diff options
Diffstat (limited to 'old/68193-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/68193-0.txt | 10935 |
1 files changed, 0 insertions, 10935 deletions
diff --git a/old/68193-0.txt b/old/68193-0.txt deleted file mode 100644 index e07ed27..0000000 --- a/old/68193-0.txt +++ /dev/null @@ -1,10935 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of De Helden van Zuid-Afrika, by L. -Penning - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: De Helden van Zuid-Afrika - Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de - Kaapkolonie naar de Transvaal - -Author: L. Penning - -Release Date: May 28, 2022 [eBook #68193] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - file was produced from images generously made available by - The Internet Archive) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE HELDEN VAN -ZUID-AFRIKA *** - - - - - Transvaalsche - Historische Verhalen. - - DE HELDEN VAN ZUID-AFRIKA. - - Een Verhaal - uit den „Trek” der Afrikaansche Boeren uit de - Kaapkolonie naar de Transvaal - - - DOOR - L. PENNING. - - - Vierde Druk. - MET 3 GEKLEURDE PLATEN EN PORTRET. - - - GORINCHEM—F. DUYM—1900. - - - - - - - - - -VOORWOORD BIJ DEN TWEEDEN DRUK. - - -Van mijn afzonderlijk uitgegeven verhalen: „De Helden van Zuid-Afrika”, -„De Scherpschutters van Zuid-Afrika” en „De Ruiters van Zuid-Afrika” -verschijnt thans de tweede druk. - -In „De Helden” vormt de tocht der Boeren naar het onbekende noorden en -hun worsteling met Kaffers en Engelschen, in „De Scherpschutters” de -vrijheidsoorlog van 1880/81 tegen Engelsch geweld, en in „De Ruiters” -de golvende vlakte bij Krugersdorp, waar Jameson’s rooftocht zijn -smadelijk einde vond, het hoogtepunt van het verhaal. - -Het zijn drie zelfstandige verhalen, doch de draad, vastgeknoopt in „De -Helden” en doorgetrokken in „De Scherpschutters” wordt afgesponnen in -„De Ruiters”. In zoover vormen de drie verhalen één geheel, en was het -dus eene goede gedachte van den Uitgever, om ze in een Serie uit te -geven. - -Dat de Uitgever intusschen zoo spoedig tot een tweeden druk kon -overgaan, pleit voor de belangstelling, waarmede de opkomst der -jeugdige Zuid-Afrikaansche Republiek wordt gadegeslagen, en in zoover -die belangstelling den Schrijver zelven raakt, betuig ik daarvoor -zoowel aan het Nederlandsche als aan het stamverwante Afrikaansche -publiek mijn welgemeenden dank. - -Moge dan ook deze tweede Uitgave er het hare toe bijdragen, om den band -hecht en sterk te maken, die ons bindt aan de Afrikaansche Boeren, want -het is de band des bloeds! En de Boeren kunnen er zich van verzekerd -houden, dat wij Nederlanders met warme harten hun worsteling gadeslaan -voor een vrij en onafhankelijk Zuid-Afrika! - - -L. PENNING. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK I. - - -Wij schrijven het jaar 1835. - -Breed en stoffig, vervelend en eindeloos strekt zich de weg voor ons -uit. De wagensporen gaan er als diepe voren doorheen. - -Niets verbreekt de eentonige stilte dan het gekras van een roofvogel -hoog in de lucht, het gehots van een ossenwagen heel in de verte en het -„Halloh” van een driftigen voerman. - -Ginds buigt een laan in het transportpad [1]. Die laan gaan wij op. - -’t Is een oprijlaan, met schaduwrijke olijfboomen beplant. - -Die schaduw verkwikt ons, want het was heet op den zandigen weg. De -zon, al begon ze reeds te dalen, brandde ons op het hoofd. - -Aan het einde der laan staat een woning, een boerenhuis. Het schijnt, -dat de bewoner de menschelijke samenleving is ontvlucht; zóó eenzaam -staat het huis. - -Het is opgetrokken uit gebakken steen, breed en lang; laag aan den -grond; slechts één verdieping hoog. - -Het is wit gepleisterd, en de kleine ruiten kijken half schuchter, half -nieuwsgierig tusschen het groen gebladerte door van den wijnstok, die -zijn sappige ranken opschiet tot boven het dak. - -Aan de linkerzijde van het huis is een diepte, een zoogenaamde „dam”, -waarin het regenwater wordt opgevangen. Met dat water wordt het vee -gedrenkt. Er staat thans weinig water in, want de vijver droogt op in -de heete zonnestralen, en het heeft in geen maanden geregend. - -Rechts ziet ge een schuur. Men noemt het hier een „wagenhuis”. Het -dient als bergplaats voor de wagens en landbouwgereedschappen. - -In dit wagenhuis staan drie ossenwagens; een bewijs, dat de boer, die -hier woont, rijk is. Arme boeren bezitten maar één ossenwagen. Er zijn -zelfs boeren, die geen ossenwagen hebben; die leenen er een, als het -noodig is. - -Voorts ziet ge rechts een groote, cirkelvormige ruimte, door een muur -van met zorg opgestapelde klipsteenen ingesloten. - -Die klipsteenen worden uit den grond uitgegraven. - -Deze cirkelvormige ruimte wordt „kraal” genoemd, en dient tot stal en -wijkplaats voor de ossen en ander vee, ’s nachts, als de wilde dieren -op roof uitgaan. - -Thans is de ruimte ledig. Een gedeelte der kudde kunt ge ginds aan den -horizon zien grazen: langs de heuvelen. Ge ziet er menschen bij; dat -zijn de herders. Maar deze herders zijn geen zonen van Jafet; daarvoor -is hun kleur te bruin. Ge zoudt het zelf kunnen opmerken, als de -afstand niet te groot was. - -Achter het huis strekt zich de groote boomgaard uit. In keurige orde -zijn de boomen geplant; ge zoudt denken, in een Geldersche -kersenboomgaard te zijn. Abrikozen wisselen met perziken, appels met -peeren, moerbeziën met sinaasappelen, en daartusschen ruischt het -gebladerte van den vijgenboom. - -Terwijl de velden verschroeid zijn door de zomerhitte, schiet hier het -gras welig uit, en wel zestig rijpaarden loopen hier te grazen. - -Ik haast mij, u met de bezitters dier paarden in kennis te stellen. - -Ziet ge die drie machtige, honderd voet hooge gomboomen aan het eind -van den boomgaard? - -In de schaduw van die gomboomen daar zitten zij, die mannen, en zonder -dat ik het u behoef te zeggen, voelt ge als bij ingeving: Hier ben ik -onder stamgenooten, onder broeders! - -Ge ziet het aan hun gelaat; ge hoort het aan hun taal; ge merkt het aan -hunne manieren. - -’t Is verwonderlijk: hier, aan de andere zijde van den evenaar, midden -in de eindelooze velden van Zuid-Afrika, een vergadering van -Hollandsche Boeren! - -’t Is verwonderlijk, en toch is er geen twijfel aan. Zie maar hoe -bedaard zij uit hun pijpen zitten te rooken, en vóór hen staat de -dampende koffie. - -Zij drinken altijd koffie, die Hollandsche Boeren, altijd! - -’s Morgens drinken zij haar tegen de kou, en ’s middags tegen de hitte. -Zij drinken altijd koffie; zij zullen zich de maag nog bederven aan de -koffie. - -Ik vraag uwe aandacht voor deze vergadering. Daar ligt een trek van -gulheid, van vastberadenheid, van voorzichtigheid en taaiheid op die -aangezichten. Het is de taaiheid van den echten, onvervalschten boer -der Hollandsche polders, die taai is als de klei, die hij bewerkt. - -Deze vergadering is geboren uit den nood der tijden. - -De boeren, hier saamgekomen, wonen in het oostelijk deel der Engelsche -Kaapkolonie, en zij moeten elken dag in het geweer tegen de wilde -Kafferstammen op de grenzen. - -Voor Engeland moeten zij het spit afbijten, maar zonder vergoeding. Hun -woningen worden door stroopende Kafferbenden verbrand; hun kudden -gestolen; hun korenvelden verwoest; hun leven bedreigd. - -De Engelsche overheid verleent hun geen bescherming. Zij zijn aan zich -zelven overgelaten, en toch weer zoodanig door Engelsche reglementen en -verordeningen aan handen en voeten gebonden, dat er van geen tuchtiging -der Kaffers kan sprake zijn. - -Nu zijn zij bij elkander gekomen, hier, bij Gert Kloppers, een -zestigtal Boeren, om een voorloopige beraadslaging te houden van -hetgeen er te doen is. - -Daar zit hij, de gastheer, aan het boveneind eener lange rij uit ruw -hout getimmerde tafels. Hij is een breed geschouderd, krachtig gebouwd -man van ongeveer 45 jaar, met een helderen opslag van het blauwe oog. -Hij is groot in den raad der vergadering, en zijn woord heeft gezag. -Hij is een Hollander van den ouden stempel: voorzichtig, bedachtzaam, -ietwat stroef, maar onverzettelijk, als de beslissing is gevallen. Hij -heeft een langen stamboom, die tot in de provincie Utrecht reikt, tot -aan de vriendelijke boorden der kleine Vecht. - -Van de Vecht naar Kaapstad was een lange weg, en van de Kaapstad tot in -dit district was ook een heel eind: ja, de Kloppersen zijn altijd echte -voortrekkers geweest. - -Tegenover Kloppers zit Teunis Smit. Hij is even zwaar gebouwd als -eerstgenoemde, en een der geduchtste leeuwenjagers van de Kaapkolonie. - -Als jager is hij grooter dan al de andere Boeren. Al de Boeren zijn -scherpschutters, doch hij is de koning der scherpschutters. - -Weken en maanden lang heeft hij ver in ’t noorden van de Vaalrivier -gezworven, waar geen blanke kwam, om op de olifanten te jagen. Het is -gebeurd, dat hij met den tweeden kogel den eerste dieper moest -indrijven in het vleesch van den reus, daar de kogel niet zwaar genoeg -was. - -Op meer dan tweehonderd meter weet hij, bij het stellen van het vizier -van zijn geweer, den afstand op weinig centimeter na te bepalen, en -vijf en twintig leeuwenhuiden hangen als zooveel tropheën in zijn huis. -Maar hij praat er weinig over, want niets is hem hinderlijker dan bluf: -een karaktertrek, die allen Boeren eigen is. - -De man met dien grijzen baard, rechts van Teunis Smit, is een Croesus -onder de Boeren. In de kafferoorlogen zijn hem honderden stuks vee -geroofd, maar hij kan er tegen, want hij is rijk aan vee; acht duizend -fijne merinosschapen zijn de zijne. Hij pocht niet op zijn rijkdom; -trouwens het geeft hem geen schreefje voor bij de andere Boeren. - -De zoon van den armsten Boer kan om de dochter van dezen Croesus gaan, -en er zeker van zijn, dat het geld geen struikelblok zal wezen. Hij -zelf is er van overtuigd, dat de zoon van den armsten Afrikaanschen -Boer te veel gevoel van eigenwaarde heeft, om zich voor geld te -verkoopen. - -Hij geniet overigens de algemeene achting, is een steun voor arme -weezen, en de tranen der weduwen heeft hij gedroogd. - -Maar aan wien behoort dat opgewekt gelaat, ginds bij den middelsten -gomboom? - -Dat is Frans Viljoen. Het moet eigenlijk zijn Villons: een Fransche -naam. Maar de naam heeft zoo goed als zijn eigenaar een Hollandschen -stempel gekregen. - -De Villons waren oorspronkelijk Hugenoten, die, om des geloofs wil uit -Frankrijk verdreven, door de welwillendheid van het Hollandsche -gouvernement een toevluchtsoord en een nieuw vaderland vonden in de -Kaapkolonie. - -Reeds sedert honderdvijftig jaar wonen de Villons in de Kaapkolonie, en -deze Fransche tak is ingeënt op den Hollandschen stam. - -Bij Frans Viljoen werkt echter het snelbruisende bloed zijner -voorvaderen nog na, wier wieg heeft gestaan in de liefelijke vlakte der -Rhone. - -Vroolijk, opgewekt, niet al te zwaar tillend, past hij tusschen zijn -buren rechts en links als een vriendelijke linde tusschen knoestige -eiken. - -En wie is dat daar, links in het midden der rij tafels? Dat is Hendrik -de Jong, een man met een dapperen arm en een godvreezend hart. - -Hij is ouderling der gemeente, en zijn naam is met eere bekend. - -Daar straks heeft hij de vergadering met gebed geopend. ’t Is een -gewoonte der Boeren, elke gewichtige vergadering met gebed te openen. -Zij denken, dat men een zaak slecht begint, als men ze zonder God -begint. ’t Is een ouderwetsche idee, maar ik denk, ze is nog zoo kwaad -niet. - -Ik zou echter de waarheid te kort doen, indien ik beweerde, dat de -besprekingen, die in den loop dezer vergadering worden gehouden, steeds -door denzelfden geest zijn gekenmerkt, waarin de vergadering is -geopend. - -De Boeren zijn geen heiligen: het zijn menschen van gelijke bewegingen -als wij. En als straks ouderling de Jong de dankzegging doet, dan is -het waarlijk geen ijdele phrase, wanneer hij smeekt: „Vergeef ons het -zondige, dat ons ook in deze ure heeft aangekleefd!” - -Ik zeg nog eens: deze vergadering is geboren uit den nood der tijden. -Er moet een plan worden gemaakt, een besluit worden genomen, om uit -dien onhoudbaren toestand te geraken. - -Zóó kan het niet langer. - -Er moet iets gedaan worden—maar wat? - -Engeland zegt: „Terug met uw gezinnen en vee naar de Tafelbaai, als gij -’t in ’t oosten niet kunt kroppen.” - -Maar daarover zijn ze ’t allen eens: dat nooit! - -Liever aan den bedelstaf, dan nog dichter onder de Engelsche vlag! Ze -willen er onder uit: hoe eerder hoe beter! - -Naar de Kaap terug: neen, dat willen ze niet—dat doen ze nooit! Wat ze -niet willen, daarover zijn ze ’t dus eens, maar wat ze wel willen, -daarover zijn ze ’t niet eens. - -„Wij moeten trekken, zoo gauw mogelijk!” zeggen de meesten. - -„Neen!” zeggen anderen: „niet trekken—eerst vechten! Wij willen -trachten, het Engelsche juk te verbreken, en gelukt dat niet, dan -schudden wij het stof van onze voeten en trekken!” - -„Vechten tegen het geordende gezag?” roept een stem van den anderen -kant, „dat heet bij mij muiterij!” - -„Muiterij? Dat is geen muiterij!” antwoordt driftig een derde; „het is -een gerechtvaardigde opstand. Wij willen niet als lafaards op de vlucht -slaan, zonder een schot te hebben gelost.” - -„Wie praat hier van lafaards?” roept een kerel als een boom van den -overkant, terwijl zijn vuist dreunend op de tafel valt. „Zijn dat -lafaards, die onder de bloeddorstige Kaffers durven trekken, naar een -land, dat krioelt van slangen en ongedierte?” [2] - -Over en weer vliegen scherpe woorden; ieder brengt zijn opinie te -berde, en blijft er op staan met de onbuigzaamheid van een Fries. - -De gemoederen worden warm; er klinken toornige stemmen tusschen door. - -Als het zoo moet gaan, zal men nooit tot een gemeenschappelijke -beslissing komen. - -Niets is dringender noodzakelijk dan eendracht, en hoe ver is ze op dit -oogenblik te zoeken! - -Zie, daar staat een grijsaard op. Wij hadden hem nog niet opgemerkt. -Hij zat naast Gert Kloppers: ’t is zijn vader, de oude Dirk. - -Bij de meeste vergaderingen is hij tegenwoordig, maar zijn stem wordt -weinig meer gehoord. Hij zit gewoonlijk stil voor zich heen te staren: -een oud, afgeleefd man, die geen aandacht trekt. - -Hij is opgestaan; de linkerhand leunt op Gert’s schouder. De rechter -hand mist hij; van den rechter arm heeft hij niets meer over dan een -stomp. - -Gert werd eens door een Kafferhoofdman overrompeld, die hem met een -bijlhouw het hoofd wou klieven. Zijn vader, die er bij stond, had geen -ander schild, om het hoofd van Gert te beschermen, dan zijn rechter -arm. De Kaffer sloeg den arm af, maar de kracht van den bijlhouw was -gebroken. Met zijn rechterarm kocht dus Dirk Kloppers het leven van -zijn zoon Gert. - -Dit is reeds vele, vele jaren geleden, maar Gert weet het nog wel. Aan -de linker hand, die hij ziet, denkt hij niet, maar de rechter hand, die -hij niet ziet, daar denkt hij altoos aan. - -Aller oogen zijn thans op den ouden Dirk Kloppers gericht, maar hij -ziet niemand, want hij is blind van ouderdom. Hij wacht eenige -oogenblikken. - -Het rumoer is plotseling bedaard, want voor de grijze haren heeft -iedere Afrikaansche Boer diepen eerbied. - -„Kinderen!” zegt hij; „luistert naar een oud man, over wiens hoofd drie -en negentig zomers zijn heengegaan. - -„Mijn hart is vervuld met smart, want er heerscht geen eendracht onder -mijn volk. En een huis, dat tegen zich zelve verdeeld is, kan niet -bestaan. - -„Vijftig jaar geleden woonde ik honderd mijlen dichter aan de Kaap, en -ik bracht mijn producten naar Kaapstad aan de markt. Daar vernam ik -dan, hoe de tweedracht in het moederland toenam, en opwies als een -giftig en het goede zaad verstikkend onkruid. - -„Dat onkruid wies bij den dag en vergiftigde Holland. Het geliefde -Oranjehuis werd weggejaagd, en de vijand werd binnengehaald. Zóó werd -Holland vermoord. - -„Neen, niet Napoleon, de man des bloeds, vermoordde Holland; Holland -werd door zijn eigen kinderen vermoord. De godsvrucht en de eendracht, -die in de godsvrucht wortelt, werden van de erve der vaderen -weggebannen, en het volk ging onder. - -„Met mijn eigen oogen heb ik het gezien,” riep de oude man klagend uit, -„dat de geliefde Statenvlag werd neergehaald aan de Tafelbaai.” - -„Gij wilt vechten?” ging hij voort; „dwaze kinderen, gij weet niet, wat -ge wilt. - -„Twintig jaar geleden wilden sommigen onzer ook vechten, om onder het -Engelsche bestuur uit te komen, en aan de galg van Slachtersnek blies -de opstand den laatsten adem uit. - -„Er zat geen veerkracht in dien opstand, en waarom niet? - -„Er lag op den bodem onzer ziel een bange twijfel, of die opstand wel -recht was in de oogen van God, Die heilig is. En hoe zal men dapper -strijden met twijfel in de ziel? Die twijfelt, is aan een baar der zee -gelijk, die van den wind her- en derwaarts wordt geslingerd. - -„Wanneer in het diepst uwer conscientie de vaste overtuiging leeft: Wij -hebben in den strijd God en het recht aan onze zijde, dan kunt gij -vechten als dappere mannen. En al zoudt gij ondergaan in den strijd, -God zal uit uw lenden de helden verwekken, die over uw graven heen den -strijd tegen Amelek zullen voortzetten tot de victorie. Gij wilt thans -vechten—gij moogt niet vechten, want ik twijfel, of gij het recht aan -uwe zijde hebt. Gij wordt door Engeland vertrapt; dat is waar. Toch -moogt gij niet opstaan tegen het gezag, dat onder des Heeren bestiering -over u is gekomen. - -„Lieve vrienden! Ik, een oud man, bid u: weest eendrachtig! - -„Ik heb nog nooit gezien, dat een volk door tweedracht sterk werd. - -„Zie, uw kogel haalt den roofvogel, die op de lammeren uwer kudde -loert, uit de wolken, en op het monster der tweedracht, die het op uw -volksleven heeft gemunt, zult gij geen jacht maken? - -„De toestand is onhoudbaar; vechten moogt gij niet; wat schiet er dan -anders over dan trekken? - -„Op dan met God! Als van ouds de baanbrekers van christendom en -beschaving! De moedige, de dappere, de onvervaarde Voortrekkers!” - -De zon ging onder. Haar laatste stralen vielen op het eerbiedwaardig -gelaat van den grijsaard. Er scheen een vonk van geestdrift te gloren -in die uitgebluschte oogen: als een patriarch uit den ouden tijd—zoo -stond hij daar! - -Er heerschte een langdurig zwijgen. Niets werd gehoord dan het geruisch -van het zomerwindje in de toppen der gomboomen. De schaduwen werden -breeder; het begon donker te worden. - -Toen stond een der aanwezigen op; zijn gelaat was niet te herkennen, -zoo donker was het reeds geworden. - -„Ik ben de sterkste voorstander van den opstand geweest,” riep hij, -„maar ik ben veranderd. Vader Kloppers heeft gelijk. Ik heb twaalf -zonen thuis, en ik zal hun den weg wijzen, hoe zij vrije mannen kunnen -worden—vrij van de Engelsche tyrannie! Ik en mijn huisgezin—wij -trekken!” - -Als door een electrischen schok getroffen, rezen al de Boeren overeind, -en—als een juichkreet!—barstte van aller lippen de kreet: „Wij en onze -huisgezinnen—wij trekken!” - -Het was een plechtig, indrukwekkend oogenblik. Hendrik de Jong trad -naar voren, en sprak met bewogen stem: „Broeders, geliefde Broeders! -God heeft mijn gebed verhoord; de band der eendracht is bevestigd. -Straks gaat gij naar uwe woningen en zult het aan uwe geburen -vertellen, dat wij ééns zijn om te trekken. Ook in de andere wijken -onzer Kolonie zullen soortgelijke vergaderingen worden gehouden, en de -éénstemmigheid onzer vergadering zal, naar ik hoop en geloof, een -richtsnoer zijn voor de broeders, die nog moeten besluiten. - -„Ik zeg niet, dat allen zullen besluiten om te trekken, maar ik spreek -mijn vertrouwen uit, dat allen het daarin ééns zullen zijn: geen -revolutie! - -„Zij behoeven ook niet allen te trekken. De bijenstok gaat zwermen, -doch niet alle bijen verlaten den ouden stok. Het is goed, dat er een -Hollandsche kern in de kolonie achterblijve, die over onzen godsdienst, -onze taal en onze zeden de wacht houde. - -„Maar wij zullen optrekken in de mogendheden des Almachtigen, en de -Heere zal onze banier zijn! Wij zullen trekken—wij zullen trekken met -duizenden! - -„Met Gods hulp zullen wij een nieuwen staat scheppen, en de Driekleur, -[3] die aan de Tafelbaai werd neergehaald, wij zullen ze laten wapperen -boven de toppen van het Drakengebergte! Dat geve God! - -„Broeders, vóór wij danken en scheiden, willen wij een psalmlied -zingen, en wat zullen wij passender zingen dan dit lied: - - - „Ai ziet! Hoe goed, hoe lieflijk is ’t, dat zonen - Van ’t zelfde huis als broeders samenwonen, - Waar ’t liefdevuur niet wordt verdoofd! - ’t Is als de zalf op ’s Hoogepriesters hoofd, - De zalf, waarmee hij is aan God gewijd, - Die door haar reuk het hart verblijdt!” - - -Uit volle borst werd het lied gezongen. Het rees op: bemoedigend, -sterkend, troostend. Het rees boven de donkere kronen der gomboomen; -het rees op naar de sterren. Het zette zich uit: het klonk over velden -en beemden, en de echo der Afrikaansche bergen antwoordde: - - - „Ai ziet! Hoe goed, hoe lieflijk is ’t, dat zonen - Van ’t zelfde huis als broeders samenwonen!” - - -Ik herhaal het: de toestand was voor velen onhoudbaar. - -In vroegere tijden had de Boer nog al redelijk kunnen opschieten met -den Kaffer. Hij kende diens manieren, en de Kaffer had respect voor den -Boer. Doch toen de Engelschman heer en gebieder was geworden in de -Kaapkolonie, mengde hij zich in de verhouding tusschen Boer en Kaffer, -en bedierf die verhouding in den grond. - -In 1811 plantte Engeland aan de Vischrivier zijn bakens tusschen de -Kolonie en het Kaffergebied. De Vischrivier zou voortaan de grens zijn. - -Al de Kaffers aan den Engelschen kant der rivier moesten verhuizen; -zelfs de Kaffers, bij de Boeren in dienst, mochten niet blijven. 20000 -Kaffers werden over de Vischrivier gejaagd door een staatkunde even -wreed als dwaas, doch de Boeren konden het gelag betalen. Zij -hadden—als onderdanen der Britsche kroon—mee moeten helpen, om dezen -noodlottigen maatregel uit te voeren, en de verbittering der Kaffers -was grenzenloos. - -Bloedige, verschrikkelijke oorlogen waren het gevolg, en de Boeren -langs de oostelijke grenzen hadden het hard te verantwoorden. De -Boeren-districten waren in een voortdurenden staat van beleg. Achttien -maanden achtereen soms stonden de Boerencommando’s op de eenzame -wachtposten langs de grenzen. - -Van 1830–1834 waren door de Kaffers ongeveer vijfhonderd woningen -verbrand, driehonderd plaatsen verwoest, zestig ossenwagens meegenomen -en driehonderdduizend stuks vee geroofd, een schade veroorzakend van -minstens tien millioen gulden naar onze tegenwoordige geldswaarde. - -De Boeren klaagden bitter, en de Engelsche regeering besloot eindelijk, -om de verregaande brutaliteit der Kaffers te fnuiken. De Boeren werden -dus opgeroepen, om in vereeniging met de Engelsche troepen naar het -Kafferland op te rukken, en den vijand te tuchtigen. ’t Is waar, de -Boeren moesten voor hun eigen uitrusting zorgen; zij werden -opgekommandeerd met geweren, paard, zadel en toom, maar ze deden het -gewillig, want zij leefden in het stellig vertrouwen, dat zij hun -gestolen vee terug zouden krijgen. - -De Boeren leden veel in dezen veldtocht. Zij hadden wagens noch tenten, -waren blootgesteld aan weer en wind en leden honger en dorst. Elken -avond werd er een groote cirkelvormige ruimte door een heining van -doorntakken afgepaald, en binnen deze ruimte, achter eenige grasoppers, -moesten zij met hun paarden de dikwijls gure, koude nachten -doorbrengen. Kaarsen mochten niet worden aangestoken, en het vuur moest -des nachts worden gedoofd, omdat het schijnsel het kamp aan den vijand -zou kunnen verraden. - -Natuurlijk, de Engelsche troepen hadden het vrij wat beter. Hun lager, -dat gewoonlijk op vijfhonderd pas afstands van dat der Boeren werd -gemaakt, bestond uit sterke, zware veldtenten, die tegen den wind -beschutten, en geen regen doorlieten. - -De hoofdtaak der Boeren bestond in het verwoesten der korenvelden in -het vijandelijk land. Vroeg in den morgen werd van uit het Engelsche -kamp door hoorngeschal aan de Boeren het bevel gegeven om op te -zadelen, en hun werk te beginnen. Of de Boeren reeds ontbeten hadden, -werd niet gevraagd—de order moest onmiddellijk en stipt worden -uitgevoerd. - -Den teugel van het paard om den linker arm geslagen, het geladen geweer -over den schouder, trokken de Boeren dan, gewapend met een korten, -zwaren stok, waarmede zij het rijpende koren tegen den grond sloegen, -van den vroegen morgen tot laat in den avond over de bebouwde -Kafferakkers. - -’t Was een gevaarlijk werk. Achter de rotsen en in de bosschen -verscholen, zagen de Kaffers met woede het vernielen aan van een veel -beloovenden oogst, en meer dan één Boer stortte met de doodelijke -assegaai [4] in de borst of de zijde op de korenhalmen neer, die hij -pas had neergeslagen. - -De Engelschen waren lijdelijke toeschouwers; zij vonden dezen arbeid al -te gevaarlijk. En om volkomen veilig te zijn, bouwden zij een sterk -fort, waar geen Kafferspeer kon komen. - -De veldtocht duurde zes maanden; toen was het doel bereikt, en de -Kaffers hadden de sterke vuist der Boeren gevoeld. Nu mochten de Boeren -huiswaarts keeren, maar ze waren verplicht om voor de Engelsche -regeering een goed rijpaard achter te laten, waarvoor hun zestig gulden -zou worden vergoed, een vergoeding, die tot op dezen dag—en het is meer -dan zestig jaar geleden!—nog niet is uitbetaald. - -Zoo gingen de Boeren dan naar huis, door al de doorgestane ellende -vermagerd en afgebeuld, de schoenen doorgeloopen, de kleeren versleten! -Maar het doel was bereikt, de overwinning behaald, de Kaffers -getuchtigd, en het vroeger door de Kaffers van de Boeren gestolen vee -zou thans weer aan de rechtmatige eigenaren komen. Dat meenden ten -minste de Boeren, en het verzoende hen met het doorgestane leed. - -Maar hoe bitter was de teleurstelling, toen men vernam, dat de beesten -op last van de regeering zouden worden verkocht, om er de oorlogskosten -mee te dekken, en als er dan nog iets overschoot—welnu, dat konden de -Boeren deelen! - -Een nieuwe wreede teleurstelling wachtte hen bij hun thuiskomst. Immers -de regeering had tijdens hun afwezigheid de slaven vrijverklaard, en -hoezeer de opheffing der slavernij op zichzelve een lof- en -prijzenswaardige daad was, die ook door de Boeren werd gewenscht en -begeerd, had het gouvernement toch wel een beter tijdstip daarvoor -kunnen uitkiezen dan den oogsttijd, toen de werkkrachten zoo noodig -waren. De menschlievende maar onoordeelkundig uitgevoerde maatregel -bracht het boerenbedrijf in de schromelijkste wanorde, en de oogst -bleef grootendeels op het land, om daar te verrotten. - -De geldelijke schade zou den Boeren worden vergoed, doch zij hebben -slechts zeven en een half percent ontvangen van hetgeen hun rechtens -toekwam. - -Zoo was de laatste druppel gevallen in den boordenvollen beker; thans -liep hij over. - -’t Is waar, bij de op nieuw dreigende Kafferinvallen had de regeering -aan de Boeren den raad gegeven, om van de grenslanden terug te trekken -naar de Tafelbaai, maar met dien raad te geven had de regeering -getoond, de Boeren niet te kennen. - -Terugtrekken? Dat nooit; dat hadden de Boeren nooit geleerd. - -Zij waren steeds vooruit getrokken; nooit terug. Zij waren aan de -oevers der rivier „Zonder End” gekomen, en waren er overgetrokken. Zij -waren voor de Olifantsrivier gekomen en er door gegaan. Zij waren -voortgetrokken: door valleien en over heuvelen; door vruchtbare beemden -en verschroeide velden. - -Zij waren voortgetrokken tot dat zij stootten tegen de rotsen van de -Sneeuwbergen. Maar ook deze rotsen konden hen niet tegenhouden. -Stampend, krakend, knarsend ging er de ossenwagen over heen. - -En als gij; nu op één der heuvelen gaat staan in de nabijheid van -Klopper’s hoeve, dan kunt ge, met een verrekijker gewapend, in het -oosten de golven zien kabbelen. Het zijn de golven van de Vischrivier. - -Zoo’n ontzachelijk eind hadden de Boeren reeds afgelegd van af -Kaapstad. - -Zouden zij nu terugtrekken? Een dwaas, die zulks kon denken! - -Zij zouden voorttrekken. De oude vrijheidslust ontwaakte, en de -onvervaarde voortrekker kwam boven in den hard geplaagden Boer. - -Overal werden vergaderingen belegd, en er heerschte een groote en -moedgevende eenstemmigheid. - -Ouderling de Jong had het immers voorspeld: de trek zou geschieden met -duizenden! - - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - - -„Met duizenden, Neef Gert,” zegt Teunis Smit; „daar ben ik zeker van.” - -Ge begrijpt reeds, dat de leeuwenjager bij Gert Kloppers op bezoek is. - -Wij bevinden ons in het groote, ruime woonvertrek van laatstgenoemde. -Twee ramen geven licht. De vloer is van steen; een planken vloer is te -kostbaar, want hij zou te spoedig vernieuwd moeten worden. De -termieten, een soort mieren, vreten er door heen. - -De twee vensters bevinden zich in den gevelmuur. In den hoek van den -zijmuur, waar hij den gevelmuur raakt, is de buitendeur; een boven- en -onderdeur. Gangen houden er de Boeren niet op na; ge komt dus in eens -van buiten in het woonvertrek. - -De tafel staat in de richting van den haard, aan den haard zit de oude -grootvader. Hij is vervallen sedert de laatste door ons geschetste -vergadering, die drie maanden geleden heeft plaats gehad. Hij klaagt -maar aldoor over de kou. ’t Is echter volstrekt niet koud, al is het -nog morgen. Ook brandt er een lustig vuurtje aan den haard, waarboven -de ketel hangt te razen. - -Dat de grijsaard het koud heeft, zit hem in zijn ouderdom. De ouderdom -maakt koud; hij haalt het merg uit het gebeente. Dat is ’t hem. - -Teunis Smit, die aan de tafel zit, is een man van ruim dertig jaren en -nog ongehuwd. Hij is met geheel zijn ziel een hartstochtelijk jager. - -De jacht op het groote wild: leeuwen, tijgers, olifanten, krokodillen, -nijlpaarden en buffels is even rijk aan avonturen als gevaren, en dat -prikkelt hem. Als hij trouwt, dan is hij gebonden; daarom trouwt hij -niet. - -Trouwens de meeste Boerenzonen trouwen vroeg; zeker voor hun dertigste -jaar. - -Achter de tafel, naast haar man, zit de vrouw des huizes. Haar hoofd is -bedekt door een gesteven witte muts, zooals ze in Nederland ten platte -lande nog veel wordt gezien. Zij is een goede veertig jaar; een knappe -Boerin; gul, hartelijk en gastvrij. - -’t Is een flink paar, die Gert Kloppers en zijn vrouw. „’t Is mijn -domste streek niet geweest,” zegt hij wel eens schertsend, „toen ik om -Hanneke ging.” - -Het meisje, dat daar binnen komt met de onmisbare koffiekan, Mieke, is -zeker nog geen twintig jaar. Zij melkt de koeien, karnt de melk en -zingt met den kanarievogel om het hardst. Zij heeft een frissche, -gezonde gelaatskleur, een vriendelijk, innemend gelaat en belooft te -worden wat haar moeder is: een flinke, wakkere, Afrikaansche vrouw. - -Kloppers heeft nog verscheidene kinderen. De drie oudste zijn dochters, -en reeds gehuwd. - -Dirk, naar zijn grootvader genoemd, is 21 jaar, en zoo even te paard -naar het vee gereden, dat aan de hoede van Hottentotten is -toevertrouwd. - -De Hottentotten zijn over ’t algemeen lui en onoplettend uitgevallen; -zij moeten in den letterlijken zin van het woord worden—nagereden. - -Van Dirk zal ik op ’t oogenblik niets meer zeggen. Ik hoop: wij zullen -hem nog wel meer ontmoeten. - -Dan komt Floris: 16 jaar. - -Ja, die jongen is een raadsel. Ik wil niet beweren, dat hij stuursch -is, maar vriendelijk is anders. Hij gaat zijn eigen gang en praat bijna -nooit. Zijn zijn hersens te stomp? Dat kan ik niet zeggen, want hij kan -soms wel een zet doen, die raak is. Zijn zijn hersens dan helder? Dat -kan ik nog minder zeggen, daarvoor kijkt hij te onnoozel. - -„Ik weet het niet,” zegt vrouw Kloppers, „maar ik vrees, dat er van -Floor niet veel te recht komt.” - -„Och kom,” antwoord dan troostend haar man, „in dien jongen zit veel -meer dan ge denkt; ik heb er volstrekt geen bezwaar in.” Dat mèènt -Kloppers ook. - -Vroeger heeft Floor wel eens geprobeerd, om te leeren schieten. Hij -deed er zijn best voor, maar hij was kortzichtig, en kon het wit nooit -goed onderscheiden. Eens zou er schijf worden geschoten, een jaar -geleden, en hij raakte niet eens de plank. Toen sloegen de anderen de -handen van verbazing in één, en riepen: „O die ongelukkige Floor! Die -tobbert!” - -Floor was rood geworden van schaamte, en was hard weggeloopen. Zij -hadden hem genoemd een tobbert, hem, den zoon van een Afrikaanschen -Boer! Hij had het geweer in een doornstruik geslingerd; nooit—nooit zou -hij een geweer meer aanraken! - -Hij ging achter het huis, en tranen van spijt sprongen uit zijn oogen. -Ja, deze onnoozele Floor—zijn vader had gelijk: er zat meer in dan men -dacht. - -Floor vond een bijl; boven op den zolder. Het was een oude eigenaardig -gemaakte bijl: een soort strijdbijl, die tevens als werpbijl gebruikt -kon worden. Floor zeide tot zijn vader: „Geef mij dien bijl!” Hij -smeekte er om. - -’t Was een beste bijl, al was hij oud. - -„Wat wilt ge er mee doen?” - -„Met een geweer kan ik niet omgaan; nu wil ik een bijl leeren -hanteeren.” - -„Goed, gij zult hem hebben. En die u durft uitlachen, omdat gij niet -kunt schieten, die krijgt het met mij te doen.” - -Niemand begreep dien Floor, maar zijn vader begreep hem wel. - -Als Floor niet met den ossenwagen uit was of het vee hoedde, dan kon -men hem voortaan gewoonlijk achter het huis vinden; bij een beuk. Die -beuk was dood gegaan van de droogte, en in den stam had Floor een -loodrechte insnijding van eenige duimen breedte gemaakt. Op die -insnijding mikte hij met zijn bijl. Hij oefende zich met onverdroten -ijver, en werd knap in het werpen van den bijl. - -Zijn vader kreeg een keer bezoek van eenige jonge Boeren, maar Floor -was weer bij den beuk. - -Daar vonden ze hem. - -„Och kom,” zeide er één, „wat is dat voor gekheid! Schiet gindsche -abrikoos van haar stengel; dat is een grooter kunst!” - -„Zoo?” zeide Floor’s vader, die erbij gekomen was, zich tot den spreker -wendend. „Hier Janus, vat den bijl, en raak gij de insnijding nu eens!” - -Janus nam den bijl, misschien op vijf meter afstand, en wierp hem. Hij -raakte den boom, dat is waar, maar van het wit bleef hij ver genoeg af. - -„Nu gij, Floor!” zeide zijn vader. - -Floor kreeg een kleur, want aller oogen waren op hem gericht. - -Hij nam den bijl, maar ging nog eenige passen terug. De afstand werd -daardoor zooveel grooter. Hij zwaaide drie keeren met den arm, als om -hem lenig te maken. Toen suisde de bijl uit zijn hand in den boom; in -den witten streep; in het hart.... - -’t Was een meesterlijke bijlworp, en Floor’s handigheid werd algemeen -bewonderd. - -Toen lachte Floor; anders lachte hij nooit. - -Maar Janus zeide bij het naar huis gaan tot zijn kameraden: „’t Is toch -maar malligheid, zoo’n bijlworp. Wij kunnen toch niet gaan vechten als -de Indianen. Ik houd het met mijn geweer.” - -Nu, daar was niets op tegen. Janus was een goed schutter—waarom zou hij -’t niet met zijn geweer houden? Maar die geen geweer kan hanteeren, -laat die den bijl nemen! ’t Is beter met een bijl dan zonder wapen in -den strijd. - -Gert Kloppers heeft nog twee kinderen: de negenjarige Willem en de -zesjarige Hannie, die op dit oogenblik beiden in den tuin zijn. - -Zoo saai en dor Floor zich voordoet, zoo levendig is Willem. ’t Is een -kwast, een guit, een ondeugd, maar valsch is hij niet. - -Hij houdt dol veel van zijn zusje. Nu, ’t is ook een allerliefst -meisje, die Hannie. Blonde lokken omgolven het rozig gezichtje, en in -de heldere, blauwe oogen spiegelt zich het azuur des hemels. Neen, in -heel de Kaapkolonie vindt ge geen schooner rozeknopje. - -Willem is echter van morgen met wat men noemt het verkeerde been van -bed gestapt. Hij is lastig en knorrig. - -„Han, wij gaan zeker trekken.” - -„Zóó—wie zegt dat?” - -„Ik zeg het. Zoo even zat vader met oom Teunis er nog over te praten. -Jij hoort zulke dingen niet; daarvoor ben je te dom. En Dirk heeft al -de geweren nagekeken, ook dat groote olifantsroer. Ik zeg je: wij -trekken zeker.” - -„Zoo!” zegt Hannie met een verstrooid gelaat. - -Zij heeft wel gewichtiger dingen te doen dan over den Trek te praten; -zij zal haar mooiste pop een nieuw jurkje aanschieten. - -„Is dat geen mooie pop, Willem?” - -„’t Lijkt wat met die pop,” antwoord hij onbarmhartig; „wij gaan -trekken, hoor!” - -Na een kleine pauze vraagt hij: „Lust jij graag pannekoeken, Han?” - -„Nou of ik!” - -„Zóó—die krijg jij ook niet meer, als wij trekken.” - -De kleine Hannie wordt nu oplettender, want Willem heeft een gevoelige -snaar getroffen. - -„Waarom niet?” vraagt zij. - -„Wel, de olifanten eten ze op!” - -„De olifanten?” - -„Zeker, de olifanten. In het land, waar wij heen trekken, zijn een hoop -olifanten. Zij zitten den heelen dag op den loer, net als een hond. Zij -zitten allemaal maar te snuffelen, of ze geen pannekoeken ruiken. Ze -steken d’r snuit boven door den schoorsteen, en vreten al de -pannekoeken op. Nou weet je ’t in eens.” - -Hannie zucht er van. - -„Trekken wij wijd, Willem?” - -„Ja, heel wijd; ontzettend wijd. Wij gaan onder de woeste Kaffers, en -die eten jou leelijke pop ook op, hoor!” - -Willem is van morgen in een slecht humeur; hij doet niets dan plagen. - -„Is ’t echt waar?” vraagt de kleine angstig. - -„Ja, ’t is echt waar. Ze eten jou ook op, als ge huilt. Zoo, begin je -al te huilen? Ik huil er niet om; ik ben er niet bang voor. Voor geen -Kaffers en geen olifanten!” - -„Doen de olifanten ook kwaad?” - -„Zeker, ze stampen de menschen tot pulver; oom Teunis heeft het zelf -gezegd. Nou, huil maar niet zoo hard; voor mij behoef je niet bang te -zijn. Ik ga maar aan d’r staart hangen, dan doen ze me niks.” - -De kleine Hannie laat de pop vallen, houdt het schortje voor haar -gezicht en snikt. - -Nu krijgt Willem toch medelijden. Het spijt hem, dat hij zijn zusje -heeft bang gemaakt, en hij zal haar op zijn manier weer zien te -troosten. - -Eerst begint hij te hinneken als een paard en dan te blaffen als een -hongerige hyena, doch zonder succes. - -Nu gaat hij kopje duikelen, en vervolgens met de beenen omhoog, op zijn -handen loopen. - -„Dat is een moeilijke kunst, Hannie!” - -Zeker is dat een moeilijke kunst, maar wat helpt het Hannie, als zij -door de Kaffers wordt opgegeten? - -Daar komt een nauwlijks half gekleede Kaffer aanhollen. Hij is Daniël -gedoopt; bij verkorting noemt men hem Daan. - -Het is een nog jeugdige, sterke, zwaar gespierde Kaffer met dikke -lippen en een zwarte huid. De tanden blinken als wit marmer in dat -zwart gezicht. - -Daan is reeds als een heel klein kind bij Gert Kloppers gekomen. -Kloppers vond hem eigenlijk op zijn erf; uit medelijden had hij de -opvoeding van het kind bekostigd. In spijt van de Engelsche regeering, -die het verbiedt, heeft Kloppers dezen Kaffer gehouden, en niet over de -Vischrivier gejaagd. - -Thans is Daan huisknecht, en staat bij de familie in groot aanzien. Dat -is iets bijzonders. In den regel halen de Boeren een scherpe grenslijn -tusschen zich en de Kaffers. Dat zij de Kaffers mishandelen, is een -leugen, maar dat zij hen houden voor menschen van een lagere orde, is -zeker waar. - -Maar Daan heeft een schreefje voor gekregen, en dat kwam zoo: - -In de nabijheid der hoeve kronkelt een beekje van de bergen; een klein -vriendelijk beekje. - -Doch verleden jaar, bij dien zwaren wolkbreuk, toen het midden op den -dag zoo donker werd als of het nacht was, werd dat kleine beekje tot -een grooten, bruischenden stroom, die zijn golven met schuimend geweld -naar de diepte joeg. - -De kleine Hannie trippelde naar den stroom toe, om een wild bloemke te -plukken, dat bloeide vlak aan den oever. Zij strekte haar kleine -handjes uit, om het te grijpen, maar haar armpjes waren te kort. -Argeloos naderde zij nog meer den oever, maar verloor toen het -evenwicht en viel in den stroom. - -Niemand had het gezien dan Daan, die juist de schapen schoor, want het -was in den tijd van het schapen scheren. - -Met groote sprongen ijlde hij naar de noodlottige plek, waar het kind -te water was gevallen, en zonder aarzelen en op gevaar af zich het -lichaam open te scheuren tegen de verborgen, scherpe klipsteenen, -waarover de golven heen bruischten, sprong hij te water. - -Gert Kloppers had het gezien, dat Daan zoo hard wegliep, en met eenige -verwondering begaf hij zich naar de plek, waar Daan was verdwenen. - -Op een heuvel staande, zag hij den Kaffer met krachtige slagen zich -voortbewegen in het water, maar hij begreep het niet. Maar toen zijn -vrouw, die de kleine Hannie had gemist, ademloos kwam aanloopen met den -angstigen kreet: „Waar is Hannie?” toen begreep Gert Kloppers het wel. - -Als de bliksem voor zijn voeten was neergeschoten, had hij niet harder -kunnen schrikken. - -Met angstvollen blik vloog zijn oog over het water, en daar—in de -verte, langs dat vooruitstekende rotsblok—zag hij een rood jurkje -drijven.... - -Dat was Hannie’s rood jurkje.... - -En iets verder zag hij den waterval, waar de stroom in eens met -donderend geweld twintig, dertig voet naar beneden stortte. - -Wie in de zuiging van zoo’n waterval komt, is wèg. Als hij niet reeds -verdronken is, wordt hij doodgeslagen tegen de rotsen. - -Naar dien waterval dreef Hannie af, en de afstand werd al kleiner, die -haar van dien waterval scheidde. - -Als aan den grond genageld, stonden de ouders naar de ontknooping van -dit vreeselijk tafereel te staren. - -Ja, die verachte Daan bewees, dat er ook onder de zwarte huid een hart -kan kloppen, dat door genade heeft geleerd zijn naaste lief te hebben. - -Met schier bovenmenschelijke inspanning trachtte de Kaffer het kind te -bereiken, want het gevaar, dat dreigde, stond hem levendig voor de -oogen. - -Daar is hij het kind genaderd. Hij slaat de arm uit, om het te -grijpen;—hij slaat mis;—hij slaat nog eens den arm uit;—het kind is -gered—! - -Het was wel bewusteloos, toen hij het in de armen der moeder legde, -maar God zegende de pogingen, die werden aangewend, om de levensgeesten -op te wekken. - -Is het nu te verwonderen, dat Daan een schreefje voor heeft bij de -familie? - -Daar is hij nu, en hij ziet groote tranen in Hannie’s blauwe oogen. - -„Hannie, wat is er gebeurd?” - -Zij vertelt hem, dat ze hoogst waarschijnlijk door de Kaffers zal -worden opgegeten. - -„Wie heeft dat gezegd? Willem? Zoo, kom eens hier, jongen!” - -Nooit zou een gewone Kaffer den zoon van een Afrikaanschen Boer ter -verantwoording durven roepen, al is hij maar negen jaar, maar Daan -durft het wel te wagen. - -„Wat staat er geschreven in het negende gebod? Weet gij ’t niet?” - -Willem voelt, dat hij een dwaas figuur maakt. Hij weet ook best, wat er -in het negende gebod staat, maar hij durft het niet te zeggen, want dan -teekent hij zijn eigen vonnis. - -„Als ge nog ééns liegt, dan zeg ik het aan je vader!” - -Die waarschuwing is voldoende. Als Kloppers leugens ontdekt bij zijn -kinderen, al is het maar voor de grap, dan kan hij er òp slaan. - -„Hannie—’t is gelogen, hoor! Ze eten je niet op; wees maar niet bang. -Daan is ook een Kaffer—heeft Daan je ooit opgegeten? Zie, nu lacht -Hannie al weer. Kom Willem, haal den toom, wij gaan paardje rijden!” - -Willem maakt van pleizier twee luchtsprongen, en haalt den door Daan -gemaakten toom. Daan plaatst zich op handen en voeten, en Hannie wordt -met Willem’s hulp op zijn breeden rug gezet. Daan krijgt den toom in -den mond, Willem grijpt de leidsels en roept: „Vooruit Bles!” - -Waarom hij den zwarten Daan een bles noemt, begrijp ik niet, want er is -bij Daan niet één wit plekje te ontdekken. - -Wanneer ge Kloppers vraagt: Hoeveel kinderen hebt gij? Dan zal hij -antwoorden: „Elf; acht op aarde, en drie in den hemel.” - -Drie zijner kinderen zijn hem namelijk in hun prille jeugd ontvallen, -en steunend op de verbondsbelofte, placht hij dikwijls te zeggen: „Over -die kinderen heeft de dood het laatste woord gesproken, en voortaan is -het verbond aan het woord.” - -Ginds in de verte, achter dien steenen muur, ziet ge een cypressenboom. -In de schaduw van dien cypressenboom liggen de kleinen begraven: -kostelijk zaad, dat in verderfelijkheid gezaaid, in onverderfelijkheid -zal worden opgewekt. - -Reeds verscheidene heete zomers zijn over dezen cypressenboom -heengegaan, doch terwijl andere boomen door de droogte verdorden, is -deze cypressenboom steeds groen gebleven. De moeder van de kleinen, die -hier slapen, heeft zijn wortelen elken avond als het noodig was, met -het water uit den vijver bevochtigd. Met het water uit den vijver en -met haar tranen; iedere moeder, die een kind heeft verloren, zal dat -verstaan. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - - -Wij keeren terug tot het gesprek tusschen Gert Kloppers en zijn gast, -Teunis Smit. - -Door de vele jachtpartijen, die hij mede maakt, en zijn aanhoudende -zwerftochten in de Kolonie (Kaapkolonie) en de Kafferlanden, is -laatstgenoemde een uitnemende vraagbaak, en van de plannen der wijd en -zijd verspreide Boeren uitstekend op de hoogte. - -„Nu,” vraagt Kloppers, „welk nieuws brengt ge?” - -„Dat ik verleden jaar met Piet en Jacobus Uijs en andere Boeren een -verkenningstocht heb gemaakt naar het Oosten, naar Natal, heb ik u -reeds verteld.” - -„Ik weet het. Gijlieden gingt met een trein van veertien ossenwagens.” - -„Wij drongen toen door tot aan de zeehaven van Natal.” - -„Welken weg hadt ge genomen?” - -„Wij hielden voortdurend den oostelijken, dus dezen kant van het -Drakengebergte.” - -„Ge hadt gelijk; een tocht met ossenwagens over het gebergte is -gevaarlijk.” - -„Gevaarlijker dan een leeuwenjacht, dat verzeker ik je.” - -„Ge zijt dus wekenlang door Kafferlanden getrokken?” - -„Zoo is het. Ik had er schik van op onze heenreis; wild volop, maar bij -de terugreis konden wij ons plezier wel op.” - -„Ge hoordet zeker van den inval der Kaffers in onze Kolonie?” - -„Boodschappers deelden ons mede, dat zij alles te vuur en te zwaard -verwoestten. Toen haastten wij ons om mee te vechten.” - -„Wat is nu jullie oordeel over Natal? Is het een geschikt land voor -ons, Boeren?” - -„Om de waarheid te zeggen, onze commissie is niet eenstemmig in haar -oordeel.” - -„Zijn er de Engelschen niet vroeger geweest, om den boel op te nemen?” - -„Ja, eenige commissarissen der Engelsche regeering.” - -„Waren het kolonisten, boeren?” - -„Neen, officieren en geleerde lui!” - -„Zulke menschen kunnen ze ook wel thuis laten. Hoe zullen die nu de -geschiktheid van den grond beoordeelen!” - -„’t Zijn menschen van de theorie, neef Gert, menschen van niks! In den -kop van mijn klepper zit meer praktisch verstand dan in hunne hersens. -Zij weten ’t niet, en kunnen ’t niet weten, welke soort grond de -kolonisten noodig hebben voor hun vee.” - -„Hunne rapporten waren zeker rooskleurig genoeg?” - -„Dat zal waar zijn, maar als de Boeren het daarop aandoen, dan zou de -rekening wel eens verkeerd kunnen uitkomen.” - -„Gij ziet dus weinig heil in Natal?” - -„Dat zeg ik niet. Het is werkelijk een goed land, maar als men op de -Engelsche rapporten afgaat, dan begint men met overspannen -verwachtingen er heen te trekken, en dat noem ik een slecht begin. Een -ding is echter waar: Natal heeft een schoone baai. Als de Boeren zich -daar vestigden, dan hadden zij een uitweg naar zee. Wij hebben die baai -maar voor ’t vatten. Ik wed, dat we ze voor een bagatel van de Kaffers -kunnen overnemen.” - -Gert Kloppers klopte bedachtzaam zijn pijp uit. - -„De zaak is gevaarlijk, Neef Teunis.” - -„Zoo? Waarom? De baai is ruim en diep: ’t zou een mooie zeehaven -worden.” - -„Ze is me tè diep; onze vrijheid zal er in verdrinken!” - -„Zijt ge bang, dat de Engelschen de baai zullen inpalmen?” - -„Ja, want de Engelschen zijn tot vele dingen in staat.” - -„Vertrouwen doe ik ze ook niet. Zoo gaat thans het gerucht, dat het -gouvernement verklaard zou hebben: De Boeren blijven Engelsche -onderdanen, al trekken ze naar ’t eindje der wereld.” - -„Werkelijk?” - -Er kwam een dreigende wolk op het breede voorhoofd van Gert Kloppers, -toen hij deze vraag deed. - -„’t Is mij voor de vaste waarheid verteld.” - -„Och kom, die snuggere Engelsche wettenmakers zouden zich toch -grenzenloos belachelijk maken met zoo’n verordening.” - -Kloppers lachte, toen hij dit zeide, en de wolk verdween van zijn -voorhoofd. - -„Zijn de Boeren eenstemmig in de richting, die ze op hun tocht willen -nemen?” - -„Wel in de richting, doch de ééne partij wil vérder trekken dan de -andere. - -„De Trek zal gaan over de Vischrivier het noorden in. We trekken dan -door het land der Kaffers tot over de Oranje-rivier. Daar willen -sommigen zich vestigen—” - -„Maar ik niet!” - -„Aangezien er voor het vee uitstekende weiden te vinden zijn. Doch -anderen meenen, dat ze dan nog te dichtbij de Engelschen zitten—” - -„Dat meen ik ook!” - -„En willen daarom doortrekken, al verder het noorden in, tot over de -Vaalrivier.” - -„Dat lijkt me beter. Hoe groot schat gij de onderlinge afstanden, Neef -Teunis?” - -Smit haalde een op linnen geplakte, saamgevouwen kaart uit zijn zak, en -spreidde ze op de tafel uit. - -„Neem aan, dat hier, waar ik den vinger zet, van deze hoeve af -gerekend, het naaste punt is der Vischrivier. Dan zou de ossenwagen in -het allergunstigste geval van dat punt der Vischrivier af veertien -dagen werk hebben, om den oever der Oranjerivier te bereiken.” - -„In het allergunstigste geval, dat nooit gebeurt.” - -„Zoo is ’t. De beken kunnen door een wolkbreuk tot rivieren aanzwellen, -en den trek stremmen. Wegen zijn daar trouwens niet.” - -„En de wilde Kafferstammen, door wier gebied wij komen, kunnen ons den -doortocht beletten.” - -„’t Zou een wonder zijn, als het niet gebeurde.” - -Terwijl de mannen in hun gesprek waren verdiept, zat de vrouw des -huizes met vaardige vingeren de naainaald te hanteeren. Zij werkte -reeds met grooten ijver vooruit, tegen dat de Trek zou beginnen, opdat -het huisgezin van het noodige ondergoed voorzien zou zijn op den -zwerftocht door de groote wildernissen, die maanden maar ook jaren kon -duren! - -In het achterhuis was Mieke bezig met karnen, en het eentonig gestamp -der karnschijf in de melk werd slechts afgebroken door het regelmatig -getrap der paarden op den dorschvloer, die het rijpe koren uit de aren -trapten. - -Glimlachend wendde Smit zich thans tot vrouw Kloppers, terwijl hij -zeide: „Zijt gij niet bang, om den grooten tocht te ondernemen?” - -„Bang?” zeide zij, terwijl zij den vrager aankeek met haar helderen -blik, „bang? Waarvoor zou ik bang zijn? Wij zijn overal in Gods hand, -en Hij kan ons even goed bewaren onder de woeste Kafferstammen als hier -in de Kolonie, waar het trouwens ook alles behalve rustig is.” - -„Dat weet ik,” antwoordde de jager ernstiger. „Ik kan het mij niet -anders verklaren dan dat het Gods hand is geweest, die mij meer dan -ééns uit de klauwen van een wild roofdier heeft gered.” - -„Maar er is zooveel,” ging vrouw Kloppers voort, „waar men aan kan -hangen, dat ons aan het hart is gegroeid, en waarvan wij moeten -scheiden, als wij gaan trekken.” - -Toen zij deze woorden sprak, ging er een schaduw over haar vriendelijk -gelaat, want zij dacht aan den steenen muur van het kleine kerkhof met -zijn drie kleine grafheuvelen. - -Na een kleine pauze zette zij het gesprek op bedaarder toon voort en -zeide: „En dan zal er zooveel huisraad moeten worden opgeruimd, dat -niet kan worden mee genomen. Het meest gaat mij dat eikenhouten kabinet -aan het hart,” en zij wees met den vinger naar den muur, waar een hoog -en keurig onderhouden kabinet stond. - -„Het is een erfstuk van mijn moeder; zij ging er mee in haar -huishouden.—Dan ziet ge hier nog deze twee oude, met leer overtrokken -leuningstoelen, waar ik steeds zoo zuinig op ben geweest, daar er -zooveel herinneringen aan verbonden zijn.” - -In één dezer leuningstoelen zat thans de oude Dirk Kloppers, en op -vroolijker toon voegde de vrouw des huizes er aan toe: „Grootvaders -stoel moet toch in elk geval mee, niet waar, man?” - -„Dat spreekt van zelf,” antwoordde Gert Kloppers; „wij zoeken het beste -hoekje uit in den ossenwagen, en daar zetten wij Vader in zijn -leuningstoel.” - -De oude Dirk Kloppers had dit alles aangehoord, maar hij schudde het -grijze hoofd en zeide: „Neen kinderen, ik ga niet mee; ik trek naar een -ander land.” - -Zoo had hij reeds meer gesproken de laatste dagen. Voor dien tijd had -hij nog altijd vastgehouden aan de hoop, dat hij als de laatste van een -vorig geslacht den tocht zou mede maken, maar die hoop scheen hij nu te -hebben opgegeven. Hij sprak wel van trekken, maar niet naar de -Vaalrivier; hij sprak van een trekken naar dat land, van waar nog nooit -een sterfelijk mensch is teruggekeerd. - -Wanneer het nu echter gebeurt, dat een onzer liefste betrekkingen tot -ons gaat spreken van het naderend scheiden, dan ontroeren wij, en -eerbiedige huivering sluit ons den mond. - -Zoo ging het ook in Kloppers’ woning. - -Niemand sprak in de eerste oogenblikken een woord, en duidelijker dan -zooeven was het eentonig gestamp der karnschijf en het regelmatig -getrap op den dorschvloer verneembaar. - -Gert Kloppers verbrak het eerst de stilte, door zich tot zijn gast te -wenden met de vraag: „Hebben Karel Trichard en Hans van Rendsberg den -Trek reeds aanvaard naar de Vaalrivier?” - -„Zij zijn al weken op reis; vermoedelijk hebben zij reeds den halven -weg tusschen de Vischrivier en de Oranjerivier achter den rug.” - -„Hoe groot is het gezelschap?” - -„Te samen een dertigtal huisgezinnen. Zij trekken over de Vaalrivier, -en vervolgens oostwaarts—” - -„Dat wordt een heele reis!” - -„Om den Indischen Oceaan te bereiken.” - -„Den Indischen Oceaan!” - -Gert Kloppers sloeg de handen van verbazing ineen, terwijl hij dezen -uitroep deed. - -„Hoe groot is de afstand van de drift [5] der Vaalrivier, waar zij over -trekken, tot den Indischen Oceaan?” - -„Vijfhonderd Engelsche mijlen.” - -(Een Engelsche mijl is 20 minuten gaans.) - -„’t Is een heele onderneming.” - -„Trichard beschouwde het als een levensvoorwaarde der nieuwe -nederzetting, dat zij, van Engeland vrij, een zeehaven krijge.” - -Kloppers knikte toestemmend. - -„Zeer waarschijnlijk zal hij op de Delagoabaai aanhouden, maar die -zeehaven behoort aan de Portugeezen.” - -„Dat hindert niet; de Portugeezen zullen ons geen last veroorzaken.” - -„’t Zal kracht kosten er te komen, Neef Gert.” - -„Ik ken Trichard en van Rendsberg; zij hebben een harden kop, die tegen -een stootje kan. Zij zullen doortrekken, tot zij hun doel hebben -bereikt!” - -„Of er dood bij neervallen! Het gevaar, door wilde Kafferstammen -vermoord te worden, is groot, maar het klimaat is nog gevaarlijker. -Voor dat Trichard de Baai bereikt, zal hij door lage, moerassige -streken moeten trekken, die in de brandende zon liggen te koken, en de -lucht door hun gassen verpesten. Geen blanke kan het er uithouden. - -„Ik ben eens met een gezelschap in die streken op de krokodillenjacht -geweest, en kan bij ondervinding spreken.” - - - -Karel Trichard en Hans van Rendsberg hebben er het leven bij -ingeschoten. - -In Februari 1836 bereikten zij de Vaalrivier en trokken in een grooten -boog naar het noordoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Transvaal, -Zoutpansberg, waar zij, na vele gevaren getrotseerd te hebben, behouden -aankwamen. - -Terwijl Trichard hier nog eene wijle bleef vertoeven, trok van -Rendsberg met het kleiner deel van het gezelschap op de Delagoabaai -aan. Noch hij noch één der zijnen heeft die Baai bereikt! Zij vielen -allen—acht en veertig zielen!—onder de moordende spies der -Knopneus-Kaffers, slachtoffers van een al te goed vertrouwen! - -Vriendschappelijk gezinde Kaffers brachten Trichard de tijding der -slachting, maar met onuitroeibare veerkracht liet deze dappere man in -Augustus (1836) de ossen weer voor de wagens spannen. Langzaam, -voorzichtig, den vinger aan den trekker van het geladen geweer, werd de -tocht voortgezet, die verscheidene maanden duurde. - -Zonder groote ongevallen werden de lage, ongezonde streken bereikt, en -met nieuwen moed bezield, werden de ossen tot de uiterste -krachtsinspanning aangespoord, om er snel door heen te komen. Toch -duurde de tocht veel langer dan men vermoedde, en met den koortsgloed -in de leden, krank en afgebeuld, bereikten de zwervers in Mei 1837 de -Delagoabaai. - -Dáár lag de Oceaan! - -Vol majesteit rolde hij zijn golven tegen het strand, en bespoelde hun -voeten! - -Hoe laafde zich het oog van den moedigen Trichard op dat gezicht! - -Nieuwe, hoopvolle plannen makend, keerde hij terug naar zijn -ossenwagens, doch zijn werk hier op aarde was afgeloopen. - -Reeds was hij door den dood geteekend, en stervend heeft hij zijn volk -den eenigen uitweg naar zee gewezen. - -Op een eenzaam kerkhof bij de Delagoabaai rust hij—als een herder -tusschen zijne schapen—in het midden zijner tochtgenooten, die hier -bezweken. - -Geen marmer dekt zijn gebeente, maar een eerezuil heeft God hem -opgericht in de harten van vele Afrikaansche Boeren. De naam zijner -familie is nog ten huidigen dage in de Transvaal met eere bekend, en -het is een Trichard geweest, die de Transvaalsche artillerie in den -strijd bij Krugersdorp in het vuur bracht. - -Thans, na zestig jaren, ratelt over stevige dammen en sterke bruggen de -spoortrein dwars door de Transvaal; het snuivend stoomros suist over de -vlakten, waar éénmaal de vermoeide ossen van Karel Trichard den wagen -hebben voortgesleept, en over de Delagoabaai reikt het oude Holland aan -het jonge Transvaal de broederhand. - -Zóó was Gods bestel, en zóó is het geschied! - - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - - -Het gesprek, dat wij bij Kloppers hebben beluisterd, had op Dinsdag -plaats, en thans is het twee dagen later: Donderdag. - -Niemand van Kloppers’ huisgezin twijfelt er meer aan, dat de oude vader -het eerst zal vertrekken, namelijk naar dat land, van waar geen -terugkeeren mogelijk is. - -Hij is nog minder geworden en ligt te bed. De levensvlam is tot een -klein, dobberend lichtje ingekrompen, en de minste windvlaag kan haar -uitblusschen. - -„Gert!” roept de oude man met bevende stem. - -De geroepene komt onmiddellijk. - -„Is Dirk thuis?” - -„Hij is in den stal, en voedert de paarden.” - -„Roep hem!” - -Dirk verschijnt: een krachtvolle jongeling, met den blos der gezondheid -op de wangen. Levenslust tintelt in zijn oogen en tintelt tot in de -toppen van zijn vingers. Waarlijk, het verschil is groot tusschen den -jongen Dirk en zijn grootvader! - -„Is de Vos op stal?” vraagt de oude man. „Ja? Goed, rijd dan zoo snel -als ge kunt naar mijn kinderen, en naar ouderling de Jong, en zeg hen, -dat ik nog gaarne afscheid van hen zou nemen voor dat ik sterf!” - -„Moet ik den vos nemen, Grootvader?” vraagt Dirk op bescheiden toon; -„de jonge Hannibal loopt harder.” - -„Zóó, begint de Vos ook al af te takelen? Ach, alles raakt oud en -versleten! Neem Hannibal dan maar!” - -Dirk maakte zich snel gereed voor de reis, want de familie woonde uren -ver uit elkander, en hij moest zich haasten, om hen voor den avond -allen te bereiken. Voor den anderen morgen kon hij zelf in geen geval -terug zijn, al reed hij den heelen nacht door. - -De oude Kloppers had zes dochters, die allen gehuwd waren, en slechts -éénen zoon: Gert. Toen zij de treurige tijding en den laatsten wensch -van hun vader door Dirk vernamen, spoedden zij zich, om daaraan te -voldoen, en in den loop van den volgenden dag kwamen zij allen met -hunne echtgenooten. - -Maar ouderling de Jong verscheen niet, omdat hij bij Dirk’s komst -afwezig was geweest. - -Zij kwamen allen te paard, want in de Kolonie kunnen de vrouwen bijna -even goed te paard rijden als de mannen. - -De drie dochters van Gert Kloppers waren ook gekomen, met hunne -echtgenooten, doch daar zij niet ver af woonden, hadden zij den -ossenwagen ingespannen, opdat hunne kleine kinderen ook mede konden. - -Zoo was de oude Kloppers dan door zijn kinderen, kleinkinderen en -achterkleinkinderen omringd, en het scheen, dat die komst nog eens de -afnemende levensgeesten zou doen opflikkeren. - -Met de hulp van Gert liet hij zich in den ouden leuningstoel plaatsen, -en drukte er herhaaldelijk zijn blijdschap over uit, dat hij hen nog -eens mocht ontmoeten. Hij begroette hen allen, en met een bewogen hart -drukten zij zijn vermagerde hand. Zijn kleinkinderen hief Gert omhoog, -en zij sloegen hunne mollige armpjes om den hals van Overgrootvader, en -kusten hem met hunne rozemondjes. - -„Nu wil ik ook nog eens naar buiten,” zeide de oude man. - -Het was, alsof er een zonnestraal door de wolken brak: zoo verblijdde -dit woord zijn kinderen. Zij hoopten op nieuw, dat Vader nog wel een -beetje op zou fleuren, maar het was een bedriegelijke hoop. - -Tusschen Gert en een zijner schoonzoons in ging de grijsaard naar den -tuin, en allen volgden hem. Zij verwonderden er zich over, dat Vader -nog zooveel krachten had, en opnieuw schepten zij moed. - -Hij koesterde zich in de stralen der middagzon, en plotseling riep hij -uit: „O Zonne der Gerechtigheid, verkwik mijn ziel, zooals de aardsche -zon mijn lichaam verkwikt!” - -In het midden van den tuin, bij een perzikenboom, bleef hij staan. - -„Dit is de laatste boom, kinderen, dien ik heb gepoot.” - -Zoo hield hij nog op verschillende plaatsen stil, en met verrassende -nauwkeurigheid wist hij de voorwerpen aan te wijzen, waaraan oude, -lieve herinneringen verbonden waren. - -Aan het einde van den tuin wendde hij zijn blinde oogen naar de -richting, waar het kleine kerkhof lag, en scheen in gepeinzen te -verzinken. Hij zeide geen woord, maar allen begrepen het, waaraan hij -dacht. - -Hij leunde al zwaarder op de schouders zijner kinderen, want zijn -krachten waren uitgeput. Met groote moeite bracht men hem in huis naar -bed. - -Toen hij zich weer eenigszins had hersteld, vraagde hij: „Zijn ze allen -hier?” - -„Ja,” zeide Gert, die diep ontroerd vlak bij de sponde zat. - -„Steun dan mijn rug!” - -Gert steunde den rug van zijn vader met zijn sterken arm. - -„Laten wij bidden!” - -De stervende grijsaard ging voor in het gebed. Hij bad voor zich -zelven, voor zijn kinderen, voor heel zijn geslacht. Het was een -roerend, aangrijpend gebed, en aller oogen vulden zich met tranen. - -Voorts gedacht hij zijn volk, dat hij lief had gehad met de gansche -liefde zijner trouwe ziel. Hij gedacht den uittocht, dien dit volk -voornemens was te doen, en hij riep de barmhartigheden des Heeren in, -waar dit volk had gezondigd. - -Hij gedacht ook de vijanden van zijn volk en bad voor hen. Hij smeekte -om den bloei van Christus’ Kerk op aarde, en bad voor zich zelven om -een ruimen ingang in het Zion, dat daarboven is. - -„Daar hoop ik u allen, allen te ontmoeten,” zeide de stervende, toen -hij zijn gebed, met stamelende klanken uitgesproken, had geëindigd. - -„Wij willen nu afscheid nemen, en God geve om Christus’ wil, tot een -zalig wederzien!” - -Eén voor één gaven zijn kinderen en kleinkinderen hem nu de hand; ook -kusten zij hem. Zij spraken weinig, want hun gemoed was te vol. - -Hij streelde nog de blonde lokken van de kleine Hannie, en fluisterde: -„Lief bloemke!” - -Ook vermaande hij hen allen ernstiglijk, om te wandelen in de wegen des -Heeren, en zich door Christus met God te laten verzoenen. - -„Leg mij nu goed, Gert!” sprak hij, „want ik ben moede.” - -Hij was moede geworden, de pelgrim. Hij had een langen, langen tocht -gemaakt, en nu verlangde hij naar rust. - -Hij was vermoeid geworden van de lange reis door de woestijn dezes -levens, en zijn hart ging verlangend uit naar Kanaän. - -Hij viel in een zachte, lange sluimering, en op een wenk van Gert -begaven zich al de anderen in een aangrenzend vertrek. - -Het was avond geworden; het werd nacht. - -Niemand van de volwassenen begaf zich ter ruste, want allen verkeerden -in angstige spanning over den slag, die niet te keeren was. Maar Gert -alleen was bij zijn vader. - -Daar sloeg de kettinghond luid aan, en de grijsaard werd wakker. -Onmiddellijk daarop hoorde men den snellen hoefslag van een paard op de -werf. - -„De Jong,” stamelde de stervende, die tot het laatste toe bij zijn -volle bewustzijn bleef. - -Gert ging naar de buitendeur, en drukte zwijgend de hand van den besten -vriend zijns vaders. - -„Leeft uw vader nog?” fluisterde De Jong. - -Gert maakte een toestemmend gebaar. - -Behoedzaam naderde de Jong het bed, maar het flauwe schijnsel der -vetkaars, die op de tafel stond, gaf slechts een sober licht. - -„Is het vrede, vader Kloppers?” - -„Vrede!” antwoordde de stervende. „Een arm zondaar en een rijke -Christus, hoe passen zij bij elkander!” - -Na een kleine pauze ging hij voort! „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde -uit het geloof, hebben vrede met God door onzen Heere Jezus Christus.” - -Er volgde een grootere pauze, waarna hij zeide: „De Heere is -vriendelijk en goed, Die het zoo heeft bestuurd, dat wij elkander nog -ééns ontmoeten aan deze zijde des grafs. - -„Geef mij de hand, lieve Broeder—! Tot weerziens in het Vaderhuis—!” - -„Tot weerziens!” antwoordde de Jong. „Gij zijt voor mij en de mijnen -een vader geweest—God de Almachtige moge u daarvoor zegenen in zijn -Koninkrijk!” - -Zijn stem beefde, toen hij dit zeide, en er waren tranen in zijn oogen, -want hij had den ouden Kloppers lief. - -Na een wijle klaagde de stervende: „Ik ben zoo moede, ik verlang naar -huis.” - -Al meer afgebroken werden de klanken, die hij uitbracht, en dit was het -laatste woord, dat verstaan kon worden. - -Gert hield de hand van zijn vader in de zijne. - -Geen woord kwam er over zijn lippen, want hij was zeer bedroefd. - -De sterren tintelden aan den diep blauwen hemel, maar aan den -oostelijken horizon vertoonde zich al een gouden lichtstreep, die de -sterren deed verbleeken. - -De levenslamp van den stervende teerde op den laatsten druppel olie, en -over dat ingevallen gelaat hing reeds de wolke des doods. - -De familieleden waren weer binnengekomen in het vertrek, waar de -stervende lag. - -Ouderling de Jong knielde met hen neder, en riep tot Hem, Die uwe en -mijne stervenssponde, lezer, zacht kan spreiden! - - - -Daar buiten geurden de rozen, en de narcissen bewogen zich in den -morgenwind.... - -De grijze kraanvogel schudde den dauw van zijn vleugelen, en de zon, de -schitterende fontein des aardschen levens, klom door de glanzende -poorten van den dageraad opwaarts, de bergen van Afrika kroonend met -haar vlammende stralen.... - -Maar in de woning van Gert Kloppers was rouw en smart, want de oude -Dirk Kloppers was niet meer! - - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - - -Wij zijn nu in het begin van het gedenkwaardige jaar 1836; -gedenkwaardig door den glorieuzen Uittocht der Boeren uit de -Kaapkolonie, en ’t is bij Gert Kloppers aan alles te merken, dat de -Trek spoedig zal beginnen. - -De smid is uit de stad gekomen, en heeft de ossenwagens: „Afrika”, -„Azië” en „Europa” nagezien. Zoo had de jonge Dirk ze namelijk met een -grove teerkwast gemerkt; achter op het grauwgeverfde hek of achterbord -der wagens. - -De smid had gezegd: „Afrika is het stevigste; Europa kan er mee door, -maar Azië wordt gebrekkig.” Aan Azië had hij dan ook een heele karrewei -gehad, maar nu is alles op orde gebracht, en buitengewone gevallen -uitgezonderd, zijn alle drie de wagens thans in staat, een reis van -honderden mijlen over een heuvelachtig terrein af te leggen. - -In Kloppers’ woonvertrek begint het er zeer ongezellig uit te zien. Het -kabinet, de stoelen en de groote tafel zijn verdwenen. Er staan slechts -eene kleine kleptafel met eenige veldstoeltjes, die samengevouwen -kunnen worden. - -Ook langs de witgekalkte muren wordt het kaal. De oude klok en de -gekleurde, oud-testamentische tafereelen voorstellende en achter glas -gezette schilderijen zoekt uw oog te vergeefs. - -In de andere vertrekken, in het achterhuis, op zolder, overal is het -leeg geworden. - -Een rondreizend uitdrager heeft de meeste meubelen voor een spotprijs -gekocht. - -Wat zal men doen? Men kan ze toch niet meenemen? - -De boerderij met het goed onderhouden woonhuis en de stevige schuur -zijn eveneens voor een spotprijs overgedaan, en een Engelsche kolonist -is de kooper geworden. - -„Vooruit maar!” had Kloppers gezegd, maar het was hem toch aan het hart -gegaan, dat een vreemdeling de vruchten ging oogsten van zijnen arbeid. - -De drie ossenwagens zijn uit de schuur gehaald, en staan thans op de -werf, vlak naast het huis. - -Men begint ze zachtjes aan te laden. In het achterste gedeelte van -„Europa” wordt een houten raam, overspannen met een vlechtwerk van -leeren riemen, geplaatst, om voor slaapgelegenheid te dienen, en -„Afrika” wordt als de stevigste wagen voor de zware -landbouwgereedschappen: een eg, een ploeg, enz. bestemd. Twee balen -kruit en een groote hoeveelheid lood vinden daar eveneens hun plaats. - -Lichtere voorwerpen, zooals hamers, beitels, zagen, spijkers, zeisen, -spaden, touw (van het dunste bindgaren tot het zwaarste kabeltouw), het -meeste door Gert en Dirk op hun jongste reis naar de stad expres voor -den Trek gekocht, dit alles vindt in „Azië” zijn bestemming. - -Vrouw Kloppers is op die reis ook mede geweest, en heeft een flinken -voorraad kruidenierswaren, waaronder eenige balen koffie en suiker, -opgedaan, terwijl zij bij den apotheker een grooten schat van -medicijnen insloeg, waarbij vooral de Haarlemmerolie niet was vergeten. - -De uitrusting voor zoo’n grooten tocht is trouwens een ernstige zaak, -die het grootste overleg vereischt. De ossenwagen, waarmede de Boer -gaat trekken, is voor hem, wat het schip is voor den landverhuizer. De -ossenwagen is zijn schip, waarmede hij zwerft door de ongemeten velden -van Zuid-Afrika, ver van alle beschaafde streken! - -De Boer maakt zich voor zoo’n Trek op zijn gemak gereed. Moet het, dan -kan hij vlug zijn, maar anders werkt hij liever bedaard, kalm, zonder -overhaasting. - -„Deze bank kan ook nog wel mee, Dirk; hier, aan den buitenkant van -Azië.” - -Er worden een paar lange, stevige spijkers in den buitenkant geslagen, -en daar hangt de zitbank al. Tien jaar lang heeft zij vóór het huis -gestaan, in de schaduw van een paar linden, en de familie Kloppers -heeft er menigen zomeravond op gezeten. - -„De mand met kippen kunnen we hier onder Afrika hangen.” - -„En de kooi met kalkoenen achter Europa,” antwoordt Dirk. - -„Zoo, geef me nu die kast met kleeren aan; ’t is een goede zitbank in -den wagen. En dat stapeltje boeken. De rol tentlinnen kan ik hier ook -nog wel bergen.” - -Bij al die rangschikkingen (beuzelingen, zou een oppervlakkige zeggen) -toont Dirk zich schrander en gevat: hij is de rechterhand zijns vaders. -„In Dirk zit een echte Voortrekker,” zegt Gert Kloppers met een -tevreden glimlach tot zijn vrouw. - -Floor gaat zijn eigen gang, stil en in zich zelven gekeerd. Hij helpt -wel mee aan de uitrusting, doch hij mist het vernuft van Dirk. - -Maar hij heeft zijn bijl geslepen, zoodat hij zoo scherp is als een -vlijm. - -„Als de Kaffers ons aanvallen,” zegt hij, terwijl er een dreigende -flikkering komt in zijn grijze oogen, „dan hoop ik er bij te zijn.” - -De kleine Willem is met het oog op de avontuurlijke toekomst, die hem -tegenlacht, vol moed, en helpt op zijn manier de wagens mede laden. - -„Willem, waar zit je?” roept zijn vader. - -„Hier in Achter-Azië,” roept hij vroolijk, terwijl hij, in den -ossenwagen zittend, de huif oplicht, en met zijn schelmsche oogen naar -buiten gluurt. - - - -Op zekeren dag, toen de uitrusting zoo goed als geregeld en afgeloopen -was, zeide Gert Kloppers: „Dirk, van namiddag vertrekt gij met het vee. -Tien onzer Hottentotten gaan als drijvers mee. Gij houdt den grooten -weg, altijd maar door naar het noorden, tot gij de Vischrivier bereikt. -Ik denk, dat gij gras genoeg zult vinden voor het vee.” - -„In overvloed, naar mij is verteld.” - -„En water zal er ook wel te vinden zijn, om het vee te drenken.” - -Dirk knikte toestemmend. - -„De Vischrivier moet gij, als de stand van het water het toelaat, zoo -gauw mogelijk passeeren. Aan den overkant gekomen, zet gij den tocht -langzaam voort, de richting steeds noordwaarts houdend op de -Oranjerivier aan. - -„Morgen vroeg denk ik met de ossenwagens te vertrekken, en u met het -vee aan den overkant der Vischrivier in te halen.” - -Met den moed, die de jeugd bezielt, maakte Dirk zich snel voor de reis -gereed. Hij nam van de familie een kort afscheid, hing het geladen -geweer over den schouder, en wierp zich in het zadel, op den zwarten -Hannibal. - -Nu draafde hij, met de hand nog eens groetend, naar de kudde, die in de -verte graasde. - -Het was een groote kudde: wel drie duizend schapen en twee honderd -beesten, de geiten niet meegeteld, en daar zij verspreid liepen, -besloeg de kudde een groote oppervlakte. - -Dirk wendde zich tot de Hottentotten, en gaf hun de noodzakelijke -bevelen. De herdershonden, die rondom de kudde heen zwierven, keken hem -aan met hun schrandere oogen, en schenen den baas eveneens te -begrijpen. - -Toen riep de jonge Boer: „Vooruit!” - -De Hottentotten klapten met hun korte zweepen, de honden blaften, de -runderen loeiden—„vooruit!” - -Langzaam, als een reusachtige schildpad, scheen de kudde voort te -kruipen. Nog langen tijd stonden Kloppers en zijn vrouw de kudde na te -oogen, totdat zij achter de eerste rij heuvelen verdween. - -Toen ging het echtpaar naar binnen, om alle hoeken en kasten nog eens -zorgvuldig na te zien, en het was laat, toen men ter ruste ging. - -Het was voor Kloppers een onrustige nacht, deze laatste nacht in een -huis, dat niet meer het zijne was. - -Hoeveel droeve gedachten, zorgen, bezwaren bestormden zijn ziel! - -Eindelijk viel hij in slaap, maar in zijn droomen zag hij de van bloed -druipende assegaaien der Kaffers en de verminkte lichamen van -Afrikaansche Boeren.... - -Met schrik werd hij wakker en stond op. Hij nam de tondeldoos en sloeg -vuur: het was nog nacht. - -Hij kleedde zich aan, en behoedzaam de buitendeur openende, opdat -niemand gewekt zou worden, ging hij naar buiten. - -Heldere sterrenglans, veel helderder dan die aan den Noord-Europeeschen -hemel schittert, fonkelde aan het azuren gewelf, en wierp over het -landschap een zacht, schemerend licht. Het was stil, stiller nog dan -gewoonlijk, want geen rund liet zich meer hooren in de kraal. - -Slechts de nachtwind fluisterde zijn geheimzinnige accoorden in de -toppen der linden vóór het huis. - -Langzaam, in weemoedige gedachten verzonken, wandelde Kloppers rondom -de eenzame woning, toen door den tuin, die met zijn veelkleurige -bloemen in het zachte licht van den sterrenglans een wondervollen -indruk maakte, vervolgens door den boomgaard, waar een vogelke slaperig -van tak op tak sprong, totdat hij bij de drie machtige gomboomen kwam, -welker donkere kronen hoog en zwijgend boven de toppen der andere -boomen uitkwamen. In zijn gedachten zag hij nòg de Boeren aan de ruw -getimmerde houten tafels zitten, en in zijn ooren klonk ernstig en -waarschuwend het woord zijn vaders: „Kinderen, weest eendrachtig!” - -Door het struikgewas slingerde een klein, smal voetpad, dat hij -insloeg, en een haas, die door den stap van den wandelaar uit zijn -leger werd opgeschrikt, verdween pijlsnel in het kreupelhout, dat zich -ritselend achter hem sloot. - -Bij den ons welbekenden cypressenboom bleef Kloppers staan, en aan een -plotselinge ingeving gevolg gevend, knielde hij neder: tusschen den -grafheuvel zijns vaders, waaruit de eerste teedere groene grasscheutjes -omhoog sproten, en de drie kleine grafheuvels zijner kinderen, -waarboven lange grashalmen en geurige bloemen zich wiegden in den -nachtwind. En hier in de eenzaamheid, door niemand bespied dan door het -oog van zijn God, gaf het geprangde hart van den sterken man zich lucht -in een stroom van tranen.... - -Klagend klonk het geroep eener boschduif uit de verte, en klagend -bewoog zich het gebladerte van den cypressenboom.... - -Maar verwonderd keerde Kloppers het hoofd om, toen hij den druk eener -welbekende hand op zijn schouder voelde, en oprijzende stond hij voor -zijn vrouw. Zij plukte—tot een aandenken—een takje van den -cypressenboom, en nadat beiden afscheid hadden genomen van hunne -beminden, die voor hen leefden al waren zij dood, keerden zij in kalmer -gemoedsstemming langs hetzelfde voetpad naar de woning terug. - -De man begaf zich naar de schuur, waar de Hottentottenknechten sliepen, -riep hen met luide stem wakker en gelastte hen, om de trekossen, die in -de nabijheid graasden, onmiddellijk voor de wagens te spannen. -Inmiddels ging de vrouw de woning binnen, en nadat zij het ontbijt had -gereed gemaakt, wekte zij de kinderen. De morgenschemering begon reeds -door te breken, toen allen zich om de kleine tafel hadden geschaard, om -het laatste ontbijt te gebruiken onder een dak, waar zooveel huiselijk -geluk was gesmaakt, maar ook zooveel leed was doorworsteld. - -Niemand sprak een woord; zelfs de luidruchtige Willem scheen gedrukt. -Slaapdronken leunde de kleine Hannie tegen den schouder van haar -moeder, en de vroolijke Mieke, voor wier zonnigen glimlach zoo dikwijls -de schaduwen op het gelaat harer ouders waren weggevlucht, had tranen -in de oogen. - -Nu nam Kloppers den ouden, van koperbeslag voorzienen Statenbijbel, en -las met langzame, plechtige stem, die indrukwekkend klonk in de holle -ruimte van het leege vertrek, Psalm 121: „Ik hef mijne oogen op naar de -bergen, van waar mijne hulpe komen zal.... De Heere zal uwen uitgang en -uwen ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid....” - -En hoor, nu zingen zij gemeenschappelijk het welbekende, zoo roerend -schoone psalmlied: - - - „Maak Uwe weldaan wonderbaar, - Gij, Die Uw kindren wilt behoeden - Voor ’s vijands macht en vreeslijk woeden, - En hen beschermt in ’t grootst gevaar. - Wil mij Uw bijstand niet onttrekken; - Uw zorg bewaak’ mij van omhoog; - Bewaar m’ als d’ appel van het oog; - Wil mij met Uwe vleuglen dekken!” - - -Na dezen psalm gezongen te hebben, knielen allen neder, en de huisvader -stort in het gebed zijne ziel uit voor God. Hij roept, hij smeekt, hij -worstelt met God, Zijn God en getrouwen Vader in Jezus Christus, en -zijn bedroefde ziel wordt wonderlijk verkwikt door de wateren der -eeuwige Fontein. - -Nadat het Amen is uitgesproken, staan allen op, en wat er aan meubelen -nog in huis voorhanden is, wordt door vaardige handen snel naar de -wagens gebracht. De Bijbel volgt als het kostbaarste kleinood het -laatst en ontvangt een eereplaats, daar de geloovige Boer zonder dat -boek niet voort kan, en het gebruikt als het onfeilbare kompas op de -golvende, woelige levenszee. - -Terwijl de ossen voor de wagens zijn gespannen, worden de paarden uit -den stal gehaald en door eenige Hottentotten vooruitgeleid, vergezeld -door Sultan den kettinghond, die, van den lastigen ijzeren band -bevrijd, met luid en vroolijk geblaf in groote sprongen de laan afrent. - -Vrouw Kloppers gaat met Hannie op haar schoot en Mieke naast zich in -den voorsten wagen zitten, maar Willem versmaadt het om mee te rijden -en zal naast zijn vader loopen. - -Gert Kloppers zal den voorsten ossenwagen: „Europa” mennen, Floor den -middelste: „Azië”, terwijl aan Daan de achterste wagen is toevertrouwd. - -Kloppers neemt de leidsels uit de handen van den Hottentot over, die -zich op diens bevel thans bij het voorste juk ossen plaatst. - -Nog één langen blik werpt de huisvader achterwaarts: over huis en hof, -over tuin en boomgaard; hij ziet den dauw op bloem en plant schitteren -en fonkelen in de stralen der morgenzon, die juichend opgaat, en nooit -heeft deze landelijke woning een lieflijker aanzien gehad dan in dit -oogenblik, nu ze voor altoos zal verlaten worden. - -Maar deze lange blik is de láátste blik geweest, dien Kloppers -achterwaarts wierp. Hij voelt weer grond onder zijn voeten, want hij -trekt met zijn God. Het beekje, ritselend van de heuvelen, zingt zijn -zachte melodiën, maar hij hóórt het niet meer; de kronen der acacia’s -wuiven een weemoedig afscheid, maar hij mèrkt het niet meer. - -De heldengeest zijner voorvaderen, de krachtvolle, ontembare wil der -oude voortrekkers is over hem vaardig geworden, en het verleden -vergetend, ligt voorwaarts zijn doel! - -De leidsels neemt hij in de linkerhand, terwijl zijn rechter de zweep, -een rotting met een leeren slag van zes el lengte, omklemt. - -„Is alles in orde?” vraagt hij. - -„Alles is in orde,” antwoorden Floor en Daan. - -De lange zweep steviger in de sterke vuist nemend, roept hij met luide, -moedige stem, die helder weerklinkt in de frissche morgenlucht: „Dan -trek!” - -Knallend doorklieft de zweep de lucht; de acht juk ossen buigen den -sterken nek; de wagen zet zich hotsend in beweging; de Trek is -begonnen! - - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - - -Met gelijkmatigen, bedachtzamen tred trekken de ossen de wagens, en het -getrappel hunner pooten en de wieling der zware raderen in het droge, -mulle zand jaagt dichte stofwolken omhoog. De weg loopt door een -golvende vlakte, over heuvelen en door dalen. Bij het stijgen van den -weg de heuvelen op, voelen de ossen den slag der zweep, die hen tot -krachtiger inspanning aanspoort, en de heuvelen afdalend, wordt de -ijzeren remketting, om het achterwiel geworpen, om de al te snelle -vaart te stuiten. - -Men had reeds een viertal uren gereden, en brandend straalde de zon van -den wolkenloozen hemel, toen in de verte, door een krans van groen -geboomte omlijst, een eenvoudige boerenwoning zichtbaar werd. - -Gert Kloppers, die, om eenigszins beschut te zijn tegen de brandende -hitte, met Willem onder de huif van den ossenwagen had plaats genomen -naast zijn vrouw, Mieke en Hannie, zeide vergenoegd, terwijl hij met -den zweepstok in de richting dier woning wees: „Dáár zullen wij -schaften.” Want hij kende den bewoner dier hoeve, en voor hij met zijn -ossenwagens de breede oprijlaan had ingeslagen, kwam de boer met zijn -vrouw de Trekkers reeds tegemoet. - -Met de gulle gastvrijheid, die onder de Afrikaansche Boeren heerscht, -en die zoo weldadig aandoet, daar zij zoo hartelijk is gemeend, werd de -familie Kloppers naar binnen geleid en op het beste onthaald. Terwijl -werden de wagens door de Hottentotten uitgespannen, en de dorstige -ossen aan den vijver gedrenkt en gevoederd. Onder gezelligen kout -bracht de familie nu het heetste gedeelte van den dag bij hunne -kennissen door, maar toen de hitte eenigszins verminderde, liet -Kloppers weer inspannen, en vergezeld van de innigste zegenwenschen -zijner vrienden, verliet hij met de zijnen het gastvrije dak. Men trok -voort tot het donker begon te worden, en midden in het veld werden bij -een beek, die nog volop water had, en in de nabijheid van eenige -populieren, die als eenzame, vergeten schildwachten op hun post schenen -te staan, de wagens uitgespannen. „Europa” en „Afrika” werden op een -wagenlengte afstand evenwijdig van elkander opgesteld, terwijl „Azië” -er van achter tegen aan kwam te staan. Zoo werd er een vierkant -gevormd, dat aan drie zijden door de ossenwagens ommuurd, slechts één -open zijde had. In deze ruimte werd snel een tent opgeslagen, die voor -Kloppers, Floor en Willem was bestemd, terwijl de Hottentotten hun -slaapplaats onder de wagens zouden zoeken. Inmiddels had Mieke met -rappe handen drie ijzeren staken in den grond gestoken, die van boven -samenliepen. Aan dezen driebeenigen standaard bevestigde zij een korte, -uit ijzeren schakels bestaande ketting, en hing den waterketel over het -vuur, dat Willem reeds had aangemaakt. De kleptafels en de noodige -veldstoeltjes werden uit den wagen genomen, en bij het schijnsel van -het vroolijk knappende vuur werd het eenvoudig avondeten, waarbij het -vleesch een belangrijke plaats innam, gereed gemaakt. Inmiddels was de -koffie gezet, en van goeder harte en met uitstekenden eetlust schikte -de familie aan. De avondmaaltijd verliep zoo geregeld en ordelijk, -alsof men nog in de vroegere woning was. De Statenbijbel werd door -Floor uit den wagen gehaald, en Kloppers las er een hoofdstuk uit voor -bij het licht eener vetkaars, die op de tafel was geplaatst. Nadat nu -de huisvader het avondgebed had uitgesproken, en er gemeenschappelijk -een psalmvers was gezongen, begaven zich allen welgemoed ter ruste. De -slaapstede voor de huisvrouw, Mieke en Hannie bevond zich in „Europa”, -en geen half uur later waren allen reeds in een gezonden, verkwikkenden -slaap gevallen. - -Nu werd niets meer gehoord dan een zacht geruisch in de toppen der -populieren; vredige stilte lag over de wijde prairiën, en glanzend ging -de maan achter de heuvelen op. - -De trouwe Sultan lag, terwijl hij den breeden kop op de voorpooten liet -rusten, voor de tent van zijn baas de wacht te houden. Twee keeren -spitste hij de ooren, terwijl hij een dof gebrom liet hooren: den -eersten keer, toen het gekras van een roofvogel de nachtelijke stilte -verbrak, en den tweeden keer, toen een dorstig hert naar de beek -spoedde, om zich te laven aan het frissche, heldere water. Maar anders -verbrak niets de stilte van den nacht, en de gouden tinten van den -dageraad werden reeds zichtbaar aan den oostelijken horizon, en de haan -in de kippenmand had reeds herhaalde malen zijn krachtigen morgengroet -laten hooren, voor de familie Kloppers het merkte. Eindelijk werd de -huisvader toch wakker, en met den uitroep: „Jongens, er uit! ’t Is meer -dan tijd,” sprong hij van den harden kafzak overeind. - -’t Had heel wat in, voor dat Floor zijn zinnen goed bij elkander had, -maar Willem was onmiddellijk klaar wakker. „Ik zal de Hottentotten wel -wekken,” riep hij, maar hoe hard hij ook schreeuwde, hij kon ze niet -wakker krijgen. Doch toen hij hen in de dikke ooren kneep, waren ze -gauw wakker. Er ging echter nog heel wat tijd over heen voor de ossen -en paarden, die los liepen te grazen, waren gevangen, maar eindelijk -was men toch klaar gekomen, en nadat het ontbijt was gebruikt, werd de -legerplaats snel opgebroken. - -Willem liep met Sultan vooruit, en op een der hoogste heuvelen, hier -„bulten” of „kopjes” genoemd, klauterend, zag hij in de verte, in -wolken van stof gehuld, een langen trein ossenwagens zich voortbewegen. -Hij deelde het nieuws aan zijn vader mede, die, de leidsels met de -lange zweep aan zijn vrouw overhandigend, mede den heuvel beklom. Hij -tuurde een poosje naar den langen trein, en toen, terwijl er een glans -van genoegen op zijn gebruinde trekken kwam, zeide hij: „Kijk Willem, -zij rijden daar langs een zijweg op den grooten weg aan, dien wij -moeten passeeren.” „Ziet ge dien zwarten vooros wel,” ging hij na een -pauze voort, toen de wagens dicht bij kwamen, „dien zwarte daar voor -den voorsten wagen? Dat is een os van ouderling de Jong.” - -„Dan zal hij er zelf ook wel bij zijn,” meende Willem. - -„Dat zou ik denken,” antwoordde Kloppers op vroolijken toon. „Kijk, -daar springt hij uit den wagen; hij herkent ons; hij zwaait met de -zweep.” - -Vader en zoon beantwoordden dien groet, door herhaaldelijk met hunne -groote, breedgerande hoeden te wuiven, en met een opgeruimd hart keerde -Kloppers naar zijn ossenwagens terug. Het duurde nu niet lang meer, of -hij had het punt bereikt, waar de zijweg in den grooten weg inboog, en -hier liet hij de wagens stoppen, om den anderen trein in te wachten, -die reeds dicht bij was. - -Met statigen stap en heel deftig schreden twee reusachtige -struisvogels, die door de Jong waren getemd voorop, en het maakte wel -den indruk, alsof zij de herauten waren van het achttal ossenwagens, -die achter hen aan kwamen hotsen. - -Met ongeveinsde hartelijkheid en blijdschap had de wederzijdsche -begroeting plaats. In den wagenstoet van de Jong bevonden zich nog vier -andere huisgezinnen, waarvan er slechts twee aan de familie Kloppers -persoonlijk bekend waren, maar dat verhinderde niet, dat de -vriendschapsband met allen even spoedig als onverbreekbaar gesloten -werd, men trok toch dezelfde gevaren en dezelfde toekomst tegemoet! - -Bij één dier gezinnen was een moeder, die een zuigeling van drie -maanden op haar armen droeg, en het oog van Kloppers werd vochtig bij -dat gezicht. Ja, wij spreken van de helden van Zuid-Afrika, maar de -Afrikaansche heldinnen—hoe zouden wij hen kunnen vergeten! De -strijdbare mannen, die bij Bronkhorstspruit en bij den Ingogo, bij Lang -Nek en op den Amajuba, bij Doornkop en Krugersdorp de Engelsche vlag -hebben neergehaald—zijn zij niet geboren uit den schoot dezer vrouwen? - - - -Het bleek, dat de Jong en zijn reisgenooten even als Kloppers hun vee -reeds hadden vooruitgezonden naar de Vischrivier, en verlangend, om den -stroom nog heden te bereiken, werd de tocht met Kloppers’ ossenwagens -aan de spits onmiddellijk hervat. Toen het echter te heet werd om -verder voort te trekken, werd er geschaft in de nabijheid van een -vijver, die wel was uitgedroogd, doch welks bodem nog vochtig was. In -dien bodem werden wijde, diepe kuilen gegraven, waarin zich na eenig -wachten water verzamelde. Maar het was morsig, drabbig water, dat den -dorst der ossen eerder prikkelde dan leschte, terwijl het veld, zoover -het oog reikte, was verbrand door de hitte en droogte. Ook was er op -die gansche, eindelooze, golvende vlakte boom noch struik te bekennen, -die schaduw bood, en in kleine groepen vleiden de Trekkers zich onder -de wagens neer. Nu verorberden zij hun sober, eenvoudig maal, en -spoedig werden de dorstige, hongerige ossen weer ingespannen, want -Kloppers hoopte nog voor het vallen van den avond de rivier te -bereiken. - -Het was een zware, vermoeiende tocht. De hemel brandde van boven op het -hoofd der Boeren, en de grond brandde onder hun voet. De wind was gaan -liggen, en de ossen versmachtten van dorst. Met loomen tred sleepten -zij de wagens achter zich voort, door krachtige zweepslagen tot steeds -vernieuwde inspanning aangespoord, maar de Boeren begonnen de hoop -reeds op te geven, den stroom nog heden te bereiken, toen Sultan -plotseling met vroolijke sprongen vooruitsnelde, en Dirk op den zwarten -Hannibal van achter een heuvel zichtbaar werd. - -„Daar komt Dirk al aan,” riep Kloppers op monteren toon; „die zal ’t -ons wel vertellen.” - -De genoemde, die op een snellen draf was genaderd, sprong van het -paard, en groette zijn vader met een stevigen handdruk, maar zijn -moeder kuste hem. - -„Hoe gaat het?” zeide zijn vader. - -„Best,” zeide Dirk. - -„En hoe gaat het met het vee?” - -„Ons vee en dat van ouderling de Jong met dat van verscheidene andere -Emigranten-Boeren [6] graast rustig aan gene zijde der rivier, die -dicht in de nabijheid is. Ziet gij het geboomte in de verte? Daar is de -rivier; vooruit dus maar!” - -Met nieuwen moed bezield, lieten de Boeren hunne lange zweepen knallen, -dat het een aard had, en voordat er een uur was verloopen, stond de -heele karavaan aan den glooienden oever der Vischrivier. Men was hier -bij een zoogenaamde „drift”: een bij lagen waterstand doorwaadbare -plaats. - -Eerst werden nu de ossen gedrenkt, en in lange, lange teugen slurpte -het versmachte vee het kostelijk water. Toen plaatste Kloppers zich in -den ossenwagen bij het vrouwelijk personeel, terwijl Willem het wel zoo -aangenaam vond, met bloote voeten en opgestroopte broek, de kousen en -de harde leeren veldschoenen op het hoofd, door het water te ploeteren. -Maar op een diepe plaats zakte hij er tot de ooren toe in, zoodat hij -zich de moeite had kunnen sparen, de broek op te stroopen. - -De voerman hield inmiddels de teugels van zijn ossen strak, en zonder -ongelukken werd de tegenovergestelde oever bereikt. Het was nog niet -volslagen donker, toen al de elf wagens reeds uitgespannen in twee -lange rijen aan den overkant der Vischrivier stonden; de tenten waren -in orde gebracht, en de ossen liepen langs de rivier in groene weiden -te grazen. Intusschen togen de vrouwen met bekwamen spoed aan het werk, -om voor hunne gezinnen het avondeten gereed te maken, en nadat allen -verzadigd waren, werd er gemeenschappelijk een psalmlied gezongen. - -Toen begaf men zich ter ruste, doch niet allen. Bij het wachtvuur -zaten, de één op een veldstoel en de ander op een gevonden klipsteen, -Kloppers met zijn drie zonen, ouderling de Jong en nog een vijftal -jonge Boeren, wier flinke, vastberaden gelaatstrekken duidelijk -uitkwamen bij het schijnsel van het brandende vuur. - -Uit de verte klonk het gehuil der groote, gevlekte hyena en de rauwe -kreet van den hongerigen panter, doch de Boeren zaten hier—midden in de -wildernis—even gerust hun pijp te rooken, alsof zij op een vergadering -te Kaapstad waren geweest. - -In gezellige gesprekken snelde het ééne halve uur na het andere heen, -en door Kloppers en de Jong werd uit den schat hunner ervaring veel -medegedeeld, dat de jonge Boeren van nut kon zijn op den Trek. Doch bij -eene pauze in het gesprek kwam de jonge Willem plotseling met het -verzoek: „Oom Pieter, vertel ons nu eens iets uit de geschiedenis onzer -voorouders!” - -„Goed,” zeide de Jong, „luistert dan!” - -De pijpen werden op nieuw gestopt, en de aanwezigen schikten dichter -bijeen om het wachtvuur. Een der jonge Boeren wierp een paar verdorde -struiken op het vuur, zoodat de vlammen hoog uitsloegen, en daar het -koel begon te worden in de nachtlucht, verspreidde het brandende vuur -een aangename warmte. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - - -„De Kaap,” zoo ving de Jong aan, die wegens zijn kennis een zekere -vermaardheid onder de Boeren had verkregen, „is een der zuidelijkste -punten van Afrika, en werd in 1486 door den onverschrokken Portugees -Bartholomeüs Diaz ontdekt. Hij noemde haar de Kaap van alle Stormen van -wege het noodweer, dat hij bij die Kaap had moeten doorstaan, maar zijn -koning Jan de Tweede schudde het hoofd en zeide: „Wij zullen haar -noemen de Kaap de Goede Hoop, want zij is een hoopvol baken op den -langen tocht naar de Indiën.” Zoo werd de Kaap genoemd de Kaap de Goede -Hoop, en dien naam heeft zij behouden tot op den huidigen dag. Later -kwamen er andere zeevaarders, even moedig als de matrozen van -Bartholomeüs Diaz, maar zij waren koeler van aard. Zij kwamen uit het -noorden: uit Holland, ons moederland. Met verwonderde gezichten zagen -de inboorlingen, de Hottentotten, hen landen, maar de matrozen stoorden -zich daar weinig aan en onderzochten het land. Nu bleek het, dat het -land vruchtbaar was, en er kronkelden rivieren door heen met frisch, -helder water. En de matrozen rapporteerden hunne bevindingen aan de -Hollandsche Oost-Indische Compagnie, die zeer machtig was aan geld en -aan luiden. En de bewindvoerders der Compagnie lachten, toen zij de -gunstige rapporten vernamen, en zij pikten een extra snuifje uit hun -gouden snuifdoozen en zeiden: „Wij zullen van de Kaap een -pleisterplaats maken voor onze vele schepen, die op de Oost varen, en -wij zullen er voor zorgen, dat er water en brandhout, versch vleesch en -groenten te verkrijgen zijn voor de schepelingen!” Daarom werd er een -fort gebouwd aan de Kaap, en tuinen werden er aangelegd: alles op last -en ten behoeve van de Compagnie, die zeer machtig was. - -„Nu woonde hier ver van daan, in het kleine stedeke Wijk bij Duurstede -in Holland, een dokter, wiens naam was Jan Antonie van Riebeek. Gij -moet dezen naam goed onthouden, want deze schrandere, krachtige man kon -nog iets anders dan aderlaten en beenen afzetten; hij verstond namelijk -de kunst om kolonies te stichten. Met een honderdtal personen: -landbouwers, handwerkslieden, soldaten, bootsgezellen enz. stevende hij -in 1651 op drie gebrekkige vaartuigen uit Texel, en liet op een goeien -dag het anker vallen in de Tafel-Baai. De landverhuizers werden -ontscheept, en vestigden zich aan de Kaap als kolonisten. - -„Zoo ontstond de kolonie, de Kaapkolonie, en van Riebeek kan er de -geestelijke vader van worden genoemd. Maar deze merkwaardige man, die -van zessen klaar was, had niet alleen een helder hoofd maar ook een -Godvreezend hart, en hij begon zijn ernstigen, gewichtvollen arbeid met -een gebed, waarin hij den Allerhoogste om licht en wijsheid smeekte.” - -Voor degenen onzer lezers, die dit gebed nooit hebben gelezen, laten -wij hier het slot er van volgen. Het is te vinden op de eerste -bladzijde van het door Van Riebeek bijgehouden Archief, gedateerd 9 -April 1652, en luidt als volgt: - -„Wij bidden U derhalve, Allergenadigste Vader, dat Gij ons met Uwe -vaderlijke wijsheid wilt bijstaan, en in deze vergadering -presideerende, onze harten zult verlichten, dat alle verkeerde -hartstochten, misverstanden en dergelijke gebreken van ons mochten -geweerd blijven, ten einde onze harten, van alle menschelijke effecten -rein, en onze gemoederen zoo gesteld zijnde, wij in onze raadslagen -niet anders voornemen noch besluiten als hetgeen mag strekken tot -grootmaking en lof van Uwen allerheiligsten Naam en tot den meesten -dienst van onze heeren en meesters, zonder eenigermate op eigenbaat of -particulier profijt acht te nemen. Dit en alles wat noodig is tot -uitvoering onzer bevolen diensten en onze zaligheid bidden en begeeren -wij in den naam van Uwen lieven Zoon, onzen Heiland en Zaligmaker Jezus -Christus.” - -„Dit gebed,” zoo ging de Jong voort, „was het sterk en stevig -fondament, waarop van Riebeek als een voorzichtig bouwmeester de muren -zijner kolonie heeft opgetrokken. Het was intusschen voor de eerste -kolonisten eene heele overgang, en zij stonden bij vele dingen raar te -kijken. Terwijl zij b.v. hier aan de Kaap het Kerstfeest hielden midden -in den zomer, waren zij gewoon geweest, het in Holland in den winter te -vieren.” - -„In den winter?” vraagde Willem met verwondering, maar ook de -gelaatstrekken der andere jonge Boeren drukten bevreemding uit. - -„Zeker, in den winter,” antwoordde de Jong met een glimlach. - -„Dus in Juli of Augustus?” hernam de vrager. - -„Neen, in December, net als wij. Maar ik zal ’t u gauw duidelijk maken. -Als het hier in Zuid-Afrika zomer is, dan is het in Holland winter, en -is het hier winter, dan is het in Holland zomer. De beide kerstdagen, -25 en 26 December, vallen hier midden in den zomer, in Holland midden -in den winter.” - -Nu was het raadsel opgelost, en allen begrepen het. - -De Jong zette thans zijn geschiedenis voort. - -„De bodem,” zeide hij, „was vruchtbaar, en de vooruitzichten voor de -landverhuizers gunstig. Daarom vestigden zich al meer en meer -Hollanders aan de Kaap, die zich meest allen aan den landbouw wijdden, -en de kolonie breidde zich uit. Het eerst kwamen de Hollanders in -aanraking met de Hottentotten, en van hen kocht van Riebeek den -noodigen grond. Hij nam den grond niet, maar hij kocht hem. Onthoud dat -goed! Het land is geroofd noch gestolen; het is door de Hollandsche -Boeren, onze voorouders, op wettige, eerlijke wijze verworven. Maar de -Hottentotten hadden hunne eigenaardige begrippen van het mijn en dijn, -en van Riebeek had heel wat moeite, om het hen aan het verstand te -brengen, dat zij het land kwijt waren, dat zij hadden verkocht. Hij -zeide tot de Hottentotten: „Hier rondom Tafelberg, is het nu ons -Holland, en daar bij die hooge bergen dat is uw Holland.” - -„Daarom wordt die streek tot op dezen dag genoemd: -„Hottentotsch-Holland”. De Hottentotten waren intusschen niet kruimelig -in het land verkoopen, want zij dachten: Achter ons ligt de heele -wereld, en die is van ons. - -„De Hottentotten vergisten zich echter hierin, want na verloop van tijd -aan de Vischrivier gekomen, die hier langs ons lager heenstroomt, -stootten zij op de Kafferstammen als op een ijzeren muur. Nu zaten zij -in het zuiden door de Boeren en in het noorden door de Kaffers bekneld; -velen hunner staken de zuidelijke grenzen over, en verhuurden zich als -veehoeders bij de Boeren, terwijl de anderen, in ongeregelde benden -langs de grenzen zwervend, naar het westen trokken, zoodat alle -volksbewustzijn verloren ging. - -„Niet alle gouverneurs waren van zoo’n uitnemend karakter als Antonie -van Riebeek, en onder de slechte bewindvoerders mogen Willem Adriaan -van der Stell, Pieter Gijsbert van Noot en Joachim van Plettenberg in -de eerste plaats worden genoemd. Reeds Simon van der Stell, de vader, -had in strijd met het reglement der Compagnie zich vaste landerijen -verworven, en de Boeren gedwongen, voor hem te werken, doch, de pink -van Willem Adriaan bleek dikker te zijn dan de lende zijns vaders. De -jonge van der Stell wist vierhonderd morgen land machtig te worden, -waarop hij een prachtig huis liet bouwen en tuinen en boomgaarden -aanleggen, terwijl niet minder dan vierhonderdduizend wijngaardstokken -moesten worden aangeplant. Maar het kostte hem geen cent; hij liet er -de Boeren voor zweeten. - -„Dit was echter nog niet genoeg. Hij werd eigenaar van tienduizend -schapen, en van zeventienduizend stuks hoornvee, terwijl hij in schijn -voor de Compagnie doch in wèrkelijkheid ten eigen bate opkooper en -leverancier werd voor de Boeren. - -„Om de beteekenis daarvan te verstaan, behoort men te bedenken, dat de -Boeren aan niemand dan aan de Compagnie hun producten mochten -verkoopen, terwijl zij bij niemand hun inkoopen mochten doen dan bij -diezelfde goedertierene Compagnie, die tegen den laagst mogelijken, -door haar zelf vastgestelden prijs kocht, en met buitensporige winsten -verkocht. - -„De jonge van der Stell maakte het ten laatste zoo erg, dat drie en -zestig burgers een klaagschrift tegen hem inzonden bij den -gouverneur-generaal te Batavia, tot wiens gebied de Kaapkolonie -behoorde, wat van der Stell aanleiding gaf, om den hoofdleider der -beweging, Pieter van der Bijl, (een naam, nog tot op den huidigen dag -in de Kaapkolonie met eere bekend), met vijf anderen ter verantwoording -op te zenden naar Holland. - -„Doch deze vermetele daad kwam hem duur te staan, en zoowel hij als -zijn gedienstige predikant en eenige andere Boerenverdrukkers werden -teruggeroepen naar het moederland. - -„De bloedzuiger echter was nog maar een lam tegenover gouverneur van -Noot, en veertig Boeren namen het wanhopig besluit, om naar een -Portugeesche kolonie te vluchten, en vervolgens naar Holland te gaan, -om daar recht te zoeken. Doch hun voornemen lekte uit, en van Noot liet -zeven hunner ophangen in het gezicht van zijn kasteel. - -„Toen echter reeds zes Boeren hingen, en de zevende den beul zag -naderen, die hem den strop om den nek zoude leggen, keerde hij zich met -het gelaat naar het kasteel, en riep met indrukwekkende stem: -„Gouverneur van Noot, ik daag u binnen een uur tijds voor den -rechterstoel van den alwetenden God, om rekenschap te geven van mijne -ziel en de zielen mijner vrienden!” Daarna wendde hij zich tot den -beul, en met een: „In Gods naam dan!” liet hij zich gewillig ophangen.” - -Ouderling de Jong maakte, zelf onder den indruk van hetgeen hij -verhaalde, een kleine pauze, en de luisterende Boeren schaarden dichter -om hem heen. - -„Het woord van den Boer was een profetie geweest,” begon de Jong -opnieuw, „en toen de raadsleden, met het toezicht op de executie -belast, zich naar het kasteel begaven, om rapport uit te brengen, zagen -zij wel den gouverneur zitten op zijn gewone plaats in den stoel, maar -zijn gelaat scheen verwrongen, en de oogen schenen gebroken in helsche -angst. - -„Toen was er vreugde onder de Boeren, en de straatkinderen zongen met -een even eenvoudige als pakkende woordspeling: - - - „Geen nood! - Van Noot is dood!” - - -„Nog wijst men den bezoeker op het Museum te Kaapstad den stoel, waarop -van Noot den laatsten adem uitblies, terwijl de regeering het lijk van -dezen terecht verafschuwden man op een onbekende plek liet begraven. - -„Ook van Plettenberg was een echte verdrukker, die iederen Boer, die -niet onvoorwaardelijk en onmiddellijk naar zijn pijpen wilde dansen, in -de ijzers liet werpen, en als soldaat of matroos opzond naar Indië. - -„Gelukkig voor den Nederlandschen naam werd de rij der slechte -bewindvoerders gedurig door goede onderbroken, en vooral gouverneur -Rijk van Tulbagh werd geroemd wegens zijn oprecht, edel en rechtschapen -karakter. - -„Telkens als het juk te zwaar werd, trokken de Boeren dieper het -binnenland in. Zoo ontstond een nieuw district, het „afgelegene” -geheeten, dat in 1742 bij de Kaapkolonie werd ingelijfd, en naar -gouverneur Swellengrebel en diens echtgenoote Ten Damme, Swellendam -werd genoemd. - -„Doch de Boeren trokken al verder, zoodat vier en veertig jaar later, -in 1786, al weer een groot district bij de Kolonie kon worden gevoegd, -dat naar gouverneur de Graaff en zijne vrouw Reynette Graaff-Reinet -werd genoemd. - -„Intusschen gistte het bij het einde der achttiende eeuw in het oude -Europa. Staatkundige beroeringen schokten de volken, en Europa raakte -in vuur en vlam. Het Nederlandsche volk haalde de Franschen binnen, -joeg zijn stadhouder weg en kwam tegenover Engeland te staan. - -„Nu wist Engeland zeer goed, dat er op den weg naar Oost-Indië een -Kaapkolonie lag, en lord Keith, een Engelsch admiraal, ankerde den -10den Juni 1795 met een oorlogsvloot in de Simonsbaai, en eischte de -Kaapkolonie op—voor den Prins van Oranje. - -„Het liep de Engelschen al bijzonder mee. De Hollandsche gouverneur -ontving de Engelschen zeer beleefd, en wisselde met hen meer -complimenten dan kogels. - -„Enfin, de uitslag was wel te voorzien, maar ter eere van onze Boeren -zij het gezegd, dat zij van den beginne aan tegen de overgave waren. -Zij wilden vechten tot het uiterste, en van alle kanten snelden zij -toe, om de bedreigde Kolonie te steunen. - -„Hoe jammer, dat er te Kaapstad een papgouverneur, een Sluyskens, -regeerde, en geen ijzeren Jan Pieterszoon Coen! - -„’t Is waar: de Boeren hadden over de Nederlandsche regeering -herhaaldelijk bitter te klagen gehad, maar zij vormde toch hun wettige -regeering, en zij wilden met de vreemde indringers niets te maken -hebben. - -„Zij wilden dus vechten, doch wat baatte het? De Hollandsche soldaten -kregen order, om zich terug te trekken, en zonder slag of stoot, zonder -dat er één druppel bloed was gevloeid, werden de forten overgegeven. - -„Roemloos ging de Kaapkolonie verloren, maar het was voor Nederland wel -een aangename verrassing, toen het bij den vrede van Amiens (1802) de -Kolonie terug ontving—doch hoor ik daar niet een vreemd geritsel in het -kreupelhout?” - -„’t Is de wind maar,” zeide een der jonge Boeren, „die wat opsteekt.” - -„Er werden nu ernstige hervormingen ter hand genomen,” hernam de Jong, -„en nieuwe, doelmatige regelingen, die vooral ons Boeren ten goede -zouden komen, getroffen, toen de oorlog op nieuw ontbrandde, en de -Engelsche admiraal Popham den 6den Januari 1806 met een vloot van drie -en zestig oorlogschepen in de Tafelbaai verscheen, om onmiddellijk met -de ontscheping van vijf duizend man landingstroepen te beginnen. - -„De gouverneur Janssens stond als van den donder getroffen, en de -koloniale troepen van Holland, die bij de Blauwbergen in linie stonden -geschaard, gingen als echte huurlingen bij het hooren van het Engelsche -tromgeroffel aan den haal. - -„Binnen zes dagen viel Kaapstad met het sterke kasteel in handen der -Engelschen, en gouverneur Janssens vluchtte hals over kop naar de -Hollandsch-Hottentotsche Bergen. - -„Maar ook nu was de toestand nog niet hopeloos. Met vijf honderd -scherpschutters zou hij in staat zijn geweest, om den pas, die als een -poort in de Hollandsch-Hottentotsche Bergen toegang gaf tot het -binnenland, tegen de macht der Engelschen te houden. - -„En in plaats van vijf honderd zouden de Boeren hem vijf duizend -scherpschutters hebben geleverd! - -„Toch heeft hij zelfs geen poging gewaagd! Al te angstig klopte dat -hazenhart! - -„De huurlingen, die niet hadden willen vechten, mochten uittrekken met -militaire eer; de officieren behielden hun particuliere eigendommen; de -burgerlijke ambtenaren bleven in hun betrekkingen, en de Boeren—nu ja, -de Boeren mochten wrokken zooveel als zij wilden, men zou hen wel klaar -krijgen....” - -Maar verder kwam de Jong niet, want allen waren plotseling opgerezen. - -„Een tijger,” fluisterde Dirk, „daar, in het kreupelhout!” - -Het was afgesproken geweest, dat voortaan met het oog op de -menigvuldige sporen van wilde dieren, die men had ontdekt, elken nacht -door twee personen de wacht zou worden betrokken. Voor dezen nacht -waren Gert Kloppers en zijn zoon Dirk met die taak belast, en met dat -doel hadden zij geladen geweren bij zich. - -De tijger had zich verraden door het knakken der twijgen, en nu zagen -ook de anderen de vage omtrekken van het roofdier tusschen het donker -gebladerte schemeren. Zijn oogen blonken in de duisternis als twee -gloeiende spijkers. - -Terwijl allen met gespannen aandacht naar die gloeiende spijkers -staarden, legde Dirk voorzichtig aan. - -„Raak hem tusschen zijn oogen,” zeide Gert Kloppers zacht, terwijl hij -ook zijn eigen geweer aanlegde. - -Dirk knikte en brandde los. - -Met een akelig gehuil beantwoordde de tijger het schot. - -Hij deed een geweldigen sprong, maar midden in den sprong viel hij met -een harden slag tegen den grond. - -Dirk had hem genoeg gegeven. - -Voorzichtig slopen de Boeren nu met toortsen naderbij, en wachtten -bedaard zijn laatste stuiptrekkingen af. Toen het roofdier dood was, -onderzochten zij in de eerste plaats de plek, waar de kogel was -doorgedrongen. Dat is altijd hun eerste werk. Voor zij de waarde van -den buit taxeeren, gaan zij de waarde van het schot taxeeren. - -„Een mooi schot,” zeide de achttienjarige Kees Bouwer tot Tijs, den -zoon van ouderling de Jong. - -Dat Kees deze opmerking bepaald aan Tijs de Jong maakte, had een -bijzondere reden. Kees was wat plaagachtig van natuur, en hij wist, dat -er tusschen Dirk Kloppers en Tijs eenige naijver bestond op het punt, -wie van beiden het beste kon schieten. Trouwens wat de edele -schutterskunst betreft, zijn de jonge Afrikaansche Boeren altijd -eenigszins jaloersch op elkander. - -„Zoo goed kunt gij het toch niet,” liet Kees er minder edel op volgen. - -„Och,” zeide Tijs, de schouders ophalend, „’t is een gelukkig schot.” - -„’t Is een meesterlijk schot,” antwoordde Kees, „en tegen Dirk moet je -’t afleggen.” „Goed, laat me ’t dan afleggen,” zeide Tijs wrevelig, en -het gezelschap den rug toekeerend, riep hij: „Wel te rusten, en zegen -met den tijger!” - -Toen ging hij naar zijn tent, en wierp zich ontstemd op een bos hooi -neer. Maar spoedig viel hij in slaap en droomde van wilde avonturen met -tijgers, leeuwen en olifanten. - -Ook de anderen zochten nu spoedig hun tenten op. Men gaf elkander de -hand, terwijl Gert Kloppers en Dirk nieuwe brandstof op het vuur -wierpen en zich voor de koude met een schapenvacht dekten. - -Van achter het gebergte klom de maan thans op in stille majesteit, en -terwijl de toppen der bergen en de velden baadden in haar zacht -glanzend licht, hing boven de spleten en kloven van het gebergte -tastbare duisternis. Witte dampen stegen op, en aan den diep blauwen -hemel schitterden de sterren als juweelen op het nachtelijk kleed van -den Almachtige. - -Maar scherper klonk uit de verte het gehuil der gevlekte hyena en de -rauwe kreet van den hongerigen panter. Sultan legde zijn kop op Dirk’s -knie, terwijl hij nu en dan een dof gebrom liet hooren. Maar alles -bleef rustig, en zonder verdere avonturen ging de nacht voorbij. - -Maar geen acht dagen later had de familie Kloppers een ontmoeting met -het geweldigste aller roofdieren, den leeuw, waarbij het geen haar had -gescheeld, of de kleine Hannie was het slachtoffer geworden. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - - -Op zekeren morgen, nadat men weer eenige dagen was voortgetrokken, -bleven de ossenwagens uitgespannen staan. Met algemeen goedvinden was -besloten, den Trek eenige dagen te staken. Daardoor bleef men in -verbinding met de Emigranten-Boeren, die de Kolonie later hadden -verlaten, dat met het oog op de gevaren, die van de zijde der Kaffers -te duchten waren, een verstandige maatregel was. - -De wagens bleven dus uitgespannen, en de Boeren, die hartstochtelijke -jagers zijn, begaven zich op de antilopenjacht. Het vleesch der gedoode -antilopen plegen de jagers bij lange reepen in de zon te droogen te -hangen. Het gedroogde vleesch wordt biltong genoemd, en levert een taai -maar krachtig voedsel. - -Willem, die nu tien jaar was, had waarlijk ook al een geweer, en het -hinderde hem niet, dat de klepper, waarop hij zat, reeds oud en stijf -begon te worden. Aan de zijde van Dirk trok hij met de andere Boeren -vroolijk mede ter jacht, en elken kwinkslag, die op hem werd afgegeven, -gaf de kleine kerel met woeker terug. - -Maar Gert Kloppers was in de legerplaats gebleven. Er was aan de -ossenwagens zooveel na te zien en te kalefateren, dat er werk genoeg -aan den winkel was. En al was er geen onraad te vreezen, hij hield het -toch voor raadzaam, dat er ten minste één mannelijke verdediger in het -lager was. - -De jagers waren nu vertrokken, en terwijl Gert Kloppers een voorwiel -van den achtersten wagen nazag, leunde Floor tegen den voorsten -ossenwagen. Hij tuurde zwijgend naar den blauwen hemel, waar een paar -grijze wolken voorbij dreven, terwijl hun schaduw langzaam over de -onmetelijke velden gleed. - -Er lag een trek van bitter verdriet op zijn gelaat. Meer dan hij ’t -zeggen kon, hinderde ’t hem, dat zelfs de kleine Willem reeds met -vaardigheid het geweer, dat machtig wapen in de hand van den Boer, kon -hanteeren, terwijl hij er niet de minste geschiktheid voor bezat. - -Wèl had hij zich een groote bekwaamheid eigen gemaakt in het werpen van -zijn strijdbijl, maar wat baatte dat? - -Twintig maal had hij klaar gestaan, om een wild dier het scherpe staal -naar den kop te slingeren, maar elken keer was de buit hem ontsnapt, -voor het onder het bereik van zijn bijlworp kwam. - -Hij was nutteloos; dàt voelde hij. Hij wilde nuttig zijn, en hij kon -het niet, en hij schaamde zich over iets, dat hij toch niet verhelpen -kon. - -En juist, terwijl hij zich in deze zelfpijnigingen verdiepte, richtte -zijn moeder, die in de schaduw van den wagen gezeten, bezig was met -kleeren verstellen, zich tot hem met de woorden: „Zoo Floor, staat gij -daar weer te suffen? Waarom ben je niet meegegaan op de jacht?” - -„Ge weet het: ik kan niet schieten.” - -„Ja, de kleine Willem beschaamt je,” zeide de moeder. - -„Kan ik dat helpen?” antwoordde hij op stroeven toon. - -„Gij zijt een hals, een tobbert,” vervolgde vrouw Kloppers. „Een Boer, -die geen geweer kan hanteeren, is een oneer voor de familie.” - -Zij bedoelde dat zoo erg niet, maar zij was van morgen door allerlei -kleine wederwaardigheden ontstemd geraakt, en zij woog haar woorden -niet. - -Maar bij Floor, die in een hoogst prikkelbaren toestand verkeerde, viel -dit woord als een snijdend zwaard in de ziel. - -„Een oneer?” riep hij met schorre stem, „een oneer?” - -Hij was zoo wit geworden als een gekalkte muur, en hij beet op zijn -lippen, dat het bloed er uit sprong. - -En voor de moeder er aan dacht, om hem terug te roepen en te kalmeeren, -verliet hij met haastige schreden de legerplaats, niet in staat den -storm te bezweren, die in zijn binnenste woedde. - -Nu hij zich verwijderd had begreep de moeder eerst, dat zij haar kind -had gegriefd, en ware niet een buurvrouw tusschenbeide gekomen, die -hare oogenblikkelijke hulp van noode had, dan zou zij Floor nog zeker -zijn nagegaan. - -Maar nu troostte zij zich met de gedachte, hem bij zijn thuiskomst wel -te spreken, er niet aan denkend, dat er voor die thuiskomst nog veel -kon gebeuren! - - - -Het zal een paar uur later zijn geweest, dat de kleine Hannie op -eenigen afstand van het lager op een heuveltje zat te spelen. Zij zat -met den rug naar de ossenwagens, terwijl vrouw Kloppers nog altijd bij -den voorsten wagen zat, ijverig bezig aan haar huiselijk werk. - -Rechts van het kind, op zeer korten afstand, was een klein bosch, -terwijl op den achtergrond, vóór het kind, eenig kreupelhout groeide. - -Vrouw Kloppers hield, nu en dan van haar werk opziende, de kleine -Hannie in het oog, doch wie beschrijft haar schrik, toen zij, weer in -de richting van haar kind starende, op den achtergrond, tusschen de -groene bladeren van het kreupelhout, de gele manen zag schemeren van -een leeuw. - -Zonder twijfel werd het roofdier door den honger gekweld, want anders -waagt zich de leeuw gewoonlijk niet op klaarlichten dag in de nabijheid -van ossenwagens. - -Hij sloop voorzichtig als een kat uit het kreupelhout, en vrouw -Kloppers zag het duidelijk, dat het een leeuw van de grootste soort -was. - -Onmiddellijk echter legde hij zich plat op den grond, en de wijze, -waarop hij met den staart zijn zijde zwiepte, wees duidelijk aan, dat -hij een prooi had ontdekt. - -En die prooi was de kleine Hannie! - -De kleine speelde met haar pop, en had niet het flauwste besef van het -vreeselijke gevaar, dat haar bedreigde. - -Zij wendde het blonde hoofdje om, en lachte tegen haar moeder. - -„Zie eens, Moeke,” riep ze, „wat past dat jurkje mooi!” - -Nu keek de kleine weer recht vooruit, naar het kreupelhout. Zij moest -den leeuw zien; zij zàg hem werkelijk. Maar het onthutste haar niet; -argeloos speelde zij door. - -In de verte, links van de kleine, kwam Gert Kloppers van eene korte -wandeling terug, en op een verhevendheid komende, zag hij duidelijk het -bruine, strooien hoedje van zijn kind. - -Maar even duidelijk zag hij den grooten leeuw als een kat op den loer -liggen. - -Kloppers was zonder geweer; niets dan een mes had hij bij zich. - -Hij blikte naar den voorsten ossenwagen, en zag, hoe zijn vrouw er in -tastte met hare handen. - -Hij zag haar een geweer grijpen, en tegen den grond werpen. En nòg één -.... en nog één .... alle drie wierp ze tegen den grond. Hij begreep -het, en zijn hart bonsde zoo hevig, dat hij het kon hooren kloppen. - -Er bevonden zich namelijk vier geweren in den ossenwagen. Drie daarvan -waren gisteren afgeschoten, en het was verzuimd geworden, ze weer te -laden. Het vierde geweer, het kleinste, was geladen, maar zelfs de -knapste schutter der kolonie—zelfs Teunis Smit niet!—kon met dat geweer -een leeuw vellen. - -Dat alles wist de vader der kleine Hannie. - -Nu zag hij, dat zijn vrouw het vierde geweer nam en aanlegde. - -„Mik goed, Hanneke!” zeide hij. „Schiet het monster het rechteroog -uit!” - -Hij zeide dit werktuigelijk, binnensmonds, want hij was te ver van zijn -vrouw vandaan, om haar te kunnen beroepen. En al hàd hij haar kunnen -beroepen, dan zou hij het toch niet hebben gedaan, uit vrees, het -onheil te verhaasten, dat oogenschijnlijk niet te keeren was. - -Meteen trok hij echter het scherpe mes uit de schede. - -Vrouw Kloppers scheen echter te aarzelen, om af te drukken. Ook dat -begreep haar man. - -Het kind was namelijk opgerezen, en stond juist in de richting, die de -kogel moest nemen. - -Maar het kind ging weer zitten, en onmiddellijk daarop zag Kloppers den -vuurstraal glippen uit den loop van het geweer. - -Zoo dicht over het hoofd van het kind floot de kogel heen, dat de veer -op het hoedje werd geraakt. - -Nu snelden de moeder van den eenen en de vader van den anderen kant hun -kind ter hulpe, maar sneller dan de ouders was de leeuw, die razend van -pijn en woede den vreeselijken sprong deed. - -Doch hij miste zijn prooi—drie passen vóór het kind kwam hij op den -grond terecht. En in dit ondeelbaar oogenblik, vóór hij den sterken -klauw tot den doodelijken slag kon uithalen, suisde rechts uit het -bosch een bijl door de lucht. - -Met zoo’n vreeselijke kracht was het wapen geslingerd, dat de bovenkop -van het roofdier letterlijk gespleten werd. - -Thans kwam Floor, die reeds lang vóór zijn moeder den leeuw had -opgemerkt, uit het boschje te voorschijn, en begaf zich kalm, alsof er -niets was gebeurd, naar den leeuw. Maar een scherp opmerker had wel -kunnen zien, hoe die trek van verdriet uit zijn gelaat was weggewischt, -en heel zijn houding toonde mannelijke kracht. - -De moeder was nu ook genaderd, maar haar eerste gang gold niet haar -Hannie. - -„Floor,” riep zij, „mijn jongen!” - -Zij nam zijn gebruinde wangen tusschen haar handen en zag hem aan. - -Zij zag hem aan met de onuitsprekelijke liefde eener moeder. - -Voor dien blik was hij niet bestand. Zijn stugheid smolt als ijs voor -de middagzon. - -Zij streelde hem het blonde haar en liefkoosde hem. - -Zij kuste hem op de oogen en op den mond. En met eene stem, die beefde -van ontroering en teederheid, fluisterde zij: „Floor, mijn lieveling! -Mijn trots en mijn vreugde!” - -Toen kon de jonge Boer zich niet meer goed houden, en de armen om haren -hals slaande, weende hij. - -Kloppers had inmiddels de kleine Hannie op den arm genomen, en toen de -familie zich eenigszins had hersteld van hunne ontroering, bezichtigden -zij te samen het gedoode roofdier. - -„Het oog is er uit geschoten,” riep Floor. - -„Het rechter?” vraagde zijn vader. - -„Neen, het linker.” - -„Het linker is me ook goed,” hernam Kloppers op vroolijken toon, en -terwijl hij zijn vrouw op den schouder klopte, voegde hij er schertsend -aan toe: „Ja, mijn Hanneke behoort nog tot het oude, onvervalschte ras -der scherpschutters.” - -Maar op zeer ernstigen toon liet hij er op volgen: „Wat zullen wij den -Heere vergelden voor al Zijne weldaden, aan ons bewezen! - -„Wie bestuurde de hand mijner vrouw, dat haar kogel het oog raakte van -den leeuw, zoodat hij miste in zijn sprong? - -„Wie bestuurde den gang van Floor, dat hij in de nabijheid was? En wie -gaf hem de kracht en de vaardigheid, om den leeuw met één bijlworp te -dooden?” - -En samen nederknielend, dankten zij God. - -De kleine Hannie deed het ook, maar op hare manier: in kinderlijken -eenvoud. Zij vouwde haar handjes, deed haar blauwe kijkers vaster dicht -dan gewoonlijk en zeide: „Heere, ik dank u, dat dat ondeugende beest -dood is. Ik was ijselijk verschrokken. Laat dat ondeugende beest als ’t -u belieft nooit meer levend worden, Amen.” - - - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - - -Met loomen, langzamen tred ging de trek het Noorden in. ’t Was geen -wonder, dat het langzaam ging. Men moest het vee ontzien, en telkens -moesten de achterblijvers worden ingewacht. Maar eindelijk, eindelijk -was het eerste doel van den tocht bereikt, en den top van een hoogen -heuvel beklimmend, zagen de Boeren in de verte de blauwe golven blinken -van den breeden stroom. - -„De groote rivier!” juichten de zwervers, „de groote rivier!” - -Het was de Groote- of de Oranje-rivier, de koninklijke stroom, die nu -eens zich langzaam tusschen bloemrijke oevers heen slingert, om -plotseling met klaterend geweld van steile hoogten neer te donderen, -die vele mijlen ver zich tusschen nauwe, steile rotswanden doorwringt, -om dan weer in majestueuze breedte de vlakke prairiën te besproeien, en -die, in het Blauwe Gebergte ontspringend, na een grilligen tocht dwars -door Zuid-Afrika zijn wateren in den Atlantischen Oceaan ontlast. - -De Voortrekkers hieven het hoofd moedig op, toen zij het geruisch van -zijn golven hoorden. Er was reden voor, want in het brein van den -slokkerigsten Engelschman was het niet opgekomen, om het gezag van zijn -land tot over de Oranje-rivier uit te stippelen. - -Doch een nieuwe teleurstelling wachtte hen. De rivier was door zware -regens hooggezwollen, en nergens was een ondiepte, een drift noch pont -of veerschuit te ontdekken. - -Maar de Trekkers waren praktische menschen, die niet licht bij de -pakken gingen neerzitten, en al hadden ze geen vleugels, om over den -breeden stroom te komen, zij hadden een ijzeren wil, en moesten naar -den overkant. - -Ze kwamen er ook. - -Langs den zanderigen oever stonden heele bosschen wilgeboomen, waarop -de oogen der Boeren vielen, en de landelijke stilte van den omtrek werd -verbroken, dagen lang, door het kappen van den bijl, het knarsen der -zaag en het luid geklop van den hamer. Spoedig dreven ruwe houtvlotten -in het water, en de zware, groote wagens, van hun inhoud ontlast, -werden het eerst aan deze primitieve ponten toevertrouwd. Daarna -volgden have en goed, terwijl de Boeren het kostbaarste, wat zij -bezaten: hun vrouwen en kinderen, het laatste overbrachten [7]. - -De moeielijke overtocht werd zonder ongelukken volbracht, terwijl de -vrouwen, met hun kinderen neergehurkt op de houtvlotten, zongen: - - - „Komt, treèn wij dan gemoedigd voort, - In vast vertrouwen op Zijn woord; - Hoe moeilijk ons de weg ook schijn’, - Het eind zal zeker zalig zijn!” - - -Nu waren de Boeren vrij! Het gehate Engelsche juk was hen van de -schouders gegleden, en zij vormden een zelfstandig volk: het volk der -vrije Boeren. Vol geestdrift hadden de jonge Boeren geroepen: „Leve de -vrijheid! Weg met Engeland!” maar de vrome de Jong had gezegd: -„Eben-Haëzer: tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen!” - -De Boeren betrokken bij de Oranje-rivier groote lagers van dertig tot -honderd ossenwagens, en waar anders niets werd gehoord dan het eentonig -lied van een alleen wonenden kaffer, het gebrul van een wild dier en -het gekras van een roofvogel hoog in de lucht, klonk thans scherts en -gelach. Vrienden, die elkander in geen tien jaar hadden gezien, drukten -elkander aan de Oranje-rivier de hand, en nieuwe vriendschapsbanden -werden geknoopt! - -De jonge Boeren organiseerden groote schietwedstrijden, terwijl de -ouden, met de pijp in den mond, in ernstige gesprekken door de -legerplaats wandelden. - -Zoo’n wedstrijd zullen wij heden bijwonen. - -Van de scheidsrechters kennen wij er maar één: den sterken, gespierden -Teunis Smit. - -Er staan een veertigtal jonge Boeren met het geweer in de hand gereed, -om deel te nemen aan den wedstrijd. Bij een der groepen, die druk staan -te praten, herkennen wij Dirk Kloppers, Tijs de Jong en Kees Bouwer. - -Het is zwart van toeschouwers. Hier en daar loopt een breedgeschouderde -olifantenjager met verweerde gelaatstrekken door de menigte heen, die -eerbiedig wordt gegroet, en over en weer vliegen schertswoorden, die -met vroolijk gelach worden aanvaard. Er heerscht ongedwongenheid zonder -bandeloosheid; vloeken hoort men niet; ’t is een volksfeest in den -goeden zin van het woord. - -Eerst wordt, op flinken afstand, een ronde schijf tegen een boom -gespijkerd. Die schijf vormt het wit. - -Niet één van de veertig schutters mist het doel. Nu wordt op de schijf -een cirkel geteekend, niet grooter dan een rijksdaalder. Die cirkel is -thans het mikpunt. - -Kees Bouwer, die in den regel een grooten mond heeft, waar het een -ander geldt, is blijkbaar zenuwachtig, en raakt de schijf twee -centimeters boven het wit. Met een luidschallend gelach wordt het misse -schot begroet. - -Tijs de Jong raakt den cirkel in het middenpunt, maar Dirk Kloppers -geeft hem geen kamp, want zijn kogel klettert op het lood, dat Tijs -heeft afgeschoten. - -Van de veertig schutters vallen er drie af. - -Nu wordt er een leege flesch opgehangen in den boom; daarvoor een plank -met eene opening ter grootte van een gulden. - -„Vijftien pas achteruit,” roept Teunis Smit, „en opgepast!” - -Nu wordt het meenens; er komt beweging onder de toeschouwers. - -Dertig kogels fluiten door de opening heen, en schieten de telkens op -nieuw vervangen flesch stuk. - -Onder de gelukkigen, die raak schoten, behooren Dirk en Tijs. - -Er wordt een nieuwe plank genomen, met een opening, niet grooter dan de -dikte van den kogel. - -„Nou ben je verloren, Tijs,” zegt Kees Bouwer sarrend. - -Tijs kijkt hem aan met een verachtelijken blik. - -„Kees,” zegt een der omstanders. - -„Wat moet je?” zegt Kees. - -„Heb je niet een schaar?” zegt de omstander. - -„Waarvoor?” zegt Kees. - -„Om een stuk van je tong af te knippen, want ze is te lang voor een -fatsoenlijk mensch!” - -Kees Bouwer zegt geen woord meer. - -Tijs is het eerst aan de beurt om te schieten. - -Met strak gespannen gelaat volgt de menigte elk zijner bewegingen. - -Er wordt geen woord meer gesproken; er wordt slechts gefluisterd. - -Daar gaat het schot.... - -Met een lang aanhoudend, vroolijk hoera wordt het meesterschot -begroet—de flesch is stuk geschoten. - -„Dat doet geen mensch hem na dan Teunis Smit,” roept een dikke veerman, -die ergens aan de rivier woonachtig is; „geen mensch behalve Teunis -Smit. Tijs de Jong is koning vandaag!” - -Dat scheen waarheid te worden, want de acht en twintig volgenden -misten, ’t Scheelde bij velen niet meer dan een paar strepen, maar het -schot was toch mis. ’t Was ook haast niet te doen: op zoo’n afstand -door die kleine opening heen te schieten. - -Dirk kwam het laatst aan de beurt. - -Hij legde het geweer aan. - -Daar kwam een wesp aangevlogen, en zette zich op zijn hand. - -Onmiddellijk daarop voelde hij een stekende pijn. - -Tijs zag het. „Dirk,” zeide hij, „de wesp heeft je gestoken. De kamp is -niet gelijk; schiet niet!” - -Dirk liet den loop van het geweer zakken. - -„Zoo,” riep de dikke veerman, „durf je niet? Ik had het wel gedacht.” - -„Houd je mond, dikbuik,” riep Tijs met toornige stem; „moei je met je -eigen zaken!” - -Maar Dirk kon de aantijging van den veerman niet verkroppen. Hij zette -de tanden vast op elkander, en legde het geweer ten tweeden male aan. -Wel was zijn gelaat een tint bleeker dan gewoonlijk, maar onbewegelijk -lag de loop van het geweer in zijn sterke hand. - -De spanning onder de toeschouwers had thans haar hoogtepunt bereikt; -zelfs het gefluister verstomde. - -Dirk brandde los ... de flesch vloog in duizend scherven.... - -Er volgde een oorverdoovend gejuich. Men zwaaide met de geweren, met de -hoeden, met de petten, en de jonge Boeren brachten een geestdriftig -hoera uit voor Dirk Kloppers en Tijs de Jong. - -Maar Teunis Smit riep: „Vooruit, overdoen! Wie het eerste mis schiet, -is overwonnen.” - -Hij wachtte een paar minuten, doch noch Dirk noch Tijs, die met -elkander stonden te fluisteren, schenen het gehoord te hebben. - -„Nu, zijn de heeren van plan, om van de week nog te beginnen?” -schreeuwde de leeuwenjager. - -„Neen,” zeide Dirk, „van de week komt er zèker niets van.” - -Hij reikte Tijs de hand, en hand aan hand wandelden zij te samen naar -de scheidsrechters toe. - -„De strijd is niet beslist: nu hebben we geen schutterskoning vandaag,” -zeide Teunis Smit gemelijk. - -„Ge hebt er dezen keer twee,” antwoordde Tijs lachend: „dat is goed -voor de verandering.” - -De toeschouwers vonden het blijkbaar ook, maar de dikke veerman zeide -spottend: „Een mooie wedstrijd hier! Een mooie boel,” en na een poosje -ging hij wrevelig en mopperend heen. - -Twee jonge menschen slopen hem achterna. - -Hij was misschien een vijftal minuten weg, toen hem plotseling de stok -onder de hand werd weggestooten. - -Hij keerde zich om, en zag een blauw rookwolkje. - -„Ik wil wedden, dat die lange slungel van Kloppers dat heeft gedaan,” -zeide hij. - -Maar die weddenschap zou hij verloren hebben, want Tijs de Jong had het -gedaan. - -Het volgende oogenblik werd hem de steenen pijp van tusschen de tanden -weggeschoten. - -„En dat heeft me Tijs de Jong geflikt, die rekel,” liet hij er op -volgen. Ook dat was niet waar, want het laatste schot was van Dirk -Kloppers. - -„O dat nare Boerenras,” riep hij, de vuist ballend; „die -ellendelingen!” - -Toen zette hij het op een loopen, zoo hard als zijn korte beenen het -toelieten, en holde naar zijn woning. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - - -De Boeren zijn weer op den Trek. Met een breed front, op mijlen -afstands van elkander, reizen zij in treinen van vijf tot twaalf -ossenwagens dwars door de ongebaande velden rustig voorwaarts op de -Vaalrivier aan. - -Met algemeene stemmen is Hendrik Potgieter, naar wien het eerste, door -de Boeren in de Transvaal aangelegde dorp Potchefstroom is genoemd, tot -Kommandant-Generaal benoemd van den Trek. - -Het eerste volk, dat men ontmoette, waren de Griqua’s, bastaards, -gesproten uit een vermenging van blanken en Hottentotten. Hun -opperhoofd heette Adam Kok, die de Boeren gul en gastvrij ontving, maar -zij vertoefden hier niet lang, maar zetten den trek voort, totdat zij -bij de Barolong-Kaffers kwamen, een zwakke stam, die in de spelonken -der bergen woonde, en beefde bij den naam van Moselekatse, den -machtigen en bloeddorstigen Kafferkoning in het noorden. Hij had -vreeselijk onder hen huisgehouden, en daar zijn roofsoldaten hen van al -hun vee hadden beroofd, leden zij gebrek en ellende. De Boeren, die -hier eenigen tijd hunne tenten nedersloegen, hadden medelijden met de -ongelukkige Barolongs. Lustig knalde het Boerengeweer in streken, waar -het nog nooit was gehoord, en de hongerige Kaffers konden hun honger -stillen aan het overvloedig geschoten wild. - -Na de Barolongs stootten de Boeren op de Basuto-Kaffers, die eveneens -Moselekatse’s vuist hadden gevoeld, en zich angstig schuil hielden in -het gebergte. Doch van de vredelievende bedoelingen der Boeren -overtuigd, kwamen zij uit hun sluiphoeken te voorschijn, en brachten -den blanken een overvloed van graan en koren, waarvoor zij koeien en -schapen in ruil ontvingen. - -Maar voor de vuurwapens der Boeren beefden zij. Bij elk schot wierpen -zij zich plat tegen den grond, en zij zeiden, dat de bliksem en de -donder sluimerden in den loop van het Boerengeweer. - -Waren de Basuto’s verbaasd over de vuurwapens der Boeren, dezen waren -op hun beurt verwonderd, toen zij voorttrekkende, midden in de -eindelooze prairiën, op diepe kuilen stietten, slechts door eenige -rietmatten tegen wind en regen beschut, waaruit, als vogels van het -nest, bij hun nadering zwarte, onoogelijke gedaanten verschrikt -wegholden. Deze aardbewoners, die weinig op menschelijke wezens -geleken, werden Boschjesmans genoemd, leefden van slakken, kikvorschen, -struisvogeleieren, planten, rijstmieren en van het wild, dat zij in hun -vanggaten konden machtig worden. Deze gaten bestonden uit diepe kuilen, -door gras en twijgen bedekt. Het wild, dat argeloos deze zwakke -zoldering betrad, viel er natuurlijk doorheen, en werd een even -gemakkelijke als welkome buit. - -De Boeren trokken thans over een rivier, die zij eigenaardig de -vetrivier noemden vanwege het menigvuldige, zware, vette wild, dat aan -de oevers van deze rivier werd geschoten. - -Als een vriendelijke oase in de heidensche wildernis, ontmoeten de -moedige Voortrekkers, langzaam voorttrekkend naar het onbekend noorden, -het station van een zendeling, die onder de Koranna-Kaffers werkte. Met -groote oogen staarden de Koranna’s op de lange wagentreinen der Boeren, -en sloegen van schrik, angst en verbazing de handen in elkander, toen -zij van den aanvoerder der Boeren, Hendrik Potgieter, vernamen, dat de -blanken op den trek waren naar Moselekatse, den grooten Olifant, van -wien zij grond wilden koopen voor een nederzetting. - -De Koranna’s vraagden, waarmee de Boeren het land wilden betalen, en -Potgieter antwoordde: „Met vee.” Toen schudden de Koranna’s het hoofd -en zeiden: „Moselekatse heeft al het vee wijd in den omtrek geroofd, en -hij heeft ulieder vee niet noodig. Maar hij zal u, uwe vrouwen en uwe -kinderen uitroeien, want hij is de groote Olifant, die met zijn ijzeren -pooten alles vermorzelt.” - -Toen echter de Boeren deze boodschap vernamen, bleven zij aarzelend -staan. - -De Koranna’s hadden er niet te veel van gezegd. - -Ten noorden der Vaalrivier regeerde hij: Moselekatse, de koning der -Matabele-Kaffers, de groote Maaijer, die het tegenwoordige Transvaal -[8], een gebied, twaalf maal grooter dan ons vaderland, zoo schoon had -afgemaaid, dat al de dorpen en steden met den grond waren gelijk -gemaakt. En deze Moselekatse, die onder zijn onbarmhartigen voet zeven -Kafferstammen had verbrijzeld, hield reeds zijn bloedhonden gereed, om -het volk der Boeren van den aardbodem uit te roeien. - -Doch dit wisten de Boeren nog niet, en hun aarzeling overwinnend, -trokken zij weer langzaam voorwaarts. Trouwens de afstand was nog -tamelijk groot, die hen van den geweldigen Kafferkoning scheidde. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - - -Dirk was heden morgen naar het grazende vee gereden om het te tellen, -en Daan, die bij de kudden was geplaatst, kwam hem in opgewonden -toestand tegemoet loopen. - -„Baas,” riep hij reeds van verre, „jonge baas, luister!” - -Maar Dirk sloeg geen acht op den Kaffer, want hij had haast. - -„Ik heb nu geen tijd,” zeide hij, „straks kunt ge ’t mij vertellen,” en -meteen reed hij door. Maar de Kaffer wierp zich voor de hoeven van den -zwarten hengst en riep: „Baas, er is gevaar!” - -„Kerel, ben je dol geworden?” zeide Dirk onwillig, terwijl hij de -teugels strak aanhaalde. Hij had den knecht nog nooit zoo opgewonden -gezien. - -„O baas, luister!” herhaalde Daan op zulk een smeekenden toon, dat de -jonge Boer er door getroffen werd. - -„Nu spreek op dan! Maar maak het kort; ik heb werkelijk weinig tijd.” - -Daan stond op en vervolgde op ernstigen toon: - -„Dat kan wel waar zijn, baas, dat gij weinig tijd meer hebt. Gij en uwe -heele familie en ook de kleine Hannie en al de Trekboeren, zij zijn -allen kinderen des doods.” - -Dirk keek den spreker oplettend in de oogen. „Arme kerel,” dacht -hij—„krankzinnig,” en op medelijdenden toon zeide hij: „Kom, Daan, ga -maar met mij mee, en wijs mij eens, waar onze witte melkkoe loopt.” - -Maar nu slaakte de Kaffer zulk een kreet van angst en schrik, dat Dirk -vergat om door te rijden. Hij wist niet, hoe hij het zonderlinge gedrag -van den knecht moest verklaren, en aarzelend vraagde hij: „Wat is er -dan gebeurd?” - -„Gistermiddag,” zeide Daan, „terwijl de Hottentotten bij de kudde -waren, zocht ik een kreupelboschje op, in welks schaduw ik mij -nedervleide, want de zon brandde op mijn hoofd. Ik was bijna -ingedommeld, toen ik in eens helder wakker werd door een verward -gedruisch vlak in mijn nabijheid. Voorzichtig rees ik overeind, en zag -vier Kafferkrijgers voorbijgaan.” - -„Kafferkrijgers? Ge vergist je zeker.” - -„Ik vergis me niet, baas. Zij waren met assegaai en schild gewapend; in -vollen oorlogsdos. Zij hadden een druk gesprek, en daar ik de -Kaffertaal versta, sloop ik hen achterna in ’t lange gras.” - -„Ik kan kruipen als een slang—dat weet gij, baas,” liet hij er met -eenigen trots op volgen. - -De jonge Boer knikte. - -„Zij hadden het over de Trekboeren, die hun gebied wilden -binnendringen, zooals zij dat noemden.” - -„Wij willen het land toch koopen?” zeide Dirk; „maar goed—vertel door!” - -„Zij zeiden,” ging Daan voort, „dat zij al de Boeren zouden slachten, -en tot een spijze achterlaten voor den vogel der lucht en het dier der -wildernis.” - -„Zeiden zij dat zoo?” vraagde Dirk, terwijl zijn oogen begonnen te -flikkeren. - -„Zóó hebben zij ’t gezegd; zij hebben er ook reeds een begin mee -gemaakt,” antwoordde Daan met groote beslistheid. - -„Een begin mee gemaakt? Nu geloof ik zeker, dat je verbeeldingskracht -er met jou van door is gegaan. Drie dagen geleden heb ik een Boer -gesproken, die pas al de Trekkers had bezocht, die het dichtst bij de -Vaalrivier zijn, en niets onrustwekkends heeft zich voorgedaan.” - -„Toch is het waar, baas; eergisteren is het gebeurd.” - -Dirk antwoordde niets; slechts een spottend glimlachje werd om zijn -lippen zichtbaar. - -Maar Daan stoorde zich niet daar aan, en herhaalde: „Eergisteren is het -gebeurd; ik heb het uit het gesprek der Kafferkrijgers begrepen. Zij -zijn er zelf bij geweest.” - -„Ik zag nog bloed aan hun assegaaien,” liet hij er op volgen, „en nu -zijn ze aan het spionneeren, om de sterkte der Boeren te onderzoeken.” - -„O mijne kleine, lieve Hannie,” riep hij plotseling uit op klagenden, -hartroerenden toon, „zij zullen u aan de scherpe spies rijgen, en tot -een mikpunt kiezen voor hun assegaaien.” - -„Werkelijk?” zeide de jonge Boer ongeloovig, „en zij zullen ons, de -Boeren, zeker ook dooden?” - -„Zij zullen u levend vangen,” zeide Daan. - -„Levend vangen?” riep de jonge Boer op heftigen toon, terwijl hij -onwillekeurig het breede, blanke dolkmes trok,—„ons levend vangen, zeg -je?” - -„Maar zij hebben ons nog niet?” liet hij er bedaarder op volgen, -terwijl hij den dolk weer in de lederen scheede wierp. - -Na eene kleine pauze zeide hij: „Gij zijt een eerlijke kerel, Daan, -maar ge hebt je bepaald vergist. - -„De Kaffers zullen het niet wagen, ons Boeren aan te vallen. Ze durven -niet—al willen ze. Een Boer jaagt twintig Kaffers op de vlucht.” - -„En dertig Kaffers zullen hem vermoorden,” antwoordde Daan op kalmen -toon. - -„O baas,” liet hij er op volgen, „waarom zijn jullie niet in de Kolonie -gebleven?” - -„Daarover kan ik met jou niet spreken,” antwoordde Dirk stroef, „dat is -te diep voor de hersens van een Kaffer.” - -Maar de opmerking van zijn baas weerhield Daan niet, om te zeggen: „Er -is slechts één kans om te ontkomen, en dat is—vluchten!” - -„Vluchten?” antwoordde de jonge Boer met toornige stem, „vluchten? -Vluchten voor een loos alarm? Weet ge dan niet, domme Kaffer, dat de -Boer keep houdt?” - -Maar eenigszins vriendelijker liet hij er op volgen: „Al ware het -vluchten geen lafheid, dan ware het toch nog een dwaasheid. Als het -waarheid zou zijn, wat gij mij hebt verteld, dan ware het reeds te laat -om te vluchten.” - -„Maar ik geloof het niet, dat het waarheid is—wat denk jij er van, -Hannibal?” en hij klopte het paard, dat met wijde neusgaten de frissche -morgenlucht insnoof, op den blinkenden hals. - -Maar op hartstochtelijken toon riep Daan: „Vlucht, baas, vlucht allen, -want Moselekatse, die in aantocht is, kent geen erbarmen.” - -Met starren blik zag de jonge Boer den spreker aan. - -„Moselekatse?” riep hij, „is Moselekatse in aantocht, de bloedhond?” en -hij wierp den zwarten hengst met één ruk der teugels zoo heftig om, dat -het edele dier hoog op steigerde. - -„Dan wordt het iets anders,” liet hij er op volgen; „vooruit -Hannibal—terug naar ons volk!” - -Het schrandere dier scheen zijn baas te begrijpen en met de vlugge -hoeven den grond nauwlijks rakend, vloog het snel als de wind, die de -lange grashalmen der prairiën deed golven, over de vlakte. - -Eerst toen hij in de verte de linnen huiven der ossenwagens langzaam -over de vlakte zag heenglijden, matigde Dirk den scherpen rit. - - - -In Dirk’s afwezigheid had Gert Kloppers eveneens een bedenkelijke -ontdekking gedaan; hij had namelijk een kort onderhoud gehad met een -gezelschap Griqua’s, die uit het noordoosten kwamen. - -Zij zaten op sterke, knokige ossen, en toen zij op hun zonderlinge -rijpaarden dwars voor Kloppers’ ossenwagens heenstoven, had deze hen -aangeroepen. In een soort Hottentotsch-Kaffersch hadden de Griqua’s hem -medegedeeld, dat een groot en vreeselijk Kafferkoning, die aan gene -zijde der Vaalrivier regeerde, en die alles te vuur en te zwaard -verwoestte, op marsch was, om de Griqua’s en de Blanken te vermoorden, -en om dezen geduchten vijand te ontkomen, waren zij op de vlucht -gegaan. - -Dit hadden zij gejaagd en angstig, telkens schuw achterom ziende, -verteld, en waren toen, de ossen de sporen gevend, weer doorgevlucht. - -Kloppers had hen verwonderd nagekeken, maar Floor, die er bijstond, had -gezegd: „Bastaards zijn lafaards.” - -De Griqua’s waren nog niet lang vertrokken, toen Dirk kwam en de -ernstige tijdingen van Daan overbracht. Het gelaat van Gert Kloppers -betrok, toen hij dat bericht had aangehoord, en hij zeide op bondigen -toon: „Dirk, voeder het paard en rijd dan het oosten in langs het front -van onze Trekboeren. Waarschuw de Emigranten, die gij ontmoet, en -vertel hun, wat wij hebben gehoord. Tracht vervolgens nader kondschap -in te winnen omtrent de plannen der Kaffers, en is het eenigszins -mogelijk, zie dan Teunis Smit op te sporen. Hij heeft mij beloofd ons -te helpen, als er gevaar is, maar de leeuwenjagers hebben zeker andere -begrippen van gevaar dan wij.” - -Geen uur later was Dirk vertrokken, om een last te volbrengen, die -evenveel moed als beleid vereischte, en het scheelde weinig, of Gert -Kloppers had zijn zoon nooit teruggezien. - - - -Het was in den avond van den volgenden dag, en reeds lang waren de -ossenwagens uitgespannen, toen twee schoten snel op elkander door de -avondstilte klonken. Kloppers schoot twee keeren terug, het afgesproken -teeken met Dirk, om elkander te kunnen vinden, en de mare dat Dirk in -aantocht was, had zich snel in de kleine legerplaats verspreid. De -Boeren, onder welke ook de Jong, voegden zich bij den kring der familie -Kloppers, en met een gevoel van beklemdheid, waarvan men zich geen -rekenschap kon geven, verwachtte het gezelschap, rondom het vroolijk -opflikkerende vuur gezeten, de komst van den jongen Boer. - -Die komst liet niet lang op zich wachten; reeds hoorde men den -dreunenden hoefslag van het paard op den harden rotsgrond. - -Het schuim vloog het paard van de flanken; Dirk zelf was blootshoofds. - -Zijn vader stond hem op te wachten en zeide: „Goed nieuws, Dirk?” - -„Slecht nieuws,” antwoordde Dirk, en snel uit het zadel springend, gaf -hij het paard over aan de hoede van een Hottentot. - -„Geef hem wat extra haver,” riep hij den kleurling na, „hij heeft het -verdiend.” - -Zijn gelaat stond ernstiger dan gewoonlijk, toen hij de aanwezigen -groette, en tot zijn moeder zeide hij: „Geef mij een teug water, want -ik versmacht van dorst.” - -Vrouw Kloppers haalde een groot glas Kaapschen wijn; dat verkwikte hem. -Toen begon hij op een wenk van zijn vader zijne reisavonturen mede te -deelen, terwijl op meer dan één gelaat vrees en bezorgdheid stond te -lezen. - -„Ik reed, zooals ge weet, het oosten in, en ontmoette na een uur -rijdens een trein van tien ossenwagens. Het waren allen kennissen: -Barend Jansen was hun voorman. Zij hadden nergens van gehoord, lachten -om onze bezwaren en zeiden: „Gert Kloppers is erg voorzichtig -geworden.” - -„Ik zette mijn tocht voort, totdat ik een groote kudde vee aantrof, en -eenige Hottentotten, die als veehoeders dienst deden, onderrichtten -mij, waar ik de eigenaars dier kudde zou aantreffen. Ik volgde hun -aanwijzingen, en was zoo gelukkig, de Boeren nog al gauw te vinden. Ik -was echter nog meer in mijn schik, toen ik Teunis Smit bij hen -ontmoette. - -„Met groote bevreemding hoorden zij mijn boodschap aan, en schudden -ongeloovig het hoofd, maar Teunis Smit wreef zich herhaalde malen met -de vlakke hand het voorhoofd.” - -„Dat heeft hij van zijn vader geërfd,” zeide Gert Kloppers; „die deed -dat ook, als hij gevaar vermoedde.” - -„En de leeuwenjager vermoedde ook gevaar,” ging Dirk voort: „twéé -keeren moest ik hem in de kleinste bijzonderheden mededeelen, wat onze -Kaffer en de Griqua’s hadden verteld. Toen zeide hij: „Het is best -mogelijk dat er een onweer broeit.” En met den vinger naar het -noordoosten wijzend, ging hij voort: „Hier misschien twee à drie uur te -paard vandaan in de richting van mijn hand is een kleine trein van vier -ossenwagens. Rijd daar met de noodige voorzichtigheid dadelijk op af: -het is om zoo te zeggen de uiterste voorhoede van onzen rechtervleugel. -Als die Emigranten-Boeren daar nog geen onraad hebben bespeurd, dan is -er misschien—ik zeg misschien—geen gevaar. Ik zal mijn schimmel -zadelen, en trek onmiddellijk het noorden in, naar de Vaalrivier, waar -een gezelschap mijner kennissen op de groote jacht is.” - -„En zal hij komen als wij in de knel raken?” vraagde Gert Kloppers. - -„Ik was reeds weggereden, toen hij mij nog nariep: „Zeg aan uw vader, -dat ik hoop present te zijn, als de nood aan den man komt, en geen -assegaai het mij verhindert.” „Ik volgde dus den raad van Teunis Smit -op, en hield de richting, die hij mij had aangewezen, goed in het oog, -maar na drie uur stevig doorgereden te hebben, had ik nog niets -ontdekt. De avond begon snel te vallen, en ik was wel genoodzaakt, op -het open veld te overnachten. Reeds vroeg echter stond ik heden morgen -op, en begaf mij weer op het pad. Nu ontdekte ik wagensporen, die ik -volgde, en het duurde niet lang, of ik zag midden in de wildernis een -ossenwagen staan.” - -„Maar één ossenwagen?” vraagde de Jong. - -„Maar één,” en dat verwonderde mij. „Ik vermoedde een verraad der -Kaffers, en van het paard springend, sloop ik voorzichtig naar den -wagen toe.” - -„Dat gebeurt toch wel meer, dat een ossenwagen wat achter raakt,” zeide -één der aanwezigen, die volstrekt niet aan een aanval der Kaffers -geloofde. - -„Trouwens,” liet hij er op volgen, „wat hebben de Kaffers met ons -Boeren te maken?” - -„Ja,” zeide Dirk, „dat dacht dat lieve Boerenkind ook, dat ik dood bij -den disselboom zag liggen.” - -„Dat dacht dat jonkske ook,” zeide hij, terwijl zijn stem beefde van -smart en toorn, „voor dat zijn hoofdje tegen den ijzeren band van het -voorste wiel werd te morzel geslagen.” - -Bij dit verschrikkelijk bericht vlogen allen ontzet overeind, doch Gert -Kloppers had het eerst zijn bedaardheid herwonnen, en zeide op somberen -toon: - -„Dirk, vertel door!” - -Dirk voldeed aan het verzoek, maar toen hij verhaalde, hoe hij in de -nabijheid van den wagen acht en twintig lijken had gevonden! Mannen, -vrouwen en kinderen, op de afschuwelijkste wijze verminkt; toen hij -mededeelde, hoe hij met de gieren om de doode lichamen had moeten -vechten, en hoe hij de linnen huif van den wagen had genomen, om er de -lijken mee te bedekken, toen ging er een luid weeklagen op. De -moedigste harten beefden, en zelfs Kloppers en de Jong verbleekten. - -Maar op kalmer toon ging de jonge Boer aldus voort: „Het was me -duidelijk, dat de vermoorde Emigranten, door een al te goed vertrouwen -misleid, geen voldoende voorzichtigheid hadden betracht, en op den Trek -door een afdeeling Kaffersoldaten op verraderlijke wijze waren -overrompeld. Ook begreep ik onmiddellijk, dat deze wagen behoorde bij -den trein, naar welken ik zocht, en dat de Kaffers hem hadden -achtergelaten, was gereedelijk te verklaren uit het gebroken -achterwiel. - -„Van de moordplaats liepen breede wagensporen naar het noorden; ik kon -ze duidelijk waarnemen over het geknakte gras. Ik zette mij weer te -paard, en volgde die sporen. In de verte strekte zich een lange -bergketen voor mijn oogen uit, maar voorzichtig de wagensporen volgend, -kwam ik door een bergpas weer op het vrije veld. - -„Ik had dus den bergketen nu achter den rug, en vóór mij op zekeren -afstand zag ik drie ossenwagens staan.” - -„Dat waren de geroofde wagens,” zeide Gert Kloppers. - -Dirk knikte. - -„In de nabijheid der wagens zag ik assegaaien blinken, en ik hoorde het -vreugdegehuil der Kaffers.” - -„Natuurlijk,” zeide Gert Kloppers, „die zwarte duivels vierden feest, -omdat zij onze blanke broeders hadden geslacht.” - -„Ik sprong van mijn klepper, en behoedzaam door het lange gras -sluipend, naderde ik de legerplaats zoo dicht, dat ik het wit in het -oog der Kaffers kon onderscheiden. De mogelijkheid bestond, dat zij -gevangen Boeren medevoerden, maar ik ontdekte niets dan eenige -bloedspatten op de zijwanden der wagens. - -„Nu nam ik den terugweg aan. - -„Of ik hierbij niet altijd laag genoeg bukte, of dat de golving van het -gras, die mijn spoor aanwees, mij verried, weet ik niet, maar dit is -zeker, dat ik plotseling een helsch lawaai achter mij hoorde, en wel -honderd Kaffers, met de spies in de vuist, holden mij achterna. - -„Ik begreep, dat er niet lang getalmd mocht worden. Mijn tweelooper van -den schouder nemend, keerde ik mij om en legde aan. Twee groote -schepsels waren de anderen een eind vooruit, en toen zij mij zagen stil -houden, dachten zij zeker: Dat gaat goed. Op een afstand van ongeveer -dertig pas slingerden zij hun speer, maar ik sprong op zij en bleef -ongedeerd. - -„Toen was het mijn beurt. - -„De achterna stormende bende bleef een oogenblik verbauwereerd staan, -toen zij hare twee voormannen zag vallen. Zij vonden het blijkbaar niet -erg plezierig, zoo neergeschoten te worden, maar ik repte mij, floot -Hannibal, en dat ik gauw in het zadel zat, dat kunt ge denken, -Moederke.” - -Met deze woorden wendde de jonge Boer zich tot zijn moeder, die met -vochtige oogen en gespannen gelaatstrekken als aan zijn lippen hing. - -Maar Gert Kloppers, die den heldenaard zijner vaderen in zijn eigen -zoon terugvond, zeide met zekere opgewektheid: „Hoe liep dat af?” - -„Het was er mij natuurlijk alles om te doen, om den bergpas, dien ik -was doorgereden, te bereiken, voor de Kaffers mij den terugtocht konden -afsnijden. Maar de vijanden schenen dit zelf nog eerder begrepen te -hebben dan mij lief was, en terwijl ééne afdeeling mij achterna was -geloopen, had de andere de richting naar den pas ingeslagen. - -„Nu werd het meenens. Ik klopte den klepper op den ranken hals, en liet -hem de sporen voelen. Het werd een rit op leven en dood, en als een -stormwind vloog Hannibal vooruit. - -„Ik kwam van de rechterzijde, de Kaffers van de linkerzijde, en met -twee of drie Kaffers kwam ik tegelijk aan den bergpas aan. Een assegaai -sloeg mijn stevigen van paardenhaar gevlochten hoed van het hoofd, en -een reus, zeker hun kapitein, sprong vóór het paard en greep het bij -den teugel. - -„Ik keerde het geweer, dat nu ongeladen was, om, en sloeg hem met den -notenhouten kolf op het hoofd, dat hij suizebolde. Maar ik sloeg er -niet door heen, want een Kaffer heeft een dikken schedel. Toch liet de -reus onwillekeurig los, en met één sprong was ik uit den knel. Wel -vloog mij een zwerm van spiezen achterna, maar ik was reeds uit het -bereik van hun worp. Ik was gered en dankte God. - -„Nu laadde ik mijn geweer op nieuw en schoot nog twee keeren op de -Kaffers, die het verstandig vonden, achter den bergpas te verdwijnen. -Toen heb ik het paard laten loopen zoo hard als het kon, en nadat ik -twintig losse schoten heb gelost, heb ik u eindelijk ontdekt.” - -„Wat denkt ge?” zeide Tijs de Jong, „zouden de Kaffers uw spoor zijn -gevolgd?” - -„Ik twijfel er niet aan,” antwoordde Dirk, „dat mij een half dozijn van -hun hardloopers heimelijk zijn gevolgd, en ik twijfel er evenmin aan, -dat hunne spionnen nog van nacht onze legerplaats ontdekken.” - -Er volgde een bang, langdurig zwijgen, en niets werd gehoord dan het -rommelen van den donder, die een naderend onweer voorspelde. - -Toen zeide Gert Kloppers: „Wanneer verwacht gij de Matabele-Kaffers -hier?” - -„Vóór morgen middag hebben wij ze,” antwoordde Dirk. - -„Ik denk het ook,” hernam zijn vader, en opstaande zeide de moedige -Voortrekker met vaste stem: „Op! Maken wij ons gereed voor den strijd!” - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XII. - - -Gert Kloppers had vandaag, bij het zoeken naar een legerplaats, als een -omzichtig voorman een plek uitgekozen, die door hare natuurlijke -gesteldheid de meeste kansen bood, om een mogelijken Kafferaanval te -weerstaan. - -Hij was op meer dingen bedacht geweest, en had o. a. eveneens vandaag -Floor naar zijn oostelijken buurman Barend Jansen gezonden, om dezen -man dringend te verzoeken, tot wederzijdsche hulp dicht in de nabijheid -te blijven, en Jansen, die anders erg op zich zelven was, had beloofd, -aan dat verzoek te voldoen. - -Van slapen kon er dien nacht natuurlijk geen sprake zijn. Ten -spoedigste moest het lager in een verdedigbare vesting worden -herschapen, maar men was, onder de linnen huiven der wagens of een -tentzeil weggedoken, genoodzaakt, eerst het onweer af te wachten, dat -thans met groote snelheid naderde. - -Een onweer in Zuid-Afrika—wij Europeanen hebben geen begrip van zijn -hevigheid! - -Laag trekken de saamgepakte wolken over de aarde. Zij verspreiden -tastbare duisternis; ge kunt geen hand voor uw oogen zien. - -Dáár flikkert de bliksemstraal. Bij dat helle licht kunt ge het -Boerenlager duidelijk zien, zooals het daar staat: eenzaam en verlaten; -troosteloos verlaten! - -Daar komt een nieuwe bliksemstraal, vreeselijker dan de vorige. - -Ge siddert voor het leven der arme Trekkers—wie zou niet voor hun leven -sidderen? - -Eén bliksemstraal in de balen buskruit, en de zwerftocht der Trekkers -heeft een plotseling en vreeselijk einde gevonden. - -Nu komt het vuur niet meer van de lucht. De nacht is in een dag -herschapen—maar deze dag is vreeselijker dan de nacht, en hij doet -denken aan dien Dag des Heeren, waarin de elementen brandende zullen -versmelten. - -Dáár gaan de vlammende bliksems! - -Dáár rollen de kletterende donderslagen, dat er Afrika’s bergen van -daveren! - -Dáár komt de wind, de geweldige, de onweerstaanbare! Het vastgesjorde -lager steunt als een gewond dier, en de linnen huiven der ossenwagens -klappen als de zeilen van een driemaster, die tegen den orkaan moet -optornen! - -Dáár openen zich de sluizen des hemels. Dáár komt het water van de -bergen: schuimend, loeiend, vernielend! - -Het uitgedroogde spruitje zet zich uit tot een rivier, en de rivier zet -zich uit tot een stroom van groote wateren! - -Maar het geloei der golven wordt overstemd door de slagen des -donders—de God der eere dondert! De Heere is op de groote wateren! - -De stem des Heeren is met kracht; de stem des Heeren is met -heerlijkheid! - -Hij maakt van de donderwolken zijn wagen, en de bliksemschichten -omklemt zijn rechterhand als een garve! - -Wie is tegen den Almachtige bestand, en wie zou niet beven voor zijn -geduchte stem? - -Maar zie—reeds vermindert het onweer, en de storm bedaart. De -saamgeperste wolken breken, en tusschen hunne scheuren blinkt reeds een -vriendelijke ster als een bode des vredes. En die ster schijnt aan alle -versagende menschenharten den groet van den Eeuwige te brengen, en ze -schijnt te spreken: „Een oogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven -in Zijn goedgunstigheid—wend u naar Hem toe en wordt behouden, alle gij -einden der aarde!” - - - -Nu het onweer over was, kwam er in het Boerenkamp een groote -levendigheid. Met bijlen en spaden gewapend, trokken de Boeren de -vlakte op. Er moesten graszoden worden gestoken en doornstruiken worden -gehakt. De graszoden dienden tot een aarden wal vóór, en de -doornstruiken tot een versperring ónder en tusschen de wagens. Terwijl -legden de vrouwen groote vuren aan, waarboven het lood werd gesmolten -en tot kogels gegoten. - -Een Hottentot had inmiddels twee paarden gezadeld, en Gert Kloppers -vertrok met zijn zoon. - -Zij reden naar Barend Jansen; Floor diende zijn vader tot gids. Floor -had alleen willen gaan, maar Kloppers kende de stugheid van Barend -Jansen, en had het noodzakelijk geacht, zelf mee te gaan. - -Het licht der sterren gaf voldoende schijnsel, en binnen een half uur -was het doel van den tocht bereikt. Aan de voorzijde van het lager, -waar twee lantaarnen aan lange, opgestoken zweepstokken hingen, hielden -de ruiters stil, en het luide geblaf der honden, die om het lager -liepen, bracht eenige opschudding in het kamp. - -Het duurde niet lang, of de groote, zwaargebouwde gestalte van Barend -Jansen werd zichtbaar. De twee paarden werden vastgebonden, en Kloppers -en zijn zoon traden het lager binnen. Er werden nog eenige lantaarnen -aangestoken, en men zette zich in de open ruimte op veldstoelen of -tonnen neer. Eenige andere Boeren sloten zich aan bij den kring, -nieuwsgierig wat dit bezoek bij nacht en ontij te beteekenen had. - -Gert Kloppers liet hen niet lang in de onzekerheid. Hij schetste den -hachelijken toestand, waarin de Trekkers verkeerden; wees er op, dat -slechts de grootste eendracht hen redden kon, en verzocht Neef Barend, -om ten spoedigste met zijn tien ossenwagens Kloppers’ lager te -versterken. - -Maar Barend Jansen scheen het niet zoo erg te vinden. Hij stak heel -gemoedelijk een pijp op, en blaasde bedaard de blauwe rookwolkjes uit. - -„Zoo gauw zullen de Kaffers er niet zijn,” zeide Jansen. - -„Zij zullen er eerder zijn als jou lief is,” zeide Kloppers. - -„Gij gaat altijd eigenmachtig te werk; dat is jóuw ongeluk,” zeide -Jansen. - -„En gij gaat altijd eigenzinnig te werk; dat is jóuw ongeluk,” zeide -Kloppers. - -„Ik ben voor de vrijheid; ik wil door jou niet gecommandeerd worden,” -zeide Jansen. - -„Jij hebt een stuggen kop, maar de Kaffers zullen hem breken,” zeide -Kloppers. - -„Wij zijn hier met tien weerbare mannen, die haar op hunne tanden -hebben,” zeide Jansen. - -„Maar Moselekatse en zijn bloedhonden zullen er om lachen,” zeide -Kloppers. - -Jansen trok aan zijn ruigen baard. - -„Wat wil je dan?” zeide hij. - -„Dat heb ik je reeds gezegd. Zoo spoedig mogelijk moet ge met de wagens -bij mijn lager zijn, opdat wij een versterkt lager kunnen maken.” - -„Kom naar òns,” zeide Jansen. - -„Ik dank je wel; het terrein, waar ons lager staat, is veel gunstiger,” -zeide Kloppers. - -„Ik doe het niet—kom naar òns,” antwoordde Jansen met harde stem. - -„Ge doet het niet?” vraagde Kloppers op langzamen toon. - -De stugge Boer schudde het hoofd. - -„Nu weet ik het,” zeide Gert Kloppers; zijn stem had een ernstigen, -bijna plechtigen klank gekregen. „Ik heb er voor gevreesd, en ’t zal -zoo komen. Het krachtige volk der Boeren zal vergaan, want de kanker -van den tweedracht knaagt aan dat volk. In het aangezicht onzer -vijanden, die onze broeders hebben vermoord, verteert ons de -tweedracht. Wij zullen vallen, en wij zullen vallen met schande! Een -volk, dat de leus niet verstaat: „Man voor man en schouder aan -schouder,” is het niet waardig te bestaan. Ik zal sneuvelen en gij zult -sneuvelen; wij allen zullen sneuvelen. Neen, Barend Jansen, maak maar -niet dat afwerende gebaar—wij zijn allen kinderen des doods. Uw -dochterke, dat daar de hand op uw schouder legt, zal sterven, en in -dien stervenden blik zal voor u een vreeselijk verwijt liggen -besloten—kom, Floor, wij hebben hier niets meer te doen.” - -Hij was opgestaan, maar ook Barend Jansen was opgestaan. Zoo stonden -zij voor elkander: twee loten uit denzelfden stam, sterk en vol -levenskracht, maar een afgrond gaapte tusschen hen beiden. - -„Er bestaat tusschen ons een oude veete; weet gij dat, Gert Kloppers?” - -„Een oude veete; dat weet ik, Barend Jansen, maar eene nog oudere -vriendschap—weet gij dat ook? Meer dan een half jaar aan één stuk zijn -wij samen op kommando geweest tegen de Kaffers. In één tent hebben wij -geslapen; op één peluw hebben wij ’s avonds ons hoofd neergelegd. Op -een eenzamen wachtpost heb ik gestaan, toen ik door een bende -oorlogskaffers werd overrompeld. Wie heeft mij toen van een anders -wissen dood gered? Wie anders dan gij, Barend Jansen?” - -„Het was niets dan een staaltje van mijn plicht,” wierp Jansen er -tusschen in. - -„Goed,” antwoordde Kloppers, „maar ’t was toch een plichtsbetrachting, -waarbij gij uw leven waagdet. Maar dit heb ik tegen u, dat gij een -stug, onverzettelijk gemoed hebt. Straks, als het te laat is, zult gij -met bloedige tranen uw verkeerdheid beweenen—als de wreede Kaffers u -daartoe ten minste nog den tijd zullen gunnen.” - -„Barend, broeders,” riep hij met bewogen stem, „op! Laten wij morgen -als oude strijdmakkers tegen de Kaffers vechten!” - -Hij legde de hand op Jansen’s schouder. Jansen keek op, en zag hem in -de oogen—er waren tranen in die oogen. - -Toen kwam er een zeldzame verandering op Jansen’s verweerd gelaat. - -„Wat denken jullie er van?” zeide hij, zich tot de omstaande Boeren -wendende. „Vindt ge ’t goed, dat we ons lager opbreken en naar Kloppers -trekken?” - -„We vinden ’t goed,” antwoordden zij met eenparige stem, „dadelijk!” - -Toen straalde Kloppers’ heldenoog! - -En al zouden zij onder het overwicht der Kaffers worden vermorzeld, zij -zouden vallen man voor man, schouder aan schouder—zij zouden vallen met -eere! - -Maar in de hersens van Floor kwam het voorloopig nog niet op, dat de -Boeren het onderspit zouden delven. Hij gaf de tienjarige dochter van -Jansen kameraadschappelijk de hand, en zeide: „Schei nu maar uit met -huilen, Leentje. Alles komt terecht; laat dat maar aan mij over.” - - - -Barend Jansen had zijn belofte trouw gestand gedaan, en was nog in het -holle van den nacht met den trein van tien ossenwagens op het -aangewezen terrein aangekomen. Terwijl eenige Boeren als wachten waren -uitgezet, om bij het geringste onraad alarm te maken, waren de anderen -met koortsachtigen ijver bezig geweest, om het lager in verdedigbaren -staat te brengen. - -De vrees, dat de vijanden hun oude taktiek zouden volgen, en nog vóór -het krieken van den morgen het lager zouden bestormen, was gelukkig -niet bewaarheid. Het zware noodweer van gisteravond, dat de beken in -rivieren had herschapen, was waarschijnlijk de oorzaak geweest, die de -komst der Matabelen had vertraagd. - -Nu was de vesting gereed. De disselboom van den éénen wagen was onder -de „buikplank” van den anderen geschoven, terwijl de wielen der -verschillende wagens door ijzeren remkettingen stevig aan elkaar waren -verbonden. De wagens waren dus de muren der vesting; de op elkaar -gestapelde graszoden vlak voor de wagens de borstwering, terwijl de -open ruimte ònder en tùsschen de wagens door staketsels van sterke -doorntakken was aangevuld. - -Het lager vormde een langwerpig vierkant, en strekte zich aan de -achterzijde in de lengte langs den steilen oever uit eener kleine -rivier, die door den stortregen van gisteravond overvloedig water had -gekregen, om voor vestinggracht te kunnen dienen. Men was dus aan dien -kant, in den rug, voldoende gedekt, en borstwering noch -doornversperring was daar noodig geacht. De drie andere zijden waren -echter met te meer zorg, zoover de beperkte tijd het toeliet, versterkt -geworden. - -Het lager stond op een platten heuvel. Men zou zich echter vergissen, -wanneer men meende, dat het lager de geheele oppervlakte van den heuvel -besloeg, en de Kaffers dus uit de diepte zouden moeten aanvallen. Het -lager besloeg slechts een gedeelte van den heuvel, die trouwens zeer -langzaam afliep. - -Op eenigen afstand van het lager liep evenwijdig daarmede een nieuwe -heuvelkam, en tusschen het lager en dien heuvelkam in stond een hooge, -eenzame seringenboom in vollen bladerdos. Eenige jonge Boeren hadden -reeds den bijl aan zijn wortel gelegd, doch de voorzichtige de Jong had -gezegd: - -„Laat hem staan; hij kan ons tot observatiepost dienen.” - -Zoo was hij blijven staan. - -In het lager, aan de achterzijde, stonden de paarden en eenige -melkkoeien. Het andere vee zwierf, met voordacht in verschillende -kudden gesplitst, op eenige uren afstands, en zeker zouden de Kaffers -eerst dit vee zien te rooven en in veiligheid te brengen, vóór zij het -Boerenlager aantastten. - - - -De Boeren vereenigen zich thans in het midden van het lager. Daar staan -Gert Kloppers met zijn vrouw, zijn drie zonen: Dirk, Floor en Willem, -en zijn twee dochters: Mieke en Hannie. Daan, de trouwe Kaffer, houdt -de kleine Hannie aan de hand, en zal over haar waken bij het fluiten -der kogels en het suizen der assegaaien. Dan ziet ge de Jong met zijn -gezin, waarvan ge Tijs den scherpschutter reeds kent. Vervolgens Kees -Bouwer. Hij houdt zijn spitse tong thans in toom, en dat is goed. -Barend Jansen staat met zijn drie wakkere zonen op den achtergrond. -Leendert is de middelste der drie. Van wege zijn gulheid en -hartelijkheid wordt hij bemind door allen, die hem kennen, en hij is de -trots zijns vaders. Hij heeft een kleur als melk en bloed, en vlug is -hij als A’sahel, de broeder van Joab, van wien geschreven staat, dat -hij licht was op zijn voeten als eene der reeën, die in het veld zijn. -Maar vlugger dan A’sahel is de dood, en dat moedig flikkerende oog van -Leendert Jansen zal breken lang voor de zon, die thans in het oosten -straalt, in het westen zal zijn ondergegaan. - -Daar staan zij nu bij elkander: twintig weerbare mannen behalve de -vrouwen en kinderen. Er wordt niet gesproken, zelfs niet gefluisterd; -de ontzettende ernst van het oogenblik ligt als een ban op aller -gelaat. - -Daar gaat ouderling de Jong op een verhevenheid staan, blikt met zijn -blauwe, heldere oogen in het rond en spreekt aldus: „Lieve Vrienden! -Wij beseffen allen het gewicht dezer ure, en in den strijd, die ons -heden wacht, zullen wij overwinnen of sterven. Als menschen zijn wij -aan de middelen gebonden, en hebben wij gedaan, wat onze hand vond om -te doen. Ook strijden wij voor een rechtvaardige zaak, en wat wij doen -is wettige zelfverdediging, want wij kampen voor ons zelven, voor onze -vrouwen en kinderen—voor wat ons het dierbaarste is op aarde. - -„Wat onze wapens betreft: onze geweren zijn goed, ons kruit is droog, -en onze kogels zullen hun weg wel vinden. - -„Maar wij zijn stof, en tot stof zullen wij wederkeeren. Dat kan -vandaag nog geschieden. Eén assegaaistoot kan onzen ademtocht -afsnijden, en onze ossenwagens, waarachter wij schuilen, zijn schilden -van hout.” - -„Maar,” roept de spreker uit, terwijl zijn blik vol geloofsvertrouwen -naar boven gaat—„het zij leven, het zij sterven—Gij trouwe God, Gij -zijt het schild, dat mij bevrijdt!” - -En hoor! Daar klinkt het van de lippen der kleine gemeente in plechtig -psalmgezang: - - - „Maar, trouwe God! Gij zijt - Het schild, dat mij bevrijdt, - Mijn eer, mijn vast vertrouwen. - Op U vest ik het oog; - Gij heft mijn hoofd omhoog, - En doet m’ Uw gunst aanschouwen. - - Ik zal, vol heldenmoed, - Daar mij Zijn hand behoedt, - Tien duizenden niet vreezen; - Schoon ik van alle kant - Geweldig aangerand - En fel geprangd moog’ wezen.” - - -Er volgde een pauze, waarna de Jong opnieuw begon: - -„Onze vaderen hebben zich voordat de strijd begon, steeds onder een -hoofd geplaatst, onder een kommandant, aan wiens bevel zij -gehoorzaamden, doch wie is geschikter voor kommandant dan de man, die -hier voor mij staat?” en hij wees met den vinger op Gert Kloppers. - -„Ja, ja,” riepen de Boeren, „die keuze is goed.” - -Maar Kloppers zeide: „Het is een oude gewoonte onder ons, dat onze -ouderlingen onze aanvoerders zijn in den strijd, en waarom zullen wij -heden van deze goede gewoonte afwijken? Mist ouderling de Jong de -bekwaamheid tot kommandant? Ik geloof niet, dat één onzer dit zal -durven beweren.” - -Doch de Jong legde de hand op Kloppers’ arm, en antwoordde: „Laat het -goed zijn, broeder. Onder vader Kloppers zijn wij menigmaal opgetrokken -tegen de Kaffers; laten wij dezen keer optrekken onder zijn zoon.” - -„Ja,” riepen de Boeren, „Kloppers moet het zijn.” - -Toen beklom Gert Kloppers de verhevenheid, die ouderling de Jong -verliet, en leunend op het geweer, waarvan hij den tromp met beide -handen omklemde, zeide hij: „Mannen, Broeders! Daar gij het zoo wilt, -onderwerp ik mij aan uwe keuze, en hoop tot God, dat hij mij moed, -koelbloedigheid en beleid mag geven tot mijn hoogst verantwoordelijken -post. Een kommandant behoort echter te weten of hij rekenen kan op de -gewilligheid der soldaten. Indien er iemand onder u is, die terugdeinst -voor het gevaar, en liever in de vlucht zijn heil wil zoeken, die moge -het doen! Ik zal hem niets verwijten, en onmiddellijk een paard ter -zijner beschikking stellen. Maar ik zie het aan uwe oogen, dat gij aan -geen vluchten denkt, en dat verkwikt mijn hart. Zoo neem ik u, de -weerbare mannen, dan den eed af, dat gij mij houw en trouw zult blijven -in nood en dood.” - -Toen hieven alle Boeren de handen omhoog, en zwoeren hun kommandant -houw en trouw in nood en dood. - -„Van mijnen kant,” zeide Kloppers, en er ging een diepe ontroering door -zijn mannelijke stem, „beloof ik u hetzelfde, zoo waarlijk helpe mij -God de Almachtige! - -„Thans ben ik uw aanvoerder, broeders, maar geen aanvoerder, die u de -overwinning kan belooven, want onze vijanden, die elk oogenblik als de -huilende stormvloed ons lager kunnen omsingelen, zijn sterk en -bloeddorstig, en wie kan den raad des Heeren doorgronden? - -„Voor ieder onzer kan het heden de laatste dag des levens zijn, en tot -hen, die onvoorbereid voor de eeuwigheid staan, zeg ik met al den -ernst, die de zaak verdient: Laat u met God verzoenen! Christus, die -stervende den moordenaar aan het kruis heeft gered, is thans, nu Hij -leeft tot in alle eeuwigheid, zeker machtig genoeg, om u te redden! - -„Thans verzoek ik U, broeder de Jong, ons voor te gaan in het gebed tot -Hem, Die onze bekommernissen, onze nooden en onze ellende kent, en Die -ons een onversaagd hart kan geven, om mannelijk te strijden!” - -Toen knielden allen neder, en de Jong sprak een aangrijpend gebed. - -Daarna nam Kloppers, terwijl zijn oog over de vergadering ging, en op -Barend Jansen, die nog steeds op den achtergrond stond, gevestigd -bleef, nogmaals het woord. „Laten wij elkander thans,” zeide hij, „in -het aangezicht des doods de hand der liefde en der broederschap, en -waar oude veten zijn, die der vergeving en verzoening geven.” - -Toen drukte men elkander de broederhand. - -Ook Kloppers en Jansen. - -De oude vete was, en nu voorgoed, begraven! - -Zoo stonden zij bij elkander: moedig en vastberaden, al was er groote -bekommernis in het hart; vast besloten, om te overwinnen of te sterven; -steunend op God en hun goed recht! - -Zoo stond gij daar in de wildernis, en zoo zult ge in de geschiedenis -geteekend staan: gij wakkere Voortrekkers, gij dappere Boeren, gij -helden van Zuid-Afrika! - - - -Zóó had de aanstaande strijd voor de Boeren zijn bijzondere wijding -ontvangen, en nu dit was geschied, scheen met Gert Kloppers een omkeer -plaats te hebben. De ontroering die door zijn stem had heengetrild, -verdween; de krijgsman, de kommandant kwam boven. - -Kort, bondig, met weinige woorden gaf hij zijn bevelen. In het lager -zelf bevond zich een ossenwagen, die evenwijdig met de achterzijde -tegen den linker „muur” was geplaatst. In deze ruimte, van de -achterzijde door de rivier gedekt, plaatste hij de kleine kinderen, ook -Hannie, terwijl Daan en eenige vrouwen over hen zouden waken. Er waren -over de veertig geweren; ieder man kreeg er twee, terwijl de vrouwen en -de aankomende jongens voor het laden der geweren moesten zorgen. „Uw -standplaats kan ik niet aanwijzen,” zeide Kloppers tot de schutters; -„waar het gevaar het grootst is, moeten de beste schutters zijn. De -twee eerste keeren wordt er geen schot gelost, voor ik „vuur” -kommandeer. Later schiet ieder, zoover ik niet anders beveel, op eigen -gelegenheid, maar altijd met een mikpunt. - -„Tot mikpunt neemt ge den kaffer, die het dichtst voor den loop van uw -geweer komt, want zooveel mogelijk moet het vermeden worden, twee -geweren op één Kaffer aan te leggen.” - -Met scherpen blik monsterde hij de legerplaats, en op een bepaald punt -aan de rechterzijde bleef hij met bezorgden blik even staan. Hij vond -de opening tusschen „Europa”, een zijner eigen wagens, en een wagen van -Jansen niet hoog genoeg door de dorens versperd, en Floor roepend, -zeide hij: „Gij hier met uw bijl! Ieder Kaffer, die hier over komt, is -aan uw bijl vervallen. Hoe zwaar ook in het front gevochten moge -worden, gij blijft op deze plek!” - -Vervolgens wendde hij zich tot Dirk. „Gij kondt vroeger zoo sprekend -het geluid van den Makauwvogel nabootsen; ge zult het nog niet verleerd -zijn. Klim in gindschen seringenboom, en als gij de Kaffers ziet -aankomen, dan laat gij den kreet van dien vogel driemaal achter -elkander hooren.” - -Nu keerde Kloppers zich voor het laatst tot de aanwezigen, en zeide: -„Ik verzoek thans de diepste stilte; geen woord worde er gesproken! -Weest sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk! De Heere nu doe wat -goed is in Zijne oogen!” - -Maar tot ouderling de Jong fluisterde hij: „Ik vrees, dat Teunis Smit -is omgekomen; anders zou hij hier moeten zijn.” - -Toen ging hij op een groote waterton staan, zoodat hij over de linnen -wagenhuif kon heenblikken, en zijn valkenoogen wijd open zettend, -tuurde hij naar den horizon. - - - -Daar ligt dan de wagenburcht: stil, somber, zwijgend; men zou zeggen: -een opgegeven stuk menschenwerk midden in de wildernis. Drukkend, -brandend straalt de voormiddagzon, en onbewegelijk hangen twee grijze -wolken aan den overigens wolkeloozen hemel. Een arend beschrijft met -wijd uitgespannen vleugelen hoog in de lucht zijn kringen, en een -schaar duiven scheert met blanke wieken over het grasveld. De regen van -gisteravond heeft het aardrijk verkwikt, en de geuren der veldrozen -stijgen als dankoffers omhoog. Het nijvere bijke snort van bloem tot -bloem, was en honing verzamelend, en een eenzaam, kleurig vlinderke -wiegt zich droomend op een grashalm. - -De wind gaat liggen. Nauwelijks beweegt zich een blad aan den -seringenboom, en het groene bosch, ver aan den horizon, drinkt met zijn -slanke toppen den zonnegloed. - -Het laatste zuchtje verdwijnt .... niets beweegt zich meer .... geen -blad, geen halm .... - -Stilte .... Sabbatsrust .... - -Daar klinkt driemaal snel achter elkander uit den seringenboom de -harde, snijdende kreet van den Makauwvogel. Bijna onmiddellijk daarop -wordt het luid en driftig geblaf van twee groote speurhonden gehoord, -en alsof de prairie achter hem in vlammen stond, zoo kwam daar een -ruiter op zijn van zweet druipend paard aangestormd. - -Een oogenblik later zijn Dirk en de ruiter, over den linnen huifwagen -heenklimmend, binnen het lager, en op bijna vroolijken toon roept de -kommandant: „Het beste geweer der kolonie heeten we hartelijk welkom in -het gevecht!” Om strijd drukken en schudden de Boeren zijn -hand—„welkom,” roepen ze, „wees welkom!” - -Zou hij niet welkom zijn, de zoo smartelijk gemiste, de dappere -leeuwenjager Teunis Smit? - -Maar er is geen tijd van spreken, want hoor! Daar gaat een schelle, -langgerekte, merg en been doordringende kreet over het veld, en daar -komen ze aan, van drie kanten tegelijk, hun schilden zwaaiend, hun -speren slingerend, half naakt, de struisvogelveer op het hoofd, -dansend, springend, gillend, brullend: twintig, dertig, veertig, -driehonderd man. - -En stil als te voren ligt de wagenburcht. Zwijgend wachten de Boeren, -met den vinger aan den trekker van het geweer, dien huilenden -stormvloed af. Niets verraadt hun aanwezigheid. Slechts een zucht -stijgt uit hun harten opwaarts, maar geen Kaffer hoort dien zucht. -Slechts één hoort hem; dat is God. - -Snel zijn de Matabelen van den heuvelkam afgedaald: reeds hebben de -eersten de seringenboom bereikt, en beginnen zij, zich dekkend met hun -schilden van buffelleer, tegen den zacht glooienden heuvel, waarop het -lager staat, op te loopen. - -Koelbloedig ziet Kloppers die wilde, bloeddorstige benden aanstormen. -Geen spier beweegt zich in zijn gelaat; dat gelaat schijnt uit graniet -gehouwen. - -Nu is de afstand nog veertig, nog vijf en dertig pas. - -Daar gaat kort en scherp als de knal van het Boerengeweer het kommando: -„Vuur!” en knetterend slaat het salvo in de gelederen der Kaffers. - -Voor dezen ijzeren welkomstgroet deinzen zij terug, en de voorsten -slaan op de vlucht. Maar dit bekomt hun slecht, want reeds komt hun -aanvoerder, kapitein Khama, met een nieuwe hulpbende van den heuvelkam -afgerend. Eigenhandig stoot hij twee der vluchtelingen, die onder zijn -bereik komen, de korte stootspeer in de borst, en dan roept hij met -vlammenden blik: „Voorwaarts!” - -Dat helpt. De vrees voor hun kapitein is grooter dan hun vrees voor de -kogels der Boeren, en als razenden stormen de krijgers over hun doode -en gewonde kameraden weer voorwaarts. - -En stil als te voren ligt de wagenburcht: stil en zwijgend. - -Maar zie, terwijl de voorste rijen der Kaffers reeds op den heuvel -staan, geen vijftien pas van het lager verwijderd, terwijl de Boeren -van achter hun verschansing reeds de wreede trekken kunnen -onderscheiden in die tijgergezichten, en terwijl de lange werpspiezen -reeds bij tientallen het lager binnensuizen, flikkert er andermaal een -vuurstraal langs het front der wagenburcht, en een tweede salvo, -vreeselijker dan het eerste, ontvangt de aanvallers. - -Daarop hadden zij niet gerekend. Op dat tweede salvo kan een derde, een -vierde volgen; met schrik staren zij op dat geheimzinnige, dood en -verderf spuwende lager. Wel buldert en raast Khama als een bezetene, -wel bedreigt hij hen met zijn vreeselijksten toorn, indien zij -terugtrekken, maar hij heeft goed praten: door zijn metalen schild -dringt niet gauw een kogel heen. De zucht tot zelfbehoud is dezen keer -grooter dan de vrees voor den kapitein, en hun dooden en zwaargewonden -achterlatend, vluchten zij snel achter de eerste heuvelrij. - -Wel zijn eenigen uit het lager door een assegaai getroffen, maar gedood -of zwaar gewond is gelukkig niemand. Ouderling de Jong heeft een spies -in het been gekregen, die hij er zelf heeft uitgetrokken, terwijl een -snel aangelegd linnen verband het sterke bloeden heeft gekeerd. Dirk -Kloppers is aan de linkerhand gekwetst, en een vrouw aan den schouder, -terwijl een speer zoo dicht langs Barend Jansen’s hoofd is heengegaan, -dat zijn oor nog een schram heeft gekregen. - -Dit staat intusschen vast, dat de eerste storm bloedig is afgeslagen, -en de Boeren wenschen elkander geluk met de aanvankelijke zegepraal. -Maar terwijl men druk staat te praten en te gissen, of de Kaffers een -tweeden storm zullen durven wagen, of op een andere manier zullen -trachten het lager binnen te dringen, wendt Kloppers zich tot Teunis -Smit en zegt op hartelijken toon: „Neef Teunis, vertel ons nu eerst -eens uw wedervaren, want ik denk, dat de Kaffers u dicht op de hielen -hebben gezeten.” - -„Gij weet zeker van Dirk,” antwoordde de leeuwenjager, „dat ik mij naar -het noorden wilde wenden om een gezelschap Boerenjagers op te zoeken, -die aan de oevers der Vaalrivier op de groote jacht waren—maar kijk, -daar hebben we al weer een nieuwe vertooning!” - -De Boeren volgden den blik van Teunis Smit, en zagen een grooten, -forsch gebouwden, met een prachtige pluim van struisvogelveeren -getooiden Kaffer naderen: het was Khama zelf. Met fier opgeheven hoofd -kwam hij op het lager aan, doch hij was zonder schild en spies: een -bewijs, dat hij een vredige onderhandeling wilde aanknoopen. - -„Dat is de kerel, die gisteren morgen mijn paard bij de teugels greep,” -roept Dirk, die hem onmiddellijk herkent, „en dien ik met den -geweerkolf een slag op zijn hersens heb gegeven.” - -„En de kleine peuter, die daar achter hem komt aangetrippeld, is een -Hottentot,” zegt Leendert Jansen. - -„Die voor tolk zal moeten dienen,” vult Tijs de Jong aan. - -Intusschen is de Kafferkapitein met den Hottentot, die inderdaad voor -tolk moet dienen, en de te wisselen woorden over en weer zal vertalen, -tot op den rand van den lagerheuvel genaderd, waar hij blijft staan, -terwijl Gert Kloppers zich voor eene door dorens versperde wagenopening -plaatst, en kortaf vraagt: „Wat moet je?” - -„Ik ben Khama, de Kafferkapitein,” zegt de aangesprokene. - -„Zoo,” zegt Kloppers, „dat kan waar wezen.” - -„Mijn volk noemt mij „den brullenden leeuw,” en ik ben de rechterhand -van den „grooten Olifant,” die door de witmenschen wordt genoemd -Moselekatse,” zegt Khama. - -„Zoo, ben jij van dien duivel de rechterhand? Zoo’n moordenaar gelijkt -hem,” antwoordt Kloppers. - -„En ik groet u,” zegt Khama. - -„Kom, deze groet klinkt al beleefder dan die van zoo even,” antwoordt -Kloppers. - -De Kaffer haalt even de schouders op, en gaat voort: „Hier onder u is -een witmensch, ik zie hem vlak naast u staan, en om dien witmensch is -het mij te doen.” - -„Een groote eer,” zegt Kloppers. - -„Als ge hem aan mij overlevert, dan zullen wij onmiddellijk wegtrekken, -en geen haar zal u worden gekrenkt,” zegt Khama. - -„Wat heeft die witmensch toch gedaan?” vraagt Kloppers. - -„Hij heeft drie mijner dapperste krijgers doodgeschoten en éénen zwaar -gewond,” zegt Khama. - -„Jij bedoelt zeker mij!” zegt Dirk, „maar dan vergeet je den Kaffer, -die daar eenige passen achter jou ligt; ja, kijk maar even om, -kapitein; ’t is de voorste van dat hoopje lijken, die daar vlak bij -elkander liggen.” - -„En dan vergeet je ook nog,” voegt hij er aan toe, „dien zwaar gewonde, -die daar dicht voor uw voeten ligt, en die ’t ook niet lang meer zal -maken.” - -Daarbij wijst hij met den vinger op een gewonde, die in zijn doodstrijd -met beide handen de lange grashalmen uit den grond rukt. - -Maar de Kafferkapitein schijnt zich dat al heel weinig aan te trekken, -en zegt: „Wij zijn hier met zoo’n groote macht, dat wij dit armzalige -boerenlager onder onze voeten kunnen vertrappen.” - -„Waarom heb je dat dan zoo even niet gedaan?” spot Kloppers. - -Maar de Kaffer keurt deze vraag geen antwoord waardig en zegt dreigend: -„Ik ben hier met twee duizend dappere krijgers.” - -„Dat lieg je,” zegt Teunis Smit, die zich thans in het gesprek gaat -mengen. „Als ik de dertig Kaffers, die hier dood of zwaar gewond vóór -het lager liggen, meereken, telt gij met al uw Kaffers hoogstens -negenhonderd man.” - -Dit zeggende, is de leeuwenjager meer naar voren gegaan, en op het -gelaat van den Kafferkapitein, die hem thans goed kan zien, staat -groote verbazing te lezen. - -Hij antwoordt niet dadelijk, maar fluistert druk met den Hottentot. - -Daarna zegt hij, op Teunis Smit wijzend: „Dien kerel in dat buis van -bokkenvel moet ik ook hebben,” maar deze uitval maakt op de Boeren in -spijt van hun hachelijken toestand zoo’n koddigen indruk, dat zij in -een schaterlach uitbarsten. Nu wordt de kapitein echter woedend, en hij -zegt: „Dat buis van bokkenvel schijnt alles in de puntjes te weten; -waarom vertelt hij dan ook niet, dat mijn krijgers een paar dagen -geleden achtentwintig Boeren aan hunne assegaaien hebben geregen?” - -„De vrouwen en kinderen meegeteld, moordenaar,” zegt Dirk. - -„En dat een andere dappere kapitein van „den grooten Olifant” eveneens -achtentwintig Boeren heeft geveld, de vrouwen en kinderen niet -medegeteld, en niemand ontkwam?” - -„Niemand ontkwam? Ook dat is een leugen,” zegt Teunis Smit. „De -negenentwintigste is ontkomen, en heeft thans waarschijnlijk reeds onze -broeders in het zuiden bereikt, om hen op te roepen tot den heiligen -oorlog tegen Moselekatse en zijn bloedhonden.” - -Deze mededeeling verrast de Boeren evenzeer als den kaptein, maar hij -beheerscht zich, en tot den lagerkommandant zich wendend, zegt hij: -„Dat jonge witmensch wil ik hebben, omdat hij zonder aanleiding op onze -krijgers heeft geschoten.” - -„Ik merk, dat gij de waarheid liefhebt,” zegt Dirk op leuken toon. - -„En dat buis van bokkenvel wil ik hebben, omdat hij een verrader is; -een spion en een verrader. Gisteravond is hij tot mij gekomen en heeft -gezegd: „Ik wil mij wreken op de trekboeren, want zij hebben mij -doodelijk beleedigd, en ik zal uw gids zijn en u helpen, om hen uit te -vinden en uit te roeien.” Wel schudden mijne kondschappers het hoofd, -maar hij liet zich vrijwillig de handen binden, en ik geloofde hem, -maar hij heeft ons bedrogen en is ontsnapt. - -„Levert mij dus die beiden uit, die ik genoemd heb, en wij zullen -omkeeren, en binnen een halven dag hebt gij al uw vee, dat thans in ons -bezit is, terug.” - -„Zijt ge nu uitgepraat?” vraagt Gert Kloppers. - -„Neen,” zegt de Kafferkapitein met toornige gebaren. „Indien gij hen -niet uitlevert, dan zeg ik u, dat wij u, de mannen met uwe vrouwen -levend aan uwe ossenwagens zullen spijkeren, en uw kinderen zullen wij -levend aan onze assegaaien rijgen: vóór uwe oogen. Maar uwe jonge -dochters wacht een vreeselijker lot, en hun geschonden lichamen zullen -tot een prooi dienen voor de aasvogels, dat zweer ik, Khama, die -genoemd wordt „de brullende leeuw”, bij mijne goden. Wat is nu uw -antwoord?” - -„Mijn antwoord,” zegt Kloppers, terwijl hij zich tot zijn volle lengte -opheft, „mijn antwoord ligt in den loop van dit geweer. Maak dat je weg -komt, of de brullende leeuw heeft voor den laatsten keer gebruld. -Aarzel je nog? Maak dat je weg komt, zeg ik, of ik schiet je zoo zeker -dood als ik dit geweer in mijne handen heb.” - -Toen keerde de kapitein met zijn Hottentot schielijk terug, maar Barend -Jansen zeide: „’t Is jammer, kommandant, dat ge dien moordenaar niet -hebt doodgeschoten; ’t is bepaald jammer.” En hij schudde bedenkelijk -met het groote hoofd. - - - -En weer zet Gert Kloppers zijn valkenoogen wijd open. Daar vóór hem -ligt de heuvelkam, waarachter de Kafferhorden zich waarschijnlijk op -nieuw tot een stormaanval gereed maken. - -Als hij eens met zijn Boeren een uitval deed, dien kant uit? - -Maar neen, dat is nog te vroeg. Straks misschien, als God het hem -vergunt, de Kaffers ook bij den volgenden aanval met bebloede koppen af -te wijzen. Dan snel te paard de vluchtelingen achterna, en hen onder -den voet gereden—de oude, beproefde Boerentaktiek! - -Een paar gekwetsten trachten, op handen en voeten kruipend, den -heuvelkam te bereiken. Kees Bouwer legt op hen aan, maar de kommandant -slaat den tromp van zijn geweer naar boven. „Spaar je ammunitie,” zegt -hij kortaf. - -Nu valt zijn oog op den seringenboom. Hij schijnt hem met aandacht op -te nemen, en hoe meer hij er naar kijkt, hoe meer zich zijn zware -wenkbrauwen fronsen. - -„Zeg, Neef Teunis, voel je wind?” - -„Geen zuchtje,” zegt de leeuwenjager. - -Weer kijkt de kommandant naar den seringenboom. - -„En toch bewegen zich eenige bladeren van dien boom,” zegt hij. - -„Een vogel is er misschien in neergestreken,” zegt een jonge Boer. - -„Of een Kaffer is er in geklommen,” zegt Teunis Smit. - -„Misschien meer dan één,” zegt Kloppers. - -„Om onze sterkte te bespieden,” zegt ouderling de Jong, „ik twijfel er -niet aan.” - -„En ik evenmin,” zegt Kloppers. - -„Die heele onderhandeling van zoo even is misschien maar een vertooning -geweest, om onze aandacht af te leiden, en de Kaffers gelegenheid te -geven, in den boom te klauteren,” zegt Barend Jansen. „Ik wou, dat ge -daar straks hun kaptein had doodgeschoten,” en hij trekt met een gram -gemoed aan zijn ruigen baard. - -Nadenkend tuurt Kloppers naar den boom. „Wij zijn verloren,” zegt hij, -„als één van de Kaffers, die ons waarschijnlijk van uit dien boom -zitten te bespieden, levend terugkomt. Wij zijn in dat geval verloren, -zeg ik, want ons gering getal is hun dan bekend. Zij zitten bepaald al -te grinniken van plezier—toe jongens, maakt dien boom eens schoon!” - -Een zwerm van kogels fluit door het groene gebladerte van den -seringenboom heen, en onmiddellijk daarop ploft met een harden slag het -lichaam van een Kaffer tegen den grond. Hij verroert zich niet meer; -hij is blijkbaar doodelijk getroffen. - -Nu laat zich een Kaffer, eenigszins door den stam gedekt, langs den -boom afglijden; een tweede, een derde, een vierde volgt. - -Gert Kloppers legt den tweeden neer; ook de derde en de vierde vallen -onder het wisse schot der Boeren. Doch de eerste heeft zich plat op den -buik geworpen, en tracht, door het lange gras kruipend, den reddenden -heuvelkam te bereiken. Bijna heeft hij het doel bereikt, maar daar pakt -hem vrees en ongeduld, en dat is zijn ongeluk. Hij rijst eenigszins -omhoog, en doet twee sprongen vooruit. Maar den derde heeft hij nooit -meer gedaan. Daar zorgde de leeuwenjager voor. - -Maar op het gelaat van Gert Kloppers is de trek van onrust niet -verdwenen. - -„Wat domme schepsels,” zegt Kees Bouwer. „Zij waren, wanneer zij -zooveel verstand hadden, om zich in het loover van den seringenboom -achter een of anderen zwaren tak te dekken, schotvrij. En nu springen -zij er uit—de ezels!” - -„En wie zegt dan, dat er geen Kaffers meer in dien boom zitten?” vraagt -Kloppers. - -„Ik zal het onderzoeken,” zegt de moedige Leendert Jansen. - -„’t Is gewaagd,” zegt Gert Kloppers. - -„Wij kunnen u niet helpen,” zegt de Jong, „als er een ongeluk gebeurt.” - -„Laat hem maar begaan,” zegt Barend Jansen, bij wien de vadertrots -bovenkomt, en over den huifwagen heenklimmend, snelt Leendert op den -seringenboom af. Het geweer zou hem in zijn bewegingen belemmeren; -daarom laat hij het achter, en vlugger klimt geen matroos in den mast -dan hij in den boom. - -En daar boven hem ziet hij den fonkelenden blik van den „wilden -Panter”, zooals Khama dezen krijger noemt. Terwijl hij naar den dolk -voelt, die in de lederen scheede steekt, gaat Jansen echter onvervaard -op hem af. Maar hij bereikt zijn vijand niet, want van achter -besprongen, voelt hij twee handen als ijzeren schroeven zich om zijn -keel klemmen. Met een wanhopigen ruk weet hij echter den nieuwen vijand -van zich af te schudden, en den dolk trekkend, maakt hij aan den strijd -een snel einde. - -De „wilde Panter”, die op zijn observatiepost het boerenlager heeft -begluurd, brandt van verlangen, om zijn belangrijke ontdekkingen aan -Khama mede te deelen, en terwijl zijn makker met den jongen Boer -worstelt, heeft hij van de gelegenheid gebruik gemaakt, om ongemerkt -uit den boom te sluipen. Vervolgens is hij als een slang door het lange -gras, waar het nog niet is platgetrapt, heengekropen, en de kogels der -Boeren gelukkig ontkomend, is hij achter den beschermenden heuvelrand -verdwenen. - -Gert Kloppers was niet verbleekt, toen Dirk hem gisteravond den -naderenden Kafferaanval had meegedeeld; hij was niet verbleekt, toen -hij den kreet van den Makauwvogel had gehoord; hij was niet verbleekt, -toen hij de bloeddorstige horden zag aanstormen, maar nu verbleekte -hij. - -Ook de andere Boeren zagen elkander aan met bezorgden blik, en al -bracht Leendert de tijding, dat hij den boom op het nauwkeurigst had -afgezocht en er thans ten minste geen Kaffer meer in was, zoo troostte -dit de Boeren niet, want één Kaffer was er in elk geval ontsnapt, en -thans wisten de Kaffers, hoe zwak de Boeren in aantal waren. - -De godvreezende de Jong echter zeide: „Als wij geen redding meer zien, -dan is het de rechte tijd voor den Heere, om te helpen.” - -Dicht bij Gert Kloppers staat diens dochter Mieke: wit als een lelie. -Zij ziet haren vader aan met een blik, die hem door de ziel snijdt. - -„Ja kind,” zegt hij met een zucht, „ik zie u liever dood aan mijn -voeten dan levend in de handen van die zwarte duivels. Was ik een -heiden, ik zou u het leven benemen, vóórdat die duivels de handen aan u -sloegen. Maar wij zijn christenen, en ik geloof, dat ook de haren van -ons hoofd zijn geteld. - -„Hier is een geweer; schiet er mee, zoolang wij de Kaffers buiten het -lager kunnen houden. Dringen zij het lager binnen, dan neemt dit groote -mes, en houd u dicht aan mijn zijde. Wij zullen ons dan midden in het -dichtste gewoel van den vijand werpen, en misschien vechtend den dood -kunnen vinden.” - - - -Nu moeten wij een blik achter den heuvelkam slaan. - -Khama heeft zijn krijgers gemonsterd, en Boegoeloe, een zijner -onderbevelhebbers, geroepen. - -Zijn blik verkondigt weinig goeds; onheilspellend flikkeren die zwarte -oogen. - -„Waarom zijt ge op de vlucht geslagen, Boegoeloe?” - -„Ik ben, kapitein, voor eenige dagen bij den grooten toovenaar geweest, -die daar in het noorden in de spelonken woont. Hij heeft voor mij de -dolossen [9] geworpen, en mij gezegd, dat wij tegen de blanke Boeren -niets zullen vermogen. En ik heb met mijn eigen oogen gezien, o -kapitein, dat hij de waarheid heeft gesproken. Heb ik gistermorgen niet -de assegaai naar dien jongen Boer geslingerd, die op zijn zwarten -hengst ons kamp bespiedde? En is de assegaai niet machteloos vlak naast -hem neergevallen? Heb ik daar straks geen drie assegaaien op den -kommandant der Boeren gemikt, en heb ik niet gezien, hoe hij met een -handgebaar die assegaaien bezwoer? Ze hebben hem niet eens geraakt, en -dat verwondert mij niet.” - -„Ik ben ook bij den grooten toovenaar geweest,” zegt de kaptein met -zonderlingen blik, „en hij heeft mij voorspeld, dat de Boeren zeker -zullen verslagen worden. Denkt gij, dat die blanke honden onze -assegaaien kunnen bezweren? Waarom hebben zij dat eenige dagen geleden -dan ook niet gedaan, toen wij een heel lager hebben uitgemoord? - -„Boegoeloe, kijk toch eens naar de lucht—wat ziet ge daar?” - -Boegoeloe voelt een rilling door zijn leden gaan. - -„Ik zie een vlucht aasvogels, kaptein.” - -„Goed gezien, Boegoeloe. Zij zullen uw vleesch eten; dat heeft me de -groote toovenaar gezegd.” - -„Hier met uw wapen,” roept hij tot een der omringende krijgers, -„Boegoeloe, lafaard, sterf!” - -Met zoo’n vreeselijke kracht stoot hij den ongelukkige de assegaai in -den rug, dat de scherpe stalen punt er van voren weer uitkomt. - -Daar verschijnt de „wilde Panter” in het midden van het Kafferkamp. - -„Welkom, mijn Panter,” roept Khama, „welke nieuws brengt gij mede?” en -hij ziet hem vorschend in de fonkelende oogen. - -„Goed nieuws, kapitein!” zegt de Panter. „Ik heb van uit gindschen boom -volgens uwe aanwijzing het Boerenlager bespied; ’t is maar een handje -vol menschen; niet meer dan een twintig weerbare mannen.” - -„Hebt gij goed geteld?” - -„Vier keeren, kapitein.” - -Er komt een trek van wreede voldoening op Khama’s breed gelaat. - -„En meer dan één onder hen is gekwetst,” zegt de Panter. - -Khama grijnst van plezier. - -„Met twee makkers spring ik hun lager binnen, en zij zijn verloren,” -gaat de Panter voort. - -„Verloren!” herhaalt Khama met den blik van een tijger, die zeker is -van zijn prooi. - -„Ten minste, als onze krijgers tegelijk het lager bestormen,” zegt de -Panter. - -„Natuurlijk,” antwoordt Khama; „laat dat maar aan mij over.” - -„Maar ik vraag een belooning, kapitein!” - -„Spreek op, wilde Panter!” - -„Ik heb een blanke Duif gezien in het Boerenlager; die eisch ik op als -mijn oorlogsbuit—levend!” - -„Gij zult ze hebben,” zegt Khama, en hij kijkt den Panter in de oogen: -die oogen branden als vuur. - -„Maar waar blijven onze andere kameraden, die heden nacht zijn -achtergebleven?” vraagt de bevelhebber, terwijl hij met den voet -ongeduldig op den grond stampt. - -„Zij zijn in snellen aantocht,” zegt een der krijgers, zich in den -kring plaatsend; „van gindschen heuveltop kan men reeds het blinken -hunner assegaaien zien.” - -„Kom aan,” zegt Khama, „dan zijn we sterk genoeg, om het Boerenlagertje -in den afgrond te stooten. Maar, mijn Panter, hoe zult gij met uwe twee -kameraden over de dorenstaketsels heenkomen?” - -„Ik weet een punt, waar wij er over heen kunnen springen,” antwoordt de -Panter. - -„Dan is het in orde. Zijt ge ’t lager binnengedrongen, dan slaakt ge -onzen oorlogskreet. Het zal de kracht der Boeren verlammen, en den moed -der onzen prikkelen.” - -Een der uitgestelde wachten komt thans hard aanloopen, roepende: -„Kapitein, een witmensch ligt daar over den heuvelkam te loeren; daar -tusschen het lange gras.” - -Onderzoekend staart Khama den kant uit, dien de Kaffer hem aanwijst, en -ontdekt eveneens het witgezicht. - -„Hier zijn drie werpassegaaien,” zegt hij tot den Panter, „tracht den -Boer te naderen, en jaag hem deze assegaaien door het lijf. Dan zien -onze krijgers meteen, of die blanke honden onze scherpe assegaaien -hebben betooverd.” - - - -Dat witgezicht is Leendert Jansen. - -„Zij hebben òns lager bespied; wij zullen het hùnne verspieden,” heeft -hij gezegd, en hij heeft de daad aan het woord gepaard. - -Wel heeft Kloppers het hoofd geschud, wel heeft ouderling de Jong -gezegd: „Beste jongen, blijf hier,” maar hij is toch gegaan. - -Met gespannen oplettendheid zijn de Boeren hem met de oogen gevolgd; -zij hebben hem langs de glooiing zien opkruipen, hem in het lange gras -zien wegduiken, en toen drie assegaaien snel achter elkander door de -lucht zien suizen: in de richting, waar zij Leendert vermoedden. En nu -weten zij genoeg. - -Gert Kloppers zegt op somberen toon: „Hij gaat ons voor,” maar Barend -Jansen zegt geen woord. Slechts schijnen zijn lippen te beven. - -Leendert Jansen is doodelijk getroffen het Kafferkamp binnengesleept, -en Khama heeft, den stervende een verachtelijken schop gevend, gezegd: -„Daar ligt de glorie der Boeren!” - - - -Stil, zwijgend staan de Boeren nu bij elkander. Zij zullen hun leven -zoo duur mogelijk verkoopen, maar de hoop op de overwinning is zeer -klein geworden. Slechts Kees Bouwer schijnt, daar de Kaffers nog steeds -met den aanval talmen, nieuwen moed te scheppen, want hij zegt: „Ze -durven het niet aan,” maar Tijs de Jong antwoordt hem: „Gij dwaas; de -eeuwigheid zal jou nog lang genoeg vallen!” - -„Wanneer zou het onze zilveren bruiloft zijn geweest?” vraagt Kloppers -aan zijn vrouw. - -„Aanstaande maand,” zegt zij. - -„Aanstaande maand,” herhaalt hij, en twee tranen rollen hem langzaam -over de gebruinde wangen. - -„Komt broeders,” zegt de Jong, „laten we onze harten opheffen tot God,” -en door snikken afgebroken, wordt de psalm gezongen: - - - „Wien heb ik nevens U omhoog? - Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog - Op aarde nevens U toch lusten? - Niets is er, daar ik in kan rusten; - Bezwijkt dan ooit in bittre smart - Of bangen nood mijn vleesch en hart, - Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed - Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed!” - - -En nog is het laatste woord van den psalm niet over de lippen gekomen, -of daar schijnt de vallei levend te worden; daar schijnen de heuvelen -in een wandelenden muur herschapen te zijn, en die muur komt met -snelle, onweerstaanbare kracht op den wagenburcht aan. - -„Schiet, mannen!” roept Kloppers met een stem, die boven het gebrul der -Kaffers uit klinkt: „schiet!” Een moordend salvo ontvangt den vijand, -maar die aanstormende muur is niet te keeren. De Boeren schieten er een -bres in—de muur sluit zich weder! - -Reeds heeft hij den lagerheuvel bereikt—hoor! Daar bonst hij tegen het -lager aan! - -Twintig, dertig Kaffers grijpen een ossenwagen aan, om hem uit zijn -verband te rukken, maar hij staat stevig, zoodat er geen verwrikken aan -is. Nu vallen zij op den volgende aan, die niet zoo vast schijnt te -staan. Terwijl suizen de assegaaien en fluiten de kogels. Kloppers -werpt zijn geweer weg en neemt een zeis, die als een houwbijl op een -langen stok is bevestigd, en met dat vreeselijk wapen slaat hij op den -zoo goed als naakten rug der Kaffers, terwijl de vrouwen potten kokend -water over de huiven heen werpen. Voor deze woedende verdediging -deinzen de Kaffers terug, en laten den wagen los. Maar anderen hebben -reeds de uit graszoden bestaande borstwering vernield, en trachten nu -de dorenstaketsels op te ruimen. - -„Hak hen de handen af, Floor!” roept zijn vader, en Floor—doet het. - -Van drie zijden, neen van vier zijden komen de assegaaien, want eenige -van Khama’s beste speerwerpers hebben aan den anderen oever der rivier, -die langs de niet versterkte achterzijde van het lager stroomt, post -gevat. Kloppers geeft bevel, dat de vrouwen en kinderen, die aan de -achterzijde tot nog toe tamelijk beschut zijn geweest, thans meer naar -voren moeten komen, om een anders gewissen dood te ontgaan. - -En met heldenmoed zetten de Boeren het gevecht voort. Daar strijdt Gert -Kloppers naast zijn heldenzoon Dirk en naast zijne heldendochter Mieke; -daar strijdt ouderling de Jong naast zijn dapperen zoon Tijs; daar -strijdt Barend Jansen met zijn twee wakkere zonen, en naast hen de -andere Boeren, de leeuwenjager niet te vergeten, die zijn ouden roem -van de eerste scherpschutter der kolonie te zijn op bloedige wijze -handhaaft: allen met elkander wedijverend in dapperheid en -doodverachtenden moed. - -Het zweet gutst van hun gelaat—ze houden vol; ze versmachten van -dorst—ze houden vol. Ieder schot is raak; als ze de zegen niet behalen, -dan zullen ze hun leven toch duur—duur verkoopen! - -Maar de strijd wordt elk oogenblik zwaarder. Wolken van assegaaien -vliegen in het kamp en eischen hunne offers. - -Daar stort de dappere Tijs zwaargewond tegen den grond; daar zinkt een -andere Boer, met den spiesworp in de borst, zonder een zucht te slaken, -dood neer; daar valt een moeder, haar zuigeling aan het hart gedrukt, -neer, en haar stervend, brekend oog rust op haar lieveling; daar -sneuvelt de trouwe Daan. Van zijn rug had hij een schild gemaakt, om er -zijn lieve lenteroos, de kleine Hannie, mee te beschutten, en de -assegaai heeft dat schild doorboord. De kleine slaat haar armpjes -weenend om zijn hals, en haar grijs jurkje wordt rood—rood van het -bloed, dat den trouwen knecht uit de gapende wonde gutst. - -„God, mijn God,” roept ouderling de Jong vertwijfelend uit: „Gij, die -het geroep der jonge raven hoort, zijt Gij doof voor het geschrei dezer -kleine kinderen, die niet weten van hun rechterhand noch van hun -linkerhand?” - - - -Khama begrijpt, dat thans het beslissende oogenblik is gekomen. - -„Panter,” zegt hij, „spring er in!” - -De Panter en zijn twee kameraden verwisselen de lange werpassegaai met -de korte stootspies, en maken zich aan de rechterzijde van het lager -tot den sprong over de haag van dorens gereed. - -Floor staat er met zijn bijl. Hij klemt de tanden op elkander: nu zal -het er op aankomen. - -Daar springt de eerste Kaffer het lager binnen; reeds volgt hem de -tweede. Maar nòg heeft de derde Kaffer, de wilde Panter, met zijn -voeten den lagergrond niet aangeraakt, of de twee eersten liggen reeds -met gespleten schedel aan de voeten van den jongen Boer. En de Panter -zou aan dit lot niet zijn ontsnapt, ware hij niet door een pijlsnelle -beweging aan den vreeselijken bijlhouw van den jongen Boer ontkomen. - -En nu, dit gevaar ontgaan, neemt hij, Floor in het oog houdend, met -fonkelende blikken het lager op. - -En daar ziet hij wat hij zoekt: den lagerkommandant met den rug naar -hem toegekeerd, en naast hem Mieke, de blanke Duive. - -Hij neemt de stootspies vaster in de gespierde vuist, maar onbewegelijk -als een standbeeld houdt Floor op hem het oog gericht. - -Daar slaakt de Panter den vreeselijken oorlogskreet, en rent hij als -een razende op Gert Kloppers af. Maar sneller dan de Panter is de -strijdbijl van den jongen Boer, en stervend stort de Kaffer, terwijl -het kleed der blanke Duive met zijn bloed wordt bespat, aan de voeten -van den lagerkommandant neder. - -Floor is den Panter onmiddellijk gevolgd. Men kent hem niet meer: zijn -gelaat gloeit, zijn oogen stralen. „Heb ik het goed gedaan, Vader?” -roept hij, en hij heft den strijdbijl omhoog, zoodat het blanke lemmet -schittert in de zonnestralen. - -„Ja,” wil de vader zeggen, „gij hebt het goed gedaan, mijn jongen!” -maar reeds trekt een ander tooneel zijn aandacht. „Een bom,” roept de -kleine Willem, „ze gaan met bommen gooien!” De „bom” valt voor de -voeten van vrouw Kloppers neer, die een gil van ontzetting slaakt, maar -Barend Jansen neemt de „bom” op—hij heeft het van bloed druipend hoofd -van zijn zoon Leendert in de hand.... - -Hij kust dat hoofd met de teederheid van een vader; hij legt het neder -in het koele gras, en bedekt het met een doek. - -Dan zegt hij tot Floor: „Geef me uw bijl!” Met één vreeselijken slag -heeft hij den Panter onthoofd. Hij neemt het hoofd, en slingert het -over den huifwagen heen midden onder de vijanden, die van woede -brullen. - -Gert Kloppers schudt het hoofd, maar Barend Jansen zegt met vlammenden -blik: „Oog om oog en tand om tand—vervloekt zij de nakomelingschap van -Cham tot in alle eeuwigheid!” - - - -Er schijnt bij de Kaffers eenige ontmoediging te komen, want zij -vorderen niet. „Voorwaarts,” roept Khama, „dezen keer zullen ze -bezwijken. Zoolang gij mijn struisvogelveer ziet wapperen, staat alles -goed—ik zal u wijzen, hoe men de Boeren verslaat—voorwaarts!” - -Op nieuw stormen de Kaffers voorwaarts. Zij klimmen op de -ossenwagens—Kloppers keert zijn geweer om, en stoot met den kolf van -het geweer drie vijanden naar beneden. Dirk heeft zijn dolk -getrokken—het wordt een strijd van man tegen man. Daar reikt vrouw -Kloppers haren man een versch geladen tweelooper: twee Kaffers legt hij -neer, en dan roept hij: „Twee assegaaien! Snel, twee assegaaien!” - -Ja, Gert Kloppers kan ook met de speer werpen; dat zal hij toonen. In -elke hand neemt hij een assegaai. - -Recht tegenover hem staat Khama. - -„Is ouderling de Jong gewond?” roept Kloppers. - -„Wel gewond, maar ’t is van weinig beteekenis,” antwoordt Dirk; „hij -vecht door!” - -„Goed; hij zal mijn opvolger zijn, als ik val.” - -Daar komt een assegaai aan suizen, door Khama zelf geworpen, en -ofschoon Kloppers het hoofd wendt, krijgt hij toch een diepe hoofdwond. -Het bloed stroomt hem over het gelaat, maar hij stoort er zich niet -aan, en slingert met de linkerhand een assegaai op den Kafferkapitein -af. - -Met een minachtenden grijnslach dekt deze zich met zijn schild, zoodat -de assegaai machteloos naast hem neervalt, maar op hetzelfde oogenblik -wordt hij door de andere assegaai, door Kloppers’ rechterhand -geslingerd, in den hals getroffen. - -Drie onderbevelhebbers snellen op hun gebieder toe; één haalt de speer -uit de wond, en de anderen trachten den bloedstroom, die uit de diepe, -gapende wond spuit, te stelpen. Maar het is te vergeefs—de ader is -getroffen, en Khama moet doodbloeden. - -Met bijgeloovige vrees zien de krijgers naar hun bevelhebber. Hij had -gezegd: „Zoolang gij mijn struisvogelveer ziet wapperen, staat alles -goed,” maar zij zien die veer niet meer. Hij zal sterven; Boegoeloe -heeft waarheid gesproken—de bleeke angst grijpt hen aan; zij deinzen -terug. - -Maar het heldenoog van Gert Kloppers begint te schitteren. „In ’t -zaal,” roept hij met machtige stem: „op, wij zullen ze jagen!” - -„Laat mij eerst de wond verbinden,” zegt zijn vrouw, maar hij -antwoordt, terwijl er voor den eersten keer op dezen dag, als een -zonnestraal tusschen de donderwolken, een glimlach op zijn gelaat -zichtbaar wordt: „Straks, Hanneke, maar nu hebben we geen tijd!” - -„Op, mijn jongens,” roept hij, „te paard!” - -„Op, te paard,” roepen zijn helden, „wij zullen ze jagen!” - -„Het zwaard des Heeren en van Gideon,” roept ouderling de Jong—de -wagenburcht wordt geopend, en daar stormen zij heen, op hun brieschende -paarden! - -Wie is tegen die leeuwen bestand? Het hart der Kaffers smelt van vrees, -want de bloedwrekers zijn hen op de hielen. Ja, dat zijn de ontembare -leeuwen, waarvan hunne vaderen in hunne liederen hebben verhaald, de -leeuwen, die gekomen zijn ver uit het vlakke, koude noorden—en wie is -tegen hun toorn bestand....? - - - -Daar komen zij terug, op hun met schuim bedekte paarden: Gert Kloppers -met zijn dapperen; terug van de wilde, van de vreeselijke, van de -Oud-Hollandsche jacht; van de jacht op bloedhonden en moordenaars! - -Daar treden zij weer het lager binnen; de geweren nog warm, het gelaat -met bloed bespat, zwart van den kruitdamp, en terwijl de zon in het -westen vlammend ondergaat, danken de overwinnaars, in het stof gebogen, -God. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIII. - - -De wagentrein van kommandant Hendrik Potgieter had intusschen de -Zandrivier, door de Boeren dus genoemd naar haar zanderige bedding, en -de Valschrivier, valsch genoemd vanwege de vele blinde gaten en kuilen -in dien stroom, achter zich en vertoefde eenige dagen aan de biezige -oevers van de Rhenosterrivier, waar vele rhenosters of rhenocerossen -werden buitgemaakt. - -Nu ging de tocht op de Vaalrivier aan, vaal genoemd van wege de vale -kleur van haar golven, en het hart der dappere Boeren klopte sneller, -toen hun eerste wagens, de breede rivier passeerend, op het gebied van -den gevreesden Moselekatse kwamen, die met zijn hoofdmacht reeds in -aantocht was. - -Potgieter zadelde, toen hem de ernstige tijding van die nadering -gewerd, het paard, en reed met negen onverschrokken mannen het -Kafferleger tegemoet. Zij bonden witte doeken aan lange stokken, en -toen men na eenige dagen rijdens in de verte de speeren der Kaffers zag -blinken, zwaaiden zij, als een bewijs hunner vredelievende gezindheid, -met die witte vlaggen. - -Als eenig antwoord liet Moselekatse het gansche leger voortrukken. - -Potgieter liet nu door twee zijner manschappen den achtergebleven -wagentrein waarschuwen, om onmiddellijk op een geschikten heuvel de -ossenwagens tot een rond lager te vereenigen, en verschool zich met -zijn zeven overige manschappen gedurende den nacht in een bosch, -terwijl men van de heuvelen de wachtvuren zag vlammen van Moselekatse’s -krijgslieden. Bij het krieken van den dag doofden de vuren, en gingen -de Kaffers weer op marsch. De Boeren slopen hen achterna, en toen de -tocht al door naar het zuiden ging, schoot er geen twijfel meer over, -dat het op de argelooze Voortrekkers was gemunt. - -Potgieter en zijn mannen waren nu nog een dagreis van hun wagentrein -verwijderd, en joegen in een grooten boog om het Kafferleger heen, om -hun kamp bijtijds te bereiken. - -Het was voor de achtergeblevenen een groote troost, toen zij hun -aanvoerder behouden terug zagen, en in der haast werd het lager zoo -sterk mogelijk gemaakt, terwijl vijf wagens binnen den kring werden -getrokken, die, gedekt door een scherm van planken, bij den gevreesden -Kafferaanval een schuilplaats zouden kunnen bieden voor vrouwen en -kinderen. - -Toen het kamp gereed was, gingen zes Boeren op kondschap uit, die met -de ernstige tijding terugkwamen, dat de vlakte in het noorden zwart was -van oorlogskaffers. Toen sloeg den Boeren het hart van vreeze, en zij -riepen tot God in hun grooten nood. - -Nog één kans wilde echter de wakkere Potgieter wagen, om met -Moselekatse tot vrede te komen. Met vijf en twintig gewapende Boeren -trok hij het Kafferleger tegemoet, en zag het, op een half uur afstands -van het lager gekomen, naderen als een reusachtige muur. Onmiddellijk -zond Potgieter een rapportganger terug met het bevel, dat men slechts -één poort der wagenburcht zou open laten, om de Boerenwacht, die in het -veld was, in te laten, terwijl men zich in het lager bij het hooren van -het eerste schot gereed zou houden voor het gevecht. - -De Kaffers hadden nu de ruiters in het gezicht gekregen, maar in plaats -van op de vredelievende seinen der Boeren te letten, breidden zij hun -slagorde tot twee groote hoornen uit, om de blanken te omsingelen. - -„Vuur!” kommandeerde nu Potgieter, en de kogels der Boeren sloegen in -de rijen der Kaffers. Maar hun slagorde werd geen oogenblik verbroken, -en zij naderden thans met de snelheid eener lawine. Toen werd het -Potgieter en zijn mannen toch te benauwd in het veld, en den teugel -wendend, joegen zij terug naar hun kamp. Doch vijf hunner stormden—was -het uit angst of verbijstering?—het kamp voorbij, en vluchtten het -zuiden in. - -Potgieter en zijn twintig mannen waren nu weer gelukkig binnen de -poort, die door een stevigen doornboom, met zware kettingen -vastgesjord, snel werd versperd. Maar het was ook hoog tijd, want de -vluchtelingen waren reeds onder het bereik der lange werpspeer. - -Evenals bij den aanval op Kloppers’ lager werd het hier een strijd op -leven en dood. De Kaffers wierpen hun leeren schilden op de -doornversperringen, stutten er zich op, en trachtten zoo over den -wagenmuur heen te komen. Maar mannen, vrouwen en kinderen wedijverden -met elkander in doodverachtenden heldenmoed, en terwijl de vrouwen de -tusschen en boven de doorntakken zich heen wringende Kaffers met hun -bijlen doodsloegen, schoten de mannen met hun lange roeren, geladen met -zoogenaamde loopers: (zakjes, die 70 tot 90 zware hagelkorrels -inhielden) diepe, gapende openingen in den opdringenden vijand. - -Ook de wanhopigste pogingen der Kaffers, om de ossenwagens uit hun -verband te rukken, mislukten volkomen. De wagens waren door sterke, -stalen kettingen zoo stevig vastgelegd aan diep in den grond geheide -palen, dat zij onbewegelijk waren als schepen, die vast en veilig voor -dubbele ankers liggen. - -Vier uur had de moorddadige strijd geduurd, en om de wagenburcht had -zich een nieuwe, vreeselijke wal gevormd, een wal van gewonde, -stervende en gesneuvelde Kaffers. Toen had Moselekatse er genoeg van, -en de moed van zijn soldaten was gebroken. Er ging uit hun slagorden -een groot, klagend gehuil op, en zij sloegen, door de Boeren vervolgd, -in wilde vlucht. - -Echter niet onvermengd was de vreugde der overwinnaars. Twee dappere -mannen, de broeder en de schoonzoon van den kommandant: Nicolaas -Potgieter en Pieter Botha lagen, met de doodelijke speerwond in de -borst, in de schaduw van een ossenwagen te sterven, en verscheidene -Boeren waren gewond. - -Wonderlijk was het negenjarig zoontje van de familie Liebenberg bewaard -gebleven. Voordat de Kafferaanval plaats greep, had zijn vader hem een -zweep gegeven met de boodschap: „Barend, ga naar onze schapen en kijk -er naar!” - -Het ventje was heengegaan, om aan den last te voldoen, doch wie -beschrijft den angst der ouders, toen het lager als door een stortvloed -van bloeddorstige Kaffers werd omloeid, en het kind nog in het open -veld was! Nauwelijks waren de Kaffers dan ook gevlucht, of de ouders -gingen op pad, om hun lieveling te zoeken, doch al hun zoeken was te -vergeefs, en hun angstig roepen vond geen antwoord. Het kind bleef weg, -en men kon niet anders denken, dan dat het kind door de Kaffers was -vermoord. - -Doch te grooter was de vreugde der ouders, toen zij den volgenden -morgen het kind zagen aankomen. Het kereltje wandelde doodbedaard, -klapte met de zweep, en viel zijn van blijdschap schreiende ouders in -de armen! - -Zelfs geen schram had hij opgeloopen. Hij vertelde, dat de Kaffers de -schapen hadden gestolen, en hij toen maar achter een doornbosch was -weggekropen, maar de ouders verklaarden, dat God zijn heilige engelen -had geboden, om dit kind te beschermen. - -De overwinning was behaald, maar smartelijk vermisten de Boeren hun -vee, vooral hun trekossen, die door de Kaffers waren weggedreven, -terwijl zij hier niet konden blijven, te midden van dit afgrijselijk -veld van dooden, waarop de gieren reeds waren neergestreken. - -Zoo spande men dan de paarden, die dit werk nooit hadden verricht, voor -de zware wagens, en knarsend gingen de met bloed bespatte wielen over -de weggeworpen speren, leeren schilden en gesneuvelde Kaffers naar een -geschikter plaats, op een half uur afstands van het slagveld. - -Nu zond men om hulp naar de Barolongs, en deze, daartoe krachtig -aangespoord door den edelen zendeling Archbell, verschaften den Boeren -de zoo vurig verbeide trekossen, waarmede men terugtrok tot bij -Blesberg. - -Hier werd het hart der moede zwervers verkwikt door het gezicht van -nieuwe, lange wagentreinen, zoo pas uit de Kaapkolonie aangekomen, en -er waren vele moedige harten onder, die voor een strijd met Moselekatse -niet vervaard waren. - -Trouwens er moest met hem worden afgerekend, want Moselekatse was er op -uit, de kleine Boerenlagers één voor één te vernietigen. De Boeren -moesten hem aanvallen, om door hem niet verpletterd te worden; zijn -macht moesten zij fnuiken, om door die macht niet verbrijzeld te -worden. - -Zoo sloegen de dappere Voortrekkers dan de handen in een, en trokken -twee keeren tegen Moselekatse op, den eersten keer met een legertje, -waarvan de kern uit honderd zeven Boeren, den tweeden keer met een -kommando, waarvan de kern uit driehonderd dertig Boeren bestond. - -De wakkere, in de Transvaalsche geschiedenis wel bekende Gert Maritz -was in beide veldtochten Kommandant-Generaal, en God bekroonde den -schier vermetelen moed der Boeren, die den leeuw in zijn hol opzochten, -met Zijn kennelijken zegen. Moselekatse leed een zware nederlaag en -vluchtte naar het noorden, waar hij op nieuw, aan zijn bijnaam „de -groote Olifant” getrouw, de zwakkere stammen onder zijn ijzeren tred -vermorzelde. - -De Transvaal lag nu voor de Boeren open, daar de muur, waarmede -Moselekatse den toegang had willen versperren, was neergehaald. Zonder -aarzelen trokken de Voortrekkers dan ook de Vaalrivier over, en kwamen -in het land, dat door Moselekatse zoo goed als uitgemoord was geworden. -Slechts hier en daar verspreid, in spleten en spelonken, kon men de -armzalige overblijfselen terugvinden van eens machtige Kaffervolken, -die door den grooten Olifant waren vernietigd. - -De Transvaal lag dus onbeheerd. De vroègere eigenaren van het land -waren uitgeroeid, en de tegenwoordige eigenaar, Moselekatse, was in den -strijd tegen de Boeren te kort geschoten. Zoo namen de zegevierende -Voortrekkers naar het recht van den Overwinnaar van de Transvaal bezit. - -Maar terwijl een deel der Voortrekkers plannen maakte, om zich blijvend -in de Transvaal te vestigen, was een ander deel besloten, om onder Piet -Retief door de Transvaal naar het zuidelijker gelegen Natal te trekken. - -Immers Natal was volgens veler getuigenis een land, vloeiende van melk -en honing, doorsneden van standhoudende rivieren, bedekt met groote, -uitnemend timmerhout leverende bosschen; en—wat de deur dicht deed—het -had een diepe, kostelijke zeehaven. Tevens was het bekend, dat de -Zoeloekoning Dingaan, aan wien Natal behoorde, genegen was, heel dit -gebied op billijke voorwaarden aan de Boeren te verkoopen. - -Zoo scheen de weg er wel heen te liggen. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIV. - - -Bij een grooten, stevigen ossenwagen, midden in de grasrijke -hoogvlakten der Transvaal, 4000 à 5000 voet boven den zeespiegel, zit -een groepje jagers, terwijl de zon in het westen schuil gaat, bij een -groot vuur, waarboven een pas geschoten hert aan het spit wordt -gebraden. In de nabijheid grazen hunne gekluisterde paarden en de -trekossen. - -De gezichten der jagers zijn ons wel bekend: naast den zwaargebaarden -leeuwenjager Teunis Smit ziet ge de frissche, flinke gelaatstrekken van -Dirk Kloppers en Tijs de Jong, en de jonge man naast Kees Bouwer is de -oudste zoon van Barend Jansen: Lodewijk. - -Reeds sedert weken bevinden zich de jagers op de groote jacht, vele -uren ver van hunne families verwijderd, die reeds maanden lang aan een -snelvlietende beek, in een heerlijk, vruchtbaar oord, hun lager hebben -opgeslagen. - -De jagers hebben een mooien slag geslagen. Kijk maar eens in den -ossenwagen: daar zijn de huiden van de meeste wilde dieren, die de -Transvaal kent, vertegenwoordigd; zelfs olifantstanden ontbreken niet. - -„Zeg Dirk,” vraagt de leeuwenjager, „trekt uw vader mee naar Natal?” - -„Ik denk het wel,” zegt Dirk. - -„Hij zag vroeger toch geen heil in Natal?” zegt de leeuwenjager. - -„En vandaag evenmin,” zegt Dirk. „Maar de treklust woont in zijn hart, -en hij wil de andere Boeren, die er heen gaan, niet in den steek -laten.” - -„En als het in Natal niet goed gaat, kan men altijd nog op de Transvaal -terugtrekken,” zegt de leeuwenjager. - -„En waarom zou het in Natal niet goed gaan? Rekent uw vader dan niet -met de zeehaven?” vraagt Lodewijk Jansen. - -„Hij beschouwt het bezit van een zeehaven in Natal voor de Boeren een -der grootste ongelukken, die hen kunnen overkomen,” zegt Dirk. - -„Dat begrijp ik niet,” zegt Lodewijk. - -„Dat is toch eenvoudig genoeg,” zegt de leeuwenjager; „zoo goed als de -Engelschen de Kaap hebben gekaapt, zullen zij ook de zeehaven van Natal -kapen.” - -„Maar Europa is er ook nog,” zegt Tijs de Jong. - -„Europa!” zegt de leeuwenjager, en hij haalt minachtend de schouders -op. - -„En Holland is er ook nog; het zal niet dulden, dat Engeland ons zoo -schandelijk mishandelt,” zegt Lodewijk Jansen. - -„Holland!” zegt de leeuwenjager; „Holland doet geen kik, wat ik je -vertel. De Ruijter is dood, en de Trompen zijn al lang begraven.” - -Hij staart eenige oogenblikken peinzend naar de grijze wolkjes, die als -goud beginnen te schitteren in het glanzende avondrood. - -„Ja, ja,” zegt hij meer tot zich zelven dan tot de anderen, „ik wou, -dat ik eens die Engelsche politiek onder schot kon krijgen.” - -„Maar komt, jongens,” roept hij opgewekter, „laat die Engelschen van -avond voor mijn part naar de maan loopen; ik heb honger—zeg Kees, is de -bok nog niet gaar?” - -„Ik denk het wel,” zegt Kees Bouwer, die het spit draait, en spoedig -zitten de jagers aan het gemeenschappelijk maal, dat met grooten -eetlust en onder vroolijken scherts wordt verorberd. - -Na den maaltijd worden de pijpen aangestoken, en terwijl het diep blauw -dak des hemels tintelt van tien duizend sterren, wordt er nieuwe -brandstof op het vuur geworpen, en brengt men in gezellige gesprekken -nog een paar uurtjes door. - -En steeds wordt bij die gesprekken het vreeselijke gevecht tegen de -Kaffers, nu een jaar geleden, opgehaald. - -En als men dien dag herdenkt, hoe zou men dan den daaropvolgenden -kunnen vergeten! - -Daar bij dien eenzamen seringenboom, daar waren de vier graven -gedolven: het eerste voor Leendert Jansen, wiens onthoofd lichaam in -het kafferkamp door zijn eigen vader was gevonden, het tweede voor die -moeder, die met den zuigeling aan haar hart gedrukt, was gevallen, het -derde voor den trouwen Daan, en het vierde voor den Boer, die mede -sneuvelde. - -Twee salvo’s waren door de Boeren afgevuurd boven de doodkisten van -Leendert Jansen en van dien Boer. Het waren eeresalvo’s geweest, omdat -zij als helden op het slagveld waren gevallen. Het was een ruwe kist -geweest, het laatste kamerke van Leendert Jansen, maar dat hinderde -niet. Barend Jansen had ze zelf gemaakt, en bij elken hamerslag, -waarmede hij de spijkers in de planken had gedreven, had hij gesteund -als een hert, dat de doodswond voelt, midden in de borst. - -En Ouderling de Jong had een rede gehouden. Ja, de leeuwenjager was -waarlijk niet week, maar zoo’n aangrijpend woord had hij nog nooit -gehoord, en de tranen waren hem uit de oogen gesprongen. Voor ieder had -de Jong een passend woord gehad: voor den zoo zwaar beproefden vader, -die zijn lieveling begroef, voor den weduwnaar, die zijn vrouw begroef, -en voor Gert Kloppers, die zijn trouwen knecht begroef. - -En de Jong had nog dit groote woord gesproken boven de groeve van Daan -den Kaffer: „Gezegend zij de gedachtenis van dezen zoon van Cham!” Maar -de meeste Boeren hadden dit woord niet begrepen, want zij meenen, dat -de Kaffers, die zij voor de afstammelingen van Cham houden, vervloekt -zijn. - -En toen was het psalmvers gezongen: „Gelijk het gras is ons kortstondig -leven.” - -Ja, het was een aangrijpende begrafenis geweest. - -En hoe lang had Tijs de Jong aan zijn wond op het ziekbed gelegen! Wat -had dat des nachts, als hij in de zware wondkoortsen lag te ijlen, -akelig door het lager heen geklonken: „Op, de Kaffers! Zij overrompelen -ons! Toe, vader, gooi de lont in de kruitzakken! Wij moeten niet levend -in hunne handen vallen!” - -Maar hij was gelukkig gebeterd, en de blos der gezondheid ligt weer op -zijn wangen. - -En toen kwam het gesprek op de avonturen en de gevaren, die de jagers -de laatste weken in hun jacht op de leeuwen, tijgers en ander -verscheurend gedierte hadden doorgemaakt, en het was al heel laat, toen -Teunis Smit, die zonder afspraak als de aanvoerder werd beschouwd, -zeide: „Nu opgemarcheerd! Ik ben doodmoe—wel te rusten!” - -Ieder zocht nu zijn peluw op onder den ossenwagen, maar Dirk zou de -wacht houden. Men wilde nu eens goed uitslapen dezen nacht, maar het -zou anders uitkomen, want een vijand, die met de kogels der Boeren -spotte, was in snellen aantocht. - -Het was een vreeselijke vijand, met wien de jagers het thans te doen -zouden krijgen. Het gevaar van om te komen was grooter dan toen -verleden jaar elk oogenblik een bliksemstraal in de zakken buskruit kon -inslaan, ja grooter nog, dan toen de moordlustige Kaffers met -veertigvoudige overmacht het Boerenlager bestormden. - -Dirk had, terwijl de anderen zich ter ruste hadden begeven, de paarden -genomen, en achter aan den ossenwagen gebonden, en zich uitstrekkend -bij het wachtvuur, tuurde hij een poos in de grillige vlammen. Maar hij -stond weer op, wandelde eenige keeren op en neer, om niet door den -slaap overmand te worden, stak een versche pijp tabak aan, en zich weer -bij het wachtvuur plaatsend, begon hij een versje te neuriën. - -Zoo had hij reeds geruimen tijd de wacht gehouden, toen aan den verren -horizon plotseling een roode schemering zichtbaar werd. Die schemering -kondigde den dageraad aan. Ten minste dat dacht de jonge Boer, doch -toen hij zijn horloge bij het vuur hield en bemerkte, dat het nog maar -drie uur was, betrok zijn gelaat. Nu begreep hij, dat die schemering -iets anders beteekende dan de dageraad. Luisterend legde hij het oor op -den grond, maar niets werd gehoord dan de nachtwind, die klagend door -het drooge lange gras streek. Van de ossen was niets te ontdekken in de -nachtelijke duisternis; zij waren waarschijnlijk al grazende -afgedwaald, doch bij de paarden bemerkte Dirk groote onrust. - -Besluiteloos staarde de jonge Boer naar de lichtstreep aan den horizon, -doch de wind stak sterker op, en uit de verte klonk een dof, -onheilspellend gedruisch. De jachthonden stieten een akelig gehuil uit, -en de paarden rukten wild aan de helsters, waarmede ze aan den wagen -waren vastgebonden. Nu begreep Dirk volkomen, in welk dreigend gevaar -hij met zijn vrienden verkeerde, en zonder aarzelen wekte hij hen met -den alarmkreet: - -„Op, kameraden! Het grasveld staat in brand!” - -De leeuwenjager, die minder vast sliep dan de anderen, was onmiddellijk -klaar wakker. Zwijgend staarde hij eenige oogenblikken naar den rossig -gekleurden horizon, stak de hand omhoog, om de richting van den wind -gewaar te worden, en riep toen op korten, bevelenden toon: „Snel de -paarden gezadeld! Van één minuut kan ons leven afhangen!” - -Tot Tijs de Jong, die slechts schoorvoetend van den kostbaren inhoud -van den ossenwagen scheen te kunnen scheiden, zeide hij: „Het leven is -meer waard dan honderd leeuwenhuiden,” en hij greep Kees Bouwer, die -slaapdronken tegen een wagenwiel aanleunde, bij den schouder, met -driftige stem roepend: „Maak voort, kerel, als je niet wilt verbranden -of vermorzeld worden!” - -Binnen een paar minuten zaten de jagers, het geweer over den schouder, -te paard, en den ossenwagen achter latend, vluchtten zij, den teugel -los over den hals hunner paarden geworpen, en zich aan het instinct -dier trouwe dieren overgevend, over het wijde veld, terwijl de -jachthonden vooruitsnelden. - -Er werd weinig gesproken, want ieder voelde den ernst van den toestand. -Slechts éénen keer vraagde Dirk: „Zou den onzen geen gevaar dreigen?” -waarop de leeuwenjager antwoordde: „Waarschijnlijk niet; er is licht -een stroom of rivier, die de vlammen stuit.” - -En voorwaarts ging de wilde, razende rit. - -De hoefslag der paarden klonk dof en gesmoord in het prairiegras, en -slechts nu en dan, bij oogenblikken, klonk hij hard en dreunend, als -hij over de bazaltklippen heen kletterde. - -Het begon nu dag te worden, en bij het aanbrekend morgenlicht konden de -jagers, achter zich blikkend, een schaduw zien, die voor de rossige, al -hooger klimmende lichtstreep uitging. Het was een groote, reusachtige, -donkere schaduw. - -Zij had iets huiveringwekkends, iets spookachtigs. Zij scheen niet over -den grond te loopen maar er over te glijden, en ofschoon de jagers hun -paarden tot de grootste snelheid aanspoorden, was deze schaduw toch nog -sneller. - -De Boeren rilden er van. - -Door deze schaduw te worden opgeslokt—zij vonden het nòg vreeselijker -dan onder de Kafferspies te bezwijken! - -Ja: het was een geheimzinnig angstwekkend, ontzettend verschijnsel, -deze schaduw, en hare stem klonk als het rollen der zeegolven over een -wegzinkend schip. - -De jagers kènden die schaduw; zij verstònden die stem. Ze wisten, dat -die schaduw bestond uit een reusachtige, mijlen gronds beslaande kudde, -samengesteld uit de meest verschillende soorten wilde dieren, die door -den angst voor het achter hen razende vuur tot een schijnbaar -onuitwarbaar kluwen samengeperst, als een lawine over het veld suisden, -alles vermorzelend en verpletterend, wat hen in den weg kwam. - -Snelvoetige dieren, zooals herten en antilopen enz. waren de -voorloopers der lawine, en haalden de jagers reeds in; ook kon men -bereids een enkelen buffel onderscheiden. Duidelijk hoorden de Boeren -thans het gebrul van den buffel en het gehuil van den tijger, en hunne -paarden hielden, door schrik verbijsterd, midden in den loop sidderend -stil. Maar terwijl de ruitersporen hen diep in het vleesch werden -gedrukt, renden zij opnieuw, dol van angst, vooruit. - -Doch de groote, donkere massa achter hen naderde al meer. - -„Vooruit!” riep de leeuwenjager, „vooruit!” maar de paarden van Tijs de -Jong en Lodewijk Jansen konden niet meer zoo snel mee. Zij bleven -eenigszins achter, doch toen de leeuwenjager omkeek, bemerkte hij het. - -Hij hield zijn paard onmiddellijk in; Dirk en Kees Bouwer eveneens, -maar Tijs de Jong wuifde met de hand en riep: „Rijdt door!” - -„Doorrijden?” antwoordde de leeuwenjager; „daarvoor beware ons God, dat -wij zulke warme kameraden in den steek zouden laten!” - -„Gij kunt ons toch niet helpen,” zeide Tijs op weemoedigen, somberen -toon, en Lodewijk bevestigde het. Maar de leeuwenjager zeide: „Als wij -elkander in den steek laten, zijn wij zeker verloren!” - -Als vurige tongen sloegen de vlammen thans langs den halven horizon -omhoog, en de reuzenkudde naderde met groote snelheid. Doch geen -oogenblik verloor de aanvoerder der jagers zijn tegenwoordigheid van -geest, want reeds menigen keer had hij den dood in de oogen gezien, en -een nieuwe, reddende gedachte scheen door zijn brein te schieten. - -„Uit het zaâl! Snel uw zakdoeken hier, en alles, wat gauw vuur -vat—snel, snel!” - -Het bevel van den leeuwenjager werd oogenblikkelijk opgevolgd. Toen -sloeg hij aan zijn tondeldoos vuur, en stak een handjevol droog gras in -den brand, waar de zakdoeken werden opgeworpen. Vervolgens werd onder -den wind zooveel veldgras afgesneden, als in de korte spanne tijds, die -overschoot, mogelijk was, en met de verspreid liggende mest op het -vuurtje geworpen, dat nu helder opvlamde. - -De aanstormende lawine was nu niet ver meer af, en toen de wilde -beesten het vuur der jagers in de gaten kregen, brulden zij van schrik -en woede. En toch behielden zij hun doodelijke richting—recht op de -jagers aan. - -Reeds konden dezen de horens onderscheiden, de pooten, ja het witte -schuim, dat de beesten van de borst spatte. - -Op het vastberaden gelaat van Teunis Smit scheen zelfs in dit -vreeselijk oogenblik nog eenige hoop te flikkeren, maar de anderen -dachten er anders over. Zwijgend gaf men elkander de hand—over een -minuut, over een halve minuut zou hun lot beslist zijn, en zouden vijf -moedige Boerenharten onder tienduizend hoeven zijn vermorzeld! - -Met strakken blik, met ingehouden adem staarden de jagers naar de -lawine, die hen verpletteren zou, en terwijl de jachthonden tot aan de -voeten hunner gebieders kropen, steigerden de paarden woest omhoog. - -Daar begon de grond onder de voeten der Boeren plotseling te beven, -alsof de bodem door een aardbeving werd bewogen—de leeuwenjager -slingerde zijne laatste hoop, de flesch brandewijn, in het vuur—met een -harden slag vloog de flesch in duizend scherven—de vlammen wervelden -hoog op—de lawine zwenkte—met een dof, dreunend geweld raasde zij langs -de boeren voorbij, en zijwaarts uit rolde zij over de vlakte voort. - -Een menigte beesten, in de korte zwenking doodgedrukt, bleef liggen, en -teekende het spoor, dat de reuzenkudde achter zich liet. - -Met kloppende harten stonden de jagers toe te kijken, want de geringste -nieuwe zwenking zou hen noodlottig worden, doch de richting was -gegeven, en de volgenden stormden blindelings hun voorgangers na. - -Allengs nam de dichtheid der massa af, en de vast aaneengesloten rijen -werden gevolgd door kleine troepjes achterblijvers, waarvan er nu en -dan de een of ander van uitputting neerstortte. - -Zoo was het eerste gevaar met Gods hulp overwonnen, maar te ernstiger -dreigde het andere. - -De brand had gedurende het oponthoud der jagers geduchte afmetingen -aangenomen; de heele prairie scheen thans in vlammen te staan, en met -de snelheid van den wind wentelde de gloed zich voort. - -Zwijgend sprongen de jagers opnieuw in het zaâl, de vluchtende dieren -achterna. - -Menschen met zwakker zenuwen zouden van angst zijn bezweken, maar de -Afrikaansche Boeren zijn een taai ras, en niet spoedig geven ze ’t op. - -De paarden zijn door het oponthoud eenigszins op hun verhaal gekomen, -en heuvel op heuvel af gaat het opnieuw over het golvende terrein met -een snelheid, dat de jagers bijna geen adem kunnen scheppen. - -De lucht wordt al benauwder; de rookwolken, die voor den brand uitgaan, -hangen als een verstikkenden walm over het wijde veld. - -De jagers hebben nu de achterhoede der voor hen uitjagende beesten -ingehaald, maar het paard van Tijs de Jong toont op nieuw teekenen van -uitputting. Met bangen blik staren de Boeren achterwaarts—vuur, niets -dan vuur, wat ze zien! - -Het springt tegen den heuvel op—het slaat er zegevierend over heen! Het -daalt neer in de vallei—ge ziet de vlam niet meer—ja toch, ze flikkert -reeds op boven den volgenden heuvel! - -Daar staat een groen bosch—het verzengt reeds—nù slaan er de vlammen -uit! - -Niets wordt door dat vuur gespaard. Over het kabbelend beekje welft het -zijn vlammende bruggen, en de klippen beginnen te gloeien als gloeiend -ijzer! - -De brand komt al dichter bij. De zijden der paarden zijn als geploegd -van het indrukken der stalen sporen, en het paard van Tijs de Jong kan -elk oogenblik neervallen. - -„Vooruit,” roept de leeuwenjager, „vooruit!” - -Tijs doet een harden ruk aan de teugels, en weer snelt het afgejaagde -dier vooruit. - -Rechtop in de stijgbeugels staande, ziet de leeuwenjager, hoe de -voorhoede der wilde dieren eensklaps verdwijnt. - -„Een kloof,” roept hij opgewonden, „een kloof! Zij brengt ons dood of -redding—voorwaarts!” - -Met voorovergebogen lichaam jagen de Boeren over het veld, maar het -trouwe ros van Tijs de Jong stoot een gehinnik uit, dat als een -stervenskreet klinkt, en stort dood onder zijn meester neer. - -„Spring achter mij op het paard,” roept de leeuwenjager. - -„Neen hier,” roept Dirk; „Hannibal is nog frisch, maar gauw, gauw!” - -Het volgende oogenblik zit Tijs achter Dirk op den zwarten hengst, en -de paarden worden tot de laatste maar uiterste krachtsinspanning -aangezet. - -De lucht wordt warm, heet. Brandende grasdeelen dwarrelen om de jagers -heen, en Dirk verwondert zich, dat de staarten der paarden nog niet -beginnen te smeulen. Het vuur is de jagers tot op een paardenlengte -genaderd, maar daar ligt ook de rand der kloof. „Vooruit,” roept de -leeuwenjager met luide stem, „volgt mij,” en zonder zich te bedenken, -zonder te weten, hoe diep de kloof is, waagt hij den sprong in de -diepte. - -Blindelings volgen de jagers hun moedigen aanvoerder.... - - - -De diepe kloof was gedeeltelijk gevuld met de wilde dieren, die -voorthollend hier te pletter waren gevallen. - -De volgende beesten, wier val door de beneden liggende veerkrachtige -lichamen was gebroken, waren over hun kameraden voortgesneld, en -hadden, opklimmend langs den rotswand, waar hij het minst steil opliep, -de overzijde der prairie bereikt, om daar hun wilde vlucht voort te -zetten. - -Onze vijf jagers waren dus niet op den bodem der kloof terecht gekomen, -maar op een vloer van doode en stervende dieren. Wel hadden zij door -den val geduchte kneuzingen opgedaan, maar de Boeren zijn niet -kleinzeerig, en boven verwachting was het gedwongen waagstuk goed -afgeloopen. - -De honden hadden zich nauwelijks bezeerd bij den sprong, doch het paard -van Lodewijk Jansen had de voorpooten gebroken, en dat van Kees Bouwer -had zich den buik opengescheurd op de staalharde hoornen van een -buffel. Uit medelijden schoten de Boeren ze dood. - -Terwijl was de wind heftiger opgestoken, een zee van vonken voor zich -uitjagend, en op een plek, waar de kloof betrekkelijk smal was, sprong -de brand plotseling over naar den overkant, om huppelend, -sprongsgewijze, met onbegrijpelijke snelheid, zijn vernielenden -zegetocht voort te zetten. Doch tot de kloof zelve drong het vuur niet -door, daar het er geen voedsel vond. - -Met de twee overschietende paarden aan de hand, trachtten de jagers nu -over de diepe, stuiptrekkende, afgrijselijke laag van stervende dieren -voort te komen. Kruipend, loopend, springend moest de zware tocht -worden gedaan, en na een schier eindelooze reeks van gevaren en -hindernissen bereikten de jagers doodop den bodem der kloof. - -Nu werd eindelijk halt gehouden, en het rauwe vleesch eener door den -val gedoode antilope genuttigd, om er den honger mee te stillen. Doch -water was er niet te vinden, en zoowel de Boeren als hun paarden en -jachthonden versmachtten van dorst. Tegen den avond echter kwamen er -zware wolken opzetten, en ratelende donderslagen kondigden den zoo -reikhalzend verbeiden regen aan, die in milde plassen nederviel. -Sissend viel de stroomende regen in de gloeiende vuurzee en bluschte -den veldbrand. Maar de jagers vingen in hun hoeden en uitgespreide -buizen het water op, dat mensch en dier verkwikte. - -Toen zochten zij een geschikte gelegenheid, om na de buitengewone -vermoeienissen van dezen dag uit te rusten, en zij vonden die in een -ruime, drooge grot of spelonk. Nadat het eenvoudig avondgebed was -gedaan, namen zij de zadels der paarden tot hoofdkussens, en sliepen op -den harden, rotsachtigen grond even gerust, als toen zij nog als -zuigelingen aan de borst hunner moeder lagen. - -Zonder ongevallen ging de nacht voorbij, en bij het krieken van den -dageraad verlieten de jagers de kloof. Nu eerst zagen zij de -vreeselijke verwoesting, die het vernielend vuur had aangericht, en -zwart als een doodskleed lag het wijde veld. Slechts langzaam kwamen de -jagers vooruit, want telkens stieten zij op geraamten en half verkoolde -lichamen, doch wie schetst de verbazing van Tijs de Jong, toen hij, een -heuvel opklauterende, in de verte een rij ossenwagens zag staan! - -Een Boerenlager midden in deze woestijn des doods, het was haast -ongelooflijk. En toch was er geen twijfel aan—duidelijk waren de linnen -huiven zichtbaar. - -De leeuwenjager verwonderde zich minder. - -„De zaak is heel eenvoudig,” zeide hij. „De Emigranten-Boeren ginds -hebben den brand zien aankomen, en vuur met vuur gekeerd. In een wijden -cirkel om het lager heen hebben zij het gras afgebrand, zoodat het -naderend vuur uit gebrek aan voedsel de ossenwagens niet kon bereiken. -Zoo en niet anders hebben ze ’t gedaan. Tegen de stuivende vonken -konden zij zich beveiligen door het spreiden van natte huiden over de -linnen huiven, en als de wagens in een lager zijn saamgetrokken, kunnen -ze gemakkelijk den schok der aanstormende wilde dieren doorstaan.” - -„Wat ons betreft,” liet hij er op volgen, „ik had het vuur ook wel -durven afwachten, indien wij in plaats van dien éénen ossenwagen vier -of zes stevige wagens, en manschappen genoeg hadden gehad, om met den -noodigen spoed een groote, afgebrande ruimte te verkrijgen tusschen ons -en het naderende vuur. Daar haperde het echter aan—doch zie, daar komen -de trekkers ons reeds tegemoet!” - -Was Tijs de Jong verwonderd, de verbazing der Emigranten-Boeren was nog -grooter, toen zij uit de richting, van waar de brand gekomen was, een -groep jagers over het zwart geblaakte veld zagen naderen. Met ongemeene -hartelijkheid leidden zij de jagers hun lager binnen, en na een gul -onthaal zetten laatstgenoemden de reis voort. Zij wisten van de -Trekboeren, dat zij over eenige uren een stroom zouden bereiken, die -het verder voortschrijden van den veldbrand had gestuit, en zoo -gebeurde het ook. Reeds van verre zagen zij de blauwe golven schitteren -in het zonlicht, en hun oog verlustigde zich in het gezicht der groene -weiden aan de overzijde. - -Door een ondiepe plaats der rivier bereikten zij den anderen oever, -die, door duizende hoeven ingetrapt, het spoor wees der gevluchte -beesten. Langzaam ging men voort, totdat de paarden plotseling door een -zonderlinge rilling werden aangegrepen. Ook de jagers bleven als aan -den grond genageld staan bij het tafereel, dat zich voor hunne oogen -ontrolde, en de indruk van oogenblik is nooit uit hun ziel weggewischt -geworden. - -Het tafereel was te aangrijpend om het te gelooven, en toch viel het -niet te betwijfelen, want zij zagen het allen. - -Daar lagen de doodmoede kudden wilde beesten. Tusschen de antilopen lag -de hyena, tusschen de gestreepte zebra’s de tijger, en naast den buffel -had de leeuw zich neer gevleid. Het was een roerend, onbeschrijfelijk, -diepen vrede ademend schouwspel: het scheen als een tooneel uit dat -verloren Paradijs, waaraan onze zielen niet dan met diepen weemoed -kunnen denken. - -Duizende en nogmaals duizende dieren van alle soorten lagen in groepen -en kudden verstrooid op den bodem; sommigen lekten hun afgebeulde -leden; anderen hieven zonder op te staan den kop op, om het gras, dat -naast hen groeide, af te grazen. - -Langzaam liet Dirk den blik over het schilderachtig tooneel gaan, -totdat zijn oog werd getroffen door een afgejaagd hert, vlak in de -nabijheid. De tong hing het edel dier uit den bek, en het zag den -jongen Boer met zijn zachte, glanzende oogen smeekend aan. Dirk dacht -aan het hert, dat schreeuwt naar de waterstroomen, waarvan koning David -heeft gezongen, en door medelijden bewogen, haalde hij water uit den -nabijzijnden stroom. In lange, gulzige teugen dronk het dorstige dier -het kostelijke water, en dankbaar lekte het de hand van zijn weldoener. - -Loodrecht als torens stegen inmiddels aan den noordelijken horizon -zwarte wolken op. Het werd zoo donker alsof het nacht zou worden, en -terwijl de jagers in een grot voor den naderenden regen gingen -schuilen, opende God de Heere de sluizen des hemels opnieuw. - -De matte dieren werden wonderlijk verkwikt: ze kregen nieuwe kracht, -stonden op, schaarden zich, zooals de buffels, de zebra’s, de giraffen, -de antilopen, de herten enz. naar hunne soorten in groote kudden en -trokken weg. Ook het verscheurend gedierte rees op uit de legerplaats. -Het roofdier werd wakker in het fonkelend oog van den tijger en luid -brullend schudde de leeuw zijne koninklijke manen. - -Vijf dagen later bereikten de jagers hun lager. Gert Kloppers, -ouderling de Jong en Barend Jansen kwamen hen tegemoet, en heetten de -lang verwachten hartelijk welkom. - -In de nabijheid, in de schaduw van een lommerrijk bosch, zette men zich -neder, en terwijl Mieke Kloppers en Anna, de oudste dochter van Barend -Jansen, voor de vermoeide reizigers een krachtig maal aanrichtten, -vertelden dezen hunne gevaarvolle avonturen. - -„Ja,” zeide Gert Kloppers, „ge hebt er leelijk tusschen gezeten, doch -de Heere heeft alles ten beste geschikt.” - -„Maar van den trek naar Natal kan voorloopig geen sprake zijn,” voegde -Barend Jansen er aan toe, „want het vee zou op het afgebrande veld van -honger dood gaan.” - -„Nu, we hebben geen haast,” antwoordde Kloppers; „over eenige maanden -is het nog vroeg genoeg.” - -„En wie weet, waarvoor de veldbrand nog dienstig is,” meende ouderling -de Jong, en hij sprak een zeer verstandig woord. - -Die veldbrand heeft misschien duizende menschenlevens gered, doch dat -zouden de Boeren eerst later verstaan. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XV. - - -Ga op deze hoogte staan. Leun met den rug tegen den rotswand achter u; -dat geeft meer stevigheid. - -Ge bevindt u nu midden in het Drakengebergte. - -Aan uw rechterhand verheffen zich zuilen van graniet; hunne toppen -verdwijnen in de wolken. Aan uw linkerhand ziet ge huiveringwekkend -diepe afgronden, en wild, woest gescheurde kloven. Maar voor u uit, het -zuiden in, lacht een heerlijk, vruchtbaar land u tegen, bedekt met -schaduwrijke bosschen, dooraderd van kabbelende rivieren: dat is Natal. - -’t Is wonderschoon, ’t is eenig op deze plek. Onverstoorbare -sabbatsrust schijnt hier te heerschen. - -De wouden langs de hellingen van het gebergte ruischen in den -morgenwind; klaterende watervallen spatten als blinkend zilver neer, -het liefelijk gekweel der zangvogels, die hun Schepper prijzen, streelt -uw oor, en hoog boven u, in duizelingwekkende hoogte, schittert op de -kruin der bergen eeuwige sneeuw. - -Niets verstoort de zoete rust—maar hoort ge daar niet het geknal der -zweep? En het ratelen van een wagen heel in de verte? - -’t Is weer stil; ’t was maar verbeelding. - -Neen, ’t is geen verbeelding, nu hoort ge het gedruisch weer, -duidelijker nog dan zoo even. Ge hoort een geknars als van tientallen -wagenwielen, en daartusschen luide kommando’s, driftige uitroepen en -het geloei der ossen. - -Blijft nu staan en let op, want ge zult een der merkwaardigste en der -stoutste tochten zien, die de Afrikaansche voortrekkers ooit hebben -gemaakt. - -De weg, dien de ossenwagens moeten nemen, kan geen weg worden genoemd. -Verscheidene dagen hebben de Boeren aan het „pad” gewerkt, om het -eenigszins berijdbaar te maken. De grootste klippen zijn weggeruimd; de -diepste kuilen gevuld; de steilste plekken afgestoken; de watergeulen -gedempt; hinderend houtgewas weggekapt. - -Toen dit gebeurd was, zeiden de Boeren: „Nu maar vooruit!” - -Daar in de verte komt een ossenwagen aanhotsen. - -Slechts een of twee menschen zitten op den wagen; de anderen loopen er -voor of achter: de Boeren met het geweer over den schouder; de kinderen -aan de hand hunner moeders. - -De ossenwagen is zwaar beladen; de opgestapelde goederen zijn stevig -vastgesjord. Met dubbelgeremde wielen gaat het de hoogte af. Ge kunt er -van ijzen, als ge denkt aan de mogelijkheid, dat de remketting kan -losraken, dat de disselboom kan breken, dat de ossen kunnen schrikken, -ginds, bij dien gevaarlijken draai! - -Daar komt de wagen aan een punt, waar het „pad” bestaat uit trappen van -klippen; trappen van een tot vier voet hoogte. - -De wagen bonst over die trappen naar beneden; ’t is onbegrijpelijk, dat -hij nog heel is. - -Nu eens is het „pad” zoo schuin, dat de wagen dreigt om te vallen, dan -weer is het zoo steil, dat de acht juk ossen den wagen nauwelijks -omhoog kunnen tornen. Nu eens moet de wagen langs den rotswand heen -schuren, om niet aan den anderen kant in een duizend voet diepen -afgrond verpletterd te worden: dan weer moet hij tusschen de -rotsblokken heen gewrongen worden, zoodat ge zegt: Hoe krijgen de -Boeren dat gedaan! - -En toch krijgen ze ’t gedaan. Niet met tien of twintig maar met duizend -ossenwagens, in behoorlijke tusschenruimten, zijn zij over het -Drakengebergte getrokken, en wat nog ongeloofelijker klinkt: slechts -één ossenwagen [10] is op dien tocht verongelukt! - - - -Het is een liefelijke namiddag in de maand Februari 1838. - -Gert Kloppers, die zich met zijn lagergenooten in de voorhoede bevond -der naar Natal aftrekkende Boeren, heeft thans den even moeilijken als -gevaarvollen tocht over het Drakengebergte achter den rug. Aan den -oever van een vriendelijk rivierke zijn de wagens uitgespannen en de -tenten opgezet. - -Alles ademt vrede, rust. - -Gert Kloppers en Floor zijn de eenige weerbare mannen in het lager; de -anderen zijn reeds dagen geleden op de groote jacht gegaan, en kunnen -nog dagen wegblijven. ’t Is waarschijnlijk, dat het gezelschap van -Barend Jansen het eerst terugkomt; het gezelschap jonge Boeren onder -leiding van Dirk Kloppers wordt later verwacht. - -Terwijl Kloppers bezig is, de geweren na te zien, zijn Floor en Willem -naar het bosch gegaan, om zich te oefenen in het werpen van de -assegaai. De moeders verrichten haar huiselijk werk, of stoeien met -haar kinderen in het frissche gras. - -Niet ver van het lager, in de schaduw van een weelderig opschietenden -wilgenboom, is Mieke Kloppers aan het kousen breiden, en opblikkend van -haar werk, ziet zij den leeuwenjager naderen. - -De leeuwenjager is mee geweest in het gezelschap, dat Piet Retief, den -moedigen Kommandant-Generaal der Boeren, heeft vergezeld op diens tocht -naar koning Dingaan, die over Natal en Zoeloeland regeert. - -De leeuwenjager gaat recht op Mieke af, die hem hartelijk de hand -drukt. - -„Wel,” zegt ge, „waar hebt ge al dien tijd gezworven?” - -„Ik ben mee geweest naar Dingaan.” - -„En wat nieuws brengt ge mee?” - -„Wat ik weet, zult ge reeds vernomen hebben. Het doel der reis was, om -van Dingaan Natal te koopen. Hij hield zich eerst, alsof hij boos was, -en verweet aan Retief, dat de Boeren zijn vee hadden gestolen. Retief -maakte hem echter duidelijk, dat de eigenlijke dieven Kaffers waren van -de Witte Bergen, onder aanvoering van Sikonyella, die, om de Boeren in -verdenking te brengen, bij hun rooverijen expres kleeren hadden -aangetrokken. Enfin, toen scheen Dingaan te bedaren, en hij verklaarde -aan de Emigranten-Boeren Natal te willen afstaan, waaraan hem niet veel -gelegen scheen, indien hem de beesten werden teruggebracht. Met een -kommando Boeren zijn wij toen op de roovers afgetrokken, en hebben het -vee hernomen. En nu is Piet Retief met zeventig Boeren weer op Dingaan -af, om de beesten terug te bezorgen, en de acte van afstand van Natal -aan de Boeren in orde te krijgen. Doch, zooals gezegd, dit weet ge -reeds.” - -„Hoe ziet koning Dingaan er uit?” - -„Eerlijk gezegd, als een tijger, die bloed ruikt.” - -„Men zegt, dat hij zijn broeder heeft vermoord, om op den troon te -komen.” - -„Er zijn erger dingen van hem bekend; zijn vrouwen laat hij vermoorden, -om geen kinderen te krijgen....” - -„’t Is afgrijselijk!” - -„Want hij vreest, dat die kinderen hem later van den troon zouden -kunnen stooten. Hij heeft een kind, dat hem geboren werd, met eigen -hand tegen de rotsen verpletterd.” - -„Zoo’n monster—en in het hol van zoo’n monster waagt zich Retief?” - -„Hoor eens, Mieke, Retief is een onzer meest geachte Boeren, en hij -verdient die achting ten volle. Doch ik vrees, dat hij te veel op -Dingaan’s woorden bouwt. Misschien rekent hij ook op den gunstigen -invloed van den Engelschen zendeling Owen, die thans aan het hof van -Dingaan is.” - -Er volgde een pauze, waarna Mieke zeide: „Waar gaat je zwerftocht nu -weer heen?” - -„Ik heb genoeg van het zwerven, Mieke.” - -„Zoo, Teunis, dat is wat nieuws.” - -„Ik wil gaan trouwen.” - -„Kom, nu wordt het nog mooier—trouwen op den Trek.” - -„Waarom niet? Ouderling de Jong kan het huwelijk kerkelijk, en de -kommandant-generaal kan het burgerlijk voltrekken. ’t Is verleden jaar -ook gebeurd, meer dan eens.” - -„Maar ge moet toch met uw tweeën zijn om te trouwen?” zeide zij -lachend. - -„Nu, wij zijn met ons tweeën!” - -„Ik begrijp je niet.” - -„Wij zijn toch met ons tweeën, Mieke, gij en ik? Is ’t niet zoo?” - -„Is het zoo bedoeld?” zeide Mieke en zij liet de breinaalden vallen—van -verlegenheid of verbazing, wie zal ’t zeggen? - -Er volgde een nieuwe pauze, waarna Mieke zeide: „Die tweede zal toch -ook moeten willen, is ’t niet?” - -„Ja,” zeide de leeuwenjager, „en daarom kom ik het vragen. Zie, Mieke, -ik ben nu twee en dertig jaar, en ik voel me een vreemdeling onder mijn -eigen volk. Vader of moeder, broeders of zusters heb ik niet meer; -verwondert het je, dat ik me eenzaam gevoel? Trouwens, wat is een Boer -zonder een huisgezin? Hij wortelt niet in zijn volk; hij staat er -buiten. Ziet ge den dorren tak tusschen die groene twijgen, daar boven -uw hoofd? Dat is het beeld van een Boer, die geen huisgezin heeft. Hij -moet een vrouw hebben, hij moet kinderen hebben, waarvoor hij werken, -waarvoor hij zorgen kan. Dan eerst slaat hij zijn wortelen uit.” - -Hij zeide dit, en nog veel meer zeide hij. Er kwam in zijn stem zoo’n -bijzondere, warme toon, zooals Mieke nog nooit van hem had gehoord, en -hij sprak naar haar hart, want hij had haar lief. - -Op zijn geweer geleund, zoo stond hij voor haar, en de glans der in het -westen wegzinkende avondzon viel op zijn gestalte. Mieke zag hem in -zijn eerlijk gelaat, en hare oogen werden vochtig. - -„Vraag het vader,” zeide zij. - -„En als uw vader ja zegt?” - -„Vraag het vader,” zeide zij nogmaals. - -Met lichten, veerkrachtigen tred zocht de leeuwenjager Gert Kloppers -op; het ja was niet over hare lippen gekomen, maar hij meende het -gelezen te hebben in den vochtigen glans der oogen. - -De leeuwenjager had goed gelezen. - -Mieke nam de breikous weer op, doch van het breien kwam niet veel. Hare -vriendelijke oogen staarden in de verte, en met open oogen droomde zij. - -Ja, zij hield van hem, den moedigen leeuwenjager, reeds sedert lang. -Anderhalf jaar geleden, op dien vreeselijken dag van het Kaffergevecht, -toen zelfs haar vader begon te twijfelen, of hij wel komen zou, toen -was hij toch gekomen. Zijn leven had hij gewaagd, om zijn gegeven woord -gestand te doen, en deze man met dat stroeve gelaat en met dat hart vol -gulden trouw had haar uitverkoren—haàr! Hij was de anderen -voorbijgegaan, zelfs de knappe, flinke Anna Jansen, en haar had hij -gevraagd—haàr! - -Gouden draden zag zij door haar leven geweven, en die draden -weefde—hij. Maar zijne liefde zou zij beantwoorden met de volheid van -haar eigen liefde. Zij hoopte voor hem een degelijke, zorgende -huisvrouw te zijn, en hem, den eenzame, den verlatene een tehuis te -bereiden, zooals hij het zelfs bij zijn ouders nooit had gevonden. - -Moest hij in den strijd, zèlf zou zij hem de kogeltasch om de schouders -hangen, en zèlf zou zij zijn geweer laden. En op gebogen knieën zou zij -elken morgen en elken avond God den Heere om zijn behouden thuiskomst -smeeken. - -Zij droomde al voort.... - -Blondlokkige kinderen zag zij om haar schoot stoeien, en in de -gelaatstrekken van die kinderen zag zij zijn gelaat. Zij zou die -kinderen opvoeden in de vreeze des Heeren, en zij zou hen bekend maken -met den Heiland, Die voor zondaren in den dood is gegaan, en Wiens Naam -is te prijzen tot in eeuwigheid! En de kinderen zouden opwassen, en -groot en geëerd worden in den raad van het dappere, Afrikaansche volk! - -Zij droomde al voort, met open oogen, doch uit het lager kwam -plotseling een verward, angstig geroep. Er ging een rilling door hare -leden—zag zij reeds de schaduw van een Kafferspies in haar droom vol -glans en zonneschijn? - -Zij stond op en ging naar het lager. - - - -De avond is nu gevallen. - -De leeuwenjager springt juist in het zaâl, nu Mieke bij het lager komt. - -Een angstig voorgevoel doet haar beven. „Wat beteekent dat?” zegt zij. - -„Er zijn slechte tijdingen gekomen, en ik ga den omtrek verkennen.” - -Het gelaat van den leeuwenjager staat ernstig, terwijl hij dit zegt, en -in snellen draf rijdt hij weg. - -Op den grond, op een peluw uitgestrekt, ziet Mieke een Boerenknaap van -misschien twaalf jaren; Kloppers staat er bij met een lantaarn in de -hand. Bij dat sober, somber licht kan men de doodelijke bleekheid zien -van dat kindergelaat en de bloedvlekken op zijn kleeren. Doch zijn -wonden heeft vrouw Kloppers reeds met vaardige hand verbonden. - -Om den jongen heen staat een kring van menschen geschaard. In bange, -angstige spanning verbeiden zij het oogenblik, dat hij zal kunnen -spreken. - -Zoo even heeft hij kruipend het lager bereikt, en is toen bewusteloos -ineengezakt. Doch nu slaat hij de oogen op, en vrouw Kloppers geeft hem -een teug opwekkenden, Kaapschen wijn. - -Hij is nog zeer zwak van het bloedverlies, met horten en stooten -vertelt hij de geschiedenis. Maar bij die geschiedenis slaan de vrouwen -de armen handenwringend omhoog, en grijpt Floor naar zijn bijl. - -’t Is een eenvoudige geschiedenis, maar ze is afgrijselijk in hare -eenvoudigheid. - -Vader, moeder en acht kinderen zitten aan een ruw getimmerde tafel bij -de tent aan het ontbijt. Eensklaps worden zij door een overmacht van -Zoeloe-krijgers omsingeld, en de overrompeling is volkomen. - -Om de moeder te dekken, die haar jongste kind, een wicht van acht -maanden, op den schoot heeft, springt de vader vóór haar, en stoot den -eersten aanvaller den dolk in de borst. Door drie assegaaien tegelijk -doorboord, stort hij vlak voor de voeten der moeder neer. Giel, de -oudste zoon, heeft intusschen een geweer genomen, en zijn moeder te -hulp snellend, schiet hij twee Zoeloe’s dood. Maar doodelijk getroffen, -valt hij over zijn vader heen. - -„Ik greep een bijl,” zegt de knaap, „en sprong op een stoel. Ik zag -nog, hoe mijn moeder met een mes, dat op de tafel had gelegen, mijn -broertje verdedigde, maar toen ik haar zag vallen, werd ik razend. Een -Zoeloe, die met den rug naar mij toestond, sloeg ik met den bijl zoo -heftig op het hoofd, dat hij neerplofte. In het volgende oogenblik had -ik echter reeds een paar leelijke porren met de assegaai te pakken, en -ik sloeg achterover van den stoel, tegen het tentlinnen aan. Ik kroop -gauw onder het zeil door, en was nu in de tent, waar ik een leege kist -zag staan, die ik over mij heen stulpte. De Zoeloe’s kwamen echter om -mij te zoeken, toen hun oog op een vaatje brandewijn viel. Nu begon de -bloeddorst te bedaren en kwam de jeneverdorst, maar mijn familieleden -waren allemaal vermoord.” - -Dit was heden morgen geschied, maar de jongen was een echt Boerenkind, -dat niet licht bij de pakken ging neerzitten. Hij begreep, dat de -andere Emigranten-Boeren, zoover het mogelijk was, gewaarschuwd moesten -worden, en den loop van het rivierke volgend, had hij nu het lager van -Kloppers bereikt. - -Met ingehouden adem, zonder een woord te zeggen, heeft de -lagerkommandant het verhaal aangehoord. Beurtelings flikkeren zijn -oogen van toorn, en beurtelings gaan er zware zorgen over zijn hoog, -schrander voorhoofd. - -Voor zijn oogen ziet hij het moordende net, waarin het edele wild, het -volk der Boeren, moet worden gevangen. Hij weet zoo zeker, alsof hij er -zelf bij tegenwoordig is geweest, dat de nobele, trouwe Piet Retief met -geheel zijn gezantschap is vermoord, en dat de Boeren, op het woord van -een duivel vertrouwend, overgeleverd zijn aan de woede der grimmige -Zoeloe-soldaten. - -Maar er is geen tijd om te klagen. De hand moet aan den ploeg geslagen, -en het lager ten spoedigste weerbaar gemaakt. - -Gert Kloppers, Floor en Willem gaan met een loffelijk voorbeeld -vooraan; de vrouwen, zelfs de kinderen helpen. Tot diep in den nacht -wordt gewerkt, altijd maar door; men gunt zich geen rust. Nu is het -allernoodzakelijkste geschied. Er is een buitenlager gemaakt en een -binnenlager; het binnenlager in een hoek van het buitenlager; een soort -citadel in de vesting. - -De muren bestaan natuurlijk uit ossenwagens, terwijl uit het -buitenlager een opening toegang geeft tot het binnenlager. Moet het -buitenlager worden prijsgegeven, dan hoopt men zich vechtende door die -opening in het binnenlager terug te trekken, en nog gelegenheid te -vinden, den ingang te versperren. - -Maar de wagenburcht is niet zoo stevig als bij het vorige -Kaffergevecht; ach, Kloppers weet het wel. De wagens hebben te veel -geleden op den tocht over het Drakengebergte, en er is nog geen -gelegenheid geweest, om ze behoorlijk te herstellen. Hij kent wel het -zwakste punt; dáár vlak voor hem, daar staat die wagen. Als de Kaffers -hem uitvinden, dan is het buitenlager verloren, want zeker zullen zij -hem uit de lijn rukken en een opening maken. Dan schiet er het -binnenlager nog over, maar dat binnenlager zal het leven der arme -zwervers niet langer dan hoogstens eenige minuten kunnen beschermen, -want het zal onder de scherpe assegaaien als bedolven worden. „O God, -wees mij en deze arme menschen genadig,” zucht Kloppers uit het diepst -zijner ziel. - -Hij roept hen bijeen; daar komen ze allen aan, de moeders met hunne -kinderen. Bij een kruitbaal knielt hij neder; allen volgen zijn -voorbeeld. - -Niets wordt gehoord dan een zacht gesnik; Gert Kloppers gaat voor in -het gebed. Zijn ziel, de innigste roerselen zijns harten legt hij in -dat gebed. In dat gebed zoekt het kind zijn Vader. Het voelt, dat die -Vader in tegenheden handelt; toch kan het niet zonder dien Vader leven. -Het tast in de duisternis; het tast naar de Vaderhand. Het zoekt, het -roept, het klaagt, het worstelt: „Ach, dat Gij de hemelen scheurdet!” - -Hoog gaan de golven in de ziel van Gert Kloppers, maar hij worstelt tot -het licht wordt in zijn hart. De storm bedaart, de golven leggen zich. -Hij voelt de Vaderhand. - -Hij staat op van de knieën—een wonderbare, diepe vrede ligt op zijn -gelaat. Die ossenwagen daar vóór hem is nog even wrak als zoo even, -doch wat hindert dat? Is de arm des Heeren verkort? Kan Hij deze -menschen nogthans niet redden? En is het in Zijn ondoorgrondelijken -raad anders besloten—Gert Kloppers hoopt stil te zijn als een gespeend -kind bij zijn moeder.... - -Maar de beslissing nadert. Reeds hoort men den hoefslag van een paard; -dat is de leeuwenjager. Hij heeft een kommando Zoeloe’s ontdekt, die in -snellen pas aanrukken; over een half uur kunnen zij voor het lager -verschijnen. - - - -Het halve uur was nog niet om, toen de stilte van den nanacht door een -plotseling, oorverdoovend, zenuwschokkend oorlogsgehuil werd -onderbroken. - -Dat gebrul kenden de Boeren reeds, maar in plaats van Matabelen waren -de aanvallers nu Zoeloe’s. - -Hunne assegaaien slingerend, hunne knotsen zwaaiend, vlogen zij als -duivels tegen de ossenwagens op. Maar verder kwamen ze voorloopig ook -niet, want de vermetele, wiens hoofd boven de linnen huif uitkwam, was -een kind des doods. - -De eerste storm werd bloedig afgeslagen, maar onmiddellijk volgde de -tweede, de derde. De verdedigers echter hielden moedig stand; zij -schoten even snel als gelukkig, en ook de derde storm werd afgewezen. - -De Zoeloe’s schenen nu terug te trekken; de Boeren haalden ruimer adem. -Maar de leeuwenjager zeide: „Ik ken dat volk; ze zijn gevaarlijker dan -de Matabelen, en ze wachten den morgen af.” - -„Laat dat zoo wezen,” zeide de vrouw van ouderling de Jong, „we winnen -toch tijd, en misschien kan er in dien tijd ontzet komen.” - -Mieke begaf zich even naar het binnenlager, om naar de schreiende -kinderen en den gewonden knaap te zien. Hij lag daar met gloeiende -wangen, want hij had een zware wondkoorts. Hij klaagde over dorst; zij -laafde hem met water. Zoo kwam zij weer in het buitenlager; bij de -anderen. Het begon nu morgen te worden; een lijn van goud en purper -teekende zich aan den oostelijken horizon. Bij het aanbrekende licht -kon de leeuwenjager Mieke’s gelaat goed onderscheiden; trouwens zij -stond geen drie pas van hem verwijderd. „Hoe gaat het, Mieke?” vraagde -hij. „Goed,” zeide ze op vroolijken toon, en zij knikte hem vriendelijk -toe. De vreeze des doods was op dit oogenblik verre van haar, ofschoon -de dood reeds klapwiekte boven haar hoofd. Zij wendde zich tot haar -vader, en zeide: „Ik geloof vast, dat wij nog ontzet zullen worden.” - -Dit is het laatste woord geweest, dat over hare lippen kwam. - -Plotseling verscheen een zwarte Zoeloekop boven den huifwagen, om even -plotseling te verdwijnen. Met de assegaai diep in de borst sloeg Mieke -tegen den grond. De leeuwenjager was onmiddellijk aan hare zijde. Met -waarlijk teedere behoedzaamheid haalde hij het wapen uit de wond, en -trachtte den bloedstroom te stelpen. Maar snel vlood het leven heen! - -Toen de leeuwenjager dit bespeurde, greep een bijna zinnelooze smart -hem aan. Hij bukte zich over de stervende heen, en riep met heesche, -rauwe stem: „Mieke, liefste, verlaat mij niet!” - -Ook de ouders, Floor en Willem stonden er bij met weenende harten, doch -uiterlijk waren zij kalmer dan de leeuwenjager. Maar Mieke zag hen niet -meer; zij zag niemand meer. Reeds hing er een nevel tusschen haar en de -omstanders. Maar aan den anderen kant scheen het licht voor haar oog, -want een zalige glimlach gleed over haar stervend gelaat. - -Zij zag de gouden tinne blinken van het vaderhuis hier boven? Zag zij -de poorten open van het nieuwe Jeruzalem? Hare ouders hebben het -gehoopt; zij hebben het geloofd. En dat geloof heeft koelen, milden -balsem gelegd op de brandende wond. - -De laatste levensvonk was nu spoedig uitgegloord, en de leeuwenjager -legde de geliefde doode in het binnenlager neer. Hij spreidde, met de -teederheid eener moeder, een doek over haar gelaat. Maar er welde geen -traan op in zijn brandende oogen, en er brandde nog iets anders in die -oogen dan smart. - -Hij hief zijn geweer als tot een eed omhoog, en riep: „Oog om oog en -tand om tand! Vervloekt zij het geslacht van Cham tot in alle -eeuwigheid!” - -Het waren dezelfde woorden, die Barend Jansen had gebezigd. - -Het begon nu helder dag te worden en op nieuw bestormden de Zoeloe’s -het lager. De kapitein, een reusachtige kerel, zwaaide zijn -vreeselijke, staalharde knots. Hij liep zelf onderzoekend langs de -wagenburcht heen, tot zijn scherpe blik het zwakste punt had ontdekt. - -„Hier,” riep hij met dreunende stem, „rukt dezen wagen weg, en gij hebt -het Boerennest.” - -Kloppers zag het gevaar, en liet al het vuur op dit punt concentreeren. -Binnen weinige oogenblikken lagen twintig Zoeloe’s dood bij den wagen, -en het scheen, dat het moorddadig vuur hen tot wijken zou brengen. Doch -toen de Kafferkapitein de twee eerste vluchtelingen met zijn moordwapen -de hersenpan verbrijzelde, en de anderen voor de keuze stelde: -„Overwinnen of sterven,” toen was het lot van het buitenlager beslist. - -„Redt het kruit en de wapens,” riep de leeuwenjager, „de Zoeloe’s -rukken den wagen op zij—ik dek de opening!” - -Het geweer wegwerpend, greep hij naar den bijl. Den eersten den besten -vijand rukte hij het schild uit de handen en velde hem neer. Hij had de -tanden op elkaar geklemd; een somber vuur brandde in zijn oogen. Zijn -leven was voor hem in waarde gedaald, nu de sterren waren ondergegaan, -die glans begonnen te spreiden op zijn pad. Maar dat leven wilde hij -tot den hoogsten prijs verkoopen, en dat zouden de brullende tijgers -daar vóór hem gewaar worden. Met bewonderenswaardige vaardigheid ving -hij de assegaaien op met zijn schild, en onheilspellend flikkerde zijn -strijdbijl in de stralen der opgaande zon. Doch met de lenigheid van -den panter klommen andere Zoeloe’s, die het buitenlager ontruimd zagen, -over de ossenwagens heen. Zij bedreigden den wakkeren strijder in den -rug. Maar zij kwamen niet ver; ten minste de eersten niet. De kogels -der Boeren uit het binnenlager strekten hen neer; één voor één. - -Doch de hand van den leeuwenjager begon moede te worden: zijn oog werd -mat. Met schrik bemerkte het Gert Kloppers. „Floor,” riep hij, -„verdedig mijn post,” en snel was hij aan de zijde van den dappere, -dien hij met het blanke staal ruimte maakte. - -Met een geschikte wending bereikten beide Boeren den ingang van het -binnenlager, door de wilde Zoeloekrijgers op den voet gevolgd. Maar de -twaalfjarige Willem Kloppers, Anna Jansen en nog vijf andere vrouwen -hielden hunne geweren gereed, en zoo verschrikkelijk was hun vuur, dat -de vijanden terugdeinsden. - -Deze sprongen nu op de wagens van het buitenlager, en zich achter de -linnen huiven dekkend, rolden zij het linnen zoover op, als noodig was, -om voor den arm de gewenschte ruimte te hebben tot het werpen der -assegaai. De Boeren hadden nu geen mikpunt voor hun geweer, en de -meeste kogels troffen geen doel. - -Terwijl begonnen de assegaaien der Zoeloe’s al gevaarlijker te worden; -er was nauwelijks dekking te vinden. De grond van het binnenlager werd -rood: hij werd rood van menschenbloed. - -„Als vader met zijn manschappen ons redden zal, dan moet hij gauw -wezen,” zeide Anna weemoedig. - -„Ja, heel gauw,” zeide vrouw Kloppers op droeven toon. - -Nu gingen de Zoeloe’s over tot den laatsten storm. Zij rukten woest aan -de wagens; zij bestormden de slechts zwak versperde opening. - -Hier stond Gert Kloppers. Hij wierp het geweer weg; er was trouwens -geen gelegenheid meer, het geladen te krijgen. Met de -onverschrokkenheid van den leeuw, die zijn welpen verdedigt, zoo stond -hij daar voor de opening. Aan zijn zijde streden zijn heldenzonen Floor -en Willem, ieder met een bijl in de vuist. - -„Al de assegaaien op dien hoofdman,” riep de Kafferkapitein. - -Een assegaai doorboorde Kloppers’ rechterarm; hij vatte zijn wapen in -de linkerhand. Hij kreeg een diepe wond aan zijn been—zijn knieën -knikten—een derde speer trof hem in den schouder—hij wankelde, de -sterke man—hij sloeg achterover. - -Maar Floor en Willem, ofschoon zelf gewond, wreekten hun vader, en drie -Zoeloe’s stortten met gespleten schedel voor hun voeten neer. Doch de -overmacht van den vijand was te geweldig. - -„Steekt dien jongen adder toch dood,” brulde de Kafferkapitein. - -De dappere Willem werd overhoop gestoken. - -„Ik zal met dien andere afrekenen,” liet hij er op volgen. - -Hij zwaaide zijn vreeselijke knots—Floor hief den bijl omhoog, om den -moordenden slag te pareeren, maar de slag was al te forsch: bewusteloos -zeeg hij ineen. - -Doch onmiddellijk sprong de leeuwenjager in de opening. - -Anna Jansen plaatste zich naast hem; zij nam den met bloed bevlekten -bijl uit Floor’s handen. - -Verwonderd staarde de leeuwenjager haar aan, maar hij zeide niets. - -De Zoeloe’s echter schenen te weifelen. - -„Dat is de Onkwetsbare,” mompelden zij, „de Onkwetsbare van daar -straks.” - -Maar deze aarzeling duurde slechts een oogenblik. - -Reeds velden zij hunne assegaaien tegen de laatste verdedigers van het -lager, het laatste schild, dat de bezwijkende Boeren dekte. Over twee -minuten, over één minuut is hun lot beslist. - -„’t Is gauw gedaan, Anna!” - -Zij knikte. - -Er lag iets aangrijpends in den heldenmoed van dit schoone, aan den -ondergang gewijde meisje. - -„Maar die bloedhonden zullen me toch den tijd moeten gunnen, dat ik hen -en ons in de eeuwigheid slinger!” - -Reeds zocht de leeuwenjager naar de tondeldoos. - -„De brandende lont in het kruit—’t is heel eenvoudig, Anna!” - -Zij zeide niets. Zij dacht niet aan het geoorloofde of het -ongeoorloofde dezer daad. Zij dacht slechts aan Simson, van wien -geschreven staat, dat de dooden, die hij in zijn sterven gedood heeft, -meer waren dan die hij in zijn leven had gedood. - -„Buk u,” riep de leeuwenjager. Een assegaai vloog Anna over het hoofd. -Maar de volgende assegaai trof haar. Zij trok hem uit de wond. Nu -suisden twee assegaaien tegelijk op haar aan: het bloed liep over haar -kleeren. - -Maar daar richtte zij zich plotseling hoog op—het matter wordend oog -begon te flikkeren—een salvo van kogels floot langs het lager heen. - -De Kaffers staakten den aanval; hun gelaat begon onrustig te worden. - -Het volgende oogenblik werd de snelle hoefslag van een troep paarden -gehoord; kletterend ging hij over de rond liggende klippen heen. - -Eenige Zoeloe’s kwamen het buitenlager instormen, en fluisterden den -kapitein iets in het oor. - -Daar buiten werden haastige kommando’s gehoord. - -„Dat is de stem van Dirk,” riep Anna met bijna juichende -stem—„redding!” - -Maar de kapitein zwaaide zijn vreeselijk moordwapen en riep, naar -buiten snellend, met dreunende stem: - -„Waar zijn ze?” - -„Hier!” riep Dirk Kloppers, en zonder een zucht te slaken, stortte de -kapitein onder den bijl van den jongen Boer dood ter aarde. - -De verbittering der jonge Boeren was grenzeloos. Zij waren van nacht -een uitgemoord lager voorbij gekomen, en hadden onder de brandende -puinhoopen der ossenwagens de half verkoolde lichamen van -Boerenmenschen gevonden. - -„Die een handwapen hebben,” riep Dirk, „volgen mij; de anderen maken -met hun kogels de boel buiten het lager schoon! Geen pardon! -Voorwaarts!” - -Nu stormde hij met zijn kameraden, het geweer over den schouder -geworpen, het buitenlager binnen, waar hij op een levenden Kaffermuur -stootte. - -„Hakt er een bres in,” riep hij, „voorwaarts!” - -Lodewijk Jansen en Tijs de Jong waren vlak naast hem. - -Het werd nu een strijd van man tegen man, doch de Zoeloe’s werden door -de bleeke angst aangegrepen, en de Boeren hielden een verschrikkelijke -afrekening. Ja, de Boeren zijn vreeselijk in hun toorn. - -Nu was Dirk dicht bij den ingang van het binnenlager: hij zag Anna’s -bleek gelaat. Daar ontviel hem de bijl, want de steel was glibberig -geworden van al het bloed. Hij voelde naar den dolk; hij kon hem niet -vinden. Dan er maar met de vuist op in! Nog drie Kaffers scheidden hem -van het binnenlager. Den eersten sloeg hij met zijn ijzeren vuist tegen -den grond, en den tweeden slingerde hij met het hoofd tegen den ijzeren -band van een wagenwiel, zoodat hij onbeweeglijk bleef liggen. De derde -had in dat oogenblik de assegaai gemikt op het hoofd van den jongen -Boer, doch de bijl van Anna Jansen was sneller dan de Kafferspies, en -met verbrijzelde hersenpan stortte de Zoeloekrijger voor Dirk’s voeten -neer. - -Nu was het echter met de kracht van Jansen’s heldendochter ten einde. -„Anna!” riep Dirk, maar zij hoorde hem niet meer, en zij zou tegen den -wagen zijn aangevallen, had Dirk haar niet gesteund. - -„Lodewijk,” zeide hij, „zorg voor Anna,” en zich tot den leeuwenjager -wendend, vraagde hij met een beklemd gemoed: „Hoe staat het hier, Neef -Teunis?” - -„Mieke is dood; nog een vrouw en twee kinderen zijn omgekomen; al de -anderen zijn gewond.” - -„Mieke dood!” riep Dirk met een kreet van klagende smart. - -Het volgende oogenblik bevond hij zich midden onder de gewonden. Vrouw -Kloppers, ofschoon zelf gewond, was juist bezig, de kwetsuren van haar -man te verbinden. - -„Vader,” zeide Dirk, „de Zoeloe’s hebben u vreeselijk toegetakeld!” - -Zijn oogen werden vochtig van deernis en liefde—waren dat dezelfde -oogen, die zoo pas nog hadden gevlamd in wilde strijdlust? - -Willem zat naast zijn vader; zijn wonden waren reeds verbonden. - -Floor sloeg de oogen op. „Mijn bijl, mijn bijl,” riep hij met -verwilderden blik, „waar is mijn bijl?” - -Hij stond op, maar hij waggelde als een dronken man. Toen hij echter -zijn broeder Dirk zag, begon hij den toestand langzaam te begrijpen. - -„We hadden op Barend Jansen gehoopt,” zeide hij, „en gij zijt gekomen, -doch nu is het ook goed.” - -Ja, nu was het ook goed. - -Niemand hunner had een doodelijke wond, en als door een wonder waren -zij gered! Als uit den dood hadden zij elkander weergevonden, en zij -werden niet moe, elkander de hand te drukken. - -Maar niet onvermengd was de beker der vreugde. - -Dirk wendde zich naar de plaats, waar Mieke lag. De leeuwenjager ging -mee. - -Zij lag nog in dezelfde houding, waarin de leeuwenjager haar had -neergelegd; het hoofd op een kussen. Op de wond lag nog de doek, die -geheel van bloed was doortrokken. - -Behoedzaam nam Dirk den anderen doek weg, die haar gelaat bedekte. Op -hare trekken zweefde nog de glimlach, mild en zacht als het licht van -den dageraad. - -Peinzend, diep weemoedig rustte het oog van den broeder op de geliefde -doode. Hij bukte zich, en kuste hare verbleekte lippen. - -„Rust zacht, lieve zuster!” fluisterde hij. Hij nam weer den doek, en -bedekte het gelaat der blanke, geknakte lelie. - -Maar in de brandende oogen van den leeuwenjager begon het te schemeren. -Hij ging buiten de legerplaats, het veld in. Hij wierp zich voorover -ter aarde, en snikte als een kind. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVI. - - -Welgemoed was Piet Retief met zeventig der voornaamste Boeren, de door -koning Dingaan gewenschte beesten medevoerend, op weg gegaan naar -Zoeloeland. Onderweg halt houdend, ontving hij bericht door een van ’s -konings gezanten, dat hij voort mocht trekken naar Umkungunhlovu, de -onwelluidende naam van Dingaan’s hoofdstad, de Dingaanstad door de -Boeren genoemd. - -De Boeren lieten zich de order des konings geen tweemalen zeggen, en -spoedig was de hoofdstad bereikt. - -De stad besloeg een groote ruimte, en was omheind door een muur van -sterke doorntakken, terwijl aan weerszijden van die takken scherp -gepunte palen kruiselings in den grond geplant, met de scherpe punten -naar boven stonden. De stad was cirkelvormig gebouwd en bestond uit -1700 kafferhutten, die ruimte boden voor 34000 soldaten, terwijl de -cirkel een groot exercitieveld omspande, dat grensde aan de woning des -konings. - -De Boeren wendden zich nu tot een der voornaamste hoofdmannen, -„Dingaansmond” genoemd, de eenige, die zonder verlof met den geweldige -mocht spreken. Deze ging onmiddellijk tot den koning, rapporteerde de -aankomst van de Boeren, noemde hun getal alsmede het aantal beesten, -dat zij mede brachten, en maakte tevens melding van de getuigenis der -twee Zoeloe-kapiteins, die den veldtocht van de Boeren tegen Sikonyella -hadden meegemaakt, en de verklaringen der Boeren onder eede wilden -bevestigen. - -De koning scheen het rapport vriendelijk op te nemen. Op zijn bevel -werd er voor de gasten geslacht, en terwijl zij den tweeden dag zouden -uitrusten van den vermoeienden tocht, werd hen gelast, den derden dag -voor den koning te verschijnen. - -Zoo maakten de Boeren dan hun kamp gereed op een kleinen heuvel, op -ongeveer honderd vijftig pas afstands van de stad, door een spruit of -beek er van gescheiden, en op driehonderd vijftig pas afstands van de -gerechtsplaats, waar het door de wilde dieren afgeknaagde gebeente der -verslagenen lag te bleeken in de heete Februarizon. - -Waarschijnlijk waren er onder de Boeren meer dan één, die zich niet op -hun gemak gevoelden, doch het vertrouwen van Piet Retief op het woord -des konings was verwonderlijk groot, en toen den volgenden morgen de -Zoeloe’s als geschenk van den gastheer tien mooie slachtossen voor de -Boeren brachten, verdween het laatste spoor van wantrouwen. De twee -kapiteins, die den tocht tegen Sikonyella hadden meegemaakt, voegden -zich bij de blanken, hielden hen den geheelen dag op vriendelijke wijze -gezelschap, en de Boeren waren vol goede verwachting voor den derden -dag, toen zij bij koning Dingaan ter audiëntie verschenen. - -Die verwachting werd voorloopig niet beschaamd. - -Retief werd met vijf van zijn eerste raadsleden, vergezeld door de -bekende Zoeloe-kapiteins en den machtigen hoofdman, die „Dingaanmond” -werd genoemd, de raadzaal binnengelaten. Deze zaal was gemaakt van -gevlochten rotting, terwijl de vloer was belegd met matten, waarop de -gasten zich mochten nedervleien. Zij was twintig voet in het vierkant, -terwijl het dak door twee en twintig met kralen versierde pilaren werd -geschraagd. - -Aan de raadzaal grensde de zitkamer des konings, eveneens van -gevlochten rotting gemaakt, terwijl van uit deze kamer door den tuin -een smalle, met klipsteen geplaveide gang naar een breedgetakten wilden -vijgeboom liep. Hier, in de schaduw van dezen boom, placht de koning -gaarne te zitten, als de zon heet werd, en de geheele stad lag daar als -aan zijn voeten. Van hier had hij ook een goed gezicht op den platten -heuvel, die de gerechtsplaats werd genoemd, maar inderdaad een -gruwelijke moordplaats was. - -De koning ontving de Boeren in de raadzaal. Hij zat vlak voor hen, maar -zij konden zijn gelaat niet zien, want het was bedekt door een fijnen, -rooden sluier. - -De ontvangst was uitmuntend. De koning was van de goede trouw der -Boeren blijkbaar overtuigd, en verklaarde, dat hij het rapport van Piet -Retief volkomen vertrouwde. - -Volgens het geloofwaardig getuigenis, dat later een van Dingaan’s -soldaten aan een Transvaalschen Boer heeft afgelegd, had het -tweegesprek het volgende verloop: - -De koning: Waar hebben jullie gewoond, alvorens ge hierheen trokt? - -Retief: Wij komen uit een ver land, waar nog vele witmenschen wonen. - -De koning: Waarom zijn jullie uit uw land getrokken? - -Retief: Het land werd te eng voor de vele menschen, die er woonden. - -De koning: Waarom zijt ge niet in den omtrek der Vaalrivier gebleven? - -Retief: Het is daar een koude, kale wereld; er is geen geboomte en geen -loopend water. - -De koning: Is het land, dat gij van mij wilt ruilen, goed van hout en -water voorzien? - -Retief: Als wij dien grond konden krijgen, zouden wij blijde zijn, want -er is hout en water in overvloed. - -De koning: Hebt gijlieden veel vee? - -Retief: Wij zijn armer geworden aan vee, want wij hebben op den Trek -veel vee verloren. Toch hebben wij nog genoeg voor ons bedrijf, als wij -maar vruchtbaren grond kunnen krijgen. - -De koning: Is het waar, Retief, dat gij met Moselekatse oorlog hebt -gevoerd? - -Retief: De Boeren waren in geen oorlog met Moselekatse maar hij -vermoordde ons volk en nam onze beesten weg. Toen is ons volk -uitgetrokken, om het vee terug te krijgen. - -De koning: Waar woont Moselekatse thans? - -Retief: Hij en zijn volk zijn gevlucht. - -De koning: Is Moselekatse dood? - -Retief: Ik heb zijn lijk niet gezien; ik denk, dat hij nog leeft. - -De koning: Heeft uw volk veel van Moselekatse’s vee genomen? - -Retief: Ja, want Moselekatse had ook veel van ons vee genomen. - -De koning: Hebben uw vrienden vele van Moselekatse’s volk -doodgeschoten? - -Retief: Ja. De Kaffers vochten dapper, en velen van hen sneuvelden. - -De koning: Waarom woont Retief niet in het land, waaruit hij -Moselekatse heeft verjaagd? - -Retief: Wij willen niet in het land van een ander wonen, dat wij niet -hebben gekocht of geruild. En Moselekatse is nu gevlucht—hoe zullen wij -dan met hem kunnen spreken over het ruilen van grond, o koning! - -De koning was over de antwoorden van den blanken man blijkbaar zeer -voldaan, zeide hem, dat hij een naderen dag zou bepalen, om over het -ruilen van grond te spreken, en liet de vreemdelingen gaan in vrede. - -De Boeren waren wonder in hun schik. - -Piet Retief sloeg zijn nevenman lachend op de schouders: „Nu maat, wat -zeg je er van?” - -„’t Zal wel losloopen,” meende deze tevreden. - -„Dat denk ik ook,” zeide Piet Retief met klem, en stopte welbehagelijk -zijn korte pijp. - -Den volgenden, den vierden dag, bleven de Boeren rustig in hun kamp, -zagen nu en dan een goed gedrild regiment van den Zoeloe-koning voorbij -marcheeren, en wachtten op de boodschap van koning Dingaan. - -Zij behoefden niet lang te wachten. Reeds den anderen dag kwam de -boodschap, en de Boeren gingen vol hoop op een goeden uitslag opnieuw -tot den koning. - -Hun stoutste verwachtingen werden nog overtroffen; de koning had -blijkbaar een welgevallen aan de blanken, en hij teekende een stuk van -den volgenden inhoud: - -„Umkungunhlovu, 4 Februari 1838. - -„Zij het aan allen kennelijk, dat aangezien Piet Retief mijn vee heeft -hernomen, dat Sikonyella van mij had gestolen, welk vee gezegde Retief -mij nu heeft afgeleverd, zoo verklaar en certificeer ik Dingaan, koning -der Zoeloe’s, dat ik heb goed gedacht, aan hem Retief en zijn -landgenooten af te staan de plaats Port-Natal met al het land, daaraan -gelegen, dat is te zeggen van de Tugelarivier tot aan de -Umzimvuburivier ten westen, en van de zee naar het noorden, zoo ver het -land bruikbaar moge zijn en aan mij toebehoort—hetwelk ik bij deze doe, -en hun schenk als hun voortdurend eigendom.” - -Dit historische dokument moet nog te vinden zijn in het -gouvernementsarchief te Pieter-Maritzburg, en de handteekening des -konings: „Marthinus Dingaan” is, alhoewel zeer onduidelijk geschreven, -toch nog te ontcijferen. - -Retief stak het kostbaar dokument, waarbij Natal aan de Boeren werd -afgestaan, in zijn zak, en nu het groote doel was bereikt, verlangde -men naar huis, om daar de blijde tijding te brengen. - -De koning echter verzocht de gasten, nog één dag te vertoeven, want hij -wilde ter hunner eer zijn regimenten nog een oorlogsdans laten -uitvoeren. - -De Boeren konden, zonder onbeleefd te schijnen, moeilijk weigeren, en -reeds vroeg in den volgenden morgen liet de koning Retief met zijn vijf -vertrouwdste vrienden roepen. Op Dingaan’s bevel verschenen nu op het -ruime exercitieveld vier honderd poenskopossen, straks vervangen door -vier honderd zwartrugossen, voor welke ten slotte vier honderd -melkwitte ossen, de zoogenaamde vredeossen, in de plaats kwamen. Bij -elke dezer drie prachtige groepen ossen behoorden twee regimenten -Zoeloe-soldaten, die voor de oogen der Boeren hun oorlogsdansen -uitvoerden. - -Toen deze spelen geëindigd waren, richtte zich de koning tot Retief. - -„Hoe vindt gij ’t?” - -„Ik vind het mooi,” was het antwoord; „nog nooit, o koning, heb ik zoo -iets gezien!” - -Retief sprak de waarheid; het was een schilderachtig, prachtig gezicht -geweest. - -„Hebt gij ook zulke groote groepen ossen van één kleur?” was de nieuwe -vraag van den Zoeloe-vorst. - -„Neen,” antwoordde Retief; „wij houden de kleuren niet zoo bij elkaar; -wij gebruiken de ossen, om de wagens te trekken.” - -„Dan zijt ge niet zoo’n groot koning als ik,” meende Dingaan. - -„Ik zie,” was het antwoord, „dat gij een machtig, goed en rijk koning -zijt, dat gij uw scepter uitstrekt over een groot volk, en ik denk, dat -ik en mijn volk in vrede en vriendschap zullen leven met koning Dingaan -en zijn volk.” - -Doch nu was het de beurt aan Retief, om met zijne manschappen eenige -manoeuvres uit te voeren, en de koning zette zich neder op zijn -lievelingsplek, onder den wilden vijgeboom, van waar hij de bewegingen -der ruiters goed kon waarnemen. - -Retief liet dus zijn zeventig manschappen opzadelen in het oude kamp; -de geweren werden geladen met los kruit, en in twee afdeelingen reden -de Boeren naar de door den koning aangewezen plek. Hier werden een paar -schitterende ruiterstukjes uitgevoerd, vervolgens zoo snel mogelijk -drie salvo’s afgegeven, waarna de paarden werden omgeworpen, en men in -galop terugkeerde naar het kamp. - -Nu zouden de Boeren dan vertrekken, doch een adjudant des konings -verzocht hen uit des konings naam, nog één nacht te blijven, om den -volgenden morgen als des konings gasten bier met hen te drinken, de -regimenten nog eens hun oorlogsspelen te zien uitvoeren, en dan in -vrede huns weegs te gaan. - -De Boeren verlangden naar huis, maar zij wilde den koning niet -onaangenaam zijn; zoo bleven zij in hun kamp. Zwermen aasvogels zagen -zij neerstrijken op den moordheuvel daar voor hen, doch dit deerde hen -niet. Morgen, morgen gingen zij immers naar huis! - -Zij zaten met elkander te keuvelen en te praten, totdat de milde -zomeravond zijn schaduwen wierp over het lager. Het begon koeler te -worden en zij vleiden zich neder om te slapen—het was de laatste nacht -van hun leven. - -Retief en zijn zeventig mannen waren den volgenden morgen vroeg op, en -begaven zich tot het afscheidsbezoek naar den koning. - -Hun werd gezegd, de geweren achter te laten; de argeloozen voldeden aan -het bevel. - -Zij ontmoetten den koning op het exercitieveld en groetten hem -eerbiedig. Hij groette terug, maar tusschen het gaas door van den -fijnen, rooden sluier, die zijn gelaat bedekte, flikkerden de oogen van -een wild, bloeddorstig beest. - -Het bier werd rondgedeeld, en de Zoeloe-regimenten voerden hun -oorlogsdansen uit. Allengs vormden zij om de Boeren een wijden kring, -die gestadig nauwer werd. - -Nog altijd vermoedde Retief geen verraad; zijn trouw en eerlijk hart -vertrouwde op het koninklijk woord. - -„Het wordt tijd!” fluisterde Tambuza, Dingaan’s eerste minister. - -Toen liet de koning het masker plotseling vallen. - -Hij stond op. - -„Slaat de toovenaars dood!” brulde hij, en zich omkeerende, verdween -hij in zijn woning. - -„Verraad!” gilden de Boeren, terwijl zij hun messen trokken, maar ze -werden verzwolgen door de overstelpende macht des vijands. Zij streden -en worstelden tot het bittere einde, en vielen als helden en -martelaren! - -Een knots verbrijzelde de hersenpan van Piet Retief; een assegaai -scheurde zijn lichaam open, en het nog kloppende, trouwe hart werd hem -uit het lijf gereten en aan Dingaan gebracht. - -Toen lachte de bloedhond, en de satan, die vlak achter hem stond, -lachte ook. - -Maar aan den Engelschen zendeling Owen, die aan het „hof” verkeerde, -liet Dingaan deze boodschap brengen: „Verontrust u niet, mijnheer Owen; -ik laat de Boeren maar doodslaan.” - -De vermoorde Boeren werden intusschen naar den moordheuvel gesleept, en -hun lijken op een hoop geworpen. Daar bleven zij liggen: een spijs voor -de aasvogels en het wild gedierte. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVII. - - -Met het geschetste moordtooneel heeft de Zoeloekoning de algemeene -slachting ingeluid, en van uit de hoofdstad verspreidden zich zijn -regimenten, om de onbezorgde Boeren te overrompelen. - -Acht dagen lang heeft dit moorden geduurd, en het zou met de Boeren nog -veel hachelijker hebben gestaan, indien de verhaalde veldbrand den Trek -der Boeren niet had vertraagd. Natal was het slagnet, waarin de -Emigranten moesten worden geworgd, en al was al het volk nog niet in -Natal, de voorhoede raakte in dat gespannen net toch vreeselijk -bekneld. - -Langs een lijn van bijna zeven uren gaans, van af Rendsburgspruit tot -aan de Blauwkransrivier, werden de Boerenlagers plotseling -tegelijkertijd door een groote overmacht aangetast. - -Aan de Rendsburgspruit stonden de wagens der familie Rendsburg. Wel -hadden zij uit de richting van het volgende lager, dat der Malans, -hooren schieten, doch in de noodlottige meening, dat Piet Retief met de -zijnen, die thuis werden verwacht, hun nadering door vreugdeschoten -kenbaar maakten, hadden zij aan geen vijand gedacht. - -Zoo was er bij des vijands komst geen gelegenheid meer, om de wagens in -een kring te trekken, en have en goed in den steek latend, vluchtte men -op een steilen klipheuvel in de nabijheid. - -Als razenden stormden de Zoeloe’s tegen den heuvel op, maar de Boeren -ontvingen hen met een moorddadig vuur, en sloegen hen terug. Doch thans -dreigde de ammunitie op te raken, en van de andere lagers, die eveneens -in grooten nood verkeerden, was geen hulp te verwachten. - -In dit gevaarlijk oogenblik werd plotseling de breedgerande hoed -zichtbaar van een voortjagenden Boer. Het was Marthinus Oosthuizen, een -dappere kerel. Hij zag den hachelijken toestand der Rendsburgers, en in -plaats van op eigen lijfsbehoud bedacht te zijn, wendde hij -onmiddellijk den teugel, om hen bij te staan. Zij echter wenkten hem -met woorden en gebaren, om hun kruit te verschaffen, en wezen den wagen -aan, waar het te vinden was. Inderdaad gelukte het den vermetelen Boer, -een voldoende hoeveelheid kruit machtig te worden, waarmee hij zich bij -zijn stamgenooten voegde. De moed der arme menschen werd nu wonderlijk -gesterkt, en terwijl geen hunner werd gedood, zelfs niet gekwetst, lag -de helling van den heuvel bezaaid met gesneuvelde Kaffers, en de -Zoeloe’s gaven ’t op. - - - -Te Doornkop stond een groot lager der Boeren, dat ongemoeid bleef, en -waar men van niets wist, totdat vluchtelingen, meest vrouwen en -kinderen, slechts in nachtgewaad gehuld, de vreeselijke ramp kwamen -mededeelen. Onmiddellijk werden de ossen voor de wagens gespannen, om -naar de bedreigde punten te trekken, de gewonden en zwakken op te -nemen, en te redden wat nog te redden was. Rechts en links hoorde men -voorttrekkende uit de verte den scherpen knal van het geweer en het -woeste gebrul der Zoeloe-Kaffers, maar er was op het oogenblik geen -denken aan, om de vrienden te helpen, want eerst moesten de -vluchtelingen worden opgezocht en verzorgd. Dadelijk echter werden er -rapporten gezonden aan de nakomende treinen, om zich in lagers te -vereenigen, daar de vijand in de nabijheid was. - -Met de vluchtelingen keerde men naar het Doornkoplager terug, waarna de -paarden werden gezadeld, en veertig Boeren (de anderen moesten ter -verdediging van het lager achterblijven) uittrokken, om de benarde -lagers te helpen. Het eerst stietten zij op het lager van Viljoen, dat -den schok der Zoeloe’s had doorstaan, doch van al het vee was beroofd. -Te vreeselijker was de verwoesting van het volgende lager, dat der -Bezuidenhouts. Niemand, zelfs de zuigeling niet, was gespaard. - -Vreemd was het, dat een vreemdeling, een blanke, in een der geplunderde -en gehavende ossenwagens werd ontdekt, bezig met geld te stelen. Hij -trachtte te vluchten, maar de Boeren schoten hem dood. Het bleek een -Engelschman te zijn. - -De Boeren noemden de plek, waar het uitgemoorde lager had gestaan, de -„Moordkraal”, en met bange voorgevoelens in het hart werd de tocht -voortgezet. - -Ach, het was een vreeselijke tocht! Langs de spruiten stonden de -ossenwagens: in groepen van drie, vier, zes stuks, en reeds aan den -weerloozen stand dier wagens kon men zien, dat de overrompeling -volkomen was geweest. Alle levende ziel was uitgeroeid: geworgd, -doorstoken, vermoord. Men kon zien, hoe de weerlooze vrouwen en -kinderen (de mannen waren meerendeels op de groote jacht) bijeen waren -gevlucht en zoo vermoord. - -De omtrek van een volgende groep wagens bewees, dat hier lang en bitter -was gestreden, voordat de Kaffers hadden gezegepraald. Vele -Kafferlijken bedekten den grond, maar van de dappere verdedigers, de -Witten en de Botha’s, was ook niemand overgebleven. De gieren waren -reeds neergestreken op de blanke en zwarte lijken, maar de Boeren -joegen ze op, begroeven de bekenden, en dekten de anderen met het -huiflinnen der ossenwagens, opdat de familieleden hen zouden kunnen -herkennen. - -En zoo ging het van groep tot groep—het was één afschuwelijk, -afgrijselijk bloedbad! - -Hoe velen hadden nog getracht te vluchten! Maar de grimmige speer van -den moordenaar vond hen: onder een wagen, in een kuil, achter een -doornstruik—nergens was er schuiling geweest! Er was gemoord, geslacht -met satanische woede! Het hoofd van den zuigeling was verpletterd tegen -de ijzeren wielbanden van den ossenwagen, en de moeder lag er naast—met -opengereten lichaam.... - -Bij een baal rijst vond men een aantal personen vermoord; zij hadden -gemeend, dat het een baal kruit was, en betaalden hun vergissing met -hun leven. - -In de nabijheid der uitgemoorde legerplaatsen hebben de Boeren later -een dorp gesticht, en hebben het „Weenen” genoemd. Zij hadden er geen -passender naam aan kunnen geven, want de harde grond is er waarlijk -week geworden van al de tranen, die er zijn geschreid. - - - -Het lager van Gert Maritz, drie en dertig man sterk, kon zich gelukkig -staande houden. Ook het „Vechtlager” bij de Boschmansrivier doorstond -de Kafferwoede. Het gevecht duurde hier den ganschen dag, en reeds -begon de ammunitie op te raken, toen een goed gemikt schot uit een -drieponder verwarring bracht in de gelederen der Zoeloe’s. Van dit -oogenblik maakten de Boeren gebruik, om een krachtigen uitval te doen, -en de moordenaars sloegen op de vlucht. - -Wonderen van dapperheid zijn in die bange dagen door de Boeren -verricht. De Oosthuizen’s, de Naudè’s, de de Beer’s, de Cilliersen, de -Pretoriussen, de Maritzen, en zoovele anderen, de vrouwen en dochters -der Voortrekkers niet te vergeten, zij hebben met een heldenmoed -gestreden, die onze eerbiedige hulde afdwingt, en hunne nagedachtenis -zal in eere blijven, zoolang voor heldenmoed en dapperheid nog harten -kloppen! - - - -Het was voor de afwezige Boeren een ontzettend oogenblik, toen zij, des -avonds van de jacht terugkeerend, voor hunne uitgemoorde, uitgebrande -kampen stilhielden. - -Daar lagen hun broeders, hunne vaders, hunne zonen: verslagen als de -helden van Israël op het gebergte van Gilboa! - -Waar waren hunne lagers gebleven, die zij zoo hoopvol hadden verlaten? -Het vroolijk gezang der kinderen, het vriendelijke oog der -huisvrouw—waar was het gebleven? - -Ach, alles wat hun lief en dierbaar was op deze aarde, het was -verdwenen, het was ondergegaan! En hun oog zag niets dan brandende -puinhoopen, afschuwelijk verminkte lijken en rookende bloedplassen! - -Op de klipsteenen, die daar rond lagen, daar gingen de Boeren zitten. -En zij hieven hunne stem op en weenden.... - -En toen hunne oogen geen tranen meer hadden, toen stonden zij op. En -zij hieven hunne handen omhoog naar de sterren, die boven hunne hoofden -fonkelden, en zij zwoeren bij Hem, Die eeuwig leeft, dat zij dit -onschuldige bloed zouden wreken.... - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVIII. - - -Onder aanvoering hunner beproefde voormannen Piet Uijs en Hendrik -Potgieter (laatstgenoemde was na den dood van Retief over het -Drakengebergte ter hulpe gesneld), trokken de Boeren tegen Dingaan op, -om het onschuldig verraden bloed te wreken. - -De jonge Boeren uit Kloppers’ lager sloten zich bij den tocht aan, doch -Gert Kloppers en de andere huisvaders bleven, daar het gevaar van -overrompeling niet gering was, ter verdediging in het lager achter. - -Dingaan zou van twee kanten worden aangevallen: door de Engelsche -kolonisten, die aan de kust woonden, en die voor de Zoeloe’s even -beducht mochten zijn als de Boeren, van de Zuidzijde, en door de Boeren -van de Westzijde. - -Het Boeren-kommando bestond uit ongeveer vijfhonderd man. Daar kon -Dingaan twintig duizend soldaten tegenover stellen: krijgers, gehard in -den strijd. Wel hadden de Boeren geweren, doch tegen één geweer stonden -veertig assegaaien! - -De Boeren rukten recht op Dingaan’s hoofdstad aan. ’t Was -verwonderlijk, hoe weinig tegenstand zij ondervonden. Maar ’t was nog -verwonderlijker, dat de aanvoerders der Boeren geen achterdocht kregen. - -Nu en dan zag men op de toppen der bergen eenige zwarte stippen; het -waren schildwachten der Zoeloe’s, die bij de nadering der Boeren snel -verdwenen, terwijl men des nachts de seinvuren des vijands zag -flikkeren. - -In den namiddag van den 13. April 1838 sloegen de Boeren hun kamp op -bij Italeni, aan den voet van een hoogen bergrug, en den volgenden dag -hoopte men door een snelle beweging Dingaan’s hoofdstad, waarvan -slechts eenige mijlen afstands hen meer scheidden, te nemen, haar aan -de vlammen prijs te geven, en Dingaan van zijn troon te stooten. - -Reeds bij het derde hanengekraai van den volgenden morgen was het -geheele lager in beweging. De paarden werden gezadeld, de -kampbenoodigdheden op de weinige wagens geladen, en de orde van den -tocht geregeld. - -Piet Uijs leidde de voorhoede; Hendrik Potgieter en zijn mannen -volgden. Zoo kwam men voor een enge vallei, aan weerskanten ingesloten -door hooge, boschrijke bergen. De zon begon juist de toppen der hoogste -bergen te vergulden, toen men voor den ingang kwam van die vallei. - -„Dat lijkt sprekend op een muizenval,” fluisterde Dirk Kloppers tot den -leeuwenjager, die naast hem reed. - -De leeuwenjager knikte; hij was van dezelfde meening. - -Ook Piet Uijs dacht iets dergelijks; die vredige vallei leek hem als -een poorte des doods. - -„Is de weg veilig?” vraagde hij aan de patrouille, die op kondschap was -uitgezonden geweest. - -„Veilig,” antwoordde de patrouille. - -„Is er geen andere weg?” vraagde hij opnieuw. - -„Men kan deze bergen omtrekken,” antwoordde de patrouille, „maar er -gaat veel kostbare tijd mee verloren, en de menschen hunkeren naar de -beslissing.” - -De Boeren haakten naar de beslissing; dat was waar. - -En de weg was veilig, rapporteerde de patrouille. - -Pieter Uijs had zijn aarzeling overwonnen; hij richtte zich op in de -stijgbeugels en riep met krachtige stem: „Voorwaarts!” - -De macht der Boeren bestond uit vijfhonderd man, waarvan de voorhoede, -door het geheele kommando gevolgd, nu in gesloten gelederen de -bergkloof insloeg. - -Zonder eenig ongeval passeerde men de gevaarlijke punten. - -Piet Uijs had zich blijkbaar noodeloos ongerust gemaakt. Wel werd het -in het bosch aan de rechterzijde plotseling levendig, maar de beweging -ontstond door een schaar wilde papegaaien, die bij het brieschen der -paarden opvlogen, en een paar opgeschrikte reebokken gingen in groote -sprongen voor de ruiters uit. - - - -De voorhoede heeft nu gelukkig bijna den uitgang der gevaarlijke kloof -bereikt, maar daar—wat is dat? Is de uitgang versperd? - -Neen, het kàn niet waar zijn. - -Tòch is het waar. - -Alsof ze uit den grond zijn opgerezen, zoo staan daar twee -Zoeloe-regimenten—in volle slagorde. Het breede, stalen lemmet der -stootassegaai flikkert in hun vuist, en zij slaan op hun leeren -schilden, dat het dreunt als het rommelen van den verren donder. - -Tegelijkertijd begint er beweging te komen langs de begroeide hellingen -aan weerszijden van den weg, en het krijgsgeschreeuw der Zoeloe’s, -daverend van berg tot berg, doet de moedige Boerenharten sneller -kloppen. - -„Houdt de gelederen gesloten!” roept Piet Uijs. - -Op dit oogenblik dringt een Boer naar voren, naar de spits der -voorhoede, waar Piet Uijs zich bevindt, en rapporteert: „Kommandant -Potgieter laat u weten, dat de Zoeloe’s hem van achter aanvallen en de -vallei versperren!” - -„De klep van de val is dicht,” meent Dirk Kloppers. - -„Ik heb het niet anders verwacht,” zegt de leeuwenjager. - -De Boeren zitten inderdaad in den val. Zij zijn geheel omsingeld; de -vredige vallei is werkelijk geworden eene poorte des doods. - -Maar de dappere Piet Uijs, die zijn mannen hier heeft gebracht, zal die -poorte open breken door zijn sterken arm. - -„Zeg aan kommandant Potgieter,” beveelt hij aan den rapportganger, „dat -hij mij van achter dekke! Onze weg ligt voorwaarts!” - -Tegelijkertijd kommandeert hij vuur, en de kogels der Boeren slaan een -stuiptrekkende opening in den Kaffermuur voor hen. - - - -Potgieter kon aan den wensch van Piet Uijs niet meer voldoen, want de -snelvoetige Zoeloe’s waren, van de hellingen der bergen naar beneden -stormend, reeds als een wig tusschen de voor- en achterhoede der Boeren -ingedrongen. - -Potgieter achtte het dus het verstandigst, om eerst van achter zich -ruimte te maken, en daarna zich door te slaan naar de voorhoede. - -In dien geest gaf hij bevel, snel eenige salvo’s op de Zoeloe’s die van -achter opdrongen, te geven, dan te paard te springen, en in vollen -galop door den Kaffermuur heen te breken. - -De order werd even snel als onverschrokken uitgevoerd, en voordat de -slagorde der Zoeloe’s, door de hevige losbrandingen van het geweer in -verwarring gebracht, zich kon herstellen, zaten de ruiters er reeds -tusschen in en maakten ruim baan. - -Het eerste gedeelte van het krijgsplan was schitterend en met -betrekkelijk gering verlies uitgevoerd. Slechts een paar Boeren waren, -door de werpassegaai getroffen, achtergebleven in de bres. Doch nu kwam -het tweede gedeelte van het krijgsplan: zich opnieuw te wagen in die -enge vallei, in die poorte des doods, zich door te slaan door de van -vijanden krioelende kloof, en zich te vereenigen met de voorhoede. - -Potgieter wendde nu den teugel van zijn paard en kommandeerde: „Terug -mannen, de kloof in! En aansluiting gezocht met de voorhoede!” doch -deze order is nooit uitgevoerd. - -Werd het bevel niet gehoord of begrepen—wie zal het zeggen? - -Slechts een handvol dapperen schaarden zich aan Potgieter’s zijde, -terwijl de anderen het open veld opgingen. Onder deze omstandigheden -viel er niet aan te denken om de voorhoede bij te springen, en -Potgieter had al zijn beleid noodig, om zelf niet door de overstelpende -overmacht des vijands dood gedrukt te worden, en met droefheid in de -ziel en bestendig vurend, trok de dappere kommandant langzaam terug -naar de vlakte. - - - -Intusschen was de voorhoede onder Piet Uijs in een bloedigen strijd -gewikkeld, en hij streed als de leeuw, die door de wolven omsingeld is. -Nog altijd hoopte men op hulp van Potgieter, maar Karel Landman, die -met onbezweken moed tot nog toe had gevochten, riep, op een steilte -gekomen, van waar hij de geheele vallei kon overzien: „Potgieter en -zijn mannen trekken terug—nu is alles verloren!” Maar zijn ervaren oog -ontdekte tegelijkertijd, dat ter linkerzijde nog een uitweg was uit de -doodelijke kloof, en hij haastte zich, dit den kommandant mede te -deelen. - -„Neem dan dien uitweg,” zeide Piet Uijs snel beraden, „en ik zal met -eenige manschappen den aftocht dekken!” - -Zoo geschiedde het, en de Boeren trokken al vechtende terug, het open -veld in, dat met lang Tamboeki-gras was bedekt. - -Juist hield Piet Uijs zijn paard even in, om den vuursteen van zijn -geweer te scherpen, toen uit dat lange gras de gespierde arm van een -Zoeloe-krijger zichtbaar werd. Op hetzelfde oogenblik drong een speer -met kracht in de rechterheup van den wakkeren aanvoerder, dien hij met -eigen hand nog uit de wond trok. - -Tegelijkertijd stortte het paard neer van een Boer, met name Nel, die -naast hem reed. - -„Om ’s hemels wil, kommandant,” smeekte Nel, „laat mij niet in handen -van den vijand vallen!” - -„Neen, broeder,” antwoordde de zwaargewonde, „dat zal ik niet doen. -Spring achter op mijn paard; het is sterk, en zal ons beiden dragen!” - -Nel haastte zich om het te doen, doch het paard van Uijs had nog maar -weinige stappen gedaan, toen Nel met de handen naar boven tastte, alsof -hij een houvast zocht, en door een doodelijken speerworp getroffen, -tuimelde hij van het paard. - -Uijs was intusschen doodsbleek geworden; slechts met moeite hield hij -zich in het zadel. Twee van zijn manschappen plaatsten zich nu met hun -paarden aan weerskanten van den geliefden aanvoerder, hem onder het -rijden ondersteunende. - -Maar de dappere Voortrekker had genoeg; hij voelde zijn einde naderen. -Hij nam afscheid van zijn krijgsmakkers, beval hen—het was zijn laatste -order!—hem te verlaten, om voor hun eigen leven te zorgen, en nam -afscheid met de woorden: „Denkt aan mijn vrouw en kinderen, strijdt -voor uw volk en houdt God voor oogen!” - -Vol weemoed en droefheid, maar toch nog met de stille hoop in het hart, -dat zij hem straks nog zouden kunnen redden, lieten zijn makkers hem -achter. - -Helaas! Het was een ijdele hoop. Zij waren nog niet ver gekomen, toen -zij den sterken man zagen waggelen en van het paard vallen. - -Dirk, de twaalfjarige zoon van Piet Uijs, was een eind vooruit. - -De zwaargewonde aanvoerder hief uit het lange gras, waar hij lag, nog -het stervende hoofd op, om te zien, of Dirk in veiligheid was. - -Hij ontdekte hem, en wenkte hem met de laatste krachtsinspanning om te -vluchten. Maar het heldenbloed zijner vaderen klopte in het hart van -dien jongen; hij wendde zijn paard. Drie Zoeloe’s schoot hij neer; toen -viel hij, door een assegaai doodelijk getroffen, in de armen van zijn -stervenden vader. - -Dat was het einde van Piet Uijs, dien de Boeren den Dappere noemen, en -van zijn heldenzoon Dirk. Maar het Boeren-kommando trok, door de -snelvoetige Zoeloe’s onophoudelijk bestookt en verontrust, -teleurgesteld en ontmoedigd terug. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIX. - - -Hoe was het met den veldtocht, dien de Engelsche kolonisten hadden -beraamd, afgeloopen? - -Zij waren op den bepaalden, met de Boeren afgesproken tijd, met een -macht van 3000 Kaffers, waarvan er ongeveer 400 met geweren waren -gewapend, en een afdeeling blanken op marsen gegaan, om den -Zoeloe-koning van uit het zuiden te bestoken, terwijl de Boeren, zooals -reeds gezegd, van uit het westen zouden optrekken. - -Het kommando stond onder het bevel van Robert Biggar, John Cane en -Ogle, drie Engelschen. Biggar was opperbevelhebber. - -Zonder veel hindernissen werd de Tugelarivier overgetrokken, en een -Zoeloe-regiment, dat op verkenning was uitgezonden, teruggeworpen. - -Het leger vervolgde nu zijn tocht en bereikte Endouka Kusuka. Hier -stond slechts een zwak regiment der Zoeloe’s, daar de hoofdmacht van -den vijand op Dingaan’s bevel verder landwaarts was ingetrokken, om als -reserve dienst te doen, indien de Boeren in hun vermetelen tocht -mochten slagen. - -Maar de tocht der Boeren had reeds schipbreuk geleden, en ijlboden -brachten aan de reserve de order onmiddellijk hare vorige stelling, die -ernstig bedreigd werd, in te nemen. - -De Engelschen echter waren de Zoeloe’s voor. Bij het krieken van den -dageraad was Kasuka omsingeld, en een vernielend snelvuur werd op de -plaats gericht. Onder gebrul en gejuich bestormden nu de Kaffers onder -hun blanken aanvoerder de plaats, die wel een stad werd genoemd, doch -slechts, evenals de andere Zoeloe-steden, uit een groot aantal, in -lange rijen zich uitstrekkende stroohutten bestond, en namen de zwakke -verschansingen. Weldra kronkelden de rookwolken omhoog boven de plaats, -en verkondigden aan de in ijlmarschen naderende hoofdmacht der -Zoeloe’s, dat zij te laat kwamen, om hun stad te redden. - -Maar dit gezicht maakte hen razend, en geprikkeld door het bewustzijn, -dat de gevreesde Boeren voor de Zoeloe’s waren geweken, daalden zij -snel van de heuvelen neer, die Kasuka omringden, om den vijand slag te -leveren. - -Het waren zeven regimenten, ongeveer 10000 man, die de heuvelen -afstormden. - -Biggar zag hen naderen. Met grooten spoed stelde hij zijn leger in -slagorde op voor de brandende stad, en de voorhoede der Zoeloe’s werd -met zoo’n geduchten kogelregen begroet, dat zij zwenkte, het slagveld -vol dooden en gewonden achter zich latende. - -Er was een oogenblik van verademing, maar de geheele macht der Zoeloe’s -rukte nu op in den vorm van een halve maan, een slagorde, door koning -Chaka [11] uitgevonden, waarvan het centrum recht op den vijand -aanrukte, terwijl de vleugels hem in snellen aanloop moesten -omsingelen. - -Biggar zag de gevaarlijke beweging, en terwijl Ogle met zijn -manschappen tegen den linkervleugel des vijands optrok, zou Cane zijn -rechtervleugel zien te keeren. - -Ogle was inderdaad zoo gelukkig, den vijand terug te werpen, toen zijn -Kaffers, door een nooit opgehelderde paniek aangetast, plotseling -uiteen stoven, en hun heil in de vlucht zochten. - -Het was een onherstelbare slag. - -Wel snelden de blanken aan het hoofd van versche manschappen naar het -bedreigde punt, doch daardoor werden weer andere punten ontbloot, en de -vreeselijke hoornen der halve maan begonnen elkander dicht te naderen. - -Cane kreeg een assegaai voor in de borst, en terwijl hij ze met eigen -hand uit de wond rukte, trof hem de tweede speer tusschen de schouders. -Het wapen stond te schudden in zijn vleesch. Een Kaffervorst, een van -Cane’s trouwste vrienden, sprong toe, om de assegaai uit de wond te -halen, doch Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en -verbrijzelde diens hoofd door een geweerschot. - -Maar de Zoeloe’s lieten hem weinig tijd, om de vreeselijke vergissing -te betreuren. Door vier speren getroffen, stortte hij tegen den grond. -Geen twee minuten later lagen ook Biggar en Ogle zieltogend uitgestrekt -op den van bloed doorweekten bodem, en het geheele Kafferkommando -verstoof als kaf voor den wind. - -Het was een vreeselijke vlucht, en de Kaffers kwamen aan de -Tugelarivier aan op een punt, waar de oever uit honderd voet hooge, -loodrechte rotsen bestond. De Tugela werd voor hen een andere Berezina. -Met de scherpe speer der Zoeloe’s achter zich was er geen tijd voor -beraad, en de ongelukkigen stortten verpletterd neer op de harde -klippen en steenen der Tugelabedding. Eerst toen er een hooge laag van -stuiptrekkende, stervende lichamen was gevormd, werd de val der -nakomenden gebroken, en bereikten dezen den overkant. Doch ook hier was -men nog niet veilig, want een sterke afdeeling der Zoeloe’s was, de -rotsen omtrekkend, op een gemakkelijke plek de rivier overgetrokken, en -versperde den ontkomenen opnieuw den weg. Hier viel de laatste blanke, -Blankenberg, en van het Kafferkommando van Biggar schoten slechts -weinig honderdtallen over. - -Als een bergstroom vervolgde het Zoeloe-leger, plunderend en -verwoestend, zijn overwinningstocht. De Engelsche kolonisten hadden -geen rust voor het hol van hun voet en weken terug tot aan het strand -van den Oceaan. En er zou hun slechts de keuze zijn overgebleven -tusschen de golven van dien Oceaan en de speer van den Zoeloe, indien -in dit hachelijk oogenblik niet een schip in de baai het anker had -uitgeworpen. Het nam de ongelukkigen aan boord, heesch toen de vlag en -koos het ruime sop. - -Maar de Boeren bleven achter, omloeid door het heidendom, en vaster dan -ooit stond Dingaan’s troon. Met een grijnslach om den wreeden mond -zeide hij tot zijn kapiteins: „Zie, op gindschen heuvel ligt het -afgeknaagde gebeente van Piet Retief en de zijnen; bij dien anderen -heuvel, waar juist een zwerm aasvogels neerstrijkt, ligt Piet Uijs, -zijn wreker, en ik heb de bedding der Tugelarivier geplaveid met de -lijken mijner vijanden. Uwe assegaaien druipen van het bloed van acht -honderd Boerenmenschen, en ik ben besloten, om dit volk te verdelgen -tot den laatsten man!” - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XX. - - -Hendrik Potgieter had er genoeg van, en trok met zijn volgelingen terug -naar de oevers der Vaalrivier. - -Een bange tijd brak nu aan voor de achterblijvende Boeren. De -levensmiddelen, zelfs de ammunitie, raakte bij velen op, en het -nijpendste gebrek stond voor de deur. Daarbij kwamen vele en zware -regens, en in hun gevolg ernstige koortsen, die het volk teisterden. - -Men kon elk oogenblik Dingaan’s bloeddorstige regimenten verwachten, en -om dien schok te kunnen weerstaan, werden er twee groote, elk uit -vijfhonderd ossenwagens bestaande, lagers gevormd, waarvan het lager, -onder bevel van Gert Maritz, bij de kleine Tugelarivier, en het andere, -onder bevel van Jakobus Potgieter aan een zijtak der Blauwkransrivier -werd opgeslagen, op de plek, waar de wagens van Piet Uijs hadden -gestaan. - -Dit lager werd het Modderlager genaamd van wege den door vele regens -doorweekten grond, en na verloop van vier maanden was men dan ook -verplicht, het te verplaatsen naar de Boschmansrivier. - -Hier, aan de Boschmansrivier, kreeg men de Zoeloe’s. Drie volle -etmalen, van den 10den tot en met den 12den Augustus 1838 duurde de -bestorming; het lager lag als een eenzaam eiland in een wild bruisende -zee. - -Den derden dag ontving Gert Maritz bericht van het groote gevaar, -waarin de stamgenooten verkeerden. Het eigen lager werd nu snel in -staat van verdediging gebracht; daarna zadelde Maritz op, en trok met -een sterke wacht uit, om het benarde lager te ontzetten. Maar de -dappere mannen van Jakobus Potgieter hadden zich met zooveel kracht -verweerd, dat de Zoeloe’s het na een verlies van duizenden manschappen -hadden moeten opgeven. - -Als door een wonder was ook het kleine kamp der van Dijken, niet ver -van Jakobus Potgieter’s lager opgeslagen, aan het dreigend gevaar -ontsnapt. Midden in den nacht kwam hier de tijding, dat de Zoeloe’s in -aantocht waren, en terwijl de vrouwen en de kinderen in hun nachtgewaad -de bosschen invluchtten, maakten zich de weinig weerbare mannen gereed, -om het zwakke lager te verdedigen. Maar de Zoeloe’s ontdekten het niet, -en de menschen waren gered. - -Er heerschte dus groote blijdschap bij de Boeren, doch zij werd niet -weinig getemperd, toen men tot de treurige ervaring kwam, dat al het -vee, dat toch het hoofdbestaan der Boeren uitmaakte, zoowel het vee van -Potgieter’s lager als dat der van Dijken, door de Zoeloe’s was -meegevoerd. - -Acht dagen na het gevecht werd Jakobus Potgieter’s lager verplaatst -naar de kleine Tugelarivier, slechts door de rivier van Gert Maritz’ -lager gescheiden. - -Beide lagers werden nu herschapen in ééne sterke vesting, die door -zware zodenmuren en diepe grachten werd beschermd, terwijl zij werd -gedekt door zoogenaamde „schiethokken” aan de hoeken, van waar men de -muren kon bestrijken. - -In het midden van het lager was een groote ruimte gelaten, die -overspannen werd met tentlinnen, waar de Nederlandsche zendeling Smit, -die de Boeren in hun grooten nood trouw ter zijde heeft gestaan, -geregeld godsdienstoefening hield. - -In dit lager hebben de Boeren vijf maanden gestaan, en hier is hun het -water werkelijk tot aan de lippen gekomen. - -De beesten waren geroofd, de proviand raakte op, en de hongersnood -stond voor de deur. En alsof al deze rampen nog niet genoeg waren, werd -de wakkere Voortrekker Gert Maritz ziek en bezweek. Onder vele tranen -werd hem in het lager een laatste rustplaats bereid, en de Boeren, door -zooveel leed overmand, lieten het moedige hoofd zakken. - -In zware tegenheden handelde God met dit volk, en Hij bezocht het met -zijn kastijdende roede. Hij schudde het, evenals zijn storm de wateren -schudt en zuivert. Hij wierp het in den heeten oven der beproeving, -opdat het gereinigd te voorschijn zou komen, als goud, gelouterd in den -smeltkroes. Immers Hij had het volk der Emigranten-Boeren uitverkoren, -om de weegschalen van het heilig recht hoog te houden onder de blinde -heidenen, die niet wisten van God noch van zijn gebod. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXI. - - -„Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijne klacht -uitstort voor het aangezicht des Heeren. - -„O Heere! Hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen. - -„Verberg uw aangezicht niet voor mij, neig uw oor tot mij ten dage -mijner benauwdheid; ten dage als ik roep, verhoor mij haastelijk.” - -Vrouw Kloppers staakt even met het lezen van den psalm, en luistert -naar den wind, die het linnen doet golven der tent boven haar. - -„Want mijne dagen zijn vergaan als rook, en mijne gebeenten zijn -uitgebrand als een haard.... - -„Mijne vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij -mij. - -„Want ik eet asch als brood, en vermeng mijn drank met tranen. - -„Van wege uwe verstoordheid en uwen grooten toorn: want Gij hebt mij -verheven en weder nedergeworpen.” - -Weer houdt vrouw Kloppers op; haar leven gaat voor het oog harer ziel -voorbij. - -De regen klettert tegen het linnen der tent; op sommige plaatsen, waar -het linnen versleten raakt, dringt hij er door. Het opengeslagen -bijbelblad wordt vochtig, maar dat komt niet van de regendruppels. Dat -komt van de tranen, die vrouw Kloppers langzaam over de wangen rollen. - -„Mijne dagen zijn als eene afgaande schaduw, en ik verdor als gras.” - -Ja, dat getuigen hare diepliggende oogen, hare ingevallen wangen, die -smartelijke trek om haar mond. - -„Maar Gij, Heere! Blijft in eeuwigheid, en uwe gedachtenis van geslacht -tot geslacht.” - -„Amen!” zegt hare ziel. - -„Gij zult opstaan, Gij zult u ontfermen over Zion, want de tijd om haar -genadig te zijn, de bestemde tijd is gekomen.” - -Ja, dat is hare hoop; die hoop houdt haar staande; zonder die hoop ware -zij reeds lang vergaan. - -God zal zich ontfermen over Zion, over het geestelijk Zion, over zijn -uitverkoren volk, over het schuldige maar in zijn onwankelbaar verbond -opgenomen volk der Emigranten-Boeren. - -Vrouw Kloppers wil doorlezen, maar Hannie roept. Hannie is ook in de -tent, maar ge zoudt het lieve kind niet meer kennen: zoo uitgeteerd -ziet zij er uit. De koortsen hebben haar vreeselijk geteisterd, doch -die beteren nu gelukkig. Maar zij heeft thans versterkend voedsel -noodig, dat bijna niet te krijgen is. Want van den kostbaren veestapel, -dien Gert Kloppers meebracht uit de Kolonie, is niets overgeschoten dan -een paar melkkoeien en eenige paarden. Het andere vee is op den langen -tocht verongelukt of geroofd door de Zoeloe-Kaffers. Tevens is het -eetbaar wild ver weggevlucht, en de Boeren durven zich niet van hun -lagers verwijderen uit vrees, dat deze zullen overrompeld worden door -de overmoedige, bloeddorstige vijanden. - -„Moeke, wanneer komt Vader thuis?” - -„Ik wacht hem elk oogenblik, lieveling.” - -„Is Vader op de jacht?” - -„Ja, mijn kind.” - -Al drie dagen is Gert Kloppers in de buurt op de jacht geweest, zonder -iets onder schot te krijgen. - -De andere jagers zijn niet gelukkiger geweest. - -„Ik wou, dat Vader eens een blesbok schoot; wat zou dat vleesch ons -smaken!” - -De moeder zucht, doch buiten wordt een mannenstem gehoord, en Gert -Kloppers treedt binnen. - -Hij heeft er in geen weken zoo opgeruimd uitgezien. - -„Ik heb een bok geschoten, Hanneke,” zegt hij, „een goeie, hoor! Hij -ligt hier buiten. Nu zullen we smullen!” - -„Nu zullen we smullen,” herhaalt de kleine Hannie, en zij klapt met -hare magere handjes. - -Ook vrouw Kloppers is innig verblijd, en zij zegt: „De Heere vergeet -ons nog niet,” maar haar man met haar vriendelijken blik aanziende, -laat zij er op volgen: „Beste man, gij hebt zeker geen droogen draad -aan je lijf; droog je hier bij het vuur, en ik zal dadelijk koffie -zetten.” - -„Zeker koffie van geroosterde gerst?” - -„Ja, de echte koffie is al lang op.” - -„Nu, maar ik moet echte koffie hebben vandaag, vrouwke.” - -Hanna kijkt haar man verwonderd aan. Hij heeft al verscheidene weken -het opgietsel van geroosterde gerst voor lief genomen; hij weet, dat er -in het heele lager geen lood koffie te krijgen is, en toch wil hij ze -van middag hebben. Zij begrijpt er niets van, maar nog minder begrijpt -zij ’t, nu haar man met een lachend gelaat uit een grooten, diepen zak -een buil echte koffieboonen haalt en op de tafel legt. - -„Je bent in den regel nog al slim; maar dat begrijp je zeker niet?” -zegt hij. - -Zij schudt het hoofd—hoe zou ze dat begrijpen? - -„Dan zul je dàt ook wel niet begrijpen, en dàt, en dàt—” en hij haalt -wel vijftien builen uit den zak: kruidenierswaren, gedroogde vruchten, -specerijen, enzoovoort. De zak schijnt wel onuitputtelijk. - -De verbazing van vrouw Kloppers kent geen grenzen, maar dit hindert -haar niet, om onmiddellijk echte koffie, Javakoffie te zetten. -Intusschen helpt Kloppers zijn vrouw uit den droom: „Onze broeders in -de Kolonie en in den omtrek der Vaalrivier hebben van onzen grooten -nood gehoord, en zich gehaast, om levensmiddelen te zenden. Dat is het -medelijdende, Afrikaansche bloed, Hanneke, dat zich niet verloochenen -kan. Nu zijn een paar volgeladen ossenwagens met levensmiddelen reeds -in de buurt aangekomen, en om je te verrassen, heb ik al vast het een -en ander meegebracht.” - -De koffie is thans gezet; de zoo lang ontbeerde suiker is er nu ook, en -een blikken kannetje, half gevuld met melk, voltooit de nederige -koffietafel. Maar het echtpaar heeft schik, en verkneutert zich in den -naar hunne meening zoo rijk voorzienen disch. - -Het duurt niet lang, of Dirk, de zoon, komt ook binnen. Hij is platzak -en gemelijk van de jacht thuis gekomen en is niet weinig in zijn schik -geweest, toen hij het geschoten hert in de gaten kreeg. - -Opgewekt treedt hij binnen. - -„Zoo, Vader,” zegt hij, „hebt ge dien bok geschoten? Kom aan, ’t is een -baas, hoor! Wij zullen er straks een flink stuk afsnijden en boven het -vuur roosteren.” - -„En echte koffie gezet?” laat hij er op volgen, met behagen den -koffiegeur ruikend. - -„Waar haal je ’t van daan? Flink, Moeder, schenk maar eens in; dat zal -me verwarmen, want ’t is een geducht koude regen.” - -Hij wordt hoe langer hoe opgewekter. - -„En wat ligt daar toch allemaal op de tafel? Het lijkt wel een heele -kruidenierswinkel. Menschen, waar komt dat toch allemaal van daan?” - -„Raad maar eens,” zegt zijn vader. - -„Van de Engelsche regeering!” antwoordt Dirk. - -Hij schaterlacht, terwijl hij dit zegt. Deze lach werkt aanstekelijk; -ook zijne ouders, zelfs de kleine Hannie beginnen te lachen. Er begint -een frissche, vroolijke toon te heerschen; het wordt bepaald gezellig -in de oude, gehavende tent. - -Na eenigen tijd komt de leeuwenjager, die een paar dagen afwezig is -geweest. - -Hij heeft iets gewichtigs; de anderen merken het aan zijn stap, die -driftiger is dan gewoonlijk. - -Over dien vreeselijken Februarimorgen, toen Mieke door een assegaai -werd gedood en den daaropvolgenden morgen, toen zij in de koele aarde -werd neergelegd, spreekt hij nooit. Maar in zijn binnenste brandt een -vuur. - -„Belangrijk nieuws!” zegt hij op zijn gewonen, korten toon. - -De anderen zien hem vragend aan. - -„Pretorius is aangekomen.” - -„Welke Pretorius?” vraagt Kloppers. - -„Andries Wessel uit het district Graaff-Reynet.” - -„Ik heb geruchtswijze gehoord, dat hij ons komt helpen,” zegt Kloppers. - -„Niets vaster dan dat,” antwoordt de leeuwenjager met klem. - -„Dus we trekken weer tegen de Zoeloe’s op?” - -„Dat zou ik denken.” - -De oogen van den leeuwenjager flikkeren, terwijl hij dit zegt; zij -weerkaatsen het vuur, dat in zijn binnenste brandt. - -„Met hoeveel man is hij gekomen?” - -„Met vierhonderd: allen flinke, dappere kerels.” - -„Mooi,” zegt Kloppers. Hij wrijft zich van plezier de handen. - -„Heb je ze gesproken, Teunis?” - -„Ik heb hun veldkornetten de hand gedrukt. Zij hebben gezegd: Wij zijn -gekomen, om onze broeders in Natal te helpen. Wij willen met hen -sterven of overwinnen. Dat hebben zij gezegd.” - -De oogen van Kloppers beginnen te schitteren. - -„Daaraan herken ik weer den echten, onverbasterden, Afrikaanschen -aard,” zegt hij. „Wij Boeren zijn net als de kinderen in een groot -huishouden: dikwijls gekibbel en ruzie. Maar als de vijand voor de -poorten staat, als het meenens wordt, dan staan we schouder aan -schouder: één voor allen; allen voor één. - -„En wanneer zal de veldtocht beginnen, Teunis?” - -„Zoo gauw mogelijk; binnen eenige dagen. Pretorius zet er haast -achter.” - -„Hij heeft gelijk,” zegt Kloppers. „Hoe eerder hoe beter. We moèten met -de Zoeloe’s afrekenen. Ten eerste, omdat het onschuldig vergoten bloed -moet worden gewroken. God heeft ons Boeren de roeping gegeven, om onder -de heidenen de Overheid te vertegenwoordigen, en de Overheid draagt het -zwaard niet te vergeefs. Ten tweede, omdat onze toestand bij den dag -onhoudbaarder wordt. Daarom zeg ik nog eens: hoe eerder de veldtocht -begint, hoe beter.” - -Hij ziet zijn zoon aan. - -„Dirk,” zegt hij, „ik wou wel mee trekken in den oorlog; wilt gij niet -hier blijven ter verdediging van het lager?” - -„Liefst niet, vader!” zegt Dirk. „Ik smeek u, laat me mee!” - -„Goed dan, gij zult mee—Teunis, blijf jij dan hier?” - -„Ik? Neem me niet kwalijk, maar ik heb geen tijd.” - -„Als de anderen ook zoo praten, dan blijft er geen man hier,” zegt -Kloppers. - -„De huisvaders behooren hier te blijven; laat de jònge menschen -trekken,” antwoordt de leeuwenjager. - -Er volgt een pauze. - -„Het wordt een ernstige strijd,” zegt Kloppers; „een strijd op leven en -dood!” - -„Ja, op leven en dood,” zegt de leeuwenjager; „de twee volgende maanden -brengen ons den ondergang of de overwinning!” - -„De overwinning en de zegepraal!” roept vrouw Kloppers. - -Zij is opgestaan; zij heeft de hand op haren bijbel gelegd. - -Hare oogen stralen als van een profetes uit het oude Verbond. - -„De Heere zal zich ontfermen over ons volk,” zegt zij met luide, -plechtige stem, „en Hij zal ons voeren uit den strik der heidenen!” - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXII. - - -Pretorius, de man met het moedige hart en het schrandere brein, de man, -wien de onverwelkelijke eere zal verblijven, dat hij onder diep -ontmoedigende omstandigheden den hachelijken strijd tegen den Koning -der Zoeloe’s dorst aan te binden, was met zijn Boeren op marsch gegaan. -Allen waren van het gewicht en den ernst hunner taak doordrongen; allen -wisten het, dat de strijd zou uitloopen op zegepraal of ondergang. - -Waar de kleine Tugela zich met de groote Tugela vereenigt, sloot de -wakkere Karel Landman zich met zijn manschappen aan bij het kommando, -dat nu vierhonderd zeven blanken telde. - -Pretorius stelde op alles orde. Bij elken wagen moesten twee hekkens -(schanskorven van doorntakken) zijn ter afsluiting der open ruimte -tusschen de voor- en achterwielen, als men in lager stond, terwijl deze -hekkens door zware ijzere kettingen werden verzekerd. - -Elken morgen werd de krijgswet, die door allen was bezworen, -voorgelezen, en bij elken marsch trokken verspreide patrouilles van -vijf man vooruit, om de veiligheid van den omtrek te bespieden. - -De ammunitie, de proviand en de kampbenoodigdheden waren verladen op -een trein van zeven en vijftig ossenwagens, die in breede rijen van -vier wagens, door een sterke voor- en achterhoede gedekt, voorttrokken. - -Men trok nu het eigenlijke Zoeloeland in, en den 7den December (1838) -bracht een patrouille twee Kaffers mede, door Matowaan, een door -Dingaan onderworpen Kafferhoofd, als parlementairs den Boeren tegemoet -gezonden. - -Pretorius liet bij de komst dezer parlementairs onmiddellijk halt -houden, uitspannen en het kamp opslaan, terwijl hij de beide Kaffers -terug zond met de order aan Matowaan, dat deze den volgenden dag met al -zijn weerbare manschappen doch ongewapend voor den kommandant zou -verschijnen. - -Zoo geschiedde het, en Matowaan sloot met de Boeren een verbond, -terwijl hij als teeken van vrede van den kommandant een groote, witte -sjerp ontving, waarop Pretorius’ naam stond te lezen. De Boeren -verplichtten zich, om den rapportganger der Kaffers, die deze sjerp -mocht dragen, te eerbiedigen, doch al de andere Kaffers moesten tijdens -den veldtocht bij hun kralen blijven, op gevaar van anders door de -blanken te worden doodgeschoten. - -Matowaan bood nu aan, met zijn manschappen het kommando te versterken, -maar de voorzichtige Pretorius dacht aan het einde van Piet Retief, en -bang voor verraad, wilde hij in dezen veldtocht, die op een groote -overwinning of op een volkomen vernietiging moest uitloopen, geen -onbetrouwbare elementen in zijn nabijheid hebben. - -Hij sloeg dus het aanbod vierkant af, doch stond toe, dat Matowaan zijn -manschappen een oorlogsdans liet uitvoeren. - -Naar dien Kafferdans hebben de Boeren die plek Danskraal genoemd; zij -ligt op eenige mijlen afstands van het tegenwoordige Ladysmith. - -Pretorius voelde intusschen de zware verantwoordelijkheid, die op zijn -schouders rustte, en evenals een zijner vroegere stamgenooten, de -beroemde admiraal de Ruiter, bij hachelijke ondernemingen zijn kracht -zocht in het gebed, zocht deze Boeren-kommandant het ook in het gebed, -en op zijn bevel werd, toen de Kaffers waren vertrokken, een plechtige -godsdienstoefening gehouden. - -De vrome Sarel Cilliers nam op verlangen van Pretorius de leiding van -den dienst op zich, en op den kanonwagen staande, sprak hij aldus: -„Mijne broeders en stamgenooten! Hier staan wij thans voor een heilig -God van hemel en aarde, om een gelofte af te leggen, dat, indien Hij -ons zal beschermen en onze vijanden in onze handen zal geven, zoodat -wij denzelve overwinnen, wij dien dag der zegepraal, dien datum, elk -jaar als een dankdag, zooals een Sabbath, tot Zijne eer zullen -doorbrengen. En wij zullen het ook aan onze kinderen zeggen, dat zij er -met ons in moeten deelen, tot een gedachtenis ook voor onze nakomende -geslachten. Want de eere van God zal er door worden verheerlijkt, dat -Hem de roem en de eere der overwinning wordt gegeven! Doch is iemand -bezwaard, om in dat verbond te treden, die verwijdere zich!” - -Hij keek met zijn vriendelijke oogen de vergadering rond, en wachtte -even, of iemand zich zou verwijderen. Doch niemand ging. Allen waren -begeerig, om in dit verbond te worden opgenomen, maar een heilige -vreeze zal wel door aller ziel zijn gegaan, toen hij, zijn handen -priesterlijk uitbreidend naar den hoogen, in naam van dit volk een -plechtig verbond sloot met den Koning der koningen. - -Dit verbond werd elken avond vernieuwd, en de Boeren voelden er zich -wonderlijk door versterkt. - - - -Van vlugge boodschappers heeft Gert Kloppers vernomen, dat Pretorius -met zijn kommando in snelle tochten voorttrekt, het zuidoosten in, en -de gewichtige tijding, dat de Zoeloe’s van het naderen der Boeren zijn -verwittigd, en hunne rookseinen reeds van de toppen der bergen zijn -gezien, doet een spoedig gevecht verwachten. - -Doch verscheidene dagen zijn er sedert die laatste tijding verstreken, -en Gert Kloppers heeft niets meer vernomen. - -Van den naasten heuvel heeft hij een soort observatiepost gemaakt, en -daar staat hij nu weer met Ouderling de Jong en Barend Jansen naar het -oosten te turen. Floor en Willem zijn al heel vroeg uitgereden, om het -een of ander nieuws op te sporen, maar ’t is al bijna middag, en nog -zijn ze niet thuis. - -In de verte ziet Kloppers nu toch iemand naderen; ’t is een Griqua. De -Boeren houden hem aan. - -„Hebt ge iets van den oorlog gehoord?” - -„Ik heb vernomen, dat er een groote slag is geleverd.” - -De Boeren spitsen hun ooren. - -„En hoe is ’t afgeloopen?” - -De Griqua haalt de schouders op: „Ik weet het niet.” - -De Boeren doen hem honderd vragen, maar meer weet hij niet, dan dat er -een groote slag is geleverd. ’t Is schraal nieuws. - -Tegen den middag komen er twee Kaffers voorbij. Zij bevestigen het, dat -er geducht is gevochten. - -„Er moeten veel Zoeloe’s gesneuveld zijn,” zegt de grootste. - -„Ja, dat denk ik ook wel,” zegt Barend Jansen, terwijl hij aan zijn -ruigen baard trekt. - -„En de Boeren moeten woest hebben gevochten,” zegt de kleinste. - -„Dat betwijfel ik evenmin,” zegt Barend Jansen, „maar vertel nu eens, -wie heeft het gewonnen?” - -Ja, dat wisten ze niet, maar ze geloofden wel van de Boeren. - -Veel wijzer waren de Boeren van die berichten nog niet geworden, maar -de geruchten waren ten minste gunstig, en dat was al vast iets. - -Zij bleven op hun observatiepost, maar er kwam geen mensen meer in ’t -zicht. - -„Geen tijding goede tijding, zullen we maar denken,” zeide Gert -Kloppers, ofschoon hij ongeduldig heen en weer liep. - -Tegen den avond kwam eindelijk Floor opdagen. Hij had een Griqua aan -zijn zijde, de man bereed een os. ’t Was een vreemd gezicht: een -ossenruiter naast een paardenruiter. - -Het gelaat van Floor stond waarlijk niet vroolijk. Strak en ernstig -stonden zijn trekken. - -„Dat is slechte tijding,” zeide Kloppers. - -De anderen zeiden geen woord. - -Kloppers had juist gegist. - -„Ik heb een Zoeloe-krijger gesproken,” zeide de Griqua, „die den slag -heeft meegemaakt. Hij deelde mij mee, dat de Zoeloe’s de Boeren in een -hinderlaag hadden gelokt, waar dezen niet uit konden. Zij hadden als -leeuwen gevochten en honderden Zoeloe’s doodgeschoten, maar eindelijk -werden ze overmand en de meesten sneuvelden. Ook de generaal is -gesneuveld.” - -„Hoe heet de generaal?” vraagde Kloppers. - -„Ik heb den naam hooren noemen, maar hij is me ontgaan.” - -„Heet hij Landman?” - -De Griqua schudde van neen. - -„Jager?” - -De Griqua schudde weer. - -„Pretorius?” - -„Ja, Pretorius, zoo heet hij.” - -Toen verbleekte Kloppers, maar Barend Jansen klemde de tanden op -elkaar. - -„’t Zou vreeselijk zijn—”, zeide Kloppers. - -„Als ’t waar is,” zeide Barend Jansen. - -In de pijnlijkste onzekerheid liep de dag ten einde. Willem was niet -gekomen. - -Slechts één persoon in het geheele lager stond in het geloof, dat de -slag was gewonnen. Die persoon was een vrouw. Die vrouw was de vrouw -van Kloppers. - -„God heeft ons de overwinning gegeven,” zeide zij. - -„Wie heeft u dat gezegd?” vraagde een verstandige, voorzichtige Boer. - -„Dat heeft de Heere mij geopenbaard,” zeide ze. - -De Boer haalde de schouders op. - -„In die zaken moet men zeer behoedzaam zijn,” zeide hij; „hoeveel -droevige vergissingen hebben christenen op dat punt gemaakt!” - -„Maar ik vergis mij niet,” zeide zij. - -Zij was van haar punt niet af te brengen; zij stond in een onwankelbaar -geloof. - - - -Bij het krieken van den dageraad stonden weer een tiental Boeren op den -uitkijk. - -Wijd, wijd in de verte zagen zij eene kleine zwarte stip.... - -Nu was ze verdwenen; maar het volgende oogenblik was ze weer zichtbaar. - -Zij naderde snel. - -„We zullen ’t gauw weten,” zeide Kloppers, „wie ’t is.” Hij zette zijn -valkenoogen wijd open. - -„’t Is Willem,” riep hij plotseling; „er is geen twijfel aan, ’t is -Willem—maar hij rijdt als een dolle; hij zal den Vos nog -doodrijden—kijk, daar gaat hij den heuvel af—het paard zal de pooten -nog breken bij dien woesten rit—nu is hij verdwenen in de vallei—daar -is hij al weer op den volgenden heuvel—hij zwaait met het geweer—dat is -een goed teeken—hij roept—ik kan hem niet verstaan—ik houd het hier -niet langer—voorwaarts!” - -De tien Boeren, Kloppers voorop, liepen den ruiter tegemoet. - -Hij stond in de stijgbeugels, en hij zwaaide aldoor het geweer boven -zijn hoofd, en hij riep met zijn frissche, heldere stem: „Hoera! -Overwinning en zegepraal!” - -De Boeren waren zich zelve niet bij deze heugelijke tijding. - -Zij namen hun hoeden, en zwaaiden ze; zij namen hunne geweren en losten -vreugdeschoten—Hoera! Overwinning en zegepraal! - -Nu was Willem bij de Boeren aangekomen. - -„Het leger van Dingaan is geducht geslagen; waarschijnlijk is ons -kommando reeds zijn hoofdstad binnengedrongen. Het vierde gedeelte van -het Kafferleger ligt dood op het slagveld.” - -Zoo luidde Willem’s kort, bondig rapport. - -„Van wien weet ge ’t?” vraagde zijn vader. - -„Van den Hottentot, die door Dirk met een brief aan ons is afgezonden.” - -„Een brief? Waar is de brief?” - -„Hier,” zeide Willem, terwijl hij een pakje, in een stuk buffelleer -gerold, overhandigde. - -„En waar is de Hottentot?” - -„Ik heb hem achtergelaten; het schepsel kon me niet bijhouden.” - -Ouderling de Jong zou, als de geleerdste, den brief ontcijferen, die op -verscheidene dikke, grauwe repen papier was geschreven. De letters -waren echte hanepooten, maar de Jong kreeg het kunststuk klaar, en -ontcijferde die wonderlijke hieroglyphen. - -De brief luidde aldus: - - - Maandag, 17 December 1838. - -Geliefde Ouders, Broeders, -Vrienden en Bekenden! - -Wij, Afrikaansche Boeren, hebben het nu met Gods hulp zoover -overwonnen. De Zoeloe’s hebben ons gisteren morgen met hunne duizenden -aangevallen, maar wij hebben hen overwonnen. Ons kommando was sterk -vier honderd vijftig man. Van onzen kant is niemand gevallen, en -slechts drie menschen gekwetst, namelijk onze generaal, Flip Fourie en -Gert Raads, maar die kwetsuren zijn van lichten graad. Van de Zoeloe’s -zijn gevallen ruim zesduizend man. Wij hebben ons nu gewroken op onze -vijanden, Vader; de Heere gaf hen in onze hand. En Teunis de -leeuwenjager heeft ook vreeselijk gevochten; hij heeft gevochten als -een woedende leeuw. Bart Pretorius was haast geen mensch; enfin wij -hebben allen ons best gedaan. - -Onze dappere generaal heeft gezegd; Jongens je hebt Dingaan nu een -flink pak slaag gegeven, maar nu moeten jullie hem nog een flink pak -geven. En nu gaan wij op zijn hoofdstad aan, maar het moet maar een -krot zijn, zooals Teunis de leeuwenjager zegt. Lieve Ouders, de Heere -heeft den vijand in onze hand gegeven, en wij komen dankensstof te -kort. Hij heeft ons wonderlijk geholpen. Ouderling Sarel Cilliers zegt, -dat hij tegen ieder wil volhouden, dat God eerst een volk in de laagte -drukt, opdat het zich zal verootmoedigen voor Hem, en dan er weer -uithelpt. Hij kan dit ook heel netjes uit de geschiedenis van het Oude -Testament bewijzen. En hij beweert ook, dat wij nu maar de instrumenten -in des Heeren hand zijn, om het veel onschuldig vergoten bloed te -wreken. En dus den Heere komt al de eere toe en niet ons. Ik ben nog -fiksch en gezond, maar ik kan beter schieten dan schrijven. Enfin, wij -zullen er verder maar het beste van hopen. Weest nu allen gegroet. Ik -eindig met de pen, maar niet met mijne gedachten. Ik denk veel aan -jullie, en ik hoop, dat wij elkander in gezondheid weer mogen zien. - - Weest nogmaals gegroet - - van Uw liefhebbenden Zoon, - Broeder en Vriend, - - Dirk Kloppers. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXIII. - - -Den historischen draad, bij Danskraal losgelaten, nemen wij weer op. -Pretorius zorgde er voor, geen vijandelijke Zoeloe’s achter zich te -laten. Hij wilde in den rug veiligheid hebben; dan waren de -achtergebleven vrouwen en kinderen van zelve veilig. Hij stootte de -vijanden dus op, en joeg hen voor zich uit. Zoo tastte hij met honderd -vijftig man den Zoeloekapitein Joob, een van Dingaan’s bevelhebbers, -aan, die tusschen de Zondagsrivier en de Tugela-rivier woonde, en dreef -hem met zijn stam terug, waarbij de Boeren honderd stuks slachtvee -bemachtigden, die hun uitnemend te pas kwamen. - -Den 11den December werd de Buffelrivier overgetrokken, en tegen den -nachtelijken hemel zag men thans de vuurseinen des vijands. - -Men kon zich nu op ernstige gebeurtenissen voorbereid houden, en -Zaterdag 15 December trok een sterke wacht onder bevel van Hans de -Lange uit, om den weg te verkennen. - -De Boeren hadden een rit van anderhalf uur achter zich, toen zij vijf -Zoeloekrijgers ondekten, die in vluggen draf voor hen uitliepen. - -Het waren spionnen van Dingaan, die den voorgaanden nacht het -Boerenlager hadden bespied, en de Boeren, begeerig om deze gevaarlijke -sluippatrouille in handen te krijgen, gaven hun paarden de sporen, om -hen te vervolgen. Maar hun pogingen mislukten, en op den berg Ngoutou -komend, zagen zij beneden zich in de diepte plotseling het leger der -Zoeloe’s. - -Het was geen aangename ontdekking, want men was tamelijk ver van het -lager, en de Zoeloe’s begonnen onmiddellijk den berg te bestormen. - -Maar de Lange behield zijn koelbloedigheid, en terwijl twee -rapportgangers terug joegen naar het Boerenkamp, om de nadering des -vijands te berichten, liet hij zijn manschappen bedaard zwenken. - -Pretorius was in het lager, toen hem de tijding gewerd; hij liet door -het kleine kanon onmiddellijk noodschoten lossen, om de patrouilles, -die in den omtrek zwierven, te waarschuwen, en terwijl Piet Moolman met -honderd man moest achterblijven, om het lager in orde te brengen en te -dekken, trok Pretorius aan het hoofd van drie honderd zestig man tegen -het Kafferleger op. Onderweg kreeg hij voeling met Hans de Lange, die -zich nu met hem vereenigde, en het kommando in afdeelingen van vijftig -man splitsend, liet Pretorius deze in tusschenruimten van ongeveer -vijftig pas manoeuvreeren, om den Zoeloe’s een grooten indruk te geven -van den Boerenmacht. - -Maar het Zoeloeleger hield halt en bleef onbewegelijk staan als een -hangende, dreigende donderwolk. Zoo gaf Pretorius dan bevel om terug te -keeren, en diep onder den indruk van den ernstigen toestand reden de -Boeren naar hun lager terug. - -Er werd een bidstond gehouden, en zelden is er wel dringender gebeden -dan op dien Zaterdagavond. - - - -Met bijzondere zorg was de legerplaats gekozen, want het lager werd aan -de achter- en de rechterzijde gedekt door veertig voet diepe, naar het -lager steil oploopende kloven, zoodat het kamp slechts aan den voor- en -linkerkant kon worden bestormd. - -Het lager was twee honderd voet in het vierkant. Behalve door de -paarden werd deze ruimte nog gedeeld door acht honderd trekossen. - -Niemand ging slapen; met den bandelier omgegespt en het geweer geladen, -zaten de Boeren in groote troepen, zacht met elkander fluisterend, bij -de zwak onderhouden vuren. - -Schildwachten werden er niet uitgezet. Het kon niet. Zij zouden bij een -snellen aanval der Zoeloe’s niet tijdig in het lager hebben kunnen -komen, dat door schanskorven en palen hermetisch was afgesloten. - -Op vijftig pas afstands voor het lagerfront waren zweepstokken -ingeplant, waaraan lantaarnen waren bevestigd. De lantaarnen bewogen -zich langzaam in den nachtwind, die over de golvende vlakte streek, en -bij het matte schijnsel van hun licht zouden de Boeren de -sluippatrouilles van den vijand beter kunnen ontdekken. - - - -Het Zoeloeleger trok nu op, om het lager te vermeesteren en de Boeren -uit te roeien. Maar God de Heere waakte over de Boeren en zond een -zwaren mist, die als een ondoordringbaar kleed het lager omgolfde. - -Eerst met het krieken van den dag trok de nevel op, en werden de Boeren -in de verte de snel naderende drommen van den vijand gewaar. In -gesloten gelederen, als een wilde, brullende zee kwamen zij, gedekt -door het groote, leeren schild, aanstormen, maar toen zij tot op -veertig pas afstands waren genaderd, werden zij ontvangen door het vuur -van vier geduchte salvo’s. - -Het gebrul was nu verstomd, en toen de zware kruitdampen, die den -omtrek met een ondoordringbaren sluier hadden bedekt, langzaam -optrokken, was de omtrek van het lager tot op vijf honderd pas afstands -schoongeveegd, en slechts gewonden, dooden en stervenden vulden de -tusschenruimte aan. - -De voorhoede van Dingaan’s leger bestond niet meer. Het inderdaad -moorddadige vuur der Boeren, wier geweren ook dezen keer met loopers -waren geladen, had haar weggemaaid als de sikkel de rijpe korenhalmen. - -Op zoo’n vreeselijke ontvangst hadden de Zoeloe’s dan ook niet -gerekend, en zij draalden met een nieuwen aanval. Toen werd het groote -lagerhek ontsloten, en Bart Pretorius trok met acht ruiters uit het -lager, reed over het bloedige slagveld heen, naderde het Zoeloeleger -tot op een speerworp afstands, en terwijl hij de roode bloedvlag liet -wapperen, riep hij de Zoeloe’s op ten strijde, als het mannen waren en -geen lafaards! [12] - -In onbeschrijfelijke woede sprongen de Zoeloe’s bij deze tartende -woorden op, en vast besloten, dezen keer het lager omver te rennen, -bestormden zij het opnieuw. - -Ook dezen keer liet Pretorius hen tot op veertig pas afstands naderen; -toen donderden hen opnieuw vier salvo’s tegen. - -De Zoeloe’s moesten terug; tegen dien vuurspuwenden berg kon niemand -op; in die vuurlijn kon geen schepsel zich bewegen en leven. - -Zoo was dit gevaar voorloopig geweken, doch thans braken de acht -honderd in het lager opgesloten trekossen, door het vreeselijk vuren -opgeschrikt, los, en dreigden den lagermuur van binnen uit door te -breken. - -Het was het hachelijkste oogenblik van den slag. - -De Zoeloekapiteins bemerkten de wanorde in het lager, en gaven -onmiddellijk bevel tot een derden storm. Doch de Zoeloe’s weifelden; al -te geweldig was het vuur van de Boeren geweest, en de orde in het lager -werd gelukkig hersteld. - -Op nieuw trok Bart Pretorius nu met zijn acht vermetele kameraden uit, -liet de bloedvlag wapperen en daagde de Zoeloe’s andermaal ten strijde, -als het mannen waren en geen lafaards! - -Doch dezen keer bewoog zich geen Zoeloevoet, en geen Zoeloekreet werd -gehoord. - -„Zij schijnen geen trek meer te hebben om tot ons te komen,” zeide -Andries Pretorius, de kommandant, „laten wij tot hen gaan!” Zoo liet -hij dan snel opzadelen en joeg met zijn mannen tegen de Zoeloe’s in, -wier moed gebroken was. Zij weken terug, maar de Boeren waren snel -achter hen. - -Hoe de kogels floten! - -Hoe de groote Zoeloemoord werd gewroken! - -De Zoeloe’s spatten uiteen als glasscherven tusschen hamer en aanbeeld, -en eerst, toen de Boeren tot de reserve des vijands waren -doorgedrongen, kwam het gevecht tot staan. - -Deze reserve bestond uit de regimenten der witte schilden, keurtroepen, -die ten minste een poging waagden, om de Boeren terug te werpen. Maar -de Boeren schoten een gapende gleuf in hun rijen, drongen snel als de -wind in die opening, en van nu af werd het gevecht een ware slachting. - -Intusschen waren vijftig Boeren achtergebleven, want de twee diepe -kloven, de zoogenaamde „slooten” aan den achter- en rechterkant van het -lager, waren vol Zoeloe’s, die zich hier in hinderlaag hadden gelegd, -om het kamp in een onbewaakt oogenblik te overrompelen. Ze stonden zoo -dicht opeen gepakt, dat ze moeilijk den arm konden bewegen om een speer -te werpen. - -De vijftig Boeren begonnen nu op deze dicht opeen gehoopte massa te -vuren. Het was geen strijd, maar een executie. De Boeren hielden een -verschrikkelijke, maar rechtvaardige afrekening. - -De vluchtende Zoeloe’s sprongen intusschen in de rivier, en de Boeren -hebben deze rivier „Bloedrivier” genoemd, omdat hare wateren rood -werden gekleurd door het Zoeloebloed. - -Aan de „Bloedrivier” werd het verraad van „Moordspruit” viervoudig -gewroken, en tot op den huidigen dag wordt door de Zoeloe’s het water -dezer rivier niet gedronken. - -Eerst toen de ammunitie opraakte, keerden de overwinnaars terug naar -hun lager, en hielden een plechtigen dankstond. - -Er was reden voor. - -Dit was de slag aan de Bloedrivier, waar de Boeren den 16den December -1838 op een veertigvoudige overmacht een schitterende overwinning -behaalden. Deze dag werd sedert de Dingaansdag genaamd, en wordt telken -jare in de Transvaal godsdienstig herdacht. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXIV. - - -Reeds den volgenden dag werd opgebroken, en zetten de Boeren hun -zegetocht voort. Voor hen uit ging de schrik, en achter hen volgde het -vuur. Dingaan’s kralen [13] gingen in vlammen op, doch vrouw noch kind -werd eenig leed gedaan. - -Zoo kwam men tot op een half uur afstands van Dingaan’s hoofdstad. Hier -werd het lager opgeslagen, en Pretorius reed aan het hoofd van drie -honderd mannen de stad in. - -Maar het vuur was hen voor geweest, en zware rookwolken hingen boven -het paleis van den koning, die zijn eigendommen aan de vlammen had -prijsgegeven. - -Stil, doodsch en verlaten lag de stad; er was geen levend schepsel te -zien. - -Op den moordheuvel nabij de hoofdstad werden de overblijfselen gevonden -der verraderlijk vermoorde Boeren. Een rilling ging door de gelederen -der overwinnaars, toen zij die plaats bereikten. Hièr vond een zoon -zijn vermisten vader, dàar een broeder zijn vermisten broeder onder de -door aasvogels en wild gedierte geschonden lijken weer. - -Piet Retief werd herkend aan zijn kogeltasch, en bij zijn gebeente lag -het officiëele dokument, behelzende de Acte van Afstand van Natal aan -de Boeren. Het dokument was in spijt van wind en regen, die er over -heen was gegaan, nog volkomen leesbaar. - -Met diepen weemoed aanvaardden de Boeren de nalatenschap van hun -vroegeren aanvoerder. - -Zij schaarden zich om zijn gebeente, ontblootten hun hoofden, en eerden -hem als hun held en martelaar. - -Daarna werd er een groot graf gemaakt, waarin de overblijfselen der -geliefde dooden werden neergelegd, terwijl God werd gedankt, dat Hij -hun, den overwinnaars, het voorrecht had geschonken, aan hun vermoorde -vrienden en betrekkingen een eerlijke begrafenis te geven, en dit -onschuldig bloed te wreken. - -Met zware klipsteenen werd de groote groeve gesloten, en op tien pas -afstands sloegen de Boeren een nieuw lager op. - -Maar nog een ander gevoel dan dat van weemoed en droefheid bij het -gezicht der geschonden lijken van hunne dierbaarste betrekkingen kwam -boven bij de Boeren. Zij namen een grooten steen, dien zij als een -gedenknaald achterlieten, en waarop deze sobere maar zelfbewuste -woorden waren gebeiteld: „Ik Andries Wilhelmus Jakobus Pretorius, -Kommandant-Generaal, heb met mijne Onder-Kommandanten, Veldkornetten en -Manschappen de hoofdstad van Dingaan, Koning der Zoeloenatie, ingenomen -op den 21en December 1838.” - - - -Had men de Zoeloe’s verslagen, de praktische Boeren wenschten het vee -terug, dat de Zoeloe’s hadden geroofd. Daarom gingen dag aan dag -patrouilles uit, doch men vond geen spoor van vee. - -Men begon den moed reeds te laten zakken, toen een Zoeloe—Bongose -heette de man—aan de Boeren beloofde, hun een groote kudde beesten te -wijzen, die maar voor het nemen was. - -Dit was goed nieuws, en de Boeren hadden er wel ooren naar, om den -Zoeloe als gids te volgen, maar de leeuwenjager vertrouwde de zaak -niet, en de voorzichtige Pretorius zou den Zoeloe zeker niet zijn -gevolgd, indien er bij de Boeren niet zoo’n nijpend gebrek was aan vee. - -De blanken gingen dus, Bongose als gids, op pad, om die kolossale kudde -vee te pakken, maar de leeuwenjager ontving als een gunst den last, om -den Zoeloe onder zijn opzicht te nemen. - -Hij nam den Zoeloe ter zijde, keek hem aan met zijn harde oogen en -zeide zacht: „Kijk Zoeloe, ik heb hier een dolk—voel eens, of hij -scherp genoeg is!” - -„Ik denk het wel,” antwoordde Bongose. - -„Ik heb hem voor jou geslepen, Zoeloe,” hernam de leeuwenjager. „Als -jij ons in een hinderlaag voert, dan zul jij er niet veel plezier van -hebben, Zoeloe, want dan is dèze je voorman!” - -De Boeren volgden intusschen den Zoeloe, en op een berghoogte komend, -strekte dezen den gespierden, zwarten arm uit naar rechts, -triomfantelijk uitroepend: „Daar zijn de beesten!” - -Het was zoo. - -In een vallei, die door een rivier van den berg werd gescheiden, waarop -de blanken zich bevonden, graasde een kudde van minstens twee duizend -beesten, terwijl een dertigtal Kaffers, die aan den voet van den berg -stonden, en dus door de rivier van de kudde waren gescheiden, volgens -Bongose’s beweren de herders waren van die kudde. - -Daar had men dus het begeerde vee, waarnaar de Boeren zoo watertandden! -Doch nooit zouden die Boeren het hebben gewaagd, deze kudde te vangen, -indien de nood er hen niet toe had gedrongen, want de beesten liepen in -een nauwe kloof, van weerszijden begroeid met ruige, voor een -mogelijken vijand uitstekende dekking gevende doornbosschen, en bezaaid -met groote, ruwe klippen, die als zooveel verschansingen voor een -hinderlaag konden dienst doen. - -Daarbij was men diep in een vijandelijk land—er was reden voor, dat de -Boeren aarzelden. Maar Bongose gaf de plechtige verzekering, dat er op -den geheelen aardbodem geen Zoeloe-leger meer te vinden was, en de -Boeren daalden nu, ongeveer driehonderd vijftig man sterk, de paarden -aan den teugel leidend, langzaam van den berg af, terwijl de -Kommandant, die den ouden achterdocht weer voelde opkomen, met de -overige manschappen en het kleine kanon als reserve achterbleef op den -berg. - -Op de nadering der Boeren namen de dertig Kaffers de vlucht, -achtervolgd door de Boeren, die hen nazetten de rivier door. Maar de -rivier maakte hier een korten boog, zoodat de blanken haar nog eens -moesten passeeren, alvorens zij de vallei hadden bereikt, waar de -beesten graasden. - -De Boeren waren nu wat driftig geworden van de jacht en joegen de -vallei in. - -Maar hetzelfde ongeluk, dat het kommando van Hendrik Potgieter en Piet -Uijs had getroffen, werd hùn lot. - -Plotseling sloot zich de vallei van voren en van achteren door een -levenden Kaffermuur, en de Boeren zaten tusschen twee sterke -Zoeloe-kommando’s bekneld. - -Maar Bongose zou niet veel plezier hebben van zijn verraad. - -Voordat hij den wilden strijdkreet der Zoeloe’s kon beantwoorden, werd -hem het koude staal in de borst gestooten. - -„Sterf!” zeide de leeuwenjager, en zijn sterke tanden knarsten op -elkander. - - - -De Boeren waren van hun reserve afgesneden. Zij konden niet terug, want -al te zwaar was de Kaffermuur achter hen. Zoo moesten zij zich naar -voren een weg zien te banen, in tegenovergestelde richting van het -lager. - -Het gelukte, en voor den derden keer kwam men voor de sterk kronkelende -rivier, die opnieuw werd doorgetrokken. - -Thans was het zaak, om in een grooten wijden boog het lager te zien te -bereiken, maar de verwarring, die eens de slagorde van Hendrik -Potgieter had verbroken, dreigde ook dezen keer de Boeren noodlottig te -worden. - -Gelukkig werd ze dezen keer nog gekeerd, en terwijl zestig Boeren in -groote wanorde het open veld injoegen, sloten de overige tweehonderd -negentig zich dicht aaneen, en stapvoets voortrijdend, al ladend en -schietend, trok men langzaam terug. - -’s Morgens te negen uur was het gevecht begonnen, dat onverpoosd werd -voortgezet, want de Zoeloe’s gunden den Boeren geen rust, en de zon had -reeds haar hoogste punt achter zich, toen de blanken langs den zoom van -een bosch een vijandelijke ruiterbende zagen galoppeeren, die het -kennelijk doel had, de Boeren voor te jagen en om te keeren. - -Het was voor de vluchtenden onmogelijk voor te blijven, want de vijand -had versche paarden, terwijl hun eigen paarden, al waren ze taai en -sterk, van den langen rit moede begonnen te worden. - -Er schoot dus niets anders over, dan den teugel te wenden en den -nieuwen vijand op te wachten. - -Het stoute stuk had een volkomen succes. - -De Boeren kegelden met hun lange roeren de zwarte ruiters uit het -zadel, en vingen zooveel mogelijk de onbeheerde paarden op, waarvan er -verscheidene werden herkend als het eigendom van wijlen Piet Retief en -zijn manschappen. - -Nu ging de tocht al retireerende weer voort, maar de Boeren kwamen nu -tot de zeer onaangename ontdekking, dat zich een sterk regiment -Zoeloe’s tusschen hen en het lager had ingeschoven. - -Zoo werden zij opnieuw uit de goede richting gedrongen, en zij moesten -zijwaarts inslaan, om een omsingeling te ontgaan. - -Bij dezen terugtocht kwamen zij echter uit op een steilen, acht à negen -voet hoogen kliprand, met de Zoeloe’s op hun hielen. - -’t Begon er nu al heel leelijk uit te zien voor de Boeren. Zij konden -niet terug, en vóór hen gaapte de diepte. - -Maar er was geen tijd voor beraad, en hun paarden de sporen gevend, -waagden zij den sprong in de diepte, die bijzonder gelukkig afliep, -daar de diepte bestond uit de weeke, zanderige bedding van een zoo goed -als uitgedroogde beek. - -De Boeren haalden nu ruimer adem, maar zij juichten te vroeg, want -plotseling verscheen een regiment Zoeloe’s, dat hier in hinderlaag had -gelegen, en overviel de blanken. - -Vijf Boeren en dertig Natal-Kaffers, die zich bij de Boeren hadden -aangesloten, bezweken hier onder de puntige werpspeer, en het verlies -zou veel ernstiger zijn geweest, waren de Zoeloe’s niet aan het -plunderen der lijken gegaan. - -Zoo hadden de vluchtelingen gelegenheid, een voorsprong van ongeveer -vijf honderd pas op hun vervolgers te krijgen, dien zij ook behielden, -en een bosch voorbijjagend, legde zich daar een afdeeling Boeren in -hinderlaag, die op de flank der vervolgende Zoeloe’s een vernielend -snelvuur opende, dat dezen noopte, om de vervolging te staken. - -Nu eerst hadden de doodelijk vermoeide Boeren gelegenheid, uit het -zadel te springen, en hun brandenden dorst te lesschen. - -De rit en het gevecht hadden geduurd van ’s morgens negen uur tot een -halfuur vóór zonsondergang. Al dien tijd hadden de Boeren niets gedaan -dan rijden, laden en schieten, en zij waren onkenbaar van den -kruitdamp. - -Nu werd weer opgezadeld, totdat men, het lager tot op een halfuur -afstands genaderd, bekende stemmen hoorde. - -Het waren manschappen der reserve, die dezen morgen naar het lager -waren teruggekeerd, om het voor een mogelijke overrompeling te dekken. -Zij brachten versche paarden, en gezamenlijk trok men nu kampwaarts. - -Zoo ontsnapten de Boeren aan den fijn gespannen strik van den loozen -vos, die koning was van Zoeloe-land. - -Den geheelen nacht bleven de Boeren bij uitgedoofde vuren onder de -wapens, elk oogenblik een aanval van den vijand verwachtend. Maar in -plaats van den vijand kwamen te middernacht de zestig vluchtelingen, -die door hun tuchtelooze houding het geheele kommando in gevaar hadden -gebracht, en ontvingen van den bevelhebber een strenge doch verdiende -berisping. - -De Boeren vertoefden nog eenige weken in Zoeloe-land, hadden het geluk, -zes duizend stuks hoornvee machtig te worden, en keerden met den buit -in Januari 1839 naar Natal terug. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXV. - - -Het doel van den veldtocht was bereikt. Dingaan had de zware vuist der -Boeren gevoeld; gewroken was het onschuldig vergoten bloed, en met -dankbare blijdschap werden de overwinnaars door de hunnen begroet. - -Nu was de nacht van ’t lijden voorbij, en het begon licht te worden in -het Oosten. - -Zoo dachten ten minste de Emigranten. Met ijver toog men aan het werk -der kolonisatie. Dorpen werden aangelegd, vlekken uitgemeten, steden -ontworpen. Aan de kust ontstond Durban, een gehucht van eenige leemen -huisjes, thans een wereldhaven, en in het midden des lands, op een -hoogte van 2000 voet, de hoofdstad Pieter-Maritzburg, genoemd naar de -twee aanvoerders der Boeren: Pieter Retief en Gert Maritz. Allengs -verwisselden de Trekboeren nu den zoolang gebruikten ossenwagen voor de -eenvoudig opgetrokken woning, doch in het Noorden, vooral aan de -Tugela- en de Boschmansrivier, waar het lager van Gert Kloppers stond, -was men om de invallende Kafferhorden wel verplicht, voorloopig in -lager te blijven. Doch ook hier hoopte men spoedig het versleten -tentlinnen op te rollen, toen de hemel op nieuw door donkere -onweerswolken werd verduisterd. Dingaan namelijk, de koning der -Zoeloe’s, begon zich weer krachtiger te gevoelen, en bleef -weigerachtig, om de veertig duizend beesten terug te geven, die zijn -soldaten van de Boeren hadden geroofd. Evenmin wilde hij de -oorlogskosten, bedragende honderdtien duizend gulden, betalen. - -De Boeren bereidden zich opnieuw tot den oorlog voor, toen aan -Pretorius werd gerapporteerd, dat er van de zeekust een zonderlinge -karavaan in aantocht was: mannen, vrouwen en kinderen met groote kudden -hoornvee en schapen, een geheele stam van duizenden menschen met al hun -bezittingen, die toevlucht zochten in de schaduw der Boerenvlag. - -Het hoofd van dezen stam, die tot de Zoeloe’s behoorde, heette Panda, -en was een broeder van Koning Dingaan. - -Hij had zich aan het hof van Dingaan voorgedaan als idioot, en was -daardoor aan een anders wissen dood ontgaan. Maar hij wàs geen idioot; -deze zwarte Kafferprins wist terdege goed, wat hij wilde. - -Hij had wettige grieven. Als ouderen broeder van Dingaan kwam hem de -Zoeloe-scepter toe, terwijl slechts weinig maanden geleden zijn stam -door Dingaan verraderlijk was overvallen. - -De Volksraad der Boeren onderzocht de grieven van Panda, en het bleek, -dat hij de waarheid had gesproken. Zoo aanvaardde men zijn -bondgenootschap, dat den Boeren een hulpmacht verzekerde van -vierduizend met werp- en stootspeer gewapende Zoeloe-krijgers. Panda’s -legeroverste was kapitein Nonquaas, terwijl de voorzichtige Pretorius -Panda in schijn als gast doch in werkelijkheid als gijzelaar bij zich -behield. - -Dingaan was intusschen niet op zijn gemak, en daar was reden voor. Zoo -zond hij zijn vertrouweling Tambuza met een eerewacht van driehonderd -man en een geschenk van veertig olifantstanden tot de Boeren, om hen -zachter te stemmen, en de Volksraad liet Tambuza mèt Panda voor zijn -vierschaar verschijnen. Eerst mocht Tambuza spreken, die in vleiende -woorden den roem en de edelmoedigheid der Boeren bezong, doch daarna -stond Panda op, en riep, terwijl zijn neusvleugels zich bewogen, en -zijn zwarte oogen vuur schoten: - -„Weest op uwe hoede, o blanken, en laat u niet verschalken, want -Dingaan duldt geen ander volk naast zich! Gelooft de pluimstrijkende -woorden niet van dezen Tambuza, want Dingaan wil u maar gerust maken, -om u later als de bliksemstraal te overvallen en te vernietigen. Dat is -zijn manier. Eerst maakt hij vrede, en dan stuurt hij plotseling een -groot kommando, om alles uit te moorden! Zoo heeft hij met Piet Retief -gedaan; zoo heeft hij met de Fingoes gedaan; zoo heeft hij met den -vader van Matowaan gedaan, dien hij onverhoeds liet binden en de oogen -uitsteken. Zoo zal hij ook doen met u. Denkt niet, dat zijn -krijgslieden te weinig zijn geworden in getal; zij staan nog zoo dicht -als het gras, dat het veld bedekt.” - -„En wat dezen Tambuza betreft,” ging hij voort, den arm naar den Zoeloe -uitstrekkend, „hij en Umhleha hebben Dingaan aangepord, om Piet Retief -met de zijnen te vermoorden!” - -Panda’s woorden maakten een diepen indruk, en Tambuza werd in -verzekerde bewaring genomen. - - - -Het Boerenleger, dat onder Andries Pretorius Zoeloe-land binnentrok, -bestond uit vijfhonderd man en vijftig ossenwagens. - -Het veldtochtsplan van den kommandant muntte uit door eenvoudigheid: -Panda’s veldoverste Nonquaas zou met zijn vierduizend krijgslieden van -uit het zuiden, de Boeren van uit het noorden Zoeloe-land -binnendringen, op een bepaald punt elkander de hand reiken, en aan -Dingaan’s macht voor goed een einde maken. - -Op het hoofd van den koning-moordenaar werd een prijs van vijftig, op -dat van Umhleha een prijs van vijf en twintig beesten gezet, terwijl -Tambuza den tocht in boeien moest medemaken. - -Den 29sten Januari 1840 kwamen de Boeren aan de hooggezwollen -Buffelrivier, bereikten, terwijl de wagens diep door het water der -drift moesten, toch in goede orde den overkant, terwijl het kamp op de -historische plek van den 16den December 1838 werd opgeslagen. - -Zoo naderden het kommando der Boeren en het leger der Panda-krijgers -elkander al meer en meer. Zij vormden wel een groot contrast: de -Panda-krijgers waren half naakt, met kralen en veeren versierd, druk -bewegelijk, hun knotsen opheffend, hun speren zwaaiend en op hun leeren -schilden slaande, terwijl de Boeren op hun taaie, vlugge paarden, het -geweer over den schouder, alle noodelooze vertooning vermeden, en kalm, -sober en nuchter maar vastberaden slechts dit ééne groote doel in ’t -oog behielden: hun slag te slaan met groote kracht. - -Intusschen stootte Nonquaas, Panda’s veldheer, het eerst op de Zoeloe’s -van Dingaan, en spoedig was hij met de vijanden in een bloedig gevecht -gewikkeld. Er werd nauwlijks één schot gelost, maar de lange werpspeer -suisde door de lucht, straks vervangen door de korte stootassegaai en -de staalharde knots, die onder een helsch gebrul hun vreeselijk werk -verrichtten. - -Intusschen stonden twee Zoeloe-kapiteins, die aan Pretorius hunne hulde -en onderdanigheid hadden betuigd, en als Panda’s bondgenooten mee waren -opgetrokken, met hun volk zijwaarts van het slaggewoel, en volgden met -groote belangstelling de wisselingen van het gevecht. - -„Als ik vecht,” zeide de jongste der twee, na een lange pauze, „dan win -ik het graag, en als wij onze bondgenooten, de Panda’s, helpen, dan -verliezen wij ’t. Zooveel verstand heb ìk wel van vechten.” - -„En in plaats van winnen krijgen wij dan Dingaan’s lieve jongens aan -onzen hals,” zeide de oudste. - -„Daarom zou het wel zoo verstandig zijn, Dingaan te helpen,” zeide de -jongste. - -„Als hij ons uit dankbaarheid maar niet aan de assegaai rijgt,” zeide -de oudste. - -„Wees gerust! Wij worden zijne eerste staatsdienaren,” zeide de -jongste. - -„En de Boeren?” zeide de oudste. - -„Die zullen wegblijven en naar huis gaan,” zeide de jongste. - -„We willen ’t hopen,” zeide de oudste. - -„Maar nu zal ’t tijd worden,” liet de oudste er op volgen, „laat ons -oprukken! De Panda’s zullen al heel vreemd staan te kijken—voorwaarts!” - -De Panda-krijgers hadden tot op dit oogenblik met onmiskenbare -dapperheid gestreden, doch tegen het verraad konden zij niet op, en de -langzame, geregelde terugtocht dreigde plotseling in een wilde vlucht -te ontaarden. - -Doch zoover kwam het niet. Dingaan vreesde oogenschijnlijk een -hinderlaag der Boeren, en de vervolging werd spoedig gestaakt. - -Intusschen zond Pretorius twee verspieders uit, om Panda’s leger op te -sporen, die, om Dingaan’s aandacht te ontsnappen, slechts des nachts -mochten rijden. Zij brachten de tijding, dat Nonquaas reeds met de -Zoeloe’s was slaags geweest, met verlies was teruggeslagen, doch -desniettegenstaande in staat was, zich op een nader te bepalen punt met -het Boerenkommando te vereenigen. Dit punt werd door Pretorius aan -Nonquaas opgegeven, maar in plaats van de Panda’s, die hij er meende te -treffen, stootte Pretorius op de nog ongehavende regimenten van koning -Dingaan. - -Niet ver van zijn hoofdstad werd zijn lot beslist. De koning zelf -voerde zijn leger aan. Hij had een slechten nacht gehad. Had hij in den -droom de schimmen gezien der vermoorde Boeren? Hadden zij hun -ontvleeschde handen uitgestrekt en hem naar de keel gegrepen? - -Zijn blik was onrustig. Bange voorgevoelens vervulden zijn ziel, en -zijn knieën knikten als die van Belzazar, toen deze de geheimzinnige -hand aan den wand het doodvonnis zag schrijven. - -Maar Dingaan vermande zich, gaf het teeken tot den aanval, en nog eens -deed zijn stem de vroegere geestdrift ontvlammen in de harten van zijn -veteranen. - -„Daar komen de witmenschen,” riep hij, „maar wij zullen hen overwinnen! -Wij hebben hen gelokt diep in ons Zoeloeland, en niemand hunner zal -ontsnappen! Ben ik niet de leeuw van het land der vele rivieren? Heb ik -niet Piet Retief verslagen met zijn knechten, en Piet Uijs met zijn -knechten, en Biggar met zijn duizenden? Wij zullen hen andermaal -overvallen als een vuurvlam, die niet te keeren is, en hun lichamen tot -spijze geven aan den roofvogel hoog in de lucht, en aan het wild -gedierte, dat in diepe holen huist!” - -Doch de witmenschen, die hij zou bestrijden, waren plotseling -verdwenen. De Zoeloe’s stonden voor een vijand, die zich onzichtbaar -had gemaakt, en hun speeren gierden doelloos door de lucht. Doch nu en -dan, van achter een klip, een struik, een boom werd een klein -rookwolkje zichtbaar, en stortte een Zoeloekrijger dood voor den grond. -De rookwolkjes vermenigvuldigen zich; nu zag men ze van voren, rechts, -links, en slechts de knal van het Boerengeweer verbrak de stilte. - -Koning Dingaan hoorde het fluiten der kogels, en hij zag met starren -blik, welke verwoestingen zij aanrichtten. Hij wilde dien vijand te -lijf, doch die vijand bleef onzichtbaar. Hij stond tegenover een -vreeselijken, geheimzinnigen, onweerstaanbaren vijand—zijn dapperste -veldheer stortte dood aan zijn voeten neer—de vale angst greep hem -aan—de wrekers van het onschuldig vergoten bloed waren gekomen—hij -keerde zich om en vlood om zijns levens wil! - - - -Vernietigd was het leger van den Zoeloekoning, en gebroken de -toovercirkel, waarin zich deze bloedhond bewoog. - -Pretorius liet nu den Kafferprins Panda en zijne voornaamste hoofden -voor zich komen, en terwijl zijn Boeren in volle uitrusting: den -bandelier over de borst en het geweer over den schouder moesten -aantreden, om getuigen te zijn, sprak hij het volgende: „Wij blanke -Boeren hebben, zooals gij het met uw eigen oogen hebt gezien, over den -wreeden Dingaan gezegepraald, zijn scepter gebroken en veel onschuldig -vergoten bloed gewroken. Maar wij hebben dit niet gedaan door onze -eigen kracht, maar in de kracht des Heeren, Die ons genadiglijk hielp. -Nu heb ik, in naam van onzen Volksraad, goedgedacht, om u Panda te -benoemen tot koning of opperhoofd over Zoeloe-land, u als onzen grooten -bondgenoot te aanvaarden, en uwe vijanden als onze vijanden te -beschouwen. Nooit zult gij zonder onze toestemming mogen oorlog voeren; -gij zult geen bloed vergieten noch van den blanke noch van den -kleurling, en wij zullen u steeds handhaven tegen iedereen.” - -Diep bewogen luisterde Panda; hij was getroffen door de edelmoedigheid -der Boeren, boog het hoofd en antwoordde: „Groote Heer! Ik ben door -eeuwige dankbaarheid aan u verknocht, want gij hebt mij verlost van de -dwingelandij, waaronder ik jarenlang als een verstooteling heb gezucht. -Ik zal uwe voorwaarden vervullen, en geen bloed vergieten van blanke of -kleurling, zoolang de zon en maan hun schijnsel zullen geven. Wordt gij -aangetast door de vijanden, dan zal ik u bijstaan met mijn geheele -macht, en mijn laatsten man voor u wagen, want zie, ik was dood, en gij -hebt mij weder levend gemaakt! Ik was verschopt, en gij hebt mij weder -opgeraapt!” - -Nu werd er een behoorlijk, in duplo geteekend contract opgemaakt, -geteekend eenerzijds door Pretorius en eenige der voornaamste Boeren, -en anderzijds door Panda en zijn kapiteins, waarbij Panda onder de -opperhoogheid der Boeren tot koning over Zoeloe-land werd -geproklameerd, terwijl de Boeren vreugdesalvo’s losten. - -Vervolgens hielden de Boeren een streng doch rechtvaardig gericht over -Tambuza, Dingaan’s eersten staatsdienaar. Zijn aandeel aan den moord op -de Boeren werd klaar bewezen en hij werd tot den kogel veroordeeld, -waarna de Boeren met een buit van veertigduizend beesten, die hun van -de Zoeloe’s toekwamen, in zegepraal terugkeerden naar hun lagers in -Natal. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXVI. - - -Slechts door een kleine groep getrouwen vergezeld, was koning Dingaan -nu dicht bij de grenzen gekomen van zijn rijk. - -Hij had zich nedergezet tegen den stam van een wilden kastanjeboom, -dicht bij een gehavende veldtent, die men voor hem had opgeslagen. - -Hij wierp een langen blik naar zijn verloren koninkrijk, en balde -toornig de vuist. - -„Waar is het regiment der witte schilden,” riep hij na een wijle, -„waarmede ik zoo menigmaal de slagorden van den vijand heb -verbrijzeld?” - -„Zij zijn uiteengestoven,” antwoordde Toelma, een zijner dienaren, „en -hun hart is geworden als water.” - -„En de zwarte en de blauwe schilden—waar zijn zij?” - -„Zij waren niet bestand, o koning, voor het aangezicht der witmenschen, -en zij versmolten van vrees.” - -Nu stond de koning op, en trad uit de schaduw van den kastanjeboom in -het heldere licht der morgenzon, terwijl de even wreede als zinnelijke -trekken van zijn gelaat en de krachtige lijnen van zijn zwaargebouwd -lichaam nu duidelijk uitkwamen. - -Hij staarde naar de verte, Zoeloeland in, en zijn strakke oogen -klaarden op, toen hij in de verte boven het lange, golvend Tamboekigras -den Zwarten kroeskop van een Zoeloe ontdekte. - -In een snellen draf doorliep de Zoeloe den afstand, die hem scheidde -van den koning, wierp zich voor hem ter aarde, stond toen op en kruiste -zwijgend de armen over elkander. - -„Spreek Malowa,” zeide nu de koning, „zijt gij een brenger van goede -tijdingen?” - -„Uwe zon heeft zich verduisterd, o koning,” antwoordde de Zoeloe. „Er -zijn vele honden opgestaan in Zoeloeland, en zij bassen tegen den -gewonden leeuw.” - -„Maar de leeuw zal genezen, Malowa,” zeide de koning, „en zijn klauw -zal de honden verscheuren!” - -„Uw regimenten zijn verstoven als kaf voor den wind, o heer,” hernam de -Zoeloe, „of zijn overgeloopen tot uw broeder, tot Panda!” - -„Noem mij den naam niet van dien vervloekte,” schreeuwde Dingaan, en -hij knarste woedend op zijn tanden. - -„Ik heb hem gezien, o koning,” zeide de Zoeloe,—„het zwart in zijn -oogen—ik had de werpspeer reeds gereed—” - -„Indien uw speer zijn adem had afgesneden, Malowa,” riep de koning, „ik -zou u met goud en elpenbeen hebben omhangen!” - -De Zoeloe zweeg een oogenblik. - -„Hebt gij ’t soms gedaan?” ging de koning voort op gedempten toon, -terwijl de haat zijn oogen deed fonkelen. - -Malowa schudde het hoofd. - -„’t Is niet mijn schuld, o koning, dat de geest des levens nog boven -hem zweeft. Ik had mij strikt gehouden aan uw orders, en mij laten -inlijven bij het leger van Panda. Dag en nacht heb ik zijn tent -begluurd, maar ik moest voorzichtig zijn, want reeds had ik de aandacht -getrokken van een witgezicht—men noemde hem den leeuwenjager—die mijn -gangen naging, en mij naspeurde met zijn harde, strenge oogen. En toen -ik meende een goede kans te hebben, en mijn hand reeds de assegaai had -gegrepen, waarschuwde hij den Kafferprins, en slechts door een snelle -vlucht redde ik mij van zijn kogel.” - -„Waar is mijn vee?” vraagde Dingaan, „mijn duizenden ossen?” - -„De Boeren hebben ze genomen, o koning!” - -„En waar is Tambuza?” - -„Zijn gebeente ligt te bleeken op de gerechtplaats, bij uw hoofdstad!” - -Weer hoorde men het knarsen der tanden. - -„Malowa,” brulde de koning met schorre stem, „breng mij mijn -regimenten! Mijn regimenten, Malowa!” - -Hij stampte op den grond, en gaf eene zijner vrouwen, die naast hem -hurkte, een schop. - -Hij balde de vuist en hief den arm dreigend omhoog. - -„Hoe zal ik mij wreken!” schreeuwde hij. „Ik zal de vrouwen en kinderen -der Boeren levend spiesen op scherpgepunte palen, en de Boeren—ha! Ik -zal mij wreken, dat er de latere geslachten nog van zullen beven!” - -Hij wachtte een oogenblik, want een snelvoetige Zoeloe naderde. - -„Wat hebt gij, Utuzi?” - -„Vlucht, o koning, vlucht!” - -„Vluchten, ellendeling? Ik wil strijden! Ik heb Moselekatse, „den -Grooten Olifant”, de tanden gebroken—sla op het koningsschild, Malowa, -en roep mijn regimenten op ten strijde tegen den vreemdeling!” - -Malowa zweeg, want hij vreesde, dat de duistere machten van den afgrond -het verstand hadden beneveld van zijn gebieder, maar Utuzi riep -gejaagd: „Vlucht, o koning, want de Boeren zitten u op de hielen—ik heb -reeds den hoefslag gehoord van hun snelle paarden, en de groote -leeuwenjager rijdt aan hun spits! Zie, ginds worden zij reeds zichtbaar -op dien hoogen bergrug—vlucht, o koning!” - -Inderdaad werden in de verte een groep van minstens veertig ruiters -zichtbaar, die nauwkeurig den omtrek schenen op te nemen, en bij dit -gezicht kwam de koning plotseling tot bezinning. - -„Snel,” riep hij, „te paard!” - -„En over de grenzen!” zeide Malowa. - -„Over de grenzen!” herhaalde de koning, en hij steunde als een gewonde -ever. - -„Als de blanken ons ten minste niet inhalen!” meende Utuzi. - -„Neen,” zeide Malowa, „dat zal niet gebeuren. Geen Boer zal de grenzen -van Zoeloeland overschrijden; trouwens ik weet een pad in het gebergte, -dat geen Boer zal vinden,” en hij ging den kleinen stoet van -vluchtelingen als gids vooruit. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXVII. - - -Op den hoogen bergrug stonden de veertig ruiters. Pretorius was met -zijn hoofdmacht naar huis gegaan, naar Natal, maar deze ruiters zetten -voor eigen rekening de jacht voort op Dingaan, den Zoeloe-koning. Het -was eigenlijk een vermetele onderneming, maar zij volgden in blind -vertrouwen den leeuwenjager, die in deze streken en in het land ten -noorden, het gebied der Amazwazi-Kaffers, weken en maanden had -rondgezworven op de jacht. - -Van hun hoogen observatiepost zagen zij de witte tent des konings, en -zij haastten zich, nu zij zoo dicht het doel der lange jacht waren -genaderd, om snel den berg af te komen. Doch hun paarden hadden wel -vleugels aan hun hoeven mogen hebben, om den koning nog in te halen, en -toen de ruiters, na een grooten omweg te hebben gemaakt, de tent -bereikten, was er van de vluchtelingen niets meer te ontdekken. - -„Had je zwarte gisteren maar geen spijker in den poot gekregen,” meende -de leeuwenjager wrevelig tot Dirk Kloppers, „dan hadden we den -moordenaar nu in de ijzers!” - -„En wij zijn aan den grens van Zoeloeland—wij krijgen hem niet meer!” -meende Tijs de Jong. - -„Waarom niet?” meende de leeuwenjager kortaf. „Zijn de grenzen voor òns -versperd, terwijl ze voor den Zoeloe openstaan?” - -„Doch waar is zijn spoor?” vraagde Lodewijk Jansen; „het lijkt wel, of -de aarde hem heeft opgeslokt.” - -„Ik heb het al,” zeide Dirk Kloppers, die een uitnemend speurder was, -en op eenigen afstand in gebukte houding stond te zoeken. „Hier is de -indruk van de paardenhoeven, en het geknikte gras wijst ons van zelf -den weg.” - -De Boeren, die waren afgestegen en hun paarden hadden gedrenkt, -sprongen nu weer vlug in ’t zaâl, en volgden in snellen rit het nieuw -opgenomen spoor. - -Het was een lust, om hen te zien, die sterke, forsch gebouwde ruiters -met over de borst vastgegespten bandelier en over den schouder geworpen -geweer, als een wervelwind voortjagend op hun sterke, taaie paarden -over de golvende, hobbelende grasvlakte! - -Er werd weinig gesproken; slechts het gehinnik der paarden en hun doffe -hoefslag tegen den harden grond verbrak de stilte. - -Dirk Kloppers was nu de voorste; zijn zwarte hengst scheen nauwlijks -den grond te raken. Maar de vos van den leeuwenjager was slechts een -paardenlengte achter hem, terwijl de anderen op een twintig pas -afstands volgden. - -Dirk Kloppers strekte de hand uit, en wees naar de verte. - -„Dáár, Teunis,” riep hij, „dáár!” - -De leeuwenjager knikte. - -„Dat zijn ze,” zeide hij, en hij drukte zijn vos de sporen diep in de -flanken. - - - -„Utuzi,” zeide de koning, „hoeveel werpsperen bezit gij nog?” - -„Twee, o koning!” - -„Houd ze gereed, en zoo gauw als die voorste, die blonde op het zwarte -paard, in het bereik komt van uw speer, dan slinger ze hem allebei in -de borst!” - -„Eén zal voldoende zijn, o koning; de andere is goed voor dien ruiter -op den goudvos!” - -„Doe wat ik u gebied,” zeide de koning kortaf. - -Nu wendde hij zich tot Malowa, die even als Utuzi te voet was, terwijl -de andere vluchtelingen te paard waren. - -„Malowa, Snelvoetige, spring zijwaarts in het lange Tamboekigras, en -stoot den tweede, dien blanke op den goudvos, als hij in het bereik -komt van uw arm, het breede lemmer van uw stootspeer tusschen de korte -ribben!” - -„O heer,” zeide deze, „dat kan ik niet!” - -„Waarom niet?” riep de koning verwonderd; „is uw arm verzwakt sinds gij -Piet Uijs, die door de blanken de Dappere werd genoemd, den doodelijken -speerstoot gaaft?” - -„’t Is de Onkwetsbare, o koning,” antwoordde Malowa op bijna -fluisterenden toon; „ik heb het onbedriegelijk kenteeken gezien boven -zijn rechter wenkbrauw, en al zouden de wolken boven hem assegaaien -regenen, hij zou toch niet geraakt worden, omdat hij onkwetsbaar is!” - -„Ik zie,” zeide de koning met verachting, „dat de moed versmolten is in -het hart van den zoon van het snuivende rhinoceros, en hij is een laffe -hond geworden, dien men met de kirrie, met den knuppel doodslaat!” - -Maar dit snerpende woord trof den Zoeloe als een vlijm, en zonder een -woord te spreken, sprong hij zijwaarts en verdween in het Tamboekigras. - - - -De goudvos van den leeuwenjager hield zich uitnemend; hij rende nu op -gelijke hoogte met Kloppers’ hengst over de vlakte. - -De afstand, die hen van de vluchtelingen scheidde, kortte nu snel in. - -Dirk Kloppers was opgewonden; ook het hart van den leeuwenjager klopte -sneller, maar deze liet het minder merken. - -Hij richtte zich hoog op in de stijgbeugels, en zijn valkenoog -bespiedde den omtrek, maar een trek van groote teleurstelling werd -plotseling zichtbaar op zijn streng gelaat. - -„Wij moeten Dingaan hebben voordat hij gindsche bergen bereikt,” zeide -Dirk, „want anders ontsnapt hij ons tusschen de kloven en bosschen!” - -„We halen ’t niet,” meende de leeuwenjager. - -Als eenig antwoord gaf Dirk het paard de sporen, en prikkelde het tot -de uiterste krachtsinspanning. - -Hij kwam weer voor den leeuwenjager uit—hij was nu binnen den speerworp -van den Zoeloe. - -Hij zag geen gevaar; hij kende geen ander gevaar dan dit, dat de koning -hem zou ontsnappen. - -Hij maakte een lang werptouw gereed: een soort lazzo. - -„Ik zal hem vangen als een wild beest,” zeide hij, „want het is een -wild beest.” - -Hij lette er niet op: dat Utuzi de Zoeloe zich omkeerde.... dat hij de -werpspeer richtte.... - -Maar de valkenoogen achter hem waakten, en de kogel van den -leeuwenjager was sneller dan de assegaai van den Zoeloe. - -Met doorschoten borst stortte Utuzi neer. - - - -Even lichtte Malowa den zwarten kroeskop op boven het golvende -Tamboekigras, om te zien naar de uitwerking van het schot, maar dit was -zijn ongeluk. Reeds had de leeuwenjager hem ontdekt, en toen Malowa -zag, dat er aan geen vlucht meer te denken viel, sprong hij recht -overeind, en staarde den leeuwenjager aan met wilde, tartende oogen—het -ware beeld van den fieren, grimmigen Zoeloekrijger, die den dood niet -vreest. - -De koning keek om en slaakte een kreet van woede en smart, toen hij -Malowa, den snelvoetige, den zoon van het snuivende rhinoceros, zijn -dappersten krijger, zag vallen. Doch thans had hij de vlakte achter -zich, en snel met zijn overgebleven getrouwen in de met dichte bosschen -begroeide bergkloven verdwijnend, staarden de Boeren hem na als jagers, -wien het opgekeerde wild nog in ’t laatste oogenblik ontsnapt. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXVIII. - - -’t Is inderdaad een merkwaardige groep in die ruime, sombere, vochtige -spelonk. - -Daar, in den hoek, zit de toovenares: Walhoeli. - -Het lange, pikzwarte haar hangt in zware strengen langs het donkere, -gerimpelde gelaat, en de lange kraalsnoeren, die haar om de leden -hangen, rinkelen bij de geringste beweging. - -Zij zit neergehurkt bij een pot, gevuld met water, die boven een -hoogopvlammend vuur is gehangen, terwijl wierookwalmen de spelonk -vervullen. - -Haar oogen gloeien als vuur, en met over elkander geslagen armen staart -zij naar de dampen, die opstijgen uit den pot. - -Zij spreekt geen woord, slechts nu en dan bewegen zich haar lippen, om -tooverspreuken te fluisteren. - -Een veertigtal ruiters staan, leunend op hun lange roeren, voor en in -de spelonk en staren beurtelings naar het vuur, naar de in grillige -vormen opstijgende dampen en naar de toovenares, terwijl op hun -krachtige, door de zon gebruinde gelaatstrekken een zekere spanning -onmiskenbaar is. - -Nog altijd zwijgt de geheimzinnige, raadselachtige vrouw, en uit de -groep Boeren gaat een afkeurend gemompel op. - -„’t Is ’n waarzegster,” roept Dirk Kloppers, „eene echte waarzegster; -wij zijn den strijd met God begonnen—zullen wij hem met waarzegsters -eindigen?” - -„’t Is eene toovenares—eene dochter van de toovenares van Endor,” meent -Tijs de Jong, en hij stoot met den kolf van zijn geweer op den harden -rotsgrond, dat de echo van den stoot dof weergalmt in de diepe grot. - -Maar de toovenares verroert zich niet; met schitterende oogen staart ze -naar de grillige dampen, en zij schijnt in die dampen een vizioen te -lezen. - -De leeuwenjager staat vlak naast haar; met ongeduldige gebaren kijkt -hij haar aan, maar nog bedwingt hij zich. - -De spelonk bevindt zich midden in het gebergte, en de schorre schreeuw -van een wilde papegaai en het hongerige gejank der hyena wordt uit de -verte gehoord. - -„De blanke man heeft waarheid gesproken,” zegt zij eindelijk op -langzamen, slependen toon; „koning Dingaan is gevlucht, zijn rijk is -ineen gestort als een vermolmd huis, en hij heeft toevlucht gezocht bij -ons, de Amazwazikaffers. Dingaan is de buffel, en de witmensch is de -leeuw, en de leeuw zal den buffel najagen maar niet bereiken, want hij -wordt gedekt door het schild der dappere Amazwazi’s! Maar ik—de omhoog -kronkelende dampen zeggen het mij—maar ik—” - -„Me dunkt, dat we wel heen kunnen gaan,” meent Lodewijk Jansen -verachtelijk—„wat doen we hier in het hol van het heidendom?” en hij -wendt zich reeds naar den uitgang der grot. - -„Maar ik zal den buffel leveren,” roept zij, plotseling opspringend, -met harde, snelle, krijschende stem; „hij heeft mijne drie kinderen -voor mijn oogen afschuwelijk verminkt, doch het uur der wrake heeft -geslagen!” - -Zij slaat met haar handen krampachtig in de lucht; dan zet zij zich -weer uitgeput neder. - -Het vuur dooft nu uit, en de dampen verminderen. - -Zij kijkt den leeuwenjager strak aan. - -„Kent gij mij?” vraagt hij. - -Zij knikt bevestigend. - -„Wij hebben drie dagen in deze streken gezworven, Walhoeli, om u te -vinden, want ik wist, dat koning Dingaan uw kinderen had mishandeld, en -wij hebben grooten haast. Ik heb u eens geholpen, toen gij in grooten -nood verkeerdet—” - -„Ik weet het, groote jager; gij hebt de dochter der Amazwazi’s -gedrenkt, toen zij zou verdorsten.” - -„En nu kunt gij ons helpen en uw dankbaarheid bewijzen, want gij hebt -grooten invloed op uw volk. Gij kunt hen bewegen, dat zij koning -Dingaan aan ons uitleveren.” - -Walhoeli schudt met het hoofd, dat de kraalsnoeren rinkelen. - -„Ik zal aan uw wensch niet kunnen voldoen,” zegt zij op bedaarden toon, -„want het zou indruischen tegen de wetten van mijn volk. Doch indien -Walhoeli, van wie haar volk getuigt, dat zij in de sterren den -naderenden regen kan lezen, iets vermag, dan zal het gebeente van -koning Dingaan, voordat de zon nog driemaal oprijst in het oosten, -dienen tot spijs van den jakhals, die op de lijken loert.” - -„Dàt hoor ik liever dan dat heidensche toovergeleuter,” zegt Lodewijk -Jansen met hartgrondigen nadruk, terwijl de Boeren zich naar buiten -begeven. - -„Ik zal uw gids zijn,” zegt Walhoeli, „en u brengen, waar gij wezen -moet.” - -„Is het wel geraden haar te volgen?” vraagt een voorzichtige Boer. - -„Zij is te vertrouwen,” zegt de leeuwenjager, „maar hoe de Amazwazi’s -ons zullen ontvangen, weet ik niet. In elk geval: onze paarden zijn -vlug, en onze geweren geladen—wij zullen haar volgen!” En stapvoets -volgen de Boeren, de omgeving behoedzaam opnemend, het vreemde -schepsel. - - - -Vijf uur duurde de tocht; de zon neigde reeds naar het westen, toen de -blanken bij de vorsten der Amazwazi’s aankwamen. - -Koning Dingaan had zich onder hunne bescherming geplaatst, en zij zaten -in een breeden kring, in de schaduw van eenige palmboomen, raad te -houden, hoe men met hem zou handelen. - -Een eerewacht stond met gevelde speer op eenigen afstand. - -Walhoeli heette de blanken halt te houden, terwijl zij zich -onbeschroomd tot in den kring der vorsten waagde. - -„Wat brengt u hier, sterrekijkster?” vraagde de oudste der vorsten, -blijkbaar hun koning, de zwarte, vorschende oogen naar de verte -slaande, waar hij de ruiters zag. - -„De dochter uws volks groet u,” zeide zij, eerbiedig ter aarde buigend, -„en dat ge sterk moogt worden en machtig als de olifant van dit land, -die met zijn snuit de boomen ontwortelt! Ik heb als gids gediend voor -het gezantschap, dat het machtige volk der witmenschen heeft -afgezonden, om hun hulde en hun bede aan uw voeten neer te leggen, o -groote koning!” - -„Wat willen zij?” vraagde hij met een flikkering van zijn zwarte oogen, -en Umkowo, een zijner raadslieden, het woord nemend, zeide: „Zij zijn -gekomen, om de gesteldheid van dit land te onderzoeken; het zijn -verspieders, en gij zult verstandig doen, o koning, zoo gij hun tong -stom maakt voor eeuwig.” - -„Mag ik spreken?” vraagde Walhoeli. - -„Spreek!” zeide de koning. - -„Umkowo de Schrandere spreekt dezen keer dwaze taal, o koning, want als -die witmenschen verspieders waren, dan zouden zij zijn gekomen als het -wild gedierte, dat des nachts over onze grasvelden sluipt. Maar zij -komen op den dag, als de zon schijnt, omdat hun bedoelingen rein en -klaar zijn als het licht der zon. Zij zoeken Dingaan, den vluchtenden -koning der Zoeloes, en wenschen, dat hij hun worde uitgeleverd om de -bloedwraak!” - -De vorsten keken bij deze tijding verwonderd op; zelfs Umkowo, die de -schrandere werd genoemd. - -„Weet gij, Walhoeli, waar Dingaan is?” vraagde de koning op gedempten -toon. - -„Hij is in gindsche kraal, o koning, waar ik de speren eeniger -Amazwazi’s zie blinken.” - -„Hoe weet gij dat, Walhoeli?” - -„Ik heb de wolken des hemels geraadpleegd, o koning, en die liegen -niet!” - -„De wijsheid der goden woont in uw ziel,” zeide de koning vol eerbied. - -„Ik lees in de sterren en in het hart der koningen, en ik vergis mij -nooit,” zeide zij op stouten toon. - -„Als gij in het hart der koningen leest, vertel mij dan toch, wat de -koning denkt op dit oogenblik,” zeide Umkowo de Schrandere, die aan -haar waarzeggerskunsten twijfelde, en haar den voet altijd dwars zette, -omdat hij jaloersch was op haar grooten invloed. - -„Mag ik het zeggen, o koning?” - -Weer knikte hij met het hoofd. - -„Onze koning denkt, dat Dingaan niet kan worden uitgeleverd, omdat de -gerechtigheid der Amazwazi’s en niet de gerechtigheid der blanken mag -heerschen ten noorden der Pongolo-rivier.” - -„Gij hebt naar waarheid gesproken, Walhoeli—dat de speerwacht de -vreemdelingen hier brenge!” - -De wacht rukte op naar de ruiters, doch de hoofdman keerde alleen -terug. - -„Zij willen hun wapens niet afgeven, o koning,” rapporteerde de -hoofdman. „Hun aanvoerder zegt, dat zij dit niet doen en in der -eeuwigheid niet zullen doen, sinds Dingaan hun dapperste mannen, die -ongewapend voor hem verschenen, als lammeren heeft geslacht!” - -De welwillendheid, die tot nog toe op het gelaat van den koning was -zichtbaar geweest, verdween echter bij deze woorden, en zijn oogen -stonden strak en toornig. - -„Om deze weigering hebben zij u, o koning, beleedigd,” meende een der -vorsten. - -„En zijn des doods schuldig!” riep Umkowo. - - - -„Die daar opstaat, is zeker hun koning,” zeide de leeuwenjager, terwijl -zijn scherpe oogen onafgewend op den kring der vorsten waren gericht, -„maar al kwam de koning aan de spits van zijn geheele leger, wij geven -onze wapens niet af.” - -„Me dunkt, dat het tijd wordt!” meende Kees Bouwer, en hij wendde reeds -den teugel van zijn paard, om te vluchten. - -„Dat komt er van, als men met waarzeggers aanlegt,” zeide Lodewijk -Jansen, zonder Bouwer’s voorbeeld te volgen. - -„Was het mij om haar tooverspreuken te doen?” riep de leeuwenjager op -luiden toon; „ik heb geene waarzegster gezocht, maar een gids, eene -voorspraak onder deze wilde Kaffers, en dat is mij genoeg!” - -„Een mooie voorspraak!” riep een der achterste Boeren op spottenden -toon. - -„Gij hebt ons in de knoei gebracht—breng er ons nu ook weer uit, -Teunis,” meende een ander, dood bedaard zijn houten pijp stoppend. - -„En als gij het niet doet, dan hoop ik, dat deze dochter van Endor het -zal doen,” meende Dirk Kloppers uit den grond van zijn hart. - -Plotseling weerklonk luid hoorngeschal, wijd uit de verte snel en -driftig beantwoord. - -„Nu wordt het meenens,” zeide Tijs de Jong. - -Zelfs de leeuwenjager werd een tint bleeker, maar overigens was er -niets aan hem te bespeuren. - -„Ik vermoed, dat gij van plan zijt om te vluchten, Kees Bouwer,” zeide -hij bedaard, „maar ik raad je, om het te laten, want ik schiet je niet -graag dood.” - -Kees Bouwer liet zich gezeggen en bleef. - -Het was verstandig, want de leeuwenjager zou anders werkelijk op hem -hebben geschoten. Slechts door eendrachtig het dreigend gevaar te -trotseeren, was er kans van ontkoming. - -„Kalm en bedaard,” vermaande hij nu, „en de oogen open!” - - - -„Gij zult het niet doen, o koning,” zeide Walhoeli, smeekend voor zijn -voeten nederknielend. - -„Ga mij uit den weg,” riep hij toornig, „of de brullende leeuw zal u -verbrijzelen onder zijn voet!” - -„Koning—de goden waarschuwen u!” gilde zij, „zie toch—zie toch!” - -Zij wees met beide handen naar boven, waar een grillig gevormde wolk -langzaam voortdreef aan den overigens bijna wolkeloozen hemel. - -De koning keek omhoog. - -„Een wolk,” mompelde hij verachtelijk. - -„Een wolk, o koning,” zeide zij, „waarin de bode woont van den grooten -Geest. Ik Walhoeli, in wie de geest der wijsheid woont, zeg het u!” - -De koning scheen deze woorden niet eens te hooren. - -„Ziet gij dan niet, o koning, dat die wolkebode van den grooten Geest -den vinger dreigend heeft uitgestrekt? ’t Is dezelfde wolk van vier -jaar geleden, o koning!” - -„Zwijg,” riep hij grimmig—„speerwacht, voorwaarts!” - -Maar Walhoeli zweeg niet. - -„Zij at uit uwe hand, de liefelijke roos van den Marikelenberg, en uit -uwen beker dronk zij. Zij wekte u elken morgen met snarenspel, en elken -avond zong zij u haar schoonste liederen. Maar de slang der ijverzucht -siste u een leugen in het oor, en gij hebt de speer gestooten in het -trouwste hart, dat ooit voor u heeft geklopt en ooit voor u zal kloppen -in Amazwaziland!” - -De koning stond plotseling stil—op dertig pas afstands van de blanken; -ook de speerwacht, vierhonderd man sterk, bleef staan, terwijl in de -verte de assegaaien blonken van een snel naderend regiment. - -Met groote, strakke oogen staarde hij naar de wolk. - -„’t Was dezelfde wolk, o koning! Hadt gij op haar wenk gelet, dan zou -de liefelijke roos van den Marikelenberg nog heden met haar zoete geur -uw gaarde vervullen!” - -De toorn verdoofde in zijn oogen; er kwam een dof gekreun uit zijn -breede borst. - -„O Walhoeli, gij doet mij veel pijn,” kwam het klagend over zijn -lippen. - -„Om u voor andere pijn te bewaren, o koning,” zeide zij eerbiedig. - -Hij wenkte met de hand, en het hoorngeschal werd opnieuw vernomen, maar -thans in vredige, langgerekte toonen. De speerwacht keerde terug naar -haar vroegere standplaats, en de flikkerende speren in de verte -verdwenen. - -„Mogen de blanken morgen verschijnen voor uw troon?” smeekte nu -Walhoeli. - -„Neen,” zeide hij met waardigheid, „geen vreemdeling zal gewapend -verschijnen voor mijn troon, maar om de liefelijke roos van den -Marikelenberg, die eens voor een blanke bij mij pleitte, zal ik morgen -de vierschaar spannen over Dingaan, den Zoeloe-koning, en gerechtigheid -oefenen!” - -„Maar wie zullen er dan als getuigen optreden, als er geen blanken -mogen verschijnen?” vraagde Walhoeli, want nieuwe zorgen kwamen er op -in haar hart. - -„Wees gerust,” zeide de koning; „mijn spionnen, die ik naar Zoeloeland -zond, kunnen heden nacht terug zijn, en zullen mij de waarheid brengen. -Overmorgen vroeg, als de dauw optrekt, is Dingaan een vrij man, of ligt -zijn gebeente te bleeken achter de gerechtsplaats, op den heuvel der -misdadigers—ga nu, en zeg dit aan uw blanke vrienden!” - - - -Nog was de dauw niet opgetrokken, maar de dageraad vlamde reeds boven -de bergen en valleien van Amazwaziland, toen eene vrouw, eene -kleurling, een groep kloeke ruiters te paard voorging het veld in. - -Allen verkeerden in ernstige stemming. - -De heuvel der misdadigers was spoedig bereikt. - -Een groep aasvogels vloog bij de nadering der ruiters op, maar zette -zich in de nabijheid weer neder, in de lage takken van een wilden -olijvenboom. - -Zij bleven dicht in de nabijheid, want aasvogels zijn brutaal, en deze -aasvogels hadden honger. - -Midden op den heuvel lag, als een bedekking, een kleed uitgespreid. - -De ruiters sprongen van hun paarden, en schaarden zich in een kring om -dat kleed. - -„Onder dat kleed—,” fluisterde Walhoeli, „onder dat kleed—” - -Zij scheen den volzin niet te kunnen voltooien, want zij was -aangegrepen door den ernst en de plechtigheid van dit oogenblik. - -De leeuwenjager nam het kleed langzaam weg.... - -Er werd geen kreet gehoord; zelfs geen woord. Slechts het gekras der -aasvogels werd vernomen uit den wilden olijvenboom, want zij hadden -honger, en de blanken vertoefden langer dan hun lief was. - -De leeuwenjager verbrak nu het zwijgen, en zijn hand uitstrekkend boven -het lijk van Dingaan, den gewezen koning van Zoeloeland, zeide hij met -langzame, van ontroering bevende stem: „Gewroken is het bloed van Piet -Retief en zijn dapperen, en van Piet Uijs en zijn dapperen, en het -bloed van vele mannen, vrouwen en kinderen, die wij liefhadden—moge het -heidendom weten, dat God zijn volk zal wreken!” - -De ruiters verlieten nu den heuvel, maar een keurbende des konings, -gewapend met schild en speer, stond hen op te wachten. - -„Ik heb het bevel van den koning ontvangen,” zeide de kapitein, „u als -een veilig geleide te vergezellen tot aan de grenzen van ons land.” - -Zoo reden dan de ruiters, vergezeld door de snelvoetige Kaffers, naar -het zuiden terug. - -Ook Walhoeli ging mee, maar toen in de verte het groene water zichtbaar -werd van de Pongolorivier, keerden de Amazwazi’s om, van de blanken -vriendelijk afscheid nemend. - -Ook Walhoeli keerde terug. - -„Heb ik mijn gelofte gestand gedaan?” zeide zij. - -„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ten volle—wij danken u, Walhoeli!” - -Hij reikte haar de hand, die zij kuste. Zij scheen diep bewogen, maar -snel liet zij zijn hand los, en voordat de leeuwenjager nog iets kon -zeggen, verdween zij zijwaarts in het bosch, en niemand heeft meer iets -van haar gehoord. - - - -Maar het lijk van Dingaan was achtergebleven, op den heuvel der -misdadigers—onbedekt. En de aasvogels zijn neergestreken uit den -olijvenboom, en zij hebben met het wild gedierte uit het bosch -gevochten om zijn vleesch, en de honden hebben zijn bloed gedronken—het -bloed van Dingaan, den koning van Zoeloeland! - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXIX. - - -Wij bevinden ons in een der liefelijkste oorden van het Over-Vaalsche, -van de Transvaal. - -Op een platten heuvel, in de nabijheid eener wijde beek, wier water -driftig van de bergen nederkomt, ziet ge eene landelijke, eenvoudige -woning. Ze is omlijst door een krans van kort geplante, welig -opschietende boomen. - -Hier woont Gert Kloppers. De ossenwagen is uitgespannen; de tent -opgerold; de Trekker is tot rust gekomen. - -Ge zult u echter verwonderen, hem hier in de Transvaal te vinden. Ge -zoudt hem in ’t zuiden hebben gezocht, in Natal. - -Kloppers zou zich waarschijnlijk ook in Natal blijvend hebben -gevestigd, hadden zijne schoonzoons, die zich met de Trekboeren onder -Kommandant-Generaal Hendrik Potgieter met der woon hadden gevestigd in -Transvaal, hem niet zoo’n prachtig stuk gronds, minstens 6000 morgen -groot, aangeboden. Hij had het land bezichtigd, en het had alle -verwachting overtroffen. Toen had hij de sterke ossen weer voor den -wagen gespannen, en zijn vrienden, met wie hij zoo veel leed en strijd -had doorworsteld, hadden hem de hand gedrukt, en met bewogen stem -nageroepen: - -„Ga in vrede!” - -En zoo woont Gert Kloppers nu met zijn gezin in de Transvaal, en daar -in de verte, waar gij, tegen dat bosch aan, den rook van een -schoorsteen langzaam omhoog ziet kronkelen, daar woont zijn zoon Dirk. - -Met veerkrachtigen tred ging de jonge Boer langs zijne vruchtbare -akkers, waaruit het gezaaide koren veelbelovend uitsproot. Het was hem -licht om het hart, en hij zong een vroolijk lied, dat wijd over de -velden schalde. - -Hij werkte voor zijne vrouw, straks, zoo God wilde, voor zijne -kinderen. Want naar kinderen verlangt de Afrikaansche Boer: het is zijn -schat, zijn weelde; het zijn de frissche olijfplanten, die zijn disch -zullen versieren. - -Kalm, bedaard, zonder overdreven idealen, is Dirk met zijn bruid in het -huwelijk getreden. Zij hadden elkander werkelijk lief; hunne karakters -pasten bij elkander; zij waren dezelfde levensbeschouwing toegedaan; de -ouders hadden geen bezwaren—welnu, toen trouwden zij. En ’t is een -flink paar, die Dirk Kloppers en die Anna, de dochter van Barend -Jansen, dat moet er van gezegd zijn. - -Tegen den middag huiswaarts keerend, kwam den jongen Boer een ruiter -tegemoet. ’t Was Teunis de leeuwenjager; Dirk herkende hem dadelijk. - -De trouwe vrienden schudden elkander hartelijk de hand. - -„Komt gij kersversch uit Natal?” vraagde Dirk. - -Op het gelaat van den leeuwenjager lag een ernstigen trek, toen hij die -vraag bevestigde. - -„Maar kom binnen, Teunis,” hernam Dirk, „en groet mijn vrouw. En ik -hoop, dat gij eenige dagen onze gast zult zijn.” - -Nu traden beide mannen de bescheiden woning binnen, waar Anna bezig -was, het middageten gereed te maken. Zij was blijde verrast met de -komst van den leeuwenjager, en sprak eveneens den wensch uit, dat hij -eenige dagen bij hen door zou brengen. - -Maar hij schudde het hoofd en zeide: „Ik blijf bij u eten, en dan rijd -ik terug naar uw vader. Ik heb haast.” - -Bij dit gezegde keek Dirk den spreker vorschend in het stroeve gelaat, -en vraagde, zonderling beklemd: „Is er zoo’n haast bij?” - -„Ja,” zeide de leeuwenjager, „er is haast bij: er is oorlog in ’t -zicht!” - -Nadenkend keek hij de twee jonge menschen aan, die daar zoo vroolijk -voor hem zaten, en een vochtige schemering ging over zijne oogen heen. -In het volgende oogenblik echter schenen die oogen weer zoo hard als de -harde kogel in den loop van zijn geweer, en hij zeide: „Dirk! Ik roep u -op tot den strijd voor vrijheid en recht!” - -Maar als een bliksemstraal uit den zonnigen hemel, zoo trof dit bericht -den jongen Boer. Hij had zich nauwelijks nedergezet aan zijn eigen -haard, hij had nauwelijks den zoeten geur des vredes ingeademd, en -midden in die liefelijke, zoo vurig begeerde rust kwam plotseling het -stormgelui der oorlogsklok! - -„Oorlog?” riep hij, terwijl hij overeind vloog: „oorlog?” Maar in ’t -volgende oogenblik had hij zijn evenwicht terug. - -Met verwonderlijke zelfbeheersching ging hij weer zitten aan de -stevige, eikenhouten tafel tegenover zijn vrouw, en vraagde op kalmen -toon: „Het gaat zeker tegen de Engelschen?” - -„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ze willen Natal inpalmen.” - -„Dat met het kostbare, edele Boerenbloed is gedrenkt?” zeide de jonge -Boer. „Maar zij hebben ’t nog niet,” liet hij er dreigend op volgen. - -„Doch zij zullen ’t krijgen,” antwoordde de leeuwenjager. „Ons volk is -uitgeput door de Kafferoorlogen; het moet zich herstellen van de -geslagen wonden, en de meeste lagers verkeeren in groote armoede. Ja, -de Engelschen zijn een zeer verstandig volk; zij kijken hun tijd af.” - -Er lag een snijdende bitterheid in den toon, waarop hij dit zeide. - -„Dus gij beschouwt de zaak voor de Boeren verloren?” vraagde Dirk. - -„Ik heb uw vader zooeven gesproken, hij denkt het eveneens,” antwoordde -de leeuwenjager. - -„En waarom zullen wij dan vechten voor een verloren zaak?” vraagde de -jonge Boer verwonderd. - -„Omdat die verloren zaak een rechtvaardige zaak is,” antwoordde de -leeuwenjager. - -„Het heeft zijn nut, er het geweer voor te laden, en ’t kan zijn nut -hebben, er voor te—sterven. - -„’t Zal een protest zijn tegen het schandelijk onrecht, dat ons wordt -aangedaan.” - -Zijn stem beefde, toen hij dit zeide; ze beefde van ingehouden toorn. - -Zijne oogen begonnen het vuur te weerkaatsen, dat in zijn boezem -brandde, en de diep in het hart van dezen man sluimerende -hartstochtelijkheid kwam met macht naar boven. - -„Zie,” zeide hij, „het bloed der Boeren heeft nog meer kracht dan een -kogel, en dat bloed zal tot God roepen om wraak over onze vijanden, die -ons wreed verdrukken.” - -„Maar,” liet hij er zachter op volgen, „het is hard voor u, Anna, om uw -man, met wien gij nog geen jaar zijt gehuwd geweest, in den oorlog te -zien trekken.” - -„Ja,” antwoordde zij, „dat is hard. Het zou met ons huwelijk slecht -staan, als ik mijn man gaarne zag scheiden. Maar,” liet zij er op -volgen, terwijl haar heldere blik vast op den leeuwenjager rustte, -„Barend Jansen zou zich over zijn dochter schamen, als zij tot haar man -zeide: „Blijf!”” - -„Barend Jansen zal zich nooit over zijn dochter te schamen hebben,” -antwoordde de leeuwenjager met een warmen toon in zijn stem. „Toen ik -haar met den bijl in de hand den ingang van het lager tegen de woedende -Zoeloe’s heb zien verdedigen, heb ik respect voor haar gekregen.” - -„Dus gij gaat mee?” wendde hij zich tot Dirk. - -„Ja,” zeide Dirk met vaste stem. „Wanneer vertrekken wij?” - -„Ik ga nu terug naar uw vader,” antwoordde de leeuwenjager; „het is -reeds afgesproken, dat uw broeder Willem meetrekt in den oorlog, en hij -zal mij vergezellen, om nog eenige andere Boeren in deze streken op te -roepen tot den oorlog. Overmorgen hopen wij u dan aan de „drift” te -ontmoeten, en rijden wij te samen onmiddellijk naar Natal.” - -Met deze afspraak verliet de leeuwenjager in den namiddag, nadat hij -bij hen had gegeten, de woning der jonggetrouwden. - - - -De volgende dag is een drukke dag. Dirk bestelt zijn huis en regelt -alles. Zijn vrouw zal zoo goed het gaat zijn plaats vervullen, en op de -raad en de hulp van haren schoonvader kan zij rekenen. De meest -vertrouwde kafferknecht wordt binnengeroepen, en hij zal een extra -belooning ontvangen, als hij een oog in ’t zeil houdt. - -Inmiddels bakt Anna beschuit, droogt zij vleesch, vult zij het leeren -zakje met gemalen koffie, en zorgt ze voor tabak. Dit is de proviand -voor haar man op reis. Soms verduistert haar helder oog, terwijl ze dit -alles en nog zoo veel meer gereed maakt, maar zij houdt zich taai, want -zij weet, dat zij is de vrouw van een Afrikaanschen Boer. - -In drukke bezigheden en beslommeringen gaat de dag voorbij. Men gaat op -den gewonen tijd ter ruste, maar vóór het krieken van den morgen staat -de jonge Boer op. - -Hij begeeft zich naar den stal, naar Hannibal. Hij strijkt het edele -dier het kophaar uit de oogen en klopt het op den slanken hals. - -Inmiddels heeft Anna het ontbijt gereed gemaakt, en samen gaan zij aan -de eenvoudige tafel zitten. Ach, het is een droevig ontbijt; Dirk kan -het brood niet door de keel krijgen. - -Nu is het ontbijt afgeloopen; nu zal het op een scheiden gaan. - -Anna neemt de kogeltasch, gevuld met de kogels, die zij heeft gegoten; -en hangt ze haren man om de schouders. - -Dan reikt ze hem het geladen geweer. - -„Strijdt wakker, geliefde man,” zegt zij. - -Ja, wakker strijden, dat hoopt hij waarlijk te doen. - -En nu komt het afscheid. - -Zij staren elkander in de oogen, lang en innig, die man en die vrouw. -Zij lezen in elkanders oogen, en ach, daar is niets in geschreven dan -droefheid en liefde. Zij neemt zijn hoofd tusschen hare handen, kust -hem de tranen uit de oogen en zegt: „De Heere beware uwen uitgang en -uwen ingang!” - -De oudste kaffer leidt het paard voor de huisdeur. Het ruikt de -frissche morgenlucht, en hinnikt vroolijk zijn jongen baas tegemoet. - -Snel springt hij in het zaâl, en geeft het paard de sporen. - -Zijn vrouw staat in de deur hem na te staren. - -Hoe snel verdwijnt hij uit het gezicht! - -Daar blikt hij nog eenmaal om, heft zich in den stijgbeugel op, en -zwaait tot een laatst vaarwel driemaal met het geweer boven zijn hoofd, -zoodat de blanke loop schittert in de eerste stralen der morgenzon. - -En nu ziet Anna niets meer, want de ruiter is achter den naasten -heuvelrand verdwenen. Zij ziet niets meer dan een nevel; dat zijn hare -tranen. - -Maar den jongen Boer wordt het nu ruimer om het hart. Hij is nu op het -oorlogspad, en hij zal strijden voor vrijheid en recht! - -Geen Hongaarsche ruiter jaagt sneller door de eenzame wildernissen van -zijn vaderland, dan deze Afrikaansche Boer over de ongemeten grasvelden -der Transvaal. - -Hij jaagt al sneller en sneller—het zuiden in.... naar Natal.... tot -voor de mond van het Engelsche kanon.... - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXX. - - -Anna voelde zich thans zeer eenzaam. Nu eerst voelde zij de sterkte van -den band, die haar aan Dirk Kloppers bond. - -Hoe menigmaal ging zij tegen het vallen van den avond op den hoogsten -heuvel in den omtrek, om te zien, of haar man nog niet terugkwam! Zij -wist, dat het dwaasheid was, zulks te doen, doch zij had een weemoedig -genot in die dwaasheid. - -Ach, zij had hem lief—er is immers ook geen inniger, hechter, teederder -band te denken dan tusschen man en vrouw! Elken morgen en elken avond -smeekte zij op neergebogen knieën voor dat zoo dierbaar leven, dat -thans door de bommen der Engelsche kanonnen werd bedreigd. Met haar -gebeden wilde zij haar man dekken als met een schild, en hare liefde -wilde zich om hem heen legeren als een slagorde met banieren! - -Zoo lief had Anna haar man. - -De tijd brak aan, dat zij een dochterke in haar armen hield. Het was -een allerliefst, mollig wichtje; het had de blauwe, schitterende oogen -van haren vader. Zij noemde het Mieke, naar zijn zuster, die in het -gevecht tegen de Zoeloe’s was bezweken, en soms ging er een groote, -heerlijke blijdschap door haar ziel, als zij dacht aan het oogenblik, -dat Dirk behouden terug zou komen, en dit lieve kindeke aan zijn hart -zou drukken. - -Reikhalzend zag zij uit naar tijding, maar er verliepen weken en -maanden, zonder dat er tijding kwam. - -Nu, dat was niet te verwonderen. Immers honderden mijlen wildernis en -het hooge Drakengebergte scheidden de streek, waar de familie Kloppers -woonde, van het gebied, waar de bloedige botsing zou plaats grijpen. -Daarbij veroorzaakte de strijd tusschen de twee blanke rassen een -begrijpelijke spanning en gisting bij de Kafferstammen, zoodat de wijd -en zijd verspreide, als van de wereld afgezonderde Emigranten-Boeren -dicht bij huis en hof moesten blijven, en weinig nieuws vernamen. - -Eindelijk echter kwam er toch tijding, maar ’t was een vreeselijke, -ontzettende tijding. Zij zag er uit als een hoop harde, wreede -klipsteenen, waaronder het liefste ligt begraven, dat wij op aarde -bezitten. - -Gert Kloppers zelf bracht de tijding. - -Door de kleine vensterruiten zag Anna hem aankomen. Hij liep gedrukt, -gebogen; het scheen, dat een onzichtbare, doch zware last hem neder -drukte. Op zijn gelaat lag een trek van bittere smart. - -En dat was niet te verwonderen, want Dirk was—dood! Dirk—de trots van -zijn oogen! De glans van zijn leven! Zijn eerstgeboren zoon! Het wilde -wat zeggen—Dirk dood! - -Heden morgen had hij het vreeselijk bericht gehoord van een hem bekend, -rondreizend man, die pas uit Natal was gekomen. Die man had het van een -Boer, die zelf het gevecht tegen de Engelschen had medegemaakt. - -Dirk was met andere Boeren reeds tot de batterij der Engelschen -doorgedrongen; hij had de hand reeds gelegd op den zwaren, ijzeren loop -van het kanon, toen hij door den sabelhouw van een Engelsch officier -doodelijk werd getroffen. - -Als een held was hij gevallen—voor vrijheid en recht! - -Anna was, toen zij haren schoonvader zag aankomen, door bange -voorgevoelens gekweld, hem tegemoet gegaan. - -Geen kreet, zelfs geen zucht kwam over hare lippen, toen Gert Kloppers -haar voorzichtig het treurige nieuws mededeelde. Slechts beefden hare -lippen, en de laatste bloeddrup week uit haar gelaat. Zij greep den -stam van een jongen appelboom, die verleden jaar door Dirk was gepoot, -om niet om te vallen. - -Als in een droom liep zij, dagen lang. Maar eindelijk kwam zij tot de -werkelijkheid terug, en de diepe wateren der smart gingen over hare -ziel. Doch in de diepe wateren liggen de kostbare parels, en de -kostbaarste parel werd Anna’s deel. - -Zij leerde zich zelve kennen, en zij leerde de roede kussen, die haar -sloeg. Van wege hare vele tranen kon zij den Heiland niet zien, maar -zij voèlde de hand van den liefderijken Herder, die het verloren schaap -zocht, en zij hoòrde Zijne stem: „Komt herwaarts tot Mij allen, die -vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven!” - -Hare schoonouders kwamen haar dagelijks bezoeken. Men zette zich dan -aan de eikenhouten tafel, waar Dirk en Anna zoo dikwijls plachten te -zitten, en men sprak met elkander over lieve herinneringen, waaraan de -naam van Dirk was verbonden. - -„En heden zou Dirk jarig zijn geweest,” zeide Moeder Kloppers een keer. - -„Ja,” zeide Anna, „heden. Verleden jaar hebben wij dien verjaardag nog -samen gevierd; wij waren pas eenige weken getrouwd. Het verschil is -groot tusschen vrouw en weduwe.” - -Ja, dat verschil was werkelijk groot. - -Zij bedekte haar gelaat en weende. - - - -Honderden mijlen van Anna’s woning verwijderd, aan een der zuidelijkste -punten van Natal, waar de golven van den Indischen Oceaan zich breken -tegen het strand, stonden op dienzelfden dag een zestal kloeke ruiters -bij hunne gezadelde paarden. - -De paarden sloegen ongeduldig met de voorpooten in het mulle zand. - -Nu sprongen de ruiters vlug in het zaâl. - -De voorste sloeg met de vlakke hand op den slanken hals van zijn -zwarten hengst, en zeide op vroolijken toon: „Vooruit, Hannibal! Naar -huis!” - -Die ruiter droeg een breed, versch litteeken op zijn voorhoofd. - -Dat litteeken was waarschijnlijk van een sabelhouw afkomstig. In elk -geval: het litteeken stond hem goed. - -De ruiters gaven hun paarden de sporen. - -Sneller, al sneller joegen zij door Natal, het land der duizend -heuvelen, het noorden in.... naar de Transvaal.... tot voor Anna’s -woning.... - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXI. - - -Wat was er met de Emigranten-Boeren in Natal gebeurd? [14] - -De Engelsche wolf was uit zijn legerplaats opgerezen, want hij had weer -honger gekregen. Natal was een te welkome buit. - -Reeds was er bij den Volksraad der Natalsche Boeren een zonderlinge -missive ingekomen. Zij kwam van den gouverneur der Kaapkolonie en was -van den volgenden inhoud: „Het is voor Hare Majesteit niet mogelijk, -een gedeelte harer eigene onderdanen, die zich eenige honderden mijlen -buiten de Kaap de Goede Hoop hebben begeven, voor onafhankelijk te -verklaren. Zoo de Boeren een militaire macht willen ontvangen, dan zal -Hare Majesteit hun al die handelsvoorrechten waarborgen, die aan de -àndere Britsche koloniën zijn toegestaan, en dan zal het land, dat de -Emigranten thans hebben bezet, aan hen worden toegekend, in zooverre -rechtvaardigheid en billijkheid dit gedoogen.” - -De Boeren stonden vreemd te kijken bij het lezen dezer missive. - -Wat? Zij zouden Natal afstaan? Het schoone, liefelijke Natal, het land -der duizend heuvelen? Het land, dat zij twéé keeren hadden gekocht, den -eersten keer met aan de bedingen te voldoen, die koning Dingaan had -gesteld, den twééden keer met hun bloed? En durfde de Engelsche -regeering nu nog de woorden: „rechtvaardigdheid” en „billijkheid” op de -lippen te nemen, waar zij bezig was, met een goed gehuicheld -komediespel het schandelijkste onrecht te begaan? - -„Neen,” zeiden de èchte, oude Voortrekkers, en zij schudden toornig -hunne grijze lokken; „wij willen geen militaire macht van Engeland, en -wij dulden ze evenmin.” - -Onmiddellijk beantwoordde de Volksraad het schrijven van den Engelschen -gouverneur in een stuk, even ernstig als waardig. - -„Wij vermeenen,” zoo schreven de Boeren, „dat beide, Hare Majesteit en -Uwe Excellentie omtrent ons, onze aanspraak op het recht van -onafhankelijkheid en het recht, hetwelk wij tot het land hebben, door -ons geoccupeerd wordende, verkeerd zijt onderricht. Wij zijn van -geboorte Hollandsche Afrikaanders. Dadelijk nadat wij Harer Majesteits -grondgebied in Zuid-Afrika hebben verlaten, hebben wij onze -onafhankelijkheid gepubliceerd, en van dien tijd af tot op dit -oogenblik hebben wij als een onafhankelijk Volk gehandeld, ons zelven -volgens onze eigene wetten geregeerd, en gevolgelijk opgehouden, -Britsche onderdanen te zijn. Het door ons bewoond wordende land hebben -wij wettig verkregen, en het is nooit tot op dit oogenblik een Britsche -provincie of kolonie geweest, en niettegenstaande Uwer Excellentie’s -herhaalde mededeelingen, dat wij Britsche onderdanen en kolonisten -zijn, moeten wij beweren, dat wij volgens alle rechten van beschaafde -natiën nóch het een nóch het ander zijn. En verder bedanken wij voor -Harer Majesteit’s militaire macht. Wij hebben vrede met alle natiën, en -wij hebben geen bescherming noodig.” - -Dit was ronde, duidelijke, Oud-Hollandsche taal. En had de Engelsche -wolf niet zoo’n honger gehad, dan had hij ’t er misschien bij laten -zitten. - -Doch nù was er geen denken aan. - -Geen twee maanden later (1841) verscheen een nieuw dokument van den -Kaapschen gouverneur, luidende: „Aangezien de Volksraad der -Emigranten-Boeren, nu wonende te Port-Natal en aangrenzend gebied, ons -hebben bekend gemaakt, dat zij hadden opgehouden, Britsche onderdanen -te zijn, zoo proclameeren wij, dat die onafhankelijkheid in geenen -deele zal worden erkend; dat de bewoners onderdanen en kolonisten zijn -van Groot-Brittanje, en dat wij onverwijld militair bezit van Natal -zullen nemen, door derwaarts eene afdeeling te zenden van Harer -Majesteits troepen.” - -Maar nu barstte de verontwaardiging bij de Boeren los, en zij -antwoorden: „Wij weten, dat er een God leeft, Die hemel en aarde -regeert, en Die Machtig en gewillig is, om den verongelijkte, hoewel -zwakke, tegen geweldenaars te beschermen. Op hem en op de -rechtvaardigheid onzer zaak verlaten wij ons, en zoo het Zijn wil is, -dat eene algeheele verwoesting worde gebracht over ons, onze vrouwen en -kinderen, en alles, wat wij hebben of bezitten, zullen wij onderworpen -zijn, en erkennen, zulks bij Hèm te hebben verdiend maar niet bij de -mènschen. Wij zijn bekend met de macht van Groot-Brittanje, en het is -ons doelwit geenszins, om die macht te trotseeren, doch wij kunnen te -gelijkertijd evenmin toelaten, dat geweld inplaats van recht over ons -zou zegevieren, zonder dat wij al onze pogingen zullen hebben -aangewend, om zoodanig geweld tegen te gaan.” - -De gouverneur van de Kaapkolonie glimlachte even, toen hij dit -schrijven las, en gaf onmiddellijk bevel aan majoor Smith, om zijn kamp -in Pondo-land op te breken en in ijlmarschen op Natal aan te trekken. - -Aan zoo’n tocht, met een trein van wagens en kanonnen, waren groote -moeilijkheden verbonden, doch majoor Smith kwam alle zwarigheden te -boven, en was in zeven weken tijds tot de Natalbaai doorgedrongen. - -De Boeren waren door die plotselinge nadering inderdaad verrast, en -zelfs hun kundige generaal Pretorius had niet vermoed, dat de vijand -van dièn kant zou gekomen zijn. - -De Engelsche majoor maakte intusschen van deze verrassing gebruik, om -op eenigen afstand van de havenplaats Durban—in den vorm van een -driehoek—zijn kamp op te slaan. Op elk punt werd een kanon geplant, en -terwijl de vlag der Boeren werd neergehaald, wapperde de Engelsche hoog -in de lucht. - -Nu had de majoor de goedheid, om aan de Boeren een termijn van vijftien -dagen toe te staan voor hunne onderwerping. Anders zouden zij als -muiters worden beschouwd en de volle gestrengheid der wet ondervinden. - -Bijna terzelfder tijd brachten de brik „Pilot” en de schoener „Mazeppa” -nog twee kanonnen met eene groote hoeveelheid mondbehoeften en -ammunitie, en aan een zandigen uithoek bij Durban, de „Point” genoemd, -werd het aangebrachte opgeslagen. Majoor Smith plaatste er een wacht -naast van een sergeant en vijfentwintig man, stak vervolgens zijn -fijnste sigaar op, en zeide vergenoegd tot zijn officieren: „Nu zullen -jelui eens zien, hoe gauw die koppige Boeren om genade zullen smeeken!” - - - -Maar de Boeren liepen niet hard; ten minste niet, om genade te smeeken. - -Wel was er onder de Afrikaansche Boeren kaf onder het koren, wijfelaars -en wankelmoedigen, voornamelijk schuilende onder de Emigranten, die pas -een jaar geleden, nìet om de staatkundige vrijheid maar om een ruimer -stuk brood, uit de Kaapkolonie waren gekomen, doch onder de echte -Voortrekkers, den kern der bevolking, was geen weifelaar. - -Oogenblikkelijk riep de Volksraad alle beschikbare manschappen op, en -als een dreigende donderwolk legerde zich Pretorius met zijn ruiters, -waarbij zich Teunis de leeuwenjager, Tijs de Jong, de twee zonen van -Gert Kloppers en de beide zonen van Barend Jansen bevonden, op drie -mijlen afstands van het Engelsche kamp. - -Pretorius begon de vijandelijkheden met de ossen der Engelschen weg te -nemen, doch majoor Smith glimlachte, toen hij dit hoorde. - -„Laat die domme boeren maar begaan,” zeide hij. „Wij krijgen de ossen -terug, en de Boeren toe.” - -Reeds den volgenden nacht zou dit kunststuk worden uitgevoerd. - -In het holle van den nacht brak de majoor met zijn manschappen en twee -kanonnen op, om het Boerenlager bij verrassing te nemen, en om zóó—met -éénen slag—aan de zoogenaamde muiterij een einde te maken. - -Het was een stille, liefelijke nacht. Fluisterend gaven de officieren -de kommando’s. Niets werd gehoord dan de dreunende stap der infanterie, -de gedempte hoefslag van het paard in het lange gras, het gekraak der -kanonwagens, de kreet van een wilden baviaan en het ruischen van den -wind in het loover van het woud. Slechts dit woud scheidde nog de snel -avanceerende Engelschen van het lager der Boeren. - -Dat lager lag in de diepste rust. Snelvoetige Zoeloekaffers brachten -den majoor de welkome tijding. - -„Ja, zoo zijn de Boeren,” dacht de majoor; „dom—oliedom!” - -„Tegen de dikhuidige, met vet en traan ingesmeerde kaffers zijn ze wel -bestand, maar het vechten tegen den Engelschman is toch nog iets -anders—dat zullen ze van nacht gewaar worden!” - -„Voorwaarts, jongens,” zeide Smith; „gauw door dit bosch heen, en dan -het Boerenkamp genomen! Ge laat niet éénen Boer ontsnappen—ik moet ze -allemaal hebben—de verrassing zal volkomen zijn—voorwaarts!” - -Maar waarom deinzen de soldaten plotseling achteruit, alsof zij op -vergiftige slangen hebben getrapt? Waarom slaan de ossen, voor de -kanonwagens gespannen, wild op de vlucht? Waarom springt de majoor met -uitgetrokken sabel, vloekend en dreigend, voor het front zijner -wankelende gelederen? - -Waarom?—maar ge behoeft het niet te vragen. Door het duister van den -nacht ziet ge den vuurstraal glippen uit het lange roer der Boeren, die -achter het geboomte in hinderlaag liggend, den vijand hebben opgewacht, -totdat hij onder schot zou komen. - -Majoor Smith had het wel bij het rechte eind gehad, dat de verrassing -volkomen zou zijn, doch zij was niet aan den kant der Boeren. - -Met huiveringwekkende juistheid sloegen de kogels in de Engelsche -gelederen, en de verwarring werd algemeen. Al sterker drongen de Boeren -op. „Hier heen!” riep Dirk Kloppers met luide stem; „dáár zijn de -kanonnen!” In een stouten aanloop werden ze genomen, doch Kloppers viel -en kleurde met zijn heldenbloed den grond van Natal. - -Majoor Smith begon intusschen te begrijpen, wat voor vleesch hij in de -kuip had. Met het overschot van zijn gehavend legertje vluchtte hij -naar zijn verlaten kamp, woedend, dat die „domme” Boeren hem te gauw -waren afgeweest. - -Maar de voortvarende Pretorius liet er geen gras over groeien. „Kom,” -zeide hij tot zijn mannen, „die levensmiddelen en die ammunitie daar -aan de „Point” kunnen wij gebruiken.” - -Met honderd Boeren trok hij naar de „Point”, waar de sergeant met zijn -vijfentwintig soldaten nog steeds de wacht hield. - -„Geef u over,” liet Pretorius aan den sergeant zeggen. - -„Neen,” antwoordde de sergeant, „dat doe ik niet.” - -„En waarom niet?” liet Pretorius vragen. - -„Omdat zulks tegen de eer van Engeland is,” antwoordde de sergeant. - -„Maar dan word jij met al je soldaten dood geschoten,” liet Pretorius -zeggen. - -„Dat hindert niet; dan is de eer van Engeland gered,” antwoordde de -sergeant, „en wij schieten ook niet met erwten.” - -Nu moesten de Boeren al weer aan ’t vechten, maar toen zij twee -soldaten hadden gewond en twee andere doodgeschoten, zeide de sergeant: -„Zie zoo; nu is aan de eer voldaan,” en hij gaf zich over. - -Een rijke buit aan levensmiddelen en ammunitie viel de Boeren in -handen, en terwijl zij wagenvrachten vol goederen doorzonden naar -Pieter-Maritzburg, hun hoofdstad, was de ammunitie zeer geschikt, om -majoor Smith uit zijn eigene kanonnen te bestoken. - -Tevens legde Pretorius beslag op de schepen de „Pilot,” en de -„Mazeppa,” en nogmaals ging de vlag der Boeren zegevierend naar de -steng. - -Van alle kanten werd majoor Smith nu door de Boeren ingesloten, maar -hij liet hooge, aarden verschansingen opwerpen, en dekte zich -daarachter als een bunzing in zijn hol. - -Zoo doende was hij beveiligd tegen het vuur der Boeren, maar Pretorius -zeide: „Wij zullen den bunzing door den honger uit zijn hol drijven.” - -Smith lachte, toen hij dit hoorde, maar de mondvoorraad begon toch -allengs te slinken. - -Toen kwam een Engelsch koopman in Durban op de gedachte, om zijne in ’t -nauw komende landgenooten te helpen, en hij trachtte een koppel ossen -het kamp binnen te smokkelen. Doch de belegeraars roken lont, en de -list mislukte. En om ook voor het vervolg van hen geen last te hebben, -liet Pretorius de Engelsche ingezetenen van Durban naar -Pieter-Maritzburg verhuizen en legde beslag op hun goed. Nu begon het -meenens te worden; majoor Smith lachte niet meer. - -Al kleiner werden de porties gedroogd paardenvleesch, en al brakker -werd het water uit de gegraven put. - -Wel deden de Engelschen verscheidene wanhopige uitvallen, om zich door -den waakzamen vijand heen te slaan, doch telkenmale werden zij met -bebloede koppen naar huis terug gestuurd. - -Doch in dezen grooten nood daagde er redding op in de gedaante van een -jongen Engelschman, met name Richard King. „Ik red het Kamp,” zeide -hij, en—hij kreeg het gedaan. - -De waakzaamheid der Boeren verschalkend, wist hij tusschen hunne -schildwachten door te sluipen, en voorzien van dépêches van majoor -Smith, aanvaardde hij een tocht van over de vierhonderd mijlen, om die -dépêches te overhandigen aan den bevelhebber der Engelsche troepen in -Grahamstown. - -Door volle rivieren en langs stroopende Kafferbenden moest hij heen, -doch niets en niemand kon den taaien en onverschrokken Engelschman -keeren. In nauwelijks negen dagen volbracht hij den gevaarvollen tocht -en meldde zich, hongerig en afgebeuld, aan bij den Engelschen generaal. - -Onmiddellijk werd een afdeeling grenadiers met de „Conch” naar Natal -verscheept, gevolgd door alle beschikbare troepen op het oorlogsschip -de „Southampton”. - -Een dag voor de „Southampton” liet de „Conch” het anker vallen op de -reede van Port-Natal, en den volgenden nacht verkondigden de hoog -opstijgende Engelsche vuurpijlen aan majoor Smith, dat de hulp nabij -was. - -J. A. Cloete, een geboren Afrikaander, doch kolonel in Engelschen -dienst, mag aanspraak maken op de eer en—de schande, Engeland aan Natal -te hebben geholpen. - -Op Zondag 26 Juni 1842 bewerkstelligde hij de landing der troepen. Met -bange zorgen op het schrandere voorhoofd snelde Pretorius, het beleg -van het Engelsche kamp opbrekend, naar de Baai, om die landing te -keeren. - -Doch te vergeefs was de moed en de doodsverachting, waarmede zijn -Boeren streden! - -De troepen waren volkomen gedekt door het vèr dragend geschut der -„Southampton”, en de ammunitie der Boeren raakte op. Afgemat en totaal -uitgeput trokken zij zich terug. Toorn, smart en droefheid spraken uit -hun oogen. - -Majoor Smith was ontzet, en donkerder dan ooit was de staatkundige -hemel. - -De Engelschen waren nu meester van het terrein, en ook de -Smellenkamp-illusie was in rook vergaan. - -Wie was die Smellenkamp? - -Drie maanden voor de „Southampton” ankerde op de reede van Port-Natal, -en met de kartetsen uit hare stalen vuurmonden het strand schoonveegde, -was op diezelfde reede een groote Oost-Indiëvaarder verschenen. De -Boeren hadden zich herhaalde malen de oogen gewreven bij het zien van -het schip, want zij konden hun oogen nauwelijks gelooven. Maar ten -slotte was er toch geen twijfel aan; vroolijk wapperde de Hollandsche -vlag in den top van den mast. - -Aan boord van dit schip, de „Brazilië”, was de supercarga Smellenkamp, -die, de Boeren opzoekend, door hen met de hartelijkste blijdschap werd -begroet. De wakkere mannen klaagden hem hunnen nood, en meegesleept -door zijn gevoel, beloofde hij aan de Boeren de bescherming van Willem -I, koning der Nederlanden. Ja, hij ging in zijn dwaze lichtvaardigheid -zoover, een verdrag met de Boeren te onderteekenen in naam van den -koning. Toen riepen de Boeren vol geestdrift: „Weg met de Engelschen! -Oranje boven!” - -De reis van Smellenkamp naar Pieter-Maritzburg werd een ware -triomftocht, maar de Boeren werden in hun hooggespannen verwachtingen -bitter teleurgesteld. En op denzelfden dag, dat de Engelsche troepen -landden in Natal, werd Smellenkamp door de Engelsche regeering opgepakt -en in de gevangenis geworpen. - -Intusschen durfde Cloete, die den loop der Engelsche geweren op zijn -eigen stamgenooten had laten richten, nog meer aan. Overtuigd, dat de -Voortrekkers eerder een guerrilla-oorlog tegen Engeland zouden -beginnen, dan zich onderwerpen aan een gezag, dat zij verafschuwden, -hitste hij zijn bloedhonden op hen aan, en die bloedhonden waren de -Zoeloe-Kaffers. Deze maatregel was even wreed als verachtelijk, doch de -Boeren raakten nu tusschen twee vuren bekneld. Omzwermd door de -snelvoetige Zoeloe’s, bedreigd door de kanonnen van Engeland, uitgeput -door het trekken en oorlogen, werd de toestand zeer hachelijk. - -De Volksraad hield stormachtige zittingen. De harde kern, de echte -Voortrekkers, wisten van wankelen noch wijken, doch de anderen begonnen -hun ooren te neigen naar de wenschen der Engelsche staatkunde, die in -Cloete een uitstekenden vertegenwoordiger had. - -Zelf verscheen hij in de raadzaal. - -In de ééne hand den strooppot, in de andere den strop, zoo deed hij -zijn intocht. - -De strooppot was voor de halven en de weifelenden; de strop voor de -onverzettelijken. - -„Gij Boeren,” zeide Cloete, „wees toch niet verblind! Ge zult veilig en -zeker wonen onder de vleugelen van het machtigste rijk der aarde. Ik -ben ook een onderdaan onzer geëerbiedigde Majesteit, en bezit ik niet -een onbeperkte persoonlijke vrijheid? Gij wilt de vrijheid—waar gedijt -ze beter dan onder den scepter onzer jonge koningin? Gij behoeft niet -eens den eed der getrouwheid af te leggen: een gewone verklaring, dat -ge Britsche onderdanen zijt, werpt u al de zegeningen der beschaving in -den schoot. Ge behoudt uw eigen land, uw eigen bestuur, uw eigen taal, -en het machtige Engeland zal u met zijn zwaard beschermen tegen de -aanvallen der Kaffers.” - -Dat was de strooppot. - -„Wilt gij niet beschermd worden, gij ongelukkigen? Dan schiet er niet -anders over dan je dood te schieten of uit het land te bannen.” - -Dat was de strop. - -Maar Barend Jansen fronste zijn zware wenkbrauwen en zeide met -flikkerende oogen: „Liever de strop dan de strooppot!” Dat was de taal -van al de zonen der vrijheid, doch de Engelschgezinden onder de -Afrikaanders en de halve Afrikaanders gaven den doorslag bij de -stemming, en er werd tot onderwerping besloten. - -„Maar wij zijn niet gebonden door dat besluit,” zeide Barend Jansen; -„kom, de Jong, al wat waarlijk Afrikaander is, zal met ons mede -strijden tegen Engelsch verraad.” - -De bezadigde ouderling echter schudde het hoofd en antwoordde: „Wij -zullen niet vechten, Barend Jansen.” - -„En waarom niet?” vraagde Barend Jansen. - -„Omdat de Heere reeds een Pella voor ons heeft gereed gemaakt, een -toevluchtsoord der vrijheid—daar trekken wij heen.” - -„Goed,” zeide Barend Jansen, „maar dan gauw, want ik kan die Engelsche -uniformen niet uitstaan.” - - - -Terwijl wij de vrijheidlievende Voortrekkers achterlaten bij hun -ingespannen ossenwagens, volgen wij nog even den loop van de -merkwaardige lotgevallen der Emigranten-Boeren in Natal. - -Er heerschte nu feitelijk drieërlei regeering: de Volksraad, het -militaire bestuur aan de Natal-Baai en het opperbestuur van den -Engelschen minister. - -Er moest bij dezen stand van zaken een grenzenlooze verwarring -ontstaan, die ook niet op zich liet wachten. En om in dezen chaos orde -te scheppen, werd een broeder van kolonel Cloete als speciale -commissaris naar Natal gezonden. - -Inmiddels had men in Nederland met warme belangstelling de -gebeurtenissen in Zuid-Afrika gevolgd, en als een welkomstgroet uit het -oude vaderland liet de „Brazilië” nogmaals het anker vallen op de reede -van Natal. Aan boord bevond zich Ds. Ham, die als herder en leeraar -onder de Boeren zou optreden. Maar hij mocht niet aan land komen. Het -Engelsche bestuur weigerde het, en onverrichter zake lichtte het -Hollandsche koopvaardijschip het anker. - -De verbittering onder de Emigranten over deze handelwijze was zoo -groot: dat men den commissaris Cloete te lijf wilde en die verbittering -nam nog toe, toen de Engelsche regeering het plan liet doorschemeren, -om ook de Transvaal te annexeeren. Met de snelheid van een veldbrand -verbreidde zich dit nieuws in Transvaal, en als door een elektrieken -schok getroffen, grepen de Boeren aan beide zijden der Vaalrivier naar -de wapens. Een gevaarlijke gisting openbaarde zich te gelijker tijd in -de Kaapkolonie, en slechts één vonk was er noodig, om heel Zuid-Afrika -in vlam te zetten. - -Maar de Engelsche regeering was zoo voorzichtig, den vonk te dooven, -voor hij den buskruitkelder bereikte, en het Drakengebergte werd -vastgesteld als de grens van het Engelsch gebied. - -Onwillig echter bogen de Emigranten-Boeren den nek onder het Engelsche -juk, en zij hunkerden naar de gelegenheid, om naar de Transvaal, naar -hunne broeders te trekken. En als een andere Jozua stelde zich -Pretorius aan hunne spits, en hen uitleidend uit de Engelsche -gevangenschap, bracht hij hen in het land der vrijheid: de Transvaal. -Zij breidden zich voornamelijk uit in het zuiden en het westen, en -stichtten in het midden des lands, op de helling van het gebergte, een -stad, en noemden haar uit dankbaarheid voor hun grooten generaal, -Pretoria, thans de welbekende hoofdstad der Zuid-Afrikaansche -Republiek. - - - -Wij keeren terug tot de ossenwagens van ouderling de Jong, Barend -Jansen en nog eenige andere Boeren, die zich bij hen hadden -aangesloten: de voorloopers van den tweeden, zoo even medegedeelden -grooten Trek onder Pretorius. - -De reis ging recht het noorden in, naar het Drakengebergte. - -Ouderling de Jong maakte haast, want hij reikhalsde, zijn trouwen -vriend Gert Kloppers weer de hand te drukken. Ook Barend Jansen -verlangde naar het einde der lange, eentonige reis, want hij was -benieuwd naar zijn dochter Anna. - -Vóór men echter den moeielijken en gevaarvollen tocht over het gebergte -achter den rug had, beklom—op een helderen namiddag—ouderling de Jong -alleen eene der voornaamste spitsen. - -Op de hoogte gekomen, wendde hij zijn blik naar het zuiden, en daar -lag—in den glans der naar het westen neigende zon—het land Natal in al -zijne liefelijkheid voor hem. - -Hij zag het glinsteren der beekjes, snel afvlietend van de heuvelen, de -als groene tapijten zich uitstrekkende dalen, de schaduwrijke bosschen! - -Hoe gaarne had hij daar de pinne zijner tente diep ingeslagen—helaas -het mocht niet zijn! - -Langzaam gleed zijn oog over het panorama heen, totdat het bleef hangen -aan een eenzamen wilgenboom. - -Onder dien boom lag Mieke begraven, de dochter van zijn trouwsten -vriend. En ach! Daar verder heen strekten zich die kleine klipheuvelen -uit—onder die klippen lagen zoo vele lieve, hartelijk beweende vrienden -begraven! Daar lagen ze: de vaders naast hunne zonen; de kinderen in de -armen hunner moeders—vermoord door de scherpe assegaai.... - -Zijn blik werd al droeviger; op zijn edel gelaat legde zich de smart -als een sombere avondwolk. - -Wat al leed, wat al ellende had het volk der Emigranten-Boeren niet -doorgemaakt! Door welke plassen van bloed en tranen waren die -ossenwagens heengegaan! - -Sombere wolken van zwaarmoedigheid en moedeloosheid onderschepten den -anders zoo helderen blik van ouderling de Jong, en schokten zijn -Godsvertrouwen. - -Doch toen hij langzaam de oogen ophief naar de schemerende heuvelen aan -den verren horizon, toen werd het weer lichter in zijn ziel, want -achter die heuvelen lag de Bloedrivier, en aan die Bloedrivier had God -aan Zijn volk verlossing geschonken. - -Aan den rand van den afgrond had de Heere het gered als een teeken -Zijner onwankelbare trouw. - -En wat klaagde de Jong? Had God het volk der vrije Emigranten-Boeren -òoit verlaten, al hadden zij ’t van wege hunne zonden verdiend? Was Hij -niet steeds—in al hun trekken—voor hen als een wolkkolom en vuurkolom -geweest? Was niet steeds in den hoogsten nood ook de onmiddellijke -redding gevolgd? En had de Heere in Zijn trouw verbond niet gezorgd, -dat zij aan het Engelsche juk konden ontkomen als een vogel aan den -strik van den vogelvanger? - -Op een harden klipsteen, daar zette de Jong zich neder. En hier in de -eenzaamheid, tusschen de rotsen en de spelonken en de kloven, prees hij -de onwankelbare trouw zijns Gods! - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXII. - - -Gert Kloppers scheen iets heel bijzonders in de verte te zien. - -Hij hield de hand boven de oogen, want de zon brandde fel. - -Een lange trein van ossenwagens naderde. Hottentotten en Kaffers liepen -naast de trekossen, sloegen met hunne korte zweepen en maakten een -leven van geweld. - -De trein ging recht op Kloppers’ hoeve aan. - -Nu stapten een vijftal Boeren uit de wagens, en sloegen de richting in -naar Gert Kloppers, die op een heuvel stond. - -Twee van die Boeren herkende Kloppers op den eersten blik; het waren -Barend Jansen en ouderling de Jong. - -Blijde verrast, liep hij de komenden tegemoet, en dat de ontmoeting met -de oude wapenbroeders hartelijk en innig was, behoef ik wel niet te -zeggen. - -„En kom je zoo uit Natal? En hoe staat het met den oorlog? Wij weten -hier van niets, dan dat Dirk is gevallen.” - -De droefheid kwam met onverzwakte kracht weer boven in het hart van -Gert Kloppers, doch met ongehuichelde verbazing staarden de Boeren den -spreker aan. - -„Dirk gevallen?” zeide Barend Jansen; „Dirk gevallen? Neen, Neef Gert, -zoo erg was het gelukkig niet. Bij het bestormen van—,” doch Gert -Kloppers liet hem niet uitpraten, en riep in de grootste spanning: „Zeg -mij maar één ding—leeft Dirk dan nog?” - -„Natuurlijk,” zeide Barend Jansen, „hij leeft nog; hij is zoo frisch -als een hoen, en binnen weinige dagen zal hij denkelijk wel hier -zijn—zijt ge nu tevreden, driftige baas?” - -Ja, nu was Gert Kloppers tevreden. Neen, hij was meer dan tevreden. - -„Dirk leeft! Hij is op de komst!” het barstte hem als een juichkreet -uit de borst. - -Als uit den ruischenden afgrond des doods ontving hij zijn zoon weer -terug—het geluk was te groot, om het in éénen keer te vatten! - -„Maar hoe is men toch aan dat doodsbericht gekomen?” vraagde Kloppers. - -„Dat had ik u daar net al kunnen zeggen, als gij mij niet in de rede -waart gevallen,” zeide Jansen. „Op zekeren nacht wilde de Engelsche -generaal de onzen overrompelen, maar Pretorius had er de lucht van -gekregen, en heeft dien lord behoorlijk ontvangen. Dirk was een der -eersten bij de Engelsche kanonnen, en kreeg van een Engelschen officier -een zwaren sabelhouw over het voorhoofd. Zwaar gewond werd hij -opgenomen; daar is het praatje vandaan gekomen, dat hij gesneuveld was. -Hij werd bij een Engelschen kolonist gebracht, die, ik moet de waarheid -zeggen, hem liefderijk heeft verpleegd, totdat hij was hersteld.” - -„Enfin,” liet Barend Jansen er op volgen, „die Engelsche officier heeft -van den leeuwenjager zijn vet gehad: kapitaal met rente, dat verzeker -ik je.” - -En hij wreef zich, terwijl hij dit vertelde, heel genoegelijk de -groote, zware handen. - -Nu gingen de Boeren met Kloppers voorop naar diens woning, en werd -moeder Kloppers van de vreugdetijding in kennis gesteld. - -Het is te verstaan, dat hare blijdschap geen grenzen kende. - -Terwijl nu de andere Boeren bij moeder Kloppers bleven, haastten -Kloppers en Jansen zich, om Anna’s woning te bereiken. Zij stond met -haar kind op den arm juist in de buitendeur, toen de beide vaders de -heugelijke tijding brachten. Sprakeloos stond zij hen aan te staren; -geen woord kwam over haar lippen. Reeds vreesde Kloppers, dat de -overgroote blijdschap haar te sterk had geschokt, doch spoedig -ontlastte zich haar overvol gemoed. De tranen stroomden haar over de -wangen: tranen van blijdschap, van liefde, van dankbaarheid.... - -Zij legde de kleine in haar wieg, en zocht het donkerste hoekje op in -haar woning. - -Daar knielde zij neder. - -Daar stortte zij haar ziel uit in een vurig dankgebed tot Hem, Die -steeds is geweest en steeds zal blijven een Hoorder, ja een Verhoorder -des gebeds! - - - -Zoo is de dag des wederziens aangebroken. Willem Kloppers, de jongste -van het zestal ruiters, die wij aan het strand van Natal hebben -bespied, is heden morgen aangekomen. Hij brengt de tijding, dat Dirk -met de anderen om drie uur heden middag hier denkt te zijn. De jonge -Boeren zijn namelijk van morgen bij een Afrikaander aangereden, die er -op stond, dat zij vandaag zijn gasten zouden zijn. Dirk, die zeer -ongeduldig naar huis verlangde, zou daarin echter niet hebben -toegestemd, had hij bij dien Afrikaander niet het praatje van zijn -doodsbericht gehoord. Hij had zich daarover ten hoogste verwonderd, -daar hij achtereenvolgens drie kleurlingen met brieven naar zijn vrouw -had afgezonden, die blijkbaar alle drie aan den haal waren gegaan, maar -in deze omstandigheden achtte hij het toch raadzaam, zijn vrouw door -een bode op zijn komst voor te bereiden. Dat zijn schoonvader en -ouderling de Jong reeds waren aangekomen, kon hij natuurlijk niet -gissen, en zoo is Willem dus de bode, die dit alles mededeelt. - -Floor spreekt nu als zijn meening uit, dat deze dag een eenigszins -feestelijk aanzien behoort te hebben, en dat al de kennissen in de -buurt dezen namiddag de gasten van zijn schoonzuster moeten zijn. -Anna’s woning biedt natuurlijk geen ruimte voor zooveel menschen, doch -daar weet Floor wel raad op. Hij timmert van een partij ruwe planken -eenige tafels en banken in elkaar, die hij dicht bij de woning, in de -schaduw van het geboomte, plaatst. - -Op deze tafels worden eenige mooie bloemruikers gezet, en Floor zegt: -„Nu kan het wel.” - -Tegen den namiddag nemen de familie, de vrienden en de kennissen aan de -tafels plaats. Er wordt koffie geschonken en gebak uitgedeeld; de -Boeren steken hunne pijpen aan en praten druk over de politiek. -Daartusschen wordt geschertst en gelachen: er heerscht een geest van -echte, gulle gezelligheid. - -Doch Anna spreekt weinig; zij is stil en in zich zelve gekeerd. Het -naderende geluk maakt haar stil. - -Grootvader Jansen heeft de kleine Mieke op zijn knie. Zij plukt met -haar blanke, mollige handjes in zijn ruigen baard en kraait van -plezier. - -’t Is nu half drie; op aller gelaat begint een blijde spanning te -komen. - -„Nog een half uur, Hanneke!” zegt Gert Kloppers. - -„’t Zal geen half uur meer duren!” zegt zijn vrouw. - -Zij raadt het. O die moeders! Zij kennen hare kinderen! - -Daar komt Willem driftig aanloopen. - -„Zij zijn in zicht,” roept hij—„hoera!” - -„Hoera,” roepen de jongeren, maar Anna kon het aan tafel niet meer -houden. - -De grond brandt onder hare voeten—zij snelt de ruiters tegemoet. - -Daar komen zij aan: Dirk Kloppers en de leeuwenjager; de beide zonen -van Jansen en Tijs de Jong. - -Zij staan in de stijgbeugels—recht op—zij zwaaien met de geweren boven -hunne hoofden! En dáár, die voorste van de groep—die dáár op den -zwarten hengst—ja, Anna kent hem wel! - -Hij springt van het paard, en lachend, weenend, juichend valt Anna in -zijn armen. - -Zij ziet niemand; zij ziet niets. - -Zij hoort slechts zijne stem, en het ruischt in hare ooren als het -ruischen van den morgenwind door de toppen van het geboomte: „Anna, -Liefste!” - -Doch snel keert Anna tot de werkelijkheid terug, en vlug als een hinde -gaat zij tot haar vader. - -Zij neemt haar dochterke, en legt het haren man in de armen. - -„Zie daar uw kind,” zegt ze met stralenden blik. - -Hij staart de kleine in de vriendelijke, blauwe kijkers, en als heldere -zonneschijn ligt het zoetste lachje op dat liefelijke gezichtje. Hij -drukt de kleine aan zijn hart en hij kust haar. En mannelijke tranen, -tranen van diepe, blijde ontroering, biggelen over zijn gebruinde -wangen, en dalen als dauw op de rozige koontjes der kleine Mieke. - -„En wat een breed litteeken loopt daar over uw voorhoofd, Dirk!” zegt -Anna, en zij gaat met haar hand liefkozend over dat litteeken heen. - -„Maar ik ben trotsch op dat litteeken,” gaat zij voort met schitterende -oogen, terwijl de dochter der vrije Emigranten-Boeren in haar boven -komt, „want gij zijt voortaan voor vriend en vijand geteekend als een -held van ons volk! Als een strijder voor vrijheid en recht!” - -En nu heeft de ontmoeting plaats van Dirk met zijn ouders. Wat een -blijdschap, wat een vreugde! De ouders hebben hun zoon dood gewaand, en -zie—hij wandelt weer op de lichte hoogten des levens! - -En nu lezer, laat den blik eens gaan over deze levende, sprekende groep -menschen, daar aan de lange, ruwe tafels! - -Daar ziet ge in de eerste plaats Gert Kloppers met die blauwe, heldere -oogen en dat hooge, schrandere voorhoofd. En naast hem zijn vrouw, de -gulle, hartelijke, vrome Hanna, die genoemd wordt eene moeder in -Israël. En naast haar de leeuwenjager met dat stroeve, zwaargebaarde -gelaat, en dat hart vol gulden trouw. - -Vrouw Kloppers heeft zoo even gezegd: „Hier zult ge zitten, Teunis, -naast mij. Gij hebt geen tehuis, maar ons tehuis zal voortaan ook het -uwe zijn, en gij zult ons zijn als een zoon des huizes.” En deze uit de -diepte opwellende hartelijkheid en liefde heeft den leeuwenjager goed -gedaan; dat kunt ge hem aanzien. - -En naast den leeuwenjager ziet ge de breede schouders van Barend -Jansen. Op den stevigen nek staat het groote hoofd, en onder die -forsche, zware wenkbrauwen flikkeren de scherpe, vorschende oogen. -Vastberadenheid en onverzettelijkheid liggen in elke plooi van dit -gelaat, en dat stalen voorhoofd schijnt geschapen, om er een muur mee -in te loopen. - -Maar thans ligt op dat gezicht een vroolijke tint, alsof de zon -tusschen de donderbuien zal doorkomen. - -En tusschen Barend Jansen en een ouden voortrekker—hoe komt ze daar -tusschen te zitten?—ziet ge de thans twaalfjarige Hannie als een -frissche, liefelijke lenteroos tusschen verweerde eiken. - -En die dáár is Floor. Ja, zijn vader heeft wel gelijk gehad, toen hij -zeide: „Met Floor zal het wel terecht komen.” Kijk maar in die flinke, -schrandere oogen—dan weet ge genoeg. - -En die daar met dien schalkschen, guitigen blik is Willem, en daarnaast -ziet ge het ernstige, edele gelaat van ouderling de Jong—maar stil, hij -staat op; hij zal spreken. - -De drukke gesprekken verstommen, nu de Jong het woord neemt. - -„Waarde, lieve Vrienden,” zoo begint hij met zijn klankvolle stem, „het -is heden voor ons allen een blijde, vroolijke dag, nu wij de onzen, die -in den oorlog zijn geweest, gezond en behouden weer mogen ontmoeten. Ik -denk hier bovenal aan mijn trouwen vriend Gert Kloppers, die dezen dag -tot een der gelukkigste zijns levens zal rekenen. - -„Doch deze dag heeft nog eene andere, eveneens blijde beteekenis. - -„Wij vertegenwoordigen hier een klein deel, maar ’t is toch een deel -van het wakkere, vrijheidlievende volk der Emigranten-Boeren.” - -De Boeren knikken bevestigend. - -„En aan ons, de Emigranten-Boeren, behoort naar Goddelijk en -menschelijk recht Natal, dat gedrenkt is met het hartebloed der Boeren. - -„Doch wij hebben ons teruggetrokken uit Natal—” - -„Met mìjn zin niet,” zegt de stugge Barend Jansen. - -„Wij hebben ons teruggetrokken uit Natal, zeg ik, omdat ons volk was -uitgeput door de Kafferoorlogen, omdat de armoede ons aangrijnsde, -omdat de Engelsche regeering steeds nieuwe hulptroepen zond, en omdat -er kaf was onder het koren: verbasterde Afrikaanders, die heil -verwachtten van de Engelsche vlag.” - -„Liever in de woestijn dan onder die vlag,” roept een forsche stem. - -„Doch de hoofdreden waarom wij, zwichtend voor Engelsch geweld, ons -terugtrekken uit Natal, ligt daarin, dat God de Almachtige ons hier in -het noorden, in de Transvaal, waar reeds zoo vele onzer broeders zich -onder de leiding van den zeer geachten kommandant-generaal Hendrik -Potgieter hebben gevestigd, dat Hij ons hier, zeg ik, ruimte geeft voor -onzen voet en staatkundige onafhankelijkheid. - -„Hier, broeders, op dezen grond zijn wij vrij! Het Engelsche juk is ons -van de schouders genomen, en wij ademen de vrijheidslucht! Het doel van -den zesjarigen zwerftocht is bereikt—God heeft onze gebeden verhoord!” - -„Maar wij geven daarmede onze rechtmatige aanspraken op Natal niet op,” -zegt de Jong, en het klinkt door zijn woorden heen als ingehouden -toorn. „En wij klagen de Engelsche regeering aan bij den troon van den -rechtvaardigen God, omdat zij het recht heeft geschonden en het recht -heeft vertrapt! - -„Ik geloof aan het recht van den sterkste. Verwondert ge u over mijn -uitdrukking? Ik zeg u, dat Engeland aan het kortste eind zal trekken, -want de rechtvaardige God is de sterkste, en Zijn recht zal zegevieren. -Zijne molens malen niet spoedig, want God is een lankmoedig God. Doch -als ze beginnen te malen, dan malen ze door, en vermalen de glorie der -volken, die den zwakke hebben verdrukt, en den ellendige smaadheid -aangedaan. - -„Maar wij, geliefde Broeders, wij hebben stof, om onzen trouwen God te -danken, want Hij heeft ons volk, het moe gejaagde, uit vele wonden -bloedend hert, een plaats gegeven, waar het kan uitrusten en genezen. - -„Reeds begint het te genezen—met uw eigen oogen kunt ge ’t zien! Een -groen, sappig kleed bedekt de velden; het vee heeft overvloedig -voedsel, en in de verte ziet ge de golvende, gouden korenvelden. Zie -den veestapel van onzen vriend Gert Kloppers! Zijn vee breekt uit in -menigte—de kalveren huppelen tusschen de lammeren!” - -„Ja,” zegt Barend Jansen, „als de Engelschen het in de gaten krijgen, -zullen ze gauw komen.” - -„Dan zullen wij vechten,” zegt de Jong, „of we trekken hooger het -noorden in, want onze God heeft meer dan éénen zegen.” - -„En als de Engelschen dien weg naar ’t noorden afsluiten?” vraagt -Jansen. - -„Dan zullen we zeker vechten,” antwoordt de Jong. - -„Ja, dan zullen we zèker vechten,” roepen de Boeren. - -„Tot den laatsten man!” zegt de Jong met verheffing van stem. - -„Tot den laatsten man!” roepen de Boeren. - -„Maar wij keeren tot het heden terug,” begint de Jong opnieuw, „en -thans zijn wij een vrij volk. Doch een vrij volk behoort een vlag te -hebben als een teeken zijner zelfstandigheid.” - -„Kent gij deze vlag?” zegt hij, terwijl hij een vlag, aan een stok -gebonden, omhoog houdt. - -Daar staat een Boer op; zijn haar is wit als sneeuw van ouderdom. - -„Dat is de Hollandsche driekleur,” zegt hij, „die ik vele jaren aan de -Tafelbaai heb zien wapperen.” - -„Maar de Engelschen hebben ze neergehaald,” laat hij er droevig op -volgen. - -„En hier, in den bodem der Transvaal, zullen we ze weer planten,” zegt -de Jong met moedige stem, „als het volk der Emigranten er over denkt -als ik, want wij zijn en blijven Hollandsche Afrikaanders! En wij -zullen er dan nog ééne kleur bijvoegen, namelijk het groen, want groen -is de kleur der hope.” - -„En deze vierkleur,” roept hij met langzame, luide, plechtige stem: -„deze vierkleur moge wapperen over het vrije volk der -Emigranten-Boeren—van het Drakengebergte tot aan de -Limpopo-rivier—zoolang de zon boven Afrika schijnt!” - -De koele, stoere Boeren zijn opgestaan. Hunne oogen schitteren; hunne -wangen gloeien. - -„Zoolang de zon boven Afrika schijnt!” roepen zij in losbarstende -geestdrift. - -„En zij zàl blijven wapperen op den wind,” alzoo besluit ouderling de -Jong zijn toespraak, „als ons volk door den band der eendracht blijft -verbonden; als wij onze roeping verstaan, om christendom en beschaving -te brengen onder de blinde heidenen; als wij wandelen in de inzettingen -des Heeren—God de Almachtige en de Getrouwe zegene het geliefde volk -der Emigranten-Boeren, en Hij stelle het tot een zegen tot in lengte -van dagen!” - - - -De zon, het groote licht van den dag, is nu ondergegaan. Reeds beginnen -de kleinere lichten van den nacht, de maan en de sterren, hun schijnsel -te geven aan den diepblauwen hemel. - -De zangvogel zingt zijn avondlied; de beek stoeit haar kabbelende -golven over de rotsen naar de diepte, en hoog boven de hoofden der -Boeren ruischt de avondwind in de toppen van het geboomte. - -En hoor, zij zingen! - -Zij zingen hun overwinningslied: - - - „De Heer is mij tot hulp en sterkte; - Hij is mijn lied, mijn psalmgezang; - Hij was het, Die mijn heil bewerkte; - Dies loof ik Hem mijn leven lang. - Men hoort der vromen tent weergalmen - Van hulp en heil ons aangebracht; - Daar zingt men blij met dankbare psalmen: - Gods rechterhand doet groote kracht!” - - -Het lied klimt op; het zet zich uit; het klinkt over velden en beemden! - -Het rijst op boven de toppen van het geboomte; boven de koppen der -Afrikaansche bergen! - -Het rijst op, al hooger en hooger—; tot de sterren—; tot voor den troon -van den Eeuwige en den Rechtvaardige, die het lot der volkeren -bestiert—! - - - EINDE VAN HET EERSTE DEEL. - - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Heirweg. - -[2] Wild gedierte. - -[3] De Transvaalsche vlag, de vierkleur, bestaat uit de drie kleuren -der Nederlandsche vlag met een groenen streep. - -[4] Assegaai = Kafferspeer. - -[5] Drift = ondiep, doorwaadbaar veer. - -[6] De trekkende Boeren noemden zich zelven Emigranten-Boeren in -tegenstelling van de Boeren, die in de Kaapkolonie bleven. - -[7] De Geschiedenis van de Hollandsch-Afrikaansche Boeren door J. H. -Hatting, Utrecht, Transvaal. - -[8] Trans beteekent over. Met de uitdrukking: Transvaal bedoelden de -Boeren dus het gebied over de Vaalrivier: het Overvaalsche. - -[9] Eene soort beenen bikkels. - -[10] Zonder verlies van menschenlevens. - -[11] Chaka was de broeder van Dingaan, en werd door zijn broeders in -1828 vermoord. Chaka was een onmensch, bloeddorstig als een wild dier, -doch werd door zijn opvolger Dingaan nog overtroffen. - -[12] De Geschiedenis van de Hollandsch-Afrikaansche Boeren door J. H. -Hatting. Utrecht, Transvaal. - -[13] Kraal = Kafferwoning. - -[14] Zie Lion Cachet: „De worstelstrijd der Transvalers”. - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE HELDEN VAN ZUID-AFRIKA *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
