestoken onderlip en met -iets wezenloos droomerigs en eentonigs, als gaf hij antwoord aan -stemmen, die binnen in hem tot hem argumenteerden. Hij was dan bizonder -leelijk: het lichte knikkebollen van zijn groot, rond, tanig hoofd met -de enkele, grauwe, platliggende haren links en rechts aan de slapen, de -slechtgeschoren, kwabbige wangen met de enkele zwarte sprieten van -haren, die als bakkebaardjes dienst deden, de op een smalle kier -staande, gebrilde oogen, terwijl de magere, gele hals bizonder lang -leek door de lage, al te wijde boord die hij droeg, dat alles deed -onweerstaanbaar herinneringen leven aan groteske Japansche beeldjes uit -speksteen met eeuwig wiegelende bolletjes. - -Paula had meer tegenkanting gevreesd: die dokter was bizonder -meegevallen. Hij ging ook geheel met haar mee toen ze hem te kennen gaf -dat bezoeken van hun kind aan Larsen niet gewenscht waren: „Ja.... -ja.... ja....” droomde en knikkebolde de arts, luisterend naar de -stemmen in hem. „U weet dat zeker ’t beste.... zonder twijfel, zonder -twijfel....” En na een pauze: „zeker, zonder twijfel, ja.... ja, -mevrouw, zonder twijfel.” „Vindt u niet?” zei Paula nog eens, heel -lief, maar met een ondeugend flikkerlichtje in haar oogen. De dokter -luisterde weer naar zijn stemmen, kneep de oogen dicht, knikkebolde -schuin met hevig opgewerkte lip. „Ja.... nee, zeker.... zonder twijfel, -mevrouw.... zonder twijfel.” - -Zoo gebeurde het dat Larsen na de eerste van zijn vrouw geen brieven -ontving, die hij de moeite van ’t openen waard vond, en dat hij zijn -Didi niet zag. Toen hij zich na Paula’s vergeefsche poging om hem in -zijn kamer op te zoeken—wat was ze ten slotte blij dat hij zich -daartegen zoo verzette!—bij de dokter beklaagde over ’t uitblijven van -brieven en een bezoek van zijn kind, wierp hij onmiddellijk de schuld -op Paula: zij stookte, zij woû hem hier houden, nadat zij hem hier -binnen gekregen had door gemeene toeleg; al die ongerustheid over zijn -wel of wee was aanstellerij, leugen, bedrog, alleen op touw gezet om de -menschen zand in de oogen te strooien, om te beletten dat hij hier ooit -vandaan kwam, en zoo meer. Op al die hevigheid had de goede psychiater -maar heel weinig geantwoord: de psychiatrie had hem immers geleerd -krankzinnigen niet te prikkelen door tegenspraak. En toen hij buiten de -deur van Larsen’s kamer was, schuddebolde hij weer zachtkens, en de -stemmen in zijn binnenste spraken driemaal achter elkaar: „zoo praat me -zoowat iedere gek.... allemaal op een gemeene manier in ’t -krankzinnigengesticht gekomen.... bekende geschiedenis.” En ’s dokter’s -mond antwoordde omfloerst: „ja, juist, zeker, zeker.... zonder twijfel, -hm.... zeker.... ja, ja, ja.” - -Toch vond de voorzichtige arts na Paula’s derde bezoek de zaak -ernstiger dan hij eerst gedacht had: de patiënt baarde ongerustheid -door al de hartstocht, die hij iederen dag, wanneer hij kwam kijken, -zag terugkeeren, heviger dan ooit na ’t vernemen van de aanwezigheid -van diens vrouw in ’t gesticht. Niet dat de dokter zelf hem daar ooit -over sprak, nadat hij eens gezien had, hoe Larsen te keer ging: nee, -hij zag het nuttelooze daar wel van in, en Larsen vroeg het hèm niet. -Maar een verpleegster, degene die met de zorg voor zijn kamer belast -was, vond het telkens noodig hem over zijn vrouw te spreken, hetzij -wanneer deze kwam of daarna. ’t Goede mensch was nog niet lang in haar -tegenwoordige betrekking, en scheen iedere keer te vergeten, dat ze -beter deed met op al Larsen’s uitvallen tegen zijn vrouw ’t zwijgen te -doen dan hoog op te geven van ’t verdriet „van dat arreme mensch”, -omdat „meneer haar niet bij zich woû hebben” en toch „heusch wel een -beetje onbillijk—zal ik maar zeggen—tegen d’r was”. - -En omdat de dokter van ’t krankzinnigengesticht hart voor zijn -patiënten had, wilde hij Larsen ergernis besparen: mevrouw Larsen’s -bezoeken moesten voortaan streng geheim gehouden worden, en zoo noodig -ontkend. De praatzieke verpleegster werd door een ander vervangen. Nu -bleven de brieven nog. De schrijfster verzoeken er geen meer te -schrijven ging toch waarlijk niet aan: hij zou de lieve vrouw immers -kwetsen.... Nee, er was wel wat anders op: hij zou die brieven -eenvoudig, met de andere die er wel eens kwamen, naar zijn kamer laten -brengen; dan hield hij daar alles tot het belangstellend bezoek weer -kwam, en schiftte wat de bezoekster ter hand gesteld moest worden en -wat niet. - -Doch, hoezeer onze dokter ook voldaan was over zijn maatregelen, zeer -veel resultaat zag hij er niet van; want Larsen ging voort met morren -en klagen. ’t Onwaardige van zijn houding kwam hem nu en dan vaag vóor -de geest, maar de ontreddering, het evenwichtverlies in zijn zieleleven -was te groot om hem nog eigenlijke zelfbeheersching te laten. Dat hij -nooit een onkiesch woord over Paula’s echtbreuk zeide, had met -zelfbeheersching niets te maken: hij deed dat niet, omdat hij er niet -de minste lust toe voelde, ja het spreken er over hem onduldbaar -pijnlijk zou geweest zijn. De eigenliefde, die hem bang maakte voor -deze pijn, was er een van lagere orde dan die welke ’t allereerst -zelfachting eischt en dus zelfbedwang gebiedt. Wat gaf hij om zijn -waardigheid! Zijn afgod lag verbrijzeld. Al wat hem aanzette tot -krachtsinspanning over zichzelf bestond niet meer. En in baloorigheid -verlangde hij met hakend, hunkerend, smachtend verlangen; soms droevig -in diepe neerslachtigheid; dan weer woest, wanneer de vrees voor -levenslange doem in dit oord der wanhoop hem al te benauwend -tegengrijnsde en hem deed razen tegen haar, die hij als de eenige -oorzaak van zijn ellende beschouwde. Verlangen en vrees absorbeerden -hem meer en meer; want daarbuiten kende hij ten slotte alleen de -eischen van zijn lichaam. Hij las niet meer, sprak alleen met de dokter -en de verpleegster en dan steeds in uitbarstingen van ergernis; schuwde -met sombere afkeer op zijn gelaat zijn mede-patiënten, wanneer hij die -’s morgens tegenkwam, op de „wandeling” in de open ruimte binnen het -gesticht, welke voor lichaamsbeweging der verpleegden diende. Zijn -waken en slapen werden éen: de onrust van verlangen en vrees vervulde -beide. - -Zijn bestaan werd geheel dierlijk. Zelfs het verlangen naar zijn kind -werd dat, want het verloor de wijding van ’t vaderlijk beschermende. -Hij zag thans in haar bescherming, als in zijn eenige toeverlaat, ’t -eenige menschelijk wezen, dat hem geen vrees of achterdocht inboezemde. - -Het verschil met vroeger—de dagen van zijn schijngeluk—was, dat hij -vroeger een zinnelijk mensch was evenals thans, indien men ten minste -zinnelijk wil noemen het zich geheel laten leiden door ongebreidelde -neiging, maar toen had die zinnelijkheid niet dat dierlijke van thans: -de zelfbevrediging die hij toen zocht was van een beter gehalte. Ze was -er niet minder zelfzuchtig om. Zijn geestes-werkzaamheid gaf hem genot, -en daarom alleen gaf hij er een groot deel van zijn tijd aan. Het was -hartstocht evenals wat hij hield voor liefde in zijn verhouding tot -Paula. Slechts de liefde tot zijn kind had bij alle zelfzucht iets -diepers en heiligers. - -Hij was zooveel jaren achtereen „deugdzaam” geweest in de gewone -oppervlakkige beteekenis van ’t woord—onbaatzuchtigheid en -zelfopoffering hoeft het niet te omvatten—en dan alleen nog maar zooals -het bedorven knaapje dat „zoet” wil wezen zoolang het „lekkers” krijgt. - -En hij was twee-en-veertig jaar oud geworden zonder diepe smart te -kennen. De dood zijner ouders viel in een tijd van zijn leven dat hij -’t verlies niet kon beseffen: hij herinnerde zich zijn vader flauwtjes, -zijn moeder in ’t geheel niet. Zijn triomfen in de wetenschap, zijn -schitterende loopbaan als geleerde, zijn fortuin en zijn vrouwtje, dat -hij aanbad en van wier wederliefde hij zeker meende te wezen, zijn lief -kind, dat alles omwalmde hem zóo onafgebroken met een bedwelmende -dampkring van levensgenot, dat zelfs die éene smart van zijn vorig -leven—het overlijden van Didi’s broertje—geen blijvende indruk van -beteekenis had kunnen achterlaten. - -Ondanks zijn groote geestesgaven was daarom Larsen een kind in -levenswijsheid, want ook het kind zoekt het geluk buiten zijn eigen -wezen, en mist het gevoel van verantwoordelijkheid tegenover de Groote -Rechter in eigen boezem. Toch had hij zich steeds onder de geloovigen -gerangschikt. Trouwens: men kan geloovig wezen zonder vroom te zijn. En -vroom is wijs, want in de grond is slechts dat gevoel van -verantwoordelijkheid het eenig vereischte daartoe, zoodat uiterlijke -godsdienst en godsdienstige opvattingen geheel zonder invloed op -vroomheid kunnen blijven. - -Zoo werd de man dus thans even blindelings voortgejaagd door verlangen -en angst, als hij vroeger werd misleid door genotzucht. - - - -Op een avond—’t was tegen half tien—trad de stemmige, meestal zwijgende -verpleegster, die thans met de bediening van Larsen belast was, rustig -voortzeilend in breede waardigheid zijn kamer binnen. Zij was een -bezadigde oude vrijster van wellicht veertig jaar, met blozende -bolleboos-wangen, kleine grijze oogen met witte wenkbrauwen zonder -wimpers, met kleine mond zonder lippen, een spitse vooruitstekende, -roodgepunte kin, een volkomen glad en glimmend, smal voorhoofd; verder -een korten nek, vrij hooge schouders, en een breed kort propfiguurtje. -Haar blik had iets brutaal onbevangens, iets volkomen zelfbewusts, -evenals de naar binnen toegeknepen mond. Haar oogen zeiden: „hier ben -ik, afdoende maatregelen, geen gezeur, asjeblief!” en haar mond zei -zonder te spreken: „ik ben een kranige vrouw, dat weet ik”. - -Ze sprak met een aardig Friesch accent en sterke stemmodulaties, hoog -en niet onwelluidend. - -„Goeien avond, meneer!” zei ze binnenkomend met een blad, waarop wat -avondeten, en de deur piepte achter haar. - -Larsen schrok op. Hij had ’t kloppen niet gehoord—de waardige -verpleegster klopte altijd, al hoorde Larsen ’t ook zelden. Hij was -weer in een van zijn sombere neerslachtige buien, wanneer hij nadacht. - -Wat op ’t oogenblik dat zijn oog op de binnentredende viel in ’t -bizonder ’t voorwerp van dat nadenken was, scheen in onmiddellijk -verband te staan met een gedachte die zij bij hem opwekte, want nauw -had hij haar gezien, of zij lag spartelend tegen een kleine sofa aan, -die in ’t vertrek stond, nog voordat ze tijd had om uit te roepen: - -„Heerebewaarme! Wat is er nou aan de hand?!” - -En het blaadje, de broodjes, ’t brood en wat er verder opgestaan had, -lag deels op de stoel waar Larsen gezeten had, deels daarvoor en -daaromheen op de grond uitgespreid. - -Larsen zelf was uit de kamer gestoven, de gang in. - -Het geluk dient hem die waagt, en zoo ook hier; want juist toen de -vluchteling zich in de gang vertoonde, ging de voordeur open. De enkele -schreden van Larsen’s kamerdeur tot de uitgang van ’t gesticht had hij -in een ommezien afgelegd; zoodat de portier nog de deur vasthield toen -Larsen hem bereikt had. De vrij sterke jonge man, schoon onmiddellijk -begrijpende wat er gaande was, werd niettemin te zeer overrompeld, om -voldoende tegenwoordigheid van geest te hebben: hij trad de ander in de -weg en wilde de zware deur toeslaan, doch Larsen greep hem bij beide -armen en smakte hem achterover. Een groote vloermat brak zijn val, en -de man was vlug. Oogenblikkelijk sprong hij op, doch de voordeur werd -vlak vóor zijn neus met een geweldige slag dichtgesmeten. Twee van zijn -vingers waren beklemd geraakt, de punten vermorzeld. - -Op ’s portiers gegil kwamen een paar verpleegsters aanloopen, daarna -anderen.... - -En zoo duurde het zeker vijf minuten voordat men er aan dacht de -vluchteling na te zetten. - -Toen was het te laat. - - - - - - - - -XVIII. - - -Paula lag achterover op haar weelderig bed, met open oogen. - -Ze was best tevreden. Ze was in de laatste maand nog niet zoo in haar -humeur geweest. Nee, stellig niet.... - -Die nare geschiedenis met Larsen had haar heel wat zorg gebaard. Enorm! -Maar wat was ze wondermooi afgeloopen! Bizonder meegevallen.... - -Onwillekeurig keek ze rechts. He, vreemd, ze had nog altijd de -gewaarwording of daar naast haar een ander lag: de grove, bonkige -gestalte van Larsen’s stoer lichaam. - -Ze zuchtte. Daarna glimlachte ze, strekte het eene opgetrokken been -wellustig uit, trok het andere, dat gestrekt gelegen had, op, streek de -rechterhand streelend langs haar verspreid liggende haren; en geeuwde -lang en met een klein geluidje van lustbevrediging. Dan woelde ze -eenige malen met het achterhoofd in ’t groote zachte kussen, en geeuwde -nog eens, korter maar even smakelijk als te voren. - -Nee, ze had toch geen slaap.... Haar blik dwaalde langs de stijlen van -’t reusachtige ledikant, langs de fraaie snijwerkjes aan ’t voeteneind, -langs de sierlijke plooien van ’t gordijn boven haar, dat slechts de -helft van de heele ligruimte overspande, meer sieraad dan -licht-afsluiter. Voor dit laatste was het ook te licht van kleur en te -luchtig van stof. - -Er lag een warme gloed over al de voorwerpen in ’t ruime vertrek. De -glazen hanglamp, aan fijne kettinkjes aan ’t midden der zoldering -bevestigd, zond haar schijnsel door een rozeroode, eivormige ballon. Er -was geen ander licht in de kamer, want de twee ramen aan de smalle kant -hadden ouderwetsche zware luiken en die waren gesloten. Door het -rozeroode schijnsel kregen de anders gele venstergordijnen een rossige -goudglans. Het wit en licht-grijze marmer van de monumentale -schoorsteen—waarbinnen een gashaard met bedriegelijke juistheid een -gezellig smeulend kolenvuurtje nabootste—de overtrekken der twee kleine -fauteuils aan weerskanten, het geel en witte behang met de bruine -hoeklijnen, de overige, gele meubels, het witgepleisterde plafond, het -Havana-kleurig, effen tapijt met het groote, zacht-ruige voetkleed vóor -’t ledikant aan Paula’s zijde—rechts—met zijn mollige, melkwit-vlokkige -oppervlakte, alles was overgoten met den flauw-rozeroode schemerglans -der lamp. En de zinstreelende kleuren-harmonie der kamer, de fijne -geursprenkeling die er waarneembaar was—zacht als een liefkozing—de -lauwe temperatuur, het eigenaardig halfdonker, dat lijnen en omtrekken -ietwat verdoezelde, alsof de stilte er fluisterde van liefdezwijmeling -in wereldvergeten, in geheimzinnige afzondering—Paula had er de -wonderbare werking meer dan eens van ondervonden sinds de tijd dat zij -deze kamer zoo naar haar eigen smaak liet inrichten. - -Ook nu was dat niet anders. - -Haar stemming bij ’t binnentreden der slaapkamer—wellicht een half uur -geleden—was er een geweest van weelderige voldaanheid, een mat, -algemeen gevoel van welbehagen, naar ziel, geest en lichaam: een -heelheid door de volmaakte samenklank van al deze drie. Met loome, -langzame bewegingen had ze zich uitgekleed, ditmaal zonder Pietje’s -hulp—Pietje was anders in de laatste tijd meer dan ooit haar lieveling, -en steeds om en bij haar wanneer zij aan haar toilet bezig was, of zich -verveelde en naar een praatje van gemoedelijken aard verlangde. ’t Was -wat laat geworden—de kleine koperen pendule wees kwart over -twaalf—zoodat ze de gunstelinge maar dadelijk na haar thuiskomst naar -bed gestuurd had. - -Een heerlijk avondje was ’t geweest.... Paula dacht er aan terug, toen -ze vóor de spiegel heur haar voor de nacht in orde maakte. Het kijkglas -weerkaatste haar volledig beeld, en ’t was haar een vaag genot er naar -te staren, nu en dan. Dan verwijdden zich haar pupillen meer en meer, -en verbreedde een vadsige glimlach haar vleezige mond. - -En ze dacht er nòg aan, toen ze, in haar wit nachtkleed, eindelijk -besloot om te bed te gaan liggen, en dit toch maar half deed, met het -eene been buiten bed. - -De groote spiegel stond schuin tegenover haar, tusschen het ledikant en -de schoorsteen. In ’t dwalen van haar blik viel deze op wat ze in de -spiegel kon waarnemen. Ze sprong op, verzette de psyche even, en ging -weer liggen, ditmaal geheel. - -Eenige minuten tuurde Paula met welgevallen, met lodderig-halfgeloken -oogen: ’t was aardig je zoo in je heele lengte te zien liggen.... - -Maar nee.... Ze moest weer op.... Ze had zoo’n lust om nog wat rond te -dribbelen, het niets doen met variatie, waarvan alleen sommige vrouwen -het geheim schijnen te bezitten. - -En Paula dribbelde van haar bed naar haar waschtafel, schoof een laadje -open, haalde er een doosje met geurige zeep uit, sloeg haar eene voet -over de ander, en rook achtereenvolgens aan de drie ingepakte stukjes, -die de inhoud van ’t doosje uitmaakten; daarna stond ze even in -gedachten—: ’t was toch een allergezelligst avondje geweest bij mevrouw -Boudewijnse.... Wat was die kinderachtige jongen weer dol geweest!.... -Verbeel’ je, tot zelfs bij de deur van haar huis, toen hij haar met -zijn moeder thuisbracht, had hij zich nog zoo dwaas aangesteld, in ’t -bijzijn van zijn moeder liefst!.... Wat had die goeie moeder -Boudewijnse eindelijk leuk haar geduld verloren.... Ha, ha, ze moest -nog lachen om haar komisch aandringen: „Dolf, jongen, ik wor’ boos als -je nou niet meegaat.... Dolf!! nee, heusch, hoor, ik wor’ wezenlijk -boos. Kom nu mee!” en onmiddellijk daarop was ze in een lach -geschoten.... Als zij, Paula, er niet met een ietwat bruuske handigheid -een eind aan gemaakt had, stonden ze nu misschien nog afscheid te nemen -vóor haar huis.... Verbeel’ je. - -En van de waschtafel, waar ze de stukjes zeep achteloos liet liggen, -wolkte de witte gestalte droomerig naar een der fauteuils bij de haard. -Daar liet ze zich langzaam neerzijgen, leunde achterover en wreef eerst -met de achterkant van beide handen, daarna met de voorkant der eene -over oogen en voorhoofd. Toen geeuwde ze. Daarna boog ze voorover, keek -met aandacht naar de grillige vlammetjes van de haard, en huiverde -even—zonder werkelijk koude te voelen, want ze zat immers vlak bij ’t -vuur. Of tochtte ’t?.... hoe kon dat? Ze spreidde de vingers van beide -handen vóor zich uit, zóo dat ze de roode gloed door haar poezele -grijpertjes heen zag. Ze vond het een oogenblik aardig hiernaar te -kijken. Toen dacht ze aan anatomische griezeligheden, en sloeg de armen -over elkaar, met een klein ongeduldig gebaar. - -Een minuut later stond ze weer vóor de psyche, en begon nog eens te -gapen. Onderwijl lachte ze er tusschen door, steeds de oogen op haar -beeld gevestigd. Ze was nòg mooi.... o zeker—ze kon zich best -begrijpen—zoo’n malle jongen! Alleen daar, bij de oogen.... ja.... dat -was niet te ontkennen.... dat zag je duidelijk.... Hoe noemen ze dat in -’t Fransch ook weer?.... pattes.... pattes.... de.... nee.... Mijmerend -ging ze weer zitten. - -Opeens hoorde ze een zucht in de kamer naast de hare. - -O, dat was Didi....’t Kind draaide zich zeker in haar bedje om. Zou ze -niet even gaan kijken?.... Niet dat ze ongerust was, maar.... waarom -zou ze er niet even heengaan? Ze deed het zoo zelden.... Dat is waar, -dat bedacht ze daar. Och, ’t kind sliep er niet minder rustig om.... -Nonsens, die overdreven ongerustheid van sommige moeders!.... Daar had -je nou die mevrouw Lanney, de vrouw van die jonge professor, dat was -gewoon belachelijk.... - -Paula stond op van de fauteuil, en richtte zich naar de ingang van -Didi’s kamer, die bij een der vensters aan de smalle zijde der groote -slaapkamer, in de zijmuur was aangebracht; er hing een voorhang, in de -plaats van een deur. - -Vreemd, zoo’n andere temperatuur! Was ’t raam open gebleven in Didi’s -kamer? - -Nog met de portière in de hand stond ze opeens stil. Wat was dat? -Zuchtte Didi daar weer, of.... Ellendig, dat van de plaats waar zij -stond het kamerscherm haar belette het bedje dadelijk te zien! Daar was -’t weer. God, daar was iemand bij haar.... Ze hoorde duidelijk -fluisteren, zenuwachtig fluisteren, dat telkens afgebroken werd. - -En haar blik naar rechts wendend, bemerkte ze nu eerst dat het venster -openstond. - -Ze stond als vastgenageld, verbijsterd, besluiteloos. Als daar iemand -was—een man, ze hoorde ’t aan de stem—moest hij spoedig merken dat zij -hem stoorde.... Hoe kwam ’t dat hij nu niet al wat bespeurd had? Als -hij ’s op haar afkwam.... als ’t een moordenaar was.... een dief, een -inbreker, die.... Maar wat moest hij met Didi? Onbegrijpelijk.... Zou -ze toch maar teruggaan en de meiden roepen....? Maar wat gaf dat -nog.... als hij ’s in die tusschentijd....? Hè, dat er toch geen man in -huis was! - -Het fluisteren was intusschen voortgegaan. - -Stil! Dat was Didi die sprak.... God, ze schreide.... - -„Ik durf niet.... ik durf niet,” klonk het duidelijk verstaanbaar. - -Paula luisterde ademloos. - -„St, niet zoo hard.... Ik zeg je dat je moet. Je gaat mee. Versta je?” - -Paula werd bleek van schrik. Ze voelde haar knieën knikken. Ze had even -getwijfeld, toen ze de eerste woorden van de man verstond. Nu geen -twijfel meer: ’t was Larsen.... - -’t Koude zweet brak haar uit over ’t gansche lichaam. Ze wankelde, liet -de portière los, die ze nog steeds krampachtig vastgehouden had, en -omdat ze de grond onder haar voelde deinen, sloeg ze de rechterarm uit. -’t Driebladige kamerscherm viel om, schuin tegen ’t ledikant van Didi -aan. - -Een benauwde kreet ontsnapte haar. Een vreeselijke angst hergaf haar -voor een oogenblik haar tegenwoordigheid van geest. Ze wilde wegloopen, -om hulp roepen. - -Larsen was bij haar, voordat ze twee passen gedaan had. - -Woest greep hij haar aan, hijgend, met verwilderde oogen, de -neusvleugels wijd-uitstaand, het ruige gelaat vlak bij ’t hare. - -Hij duwde haar achteruit, een eind haar kamer in. - -„Pietje!! Kee!” gilde ze. „Hulp!” - -„Stil!” riep Larsen met gesmoorde stem, „of ik knijp je keel dicht!” - -Dreigend bracht hij zijn rechterhand aan Paula’s keel. Ze worstelde -wanhopig om los te komen uit zijn stoere greep. - -Haar tegenstand deed het laatste overblijfsel van -verantwoordelijkheids-besef uit Larsen verdwijnen. - -„Laat me los!” kreet Paula. Haar oogen staarden hem aan, in doodsangst, -heur haren hingen los. Ze struikelde over haar nachtjapon. En terwijl -hij op haar drong met de volle zwaarte van zijn lichaam, haar zoo -belettend haar eene arm te bewegen, klampten zich zijn beide armen en -handen om haar schouder en hals. - -„Me nu nòg.... tegenwerken! Woû je dat nòg?! Ik zal ’t je beletten, -versta je?.... Voor goed.... Ik zal je....” Haar oogen puilden uit. En -Paula’s kleine lichaam bezweek onder de druk van de massa op haar. -Beide lichamen vielen op de grond. Een kleine stoel bij de waschtafel -sloeg om, een fauteuil viel mee omver tegen de haard doordat Paula er -met het hoofd tegenaan kwam. - -Een ondeelbaar oogenblik was ’t of Larsen’s razernij gebroken was. ’t -Was er echter verre van dat de fizieke schok van zijn val eenig -zedelijk besef van zijn daad zou meebrengen. Een tijger, plotseling -losgelaten na een week van gevangenschap en honger, zou door ’t treffen -van een steen, die hem even bezeerde, niet minder fel zijn eenmaal -begeerde prooi bespringen. Wat kon hèm stuiten na twee maanden van -dagelijks opgekropte aandoening—smart, wrevel, ergernis—eindelijk -uitlaaiend in dierlijke wraak? - -Alleen werd zijn waarnemingsvermogen even als opgezweept. Hij zag -zooals hij nog nooit gezien had: iedere lijn, iedere trek van Paula’s -gelaat, haar glanzig zwart haar, hoog over haar hoofd puilend door den -stoot tegen den fauteuil, de omlijsting van flauwgele bloemen op witten -achtergrond van het cretonne over de voorover liggende stoel. Hij -hoorde iedere suizing van haar adem, de ritseling van haar nachtkleed -onder zijn vingers. Hij voelde het aderkloppen van haar hals, rook de -subtiele geur van Paula’s haren, van haar kleed, van haar weelderig -heerlijk lichaam.... - -En terwijl hij met de beenen aan weerskanten van de achterover liggende -gestalte lag, de knieën tegen de grond gedrukt, sloten Larsen’s vingers -zich krampachtig om haar keel dicht. Zijn blik boorde in haar oogen, -nauw een handbreedte onder de zijne. - -’t Sloeg half éen: de zilveren toon van ’t klokje op de -schoorsteenmantel viel als een drop geluid, kil en kalm in de zwoele -wachtende stilte. - -Larsen’s vingers knepen sterker en sterker.... - -Daar week hij ontzet terug, nog op de knieën. Wat was dat in Paula’s -oogen? Mijn God, wat had hij gedaan? Waarom stonden die oogen zoo -strak, zoo volkomen wezenloos, bleven die lippen vaneen? - -Larsen boog zich weer voorover. Hij zag nog éen trilling over het -verwrongen gelaat langs mond en oogen, daarna volslagen rust, zonder -geluid, zonder beweging, een strak-starende verstuiping. Hij raakte -haar niet meer aan—toch bleven haar hoofd, haar handen, haar voeten -roerloos liggen. - -Langzaam, steeds de blik gevestigd op het schrikbeeld vóor hem, stond -Larsen op. Een gewaarwording zooals hij nog nooit in zijn leven gevoeld -had bekroop hem, overmeesterde hem geheel als kwam er een vloedgolf -over hem, die een gansche wereld van donkere fantomen òm hem, -onweerstaanbaar wegsleurde en hem verbijsterd in eenzaamheid -achterliet. - -Machtig baande zich het licht een weg in de nacht van zijn waanzin: -zijn ziel ontwaakte.... - - - - - - - - -XIX. - - -Wat was ’t alles kalm en stil. Wat gebeurde er toch met hem? Hoe kwam -hij daar, in zijn eigen slaapkamer? - -Daar lag Paula, die witte massa, daar. Ze was dood. Hij had haar -vermoord, hijzelf, hij. Met eigen handen geworgd als een beest. Hij -keek naar zijn handen: ze trilden nog van de inspanning. - -O zeker, ze was dood: geen schijn van twijfel. Hij had haar geworgd als -een beest. Hij begreep niet waarom hij zoo zeker wist dat ze dood was. -Maar ze was ’t. En hij was haar moordenaar.... Hij was laf en -verachtelijk. Toch had hij geen berouw, geen spoor. Nee, geen spoor. - -Daar hoorde hij hartstochtelijk snikken in de aangrenzende kamer. O, -Didi... Zijn kind.... Ze had niets gezien van wat er gebeurd was. Ze -schreide zeker van vrees of schrik. Ze zou straks wel opstaan -misschien, en hier komen.... Hij wilde haar niet terugzien. Zijn kind -mocht de moordenaar van haar moeder nooit zien. Hij was laf en -verachtelijk. Hij woû heen, zich aangeven bij de politie. -Onmiddellijk.... - -Nee, wacht: even die omgevallen fauteuil rechtzetten, die lag te dicht -bij ’t vuur—er mocht ’s brand komen. Zoo. - -Daar lag Paula—hij had haar hoofd even opgetild: ’t lag nu geheel op de -grond—ze was dood. Hij had haar geworgd als een beest. Ze mocht daar -niet zoo blijven liggen. Hij had nog wel even de tijd. - -Hij tilde haar op in zijn stoere armen, trapte even op haar afhangend -nachtkleed. Toen droeg hij haar naar ’t bed, zijn ruige baard tegen de -borst gedrukt, de blik strak op zijn vracht, in ijzige kalmte. Ze was -zwaar: ’t viel niet mee. - -Hij leî haar op ’t bed. Op haar plaats, vooraan. De handen over elkaar, -zoo. De handen waren koud, nu al. - -Nu moest hij weg. Hij keek naar de deur der andere kamer. Nee, ’t kind -was er nog, ze snikte ook nog.... - -Hij deed de deur open. Op ’t portaal alles stil: geen geluid. Er -brandde ’t gewone licht, dat er ’s nachts altijd brandde. Langzaam ging -hij de trap af. Op de mollige looper was zijn stap nauw hoorbaar. De -gang door, links, naar de voordeur. - -Hij stond even stil.... Nee: alles rustig boven. - -Hu, ’t was koud in de gang. Zijn schreden klonken hol, ondanks de -bekleeding van ’t marmer onder hem. - -Hij deed de ketting van de deur, verschoof de grendel en draaide de -sleutel om. Ziezoo, daar stond hij op de stoep. - -Hij zag dat hij geen overjas aanhad. ’t Was koud. Ver in ’t najaar en -dan ’s nachts. Hoe laat zou ’t zijn? Hij tastte naar zijn horloge: dat -had hij bij zich als gewoonlijk. Veertien minuten vóor éen. - -Hij sloeg de kraag van zijn jas op, en dook weg in zijn schouders. De -straten waren leeg, koud en stil. Hij liep aan de linkerzijde van de -breede straat, waaraan zijn huis lag, in ’t volle maanlicht. De huizen, -waarlangs hij voortstapte, keken hem in ’t voorbijgaan met starre blik -aan, in leege, koude, stille onverschilligheid waar ’t licht scheen, in -sombere dreiging, daartegenover. Larsen ijlde voort met harde klinkende -schreden over de wit-starende straatkeien, straat in, straat uit; een -gracht over—de brug dreunde hol onder hem—rechts af eenige hooge huizen -langs. - -Hij was waar hij wezen wilde. Een korte weifeling had hem even na ’t -uitgangspunt van richting doen veranderen, zoodat hij een kleine omweg -gemaakt had. - -Ja, daar moest hij wezen. Hij woû Van Thiemen spreken. Dat was ’t -beste. Hem alles zeggen. Hoe laf en verachtelijk hij was. Alles zou hij -zeggen. Niet omdat hij bang was, en behoefte had aan een vriend, om -zijn hart uit te storten. Ook niet omdat hij berouw had. Dat had hij -niet. Toch moest hij alles zeggen. Alles. Hij had haar geworgd als een -beest, met eigen handen. Hij zou zich zelf gaan aangeven bij de -politie, straks wanneer hij Van Thiemen gesproken had. Of anders -morgen.... - -Hij belde aan. Wachtte een paar minuten. Toen nog eens. - -’t Duurde nog eenige minuten voordat de zware deur langzaam geopend -werd, even op een kier. ’t Was nog een ouderwetsche voordeur, zonder -kijkluikje. - -„Wie is daar?” vroeg een vrouwestem, eenigszins aarzelend. - -Larsen herkende ’t geluid van Van Thiemen’s huishoudster. - -„Meneer thuis, juffrouw De Vries?” - -De deur ging wat verder open, een hoofd vertoonde zich in de opening. - -„Meneer.... meneer.... de professor.... professor Larsen?” stamelde ’t -menschje. - -„Ja. Wil u me binnenlaten? Ik moet noodzakelijk meneer spreken.” - -De ander aarzelde. Wat zag die professor Larsen bleek! En dan, had ze -niet gehoord dat de man in een „gesticht” was? Hoe kwam hij zoo opeens -hier? Woû hij meneer spreken in ’t holle van de nacht? Wat moest ze -doen? Waarachtig as God, ze wist het niet. - -Daar klonk een hooge mannestem in de gang: - -„Wat is dat aan de deur, juffrouw? Iemand voor mij soms?” - -„Och.... professor, komt u ereis even hier.” - -Eenige vlugge schreden in de gang, dan een fluistergesprek. - -Larsen ving een enkel woord op, nog steeds op de stoep staande: - -„.... Weggeloopen.... gevaarlijk.... Gods mogelijk!.... Och, onzin!.... -Zelf weten.... m’n lieve mensch....” - -De voordeur ging wijd open, en Van Thiemen, in bruine kamerjapon, de -armen over de borst om het anders openhangend kleedingstuk bijeen te -houden, stond met vriendelijk lachend gelaat tegenover de late -bezoeker. - -„Wel, Larsen, wat kom jij hier zoo laat doen? Moet je mij hebben?” - -Er was een eigenaardige uitdrukking in Van Thiemen’s oogen, en een toon -van onder vroolijkheid verborgen twijfel, die beide onmiddellijk -Larsen’s aandacht trokken. Hij deed alsof hij niets daarvan merkte. - -„Ja, kom ik ongelegen?” - -„Nee, nee, zeker niet.” Van Thiemen zweeg even. De volkomen kalmte en -vastberadenheid in Larsen’s stem en gelaat verrasten hem. „Kom binnen, -kom binnen,” zei hij vriendelijk. - -Onderwijl nam hij zijn oude vriend eens op. Hij zag hoe intens bleek -hij was, en ’t viel hem voor ’t eerst op dat hij geen overjas aanhad. - -Zwijgend ging Larsen de voordeur binnen. Met wantrouwige blik stond de -huishoudster toe te zien. Larsen zag haar even de schouders optrekken. - -Van Thiemen gaf haar een wenk, dat hij haar diensten niet meer noodig -had. - -„Kom maar dadelijk mee naar mijn studeerkamer,” zei hij tot Larsen, die -in somber afwachtende houding op de groote vloermat stond. Hij was -bezig naar de grond te kijken. „Salve” las hij onder zijn voeten in -groote sierlijke letters. Een pijnlijke zenuwtrekking vloog om zijn -neus en mond. - -Opkijkende volgde hij zijn vriend, die met vlugge stap hem voorging -door de gang. - -„Je zult ’t wel koud hebben, kerel,” hervatte Van Thiemen na een -oogenblik, reeds op de trap. „’t Is boven bij mij warm. Ik zat nog te -lezen zooeven toen je belde.” Hij keek even om. - -Larsen zweeg: met gebogen hoofd scheen hij al zijn aandacht noodig te -hebben om geen misstap te doen op de breede, dik-belooperde trap. - -Van Thiemen praatte door, met iets gewild luchtigs; telkens afbrekend. -Weinig vermoedde hij hoe duidelijk zijn gedachtengang voor de ander te -volgen was. Och, wat kon ’t schelen? Straks, straks zou hij immers -alles zeggen, en dan zou Van Thiemen wel vanzelf inzien.... O, ja, -zeker, straks, als hij alles vertelde, moest Van Thiemen begrijpen dat -hij volkomen normaal was.... volkomen bij zijn zinnen. Hij moest -begrijpen dat hij toen ook.... zeker.... hij was laf en -verachtelijk.... hij had haar geworgd als een beest, met eigen handen. - -„Ziezoo, kom nu maar gauw binnen,” zei Van Thiemen weer, en ontsloot de -deur van zijn studeerkamer. „Voorzichtig, denk om de treedjes.” - -Beiden stapten binnen. Een weelderige behagelijkheid streelde Larsen’s -gelaat, een vriendelijk welkom lachte hem toe uit de welbekende -meubelen, de lijnen, vormen en kleuren van het vertrek. En een -wonderzoete weedom overstelpte zijn gemoed. - -Hij vocht ertegen. Hij wilde van geen teederheid weten, geen deernis -met zichzelf. Hij was immers laf en verachtelijk.... - -„Ga hier zitten, kerel,” zei Van Thiemen hartelijk, en schoof een -mollige fauteuil bij de open haard, waarin een vadsig druilig -houtvuurtje brandde. - -Larsen zette zich, sloeg de kraag van zijn jas neer, deed de knoopen -langzaam los, leunde achterover, daarna voorover. Zoo bleef hij zitten, -de beide handen op de knieën, het hoofd schuin naar de haard gekeerd, -onbewegelijk. - -Van Thiemen bemerkte dat zijn pantalon en zijn schoenen bemodderd -waren. - -„Wil je niet een paar pantoffels aandoen?” vroeg hij, en ging naar een -kast. „Hier, trek je schoenen uit, en doe deze aan.” - -Larsen deed zwijgend ’t verlangde, steeds zonder op te zien. De ander -kwam naar hem toe, bekeek hem weer even met vriendelijke -nieuwsgierigheid. - -„Zeg ’s, je zult wel moê zijn, niet?” zei hij. „En misschien dorst of -honger?” - -„Och, dat ’s niets, dat ’s niets,” antwoordde Larsen. Toen sloeg hij -voor ’t eerst de blik op: „Geef je toch geen moeite om mij. Ik heb -niets noodig. Ik woû alleen je vertellen wat er gebeurd is.” - -Van Thiemen ging tegenover zijn vriend zitten, en sloeg de beenen over -elkaar. - -„Zeker, ik luister,” zei hij. - -Larsen meende weer iets bizonders in Van Thiemen’s toon te merken, ’t -zelfde dat hem reeds een paar maal in die nacht opgevallen was. - -„Je zult niet willen gelooven wat ik je nu vertellen ga, Van Thiemen.” - -De woorden klonken eigenaardig plechtig en somber. - -„Stumpert,” dacht de ander, „de een of andere hallucinatie zeker.” - -„Waarom zou ik niet?” zei hij, zacht en vriendelijk sprekend, als gold -het hier de gril van een ziek kind. Larsen keek strak naar ’t vuur. - -„Och, ’t is vreeselijk,”.... ging hij voort, „en toch waar. Volkomen -waar. Ik heb mijn vrouw vermoord. Dat kom ik je vertellen.” - -Er was geen spoor van weifeling in Larsen’s spreken. De bekentenis kwam -er koud bedaard uit, bijna toonloos, en zijn houding bleef volmaakt -dezelfde. - -Ook Van Thiemen verroerde zich niet. Hij wachtte even voordat hij -sprak, zoekend naar een verstandige manier waarop hij deze, naar hij -meende, hersenschimmige zelfbeschuldiging kon beantwoorden. ’t Was -immers een hersenschim! Hoe zou die in-goedige brave Larsen, die geen -vlieg kwaad kon doen, tot zoo iets kunnen komen, een moord? Ach, wat -was die man reddeloos krankzinnig! En wat ’n vervolging van -schrikgedachten aan al ’t doorleefde met die vrouw moest tot zulk een -afgrijselijke waan geleid hebben! Stumpert, stumpert! - -„Beste kerel, hoe kom je me nu zóo iets vertellen!” zei Van Thiemen, en -er klonk niets dan medelijden in zijn stem. Hij stond op en leî zijn -hand op Larsen’s schouder. Deze lachte even schril en pijnlijk. - -„Zei ik ’t niet, dat je me niet gelooven zou? En toch is ’t zoo, Van -Thiemen. Ik heb zooeven, misschien twintig minuten geleden, Paula -vermoord. Ik heb haar geworgd, als een beest, met mijn eigen handen.” -Dezelfde kille eentonigheid in zijn stem en geen spoor van aandoening. -En juist deze afwezigheid van alle emotie hield Van Thiemen in zijn -dwaling: Larsen sprak als iemand in een droom, als een gehypnotizeerde, -koud, strak, wezenloos in zijn gansche houding, steeds starend naar ’t -druilig vlammenspel in de haard. - -Van Thiemen vond het raadzaam den ander af te leiden. - -„Ben je vandaag hier in de stad gekomen?” vroeg hij, en zette zich weer -op zijn stoel. „Je schijnt moe, amice; je hebt zeker heel wat -vermoeienis achter de rug? Ik geloof dat je beter doet nu te gaan -slapen. Je kunt bij mij logeeren. Dat is wel ’t makkelijkst voor je. En -morgen—vertel je me verder wat je op je hart hebt. Heusch, dat is -beter, kerel.” En toen de ander bleef zwijgen: „Kom, ik zal voor je -logeerkamer laten zorgen. Mijn huishoudster is nog op....” Hij stond -meteen op, en wilde schellen. - -Larsen wierp een vluchtige blik op zijn vriend, met nauw merkbare -wending van ’t hoofd. Zonder spoor van ergernis of ongeduld antwoordde -hij: - -„Wil je me niet even aanhooren?” Eindelijk veranderde hij van houding, -leunde achterover, liet beide armen op de leuning van zijn stoel slap -neerliggen, en staarde naar boven. „Ik voel geen vermoeienis. Ik kan -niet slapen. Als jij me aangehoord hebt, ga ik naar de politie. -Dadelijk. Ik ga me aangeven. Ik zeg je: ik heb mijn vrouw vermoord, -geworgd als een beest, met mijn eigen handen. Als je bewijzen wil -hebben, kan ik je naar mijn huis brengen. Daar zal de politie nu al -wezen....” - -Van Thiemen vond ’t verstandig maar te luisteren. Toegeven, niet -onnoodig prikkelen, dacht hij. Waarom zou hij de stumpert zijn zin niet -geven? De uiting van ’t geen hem zoo vervulde zou hem misschien goed -doen, opluchten. - -Zuchtend nam Van Thiemen zijn plaats weer in, strekte de handen naar ’t -vuur uit. - -„Vertel me dan alles,” zei hij. En op zijn onbeantwoord gebleven vraag -terugkomend: „Ben je vandaag in de stad gekomen—of.... ik bedoel -eigenlijk gisteren.... Donderdag: we hebben eigenlijk al Vrijdag op ’t -oogenblik.” Hij wees op de klok. - -„Ja, eenige uren geleden. ’t Was avond toen ik op weg ging. Ik ben -weggeloopen uit het gesticht.” - -„En toen?” - -„Ik woû er uit, en ik woû naar mijn kind. Ik had geen geld, en ben dus -komen loopen—drie uur.” - -„Een heele wandeling.” - -„Och, ik ben sterk. Nu, ik ben dadelijk na aankomst hier naar mijn huis -gegaan. Daar ben ik binnengebroken. Ik woû Didi weghalen zonder dat -iemand ’t merkte, Paula in de eerste plaats niet. Ik ben over de -veranda in mijn tuin geklommen, en zóo ’t raam in. Ik wist dat ’t van -buiten makkelijk open te krijgen was. Toen ik ’t kind woû opnemen, werd -ik gestoord. Als ze dadelijk gewillig was geweest, had Paula zeker -niets gemerkt, ofschoon ze waarschijnlijk al thuis was. Ze was wat laat -thuisgekomen anders. Nu, ze stoorde me, en toen heb ik haar geworgd.... -als een beest, met mijn eigen handen....” - -Van Thiemen verschoof even op zijn stoel. Tevergeefs trachtte hij zich -te onttrekken aan een opkomende gewaarwording van onbehagelijkheid. - -„En,” vroeg hij, „je kind?” - -„Was in haar kamer. Lag te schreien in haar bed. Dorst zeker niet voor -den dag komen, toen ik met haar moeder bezig was in de andere kamer. In -Paula’s kamer—onze slaapkamer, bedoel ik—die is vlak naast die van -Didi. Dat weet je misschien.” - -Van Thiemen knikte even. - -„Didi heeft dus niet.... gezien wat je deedt?” hervatte hij na een -oogenblik. - -„Gezien niet.... ik geloof ’t niet ten minste. Wel gehoord.” - -Van Thiemen worstelde met zijn gevoel van onbehagelijkheid, nu nog -sterker dan te voren. ’t Late uur, de stilte in de kamer, ’t halve -licht rondom de helle, scherp afgescheiden lichtkring der studeerlamp -op de schrijftafel, Larsen’s verwilderd en verwaarloosd uiterlijk, de -klanklooze droomtoon van zijn zware stem, de aard der mededeelingen -zelf bij ’t wanhopig baloorige in de passielooze duidelijkheid en -gelijkmatigheid waarmee de woorden geuit werden, dat alles werkte samen -om een levendige verbeelding als die van Van Thiemen onweerstaanbaar te -overmeesteren. - -„Gehoord?” vroeg hij met gefronste wenkbrauwen. - -„Ja, we zijn gevallen. Paula en ik. En een paar stoelen. Ik heb boven -op haar gelegen. Toen heb ik haar geworgd—als een beest, met mijn eigen -handen. Toen ben ik weggegaan. Door de voordeur.” - -„Door de voordeur?” - -„Ja. Ik heb niemand gezien. Trouwens, alles was misschien in tien -minuten gebeurd. Je gelooft me nòg niet, wel?” - -Larsen keek op. De ander gaf de blik niet terug, maar keek vóor zich, -’t hoofd op de rechterarm geleund, de elleboog op de knie. En toen hij -niet antwoordde, ging Larsen voort, terwijl hij zijn starre houding -hernam: - -„Je houdt me voor gek. Natuurlijk. Ik kan ’t je niet kwalijk nemen. -Maar denk wat je wil. Je kunt je zelf overtuigen. Straks als je lust -hebt.” - -Van Thiemen bleef zwijgen, verzette zich weer in zijn stoel, sloeg de -beenen over elkaar. Larsen hervatte onverstoorbaar: - -„Ik zou je bizonderheden kunnen geven. Maar die zouden je niet beter -overtuigen. Die zouden.... me maar ophouden. Ik moet naar de politie. -Ik woû je alleen vooraf mijn bekentenis doen, omdat—jij alles weet. Ik -haatte die vrouw. Ik heb me gewroken.” - -„Gewroken! Maar je had toch geen plan....?” - -„Och, nee. Ik dacht niet aan een plan. Maar toen ze me tegenwerkte, nòg -eens—na al ’t andere—toen was ’t me te machtig. Ik heb toen eenvoudig -in werkelijkheid gedaàn wat ik al lang in gedachten gedaan had. In -gedachten had ik Paula al honderdmaal vermoord. Ik haatte haar. Ik weet -nu wat haat is. Ik had nog nooit gehaat....” - -Van Thiemen zuchtte zwaar. Tranen welden naar zijn oogen. Larsen’s stem -dreunde voort: - -„Nu niet meer. Ze is nu dood. Ik heb haar geworgd, als een beest met -mijn eigen handen. Ik haat haar niet meer. Ik ben bevredigd. Ik ben op. -’t Is nu alles uit. Ik voel niets meer. ’t Kan me verder niets meer -schelen.” - -Zijn blik bleef omhoog staren, in leege, kille wanhoop. - -Met stomme aandoening hoorde Van Thiemen de woorden aan. Hersenschim of -werkelijkheid: hier werd geleden, en de smart moest wel ontzettend -groot zijn, als ze tot zulke ijzingwekkende spooktooneelen in zijn -fantazie geleid had! En hij kende de oorzaak van al dat lijden. - -Nog zat Van Thiemen in gedachten verzonken, in tweestrijd met zichzelf -en reeds ten prooi aan akelige twijfeling, toen hij getroffen werd door -een vreemd geluid. Hij luisterde aandachtig: daar was ’t weer, en nog -eens en nog eens. O, de brandklok: ergens brand.... - -Larsen hoorde blijkbaar niets, steeds in dezelfde houding met het hoofd -achterover geleund. - -Van Thiemen stond op. Hij kòn niet langer blijven zitten, verlangde -naar beweging, wilde naar buiten, naar de frissche lucht. Hij kon ’s -naar die brand gaan kijken: wie weet waar ’t was.... Maar dan -Larsen.... - -Plotseling keek deze hem aan, met schrik in de oogen. - -„Dat is de brandklok!” zei hij eindelijk van toon veranderend. - -„Ja, dat hoor ik ook. Zal ik....?” - -„Er is brand in mijn huis. Van Thiemen, ik weet ’t zeker, er is brand in -mijn huis.” - -Larsen was opgestaan, zenuwachtig en gejaagd, een ander mensch dan -eenige oogenblikken te voren. - -„In jòu huis?” ’t Angstig makend vermoeden had ook de ander bekropen, -waarom begreep hij zelf niet. - -„Ja, stellig. Ik mòet er heen. Ik weet ’t zeker: ’t is bij mij!” - -Larsen was al bij de deur der studeerkamer. - -„Goed, laten we samen gaan kijken,” zei Van Thiemen, die—al was ’t dat -hij ook ditmaal Larsen’s woorden voor de uiting eener overspannen zieke -verbeelding hield—toch naar afleiding verlangde, om gelegenheid te -hebben ’t met zichzelf eens te worden. Over Larsen’s gedrag, wanneer ze -buiten waren, maakte hij zich niet ongerust. Nauwelijks op straat, zou -hij zich op de hoogte stellen waar de brand was. Was ’t niet wat Larsen -vreesde, dan nam hij zich voor onmiddellijk naar huis terug te gaan. -Bleek het tegendeel waar—’t kon wezen, natuurlijk: waarom niet?—dan zou -hij wel de politie een wenk geven, om op hem te letten dat hij geen -dolheden beging. - -„Wacht even!” hervatte Van Thiemen. „Ik heb nog een overjas voor je in -de kast van mijn slaapkamer. En ik moet zelf even wat anders -aanschieten.” - -Enkele minuten later stonden beiden op straat. Juffrouw De Vries had -Van Thiemen reeds ingelicht, dat het „ver weg” was, en minzaam -verwijtend geprotesteerd tegen de nachtelijke uitgang haars meesters. -Ze was niks gerust: zoo „bij nacht en ontije naar een brand gaan, en -dan met die gekke perfesser....” - -Ondanks Van Thiemen’s luchtige verzekering dat „alles wel los zou -loopen”, had het apartje met zijn huishoudster toch indruk op hem -gemaakt. De straat was vol menschen. Hoe zou hij in die drukte kunnen -beletten dat Larsen aan zijn aandacht ontsnapte? ’t Berouwde hem reeds, -dat hij zijn huis verlaten had. Maar onmiddellijk had zijn luchthartige -natuur een verontschuldiging bij de hand: hoe had hij Larsen in zijn -huis kunnen houden, in die opgewonden toestand en vast geloovende dat -de brand bij hem thuis was? Nee, zoo was ’t van twee kwaden nog ’t -minste: zoo kon hij misschien nog oog op hem houden. „En vogue la -galère!” - -De stroom van haastig voortijlende menschen volgend, en hier en daar -vragend, zou hij spoedig zekerheid hebben. Doch ze liepen allen in éen -richting, en niemand wist iets te zeggen. - -„Ik zeg je, ’t is bij mij!” riep Larsen ongeduldig. - -Van Thiemen had moeite hem bij te houden. Beiden draafden nu. - -De gloed aan de hemel boven het brandende huis werd zichtbaar, toen ze -voorbij de boomen langs de gracht en de hooge huizen aan de overkant -waren. - -„Ik ga met je mee, ik ga met je mee,” antwoordde Van Thiemen, „maar hoû -je in Godsnaam kalm. Blijf in alle geval bij me. Je kunt me noodig -hebben, al is ’t ook bij jou.” - -Nergens een politie-agent te zien! Van Thiemen ergerde zich, en meer en -meer won het bange voorgevoel bij hem veld: Larsen heeft gelijk. - -Een jongen bonsde tegen Van Thiemen aan. - -„Kom je van de brand?” vroeg hij angstig, even stilstaande. - -„Ja!!” De jongen liep door. - -„Bij wie?” riep Van Thiemen hem achterna. - -„Bij Perfester Larse!” - -Larsen was een eind vooruitgeloopen, zich niet storend aan ’t -oponthoud. Hijgend haalde de ander hem in. Larsen had niets gehoord, en -hij achtte het gevaarlijk hem thans in te lichten. Trouwens, de -waarheid zou spoedig blijken. - -De kleine straat, waar ze door moesten, om in de groote te komen waar -Larsen’s huis stond, krioelde van de menschen. - -Nu geen twijfel meer: overal om hen heen had men ’t erover: „bij -Professor Larse”.... „bij de vrouw van de perfester die gek geworden -was”.... „bij de perfester om de hoek”.... - -Er was een pikzwarte bank van rook over de hemel, links, telkens -uitstuivend over de hoofden der menschenmassa in ’t straatje. De maan -was onder en de hemel bewolkt. Een vrij sterke oostewind joeg bij -iedere rookgolf een regen van fijne vonken in de lucht, hoog boven de -huizen van ’t straatje wild verwaaiend. - -„’t Is hier benauwd!” zei Van Thiemen, en keek naar Larsen, die naast -hem door de menschen trachtte te dringen. Hij zag dat hij een duw -kreeg. - -„Meneer, je kunt hier niet door,” klonk ’t ruw. - -„’t Kan me niet schelen, uit de weg!” riep Larsen. - -Een kerel wankelde, viel tegen omstanders aan. Er werd getrapt en -gestompt. - -„Wat moet die meneer?!” riep een vrouw. „Ziet-i dan niet dat we niet -verder kunnen? De politie heeft de straat afgesloten.” - -Larsen stoorde zich aan niets. Links en rechts gestooten en gedrongen, -werkte hij zich voort, als een dolle. - -Een politie-agent kwam de straat op, baan makend om zich heen. -Zenuwachtig wendde Van Thiemen zich tot hem, wees hem op Larsen: - -„Hoû die meneer in Godsnaam in ’t oog! Hoû ’m tegen als je kunt,” -fluisterde hij de agent toe. „De man is gek. Er is brand in zijn huis.” - -De menschenmassa golfde en deinde vóor hem. De agent verdween er onder. - -En ook Larsen was niet meer te zien. - - - - - - - - -XX. - - -Twee mannen stonden boven op het dak der veranda van het brandende -huis. - -„Ziet u ze?” - -„Ja, allebeî. Daar.... bij de deur....” - -„Durft u er in? God, wat ’n rook! Zouen ze niet al gestikt zijn?” - -De ander aarzelde even, een tiende seconde wellicht. - -„Hoû je klaar, als ik roep,” riep hij, en sprong naar binnen. - -De brandweerman, met wie hij gesproken had, volgde. Hij woû zich door -die meneer geen vlieg laten afvangen. - -„’t Valt mee!” riep een stem van binnen. „Voortmaken is de boodschap. -Gauw, help me ’n handje.” - -„Ze zitten zoo vast aan elkaar, gedome!” - -„Hier, ’t is al in orde. Beiden tegelijk maar. We hebben geen tijd. Jij -aan deze kant. Ziezoo, vooruit! Voorzichtig.” - -Nog een brandweerman was naar binnen gesprongen; hij schoot toe. - -„Best, pak daar aan! Goed zoo.... Poeh! Wat ’n rook!” - -„Pas op, meneer! Even tillen.... Zoo....” - -„Op ’t dak maar?” - -„Zou ’t houen? Hei, Kees, geef ’s even die leer! Gauw!” - -De geroepene begreep de bedoeling dadelijk. Een stevige ladder werd -over de volle breedte van ’t ijzere en glaze dak der veranda gelegd, -schuin tegen ’t venster. - -Voorzichtig—op de vensterbank staande—tilden de drie mannen de -ineengestrengelde lichamen op de schuinliggende ladder. - -Uit de kleine straat, vanwaar een opgepropte menigte stond toe te -kijken, klonk uitbundig gejuich. Allerlei opmerkingen werden luide -geuit. - -„Dat ’s Perfester Van Thiemen! Zie je ’m? Nou, die durft, hoor....” - -„Hij heeft ze te pakken. Allebeî! Met z’n drieën lappen ze ’t ’m!” - -„Arm schaap! Kijk ze daar nou ’s liggen. Wat houdt ze ’m vast.” - -„Kijk! Ze hebben ze losgekregen! Zouen ze dood zijn?” - -„Hij niet misschien, maar dat arme schaap!” - -„Nou maar, hij is anders slap genoeg. Zie je dàt? Hij geeft niks mee, -hoor!” - -Het venster, waarlangs de drie hun dubbele vracht naar buiten hadden -gedragen, lag dicht bij het uiteinde van de veranda. Het was het -laatste raam aan de achterzijde van ’t huis, naar de kant van ’t -straatje, en was aangebracht op het ruime portaal waarop Larsen’s -slaapkamer en die van zijn dochtertje uitkwamen. Dit heele achterdeel -der woning was in latere tijd aan ’t oude huis toegevoegd; zoodat het -ter zijde niet meer grensde aan het huis er naast, dat de eene hoek van -het straatje uitmaakte, maar aan een deel van de tuin daarvan. Van de -breede ijzere rand der veranda tot de scheidingsmuur der twee -aangrenzende tuinen was de afstand niet grooter dan wellicht een meter. - -Van de veranda in de tuin der buren te komen leverde dus geen -moeilijkheid van beteekenis op. - -Langs de rand der veranda konden dus twee man met eenige inspanning de -ladder naar zich toehalen, waarop achtereenvolgens het bezwijmde kind, -en daarna het slappe lichaam van Larsen waren neergelegd. - -Van Thiemen weerde zich als de beste der brandweermannen. Met -geschroeide haren en baard, zwarte veegen in zijn gezicht, zijn -kleeren, bedorven door roet, rook en water, zag hij er merkwaardig uit. -Blootshoofds—hij had zijn hoed verloren—en zonder overjas vertoonde hij -zich eindelijk weer buiten. Hij had zeker een half uur in ’t buurhuis -vertoefd, waar Larsen en zijn kind voorloopig binnengebracht waren, in -afwachting van de komst der brancards uit het ziekenhuis. - -Hij werd op de stoep bestormd door nieuwsgierigen, vele bekenden en -vrienden daaronder. Een jonge man met donker haar, schrandere levendige -oogen, fijne neus en dun zwart snorretje, trad ’t eerst op hem toe. - -„Hoe is ’t, professor?” vroeg hij. „Leven ze?” - -„O, Zomer, ben jij daar ook? Ja, Goddank, ze leven beiden.” - -„De dokter is er zeker bij. Welke dokter is ’t? Toch niet Dr. Brakel?” - -„Nee, een ander: Norman. Je kent hem wel.” - -De ander knikte. - -„En, wat gebeurt er nu met....?” - -„Er moeten brancards van ’t ziekenhuis komen. Zoolang blijven ze hier -in huis.” - -„Alle drie?” - -„Alle drie, dat wil zeggen....” - -„Mevrouw Larsen.... Was die dan niet in ’t huis?” - -„Jawel, jawel!” klonk uit de omstanders, die naar ’t gesprek hadden -staan luisteren. „Die was er ook in. Die is verbrand. Vraagt u ’t maar -aan die daar. Dat is de kamermeid van mevrouw.” - -De jonge man en Van Thiemen keken beiden in de richting waarheen de -spreker wees. Daar zat op een steene paaltje van de breede stoep -Pietje, ’t beeld van doffe wanhoop, snikkend en met beide armen een -bundel goed omklemmend, dat tegen haar schoot lag. - -Van Thiemen, die ’t niet noodig vond de droeve dienstbare nog meer van -streek te brengen dan ze blijkbaar reeds was, nam zijn jonge vriend ter -zijde: - -„Ga je mee, Zomer?” vroeg hij. „Ik ga naar mijn huis. Ik heb hier -verder niets te doen. Morgen denk ik ’s naar ’t ziekenhuis te gaan. Ik -ben wat moe, en moet me wat opfrisschen.” - -Met een zure glimlach wees hij op zijn gehavende plunje. - -„Best, professor. Ik ga met u mee, als ik u niet lastig val, zoo in de -nacht....” - -Het tweetal ging links van ’t huis de breede straat op, zoo de menigte -vermijdend. - -„O, à la guerre comme à la guerre! Ik ga toch nog niet naar bed. Ik ben -nog te vol van alles.” Zwijgend stapten ze een eindweegs naast elkander -voort. - -„Maar, professor,” begon Zomer weer, „zeg u me toch ’s—ik woû ’t -zooeven met al die menschen niet vragen—is mevrouw Larsen werkelijk -verbrand?” - -„Ja, dat moet wel,” antwoordde Van Thiemen, en zijn gelaat vertoonde -een uitdrukking van pijnlijke gedachten, „of ten minste gestikt.... -want ze had geen enkele brandwond.... niets, nergens. Het haar was -alleen wat gezengd. De slaapkamer was trouwens vol rook—niet om door te -komen bijna. Ik ben er geweest. Larsen was als een dolle over de twee -tuinmuren achter in ’t huis geklommen—verbeel’ je, van het -Spinhuis-straatje naast de Erlings.—Toen ik even een voet in de -slaapkamer zette, moest ik terug: ik was anders zelf gestikt, je kon er -geen hand voor oogen zien. Ik was achter op de veranda geklommen moet -je weten, en had zoo in mevrouw’s slaapkamer willen komen. We hadden -Larsen daar het raam in zien springen.” - -„Maar hoe kwam Professor Larsen zoo opeens hier in de stad? Was hij -niet....?” - -„Hij was weggeloopen.... juist kort geleden in de stad. Enfin, dat zal -ik je nog wel ’s vertellen.” - -„Ga u voort.” - -„Nu, toen we zagen dat het onmogelijk was door dat eene venster in de -slaapkamer te komen, probeerden we een ander, ’t laatste van de drie -aan de achterkant van ’t huis, dat op ’t portaal uitkomt. Daar was -gelukkig minder rook. Daar vonden we Larsen en zijn kind vlak vóor de -deur van de groote slaapkamer. Ze lagen in elkaars armen op de grond. -Je kon zien dat Larsen daar neergevallen was, nadat hij ’t kind uit die -hel van rook en vlammen gehaald had.” - -„Uit de slaapkamer dus?! En mevrouw dan?” - -„O, daarvan hoorde ik later pas. Ik had toen op dat oogenblik alleen -aandacht voor Larsen en zijn dochtertje. Maar ik weet, dat er kerels -van de brandweer van voren ’t huis waren binnengekomen. Niet de trap -langs, want daar was ook geen doorkomen aan. Ik vond mevrouw -Larsen—haar lijk, bedoel ik—al bij de Erlings, toen ik Larsen en zijn -kind daar binnen hielp dragen. Hoe de kerels ’t ’m geleverd hebben, -begrijp ik nòg niet. Ze hadden haar blijkbaar vóor uit een straatraam -naar buiten gebracht. Pietje—je weet wel, dat was mevrouw’s kamermeid, -nogal een lieveling van haar—vertelde bij de Erlings met veel misbaar, -dat ze mevrouw met Didi bij elkaar gevonden had: mevrouw op bed liggend -en het kind wanhopig huilend over haar heen gebogen. Ze was toevallig -wakker geweest—Pietje, meen ik, die hoog boven in ’t huis sliep—ze had -een sterke brandlucht geroken, en was toen gaan kijken. Toen had ze -gemerkt dat mevrouw al koud was; ’t kind woû niet mee, en woû maar niet -gelooven dat haar moeder dood was, bleef als een wanhopige rukken en -trekken en schudden. Pietje had ’t kind moeten achterlaten, om zelf -haar leven te redden, zooals zij vertelde. Tsh! ’t Onnoozele menschje -stelde zich bij de Erlings zoo vreeselijk aan, dat ze maar naar buiten -gebracht is. Je hebt haar op de stoep zien zitten.” - -Van Thiemen kon een glimlach niet bedwingen, ondanks de droevige -gedachten die bij hem omgingen; en ook zijn jonge metgezel kreeg een -vroolijke vleug om de mond, toen hij aan ’t erbarmelijke tooneel van -Pietje’s treurnis dacht. - -„Nu,” hervatte Van Thiemen, „dat verhaal van Pietje kwam overeen met -wat de dokter constateerde....” - -„Zoo?” - -„Ja, die vond dat mevrouw Larsen al minstens een half uur dood moest -geweest zijn toen ze bij de buren binnen werd gebracht.” - -Van Thiemen versnelde onwillekeurig zijn pas. Hij huiverde. - -De ander keek hem even verwonderd aan, doch de oorzaak van hetgeen hij -in zijn oude vriend waarnam enkel toeschrijvende aan gewoon menschelijk -medegevoel, dacht hij er niet verder over na. - -Beiden zwegen echter een poosje. - -Onderwijl bereikten ze de brug in de buurt van Van Thiemen’s woning. - -„Egyptische duisternis,” zei Van Thiemen eindelijk. „Zie je wel, dat er -geen enkele straatlantaarn op is? Dat ’s van wege de maan, die al -zoowat een uur onder is!” - -„Zuinigheid met vlijt,” antwoordde de ander om iets te zeggen. -Intusschen tuurde hij afgetrokken onder ’t voortwandelen naar de -inktzwarte oppervlakte van ’t water der gracht, waar het eenzame -lichtje van een turfschuit doods opstaarde uit de drabbige -onbewegelijkheid, diep tusschen de donkere boomen en de hooge huizen -daarachter. - -Zonder een woord meer te wisselen ging het tweetal verder tot aan Van -Thiemen’s woning. - -Eenige minuten later zaten beiden op dezelfde stoelen in de -studeerkamer, waar nog zoo kort geleden Larsen zijn ijzingwekkende -biecht gedaan had. - -Van Thiemen had van kleeren verwisseld en zich gewasschen. Was zijn -gevoel van onfrischheid en vermoeienis ook geweken, zijn gemoed was er -niet rustiger door gestemd: de onrust-gedachten, die hem sinds de -nachtelijke samenkomst met Larsen, en vooral na de berichten omtrent de -dood van diens vrouw steeds door gekweld hadden, drongen tot uiting. -Zou hij uitspreken wat hem zoo vreeselijk drukte, raad en steun zoeken -bij deze jonge man, door hem de akelige vermoedens bloot te leggen die -in hem spookten? Hij wist welk een warme genegenheid de jonge -rechtsgeleerde voor zijn vroegere leermeester koesterde, hij wist ook -in welk een achting de veelbelovende leerling steeds bij Larsen gestaan -had. En ook hijzelf voelde veel sympathie voor hem, en stelde een -onbeperkt vertrouwen in zijn rechtschapenheid en in zijn talenten. ’t -Gold hier een werk van hooge menschlievendheid, een daad van de edelste -vriendschap. Nee, hij kòn, hij mocht niet zwijgen. Aan niemand beter -dan aan de vereerende leerling kon hij deze kiesche zaak toevertrouwen: -hier was toewijding, geestdrift en talent noodig, en op dat alles kon -hij immers rekenen.... Hij moest spreken. - -De jonge rechtsgeleerde was zelf in gedachten verdiept, toen Van -Thiemen na een oogenblik de stilte verbrak: - -„Zomer, ’t deed me bizonder veel genoegen je zooeven te ontmoeten. Je -kwam als geroepen.” - -„Te veel eer, professor. ’t Speet mij alleen dat ik zoo laat kwam, -zoodat ik niet anders dan toeschouwer ben kunnen wezen. Ik had anders -zoo graag een handje meegeholpen. U heeft zich kranig geweerd, hoor -ik.” - -„Och, laten we daarover zwijgen. Je weet hoe Professor Larsen en ik -bevriend waren....” Van Thiemen weifelde even. „En.... ook daarom vin’ -ik het zoo heerlijk dat ik jou getroffen heb....” - -„Mij, professor?” Er was een oprechte toon van bescheiden verwondering -in Zomer’s stem, en ook zijn open, trouw gelaat drukte dit uit. - -„Ja.... kerel, ik heb je noodig. Ik zit voor een ellendig geval.... in -verband met mijn vriend Larsen. Ik woû je over iets raadplegen dat me -geheel vervult. ’t Zou me een ware verlichting zijn je er over te -spreken....” - -„Ik hoef u wel niet te zeggen, professor, hoe aangenaam ’t me wezen zal -u van dienst te zijn, ook om der wille van Professor Larsen. Maar ik -kan me niet voorstellen....” - -„O, je kunt me helpen misschien. In alle geval zal ik me minder -bezwaard voelen, als ik ook éen ander mensch verteld heb wat me nu zoo -benauwt. ’t Zijn vermoedens, niets dan vermoedens, maar zóo -waarschijnlijk.... dat ze me kwellen als ware feiten. Niemand weet -ervan, behalve ik.... dat wil zeggen niemand weet alles in zijn -verband.... hoe ’t eene uit ’t andere voortgekomen is.... Larsen heeft -me mededeelingen gedaan.... Ik kan op je stilzwijgen staat maken, -nie’waar?” - -„Natuurlijk, professor, als ’t graf....” - -Van Thiemen veranderde van houding, haalde zijn rechterhand door zijn -golvende zwarte lokken, en stond op. - -„Kom, ik laat je op een droogje. Wil je niet wat warms? Ik zal zien dat -ik wat water warm maak. Een kop waterchocolâ?” - -Zomer aanvaardde ’t gebodene. - -„Je weet, ik ben geheel-onthouder,” hervatte de ander. „Ik heb hier op -’t oogenblik niets anders bij de hand.” - -De levendige professor had spoedig wat hij noodig had klaargemaakt. Een -glas van zijn waschtafel en een theekopje, dat in zijn kast stond, -waren weldra gevuld met het geurige mengsel. Hij nam ’t glas voor zich -en bood zijn gast het kopje. - -„Ziezoo,” hervatte hij, weer zittend. „Ik moet je eerst een vraag doen: -geloof jij bepaald dat Professor Larsen krankzinnig wàs, ik meen toen -hij naar ’t krankzinnigengesticht gebracht werd. Je hebt er toen van -gehoord, nie’waar?” - -„Wat zal ik u zeggen?.... Ik hoorde toen wat iedereen hoorde. Later heb -ik nooit die zaak in twijfel hooren trekken....” - -„Nu, ’t mag toèn zoo geweest zijn.... of liever, ik ben overtuigd dat -hij toèn zoo was—gek, bepaald gek—maar hij was ’t niet meer toen ik hem -gisteren—ik bedoel vannacht—sprak.” - -„Heeft u hem vannacht gesproken? Vóor de brand dan?” - -„Ja, onmiddellijk te voren.... òf ten minste toen de brand net begon. -Hij is toen bij me geweest.” - -En Van Thiemen vertelde ’t heele geval, sprak van zijn bijna vaste -overtuiging, dat wat Larsen hem mededeelde pure waan was, een -krankzinnige inbeelding, van zijn twijfel, eerst gering, daarna zoo -versterkt door de feiten bij de brand waargenomen. - -De jonge advocaat luisterde met de grootste aandacht, met de -hartelijkste belangstelling. - -„Een psychologische zeldzaamheid, dit geval, vin’je ook niet?” zei Van -Thiemen aan ’t slot van zijn verhaal. - -„U bedoelt dat plotseling ontwaken van ’t bewustzijn, door een groote -ontroering, en dat overdreven gevoel van verantwoordelijkheid?” - -„Nee, dat begrijp ik wel—dat komt meer voor. Zeker. Ik meen die -uitbarsting van haat in een zachtmoedig man als Larsen. Je kent hem.” - -„Ja, zeldzaam. Zonder twijfel, professor.” - -„Maar....” vervolgde Zomer na een oogenblik denkens, „ik geloof met u, -dat hij volkomen bij zijn verstand was toen hij u.... zijn bekentenis -deed. O, daar twijfel ik nu geen oogenblik meer aan....” - -„Maar toen hij de moord deed? Toen ook? Dat is immers niet aan te -nemen....” - -„Wat mij betreft, professor....” De jonge rechtsgeleerde bracht het -hoofd schuin voorover en wachtte even, om ’t daarna met een kleine ruk -op te heffen. Hij keek zijn gastheer flink in de oogen. „Ik geloof -vast, dat hij op ’t oogenblik van de moord volmaakt ontoerekenbaar was. -Dat is immers duidelijk uit al wat voorafgegaan is. Ik wil alleen -zeggen, dat ik voor mij de moreele overtuiging heb. En tegenover de -rechter....” Hij hield even op, om met geestdrift te vervolgen: „O, -professor, ik woû dat ik ’s voor Professor Larsen pleiten mocht!” - -„Niets liever dan dat, kerel,” antwoordde Van Thiemen op hartelijke -toon, „de moeielijkheid zal alleen wezen, dat hijzelf zijn zaak -bederven wil. Hij zal van geen verdediging willen weten. Ik heb je -immers gezegd hoe hij zich overtuigd toonde van zijn schuld. Hij meent -oprecht zijn vrouw met voorbedachten rade te hebben vermoord, en houdt -zich zelf daarom voor een misdadiger van ’t minste allooi! Tsh!” - -Van Thiemen was opgestaan en liep heen en weer, de eene hand op de rug -en met de andere zijn snor martelend. - -De jongere van ’t tweetal luisterde aandachtig, de kin op de linkerhand -geleund. - -„Zoodra hij morgen wat frisch is, zal hij doen wat hij bij mij gezegd -heeft. O, ik ben er zeker van. Die flauwte van de rook heeft niets te -beteekenen gehad. Er was wat vermoeienis bij: daarom heeft het hem -nogal aangepakt. Ik hoû ’t ervoor dat morgen—vandaag, bedoel ik, van -middag—de heele zaak bij de politie bekend is, in alle bizonderheden. -Tsh!” - -„Ja—ik begrijp u: als hij even kalm en beredeneerd het heele geval -vertelt, zooals hij ’t u gedaan heeft....” - -„Dan is er alle kans dat hij veroordeeld wordt.... Maar ook als ze hem -ontoerekenbaar verklaren—hem nu nòg voor gek houden—wel.... dan is ’t -nog ellendiger met hem gesteld. Gevangenis of krankzinnigengesticht, -dat is zijn keus, of liever die van de rechter en de advizeerende -arts.... Dat moet gecaveerd worden, Zomer! ’t Zou een ramp zijn voor -hem. En ook voor zijn arm kind!.... Dat moet jij zien te doen, kerel.” -Hij zweeg even. „Weet je wel dat ik je benijd? Ik woû dat ik dat -pleidooi van je overnemen kon: wat kan er heerlijker wezen dan je beste -gaven te doen schitteren om daarmee een weldaad te doen!” - -Van Thiemen’s oogen blonken van geestdrift, terwijl hij de laatste -zinsnede uitsprak, en ’t vlugge, groote gebaar met beide armen vooruit -en half terugbuigend met geopende handen—het hoofd ietwat ter zijde -tegen de schouder, was als een aanbiddende verrukking voor een schoon -tafereel. - -Bewonderend keek de jonge rechtsgeleerde naar dit beeld van echt -entoeziasme, en de vlam van ’t heilige vuur in hem, gevoed door de -nooit falende brandstof zijner overtuigingen, aangewakkerd door elke -ademtocht van medegevoel, waar maar menschelijk leed verneembaar was, -laaide thans òp met nooit gekende gloed. - -„Zeker, volkomen met u eens, professor!” riep hij. „Maar,” liet hij er -met bezorgdheid op volgen, „stelt u niet te veel vertrouwen in mij? Ik -bedoel niet in mijn bekwaamheid als advocaat.... maar in mijn vermogen -om Professor Larsen te overreden? Daarvoor kan ik ù niet missen. U moet -me helpen met al uw macht.” - -Van Thiemen hief zijn eene arm op, als wilde hij zeggen: dat spreekt -immers vanzelf! Daarna ging hij weer zitten, leunde achterover, en -streek langs zijn knevel en mond, de oogen naar boven. De jonge -advocaat ging voort: - -„Zou ’t niet ’t beste zijn, dat u van middag eerst alleen met de -professor ging spreken? U haalt hem stellig makkelijker over dan ik. -Toch stel ik er mij veel moeite van voor, ook voor u....” Hij brak een -oogenblik af; dan in gedachten, half bij zichzelve: „Hij schijnt -ontzaglijk veel van die vrouw gehouden te hebben!” - -Van Thiemen stoof op. - -„Van haar gehouden! Een mooie liefde! Nee, kerel, dat was geen liefde. -Dat was een verblindende illuzie, hartstocht van de zuiverste soort.... -altijd geweest. Maar.... je hebt gelijk: waar zoo’n diep ingrijpend -gevoel tot zulk een.... ziels-omwenteling geleid heeft.... is -rechtzetten een heele toer! Hij gelooft even vast aan zijn haat, als -hij aan zijn liefde geloofd heeft.... Tsh! Stumpert!” - -Zomer greep naar zijn water-chocolade, en deed een bizonder lange teug. -Het kopje bedaard en afgemeten neerzettend, hervatte hij langzaam: - -„Dus dan zal de heele kwestie zijn, Professor Larsen te overtuigen, -dat, zoowel die haat als wat hij zijn liefde noemde, beide niets dan -verschijnselen van zielsziekte waren.... Zijn ontoerekenbaarheid....” - -„Zeker, stellig,” viel Van Thiemen in, „zijn ontoerekenbaarheid is al -begonnen op ’t oogenblik dat zijn passie voor die vrouw zijn ziel -binnendrong, om die langzamerhand te vergiftigen. Ik bedoel natuurlijk -zijn ontoerekenbaarheid voor daden met die passie in verband.” - -De jongere der twee knikte een paar maal met opgetrokken wenkbrauwen, -de oogen wijd geopend. Dan verviel hij even in gepeins. Opeens richtte -hij ’t hoofd op, en keek Van Thiemen recht aan: - -„Gelooft u, professor, dat er volmaakt passielooze liefde bestaat? Ik -bedoel hier liefde voor een vrouw, behalve moeder of zuster.... Laten -we zeggen: sexueele liefde....” - -„Nee, beslist niet. Die is eenvoudig boven menschelijke krachten. -Evenmin kunnen we ’t helpen dat bij de hevigste sexueele hartstocht nog -altijd wel een bijmengsel van echte liefde komt. We slingeren steeds -tusschen beest en godheid.... ’t Leven van ieder denkend mensch, van ’t -oogenblik van bewustheid, dat het verantwoordelijkheids-gevoel ontwaakt -tot zijn laatste snik is een voortdurende aanraking met hartstochten. -De zaak is maar hoe we die omgang regelen. Volkomen passieloosheid is -goddelijkheid, en deze ligt zoozeer boven onze bevatting, dat in alle -godsdiensten wij menschen ons zelfs geen god zonder hartstochten kunnen -voorstellen. Al is ’t dan ook bij Christenen, Joden en Mohammedanen -zonder geslachtelijke hartstocht. Tsh! Grieken en Romeinen waren in dàt -opzicht onpartijdiger. Onder ons: ik zie niet in waarom juist die -sexueele hartstocht zoo in ’t verdomboekje moet staan. Zou hij zooveel -kwaadaardiger wezen dan zijn kameraadjes?” - -Zomer haalde de schouders op, en glimlachte even. - -„Ja, ja, zeker,” vervolgde Van Thiemen levendig, „hij is de -kwaadaardigste, ’t moeilijkst te bevechten. Daarom juist zou een -verliefde god nog niet zoo’n bespottelijkheid wezen als een die boos -wordt op menschen, of jaloersch is! Maar laat dat wezen wat het wil: -een mensch moet nu eenmaal streven naar die onbegrepen passieloosheid. -We mogen wel streven naar ’t onbegrepene: es genügt dass wir es ahnen. -En ieder denkend mensch doet dat: hij heeft de op hem aandringende -demonen van zich af te houden zooveel hij kan, al kan hij zich van hun -algeheel verdwijnen ook geen voorstelling vormen. ’t Merkwaardige is, -dat die demonen—die we hartstochten noemen—zoo partijdig zijn in de -keuze van hun tegenstanders. Ze plagen iedereen, maar op enkelen hebben -ze ’t in ’t bizonder gemunt, terwijl ze heele troepen van anderen -nauwelijks met speldeprikken lastig vallen. Bij dit laatste soortje -hooren een hoop nullen, onder ’t eerste zijn vaak menschen van -beteekenis, en dan is er nog de groote kategorie van lui, die zich -dadelijk gevangen geven en zoo geen last van de indringers hebben: dat -zijn je lammelingen.... - -„Wil je een ander beeld? Iedereen krijgt in zijn leven een paard te -berijen. In de eerste jaren wordt het aan de toom geleid. Daarna rij je -zelf. Opvallend is ’t dan, hoe verschillend de beestjes zijn. Er zijn -kanjers van hengsten bij, prachtige, vurige en onstuimige rijdieren, en -daartegenover ellendige, suffe knollen, met nog allerlei -tusschen-schakeeringen. Als je dan zoo’n ondeugende woesteling onder je -hebt, en je wordt er eens afgesmeten, of je laat je toom wel ’s uit de -hand schieten, dan zijn de knolruiters gewoonlijk ’t eerste klaar, om -je uit te schelden en uit te jouwen, omdat je niet rijen kunt! Tsh!” En -beseffende dat hij afdwaalde, brak Van Thiemen af, om, minder levendig, -en weer met droefenis in zijn stem te hervatten. „Arme Larsen! Zijn -paard is op hol geslagen, en hij is uit ’t zadel gegooid.... We moeten -hem helpen.” - -Van Thiemen’s jonge vriend keek op, toen zijn stem zweeg. Ofschoon hij -de heele tirade gevolgd had, was zijn geest er toch maar half bij -geweest, en ’t was alsof hij ontwaakte uit een eigen droomwereld. In -groote trekken had hij ’t pleidooi in elkaar gezet dat zijn beminde -leermeester moest redden van maatschappelijke en zedelijke ondergang. - -Thans tot volkomen bewustzijn van ’t actueele gekomen, knikte hij: „Ja, -professor, dat moeten we, dat zullen we....” En zijn horloge -raadplegende, stond hij op. - -„’t Is ver in de nacht, professor,” zeide hij. „Ik moet heen. Wat -spreken we nu af? Ik zie u morgenmiddag na uw samenkomst met Professor -Larsen? Ik blijf morgen de heelen dag thuis tot het eten. En mijn avond -is ook tot uw beschikking.” - -„Best, best. Ik zal dan wel bij jou komen....” - -Na nog enkele hartelijke woorden gewisseld te hebben, scheidden de -beide vrienden. Van Thiemen voelde zich opgelucht en rustig; zijn jonge -vakgenoot in de beste der stemmingen: een heerlijk gevoel van -zelfbewustheid en fierheid, vertrouwen op eigen kracht, steunend op -zijn geestdriftig geloof in ’t goede, doortintelde hem. - -En Van Thiemen sliep reeds een half uur later, David Zomer eerst tegen -de morgen. - - - - - - - - -XXI. - - -„Zoo, m’n kindje, nu al op!” riep een nog jonge vrouw opkijkende van ’t -werk waarmee ze druk in de weer was: ze rangschikte een heerlijke -overvloed van bloemen op een ontbijttafel. De buitendeuren van de serre -achter de kamer stonden wijd open, en een frissche lentelucht woei -binnen uit de tuin. Van de kamer uit zag men ’t lieflijk kleurenspel -van gaarde, weiland en bosch, en daarboven de hemel: groen, rood, wit, -geel, bruin, oker, zwart, weer groen in drie schakeeringen en eindelijk -een zachtblauw van fluweelige molligheid over alles heen, een jubeling -van tinten, een bont gestoei in zonneroes. - -’t Jonge meisje dat binnenkwam trad op de bezige toe, kuste haar op -beide wangen en fluisterde haar toen in ’t oor: - -„Ik ben vandaag zestien!” Ze trok het hoofd terug en keek haar -stiefmoeder lachend in ’t vriendelijk gelaat. - -„Kom je me dat vertellen? Zie je dan niet waaraan ik bezig ben?” Ze -wees op de bloemen op tafel, terwijl ze haar eene arm om ’t middel van -’t meisje sloeg. - -„Och, maatje, je bent een schat! Je maakt me verlegen.” Ze kuste haar -stiefmoeder nogmaals, als wilde ze daarmee een indruk van -onverschilligheid voor de lieve attentie wegnemen. „Maar ik denk aan -iets anders.... een belofte van je....” - -„Kom je me daaraan ’s morgens om half zeven herinneren? En wat is dat -wel voor een mooie belofte?” - -Lachend streek de spreekster door ’t lange afhangende haar van ’t jonge -meisje, en liet haar blik met ingenomenheid over haar gestalte glijden. -Ze verlustigde zich voor de zooveelste maal aan dit beeld van frissche -jeugd, en een warme aandoening van beschermende liefde overstroomde -haar gemoed. Ze dacht aan haar goede vader, aan Larsen. - -’t Meisje antwoordde niet dadelijk, en wilde de ander meetroonen in de -richting van de tuin. - -„Nee, kindjelief: ik ga onmiddellijk met je mee, als dit af is. Kijk -hier, nog even dit. Ik ben bijna klaar. Een minuut nog.” En, terwijl -mevrouw Larsen de laatste hand legde aan de versiering der -ontbijttafel, hier nog iets verleggend, daar een kleuren-paring -wijzigend, stond de zestienjarige met haar verstandige, peinzende oogen -toe te kijken. - -„Jammer dat je me gestoord hebt, Didi,” zeî haar stiefmoeder. „Je hadt -een tien minuten later moeten komen, en dan pas moeten kijken—als alles -klaar was....” - -„Niets jammer,” antwoordde ’t jonge meisje. „Als ’t af was geweest, had -ik je niet bezig gezien....” - -„Nu, wat zou dat? Zie je dat dan zoo graag?” - -„Ja, omdat ik dan zie dat je bezig bent lief voor me te zijn. Dan betrap -ik op heeterdaad: dat ’s veel aardiger.” - -Mevrouw Larsen lachte even helder met haar kristallenklokjes-lach, -zonder in haar werk op te houden. - -„Hier, doe deze roos in je haar. Een pracht, vin’ je niet? Kijk dat -heerlijke rood! Wacht, ik zal ’m zelf in je haar doen.—Ziezoo, jarige -meid! Nu gaan we naar de tuin.” Ze sloeg haar arm weer om het slanke -middel van ’t jonge meisje, en beiden begaven zich door de serre naar -de trap, die naar de tuin omlaag leidde. - -Een treffend contrast vertoonden die twee, het blonde, weelderige -kroeshaar, het blanke, roodblozende gelaat, en het eenigszins stevige -gestaltetje der stiefmoeder, met de helderblauwe oogen, de kleine neus, -de witte wimpers en wenkbrauwen en ’t witte dons op bovenlip en wangen; -en daarnaast Larsen’s dochter, met haar donker glanzig, lang haar, de -eenigszins matte huidstint, de diepe donkere, denkende oogen, met de -lange wimpers, het fijne spitse neusje en de peinzende plooi van ’t -kersenroode mondje. Hier waren Zuid en Noord tegenover elkaar: ’t -Romaansche vrouwentype zag men in ’t jonge meisje, de -zes-en-dertigjarige stiefmoeder vertegenwoordigde een veel voorkomende -schakeering van ’t echt Saksische, dat men in Drente en Overijsel -aantreft. - -Paula’s trekken waren in Didi onmiskenbaar, en toch was de indruk van -Didi’s verschijning zoo opvallend verschillend, afgezien nog van ’t -slankere dat de dochter van de moeder onderscheidde. Er was in ’t jonge -meisje een eigenaardige zachte weemoed bij al haar bedaarde, -onverstoorbare goedgehumeurdheid, die oog en hart weldadig aandeed. Bij -Paula boeide het schitterend levendige, vol afwisselende bekoring, bij -haar kind het gelijkmatig lief-ernstige in spraak, gebaar en -bewegingen. Paula’s lach had iets bedwelmends, die van Didi iets -droomerig vleiends—een wals van Strauss tegenover een van Chopin. - -Didi had gezwegen, wachtende tot haar stiefmoeder spreken zou. Ze -aarzelde, omdat wat ze te zeggen had haar zoo moeilijk viel om uit te -drukken. - -„Nu, die belofte?” begon eindelijk de oudere. Ze lachte en haar lach -was steeds een genot om te zien en te hooren. Haar anders eenigszins -stroef gezichtje kreeg dan opeens een uitdrukking van hartveroverende -vriendelijkheid. - -„Kom, weet je die nu niet?” antwoordde Didi. „Als ik zestien was, zou -ik iets mogen weten.... zou je wat vertellen.... alles vertellen van -Vader....” - -Een wolk trok over het witblanke voorhoofd der stiefmoeder. Ze had ’t -begrepen. Dat ’t kind daar nu over sprak! Wat had ze ’t goed onthouden, -en in twee jaar was er geen woord over gerept! Ja, ze had op een naïeve -vraag van Didi eens geantwoord, wat ze met haar man afgesproken had te -zullen antwoorden als Didi ooit vragen deed in verband met het sombere -drama afgespeeld bij de dood van haar moeder: „Je zult alles weten, m’n -kindje. Later, als je zestien bent. Dan zal je alles duidelijk en -verklaarbaar worden. Nu nog niet, je zou nu nog niet alles begrijpen.” -En ’t kind had gezwegen zonder verder aandringen.... Ze moest er wel -veel over gedacht hebben, dat ze nu zoo’n haast maakte, wel verlangend -zijn om eindelijk ’t groote mysterie geopenbaard te zien.... - -Mevrouw Larsen antwoordde dus niet onmiddellijk. Didi’s woorden hadden -haar gemoed te diep getroffen. - -„Zullen we daar gaan zitten?” zei ze ten slotte, en wees op een bank -achter in de tuin, waarvan ’t uiteinde alleen zichtbaar was, zoo was ze -van schier alle kanten van groen omringd. - -Beiden zetten zich, hand in hand. Mevrouw Larsen hervatte: - -„Woû je dat nu alles weten, kind? Nu, op je verjaardag? Ben je niet -bang dat.... al die treurige dingen je dag bederven zullen? En dan je -vader, zou die—als hij jou bedroefd zag ook niet zijn pleizier van deze -dag erbij inschieten? Hij houdt zooveel van je!” - -„Maar, mama, ik vind juist dat ik nu alles weten moet, voordat de -eigenlijke dag begint.... Anders zou ik er de heele dag aan denken, en -dat zou me juist ontstemmen.” - -Larsen stond gewoonlijk tegen acht uur op. Het late werken maakte dit -voor hem noodzakelijk. De morgen-wandelaarsters in de tuin hadden dus -nog ruim een uur vóor zich. - -„Je hebt eigenlijk gelijk, kind,” ging de oudere voort. „’t Zal mij ook -een verlichting zijn, als voor jou alles opgehelderd is.” - -Ze zocht naar haar woorden. Hoe kon ze toch de vreeselijke waarheid in -de zachtste vorm, op de minst kwetsende wijze aan dat teedere gemoed en -dat jeugdige verstand meedeelen, hoe de groote liefde en hoogachting, -die zij Larsen toedroeg, en die van zijn kind, voor hem ’t zorgvuldigst -in overeenstemming houden met Didi’s vertrouwen in haar? Liep ze niet -de kans dat de schok te hevig zou blijken te zijn? Dat vertrouwen van -Larsen’s kind was haar zulk een schat, ’t was haar zulk een heerlijke -voldoening dag aan dag te ondervinden, hoe volkomen zij de plaats eener -moeder innam voor ’t aanhankelijke, liefde-behoevende jonge meisje! ’t -Was haar zulk een bron van telkens wederkeerende vreugde te zien, hoe -de man die zij liefhad en vereerde zich gelukkig voelde in haar -innig-hartelijke verstandhouding tot zijn oogappel, hoe onder de -wondere werking harer toewijding aan beiden, allengs de spoken der -herinnering aan die donkerste dagen zijns levens geweken waren! O, ze -dacht met ijzing terug aan die eerste jaren van haar huwelijksleven, -toen, ondanks al haar zorgen, de schrikbeelden uit die tijd hardnekkig -terugkwamen en hem soms dagen achtereen zijn rust benamen. Dan sprak -hij nauwelijks een woord, verwaarloosde zijn lievelings-bezigheden, -sloot zich op in zijn studeerkamer om zich over te geven aan somber -broeden.... Ze had dat alles vooruit vermoed: haar liefde voor hem en -zijn kind, haar grenzeloos medelijden hadden de taak blijmoedig -aanvaard, om beiden het geluk te doen hervinden dat ze zoo wreed -verloren hadden. Ze had oogenblikken gekend dat ze de wanhoop nabij -was, dat die taak haar te zwaar scheen, doch haar geloof had haar -telkens weer opgericht. En ze had overwonnen: in ’t laatste jaar waren -Larsen’s aanvallen van zwaarmoedigheid niet meer teruggekomen, nadat ze -zich langzamerhand met grooter tusschenpoozen hadden vertoond.... - -Nog eenmaal dacht ze terug aan al de bizonderheden van ’t schrikkelijk -treurspel, welks ontknooping nu vijf jaar geleden het gansche land met -ontzetting had vervuld, aan ’t geruchtmakende proces, de dreigende -veroordeeling, op zoo schitterende wijze bezworen door het pleidooi van -Mr. David Zomer. ’t Was een wonderdaad van welsprekendheid geweest, dat -pleidooi! O, ze kende ’t van buiten, ieder woord. En dan wat er aan -voorafging: Larsen’s onverzettelijk, hardnekkig volharden in zijn -zelf-beschuldiging, de onvermoeide overtuigings-gave, die zijn jonge -vereerder had aangewend, om eindelijk die muur van tegenstand te -breken, hoe levendig stond dat alles haar thans weer vóor de geest! - -Larsen had haar alles verteld in de tijd dat hij zich tot haar -aangetrokken begon te voelen, en zijn eerlijke inborst hem gedwongen -had tot openbaring van al wat haar geluk in de weg had kunnen staan -wanneer zij ’t later onvoorbereid vernam, en zij niet meer terug kon. -Veel was haar toen duidelijk geworden wat haar raadselachtig voorkwam -in al wat ze over de groote zaak gelezen en gehoord had. ’t Pleidooi -zelf had ze eerst na haar huwelijk gelezen. ’t Was toen ze te Amsterdam -logeerde, en de jonge advocaat haar bezocht.... Hij had zich -onmiddellijk na afloop der „cause célèbre” daar gevestigd: ’t plan -daartoe had reeds lang bij hem bestaan, doch de vrees dat zijn verdere -ontmoetingen met Larsen dezen telkens te veel aan al ’t doorleefde in -die bange dagen zouden herinneren, en op die wijze nadeelig op zijn -zielsrust zouden werken, deed hem de uitvoering van zijn voornemen -verhaasten. Een overdruk van het pleidooi had de tweede mevrouw Larsen -in haar kast liggen: ze had er de jonge advocaat om verzocht; want ze -wilde het bezitten voor haarzelve en wellicht later ook voor het jonge -meisje dat aan haar zorgen was toevertrouwd. - -Allerlei tooneelen, brokstukken uit de loop dier gebeurtenissen kwamen -haar te binnen, zooals ze haar bij verschillende gelegenheden door -Larsen zelf en tijdens haar ontmoeting met David Zomer waren verteld: -diens herhaalde bezoeken aan ’t gesticht in Den Haag, waarheen Larsen -weer teruggebracht was, de dag na het herstel uit zijn bezwijming bij -de brand, zijn talentvolle, geduldige gesprekken daar met zijn vriend -gehouden, het laatste gesprek vooral toen hij eindelijk de zege -behaalde door zijn welsprekend treffen van dat éene gevoelige punt bij -Larsen: de liefde voor zijn kind, en hij toestemming kreeg om als -Larsen’s verdediger te mogen optreden; dan de moeite die Zomer zich -gaf, om bewijzen bij elkaar te krijgen—Pietje’s „legkaart”, die gered -was geworden met de bundel goed uit haar lâtafel, waarmee ze zoo -wanhopig op het stoeppaaltje van het buurhuis gezeten had in de nacht -van de brand, en Pietje’s wanhoop toen ze ’t stuk „’t lammenaardig -ongelukspapier” af moest geven, en tegen „haar mevrouw” getuigenis -moest afleggen vóor de rechter; het eerste wederzien van vader en -dochter in haar moeder’s huis, na de vrijspraak, en nog zooveel -meer.... - -Wat was haar leven innig saamgeweven geweest met al die gebeurtenissen, -sinds het oogenblik dat de brand der buren angst en ontzetting gebracht -had in ’t stille gezin van de weduwe Eldring—haar moeder! De in -zichzelf gekeerde Berta, zich reeds oude vrijster voelend op haar -dertigste jaar, verzoend met een leven van onthouding, vrome -overpeinzing en obscure werkzaamheid ten goede—armenverpleging, -Zondagschool, kostelooze lessen aan arme kinderen—was toen plotseling -tot een ander leven ontwaakt: de offervaardige, toewijdende vrouw was -in de plaats getreden van de bekrompen denkende en handelende oude -juffer. Kort na zijn ontslag uit het gesticht was Larsen een bezoek -komen brengen bij de Eldrings, en weldra was de omgang vrij gemeenzaam -geworden. Hun huwelijk was voor haar en voor hem de ontsluiting van een -nieuw leven. - -Alles was zoo goed gegaan, ze had zooveel zegen gehad op haar streven. -Thans kwam deze laatste betrekkelijk kleine beproeving. - -Ze had er nu en dan aan gedacht, als Didi’s ontwikkeling in haar -voortgang sterker dan anders haar opmerkzaamheid trok. Niettemin zag ze -er thans tegen op, was ’t haar alsof ze een beslissende stap in haar -leven ging doen. Toch moèst het er eindelijk toe komen. Didi werd -„groot” naar lichaam en geest. ’t Argelooze, onnadenkende kind, was een -verstandig, schrander en scherpzinnig vrouwtje geworden: ’t was beter -dat ze nu van haar beste vriendin de zuivere waarheid vernam, dan dat -ze door eigen broeden over vage, vaak onzuivere herinneringen in -verband met wat ze hier of daar hoorde of las tot een averechtsche -voorstelling der feiten kwam, welke noodlottige gevolgen voor haar -hebben kon. - -Didi zat vóor zich te kijken, geduldig afwachtende wat „mama” zeggen -zou, en toch met popelend hart. - -„Nu?” vroeg ze na enkele minuten met allerliefste stem-interval, zacht -en streelend. - -Mevrouw Larsen stond van de bank op. - -„Blijf hier even zitten,” zei ze, „’t is beter dat ik je iets laat -lezen, dat ik boven bewaard heb. ’t Is zoo moeilijk je alles duidelijk -en goed te zeggen.” - -En toen Didi eenigszins teleurgesteld keek, liet ze volgen: - -„Je mag daarom wel vragen doen. Zooveel als je wil, hoor. Maar dat zal -misschien niet eens noodig zijn.” En ze stond op om naar ’t huis te -gaan. - -De kleine gestalte der spreekster bewoog zich met eigenaardige, -schijnbaar driftige pasjes en wendinkjes door de tuin. Haar lichtblauw -reform-morgenkleed dook op en verdween tusschen de struiken. Didi’s -na-turende blik omsloot haar beeld met liefde. - -Binnen enkele minuten was ze terug. Ze had het stuk, het document dat -het eenig geheim uitmaakte tusschen haar en haar man: het pleidooi van -David Zomer. - -„Lees dat maar ’s aandachtig, kind.” - -Gretig nam het jonge meisje het geschrift aan. Mevrouw Larsen’s hand -beefde even bij ’t overreiken. - -Ze zette zich weer op de bank, hield Didi om ’t middel. - -Zeker tien minuten spraken beiden geen woord. De oudere der twee keek -in gedachten verdiept vóor zich, op ’t witte duinzand van ’t pad. - -Toen ze even de blik opsloeg, zag ze dat het jonge meisje tranen in de -oogen had, en dat haar lippen trilden. - -Nog zwegen beiden een poos. Mevrouw Larsen hervatte haar gepeins; Didi -zuchtte nu en dan, soms zwaar, om op adem te komen, zoo gespannen was -haar aandacht. - -„Mama,” hoorde de eerste opeens. Didi’s stem klonk gesmoord.... -„Mama....” - -„Ja, kind, wat is er?” vroeg de ander met innige belangstelling. - -„Heeft....” haar stem stokte, „iedereen.... gehoord wat hier staat?” - -Mevrouw Larsen begreep dadelijk wat Didi bedoelde, toen ze even naar de -bladzijde gekeken had: ’t was dat gedeelte van ’t pleidooi waarin de -advocaat in schrille kleuren schilderde hoe Larsen ’t slachtoffer was -geweest van jarenlang bedrog van de zijde van Paula. - -„Nee, zeker niet, mijn liefje,” antwoordde mevrouw Larsen, en streelde -Didi’s wang. „Er was geen publiek bij toen ’t pleidooi uitgesproken -werd: daar was voor gezorgd. Ikzelf wist niet hoe ’t geweest was, -totdat meneer Zomer mij dat schriftuur gaf, na mijn trouwen met je -vader.” - -Didi droogde de oogen, en hervatte de lezing van ’t stuk. - -Toen ze na veel zuchten, en telkens ophouden om zich de zakdoek aan de -oogen te brengen, eindelijk de laatste woorden gelezen had, legde ze de -brochure haastig naast zich neer op de bank, stond op, en verwijderde -zich snel naar ’t achterdeel van de tuin. - -Mevrouw Larsen volgde haar onmiddellijk, vol ongerustheid. Ze haalde -haar weldra in, en zag dat het jonge meisje ten prooi was aan de -hevigste gemoedsbeweging. Zonder te schreien had haar fijn gezichtje -zulk een vertrokken uitdrukking dat ze ervan schrok. - -Zelfverwijt, dat ze toegegeven had waar ze toch nog wel een dag had -kunnen wachten, overstelpte haar. Als nu Larsen eens kwam.... Dan was -’t leed misschien niet te overzien. Ze keek op haar horloge: twintig -minuten vóor acht. ’t Beste was dat ze Didi mee naar boven nam. - -’t Meisje liet zich gewillig meetroonen, zonder een woord. - - - -Toen Larsen, stipt als altijd, om acht uur in de ontbijtkamer kwam, -vond hij wel zijn vrouw, maar niet de jubilaris. - -„Waar is Didi?” vroeg hij verwonderd nadat hij zijn vrouw gekust had. -„Moet ze al dat moois niet zien? Vrouwtje, wat heb jij je geweerd!” - -Bewonderend en met echte vreugde in de oogen liet Larsen zijn blik over -de tafelversiering gaan. Er hingen ook bloemen over Didi’s stoel. - -„Zal ik ’s gaan kijken?” antwoordde mevrouw Larsen, en ze ging de deur -uit, om naar Didi’s kamer te gaan. - -Toen dochter en stiefmoeder eenige oogenblikken later binnenkwamen, en -de eerste haar vader tegemoet liep, om zijn liefkozing te ontvangen, -bemerkte Larsen daarna vochtigheid aan zijn wang. - -„Hoe heb ik ’t nou met je? Huil je, kindjelief, en dat op je -verjaardag?! Malle meid!....” - -„Och, vader!” riep Didi eenigszins verlegen met een lachje door haar -tranen heen. „Dat is een druppeltje water: ik heb me niet goed -afgedroogd in de badkamer. Ondertusschen feliciteer je me niet eens! -Dan zal ik ’t maar doen: ik feliciteer je wel met je jarige dochter.” - -Ze kuste hem nog eens op zijn ruig gelaat. - -Haar kus was nooit zoo hartelijk geweest. - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HEILIGE BANDEN *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
