diff options
Diffstat (limited to 'old/68368-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/68368-0.txt | 3420 |
1 files changed, 0 insertions, 3420 deletions
diff --git a/old/68368-0.txt b/old/68368-0.txt deleted file mode 100644 index 99feceb..0000000 --- a/old/68368-0.txt +++ /dev/null @@ -1,3420 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0014: De verwisselde -detective, by Kurt Matull - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Lord Lister No. 0014: De verwisselde detective - -Authors: Kurt Matull - Theo Blakensee - -Release Date: June 21, 2022 [eBook #68368] - -Language: Dutch - -Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at - https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0014: DE -VERWISSELDE DETECTIVE *** - - - - - LORD LISTER - GENAAMD RAFFLES - DE GROOTE ONBEKENDE. - - NO. 14 DE VERWISSELDE DETECTIVE. - - - - - - - - -DE VERWISSELDE DETECTIVE. - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -INSPECTEUR BAXTER’S HELDENDAAD. - - -„Ik zou toch wel eens willen weten, hoe die „Overal en Nergens” weet, -wat ik onze club gezegd heb,” zei mr. Hopp tot verscheiden heeren, die -in zijn studeerkamer stonden en als een levende muur geschaard waren om -de reusachtige ijzeren brandkast. - -„Raffles hoort alles,” antwoordde inspecteur Baxter, „maar ik wil toch -wel wedden, mr. Hopp, dat we dat heerschap, dat geheel Londen onveilig -maakt, binnen drie dagen te pakken hebben. Ik heb al wel andere stukjes -geleverd.” - -Hij zweeg eenige oogenblikken en de anderen knikten toestemmend, als om -kracht bij te zetten aan zijn woorden. - -„Het is al heel brutaal,” zei nu de fabrikant Hopp, „om mij een -boodschap te sturen, zooals Raffles heeft gewaagd, terwijl hij nog eens -halfluid den brief las, die voor hem op de groene tafel lag: - - - „Aan James Hopp & Co., Londen. - - „Waarde Heer! - - „Ik heb, twaalf uur geleden, gehoord, dat ge in uw club u op zeer - gewaagde manier hebt uitgelaten. Ge hebt beweerd, dat Raffles u - nooit een bezoek zou kunnen brengen, zonder dat ge hem dadelijk - herkendet en dat het beslist onmogelijk was, u te bestelen. - - „En, mr. Hopp, ge hebt aan deze bewering nog enkele woorden - toegevoegd, die nu juist geen vleierijen aan mijn adres inhielden. - Daar ik juist van plan was, weer eenige armen te ondersteunen, - komen de gelden, waarover gij hebt te beschikken, mij juist van - pas. Ge zult toch zeker niet zoo laf zijn, uw ijzeren brandkast, - die naar het nieuwste systeem vervaardigd is, te ledigen en uw - papieren van waarde een Bank toevertrouwen. Ik neem uw uitdaging - aan, die mij buitengewoon veel genoegen heeft verschaft en deel u - mede, dat ik morgen, tusschen drie en vijf uur, het genoegen zal - hebben u te bezoeken. Ik ben van plan om vijfhonderd pond uit uw - brandkast te nemen. - - „Dat ik mij door niets en door niemand van mijn voornemen zal laten - weerhouden, zult ge zeker wel begrijpen, mijn persoon in aanmerking - genomen. - - „Tot weerziens dus! - - „Uw toegenegen - JOHN C. RAFFLES.” - - -Fabrikant Hopp keek om met een lichte rilling, toen hij den naam van -Raffles herhaalde en hij had een gevoel alsof de Groote Onbekende al in -het bureau rondspookte. - -Maar niemand was aanwezig dan de vier detectives, die onder leiding van -Baxter de brandkast bewaakten. - -De inspecteur lachte, toen Hopp den brief had uitgelezen. - -„Dat is immers dwaasheid! Groote dwaasheid! De Groote Onbekende denkt -overal mee te kunnen spotten, maar dezen keer heeft hij zich toch eens -leelijk in de vingers gesneden! Ik, inspecteur Baxter, zal hem op -heeterdaad betrappen, hem de hand op den schouder leggen en zeggen: - -„Waarde Raffles, het is ons een groot genoegen, dat ge ons hebt -opgezocht! Wij zullen ons best doen, u zoolang mogelijk bij ons te -houden!” - -Allen lachten. - -In hetzelfde oogenblik ging de deur open. - -Het werd doodstil. - -Een livreiknecht trad binnen en bracht op een zilveren blad een -visitekaartje. - -„Frits Reinhard, ingenieur,” las hij, „laat binnenkomen!” - -Even later trad een slankgebouwde jongeman binnen, keurig gekleed, het -haar in het midden gescheiden. - -„Ingenieur Reinhard,” stelde hij zich voor. „Ik kom namens de firma -Kohlenhorst en Rifling, om met u te onderhandelen over een af te -sluiten contract betreffende ijzerwerken. - -„Ge weet, mijnheer Hopp, dat de kansen voor u zeer gunstig zijn en dat -ge goede zaken kunt maken.” - -De ingenieur sprak nog over verscheiden andere dingen. - -Intusschen naderde hij schijnbaar geheel toevallig de brandkast, keek -eens naar de constructie, terwijl hij onophoudelijk verder redeneerde -en liet de rechterhand langs het zeer ingewikkelde slot glijden, alsof -hij naar een geheime veer zocht. - -„Halt!” schreeuwde nu Hopp plotseling uit en in het volgende oogenblik -reeds had hij de revolver gegrepen, die op zijn schrijftafel lag en -hield deze den ingenieur onder den neus. - -Deze maakte een sprong zijwaarts en sloeg den uitgestrekten arm van den -fabrikant naar boven, zoodat het schot krakende tegen den zolder vloog. - -„Zijt ge gek geworden?” riep de ingenieur uit. „Help! Help!” - -„Wij komen al!” deed nu inspecteur Baxter zich hooren, die zich met de -detectives in het aangrenzend vertrek had verstopt en thans voor den -dag kwam. - -In een oogenblik was de geheimzinnige ingenieur door hen omringd en -vastgehouden, zoodat hij geen beweging kon maken. - -„Gij zijt Raffles,” sprak Baxter kortaf. - -De ingenieur keek den inspecteur met groote oogen aan. - -„Raffles? Ik Raffles? Ge zijt krankzinnig! Ik ben ingenieur Reinhard, -begrepen? Staat heel Londen dan op z’n hoofd?” - -„Geen uitvluchten!” antwoordde Baxter op strengen toon, „ge zijt op -maar al te opmerkelijke wijze de brandkast genaderd.” - -„Natuurlijk! Ze trok mijn opmerkzaamheid!” - -„Aha! Zoozoo! Ge wildet de constructie van het slot leeren kennen!” - -„Juist. Is dat hier verboden?” - -„Neen. Maar waarom stelt ge er zooveel belang in?” - -„Omdat wij brandkasten fabriceeren en ik mijn firma vertegenwoordig!” - -Maar de inspecteur noch Hopp geloofden dit praatje en de rechercheurs -brachten den gevangene in een aangrenzende kamer om hem, als het donker -zou zijn geworden, zonder dat het opzien baarde aan de politie over te -leveren. - -Intusschen kwam de livreiknecht voor den tweeden keer binnen. - -In militaire houding bleef hij voor Hopp staan en zei: - -„Frans Werner vraagt den heer Hopp te spreken.” - -De wenkbrauwen van den fabrikant fronsten zich. - -„Frans Werner, de meesterknecht, dien ik ontslagen heb? Enfin! Laat hem -maar hier!” - -De gearresteerde werd in de aangrenzende kamer door een der -rechercheurs bewaakt, de anderen hadden zich voor de brandkast op post -gesteld. - -De oude man, die gebukt de kamer binnentrad, keek geheel verbluft naar -de uniformen voor de brandkast. - -Frans Werner was van denzelfden leeftijd als Hopp. - -Maar wat een verschil! - -Daar achter de schrijftafel stond de zestigjarige man hoogopgericht met -volle wangen, en blonden, een weinig grijzenden baard—en tegenover hem -de door ouderdom en zorgen gebogen man met het ongeschoren gelaat en -diepliggende oogen. - -„Ik wil u alleronderdanigst verzoeken, meneer Hopp,” begon de oude man -met gebroken stem. - -„Ik wil niets weten! Wie heeft jouw dochter gezegd, dat ze het met mijn -zoon moest aanleggen? De duivel mag haar halen! Als ik de macht er toe -had, zou ik haar door de honden laten doodbijten!” - -„Waarom spreekt ge zoo hard over mijn kind? Uw zoon heeft toch de -grootste schuld. Hij had moeten weten, dat— —” - -„Spreek alsjeblieft op een anderen toon over mijn zoon!” sprak Arthur -Hopp op dreigenden toon, terwijl de aderen op zijn voorhoofd opzwollen. - -Dat was te veel voor den ouden man, die sinds vier-en-twintig jaren -Hopp trouw gediend had. - -Zijn adem joeg; hij richtte zich half op en zei, terwijl zijn stem een -harden klank kreeg: - -„Wat zegt ge? De arme meisjes uit het volk hebben evenveel behoefte aan -een beetje glans en schoonheid als ieder ander. Is het dan een wonder, -dat het den rijken jongelieden heel gemakkelijk gelukt haar het hoofd -op hol te brengen? - -„Ja, mijn dochter heeft uw zoon liefgehad—innig liefgehad, totdat zij -inzag, dat zij bedrogen werd en zij het ware karakter van uw zoon -leerde kennen. - -„Hij is de verleider en in plaats dat ik hier als smeekende moest -staan, moest ik de aanklager zijn. Alleen dan ook omdat mijn kind rein -gebleven is en omdat zij begrepen heeft, dat zij niet het slachtoffer -mocht worden van een verdorven zoon van rijke lieden, daarom—” - -Arthur Hopp liet den ouden man niet uitspreken. Zoo iets had nog geen -sterveling hem ooit toegevoegd. - -„Er uit!” gilde hij, „er uit, of ik neem de hondenzweep.” - -Frans Werner knikte. - -„Ik had gedacht, dat het anders zou loopen,” prevelde hij voor zich -heen, „nu is alle hoop verdwenen. Midden in den winter en geen werk—” - -Hij liep met gebukten hoofde door de aangrenzende vertrekken, terwijl -hem een traan in den grauwen baard rolde. - -In de wachtkamer ontmoette bij een elegant gekleeden jongen man. - -„Wel oude, de zaak is niet naar wensch gegaan?” zei deze heer met een -lachje. - -Frans Werner maakte een stom gebaar. - -„Ik zal je eens wat zeggen, Werner,” vervolgde de heer, „kom over—wacht -eens—over drie dagen terug en ga dan kalm aan het werk. Ge zijt weer -aangenomen, Werner!” - -De arbeider keek verbluft, zonder te weten wat hij moest antwoorden, -den vreemdeling aan. - -De elegante jonge man scheen de gedachten van den oude te raden. - -„Ge twijfelt er aan, of ik wel gerechtigd ben om je weer aan te nemen? -Heb geen zorg, alles komt terecht.” - -De dienaar kwam binnen. - -„Mr. Hopp wacht u, sir!” - -De jonge man trok zijn handschoenen uit en volgde. - -Vijf paar oogen richtten zich doorborend op hem. Hij gaf den fabrikant -de hand: - -„Ge hebt op mijn kaartje reeds gezien, mr. Hopp,” begon hij, „dat ik -detective ben. De Fransche politie stuurt mij. Ik wil en moet Raffles -vangen tot elken prijs. Ha”—detective Mouris keek eens naar de -rechercheurs—„ik zie, dat je er voor gezorgd hebt, dat Raffles op -waardige wijze kan worden ontvangen! Dat is goed! Heel goed! Maar -vertel mij eens, inspecteur”— —Mouris wendde zich tot den betreffende, -die, met half overtuigden, half wantrouwenden blik toekeek—„ik hoorde, -dat ge hier met vier rechercheurs waart gekomen. Waar is de vierde?” - -Mouris sprak op zoo beslisten toon, dat Baxter geen antwoord kon -weigeren. - -„Wij hebben Raffles al gesnapt, mijnheer Mouris, ten minste, we zijn -zoo goed als zeker van de zaak. We hebben in ieder geval iemand, die -sprekend op hem lijkt en verdachte allures er op na houdt.” - -Detective Mouris keek op. - -„Hebt ge hem al? Maar chef, dat zou een schitterend succes zijn! Laat -mij dien knaap eens zien!” - -„Met alle genoegen, monsieur Mouris!” antwoordde Baxter en hij bracht -den detective naar het aangrenzend vertrek. - -Nauwelijks had Mouris den gevangene aangezien of hij riep in de -grootste opwinding: - -„Dat is hij, mr. Hopp, dat is hij! Mijn hand er op, dat is Raffles!” - -Detective Mouris leunde daarbij met beide handen op de schrijftafel, -juist voor Hopp en terwijl de rechercheurs, die om de kast heen -stonden, den detective in het gelaat keken en ook de fabrikant hem in -de oogen zag, gleed de hand van den Franschman tastend over het groene -laken van de schrijftafel en liet het chèque-boek der firma Hopp en -Co., waarin nog een vijftal blanco-chèques zaten, die de fabrikant voor -zijn procuratiehouders reeds onderteekend had, in zijn mouw glijden. - -„Zijt ge er zeker van, dat het Raffles is? Hebt ge hem herkend?” vroeg -Hopp. „Dat zou een groote geruststelling zijn, want ik beef voor mijn -vermogen! Waar ik heenkijk, meen ik Raffles te zien!” - -Detective Mouris maakte een afwerende handbeweging. - -„Maak u niet bezorgd, mr. Hopp! Het is Raffles! Ik zal dadelijk naar -het telegraafbureau gaan om den Parijschen bladen deze reuzenvangst te -berichten! Inspecteur, ge zult de held van den dag zijn, ik voorspel -het u!” - -„Heel vleiend voor mij, mijnheer Mouris!” antwoordde Baxter, terwijl -hij dankbaar boog. - -Detective Mouris stak zijn linkerhand in den zak, hield ze er eenige -oogenblikken in, haalde zijn horloge te voorschijn en zei: - -„Drommels! Half vijf! Ik moet mij naar het telegraafkantoor haasten! -Excuseer mij, mr. Hopp! Ik kom zeker terug. Ik moet nog eens het -genoegen hebben, u te bezoeken! Tot weerziens, inspecteur! Wij zullen -elkaar nog wel eens spreken!” - -„Te veel eer,” antwoordde Baxter, die in de wolken was over den lof, -hem door zijn Franschen collega toegezwaaid. - -Geruischloos opende de lakei de vleugeldeur voor monsieur Mouris. - -Baxter keek uit het raam. - -„’t Is nog niet donker genoeg”, sprak hij, „we zullen nog een half uur -wachten.” - -Mouris kwam nog even terug. - -„Is ’t veroorloofd, mr. Hopp”, vroeg hij, „dat ik even van uw telefoon -gebruik make?” - -„Met genoegen!” - -Mouris ging naar de schrijftafel, nam de telefoon en riep het Palace -Hotel op. - -„Is daar de portier? Hier detective Mouris! Wilt ge mijn koffer van -mijn kamer laten halen? Om zes uur ga ik naar Parijs terug!” - -Mouris dankte glimlachend en hing toen den microfoon aan den verkeerden -kant van het apparaat, zoodat dit uitgeschakeld was. - -Toen ging hij. - -„Een nette kerel,” meende Hopp, „die Franschen zijn toch kwieke lui!” - -Baxter antwoordde: - -„Maar Raffles hebben ze toch niet gesnapt, mr. Hopp!” - -Toen keek hij eens met grimmigen blik naar de deur, waarachter -ingenieur Reinhard zat, bewaakt door een rechercheur, die hem geen -seconde uit het oog verloor. - -Mouris intusschen was op straat aangeland. - -Daar vond hij een jongeman, die hem opwachtte. - -„O, ben je daar al, Charly! Dat is mooi op tijd! - -„Hier heb je vier chèques. Vlieg naar de Bank van Engeland, boy en laat -je het geld uitbetalen. Wacht, ik zal de chèques eerst invullen. -Tweeduizend en tweeduizend is vierduizend en vijfhonderd, is -vijf-en-veertig honderd pond. - -„Wacht nog even, Charly!” - -„’t Is beter, als je niet naar het hotel terug gaat. Wij zien elkaar -vanavond in mijn huis wel terug. Tot straks dan!” - -Charly Brand, de secretaris van lord Lister—want deze en niemand anders -was de detective Mouris, nam den hoed af en ging heen om de chèques te -innen. - -Lord Lister echter ging naar het naastbijgelegen telefoonbureau en liet -zich verbinden met de Bank van Engeland. - -„U spreekt met de machinefabriek van Hopp en Co. Hier Hopp. Ik wilde u -even zeggen, dat u over een kwartier eenige chèques ter inning zullen -worden aangeboden! Goeden dag!” - -De elegante jonge man ging nu weer de straat op. Hij ging een café -binnen, liet zich papier en inkt brengen en schreef het volgende: - - - „Inspecteur Baxter, p/a fabrikant Hopp. - - „Ik raad u aan, beste vriend, den jongeman dien ge gearresteerd - hebt, dadelijk vrij te laten, als ge niet in groote - onaangenaamheden wenscht te komen. Voorts groet ik u vriendelijk, - chef, en ik geef u de verzekering, dat ge morgen de held van Londen - zult zijn! Voor uw gewaardeerde hulp bij het nakomen van mijn - belofte, dank ik u hartelijk. - - „JOHN C. RAFFLES.” - - -Toen schreef hij een tweeden brief aan mr. Hopp: - - - „Wilt ge u bij de Bank van Engeland ervan overtuigen, dat ik mijn - belofte reeds grootendeels ben nagekomen? Ik dank u voor uw - tegemoetkoming en hoop, dat wij elkaar spoedig zullen weerzien. Het - geld, waarvan gij veel te veel bezit en dat ik, naar aanleiding van - mijn belofte gehaald heb, zal ik matig gebruiken en daardoor een - klein deel der schuld afdoen, die gij tegenover de armen op u hebt - geladen. - - „JOHN C. RAFFLES.” - - -Lord Lister liet een kruier komen, gaf hem beide brieven en keek op -zijn horloge. - -„Tien minuten vóór vijf! De man heeft vijf minuten noodig om de brieven -te bezorgen. Twee minuten later zit Baxter mij al achterna—ik heb dus -nog drie minuten om mijn belofte heelemaal na te komen.” - -En lord Lister stak een sigaret aan, betaalde zijn koffie en slenterde -langzaam naar het huis van Hopp. Drie minuten later overhandigde de -bediende de beide brieven, die door den kruier gebracht waren. - -Baxter en Hopp openden en lazen het schrijven terzelfder tijd. - -En ook gelijktijdig lieten zij het papier vallen en keken elkander aan -met onbeschrijflijke gezichten. - -Toen strekte Hopp beide armen in de lucht als een drenkeling, terwijl -zijn gelaat donkerrood getint werd. - -„Dat is uw schuld, inspecteur”, brulde hij, en hij nam de telefoon. Als -razend draaide hij de kruk. - -„De Bank van Engeland!—Spreek ik met de Bank? Hier Hopp en Co. Hebt ge -de chèques?—Wat?—Hebt ge al uitbetaald? In naam van alle levende -duivels—heb ik u soms opdracht gegeven?—Hoe komt ge er bij!—Wat?—Hebt -ge zeven keer getelefoneerd?—Geen antwoord gekregen? Ach — —” - -Hopp gooide de microfoon op tafel, zoodat hij middendoor brak. En -terzelfdertijd ging den fabrikant een licht op, zoo groot als een -electrische booglamp. - -„Hij heeft de telefoon verkeerd opgehangen! De chèques heeft hij me -ontstolen! En dat alles voor mijn oogen! Maar voor den duivel, waarvoor -staat gij dan hier met vier detectives om mijn brandkast te bewaken! O, -die Raffles! Heel Londen maakt hij gek!” schreeuwde Hopp uit. - -Nu gooide Baxter het hoofd in den nek. - -„Wie de schuld heeft? Gij zelf, mr. Hopp! Hebt ge dien Raffles niet -dadelijk de hand gegeven? Gij hebt ons al die ellende berokkend! Maar -nu ook is het met hem gedaan—heeft zijn laatste uur geslagen. Hij heeft -zich zelven in onze handen overgeleverd!” - -Baxter vloog naar de deur, stiet ze open en riep uit: - -„Laat dien heer vrij!—Neem mij niet kwalijk, mijnheer de ingenieur! Een -klein misverstand! Ge kunt Raffles danken! Overal, waar schurkerij -gepleegd wordt, heeft Raffles de hand in het spel.” - -Toen wendde de inspecteur zich tot de detectives: - -„Volgt mij! Wij moeten het Palace-Hotel aan vier zijden omsingelen. En -telefoneer ondertusschen naar Scotland-Yard, dat alle stations bezet -worden. Hij zal en mag ons dit keer niet ontsnappen!” - -„Ik sluit mij bij u aan”, zei Hopp, terwijl hij zich hoed, jas en stok -liet brengen. „ik wil er bij zijn, als Raffles wordt ingerekend. En -mijn zuurverdiend geld wil ik terug hebben!” - -Onder groot lawaai trokken de politiemannen er op uit. - -Na verloop van een minuut was geen sterveling meer te bekennen in het -bureau van den fabrikant. - -Het was twee minuten vóór vijven, toen dezelfde jongeman, die zich -eerst als detective Mouris had voorgesteld en die Baxter in zoo groote -ongelegenheid had gebracht, met een looper de hoofddeur van het huis -opende en binnentrad. - -Hij floot een wijsje uit „Het vroolijke weeuwtje” en naderde de groote -brandkast. Voorzichtig liet hij de gordijnen voor de vensters vallen en -begon nu het ijzeren gevaarte te openen. - -„Ha! Nieuwe constructie”, fluisterde hij, „óók al goed!” - -De groote fabrieksklok sloeg vijf uur. - -Krakend vloog de deur der brandkast open. Meer dan vierduizend pond -lagen, deels in goud, deels in papier, voor de oogen van Raffles. - -„Jammer!” mompelde hij, „ik had ook het dubbele kunnen gebruiken.” - -Hij telde het geld op tafel uit, sloot de kast en ging naar de andere -kamer, waar hij de telefoon afhaakte. - -„Palace Hotel, alstublieft!—Spreek ik met Palace Hotel?—Is inspecteur -Baxter daar?—Ja?—Och, mag ik hem even aan de telefoon?—Hallo, -Baxter!—Hier, Raffles!—Doe verder geen moeite, beste kerel!—Ik ben -verhinderd in het hotel terug te komen!—’t Spijt me wel!—Wat?—Waar ik -nu ben?—Bij Hopp en Co.!—Zeg mr. Hopp, dat ik mijn belofte gehouden -heb!—’t Is juist vijf uur!—Tot weerziens!” - -Hij hing het apparaat, dat gebroken was, weer op en ging naar de -werkkamer van den secretaris. - -Tusschen een hoop paperassen, die in een aktentasch geborgen waren, -vond hij daar al heel spoedig het schriftelijk ontslag van Frans -Werner. - -Hij ging voor de schrijftafel zitten en schreef den bejaarden werkman -een brief, waarin werd meegedeeld, dat het ontslag was ingetrokken. - - - „Voor uw langdurigen, trouwen diensttijd in mijn fabriek”, stond - er, „stuur ik u hierbij een som van honderd pond, die ge naar eigen - goedvinden moogt aanwenden. Over vier dagen kunt ge weer in dienst - komen. - - „HOPP & Co.” - - -Raffles nam het stempel, drukte het af onder de onderteekening, -verzegelde den brief en verliet het bureau om dit schrijven op de bus -te gooien. - -Toen begaf hij zich naar zijn woning. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -IN DE SPEELCLUB. - - -Raffles stond in zijn elegant gemeubeld salon en opende eenige brieven, -waarvan het adres luidde: Aan graaf Selfar. - -„Is ’t niet gevaarlijk, dat je overal als je adres graaf Selfar -opgeeft?” vroeg Charly Brand. - -„Waarom? Als er een gevaar dreigt, beste Charly, veranderen we -doodgewoon van woning.” - -„Volkomen waar. Maar als je nu eens geen tijd genoeg hebt om op tijd -het huis te verlaten—als men je hier zou arresteeren—” - -„Waartoe al die zorgen? Als ik mij verborg, zou het al heel gauw met -mij gedaan zijn. Juist het feit, dat iedereen mijn huis kan vinden, -maakt mij onvindbaar. Je weet, dat de politie altijd over het hoofd -ziet, wat het meest voor de hand ligt!” - -Hij keek eens naar de klok. - -„Drommels! Kwart over tien! Ik moet naar de club. Bovendien wil ik -graag kennis maken met een jongeman, waarmee ik een ernstig woordje te -spreken heb. Je kunt uitgaan, Charly—ga, waarheen je wilt en amuseer -je, maar vergeet niet, voordat je de huisdeur opent, het fluitsignaal -te geven, dat door ons is afgesproken.” - -Met deze woorden schelde graaf Selfar. - -De kamerdienaar bracht de zware pelsjas, cylinder en stok binnen. - -„Rijdt de graaf uit?” - -„Ja, Jean, mijn auto komt dadelijk voor.” - -„Uitstekend!” - -De dienaar hielp zijn heer, boog diep en ging. Even daarna reed een -auto voor. - -„Bonjour, Charly, tot spoedig!” - -Graaf Selfar reed naar de club. - -Daar werd hij met vreugde begroet. - -Hij was een der eerste spelers, die altijd kalm bleef, of hij -fabelachtige sommen won of verloor. - -„Ge zijt hier in langen tijd niet geweest, graaf”, zei Francis Porter, -een rijk sportsman. - -Toen stelde hij den graaf voor als een nieuw clublid. - -„Dokter Reinhold Marchner!” - -Graaf Selfar keek in een fijnbesneden, geestig en bleek gelaat, dat -sprak van ontbering, maar ook van inwendigen trots. Een paar blauwe -oogen keken den graaf aan, maar trokken zich toen onder de half -gesloten wimpers terug. - -Graaf Selfar wierp een blik op de speeltafel. De jonge dokter ging weer -zitten, schreef met koortsige hand een briefje en legde het op tafel -neer. - -Een schuldbekentenis! - -Graaf Selfar werd opmerkzaam. Hij kruiste de armen over zijn rok en -keek dokter Marchners partner eens aan. - -Deze reikte de graaf de hand. - -„Laat ge u ook weer eens zien?” - -Graaf Selfar kneep de oogen dicht, zonder op deze vraag te antwoorden. - -„Ge wint, zooals ik zie, mr. Hopp”. - -De aangesprokene was een jonge man van omstreeks acht-en-twintig jaren. -Zijn gelaat was onnatuurlijk bleek, zijn oogen door groote donkere -kringen omrand. De slappe, geknikte gestalte getuigde van nachtbraken. -Hij ging wat achterover liggen, strekte de beenen uit en zei, met een -vluchtigen, spottenden blik op zijn vis-à-vis: - -„Ja, graaf, ik win tot nog toe zeshonderd pond! Een aardig zakduitje -voor de volgende maand, hè hè hè!” - -Hij klemde zijn monocle in het oog, liet de onderlip wat hangen en -speelde verder. - -Graaf Selfar glimlachte. - -Het was een somber, onheilspellend glimlachje. Hij liep voorbij de -spiegels, die zijn fraaie, elastische gestalte weerkaatsten en ging aan -het buffet een glas sekt drinken. - -Hoewel hij hier door twee groote vleugeldeuren van de speeltafel -gescheiden was, kon hij de beide spelers toch heel nauwkeurig gade -slaan. Dr. Marchner scheen alle zelfbeheersching te hebben verloren en -elk oogenblik wreef hij zich nerveus over het bleeke voorhoofd. En -telkens schreef hij opnieuw een schuldbekentenis voor de tegenpartij. - -Zoo bleef graaf Selfar kijken, totdat hij zag, dat het tweetal de -speeltafel had verlaten en achter een breede portière in een vertrek -verdween, waar zoo dikwijls gevaarlijke gesprekken worden gevoerd, die -niet zelden zonder resultaat blijven. - -Graaf Selfar haastte zich de speelzaal door en ging een vertrek binnen, -grenzende aan dat, wat zoo juist door het tweetal was betreden en dat -daarvan door een fluweelen portière was gescheiden. - -Een heel klein beetje trok de graaf een der fluweelen gordijnen op -zijde. - -„Je hebt op je eerewoord gespeeld en weet, wat dat beteekent”, hoorde -hij een heesche stem zeggen. Het was die van Alfred Hopp, de zoon van -den rijken fabrikant. - -Voor hem stond, hoogopgericht, maar met gebogen hoofd, dr. Marchner. -Zenuwachtig streek hij met de hand over het voorhoofd. - -„’t Is waar. Maar zou je mij niet vier-en-twintig uur langer uitstel -willen geven, Alfred? Je doet mij daarmede een groot genoegen!” - -„Waar denk je aan? Geen uur zelfs! Speelschulden zijn eereschulden! Als -je die vijfhonderd pond niet kunt betalen, waarom heb je dan gespeeld?” - -„Omdat ik hoopte, dat het geluk mij ook nog eens gunstig zou zijn!” - -De jonge dokter sprak op een toon vol vertwijfeling. - -De ander lachte spottend. - -„Je hoopte! Dat heeft al menig vriend van mij gedaan! Je moet die -vijfhonderd pond morgen om dezen tijd betaald hebben of—” - -„Of?” - -Dokter Marchner hief het fijnbesneden gelaat op. - -„Of je zult zien, met wien je te doen hebt!” - -„Ik dacht, dat je mijn vriend waart, Alfred!” - -„Ik was het! Als je echter je woord niet houdt, ben je een eerlooze, en -met zulke menschen hou ik geen vriendschap”. - -Een lange pauze volgde. - -„Ik kan mij niet eens meer een revolver koopen, die ik noodig heb”, zei -Marchner toonloos. - -Hopp haalde een klein pistool, in nikkel gevat, te voorschijn. - -„Hier, als ik je daarmee soms van dienst kan zijn.” - -Marchner nam het wapen en in Hopp’s oogen lichtte het met duivelschen -glans. - -Het gordijn ging open—Alfred Hopp verdween. - -„Vaarwel!” - -Wanhopig zonk Marchner in den stoel, zijn rechterhand hief langzaam de -revolver— - -Daar werd de portière op den achtergrond geopend. - -Graaf Selfar trad binnen. - -„Halt!” sprak hij op bevelenden toon, „ongelukkige, ben je je leven al -zoo zat, dat je het om een bagatel wilt vernietigen?” - -Met groote oogen keek Marchner den graaf aan. - -„Hebt ge—alles gehoord?” - -„Alles”. Een glimlachje speelde om de lippen van den graaf. - -„Hoeveel zijt ge Alfred Hopp schuldig?” - -„Vijf honderd pond. Maar—” - -Graaf Selfar haalde een portefeuille te voorschijn en drukte den jongen -dokter tien banknoten in de hand. - -„Hier. Ga haar de speelzaal en betaal uw schuld. Waarom hebt ge -gespeeld?” - -„Ik ben in deze club verzeild geraakt. Mijn vriend, Alfred Hopp heeft -mij hier gebracht. Ik hoopte, mijn berooiden toestand te zullen -beteren. Ach, hoe zal ik u danken voor dit geschenk!” - -„Maak u niet bezorgd! Ik krijg dat geld wel terug. Ga nu?” - -Marchner ging naar de speelzaal. - -De slanke, jonge man, die alleen in het zaaltje was achtergebleven, -drukte nu op een electrische schel. - -Een dienaar verscheen. - -„Zeg mr. Hopp, dat een heer hem wenscht te spreken.” - -De lakei ging en de graaf draaide de helft van de lichten uit, haalde -een zwart masker te voorschijn en bond dit voor het gelaat. - -Eenige oogenblikken later kwam Alfred Hopp binnen. Hij zag bleek van -opwinding. - -„Is hier iemand?” vroeg hij. - -„Ja. Ik wilde u spreken.” - -Hopp keek in het gelaat met het zwarte masker en wilde, doodelijk -verschrikt, terug gaan. Maar in hetzelfde oogenblik schitterde de loop -van een revolver hem voor de oogen. - -„Geen stap verder, ellendeling, als je leven je lief is.” - -Hopp stond als vastgenageld op zijn plaats. Hij sprak geen woord en -zijn lichaam kromp ineen, alsof hij een zweepslag afwachtte. - -„Wat wilt ge van mij?” kreunde hij. - -„Dokter Marchner betaalde u daar juist vijfhonderd pond, nietwaar?” - -„Ja.” - -„Hebt ge hem de schuldbekentenis teruggegeven?” - -„Natuurlijk.” - -„Goed. Leg die vijfhonderd pond dan hier op tafel.” - -„Maar—dat geld is mijn eigendom.” - -„Zwijg! Geen woord meer! Moet ik u naar de speelzaal brengen en daar de -linkermouw uit uw rok snijden? Pas op, anders deel ik iedereen mee, -waar ge uw valsche kaarten verbergen hebt.” - -Alfred Hopp schrikte. Maar nog aarzelde hij. - -De man met het masker glimlachte. - -„Ik tel tot drie. Als dan het geld niet op tafel ligt, gebeurt er iets -vreeselijks. Eèn, twee—” - -Maar reeds had Hopp vliegensvlug het geld op tafel gelegd en met -schuwen blik vroeg hij nu: - -„Wie ben jij?” - -De gemaskerde lachte weer. - -„Ga heen. Ik ben Raffles.” - -Hopp deinsde achteruit. - -„Raffles!” schreeuwde hij met een stem, die drie zalen ver klonk, en -met een reuzensprong verdween hij. - -Eenige oogenblikken later drong een tiental heeren het vertrek binnen. -Maar Raffles had de zaal al verlaten en op zijn dooie gemak, terwijl -men hem overal zocht, daalde hij de trappen af, liet zich zijn jas -geven en ging heen. - -Hij had zijn automobiel weggestuurd om den weg naar huis te voet te -kunnen maken en te genieten van de kristalheldere nachtlucht. - -„En ik verzeker u, dat het graaf Selfar was en niemand anders,” -schreeuwde Alfred Hopp tot zijn vrienden. „Ik zag het aan den -prachtigen Indischen ring. En bovendien! Draai het woord Selfar eens -om! Dan krijgt ge Raffles! Zoo’n bedrieger!” - -Allerwege heerschte de grootste opwinding. - -Overal zocht men naar den graaf. - -Hij was verdwenen. - -De lakeien deelden mede, dat ze hem hadden zien weggaan. - -„Dan is Raffles ook Selfar en Selfar Raffles,” klonk het dooreen. - -Alfred Hopp echter lachte. - -„Nee maar! Die is prachtig!” riep hij uit. „Ik zal dadelijk de politie -telefoneeren. Bij ons thuis is het adres van dien schurk bekend! Wacht -maar! Over een uur zit hij achter de tralies!” - -En Alfred Hopp waarschuwde de politie, in de heilige veronderstelling, -dat hij wel heel gauw zijn vijfhonderd pond weer in den zak zou hebben. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -EEN INHECHTENISNEMNING DIE MISLUKTE. - - -Een der detective nam de boodschap aan. - -Hij berichtte het terstond aan Baxter. - -Deze beval, dat een twaalftal politie-agenten, onder leiding van -detective Marholm zich dadelijk naar de woning van Raffles moest -begeven om deze bij zijn thuiskomst te arresteeren. - -Marholm echter had zijn eigen plan. - -„De Groote Onbekende,” zei hij, „is een vervloekte kerel. Honderd keer -kan je zijn woning omsingelen en honderd keer ontsnapt hij weer. Ik heb -een plan, waardoor ik mijn college Sherlock Holmes beschaamd en Baxter -geel van afgunst zal maken.” - -Hij zocht twaalf agenten uit, die in burgerkleeding zich om het huis -van graaf Selfar zouden opstellen. - -„Als ik fluit, komt ge! Dreigt gevaar dan schiet ik! Overigens moet ge -mijn bevelen afwachten,” zei hij. - -De troep zette zich in beweging. - -Marholm sprong op een fiets en trapte naar de woning van den Grooten -Onbekende. - -Het was één uur na middernacht. Alles sliep. Marholm schelde en een -poos later opende de dienaar van graaf Selfar de deur. - -„Zijt gij de dienaar van graaf Selfar?” - -„Om u te dienen!” - -„Luister dan! De graaf zal heel spoedig thuis komen. Ik zal mij in zijn -slaapkamer verbergen, daar ik hem persoonlijk wil arresteeren. Zeg dus -den graaf geen woord. Verstaan?” - -„Verstaan wel, maar—” - -„Geen maren! Als je het waagt, je heer te waarschuwen, ben je er bij!” - -De dienaar haalde de schouders op. - -„Als dat zoo gevaarlijk is, zal ik het wel laten!” - -Marholm keek eens rond. - -„Vorstelijk ingericht”, mompelde hij, „als gewoonlijk! Maar waar -verberg ik mij nu het best?” - -Hij keek eens onder het ledikant. - -„Dat is de beste gelegenheid. Ik zal wachten, tot hij gaat slapen! -Jammer, dat ik zijn gezicht niet kan zien, als ik zoo plotseling den -hand op zijn schouder leg en zeg: „Raffles, je bent mijn gevangene!”” - -De dienaar knikte. - -„Noemt ge daar Raffles niet?” vroeg hij, „dat is die groote held, de -man, die nog niet gevonden is en waarvoor ik een grenzenlooze vereering -koester!” - -En terwijl hij deze woorden sprak, zette hij een grooten staanden -spiegel zóó voor het ledikant, dat daarin nog juist de zolen van den -daaronder liggende zichtbaar werden. - -„Zoo zal men mij niet kunnen zien, zeg?” vroeg Marholm. - -„Geen draad!” - -„Prachtig! En denk eraan, dat je je mond houdt!” - -„Natuurlijk!” - -Daar werd gescheld. - -Jean vloog weg. - -Het was graaf Selfar, die binnenkwam in gezelschap van een vreemden -jongeman. - -Deze, met een rooden baard en bleek gelaat, was niemand anders dan -dokter Marchner. Hij was graaf Selfar genaderd, toen deze bij zijn -woning kwam. - -„Pardon, graaf—een enkel woord. Zijt gij Raffles?” - -De graaf dacht een oogenblik na. - -„Als ge er dan zooveel belang in stelt”, sprak hij toen, „ja, ik ben -Raffles.” - -„Vlucht dan! Ik was nog in de club, toen gij vertrokken waart! Men -heeft u herkend. De politie is gewaarschuwd! Twaalf agenten hebben het -huis omsingeld!” - -Raffles haalde zijn gouden sigarettenkoker te voorschijn, bood den -dokter een, stak zelf een op en keek met een lachje rond. - -„Ha! Ik zie verscheiden schaduwen!” - -„Doe toch geen stap verder, graaf—ge wordt gearresteerd!” - -„Och, dokter, maak u toch niet bezorgd! Kom toch mee! ’t Is hier te -koud! Kom een glaasje cognac drinken in het huis van graaf Selfar! En -laat ons wat babbelen en een paar sigaretten rooken.” - -Marchner werd doodsbleek. - -„Om Godswil—” fluisterde hij, „ge hebt mij het leven gered—ik ben u -dankbaarheid verschuldigd, maar— —” - -„Ge zult verkouden worden, dokter, als ge voortdurend staat te praten”, -lachte graaf Selfar en hij sloot de deur open. - -Niemand bewoog zich. - -De schaduwen bleven onbeweeglijk in de nissen. - -Daar kwam Jean, de huisdienaar. - -Graaf Selfar keek hem eens scherp aan. - -„Niets gebeurd, Jean?” - -„Niets, graaf!” - -„Geen brief gekomen?” - -„Neen, graaf. Ik heb den spiegel al klaar gezet, opdat ge u terstond -kunt ontkleeden.” - -Graaf Selfar keek zijn dienaar nog eens scherp aan en liet toen zijn -gast den salon binnentreden. - -Voordat ook de graaf binnentrad, ging deze eerst naar zijn slaapkamer. - -Zooals hij altijd deed, keek hij eerst eens aandachtig rond van onder -zijn half dichtgeknepen wimpers. - -Daar zag hij, in den spiegel, twee vuile schoenzolen. - -Hij glimlachte eens en ging naar het salon terug, zonder de -tusschendeur te sluiten, zoodat hij een ruimen blik over de slaapkamer -had. - -„Maak het u gemakkelijk, dokter,” sprak de graaf en hij vulde twee -glazen uit kristallen karaffen. - -Dokter Marchner viel van den eenen angst in den andere. - -Hij liep naar het venster en keek eens naar buiten. - -Graaf Selfar voegde zich bij hem. - -„Een mooie, heldere winternacht, nietwaar, dokter? Ik sta hier soms -uren lang te kijken naar het firmament en beproef dan de geheimen te -doorgronden, die zweven tusschen hemel en aarde, als langzaam en -eentonig de sneeuwvlokken tegen het venster dwarrelen en heel Londen -hult in een sluier van kristallijnen raadselen. - -„Maar gij zijt mij nog eenige opheldering schuldig, dokter. Neem het -mij niet kwalijk als ik u een vraag doe. Ik ben zoo’n soort philosoof. -Hoe hebt gij zoo kunnen toegeven aan den belachelijken hartstocht van -het spel?” - -„Ik had mij al voorgenomen, graaf, u daarover eenige opheldering te -geven. - -„Nog komt het mij voor, alsof ik een boozen droom heb doorleefd. - -„Maar luister naar de ware oorzaak. - -„Ik heb een arm meisje lief. Ja, lieve God, ze is arm, meer dan arm. - -„Magda Werner heeft ook mij lief en mij daardoor gemaakt tot een der -gelukkigste stervelingen. - -„Ik zou gaarne bereid zijn, alle ontberingen met haar te deelen en -vooral thans, nu de armoede zoo nijpend is in haar familie. - -„Zij is een kind uit het volk, graaf, maar voor mij is zij een prinses, -want ze is edel en goed. - -„En om haar een onbezorgd bestaan te kunnen verschaffen, haar, die ik -lief heb boven alles, daarom kwam ik op het rampzalige denkbeeld—nu -ja—ge kent de rest.” - -Zwijgend had graaf Selfar zijn sigaret gerookt. - -Hij lag nu in een Amerikaanschen schommelstoel, de groote, heldere, -donkere oogen omhoog gericht. - -Toen, plotseling, sprong hij op. - -„Magda Werner zegt ge, dokter?” - -„Ja. Kent ge haar? Haar vader werd twee dagen geleden ontslagen uit de -fabriek van Arthur Hopp.” - -„Zoo—zoo—ja! Enfin, we spreken daar morgen nog wel eens over, dokter.” - -Dokter Marchner ging. Hij was moedeloos gestemd, want hij dacht, dat -hij nu wel niets meer van den graaf zou hooren. - -Hij liep voort. - -Maar plotseling bleef hij staan. - -Hij hoorde een fluitje door de lucht snerpen en snel liep hij weg, met -kloppend hart, om niet te zien, hoe zijn weldoener geboeid werd -weggebracht. - -Intusschen had graaf Selfar gescheld. - -Jean trad binnen. - -„Je kunt gaan slapen, Jean, ik heb je niet meer noodig.” - -„Heel goed, graaf.” - -Jean boog en ging. - -Graaf Selfar ging naar zijn slaapkamer, draaide het electrische licht -half af en nam plaats in een leunstoel, tegenover zijn bed. - -„Zeg eens, vriend,” begon hij toen, „heb je niet gezien dat beneden -duidelijk staat: voeten vegen? Je hebt mijn tapijt leelijk -vuilgemaakt.” - -Geen antwoord. - -„Zeg eens, hoor je niet, Marholm?” - -„Meent ge mij?” - -Op doffen toon kwam het van onder het bed vandaan. - -„Ja, wien zou ik anders meenen? Maar kom toch hier, dan kunnen we -gezellig wat babbelen!” - -Marholm kroop te voorschijn. - -„Ge zijt mijn gevangene,” sprak hij toen tot graaf Selfar. - -Deze lachte eens. - -„Niet zoo gauw, Marholm. Ga eerst eens zitten! Je zult wel moe zijn! -Een glaasje cognac?” - -„Niets!” - -„Hoe dat zoo?” - -„Ik ben geheelonthouder. En wees nu eens ernstig! Ge zijt mijn -gevangene!” - -„Kom, kom, ik geef niet veel om de praatjes der politie!” - -„Ge zijt mijn gevangene!” - -En Marholm wilde naar het venster gaan om het afgesproken fluitsignaal -te geven. - -Maar toen ook stond eensklaps, dreigend, graaf Selfars hooge gestalte -voor hem. - -Schuimbekkend van woede haalde Marholm zijn gummistok te voorschijn. - -In ’t zelfde oogenblik gaf Raffles hem een stomp tegen de keel, dat hij -ter aarde smakte. - -Hij sprong echter elastisch weer op de been en vloog op graaf Selfar -af. - -Maar wat was dat? - -Als twee groote, lichtende sterren keken Selfars oogen den detective -aan en deze kon zich niet losmaken uit die ban. - -Slap viel zijn hand met den gummistok langs zijn lichaam. - -En als van uit de verte klonken hem de woorden in het oor: - -„Slaap!” - -Alles werd zwart om hem heen. - -Alles werd nacht. - -„Ge slaapt. Weet ge, wie ge zijt? Neen, ge weet het niet!” - -„Ja——ik—weet—het!—Ik—ben—Mar—Mar,” maar verder kwam hij niet. - -„Neen. Ge zijt Raffles.” - -„Raffles?” - -„Ja. Ge zijt Raffles. Wie zijt ge?” - -„Mar——ik ben Raffles!” - -„Wie?” - -„Raffles!” - -„Zeg het nog eens!” - -„Raffles!” - -„Goed. Ge zijt Raffles! En ge zijt naar huisgegaan om te slapen, omdat -ge vermoeid zijt. Nietwaar?” - -„Ja!” - -Graaf Selfar bekeek den slapende een oogenblik en haalde toen een etui -te voorschijn. - -In dit oogenblik stak Jean die voortdurend door het sleutelgat geloerd -had, zijn hoofd binnen de deur. - -„Wil ik, graaf?” - -„Durf je?” - -„Maar natuurlijk!” - -„Kom dan hier!” - -„Tot uw dienst!” - -En Jean begon in te zeepen. - -„Snor en baard, allebei afscheren, Jean. Trek hem dan de uniform uit, -leg ze voor mij klaar en stop hem in bed. Trek hem eerst een van mijn -zijden nachthemden aan.” - -„Uitstekend, graaf.” - -En Jean toog aan het werk. - -Met de handigheid van een tooneelspeler plakte nu Raffles zich een -baard aan het gezicht, die sprekend geleek op dien, welken Marholm had -gedragen. - -„Het staat me niet, maar het beantwoordt aan zijn doel,” mompelde -Raffles. - -Hij zette den helm op en opende het venster. - -Een fluitsignaal weerklonk. - -Hevig spektakel volgde. - -Van alle kanten stormden de agenten de halfdonkere slaapkamer binnen, -nadat zij zich toegang tot het huis hadden verschaft. - -„Chef?” - -Raffles hield den vinger op den mond. - -„Sst! Hij slaapt! Heb je de boeien?” - -„Ja, chef!” - -„Vooruit dan!” - -Raffles tikte den slapende op den neus. - -„Hé, word eens wakker!” - -„Wa—wat is er?” - -„Dat zult ge wel zien” - -„Hèèè— — - -„Zijt ge Raffles?” - -„Ik?? Ja—ik ben Raffles.” - -„Allo, jongens!” - -En Marholm werd door twaalf paar handen uit bed gesleurd, in een deken -gewikkeld en in het rijtuig gedragen, dat al klaar stond. - -Raffles was intusschen naar zijn badkamer gegaan. - -Daar had hij zich vliegensvlug verkleed, een pelsjas aangeschoten, een -hoogen hoed opgezet en het huis verlaten. - -„Waar is de chef?” vroegen de agenten. - -Zij zochten Marholm, maar toen ze hem niet vonden, dachten ze, dat hij -al vooruit was gegaan. - -Raffles intusschen had in een telefoonbureau Scotland Yard opgescheld. - -„Daar Scotland Yard? Hier Raffles!—Wat?—Ja, hier Raffles!—Ik wilde u -even meedeelen, dat ik detective Marholm naar u toe heb gestuurd.—Hij -lag bij mij te slapen!—Wat?—Waar ik nu ben?—Telefoon-automaat nummer -17.—Wat? Ik heb geen tijd meer!—Tot later!” - -Toen reed Raffles naar het Metropol hotel, waar hij Charly Brand den -volgenden dag zou ontmoeten. - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -DE REDDER DER ONTERFDEN. - - -Charly Brand zat tegenover lord Lister in het Metropol Hotel. - -„En waar ben je zooal geweest, Charly?” vroeg Raffles. - -„O, overal! Ik heb eerst rondgeslenterd, toen gehoord, dat fabrikant -Hopp en baron von Reutz, een vriend van dezen, een heel slechten naam -en al heel wat op hun kerfstok hebben en kwam daarna thuis.” - -„Zoo. Nu, beste jongen, ik trek er weer op uit—en wel onder den naam -van baron von Reutz.” - -„Wees voorzichtig, Edward”. - -„Dat ben ik altijd.” - -Baron von Reutz reed naar Witchapel Road en trad daar een der groote -huurkazernes binnen. - -Al heel spoedig had hij gevonden wat hij zocht: het huis van Frans -Werner. - -Het was een nette, doch armelijke woning. - -De werkman herkende terstond den eleganten heer. - -Deze vroeg naar Magda en vertelde, dat hij wist, hoe zeer dokter -Marchner het meisje lief had. - -Werner verschoot van kleur. - -„Mijn dochter,” zei hij, „is niet hier.” - -„Waar is ze dan?” - -Aarzelend haalde de man een onaangenaam naar muskus riekend briefje te -voorschijn en liet het baron von Reutz lezen. - -Er stond: - - - „Mijn lieve, lieve Magda! - - „Ik moet je nog eens zien en spreken, liefste. Kom vanavond om acht - uur op de bekende plaats. Noem den kellner mijn naam, hij zal je - dan in een vertrek brengen, waar wij ongehinderd samen kunnen - praten. - - „ALFRED” - - -De baron wierp den brief terzijde, vol afschuw. - -„Is dat schrijven van den jongen Hopp?” - -„Ja. Ik smeekte haar, er niet heen te gaan. Maar zij wilde geen -oogenblik aan eenige laagheid denken en ging toch. - -„Ik geloof, baron, dat ge er bij waart, toen de oude heer Hopp over de -verhouding van mijn dochter en zijn zoon sprak. Ja, zij heeft zich -voortdurend door hem laten bepraten; zij meende, hem lief te hebben—het -was een kleine, vluchtige droom, zooals veel jonge meisjes dien -droomen, maar zij is rein gebleven, ik kan de hand voor haar in het -vuur steken, baron. - -„Als zij verstandig was geweest, dan had zij niet de onvoorzichtigheid -begaan, dezen man een reeks brieven te schrijven, waarin zij haar -geheele hart voor hem uitstortte. - -„Van die brieven maakt hij nu misbruik. - -„Door middel van die brieven tracht hij haar voor zich te behouden, -hoewel zij niets meer van hem wil weten, want hij heeft een slecht -karakter, het liefst zou ik hem eenvoudig neerschieten. - -„Hij heeft haar gedreigd, die brieven aan dr. Marchner te zullen geven. - -„En mijn kind is totaal veranderd, sinds zij dr. Marchner heeft leeren -kennen. - -„Zij is gelukkig. Zij heeft in hem den man gevonden, dien zij kan -vertrouwen. - -„En nu dat zoo goed zal gaan, treedt deze ellendeling tusschenbeide. U -begrijpt, mijnheer de baron, welke gevolgen het zou hebben, als dr. -Marchner die brieven kreeg. - -„Hoe verstandig en edelmoedig hij ook is—hij zou toch niet kunnen -begrijpen, dat zij, die hij lief heeft, zulke brieven aan een ander -heeft geschreven. - -„Het was beter geweest, als mijn dochter vanaf het begin eerlijk tegen -hem was geweest, als zij hem alles had meegedeeld,—maar aanvankelijk -had zij daartoe den moed niet en nu—nu is het te laat!” - -Baron von Reutz had met saamgeknepen lippen naar de woorden van Frans -Werner geluisterd. - -„Zoo. En uw dochter hoopte blijkbaar, dat zij vanavond de brieven zou -terug krijgen, waarvan haar geluk afhangt?” - -„Zoo is het! En ik vrees, dat hij haar een nieuwe hinderlaag heeft -gelegd! - -„Zij beproeft het uiterste, compromiteert zichzelf en waagt het -onmogelijke. - -„Hierdoor zal zij misschien in één oogenblik alles bederven, inplaats -van haar levensgeluk te redden!” - -„Wij moeten het ergste niet denken, mijnheer Werner,” antwoordde baron -von Reutz. - -„Ik zal over een paar dagen eens weer bij u komen!” - -Frans Werner vervolgde op fluisterenden toon: - -„Overmorgen zou het huwelijk tusschen mijn dochter en dr. Marchner -voltrokken worden. Overmorgen reeds! Mag ik het genoegen hebben, u voor -de bruiloft uit te noodigen? - -„Ik beef bij de gedachte, dat er misschien iets vreeselijks zou kunnen -gebeuren, maar hopenlijk gaat alles goed— —” - -„Ik zal komen,” antwoordde baron von Reutz glimlachend. - -Daarop ging hij naar beneden, sprong in zijn rijtuig en riep den -koetsier toe: - -„City!” - -De beide paarden zetten zich in beweging en in vollen draf ging het -voorwaarts. - -Eindelijk bleven de paarden staan. - -Baron von Reutz stapte uit. - -Diep buigend naderde de oberkellner en toen de baron den naam Alfred -Hopp noemde, antwoordde de „ober” geen woord, maar geleidde den jongen -edelman door een lange gang. - -Voordat hij echter de zware gordijnen, die de kamer afsloten, op zij -kon schuiven, voelde hij de hand van den gast op zijn arm. - -„Wacht even! Ik—ik wensch de kamer hiernaast te betrekken!” - -De kellner bracht den gast volgens dien verlangen naar het aangrenzende -vertrek. - -Baron von Reutz gaf zijn verdere bevelen, waarop de oberkellner -vertrok. - -De jonge baron ging nu weer naar buiten naar de corridor, waar hij -zacht en voorzichtig de portière van het aangrenzende vertrek opende. - -Opgewonden stemmen klonken in zijn oor. - -Hij keek in het kleine vertrek, dat tooverachtig verlicht werd door de -roodzijden kap van een schemerlamp. - -Op tafel stonden wijnglazen en flesschen, vruchten en gebak. - -Alfred Hopp zat op den divan, terwijl een jong beeldschoon meisje met -smeekend uitgestrekte armen voor hem stond. - -Zij kon den ingang der kamer niet zien, terwijl ook Alfred Hopp met -zijn rug naar de portière zat. - -Met een enkele onhoorbare beweging was baron von Reutz de kamer -binnengegaan. - -Zijn hooge, slanke gestalte was voldoende verborgen door den donkeren -achtergrond. - -Zoo bleef hij roerloos staan. - -„Is het mogelijk, dat gij zoo wreed kunt zijn?” vroeg Magda Werner, -terwijl haar groote, donkerblauwe oogen vol tranen stonden. - -„Wat hebt gij aan de brieven? Waarom kwelt ge mij op zoo wreede wijze? -Is het een genot voor u om mij en den man, die mijn gansche hart bezit, -in het verderf te storten?” - -Alfred Hopp haalde op brutale en ruwe wijze de schouders op, terwijl -hij zijn bleek, verlept gelaat oprichtte en het jonge meisje aankeek. - -„Een genot? Ja, dat is het! Dacht je werkelijk, dat ik je hier heb -laten komen om je de brieven te overhandigen? - -„Ik denk er niet aan! Met deze brieven heb ik je in mijn macht. En ik -laat je niet weer los—denk daaraan! Juist nu niet! Ik wil, dat je de -mijne wordt! - -„Je hebt mij altijd naar je laten smachten! - -„Juist omdat ik weet, dat je mij niet liefhebt, omdat een ander je zal -bezitten, daarom eisch ik dit offer!” - -Het jonge meisje stond sprakeloos tegenover haar beul. - -Haar boezem hijgde en het zware blonde haar was gedeeltelijk losgegaan, -zoodat een paar lange krullen over haar schouders hingen. - -Haar oogen keken radeloos om zich heen en met bijna klanklooze stem -sprak zij: - -„Ik begrijp u niet!” - -Alfred Hopp rekte zich eens uit op den divan. - -„Begrijp je mij niet? Je zult mij dadelijk begrijpen! - -„Zie je, er schuilt een bijzondere kracht in mij! Ik vind zelf, dat ik -een soort Mefisto, een duivel, ben! - -„Het is mij voldoende, als ik iemand ongelukkig kan maken! - -„Waarom zal ik tegenover jou den edelmoedige spelen? - -„Waarom zal ik mij berustend terugtrekken en plaats maken voor een -ander? - -„Ik denk er niet aan! - -„Als ik je later op straat tegenkom, als je wangen geverfd en gepoederd -zijn en een eeuwig glimlachje om je lippen speelt—zie je, dan zal ik -een duivelsche voldoening smaken!” - -Hij keek haar met strakke, meedoogenlooze oogen aan. - -Maar het jonge meisje scheen hem nog niet te begrijpen. Haar armen -hingen slap langs haar lichaam neer en een uitdrukking van trots -weerspiegelde zich in haar oogen. - -Plotseling sprong Alfred Hopp op, hij stortte zich als een roofdier op -haar, omklemde haar in zijn armen en—terwijl zij een kreet van -ontzetting slaakte—riep hij lachend uit: - -„Hier hoort niemand je, mijn duifje! Schreeuw zoo hard je kunt. Je bent -in mijn macht!” - -„Nog niet!” sprak een diepe welluidende mannenstem. - -En in hetzelfde oogenblik vloog Alfred Hopp, door een krachtige hand -weggeduwd, in een hoek der kamer. - -Snikkend en sidderend snelde het jonge meisje naar den vreemdeling, die -met zijn rijzige gestalte midden in de kamer stond. - -Alfred Hopp was den eersten schrik te boven. - -Met vlammende oogen en gebalde vuisten stond hij voor den vreemdeling. - -„Raffles!” - -Hijgend riep hij dat woord uit. - -De ander glimlachte. - -„Ja, ik ben Raffles!” - -„Ellendeling, schurk!” - -„Waarom geeft gij mij de namen welke gij zelf zoo rijkelijk verdient?” -antwoordde de groote onbekende met onverstoorbare kalmte, terwijl het -jonge meisje hem angstig aankeek. - -„Wij spreken elkaar nader, Alfred Hopp. Gij zijt inderdaad een duivel, -maar een, wien de noodige kracht ontbreekt. Gij zijt een van die -duivels, die men op een aambeeld moet leggen en met een helschen hamer -in stukken slaan.” - -En zonder den uitgang een oogenblik uit het oog te verliezen, nam -Raffles den mantel van het jonge meisje van den muur. - -Zij begreep hem en liet zich door Raffles in den mantel hullen. - -Hij gaf haar een hand, die zij vol dankbaarheid aan haar lippen wilde -drukken. Hij trok echter snel zijn hand terug, zoodat alleen haar -brandende tranen zijn vingers bevochtigden. - -„Spoed u naar huis terug juffrouw Werner,” sprak Raffles op ernstigen -toon. - -„Wacht gerust en kalm uw huwelijksdag af en bedenk steeds, dat Raffles, -de groote onbekende, over u waakt.” - -„Blijf goed—want reinheid is de eenige schat der armen!” - -Magda Werner keek hem met haar groote, eerlijke oogen aan. - -Zij knikte, zonder een woord te kunnen zeggen, daarop gleed zij door de -portière en snelde weg als een schuw vogeltje. - -Gereed tot den strijd stonden de beide mannen tegenover elkaar. - -„Hebt gij de brieven hier?” vroeg Raffles met over de borst gekruiste -armen. - -„Neen! En al had ik ze hier, ik zou ze u niet geven, gij—” - -Maar Alfred Hopp kon zijn zin niet voltooien. Een harde klap in zijn -gezicht deed hem neervallen. - -„Noodzaak mij niet, u nogmaals te kastijden,” sprak Raffles met -dezelfde kalmte, die hem steeds kenmerkte. - -„De oorvijg, die ik u daar juist gaf, was voor de beleediging van -zooeven. - -„Maar nu ter zake. Laat mij den inhoud van uw zakken zien, ten bewijze, -dat de brieven van Magda Werner niet hier zijn!” - -Alfred Hopp stond op en met heimelijken angst keek hij naar den man, -die hem met een enkele handbeweging in zijn macht had. - -Hij gehoorzaamde aan het bevel van Raffles. - -Het was waar, hij had de brieven thuis in een kast goed bewaard. -Slechts een enkelen had hij bij zich, dien Raffles hem afnam. - -„De andere brieven zult gij mij ook geven, Alfred Hopp!” - -„Nooit!” - -„Jawel! Maar waarom schreeuwt gij zoo? De kellner hoort u niet. Gij -zult mij de brieven geven, ik, Raffles, voorspel u dat. Verder heb ik -voorloopig niets met u te bespreken!” - -Raffles maakte zich gereed om heen te gaan. - -Op spottenden toon vroeg Alfred Hopp: - -„En wanneer denkt gij, dat ik u die brieven zou overhandigen?” - -Raffles dacht een seconde na. - -„Overmorgen. Op den dag van Magda Werners huwelijk.” - -„Ah! Komt gij op de bruiloft?” - -„Ongetwijfeld!” - -Alfred Hopp drukte zijn lippen op elkaar, en een duivelsche trek -verscheen op zijn gelaat. - -Raffles knoopte zijn pels dicht en verliet het vertrek. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -RAFFLES GEVANGEN? - - -In een keurig restaurant in een der voorsteden vierde dr. Marchner zijn -bruiloft. - -Alle zorgen en leed schenen gebannen te zijn van het blanke voorhoofd -van den man, die zich innig gelukkig gevoelde te midden van zijn -vrienden, die gekomen waren om dezen vreugdedag mee te vieren. - -Daar dr. Marchner in de uitgelezenste kringen van Londen verkeerde, had -zich een voornaam gezelschap om hem heen verzameld. - -Niemand zou vermoed hebben, dat Magda, de gelukkige jonge vrouw van dr. -Marchner, uit een arbeidersfamilie voortsproot. - -Haar natuurlijke bevalligheid en gratie vergoedden ten volle wat haar -aan ontwikkeling misschien ontbrak. - -Als zij glimlachte, was iedereen verrukt over haar en Marchner zelf -niet het minst van allen. - -Slechts af en toe trok er een wolkje over zijn voorhoofd, dan dwaalden -zijn blikken vol verwachting door het venster naar het station. - -Blijkbaar verwachtte hij nog een gast. - -Hoewel hij zijn jonge echtgenoote niets van het avontuur met den -grooten onbekende had verteld, scheen ook zij niet geheel rustig. - -Plotseling sprong dr. Marchner op. - -Een rijzige, slanke, elegante jonge man naderde van de zijde van het -station. De sneeuw kraakte onder zijn veerkrachtige schreden. - -Een prachtige pelsjas omhulde zijn slanke gestalte. - -De onberispelijke cylinder deed den jongen man nog grooter schijnen dan -hij was en paste volkomen bij het eenigszins bleeke, voorname, -fijnbesneden gelaat met de dunne lippen en groote, heldere oogen. - -De nieuw aangekomene trok dadelijk de algemeene belangstelling. - -Dr. Marchner was hem reeds tegemoet gesneld. - -„Het verheugt mij, dat gij komt,” riep hij uit. „Ik had op u -gewacht—ach, gij kunt niet begrijpen, wat ik gevoeld heb, sinds ik den -laatsten keer uw huis verliet mijnheer—” - -„Baron von Reutz,” antwoordde de nieuwe gast lachend. - -Dr. Marchner haastte zich, den jongen man onder dien naam aan de -aanwezigen voor te stellen. - -Binnen eenige minuten vormde de jonge edelman het middelpunt van het -gesprek. - -Het feest verliep op de vroolijkste wijze. - -De avond was genaderd en reeds maakte men zich gereed om naar Londen -terug te keeren. - -Plotseling werd de deur geopend en een jonge man trad binnen, bij -verschillende der aanwezigen welbekend. - -Het was Alfred Hopp. - -In zijn oogen straalde een duivelsche gloed. - -Zijn rechterhand omvatte een bundeltje papieren. Hiermede naderde hij -den gelukkigen bruidegom en terwijl hij hem de papieren aanbood, sprak -hij: - -„Dr. Marchner, ik geef u deze brieven als huwelijksgeschenk.” - -Een ademlooze stilte ontstond. - -Iedereen begreep, dat hier iets bijzonders gebeurde. - -De jonge vrouw was opgesprongen. Haar wangen waren doodsbleek geworden, -met angstige blikken keek zij naar haar echtgenoot, die langzaam -opstond en zijn hand naar de brieven uitstrekte. - -In hetzelfde oogenblik echter kwam een andere vuist tusschenbeide, zoo -snel en vastberaden, dat Alfred Hopp de brieven niet had kunnen -terugtrekken. - -Baron von Reutz stond met opgeheven hoofd tusschen de beide mannen; de -brieven verdwenen in een der zakken van zijn jas. - -„Dat is een ongehoorde brutaliteit”, riep de zoon van den rijken -fabrikant schuimbekkend van woede uit. „Hoe hebt gij den moed, mij die -papieren afhandig te maken? Zij zijn bestemd voor dr. Marchner!” - -„Ik denk, dat gij u vergist!” antwoordde baron von Reutz, terwijl hij -de armen over de borst kruiste en den jongen zwierbol met een -vernietigenden blik aankeek. - -„Neen, ik vergis mij niet!” brulde Alfred Hopp. „Heeren, ik roep u aan -als getuigen! Deze ellendeling heeft mij mijn papieren ontstolen!” - -„Voor deze leugen komt u een kleine kastijding toe”, antwoordde de -edelman en hij gaf den woesteling een slag in het gezicht, zoodat deze -achteruit tuimelde. - -„Dat zult gij boeten!” schreeuwde deze. „Heeren, deze ellendeling, die -zich vermeet, op zulk een wijze op te treden, is—” - -Iedereen luisterde in gespannen verwachting. - -Baron von Reutz vertrok geen spier van zijn gelaat. - -Maar Alfred Hopp sprak het woord niet uit, dat hem op de lippen lag. - -Zijn gelaat verwrong zich nog meer en hij beet den baron toe: - -„Neen, het is nog te vroeg! Maar als gij denkt, mij te kunnen beletten, -mijn plan uit te voeren, dan vergist gij u. - -„Dr. Marchner, ik beweer, dat ik oudere rechten heb op mevrouw Magda, -dan gij. Gij zijt met mijn beminde getrouwd—in de papieren, die baron -von Reutz mij afhandig heeft gemaakt, ligt het bewijs.” - -De uitwerking dezer woorden was verschrikkelijk. - -Dr. Marchner was doodsbleek geworden, zijn handen sidderden en bevend -wendde hij zich tot zijn jonge echtgenoote, zijn oogen dreigend en -tegelijkertijd vragend op haar vestigend. - -De jonge vrouw zweeg. - -Zij wilde antwoorden, maar haar tong was als verlamd. - -Snikkend viel zij in haar stoel neer, zoodat het niet duidelijk was of -schuldbewustzijn dan wel verdriet over de zware beleediging haar -aangedaan, de ongelukkige verpletterde. - -Nu echter geschiedde iets onverwachts. - -Baron von Reutz trad naar voren en sprak, terwijl hij zich tot dr. -Marchner wendde: - -„Ik beweer, dat deze kwajongen nu voor de tweede maal gelogen heeft. -Het is er hem alleen om te doen, u uw jonge geluk te ontrooven. - -„Zijn vergiftigde, verdorven ziel weet zich met geen beter dingen bezig -te houden dan zich te wreken op deugd en reinheid. - -„Om u te bewijzen, beste dokter, dat hij gelogen heeft, overhandig ik u -hier de papieren, die ik hem heb afgenomen.” - -Baron von Reutz haalde het pakje brieven uit zijn zak te voorschijn en -gaf het den jongen dokter. - -De jonge vrouw, die bij de eerste woorden van den baron vol hoop had -opgekeken, verbleekte opnieuw. - -Alfred Hopp genoot! - -Frans Werner, die nog bij de tafel zat, boog zijn hoofd over zijn bord. - -Dr. Marchner echter nam de brieven en opende het pakje. - -Hij doorvloog den eersten, den tweeden, den derden—zijn gelaat helderde -op en eindelijk wendde hij zich tot zijn jonge vrouw, greep haar beide -handen en sprak op zachten toon: - -„Vergeef mij, Magda, vergeef mij, dat ik ook slechts een oogenblik aan -je heb durven twijfelen. Gij echter, ellendige kwajongen”, sprak hij -tot Hopp, die verschrikt achteruitging, „gij zult mij rekenschap geven -van een beleediging, die meer dan brutaal is. - -„Wanneer gij niet krankzinnig zijt, staat gij gelijk met een -moordenaar, want gij doet uw best om anderen menschen hun geluk en eer -te ontnemen.” - -Eenige oogenblikken was Alfred Hopp niet in staat om te antwoorden. De -andere bruiloftsgasten echter, verontwaardigd over het voorgevallene, -zetten den rustverstoorder met vereende krachten op straat. - -Baron von Reutz nam afscheid. - -Hij boog zich diep over de hand der jonge vrouw en bracht die aan zijn -lippen. - -Zij keek hem aan met vochtige oogen en fluisterde: - -„Hoe kan ik u ooit genoeg danken?” - -Hij glimlachte. - -„Door steeds goed te blijven, mevrouw! Er zijn zoo weinig menschen, van -wie men dat kan zeggen.” - -Zwijgend drukte hij den jongen dokter de hand. - -Daarop nam hij zijn hoed, opende de deur en sloeg den weg in naar het -station. - -Plotseling stond Frans Werner voor hem. - -„Vergeef mij, dat ik u een oogenblik staande houd. Het komt niet te -pas, dat weet ik wel. Ik ben ook maar een werkman, en weet niet in -welke woorden ik u mijn grooten dank zal uitspreken. Maar gij begrijpt -mij wel, nietwaar?” - -Baron von Reutz drukte Werners hand. - -„Ik begrijp u! Vaarwel!” - -„Nog iets, heer baron! Hoe hebt gij dat aangelegd? Het waren immers de -brieven van mijn dochter, die de ellendeling aan mijn schoonzoon wilde -geven.” - -De jonge edelman glimlachte. - -„Zeker! Maar er zijn omstandigheden in het leven, waarin men een -goocheltoer moet aanwenden om het goede te bereiken, mijnheer Werner. - -„Dat is een droevige waarheid, die echter mijn lijfspreuk is geworden. -Ik heb den jongen man eergisteren een van die brieven afgenomen. - -„Hij meende slimmer te zijn dan ik en ik begreep, dat hij dit oogenblik -zou uitzoeken om het geluk van de jonge mevrouw Magda voor altijd te -vernietigen. - -„Daarom maakte ik vannacht een dozijn van dergelijke brieven gereed, -die er zoo uitzagen als die, welke in zijn bezit waren. - -„Op die brieven schreef ik, terwijl ik Magda’s hand vervalschte, een -paar nietszeggende gedichten. Ik bracht hierin eenige malen den naam -van dr. Marchner, zoodat deze ze hoogstens op zichzelf kon toepassen. - -„Dit was het eenige middel om de brutale beschuldiging van dien schurk -belachelijk te maken.” - -Met beide handen greep Frans Werner de rechterhand van den spreker. - -„Gij zijt een weldoener der menschheid!” - -Baron von Reutz glimlachte. - -Het was een weemoedig lachje. - -„Misschien wel—misschien ook niet, mijnheer Werner!” - -Hij haalde een pakje uit een zijner zakken te voorschijn en -overhandigde dit aan den ouden man. Het bevatte de echte brieven van -Magda. - -„Bewaar ze, mijnheer Werner. En als Magda ooit de beproevingen mocht -vergeten, die zij heeft doorgemaakt,—mocht zij ooit in het leven -struikelen, toon haar dan deze brieven, dan zal zij weer in het rechte -spoor geraken.” - -Bij deze woorden draaide de jonge edelman zich om en met snelle -schreden begaf hij zich naar het station. - -Frans Werner keek hem zwijgend na, totdat de hooge, slanke gestalte in -het nachtelijk donker was verdwenen. - -Toen hij het station had bereikt, keek baron von Reutz vorschend om -zich heen. - -„Het verbaast mij, dat er nog geen politie aanwezig is,” mompelde hij. -„Mijn vriend Hopp schijnt een heel bijzonder plan te hebben opgemaakt.” - -Hij bleef eenige oogenblikken nadenkend staan, daarop wendde hij zich -naar een coupé eerste klasse. Terzelfdertijd stonden onder de hooge -boomen, die het stationsgebouw omgaven, twee mannen bij elkaar. - -Een van hen was Alfred Hopp, de andere was een jonge man, die er uitzag -als een gemeen sujet en die ongetwijfeld niet paste in de mooie -kleeren, welke hij droeg. - -Hoewel hij een slanke gestalte had, had hij niet de houding van een -man, die gewend is, zich in goede kringen te bewegen. - -Nieuwe glacé’s bedekten zijn groote handen, op het vierkante hoofd met -scherpe, hoekige lijnen en waarin een paar doordringende, loerende -oogen schitterden, droeg hij een grijzen, eleganten vilten hoed. - -„Dus je weet, wat ik je beloofd heb, Frits, doe je zaken goed!” sprak -Hopp. - -De andere lachte brutaal. - -„Gij kunt mij gerust vertrouwen! In dit gedeelte van Londen is niemand, -die het mij verbetert!” - -Alfred Hopp knikte. - -„Je wacht mij op de afgesproken plek morgenavond, dan breng ik je het -geld. En vergeet één ding niet. Ergens vóór Hydepark spring jij er af! -Baxter rijdt met vijf politiebeambten in denzelfden trein. Zij zijn -Raffles te slim af. Doe je werk goed!” - -De persoon, dien Hopp met den naam Frits had aangesproken, lachte met -breeden grijns en verdween. - -Hij was een berucht inbreker, misschien nog erger, een kerel, dien de -jonge Hopp reeds meermalen had gebruikt om lieden, die hem lastig -waren, voor eenigen tijd onschadelijk te maken. - -Dezen keer echter stonden er veel ernstiger dingen op het spel. - -Frits had zijn hoed ver over het voorhoofd gedrukt en sloop met -eenigszins voorovergebogen hoofd en met loerende oogen langs de -spoorwegwaggons, terwijl hij in elke coupé keek. - -Raffles zag plotseling een paar bloeddorstige, hatelijke oogen naar -binnen kijken. Daarop werd de deur geopend en een man met zeer -twijfelachtig uiterlijk stapte binnen. - -Een halve minuut later zette de trein zich in beweging. - -Hijgend stoomde hij door het besneeuwde bosch, dat als in een mantel -van sneeuw vóór hen lag. - -Raffles leunde achterover in de kussens. - -Een fijn glimlachje speelde om zijn lippen. Langzaam sloot hij de -oogen—zoo verliepen ongeveer tien minuten. - -Toen scheen hij te slapen. - -Maar hij sliep niet. - -Door de bijna gesloten oogleden bespiedde hij elke beweging van zijn -geheimzinnigen reisgenoot. - -Deze had eerst schijnbaar niet op hem gelet. Nu echter, toen hij -bemerkte, dat de ander sliep, naderde hij het raampje. - -Eenige oogenblikken bleef hij daar staan om naar het besneeuwde bosch -te kijken. - -Met een haastige beweging drukte hij zijn hoed nog dieper over het -voorhoofd, waarop hij zich naar Raffles omwendde. - -Regelmatig ging de borst van den slapenden reiziger op en neer. - -Met een snelle beweging draaide Frits nu het licht bovenin de coupé uit -en eenige minuten later sprong hij zoo haastig uit den wagen, dat hij -met eenige wonden aan het hoofd van den spoordijk afrolde, totdat hij -eindelijk nog slechts met moeite kon opstaan. - -„En weet gij volkomen zeker, dat het werkelijk Raffles is, die zich in -den trein bevindt?” vroeg Baxter reeds voor den derden keer aan den -jongen Hopp, die met hem in dezelfde coupé zat. Hij had telefonisch -bericht ontvangen, dat Raffles, de groote onbekende, des avonds om zes -uur dertig van N. naar. B. zou reizen. - -De kapitein was juist aangekomen om met zijn beambten in den -vertrekkenden trein te kunnen meerijden. - -Hopp antwoordde: - -„Gij moogt mij gerust den grootsten ezel van geheel Londen noemen, -mijnheer, als ik u dezen keer Raffles niet met huid en haar uitlever.” - -De ander knikte. - -„Ik heb in mijn leven nog nooit iemand zoo gehaat als dezen Raffles,” -sprak hij, terwijl hij met zijn hand over het voorhoofd streek. - -„Die kerel brengt mij tot wanhoop. Ik zal op deze manier nog gek -worden! Overal waar men komt hoort men over Raffles spreken! Het is om -stapelgek te worden! - -„Maar nu, de duivel moge mij halen, als er nu niet een einde komt aan -de zaak!” - -„Ik hoop het van ganscher harte!” antwoordde Alfred Hopp op eerlijken -toon. - -Bij elk station, waar de trein stopte, verlieten de beambten den -waggon. Baxter had besloten om af te wachten tot de trein het station -B. bereikt zou hebben, waar hij Raffles kortweg zou arresteeren en naar -de gevangenis brengen. - -Raffles stapte werkelijk nergens uit. - -Eindelijk had de trein het eindstation B. bereikt. - -Op een drafje snelde Baxter hijgend van inspanning, langs de wagens, -gevolgd door den mageren Hopp. - -Baxter opende de deur van de coupé, waarin Raffles zat, en keek naar -binnen. - -Een oogenblik bleef hij als vastgenageld op de treeplank staan. - -Daarop klom hij naar binnen, waar de anderen hem volgden en, -verbleekend, riep hij uit: - -„Wat is hier gebeurd? Staat de geheele wereld op haar kop?” - -„Maar help mij toch!”, smeekte een oude heer in de coupé. „Ziet gij dan -niet, dat ik aan handen en voeten gebonden ben?” - -Hij, die deze woorden sprak, was een grijsaard van ongeveer -vijf-en-zestig jaar. - -Hij was inderdaad aan handen en voeten gekneveld en sprak met van -ontroering heesche stem. Met doffe oogen keek hij naar de beambten op. - -„Snel, snel!” riep hij op klagenden toon. „Mijn portefeuille! Blijf -hier toch niet werkloos staan! Drieduizend pond zijn mij ontstolen!” - -„Maar wie deed dat?” vroeg inspecteur Baxter op verbaasden toon. - -„Wie?” kermde de oude heer. „Vraagt gij ook nog wie? Raffles! Raffles -heeft mij overvallen en mij bestolen!” - -Ook de jonge Hopp was sprakeloos. Hij vreesde, door den inspecteur ter -verantwoording te zullen worden geroepen en daar hij niet van -onaangenaamheden hield, maakte hij zich ijlings uit de voeten. - -Intusschen luisterde Baxter naar de mededeelingen van den ouden heer, -die nauwkeurig aangaf, in welke richting Raffles was gevlucht. - -Onmiddellijk werd jacht gemaakt op den gauwdief. - -De politiebureaux in de omgeving van Londen kregen telefonisch bericht -en Baxter maakte zich met zijn lieden gereed om den vluchteling in te -halen, terwijl de oude heer zijn adres opgaf en naar zijn hotel reed. - -Des avonds om tien uur werd Raffles gevangen genomen. - -Wel had hij wanhopige pogingen gedaan om te ontsnappen, maar hij was -aan alle kanten omsingeld en wist zich niet meer te redden. - -Een korte, wanhopige strijd ontstond, maar het einde hiervan was, dat -Raffles, die nog had getracht zich door vermomming onkenbaar te maken, -naar de Londensche gevangenis werd gebracht. - -Den volgenden dag weerklonk de naam van Raffles weer door de Londensche -straten. - -„Raffles gevangen genomen”, zoo luidden de berichten, „Raffles in de -gevangenis”, „Raffles ontkent”, „Raffles beweert, iemand anders te -zijn, maar hij wil niet zeggen, wie!”, „Raffles beweert, dat hij een -Franschman is en dat hij papieren bij zich heeft gedragen op naam van -Lord Lister!”, „Lord Lister is Raffles!” - -Zoo klonk het luid geschreeuw op alle hoeken van straten, waar -courantenventers stonden. - -Men vocht om de nieuwsbladen. - -Men verslond den inhoud, de bijzonderheden omtrent de aanhouding van -Raffles en zijn laatste streek, de berooving van een reiziger. - -Het was werkelijk noodeloze moeite, dat Raffles alles ontkende. - -Men had het bedrag, dat hij den reiziger had ontstolen, in, in zijn -bezit gevonden. - -Inspecteur Baxter zelf overhandigde den bestolene het geld. - -Raffles, die eindelijk inzag, dat hij verloren was, bekende, dat hij -werkelijk de groote onbekende was. - -De behandeling der zaak zou over twee maanden plaats vinden. - -Maar op den tweeden dag na de inhechtenisneming van Raffles geschiedde -iets, wat men niet had verwacht. - -De rechter van instructie, die de zaak leidde, werd op dien dag -telefonisch opgebeld. - -„Zijt gij het, mijnheer de rechter van instructie? Ja? Ik heb vernomen, -dat gij voortdurend op Raffles schimpt. Kent gij dien Raffles -persoonlijk? Ja?” - -De rechter van instructie, verbaasd en woedend tegelijk, omdat iemand -het waagde, hem in zijn werkuren te komen storen, antwoordde door de -telefoon: - -„Zeker ken ik Raffles. Hij verschaft mij werk genoeg met al zijn -streken en ik vind, dat hij lang niet zoo knap en elegant is als men -hem altijd heeft beschreven.” - -„Zoo?” klonk het op spottenden toon. „Nu, ik heb er wel eens anders -over hooren spreken. Wanneer heeft de behandeling der zaak plaats?” - -„Over twee maanden. Adieu.” - -„Nog een oogenblikje, heer rechter. Raffles zal niet tegenwoordig zijn -bij die behandeling.” - -„Zoo? Ik zal er wel voor zorgen, dat hij aanwezig is, waarde heer!” - -„En ik verzeker u, dat hij er niet bij tegenwoordig zal zijn!” - -„Hoe kunt gij dat zoo nauwkeurig weten? Wilt gij mij voor den gek -houden?” - -„Volstrekt niet. Ik heb te veel respect voor u. Maar ik herhaal, dat -Raffles niet zal verschijnen.” - -Nu begon het gesprek den rechter van instructie te vervelen. - -Hij belde af. - -Twee minuten later trad de directeur van de gevangenis, waarin Raffles -was opgesloten, bij hem binnen. - -„Een oogenblik, heer rechter van instructie. Ik ontvang daar juist een -brief, waarin Raffles mij meedeelt, dat hij in geen geval bij de -behandeling van zijn zaak zal tegenwoordig zijn.” - -„Wat?” riep de ander uit. „Och kom!” vervolgde hij na een oogenblik -nadenken, „de een of andere onbeschaamde vlegel houdt ons voor den -gek!” - -De gevangenisdirecteur haalde zijn schouders op. - -„Dat dacht ik ook. Maar het ongelukkige is, dat wij hebben uitgemaakt, -dat deze brief onbetwist door Raffles zelf moet zijn geschreven.” - -„Maar beste directeur, dat is immers onmogelijk. Raffles is bij u -gedetineerd. Gij zult zeker zelf het beste weten, of hij in zijn cel -een brief kan schrijven en dezen op de post bezorgen. Kan dat?” - -„Datzelfde heb ik al honderd keer tegen mijzelf gezegd. Maar ik kan die -gedachte niet van mij afzetten. Reeds driemaal heeft men mij opgebeld -en telkens beweerde men, dat het Raffles was, met wien hij sprak. - -„Ik ben er zenuwachtig van en kan mijn gedachten niet meer bij elkaar -houden. Die Raffles—” - -De directeur werd gestoord door het luide geschreeuw van een -courantenjongen, die onder het raam schreeuwde: - -„Een nieuwe streek van Raffles! Raffles als inbreker, terwijl hij in de -gevangenis zit! Raffles, de toovenaar! Een diefstal van twee millioen -ten huize van Isaac Robinstein.” - -De beide heeren keken elkaar met doodsbleeke gezichten aan. - -In hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en de landsadvocaat trad -binnen. - -„De couranten weten het natuurlijk alweer! Ik kom zojuist van de villa -Robinstein, heeren! Twee millioen is daar gestolen. - -„De dief is binnengedrongen op de meesterlijkste wijze. Hij heeft de -brandkast vernield en twee millioen gestolen. - -„Als ik Robinstein niet kende als een gewetenlooze woekeraar, zou ik -medelijden met hem hebben. - -„Mijnheer de rechter van instructie, wat zegt gij van dezen brief?” - -De advocaat wierp, een stuk papier op tafel. Hierop stond: - - - „Ik ben zoo vrij, u mede te deelen, dat ik het baantje van - strafrechter op mij heb genomen, omdat tot dusverre geen enkele - bevoegde autoriteit zich de moeite heeft gegeven, maatregelen te - nemen tegen de schandelijke praktijken van den te dezer stede - welgestelden Isaac Robinstein. - - „Ik zal het geld aanwenden voor de armen, wier schuldeischer hij - is. - - „Ik zou gaarne nog veel interessante bijzonderheden openbaar maken, - die ik te weten, ben gekomen uit de particuliere correspondentie - van Robinstein, maar de tijd ontbreekt mij, want over een kwartier - moet ik alweer in mijn cel zitten. - - „JOHN C. RAFFLES.” - - -De rechter van instructie sloeg met de hand op tafel, zoodat het papier -in de hoogte sprong. - -„Ongelooflijk! Ik word gek! O, die Raffles! Ik wou, dat hij veranderde -in een zoutpilaar. Het is om dol te worden!” - -De directeur der gevangenis balde de vuisten. - -„Ik kan u verzekeren, dat Raffles in de gevangenis zit,” sprak hij -tandeknarsend, „dat de wacht elke twee uur de ronde doet en dat het tot -de allergrootste onmogelijkheden behoort, dat hij ook maar een enkel -oogenblik zijn cel zou hebben verlaten!” - -„Ik zou aan bedrog denken,” sprak de landsadvocaat op diepzinnigen -toon, „als de inbraak bij Robinstein niet op zoo geniale wijze op touw -was gezet! Dat was het werk van Raffles! En ook deze brief kan van -niemand anders komen!” - -„Ik word krankzinnig!” riep de rechter van instructie uit. - -Hierop belde hij en beval den binnentredenden bediende om Raffles -binnen te brengen. - -Tien minuten later werd Raffles binnengebracht. - -De drie heeren keken hem aan met blikken vol woede, maar tegelijkertijd -met verholen bewondering. - -„Staat gij in eenige relatie met de buitenwereld, Raffles?” vroeg de -rechter van instructie. - -Raffles schudde het hoofd. - -„Neen, Edelachtbare.” - -„Zult gij er eindelijk eens mee ophouden ons nog langer voor den gek te -houden?” - -„Ik denk er niet aan, Edelachtbare, om u voor den gek te houden!” - -De rechter van instructie opende een sigarenkistje en keek den -beschuldigde met half toegeknepen oogen aan. - -„Ga zitten, Raffles. Wilt gij een sigaar opsteken? Echte havanna’s! Gij -zijt een goede sigaar gewend, Raffles! Luister eens! Wilt gij eenige -gunsten? - -„Er zal waarschijnlijk niets op tegen zijn, dat gij af en toe een glas -wijn drinkt. Gij zijt tot nu toe immers nog slechts in voorarrest. - -„Maar zeg mij in ’s hemels naam, wat gebeurt er in Londen?” - -Raffles stak langzaam een sigaar op, blies de rookwolken naar het -plafond en sprak: - -„Ik heb al betere sigaren gerookt, Edelachtbare. Tegen den wijn heb ik -geen bezwaar. - -„Voor de rest ben ik niet van plan, op een uwer vragen te antwoorden.” - -„Kerel! Zijt gij dol? Ik wil weten, wat die inbraak bij Robinstein te -beduiden heeft!” - -„Bij Robinstein? Dat ben ik geweest, Edelachtbare.” - -„En gij zit in uw cel?” - -„Ik werd uit mijn cel afgehaald, Edelachtbare.” - -De rechter sprong op en riep den cipier toe: - -„Breng Raffles weg! De sigaren en den wijn mag hij niet hebben!” - -Nadat Raffles weggeleid was, sprak de rechter van instructie: - -„Wat nu, heeren?” - -„Ja, wat nu?” - -Op dit oogenblik belde de telefoon. - -„Hier rechter van instructie. Wie daar? Wie? Raffles? Groote Hemel!” - -Intusschen klonk hef door de telefoon: - -„Waarom moet ik weer terug in mijn cel, Edelachtbare? Een dergelijk -verhoor heeft immers niet de minste waarde! Laat mij eindelijk met -rust! Op de openbare zitting verschijn ik toch niet!” - -„Van waar uit telefoneert gij eigenlijk?” - -„Op het bijpostkantoor no. 29, Edelachtbare. Maar ik ben allang weer -weg, als de politie komt!” - -„En zijt gij Raffles?” - -„Ik ben Raffles, op mijn woord van eer! Adieu!” - -De rechter van instructie hing de telefoon aan den haak en deelde den -beiden heeren den inhoud van het gesprek mee. - -„Ik word krankzinnig!” zoo eindigde hij als gewoonlijk. - -De directeur der gevangenis echter sprak: - -„Er blijft ons nog één ding over: Ik zal Raffles in zijn cel laten -bewaken. Een tweeden wacht zal ik dag en nacht voor de cel laten -patrouilleeren. - -„Gij, heer rechter van instructie, wilt er zeker wel voor zorgen, dat -de gevangenis door voldoende politiemacht wordt omsingeld. - -„Al gelukt het ons ook niet, het geheimzinnige in deze zaak uit te -visschen, in elk geval moeten wij Raffles beletten, uit te breken.” - -Dit plan vond instemming. - -De drie heeren overlegden alles nog eens breedvoerig, daarop keerde de -advocaat naar zijn bureau, de directeur naar de gevangenis terug. - -Op straat werd hij opgehouden door een grooten volksoploop. Hij boog -zich uit het raampje van zijn rijtuig en vroeg: - -„Wat is hier gebeurd?” - -„Men heeft Raffles hier zooeven gezien!” riep een man, „maar hij is -alweer weg!” - -„De duivel moge u allen te zamen halen,” bromde de directeur, terwijl -hij zich weer in het rijtuig terugtrok. - -„Als het zoo doorgaat, wordt geheel Londen krankzinnig!” - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -EEN GENIALE STREEK. - - -De landsadvocaat was een van de meest gevreesde juristen in Londen. -Zijn welsprekendheid overtrof alles wat men ooit in Engelsche -rechtszaken had gehoord; zijn logica was scherp—maar het was jammer, -dat hij aan zijn bekwaamheden een groote mate van zelfingenomenheid -paarde. - -Het gebeurde slechts zelden, dat een beschuldigde, die in handen viel -van den landsadvocaat, het gerechtsgebouw op vrije voeten weer verliet, -of hij schuldig dan wel onschuldig was. - -Hoogst zelden gelukte het een verdediger, het fijne net, dat de -openbare aanklager wist te spannen, te vernietigen. - -Het proces tegen Raffles, den grooten onbekende, naderde. - -Nog slechts twee dagen moesten verloopen en heel Londen wachtte -gespannen. - -De dames en heeren uit de voornaamste kringen vochten om de -entreekaarten, want het gold hier een sensatiezaak, zooals Londen ze -zelden beleefde. - -De landsadvocaat was vrijgezel. - -Zijn enorme rijkdom maakte hem volkomen onafhankelijk. Hij bezat een -bijna vorstelijk huis in Regentpark. Het was geheel volgens zijn eigen -smaak ingericht. - -Somber en grijs zag het er uitwendig uit en ook van binnen was het -somber, antiek en zonder eenige moderne opschik of weelde. - -Het was twaalf uur in den nacht toen de advocaat de trap van zijn -woning opging. Hij zond zijn bediende reeds in de gang heen, want hij -wilde nog werken en wenschte daarbij niet gestoord te worden. - -Hij nam plaats bij de tafel in zijn studeerkamer en haalde een lijvigen -aktenbundel te voorschijn, waarop in dikke, ronde letters stond: - - - RAFFLES. - - Daaronder stond: - - Aangeklaagd wegens diefstal, inbraken, vrijheidsberooving, - beleediging van beambten, bespotting der autoriteiten, vergrijpen - tegen stedelijke verordeningen, betreffende het rijden met rijwiel - of auto, enz. enz. in meer dan negen en dertig gevallen. - - -De advocaat boog zich over de akten en zette de openbare aanklacht op -papier, een combinatie van logische gedachten en gevolgtrekkingen, in -welk net Raffles verward moest raken, zonder een enkelen uitweg te -kunnen vinden. - -Terwijl de advocaat schreef, was het doodstil in de kamer. Slechts af -en toe kraakte het in een der oude eikenhouten meubelen. - -Zwijgend keken de schilderijen uit hun omlijstingen neer op den laten -werker. - -De advocaat keerde het blad papier om—maar met een onderdrukten kreet -sprong hij op. - -Deze bladzijde was reeds beschreven. - -Hij vertrouwde zijn oogen niet. - -Opnieuw boog hij zich over het blad, hij zette zijn lorgnet op—maar het -veranderde niet; dit blad was reeds beschreven. - -In koortsachtige haast sloeg hij de vorige bladzijden op—hij wist -zeker, hoeveel hij geschreven had—hij wist zeker, dat de volgende -bladen nog leeg waren geweest. - -„Ik ben opgewonden!” sprak hij tot zichzelf. „Dat komt van de alcohol!” - -Daarop nam hij zijn horloge in de hand en volgde driemaal den langzamen -cirkelgang van de secondewijzer. - -„Maar ik ben toch volkomen nuchter!” riep hij woedend uit. „En dit blad -is nog altijd beschreven!” - -Het was zijn eigen schrift. Hij was dus krankzinnig of— - -Ja, was er dan een andere mogelijkheid? - -Maar moest hij dan gelooven, dat hij gek was? Neen! Een dergelijk geval -was in zijn familie nooit voorgekomen! En dat dit zoo opeens gekomen -was—neen! Neen! - -Hij boog zich over het papier, want hij bedacht, dat hij nog niet -gelezen had wat er op het papier stond. - -In het kleine, krabbelige schrift, dat geheel overeenkwam met zijn -eigenaardig karakter, stond er het volgende: - -„Zonder twijfel zal ik mij niet meer herinneren, dat ik deze regelen -neergeschreven heb, want mijn stemming verandert elk uur. - -„Maar zooveel is zeker, dat ik op de een of andere wijze een weg moet -zoeken om mijzelf duidelijk te maken dat, wat waarheid is en wat ik in -een helder oogenblik begrepen heb. - -„Raffles is onschuldig! - -„Raffles is volkomen onschuldig! Ik zal deze woorden zoolang herhalen, -totdat ik ze eindelijk geloof, want het zou grenzenloos onrechtvaardig -zijn om Raffles te veroordeelen! - -„Verder beveel ik mijzelf op dit oogenblik, mij niet van mijn plaats te -begeven, mijn hand niet van het papier weg te nemen, geen oogenblik te -trachten op te staan of naar een revolver te grijpen, maar doodstil, -als onder den invloed van persoonlijk magnetisme, te blijven zitten. - -„En dan beveel ik mijzelf, het hoofd langzaam op te heffen en mijn oog -te richten op het groote portret in olieverf van Chamberlain, dat -tegenover mij hangt.—” - -De advocaat vergat, zijn mond te sluiten; langzaam, heel langzaam hief -hij zijn hoofd op en keek naar het portret, dat vlak tegenover hem hing -en een gevoel van verlamming maakte zich van hem meester. - -De advocaat uitte een kreet van verrassing en schrik. Hij wendde het -hoofd af en keek daarna weer opnieuw naar het schilderij dat in zijn -zware eikenhouten lijst aan den donkeren muur hing—en opnieuw stiet hij -een half onderdrukten gil uit—het hoofd van Chamberlain leefde, het -bewoog de oogen, het zag hem aan met een dreigenden blik. Een glimlach, -die niet bij dat gelaat paste, speelde om den mond, een brutaal -glimlachje, dat nu zoo waar overging in een luid, ongedwongen lachen, -en nu—waarachtig, nu kwam de geheele figuur uit de omlijsting te -voorschijn en naderde den advocaat. - -Nu had deze echter zijn zelfbeheersching terug gekregen. - -Buiten zichzelf van woede sprong hij op en riep: - -„Ellendeling! Hoe durft gij het wagen, zoo met mij te spelen? Wie zijt -gij?” - -De ander glimlachte, streek met zijn blanke, goedverzorgde hand over -zijn onberispelijken rok en antwoordde: - -„Raffles!” - -Vernietigd, gebroken, zuchtend zonk de advocaat in zijn stoel terug. - -„Raffles!” herhaalde hij. „Raffles! Raffles en altijd weer Raffles! -Maar zijt gij dan de duivel in eigen persoon? Hoe komt gij hier?” - -„Langs den gewonen weg, mijnheer, langs de trap en door de deur. Ik was -echter tot mijn spijt genoodzaakt om gebruik te maken van een valschen -sleutel!” - -De advocaat keek den ongenoodigden bezoeker aan. - -Inderdaad, het was dezelfde persoon, die in de gevangeniscel achter -slot en grendel zat. Zijn hand greep naar de telefoon, maar bliksemsnel -belette Raffles hem dit. - -„Geen alarm, mijnheer! Ik begrijp, dat mijn bezoek u verbaast. Maar ik -wil het u niet langer lastig maken. Ik zou uw woning al verlaten hebben -voordat gij thuis kwaamt, maar toevallig verscheent gij tien minuten -eerder dan ik had berekend.” - -„Zijt gij dan al langer hier?” vroeg de advocaat, terwijl zijn arm -heel, heel langzaam, zoodat Raffles het onmogelijk kon merken, naar -beneden gleed in de schuiflade, waarin de revolver lag. - -„Gij staat mij zeker toe om plaats te nemen? Ik vermoed, dat gij -verschillende vragen tot mij te richten zult hebben.” - -En Raffles nam plaats, haalde zijn cigarettenkoker te voorschijn, bood -die den advocaat aan en vroeg: - -„Kan ik u dienen? Uitstekende sigaretten! Regelrecht uit Constantinopel -ingevoerd!” - -De advocaat hief met afwerend gebaar zijn hand op. - -„Ik dank u! Ik rook geen sigaretten!” - -Raffles glimlachte, streek een lucifer af en eenige oogenblikken later -blies hij de fijne, blauwe, geurige rookwolkjes om zich heen. - -Op hetzelfde oogenblik werd een lade met kracht opengerukt en de -advocaat stond met een opgericht hoofd als een God der Wraak voor den -indringer, wien hij een zesloops revolver voorhield. - -„Op de knieën, ellendeling! Het spel is uit—gij zijt in mijn macht!” - -Maar Raffles bleef kalm zitten. Hij strekte zijn lange beenen nog -verder uit, blies den cigarettenrook behaaglijk in de lucht, trok de -wenkbrauwen op en vroeg: - -„Waarom windt gij u zoo op? En waarvoor is het noodig, dat ik kniel? -Dat strijdt ten eenenmale met mijn principes. Als gij zoo ongastvrij -zijt, zal ik liever uw woning verlaten.” - -„Neen, dat zult gij niet!” - -„Niet? Ik dacht, dat gij mij graag kwijt zoudt zijn! Ik heb echter den -tijd!” - -„Geen gekheid, alstublieft! Als gij niet binnen drie seconden de armen -in de hoogte strekt, jaag ik u een kogel door de hersens.” - -„Maar dat zou immers een moord zijn! Gij bevindt u immers niet in -levensgevaar! Bedenk eens, welk een vreeselijke aanklacht gij dan tegen -uzelf zoudt moeten houden! Gij zult toch niet een onschuldig mensch, -zooals ik ben willen doodschieten?” - -De advocaat dacht er niet over om Raffles dood te schieten. Hij wilde -hem alleen een kogel door den rechter arm jagen, opdat hij zich niet -meer zou kunnen verdedigen. - -Toen dus zijn laatste bevel niet werd opgevolgd, stond de advocaat op -om zijn bediende te bellen. - -„Doe geen moeite!” sprak Raffles. „Ik heb de bel afgezet!” - -„In ’s hemels naam, denkt gij dan aan alles?” - -„Ja, aan alles, mijnheer!” - -Maar de voorname ambtenaar had er nu genoeg van om zich te laten -beetnemen. Hij pakte den indringer woedend beet en trachtte hem op den -vloer te werpen. Was het echter slechts toeval of bezat Raffles een -buitengewone kracht en behendigheid—inplaats van Raffles viel de -aanvaller zelf op het tapijt. - -In het volgende oogenblik echter stond de advocaat weer tegenover -Raffles, hij hief zijn revolver op en hield die met uitgestrekten arm -zijn tegenstander voor de oogen. - -„Op de knieën of ik schiet, er moge van komen wat er wil!” - -„Ik zei u immers al, dat ik niet kniel!” antwoordde Raffles op -onverschilligen toon. „Waarom? Ik ben niet van plan, mijn pantalon -stoffig te maken!” - -„Ik schiet!” - -„Gerust, mijnheer! Dat ding geeft immers toch geen vuur!” - -„Gij vergist u! Ik heb de revolver zelf geladen!” - -„Best mogelijk! Maar ik haalde de patronen er weer uit!” - -De advocaat drukte af. - -Inderdaad, de revolver was niet geladen! - -Bevend van woede zonk hij in zijn stoel terug en met vonkelende oogen -keek hij den man aan, die zijn gevaarlijk spel dreef met iedereen, die -zijn weg kruiste. - -„Nu zult u wel inzien, mijnheer, dat het de verstandigste partij is om -mij weer te laten heengaan.” - -Raffles keek op zijn horloge. - -„Ik moet over een half uur weer in de gevangenis terug zijn, mijnheer, -ik moet mij dus het genoegen ontzeggen, u verder gezelschap te houden.” - -Raffles haalde een revolver te voorschijn. - -„Deze is geladen! Ik verzoek u het mij op geen enkele manier moeilijk -te maken om uw huis te verlaten, ik zou anders genoodzaakt zijn vuur te -geven! - -„Vaarwel en denk nog eens aan mij! - -„A propos—op de terechtzitting kom ik niet, Edelachtbare!” - -De advocaat antwoordde: - -„En als ik het je nu eens vriendelijk, verzocht, Raffles? Gij bezit -immers zoo bijzonder veel moed! Zijt gij bang om te verschijnen?” - -Raffles glimlachte. - -„Volstrekt niet! Als het u genoegen doet—” - -„Zeer zeker, Raffles. Dus je komt?” - -„Met genoegen! Omdat gij het zoo gaarne hebt, mijnheer de advocaat, zal -ik u dat pleizier doen!” - -„Op uw eerewoord?” - -„Op mijn woord van eer!” - -De advocaat knikte. - -„Vaarwel!” - -Raffles maakte een beleefde buiging, hoffelijk als een echte gentleman -en ging naar de deur. - -De advocaat was hem ondanks de hem afgeperste belofte, graag achterna -gesneld, maar Raffles hield zijn revolver steeds gereed. - -Eerst nadat hij de deur achter zich gesloten had, stak hij het -gevaarlijke wapen weer bij zich, terwijl hij mompelde: - -„Waar zoo’n cigarettenknipper al niet goed voor is!” - -En met langzame schreden daalde hij de trap af. - -De advocaat wachtte eenige oogenblikken, daarna snelde hij naar de deur -om zijn bediende te roepen. - -Maar de deur was op slot. Woedend zocht hij naar den sleutel—maar -Raffles had er blijkbaar voor gezorgd, dat die aan de buitenzijde in -het slot stak, en had de deur gesloten, toen hij heenging. - -Toen liep de jonge advocaat naar de telefoon om het dichtbij gelegen -politiebureau op te bellen—maar eer er iemand kwam, was er van Raffles -geen spoor meer te ontdekken. - -Wel deed hij nog de onaangename ontdekking, dat Raffles uit zijn -brandkast vijfhonderd pond had meegenomen. - -Op de plaats, waar het pakje papiergeld had gelegen, vond hij een -briefje van den volgenden inhoud: - -„De verdedigers vragen tegenwoordig een groot honorarium, mijnheer. En -omdat ik een knap jurist noodig heb, ben ik zoo vrij, dezen uit uw -middelen te betalen, want gijzelf dwingt er mij toe, een advocaat te -nemen. Het is dus niet meer dan billijk, dat gij zelf mijn verdediger -betaalt!” - -De advocaat was verpletterd.— - -Raffles begaf zich terug naar het Metropol-hotel. - -Charly Brand wachtte reeds op hem met groot ongeduld. - -„Eindelijk!” riep Charly hem toe. „Ik ben doodelijk ongerust over je! -Als dit avontuur maar goed afloopt!” - -Raffles ontdeed zich van zijn pels, nam in den ruimen leunstoel plaats -en sprak: - -„Het zal evengoed afloopen als zoovele andere, Charly!” - -„Alle couranten staan vol over je onbegrijpelijke handelwijze,” sprak -Charly na een poosje. „Vertel mij toch eens, hoe het mogelijk is, dat -de politie je in de gevangenis denkt, terwijl je tegelijkertijd -bezoeken aflegt, bij de overheidspersonen zelf!” - -„Och, dat hangt van een kleinigheid af!” antwoordde Raffles lachend. -„Ik heb je immers verteld, dat ik op mijn reis naar Londen werd -overvallen door een of ander sujet. Eerst was ik van plan, dien kerel -zijn vrijheid weer te verschaffen, maar ik ben er achter gekomen, dat -hij niet minder dan drie moorden op zijn geweten heeft. Hem zal ’k dus -zijn rechtvaardige straf niet onthouden. - -„Maar ter zake: - -„Die kerel overviel mij, toen hij meende, dat ik sliep. Hij gaf mij een -slag op de hersens, die ten gevolge had, dat ik een paar seconden lang -duizelig was. Ik deed echter, alsof ik bewusteloos was. - -„De kerel nam mij toen alles af, wat ik bij mij had: mijn geld, mijn -papieren, die op naam van lord Lister waren gesteld,—enfin, alles! -Daarop haalde hij een mes te voorschijn en wilde mij de keel afsnijden. - -„Je begrijpt, mijn jongen, dat ik mij toen niet langer bewusteloos -hield, van dergelijke dingen moet ik niets hebben. - -„Ik sprong daarom plotseling op, gaf een slag tegen zijn reeds -opgeheven arm en gaf den schurk zulk een geweldigen trap, dat hij als -een blok hout tegen de deur van de coupé vloog, welke blijkbaar zoo -slecht gesloten was, dat zij openvloog en de kerel hals over kop van -den spoordijk afrolde. - -„Mijn plan stond dadelijk vast. - -„Ik wist, dat zich politiemacht in den trein bevond en dat men mij aan -het station in Londen gevangen wilde nemen. Ik moest dus zorgen, dat -dit laatste hun niet kon gelukken en tevens wilde ik mijn geld -terughebben, dat de schurk mij ontstolen had. - -„Je weet, beste Charly, ik bezit een middel om mij totaal onkenbaar te -maken. Ik maak er zelden gebruik van, omdat het altijd een paar dagen -duurt eer ik door middel van warme baden, massage, enz. de uitwerking -van het middel weer heb uitgewischt. - -„Het is een bijtend vocht, dat de huid als perkament verdroogt en tot -rimpels samentrekt. - -„Wilde ik aan het gevaar ontkomen, dan moest ik dit middel nu -aanwenden. Daar ik altijd een baard bij mij heb, kon ik mijzelf binnen -vijf minuten veranderen in een grijsaard van zeventig jaar. Met mijn -haarverfkam voltooide ik de vermomming. Ik streek er mede door mijn -haar, dat oogenblikkelijk sneeuwwit werd. - -„Daarop boeide ik mijzelf en leverde mij zoo aan de politie over, die -van haar kant de goedheid had, mij het gestolen geld terug te brengen -en den gevluchten bandiet voor Raffles te houden, hoewel er veel -phantasie voor noodig is om eenige gelijkenis tusschen ons beiden te -ontdekken. - -„De kerel was echter in het bezit van mijn papieren en de politie kwam -natuurlijk niet op de gedachte, dat ook die weleens gestolen konden -zijn. - -„De misdadiger heeft alle reden, om zijn identiteit te verbergen, want -dan kwam hij ongetwijfeld op het schavot. Hij gaat daarom veel liever -voor Raffles door en zoodoende gelukte het tot in dit oogenblik om het -bedrog door te zetten. De gevangene behoeft slechts alles te bekennen, -wat ik doe. - -„Als de politie dien zoogenaamden Raffles eens had uitgevraagd, zou het -geheele bedrog aan het licht zijn gekomen. - -„Natuurlijk heb ik in den laatsten tijd de gevangenis voortdurend in -het oog gehouden en zoo was het mij bijvoorbeeld mogelijk, om twee -minuten nadat de pseudo Raffles door den rechter van instructie was -verhoord, dien heer op te bellen en hem mede te deelen, dat het -nutteloos was, mij voortdurend lastig te vallen. Ik had den -gevangenwagen zien voorrijden en kon er mij toevallig van overtuigen, -dat de valsche Raffles juist van een verhoor teruggebracht werd.” - -„En wat moet er nu gebeuren, beste vriend?” vroeg Charly, die den -spreker vol bewondering had aangehoord. - -„Eerst zullen wij onze rekening hier betalen, Charly, want wij zullen -weer van woning moeten veranderen. En daarop zal ik morgen een bezoek -gaan brengen bij mijn advocaat Newman.” - -„Je bedoelt dien dr. Newman, die de verdediging op zich heeft genomen -van den voorgewenden Raffles?” - -„Ja. Het is noodig, dat ik hem nog van eenige kleinigheden op de hoogte -breng.” - -„En dan?” - -Raffles leunde behaaglijk in zijn stoel achterover, en keek zijn vriend -glimlachend aan. - -Daarop deelde hij hem een nieuw plan mede, bij welk verhaal Charly -Brand in komische wanhoop de handen boven zijn hoofd samensloeg. - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Twee dagen waren voorbijgegaan. - -De groote rechtzaal in het Paleis van Justitie was overvol. De openbare -aanklager was zenuwachtiger dan men dit van hem gewend was. - -Toen de beklaagde werd binnengebracht, werd een algemeen gemompel -vernomen. De voorname dames en heeren, die de verhandeling bijwoonden, -deelden elkaar hun opmerkingen mede, fluisterden elkaar toe, welken -indruk de groote onbekende op hen maakte. - -Over het algemeen was men teleurgesteld. Men had zich hem veel -eleganter, grooter, knapper gedacht. Ook scheen hij reeds door het -gevangenisleven geleden te hebben. Zijn gang was min of meer sleepend -en toen hij de eerste vragen van den voorzitter beantwoordde, zag men -menigeen onder het publiek de schouders ophalen. - -„Hij spreekt als een echte plebejer!” meende de een. „Hebt gij zijn -handen gezien?” vroeg een jonge dame. „Hij heeft handen als een -slager!—En zijn oogen! Daar zou ik nooit verliefd op worden!”— - -Andere dames protesteerden. Zij vonden Raffles bekoorlijk, -verrukkelijk! Ja, eenige van haar werden beurtelings bleek en rood, als -zij naar hem keken en een dame tusschen de twintig en vijftig viel van -verrukking in onmacht. - -In de advocatenbank had de verdediger van Raffles plaats genomen. - -Op de eerste drie dagen der zitting viel niets bijzonders voor. Raffles -verdedigde zich zeer onhandig, raakte verward door de vele strikvragen, -die hem gedaan werden, sprak zichzelf dikwijls tegen—in het -kort—niemand twijfelde eraan of hij zou tot minstens twintig jaar -veroordeeld worden. - -Men stelde geen belang in hem. - -Op den vierden dag kregen de pleiters het woord. - -De openbare aanklager was opgestaan. - -De rede, die hij hield, was zeer zeker een meesterstuk van -welbespraaktheid. Als een stroom vloeiden de woorden van zijn lippen. -De geheele akte van beschuldiging was in elkaar gezet als een hecht -gebouw, waaraan geen enkel steentje ontbrak! - -Het was een vurige, overtuigende rede, waarvan echter elke zin en elk -woord wel overwogen was. - -Een zucht ging door de menigte, toen de openbare aanklager zweeg. - -Twintig jaar had hij geëischt. - -„En die krijgt hij ook!”—was de publieke opinie. - -Nu stond dr. Newman, de verdediger van Raffles op. - -„Edelachtbare Heeren!” zoo begon hij. - -„Ik moet heden een pleidooi voor u houden, dat de grootste verwondering -zal opwekken. - -„Er is hier sprake van een lange reeks strafbare handelingen, gepleegd -door mijn cliënt. Ik zal niet op de zaak zelf ingaan; ik wil alleen -wijzen op de beweegredenen en bedoelingen, die mijn genialen cliënt -bewogen hebben om te handelen zooals hij deed. - -„Raffles is zonder twijfel een genie, dat heeft zelfs de openbare -aanklager erkend. Raffles heeft nooit, geen enkelen keer, de geldsommen -welke hij zich toeeigende voor zichzelf gebruikt. Raffles is geen dief, -zooals de openbare aanklager dit noemt. Raffles is ook geen inbreker, -Raffles is zelfs, volgens menschelijke opvatting, niet eens verplicht -om hier als beklaagde te verschijnen, om zich door zijn medemenschen te -laten veroordeelen en straffen! - -„De maatschappij is integendeel dezen genialen man grooten dank -verschuldigd, want hij is het, die tracht om eenigszins goed te maken, -wat er in onze onrechtvaardige, verdorven maatschappij aan -wantoestanden bestaat. - -„Raffles heeft ontelbare tranen gedroogd. Hij heeft ongelukkigen voor -den dood bewaard, door hun tijdig hulp te verschaffen. - -„Raffles heeft meisjes en vrouwen, die reeds aan den rand van den -afgrond stonden, op het laatste oogenblik de reddende hand gereikt. - -„Den kapitalisten kost het geen moeite om rechtvaardig te zijn en hun -dochters voor schande te bewaren. Maar zij, die ellendig en arm zijn, -die geen brood hebben om hun honger te stillen, die niet kunnen -genieten van zonneschijn en frissche lucht,—zij hebben geen beschermer -of raadgever, alleen vijanden, die klaar staan om hen in den afgrond en -het verderf te storten, door middel van de voordeelen, die verbonden -zijn aan het bezit van hun kapitaal. - -„Raffles heeft begrepen, dat de dochters der armoede een beschermer -noodig hebben, maar ook heeft hij begrepen, dat de armen recht hebben -op een deel van de enorme kapitalen, welke zich in handen van enkelen -ophoopen. Raffles heeft begrepen, dat de ongelukkigen, de vertrapten, -de onterfden, die door onrechtvaardigheid terneergedrukt worden en hun -ellendig lot moeten dragen, aanspraak mogen maken op hulp en redding. - -„En omdat hij inzag, dat geen enkele van hen, die zich de -rechtvaardigen noemen, zich het lot dier armen en ongelukkigen aantrok, -daarom trad hij op om de weenenden te troosten, de wanhopigen te -redden, den bedroefden zonneschijn te brengen, de vallenden te steunen -en hun, die door de maatschappij wreed werden verstooten, den weg te -wijzen om recht te vinden. - -„Raffles had in het bezit moeten zijn van ontelbare millioenen, als hij -al het grenzelooze leed, dat er uit den weg te ruimen valt, uit eigen -middelen had willen bestrijden. - -„Dit vermogen bezat Raffles niet. - -„Dit vermogen echter zijn zij, die alleen den zonnigen kant van het -leven hebben leeren kennen, schuldig aan de armen en ongelukkigen. - -„En dit vermogen wil Raffles teruggeven aan hen, die lijden. Hij -strooit het geld met kwistige hand onder hen, die het behoeven en de -maatschappij is den grootsten dank schuldig aan dezen zeldzamen man, -die zooeven door den openbaren aanklager zoo scherp veroordeeld werd. - -„Is het niet gelukkig, dat Raffles de schurkenstreken van Arthur Hopp -heeft ontmaskerd? De wandaden van den man, die steeds is beschouwd als -een der steunpilaren van de maatschappij? Arthur Hopp werd gisteren -gevangen genomen. Hij evenals zijn zoon hebben zich onmogelijk gemaakt -voor de menschelijke samenleving. - -„Dat is het werk van Raffles—inderdaad geen slecht werk! De -vijftigduizend pond, die Raffles den heer Hopp heeft ontnomen, had deze -van de armen gestolen. En aan wie heeft Raffles ze gegeven? Aan de -armen! - -„En juist omdat deze man nimmer iets uit eigenbelang heeft ondernomen, -omdat hij den armen heeft teruggegeven, wat hun wederrechtelijk -ontnomen was, eisch ik de vrijspraak van Raffles bij verstek!” - -In ademlooze spanning hadden gezworenen en publiek geluisterd. - -Toen de advocaat zweeg, sprong de voorzitter verschrikt op met den -uitroep: - -„Raffles bij verstek vrijspreken? Raffles staat hier, immers!” - -„Ik moet tot mijn leedwezen mededeelen, dat Raffles zijn belofte heeft -gehouden: Hij is niet als beklaagde verschenen!” - -Ademlooze stilte volgde. Men had een speld kunnen hooren vallen. - -De voorzitter wendde zich tot beklaagde: - -„Dat beteekent dus, dat gij Raffles niet zijt?” - -Beklaagde zweeg. - -De advocaat echter verhief zich opnieuw en vervolgde: - -„Ik meen te mogen gelooven, dat alles wat ik ten gunste van mijn cliënt -heb gezegd, de rechters heeft getroffen, vooral omdat zij zelf weten, -dat alles wat ik beweerd heb, op waarheid berust. En daarom zou de -mogelijkheid kunnen bestaan, dat de heeren, misschien uit groote -bewondering voor Raffles, dezen ellendeling, die hier als beklaagde -voor ons staat, zouden vrijspreken. - -„Deze man echter is een werkelijke misdadiger, een drievoudig -moordenaar, een van hen, van wie niets meer te redden valt, die -misdaden plegen uit zucht tot kwaad en die dus aan de gerechtigheid -moeten worden overgeleverd. Ik stel dezen beklaagde dus in handen van -het gerecht.” - -Weer ontstond een pauze. - -Daarna stelde de president den beklaagde verschillende vragen. En deze, -die begreep, dat er geen uitweg meer voor hem overbleef, dat zijn -identiteit was vastgesteld, bekende, dat hij Frits was, de reeds lang -gezochte dief en moordenaar. - -Beklaagde werd weggebracht naar zijn cel, waar hij zou blijven totdat -zijn zaak opnieuw in behandeling zou komen. - -Daarop wendde de president zich met doodsbleek gelaat tot den -verdediger: - -„Maar waar is Raffles?” - -De advocaat haalde glimlachend de schouders op. - -Nu verhief zich de openbare aanklager in zijn volle lengte met de -woorden: - -„De verdediger schilderde ons Raffles uit als een ridderlijk mensch, -waaraan de besten onder ons een voorbeeld zouden kunnen nemen. Hoe komt -het dan, dat deze man zijn woord niet houdt. Mijzelf heeft hij zijn -eerewoord gegeven, op de openbare zitting te zullen verschijnen. Hij is -niet gekomen.” - -Weer glimlachte de verdediger. - -„Gij vergist u! Hij is er. Wilt gij zoo vriendelijk zijn na afloop -dezer zitting advocaat Dr. Newman uit zijn woning te bevrijden, waar -hij is opgesloten? Ik ben Raffles!” - -Met een enkele beweging trok de spreker zijn pruik af en wreef met zijn -vingers de plooien en rimpels uit zijn gelaat. - -En allen zagen Raffles. Daar stond hij, met fier opgericht hoofd, -tusschen het publiek en de gezworenen, glimlachend om zich heen -kijkend. - -En voordat iemand der aanwezigen van zijn verbazing bekomen was, was -hij met een enkelen sprong, tusschen de verbaasde politieagenten door, -verdwenen. - -„Raffles!” - -Ontelbare monden stieten tegelijk dit woord uit en in het volgende -oogenblik snelde iedereen naar de deuren om jacht te maken op Raffles, -den grooten onbekende. - -In een ommezien stond het geheele gebouw op stelten; men holde de -trappen af, de gangen door—maar Raffles was verdwenen. - -Ook in de omliggende straten werd hij niet gevonden. - -Raffles was echter het huis niet ontvlucht. Kalm had hij een kleine -deur geopend, die zich naast de publieke zaal bevond en naar een klein -vertrekje leidde, waar de gezworenen samenkwamen om over het lot van -een beklaagde te beslissen. - -Daar had hij aan de tafel plaats genomen en een paar regels op papier -gezet. En toen het in het gerechtsgebouw weer rustig was geworden, -omdat men op straat naar Raffles zocht, had hij jas en hoed genomen, -zich gekleed en met opgeslagen kraag het gebouw verlaten. - -„Is Raffles al gepakt?” vroeg hij in het voorbijgaan aan een paar -opgewonden politieagenten. - -„Neen, heer, dokter, dat is de duivel in eigen persoon!” - -Raffles verliet lachend door een zijdeur het gebouw. - -Toen de gezworenen zich in het kleine vertrek hadden verzameld, vonden -zij op tafel het briefje van den volgenden inhoud: - - - „Ik moest mijn pelsjas en hoed nog even hier vandaan halen. Ik - groet u hartelijk! Tot weerziens! - - „RAFFLES.” - - -Zoo eindigde dit avontuur van den grooten onbekende. - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0014: DE -VERWISSELDE DETECTIVE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
