summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/68193-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/68193-0.txt')
-rw-r--r--old/68193-0.txt10935
1 files changed, 0 insertions, 10935 deletions
diff --git a/old/68193-0.txt b/old/68193-0.txt
deleted file mode 100644
index e07ed27..0000000
--- a/old/68193-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,10935 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of De Helden van Zuid-Afrika, by L.
-Penning
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: De Helden van Zuid-Afrika
- Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de
- Kaapkolonie naar de Transvaal
-
-Author: L. Penning
-
-Release Date: May 28, 2022 [eBook #68193]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- file was produced from images generously made available by
- The Internet Archive)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE HELDEN VAN
-ZUID-AFRIKA ***
-
-
-
-
- Transvaalsche
- Historische Verhalen.
-
- DE HELDEN VAN ZUID-AFRIKA.
-
- Een Verhaal
- uit den „Trek” der Afrikaansche Boeren uit de
- Kaapkolonie naar de Transvaal
-
-
- DOOR
- L. PENNING.
-
-
- Vierde Druk.
- MET 3 GEKLEURDE PLATEN EN PORTRET.
-
-
- GORINCHEM—F. DUYM—1900.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
-
-
-Van mijn afzonderlijk uitgegeven verhalen: „De Helden van Zuid-Afrika”,
-„De Scherpschutters van Zuid-Afrika” en „De Ruiters van Zuid-Afrika”
-verschijnt thans de tweede druk.
-
-In „De Helden” vormt de tocht der Boeren naar het onbekende noorden en
-hun worsteling met Kaffers en Engelschen, in „De Scherpschutters” de
-vrijheidsoorlog van 1880/81 tegen Engelsch geweld, en in „De Ruiters”
-de golvende vlakte bij Krugersdorp, waar Jameson’s rooftocht zijn
-smadelijk einde vond, het hoogtepunt van het verhaal.
-
-Het zijn drie zelfstandige verhalen, doch de draad, vastgeknoopt in „De
-Helden” en doorgetrokken in „De Scherpschutters” wordt afgesponnen in
-„De Ruiters”. In zoover vormen de drie verhalen één geheel, en was het
-dus eene goede gedachte van den Uitgever, om ze in een Serie uit te
-geven.
-
-Dat de Uitgever intusschen zoo spoedig tot een tweeden druk kon
-overgaan, pleit voor de belangstelling, waarmede de opkomst der
-jeugdige Zuid-Afrikaansche Republiek wordt gadegeslagen, en in zoover
-die belangstelling den Schrijver zelven raakt, betuig ik daarvoor
-zoowel aan het Nederlandsche als aan het stamverwante Afrikaansche
-publiek mijn welgemeenden dank.
-
-Moge dan ook deze tweede Uitgave er het hare toe bijdragen, om den band
-hecht en sterk te maken, die ons bindt aan de Afrikaansche Boeren, want
-het is de band des bloeds! En de Boeren kunnen er zich van verzekerd
-houden, dat wij Nederlanders met warme harten hun worsteling gadeslaan
-voor een vrij en onafhankelijk Zuid-Afrika!
-
-
-L. PENNING.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
-Wij schrijven het jaar 1835.
-
-Breed en stoffig, vervelend en eindeloos strekt zich de weg voor ons
-uit. De wagensporen gaan er als diepe voren doorheen.
-
-Niets verbreekt de eentonige stilte dan het gekras van een roofvogel
-hoog in de lucht, het gehots van een ossenwagen heel in de verte en het
-„Halloh” van een driftigen voerman.
-
-Ginds buigt een laan in het transportpad [1]. Die laan gaan wij op.
-
-’t Is een oprijlaan, met schaduwrijke olijfboomen beplant.
-
-Die schaduw verkwikt ons, want het was heet op den zandigen weg. De
-zon, al begon ze reeds te dalen, brandde ons op het hoofd.
-
-Aan het einde der laan staat een woning, een boerenhuis. Het schijnt,
-dat de bewoner de menschelijke samenleving is ontvlucht; zóó eenzaam
-staat het huis.
-
-Het is opgetrokken uit gebakken steen, breed en lang; laag aan den
-grond; slechts één verdieping hoog.
-
-Het is wit gepleisterd, en de kleine ruiten kijken half schuchter, half
-nieuwsgierig tusschen het groen gebladerte door van den wijnstok, die
-zijn sappige ranken opschiet tot boven het dak.
-
-Aan de linkerzijde van het huis is een diepte, een zoogenaamde „dam”,
-waarin het regenwater wordt opgevangen. Met dat water wordt het vee
-gedrenkt. Er staat thans weinig water in, want de vijver droogt op in
-de heete zonnestralen, en het heeft in geen maanden geregend.
-
-Rechts ziet ge een schuur. Men noemt het hier een „wagenhuis”. Het
-dient als bergplaats voor de wagens en landbouwgereedschappen.
-
-In dit wagenhuis staan drie ossenwagens; een bewijs, dat de boer, die
-hier woont, rijk is. Arme boeren bezitten maar één ossenwagen. Er zijn
-zelfs boeren, die geen ossenwagen hebben; die leenen er een, als het
-noodig is.
-
-Voorts ziet ge rechts een groote, cirkelvormige ruimte, door een muur
-van met zorg opgestapelde klipsteenen ingesloten.
-
-Die klipsteenen worden uit den grond uitgegraven.
-
-Deze cirkelvormige ruimte wordt „kraal” genoemd, en dient tot stal en
-wijkplaats voor de ossen en ander vee, ’s nachts, als de wilde dieren
-op roof uitgaan.
-
-Thans is de ruimte ledig. Een gedeelte der kudde kunt ge ginds aan den
-horizon zien grazen: langs de heuvelen. Ge ziet er menschen bij; dat
-zijn de herders. Maar deze herders zijn geen zonen van Jafet; daarvoor
-is hun kleur te bruin. Ge zoudt het zelf kunnen opmerken, als de
-afstand niet te groot was.
-
-Achter het huis strekt zich de groote boomgaard uit. In keurige orde
-zijn de boomen geplant; ge zoudt denken, in een Geldersche
-kersenboomgaard te zijn. Abrikozen wisselen met perziken, appels met
-peeren, moerbeziën met sinaasappelen, en daartusschen ruischt het
-gebladerte van den vijgenboom.
-
-Terwijl de velden verschroeid zijn door de zomerhitte, schiet hier het
-gras welig uit, en wel zestig rijpaarden loopen hier te grazen.
-
-Ik haast mij, u met de bezitters dier paarden in kennis te stellen.
-
-Ziet ge die drie machtige, honderd voet hooge gomboomen aan het eind
-van den boomgaard?
-
-In de schaduw van die gomboomen daar zitten zij, die mannen, en zonder
-dat ik het u behoef te zeggen, voelt ge als bij ingeving: Hier ben ik
-onder stamgenooten, onder broeders!
-
-Ge ziet het aan hun gelaat; ge hoort het aan hun taal; ge merkt het aan
-hunne manieren.
-
-’t Is verwonderlijk: hier, aan de andere zijde van den evenaar, midden
-in de eindelooze velden van Zuid-Afrika, een vergadering van
-Hollandsche Boeren!
-
-’t Is verwonderlijk, en toch is er geen twijfel aan. Zie maar hoe
-bedaard zij uit hun pijpen zitten te rooken, en vóór hen staat de
-dampende koffie.
-
-Zij drinken altijd koffie, die Hollandsche Boeren, altijd!
-
-’s Morgens drinken zij haar tegen de kou, en ’s middags tegen de hitte.
-Zij drinken altijd koffie; zij zullen zich de maag nog bederven aan de
-koffie.
-
-Ik vraag uwe aandacht voor deze vergadering. Daar ligt een trek van
-gulheid, van vastberadenheid, van voorzichtigheid en taaiheid op die
-aangezichten. Het is de taaiheid van den echten, onvervalschten boer
-der Hollandsche polders, die taai is als de klei, die hij bewerkt.
-
-Deze vergadering is geboren uit den nood der tijden.
-
-De boeren, hier saamgekomen, wonen in het oostelijk deel der Engelsche
-Kaapkolonie, en zij moeten elken dag in het geweer tegen de wilde
-Kafferstammen op de grenzen.
-
-Voor Engeland moeten zij het spit afbijten, maar zonder vergoeding. Hun
-woningen worden door stroopende Kafferbenden verbrand; hun kudden
-gestolen; hun korenvelden verwoest; hun leven bedreigd.
-
-De Engelsche overheid verleent hun geen bescherming. Zij zijn aan zich
-zelven overgelaten, en toch weer zoodanig door Engelsche reglementen en
-verordeningen aan handen en voeten gebonden, dat er van geen tuchtiging
-der Kaffers kan sprake zijn.
-
-Nu zijn zij bij elkander gekomen, hier, bij Gert Kloppers, een
-zestigtal Boeren, om een voorloopige beraadslaging te houden van
-hetgeen er te doen is.
-
-Daar zit hij, de gastheer, aan het boveneind eener lange rij uit ruw
-hout getimmerde tafels. Hij is een breed geschouderd, krachtig gebouwd
-man van ongeveer 45 jaar, met een helderen opslag van het blauwe oog.
-Hij is groot in den raad der vergadering, en zijn woord heeft gezag.
-Hij is een Hollander van den ouden stempel: voorzichtig, bedachtzaam,
-ietwat stroef, maar onverzettelijk, als de beslissing is gevallen. Hij
-heeft een langen stamboom, die tot in de provincie Utrecht reikt, tot
-aan de vriendelijke boorden der kleine Vecht.
-
-Van de Vecht naar Kaapstad was een lange weg, en van de Kaapstad tot in
-dit district was ook een heel eind: ja, de Kloppersen zijn altijd echte
-voortrekkers geweest.
-
-Tegenover Kloppers zit Teunis Smit. Hij is even zwaar gebouwd als
-eerstgenoemde, en een der geduchtste leeuwenjagers van de Kaapkolonie.
-
-Als jager is hij grooter dan al de andere Boeren. Al de Boeren zijn
-scherpschutters, doch hij is de koning der scherpschutters.
-
-Weken en maanden lang heeft hij ver in ’t noorden van de Vaalrivier
-gezworven, waar geen blanke kwam, om op de olifanten te jagen. Het is
-gebeurd, dat hij met den tweeden kogel den eerste dieper moest
-indrijven in het vleesch van den reus, daar de kogel niet zwaar genoeg
-was.
-
-Op meer dan tweehonderd meter weet hij, bij het stellen van het vizier
-van zijn geweer, den afstand op weinig centimeter na te bepalen, en
-vijf en twintig leeuwenhuiden hangen als zooveel tropheën in zijn huis.
-Maar hij praat er weinig over, want niets is hem hinderlijker dan bluf:
-een karaktertrek, die allen Boeren eigen is.
-
-De man met dien grijzen baard, rechts van Teunis Smit, is een Croesus
-onder de Boeren. In de kafferoorlogen zijn hem honderden stuks vee
-geroofd, maar hij kan er tegen, want hij is rijk aan vee; acht duizend
-fijne merinosschapen zijn de zijne. Hij pocht niet op zijn rijkdom;
-trouwens het geeft hem geen schreefje voor bij de andere Boeren.
-
-De zoon van den armsten Boer kan om de dochter van dezen Croesus gaan,
-en er zeker van zijn, dat het geld geen struikelblok zal wezen. Hij
-zelf is er van overtuigd, dat de zoon van den armsten Afrikaanschen
-Boer te veel gevoel van eigenwaarde heeft, om zich voor geld te
-verkoopen.
-
-Hij geniet overigens de algemeene achting, is een steun voor arme
-weezen, en de tranen der weduwen heeft hij gedroogd.
-
-Maar aan wien behoort dat opgewekt gelaat, ginds bij den middelsten
-gomboom?
-
-Dat is Frans Viljoen. Het moet eigenlijk zijn Villons: een Fransche
-naam. Maar de naam heeft zoo goed als zijn eigenaar een Hollandschen
-stempel gekregen.
-
-De Villons waren oorspronkelijk Hugenoten, die, om des geloofs wil uit
-Frankrijk verdreven, door de welwillendheid van het Hollandsche
-gouvernement een toevluchtsoord en een nieuw vaderland vonden in de
-Kaapkolonie.
-
-Reeds sedert honderdvijftig jaar wonen de Villons in de Kaapkolonie, en
-deze Fransche tak is ingeënt op den Hollandschen stam.
-
-Bij Frans Viljoen werkt echter het snelbruisende bloed zijner
-voorvaderen nog na, wier wieg heeft gestaan in de liefelijke vlakte der
-Rhone.
-
-Vroolijk, opgewekt, niet al te zwaar tillend, past hij tusschen zijn
-buren rechts en links als een vriendelijke linde tusschen knoestige
-eiken.
-
-En wie is dat daar, links in het midden der rij tafels? Dat is Hendrik
-de Jong, een man met een dapperen arm en een godvreezend hart.
-
-Hij is ouderling der gemeente, en zijn naam is met eere bekend.
-
-Daar straks heeft hij de vergadering met gebed geopend. ’t Is een
-gewoonte der Boeren, elke gewichtige vergadering met gebed te openen.
-Zij denken, dat men een zaak slecht begint, als men ze zonder God
-begint. ’t Is een ouderwetsche idee, maar ik denk, ze is nog zoo kwaad
-niet.
-
-Ik zou echter de waarheid te kort doen, indien ik beweerde, dat de
-besprekingen, die in den loop dezer vergadering worden gehouden, steeds
-door denzelfden geest zijn gekenmerkt, waarin de vergadering is
-geopend.
-
-De Boeren zijn geen heiligen: het zijn menschen van gelijke bewegingen
-als wij. En als straks ouderling de Jong de dankzegging doet, dan is
-het waarlijk geen ijdele phrase, wanneer hij smeekt: „Vergeef ons het
-zondige, dat ons ook in deze ure heeft aangekleefd!”
-
-Ik zeg nog eens: deze vergadering is geboren uit den nood der tijden.
-Er moet een plan worden gemaakt, een besluit worden genomen, om uit
-dien onhoudbaren toestand te geraken.
-
-Zóó kan het niet langer.
-
-Er moet iets gedaan worden—maar wat?
-
-Engeland zegt: „Terug met uw gezinnen en vee naar de Tafelbaai, als gij
-’t in ’t oosten niet kunt kroppen.”
-
-Maar daarover zijn ze ’t allen eens: dat nooit!
-
-Liever aan den bedelstaf, dan nog dichter onder de Engelsche vlag! Ze
-willen er onder uit: hoe eerder hoe beter!
-
-Naar de Kaap terug: neen, dat willen ze niet—dat doen ze nooit! Wat ze
-niet willen, daarover zijn ze ’t dus eens, maar wat ze wel willen,
-daarover zijn ze ’t niet eens.
-
-„Wij moeten trekken, zoo gauw mogelijk!” zeggen de meesten.
-
-„Neen!” zeggen anderen: „niet trekken—eerst vechten! Wij willen
-trachten, het Engelsche juk te verbreken, en gelukt dat niet, dan
-schudden wij het stof van onze voeten en trekken!”
-
-„Vechten tegen het geordende gezag?” roept een stem van den anderen
-kant, „dat heet bij mij muiterij!”
-
-„Muiterij? Dat is geen muiterij!” antwoordt driftig een derde; „het is
-een gerechtvaardigde opstand. Wij willen niet als lafaards op de vlucht
-slaan, zonder een schot te hebben gelost.”
-
-„Wie praat hier van lafaards?” roept een kerel als een boom van den
-overkant, terwijl zijn vuist dreunend op de tafel valt. „Zijn dat
-lafaards, die onder de bloeddorstige Kaffers durven trekken, naar een
-land, dat krioelt van slangen en ongedierte?” [2]
-
-Over en weer vliegen scherpe woorden; ieder brengt zijn opinie te
-berde, en blijft er op staan met de onbuigzaamheid van een Fries.
-
-De gemoederen worden warm; er klinken toornige stemmen tusschen door.
-
-Als het zoo moet gaan, zal men nooit tot een gemeenschappelijke
-beslissing komen.
-
-Niets is dringender noodzakelijk dan eendracht, en hoe ver is ze op dit
-oogenblik te zoeken!
-
-Zie, daar staat een grijsaard op. Wij hadden hem nog niet opgemerkt.
-Hij zat naast Gert Kloppers: ’t is zijn vader, de oude Dirk.
-
-Bij de meeste vergaderingen is hij tegenwoordig, maar zijn stem wordt
-weinig meer gehoord. Hij zit gewoonlijk stil voor zich heen te staren:
-een oud, afgeleefd man, die geen aandacht trekt.
-
-Hij is opgestaan; de linkerhand leunt op Gert’s schouder. De rechter
-hand mist hij; van den rechter arm heeft hij niets meer over dan een
-stomp.
-
-Gert werd eens door een Kafferhoofdman overrompeld, die hem met een
-bijlhouw het hoofd wou klieven. Zijn vader, die er bij stond, had geen
-ander schild, om het hoofd van Gert te beschermen, dan zijn rechter
-arm. De Kaffer sloeg den arm af, maar de kracht van den bijlhouw was
-gebroken. Met zijn rechterarm kocht dus Dirk Kloppers het leven van
-zijn zoon Gert.
-
-Dit is reeds vele, vele jaren geleden, maar Gert weet het nog wel. Aan
-de linker hand, die hij ziet, denkt hij niet, maar de rechter hand, die
-hij niet ziet, daar denkt hij altoos aan.
-
-Aller oogen zijn thans op den ouden Dirk Kloppers gericht, maar hij
-ziet niemand, want hij is blind van ouderdom. Hij wacht eenige
-oogenblikken.
-
-Het rumoer is plotseling bedaard, want voor de grijze haren heeft
-iedere Afrikaansche Boer diepen eerbied.
-
-„Kinderen!” zegt hij; „luistert naar een oud man, over wiens hoofd drie
-en negentig zomers zijn heengegaan.
-
-„Mijn hart is vervuld met smart, want er heerscht geen eendracht onder
-mijn volk. En een huis, dat tegen zich zelve verdeeld is, kan niet
-bestaan.
-
-„Vijftig jaar geleden woonde ik honderd mijlen dichter aan de Kaap, en
-ik bracht mijn producten naar Kaapstad aan de markt. Daar vernam ik
-dan, hoe de tweedracht in het moederland toenam, en opwies als een
-giftig en het goede zaad verstikkend onkruid.
-
-„Dat onkruid wies bij den dag en vergiftigde Holland. Het geliefde
-Oranjehuis werd weggejaagd, en de vijand werd binnengehaald. Zóó werd
-Holland vermoord.
-
-„Neen, niet Napoleon, de man des bloeds, vermoordde Holland; Holland
-werd door zijn eigen kinderen vermoord. De godsvrucht en de eendracht,
-die in de godsvrucht wortelt, werden van de erve der vaderen
-weggebannen, en het volk ging onder.
-
-„Met mijn eigen oogen heb ik het gezien,” riep de oude man klagend uit,
-„dat de geliefde Statenvlag werd neergehaald aan de Tafelbaai.”
-
-„Gij wilt vechten?” ging hij voort; „dwaze kinderen, gij weet niet, wat
-ge wilt.
-
-„Twintig jaar geleden wilden sommigen onzer ook vechten, om onder het
-Engelsche bestuur uit te komen, en aan de galg van Slachtersnek blies
-de opstand den laatsten adem uit.
-
-„Er zat geen veerkracht in dien opstand, en waarom niet?
-
-„Er lag op den bodem onzer ziel een bange twijfel, of die opstand wel
-recht was in de oogen van God, Die heilig is. En hoe zal men dapper
-strijden met twijfel in de ziel? Die twijfelt, is aan een baar der zee
-gelijk, die van den wind her- en derwaarts wordt geslingerd.
-
-„Wanneer in het diepst uwer conscientie de vaste overtuiging leeft: Wij
-hebben in den strijd God en het recht aan onze zijde, dan kunt gij
-vechten als dappere mannen. En al zoudt gij ondergaan in den strijd,
-God zal uit uw lenden de helden verwekken, die over uw graven heen den
-strijd tegen Amelek zullen voortzetten tot de victorie. Gij wilt thans
-vechten—gij moogt niet vechten, want ik twijfel, of gij het recht aan
-uwe zijde hebt. Gij wordt door Engeland vertrapt; dat is waar. Toch
-moogt gij niet opstaan tegen het gezag, dat onder des Heeren bestiering
-over u is gekomen.
-
-„Lieve vrienden! Ik, een oud man, bid u: weest eendrachtig!
-
-„Ik heb nog nooit gezien, dat een volk door tweedracht sterk werd.
-
-„Zie, uw kogel haalt den roofvogel, die op de lammeren uwer kudde
-loert, uit de wolken, en op het monster der tweedracht, die het op uw
-volksleven heeft gemunt, zult gij geen jacht maken?
-
-„De toestand is onhoudbaar; vechten moogt gij niet; wat schiet er dan
-anders over dan trekken?
-
-„Op dan met God! Als van ouds de baanbrekers van christendom en
-beschaving! De moedige, de dappere, de onvervaarde Voortrekkers!”
-
-De zon ging onder. Haar laatste stralen vielen op het eerbiedwaardig
-gelaat van den grijsaard. Er scheen een vonk van geestdrift te gloren
-in die uitgebluschte oogen: als een patriarch uit den ouden tijd—zoo
-stond hij daar!
-
-Er heerschte een langdurig zwijgen. Niets werd gehoord dan het geruisch
-van het zomerwindje in de toppen der gomboomen. De schaduwen werden
-breeder; het begon donker te worden.
-
-Toen stond een der aanwezigen op; zijn gelaat was niet te herkennen,
-zoo donker was het reeds geworden.
-
-„Ik ben de sterkste voorstander van den opstand geweest,” riep hij,
-„maar ik ben veranderd. Vader Kloppers heeft gelijk. Ik heb twaalf
-zonen thuis, en ik zal hun den weg wijzen, hoe zij vrije mannen kunnen
-worden—vrij van de Engelsche tyrannie! Ik en mijn huisgezin—wij
-trekken!”
-
-Als door een electrischen schok getroffen, rezen al de Boeren overeind,
-en—als een juichkreet!—barstte van aller lippen de kreet: „Wij en onze
-huisgezinnen—wij trekken!”
-
-Het was een plechtig, indrukwekkend oogenblik. Hendrik de Jong trad
-naar voren, en sprak met bewogen stem: „Broeders, geliefde Broeders!
-God heeft mijn gebed verhoord; de band der eendracht is bevestigd.
-Straks gaat gij naar uwe woningen en zult het aan uwe geburen
-vertellen, dat wij ééns zijn om te trekken. Ook in de andere wijken
-onzer Kolonie zullen soortgelijke vergaderingen worden gehouden, en de
-éénstemmigheid onzer vergadering zal, naar ik hoop en geloof, een
-richtsnoer zijn voor de broeders, die nog moeten besluiten.
-
-„Ik zeg niet, dat allen zullen besluiten om te trekken, maar ik spreek
-mijn vertrouwen uit, dat allen het daarin ééns zullen zijn: geen
-revolutie!
-
-„Zij behoeven ook niet allen te trekken. De bijenstok gaat zwermen,
-doch niet alle bijen verlaten den ouden stok. Het is goed, dat er een
-Hollandsche kern in de kolonie achterblijve, die over onzen godsdienst,
-onze taal en onze zeden de wacht houde.
-
-„Maar wij zullen optrekken in de mogendheden des Almachtigen, en de
-Heere zal onze banier zijn! Wij zullen trekken—wij zullen trekken met
-duizenden!
-
-„Met Gods hulp zullen wij een nieuwen staat scheppen, en de Driekleur,
-[3] die aan de Tafelbaai werd neergehaald, wij zullen ze laten wapperen
-boven de toppen van het Drakengebergte! Dat geve God!
-
-„Broeders, vóór wij danken en scheiden, willen wij een psalmlied
-zingen, en wat zullen wij passender zingen dan dit lied:
-
-
- „Ai ziet! Hoe goed, hoe lieflijk is ’t, dat zonen
- Van ’t zelfde huis als broeders samenwonen,
- Waar ’t liefdevuur niet wordt verdoofd!
- ’t Is als de zalf op ’s Hoogepriesters hoofd,
- De zalf, waarmee hij is aan God gewijd,
- Die door haar reuk het hart verblijdt!”
-
-
-Uit volle borst werd het lied gezongen. Het rees op: bemoedigend,
-sterkend, troostend. Het rees boven de donkere kronen der gomboomen;
-het rees op naar de sterren. Het zette zich uit: het klonk over velden
-en beemden, en de echo der Afrikaansche bergen antwoordde:
-
-
- „Ai ziet! Hoe goed, hoe lieflijk is ’t, dat zonen
- Van ’t zelfde huis als broeders samenwonen!”
-
-
-Ik herhaal het: de toestand was voor velen onhoudbaar.
-
-In vroegere tijden had de Boer nog al redelijk kunnen opschieten met
-den Kaffer. Hij kende diens manieren, en de Kaffer had respect voor den
-Boer. Doch toen de Engelschman heer en gebieder was geworden in de
-Kaapkolonie, mengde hij zich in de verhouding tusschen Boer en Kaffer,
-en bedierf die verhouding in den grond.
-
-In 1811 plantte Engeland aan de Vischrivier zijn bakens tusschen de
-Kolonie en het Kaffergebied. De Vischrivier zou voortaan de grens zijn.
-
-Al de Kaffers aan den Engelschen kant der rivier moesten verhuizen;
-zelfs de Kaffers, bij de Boeren in dienst, mochten niet blijven. 20000
-Kaffers werden over de Vischrivier gejaagd door een staatkunde even
-wreed als dwaas, doch de Boeren konden het gelag betalen. Zij
-hadden—als onderdanen der Britsche kroon—mee moeten helpen, om dezen
-noodlottigen maatregel uit te voeren, en de verbittering der Kaffers
-was grenzenloos.
-
-Bloedige, verschrikkelijke oorlogen waren het gevolg, en de Boeren
-langs de oostelijke grenzen hadden het hard te verantwoorden. De
-Boeren-districten waren in een voortdurenden staat van beleg. Achttien
-maanden achtereen soms stonden de Boerencommando’s op de eenzame
-wachtposten langs de grenzen.
-
-Van 1830–1834 waren door de Kaffers ongeveer vijfhonderd woningen
-verbrand, driehonderd plaatsen verwoest, zestig ossenwagens meegenomen
-en driehonderdduizend stuks vee geroofd, een schade veroorzakend van
-minstens tien millioen gulden naar onze tegenwoordige geldswaarde.
-
-De Boeren klaagden bitter, en de Engelsche regeering besloot eindelijk,
-om de verregaande brutaliteit der Kaffers te fnuiken. De Boeren werden
-dus opgeroepen, om in vereeniging met de Engelsche troepen naar het
-Kafferland op te rukken, en den vijand te tuchtigen. ’t Is waar, de
-Boeren moesten voor hun eigen uitrusting zorgen; zij werden
-opgekommandeerd met geweren, paard, zadel en toom, maar ze deden het
-gewillig, want zij leefden in het stellig vertrouwen, dat zij hun
-gestolen vee terug zouden krijgen.
-
-De Boeren leden veel in dezen veldtocht. Zij hadden wagens noch tenten,
-waren blootgesteld aan weer en wind en leden honger en dorst. Elken
-avond werd er een groote cirkelvormige ruimte door een heining van
-doorntakken afgepaald, en binnen deze ruimte, achter eenige grasoppers,
-moesten zij met hun paarden de dikwijls gure, koude nachten
-doorbrengen. Kaarsen mochten niet worden aangestoken, en het vuur moest
-des nachts worden gedoofd, omdat het schijnsel het kamp aan den vijand
-zou kunnen verraden.
-
-Natuurlijk, de Engelsche troepen hadden het vrij wat beter. Hun lager,
-dat gewoonlijk op vijfhonderd pas afstands van dat der Boeren werd
-gemaakt, bestond uit sterke, zware veldtenten, die tegen den wind
-beschutten, en geen regen doorlieten.
-
-De hoofdtaak der Boeren bestond in het verwoesten der korenvelden in
-het vijandelijk land. Vroeg in den morgen werd van uit het Engelsche
-kamp door hoorngeschal aan de Boeren het bevel gegeven om op te
-zadelen, en hun werk te beginnen. Of de Boeren reeds ontbeten hadden,
-werd niet gevraagd—de order moest onmiddellijk en stipt worden
-uitgevoerd.
-
-Den teugel van het paard om den linker arm geslagen, het geladen geweer
-over den schouder, trokken de Boeren dan, gewapend met een korten,
-zwaren stok, waarmede zij het rijpende koren tegen den grond sloegen,
-van den vroegen morgen tot laat in den avond over de bebouwde
-Kafferakkers.
-
-’t Was een gevaarlijk werk. Achter de rotsen en in de bosschen
-verscholen, zagen de Kaffers met woede het vernielen aan van een veel
-beloovenden oogst, en meer dan één Boer stortte met de doodelijke
-assegaai [4] in de borst of de zijde op de korenhalmen neer, die hij
-pas had neergeslagen.
-
-De Engelschen waren lijdelijke toeschouwers; zij vonden dezen arbeid al
-te gevaarlijk. En om volkomen veilig te zijn, bouwden zij een sterk
-fort, waar geen Kafferspeer kon komen.
-
-De veldtocht duurde zes maanden; toen was het doel bereikt, en de
-Kaffers hadden de sterke vuist der Boeren gevoeld. Nu mochten de Boeren
-huiswaarts keeren, maar ze waren verplicht om voor de Engelsche
-regeering een goed rijpaard achter te laten, waarvoor hun zestig gulden
-zou worden vergoed, een vergoeding, die tot op dezen dag—en het is meer
-dan zestig jaar geleden!—nog niet is uitbetaald.
-
-Zoo gingen de Boeren dan naar huis, door al de doorgestane ellende
-vermagerd en afgebeuld, de schoenen doorgeloopen, de kleeren versleten!
-Maar het doel was bereikt, de overwinning behaald, de Kaffers
-getuchtigd, en het vroeger door de Kaffers van de Boeren gestolen vee
-zou thans weer aan de rechtmatige eigenaren komen. Dat meenden ten
-minste de Boeren, en het verzoende hen met het doorgestane leed.
-
-Maar hoe bitter was de teleurstelling, toen men vernam, dat de beesten
-op last van de regeering zouden worden verkocht, om er de oorlogskosten
-mee te dekken, en als er dan nog iets overschoot—welnu, dat konden de
-Boeren deelen!
-
-Een nieuwe wreede teleurstelling wachtte hen bij hun thuiskomst. Immers
-de regeering had tijdens hun afwezigheid de slaven vrijverklaard, en
-hoezeer de opheffing der slavernij op zichzelve een lof- en
-prijzenswaardige daad was, die ook door de Boeren werd gewenscht en
-begeerd, had het gouvernement toch wel een beter tijdstip daarvoor
-kunnen uitkiezen dan den oogsttijd, toen de werkkrachten zoo noodig
-waren. De menschlievende maar onoordeelkundig uitgevoerde maatregel
-bracht het boerenbedrijf in de schromelijkste wanorde, en de oogst
-bleef grootendeels op het land, om daar te verrotten.
-
-De geldelijke schade zou den Boeren worden vergoed, doch zij hebben
-slechts zeven en een half percent ontvangen van hetgeen hun rechtens
-toekwam.
-
-Zoo was de laatste druppel gevallen in den boordenvollen beker; thans
-liep hij over.
-
-’t Is waar, bij de op nieuw dreigende Kafferinvallen had de regeering
-aan de Boeren den raad gegeven, om van de grenslanden terug te trekken
-naar de Tafelbaai, maar met dien raad te geven had de regeering
-getoond, de Boeren niet te kennen.
-
-Terugtrekken? Dat nooit; dat hadden de Boeren nooit geleerd.
-
-Zij waren steeds vooruit getrokken; nooit terug. Zij waren aan de
-oevers der rivier „Zonder End” gekomen, en waren er overgetrokken. Zij
-waren voor de Olifantsrivier gekomen en er door gegaan. Zij waren
-voortgetrokken: door valleien en over heuvelen; door vruchtbare beemden
-en verschroeide velden.
-
-Zij waren voortgetrokken tot dat zij stootten tegen de rotsen van de
-Sneeuwbergen. Maar ook deze rotsen konden hen niet tegenhouden.
-Stampend, krakend, knarsend ging er de ossenwagen over heen.
-
-En als gij; nu op één der heuvelen gaat staan in de nabijheid van
-Klopper’s hoeve, dan kunt ge, met een verrekijker gewapend, in het
-oosten de golven zien kabbelen. Het zijn de golven van de Vischrivier.
-
-Zoo’n ontzachelijk eind hadden de Boeren reeds afgelegd van af
-Kaapstad.
-
-Zouden zij nu terugtrekken? Een dwaas, die zulks kon denken!
-
-Zij zouden voorttrekken. De oude vrijheidslust ontwaakte, en de
-onvervaarde voortrekker kwam boven in den hard geplaagden Boer.
-
-Overal werden vergaderingen belegd, en er heerschte een groote en
-moedgevende eenstemmigheid.
-
-Ouderling de Jong had het immers voorspeld: de trek zou geschieden met
-duizenden!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
-„Met duizenden, Neef Gert,” zegt Teunis Smit; „daar ben ik zeker van.”
-
-Ge begrijpt reeds, dat de leeuwenjager bij Gert Kloppers op bezoek is.
-
-Wij bevinden ons in het groote, ruime woonvertrek van laatstgenoemde.
-Twee ramen geven licht. De vloer is van steen; een planken vloer is te
-kostbaar, want hij zou te spoedig vernieuwd moeten worden. De
-termieten, een soort mieren, vreten er door heen.
-
-De twee vensters bevinden zich in den gevelmuur. In den hoek van den
-zijmuur, waar hij den gevelmuur raakt, is de buitendeur; een boven- en
-onderdeur. Gangen houden er de Boeren niet op na; ge komt dus in eens
-van buiten in het woonvertrek.
-
-De tafel staat in de richting van den haard, aan den haard zit de oude
-grootvader. Hij is vervallen sedert de laatste door ons geschetste
-vergadering, die drie maanden geleden heeft plaats gehad. Hij klaagt
-maar aldoor over de kou. ’t Is echter volstrekt niet koud, al is het
-nog morgen. Ook brandt er een lustig vuurtje aan den haard, waarboven
-de ketel hangt te razen.
-
-Dat de grijsaard het koud heeft, zit hem in zijn ouderdom. De ouderdom
-maakt koud; hij haalt het merg uit het gebeente. Dat is ’t hem.
-
-Teunis Smit, die aan de tafel zit, is een man van ruim dertig jaren en
-nog ongehuwd. Hij is met geheel zijn ziel een hartstochtelijk jager.
-
-De jacht op het groote wild: leeuwen, tijgers, olifanten, krokodillen,
-nijlpaarden en buffels is even rijk aan avonturen als gevaren, en dat
-prikkelt hem. Als hij trouwt, dan is hij gebonden; daarom trouwt hij
-niet.
-
-Trouwens de meeste Boerenzonen trouwen vroeg; zeker voor hun dertigste
-jaar.
-
-Achter de tafel, naast haar man, zit de vrouw des huizes. Haar hoofd is
-bedekt door een gesteven witte muts, zooals ze in Nederland ten platte
-lande nog veel wordt gezien. Zij is een goede veertig jaar; een knappe
-Boerin; gul, hartelijk en gastvrij.
-
-’t Is een flink paar, die Gert Kloppers en zijn vrouw. „’t Is mijn
-domste streek niet geweest,” zegt hij wel eens schertsend, „toen ik om
-Hanneke ging.”
-
-Het meisje, dat daar binnen komt met de onmisbare koffiekan, Mieke, is
-zeker nog geen twintig jaar. Zij melkt de koeien, karnt de melk en
-zingt met den kanarievogel om het hardst. Zij heeft een frissche,
-gezonde gelaatskleur, een vriendelijk, innemend gelaat en belooft te
-worden wat haar moeder is: een flinke, wakkere, Afrikaansche vrouw.
-
-Kloppers heeft nog verscheidene kinderen. De drie oudste zijn dochters,
-en reeds gehuwd.
-
-Dirk, naar zijn grootvader genoemd, is 21 jaar, en zoo even te paard
-naar het vee gereden, dat aan de hoede van Hottentotten is
-toevertrouwd.
-
-De Hottentotten zijn over ’t algemeen lui en onoplettend uitgevallen;
-zij moeten in den letterlijken zin van het woord worden—nagereden.
-
-Van Dirk zal ik op ’t oogenblik niets meer zeggen. Ik hoop: wij zullen
-hem nog wel meer ontmoeten.
-
-Dan komt Floris: 16 jaar.
-
-Ja, die jongen is een raadsel. Ik wil niet beweren, dat hij stuursch
-is, maar vriendelijk is anders. Hij gaat zijn eigen gang en praat bijna
-nooit. Zijn zijn hersens te stomp? Dat kan ik niet zeggen, want hij kan
-soms wel een zet doen, die raak is. Zijn zijn hersens dan helder? Dat
-kan ik nog minder zeggen, daarvoor kijkt hij te onnoozel.
-
-„Ik weet het niet,” zegt vrouw Kloppers, „maar ik vrees, dat er van
-Floor niet veel te recht komt.”
-
-„Och kom,” antwoord dan troostend haar man, „in dien jongen zit veel
-meer dan ge denkt; ik heb er volstrekt geen bezwaar in.” Dat mèènt
-Kloppers ook.
-
-Vroeger heeft Floor wel eens geprobeerd, om te leeren schieten. Hij
-deed er zijn best voor, maar hij was kortzichtig, en kon het wit nooit
-goed onderscheiden. Eens zou er schijf worden geschoten, een jaar
-geleden, en hij raakte niet eens de plank. Toen sloegen de anderen de
-handen van verbazing in één, en riepen: „O die ongelukkige Floor! Die
-tobbert!”
-
-Floor was rood geworden van schaamte, en was hard weggeloopen. Zij
-hadden hem genoemd een tobbert, hem, den zoon van een Afrikaanschen
-Boer! Hij had het geweer in een doornstruik geslingerd; nooit—nooit zou
-hij een geweer meer aanraken!
-
-Hij ging achter het huis, en tranen van spijt sprongen uit zijn oogen.
-Ja, deze onnoozele Floor—zijn vader had gelijk: er zat meer in dan men
-dacht.
-
-Floor vond een bijl; boven op den zolder. Het was een oude eigenaardig
-gemaakte bijl: een soort strijdbijl, die tevens als werpbijl gebruikt
-kon worden. Floor zeide tot zijn vader: „Geef mij dien bijl!” Hij
-smeekte er om.
-
-’t Was een beste bijl, al was hij oud.
-
-„Wat wilt ge er mee doen?”
-
-„Met een geweer kan ik niet omgaan; nu wil ik een bijl leeren
-hanteeren.”
-
-„Goed, gij zult hem hebben. En die u durft uitlachen, omdat gij niet
-kunt schieten, die krijgt het met mij te doen.”
-
-Niemand begreep dien Floor, maar zijn vader begreep hem wel.
-
-Als Floor niet met den ossenwagen uit was of het vee hoedde, dan kon
-men hem voortaan gewoonlijk achter het huis vinden; bij een beuk. Die
-beuk was dood gegaan van de droogte, en in den stam had Floor een
-loodrechte insnijding van eenige duimen breedte gemaakt. Op die
-insnijding mikte hij met zijn bijl. Hij oefende zich met onverdroten
-ijver, en werd knap in het werpen van den bijl.
-
-Zijn vader kreeg een keer bezoek van eenige jonge Boeren, maar Floor
-was weer bij den beuk.
-
-Daar vonden ze hem.
-
-„Och kom,” zeide er één, „wat is dat voor gekheid! Schiet gindsche
-abrikoos van haar stengel; dat is een grooter kunst!”
-
-„Zoo?” zeide Floor’s vader, die erbij gekomen was, zich tot den spreker
-wendend. „Hier Janus, vat den bijl, en raak gij de insnijding nu eens!”
-
-Janus nam den bijl, misschien op vijf meter afstand, en wierp hem. Hij
-raakte den boom, dat is waar, maar van het wit bleef hij ver genoeg af.
-
-„Nu gij, Floor!” zeide zijn vader.
-
-Floor kreeg een kleur, want aller oogen waren op hem gericht.
-
-Hij nam den bijl, maar ging nog eenige passen terug. De afstand werd
-daardoor zooveel grooter. Hij zwaaide drie keeren met den arm, als om
-hem lenig te maken. Toen suisde de bijl uit zijn hand in den boom; in
-den witten streep; in het hart....
-
-’t Was een meesterlijke bijlworp, en Floor’s handigheid werd algemeen
-bewonderd.
-
-Toen lachte Floor; anders lachte hij nooit.
-
-Maar Janus zeide bij het naar huis gaan tot zijn kameraden: „’t Is toch
-maar malligheid, zoo’n bijlworp. Wij kunnen toch niet gaan vechten als
-de Indianen. Ik houd het met mijn geweer.”
-
-Nu, daar was niets op tegen. Janus was een goed schutter—waarom zou hij
-’t niet met zijn geweer houden? Maar die geen geweer kan hanteeren,
-laat die den bijl nemen! ’t Is beter met een bijl dan zonder wapen in
-den strijd.
-
-Gert Kloppers heeft nog twee kinderen: de negenjarige Willem en de
-zesjarige Hannie, die op dit oogenblik beiden in den tuin zijn.
-
-Zoo saai en dor Floor zich voordoet, zoo levendig is Willem. ’t Is een
-kwast, een guit, een ondeugd, maar valsch is hij niet.
-
-Hij houdt dol veel van zijn zusje. Nu, ’t is ook een allerliefst
-meisje, die Hannie. Blonde lokken omgolven het rozig gezichtje, en in
-de heldere, blauwe oogen spiegelt zich het azuur des hemels. Neen, in
-heel de Kaapkolonie vindt ge geen schooner rozeknopje.
-
-Willem is echter van morgen met wat men noemt het verkeerde been van
-bed gestapt. Hij is lastig en knorrig.
-
-„Han, wij gaan zeker trekken.”
-
-„Zóó—wie zegt dat?”
-
-„Ik zeg het. Zoo even zat vader met oom Teunis er nog over te praten.
-Jij hoort zulke dingen niet; daarvoor ben je te dom. En Dirk heeft al
-de geweren nagekeken, ook dat groote olifantsroer. Ik zeg je: wij
-trekken zeker.”
-
-„Zoo!” zegt Hannie met een verstrooid gelaat.
-
-Zij heeft wel gewichtiger dingen te doen dan over den Trek te praten;
-zij zal haar mooiste pop een nieuw jurkje aanschieten.
-
-„Is dat geen mooie pop, Willem?”
-
-„’t Lijkt wat met die pop,” antwoord hij onbarmhartig; „wij gaan
-trekken, hoor!”
-
-Na een kleine pauze vraagt hij: „Lust jij graag pannekoeken, Han?”
-
-„Nou of ik!”
-
-„Zóó—die krijg jij ook niet meer, als wij trekken.”
-
-De kleine Hannie wordt nu oplettender, want Willem heeft een gevoelige
-snaar getroffen.
-
-„Waarom niet?” vraagt zij.
-
-„Wel, de olifanten eten ze op!”
-
-„De olifanten?”
-
-„Zeker, de olifanten. In het land, waar wij heen trekken, zijn een hoop
-olifanten. Zij zitten den heelen dag op den loer, net als een hond. Zij
-zitten allemaal maar te snuffelen, of ze geen pannekoeken ruiken. Ze
-steken d’r snuit boven door den schoorsteen, en vreten al de
-pannekoeken op. Nou weet je ’t in eens.”
-
-Hannie zucht er van.
-
-„Trekken wij wijd, Willem?”
-
-„Ja, heel wijd; ontzettend wijd. Wij gaan onder de woeste Kaffers, en
-die eten jou leelijke pop ook op, hoor!”
-
-Willem is van morgen in een slecht humeur; hij doet niets dan plagen.
-
-„Is ’t echt waar?” vraagt de kleine angstig.
-
-„Ja, ’t is echt waar. Ze eten jou ook op, als ge huilt. Zoo, begin je
-al te huilen? Ik huil er niet om; ik ben er niet bang voor. Voor geen
-Kaffers en geen olifanten!”
-
-„Doen de olifanten ook kwaad?”
-
-„Zeker, ze stampen de menschen tot pulver; oom Teunis heeft het zelf
-gezegd. Nou, huil maar niet zoo hard; voor mij behoef je niet bang te
-zijn. Ik ga maar aan d’r staart hangen, dan doen ze me niks.”
-
-De kleine Hannie laat de pop vallen, houdt het schortje voor haar
-gezicht en snikt.
-
-Nu krijgt Willem toch medelijden. Het spijt hem, dat hij zijn zusje
-heeft bang gemaakt, en hij zal haar op zijn manier weer zien te
-troosten.
-
-Eerst begint hij te hinneken als een paard en dan te blaffen als een
-hongerige hyena, doch zonder succes.
-
-Nu gaat hij kopje duikelen, en vervolgens met de beenen omhoog, op zijn
-handen loopen.
-
-„Dat is een moeilijke kunst, Hannie!”
-
-Zeker is dat een moeilijke kunst, maar wat helpt het Hannie, als zij
-door de Kaffers wordt opgegeten?
-
-Daar komt een nauwlijks half gekleede Kaffer aanhollen. Hij is Daniël
-gedoopt; bij verkorting noemt men hem Daan.
-
-Het is een nog jeugdige, sterke, zwaar gespierde Kaffer met dikke
-lippen en een zwarte huid. De tanden blinken als wit marmer in dat
-zwart gezicht.
-
-Daan is reeds als een heel klein kind bij Gert Kloppers gekomen.
-Kloppers vond hem eigenlijk op zijn erf; uit medelijden had hij de
-opvoeding van het kind bekostigd. In spijt van de Engelsche regeering,
-die het verbiedt, heeft Kloppers dezen Kaffer gehouden, en niet over de
-Vischrivier gejaagd.
-
-Thans is Daan huisknecht, en staat bij de familie in groot aanzien. Dat
-is iets bijzonders. In den regel halen de Boeren een scherpe grenslijn
-tusschen zich en de Kaffers. Dat zij de Kaffers mishandelen, is een
-leugen, maar dat zij hen houden voor menschen van een lagere orde, is
-zeker waar.
-
-Maar Daan heeft een schreefje voor gekregen, en dat kwam zoo:
-
-In de nabijheid der hoeve kronkelt een beekje van de bergen; een klein
-vriendelijk beekje.
-
-Doch verleden jaar, bij dien zwaren wolkbreuk, toen het midden op den
-dag zoo donker werd als of het nacht was, werd dat kleine beekje tot
-een grooten, bruischenden stroom, die zijn golven met schuimend geweld
-naar de diepte joeg.
-
-De kleine Hannie trippelde naar den stroom toe, om een wild bloemke te
-plukken, dat bloeide vlak aan den oever. Zij strekte haar kleine
-handjes uit, om het te grijpen, maar haar armpjes waren te kort.
-Argeloos naderde zij nog meer den oever, maar verloor toen het
-evenwicht en viel in den stroom.
-
-Niemand had het gezien dan Daan, die juist de schapen schoor, want het
-was in den tijd van het schapen scheren.
-
-Met groote sprongen ijlde hij naar de noodlottige plek, waar het kind
-te water was gevallen, en zonder aarzelen en op gevaar af zich het
-lichaam open te scheuren tegen de verborgen, scherpe klipsteenen,
-waarover de golven heen bruischten, sprong hij te water.
-
-Gert Kloppers had het gezien, dat Daan zoo hard wegliep, en met eenige
-verwondering begaf hij zich naar de plek, waar Daan was verdwenen.
-
-Op een heuvel staande, zag hij den Kaffer met krachtige slagen zich
-voortbewegen in het water, maar hij begreep het niet. Maar toen zijn
-vrouw, die de kleine Hannie had gemist, ademloos kwam aanloopen met den
-angstigen kreet: „Waar is Hannie?” toen begreep Gert Kloppers het wel.
-
-Als de bliksem voor zijn voeten was neergeschoten, had hij niet harder
-kunnen schrikken.
-
-Met angstvollen blik vloog zijn oog over het water, en daar—in de
-verte, langs dat vooruitstekende rotsblok—zag hij een rood jurkje
-drijven....
-
-Dat was Hannie’s rood jurkje....
-
-En iets verder zag hij den waterval, waar de stroom in eens met
-donderend geweld twintig, dertig voet naar beneden stortte.
-
-Wie in de zuiging van zoo’n waterval komt, is wèg. Als hij niet reeds
-verdronken is, wordt hij doodgeslagen tegen de rotsen.
-
-Naar dien waterval dreef Hannie af, en de afstand werd al kleiner, die
-haar van dien waterval scheidde.
-
-Als aan den grond genageld, stonden de ouders naar de ontknooping van
-dit vreeselijk tafereel te staren.
-
-Ja, die verachte Daan bewees, dat er ook onder de zwarte huid een hart
-kan kloppen, dat door genade heeft geleerd zijn naaste lief te hebben.
-
-Met schier bovenmenschelijke inspanning trachtte de Kaffer het kind te
-bereiken, want het gevaar, dat dreigde, stond hem levendig voor de
-oogen.
-
-Daar is hij het kind genaderd. Hij slaat de arm uit, om het te
-grijpen;—hij slaat mis;—hij slaat nog eens den arm uit;—het kind is
-gered—!
-
-Het was wel bewusteloos, toen hij het in de armen der moeder legde,
-maar God zegende de pogingen, die werden aangewend, om de levensgeesten
-op te wekken.
-
-Is het nu te verwonderen, dat Daan een schreefje voor heeft bij de
-familie?
-
-Daar is hij nu, en hij ziet groote tranen in Hannie’s blauwe oogen.
-
-„Hannie, wat is er gebeurd?”
-
-Zij vertelt hem, dat ze hoogst waarschijnlijk door de Kaffers zal
-worden opgegeten.
-
-„Wie heeft dat gezegd? Willem? Zoo, kom eens hier, jongen!”
-
-Nooit zou een gewone Kaffer den zoon van een Afrikaanschen Boer ter
-verantwoording durven roepen, al is hij maar negen jaar, maar Daan
-durft het wel te wagen.
-
-„Wat staat er geschreven in het negende gebod? Weet gij ’t niet?”
-
-Willem voelt, dat hij een dwaas figuur maakt. Hij weet ook best, wat er
-in het negende gebod staat, maar hij durft het niet te zeggen, want dan
-teekent hij zijn eigen vonnis.
-
-„Als ge nog ééns liegt, dan zeg ik het aan je vader!”
-
-Die waarschuwing is voldoende. Als Kloppers leugens ontdekt bij zijn
-kinderen, al is het maar voor de grap, dan kan hij er òp slaan.
-
-„Hannie—’t is gelogen, hoor! Ze eten je niet op; wees maar niet bang.
-Daan is ook een Kaffer—heeft Daan je ooit opgegeten? Zie, nu lacht
-Hannie al weer. Kom Willem, haal den toom, wij gaan paardje rijden!”
-
-Willem maakt van pleizier twee luchtsprongen, en haalt den door Daan
-gemaakten toom. Daan plaatst zich op handen en voeten, en Hannie wordt
-met Willem’s hulp op zijn breeden rug gezet. Daan krijgt den toom in
-den mond, Willem grijpt de leidsels en roept: „Vooruit Bles!”
-
-Waarom hij den zwarten Daan een bles noemt, begrijp ik niet, want er is
-bij Daan niet één wit plekje te ontdekken.
-
-Wanneer ge Kloppers vraagt: Hoeveel kinderen hebt gij? Dan zal hij
-antwoorden: „Elf; acht op aarde, en drie in den hemel.”
-
-Drie zijner kinderen zijn hem namelijk in hun prille jeugd ontvallen,
-en steunend op de verbondsbelofte, placht hij dikwijls te zeggen: „Over
-die kinderen heeft de dood het laatste woord gesproken, en voortaan is
-het verbond aan het woord.”
-
-Ginds in de verte, achter dien steenen muur, ziet ge een cypressenboom.
-In de schaduw van dien cypressenboom liggen de kleinen begraven:
-kostelijk zaad, dat in verderfelijkheid gezaaid, in onverderfelijkheid
-zal worden opgewekt.
-
-Reeds verscheidene heete zomers zijn over dezen cypressenboom
-heengegaan, doch terwijl andere boomen door de droogte verdorden, is
-deze cypressenboom steeds groen gebleven. De moeder van de kleinen, die
-hier slapen, heeft zijn wortelen elken avond als het noodig was, met
-het water uit den vijver bevochtigd. Met het water uit den vijver en
-met haar tranen; iedere moeder, die een kind heeft verloren, zal dat
-verstaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
-Wij keeren terug tot het gesprek tusschen Gert Kloppers en zijn gast,
-Teunis Smit.
-
-Door de vele jachtpartijen, die hij mede maakt, en zijn aanhoudende
-zwerftochten in de Kolonie (Kaapkolonie) en de Kafferlanden, is
-laatstgenoemde een uitnemende vraagbaak, en van de plannen der wijd en
-zijd verspreide Boeren uitstekend op de hoogte.
-
-„Nu,” vraagt Kloppers, „welk nieuws brengt ge?”
-
-„Dat ik verleden jaar met Piet en Jacobus Uijs en andere Boeren een
-verkenningstocht heb gemaakt naar het Oosten, naar Natal, heb ik u
-reeds verteld.”
-
-„Ik weet het. Gijlieden gingt met een trein van veertien ossenwagens.”
-
-„Wij drongen toen door tot aan de zeehaven van Natal.”
-
-„Welken weg hadt ge genomen?”
-
-„Wij hielden voortdurend den oostelijken, dus dezen kant van het
-Drakengebergte.”
-
-„Ge hadt gelijk; een tocht met ossenwagens over het gebergte is
-gevaarlijk.”
-
-„Gevaarlijker dan een leeuwenjacht, dat verzeker ik je.”
-
-„Ge zijt dus wekenlang door Kafferlanden getrokken?”
-
-„Zoo is het. Ik had er schik van op onze heenreis; wild volop, maar bij
-de terugreis konden wij ons plezier wel op.”
-
-„Ge hoordet zeker van den inval der Kaffers in onze Kolonie?”
-
-„Boodschappers deelden ons mede, dat zij alles te vuur en te zwaard
-verwoestten. Toen haastten wij ons om mee te vechten.”
-
-„Wat is nu jullie oordeel over Natal? Is het een geschikt land voor
-ons, Boeren?”
-
-„Om de waarheid te zeggen, onze commissie is niet eenstemmig in haar
-oordeel.”
-
-„Zijn er de Engelschen niet vroeger geweest, om den boel op te nemen?”
-
-„Ja, eenige commissarissen der Engelsche regeering.”
-
-„Waren het kolonisten, boeren?”
-
-„Neen, officieren en geleerde lui!”
-
-„Zulke menschen kunnen ze ook wel thuis laten. Hoe zullen die nu de
-geschiktheid van den grond beoordeelen!”
-
-„’t Zijn menschen van de theorie, neef Gert, menschen van niks! In den
-kop van mijn klepper zit meer praktisch verstand dan in hunne hersens.
-Zij weten ’t niet, en kunnen ’t niet weten, welke soort grond de
-kolonisten noodig hebben voor hun vee.”
-
-„Hunne rapporten waren zeker rooskleurig genoeg?”
-
-„Dat zal waar zijn, maar als de Boeren het daarop aandoen, dan zou de
-rekening wel eens verkeerd kunnen uitkomen.”
-
-„Gij ziet dus weinig heil in Natal?”
-
-„Dat zeg ik niet. Het is werkelijk een goed land, maar als men op de
-Engelsche rapporten afgaat, dan begint men met overspannen
-verwachtingen er heen te trekken, en dat noem ik een slecht begin. Een
-ding is echter waar: Natal heeft een schoone baai. Als de Boeren zich
-daar vestigden, dan hadden zij een uitweg naar zee. Wij hebben die baai
-maar voor ’t vatten. Ik wed, dat we ze voor een bagatel van de Kaffers
-kunnen overnemen.”
-
-Gert Kloppers klopte bedachtzaam zijn pijp uit.
-
-„De zaak is gevaarlijk, Neef Teunis.”
-
-„Zoo? Waarom? De baai is ruim en diep: ’t zou een mooie zeehaven
-worden.”
-
-„Ze is me tè diep; onze vrijheid zal er in verdrinken!”
-
-„Zijt ge bang, dat de Engelschen de baai zullen inpalmen?”
-
-„Ja, want de Engelschen zijn tot vele dingen in staat.”
-
-„Vertrouwen doe ik ze ook niet. Zoo gaat thans het gerucht, dat het
-gouvernement verklaard zou hebben: De Boeren blijven Engelsche
-onderdanen, al trekken ze naar ’t eindje der wereld.”
-
-„Werkelijk?”
-
-Er kwam een dreigende wolk op het breede voorhoofd van Gert Kloppers,
-toen hij deze vraag deed.
-
-„’t Is mij voor de vaste waarheid verteld.”
-
-„Och kom, die snuggere Engelsche wettenmakers zouden zich toch
-grenzenloos belachelijk maken met zoo’n verordening.”
-
-Kloppers lachte, toen hij dit zeide, en de wolk verdween van zijn
-voorhoofd.
-
-„Zijn de Boeren eenstemmig in de richting, die ze op hun tocht willen
-nemen?”
-
-„Wel in de richting, doch de ééne partij wil vérder trekken dan de
-andere.
-
-„De Trek zal gaan over de Vischrivier het noorden in. We trekken dan
-door het land der Kaffers tot over de Oranje-rivier. Daar willen
-sommigen zich vestigen—”
-
-„Maar ik niet!”
-
-„Aangezien er voor het vee uitstekende weiden te vinden zijn. Doch
-anderen meenen, dat ze dan nog te dichtbij de Engelschen zitten—”
-
-„Dat meen ik ook!”
-
-„En willen daarom doortrekken, al verder het noorden in, tot over de
-Vaalrivier.”
-
-„Dat lijkt me beter. Hoe groot schat gij de onderlinge afstanden, Neef
-Teunis?”
-
-Smit haalde een op linnen geplakte, saamgevouwen kaart uit zijn zak, en
-spreidde ze op de tafel uit.
-
-„Neem aan, dat hier, waar ik den vinger zet, van deze hoeve af
-gerekend, het naaste punt is der Vischrivier. Dan zou de ossenwagen in
-het allergunstigste geval van dat punt der Vischrivier af veertien
-dagen werk hebben, om den oever der Oranjerivier te bereiken.”
-
-„In het allergunstigste geval, dat nooit gebeurt.”
-
-„Zoo is ’t. De beken kunnen door een wolkbreuk tot rivieren aanzwellen,
-en den trek stremmen. Wegen zijn daar trouwens niet.”
-
-„En de wilde Kafferstammen, door wier gebied wij komen, kunnen ons den
-doortocht beletten.”
-
-„’t Zou een wonder zijn, als het niet gebeurde.”
-
-Terwijl de mannen in hun gesprek waren verdiept, zat de vrouw des
-huizes met vaardige vingeren de naainaald te hanteeren. Zij werkte
-reeds met grooten ijver vooruit, tegen dat de Trek zou beginnen, opdat
-het huisgezin van het noodige ondergoed voorzien zou zijn op den
-zwerftocht door de groote wildernissen, die maanden maar ook jaren kon
-duren!
-
-In het achterhuis was Mieke bezig met karnen, en het eentonig gestamp
-der karnschijf in de melk werd slechts afgebroken door het regelmatig
-getrap der paarden op den dorschvloer, die het rijpe koren uit de aren
-trapten.
-
-Glimlachend wendde Smit zich thans tot vrouw Kloppers, terwijl hij
-zeide: „Zijt gij niet bang, om den grooten tocht te ondernemen?”
-
-„Bang?” zeide zij, terwijl zij den vrager aankeek met haar helderen
-blik, „bang? Waarvoor zou ik bang zijn? Wij zijn overal in Gods hand,
-en Hij kan ons even goed bewaren onder de woeste Kafferstammen als hier
-in de Kolonie, waar het trouwens ook alles behalve rustig is.”
-
-„Dat weet ik,” antwoordde de jager ernstiger. „Ik kan het mij niet
-anders verklaren dan dat het Gods hand is geweest, die mij meer dan
-ééns uit de klauwen van een wild roofdier heeft gered.”
-
-„Maar er is zooveel,” ging vrouw Kloppers voort, „waar men aan kan
-hangen, dat ons aan het hart is gegroeid, en waarvan wij moeten
-scheiden, als wij gaan trekken.”
-
-Toen zij deze woorden sprak, ging er een schaduw over haar vriendelijk
-gelaat, want zij dacht aan den steenen muur van het kleine kerkhof met
-zijn drie kleine grafheuvelen.
-
-Na een kleine pauze zette zij het gesprek op bedaarder toon voort en
-zeide: „En dan zal er zooveel huisraad moeten worden opgeruimd, dat
-niet kan worden mee genomen. Het meest gaat mij dat eikenhouten kabinet
-aan het hart,” en zij wees met den vinger naar den muur, waar een hoog
-en keurig onderhouden kabinet stond.
-
-„Het is een erfstuk van mijn moeder; zij ging er mee in haar
-huishouden.—Dan ziet ge hier nog deze twee oude, met leer overtrokken
-leuningstoelen, waar ik steeds zoo zuinig op ben geweest, daar er
-zooveel herinneringen aan verbonden zijn.”
-
-In één dezer leuningstoelen zat thans de oude Dirk Kloppers, en op
-vroolijker toon voegde de vrouw des huizes er aan toe: „Grootvaders
-stoel moet toch in elk geval mee, niet waar, man?”
-
-„Dat spreekt van zelf,” antwoordde Gert Kloppers; „wij zoeken het beste
-hoekje uit in den ossenwagen, en daar zetten wij Vader in zijn
-leuningstoel.”
-
-De oude Dirk Kloppers had dit alles aangehoord, maar hij schudde het
-grijze hoofd en zeide: „Neen kinderen, ik ga niet mee; ik trek naar een
-ander land.”
-
-Zoo had hij reeds meer gesproken de laatste dagen. Voor dien tijd had
-hij nog altijd vastgehouden aan de hoop, dat hij als de laatste van een
-vorig geslacht den tocht zou mede maken, maar die hoop scheen hij nu te
-hebben opgegeven. Hij sprak wel van trekken, maar niet naar de
-Vaalrivier; hij sprak van een trekken naar dat land, van waar nog nooit
-een sterfelijk mensch is teruggekeerd.
-
-Wanneer het nu echter gebeurt, dat een onzer liefste betrekkingen tot
-ons gaat spreken van het naderend scheiden, dan ontroeren wij, en
-eerbiedige huivering sluit ons den mond.
-
-Zoo ging het ook in Kloppers’ woning.
-
-Niemand sprak in de eerste oogenblikken een woord, en duidelijker dan
-zooeven was het eentonig gestamp der karnschijf en het regelmatig
-getrap op den dorschvloer verneembaar.
-
-Gert Kloppers verbrak het eerst de stilte, door zich tot zijn gast te
-wenden met de vraag: „Hebben Karel Trichard en Hans van Rendsberg den
-Trek reeds aanvaard naar de Vaalrivier?”
-
-„Zij zijn al weken op reis; vermoedelijk hebben zij reeds den halven
-weg tusschen de Vischrivier en de Oranjerivier achter den rug.”
-
-„Hoe groot is het gezelschap?”
-
-„Te samen een dertigtal huisgezinnen. Zij trekken over de Vaalrivier,
-en vervolgens oostwaarts—”
-
-„Dat wordt een heele reis!”
-
-„Om den Indischen Oceaan te bereiken.”
-
-„Den Indischen Oceaan!”
-
-Gert Kloppers sloeg de handen van verbazing ineen, terwijl hij dezen
-uitroep deed.
-
-„Hoe groot is de afstand van de drift [5] der Vaalrivier, waar zij over
-trekken, tot den Indischen Oceaan?”
-
-„Vijfhonderd Engelsche mijlen.”
-
-(Een Engelsche mijl is 20 minuten gaans.)
-
-„’t Is een heele onderneming.”
-
-„Trichard beschouwde het als een levensvoorwaarde der nieuwe
-nederzetting, dat zij, van Engeland vrij, een zeehaven krijge.”
-
-Kloppers knikte toestemmend.
-
-„Zeer waarschijnlijk zal hij op de Delagoabaai aanhouden, maar die
-zeehaven behoort aan de Portugeezen.”
-
-„Dat hindert niet; de Portugeezen zullen ons geen last veroorzaken.”
-
-„’t Zal kracht kosten er te komen, Neef Gert.”
-
-„Ik ken Trichard en van Rendsberg; zij hebben een harden kop, die tegen
-een stootje kan. Zij zullen doortrekken, tot zij hun doel hebben
-bereikt!”
-
-„Of er dood bij neervallen! Het gevaar, door wilde Kafferstammen
-vermoord te worden, is groot, maar het klimaat is nog gevaarlijker.
-Voor dat Trichard de Baai bereikt, zal hij door lage, moerassige
-streken moeten trekken, die in de brandende zon liggen te koken, en de
-lucht door hun gassen verpesten. Geen blanke kan het er uithouden.
-
-„Ik ben eens met een gezelschap in die streken op de krokodillenjacht
-geweest, en kan bij ondervinding spreken.”
-
-
-
-Karel Trichard en Hans van Rendsberg hebben er het leven bij
-ingeschoten.
-
-In Februari 1836 bereikten zij de Vaalrivier en trokken in een grooten
-boog naar het noordoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Transvaal,
-Zoutpansberg, waar zij, na vele gevaren getrotseerd te hebben, behouden
-aankwamen.
-
-Terwijl Trichard hier nog eene wijle bleef vertoeven, trok van
-Rendsberg met het kleiner deel van het gezelschap op de Delagoabaai
-aan. Noch hij noch één der zijnen heeft die Baai bereikt! Zij vielen
-allen—acht en veertig zielen!—onder de moordende spies der
-Knopneus-Kaffers, slachtoffers van een al te goed vertrouwen!
-
-Vriendschappelijk gezinde Kaffers brachten Trichard de tijding der
-slachting, maar met onuitroeibare veerkracht liet deze dappere man in
-Augustus (1836) de ossen weer voor de wagens spannen. Langzaam,
-voorzichtig, den vinger aan den trekker van het geladen geweer, werd de
-tocht voortgezet, die verscheidene maanden duurde.
-
-Zonder groote ongevallen werden de lage, ongezonde streken bereikt, en
-met nieuwen moed bezield, werden de ossen tot de uiterste
-krachtsinspanning aangespoord, om er snel door heen te komen. Toch
-duurde de tocht veel langer dan men vermoedde, en met den koortsgloed
-in de leden, krank en afgebeuld, bereikten de zwervers in Mei 1837 de
-Delagoabaai.
-
-Dáár lag de Oceaan!
-
-Vol majesteit rolde hij zijn golven tegen het strand, en bespoelde hun
-voeten!
-
-Hoe laafde zich het oog van den moedigen Trichard op dat gezicht!
-
-Nieuwe, hoopvolle plannen makend, keerde hij terug naar zijn
-ossenwagens, doch zijn werk hier op aarde was afgeloopen.
-
-Reeds was hij door den dood geteekend, en stervend heeft hij zijn volk
-den eenigen uitweg naar zee gewezen.
-
-Op een eenzaam kerkhof bij de Delagoabaai rust hij—als een herder
-tusschen zijne schapen—in het midden zijner tochtgenooten, die hier
-bezweken.
-
-Geen marmer dekt zijn gebeente, maar een eerezuil heeft God hem
-opgericht in de harten van vele Afrikaansche Boeren. De naam zijner
-familie is nog ten huidigen dage in de Transvaal met eere bekend, en
-het is een Trichard geweest, die de Transvaalsche artillerie in den
-strijd bij Krugersdorp in het vuur bracht.
-
-Thans, na zestig jaren, ratelt over stevige dammen en sterke bruggen de
-spoortrein dwars door de Transvaal; het snuivend stoomros suist over de
-vlakten, waar éénmaal de vermoeide ossen van Karel Trichard den wagen
-hebben voortgesleept, en over de Delagoabaai reikt het oude Holland aan
-het jonge Transvaal de broederhand.
-
-Zóó was Gods bestel, en zóó is het geschied!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
-Het gesprek, dat wij bij Kloppers hebben beluisterd, had op Dinsdag
-plaats, en thans is het twee dagen later: Donderdag.
-
-Niemand van Kloppers’ huisgezin twijfelt er meer aan, dat de oude vader
-het eerst zal vertrekken, namelijk naar dat land, van waar geen
-terugkeeren mogelijk is.
-
-Hij is nog minder geworden en ligt te bed. De levensvlam is tot een
-klein, dobberend lichtje ingekrompen, en de minste windvlaag kan haar
-uitblusschen.
-
-„Gert!” roept de oude man met bevende stem.
-
-De geroepene komt onmiddellijk.
-
-„Is Dirk thuis?”
-
-„Hij is in den stal, en voedert de paarden.”
-
-„Roep hem!”
-
-Dirk verschijnt: een krachtvolle jongeling, met den blos der gezondheid
-op de wangen. Levenslust tintelt in zijn oogen en tintelt tot in de
-toppen van zijn vingers. Waarlijk, het verschil is groot tusschen den
-jongen Dirk en zijn grootvader!
-
-„Is de Vos op stal?” vraagt de oude man. „Ja? Goed, rijd dan zoo snel
-als ge kunt naar mijn kinderen, en naar ouderling de Jong, en zeg hen,
-dat ik nog gaarne afscheid van hen zou nemen voor dat ik sterf!”
-
-„Moet ik den vos nemen, Grootvader?” vraagt Dirk op bescheiden toon;
-„de jonge Hannibal loopt harder.”
-
-„Zóó, begint de Vos ook al af te takelen? Ach, alles raakt oud en
-versleten! Neem Hannibal dan maar!”
-
-Dirk maakte zich snel gereed voor de reis, want de familie woonde uren
-ver uit elkander, en hij moest zich haasten, om hen voor den avond
-allen te bereiken. Voor den anderen morgen kon hij zelf in geen geval
-terug zijn, al reed hij den heelen nacht door.
-
-De oude Kloppers had zes dochters, die allen gehuwd waren, en slechts
-éénen zoon: Gert. Toen zij de treurige tijding en den laatsten wensch
-van hun vader door Dirk vernamen, spoedden zij zich, om daaraan te
-voldoen, en in den loop van den volgenden dag kwamen zij allen met
-hunne echtgenooten.
-
-Maar ouderling de Jong verscheen niet, omdat hij bij Dirk’s komst
-afwezig was geweest.
-
-Zij kwamen allen te paard, want in de Kolonie kunnen de vrouwen bijna
-even goed te paard rijden als de mannen.
-
-De drie dochters van Gert Kloppers waren ook gekomen, met hunne
-echtgenooten, doch daar zij niet ver af woonden, hadden zij den
-ossenwagen ingespannen, opdat hunne kleine kinderen ook mede konden.
-
-Zoo was de oude Kloppers dan door zijn kinderen, kleinkinderen en
-achterkleinkinderen omringd, en het scheen, dat die komst nog eens de
-afnemende levensgeesten zou doen opflikkeren.
-
-Met de hulp van Gert liet hij zich in den ouden leuningstoel plaatsen,
-en drukte er herhaaldelijk zijn blijdschap over uit, dat hij hen nog
-eens mocht ontmoeten. Hij begroette hen allen, en met een bewogen hart
-drukten zij zijn vermagerde hand. Zijn kleinkinderen hief Gert omhoog,
-en zij sloegen hunne mollige armpjes om den hals van Overgrootvader, en
-kusten hem met hunne rozemondjes.
-
-„Nu wil ik ook nog eens naar buiten,” zeide de oude man.
-
-Het was, alsof er een zonnestraal door de wolken brak: zoo verblijdde
-dit woord zijn kinderen. Zij hoopten op nieuw, dat Vader nog wel een
-beetje op zou fleuren, maar het was een bedriegelijke hoop.
-
-Tusschen Gert en een zijner schoonzoons in ging de grijsaard naar den
-tuin, en allen volgden hem. Zij verwonderden er zich over, dat Vader
-nog zooveel krachten had, en opnieuw schepten zij moed.
-
-Hij koesterde zich in de stralen der middagzon, en plotseling riep hij
-uit: „O Zonne der Gerechtigheid, verkwik mijn ziel, zooals de aardsche
-zon mijn lichaam verkwikt!”
-
-In het midden van den tuin, bij een perzikenboom, bleef hij staan.
-
-„Dit is de laatste boom, kinderen, dien ik heb gepoot.”
-
-Zoo hield hij nog op verschillende plaatsen stil, en met verrassende
-nauwkeurigheid wist hij de voorwerpen aan te wijzen, waaraan oude,
-lieve herinneringen verbonden waren.
-
-Aan het einde van den tuin wendde hij zijn blinde oogen naar de
-richting, waar het kleine kerkhof lag, en scheen in gepeinzen te
-verzinken. Hij zeide geen woord, maar allen begrepen het, waaraan hij
-dacht.
-
-Hij leunde al zwaarder op de schouders zijner kinderen, want zijn
-krachten waren uitgeput. Met groote moeite bracht men hem in huis naar
-bed.
-
-Toen hij zich weer eenigszins had hersteld, vraagde hij: „Zijn ze allen
-hier?”
-
-„Ja,” zeide Gert, die diep ontroerd vlak bij de sponde zat.
-
-„Steun dan mijn rug!”
-
-Gert steunde den rug van zijn vader met zijn sterken arm.
-
-„Laten wij bidden!”
-
-De stervende grijsaard ging voor in het gebed. Hij bad voor zich
-zelven, voor zijn kinderen, voor heel zijn geslacht. Het was een
-roerend, aangrijpend gebed, en aller oogen vulden zich met tranen.
-
-Voorts gedacht hij zijn volk, dat hij lief had gehad met de gansche
-liefde zijner trouwe ziel. Hij gedacht den uittocht, dien dit volk
-voornemens was te doen, en hij riep de barmhartigheden des Heeren in,
-waar dit volk had gezondigd.
-
-Hij gedacht ook de vijanden van zijn volk en bad voor hen. Hij smeekte
-om den bloei van Christus’ Kerk op aarde, en bad voor zich zelven om
-een ruimen ingang in het Zion, dat daarboven is.
-
-„Daar hoop ik u allen, allen te ontmoeten,” zeide de stervende, toen
-hij zijn gebed, met stamelende klanken uitgesproken, had geëindigd.
-
-„Wij willen nu afscheid nemen, en God geve om Christus’ wil, tot een
-zalig wederzien!”
-
-Eén voor één gaven zijn kinderen en kleinkinderen hem nu de hand; ook
-kusten zij hem. Zij spraken weinig, want hun gemoed was te vol.
-
-Hij streelde nog de blonde lokken van de kleine Hannie, en fluisterde:
-„Lief bloemke!”
-
-Ook vermaande hij hen allen ernstiglijk, om te wandelen in de wegen des
-Heeren, en zich door Christus met God te laten verzoenen.
-
-„Leg mij nu goed, Gert!” sprak hij, „want ik ben moede.”
-
-Hij was moede geworden, de pelgrim. Hij had een langen, langen tocht
-gemaakt, en nu verlangde hij naar rust.
-
-Hij was vermoeid geworden van de lange reis door de woestijn dezes
-levens, en zijn hart ging verlangend uit naar Kanaän.
-
-Hij viel in een zachte, lange sluimering, en op een wenk van Gert
-begaven zich al de anderen in een aangrenzend vertrek.
-
-Het was avond geworden; het werd nacht.
-
-Niemand van de volwassenen begaf zich ter ruste, want allen verkeerden
-in angstige spanning over den slag, die niet te keeren was. Maar Gert
-alleen was bij zijn vader.
-
-Daar sloeg de kettinghond luid aan, en de grijsaard werd wakker.
-Onmiddellijk daarop hoorde men den snellen hoefslag van een paard op de
-werf.
-
-„De Jong,” stamelde de stervende, die tot het laatste toe bij zijn
-volle bewustzijn bleef.
-
-Gert ging naar de buitendeur, en drukte zwijgend de hand van den besten
-vriend zijns vaders.
-
-„Leeft uw vader nog?” fluisterde De Jong.
-
-Gert maakte een toestemmend gebaar.
-
-Behoedzaam naderde de Jong het bed, maar het flauwe schijnsel der
-vetkaars, die op de tafel stond, gaf slechts een sober licht.
-
-„Is het vrede, vader Kloppers?”
-
-„Vrede!” antwoordde de stervende. „Een arm zondaar en een rijke
-Christus, hoe passen zij bij elkander!”
-
-Na een kleine pauze ging hij voort! „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde
-uit het geloof, hebben vrede met God door onzen Heere Jezus Christus.”
-
-Er volgde een grootere pauze, waarna hij zeide: „De Heere is
-vriendelijk en goed, Die het zoo heeft bestuurd, dat wij elkander nog
-ééns ontmoeten aan deze zijde des grafs.
-
-„Geef mij de hand, lieve Broeder—! Tot weerziens in het Vaderhuis—!”
-
-„Tot weerziens!” antwoordde de Jong. „Gij zijt voor mij en de mijnen
-een vader geweest—God de Almachtige moge u daarvoor zegenen in zijn
-Koninkrijk!”
-
-Zijn stem beefde, toen hij dit zeide, en er waren tranen in zijn oogen,
-want hij had den ouden Kloppers lief.
-
-Na een wijle klaagde de stervende: „Ik ben zoo moede, ik verlang naar
-huis.”
-
-Al meer afgebroken werden de klanken, die hij uitbracht, en dit was het
-laatste woord, dat verstaan kon worden.
-
-Gert hield de hand van zijn vader in de zijne.
-
-Geen woord kwam er over zijn lippen, want hij was zeer bedroefd.
-
-De sterren tintelden aan den diep blauwen hemel, maar aan den
-oostelijken horizon vertoonde zich al een gouden lichtstreep, die de
-sterren deed verbleeken.
-
-De levenslamp van den stervende teerde op den laatsten druppel olie, en
-over dat ingevallen gelaat hing reeds de wolke des doods.
-
-De familieleden waren weer binnengekomen in het vertrek, waar de
-stervende lag.
-
-Ouderling de Jong knielde met hen neder, en riep tot Hem, Die uwe en
-mijne stervenssponde, lezer, zacht kan spreiden!
-
-
-
-Daar buiten geurden de rozen, en de narcissen bewogen zich in den
-morgenwind....
-
-De grijze kraanvogel schudde den dauw van zijn vleugelen, en de zon, de
-schitterende fontein des aardschen levens, klom door de glanzende
-poorten van den dageraad opwaarts, de bergen van Afrika kroonend met
-haar vlammende stralen....
-
-Maar in de woning van Gert Kloppers was rouw en smart, want de oude
-Dirk Kloppers was niet meer!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
-Wij zijn nu in het begin van het gedenkwaardige jaar 1836;
-gedenkwaardig door den glorieuzen Uittocht der Boeren uit de
-Kaapkolonie, en ’t is bij Gert Kloppers aan alles te merken, dat de
-Trek spoedig zal beginnen.
-
-De smid is uit de stad gekomen, en heeft de ossenwagens: „Afrika”,
-„Azië” en „Europa” nagezien. Zoo had de jonge Dirk ze namelijk met een
-grove teerkwast gemerkt; achter op het grauwgeverfde hek of achterbord
-der wagens.
-
-De smid had gezegd: „Afrika is het stevigste; Europa kan er mee door,
-maar Azië wordt gebrekkig.” Aan Azië had hij dan ook een heele karrewei
-gehad, maar nu is alles op orde gebracht, en buitengewone gevallen
-uitgezonderd, zijn alle drie de wagens thans in staat, een reis van
-honderden mijlen over een heuvelachtig terrein af te leggen.
-
-In Kloppers’ woonvertrek begint het er zeer ongezellig uit te zien. Het
-kabinet, de stoelen en de groote tafel zijn verdwenen. Er staan slechts
-eene kleine kleptafel met eenige veldstoeltjes, die samengevouwen
-kunnen worden.
-
-Ook langs de witgekalkte muren wordt het kaal. De oude klok en de
-gekleurde, oud-testamentische tafereelen voorstellende en achter glas
-gezette schilderijen zoekt uw oog te vergeefs.
-
-In de andere vertrekken, in het achterhuis, op zolder, overal is het
-leeg geworden.
-
-Een rondreizend uitdrager heeft de meeste meubelen voor een spotprijs
-gekocht.
-
-Wat zal men doen? Men kan ze toch niet meenemen?
-
-De boerderij met het goed onderhouden woonhuis en de stevige schuur
-zijn eveneens voor een spotprijs overgedaan, en een Engelsche kolonist
-is de kooper geworden.
-
-„Vooruit maar!” had Kloppers gezegd, maar het was hem toch aan het hart
-gegaan, dat een vreemdeling de vruchten ging oogsten van zijnen arbeid.
-
-De drie ossenwagens zijn uit de schuur gehaald, en staan thans op de
-werf, vlak naast het huis.
-
-Men begint ze zachtjes aan te laden. In het achterste gedeelte van
-„Europa” wordt een houten raam, overspannen met een vlechtwerk van
-leeren riemen, geplaatst, om voor slaapgelegenheid te dienen, en
-„Afrika” wordt als de stevigste wagen voor de zware
-landbouwgereedschappen: een eg, een ploeg, enz. bestemd. Twee balen
-kruit en een groote hoeveelheid lood vinden daar eveneens hun plaats.
-
-Lichtere voorwerpen, zooals hamers, beitels, zagen, spijkers, zeisen,
-spaden, touw (van het dunste bindgaren tot het zwaarste kabeltouw), het
-meeste door Gert en Dirk op hun jongste reis naar de stad expres voor
-den Trek gekocht, dit alles vindt in „Azië” zijn bestemming.
-
-Vrouw Kloppers is op die reis ook mede geweest, en heeft een flinken
-voorraad kruidenierswaren, waaronder eenige balen koffie en suiker,
-opgedaan, terwijl zij bij den apotheker een grooten schat van
-medicijnen insloeg, waarbij vooral de Haarlemmerolie niet was vergeten.
-
-De uitrusting voor zoo’n grooten tocht is trouwens een ernstige zaak,
-die het grootste overleg vereischt. De ossenwagen, waarmede de Boer
-gaat trekken, is voor hem, wat het schip is voor den landverhuizer. De
-ossenwagen is zijn schip, waarmede hij zwerft door de ongemeten velden
-van Zuid-Afrika, ver van alle beschaafde streken!
-
-De Boer maakt zich voor zoo’n Trek op zijn gemak gereed. Moet het, dan
-kan hij vlug zijn, maar anders werkt hij liever bedaard, kalm, zonder
-overhaasting.
-
-„Deze bank kan ook nog wel mee, Dirk; hier, aan den buitenkant van
-Azië.”
-
-Er worden een paar lange, stevige spijkers in den buitenkant geslagen,
-en daar hangt de zitbank al. Tien jaar lang heeft zij vóór het huis
-gestaan, in de schaduw van een paar linden, en de familie Kloppers
-heeft er menigen zomeravond op gezeten.
-
-„De mand met kippen kunnen we hier onder Afrika hangen.”
-
-„En de kooi met kalkoenen achter Europa,” antwoordt Dirk.
-
-„Zoo, geef me nu die kast met kleeren aan; ’t is een goede zitbank in
-den wagen. En dat stapeltje boeken. De rol tentlinnen kan ik hier ook
-nog wel bergen.”
-
-Bij al die rangschikkingen (beuzelingen, zou een oppervlakkige zeggen)
-toont Dirk zich schrander en gevat: hij is de rechterhand zijns vaders.
-„In Dirk zit een echte Voortrekker,” zegt Gert Kloppers met een
-tevreden glimlach tot zijn vrouw.
-
-Floor gaat zijn eigen gang, stil en in zich zelven gekeerd. Hij helpt
-wel mee aan de uitrusting, doch hij mist het vernuft van Dirk.
-
-Maar hij heeft zijn bijl geslepen, zoodat hij zoo scherp is als een
-vlijm.
-
-„Als de Kaffers ons aanvallen,” zegt hij, terwijl er een dreigende
-flikkering komt in zijn grijze oogen, „dan hoop ik er bij te zijn.”
-
-De kleine Willem is met het oog op de avontuurlijke toekomst, die hem
-tegenlacht, vol moed, en helpt op zijn manier de wagens mede laden.
-
-„Willem, waar zit je?” roept zijn vader.
-
-„Hier in Achter-Azië,” roept hij vroolijk, terwijl hij, in den
-ossenwagen zittend, de huif oplicht, en met zijn schelmsche oogen naar
-buiten gluurt.
-
-
-
-Op zekeren dag, toen de uitrusting zoo goed als geregeld en afgeloopen
-was, zeide Gert Kloppers: „Dirk, van namiddag vertrekt gij met het vee.
-Tien onzer Hottentotten gaan als drijvers mee. Gij houdt den grooten
-weg, altijd maar door naar het noorden, tot gij de Vischrivier bereikt.
-Ik denk, dat gij gras genoeg zult vinden voor het vee.”
-
-„In overvloed, naar mij is verteld.”
-
-„En water zal er ook wel te vinden zijn, om het vee te drenken.”
-
-Dirk knikte toestemmend.
-
-„De Vischrivier moet gij, als de stand van het water het toelaat, zoo
-gauw mogelijk passeeren. Aan den overkant gekomen, zet gij den tocht
-langzaam voort, de richting steeds noordwaarts houdend op de
-Oranjerivier aan.
-
-„Morgen vroeg denk ik met de ossenwagens te vertrekken, en u met het
-vee aan den overkant der Vischrivier in te halen.”
-
-Met den moed, die de jeugd bezielt, maakte Dirk zich snel voor de reis
-gereed. Hij nam van de familie een kort afscheid, hing het geladen
-geweer over den schouder, en wierp zich in het zadel, op den zwarten
-Hannibal.
-
-Nu draafde hij, met de hand nog eens groetend, naar de kudde, die in de
-verte graasde.
-
-Het was een groote kudde: wel drie duizend schapen en twee honderd
-beesten, de geiten niet meegeteld, en daar zij verspreid liepen,
-besloeg de kudde een groote oppervlakte.
-
-Dirk wendde zich tot de Hottentotten, en gaf hun de noodzakelijke
-bevelen. De herdershonden, die rondom de kudde heen zwierven, keken hem
-aan met hun schrandere oogen, en schenen den baas eveneens te
-begrijpen.
-
-Toen riep de jonge Boer: „Vooruit!”
-
-De Hottentotten klapten met hun korte zweepen, de honden blaften, de
-runderen loeiden—„vooruit!”
-
-Langzaam, als een reusachtige schildpad, scheen de kudde voort te
-kruipen. Nog langen tijd stonden Kloppers en zijn vrouw de kudde na te
-oogen, totdat zij achter de eerste rij heuvelen verdween.
-
-Toen ging het echtpaar naar binnen, om alle hoeken en kasten nog eens
-zorgvuldig na te zien, en het was laat, toen men ter ruste ging.
-
-Het was voor Kloppers een onrustige nacht, deze laatste nacht in een
-huis, dat niet meer het zijne was.
-
-Hoeveel droeve gedachten, zorgen, bezwaren bestormden zijn ziel!
-
-Eindelijk viel hij in slaap, maar in zijn droomen zag hij de van bloed
-druipende assegaaien der Kaffers en de verminkte lichamen van
-Afrikaansche Boeren....
-
-Met schrik werd hij wakker en stond op. Hij nam de tondeldoos en sloeg
-vuur: het was nog nacht.
-
-Hij kleedde zich aan, en behoedzaam de buitendeur openende, opdat
-niemand gewekt zou worden, ging hij naar buiten.
-
-Heldere sterrenglans, veel helderder dan die aan den Noord-Europeeschen
-hemel schittert, fonkelde aan het azuren gewelf, en wierp over het
-landschap een zacht, schemerend licht. Het was stil, stiller nog dan
-gewoonlijk, want geen rund liet zich meer hooren in de kraal.
-
-Slechts de nachtwind fluisterde zijn geheimzinnige accoorden in de
-toppen der linden vóór het huis.
-
-Langzaam, in weemoedige gedachten verzonken, wandelde Kloppers rondom
-de eenzame woning, toen door den tuin, die met zijn veelkleurige
-bloemen in het zachte licht van den sterrenglans een wondervollen
-indruk maakte, vervolgens door den boomgaard, waar een vogelke slaperig
-van tak op tak sprong, totdat hij bij de drie machtige gomboomen kwam,
-welker donkere kronen hoog en zwijgend boven de toppen der andere
-boomen uitkwamen. In zijn gedachten zag hij nòg de Boeren aan de ruw
-getimmerde houten tafels zitten, en in zijn ooren klonk ernstig en
-waarschuwend het woord zijn vaders: „Kinderen, weest eendrachtig!”
-
-Door het struikgewas slingerde een klein, smal voetpad, dat hij
-insloeg, en een haas, die door den stap van den wandelaar uit zijn
-leger werd opgeschrikt, verdween pijlsnel in het kreupelhout, dat zich
-ritselend achter hem sloot.
-
-Bij den ons welbekenden cypressenboom bleef Kloppers staan, en aan een
-plotselinge ingeving gevolg gevend, knielde hij neder: tusschen den
-grafheuvel zijns vaders, waaruit de eerste teedere groene grasscheutjes
-omhoog sproten, en de drie kleine grafheuvels zijner kinderen,
-waarboven lange grashalmen en geurige bloemen zich wiegden in den
-nachtwind. En hier in de eenzaamheid, door niemand bespied dan door het
-oog van zijn God, gaf het geprangde hart van den sterken man zich lucht
-in een stroom van tranen....
-
-Klagend klonk het geroep eener boschduif uit de verte, en klagend
-bewoog zich het gebladerte van den cypressenboom....
-
-Maar verwonderd keerde Kloppers het hoofd om, toen hij den druk eener
-welbekende hand op zijn schouder voelde, en oprijzende stond hij voor
-zijn vrouw. Zij plukte—tot een aandenken—een takje van den
-cypressenboom, en nadat beiden afscheid hadden genomen van hunne
-beminden, die voor hen leefden al waren zij dood, keerden zij in kalmer
-gemoedsstemming langs hetzelfde voetpad naar de woning terug.
-
-De man begaf zich naar de schuur, waar de Hottentottenknechten sliepen,
-riep hen met luide stem wakker en gelastte hen, om de trekossen, die in
-de nabijheid graasden, onmiddellijk voor de wagens te spannen.
-Inmiddels ging de vrouw de woning binnen, en nadat zij het ontbijt had
-gereed gemaakt, wekte zij de kinderen. De morgenschemering begon reeds
-door te breken, toen allen zich om de kleine tafel hadden geschaard, om
-het laatste ontbijt te gebruiken onder een dak, waar zooveel huiselijk
-geluk was gesmaakt, maar ook zooveel leed was doorworsteld.
-
-Niemand sprak een woord; zelfs de luidruchtige Willem scheen gedrukt.
-Slaapdronken leunde de kleine Hannie tegen den schouder van haar
-moeder, en de vroolijke Mieke, voor wier zonnigen glimlach zoo dikwijls
-de schaduwen op het gelaat harer ouders waren weggevlucht, had tranen
-in de oogen.
-
-Nu nam Kloppers den ouden, van koperbeslag voorzienen Statenbijbel, en
-las met langzame, plechtige stem, die indrukwekkend klonk in de holle
-ruimte van het leege vertrek, Psalm 121: „Ik hef mijne oogen op naar de
-bergen, van waar mijne hulpe komen zal.... De Heere zal uwen uitgang en
-uwen ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid....”
-
-En hoor, nu zingen zij gemeenschappelijk het welbekende, zoo roerend
-schoone psalmlied:
-
-
- „Maak Uwe weldaan wonderbaar,
- Gij, Die Uw kindren wilt behoeden
- Voor ’s vijands macht en vreeslijk woeden,
- En hen beschermt in ’t grootst gevaar.
- Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;
- Uw zorg bewaak’ mij van omhoog;
- Bewaar m’ als d’ appel van het oog;
- Wil mij met Uwe vleuglen dekken!”
-
-
-Na dezen psalm gezongen te hebben, knielen allen neder, en de huisvader
-stort in het gebed zijne ziel uit voor God. Hij roept, hij smeekt, hij
-worstelt met God, Zijn God en getrouwen Vader in Jezus Christus, en
-zijn bedroefde ziel wordt wonderlijk verkwikt door de wateren der
-eeuwige Fontein.
-
-Nadat het Amen is uitgesproken, staan allen op, en wat er aan meubelen
-nog in huis voorhanden is, wordt door vaardige handen snel naar de
-wagens gebracht. De Bijbel volgt als het kostbaarste kleinood het
-laatst en ontvangt een eereplaats, daar de geloovige Boer zonder dat
-boek niet voort kan, en het gebruikt als het onfeilbare kompas op de
-golvende, woelige levenszee.
-
-Terwijl de ossen voor de wagens zijn gespannen, worden de paarden uit
-den stal gehaald en door eenige Hottentotten vooruitgeleid, vergezeld
-door Sultan den kettinghond, die, van den lastigen ijzeren band
-bevrijd, met luid en vroolijk geblaf in groote sprongen de laan afrent.
-
-Vrouw Kloppers gaat met Hannie op haar schoot en Mieke naast zich in
-den voorsten wagen zitten, maar Willem versmaadt het om mee te rijden
-en zal naast zijn vader loopen.
-
-Gert Kloppers zal den voorsten ossenwagen: „Europa” mennen, Floor den
-middelste: „Azië”, terwijl aan Daan de achterste wagen is toevertrouwd.
-
-Kloppers neemt de leidsels uit de handen van den Hottentot over, die
-zich op diens bevel thans bij het voorste juk ossen plaatst.
-
-Nog één langen blik werpt de huisvader achterwaarts: over huis en hof,
-over tuin en boomgaard; hij ziet den dauw op bloem en plant schitteren
-en fonkelen in de stralen der morgenzon, die juichend opgaat, en nooit
-heeft deze landelijke woning een lieflijker aanzien gehad dan in dit
-oogenblik, nu ze voor altoos zal verlaten worden.
-
-Maar deze lange blik is de láátste blik geweest, dien Kloppers
-achterwaarts wierp. Hij voelt weer grond onder zijn voeten, want hij
-trekt met zijn God. Het beekje, ritselend van de heuvelen, zingt zijn
-zachte melodiën, maar hij hóórt het niet meer; de kronen der acacia’s
-wuiven een weemoedig afscheid, maar hij mèrkt het niet meer.
-
-De heldengeest zijner voorvaderen, de krachtvolle, ontembare wil der
-oude voortrekkers is over hem vaardig geworden, en het verleden
-vergetend, ligt voorwaarts zijn doel!
-
-De leidsels neemt hij in de linkerhand, terwijl zijn rechter de zweep,
-een rotting met een leeren slag van zes el lengte, omklemt.
-
-„Is alles in orde?” vraagt hij.
-
-„Alles is in orde,” antwoorden Floor en Daan.
-
-De lange zweep steviger in de sterke vuist nemend, roept hij met luide,
-moedige stem, die helder weerklinkt in de frissche morgenlucht: „Dan
-trek!”
-
-Knallend doorklieft de zweep de lucht; de acht juk ossen buigen den
-sterken nek; de wagen zet zich hotsend in beweging; de Trek is
-begonnen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
-Met gelijkmatigen, bedachtzamen tred trekken de ossen de wagens, en het
-getrappel hunner pooten en de wieling der zware raderen in het droge,
-mulle zand jaagt dichte stofwolken omhoog. De weg loopt door een
-golvende vlakte, over heuvelen en door dalen. Bij het stijgen van den
-weg de heuvelen op, voelen de ossen den slag der zweep, die hen tot
-krachtiger inspanning aanspoort, en de heuvelen afdalend, wordt de
-ijzeren remketting, om het achterwiel geworpen, om de al te snelle
-vaart te stuiten.
-
-Men had reeds een viertal uren gereden, en brandend straalde de zon van
-den wolkenloozen hemel, toen in de verte, door een krans van groen
-geboomte omlijst, een eenvoudige boerenwoning zichtbaar werd.
-
-Gert Kloppers, die, om eenigszins beschut te zijn tegen de brandende
-hitte, met Willem onder de huif van den ossenwagen had plaats genomen
-naast zijn vrouw, Mieke en Hannie, zeide vergenoegd, terwijl hij met
-den zweepstok in de richting dier woning wees: „Dáár zullen wij
-schaften.” Want hij kende den bewoner dier hoeve, en voor hij met zijn
-ossenwagens de breede oprijlaan had ingeslagen, kwam de boer met zijn
-vrouw de Trekkers reeds tegemoet.
-
-Met de gulle gastvrijheid, die onder de Afrikaansche Boeren heerscht,
-en die zoo weldadig aandoet, daar zij zoo hartelijk is gemeend, werd de
-familie Kloppers naar binnen geleid en op het beste onthaald. Terwijl
-werden de wagens door de Hottentotten uitgespannen, en de dorstige
-ossen aan den vijver gedrenkt en gevoederd. Onder gezelligen kout
-bracht de familie nu het heetste gedeelte van den dag bij hunne
-kennissen door, maar toen de hitte eenigszins verminderde, liet
-Kloppers weer inspannen, en vergezeld van de innigste zegenwenschen
-zijner vrienden, verliet hij met de zijnen het gastvrije dak. Men trok
-voort tot het donker begon te worden, en midden in het veld werden bij
-een beek, die nog volop water had, en in de nabijheid van eenige
-populieren, die als eenzame, vergeten schildwachten op hun post schenen
-te staan, de wagens uitgespannen. „Europa” en „Afrika” werden op een
-wagenlengte afstand evenwijdig van elkander opgesteld, terwijl „Azië”
-er van achter tegen aan kwam te staan. Zoo werd er een vierkant
-gevormd, dat aan drie zijden door de ossenwagens ommuurd, slechts één
-open zijde had. In deze ruimte werd snel een tent opgeslagen, die voor
-Kloppers, Floor en Willem was bestemd, terwijl de Hottentotten hun
-slaapplaats onder de wagens zouden zoeken. Inmiddels had Mieke met
-rappe handen drie ijzeren staken in den grond gestoken, die van boven
-samenliepen. Aan dezen driebeenigen standaard bevestigde zij een korte,
-uit ijzeren schakels bestaande ketting, en hing den waterketel over het
-vuur, dat Willem reeds had aangemaakt. De kleptafels en de noodige
-veldstoeltjes werden uit den wagen genomen, en bij het schijnsel van
-het vroolijk knappende vuur werd het eenvoudig avondeten, waarbij het
-vleesch een belangrijke plaats innam, gereed gemaakt. Inmiddels was de
-koffie gezet, en van goeder harte en met uitstekenden eetlust schikte
-de familie aan. De avondmaaltijd verliep zoo geregeld en ordelijk,
-alsof men nog in de vroegere woning was. De Statenbijbel werd door
-Floor uit den wagen gehaald, en Kloppers las er een hoofdstuk uit voor
-bij het licht eener vetkaars, die op de tafel was geplaatst. Nadat nu
-de huisvader het avondgebed had uitgesproken, en er gemeenschappelijk
-een psalmvers was gezongen, begaven zich allen welgemoed ter ruste. De
-slaapstede voor de huisvrouw, Mieke en Hannie bevond zich in „Europa”,
-en geen half uur later waren allen reeds in een gezonden, verkwikkenden
-slaap gevallen.
-
-Nu werd niets meer gehoord dan een zacht geruisch in de toppen der
-populieren; vredige stilte lag over de wijde prairiën, en glanzend ging
-de maan achter de heuvelen op.
-
-De trouwe Sultan lag, terwijl hij den breeden kop op de voorpooten liet
-rusten, voor de tent van zijn baas de wacht te houden. Twee keeren
-spitste hij de ooren, terwijl hij een dof gebrom liet hooren: den
-eersten keer, toen het gekras van een roofvogel de nachtelijke stilte
-verbrak, en den tweeden keer, toen een dorstig hert naar de beek
-spoedde, om zich te laven aan het frissche, heldere water. Maar anders
-verbrak niets de stilte van den nacht, en de gouden tinten van den
-dageraad werden reeds zichtbaar aan den oostelijken horizon, en de haan
-in de kippenmand had reeds herhaalde malen zijn krachtigen morgengroet
-laten hooren, voor de familie Kloppers het merkte. Eindelijk werd de
-huisvader toch wakker, en met den uitroep: „Jongens, er uit! ’t Is meer
-dan tijd,” sprong hij van den harden kafzak overeind.
-
-’t Had heel wat in, voor dat Floor zijn zinnen goed bij elkander had,
-maar Willem was onmiddellijk klaar wakker. „Ik zal de Hottentotten wel
-wekken,” riep hij, maar hoe hard hij ook schreeuwde, hij kon ze niet
-wakker krijgen. Doch toen hij hen in de dikke ooren kneep, waren ze
-gauw wakker. Er ging echter nog heel wat tijd over heen voor de ossen
-en paarden, die los liepen te grazen, waren gevangen, maar eindelijk
-was men toch klaar gekomen, en nadat het ontbijt was gebruikt, werd de
-legerplaats snel opgebroken.
-
-Willem liep met Sultan vooruit, en op een der hoogste heuvelen, hier
-„bulten” of „kopjes” genoemd, klauterend, zag hij in de verte, in
-wolken van stof gehuld, een langen trein ossenwagens zich voortbewegen.
-Hij deelde het nieuws aan zijn vader mede, die, de leidsels met de
-lange zweep aan zijn vrouw overhandigend, mede den heuvel beklom. Hij
-tuurde een poosje naar den langen trein, en toen, terwijl er een glans
-van genoegen op zijn gebruinde trekken kwam, zeide hij: „Kijk Willem,
-zij rijden daar langs een zijweg op den grooten weg aan, dien wij
-moeten passeeren.” „Ziet ge dien zwarten vooros wel,” ging hij na een
-pauze voort, toen de wagens dicht bij kwamen, „dien zwarte daar voor
-den voorsten wagen? Dat is een os van ouderling de Jong.”
-
-„Dan zal hij er zelf ook wel bij zijn,” meende Willem.
-
-„Dat zou ik denken,” antwoordde Kloppers op vroolijken toon. „Kijk,
-daar springt hij uit den wagen; hij herkent ons; hij zwaait met de
-zweep.”
-
-Vader en zoon beantwoordden dien groet, door herhaaldelijk met hunne
-groote, breedgerande hoeden te wuiven, en met een opgeruimd hart keerde
-Kloppers naar zijn ossenwagens terug. Het duurde nu niet lang meer, of
-hij had het punt bereikt, waar de zijweg in den grooten weg inboog, en
-hier liet hij de wagens stoppen, om den anderen trein in te wachten,
-die reeds dicht bij was.
-
-Met statigen stap en heel deftig schreden twee reusachtige
-struisvogels, die door de Jong waren getemd voorop, en het maakte wel
-den indruk, alsof zij de herauten waren van het achttal ossenwagens,
-die achter hen aan kwamen hotsen.
-
-Met ongeveinsde hartelijkheid en blijdschap had de wederzijdsche
-begroeting plaats. In den wagenstoet van de Jong bevonden zich nog vier
-andere huisgezinnen, waarvan er slechts twee aan de familie Kloppers
-persoonlijk bekend waren, maar dat verhinderde niet, dat de
-vriendschapsband met allen even spoedig als onverbreekbaar gesloten
-werd, men trok toch dezelfde gevaren en dezelfde toekomst tegemoet!
-
-Bij één dier gezinnen was een moeder, die een zuigeling van drie
-maanden op haar armen droeg, en het oog van Kloppers werd vochtig bij
-dat gezicht. Ja, wij spreken van de helden van Zuid-Afrika, maar de
-Afrikaansche heldinnen—hoe zouden wij hen kunnen vergeten! De
-strijdbare mannen, die bij Bronkhorstspruit en bij den Ingogo, bij Lang
-Nek en op den Amajuba, bij Doornkop en Krugersdorp de Engelsche vlag
-hebben neergehaald—zijn zij niet geboren uit den schoot dezer vrouwen?
-
-
-
-Het bleek, dat de Jong en zijn reisgenooten even als Kloppers hun vee
-reeds hadden vooruitgezonden naar de Vischrivier, en verlangend, om den
-stroom nog heden te bereiken, werd de tocht met Kloppers’ ossenwagens
-aan de spits onmiddellijk hervat. Toen het echter te heet werd om
-verder voort te trekken, werd er geschaft in de nabijheid van een
-vijver, die wel was uitgedroogd, doch welks bodem nog vochtig was. In
-dien bodem werden wijde, diepe kuilen gegraven, waarin zich na eenig
-wachten water verzamelde. Maar het was morsig, drabbig water, dat den
-dorst der ossen eerder prikkelde dan leschte, terwijl het veld, zoover
-het oog reikte, was verbrand door de hitte en droogte. Ook was er op
-die gansche, eindelooze, golvende vlakte boom noch struik te bekennen,
-die schaduw bood, en in kleine groepen vleiden de Trekkers zich onder
-de wagens neer. Nu verorberden zij hun sober, eenvoudig maal, en
-spoedig werden de dorstige, hongerige ossen weer ingespannen, want
-Kloppers hoopte nog voor het vallen van den avond de rivier te
-bereiken.
-
-Het was een zware, vermoeiende tocht. De hemel brandde van boven op het
-hoofd der Boeren, en de grond brandde onder hun voet. De wind was gaan
-liggen, en de ossen versmachtten van dorst. Met loomen tred sleepten
-zij de wagens achter zich voort, door krachtige zweepslagen tot steeds
-vernieuwde inspanning aangespoord, maar de Boeren begonnen de hoop
-reeds op te geven, den stroom nog heden te bereiken, toen Sultan
-plotseling met vroolijke sprongen vooruitsnelde, en Dirk op den zwarten
-Hannibal van achter een heuvel zichtbaar werd.
-
-„Daar komt Dirk al aan,” riep Kloppers op monteren toon; „die zal ’t
-ons wel vertellen.”
-
-De genoemde, die op een snellen draf was genaderd, sprong van het
-paard, en groette zijn vader met een stevigen handdruk, maar zijn
-moeder kuste hem.
-
-„Hoe gaat het?” zeide zijn vader.
-
-„Best,” zeide Dirk.
-
-„En hoe gaat het met het vee?”
-
-„Ons vee en dat van ouderling de Jong met dat van verscheidene andere
-Emigranten-Boeren [6] graast rustig aan gene zijde der rivier, die
-dicht in de nabijheid is. Ziet gij het geboomte in de verte? Daar is de
-rivier; vooruit dus maar!”
-
-Met nieuwen moed bezield, lieten de Boeren hunne lange zweepen knallen,
-dat het een aard had, en voordat er een uur was verloopen, stond de
-heele karavaan aan den glooienden oever der Vischrivier. Men was hier
-bij een zoogenaamde „drift”: een bij lagen waterstand doorwaadbare
-plaats.
-
-Eerst werden nu de ossen gedrenkt, en in lange, lange teugen slurpte
-het versmachte vee het kostelijk water. Toen plaatste Kloppers zich in
-den ossenwagen bij het vrouwelijk personeel, terwijl Willem het wel zoo
-aangenaam vond, met bloote voeten en opgestroopte broek, de kousen en
-de harde leeren veldschoenen op het hoofd, door het water te ploeteren.
-Maar op een diepe plaats zakte hij er tot de ooren toe in, zoodat hij
-zich de moeite had kunnen sparen, de broek op te stroopen.
-
-De voerman hield inmiddels de teugels van zijn ossen strak, en zonder
-ongelukken werd de tegenovergestelde oever bereikt. Het was nog niet
-volslagen donker, toen al de elf wagens reeds uitgespannen in twee
-lange rijen aan den overkant der Vischrivier stonden; de tenten waren
-in orde gebracht, en de ossen liepen langs de rivier in groene weiden
-te grazen. Intusschen togen de vrouwen met bekwamen spoed aan het werk,
-om voor hunne gezinnen het avondeten gereed te maken, en nadat allen
-verzadigd waren, werd er gemeenschappelijk een psalmlied gezongen.
-
-Toen begaf men zich ter ruste, doch niet allen. Bij het wachtvuur
-zaten, de één op een veldstoel en de ander op een gevonden klipsteen,
-Kloppers met zijn drie zonen, ouderling de Jong en nog een vijftal
-jonge Boeren, wier flinke, vastberaden gelaatstrekken duidelijk
-uitkwamen bij het schijnsel van het brandende vuur.
-
-Uit de verte klonk het gehuil der groote, gevlekte hyena en de rauwe
-kreet van den hongerigen panter, doch de Boeren zaten hier—midden in de
-wildernis—even gerust hun pijp te rooken, alsof zij op een vergadering
-te Kaapstad waren geweest.
-
-In gezellige gesprekken snelde het ééne halve uur na het andere heen,
-en door Kloppers en de Jong werd uit den schat hunner ervaring veel
-medegedeeld, dat de jonge Boeren van nut kon zijn op den Trek. Doch bij
-eene pauze in het gesprek kwam de jonge Willem plotseling met het
-verzoek: „Oom Pieter, vertel ons nu eens iets uit de geschiedenis onzer
-voorouders!”
-
-„Goed,” zeide de Jong, „luistert dan!”
-
-De pijpen werden op nieuw gestopt, en de aanwezigen schikten dichter
-bijeen om het wachtvuur. Een der jonge Boeren wierp een paar verdorde
-struiken op het vuur, zoodat de vlammen hoog uitsloegen, en daar het
-koel begon te worden in de nachtlucht, verspreidde het brandende vuur
-een aangename warmte.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
-„De Kaap,” zoo ving de Jong aan, die wegens zijn kennis een zekere
-vermaardheid onder de Boeren had verkregen, „is een der zuidelijkste
-punten van Afrika, en werd in 1486 door den onverschrokken Portugees
-Bartholomeüs Diaz ontdekt. Hij noemde haar de Kaap van alle Stormen van
-wege het noodweer, dat hij bij die Kaap had moeten doorstaan, maar zijn
-koning Jan de Tweede schudde het hoofd en zeide: „Wij zullen haar
-noemen de Kaap de Goede Hoop, want zij is een hoopvol baken op den
-langen tocht naar de Indiën.” Zoo werd de Kaap genoemd de Kaap de Goede
-Hoop, en dien naam heeft zij behouden tot op den huidigen dag. Later
-kwamen er andere zeevaarders, even moedig als de matrozen van
-Bartholomeüs Diaz, maar zij waren koeler van aard. Zij kwamen uit het
-noorden: uit Holland, ons moederland. Met verwonderde gezichten zagen
-de inboorlingen, de Hottentotten, hen landen, maar de matrozen stoorden
-zich daar weinig aan en onderzochten het land. Nu bleek het, dat het
-land vruchtbaar was, en er kronkelden rivieren door heen met frisch,
-helder water. En de matrozen rapporteerden hunne bevindingen aan de
-Hollandsche Oost-Indische Compagnie, die zeer machtig was aan geld en
-aan luiden. En de bewindvoerders der Compagnie lachten, toen zij de
-gunstige rapporten vernamen, en zij pikten een extra snuifje uit hun
-gouden snuifdoozen en zeiden: „Wij zullen van de Kaap een
-pleisterplaats maken voor onze vele schepen, die op de Oost varen, en
-wij zullen er voor zorgen, dat er water en brandhout, versch vleesch en
-groenten te verkrijgen zijn voor de schepelingen!” Daarom werd er een
-fort gebouwd aan de Kaap, en tuinen werden er aangelegd: alles op last
-en ten behoeve van de Compagnie, die zeer machtig was.
-
-„Nu woonde hier ver van daan, in het kleine stedeke Wijk bij Duurstede
-in Holland, een dokter, wiens naam was Jan Antonie van Riebeek. Gij
-moet dezen naam goed onthouden, want deze schrandere, krachtige man kon
-nog iets anders dan aderlaten en beenen afzetten; hij verstond namelijk
-de kunst om kolonies te stichten. Met een honderdtal personen:
-landbouwers, handwerkslieden, soldaten, bootsgezellen enz. stevende hij
-in 1651 op drie gebrekkige vaartuigen uit Texel, en liet op een goeien
-dag het anker vallen in de Tafel-Baai. De landverhuizers werden
-ontscheept, en vestigden zich aan de Kaap als kolonisten.
-
-„Zoo ontstond de kolonie, de Kaapkolonie, en van Riebeek kan er de
-geestelijke vader van worden genoemd. Maar deze merkwaardige man, die
-van zessen klaar was, had niet alleen een helder hoofd maar ook een
-Godvreezend hart, en hij begon zijn ernstigen, gewichtvollen arbeid met
-een gebed, waarin hij den Allerhoogste om licht en wijsheid smeekte.”
-
-Voor degenen onzer lezers, die dit gebed nooit hebben gelezen, laten
-wij hier het slot er van volgen. Het is te vinden op de eerste
-bladzijde van het door Van Riebeek bijgehouden Archief, gedateerd 9
-April 1652, en luidt als volgt:
-
-„Wij bidden U derhalve, Allergenadigste Vader, dat Gij ons met Uwe
-vaderlijke wijsheid wilt bijstaan, en in deze vergadering
-presideerende, onze harten zult verlichten, dat alle verkeerde
-hartstochten, misverstanden en dergelijke gebreken van ons mochten
-geweerd blijven, ten einde onze harten, van alle menschelijke effecten
-rein, en onze gemoederen zoo gesteld zijnde, wij in onze raadslagen
-niet anders voornemen noch besluiten als hetgeen mag strekken tot
-grootmaking en lof van Uwen allerheiligsten Naam en tot den meesten
-dienst van onze heeren en meesters, zonder eenigermate op eigenbaat of
-particulier profijt acht te nemen. Dit en alles wat noodig is tot
-uitvoering onzer bevolen diensten en onze zaligheid bidden en begeeren
-wij in den naam van Uwen lieven Zoon, onzen Heiland en Zaligmaker Jezus
-Christus.”
-
-„Dit gebed,” zoo ging de Jong voort, „was het sterk en stevig
-fondament, waarop van Riebeek als een voorzichtig bouwmeester de muren
-zijner kolonie heeft opgetrokken. Het was intusschen voor de eerste
-kolonisten eene heele overgang, en zij stonden bij vele dingen raar te
-kijken. Terwijl zij b.v. hier aan de Kaap het Kerstfeest hielden midden
-in den zomer, waren zij gewoon geweest, het in Holland in den winter te
-vieren.”
-
-„In den winter?” vraagde Willem met verwondering, maar ook de
-gelaatstrekken der andere jonge Boeren drukten bevreemding uit.
-
-„Zeker, in den winter,” antwoordde de Jong met een glimlach.
-
-„Dus in Juli of Augustus?” hernam de vrager.
-
-„Neen, in December, net als wij. Maar ik zal ’t u gauw duidelijk maken.
-Als het hier in Zuid-Afrika zomer is, dan is het in Holland winter, en
-is het hier winter, dan is het in Holland zomer. De beide kerstdagen,
-25 en 26 December, vallen hier midden in den zomer, in Holland midden
-in den winter.”
-
-Nu was het raadsel opgelost, en allen begrepen het.
-
-De Jong zette thans zijn geschiedenis voort.
-
-„De bodem,” zeide hij, „was vruchtbaar, en de vooruitzichten voor de
-landverhuizers gunstig. Daarom vestigden zich al meer en meer
-Hollanders aan de Kaap, die zich meest allen aan den landbouw wijdden,
-en de kolonie breidde zich uit. Het eerst kwamen de Hollanders in
-aanraking met de Hottentotten, en van hen kocht van Riebeek den
-noodigen grond. Hij nam den grond niet, maar hij kocht hem. Onthoud dat
-goed! Het land is geroofd noch gestolen; het is door de Hollandsche
-Boeren, onze voorouders, op wettige, eerlijke wijze verworven. Maar de
-Hottentotten hadden hunne eigenaardige begrippen van het mijn en dijn,
-en van Riebeek had heel wat moeite, om het hen aan het verstand te
-brengen, dat zij het land kwijt waren, dat zij hadden verkocht. Hij
-zeide tot de Hottentotten: „Hier rondom Tafelberg, is het nu ons
-Holland, en daar bij die hooge bergen dat is uw Holland.”
-
-„Daarom wordt die streek tot op dezen dag genoemd:
-„Hottentotsch-Holland”. De Hottentotten waren intusschen niet kruimelig
-in het land verkoopen, want zij dachten: Achter ons ligt de heele
-wereld, en die is van ons.
-
-„De Hottentotten vergisten zich echter hierin, want na verloop van tijd
-aan de Vischrivier gekomen, die hier langs ons lager heenstroomt,
-stootten zij op de Kafferstammen als op een ijzeren muur. Nu zaten zij
-in het zuiden door de Boeren en in het noorden door de Kaffers bekneld;
-velen hunner staken de zuidelijke grenzen over, en verhuurden zich als
-veehoeders bij de Boeren, terwijl de anderen, in ongeregelde benden
-langs de grenzen zwervend, naar het westen trokken, zoodat alle
-volksbewustzijn verloren ging.
-
-„Niet alle gouverneurs waren van zoo’n uitnemend karakter als Antonie
-van Riebeek, en onder de slechte bewindvoerders mogen Willem Adriaan
-van der Stell, Pieter Gijsbert van Noot en Joachim van Plettenberg in
-de eerste plaats worden genoemd. Reeds Simon van der Stell, de vader,
-had in strijd met het reglement der Compagnie zich vaste landerijen
-verworven, en de Boeren gedwongen, voor hem te werken, doch, de pink
-van Willem Adriaan bleek dikker te zijn dan de lende zijns vaders. De
-jonge van der Stell wist vierhonderd morgen land machtig te worden,
-waarop hij een prachtig huis liet bouwen en tuinen en boomgaarden
-aanleggen, terwijl niet minder dan vierhonderdduizend wijngaardstokken
-moesten worden aangeplant. Maar het kostte hem geen cent; hij liet er
-de Boeren voor zweeten.
-
-„Dit was echter nog niet genoeg. Hij werd eigenaar van tienduizend
-schapen, en van zeventienduizend stuks hoornvee, terwijl hij in schijn
-voor de Compagnie doch in wèrkelijkheid ten eigen bate opkooper en
-leverancier werd voor de Boeren.
-
-„Om de beteekenis daarvan te verstaan, behoort men te bedenken, dat de
-Boeren aan niemand dan aan de Compagnie hun producten mochten
-verkoopen, terwijl zij bij niemand hun inkoopen mochten doen dan bij
-diezelfde goedertierene Compagnie, die tegen den laagst mogelijken,
-door haar zelf vastgestelden prijs kocht, en met buitensporige winsten
-verkocht.
-
-„De jonge van der Stell maakte het ten laatste zoo erg, dat drie en
-zestig burgers een klaagschrift tegen hem inzonden bij den
-gouverneur-generaal te Batavia, tot wiens gebied de Kaapkolonie
-behoorde, wat van der Stell aanleiding gaf, om den hoofdleider der
-beweging, Pieter van der Bijl, (een naam, nog tot op den huidigen dag
-in de Kaapkolonie met eere bekend), met vijf anderen ter verantwoording
-op te zenden naar Holland.
-
-„Doch deze vermetele daad kwam hem duur te staan, en zoowel hij als
-zijn gedienstige predikant en eenige andere Boerenverdrukkers werden
-teruggeroepen naar het moederland.
-
-„De bloedzuiger echter was nog maar een lam tegenover gouverneur van
-Noot, en veertig Boeren namen het wanhopig besluit, om naar een
-Portugeesche kolonie te vluchten, en vervolgens naar Holland te gaan,
-om daar recht te zoeken. Doch hun voornemen lekte uit, en van Noot liet
-zeven hunner ophangen in het gezicht van zijn kasteel.
-
-„Toen echter reeds zes Boeren hingen, en de zevende den beul zag
-naderen, die hem den strop om den nek zoude leggen, keerde hij zich met
-het gelaat naar het kasteel, en riep met indrukwekkende stem:
-„Gouverneur van Noot, ik daag u binnen een uur tijds voor den
-rechterstoel van den alwetenden God, om rekenschap te geven van mijne
-ziel en de zielen mijner vrienden!” Daarna wendde hij zich tot den
-beul, en met een: „In Gods naam dan!” liet hij zich gewillig ophangen.”
-
-Ouderling de Jong maakte, zelf onder den indruk van hetgeen hij
-verhaalde, een kleine pauze, en de luisterende Boeren schaarden dichter
-om hem heen.
-
-„Het woord van den Boer was een profetie geweest,” begon de Jong
-opnieuw, „en toen de raadsleden, met het toezicht op de executie
-belast, zich naar het kasteel begaven, om rapport uit te brengen, zagen
-zij wel den gouverneur zitten op zijn gewone plaats in den stoel, maar
-zijn gelaat scheen verwrongen, en de oogen schenen gebroken in helsche
-angst.
-
-„Toen was er vreugde onder de Boeren, en de straatkinderen zongen met
-een even eenvoudige als pakkende woordspeling:
-
-
- „Geen nood!
- Van Noot is dood!”
-
-
-„Nog wijst men den bezoeker op het Museum te Kaapstad den stoel, waarop
-van Noot den laatsten adem uitblies, terwijl de regeering het lijk van
-dezen terecht verafschuwden man op een onbekende plek liet begraven.
-
-„Ook van Plettenberg was een echte verdrukker, die iederen Boer, die
-niet onvoorwaardelijk en onmiddellijk naar zijn pijpen wilde dansen, in
-de ijzers liet werpen, en als soldaat of matroos opzond naar Indië.
-
-„Gelukkig voor den Nederlandschen naam werd de rij der slechte
-bewindvoerders gedurig door goede onderbroken, en vooral gouverneur
-Rijk van Tulbagh werd geroemd wegens zijn oprecht, edel en rechtschapen
-karakter.
-
-„Telkens als het juk te zwaar werd, trokken de Boeren dieper het
-binnenland in. Zoo ontstond een nieuw district, het „afgelegene”
-geheeten, dat in 1742 bij de Kaapkolonie werd ingelijfd, en naar
-gouverneur Swellengrebel en diens echtgenoote Ten Damme, Swellendam
-werd genoemd.
-
-„Doch de Boeren trokken al verder, zoodat vier en veertig jaar later,
-in 1786, al weer een groot district bij de Kolonie kon worden gevoegd,
-dat naar gouverneur de Graaff en zijne vrouw Reynette Graaff-Reinet
-werd genoemd.
-
-„Intusschen gistte het bij het einde der achttiende eeuw in het oude
-Europa. Staatkundige beroeringen schokten de volken, en Europa raakte
-in vuur en vlam. Het Nederlandsche volk haalde de Franschen binnen,
-joeg zijn stadhouder weg en kwam tegenover Engeland te staan.
-
-„Nu wist Engeland zeer goed, dat er op den weg naar Oost-Indië een
-Kaapkolonie lag, en lord Keith, een Engelsch admiraal, ankerde den
-10den Juni 1795 met een oorlogsvloot in de Simonsbaai, en eischte de
-Kaapkolonie op—voor den Prins van Oranje.
-
-„Het liep de Engelschen al bijzonder mee. De Hollandsche gouverneur
-ontving de Engelschen zeer beleefd, en wisselde met hen meer
-complimenten dan kogels.
-
-„Enfin, de uitslag was wel te voorzien, maar ter eere van onze Boeren
-zij het gezegd, dat zij van den beginne aan tegen de overgave waren.
-Zij wilden vechten tot het uiterste, en van alle kanten snelden zij
-toe, om de bedreigde Kolonie te steunen.
-
-„Hoe jammer, dat er te Kaapstad een papgouverneur, een Sluyskens,
-regeerde, en geen ijzeren Jan Pieterszoon Coen!
-
-„’t Is waar: de Boeren hadden over de Nederlandsche regeering
-herhaaldelijk bitter te klagen gehad, maar zij vormde toch hun wettige
-regeering, en zij wilden met de vreemde indringers niets te maken
-hebben.
-
-„Zij wilden dus vechten, doch wat baatte het? De Hollandsche soldaten
-kregen order, om zich terug te trekken, en zonder slag of stoot, zonder
-dat er één druppel bloed was gevloeid, werden de forten overgegeven.
-
-„Roemloos ging de Kaapkolonie verloren, maar het was voor Nederland wel
-een aangename verrassing, toen het bij den vrede van Amiens (1802) de
-Kolonie terug ontving—doch hoor ik daar niet een vreemd geritsel in het
-kreupelhout?”
-
-„’t Is de wind maar,” zeide een der jonge Boeren, „die wat opsteekt.”
-
-„Er werden nu ernstige hervormingen ter hand genomen,” hernam de Jong,
-„en nieuwe, doelmatige regelingen, die vooral ons Boeren ten goede
-zouden komen, getroffen, toen de oorlog op nieuw ontbrandde, en de
-Engelsche admiraal Popham den 6den Januari 1806 met een vloot van drie
-en zestig oorlogschepen in de Tafelbaai verscheen, om onmiddellijk met
-de ontscheping van vijf duizend man landingstroepen te beginnen.
-
-„De gouverneur Janssens stond als van den donder getroffen, en de
-koloniale troepen van Holland, die bij de Blauwbergen in linie stonden
-geschaard, gingen als echte huurlingen bij het hooren van het Engelsche
-tromgeroffel aan den haal.
-
-„Binnen zes dagen viel Kaapstad met het sterke kasteel in handen der
-Engelschen, en gouverneur Janssens vluchtte hals over kop naar de
-Hollandsch-Hottentotsche Bergen.
-
-„Maar ook nu was de toestand nog niet hopeloos. Met vijf honderd
-scherpschutters zou hij in staat zijn geweest, om den pas, die als een
-poort in de Hollandsch-Hottentotsche Bergen toegang gaf tot het
-binnenland, tegen de macht der Engelschen te houden.
-
-„En in plaats van vijf honderd zouden de Boeren hem vijf duizend
-scherpschutters hebben geleverd!
-
-„Toch heeft hij zelfs geen poging gewaagd! Al te angstig klopte dat
-hazenhart!
-
-„De huurlingen, die niet hadden willen vechten, mochten uittrekken met
-militaire eer; de officieren behielden hun particuliere eigendommen; de
-burgerlijke ambtenaren bleven in hun betrekkingen, en de Boeren—nu ja,
-de Boeren mochten wrokken zooveel als zij wilden, men zou hen wel klaar
-krijgen....”
-
-Maar verder kwam de Jong niet, want allen waren plotseling opgerezen.
-
-„Een tijger,” fluisterde Dirk, „daar, in het kreupelhout!”
-
-Het was afgesproken geweest, dat voortaan met het oog op de
-menigvuldige sporen van wilde dieren, die men had ontdekt, elken nacht
-door twee personen de wacht zou worden betrokken. Voor dezen nacht
-waren Gert Kloppers en zijn zoon Dirk met die taak belast, en met dat
-doel hadden zij geladen geweren bij zich.
-
-De tijger had zich verraden door het knakken der twijgen, en nu zagen
-ook de anderen de vage omtrekken van het roofdier tusschen het donker
-gebladerte schemeren. Zijn oogen blonken in de duisternis als twee
-gloeiende spijkers.
-
-Terwijl allen met gespannen aandacht naar die gloeiende spijkers
-staarden, legde Dirk voorzichtig aan.
-
-„Raak hem tusschen zijn oogen,” zeide Gert Kloppers zacht, terwijl hij
-ook zijn eigen geweer aanlegde.
-
-Dirk knikte en brandde los.
-
-Met een akelig gehuil beantwoordde de tijger het schot.
-
-Hij deed een geweldigen sprong, maar midden in den sprong viel hij met
-een harden slag tegen den grond.
-
-Dirk had hem genoeg gegeven.
-
-Voorzichtig slopen de Boeren nu met toortsen naderbij, en wachtten
-bedaard zijn laatste stuiptrekkingen af. Toen het roofdier dood was,
-onderzochten zij in de eerste plaats de plek, waar de kogel was
-doorgedrongen. Dat is altijd hun eerste werk. Voor zij de waarde van
-den buit taxeeren, gaan zij de waarde van het schot taxeeren.
-
-„Een mooi schot,” zeide de achttienjarige Kees Bouwer tot Tijs, den
-zoon van ouderling de Jong.
-
-Dat Kees deze opmerking bepaald aan Tijs de Jong maakte, had een
-bijzondere reden. Kees was wat plaagachtig van natuur, en hij wist, dat
-er tusschen Dirk Kloppers en Tijs eenige naijver bestond op het punt,
-wie van beiden het beste kon schieten. Trouwens wat de edele
-schutterskunst betreft, zijn de jonge Afrikaansche Boeren altijd
-eenigszins jaloersch op elkander.
-
-„Zoo goed kunt gij het toch niet,” liet Kees er minder edel op volgen.
-
-„Och,” zeide Tijs, de schouders ophalend, „’t is een gelukkig schot.”
-
-„’t Is een meesterlijk schot,” antwoordde Kees, „en tegen Dirk moet je
-’t afleggen.” „Goed, laat me ’t dan afleggen,” zeide Tijs wrevelig, en
-het gezelschap den rug toekeerend, riep hij: „Wel te rusten, en zegen
-met den tijger!”
-
-Toen ging hij naar zijn tent, en wierp zich ontstemd op een bos hooi
-neer. Maar spoedig viel hij in slaap en droomde van wilde avonturen met
-tijgers, leeuwen en olifanten.
-
-Ook de anderen zochten nu spoedig hun tenten op. Men gaf elkander de
-hand, terwijl Gert Kloppers en Dirk nieuwe brandstof op het vuur
-wierpen en zich voor de koude met een schapenvacht dekten.
-
-Van achter het gebergte klom de maan thans op in stille majesteit, en
-terwijl de toppen der bergen en de velden baadden in haar zacht
-glanzend licht, hing boven de spleten en kloven van het gebergte
-tastbare duisternis. Witte dampen stegen op, en aan den diep blauwen
-hemel schitterden de sterren als juweelen op het nachtelijk kleed van
-den Almachtige.
-
-Maar scherper klonk uit de verte het gehuil der gevlekte hyena en de
-rauwe kreet van den hongerigen panter. Sultan legde zijn kop op Dirk’s
-knie, terwijl hij nu en dan een dof gebrom liet hooren. Maar alles
-bleef rustig, en zonder verdere avonturen ging de nacht voorbij.
-
-Maar geen acht dagen later had de familie Kloppers een ontmoeting met
-het geweldigste aller roofdieren, den leeuw, waarbij het geen haar had
-gescheeld, of de kleine Hannie was het slachtoffer geworden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
-Op zekeren morgen, nadat men weer eenige dagen was voortgetrokken,
-bleven de ossenwagens uitgespannen staan. Met algemeen goedvinden was
-besloten, den Trek eenige dagen te staken. Daardoor bleef men in
-verbinding met de Emigranten-Boeren, die de Kolonie later hadden
-verlaten, dat met het oog op de gevaren, die van de zijde der Kaffers
-te duchten waren, een verstandige maatregel was.
-
-De wagens bleven dus uitgespannen, en de Boeren, die hartstochtelijke
-jagers zijn, begaven zich op de antilopenjacht. Het vleesch der gedoode
-antilopen plegen de jagers bij lange reepen in de zon te droogen te
-hangen. Het gedroogde vleesch wordt biltong genoemd, en levert een taai
-maar krachtig voedsel.
-
-Willem, die nu tien jaar was, had waarlijk ook al een geweer, en het
-hinderde hem niet, dat de klepper, waarop hij zat, reeds oud en stijf
-begon te worden. Aan de zijde van Dirk trok hij met de andere Boeren
-vroolijk mede ter jacht, en elken kwinkslag, die op hem werd afgegeven,
-gaf de kleine kerel met woeker terug.
-
-Maar Gert Kloppers was in de legerplaats gebleven. Er was aan de
-ossenwagens zooveel na te zien en te kalefateren, dat er werk genoeg
-aan den winkel was. En al was er geen onraad te vreezen, hij hield het
-toch voor raadzaam, dat er ten minste één mannelijke verdediger in het
-lager was.
-
-De jagers waren nu vertrokken, en terwijl Gert Kloppers een voorwiel
-van den achtersten wagen nazag, leunde Floor tegen den voorsten
-ossenwagen. Hij tuurde zwijgend naar den blauwen hemel, waar een paar
-grijze wolken voorbij dreven, terwijl hun schaduw langzaam over de
-onmetelijke velden gleed.
-
-Er lag een trek van bitter verdriet op zijn gelaat. Meer dan hij ’t
-zeggen kon, hinderde ’t hem, dat zelfs de kleine Willem reeds met
-vaardigheid het geweer, dat machtig wapen in de hand van den Boer, kon
-hanteeren, terwijl hij er niet de minste geschiktheid voor bezat.
-
-Wèl had hij zich een groote bekwaamheid eigen gemaakt in het werpen van
-zijn strijdbijl, maar wat baatte dat?
-
-Twintig maal had hij klaar gestaan, om een wild dier het scherpe staal
-naar den kop te slingeren, maar elken keer was de buit hem ontsnapt,
-voor het onder het bereik van zijn bijlworp kwam.
-
-Hij was nutteloos; dàt voelde hij. Hij wilde nuttig zijn, en hij kon
-het niet, en hij schaamde zich over iets, dat hij toch niet verhelpen
-kon.
-
-En juist, terwijl hij zich in deze zelfpijnigingen verdiepte, richtte
-zijn moeder, die in de schaduw van den wagen gezeten, bezig was met
-kleeren verstellen, zich tot hem met de woorden: „Zoo Floor, staat gij
-daar weer te suffen? Waarom ben je niet meegegaan op de jacht?”
-
-„Ge weet het: ik kan niet schieten.”
-
-„Ja, de kleine Willem beschaamt je,” zeide de moeder.
-
-„Kan ik dat helpen?” antwoordde hij op stroeven toon.
-
-„Gij zijt een hals, een tobbert,” vervolgde vrouw Kloppers. „Een Boer,
-die geen geweer kan hanteeren, is een oneer voor de familie.”
-
-Zij bedoelde dat zoo erg niet, maar zij was van morgen door allerlei
-kleine wederwaardigheden ontstemd geraakt, en zij woog haar woorden
-niet.
-
-Maar bij Floor, die in een hoogst prikkelbaren toestand verkeerde, viel
-dit woord als een snijdend zwaard in de ziel.
-
-„Een oneer?” riep hij met schorre stem, „een oneer?”
-
-Hij was zoo wit geworden als een gekalkte muur, en hij beet op zijn
-lippen, dat het bloed er uit sprong.
-
-En voor de moeder er aan dacht, om hem terug te roepen en te kalmeeren,
-verliet hij met haastige schreden de legerplaats, niet in staat den
-storm te bezweren, die in zijn binnenste woedde.
-
-Nu hij zich verwijderd had begreep de moeder eerst, dat zij haar kind
-had gegriefd, en ware niet een buurvrouw tusschenbeide gekomen, die
-hare oogenblikkelijke hulp van noode had, dan zou zij Floor nog zeker
-zijn nagegaan.
-
-Maar nu troostte zij zich met de gedachte, hem bij zijn thuiskomst wel
-te spreken, er niet aan denkend, dat er voor die thuiskomst nog veel
-kon gebeuren!
-
-
-
-Het zal een paar uur later zijn geweest, dat de kleine Hannie op
-eenigen afstand van het lager op een heuveltje zat te spelen. Zij zat
-met den rug naar de ossenwagens, terwijl vrouw Kloppers nog altijd bij
-den voorsten wagen zat, ijverig bezig aan haar huiselijk werk.
-
-Rechts van het kind, op zeer korten afstand, was een klein bosch,
-terwijl op den achtergrond, vóór het kind, eenig kreupelhout groeide.
-
-Vrouw Kloppers hield, nu en dan van haar werk opziende, de kleine
-Hannie in het oog, doch wie beschrijft haar schrik, toen zij, weer in
-de richting van haar kind starende, op den achtergrond, tusschen de
-groene bladeren van het kreupelhout, de gele manen zag schemeren van
-een leeuw.
-
-Zonder twijfel werd het roofdier door den honger gekweld, want anders
-waagt zich de leeuw gewoonlijk niet op klaarlichten dag in de nabijheid
-van ossenwagens.
-
-Hij sloop voorzichtig als een kat uit het kreupelhout, en vrouw
-Kloppers zag het duidelijk, dat het een leeuw van de grootste soort
-was.
-
-Onmiddellijk echter legde hij zich plat op den grond, en de wijze,
-waarop hij met den staart zijn zijde zwiepte, wees duidelijk aan, dat
-hij een prooi had ontdekt.
-
-En die prooi was de kleine Hannie!
-
-De kleine speelde met haar pop, en had niet het flauwste besef van het
-vreeselijke gevaar, dat haar bedreigde.
-
-Zij wendde het blonde hoofdje om, en lachte tegen haar moeder.
-
-„Zie eens, Moeke,” riep ze, „wat past dat jurkje mooi!”
-
-Nu keek de kleine weer recht vooruit, naar het kreupelhout. Zij moest
-den leeuw zien; zij zàg hem werkelijk. Maar het onthutste haar niet;
-argeloos speelde zij door.
-
-In de verte, links van de kleine, kwam Gert Kloppers van eene korte
-wandeling terug, en op een verhevendheid komende, zag hij duidelijk het
-bruine, strooien hoedje van zijn kind.
-
-Maar even duidelijk zag hij den grooten leeuw als een kat op den loer
-liggen.
-
-Kloppers was zonder geweer; niets dan een mes had hij bij zich.
-
-Hij blikte naar den voorsten ossenwagen, en zag, hoe zijn vrouw er in
-tastte met hare handen.
-
-Hij zag haar een geweer grijpen, en tegen den grond werpen. En nòg één
-.... en nog één .... alle drie wierp ze tegen den grond. Hij begreep
-het, en zijn hart bonsde zoo hevig, dat hij het kon hooren kloppen.
-
-Er bevonden zich namelijk vier geweren in den ossenwagen. Drie daarvan
-waren gisteren afgeschoten, en het was verzuimd geworden, ze weer te
-laden. Het vierde geweer, het kleinste, was geladen, maar zelfs de
-knapste schutter der kolonie—zelfs Teunis Smit niet!—kon met dat geweer
-een leeuw vellen.
-
-Dat alles wist de vader der kleine Hannie.
-
-Nu zag hij, dat zijn vrouw het vierde geweer nam en aanlegde.
-
-„Mik goed, Hanneke!” zeide hij. „Schiet het monster het rechteroog
-uit!”
-
-Hij zeide dit werktuigelijk, binnensmonds, want hij was te ver van zijn
-vrouw vandaan, om haar te kunnen beroepen. En al hàd hij haar kunnen
-beroepen, dan zou hij het toch niet hebben gedaan, uit vrees, het
-onheil te verhaasten, dat oogenschijnlijk niet te keeren was.
-
-Meteen trok hij echter het scherpe mes uit de schede.
-
-Vrouw Kloppers scheen echter te aarzelen, om af te drukken. Ook dat
-begreep haar man.
-
-Het kind was namelijk opgerezen, en stond juist in de richting, die de
-kogel moest nemen.
-
-Maar het kind ging weer zitten, en onmiddellijk daarop zag Kloppers den
-vuurstraal glippen uit den loop van het geweer.
-
-Zoo dicht over het hoofd van het kind floot de kogel heen, dat de veer
-op het hoedje werd geraakt.
-
-Nu snelden de moeder van den eenen en de vader van den anderen kant hun
-kind ter hulpe, maar sneller dan de ouders was de leeuw, die razend van
-pijn en woede den vreeselijken sprong deed.
-
-Doch hij miste zijn prooi—drie passen vóór het kind kwam hij op den
-grond terecht. En in dit ondeelbaar oogenblik, vóór hij den sterken
-klauw tot den doodelijken slag kon uithalen, suisde rechts uit het
-bosch een bijl door de lucht.
-
-Met zoo’n vreeselijke kracht was het wapen geslingerd, dat de bovenkop
-van het roofdier letterlijk gespleten werd.
-
-Thans kwam Floor, die reeds lang vóór zijn moeder den leeuw had
-opgemerkt, uit het boschje te voorschijn, en begaf zich kalm, alsof er
-niets was gebeurd, naar den leeuw. Maar een scherp opmerker had wel
-kunnen zien, hoe die trek van verdriet uit zijn gelaat was weggewischt,
-en heel zijn houding toonde mannelijke kracht.
-
-De moeder was nu ook genaderd, maar haar eerste gang gold niet haar
-Hannie.
-
-„Floor,” riep zij, „mijn jongen!”
-
-Zij nam zijn gebruinde wangen tusschen haar handen en zag hem aan.
-
-Zij zag hem aan met de onuitsprekelijke liefde eener moeder.
-
-Voor dien blik was hij niet bestand. Zijn stugheid smolt als ijs voor
-de middagzon.
-
-Zij streelde hem het blonde haar en liefkoosde hem.
-
-Zij kuste hem op de oogen en op den mond. En met eene stem, die beefde
-van ontroering en teederheid, fluisterde zij: „Floor, mijn lieveling!
-Mijn trots en mijn vreugde!”
-
-Toen kon de jonge Boer zich niet meer goed houden, en de armen om haren
-hals slaande, weende hij.
-
-Kloppers had inmiddels de kleine Hannie op den arm genomen, en toen de
-familie zich eenigszins had hersteld van hunne ontroering, bezichtigden
-zij te samen het gedoode roofdier.
-
-„Het oog is er uit geschoten,” riep Floor.
-
-„Het rechter?” vraagde zijn vader.
-
-„Neen, het linker.”
-
-„Het linker is me ook goed,” hernam Kloppers op vroolijken toon, en
-terwijl hij zijn vrouw op den schouder klopte, voegde hij er schertsend
-aan toe: „Ja, mijn Hanneke behoort nog tot het oude, onvervalschte ras
-der scherpschutters.”
-
-Maar op zeer ernstigen toon liet hij er op volgen: „Wat zullen wij den
-Heere vergelden voor al Zijne weldaden, aan ons bewezen!
-
-„Wie bestuurde de hand mijner vrouw, dat haar kogel het oog raakte van
-den leeuw, zoodat hij miste in zijn sprong?
-
-„Wie bestuurde den gang van Floor, dat hij in de nabijheid was? En wie
-gaf hem de kracht en de vaardigheid, om den leeuw met één bijlworp te
-dooden?”
-
-En samen nederknielend, dankten zij God.
-
-De kleine Hannie deed het ook, maar op hare manier: in kinderlijken
-eenvoud. Zij vouwde haar handjes, deed haar blauwe kijkers vaster dicht
-dan gewoonlijk en zeide: „Heere, ik dank u, dat dat ondeugende beest
-dood is. Ik was ijselijk verschrokken. Laat dat ondeugende beest als ’t
-u belieft nooit meer levend worden, Amen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
-Met loomen, langzamen tred ging de trek het Noorden in. ’t Was geen
-wonder, dat het langzaam ging. Men moest het vee ontzien, en telkens
-moesten de achterblijvers worden ingewacht. Maar eindelijk, eindelijk
-was het eerste doel van den tocht bereikt, en den top van een hoogen
-heuvel beklimmend, zagen de Boeren in de verte de blauwe golven blinken
-van den breeden stroom.
-
-„De groote rivier!” juichten de zwervers, „de groote rivier!”
-
-Het was de Groote- of de Oranje-rivier, de koninklijke stroom, die nu
-eens zich langzaam tusschen bloemrijke oevers heen slingert, om
-plotseling met klaterend geweld van steile hoogten neer te donderen,
-die vele mijlen ver zich tusschen nauwe, steile rotswanden doorwringt,
-om dan weer in majestueuze breedte de vlakke prairiën te besproeien, en
-die, in het Blauwe Gebergte ontspringend, na een grilligen tocht dwars
-door Zuid-Afrika zijn wateren in den Atlantischen Oceaan ontlast.
-
-De Voortrekkers hieven het hoofd moedig op, toen zij het geruisch van
-zijn golven hoorden. Er was reden voor, want in het brein van den
-slokkerigsten Engelschman was het niet opgekomen, om het gezag van zijn
-land tot over de Oranje-rivier uit te stippelen.
-
-Doch een nieuwe teleurstelling wachtte hen. De rivier was door zware
-regens hooggezwollen, en nergens was een ondiepte, een drift noch pont
-of veerschuit te ontdekken.
-
-Maar de Trekkers waren praktische menschen, die niet licht bij de
-pakken gingen neerzitten, en al hadden ze geen vleugels, om over den
-breeden stroom te komen, zij hadden een ijzeren wil, en moesten naar
-den overkant.
-
-Ze kwamen er ook.
-
-Langs den zanderigen oever stonden heele bosschen wilgeboomen, waarop
-de oogen der Boeren vielen, en de landelijke stilte van den omtrek werd
-verbroken, dagen lang, door het kappen van den bijl, het knarsen der
-zaag en het luid geklop van den hamer. Spoedig dreven ruwe houtvlotten
-in het water, en de zware, groote wagens, van hun inhoud ontlast,
-werden het eerst aan deze primitieve ponten toevertrouwd. Daarna
-volgden have en goed, terwijl de Boeren het kostbaarste, wat zij
-bezaten: hun vrouwen en kinderen, het laatste overbrachten [7].
-
-De moeielijke overtocht werd zonder ongelukken volbracht, terwijl de
-vrouwen, met hun kinderen neergehurkt op de houtvlotten, zongen:
-
-
- „Komt, treèn wij dan gemoedigd voort,
- In vast vertrouwen op Zijn woord;
- Hoe moeilijk ons de weg ook schijn’,
- Het eind zal zeker zalig zijn!”
-
-
-Nu waren de Boeren vrij! Het gehate Engelsche juk was hen van de
-schouders gegleden, en zij vormden een zelfstandig volk: het volk der
-vrije Boeren. Vol geestdrift hadden de jonge Boeren geroepen: „Leve de
-vrijheid! Weg met Engeland!” maar de vrome de Jong had gezegd:
-„Eben-Haëzer: tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen!”
-
-De Boeren betrokken bij de Oranje-rivier groote lagers van dertig tot
-honderd ossenwagens, en waar anders niets werd gehoord dan het eentonig
-lied van een alleen wonenden kaffer, het gebrul van een wild dier en
-het gekras van een roofvogel hoog in de lucht, klonk thans scherts en
-gelach. Vrienden, die elkander in geen tien jaar hadden gezien, drukten
-elkander aan de Oranje-rivier de hand, en nieuwe vriendschapsbanden
-werden geknoopt!
-
-De jonge Boeren organiseerden groote schietwedstrijden, terwijl de
-ouden, met de pijp in den mond, in ernstige gesprekken door de
-legerplaats wandelden.
-
-Zoo’n wedstrijd zullen wij heden bijwonen.
-
-Van de scheidsrechters kennen wij er maar één: den sterken, gespierden
-Teunis Smit.
-
-Er staan een veertigtal jonge Boeren met het geweer in de hand gereed,
-om deel te nemen aan den wedstrijd. Bij een der groepen, die druk staan
-te praten, herkennen wij Dirk Kloppers, Tijs de Jong en Kees Bouwer.
-
-Het is zwart van toeschouwers. Hier en daar loopt een breedgeschouderde
-olifantenjager met verweerde gelaatstrekken door de menigte heen, die
-eerbiedig wordt gegroet, en over en weer vliegen schertswoorden, die
-met vroolijk gelach worden aanvaard. Er heerscht ongedwongenheid zonder
-bandeloosheid; vloeken hoort men niet; ’t is een volksfeest in den
-goeden zin van het woord.
-
-Eerst wordt, op flinken afstand, een ronde schijf tegen een boom
-gespijkerd. Die schijf vormt het wit.
-
-Niet één van de veertig schutters mist het doel. Nu wordt op de schijf
-een cirkel geteekend, niet grooter dan een rijksdaalder. Die cirkel is
-thans het mikpunt.
-
-Kees Bouwer, die in den regel een grooten mond heeft, waar het een
-ander geldt, is blijkbaar zenuwachtig, en raakt de schijf twee
-centimeters boven het wit. Met een luidschallend gelach wordt het misse
-schot begroet.
-
-Tijs de Jong raakt den cirkel in het middenpunt, maar Dirk Kloppers
-geeft hem geen kamp, want zijn kogel klettert op het lood, dat Tijs
-heeft afgeschoten.
-
-Van de veertig schutters vallen er drie af.
-
-Nu wordt er een leege flesch opgehangen in den boom; daarvoor een plank
-met eene opening ter grootte van een gulden.
-
-„Vijftien pas achteruit,” roept Teunis Smit, „en opgepast!”
-
-Nu wordt het meenens; er komt beweging onder de toeschouwers.
-
-Dertig kogels fluiten door de opening heen, en schieten de telkens op
-nieuw vervangen flesch stuk.
-
-Onder de gelukkigen, die raak schoten, behooren Dirk en Tijs.
-
-Er wordt een nieuwe plank genomen, met een opening, niet grooter dan de
-dikte van den kogel.
-
-„Nou ben je verloren, Tijs,” zegt Kees Bouwer sarrend.
-
-Tijs kijkt hem aan met een verachtelijken blik.
-
-„Kees,” zegt een der omstanders.
-
-„Wat moet je?” zegt Kees.
-
-„Heb je niet een schaar?” zegt de omstander.
-
-„Waarvoor?” zegt Kees.
-
-„Om een stuk van je tong af te knippen, want ze is te lang voor een
-fatsoenlijk mensch!”
-
-Kees Bouwer zegt geen woord meer.
-
-Tijs is het eerst aan de beurt om te schieten.
-
-Met strak gespannen gelaat volgt de menigte elk zijner bewegingen.
-
-Er wordt geen woord meer gesproken; er wordt slechts gefluisterd.
-
-Daar gaat het schot....
-
-Met een lang aanhoudend, vroolijk hoera wordt het meesterschot
-begroet—de flesch is stuk geschoten.
-
-„Dat doet geen mensch hem na dan Teunis Smit,” roept een dikke veerman,
-die ergens aan de rivier woonachtig is; „geen mensch behalve Teunis
-Smit. Tijs de Jong is koning vandaag!”
-
-Dat scheen waarheid te worden, want de acht en twintig volgenden
-misten, ’t Scheelde bij velen niet meer dan een paar strepen, maar het
-schot was toch mis. ’t Was ook haast niet te doen: op zoo’n afstand
-door die kleine opening heen te schieten.
-
-Dirk kwam het laatst aan de beurt.
-
-Hij legde het geweer aan.
-
-Daar kwam een wesp aangevlogen, en zette zich op zijn hand.
-
-Onmiddellijk daarop voelde hij een stekende pijn.
-
-Tijs zag het. „Dirk,” zeide hij, „de wesp heeft je gestoken. De kamp is
-niet gelijk; schiet niet!”
-
-Dirk liet den loop van het geweer zakken.
-
-„Zoo,” riep de dikke veerman, „durf je niet? Ik had het wel gedacht.”
-
-„Houd je mond, dikbuik,” riep Tijs met toornige stem; „moei je met je
-eigen zaken!”
-
-Maar Dirk kon de aantijging van den veerman niet verkroppen. Hij zette
-de tanden vast op elkander, en legde het geweer ten tweeden male aan.
-Wel was zijn gelaat een tint bleeker dan gewoonlijk, maar onbewegelijk
-lag de loop van het geweer in zijn sterke hand.
-
-De spanning onder de toeschouwers had thans haar hoogtepunt bereikt;
-zelfs het gefluister verstomde.
-
-Dirk brandde los ... de flesch vloog in duizend scherven....
-
-Er volgde een oorverdoovend gejuich. Men zwaaide met de geweren, met de
-hoeden, met de petten, en de jonge Boeren brachten een geestdriftig
-hoera uit voor Dirk Kloppers en Tijs de Jong.
-
-Maar Teunis Smit riep: „Vooruit, overdoen! Wie het eerste mis schiet,
-is overwonnen.”
-
-Hij wachtte een paar minuten, doch noch Dirk noch Tijs, die met
-elkander stonden te fluisteren, schenen het gehoord te hebben.
-
-„Nu, zijn de heeren van plan, om van de week nog te beginnen?”
-schreeuwde de leeuwenjager.
-
-„Neen,” zeide Dirk, „van de week komt er zèker niets van.”
-
-Hij reikte Tijs de hand, en hand aan hand wandelden zij te samen naar
-de scheidsrechters toe.
-
-„De strijd is niet beslist: nu hebben we geen schutterskoning vandaag,”
-zeide Teunis Smit gemelijk.
-
-„Ge hebt er dezen keer twee,” antwoordde Tijs lachend: „dat is goed
-voor de verandering.”
-
-De toeschouwers vonden het blijkbaar ook, maar de dikke veerman zeide
-spottend: „Een mooie wedstrijd hier! Een mooie boel,” en na een poosje
-ging hij wrevelig en mopperend heen.
-
-Twee jonge menschen slopen hem achterna.
-
-Hij was misschien een vijftal minuten weg, toen hem plotseling de stok
-onder de hand werd weggestooten.
-
-Hij keerde zich om, en zag een blauw rookwolkje.
-
-„Ik wil wedden, dat die lange slungel van Kloppers dat heeft gedaan,”
-zeide hij.
-
-Maar die weddenschap zou hij verloren hebben, want Tijs de Jong had het
-gedaan.
-
-Het volgende oogenblik werd hem de steenen pijp van tusschen de tanden
-weggeschoten.
-
-„En dat heeft me Tijs de Jong geflikt, die rekel,” liet hij er op
-volgen. Ook dat was niet waar, want het laatste schot was van Dirk
-Kloppers.
-
-„O dat nare Boerenras,” riep hij, de vuist ballend; „die
-ellendelingen!”
-
-Toen zette hij het op een loopen, zoo hard als zijn korte beenen het
-toelieten, en holde naar zijn woning.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
-De Boeren zijn weer op den Trek. Met een breed front, op mijlen
-afstands van elkander, reizen zij in treinen van vijf tot twaalf
-ossenwagens dwars door de ongebaande velden rustig voorwaarts op de
-Vaalrivier aan.
-
-Met algemeene stemmen is Hendrik Potgieter, naar wien het eerste, door
-de Boeren in de Transvaal aangelegde dorp Potchefstroom is genoemd, tot
-Kommandant-Generaal benoemd van den Trek.
-
-Het eerste volk, dat men ontmoette, waren de Griqua’s, bastaards,
-gesproten uit een vermenging van blanken en Hottentotten. Hun
-opperhoofd heette Adam Kok, die de Boeren gul en gastvrij ontving, maar
-zij vertoefden hier niet lang, maar zetten den trek voort, totdat zij
-bij de Barolong-Kaffers kwamen, een zwakke stam, die in de spelonken
-der bergen woonde, en beefde bij den naam van Moselekatse, den
-machtigen en bloeddorstigen Kafferkoning in het noorden. Hij had
-vreeselijk onder hen huisgehouden, en daar zijn roofsoldaten hen van al
-hun vee hadden beroofd, leden zij gebrek en ellende. De Boeren, die
-hier eenigen tijd hunne tenten nedersloegen, hadden medelijden met de
-ongelukkige Barolongs. Lustig knalde het Boerengeweer in streken, waar
-het nog nooit was gehoord, en de hongerige Kaffers konden hun honger
-stillen aan het overvloedig geschoten wild.
-
-Na de Barolongs stootten de Boeren op de Basuto-Kaffers, die eveneens
-Moselekatse’s vuist hadden gevoeld, en zich angstig schuil hielden in
-het gebergte. Doch van de vredelievende bedoelingen der Boeren
-overtuigd, kwamen zij uit hun sluiphoeken te voorschijn, en brachten
-den blanken een overvloed van graan en koren, waarvoor zij koeien en
-schapen in ruil ontvingen.
-
-Maar voor de vuurwapens der Boeren beefden zij. Bij elk schot wierpen
-zij zich plat tegen den grond, en zij zeiden, dat de bliksem en de
-donder sluimerden in den loop van het Boerengeweer.
-
-Waren de Basuto’s verbaasd over de vuurwapens der Boeren, dezen waren
-op hun beurt verwonderd, toen zij voorttrekkende, midden in de
-eindelooze prairiën, op diepe kuilen stietten, slechts door eenige
-rietmatten tegen wind en regen beschut, waaruit, als vogels van het
-nest, bij hun nadering zwarte, onoogelijke gedaanten verschrikt
-wegholden. Deze aardbewoners, die weinig op menschelijke wezens
-geleken, werden Boschjesmans genoemd, leefden van slakken, kikvorschen,
-struisvogeleieren, planten, rijstmieren en van het wild, dat zij in hun
-vanggaten konden machtig worden. Deze gaten bestonden uit diepe kuilen,
-door gras en twijgen bedekt. Het wild, dat argeloos deze zwakke
-zoldering betrad, viel er natuurlijk doorheen, en werd een even
-gemakkelijke als welkome buit.
-
-De Boeren trokken thans over een rivier, die zij eigenaardig de
-vetrivier noemden vanwege het menigvuldige, zware, vette wild, dat aan
-de oevers van deze rivier werd geschoten.
-
-Als een vriendelijke oase in de heidensche wildernis, ontmoeten de
-moedige Voortrekkers, langzaam voorttrekkend naar het onbekend noorden,
-het station van een zendeling, die onder de Koranna-Kaffers werkte. Met
-groote oogen staarden de Koranna’s op de lange wagentreinen der Boeren,
-en sloegen van schrik, angst en verbazing de handen in elkander, toen
-zij van den aanvoerder der Boeren, Hendrik Potgieter, vernamen, dat de
-blanken op den trek waren naar Moselekatse, den grooten Olifant, van
-wien zij grond wilden koopen voor een nederzetting.
-
-De Koranna’s vraagden, waarmee de Boeren het land wilden betalen, en
-Potgieter antwoordde: „Met vee.” Toen schudden de Koranna’s het hoofd
-en zeiden: „Moselekatse heeft al het vee wijd in den omtrek geroofd, en
-hij heeft ulieder vee niet noodig. Maar hij zal u, uwe vrouwen en uwe
-kinderen uitroeien, want hij is de groote Olifant, die met zijn ijzeren
-pooten alles vermorzelt.”
-
-Toen echter de Boeren deze boodschap vernamen, bleven zij aarzelend
-staan.
-
-De Koranna’s hadden er niet te veel van gezegd.
-
-Ten noorden der Vaalrivier regeerde hij: Moselekatse, de koning der
-Matabele-Kaffers, de groote Maaijer, die het tegenwoordige Transvaal
-[8], een gebied, twaalf maal grooter dan ons vaderland, zoo schoon had
-afgemaaid, dat al de dorpen en steden met den grond waren gelijk
-gemaakt. En deze Moselekatse, die onder zijn onbarmhartigen voet zeven
-Kafferstammen had verbrijzeld, hield reeds zijn bloedhonden gereed, om
-het volk der Boeren van den aardbodem uit te roeien.
-
-Doch dit wisten de Boeren nog niet, en hun aarzeling overwinnend,
-trokken zij weer langzaam voorwaarts. Trouwens de afstand was nog
-tamelijk groot, die hen van den geweldigen Kafferkoning scheidde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
-Dirk was heden morgen naar het grazende vee gereden om het te tellen,
-en Daan, die bij de kudden was geplaatst, kwam hem in opgewonden
-toestand tegemoet loopen.
-
-„Baas,” riep hij reeds van verre, „jonge baas, luister!”
-
-Maar Dirk sloeg geen acht op den Kaffer, want hij had haast.
-
-„Ik heb nu geen tijd,” zeide hij, „straks kunt ge ’t mij vertellen,” en
-meteen reed hij door. Maar de Kaffer wierp zich voor de hoeven van den
-zwarten hengst en riep: „Baas, er is gevaar!”
-
-„Kerel, ben je dol geworden?” zeide Dirk onwillig, terwijl hij de
-teugels strak aanhaalde. Hij had den knecht nog nooit zoo opgewonden
-gezien.
-
-„O baas, luister!” herhaalde Daan op zulk een smeekenden toon, dat de
-jonge Boer er door getroffen werd.
-
-„Nu spreek op dan! Maar maak het kort; ik heb werkelijk weinig tijd.”
-
-Daan stond op en vervolgde op ernstigen toon:
-
-„Dat kan wel waar zijn, baas, dat gij weinig tijd meer hebt. Gij en uwe
-heele familie en ook de kleine Hannie en al de Trekboeren, zij zijn
-allen kinderen des doods.”
-
-Dirk keek den spreker oplettend in de oogen. „Arme kerel,” dacht
-hij—„krankzinnig,” en op medelijdenden toon zeide hij: „Kom, Daan, ga
-maar met mij mee, en wijs mij eens, waar onze witte melkkoe loopt.”
-
-Maar nu slaakte de Kaffer zulk een kreet van angst en schrik, dat Dirk
-vergat om door te rijden. Hij wist niet, hoe hij het zonderlinge gedrag
-van den knecht moest verklaren, en aarzelend vraagde hij: „Wat is er
-dan gebeurd?”
-
-„Gistermiddag,” zeide Daan, „terwijl de Hottentotten bij de kudde
-waren, zocht ik een kreupelboschje op, in welks schaduw ik mij
-nedervleide, want de zon brandde op mijn hoofd. Ik was bijna
-ingedommeld, toen ik in eens helder wakker werd door een verward
-gedruisch vlak in mijn nabijheid. Voorzichtig rees ik overeind, en zag
-vier Kafferkrijgers voorbijgaan.”
-
-„Kafferkrijgers? Ge vergist je zeker.”
-
-„Ik vergis me niet, baas. Zij waren met assegaai en schild gewapend; in
-vollen oorlogsdos. Zij hadden een druk gesprek, en daar ik de
-Kaffertaal versta, sloop ik hen achterna in ’t lange gras.”
-
-„Ik kan kruipen als een slang—dat weet gij, baas,” liet hij er met
-eenigen trots op volgen.
-
-De jonge Boer knikte.
-
-„Zij hadden het over de Trekboeren, die hun gebied wilden
-binnendringen, zooals zij dat noemden.”
-
-„Wij willen het land toch koopen?” zeide Dirk; „maar goed—vertel door!”
-
-„Zij zeiden,” ging Daan voort, „dat zij al de Boeren zouden slachten,
-en tot een spijze achterlaten voor den vogel der lucht en het dier der
-wildernis.”
-
-„Zeiden zij dat zoo?” vraagde Dirk, terwijl zijn oogen begonnen te
-flikkeren.
-
-„Zóó hebben zij ’t gezegd; zij hebben er ook reeds een begin mee
-gemaakt,” antwoordde Daan met groote beslistheid.
-
-„Een begin mee gemaakt? Nu geloof ik zeker, dat je verbeeldingskracht
-er met jou van door is gegaan. Drie dagen geleden heb ik een Boer
-gesproken, die pas al de Trekkers had bezocht, die het dichtst bij de
-Vaalrivier zijn, en niets onrustwekkends heeft zich voorgedaan.”
-
-„Toch is het waar, baas; eergisteren is het gebeurd.”
-
-Dirk antwoordde niets; slechts een spottend glimlachje werd om zijn
-lippen zichtbaar.
-
-Maar Daan stoorde zich niet daar aan, en herhaalde: „Eergisteren is het
-gebeurd; ik heb het uit het gesprek der Kafferkrijgers begrepen. Zij
-zijn er zelf bij geweest.”
-
-„Ik zag nog bloed aan hun assegaaien,” liet hij er op volgen, „en nu
-zijn ze aan het spionneeren, om de sterkte der Boeren te onderzoeken.”
-
-„O mijne kleine, lieve Hannie,” riep hij plotseling uit op klagenden,
-hartroerenden toon, „zij zullen u aan de scherpe spies rijgen, en tot
-een mikpunt kiezen voor hun assegaaien.”
-
-„Werkelijk?” zeide de jonge Boer ongeloovig, „en zij zullen ons, de
-Boeren, zeker ook dooden?”
-
-„Zij zullen u levend vangen,” zeide Daan.
-
-„Levend vangen?” riep de jonge Boer op heftigen toon, terwijl hij
-onwillekeurig het breede, blanke dolkmes trok,—„ons levend vangen, zeg
-je?”
-
-„Maar zij hebben ons nog niet?” liet hij er bedaarder op volgen,
-terwijl hij den dolk weer in de lederen scheede wierp.
-
-Na eene kleine pauze zeide hij: „Gij zijt een eerlijke kerel, Daan,
-maar ge hebt je bepaald vergist.
-
-„De Kaffers zullen het niet wagen, ons Boeren aan te vallen. Ze durven
-niet—al willen ze. Een Boer jaagt twintig Kaffers op de vlucht.”
-
-„En dertig Kaffers zullen hem vermoorden,” antwoordde Daan op kalmen
-toon.
-
-„O baas,” liet hij er op volgen, „waarom zijn jullie niet in de Kolonie
-gebleven?”
-
-„Daarover kan ik met jou niet spreken,” antwoordde Dirk stroef, „dat is
-te diep voor de hersens van een Kaffer.”
-
-Maar de opmerking van zijn baas weerhield Daan niet, om te zeggen: „Er
-is slechts één kans om te ontkomen, en dat is—vluchten!”
-
-„Vluchten?” antwoordde de jonge Boer met toornige stem, „vluchten?
-Vluchten voor een loos alarm? Weet ge dan niet, domme Kaffer, dat de
-Boer keep houdt?”
-
-Maar eenigszins vriendelijker liet hij er op volgen: „Al ware het
-vluchten geen lafheid, dan ware het toch nog een dwaasheid. Als het
-waarheid zou zijn, wat gij mij hebt verteld, dan ware het reeds te laat
-om te vluchten.”
-
-„Maar ik geloof het niet, dat het waarheid is—wat denk jij er van,
-Hannibal?” en hij klopte het paard, dat met wijde neusgaten de frissche
-morgenlucht insnoof, op den blinkenden hals.
-
-Maar op hartstochtelijken toon riep Daan: „Vlucht, baas, vlucht allen,
-want Moselekatse, die in aantocht is, kent geen erbarmen.”
-
-Met starren blik zag de jonge Boer den spreker aan.
-
-„Moselekatse?” riep hij, „is Moselekatse in aantocht, de bloedhond?” en
-hij wierp den zwarten hengst met één ruk der teugels zoo heftig om, dat
-het edele dier hoog op steigerde.
-
-„Dan wordt het iets anders,” liet hij er op volgen; „vooruit
-Hannibal—terug naar ons volk!”
-
-Het schrandere dier scheen zijn baas te begrijpen en met de vlugge
-hoeven den grond nauwlijks rakend, vloog het snel als de wind, die de
-lange grashalmen der prairiën deed golven, over de vlakte.
-
-Eerst toen hij in de verte de linnen huiven der ossenwagens langzaam
-over de vlakte zag heenglijden, matigde Dirk den scherpen rit.
-
-
-
-In Dirk’s afwezigheid had Gert Kloppers eveneens een bedenkelijke
-ontdekking gedaan; hij had namelijk een kort onderhoud gehad met een
-gezelschap Griqua’s, die uit het noordoosten kwamen.
-
-Zij zaten op sterke, knokige ossen, en toen zij op hun zonderlinge
-rijpaarden dwars voor Kloppers’ ossenwagens heenstoven, had deze hen
-aangeroepen. In een soort Hottentotsch-Kaffersch hadden de Griqua’s hem
-medegedeeld, dat een groot en vreeselijk Kafferkoning, die aan gene
-zijde der Vaalrivier regeerde, en die alles te vuur en te zwaard
-verwoestte, op marsch was, om de Griqua’s en de Blanken te vermoorden,
-en om dezen geduchten vijand te ontkomen, waren zij op de vlucht
-gegaan.
-
-Dit hadden zij gejaagd en angstig, telkens schuw achterom ziende,
-verteld, en waren toen, de ossen de sporen gevend, weer doorgevlucht.
-
-Kloppers had hen verwonderd nagekeken, maar Floor, die er bijstond, had
-gezegd: „Bastaards zijn lafaards.”
-
-De Griqua’s waren nog niet lang vertrokken, toen Dirk kwam en de
-ernstige tijdingen van Daan overbracht. Het gelaat van Gert Kloppers
-betrok, toen hij dat bericht had aangehoord, en hij zeide op bondigen
-toon: „Dirk, voeder het paard en rijd dan het oosten in langs het front
-van onze Trekboeren. Waarschuw de Emigranten, die gij ontmoet, en
-vertel hun, wat wij hebben gehoord. Tracht vervolgens nader kondschap
-in te winnen omtrent de plannen der Kaffers, en is het eenigszins
-mogelijk, zie dan Teunis Smit op te sporen. Hij heeft mij beloofd ons
-te helpen, als er gevaar is, maar de leeuwenjagers hebben zeker andere
-begrippen van gevaar dan wij.”
-
-Geen uur later was Dirk vertrokken, om een last te volbrengen, die
-evenveel moed als beleid vereischte, en het scheelde weinig, of Gert
-Kloppers had zijn zoon nooit teruggezien.
-
-
-
-Het was in den avond van den volgenden dag, en reeds lang waren de
-ossenwagens uitgespannen, toen twee schoten snel op elkander door de
-avondstilte klonken. Kloppers schoot twee keeren terug, het afgesproken
-teeken met Dirk, om elkander te kunnen vinden, en de mare dat Dirk in
-aantocht was, had zich snel in de kleine legerplaats verspreid. De
-Boeren, onder welke ook de Jong, voegden zich bij den kring der familie
-Kloppers, en met een gevoel van beklemdheid, waarvan men zich geen
-rekenschap kon geven, verwachtte het gezelschap, rondom het vroolijk
-opflikkerende vuur gezeten, de komst van den jongen Boer.
-
-Die komst liet niet lang op zich wachten; reeds hoorde men den
-dreunenden hoefslag van het paard op den harden rotsgrond.
-
-Het schuim vloog het paard van de flanken; Dirk zelf was blootshoofds.
-
-Zijn vader stond hem op te wachten en zeide: „Goed nieuws, Dirk?”
-
-„Slecht nieuws,” antwoordde Dirk, en snel uit het zadel springend, gaf
-hij het paard over aan de hoede van een Hottentot.
-
-„Geef hem wat extra haver,” riep hij den kleurling na, „hij heeft het
-verdiend.”
-
-Zijn gelaat stond ernstiger dan gewoonlijk, toen hij de aanwezigen
-groette, en tot zijn moeder zeide hij: „Geef mij een teug water, want
-ik versmacht van dorst.”
-
-Vrouw Kloppers haalde een groot glas Kaapschen wijn; dat verkwikte hem.
-Toen begon hij op een wenk van zijn vader zijne reisavonturen mede te
-deelen, terwijl op meer dan één gelaat vrees en bezorgdheid stond te
-lezen.
-
-„Ik reed, zooals ge weet, het oosten in, en ontmoette na een uur
-rijdens een trein van tien ossenwagens. Het waren allen kennissen:
-Barend Jansen was hun voorman. Zij hadden nergens van gehoord, lachten
-om onze bezwaren en zeiden: „Gert Kloppers is erg voorzichtig
-geworden.”
-
-„Ik zette mijn tocht voort, totdat ik een groote kudde vee aantrof, en
-eenige Hottentotten, die als veehoeders dienst deden, onderrichtten
-mij, waar ik de eigenaars dier kudde zou aantreffen. Ik volgde hun
-aanwijzingen, en was zoo gelukkig, de Boeren nog al gauw te vinden. Ik
-was echter nog meer in mijn schik, toen ik Teunis Smit bij hen
-ontmoette.
-
-„Met groote bevreemding hoorden zij mijn boodschap aan, en schudden
-ongeloovig het hoofd, maar Teunis Smit wreef zich herhaalde malen met
-de vlakke hand het voorhoofd.”
-
-„Dat heeft hij van zijn vader geërfd,” zeide Gert Kloppers; „die deed
-dat ook, als hij gevaar vermoedde.”
-
-„En de leeuwenjager vermoedde ook gevaar,” ging Dirk voort: „twéé
-keeren moest ik hem in de kleinste bijzonderheden mededeelen, wat onze
-Kaffer en de Griqua’s hadden verteld. Toen zeide hij: „Het is best
-mogelijk dat er een onweer broeit.” En met den vinger naar het
-noordoosten wijzend, ging hij voort: „Hier misschien twee à drie uur te
-paard vandaan in de richting van mijn hand is een kleine trein van vier
-ossenwagens. Rijd daar met de noodige voorzichtigheid dadelijk op af:
-het is om zoo te zeggen de uiterste voorhoede van onzen rechtervleugel.
-Als die Emigranten-Boeren daar nog geen onraad hebben bespeurd, dan is
-er misschien—ik zeg misschien—geen gevaar. Ik zal mijn schimmel
-zadelen, en trek onmiddellijk het noorden in, naar de Vaalrivier, waar
-een gezelschap mijner kennissen op de groote jacht is.”
-
-„En zal hij komen als wij in de knel raken?” vraagde Gert Kloppers.
-
-„Ik was reeds weggereden, toen hij mij nog nariep: „Zeg aan uw vader,
-dat ik hoop present te zijn, als de nood aan den man komt, en geen
-assegaai het mij verhindert.” „Ik volgde dus den raad van Teunis Smit
-op, en hield de richting, die hij mij had aangewezen, goed in het oog,
-maar na drie uur stevig doorgereden te hebben, had ik nog niets
-ontdekt. De avond begon snel te vallen, en ik was wel genoodzaakt, op
-het open veld te overnachten. Reeds vroeg echter stond ik heden morgen
-op, en begaf mij weer op het pad. Nu ontdekte ik wagensporen, die ik
-volgde, en het duurde niet lang, of ik zag midden in de wildernis een
-ossenwagen staan.”
-
-„Maar één ossenwagen?” vraagde de Jong.
-
-„Maar één,” en dat verwonderde mij. „Ik vermoedde een verraad der
-Kaffers, en van het paard springend, sloop ik voorzichtig naar den
-wagen toe.”
-
-„Dat gebeurt toch wel meer, dat een ossenwagen wat achter raakt,” zeide
-één der aanwezigen, die volstrekt niet aan een aanval der Kaffers
-geloofde.
-
-„Trouwens,” liet hij er op volgen, „wat hebben de Kaffers met ons
-Boeren te maken?”
-
-„Ja,” zeide Dirk, „dat dacht dat lieve Boerenkind ook, dat ik dood bij
-den disselboom zag liggen.”
-
-„Dat dacht dat jonkske ook,” zeide hij, terwijl zijn stem beefde van
-smart en toorn, „voor dat zijn hoofdje tegen den ijzeren band van het
-voorste wiel werd te morzel geslagen.”
-
-Bij dit verschrikkelijk bericht vlogen allen ontzet overeind, doch Gert
-Kloppers had het eerst zijn bedaardheid herwonnen, en zeide op somberen
-toon:
-
-„Dirk, vertel door!”
-
-Dirk voldeed aan het verzoek, maar toen hij verhaalde, hoe hij in de
-nabijheid van den wagen acht en twintig lijken had gevonden! Mannen,
-vrouwen en kinderen, op de afschuwelijkste wijze verminkt; toen hij
-mededeelde, hoe hij met de gieren om de doode lichamen had moeten
-vechten, en hoe hij de linnen huif van den wagen had genomen, om er de
-lijken mee te bedekken, toen ging er een luid weeklagen op. De
-moedigste harten beefden, en zelfs Kloppers en de Jong verbleekten.
-
-Maar op kalmer toon ging de jonge Boer aldus voort: „Het was me
-duidelijk, dat de vermoorde Emigranten, door een al te goed vertrouwen
-misleid, geen voldoende voorzichtigheid hadden betracht, en op den Trek
-door een afdeeling Kaffersoldaten op verraderlijke wijze waren
-overrompeld. Ook begreep ik onmiddellijk, dat deze wagen behoorde bij
-den trein, naar welken ik zocht, en dat de Kaffers hem hadden
-achtergelaten, was gereedelijk te verklaren uit het gebroken
-achterwiel.
-
-„Van de moordplaats liepen breede wagensporen naar het noorden; ik kon
-ze duidelijk waarnemen over het geknakte gras. Ik zette mij weer te
-paard, en volgde die sporen. In de verte strekte zich een lange
-bergketen voor mijn oogen uit, maar voorzichtig de wagensporen volgend,
-kwam ik door een bergpas weer op het vrije veld.
-
-„Ik had dus den bergketen nu achter den rug, en vóór mij op zekeren
-afstand zag ik drie ossenwagens staan.”
-
-„Dat waren de geroofde wagens,” zeide Gert Kloppers.
-
-Dirk knikte.
-
-„In de nabijheid der wagens zag ik assegaaien blinken, en ik hoorde het
-vreugdegehuil der Kaffers.”
-
-„Natuurlijk,” zeide Gert Kloppers, „die zwarte duivels vierden feest,
-omdat zij onze blanke broeders hadden geslacht.”
-
-„Ik sprong van mijn klepper, en behoedzaam door het lange gras
-sluipend, naderde ik de legerplaats zoo dicht, dat ik het wit in het
-oog der Kaffers kon onderscheiden. De mogelijkheid bestond, dat zij
-gevangen Boeren medevoerden, maar ik ontdekte niets dan eenige
-bloedspatten op de zijwanden der wagens.
-
-„Nu nam ik den terugweg aan.
-
-„Of ik hierbij niet altijd laag genoeg bukte, of dat de golving van het
-gras, die mijn spoor aanwees, mij verried, weet ik niet, maar dit is
-zeker, dat ik plotseling een helsch lawaai achter mij hoorde, en wel
-honderd Kaffers, met de spies in de vuist, holden mij achterna.
-
-„Ik begreep, dat er niet lang getalmd mocht worden. Mijn tweelooper van
-den schouder nemend, keerde ik mij om en legde aan. Twee groote
-schepsels waren de anderen een eind vooruit, en toen zij mij zagen stil
-houden, dachten zij zeker: Dat gaat goed. Op een afstand van ongeveer
-dertig pas slingerden zij hun speer, maar ik sprong op zij en bleef
-ongedeerd.
-
-„Toen was het mijn beurt.
-
-„De achterna stormende bende bleef een oogenblik verbauwereerd staan,
-toen zij hare twee voormannen zag vallen. Zij vonden het blijkbaar niet
-erg plezierig, zoo neergeschoten te worden, maar ik repte mij, floot
-Hannibal, en dat ik gauw in het zadel zat, dat kunt ge denken,
-Moederke.”
-
-Met deze woorden wendde de jonge Boer zich tot zijn moeder, die met
-vochtige oogen en gespannen gelaatstrekken als aan zijn lippen hing.
-
-Maar Gert Kloppers, die den heldenaard zijner vaderen in zijn eigen
-zoon terugvond, zeide met zekere opgewektheid: „Hoe liep dat af?”
-
-„Het was er mij natuurlijk alles om te doen, om den bergpas, dien ik
-was doorgereden, te bereiken, voor de Kaffers mij den terugtocht konden
-afsnijden. Maar de vijanden schenen dit zelf nog eerder begrepen te
-hebben dan mij lief was, en terwijl ééne afdeeling mij achterna was
-geloopen, had de andere de richting naar den pas ingeslagen.
-
-„Nu werd het meenens. Ik klopte den klepper op den ranken hals, en liet
-hem de sporen voelen. Het werd een rit op leven en dood, en als een
-stormwind vloog Hannibal vooruit.
-
-„Ik kwam van de rechterzijde, de Kaffers van de linkerzijde, en met
-twee of drie Kaffers kwam ik tegelijk aan den bergpas aan. Een assegaai
-sloeg mijn stevigen van paardenhaar gevlochten hoed van het hoofd, en
-een reus, zeker hun kapitein, sprong vóór het paard en greep het bij
-den teugel.
-
-„Ik keerde het geweer, dat nu ongeladen was, om, en sloeg hem met den
-notenhouten kolf op het hoofd, dat hij suizebolde. Maar ik sloeg er
-niet door heen, want een Kaffer heeft een dikken schedel. Toch liet de
-reus onwillekeurig los, en met één sprong was ik uit den knel. Wel
-vloog mij een zwerm van spiezen achterna, maar ik was reeds uit het
-bereik van hun worp. Ik was gered en dankte God.
-
-„Nu laadde ik mijn geweer op nieuw en schoot nog twee keeren op de
-Kaffers, die het verstandig vonden, achter den bergpas te verdwijnen.
-Toen heb ik het paard laten loopen zoo hard als het kon, en nadat ik
-twintig losse schoten heb gelost, heb ik u eindelijk ontdekt.”
-
-„Wat denkt ge?” zeide Tijs de Jong, „zouden de Kaffers uw spoor zijn
-gevolgd?”
-
-„Ik twijfel er niet aan,” antwoordde Dirk, „dat mij een half dozijn van
-hun hardloopers heimelijk zijn gevolgd, en ik twijfel er evenmin aan,
-dat hunne spionnen nog van nacht onze legerplaats ontdekken.”
-
-Er volgde een bang, langdurig zwijgen, en niets werd gehoord dan het
-rommelen van den donder, die een naderend onweer voorspelde.
-
-Toen zeide Gert Kloppers: „Wanneer verwacht gij de Matabele-Kaffers
-hier?”
-
-„Vóór morgen middag hebben wij ze,” antwoordde Dirk.
-
-„Ik denk het ook,” hernam zijn vader, en opstaande zeide de moedige
-Voortrekker met vaste stem: „Op! Maken wij ons gereed voor den strijd!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
-Gert Kloppers had vandaag, bij het zoeken naar een legerplaats, als een
-omzichtig voorman een plek uitgekozen, die door hare natuurlijke
-gesteldheid de meeste kansen bood, om een mogelijken Kafferaanval te
-weerstaan.
-
-Hij was op meer dingen bedacht geweest, en had o. a. eveneens vandaag
-Floor naar zijn oostelijken buurman Barend Jansen gezonden, om dezen
-man dringend te verzoeken, tot wederzijdsche hulp dicht in de nabijheid
-te blijven, en Jansen, die anders erg op zich zelven was, had beloofd,
-aan dat verzoek te voldoen.
-
-Van slapen kon er dien nacht natuurlijk geen sprake zijn. Ten
-spoedigste moest het lager in een verdedigbare vesting worden
-herschapen, maar men was, onder de linnen huiven der wagens of een
-tentzeil weggedoken, genoodzaakt, eerst het onweer af te wachten, dat
-thans met groote snelheid naderde.
-
-Een onweer in Zuid-Afrika—wij Europeanen hebben geen begrip van zijn
-hevigheid!
-
-Laag trekken de saamgepakte wolken over de aarde. Zij verspreiden
-tastbare duisternis; ge kunt geen hand voor uw oogen zien.
-
-Dáár flikkert de bliksemstraal. Bij dat helle licht kunt ge het
-Boerenlager duidelijk zien, zooals het daar staat: eenzaam en verlaten;
-troosteloos verlaten!
-
-Daar komt een nieuwe bliksemstraal, vreeselijker dan de vorige.
-
-Ge siddert voor het leven der arme Trekkers—wie zou niet voor hun leven
-sidderen?
-
-Eén bliksemstraal in de balen buskruit, en de zwerftocht der Trekkers
-heeft een plotseling en vreeselijk einde gevonden.
-
-Nu komt het vuur niet meer van de lucht. De nacht is in een dag
-herschapen—maar deze dag is vreeselijker dan de nacht, en hij doet
-denken aan dien Dag des Heeren, waarin de elementen brandende zullen
-versmelten.
-
-Dáár gaan de vlammende bliksems!
-
-Dáár rollen de kletterende donderslagen, dat er Afrika’s bergen van
-daveren!
-
-Dáár komt de wind, de geweldige, de onweerstaanbare! Het vastgesjorde
-lager steunt als een gewond dier, en de linnen huiven der ossenwagens
-klappen als de zeilen van een driemaster, die tegen den orkaan moet
-optornen!
-
-Dáár openen zich de sluizen des hemels. Dáár komt het water van de
-bergen: schuimend, loeiend, vernielend!
-
-Het uitgedroogde spruitje zet zich uit tot een rivier, en de rivier zet
-zich uit tot een stroom van groote wateren!
-
-Maar het geloei der golven wordt overstemd door de slagen des
-donders—de God der eere dondert! De Heere is op de groote wateren!
-
-De stem des Heeren is met kracht; de stem des Heeren is met
-heerlijkheid!
-
-Hij maakt van de donderwolken zijn wagen, en de bliksemschichten
-omklemt zijn rechterhand als een garve!
-
-Wie is tegen den Almachtige bestand, en wie zou niet beven voor zijn
-geduchte stem?
-
-Maar zie—reeds vermindert het onweer, en de storm bedaart. De
-saamgeperste wolken breken, en tusschen hunne scheuren blinkt reeds een
-vriendelijke ster als een bode des vredes. En die ster schijnt aan alle
-versagende menschenharten den groet van den Eeuwige te brengen, en ze
-schijnt te spreken: „Een oogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven
-in Zijn goedgunstigheid—wend u naar Hem toe en wordt behouden, alle gij
-einden der aarde!”
-
-
-
-Nu het onweer over was, kwam er in het Boerenkamp een groote
-levendigheid. Met bijlen en spaden gewapend, trokken de Boeren de
-vlakte op. Er moesten graszoden worden gestoken en doornstruiken worden
-gehakt. De graszoden dienden tot een aarden wal vóór, en de
-doornstruiken tot een versperring ónder en tusschen de wagens. Terwijl
-legden de vrouwen groote vuren aan, waarboven het lood werd gesmolten
-en tot kogels gegoten.
-
-Een Hottentot had inmiddels twee paarden gezadeld, en Gert Kloppers
-vertrok met zijn zoon.
-
-Zij reden naar Barend Jansen; Floor diende zijn vader tot gids. Floor
-had alleen willen gaan, maar Kloppers kende de stugheid van Barend
-Jansen, en had het noodzakelijk geacht, zelf mee te gaan.
-
-Het licht der sterren gaf voldoende schijnsel, en binnen een half uur
-was het doel van den tocht bereikt. Aan de voorzijde van het lager,
-waar twee lantaarnen aan lange, opgestoken zweepstokken hingen, hielden
-de ruiters stil, en het luide geblaf der honden, die om het lager
-liepen, bracht eenige opschudding in het kamp.
-
-Het duurde niet lang, of de groote, zwaargebouwde gestalte van Barend
-Jansen werd zichtbaar. De twee paarden werden vastgebonden, en Kloppers
-en zijn zoon traden het lager binnen. Er werden nog eenige lantaarnen
-aangestoken, en men zette zich in de open ruimte op veldstoelen of
-tonnen neer. Eenige andere Boeren sloten zich aan bij den kring,
-nieuwsgierig wat dit bezoek bij nacht en ontij te beteekenen had.
-
-Gert Kloppers liet hen niet lang in de onzekerheid. Hij schetste den
-hachelijken toestand, waarin de Trekkers verkeerden; wees er op, dat
-slechts de grootste eendracht hen redden kon, en verzocht Neef Barend,
-om ten spoedigste met zijn tien ossenwagens Kloppers’ lager te
-versterken.
-
-Maar Barend Jansen scheen het niet zoo erg te vinden. Hij stak heel
-gemoedelijk een pijp op, en blaasde bedaard de blauwe rookwolkjes uit.
-
-„Zoo gauw zullen de Kaffers er niet zijn,” zeide Jansen.
-
-„Zij zullen er eerder zijn als jou lief is,” zeide Kloppers.
-
-„Gij gaat altijd eigenmachtig te werk; dat is jóuw ongeluk,” zeide
-Jansen.
-
-„En gij gaat altijd eigenzinnig te werk; dat is jóuw ongeluk,” zeide
-Kloppers.
-
-„Ik ben voor de vrijheid; ik wil door jou niet gecommandeerd worden,”
-zeide Jansen.
-
-„Jij hebt een stuggen kop, maar de Kaffers zullen hem breken,” zeide
-Kloppers.
-
-„Wij zijn hier met tien weerbare mannen, die haar op hunne tanden
-hebben,” zeide Jansen.
-
-„Maar Moselekatse en zijn bloedhonden zullen er om lachen,” zeide
-Kloppers.
-
-Jansen trok aan zijn ruigen baard.
-
-„Wat wil je dan?” zeide hij.
-
-„Dat heb ik je reeds gezegd. Zoo spoedig mogelijk moet ge met de wagens
-bij mijn lager zijn, opdat wij een versterkt lager kunnen maken.”
-
-„Kom naar òns,” zeide Jansen.
-
-„Ik dank je wel; het terrein, waar ons lager staat, is veel gunstiger,”
-zeide Kloppers.
-
-„Ik doe het niet—kom naar òns,” antwoordde Jansen met harde stem.
-
-„Ge doet het niet?” vraagde Kloppers op langzamen toon.
-
-De stugge Boer schudde het hoofd.
-
-„Nu weet ik het,” zeide Gert Kloppers; zijn stem had een ernstigen,
-bijna plechtigen klank gekregen. „Ik heb er voor gevreesd, en ’t zal
-zoo komen. Het krachtige volk der Boeren zal vergaan, want de kanker
-van den tweedracht knaagt aan dat volk. In het aangezicht onzer
-vijanden, die onze broeders hebben vermoord, verteert ons de
-tweedracht. Wij zullen vallen, en wij zullen vallen met schande! Een
-volk, dat de leus niet verstaat: „Man voor man en schouder aan
-schouder,” is het niet waardig te bestaan. Ik zal sneuvelen en gij zult
-sneuvelen; wij allen zullen sneuvelen. Neen, Barend Jansen, maak maar
-niet dat afwerende gebaar—wij zijn allen kinderen des doods. Uw
-dochterke, dat daar de hand op uw schouder legt, zal sterven, en in
-dien stervenden blik zal voor u een vreeselijk verwijt liggen
-besloten—kom, Floor, wij hebben hier niets meer te doen.”
-
-Hij was opgestaan, maar ook Barend Jansen was opgestaan. Zoo stonden
-zij voor elkander: twee loten uit denzelfden stam, sterk en vol
-levenskracht, maar een afgrond gaapte tusschen hen beiden.
-
-„Er bestaat tusschen ons een oude veete; weet gij dat, Gert Kloppers?”
-
-„Een oude veete; dat weet ik, Barend Jansen, maar eene nog oudere
-vriendschap—weet gij dat ook? Meer dan een half jaar aan één stuk zijn
-wij samen op kommando geweest tegen de Kaffers. In één tent hebben wij
-geslapen; op één peluw hebben wij ’s avonds ons hoofd neergelegd. Op
-een eenzamen wachtpost heb ik gestaan, toen ik door een bende
-oorlogskaffers werd overrompeld. Wie heeft mij toen van een anders
-wissen dood gered? Wie anders dan gij, Barend Jansen?”
-
-„Het was niets dan een staaltje van mijn plicht,” wierp Jansen er
-tusschen in.
-
-„Goed,” antwoordde Kloppers, „maar ’t was toch een plichtsbetrachting,
-waarbij gij uw leven waagdet. Maar dit heb ik tegen u, dat gij een
-stug, onverzettelijk gemoed hebt. Straks, als het te laat is, zult gij
-met bloedige tranen uw verkeerdheid beweenen—als de wreede Kaffers u
-daartoe ten minste nog den tijd zullen gunnen.”
-
-„Barend, broeders,” riep hij met bewogen stem, „op! Laten wij morgen
-als oude strijdmakkers tegen de Kaffers vechten!”
-
-Hij legde de hand op Jansen’s schouder. Jansen keek op, en zag hem in
-de oogen—er waren tranen in die oogen.
-
-Toen kwam er een zeldzame verandering op Jansen’s verweerd gelaat.
-
-„Wat denken jullie er van?” zeide hij, zich tot de omstaande Boeren
-wendende. „Vindt ge ’t goed, dat we ons lager opbreken en naar Kloppers
-trekken?”
-
-„We vinden ’t goed,” antwoordden zij met eenparige stem, „dadelijk!”
-
-Toen straalde Kloppers’ heldenoog!
-
-En al zouden zij onder het overwicht der Kaffers worden vermorzeld, zij
-zouden vallen man voor man, schouder aan schouder—zij zouden vallen met
-eere!
-
-Maar in de hersens van Floor kwam het voorloopig nog niet op, dat de
-Boeren het onderspit zouden delven. Hij gaf de tienjarige dochter van
-Jansen kameraadschappelijk de hand, en zeide: „Schei nu maar uit met
-huilen, Leentje. Alles komt terecht; laat dat maar aan mij over.”
-
-
-
-Barend Jansen had zijn belofte trouw gestand gedaan, en was nog in het
-holle van den nacht met den trein van tien ossenwagens op het
-aangewezen terrein aangekomen. Terwijl eenige Boeren als wachten waren
-uitgezet, om bij het geringste onraad alarm te maken, waren de anderen
-met koortsachtigen ijver bezig geweest, om het lager in verdedigbaren
-staat te brengen.
-
-De vrees, dat de vijanden hun oude taktiek zouden volgen, en nog vóór
-het krieken van den morgen het lager zouden bestormen, was gelukkig
-niet bewaarheid. Het zware noodweer van gisteravond, dat de beken in
-rivieren had herschapen, was waarschijnlijk de oorzaak geweest, die de
-komst der Matabelen had vertraagd.
-
-Nu was de vesting gereed. De disselboom van den éénen wagen was onder
-de „buikplank” van den anderen geschoven, terwijl de wielen der
-verschillende wagens door ijzeren remkettingen stevig aan elkaar waren
-verbonden. De wagens waren dus de muren der vesting; de op elkaar
-gestapelde graszoden vlak voor de wagens de borstwering, terwijl de
-open ruimte ònder en tùsschen de wagens door staketsels van sterke
-doorntakken was aangevuld.
-
-Het lager vormde een langwerpig vierkant, en strekte zich aan de
-achterzijde in de lengte langs den steilen oever uit eener kleine
-rivier, die door den stortregen van gisteravond overvloedig water had
-gekregen, om voor vestinggracht te kunnen dienen. Men was dus aan dien
-kant, in den rug, voldoende gedekt, en borstwering noch
-doornversperring was daar noodig geacht. De drie andere zijden waren
-echter met te meer zorg, zoover de beperkte tijd het toeliet, versterkt
-geworden.
-
-Het lager stond op een platten heuvel. Men zou zich echter vergissen,
-wanneer men meende, dat het lager de geheele oppervlakte van den heuvel
-besloeg, en de Kaffers dus uit de diepte zouden moeten aanvallen. Het
-lager besloeg slechts een gedeelte van den heuvel, die trouwens zeer
-langzaam afliep.
-
-Op eenigen afstand van het lager liep evenwijdig daarmede een nieuwe
-heuvelkam, en tusschen het lager en dien heuvelkam in stond een hooge,
-eenzame seringenboom in vollen bladerdos. Eenige jonge Boeren hadden
-reeds den bijl aan zijn wortel gelegd, doch de voorzichtige de Jong had
-gezegd:
-
-„Laat hem staan; hij kan ons tot observatiepost dienen.”
-
-Zoo was hij blijven staan.
-
-In het lager, aan de achterzijde, stonden de paarden en eenige
-melkkoeien. Het andere vee zwierf, met voordacht in verschillende
-kudden gesplitst, op eenige uren afstands, en zeker zouden de Kaffers
-eerst dit vee zien te rooven en in veiligheid te brengen, vóór zij het
-Boerenlager aantastten.
-
-
-
-De Boeren vereenigen zich thans in het midden van het lager. Daar staan
-Gert Kloppers met zijn vrouw, zijn drie zonen: Dirk, Floor en Willem,
-en zijn twee dochters: Mieke en Hannie. Daan, de trouwe Kaffer, houdt
-de kleine Hannie aan de hand, en zal over haar waken bij het fluiten
-der kogels en het suizen der assegaaien. Dan ziet ge de Jong met zijn
-gezin, waarvan ge Tijs den scherpschutter reeds kent. Vervolgens Kees
-Bouwer. Hij houdt zijn spitse tong thans in toom, en dat is goed.
-Barend Jansen staat met zijn drie wakkere zonen op den achtergrond.
-Leendert is de middelste der drie. Van wege zijn gulheid en
-hartelijkheid wordt hij bemind door allen, die hem kennen, en hij is de
-trots zijns vaders. Hij heeft een kleur als melk en bloed, en vlug is
-hij als A’sahel, de broeder van Joab, van wien geschreven staat, dat
-hij licht was op zijn voeten als eene der reeën, die in het veld zijn.
-Maar vlugger dan A’sahel is de dood, en dat moedig flikkerende oog van
-Leendert Jansen zal breken lang voor de zon, die thans in het oosten
-straalt, in het westen zal zijn ondergegaan.
-
-Daar staan zij nu bij elkander: twintig weerbare mannen behalve de
-vrouwen en kinderen. Er wordt niet gesproken, zelfs niet gefluisterd;
-de ontzettende ernst van het oogenblik ligt als een ban op aller
-gelaat.
-
-Daar gaat ouderling de Jong op een verhevenheid staan, blikt met zijn
-blauwe, heldere oogen in het rond en spreekt aldus: „Lieve Vrienden!
-Wij beseffen allen het gewicht dezer ure, en in den strijd, die ons
-heden wacht, zullen wij overwinnen of sterven. Als menschen zijn wij
-aan de middelen gebonden, en hebben wij gedaan, wat onze hand vond om
-te doen. Ook strijden wij voor een rechtvaardige zaak, en wat wij doen
-is wettige zelfverdediging, want wij kampen voor ons zelven, voor onze
-vrouwen en kinderen—voor wat ons het dierbaarste is op aarde.
-
-„Wat onze wapens betreft: onze geweren zijn goed, ons kruit is droog,
-en onze kogels zullen hun weg wel vinden.
-
-„Maar wij zijn stof, en tot stof zullen wij wederkeeren. Dat kan
-vandaag nog geschieden. Eén assegaaistoot kan onzen ademtocht
-afsnijden, en onze ossenwagens, waarachter wij schuilen, zijn schilden
-van hout.”
-
-„Maar,” roept de spreker uit, terwijl zijn blik vol geloofsvertrouwen
-naar boven gaat—„het zij leven, het zij sterven—Gij trouwe God, Gij
-zijt het schild, dat mij bevrijdt!”
-
-En hoor! Daar klinkt het van de lippen der kleine gemeente in plechtig
-psalmgezang:
-
-
- „Maar, trouwe God! Gij zijt
- Het schild, dat mij bevrijdt,
- Mijn eer, mijn vast vertrouwen.
- Op U vest ik het oog;
- Gij heft mijn hoofd omhoog,
- En doet m’ Uw gunst aanschouwen.
-
- Ik zal, vol heldenmoed,
- Daar mij Zijn hand behoedt,
- Tien duizenden niet vreezen;
- Schoon ik van alle kant
- Geweldig aangerand
- En fel geprangd moog’ wezen.”
-
-
-Er volgde een pauze, waarna de Jong opnieuw begon:
-
-„Onze vaderen hebben zich voordat de strijd begon, steeds onder een
-hoofd geplaatst, onder een kommandant, aan wiens bevel zij
-gehoorzaamden, doch wie is geschikter voor kommandant dan de man, die
-hier voor mij staat?” en hij wees met den vinger op Gert Kloppers.
-
-„Ja, ja,” riepen de Boeren, „die keuze is goed.”
-
-Maar Kloppers zeide: „Het is een oude gewoonte onder ons, dat onze
-ouderlingen onze aanvoerders zijn in den strijd, en waarom zullen wij
-heden van deze goede gewoonte afwijken? Mist ouderling de Jong de
-bekwaamheid tot kommandant? Ik geloof niet, dat één onzer dit zal
-durven beweren.”
-
-Doch de Jong legde de hand op Kloppers’ arm, en antwoordde: „Laat het
-goed zijn, broeder. Onder vader Kloppers zijn wij menigmaal opgetrokken
-tegen de Kaffers; laten wij dezen keer optrekken onder zijn zoon.”
-
-„Ja,” riepen de Boeren, „Kloppers moet het zijn.”
-
-Toen beklom Gert Kloppers de verhevenheid, die ouderling de Jong
-verliet, en leunend op het geweer, waarvan hij den tromp met beide
-handen omklemde, zeide hij: „Mannen, Broeders! Daar gij het zoo wilt,
-onderwerp ik mij aan uwe keuze, en hoop tot God, dat hij mij moed,
-koelbloedigheid en beleid mag geven tot mijn hoogst verantwoordelijken
-post. Een kommandant behoort echter te weten of hij rekenen kan op de
-gewilligheid der soldaten. Indien er iemand onder u is, die terugdeinst
-voor het gevaar, en liever in de vlucht zijn heil wil zoeken, die moge
-het doen! Ik zal hem niets verwijten, en onmiddellijk een paard ter
-zijner beschikking stellen. Maar ik zie het aan uwe oogen, dat gij aan
-geen vluchten denkt, en dat verkwikt mijn hart. Zoo neem ik u, de
-weerbare mannen, dan den eed af, dat gij mij houw en trouw zult blijven
-in nood en dood.”
-
-Toen hieven alle Boeren de handen omhoog, en zwoeren hun kommandant
-houw en trouw in nood en dood.
-
-„Van mijnen kant,” zeide Kloppers, en er ging een diepe ontroering door
-zijn mannelijke stem, „beloof ik u hetzelfde, zoo waarlijk helpe mij
-God de Almachtige!
-
-„Thans ben ik uw aanvoerder, broeders, maar geen aanvoerder, die u de
-overwinning kan belooven, want onze vijanden, die elk oogenblik als de
-huilende stormvloed ons lager kunnen omsingelen, zijn sterk en
-bloeddorstig, en wie kan den raad des Heeren doorgronden?
-
-„Voor ieder onzer kan het heden de laatste dag des levens zijn, en tot
-hen, die onvoorbereid voor de eeuwigheid staan, zeg ik met al den
-ernst, die de zaak verdient: Laat u met God verzoenen! Christus, die
-stervende den moordenaar aan het kruis heeft gered, is thans, nu Hij
-leeft tot in alle eeuwigheid, zeker machtig genoeg, om u te redden!
-
-„Thans verzoek ik U, broeder de Jong, ons voor te gaan in het gebed tot
-Hem, Die onze bekommernissen, onze nooden en onze ellende kent, en Die
-ons een onversaagd hart kan geven, om mannelijk te strijden!”
-
-Toen knielden allen neder, en de Jong sprak een aangrijpend gebed.
-
-Daarna nam Kloppers, terwijl zijn oog over de vergadering ging, en op
-Barend Jansen, die nog steeds op den achtergrond stond, gevestigd
-bleef, nogmaals het woord. „Laten wij elkander thans,” zeide hij, „in
-het aangezicht des doods de hand der liefde en der broederschap, en
-waar oude veten zijn, die der vergeving en verzoening geven.”
-
-Toen drukte men elkander de broederhand.
-
-Ook Kloppers en Jansen.
-
-De oude vete was, en nu voorgoed, begraven!
-
-Zoo stonden zij bij elkander: moedig en vastberaden, al was er groote
-bekommernis in het hart; vast besloten, om te overwinnen of te sterven;
-steunend op God en hun goed recht!
-
-Zoo stond gij daar in de wildernis, en zoo zult ge in de geschiedenis
-geteekend staan: gij wakkere Voortrekkers, gij dappere Boeren, gij
-helden van Zuid-Afrika!
-
-
-
-Zóó had de aanstaande strijd voor de Boeren zijn bijzondere wijding
-ontvangen, en nu dit was geschied, scheen met Gert Kloppers een omkeer
-plaats te hebben. De ontroering die door zijn stem had heengetrild,
-verdween; de krijgsman, de kommandant kwam boven.
-
-Kort, bondig, met weinige woorden gaf hij zijn bevelen. In het lager
-zelf bevond zich een ossenwagen, die evenwijdig met de achterzijde
-tegen den linker „muur” was geplaatst. In deze ruimte, van de
-achterzijde door de rivier gedekt, plaatste hij de kleine kinderen, ook
-Hannie, terwijl Daan en eenige vrouwen over hen zouden waken. Er waren
-over de veertig geweren; ieder man kreeg er twee, terwijl de vrouwen en
-de aankomende jongens voor het laden der geweren moesten zorgen. „Uw
-standplaats kan ik niet aanwijzen,” zeide Kloppers tot de schutters;
-„waar het gevaar het grootst is, moeten de beste schutters zijn. De
-twee eerste keeren wordt er geen schot gelost, voor ik „vuur”
-kommandeer. Later schiet ieder, zoover ik niet anders beveel, op eigen
-gelegenheid, maar altijd met een mikpunt.
-
-„Tot mikpunt neemt ge den kaffer, die het dichtst voor den loop van uw
-geweer komt, want zooveel mogelijk moet het vermeden worden, twee
-geweren op één Kaffer aan te leggen.”
-
-Met scherpen blik monsterde hij de legerplaats, en op een bepaald punt
-aan de rechterzijde bleef hij met bezorgden blik even staan. Hij vond
-de opening tusschen „Europa”, een zijner eigen wagens, en een wagen van
-Jansen niet hoog genoeg door de dorens versperd, en Floor roepend,
-zeide hij: „Gij hier met uw bijl! Ieder Kaffer, die hier over komt, is
-aan uw bijl vervallen. Hoe zwaar ook in het front gevochten moge
-worden, gij blijft op deze plek!”
-
-Vervolgens wendde hij zich tot Dirk. „Gij kondt vroeger zoo sprekend
-het geluid van den Makauwvogel nabootsen; ge zult het nog niet verleerd
-zijn. Klim in gindschen seringenboom, en als gij de Kaffers ziet
-aankomen, dan laat gij den kreet van dien vogel driemaal achter
-elkander hooren.”
-
-Nu keerde Kloppers zich voor het laatst tot de aanwezigen, en zeide:
-„Ik verzoek thans de diepste stilte; geen woord worde er gesproken!
-Weest sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk! De Heere nu doe wat
-goed is in Zijne oogen!”
-
-Maar tot ouderling de Jong fluisterde hij: „Ik vrees, dat Teunis Smit
-is omgekomen; anders zou hij hier moeten zijn.”
-
-Toen ging hij op een groote waterton staan, zoodat hij over de linnen
-wagenhuif kon heenblikken, en zijn valkenoogen wijd open zettend,
-tuurde hij naar den horizon.
-
-
-
-Daar ligt dan de wagenburcht: stil, somber, zwijgend; men zou zeggen:
-een opgegeven stuk menschenwerk midden in de wildernis. Drukkend,
-brandend straalt de voormiddagzon, en onbewegelijk hangen twee grijze
-wolken aan den overigens wolkeloozen hemel. Een arend beschrijft met
-wijd uitgespannen vleugelen hoog in de lucht zijn kringen, en een
-schaar duiven scheert met blanke wieken over het grasveld. De regen van
-gisteravond heeft het aardrijk verkwikt, en de geuren der veldrozen
-stijgen als dankoffers omhoog. Het nijvere bijke snort van bloem tot
-bloem, was en honing verzamelend, en een eenzaam, kleurig vlinderke
-wiegt zich droomend op een grashalm.
-
-De wind gaat liggen. Nauwelijks beweegt zich een blad aan den
-seringenboom, en het groene bosch, ver aan den horizon, drinkt met zijn
-slanke toppen den zonnegloed.
-
-Het laatste zuchtje verdwijnt .... niets beweegt zich meer .... geen
-blad, geen halm ....
-
-Stilte .... Sabbatsrust ....
-
-Daar klinkt driemaal snel achter elkander uit den seringenboom de
-harde, snijdende kreet van den Makauwvogel. Bijna onmiddellijk daarop
-wordt het luid en driftig geblaf van twee groote speurhonden gehoord,
-en alsof de prairie achter hem in vlammen stond, zoo kwam daar een
-ruiter op zijn van zweet druipend paard aangestormd.
-
-Een oogenblik later zijn Dirk en de ruiter, over den linnen huifwagen
-heenklimmend, binnen het lager, en op bijna vroolijken toon roept de
-kommandant: „Het beste geweer der kolonie heeten we hartelijk welkom in
-het gevecht!” Om strijd drukken en schudden de Boeren zijn
-hand—„welkom,” roepen ze, „wees welkom!”
-
-Zou hij niet welkom zijn, de zoo smartelijk gemiste, de dappere
-leeuwenjager Teunis Smit?
-
-Maar er is geen tijd van spreken, want hoor! Daar gaat een schelle,
-langgerekte, merg en been doordringende kreet over het veld, en daar
-komen ze aan, van drie kanten tegelijk, hun schilden zwaaiend, hun
-speren slingerend, half naakt, de struisvogelveer op het hoofd,
-dansend, springend, gillend, brullend: twintig, dertig, veertig,
-driehonderd man.
-
-En stil als te voren ligt de wagenburcht. Zwijgend wachten de Boeren,
-met den vinger aan den trekker van het geweer, dien huilenden
-stormvloed af. Niets verraadt hun aanwezigheid. Slechts een zucht
-stijgt uit hun harten opwaarts, maar geen Kaffer hoort dien zucht.
-Slechts één hoort hem; dat is God.
-
-Snel zijn de Matabelen van den heuvelkam afgedaald: reeds hebben de
-eersten de seringenboom bereikt, en beginnen zij, zich dekkend met hun
-schilden van buffelleer, tegen den zacht glooienden heuvel, waarop het
-lager staat, op te loopen.
-
-Koelbloedig ziet Kloppers die wilde, bloeddorstige benden aanstormen.
-Geen spier beweegt zich in zijn gelaat; dat gelaat schijnt uit graniet
-gehouwen.
-
-Nu is de afstand nog veertig, nog vijf en dertig pas.
-
-Daar gaat kort en scherp als de knal van het Boerengeweer het kommando:
-„Vuur!” en knetterend slaat het salvo in de gelederen der Kaffers.
-
-Voor dezen ijzeren welkomstgroet deinzen zij terug, en de voorsten
-slaan op de vlucht. Maar dit bekomt hun slecht, want reeds komt hun
-aanvoerder, kapitein Khama, met een nieuwe hulpbende van den heuvelkam
-afgerend. Eigenhandig stoot hij twee der vluchtelingen, die onder zijn
-bereik komen, de korte stootspeer in de borst, en dan roept hij met
-vlammenden blik: „Voorwaarts!”
-
-Dat helpt. De vrees voor hun kapitein is grooter dan hun vrees voor de
-kogels der Boeren, en als razenden stormen de krijgers over hun doode
-en gewonde kameraden weer voorwaarts.
-
-En stil als te voren ligt de wagenburcht: stil en zwijgend.
-
-Maar zie, terwijl de voorste rijen der Kaffers reeds op den heuvel
-staan, geen vijftien pas van het lager verwijderd, terwijl de Boeren
-van achter hun verschansing reeds de wreede trekken kunnen
-onderscheiden in die tijgergezichten, en terwijl de lange werpspiezen
-reeds bij tientallen het lager binnensuizen, flikkert er andermaal een
-vuurstraal langs het front der wagenburcht, en een tweede salvo,
-vreeselijker dan het eerste, ontvangt de aanvallers.
-
-Daarop hadden zij niet gerekend. Op dat tweede salvo kan een derde, een
-vierde volgen; met schrik staren zij op dat geheimzinnige, dood en
-verderf spuwende lager. Wel buldert en raast Khama als een bezetene,
-wel bedreigt hij hen met zijn vreeselijksten toorn, indien zij
-terugtrekken, maar hij heeft goed praten: door zijn metalen schild
-dringt niet gauw een kogel heen. De zucht tot zelfbehoud is dezen keer
-grooter dan de vrees voor den kapitein, en hun dooden en zwaargewonden
-achterlatend, vluchten zij snel achter de eerste heuvelrij.
-
-Wel zijn eenigen uit het lager door een assegaai getroffen, maar gedood
-of zwaar gewond is gelukkig niemand. Ouderling de Jong heeft een spies
-in het been gekregen, die hij er zelf heeft uitgetrokken, terwijl een
-snel aangelegd linnen verband het sterke bloeden heeft gekeerd. Dirk
-Kloppers is aan de linkerhand gekwetst, en een vrouw aan den schouder,
-terwijl een speer zoo dicht langs Barend Jansen’s hoofd is heengegaan,
-dat zijn oor nog een schram heeft gekregen.
-
-Dit staat intusschen vast, dat de eerste storm bloedig is afgeslagen,
-en de Boeren wenschen elkander geluk met de aanvankelijke zegepraal.
-Maar terwijl men druk staat te praten en te gissen, of de Kaffers een
-tweeden storm zullen durven wagen, of op een andere manier zullen
-trachten het lager binnen te dringen, wendt Kloppers zich tot Teunis
-Smit en zegt op hartelijken toon: „Neef Teunis, vertel ons nu eerst
-eens uw wedervaren, want ik denk, dat de Kaffers u dicht op de hielen
-hebben gezeten.”
-
-„Gij weet zeker van Dirk,” antwoordde de leeuwenjager, „dat ik mij naar
-het noorden wilde wenden om een gezelschap Boerenjagers op te zoeken,
-die aan de oevers der Vaalrivier op de groote jacht waren—maar kijk,
-daar hebben we al weer een nieuwe vertooning!”
-
-De Boeren volgden den blik van Teunis Smit, en zagen een grooten,
-forsch gebouwden, met een prachtige pluim van struisvogelveeren
-getooiden Kaffer naderen: het was Khama zelf. Met fier opgeheven hoofd
-kwam hij op het lager aan, doch hij was zonder schild en spies: een
-bewijs, dat hij een vredige onderhandeling wilde aanknoopen.
-
-„Dat is de kerel, die gisteren morgen mijn paard bij de teugels greep,”
-roept Dirk, die hem onmiddellijk herkent, „en dien ik met den
-geweerkolf een slag op zijn hersens heb gegeven.”
-
-„En de kleine peuter, die daar achter hem komt aangetrippeld, is een
-Hottentot,” zegt Leendert Jansen.
-
-„Die voor tolk zal moeten dienen,” vult Tijs de Jong aan.
-
-Intusschen is de Kafferkapitein met den Hottentot, die inderdaad voor
-tolk moet dienen, en de te wisselen woorden over en weer zal vertalen,
-tot op den rand van den lagerheuvel genaderd, waar hij blijft staan,
-terwijl Gert Kloppers zich voor eene door dorens versperde wagenopening
-plaatst, en kortaf vraagt: „Wat moet je?”
-
-„Ik ben Khama, de Kafferkapitein,” zegt de aangesprokene.
-
-„Zoo,” zegt Kloppers, „dat kan waar wezen.”
-
-„Mijn volk noemt mij „den brullenden leeuw,” en ik ben de rechterhand
-van den „grooten Olifant,” die door de witmenschen wordt genoemd
-Moselekatse,” zegt Khama.
-
-„Zoo, ben jij van dien duivel de rechterhand? Zoo’n moordenaar gelijkt
-hem,” antwoordt Kloppers.
-
-„En ik groet u,” zegt Khama.
-
-„Kom, deze groet klinkt al beleefder dan die van zoo even,” antwoordt
-Kloppers.
-
-De Kaffer haalt even de schouders op, en gaat voort: „Hier onder u is
-een witmensch, ik zie hem vlak naast u staan, en om dien witmensch is
-het mij te doen.”
-
-„Een groote eer,” zegt Kloppers.
-
-„Als ge hem aan mij overlevert, dan zullen wij onmiddellijk wegtrekken,
-en geen haar zal u worden gekrenkt,” zegt Khama.
-
-„Wat heeft die witmensch toch gedaan?” vraagt Kloppers.
-
-„Hij heeft drie mijner dapperste krijgers doodgeschoten en éénen zwaar
-gewond,” zegt Khama.
-
-„Jij bedoelt zeker mij!” zegt Dirk, „maar dan vergeet je den Kaffer,
-die daar eenige passen achter jou ligt; ja, kijk maar even om,
-kapitein; ’t is de voorste van dat hoopje lijken, die daar vlak bij
-elkander liggen.”
-
-„En dan vergeet je ook nog,” voegt hij er aan toe, „dien zwaar gewonde,
-die daar dicht voor uw voeten ligt, en die ’t ook niet lang meer zal
-maken.”
-
-Daarbij wijst hij met den vinger op een gewonde, die in zijn doodstrijd
-met beide handen de lange grashalmen uit den grond rukt.
-
-Maar de Kafferkapitein schijnt zich dat al heel weinig aan te trekken,
-en zegt: „Wij zijn hier met zoo’n groote macht, dat wij dit armzalige
-boerenlager onder onze voeten kunnen vertrappen.”
-
-„Waarom heb je dat dan zoo even niet gedaan?” spot Kloppers.
-
-Maar de Kaffer keurt deze vraag geen antwoord waardig en zegt dreigend:
-„Ik ben hier met twee duizend dappere krijgers.”
-
-„Dat lieg je,” zegt Teunis Smit, die zich thans in het gesprek gaat
-mengen. „Als ik de dertig Kaffers, die hier dood of zwaar gewond vóór
-het lager liggen, meereken, telt gij met al uw Kaffers hoogstens
-negenhonderd man.”
-
-Dit zeggende, is de leeuwenjager meer naar voren gegaan, en op het
-gelaat van den Kafferkapitein, die hem thans goed kan zien, staat
-groote verbazing te lezen.
-
-Hij antwoordt niet dadelijk, maar fluistert druk met den Hottentot.
-
-Daarna zegt hij, op Teunis Smit wijzend: „Dien kerel in dat buis van
-bokkenvel moet ik ook hebben,” maar deze uitval maakt op de Boeren in
-spijt van hun hachelijken toestand zoo’n koddigen indruk, dat zij in
-een schaterlach uitbarsten. Nu wordt de kapitein echter woedend, en hij
-zegt: „Dat buis van bokkenvel schijnt alles in de puntjes te weten;
-waarom vertelt hij dan ook niet, dat mijn krijgers een paar dagen
-geleden achtentwintig Boeren aan hunne assegaaien hebben geregen?”
-
-„De vrouwen en kinderen meegeteld, moordenaar,” zegt Dirk.
-
-„En dat een andere dappere kapitein van „den grooten Olifant” eveneens
-achtentwintig Boeren heeft geveld, de vrouwen en kinderen niet
-medegeteld, en niemand ontkwam?”
-
-„Niemand ontkwam? Ook dat is een leugen,” zegt Teunis Smit. „De
-negenentwintigste is ontkomen, en heeft thans waarschijnlijk reeds onze
-broeders in het zuiden bereikt, om hen op te roepen tot den heiligen
-oorlog tegen Moselekatse en zijn bloedhonden.”
-
-Deze mededeeling verrast de Boeren evenzeer als den kaptein, maar hij
-beheerscht zich, en tot den lagerkommandant zich wendend, zegt hij:
-„Dat jonge witmensch wil ik hebben, omdat hij zonder aanleiding op onze
-krijgers heeft geschoten.”
-
-„Ik merk, dat gij de waarheid liefhebt,” zegt Dirk op leuken toon.
-
-„En dat buis van bokkenvel wil ik hebben, omdat hij een verrader is;
-een spion en een verrader. Gisteravond is hij tot mij gekomen en heeft
-gezegd: „Ik wil mij wreken op de trekboeren, want zij hebben mij
-doodelijk beleedigd, en ik zal uw gids zijn en u helpen, om hen uit te
-vinden en uit te roeien.” Wel schudden mijne kondschappers het hoofd,
-maar hij liet zich vrijwillig de handen binden, en ik geloofde hem,
-maar hij heeft ons bedrogen en is ontsnapt.
-
-„Levert mij dus die beiden uit, die ik genoemd heb, en wij zullen
-omkeeren, en binnen een halven dag hebt gij al uw vee, dat thans in ons
-bezit is, terug.”
-
-„Zijt ge nu uitgepraat?” vraagt Gert Kloppers.
-
-„Neen,” zegt de Kafferkapitein met toornige gebaren. „Indien gij hen
-niet uitlevert, dan zeg ik u, dat wij u, de mannen met uwe vrouwen
-levend aan uwe ossenwagens zullen spijkeren, en uw kinderen zullen wij
-levend aan onze assegaaien rijgen: vóór uwe oogen. Maar uwe jonge
-dochters wacht een vreeselijker lot, en hun geschonden lichamen zullen
-tot een prooi dienen voor de aasvogels, dat zweer ik, Khama, die
-genoemd wordt „de brullende leeuw”, bij mijne goden. Wat is nu uw
-antwoord?”
-
-„Mijn antwoord,” zegt Kloppers, terwijl hij zich tot zijn volle lengte
-opheft, „mijn antwoord ligt in den loop van dit geweer. Maak dat je weg
-komt, of de brullende leeuw heeft voor den laatsten keer gebruld.
-Aarzel je nog? Maak dat je weg komt, zeg ik, of ik schiet je zoo zeker
-dood als ik dit geweer in mijne handen heb.”
-
-Toen keerde de kapitein met zijn Hottentot schielijk terug, maar Barend
-Jansen zeide: „’t Is jammer, kommandant, dat ge dien moordenaar niet
-hebt doodgeschoten; ’t is bepaald jammer.” En hij schudde bedenkelijk
-met het groote hoofd.
-
-
-
-En weer zet Gert Kloppers zijn valkenoogen wijd open. Daar vóór hem
-ligt de heuvelkam, waarachter de Kafferhorden zich waarschijnlijk op
-nieuw tot een stormaanval gereed maken.
-
-Als hij eens met zijn Boeren een uitval deed, dien kant uit?
-
-Maar neen, dat is nog te vroeg. Straks misschien, als God het hem
-vergunt, de Kaffers ook bij den volgenden aanval met bebloede koppen af
-te wijzen. Dan snel te paard de vluchtelingen achterna, en hen onder
-den voet gereden—de oude, beproefde Boerentaktiek!
-
-Een paar gekwetsten trachten, op handen en voeten kruipend, den
-heuvelkam te bereiken. Kees Bouwer legt op hen aan, maar de kommandant
-slaat den tromp van zijn geweer naar boven. „Spaar je ammunitie,” zegt
-hij kortaf.
-
-Nu valt zijn oog op den seringenboom. Hij schijnt hem met aandacht op
-te nemen, en hoe meer hij er naar kijkt, hoe meer zich zijn zware
-wenkbrauwen fronsen.
-
-„Zeg, Neef Teunis, voel je wind?”
-
-„Geen zuchtje,” zegt de leeuwenjager.
-
-Weer kijkt de kommandant naar den seringenboom.
-
-„En toch bewegen zich eenige bladeren van dien boom,” zegt hij.
-
-„Een vogel is er misschien in neergestreken,” zegt een jonge Boer.
-
-„Of een Kaffer is er in geklommen,” zegt Teunis Smit.
-
-„Misschien meer dan één,” zegt Kloppers.
-
-„Om onze sterkte te bespieden,” zegt ouderling de Jong, „ik twijfel er
-niet aan.”
-
-„En ik evenmin,” zegt Kloppers.
-
-„Die heele onderhandeling van zoo even is misschien maar een vertooning
-geweest, om onze aandacht af te leiden, en de Kaffers gelegenheid te
-geven, in den boom te klauteren,” zegt Barend Jansen. „Ik wou, dat ge
-daar straks hun kaptein had doodgeschoten,” en hij trekt met een gram
-gemoed aan zijn ruigen baard.
-
-Nadenkend tuurt Kloppers naar den boom. „Wij zijn verloren,” zegt hij,
-„als één van de Kaffers, die ons waarschijnlijk van uit dien boom
-zitten te bespieden, levend terugkomt. Wij zijn in dat geval verloren,
-zeg ik, want ons gering getal is hun dan bekend. Zij zitten bepaald al
-te grinniken van plezier—toe jongens, maakt dien boom eens schoon!”
-
-Een zwerm van kogels fluit door het groene gebladerte van den
-seringenboom heen, en onmiddellijk daarop ploft met een harden slag het
-lichaam van een Kaffer tegen den grond. Hij verroert zich niet meer;
-hij is blijkbaar doodelijk getroffen.
-
-Nu laat zich een Kaffer, eenigszins door den stam gedekt, langs den
-boom afglijden; een tweede, een derde, een vierde volgt.
-
-Gert Kloppers legt den tweeden neer; ook de derde en de vierde vallen
-onder het wisse schot der Boeren. Doch de eerste heeft zich plat op den
-buik geworpen, en tracht, door het lange gras kruipend, den reddenden
-heuvelkam te bereiken. Bijna heeft hij het doel bereikt, maar daar pakt
-hem vrees en ongeduld, en dat is zijn ongeluk. Hij rijst eenigszins
-omhoog, en doet twee sprongen vooruit. Maar den derde heeft hij nooit
-meer gedaan. Daar zorgde de leeuwenjager voor.
-
-Maar op het gelaat van Gert Kloppers is de trek van onrust niet
-verdwenen.
-
-„Wat domme schepsels,” zegt Kees Bouwer. „Zij waren, wanneer zij
-zooveel verstand hadden, om zich in het loover van den seringenboom
-achter een of anderen zwaren tak te dekken, schotvrij. En nu springen
-zij er uit—de ezels!”
-
-„En wie zegt dan, dat er geen Kaffers meer in dien boom zitten?” vraagt
-Kloppers.
-
-„Ik zal het onderzoeken,” zegt de moedige Leendert Jansen.
-
-„’t Is gewaagd,” zegt Gert Kloppers.
-
-„Wij kunnen u niet helpen,” zegt de Jong, „als er een ongeluk gebeurt.”
-
-„Laat hem maar begaan,” zegt Barend Jansen, bij wien de vadertrots
-bovenkomt, en over den huifwagen heenklimmend, snelt Leendert op den
-seringenboom af. Het geweer zou hem in zijn bewegingen belemmeren;
-daarom laat hij het achter, en vlugger klimt geen matroos in den mast
-dan hij in den boom.
-
-En daar boven hem ziet hij den fonkelenden blik van den „wilden
-Panter”, zooals Khama dezen krijger noemt. Terwijl hij naar den dolk
-voelt, die in de lederen scheede steekt, gaat Jansen echter onvervaard
-op hem af. Maar hij bereikt zijn vijand niet, want van achter
-besprongen, voelt hij twee handen als ijzeren schroeven zich om zijn
-keel klemmen. Met een wanhopigen ruk weet hij echter den nieuwen vijand
-van zich af te schudden, en den dolk trekkend, maakt hij aan den strijd
-een snel einde.
-
-De „wilde Panter”, die op zijn observatiepost het boerenlager heeft
-begluurd, brandt van verlangen, om zijn belangrijke ontdekkingen aan
-Khama mede te deelen, en terwijl zijn makker met den jongen Boer
-worstelt, heeft hij van de gelegenheid gebruik gemaakt, om ongemerkt
-uit den boom te sluipen. Vervolgens is hij als een slang door het lange
-gras, waar het nog niet is platgetrapt, heengekropen, en de kogels der
-Boeren gelukkig ontkomend, is hij achter den beschermenden heuvelrand
-verdwenen.
-
-Gert Kloppers was niet verbleekt, toen Dirk hem gisteravond den
-naderenden Kafferaanval had meegedeeld; hij was niet verbleekt, toen
-hij den kreet van den Makauwvogel had gehoord; hij was niet verbleekt,
-toen hij de bloeddorstige horden zag aanstormen, maar nu verbleekte
-hij.
-
-Ook de andere Boeren zagen elkander aan met bezorgden blik, en al
-bracht Leendert de tijding, dat hij den boom op het nauwkeurigst had
-afgezocht en er thans ten minste geen Kaffer meer in was, zoo troostte
-dit de Boeren niet, want één Kaffer was er in elk geval ontsnapt, en
-thans wisten de Kaffers, hoe zwak de Boeren in aantal waren.
-
-De godvreezende de Jong echter zeide: „Als wij geen redding meer zien,
-dan is het de rechte tijd voor den Heere, om te helpen.”
-
-Dicht bij Gert Kloppers staat diens dochter Mieke: wit als een lelie.
-Zij ziet haren vader aan met een blik, die hem door de ziel snijdt.
-
-„Ja kind,” zegt hij met een zucht, „ik zie u liever dood aan mijn
-voeten dan levend in de handen van die zwarte duivels. Was ik een
-heiden, ik zou u het leven benemen, vóórdat die duivels de handen aan u
-sloegen. Maar wij zijn christenen, en ik geloof, dat ook de haren van
-ons hoofd zijn geteld.
-
-„Hier is een geweer; schiet er mee, zoolang wij de Kaffers buiten het
-lager kunnen houden. Dringen zij het lager binnen, dan neemt dit groote
-mes, en houd u dicht aan mijn zijde. Wij zullen ons dan midden in het
-dichtste gewoel van den vijand werpen, en misschien vechtend den dood
-kunnen vinden.”
-
-
-
-Nu moeten wij een blik achter den heuvelkam slaan.
-
-Khama heeft zijn krijgers gemonsterd, en Boegoeloe, een zijner
-onderbevelhebbers, geroepen.
-
-Zijn blik verkondigt weinig goeds; onheilspellend flikkeren die zwarte
-oogen.
-
-„Waarom zijt ge op de vlucht geslagen, Boegoeloe?”
-
-„Ik ben, kapitein, voor eenige dagen bij den grooten toovenaar geweest,
-die daar in het noorden in de spelonken woont. Hij heeft voor mij de
-dolossen [9] geworpen, en mij gezegd, dat wij tegen de blanke Boeren
-niets zullen vermogen. En ik heb met mijn eigen oogen gezien, o
-kapitein, dat hij de waarheid heeft gesproken. Heb ik gistermorgen niet
-de assegaai naar dien jongen Boer geslingerd, die op zijn zwarten
-hengst ons kamp bespiedde? En is de assegaai niet machteloos vlak naast
-hem neergevallen? Heb ik daar straks geen drie assegaaien op den
-kommandant der Boeren gemikt, en heb ik niet gezien, hoe hij met een
-handgebaar die assegaaien bezwoer? Ze hebben hem niet eens geraakt, en
-dat verwondert mij niet.”
-
-„Ik ben ook bij den grooten toovenaar geweest,” zegt de kaptein met
-zonderlingen blik, „en hij heeft mij voorspeld, dat de Boeren zeker
-zullen verslagen worden. Denkt gij, dat die blanke honden onze
-assegaaien kunnen bezweren? Waarom hebben zij dat eenige dagen geleden
-dan ook niet gedaan, toen wij een heel lager hebben uitgemoord?
-
-„Boegoeloe, kijk toch eens naar de lucht—wat ziet ge daar?”
-
-Boegoeloe voelt een rilling door zijn leden gaan.
-
-„Ik zie een vlucht aasvogels, kaptein.”
-
-„Goed gezien, Boegoeloe. Zij zullen uw vleesch eten; dat heeft me de
-groote toovenaar gezegd.”
-
-„Hier met uw wapen,” roept hij tot een der omringende krijgers,
-„Boegoeloe, lafaard, sterf!”
-
-Met zoo’n vreeselijke kracht stoot hij den ongelukkige de assegaai in
-den rug, dat de scherpe stalen punt er van voren weer uitkomt.
-
-Daar verschijnt de „wilde Panter” in het midden van het Kafferkamp.
-
-„Welkom, mijn Panter,” roept Khama, „welke nieuws brengt gij mede?” en
-hij ziet hem vorschend in de fonkelende oogen.
-
-„Goed nieuws, kapitein!” zegt de Panter. „Ik heb van uit gindschen boom
-volgens uwe aanwijzing het Boerenlager bespied; ’t is maar een handje
-vol menschen; niet meer dan een twintig weerbare mannen.”
-
-„Hebt gij goed geteld?”
-
-„Vier keeren, kapitein.”
-
-Er komt een trek van wreede voldoening op Khama’s breed gelaat.
-
-„En meer dan één onder hen is gekwetst,” zegt de Panter.
-
-Khama grijnst van plezier.
-
-„Met twee makkers spring ik hun lager binnen, en zij zijn verloren,”
-gaat de Panter voort.
-
-„Verloren!” herhaalt Khama met den blik van een tijger, die zeker is
-van zijn prooi.
-
-„Ten minste, als onze krijgers tegelijk het lager bestormen,” zegt de
-Panter.
-
-„Natuurlijk,” antwoordt Khama; „laat dat maar aan mij over.”
-
-„Maar ik vraag een belooning, kapitein!”
-
-„Spreek op, wilde Panter!”
-
-„Ik heb een blanke Duif gezien in het Boerenlager; die eisch ik op als
-mijn oorlogsbuit—levend!”
-
-„Gij zult ze hebben,” zegt Khama, en hij kijkt den Panter in de oogen:
-die oogen branden als vuur.
-
-„Maar waar blijven onze andere kameraden, die heden nacht zijn
-achtergebleven?” vraagt de bevelhebber, terwijl hij met den voet
-ongeduldig op den grond stampt.
-
-„Zij zijn in snellen aantocht,” zegt een der krijgers, zich in den
-kring plaatsend; „van gindschen heuveltop kan men reeds het blinken
-hunner assegaaien zien.”
-
-„Kom aan,” zegt Khama, „dan zijn we sterk genoeg, om het Boerenlagertje
-in den afgrond te stooten. Maar, mijn Panter, hoe zult gij met uwe twee
-kameraden over de dorenstaketsels heenkomen?”
-
-„Ik weet een punt, waar wij er over heen kunnen springen,” antwoordt de
-Panter.
-
-„Dan is het in orde. Zijt ge ’t lager binnengedrongen, dan slaakt ge
-onzen oorlogskreet. Het zal de kracht der Boeren verlammen, en den moed
-der onzen prikkelen.”
-
-Een der uitgestelde wachten komt thans hard aanloopen, roepende:
-„Kapitein, een witmensch ligt daar over den heuvelkam te loeren; daar
-tusschen het lange gras.”
-
-Onderzoekend staart Khama den kant uit, dien de Kaffer hem aanwijst, en
-ontdekt eveneens het witgezicht.
-
-„Hier zijn drie werpassegaaien,” zegt hij tot den Panter, „tracht den
-Boer te naderen, en jaag hem deze assegaaien door het lijf. Dan zien
-onze krijgers meteen, of die blanke honden onze scherpe assegaaien
-hebben betooverd.”
-
-
-
-Dat witgezicht is Leendert Jansen.
-
-„Zij hebben òns lager bespied; wij zullen het hùnne verspieden,” heeft
-hij gezegd, en hij heeft de daad aan het woord gepaard.
-
-Wel heeft Kloppers het hoofd geschud, wel heeft ouderling de Jong
-gezegd: „Beste jongen, blijf hier,” maar hij is toch gegaan.
-
-Met gespannen oplettendheid zijn de Boeren hem met de oogen gevolgd;
-zij hebben hem langs de glooiing zien opkruipen, hem in het lange gras
-zien wegduiken, en toen drie assegaaien snel achter elkander door de
-lucht zien suizen: in de richting, waar zij Leendert vermoedden. En nu
-weten zij genoeg.
-
-Gert Kloppers zegt op somberen toon: „Hij gaat ons voor,” maar Barend
-Jansen zegt geen woord. Slechts schijnen zijn lippen te beven.
-
-Leendert Jansen is doodelijk getroffen het Kafferkamp binnengesleept,
-en Khama heeft, den stervende een verachtelijken schop gevend, gezegd:
-„Daar ligt de glorie der Boeren!”
-
-
-
-Stil, zwijgend staan de Boeren nu bij elkander. Zij zullen hun leven
-zoo duur mogelijk verkoopen, maar de hoop op de overwinning is zeer
-klein geworden. Slechts Kees Bouwer schijnt, daar de Kaffers nog steeds
-met den aanval talmen, nieuwen moed te scheppen, want hij zegt: „Ze
-durven het niet aan,” maar Tijs de Jong antwoordt hem: „Gij dwaas; de
-eeuwigheid zal jou nog lang genoeg vallen!”
-
-„Wanneer zou het onze zilveren bruiloft zijn geweest?” vraagt Kloppers
-aan zijn vrouw.
-
-„Aanstaande maand,” zegt zij.
-
-„Aanstaande maand,” herhaalt hij, en twee tranen rollen hem langzaam
-over de gebruinde wangen.
-
-„Komt broeders,” zegt de Jong, „laten we onze harten opheffen tot God,”
-en door snikken afgebroken, wordt de psalm gezongen:
-
-
- „Wien heb ik nevens U omhoog?
- Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
- Op aarde nevens U toch lusten?
- Niets is er, daar ik in kan rusten;
- Bezwijkt dan ooit in bittre smart
- Of bangen nood mijn vleesch en hart,
- Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed
- Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed!”
-
-
-En nog is het laatste woord van den psalm niet over de lippen gekomen,
-of daar schijnt de vallei levend te worden; daar schijnen de heuvelen
-in een wandelenden muur herschapen te zijn, en die muur komt met
-snelle, onweerstaanbare kracht op den wagenburcht aan.
-
-„Schiet, mannen!” roept Kloppers met een stem, die boven het gebrul der
-Kaffers uit klinkt: „schiet!” Een moordend salvo ontvangt den vijand,
-maar die aanstormende muur is niet te keeren. De Boeren schieten er een
-bres in—de muur sluit zich weder!
-
-Reeds heeft hij den lagerheuvel bereikt—hoor! Daar bonst hij tegen het
-lager aan!
-
-Twintig, dertig Kaffers grijpen een ossenwagen aan, om hem uit zijn
-verband te rukken, maar hij staat stevig, zoodat er geen verwrikken aan
-is. Nu vallen zij op den volgende aan, die niet zoo vast schijnt te
-staan. Terwijl suizen de assegaaien en fluiten de kogels. Kloppers
-werpt zijn geweer weg en neemt een zeis, die als een houwbijl op een
-langen stok is bevestigd, en met dat vreeselijk wapen slaat hij op den
-zoo goed als naakten rug der Kaffers, terwijl de vrouwen potten kokend
-water over de huiven heen werpen. Voor deze woedende verdediging
-deinzen de Kaffers terug, en laten den wagen los. Maar anderen hebben
-reeds de uit graszoden bestaande borstwering vernield, en trachten nu
-de dorenstaketsels op te ruimen.
-
-„Hak hen de handen af, Floor!” roept zijn vader, en Floor—doet het.
-
-Van drie zijden, neen van vier zijden komen de assegaaien, want eenige
-van Khama’s beste speerwerpers hebben aan den anderen oever der rivier,
-die langs de niet versterkte achterzijde van het lager stroomt, post
-gevat. Kloppers geeft bevel, dat de vrouwen en kinderen, die aan de
-achterzijde tot nog toe tamelijk beschut zijn geweest, thans meer naar
-voren moeten komen, om een anders gewissen dood te ontgaan.
-
-En met heldenmoed zetten de Boeren het gevecht voort. Daar strijdt Gert
-Kloppers naast zijn heldenzoon Dirk en naast zijne heldendochter Mieke;
-daar strijdt ouderling de Jong naast zijn dapperen zoon Tijs; daar
-strijdt Barend Jansen met zijn twee wakkere zonen, en naast hen de
-andere Boeren, de leeuwenjager niet te vergeten, die zijn ouden roem
-van de eerste scherpschutter der kolonie te zijn op bloedige wijze
-handhaaft: allen met elkander wedijverend in dapperheid en
-doodverachtenden moed.
-
-Het zweet gutst van hun gelaat—ze houden vol; ze versmachten van
-dorst—ze houden vol. Ieder schot is raak; als ze de zegen niet behalen,
-dan zullen ze hun leven toch duur—duur verkoopen!
-
-Maar de strijd wordt elk oogenblik zwaarder. Wolken van assegaaien
-vliegen in het kamp en eischen hunne offers.
-
-Daar stort de dappere Tijs zwaargewond tegen den grond; daar zinkt een
-andere Boer, met den spiesworp in de borst, zonder een zucht te slaken,
-dood neer; daar valt een moeder, haar zuigeling aan het hart gedrukt,
-neer, en haar stervend, brekend oog rust op haar lieveling; daar
-sneuvelt de trouwe Daan. Van zijn rug had hij een schild gemaakt, om er
-zijn lieve lenteroos, de kleine Hannie, mee te beschutten, en de
-assegaai heeft dat schild doorboord. De kleine slaat haar armpjes
-weenend om zijn hals, en haar grijs jurkje wordt rood—rood van het
-bloed, dat den trouwen knecht uit de gapende wonde gutst.
-
-„God, mijn God,” roept ouderling de Jong vertwijfelend uit: „Gij, die
-het geroep der jonge raven hoort, zijt Gij doof voor het geschrei dezer
-kleine kinderen, die niet weten van hun rechterhand noch van hun
-linkerhand?”
-
-
-
-Khama begrijpt, dat thans het beslissende oogenblik is gekomen.
-
-„Panter,” zegt hij, „spring er in!”
-
-De Panter en zijn twee kameraden verwisselen de lange werpassegaai met
-de korte stootspies, en maken zich aan de rechterzijde van het lager
-tot den sprong over de haag van dorens gereed.
-
-Floor staat er met zijn bijl. Hij klemt de tanden op elkander: nu zal
-het er op aankomen.
-
-Daar springt de eerste Kaffer het lager binnen; reeds volgt hem de
-tweede. Maar nòg heeft de derde Kaffer, de wilde Panter, met zijn
-voeten den lagergrond niet aangeraakt, of de twee eersten liggen reeds
-met gespleten schedel aan de voeten van den jongen Boer. En de Panter
-zou aan dit lot niet zijn ontsnapt, ware hij niet door een pijlsnelle
-beweging aan den vreeselijken bijlhouw van den jongen Boer ontkomen.
-
-En nu, dit gevaar ontgaan, neemt hij, Floor in het oog houdend, met
-fonkelende blikken het lager op.
-
-En daar ziet hij wat hij zoekt: den lagerkommandant met den rug naar
-hem toegekeerd, en naast hem Mieke, de blanke Duive.
-
-Hij neemt de stootspies vaster in de gespierde vuist, maar onbewegelijk
-als een standbeeld houdt Floor op hem het oog gericht.
-
-Daar slaakt de Panter den vreeselijken oorlogskreet, en rent hij als
-een razende op Gert Kloppers af. Maar sneller dan de Panter is de
-strijdbijl van den jongen Boer, en stervend stort de Kaffer, terwijl
-het kleed der blanke Duive met zijn bloed wordt bespat, aan de voeten
-van den lagerkommandant neder.
-
-Floor is den Panter onmiddellijk gevolgd. Men kent hem niet meer: zijn
-gelaat gloeit, zijn oogen stralen. „Heb ik het goed gedaan, Vader?”
-roept hij, en hij heft den strijdbijl omhoog, zoodat het blanke lemmet
-schittert in de zonnestralen.
-
-„Ja,” wil de vader zeggen, „gij hebt het goed gedaan, mijn jongen!”
-maar reeds trekt een ander tooneel zijn aandacht. „Een bom,” roept de
-kleine Willem, „ze gaan met bommen gooien!” De „bom” valt voor de
-voeten van vrouw Kloppers neer, die een gil van ontzetting slaakt, maar
-Barend Jansen neemt de „bom” op—hij heeft het van bloed druipend hoofd
-van zijn zoon Leendert in de hand....
-
-Hij kust dat hoofd met de teederheid van een vader; hij legt het neder
-in het koele gras, en bedekt het met een doek.
-
-Dan zegt hij tot Floor: „Geef me uw bijl!” Met één vreeselijken slag
-heeft hij den Panter onthoofd. Hij neemt het hoofd, en slingert het
-over den huifwagen heen midden onder de vijanden, die van woede
-brullen.
-
-Gert Kloppers schudt het hoofd, maar Barend Jansen zegt met vlammenden
-blik: „Oog om oog en tand om tand—vervloekt zij de nakomelingschap van
-Cham tot in alle eeuwigheid!”
-
-
-
-Er schijnt bij de Kaffers eenige ontmoediging te komen, want zij
-vorderen niet. „Voorwaarts,” roept Khama, „dezen keer zullen ze
-bezwijken. Zoolang gij mijn struisvogelveer ziet wapperen, staat alles
-goed—ik zal u wijzen, hoe men de Boeren verslaat—voorwaarts!”
-
-Op nieuw stormen de Kaffers voorwaarts. Zij klimmen op de
-ossenwagens—Kloppers keert zijn geweer om, en stoot met den kolf van
-het geweer drie vijanden naar beneden. Dirk heeft zijn dolk
-getrokken—het wordt een strijd van man tegen man. Daar reikt vrouw
-Kloppers haren man een versch geladen tweelooper: twee Kaffers legt hij
-neer, en dan roept hij: „Twee assegaaien! Snel, twee assegaaien!”
-
-Ja, Gert Kloppers kan ook met de speer werpen; dat zal hij toonen. In
-elke hand neemt hij een assegaai.
-
-Recht tegenover hem staat Khama.
-
-„Is ouderling de Jong gewond?” roept Kloppers.
-
-„Wel gewond, maar ’t is van weinig beteekenis,” antwoordt Dirk; „hij
-vecht door!”
-
-„Goed; hij zal mijn opvolger zijn, als ik val.”
-
-Daar komt een assegaai aan suizen, door Khama zelf geworpen, en
-ofschoon Kloppers het hoofd wendt, krijgt hij toch een diepe hoofdwond.
-Het bloed stroomt hem over het gelaat, maar hij stoort er zich niet
-aan, en slingert met de linkerhand een assegaai op den Kafferkapitein
-af.
-
-Met een minachtenden grijnslach dekt deze zich met zijn schild, zoodat
-de assegaai machteloos naast hem neervalt, maar op hetzelfde oogenblik
-wordt hij door de andere assegaai, door Kloppers’ rechterhand
-geslingerd, in den hals getroffen.
-
-Drie onderbevelhebbers snellen op hun gebieder toe; één haalt de speer
-uit de wond, en de anderen trachten den bloedstroom, die uit de diepe,
-gapende wond spuit, te stelpen. Maar het is te vergeefs—de ader is
-getroffen, en Khama moet doodbloeden.
-
-Met bijgeloovige vrees zien de krijgers naar hun bevelhebber. Hij had
-gezegd: „Zoolang gij mijn struisvogelveer ziet wapperen, staat alles
-goed,” maar zij zien die veer niet meer. Hij zal sterven; Boegoeloe
-heeft waarheid gesproken—de bleeke angst grijpt hen aan; zij deinzen
-terug.
-
-Maar het heldenoog van Gert Kloppers begint te schitteren. „In ’t
-zaal,” roept hij met machtige stem: „op, wij zullen ze jagen!”
-
-„Laat mij eerst de wond verbinden,” zegt zijn vrouw, maar hij
-antwoordt, terwijl er voor den eersten keer op dezen dag, als een
-zonnestraal tusschen de donderwolken, een glimlach op zijn gelaat
-zichtbaar wordt: „Straks, Hanneke, maar nu hebben we geen tijd!”
-
-„Op, mijn jongens,” roept hij, „te paard!”
-
-„Op, te paard,” roepen zijn helden, „wij zullen ze jagen!”
-
-„Het zwaard des Heeren en van Gideon,” roept ouderling de Jong—de
-wagenburcht wordt geopend, en daar stormen zij heen, op hun brieschende
-paarden!
-
-Wie is tegen die leeuwen bestand? Het hart der Kaffers smelt van vrees,
-want de bloedwrekers zijn hen op de hielen. Ja, dat zijn de ontembare
-leeuwen, waarvan hunne vaderen in hunne liederen hebben verhaald, de
-leeuwen, die gekomen zijn ver uit het vlakke, koude noorden—en wie is
-tegen hun toorn bestand....?
-
-
-
-Daar komen zij terug, op hun met schuim bedekte paarden: Gert Kloppers
-met zijn dapperen; terug van de wilde, van de vreeselijke, van de
-Oud-Hollandsche jacht; van de jacht op bloedhonden en moordenaars!
-
-Daar treden zij weer het lager binnen; de geweren nog warm, het gelaat
-met bloed bespat, zwart van den kruitdamp, en terwijl de zon in het
-westen vlammend ondergaat, danken de overwinnaars, in het stof gebogen,
-God.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
-De wagentrein van kommandant Hendrik Potgieter had intusschen de
-Zandrivier, door de Boeren dus genoemd naar haar zanderige bedding, en
-de Valschrivier, valsch genoemd vanwege de vele blinde gaten en kuilen
-in dien stroom, achter zich en vertoefde eenige dagen aan de biezige
-oevers van de Rhenosterrivier, waar vele rhenosters of rhenocerossen
-werden buitgemaakt.
-
-Nu ging de tocht op de Vaalrivier aan, vaal genoemd van wege de vale
-kleur van haar golven, en het hart der dappere Boeren klopte sneller,
-toen hun eerste wagens, de breede rivier passeerend, op het gebied van
-den gevreesden Moselekatse kwamen, die met zijn hoofdmacht reeds in
-aantocht was.
-
-Potgieter zadelde, toen hem de ernstige tijding van die nadering
-gewerd, het paard, en reed met negen onverschrokken mannen het
-Kafferleger tegemoet. Zij bonden witte doeken aan lange stokken, en
-toen men na eenige dagen rijdens in de verte de speeren der Kaffers zag
-blinken, zwaaiden zij, als een bewijs hunner vredelievende gezindheid,
-met die witte vlaggen.
-
-Als eenig antwoord liet Moselekatse het gansche leger voortrukken.
-
-Potgieter liet nu door twee zijner manschappen den achtergebleven
-wagentrein waarschuwen, om onmiddellijk op een geschikten heuvel de
-ossenwagens tot een rond lager te vereenigen, en verschool zich met
-zijn zeven overige manschappen gedurende den nacht in een bosch,
-terwijl men van de heuvelen de wachtvuren zag vlammen van Moselekatse’s
-krijgslieden. Bij het krieken van den dag doofden de vuren, en gingen
-de Kaffers weer op marsch. De Boeren slopen hen achterna, en toen de
-tocht al door naar het zuiden ging, schoot er geen twijfel meer over,
-dat het op de argelooze Voortrekkers was gemunt.
-
-Potgieter en zijn mannen waren nu nog een dagreis van hun wagentrein
-verwijderd, en joegen in een grooten boog om het Kafferleger heen, om
-hun kamp bijtijds te bereiken.
-
-Het was voor de achtergeblevenen een groote troost, toen zij hun
-aanvoerder behouden terug zagen, en in der haast werd het lager zoo
-sterk mogelijk gemaakt, terwijl vijf wagens binnen den kring werden
-getrokken, die, gedekt door een scherm van planken, bij den gevreesden
-Kafferaanval een schuilplaats zouden kunnen bieden voor vrouwen en
-kinderen.
-
-Toen het kamp gereed was, gingen zes Boeren op kondschap uit, die met
-de ernstige tijding terugkwamen, dat de vlakte in het noorden zwart was
-van oorlogskaffers. Toen sloeg den Boeren het hart van vreeze, en zij
-riepen tot God in hun grooten nood.
-
-Nog één kans wilde echter de wakkere Potgieter wagen, om met
-Moselekatse tot vrede te komen. Met vijf en twintig gewapende Boeren
-trok hij het Kafferleger tegemoet, en zag het, op een half uur afstands
-van het lager gekomen, naderen als een reusachtige muur. Onmiddellijk
-zond Potgieter een rapportganger terug met het bevel, dat men slechts
-één poort der wagenburcht zou open laten, om de Boerenwacht, die in het
-veld was, in te laten, terwijl men zich in het lager bij het hooren van
-het eerste schot gereed zou houden voor het gevecht.
-
-De Kaffers hadden nu de ruiters in het gezicht gekregen, maar in plaats
-van op de vredelievende seinen der Boeren te letten, breidden zij hun
-slagorde tot twee groote hoornen uit, om de blanken te omsingelen.
-
-„Vuur!” kommandeerde nu Potgieter, en de kogels der Boeren sloegen in
-de rijen der Kaffers. Maar hun slagorde werd geen oogenblik verbroken,
-en zij naderden thans met de snelheid eener lawine. Toen werd het
-Potgieter en zijn mannen toch te benauwd in het veld, en den teugel
-wendend, joegen zij terug naar hun kamp. Doch vijf hunner stormden—was
-het uit angst of verbijstering?—het kamp voorbij, en vluchtten het
-zuiden in.
-
-Potgieter en zijn twintig mannen waren nu weer gelukkig binnen de
-poort, die door een stevigen doornboom, met zware kettingen
-vastgesjord, snel werd versperd. Maar het was ook hoog tijd, want de
-vluchtelingen waren reeds onder het bereik der lange werpspeer.
-
-Evenals bij den aanval op Kloppers’ lager werd het hier een strijd op
-leven en dood. De Kaffers wierpen hun leeren schilden op de
-doornversperringen, stutten er zich op, en trachtten zoo over den
-wagenmuur heen te komen. Maar mannen, vrouwen en kinderen wedijverden
-met elkander in doodverachtenden heldenmoed, en terwijl de vrouwen de
-tusschen en boven de doorntakken zich heen wringende Kaffers met hun
-bijlen doodsloegen, schoten de mannen met hun lange roeren, geladen met
-zoogenaamde loopers: (zakjes, die 70 tot 90 zware hagelkorrels
-inhielden) diepe, gapende openingen in den opdringenden vijand.
-
-Ook de wanhopigste pogingen der Kaffers, om de ossenwagens uit hun
-verband te rukken, mislukten volkomen. De wagens waren door sterke,
-stalen kettingen zoo stevig vastgelegd aan diep in den grond geheide
-palen, dat zij onbewegelijk waren als schepen, die vast en veilig voor
-dubbele ankers liggen.
-
-Vier uur had de moorddadige strijd geduurd, en om de wagenburcht had
-zich een nieuwe, vreeselijke wal gevormd, een wal van gewonde,
-stervende en gesneuvelde Kaffers. Toen had Moselekatse er genoeg van,
-en de moed van zijn soldaten was gebroken. Er ging uit hun slagorden
-een groot, klagend gehuil op, en zij sloegen, door de Boeren vervolgd,
-in wilde vlucht.
-
-Echter niet onvermengd was de vreugde der overwinnaars. Twee dappere
-mannen, de broeder en de schoonzoon van den kommandant: Nicolaas
-Potgieter en Pieter Botha lagen, met de doodelijke speerwond in de
-borst, in de schaduw van een ossenwagen te sterven, en verscheidene
-Boeren waren gewond.
-
-Wonderlijk was het negenjarig zoontje van de familie Liebenberg bewaard
-gebleven. Voordat de Kafferaanval plaats greep, had zijn vader hem een
-zweep gegeven met de boodschap: „Barend, ga naar onze schapen en kijk
-er naar!”
-
-Het ventje was heengegaan, om aan den last te voldoen, doch wie
-beschrijft den angst der ouders, toen het lager als door een stortvloed
-van bloeddorstige Kaffers werd omloeid, en het kind nog in het open
-veld was! Nauwelijks waren de Kaffers dan ook gevlucht, of de ouders
-gingen op pad, om hun lieveling te zoeken, doch al hun zoeken was te
-vergeefs, en hun angstig roepen vond geen antwoord. Het kind bleef weg,
-en men kon niet anders denken, dan dat het kind door de Kaffers was
-vermoord.
-
-Doch te grooter was de vreugde der ouders, toen zij den volgenden
-morgen het kind zagen aankomen. Het kereltje wandelde doodbedaard,
-klapte met de zweep, en viel zijn van blijdschap schreiende ouders in
-de armen!
-
-Zelfs geen schram had hij opgeloopen. Hij vertelde, dat de Kaffers de
-schapen hadden gestolen, en hij toen maar achter een doornbosch was
-weggekropen, maar de ouders verklaarden, dat God zijn heilige engelen
-had geboden, om dit kind te beschermen.
-
-De overwinning was behaald, maar smartelijk vermisten de Boeren hun
-vee, vooral hun trekossen, die door de Kaffers waren weggedreven,
-terwijl zij hier niet konden blijven, te midden van dit afgrijselijk
-veld van dooden, waarop de gieren reeds waren neergestreken.
-
-Zoo spande men dan de paarden, die dit werk nooit hadden verricht, voor
-de zware wagens, en knarsend gingen de met bloed bespatte wielen over
-de weggeworpen speren, leeren schilden en gesneuvelde Kaffers naar een
-geschikter plaats, op een half uur afstands van het slagveld.
-
-Nu zond men om hulp naar de Barolongs, en deze, daartoe krachtig
-aangespoord door den edelen zendeling Archbell, verschaften den Boeren
-de zoo vurig verbeide trekossen, waarmede men terugtrok tot bij
-Blesberg.
-
-Hier werd het hart der moede zwervers verkwikt door het gezicht van
-nieuwe, lange wagentreinen, zoo pas uit de Kaapkolonie aangekomen, en
-er waren vele moedige harten onder, die voor een strijd met Moselekatse
-niet vervaard waren.
-
-Trouwens er moest met hem worden afgerekend, want Moselekatse was er op
-uit, de kleine Boerenlagers één voor één te vernietigen. De Boeren
-moesten hem aanvallen, om door hem niet verpletterd te worden; zijn
-macht moesten zij fnuiken, om door die macht niet verbrijzeld te
-worden.
-
-Zoo sloegen de dappere Voortrekkers dan de handen in een, en trokken
-twee keeren tegen Moselekatse op, den eersten keer met een legertje,
-waarvan de kern uit honderd zeven Boeren, den tweeden keer met een
-kommando, waarvan de kern uit driehonderd dertig Boeren bestond.
-
-De wakkere, in de Transvaalsche geschiedenis wel bekende Gert Maritz
-was in beide veldtochten Kommandant-Generaal, en God bekroonde den
-schier vermetelen moed der Boeren, die den leeuw in zijn hol opzochten,
-met Zijn kennelijken zegen. Moselekatse leed een zware nederlaag en
-vluchtte naar het noorden, waar hij op nieuw, aan zijn bijnaam „de
-groote Olifant” getrouw, de zwakkere stammen onder zijn ijzeren tred
-vermorzelde.
-
-De Transvaal lag nu voor de Boeren open, daar de muur, waarmede
-Moselekatse den toegang had willen versperren, was neergehaald. Zonder
-aarzelen trokken de Voortrekkers dan ook de Vaalrivier over, en kwamen
-in het land, dat door Moselekatse zoo goed als uitgemoord was geworden.
-Slechts hier en daar verspreid, in spleten en spelonken, kon men de
-armzalige overblijfselen terugvinden van eens machtige Kaffervolken,
-die door den grooten Olifant waren vernietigd.
-
-De Transvaal lag dus onbeheerd. De vroègere eigenaren van het land
-waren uitgeroeid, en de tegenwoordige eigenaar, Moselekatse, was in den
-strijd tegen de Boeren te kort geschoten. Zoo namen de zegevierende
-Voortrekkers naar het recht van den Overwinnaar van de Transvaal bezit.
-
-Maar terwijl een deel der Voortrekkers plannen maakte, om zich blijvend
-in de Transvaal te vestigen, was een ander deel besloten, om onder Piet
-Retief door de Transvaal naar het zuidelijker gelegen Natal te trekken.
-
-Immers Natal was volgens veler getuigenis een land, vloeiende van melk
-en honing, doorsneden van standhoudende rivieren, bedekt met groote,
-uitnemend timmerhout leverende bosschen; en—wat de deur dicht deed—het
-had een diepe, kostelijke zeehaven. Tevens was het bekend, dat de
-Zoeloekoning Dingaan, aan wien Natal behoorde, genegen was, heel dit
-gebied op billijke voorwaarden aan de Boeren te verkoopen.
-
-Zoo scheen de weg er wel heen te liggen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-
-Bij een grooten, stevigen ossenwagen, midden in de grasrijke
-hoogvlakten der Transvaal, 4000 à 5000 voet boven den zeespiegel, zit
-een groepje jagers, terwijl de zon in het westen schuil gaat, bij een
-groot vuur, waarboven een pas geschoten hert aan het spit wordt
-gebraden. In de nabijheid grazen hunne gekluisterde paarden en de
-trekossen.
-
-De gezichten der jagers zijn ons wel bekend: naast den zwaargebaarden
-leeuwenjager Teunis Smit ziet ge de frissche, flinke gelaatstrekken van
-Dirk Kloppers en Tijs de Jong, en de jonge man naast Kees Bouwer is de
-oudste zoon van Barend Jansen: Lodewijk.
-
-Reeds sedert weken bevinden zich de jagers op de groote jacht, vele
-uren ver van hunne families verwijderd, die reeds maanden lang aan een
-snelvlietende beek, in een heerlijk, vruchtbaar oord, hun lager hebben
-opgeslagen.
-
-De jagers hebben een mooien slag geslagen. Kijk maar eens in den
-ossenwagen: daar zijn de huiden van de meeste wilde dieren, die de
-Transvaal kent, vertegenwoordigd; zelfs olifantstanden ontbreken niet.
-
-„Zeg Dirk,” vraagt de leeuwenjager, „trekt uw vader mee naar Natal?”
-
-„Ik denk het wel,” zegt Dirk.
-
-„Hij zag vroeger toch geen heil in Natal?” zegt de leeuwenjager.
-
-„En vandaag evenmin,” zegt Dirk. „Maar de treklust woont in zijn hart,
-en hij wil de andere Boeren, die er heen gaan, niet in den steek
-laten.”
-
-„En als het in Natal niet goed gaat, kan men altijd nog op de Transvaal
-terugtrekken,” zegt de leeuwenjager.
-
-„En waarom zou het in Natal niet goed gaan? Rekent uw vader dan niet
-met de zeehaven?” vraagt Lodewijk Jansen.
-
-„Hij beschouwt het bezit van een zeehaven in Natal voor de Boeren een
-der grootste ongelukken, die hen kunnen overkomen,” zegt Dirk.
-
-„Dat begrijp ik niet,” zegt Lodewijk.
-
-„Dat is toch eenvoudig genoeg,” zegt de leeuwenjager; „zoo goed als de
-Engelschen de Kaap hebben gekaapt, zullen zij ook de zeehaven van Natal
-kapen.”
-
-„Maar Europa is er ook nog,” zegt Tijs de Jong.
-
-„Europa!” zegt de leeuwenjager, en hij haalt minachtend de schouders
-op.
-
-„En Holland is er ook nog; het zal niet dulden, dat Engeland ons zoo
-schandelijk mishandelt,” zegt Lodewijk Jansen.
-
-„Holland!” zegt de leeuwenjager; „Holland doet geen kik, wat ik je
-vertel. De Ruijter is dood, en de Trompen zijn al lang begraven.”
-
-Hij staart eenige oogenblikken peinzend naar de grijze wolkjes, die als
-goud beginnen te schitteren in het glanzende avondrood.
-
-„Ja, ja,” zegt hij meer tot zich zelven dan tot de anderen, „ik wou,
-dat ik eens die Engelsche politiek onder schot kon krijgen.”
-
-„Maar komt, jongens,” roept hij opgewekter, „laat die Engelschen van
-avond voor mijn part naar de maan loopen; ik heb honger—zeg Kees, is de
-bok nog niet gaar?”
-
-„Ik denk het wel,” zegt Kees Bouwer, die het spit draait, en spoedig
-zitten de jagers aan het gemeenschappelijk maal, dat met grooten
-eetlust en onder vroolijken scherts wordt verorberd.
-
-Na den maaltijd worden de pijpen aangestoken, en terwijl het diep blauw
-dak des hemels tintelt van tien duizend sterren, wordt er nieuwe
-brandstof op het vuur geworpen, en brengt men in gezellige gesprekken
-nog een paar uurtjes door.
-
-En steeds wordt bij die gesprekken het vreeselijke gevecht tegen de
-Kaffers, nu een jaar geleden, opgehaald.
-
-En als men dien dag herdenkt, hoe zou men dan den daaropvolgenden
-kunnen vergeten!
-
-Daar bij dien eenzamen seringenboom, daar waren de vier graven
-gedolven: het eerste voor Leendert Jansen, wiens onthoofd lichaam in
-het kafferkamp door zijn eigen vader was gevonden, het tweede voor die
-moeder, die met den zuigeling aan haar hart gedrukt, was gevallen, het
-derde voor den trouwen Daan, en het vierde voor den Boer, die mede
-sneuvelde.
-
-Twee salvo’s waren door de Boeren afgevuurd boven de doodkisten van
-Leendert Jansen en van dien Boer. Het waren eeresalvo’s geweest, omdat
-zij als helden op het slagveld waren gevallen. Het was een ruwe kist
-geweest, het laatste kamerke van Leendert Jansen, maar dat hinderde
-niet. Barend Jansen had ze zelf gemaakt, en bij elken hamerslag,
-waarmede hij de spijkers in de planken had gedreven, had hij gesteund
-als een hert, dat de doodswond voelt, midden in de borst.
-
-En Ouderling de Jong had een rede gehouden. Ja, de leeuwenjager was
-waarlijk niet week, maar zoo’n aangrijpend woord had hij nog nooit
-gehoord, en de tranen waren hem uit de oogen gesprongen. Voor ieder had
-de Jong een passend woord gehad: voor den zoo zwaar beproefden vader,
-die zijn lieveling begroef, voor den weduwnaar, die zijn vrouw begroef,
-en voor Gert Kloppers, die zijn trouwen knecht begroef.
-
-En de Jong had nog dit groote woord gesproken boven de groeve van Daan
-den Kaffer: „Gezegend zij de gedachtenis van dezen zoon van Cham!” Maar
-de meeste Boeren hadden dit woord niet begrepen, want zij meenen, dat
-de Kaffers, die zij voor de afstammelingen van Cham houden, vervloekt
-zijn.
-
-En toen was het psalmvers gezongen: „Gelijk het gras is ons kortstondig
-leven.”
-
-Ja, het was een aangrijpende begrafenis geweest.
-
-En hoe lang had Tijs de Jong aan zijn wond op het ziekbed gelegen! Wat
-had dat des nachts, als hij in de zware wondkoortsen lag te ijlen,
-akelig door het lager heen geklonken: „Op, de Kaffers! Zij overrompelen
-ons! Toe, vader, gooi de lont in de kruitzakken! Wij moeten niet levend
-in hunne handen vallen!”
-
-Maar hij was gelukkig gebeterd, en de blos der gezondheid ligt weer op
-zijn wangen.
-
-En toen kwam het gesprek op de avonturen en de gevaren, die de jagers
-de laatste weken in hun jacht op de leeuwen, tijgers en ander
-verscheurend gedierte hadden doorgemaakt, en het was al heel laat, toen
-Teunis Smit, die zonder afspraak als de aanvoerder werd beschouwd,
-zeide: „Nu opgemarcheerd! Ik ben doodmoe—wel te rusten!”
-
-Ieder zocht nu zijn peluw op onder den ossenwagen, maar Dirk zou de
-wacht houden. Men wilde nu eens goed uitslapen dezen nacht, maar het
-zou anders uitkomen, want een vijand, die met de kogels der Boeren
-spotte, was in snellen aantocht.
-
-Het was een vreeselijke vijand, met wien de jagers het thans te doen
-zouden krijgen. Het gevaar van om te komen was grooter dan toen
-verleden jaar elk oogenblik een bliksemstraal in de zakken buskruit kon
-inslaan, ja grooter nog, dan toen de moordlustige Kaffers met
-veertigvoudige overmacht het Boerenlager bestormden.
-
-Dirk had, terwijl de anderen zich ter ruste hadden begeven, de paarden
-genomen, en achter aan den ossenwagen gebonden, en zich uitstrekkend
-bij het wachtvuur, tuurde hij een poos in de grillige vlammen. Maar hij
-stond weer op, wandelde eenige keeren op en neer, om niet door den
-slaap overmand te worden, stak een versche pijp tabak aan, en zich weer
-bij het wachtvuur plaatsend, begon hij een versje te neuriën.
-
-Zoo had hij reeds geruimen tijd de wacht gehouden, toen aan den verren
-horizon plotseling een roode schemering zichtbaar werd. Die schemering
-kondigde den dageraad aan. Ten minste dat dacht de jonge Boer, doch
-toen hij zijn horloge bij het vuur hield en bemerkte, dat het nog maar
-drie uur was, betrok zijn gelaat. Nu begreep hij, dat die schemering
-iets anders beteekende dan de dageraad. Luisterend legde hij het oor op
-den grond, maar niets werd gehoord dan de nachtwind, die klagend door
-het drooge lange gras streek. Van de ossen was niets te ontdekken in de
-nachtelijke duisternis; zij waren waarschijnlijk al grazende
-afgedwaald, doch bij de paarden bemerkte Dirk groote onrust.
-
-Besluiteloos staarde de jonge Boer naar de lichtstreep aan den horizon,
-doch de wind stak sterker op, en uit de verte klonk een dof,
-onheilspellend gedruisch. De jachthonden stieten een akelig gehuil uit,
-en de paarden rukten wild aan de helsters, waarmede ze aan den wagen
-waren vastgebonden. Nu begreep Dirk volkomen, in welk dreigend gevaar
-hij met zijn vrienden verkeerde, en zonder aarzelen wekte hij hen met
-den alarmkreet:
-
-„Op, kameraden! Het grasveld staat in brand!”
-
-De leeuwenjager, die minder vast sliep dan de anderen, was onmiddellijk
-klaar wakker. Zwijgend staarde hij eenige oogenblikken naar den rossig
-gekleurden horizon, stak de hand omhoog, om de richting van den wind
-gewaar te worden, en riep toen op korten, bevelenden toon: „Snel de
-paarden gezadeld! Van één minuut kan ons leven afhangen!”
-
-Tot Tijs de Jong, die slechts schoorvoetend van den kostbaren inhoud
-van den ossenwagen scheen te kunnen scheiden, zeide hij: „Het leven is
-meer waard dan honderd leeuwenhuiden,” en hij greep Kees Bouwer, die
-slaapdronken tegen een wagenwiel aanleunde, bij den schouder, met
-driftige stem roepend: „Maak voort, kerel, als je niet wilt verbranden
-of vermorzeld worden!”
-
-Binnen een paar minuten zaten de jagers, het geweer over den schouder,
-te paard, en den ossenwagen achter latend, vluchtten zij, den teugel
-los over den hals hunner paarden geworpen, en zich aan het instinct
-dier trouwe dieren overgevend, over het wijde veld, terwijl de
-jachthonden vooruitsnelden.
-
-Er werd weinig gesproken, want ieder voelde den ernst van den toestand.
-Slechts éénen keer vraagde Dirk: „Zou den onzen geen gevaar dreigen?”
-waarop de leeuwenjager antwoordde: „Waarschijnlijk niet; er is licht
-een stroom of rivier, die de vlammen stuit.”
-
-En voorwaarts ging de wilde, razende rit.
-
-De hoefslag der paarden klonk dof en gesmoord in het prairiegras, en
-slechts nu en dan, bij oogenblikken, klonk hij hard en dreunend, als
-hij over de bazaltklippen heen kletterde.
-
-Het begon nu dag te worden, en bij het aanbrekend morgenlicht konden de
-jagers, achter zich blikkend, een schaduw zien, die voor de rossige, al
-hooger klimmende lichtstreep uitging. Het was een groote, reusachtige,
-donkere schaduw.
-
-Zij had iets huiveringwekkends, iets spookachtigs. Zij scheen niet over
-den grond te loopen maar er over te glijden, en ofschoon de jagers hun
-paarden tot de grootste snelheid aanspoorden, was deze schaduw toch nog
-sneller.
-
-De Boeren rilden er van.
-
-Door deze schaduw te worden opgeslokt—zij vonden het nòg vreeselijker
-dan onder de Kafferspies te bezwijken!
-
-Ja: het was een geheimzinnig angstwekkend, ontzettend verschijnsel,
-deze schaduw, en hare stem klonk als het rollen der zeegolven over een
-wegzinkend schip.
-
-De jagers kènden die schaduw; zij verstònden die stem. Ze wisten, dat
-die schaduw bestond uit een reusachtige, mijlen gronds beslaande kudde,
-samengesteld uit de meest verschillende soorten wilde dieren, die door
-den angst voor het achter hen razende vuur tot een schijnbaar
-onuitwarbaar kluwen samengeperst, als een lawine over het veld suisden,
-alles vermorzelend en verpletterend, wat hen in den weg kwam.
-
-Snelvoetige dieren, zooals herten en antilopen enz. waren de
-voorloopers der lawine, en haalden de jagers reeds in; ook kon men
-bereids een enkelen buffel onderscheiden. Duidelijk hoorden de Boeren
-thans het gebrul van den buffel en het gehuil van den tijger, en hunne
-paarden hielden, door schrik verbijsterd, midden in den loop sidderend
-stil. Maar terwijl de ruitersporen hen diep in het vleesch werden
-gedrukt, renden zij opnieuw, dol van angst, vooruit.
-
-Doch de groote, donkere massa achter hen naderde al meer.
-
-„Vooruit!” riep de leeuwenjager, „vooruit!” maar de paarden van Tijs de
-Jong en Lodewijk Jansen konden niet meer zoo snel mee. Zij bleven
-eenigszins achter, doch toen de leeuwenjager omkeek, bemerkte hij het.
-
-Hij hield zijn paard onmiddellijk in; Dirk en Kees Bouwer eveneens,
-maar Tijs de Jong wuifde met de hand en riep: „Rijdt door!”
-
-„Doorrijden?” antwoordde de leeuwenjager; „daarvoor beware ons God, dat
-wij zulke warme kameraden in den steek zouden laten!”
-
-„Gij kunt ons toch niet helpen,” zeide Tijs op weemoedigen, somberen
-toon, en Lodewijk bevestigde het. Maar de leeuwenjager zeide: „Als wij
-elkander in den steek laten, zijn wij zeker verloren!”
-
-Als vurige tongen sloegen de vlammen thans langs den halven horizon
-omhoog, en de reuzenkudde naderde met groote snelheid. Doch geen
-oogenblik verloor de aanvoerder der jagers zijn tegenwoordigheid van
-geest, want reeds menigen keer had hij den dood in de oogen gezien, en
-een nieuwe, reddende gedachte scheen door zijn brein te schieten.
-
-„Uit het zaâl! Snel uw zakdoeken hier, en alles, wat gauw vuur
-vat—snel, snel!”
-
-Het bevel van den leeuwenjager werd oogenblikkelijk opgevolgd. Toen
-sloeg hij aan zijn tondeldoos vuur, en stak een handjevol droog gras in
-den brand, waar de zakdoeken werden opgeworpen. Vervolgens werd onder
-den wind zooveel veldgras afgesneden, als in de korte spanne tijds, die
-overschoot, mogelijk was, en met de verspreid liggende mest op het
-vuurtje geworpen, dat nu helder opvlamde.
-
-De aanstormende lawine was nu niet ver meer af, en toen de wilde
-beesten het vuur der jagers in de gaten kregen, brulden zij van schrik
-en woede. En toch behielden zij hun doodelijke richting—recht op de
-jagers aan.
-
-Reeds konden dezen de horens onderscheiden, de pooten, ja het witte
-schuim, dat de beesten van de borst spatte.
-
-Op het vastberaden gelaat van Teunis Smit scheen zelfs in dit
-vreeselijk oogenblik nog eenige hoop te flikkeren, maar de anderen
-dachten er anders over. Zwijgend gaf men elkander de hand—over een
-minuut, over een halve minuut zou hun lot beslist zijn, en zouden vijf
-moedige Boerenharten onder tienduizend hoeven zijn vermorzeld!
-
-Met strakken blik, met ingehouden adem staarden de jagers naar de
-lawine, die hen verpletteren zou, en terwijl de jachthonden tot aan de
-voeten hunner gebieders kropen, steigerden de paarden woest omhoog.
-
-Daar begon de grond onder de voeten der Boeren plotseling te beven,
-alsof de bodem door een aardbeving werd bewogen—de leeuwenjager
-slingerde zijne laatste hoop, de flesch brandewijn, in het vuur—met een
-harden slag vloog de flesch in duizend scherven—de vlammen wervelden
-hoog op—de lawine zwenkte—met een dof, dreunend geweld raasde zij langs
-de boeren voorbij, en zijwaarts uit rolde zij over de vlakte voort.
-
-Een menigte beesten, in de korte zwenking doodgedrukt, bleef liggen, en
-teekende het spoor, dat de reuzenkudde achter zich liet.
-
-Met kloppende harten stonden de jagers toe te kijken, want de geringste
-nieuwe zwenking zou hen noodlottig worden, doch de richting was
-gegeven, en de volgenden stormden blindelings hun voorgangers na.
-
-Allengs nam de dichtheid der massa af, en de vast aaneengesloten rijen
-werden gevolgd door kleine troepjes achterblijvers, waarvan er nu en
-dan de een of ander van uitputting neerstortte.
-
-Zoo was het eerste gevaar met Gods hulp overwonnen, maar te ernstiger
-dreigde het andere.
-
-De brand had gedurende het oponthoud der jagers geduchte afmetingen
-aangenomen; de heele prairie scheen thans in vlammen te staan, en met
-de snelheid van den wind wentelde de gloed zich voort.
-
-Zwijgend sprongen de jagers opnieuw in het zaâl, de vluchtende dieren
-achterna.
-
-Menschen met zwakker zenuwen zouden van angst zijn bezweken, maar de
-Afrikaansche Boeren zijn een taai ras, en niet spoedig geven ze ’t op.
-
-De paarden zijn door het oponthoud eenigszins op hun verhaal gekomen,
-en heuvel op heuvel af gaat het opnieuw over het golvende terrein met
-een snelheid, dat de jagers bijna geen adem kunnen scheppen.
-
-De lucht wordt al benauwder; de rookwolken, die voor den brand uitgaan,
-hangen als een verstikkenden walm over het wijde veld.
-
-De jagers hebben nu de achterhoede der voor hen uitjagende beesten
-ingehaald, maar het paard van Tijs de Jong toont op nieuw teekenen van
-uitputting. Met bangen blik staren de Boeren achterwaarts—vuur, niets
-dan vuur, wat ze zien!
-
-Het springt tegen den heuvel op—het slaat er zegevierend over heen! Het
-daalt neer in de vallei—ge ziet de vlam niet meer—ja toch, ze flikkert
-reeds op boven den volgenden heuvel!
-
-Daar staat een groen bosch—het verzengt reeds—nù slaan er de vlammen
-uit!
-
-Niets wordt door dat vuur gespaard. Over het kabbelend beekje welft het
-zijn vlammende bruggen, en de klippen beginnen te gloeien als gloeiend
-ijzer!
-
-De brand komt al dichter bij. De zijden der paarden zijn als geploegd
-van het indrukken der stalen sporen, en het paard van Tijs de Jong kan
-elk oogenblik neervallen.
-
-„Vooruit,” roept de leeuwenjager, „vooruit!”
-
-Tijs doet een harden ruk aan de teugels, en weer snelt het afgejaagde
-dier vooruit.
-
-Rechtop in de stijgbeugels staande, ziet de leeuwenjager, hoe de
-voorhoede der wilde dieren eensklaps verdwijnt.
-
-„Een kloof,” roept hij opgewonden, „een kloof! Zij brengt ons dood of
-redding—voorwaarts!”
-
-Met voorovergebogen lichaam jagen de Boeren over het veld, maar het
-trouwe ros van Tijs de Jong stoot een gehinnik uit, dat als een
-stervenskreet klinkt, en stort dood onder zijn meester neer.
-
-„Spring achter mij op het paard,” roept de leeuwenjager.
-
-„Neen hier,” roept Dirk; „Hannibal is nog frisch, maar gauw, gauw!”
-
-Het volgende oogenblik zit Tijs achter Dirk op den zwarten hengst, en
-de paarden worden tot de laatste maar uiterste krachtsinspanning
-aangezet.
-
-De lucht wordt warm, heet. Brandende grasdeelen dwarrelen om de jagers
-heen, en Dirk verwondert zich, dat de staarten der paarden nog niet
-beginnen te smeulen. Het vuur is de jagers tot op een paardenlengte
-genaderd, maar daar ligt ook de rand der kloof. „Vooruit,” roept de
-leeuwenjager met luide stem, „volgt mij,” en zonder zich te bedenken,
-zonder te weten, hoe diep de kloof is, waagt hij den sprong in de
-diepte.
-
-Blindelings volgen de jagers hun moedigen aanvoerder....
-
-
-
-De diepe kloof was gedeeltelijk gevuld met de wilde dieren, die
-voorthollend hier te pletter waren gevallen.
-
-De volgende beesten, wier val door de beneden liggende veerkrachtige
-lichamen was gebroken, waren over hun kameraden voortgesneld, en
-hadden, opklimmend langs den rotswand, waar hij het minst steil opliep,
-de overzijde der prairie bereikt, om daar hun wilde vlucht voort te
-zetten.
-
-Onze vijf jagers waren dus niet op den bodem der kloof terecht gekomen,
-maar op een vloer van doode en stervende dieren. Wel hadden zij door
-den val geduchte kneuzingen opgedaan, maar de Boeren zijn niet
-kleinzeerig, en boven verwachting was het gedwongen waagstuk goed
-afgeloopen.
-
-De honden hadden zich nauwelijks bezeerd bij den sprong, doch het paard
-van Lodewijk Jansen had de voorpooten gebroken, en dat van Kees Bouwer
-had zich den buik opengescheurd op de staalharde hoornen van een
-buffel. Uit medelijden schoten de Boeren ze dood.
-
-Terwijl was de wind heftiger opgestoken, een zee van vonken voor zich
-uitjagend, en op een plek, waar de kloof betrekkelijk smal was, sprong
-de brand plotseling over naar den overkant, om huppelend,
-sprongsgewijze, met onbegrijpelijke snelheid, zijn vernielenden
-zegetocht voort te zetten. Doch tot de kloof zelve drong het vuur niet
-door, daar het er geen voedsel vond.
-
-Met de twee overschietende paarden aan de hand, trachtten de jagers nu
-over de diepe, stuiptrekkende, afgrijselijke laag van stervende dieren
-voort te komen. Kruipend, loopend, springend moest de zware tocht
-worden gedaan, en na een schier eindelooze reeks van gevaren en
-hindernissen bereikten de jagers doodop den bodem der kloof.
-
-Nu werd eindelijk halt gehouden, en het rauwe vleesch eener door den
-val gedoode antilope genuttigd, om er den honger mee te stillen. Doch
-water was er niet te vinden, en zoowel de Boeren als hun paarden en
-jachthonden versmachtten van dorst. Tegen den avond echter kwamen er
-zware wolken opzetten, en ratelende donderslagen kondigden den zoo
-reikhalzend verbeiden regen aan, die in milde plassen nederviel.
-Sissend viel de stroomende regen in de gloeiende vuurzee en bluschte
-den veldbrand. Maar de jagers vingen in hun hoeden en uitgespreide
-buizen het water op, dat mensch en dier verkwikte.
-
-Toen zochten zij een geschikte gelegenheid, om na de buitengewone
-vermoeienissen van dezen dag uit te rusten, en zij vonden die in een
-ruime, drooge grot of spelonk. Nadat het eenvoudig avondgebed was
-gedaan, namen zij de zadels der paarden tot hoofdkussens, en sliepen op
-den harden, rotsachtigen grond even gerust, als toen zij nog als
-zuigelingen aan de borst hunner moeder lagen.
-
-Zonder ongevallen ging de nacht voorbij, en bij het krieken van den
-dageraad verlieten de jagers de kloof. Nu eerst zagen zij de
-vreeselijke verwoesting, die het vernielend vuur had aangericht, en
-zwart als een doodskleed lag het wijde veld. Slechts langzaam kwamen de
-jagers vooruit, want telkens stieten zij op geraamten en half verkoolde
-lichamen, doch wie schetst de verbazing van Tijs de Jong, toen hij, een
-heuvel opklauterende, in de verte een rij ossenwagens zag staan!
-
-Een Boerenlager midden in deze woestijn des doods, het was haast
-ongelooflijk. En toch was er geen twijfel aan—duidelijk waren de linnen
-huiven zichtbaar.
-
-De leeuwenjager verwonderde zich minder.
-
-„De zaak is heel eenvoudig,” zeide hij. „De Emigranten-Boeren ginds
-hebben den brand zien aankomen, en vuur met vuur gekeerd. In een wijden
-cirkel om het lager heen hebben zij het gras afgebrand, zoodat het
-naderend vuur uit gebrek aan voedsel de ossenwagens niet kon bereiken.
-Zoo en niet anders hebben ze ’t gedaan. Tegen de stuivende vonken
-konden zij zich beveiligen door het spreiden van natte huiden over de
-linnen huiven, en als de wagens in een lager zijn saamgetrokken, kunnen
-ze gemakkelijk den schok der aanstormende wilde dieren doorstaan.”
-
-„Wat ons betreft,” liet hij er op volgen, „ik had het vuur ook wel
-durven afwachten, indien wij in plaats van dien éénen ossenwagen vier
-of zes stevige wagens, en manschappen genoeg hadden gehad, om met den
-noodigen spoed een groote, afgebrande ruimte te verkrijgen tusschen ons
-en het naderende vuur. Daar haperde het echter aan—doch zie, daar komen
-de trekkers ons reeds tegemoet!”
-
-Was Tijs de Jong verwonderd, de verbazing der Emigranten-Boeren was nog
-grooter, toen zij uit de richting, van waar de brand gekomen was, een
-groep jagers over het zwart geblaakte veld zagen naderen. Met ongemeene
-hartelijkheid leidden zij de jagers hun lager binnen, en na een gul
-onthaal zetten laatstgenoemden de reis voort. Zij wisten van de
-Trekboeren, dat zij over eenige uren een stroom zouden bereiken, die
-het verder voortschrijden van den veldbrand had gestuit, en zoo
-gebeurde het ook. Reeds van verre zagen zij de blauwe golven schitteren
-in het zonlicht, en hun oog verlustigde zich in het gezicht der groene
-weiden aan de overzijde.
-
-Door een ondiepe plaats der rivier bereikten zij den anderen oever,
-die, door duizende hoeven ingetrapt, het spoor wees der gevluchte
-beesten. Langzaam ging men voort, totdat de paarden plotseling door een
-zonderlinge rilling werden aangegrepen. Ook de jagers bleven als aan
-den grond genageld staan bij het tafereel, dat zich voor hunne oogen
-ontrolde, en de indruk van oogenblik is nooit uit hun ziel weggewischt
-geworden.
-
-Het tafereel was te aangrijpend om het te gelooven, en toch viel het
-niet te betwijfelen, want zij zagen het allen.
-
-Daar lagen de doodmoede kudden wilde beesten. Tusschen de antilopen lag
-de hyena, tusschen de gestreepte zebra’s de tijger, en naast den buffel
-had de leeuw zich neer gevleid. Het was een roerend, onbeschrijfelijk,
-diepen vrede ademend schouwspel: het scheen als een tooneel uit dat
-verloren Paradijs, waaraan onze zielen niet dan met diepen weemoed
-kunnen denken.
-
-Duizende en nogmaals duizende dieren van alle soorten lagen in groepen
-en kudden verstrooid op den bodem; sommigen lekten hun afgebeulde
-leden; anderen hieven zonder op te staan den kop op, om het gras, dat
-naast hen groeide, af te grazen.
-
-Langzaam liet Dirk den blik over het schilderachtig tooneel gaan,
-totdat zijn oog werd getroffen door een afgejaagd hert, vlak in de
-nabijheid. De tong hing het edel dier uit den bek, en het zag den
-jongen Boer met zijn zachte, glanzende oogen smeekend aan. Dirk dacht
-aan het hert, dat schreeuwt naar de waterstroomen, waarvan koning David
-heeft gezongen, en door medelijden bewogen, haalde hij water uit den
-nabijzijnden stroom. In lange, gulzige teugen dronk het dorstige dier
-het kostelijke water, en dankbaar lekte het de hand van zijn weldoener.
-
-Loodrecht als torens stegen inmiddels aan den noordelijken horizon
-zwarte wolken op. Het werd zoo donker alsof het nacht zou worden, en
-terwijl de jagers in een grot voor den naderenden regen gingen
-schuilen, opende God de Heere de sluizen des hemels opnieuw.
-
-De matte dieren werden wonderlijk verkwikt: ze kregen nieuwe kracht,
-stonden op, schaarden zich, zooals de buffels, de zebra’s, de giraffen,
-de antilopen, de herten enz. naar hunne soorten in groote kudden en
-trokken weg. Ook het verscheurend gedierte rees op uit de legerplaats.
-Het roofdier werd wakker in het fonkelend oog van den tijger en luid
-brullend schudde de leeuw zijne koninklijke manen.
-
-Vijf dagen later bereikten de jagers hun lager. Gert Kloppers,
-ouderling de Jong en Barend Jansen kwamen hen tegemoet, en heetten de
-lang verwachten hartelijk welkom.
-
-In de nabijheid, in de schaduw van een lommerrijk bosch, zette men zich
-neder, en terwijl Mieke Kloppers en Anna, de oudste dochter van Barend
-Jansen, voor de vermoeide reizigers een krachtig maal aanrichtten,
-vertelden dezen hunne gevaarvolle avonturen.
-
-„Ja,” zeide Gert Kloppers, „ge hebt er leelijk tusschen gezeten, doch
-de Heere heeft alles ten beste geschikt.”
-
-„Maar van den trek naar Natal kan voorloopig geen sprake zijn,” voegde
-Barend Jansen er aan toe, „want het vee zou op het afgebrande veld van
-honger dood gaan.”
-
-„Nu, we hebben geen haast,” antwoordde Kloppers; „over eenige maanden
-is het nog vroeg genoeg.”
-
-„En wie weet, waarvoor de veldbrand nog dienstig is,” meende ouderling
-de Jong, en hij sprak een zeer verstandig woord.
-
-Die veldbrand heeft misschien duizende menschenlevens gered, doch dat
-zouden de Boeren eerst later verstaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-
-Ga op deze hoogte staan. Leun met den rug tegen den rotswand achter u;
-dat geeft meer stevigheid.
-
-Ge bevindt u nu midden in het Drakengebergte.
-
-Aan uw rechterhand verheffen zich zuilen van graniet; hunne toppen
-verdwijnen in de wolken. Aan uw linkerhand ziet ge huiveringwekkend
-diepe afgronden, en wild, woest gescheurde kloven. Maar voor u uit, het
-zuiden in, lacht een heerlijk, vruchtbaar land u tegen, bedekt met
-schaduwrijke bosschen, dooraderd van kabbelende rivieren: dat is Natal.
-
-’t Is wonderschoon, ’t is eenig op deze plek. Onverstoorbare
-sabbatsrust schijnt hier te heerschen.
-
-De wouden langs de hellingen van het gebergte ruischen in den
-morgenwind; klaterende watervallen spatten als blinkend zilver neer,
-het liefelijk gekweel der zangvogels, die hun Schepper prijzen, streelt
-uw oor, en hoog boven u, in duizelingwekkende hoogte, schittert op de
-kruin der bergen eeuwige sneeuw.
-
-Niets verstoort de zoete rust—maar hoort ge daar niet het geknal der
-zweep? En het ratelen van een wagen heel in de verte?
-
-’t Is weer stil; ’t was maar verbeelding.
-
-Neen, ’t is geen verbeelding, nu hoort ge het gedruisch weer,
-duidelijker nog dan zoo even. Ge hoort een geknars als van tientallen
-wagenwielen, en daartusschen luide kommando’s, driftige uitroepen en
-het geloei der ossen.
-
-Blijft nu staan en let op, want ge zult een der merkwaardigste en der
-stoutste tochten zien, die de Afrikaansche voortrekkers ooit hebben
-gemaakt.
-
-De weg, dien de ossenwagens moeten nemen, kan geen weg worden genoemd.
-Verscheidene dagen hebben de Boeren aan het „pad” gewerkt, om het
-eenigszins berijdbaar te maken. De grootste klippen zijn weggeruimd; de
-diepste kuilen gevuld; de steilste plekken afgestoken; de watergeulen
-gedempt; hinderend houtgewas weggekapt.
-
-Toen dit gebeurd was, zeiden de Boeren: „Nu maar vooruit!”
-
-Daar in de verte komt een ossenwagen aanhotsen.
-
-Slechts een of twee menschen zitten op den wagen; de anderen loopen er
-voor of achter: de Boeren met het geweer over den schouder; de kinderen
-aan de hand hunner moeders.
-
-De ossenwagen is zwaar beladen; de opgestapelde goederen zijn stevig
-vastgesjord. Met dubbelgeremde wielen gaat het de hoogte af. Ge kunt er
-van ijzen, als ge denkt aan de mogelijkheid, dat de remketting kan
-losraken, dat de disselboom kan breken, dat de ossen kunnen schrikken,
-ginds, bij dien gevaarlijken draai!
-
-Daar komt de wagen aan een punt, waar het „pad” bestaat uit trappen van
-klippen; trappen van een tot vier voet hoogte.
-
-De wagen bonst over die trappen naar beneden; ’t is onbegrijpelijk, dat
-hij nog heel is.
-
-Nu eens is het „pad” zoo schuin, dat de wagen dreigt om te vallen, dan
-weer is het zoo steil, dat de acht juk ossen den wagen nauwelijks
-omhoog kunnen tornen. Nu eens moet de wagen langs den rotswand heen
-schuren, om niet aan den anderen kant in een duizend voet diepen
-afgrond verpletterd te worden: dan weer moet hij tusschen de
-rotsblokken heen gewrongen worden, zoodat ge zegt: Hoe krijgen de
-Boeren dat gedaan!
-
-En toch krijgen ze ’t gedaan. Niet met tien of twintig maar met duizend
-ossenwagens, in behoorlijke tusschenruimten, zijn zij over het
-Drakengebergte getrokken, en wat nog ongeloofelijker klinkt: slechts
-één ossenwagen [10] is op dien tocht verongelukt!
-
-
-
-Het is een liefelijke namiddag in de maand Februari 1838.
-
-Gert Kloppers, die zich met zijn lagergenooten in de voorhoede bevond
-der naar Natal aftrekkende Boeren, heeft thans den even moeilijken als
-gevaarvollen tocht over het Drakengebergte achter den rug. Aan den
-oever van een vriendelijk rivierke zijn de wagens uitgespannen en de
-tenten opgezet.
-
-Alles ademt vrede, rust.
-
-Gert Kloppers en Floor zijn de eenige weerbare mannen in het lager; de
-anderen zijn reeds dagen geleden op de groote jacht gegaan, en kunnen
-nog dagen wegblijven. ’t Is waarschijnlijk, dat het gezelschap van
-Barend Jansen het eerst terugkomt; het gezelschap jonge Boeren onder
-leiding van Dirk Kloppers wordt later verwacht.
-
-Terwijl Kloppers bezig is, de geweren na te zien, zijn Floor en Willem
-naar het bosch gegaan, om zich te oefenen in het werpen van de
-assegaai. De moeders verrichten haar huiselijk werk, of stoeien met
-haar kinderen in het frissche gras.
-
-Niet ver van het lager, in de schaduw van een weelderig opschietenden
-wilgenboom, is Mieke Kloppers aan het kousen breiden, en opblikkend van
-haar werk, ziet zij den leeuwenjager naderen.
-
-De leeuwenjager is mee geweest in het gezelschap, dat Piet Retief, den
-moedigen Kommandant-Generaal der Boeren, heeft vergezeld op diens tocht
-naar koning Dingaan, die over Natal en Zoeloeland regeert.
-
-De leeuwenjager gaat recht op Mieke af, die hem hartelijk de hand
-drukt.
-
-„Wel,” zegt ge, „waar hebt ge al dien tijd gezworven?”
-
-„Ik ben mee geweest naar Dingaan.”
-
-„En wat nieuws brengt ge mee?”
-
-„Wat ik weet, zult ge reeds vernomen hebben. Het doel der reis was, om
-van Dingaan Natal te koopen. Hij hield zich eerst, alsof hij boos was,
-en verweet aan Retief, dat de Boeren zijn vee hadden gestolen. Retief
-maakte hem echter duidelijk, dat de eigenlijke dieven Kaffers waren van
-de Witte Bergen, onder aanvoering van Sikonyella, die, om de Boeren in
-verdenking te brengen, bij hun rooverijen expres kleeren hadden
-aangetrokken. Enfin, toen scheen Dingaan te bedaren, en hij verklaarde
-aan de Emigranten-Boeren Natal te willen afstaan, waaraan hem niet veel
-gelegen scheen, indien hem de beesten werden teruggebracht. Met een
-kommando Boeren zijn wij toen op de roovers afgetrokken, en hebben het
-vee hernomen. En nu is Piet Retief met zeventig Boeren weer op Dingaan
-af, om de beesten terug te bezorgen, en de acte van afstand van Natal
-aan de Boeren in orde te krijgen. Doch, zooals gezegd, dit weet ge
-reeds.”
-
-„Hoe ziet koning Dingaan er uit?”
-
-„Eerlijk gezegd, als een tijger, die bloed ruikt.”
-
-„Men zegt, dat hij zijn broeder heeft vermoord, om op den troon te
-komen.”
-
-„Er zijn erger dingen van hem bekend; zijn vrouwen laat hij vermoorden,
-om geen kinderen te krijgen....”
-
-„’t Is afgrijselijk!”
-
-„Want hij vreest, dat die kinderen hem later van den troon zouden
-kunnen stooten. Hij heeft een kind, dat hem geboren werd, met eigen
-hand tegen de rotsen verpletterd.”
-
-„Zoo’n monster—en in het hol van zoo’n monster waagt zich Retief?”
-
-„Hoor eens, Mieke, Retief is een onzer meest geachte Boeren, en hij
-verdient die achting ten volle. Doch ik vrees, dat hij te veel op
-Dingaan’s woorden bouwt. Misschien rekent hij ook op den gunstigen
-invloed van den Engelschen zendeling Owen, die thans aan het hof van
-Dingaan is.”
-
-Er volgde een pauze, waarna Mieke zeide: „Waar gaat je zwerftocht nu
-weer heen?”
-
-„Ik heb genoeg van het zwerven, Mieke.”
-
-„Zoo, Teunis, dat is wat nieuws.”
-
-„Ik wil gaan trouwen.”
-
-„Kom, nu wordt het nog mooier—trouwen op den Trek.”
-
-„Waarom niet? Ouderling de Jong kan het huwelijk kerkelijk, en de
-kommandant-generaal kan het burgerlijk voltrekken. ’t Is verleden jaar
-ook gebeurd, meer dan eens.”
-
-„Maar ge moet toch met uw tweeën zijn om te trouwen?” zeide zij
-lachend.
-
-„Nu, wij zijn met ons tweeën!”
-
-„Ik begrijp je niet.”
-
-„Wij zijn toch met ons tweeën, Mieke, gij en ik? Is ’t niet zoo?”
-
-„Is het zoo bedoeld?” zeide Mieke en zij liet de breinaalden vallen—van
-verlegenheid of verbazing, wie zal ’t zeggen?
-
-Er volgde een nieuwe pauze, waarna Mieke zeide: „Die tweede zal toch
-ook moeten willen, is ’t niet?”
-
-„Ja,” zeide de leeuwenjager, „en daarom kom ik het vragen. Zie, Mieke,
-ik ben nu twee en dertig jaar, en ik voel me een vreemdeling onder mijn
-eigen volk. Vader of moeder, broeders of zusters heb ik niet meer;
-verwondert het je, dat ik me eenzaam gevoel? Trouwens, wat is een Boer
-zonder een huisgezin? Hij wortelt niet in zijn volk; hij staat er
-buiten. Ziet ge den dorren tak tusschen die groene twijgen, daar boven
-uw hoofd? Dat is het beeld van een Boer, die geen huisgezin heeft. Hij
-moet een vrouw hebben, hij moet kinderen hebben, waarvoor hij werken,
-waarvoor hij zorgen kan. Dan eerst slaat hij zijn wortelen uit.”
-
-Hij zeide dit, en nog veel meer zeide hij. Er kwam in zijn stem zoo’n
-bijzondere, warme toon, zooals Mieke nog nooit van hem had gehoord, en
-hij sprak naar haar hart, want hij had haar lief.
-
-Op zijn geweer geleund, zoo stond hij voor haar, en de glans der in het
-westen wegzinkende avondzon viel op zijn gestalte. Mieke zag hem in
-zijn eerlijk gelaat, en hare oogen werden vochtig.
-
-„Vraag het vader,” zeide zij.
-
-„En als uw vader ja zegt?”
-
-„Vraag het vader,” zeide zij nogmaals.
-
-Met lichten, veerkrachtigen tred zocht de leeuwenjager Gert Kloppers
-op; het ja was niet over hare lippen gekomen, maar hij meende het
-gelezen te hebben in den vochtigen glans der oogen.
-
-De leeuwenjager had goed gelezen.
-
-Mieke nam de breikous weer op, doch van het breien kwam niet veel. Hare
-vriendelijke oogen staarden in de verte, en met open oogen droomde zij.
-
-Ja, zij hield van hem, den moedigen leeuwenjager, reeds sedert lang.
-Anderhalf jaar geleden, op dien vreeselijken dag van het Kaffergevecht,
-toen zelfs haar vader begon te twijfelen, of hij wel komen zou, toen
-was hij toch gekomen. Zijn leven had hij gewaagd, om zijn gegeven woord
-gestand te doen, en deze man met dat stroeve gelaat en met dat hart vol
-gulden trouw had haar uitverkoren—haàr! Hij was de anderen
-voorbijgegaan, zelfs de knappe, flinke Anna Jansen, en haar had hij
-gevraagd—haàr!
-
-Gouden draden zag zij door haar leven geweven, en die draden
-weefde—hij. Maar zijne liefde zou zij beantwoorden met de volheid van
-haar eigen liefde. Zij hoopte voor hem een degelijke, zorgende
-huisvrouw te zijn, en hem, den eenzame, den verlatene een tehuis te
-bereiden, zooals hij het zelfs bij zijn ouders nooit had gevonden.
-
-Moest hij in den strijd, zèlf zou zij hem de kogeltasch om de schouders
-hangen, en zèlf zou zij zijn geweer laden. En op gebogen knieën zou zij
-elken morgen en elken avond God den Heere om zijn behouden thuiskomst
-smeeken.
-
-Zij droomde al voort....
-
-Blondlokkige kinderen zag zij om haar schoot stoeien, en in de
-gelaatstrekken van die kinderen zag zij zijn gelaat. Zij zou die
-kinderen opvoeden in de vreeze des Heeren, en zij zou hen bekend maken
-met den Heiland, Die voor zondaren in den dood is gegaan, en Wiens Naam
-is te prijzen tot in eeuwigheid! En de kinderen zouden opwassen, en
-groot en geëerd worden in den raad van het dappere, Afrikaansche volk!
-
-Zij droomde al voort, met open oogen, doch uit het lager kwam
-plotseling een verward, angstig geroep. Er ging een rilling door hare
-leden—zag zij reeds de schaduw van een Kafferspies in haar droom vol
-glans en zonneschijn?
-
-Zij stond op en ging naar het lager.
-
-
-
-De avond is nu gevallen.
-
-De leeuwenjager springt juist in het zaâl, nu Mieke bij het lager komt.
-
-Een angstig voorgevoel doet haar beven. „Wat beteekent dat?” zegt zij.
-
-„Er zijn slechte tijdingen gekomen, en ik ga den omtrek verkennen.”
-
-Het gelaat van den leeuwenjager staat ernstig, terwijl hij dit zegt, en
-in snellen draf rijdt hij weg.
-
-Op den grond, op een peluw uitgestrekt, ziet Mieke een Boerenknaap van
-misschien twaalf jaren; Kloppers staat er bij met een lantaarn in de
-hand. Bij dat sober, somber licht kan men de doodelijke bleekheid zien
-van dat kindergelaat en de bloedvlekken op zijn kleeren. Doch zijn
-wonden heeft vrouw Kloppers reeds met vaardige hand verbonden.
-
-Om den jongen heen staat een kring van menschen geschaard. In bange,
-angstige spanning verbeiden zij het oogenblik, dat hij zal kunnen
-spreken.
-
-Zoo even heeft hij kruipend het lager bereikt, en is toen bewusteloos
-ineengezakt. Doch nu slaat hij de oogen op, en vrouw Kloppers geeft hem
-een teug opwekkenden, Kaapschen wijn.
-
-Hij is nog zeer zwak van het bloedverlies, met horten en stooten
-vertelt hij de geschiedenis. Maar bij die geschiedenis slaan de vrouwen
-de armen handenwringend omhoog, en grijpt Floor naar zijn bijl.
-
-’t Is een eenvoudige geschiedenis, maar ze is afgrijselijk in hare
-eenvoudigheid.
-
-Vader, moeder en acht kinderen zitten aan een ruw getimmerde tafel bij
-de tent aan het ontbijt. Eensklaps worden zij door een overmacht van
-Zoeloe-krijgers omsingeld, en de overrompeling is volkomen.
-
-Om de moeder te dekken, die haar jongste kind, een wicht van acht
-maanden, op den schoot heeft, springt de vader vóór haar, en stoot den
-eersten aanvaller den dolk in de borst. Door drie assegaaien tegelijk
-doorboord, stort hij vlak voor de voeten der moeder neer. Giel, de
-oudste zoon, heeft intusschen een geweer genomen, en zijn moeder te
-hulp snellend, schiet hij twee Zoeloe’s dood. Maar doodelijk getroffen,
-valt hij over zijn vader heen.
-
-„Ik greep een bijl,” zegt de knaap, „en sprong op een stoel. Ik zag
-nog, hoe mijn moeder met een mes, dat op de tafel had gelegen, mijn
-broertje verdedigde, maar toen ik haar zag vallen, werd ik razend. Een
-Zoeloe, die met den rug naar mij toestond, sloeg ik met den bijl zoo
-heftig op het hoofd, dat hij neerplofte. In het volgende oogenblik had
-ik echter reeds een paar leelijke porren met de assegaai te pakken, en
-ik sloeg achterover van den stoel, tegen het tentlinnen aan. Ik kroop
-gauw onder het zeil door, en was nu in de tent, waar ik een leege kist
-zag staan, die ik over mij heen stulpte. De Zoeloe’s kwamen echter om
-mij te zoeken, toen hun oog op een vaatje brandewijn viel. Nu begon de
-bloeddorst te bedaren en kwam de jeneverdorst, maar mijn familieleden
-waren allemaal vermoord.”
-
-Dit was heden morgen geschied, maar de jongen was een echt Boerenkind,
-dat niet licht bij de pakken ging neerzitten. Hij begreep, dat de
-andere Emigranten-Boeren, zoover het mogelijk was, gewaarschuwd moesten
-worden, en den loop van het rivierke volgend, had hij nu het lager van
-Kloppers bereikt.
-
-Met ingehouden adem, zonder een woord te zeggen, heeft de
-lagerkommandant het verhaal aangehoord. Beurtelings flikkeren zijn
-oogen van toorn, en beurtelings gaan er zware zorgen over zijn hoog,
-schrander voorhoofd.
-
-Voor zijn oogen ziet hij het moordende net, waarin het edele wild, het
-volk der Boeren, moet worden gevangen. Hij weet zoo zeker, alsof hij er
-zelf bij tegenwoordig is geweest, dat de nobele, trouwe Piet Retief met
-geheel zijn gezantschap is vermoord, en dat de Boeren, op het woord van
-een duivel vertrouwend, overgeleverd zijn aan de woede der grimmige
-Zoeloe-soldaten.
-
-Maar er is geen tijd om te klagen. De hand moet aan den ploeg geslagen,
-en het lager ten spoedigste weerbaar gemaakt.
-
-Gert Kloppers, Floor en Willem gaan met een loffelijk voorbeeld
-vooraan; de vrouwen, zelfs de kinderen helpen. Tot diep in den nacht
-wordt gewerkt, altijd maar door; men gunt zich geen rust. Nu is het
-allernoodzakelijkste geschied. Er is een buitenlager gemaakt en een
-binnenlager; het binnenlager in een hoek van het buitenlager; een soort
-citadel in de vesting.
-
-De muren bestaan natuurlijk uit ossenwagens, terwijl uit het
-buitenlager een opening toegang geeft tot het binnenlager. Moet het
-buitenlager worden prijsgegeven, dan hoopt men zich vechtende door die
-opening in het binnenlager terug te trekken, en nog gelegenheid te
-vinden, den ingang te versperren.
-
-Maar de wagenburcht is niet zoo stevig als bij het vorige
-Kaffergevecht; ach, Kloppers weet het wel. De wagens hebben te veel
-geleden op den tocht over het Drakengebergte, en er is nog geen
-gelegenheid geweest, om ze behoorlijk te herstellen. Hij kent wel het
-zwakste punt; dáár vlak voor hem, daar staat die wagen. Als de Kaffers
-hem uitvinden, dan is het buitenlager verloren, want zeker zullen zij
-hem uit de lijn rukken en een opening maken. Dan schiet er het
-binnenlager nog over, maar dat binnenlager zal het leven der arme
-zwervers niet langer dan hoogstens eenige minuten kunnen beschermen,
-want het zal onder de scherpe assegaaien als bedolven worden. „O God,
-wees mij en deze arme menschen genadig,” zucht Kloppers uit het diepst
-zijner ziel.
-
-Hij roept hen bijeen; daar komen ze allen aan, de moeders met hunne
-kinderen. Bij een kruitbaal knielt hij neder; allen volgen zijn
-voorbeeld.
-
-Niets wordt gehoord dan een zacht gesnik; Gert Kloppers gaat voor in
-het gebed. Zijn ziel, de innigste roerselen zijns harten legt hij in
-dat gebed. In dat gebed zoekt het kind zijn Vader. Het voelt, dat die
-Vader in tegenheden handelt; toch kan het niet zonder dien Vader leven.
-Het tast in de duisternis; het tast naar de Vaderhand. Het zoekt, het
-roept, het klaagt, het worstelt: „Ach, dat Gij de hemelen scheurdet!”
-
-Hoog gaan de golven in de ziel van Gert Kloppers, maar hij worstelt tot
-het licht wordt in zijn hart. De storm bedaart, de golven leggen zich.
-Hij voelt de Vaderhand.
-
-Hij staat op van de knieën—een wonderbare, diepe vrede ligt op zijn
-gelaat. Die ossenwagen daar vóór hem is nog even wrak als zoo even,
-doch wat hindert dat? Is de arm des Heeren verkort? Kan Hij deze
-menschen nogthans niet redden? En is het in Zijn ondoorgrondelijken
-raad anders besloten—Gert Kloppers hoopt stil te zijn als een gespeend
-kind bij zijn moeder....
-
-Maar de beslissing nadert. Reeds hoort men den hoefslag van een paard;
-dat is de leeuwenjager. Hij heeft een kommando Zoeloe’s ontdekt, die in
-snellen pas aanrukken; over een half uur kunnen zij voor het lager
-verschijnen.
-
-
-
-Het halve uur was nog niet om, toen de stilte van den nanacht door een
-plotseling, oorverdoovend, zenuwschokkend oorlogsgehuil werd
-onderbroken.
-
-Dat gebrul kenden de Boeren reeds, maar in plaats van Matabelen waren
-de aanvallers nu Zoeloe’s.
-
-Hunne assegaaien slingerend, hunne knotsen zwaaiend, vlogen zij als
-duivels tegen de ossenwagens op. Maar verder kwamen ze voorloopig ook
-niet, want de vermetele, wiens hoofd boven de linnen huif uitkwam, was
-een kind des doods.
-
-De eerste storm werd bloedig afgeslagen, maar onmiddellijk volgde de
-tweede, de derde. De verdedigers echter hielden moedig stand; zij
-schoten even snel als gelukkig, en ook de derde storm werd afgewezen.
-
-De Zoeloe’s schenen nu terug te trekken; de Boeren haalden ruimer adem.
-Maar de leeuwenjager zeide: „Ik ken dat volk; ze zijn gevaarlijker dan
-de Matabelen, en ze wachten den morgen af.”
-
-„Laat dat zoo wezen,” zeide de vrouw van ouderling de Jong, „we winnen
-toch tijd, en misschien kan er in dien tijd ontzet komen.”
-
-Mieke begaf zich even naar het binnenlager, om naar de schreiende
-kinderen en den gewonden knaap te zien. Hij lag daar met gloeiende
-wangen, want hij had een zware wondkoorts. Hij klaagde over dorst; zij
-laafde hem met water. Zoo kwam zij weer in het buitenlager; bij de
-anderen. Het begon nu morgen te worden; een lijn van goud en purper
-teekende zich aan den oostelijken horizon. Bij het aanbrekende licht
-kon de leeuwenjager Mieke’s gelaat goed onderscheiden; trouwens zij
-stond geen drie pas van hem verwijderd. „Hoe gaat het, Mieke?” vraagde
-hij. „Goed,” zeide ze op vroolijken toon, en zij knikte hem vriendelijk
-toe. De vreeze des doods was op dit oogenblik verre van haar, ofschoon
-de dood reeds klapwiekte boven haar hoofd. Zij wendde zich tot haar
-vader, en zeide: „Ik geloof vast, dat wij nog ontzet zullen worden.”
-
-Dit is het laatste woord geweest, dat over hare lippen kwam.
-
-Plotseling verscheen een zwarte Zoeloekop boven den huifwagen, om even
-plotseling te verdwijnen. Met de assegaai diep in de borst sloeg Mieke
-tegen den grond. De leeuwenjager was onmiddellijk aan hare zijde. Met
-waarlijk teedere behoedzaamheid haalde hij het wapen uit de wond, en
-trachtte den bloedstroom te stelpen. Maar snel vlood het leven heen!
-
-Toen de leeuwenjager dit bespeurde, greep een bijna zinnelooze smart
-hem aan. Hij bukte zich over de stervende heen, en riep met heesche,
-rauwe stem: „Mieke, liefste, verlaat mij niet!”
-
-Ook de ouders, Floor en Willem stonden er bij met weenende harten, doch
-uiterlijk waren zij kalmer dan de leeuwenjager. Maar Mieke zag hen niet
-meer; zij zag niemand meer. Reeds hing er een nevel tusschen haar en de
-omstanders. Maar aan den anderen kant scheen het licht voor haar oog,
-want een zalige glimlach gleed over haar stervend gelaat.
-
-Zij zag de gouden tinne blinken van het vaderhuis hier boven? Zag zij
-de poorten open van het nieuwe Jeruzalem? Hare ouders hebben het
-gehoopt; zij hebben het geloofd. En dat geloof heeft koelen, milden
-balsem gelegd op de brandende wond.
-
-De laatste levensvonk was nu spoedig uitgegloord, en de leeuwenjager
-legde de geliefde doode in het binnenlager neer. Hij spreidde, met de
-teederheid eener moeder, een doek over haar gelaat. Maar er welde geen
-traan op in zijn brandende oogen, en er brandde nog iets anders in die
-oogen dan smart.
-
-Hij hief zijn geweer als tot een eed omhoog, en riep: „Oog om oog en
-tand om tand! Vervloekt zij het geslacht van Cham tot in alle
-eeuwigheid!”
-
-Het waren dezelfde woorden, die Barend Jansen had gebezigd.
-
-Het begon nu helder dag te worden en op nieuw bestormden de Zoeloe’s
-het lager. De kapitein, een reusachtige kerel, zwaaide zijn
-vreeselijke, staalharde knots. Hij liep zelf onderzoekend langs de
-wagenburcht heen, tot zijn scherpe blik het zwakste punt had ontdekt.
-
-„Hier,” riep hij met dreunende stem, „rukt dezen wagen weg, en gij hebt
-het Boerennest.”
-
-Kloppers zag het gevaar, en liet al het vuur op dit punt concentreeren.
-Binnen weinige oogenblikken lagen twintig Zoeloe’s dood bij den wagen,
-en het scheen, dat het moorddadig vuur hen tot wijken zou brengen. Doch
-toen de Kafferkapitein de twee eerste vluchtelingen met zijn moordwapen
-de hersenpan verbrijzelde, en de anderen voor de keuze stelde:
-„Overwinnen of sterven,” toen was het lot van het buitenlager beslist.
-
-„Redt het kruit en de wapens,” riep de leeuwenjager, „de Zoeloe’s
-rukken den wagen op zij—ik dek de opening!”
-
-Het geweer wegwerpend, greep hij naar den bijl. Den eersten den besten
-vijand rukte hij het schild uit de handen en velde hem neer. Hij had de
-tanden op elkaar geklemd; een somber vuur brandde in zijn oogen. Zijn
-leven was voor hem in waarde gedaald, nu de sterren waren ondergegaan,
-die glans begonnen te spreiden op zijn pad. Maar dat leven wilde hij
-tot den hoogsten prijs verkoopen, en dat zouden de brullende tijgers
-daar vóór hem gewaar worden. Met bewonderenswaardige vaardigheid ving
-hij de assegaaien op met zijn schild, en onheilspellend flikkerde zijn
-strijdbijl in de stralen der opgaande zon. Doch met de lenigheid van
-den panter klommen andere Zoeloe’s, die het buitenlager ontruimd zagen,
-over de ossenwagens heen. Zij bedreigden den wakkeren strijder in den
-rug. Maar zij kwamen niet ver; ten minste de eersten niet. De kogels
-der Boeren uit het binnenlager strekten hen neer; één voor één.
-
-Doch de hand van den leeuwenjager begon moede te worden: zijn oog werd
-mat. Met schrik bemerkte het Gert Kloppers. „Floor,” riep hij,
-„verdedig mijn post,” en snel was hij aan de zijde van den dappere,
-dien hij met het blanke staal ruimte maakte.
-
-Met een geschikte wending bereikten beide Boeren den ingang van het
-binnenlager, door de wilde Zoeloekrijgers op den voet gevolgd. Maar de
-twaalfjarige Willem Kloppers, Anna Jansen en nog vijf andere vrouwen
-hielden hunne geweren gereed, en zoo verschrikkelijk was hun vuur, dat
-de vijanden terugdeinsden.
-
-Deze sprongen nu op de wagens van het buitenlager, en zich achter de
-linnen huiven dekkend, rolden zij het linnen zoover op, als noodig was,
-om voor den arm de gewenschte ruimte te hebben tot het werpen der
-assegaai. De Boeren hadden nu geen mikpunt voor hun geweer, en de
-meeste kogels troffen geen doel.
-
-Terwijl begonnen de assegaaien der Zoeloe’s al gevaarlijker te worden;
-er was nauwelijks dekking te vinden. De grond van het binnenlager werd
-rood: hij werd rood van menschenbloed.
-
-„Als vader met zijn manschappen ons redden zal, dan moet hij gauw
-wezen,” zeide Anna weemoedig.
-
-„Ja, heel gauw,” zeide vrouw Kloppers op droeven toon.
-
-Nu gingen de Zoeloe’s over tot den laatsten storm. Zij rukten woest aan
-de wagens; zij bestormden de slechts zwak versperde opening.
-
-Hier stond Gert Kloppers. Hij wierp het geweer weg; er was trouwens
-geen gelegenheid meer, het geladen te krijgen. Met de
-onverschrokkenheid van den leeuw, die zijn welpen verdedigt, zoo stond
-hij daar voor de opening. Aan zijn zijde streden zijn heldenzonen Floor
-en Willem, ieder met een bijl in de vuist.
-
-„Al de assegaaien op dien hoofdman,” riep de Kafferkapitein.
-
-Een assegaai doorboorde Kloppers’ rechterarm; hij vatte zijn wapen in
-de linkerhand. Hij kreeg een diepe wond aan zijn been—zijn knieën
-knikten—een derde speer trof hem in den schouder—hij wankelde, de
-sterke man—hij sloeg achterover.
-
-Maar Floor en Willem, ofschoon zelf gewond, wreekten hun vader, en drie
-Zoeloe’s stortten met gespleten schedel voor hun voeten neer. Doch de
-overmacht van den vijand was te geweldig.
-
-„Steekt dien jongen adder toch dood,” brulde de Kafferkapitein.
-
-De dappere Willem werd overhoop gestoken.
-
-„Ik zal met dien andere afrekenen,” liet hij er op volgen.
-
-Hij zwaaide zijn vreeselijke knots—Floor hief den bijl omhoog, om den
-moordenden slag te pareeren, maar de slag was al te forsch: bewusteloos
-zeeg hij ineen.
-
-Doch onmiddellijk sprong de leeuwenjager in de opening.
-
-Anna Jansen plaatste zich naast hem; zij nam den met bloed bevlekten
-bijl uit Floor’s handen.
-
-Verwonderd staarde de leeuwenjager haar aan, maar hij zeide niets.
-
-De Zoeloe’s echter schenen te weifelen.
-
-„Dat is de Onkwetsbare,” mompelden zij, „de Onkwetsbare van daar
-straks.”
-
-Maar deze aarzeling duurde slechts een oogenblik.
-
-Reeds velden zij hunne assegaaien tegen de laatste verdedigers van het
-lager, het laatste schild, dat de bezwijkende Boeren dekte. Over twee
-minuten, over één minuut is hun lot beslist.
-
-„’t Is gauw gedaan, Anna!”
-
-Zij knikte.
-
-Er lag iets aangrijpends in den heldenmoed van dit schoone, aan den
-ondergang gewijde meisje.
-
-„Maar die bloedhonden zullen me toch den tijd moeten gunnen, dat ik hen
-en ons in de eeuwigheid slinger!”
-
-Reeds zocht de leeuwenjager naar de tondeldoos.
-
-„De brandende lont in het kruit—’t is heel eenvoudig, Anna!”
-
-Zij zeide niets. Zij dacht niet aan het geoorloofde of het
-ongeoorloofde dezer daad. Zij dacht slechts aan Simson, van wien
-geschreven staat, dat de dooden, die hij in zijn sterven gedood heeft,
-meer waren dan die hij in zijn leven had gedood.
-
-„Buk u,” riep de leeuwenjager. Een assegaai vloog Anna over het hoofd.
-Maar de volgende assegaai trof haar. Zij trok hem uit de wond. Nu
-suisden twee assegaaien tegelijk op haar aan: het bloed liep over haar
-kleeren.
-
-Maar daar richtte zij zich plotseling hoog op—het matter wordend oog
-begon te flikkeren—een salvo van kogels floot langs het lager heen.
-
-De Kaffers staakten den aanval; hun gelaat begon onrustig te worden.
-
-Het volgende oogenblik werd de snelle hoefslag van een troep paarden
-gehoord; kletterend ging hij over de rond liggende klippen heen.
-
-Eenige Zoeloe’s kwamen het buitenlager instormen, en fluisterden den
-kapitein iets in het oor.
-
-Daar buiten werden haastige kommando’s gehoord.
-
-„Dat is de stem van Dirk,” riep Anna met bijna juichende
-stem—„redding!”
-
-Maar de kapitein zwaaide zijn vreeselijk moordwapen en riep, naar
-buiten snellend, met dreunende stem:
-
-„Waar zijn ze?”
-
-„Hier!” riep Dirk Kloppers, en zonder een zucht te slaken, stortte de
-kapitein onder den bijl van den jongen Boer dood ter aarde.
-
-De verbittering der jonge Boeren was grenzeloos. Zij waren van nacht
-een uitgemoord lager voorbij gekomen, en hadden onder de brandende
-puinhoopen der ossenwagens de half verkoolde lichamen van
-Boerenmenschen gevonden.
-
-„Die een handwapen hebben,” riep Dirk, „volgen mij; de anderen maken
-met hun kogels de boel buiten het lager schoon! Geen pardon!
-Voorwaarts!”
-
-Nu stormde hij met zijn kameraden, het geweer over den schouder
-geworpen, het buitenlager binnen, waar hij op een levenden Kaffermuur
-stootte.
-
-„Hakt er een bres in,” riep hij, „voorwaarts!”
-
-Lodewijk Jansen en Tijs de Jong waren vlak naast hem.
-
-Het werd nu een strijd van man tegen man, doch de Zoeloe’s werden door
-de bleeke angst aangegrepen, en de Boeren hielden een verschrikkelijke
-afrekening. Ja, de Boeren zijn vreeselijk in hun toorn.
-
-Nu was Dirk dicht bij den ingang van het binnenlager: hij zag Anna’s
-bleek gelaat. Daar ontviel hem de bijl, want de steel was glibberig
-geworden van al het bloed. Hij voelde naar den dolk; hij kon hem niet
-vinden. Dan er maar met de vuist op in! Nog drie Kaffers scheidden hem
-van het binnenlager. Den eersten sloeg hij met zijn ijzeren vuist tegen
-den grond, en den tweeden slingerde hij met het hoofd tegen den ijzeren
-band van een wagenwiel, zoodat hij onbeweeglijk bleef liggen. De derde
-had in dat oogenblik de assegaai gemikt op het hoofd van den jongen
-Boer, doch de bijl van Anna Jansen was sneller dan de Kafferspies, en
-met verbrijzelde hersenpan stortte de Zoeloekrijger voor Dirk’s voeten
-neer.
-
-Nu was het echter met de kracht van Jansen’s heldendochter ten einde.
-„Anna!” riep Dirk, maar zij hoorde hem niet meer, en zij zou tegen den
-wagen zijn aangevallen, had Dirk haar niet gesteund.
-
-„Lodewijk,” zeide hij, „zorg voor Anna,” en zich tot den leeuwenjager
-wendend, vraagde hij met een beklemd gemoed: „Hoe staat het hier, Neef
-Teunis?”
-
-„Mieke is dood; nog een vrouw en twee kinderen zijn omgekomen; al de
-anderen zijn gewond.”
-
-„Mieke dood!” riep Dirk met een kreet van klagende smart.
-
-Het volgende oogenblik bevond hij zich midden onder de gewonden. Vrouw
-Kloppers, ofschoon zelf gewond, was juist bezig, de kwetsuren van haar
-man te verbinden.
-
-„Vader,” zeide Dirk, „de Zoeloe’s hebben u vreeselijk toegetakeld!”
-
-Zijn oogen werden vochtig van deernis en liefde—waren dat dezelfde
-oogen, die zoo pas nog hadden gevlamd in wilde strijdlust?
-
-Willem zat naast zijn vader; zijn wonden waren reeds verbonden.
-
-Floor sloeg de oogen op. „Mijn bijl, mijn bijl,” riep hij met
-verwilderden blik, „waar is mijn bijl?”
-
-Hij stond op, maar hij waggelde als een dronken man. Toen hij echter
-zijn broeder Dirk zag, begon hij den toestand langzaam te begrijpen.
-
-„We hadden op Barend Jansen gehoopt,” zeide hij, „en gij zijt gekomen,
-doch nu is het ook goed.”
-
-Ja, nu was het ook goed.
-
-Niemand hunner had een doodelijke wond, en als door een wonder waren
-zij gered! Als uit den dood hadden zij elkander weergevonden, en zij
-werden niet moe, elkander de hand te drukken.
-
-Maar niet onvermengd was de beker der vreugde.
-
-Dirk wendde zich naar de plaats, waar Mieke lag. De leeuwenjager ging
-mee.
-
-Zij lag nog in dezelfde houding, waarin de leeuwenjager haar had
-neergelegd; het hoofd op een kussen. Op de wond lag nog de doek, die
-geheel van bloed was doortrokken.
-
-Behoedzaam nam Dirk den anderen doek weg, die haar gelaat bedekte. Op
-hare trekken zweefde nog de glimlach, mild en zacht als het licht van
-den dageraad.
-
-Peinzend, diep weemoedig rustte het oog van den broeder op de geliefde
-doode. Hij bukte zich, en kuste hare verbleekte lippen.
-
-„Rust zacht, lieve zuster!” fluisterde hij. Hij nam weer den doek, en
-bedekte het gelaat der blanke, geknakte lelie.
-
-Maar in de brandende oogen van den leeuwenjager begon het te schemeren.
-Hij ging buiten de legerplaats, het veld in. Hij wierp zich voorover
-ter aarde, en snikte als een kind.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-
-Welgemoed was Piet Retief met zeventig der voornaamste Boeren, de door
-koning Dingaan gewenschte beesten medevoerend, op weg gegaan naar
-Zoeloeland. Onderweg halt houdend, ontving hij bericht door een van ’s
-konings gezanten, dat hij voort mocht trekken naar Umkungunhlovu, de
-onwelluidende naam van Dingaan’s hoofdstad, de Dingaanstad door de
-Boeren genoemd.
-
-De Boeren lieten zich de order des konings geen tweemalen zeggen, en
-spoedig was de hoofdstad bereikt.
-
-De stad besloeg een groote ruimte, en was omheind door een muur van
-sterke doorntakken, terwijl aan weerszijden van die takken scherp
-gepunte palen kruiselings in den grond geplant, met de scherpe punten
-naar boven stonden. De stad was cirkelvormig gebouwd en bestond uit
-1700 kafferhutten, die ruimte boden voor 34000 soldaten, terwijl de
-cirkel een groot exercitieveld omspande, dat grensde aan de woning des
-konings.
-
-De Boeren wendden zich nu tot een der voornaamste hoofdmannen,
-„Dingaansmond” genoemd, de eenige, die zonder verlof met den geweldige
-mocht spreken. Deze ging onmiddellijk tot den koning, rapporteerde de
-aankomst van de Boeren, noemde hun getal alsmede het aantal beesten,
-dat zij mede brachten, en maakte tevens melding van de getuigenis der
-twee Zoeloe-kapiteins, die den veldtocht van de Boeren tegen Sikonyella
-hadden meegemaakt, en de verklaringen der Boeren onder eede wilden
-bevestigen.
-
-De koning scheen het rapport vriendelijk op te nemen. Op zijn bevel
-werd er voor de gasten geslacht, en terwijl zij den tweeden dag zouden
-uitrusten van den vermoeienden tocht, werd hen gelast, den derden dag
-voor den koning te verschijnen.
-
-Zoo maakten de Boeren dan hun kamp gereed op een kleinen heuvel, op
-ongeveer honderd vijftig pas afstands van de stad, door een spruit of
-beek er van gescheiden, en op driehonderd vijftig pas afstands van de
-gerechtsplaats, waar het door de wilde dieren afgeknaagde gebeente der
-verslagenen lag te bleeken in de heete Februarizon.
-
-Waarschijnlijk waren er onder de Boeren meer dan één, die zich niet op
-hun gemak gevoelden, doch het vertrouwen van Piet Retief op het woord
-des konings was verwonderlijk groot, en toen den volgenden morgen de
-Zoeloe’s als geschenk van den gastheer tien mooie slachtossen voor de
-Boeren brachten, verdween het laatste spoor van wantrouwen. De twee
-kapiteins, die den tocht tegen Sikonyella hadden meegemaakt, voegden
-zich bij de blanken, hielden hen den geheelen dag op vriendelijke wijze
-gezelschap, en de Boeren waren vol goede verwachting voor den derden
-dag, toen zij bij koning Dingaan ter audiëntie verschenen.
-
-Die verwachting werd voorloopig niet beschaamd.
-
-Retief werd met vijf van zijn eerste raadsleden, vergezeld door de
-bekende Zoeloe-kapiteins en den machtigen hoofdman, die „Dingaanmond”
-werd genoemd, de raadzaal binnengelaten. Deze zaal was gemaakt van
-gevlochten rotting, terwijl de vloer was belegd met matten, waarop de
-gasten zich mochten nedervleien. Zij was twintig voet in het vierkant,
-terwijl het dak door twee en twintig met kralen versierde pilaren werd
-geschraagd.
-
-Aan de raadzaal grensde de zitkamer des konings, eveneens van
-gevlochten rotting gemaakt, terwijl van uit deze kamer door den tuin
-een smalle, met klipsteen geplaveide gang naar een breedgetakten wilden
-vijgeboom liep. Hier, in de schaduw van dezen boom, placht de koning
-gaarne te zitten, als de zon heet werd, en de geheele stad lag daar als
-aan zijn voeten. Van hier had hij ook een goed gezicht op den platten
-heuvel, die de gerechtsplaats werd genoemd, maar inderdaad een
-gruwelijke moordplaats was.
-
-De koning ontving de Boeren in de raadzaal. Hij zat vlak voor hen, maar
-zij konden zijn gelaat niet zien, want het was bedekt door een fijnen,
-rooden sluier.
-
-De ontvangst was uitmuntend. De koning was van de goede trouw der
-Boeren blijkbaar overtuigd, en verklaarde, dat hij het rapport van Piet
-Retief volkomen vertrouwde.
-
-Volgens het geloofwaardig getuigenis, dat later een van Dingaan’s
-soldaten aan een Transvaalschen Boer heeft afgelegd, had het
-tweegesprek het volgende verloop:
-
-De koning: Waar hebben jullie gewoond, alvorens ge hierheen trokt?
-
-Retief: Wij komen uit een ver land, waar nog vele witmenschen wonen.
-
-De koning: Waarom zijn jullie uit uw land getrokken?
-
-Retief: Het land werd te eng voor de vele menschen, die er woonden.
-
-De koning: Waarom zijt ge niet in den omtrek der Vaalrivier gebleven?
-
-Retief: Het is daar een koude, kale wereld; er is geen geboomte en geen
-loopend water.
-
-De koning: Is het land, dat gij van mij wilt ruilen, goed van hout en
-water voorzien?
-
-Retief: Als wij dien grond konden krijgen, zouden wij blijde zijn, want
-er is hout en water in overvloed.
-
-De koning: Hebt gijlieden veel vee?
-
-Retief: Wij zijn armer geworden aan vee, want wij hebben op den Trek
-veel vee verloren. Toch hebben wij nog genoeg voor ons bedrijf, als wij
-maar vruchtbaren grond kunnen krijgen.
-
-De koning: Is het waar, Retief, dat gij met Moselekatse oorlog hebt
-gevoerd?
-
-Retief: De Boeren waren in geen oorlog met Moselekatse maar hij
-vermoordde ons volk en nam onze beesten weg. Toen is ons volk
-uitgetrokken, om het vee terug te krijgen.
-
-De koning: Waar woont Moselekatse thans?
-
-Retief: Hij en zijn volk zijn gevlucht.
-
-De koning: Is Moselekatse dood?
-
-Retief: Ik heb zijn lijk niet gezien; ik denk, dat hij nog leeft.
-
-De koning: Heeft uw volk veel van Moselekatse’s vee genomen?
-
-Retief: Ja, want Moselekatse had ook veel van ons vee genomen.
-
-De koning: Hebben uw vrienden vele van Moselekatse’s volk
-doodgeschoten?
-
-Retief: Ja. De Kaffers vochten dapper, en velen van hen sneuvelden.
-
-De koning: Waarom woont Retief niet in het land, waaruit hij
-Moselekatse heeft verjaagd?
-
-Retief: Wij willen niet in het land van een ander wonen, dat wij niet
-hebben gekocht of geruild. En Moselekatse is nu gevlucht—hoe zullen wij
-dan met hem kunnen spreken over het ruilen van grond, o koning!
-
-De koning was over de antwoorden van den blanken man blijkbaar zeer
-voldaan, zeide hem, dat hij een naderen dag zou bepalen, om over het
-ruilen van grond te spreken, en liet de vreemdelingen gaan in vrede.
-
-De Boeren waren wonder in hun schik.
-
-Piet Retief sloeg zijn nevenman lachend op de schouders: „Nu maat, wat
-zeg je er van?”
-
-„’t Zal wel losloopen,” meende deze tevreden.
-
-„Dat denk ik ook,” zeide Piet Retief met klem, en stopte welbehagelijk
-zijn korte pijp.
-
-Den volgenden, den vierden dag, bleven de Boeren rustig in hun kamp,
-zagen nu en dan een goed gedrild regiment van den Zoeloe-koning voorbij
-marcheeren, en wachtten op de boodschap van koning Dingaan.
-
-Zij behoefden niet lang te wachten. Reeds den anderen dag kwam de
-boodschap, en de Boeren gingen vol hoop op een goeden uitslag opnieuw
-tot den koning.
-
-Hun stoutste verwachtingen werden nog overtroffen; de koning had
-blijkbaar een welgevallen aan de blanken, en hij teekende een stuk van
-den volgenden inhoud:
-
-„Umkungunhlovu, 4 Februari 1838.
-
-„Zij het aan allen kennelijk, dat aangezien Piet Retief mijn vee heeft
-hernomen, dat Sikonyella van mij had gestolen, welk vee gezegde Retief
-mij nu heeft afgeleverd, zoo verklaar en certificeer ik Dingaan, koning
-der Zoeloe’s, dat ik heb goed gedacht, aan hem Retief en zijn
-landgenooten af te staan de plaats Port-Natal met al het land, daaraan
-gelegen, dat is te zeggen van de Tugelarivier tot aan de
-Umzimvuburivier ten westen, en van de zee naar het noorden, zoo ver het
-land bruikbaar moge zijn en aan mij toebehoort—hetwelk ik bij deze doe,
-en hun schenk als hun voortdurend eigendom.”
-
-Dit historische dokument moet nog te vinden zijn in het
-gouvernementsarchief te Pieter-Maritzburg, en de handteekening des
-konings: „Marthinus Dingaan” is, alhoewel zeer onduidelijk geschreven,
-toch nog te ontcijferen.
-
-Retief stak het kostbaar dokument, waarbij Natal aan de Boeren werd
-afgestaan, in zijn zak, en nu het groote doel was bereikt, verlangde
-men naar huis, om daar de blijde tijding te brengen.
-
-De koning echter verzocht de gasten, nog één dag te vertoeven, want hij
-wilde ter hunner eer zijn regimenten nog een oorlogsdans laten
-uitvoeren.
-
-De Boeren konden, zonder onbeleefd te schijnen, moeilijk weigeren, en
-reeds vroeg in den volgenden morgen liet de koning Retief met zijn vijf
-vertrouwdste vrienden roepen. Op Dingaan’s bevel verschenen nu op het
-ruime exercitieveld vier honderd poenskopossen, straks vervangen door
-vier honderd zwartrugossen, voor welke ten slotte vier honderd
-melkwitte ossen, de zoogenaamde vredeossen, in de plaats kwamen. Bij
-elke dezer drie prachtige groepen ossen behoorden twee regimenten
-Zoeloe-soldaten, die voor de oogen der Boeren hun oorlogsdansen
-uitvoerden.
-
-Toen deze spelen geëindigd waren, richtte zich de koning tot Retief.
-
-„Hoe vindt gij ’t?”
-
-„Ik vind het mooi,” was het antwoord; „nog nooit, o koning, heb ik zoo
-iets gezien!”
-
-Retief sprak de waarheid; het was een schilderachtig, prachtig gezicht
-geweest.
-
-„Hebt gij ook zulke groote groepen ossen van één kleur?” was de nieuwe
-vraag van den Zoeloe-vorst.
-
-„Neen,” antwoordde Retief; „wij houden de kleuren niet zoo bij elkaar;
-wij gebruiken de ossen, om de wagens te trekken.”
-
-„Dan zijt ge niet zoo’n groot koning als ik,” meende Dingaan.
-
-„Ik zie,” was het antwoord, „dat gij een machtig, goed en rijk koning
-zijt, dat gij uw scepter uitstrekt over een groot volk, en ik denk, dat
-ik en mijn volk in vrede en vriendschap zullen leven met koning Dingaan
-en zijn volk.”
-
-Doch nu was het de beurt aan Retief, om met zijne manschappen eenige
-manoeuvres uit te voeren, en de koning zette zich neder op zijn
-lievelingsplek, onder den wilden vijgeboom, van waar hij de bewegingen
-der ruiters goed kon waarnemen.
-
-Retief liet dus zijn zeventig manschappen opzadelen in het oude kamp;
-de geweren werden geladen met los kruit, en in twee afdeelingen reden
-de Boeren naar de door den koning aangewezen plek. Hier werden een paar
-schitterende ruiterstukjes uitgevoerd, vervolgens zoo snel mogelijk
-drie salvo’s afgegeven, waarna de paarden werden omgeworpen, en men in
-galop terugkeerde naar het kamp.
-
-Nu zouden de Boeren dan vertrekken, doch een adjudant des konings
-verzocht hen uit des konings naam, nog één nacht te blijven, om den
-volgenden morgen als des konings gasten bier met hen te drinken, de
-regimenten nog eens hun oorlogsspelen te zien uitvoeren, en dan in
-vrede huns weegs te gaan.
-
-De Boeren verlangden naar huis, maar zij wilde den koning niet
-onaangenaam zijn; zoo bleven zij in hun kamp. Zwermen aasvogels zagen
-zij neerstrijken op den moordheuvel daar voor hen, doch dit deerde hen
-niet. Morgen, morgen gingen zij immers naar huis!
-
-Zij zaten met elkander te keuvelen en te praten, totdat de milde
-zomeravond zijn schaduwen wierp over het lager. Het begon koeler te
-worden en zij vleiden zich neder om te slapen—het was de laatste nacht
-van hun leven.
-
-Retief en zijn zeventig mannen waren den volgenden morgen vroeg op, en
-begaven zich tot het afscheidsbezoek naar den koning.
-
-Hun werd gezegd, de geweren achter te laten; de argeloozen voldeden aan
-het bevel.
-
-Zij ontmoetten den koning op het exercitieveld en groetten hem
-eerbiedig. Hij groette terug, maar tusschen het gaas door van den
-fijnen, rooden sluier, die zijn gelaat bedekte, flikkerden de oogen van
-een wild, bloeddorstig beest.
-
-Het bier werd rondgedeeld, en de Zoeloe-regimenten voerden hun
-oorlogsdansen uit. Allengs vormden zij om de Boeren een wijden kring,
-die gestadig nauwer werd.
-
-Nog altijd vermoedde Retief geen verraad; zijn trouw en eerlijk hart
-vertrouwde op het koninklijk woord.
-
-„Het wordt tijd!” fluisterde Tambuza, Dingaan’s eerste minister.
-
-Toen liet de koning het masker plotseling vallen.
-
-Hij stond op.
-
-„Slaat de toovenaars dood!” brulde hij, en zich omkeerende, verdween
-hij in zijn woning.
-
-„Verraad!” gilden de Boeren, terwijl zij hun messen trokken, maar ze
-werden verzwolgen door de overstelpende macht des vijands. Zij streden
-en worstelden tot het bittere einde, en vielen als helden en
-martelaren!
-
-Een knots verbrijzelde de hersenpan van Piet Retief; een assegaai
-scheurde zijn lichaam open, en het nog kloppende, trouwe hart werd hem
-uit het lijf gereten en aan Dingaan gebracht.
-
-Toen lachte de bloedhond, en de satan, die vlak achter hem stond,
-lachte ook.
-
-Maar aan den Engelschen zendeling Owen, die aan het „hof” verkeerde,
-liet Dingaan deze boodschap brengen: „Verontrust u niet, mijnheer Owen;
-ik laat de Boeren maar doodslaan.”
-
-De vermoorde Boeren werden intusschen naar den moordheuvel gesleept, en
-hun lijken op een hoop geworpen. Daar bleven zij liggen: een spijs voor
-de aasvogels en het wild gedierte.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII.
-
-
-Met het geschetste moordtooneel heeft de Zoeloekoning de algemeene
-slachting ingeluid, en van uit de hoofdstad verspreidden zich zijn
-regimenten, om de onbezorgde Boeren te overrompelen.
-
-Acht dagen lang heeft dit moorden geduurd, en het zou met de Boeren nog
-veel hachelijker hebben gestaan, indien de verhaalde veldbrand den Trek
-der Boeren niet had vertraagd. Natal was het slagnet, waarin de
-Emigranten moesten worden geworgd, en al was al het volk nog niet in
-Natal, de voorhoede raakte in dat gespannen net toch vreeselijk
-bekneld.
-
-Langs een lijn van bijna zeven uren gaans, van af Rendsburgspruit tot
-aan de Blauwkransrivier, werden de Boerenlagers plotseling
-tegelijkertijd door een groote overmacht aangetast.
-
-Aan de Rendsburgspruit stonden de wagens der familie Rendsburg. Wel
-hadden zij uit de richting van het volgende lager, dat der Malans,
-hooren schieten, doch in de noodlottige meening, dat Piet Retief met de
-zijnen, die thuis werden verwacht, hun nadering door vreugdeschoten
-kenbaar maakten, hadden zij aan geen vijand gedacht.
-
-Zoo was er bij des vijands komst geen gelegenheid meer, om de wagens in
-een kring te trekken, en have en goed in den steek latend, vluchtte men
-op een steilen klipheuvel in de nabijheid.
-
-Als razenden stormden de Zoeloe’s tegen den heuvel op, maar de Boeren
-ontvingen hen met een moorddadig vuur, en sloegen hen terug. Doch thans
-dreigde de ammunitie op te raken, en van de andere lagers, die eveneens
-in grooten nood verkeerden, was geen hulp te verwachten.
-
-In dit gevaarlijk oogenblik werd plotseling de breedgerande hoed
-zichtbaar van een voortjagenden Boer. Het was Marthinus Oosthuizen, een
-dappere kerel. Hij zag den hachelijken toestand der Rendsburgers, en in
-plaats van op eigen lijfsbehoud bedacht te zijn, wendde hij
-onmiddellijk den teugel, om hen bij te staan. Zij echter wenkten hem
-met woorden en gebaren, om hun kruit te verschaffen, en wezen den wagen
-aan, waar het te vinden was. Inderdaad gelukte het den vermetelen Boer,
-een voldoende hoeveelheid kruit machtig te worden, waarmee hij zich bij
-zijn stamgenooten voegde. De moed der arme menschen werd nu wonderlijk
-gesterkt, en terwijl geen hunner werd gedood, zelfs niet gekwetst, lag
-de helling van den heuvel bezaaid met gesneuvelde Kaffers, en de
-Zoeloe’s gaven ’t op.
-
-
-
-Te Doornkop stond een groot lager der Boeren, dat ongemoeid bleef, en
-waar men van niets wist, totdat vluchtelingen, meest vrouwen en
-kinderen, slechts in nachtgewaad gehuld, de vreeselijke ramp kwamen
-mededeelen. Onmiddellijk werden de ossen voor de wagens gespannen, om
-naar de bedreigde punten te trekken, de gewonden en zwakken op te
-nemen, en te redden wat nog te redden was. Rechts en links hoorde men
-voorttrekkende uit de verte den scherpen knal van het geweer en het
-woeste gebrul der Zoeloe-Kaffers, maar er was op het oogenblik geen
-denken aan, om de vrienden te helpen, want eerst moesten de
-vluchtelingen worden opgezocht en verzorgd. Dadelijk echter werden er
-rapporten gezonden aan de nakomende treinen, om zich in lagers te
-vereenigen, daar de vijand in de nabijheid was.
-
-Met de vluchtelingen keerde men naar het Doornkoplager terug, waarna de
-paarden werden gezadeld, en veertig Boeren (de anderen moesten ter
-verdediging van het lager achterblijven) uittrokken, om de benarde
-lagers te helpen. Het eerst stietten zij op het lager van Viljoen, dat
-den schok der Zoeloe’s had doorstaan, doch van al het vee was beroofd.
-Te vreeselijker was de verwoesting van het volgende lager, dat der
-Bezuidenhouts. Niemand, zelfs de zuigeling niet, was gespaard.
-
-Vreemd was het, dat een vreemdeling, een blanke, in een der geplunderde
-en gehavende ossenwagens werd ontdekt, bezig met geld te stelen. Hij
-trachtte te vluchten, maar de Boeren schoten hem dood. Het bleek een
-Engelschman te zijn.
-
-De Boeren noemden de plek, waar het uitgemoorde lager had gestaan, de
-„Moordkraal”, en met bange voorgevoelens in het hart werd de tocht
-voortgezet.
-
-Ach, het was een vreeselijke tocht! Langs de spruiten stonden de
-ossenwagens: in groepen van drie, vier, zes stuks, en reeds aan den
-weerloozen stand dier wagens kon men zien, dat de overrompeling
-volkomen was geweest. Alle levende ziel was uitgeroeid: geworgd,
-doorstoken, vermoord. Men kon zien, hoe de weerlooze vrouwen en
-kinderen (de mannen waren meerendeels op de groote jacht) bijeen waren
-gevlucht en zoo vermoord.
-
-De omtrek van een volgende groep wagens bewees, dat hier lang en bitter
-was gestreden, voordat de Kaffers hadden gezegepraald. Vele
-Kafferlijken bedekten den grond, maar van de dappere verdedigers, de
-Witten en de Botha’s, was ook niemand overgebleven. De gieren waren
-reeds neergestreken op de blanke en zwarte lijken, maar de Boeren
-joegen ze op, begroeven de bekenden, en dekten de anderen met het
-huiflinnen der ossenwagens, opdat de familieleden hen zouden kunnen
-herkennen.
-
-En zoo ging het van groep tot groep—het was één afschuwelijk,
-afgrijselijk bloedbad!
-
-Hoe velen hadden nog getracht te vluchten! Maar de grimmige speer van
-den moordenaar vond hen: onder een wagen, in een kuil, achter een
-doornstruik—nergens was er schuiling geweest! Er was gemoord, geslacht
-met satanische woede! Het hoofd van den zuigeling was verpletterd tegen
-de ijzeren wielbanden van den ossenwagen, en de moeder lag er naast—met
-opengereten lichaam....
-
-Bij een baal rijst vond men een aantal personen vermoord; zij hadden
-gemeend, dat het een baal kruit was, en betaalden hun vergissing met
-hun leven.
-
-In de nabijheid der uitgemoorde legerplaatsen hebben de Boeren later
-een dorp gesticht, en hebben het „Weenen” genoemd. Zij hadden er geen
-passender naam aan kunnen geven, want de harde grond is er waarlijk
-week geworden van al de tranen, die er zijn geschreid.
-
-
-
-Het lager van Gert Maritz, drie en dertig man sterk, kon zich gelukkig
-staande houden. Ook het „Vechtlager” bij de Boschmansrivier doorstond
-de Kafferwoede. Het gevecht duurde hier den ganschen dag, en reeds
-begon de ammunitie op te raken, toen een goed gemikt schot uit een
-drieponder verwarring bracht in de gelederen der Zoeloe’s. Van dit
-oogenblik maakten de Boeren gebruik, om een krachtigen uitval te doen,
-en de moordenaars sloegen op de vlucht.
-
-Wonderen van dapperheid zijn in die bange dagen door de Boeren
-verricht. De Oosthuizen’s, de Naudè’s, de de Beer’s, de Cilliersen, de
-Pretoriussen, de Maritzen, en zoovele anderen, de vrouwen en dochters
-der Voortrekkers niet te vergeten, zij hebben met een heldenmoed
-gestreden, die onze eerbiedige hulde afdwingt, en hunne nagedachtenis
-zal in eere blijven, zoolang voor heldenmoed en dapperheid nog harten
-kloppen!
-
-
-
-Het was voor de afwezige Boeren een ontzettend oogenblik, toen zij, des
-avonds van de jacht terugkeerend, voor hunne uitgemoorde, uitgebrande
-kampen stilhielden.
-
-Daar lagen hun broeders, hunne vaders, hunne zonen: verslagen als de
-helden van Israël op het gebergte van Gilboa!
-
-Waar waren hunne lagers gebleven, die zij zoo hoopvol hadden verlaten?
-Het vroolijk gezang der kinderen, het vriendelijke oog der
-huisvrouw—waar was het gebleven?
-
-Ach, alles wat hun lief en dierbaar was op deze aarde, het was
-verdwenen, het was ondergegaan! En hun oog zag niets dan brandende
-puinhoopen, afschuwelijk verminkte lijken en rookende bloedplassen!
-
-Op de klipsteenen, die daar rond lagen, daar gingen de Boeren zitten.
-En zij hieven hunne stem op en weenden....
-
-En toen hunne oogen geen tranen meer hadden, toen stonden zij op. En
-zij hieven hunne handen omhoog naar de sterren, die boven hunne hoofden
-fonkelden, en zij zwoeren bij Hem, Die eeuwig leeft, dat zij dit
-onschuldige bloed zouden wreken....
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII.
-
-
-Onder aanvoering hunner beproefde voormannen Piet Uijs en Hendrik
-Potgieter (laatstgenoemde was na den dood van Retief over het
-Drakengebergte ter hulpe gesneld), trokken de Boeren tegen Dingaan op,
-om het onschuldig verraden bloed te wreken.
-
-De jonge Boeren uit Kloppers’ lager sloten zich bij den tocht aan, doch
-Gert Kloppers en de andere huisvaders bleven, daar het gevaar van
-overrompeling niet gering was, ter verdediging in het lager achter.
-
-Dingaan zou van twee kanten worden aangevallen: door de Engelsche
-kolonisten, die aan de kust woonden, en die voor de Zoeloe’s even
-beducht mochten zijn als de Boeren, van de Zuidzijde, en door de Boeren
-van de Westzijde.
-
-Het Boeren-kommando bestond uit ongeveer vijfhonderd man. Daar kon
-Dingaan twintig duizend soldaten tegenover stellen: krijgers, gehard in
-den strijd. Wel hadden de Boeren geweren, doch tegen één geweer stonden
-veertig assegaaien!
-
-De Boeren rukten recht op Dingaan’s hoofdstad aan. ’t Was
-verwonderlijk, hoe weinig tegenstand zij ondervonden. Maar ’t was nog
-verwonderlijker, dat de aanvoerders der Boeren geen achterdocht kregen.
-
-Nu en dan zag men op de toppen der bergen eenige zwarte stippen; het
-waren schildwachten der Zoeloe’s, die bij de nadering der Boeren snel
-verdwenen, terwijl men des nachts de seinvuren des vijands zag
-flikkeren.
-
-In den namiddag van den 13. April 1838 sloegen de Boeren hun kamp op
-bij Italeni, aan den voet van een hoogen bergrug, en den volgenden dag
-hoopte men door een snelle beweging Dingaan’s hoofdstad, waarvan
-slechts eenige mijlen afstands hen meer scheidden, te nemen, haar aan
-de vlammen prijs te geven, en Dingaan van zijn troon te stooten.
-
-Reeds bij het derde hanengekraai van den volgenden morgen was het
-geheele lager in beweging. De paarden werden gezadeld, de
-kampbenoodigdheden op de weinige wagens geladen, en de orde van den
-tocht geregeld.
-
-Piet Uijs leidde de voorhoede; Hendrik Potgieter en zijn mannen
-volgden. Zoo kwam men voor een enge vallei, aan weerskanten ingesloten
-door hooge, boschrijke bergen. De zon begon juist de toppen der hoogste
-bergen te vergulden, toen men voor den ingang kwam van die vallei.
-
-„Dat lijkt sprekend op een muizenval,” fluisterde Dirk Kloppers tot den
-leeuwenjager, die naast hem reed.
-
-De leeuwenjager knikte; hij was van dezelfde meening.
-
-Ook Piet Uijs dacht iets dergelijks; die vredige vallei leek hem als
-een poorte des doods.
-
-„Is de weg veilig?” vraagde hij aan de patrouille, die op kondschap was
-uitgezonden geweest.
-
-„Veilig,” antwoordde de patrouille.
-
-„Is er geen andere weg?” vraagde hij opnieuw.
-
-„Men kan deze bergen omtrekken,” antwoordde de patrouille, „maar er
-gaat veel kostbare tijd mee verloren, en de menschen hunkeren naar de
-beslissing.”
-
-De Boeren haakten naar de beslissing; dat was waar.
-
-En de weg was veilig, rapporteerde de patrouille.
-
-Pieter Uijs had zijn aarzeling overwonnen; hij richtte zich op in de
-stijgbeugels en riep met krachtige stem: „Voorwaarts!”
-
-De macht der Boeren bestond uit vijfhonderd man, waarvan de voorhoede,
-door het geheele kommando gevolgd, nu in gesloten gelederen de
-bergkloof insloeg.
-
-Zonder eenig ongeval passeerde men de gevaarlijke punten.
-
-Piet Uijs had zich blijkbaar noodeloos ongerust gemaakt. Wel werd het
-in het bosch aan de rechterzijde plotseling levendig, maar de beweging
-ontstond door een schaar wilde papegaaien, die bij het brieschen der
-paarden opvlogen, en een paar opgeschrikte reebokken gingen in groote
-sprongen voor de ruiters uit.
-
-
-
-De voorhoede heeft nu gelukkig bijna den uitgang der gevaarlijke kloof
-bereikt, maar daar—wat is dat? Is de uitgang versperd?
-
-Neen, het kàn niet waar zijn.
-
-Tòch is het waar.
-
-Alsof ze uit den grond zijn opgerezen, zoo staan daar twee
-Zoeloe-regimenten—in volle slagorde. Het breede, stalen lemmet der
-stootassegaai flikkert in hun vuist, en zij slaan op hun leeren
-schilden, dat het dreunt als het rommelen van den verren donder.
-
-Tegelijkertijd begint er beweging te komen langs de begroeide hellingen
-aan weerszijden van den weg, en het krijgsgeschreeuw der Zoeloe’s,
-daverend van berg tot berg, doet de moedige Boerenharten sneller
-kloppen.
-
-„Houdt de gelederen gesloten!” roept Piet Uijs.
-
-Op dit oogenblik dringt een Boer naar voren, naar de spits der
-voorhoede, waar Piet Uijs zich bevindt, en rapporteert: „Kommandant
-Potgieter laat u weten, dat de Zoeloe’s hem van achter aanvallen en de
-vallei versperren!”
-
-„De klep van de val is dicht,” meent Dirk Kloppers.
-
-„Ik heb het niet anders verwacht,” zegt de leeuwenjager.
-
-De Boeren zitten inderdaad in den val. Zij zijn geheel omsingeld; de
-vredige vallei is werkelijk geworden eene poorte des doods.
-
-Maar de dappere Piet Uijs, die zijn mannen hier heeft gebracht, zal die
-poorte open breken door zijn sterken arm.
-
-„Zeg aan kommandant Potgieter,” beveelt hij aan den rapportganger, „dat
-hij mij van achter dekke! Onze weg ligt voorwaarts!”
-
-Tegelijkertijd kommandeert hij vuur, en de kogels der Boeren slaan een
-stuiptrekkende opening in den Kaffermuur voor hen.
-
-
-
-Potgieter kon aan den wensch van Piet Uijs niet meer voldoen, want de
-snelvoetige Zoeloe’s waren, van de hellingen der bergen naar beneden
-stormend, reeds als een wig tusschen de voor- en achterhoede der Boeren
-ingedrongen.
-
-Potgieter achtte het dus het verstandigst, om eerst van achter zich
-ruimte te maken, en daarna zich door te slaan naar de voorhoede.
-
-In dien geest gaf hij bevel, snel eenige salvo’s op de Zoeloe’s die van
-achter opdrongen, te geven, dan te paard te springen, en in vollen
-galop door den Kaffermuur heen te breken.
-
-De order werd even snel als onverschrokken uitgevoerd, en voordat de
-slagorde der Zoeloe’s, door de hevige losbrandingen van het geweer in
-verwarring gebracht, zich kon herstellen, zaten de ruiters er reeds
-tusschen in en maakten ruim baan.
-
-Het eerste gedeelte van het krijgsplan was schitterend en met
-betrekkelijk gering verlies uitgevoerd. Slechts een paar Boeren waren,
-door de werpassegaai getroffen, achtergebleven in de bres. Doch nu kwam
-het tweede gedeelte van het krijgsplan: zich opnieuw te wagen in die
-enge vallei, in die poorte des doods, zich door te slaan door de van
-vijanden krioelende kloof, en zich te vereenigen met de voorhoede.
-
-Potgieter wendde nu den teugel van zijn paard en kommandeerde: „Terug
-mannen, de kloof in! En aansluiting gezocht met de voorhoede!” doch
-deze order is nooit uitgevoerd.
-
-Werd het bevel niet gehoord of begrepen—wie zal het zeggen?
-
-Slechts een handvol dapperen schaarden zich aan Potgieter’s zijde,
-terwijl de anderen het open veld opgingen. Onder deze omstandigheden
-viel er niet aan te denken om de voorhoede bij te springen, en
-Potgieter had al zijn beleid noodig, om zelf niet door de overstelpende
-overmacht des vijands dood gedrukt te worden, en met droefheid in de
-ziel en bestendig vurend, trok de dappere kommandant langzaam terug
-naar de vlakte.
-
-
-
-Intusschen was de voorhoede onder Piet Uijs in een bloedigen strijd
-gewikkeld, en hij streed als de leeuw, die door de wolven omsingeld is.
-Nog altijd hoopte men op hulp van Potgieter, maar Karel Landman, die
-met onbezweken moed tot nog toe had gevochten, riep, op een steilte
-gekomen, van waar hij de geheele vallei kon overzien: „Potgieter en
-zijn mannen trekken terug—nu is alles verloren!” Maar zijn ervaren oog
-ontdekte tegelijkertijd, dat ter linkerzijde nog een uitweg was uit de
-doodelijke kloof, en hij haastte zich, dit den kommandant mede te
-deelen.
-
-„Neem dan dien uitweg,” zeide Piet Uijs snel beraden, „en ik zal met
-eenige manschappen den aftocht dekken!”
-
-Zoo geschiedde het, en de Boeren trokken al vechtende terug, het open
-veld in, dat met lang Tamboeki-gras was bedekt.
-
-Juist hield Piet Uijs zijn paard even in, om den vuursteen van zijn
-geweer te scherpen, toen uit dat lange gras de gespierde arm van een
-Zoeloe-krijger zichtbaar werd. Op hetzelfde oogenblik drong een speer
-met kracht in de rechterheup van den wakkeren aanvoerder, dien hij met
-eigen hand nog uit de wond trok.
-
-Tegelijkertijd stortte het paard neer van een Boer, met name Nel, die
-naast hem reed.
-
-„Om ’s hemels wil, kommandant,” smeekte Nel, „laat mij niet in handen
-van den vijand vallen!”
-
-„Neen, broeder,” antwoordde de zwaargewonde, „dat zal ik niet doen.
-Spring achter op mijn paard; het is sterk, en zal ons beiden dragen!”
-
-Nel haastte zich om het te doen, doch het paard van Uijs had nog maar
-weinige stappen gedaan, toen Nel met de handen naar boven tastte, alsof
-hij een houvast zocht, en door een doodelijken speerworp getroffen,
-tuimelde hij van het paard.
-
-Uijs was intusschen doodsbleek geworden; slechts met moeite hield hij
-zich in het zadel. Twee van zijn manschappen plaatsten zich nu met hun
-paarden aan weerskanten van den geliefden aanvoerder, hem onder het
-rijden ondersteunende.
-
-Maar de dappere Voortrekker had genoeg; hij voelde zijn einde naderen.
-Hij nam afscheid van zijn krijgsmakkers, beval hen—het was zijn laatste
-order!—hem te verlaten, om voor hun eigen leven te zorgen, en nam
-afscheid met de woorden: „Denkt aan mijn vrouw en kinderen, strijdt
-voor uw volk en houdt God voor oogen!”
-
-Vol weemoed en droefheid, maar toch nog met de stille hoop in het hart,
-dat zij hem straks nog zouden kunnen redden, lieten zijn makkers hem
-achter.
-
-Helaas! Het was een ijdele hoop. Zij waren nog niet ver gekomen, toen
-zij den sterken man zagen waggelen en van het paard vallen.
-
-Dirk, de twaalfjarige zoon van Piet Uijs, was een eind vooruit.
-
-De zwaargewonde aanvoerder hief uit het lange gras, waar hij lag, nog
-het stervende hoofd op, om te zien, of Dirk in veiligheid was.
-
-Hij ontdekte hem, en wenkte hem met de laatste krachtsinspanning om te
-vluchten. Maar het heldenbloed zijner vaderen klopte in het hart van
-dien jongen; hij wendde zijn paard. Drie Zoeloe’s schoot hij neer; toen
-viel hij, door een assegaai doodelijk getroffen, in de armen van zijn
-stervenden vader.
-
-Dat was het einde van Piet Uijs, dien de Boeren den Dappere noemen, en
-van zijn heldenzoon Dirk. Maar het Boeren-kommando trok, door de
-snelvoetige Zoeloe’s onophoudelijk bestookt en verontrust,
-teleurgesteld en ontmoedigd terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIX.
-
-
-Hoe was het met den veldtocht, dien de Engelsche kolonisten hadden
-beraamd, afgeloopen?
-
-Zij waren op den bepaalden, met de Boeren afgesproken tijd, met een
-macht van 3000 Kaffers, waarvan er ongeveer 400 met geweren waren
-gewapend, en een afdeeling blanken op marsen gegaan, om den
-Zoeloe-koning van uit het zuiden te bestoken, terwijl de Boeren, zooals
-reeds gezegd, van uit het westen zouden optrekken.
-
-Het kommando stond onder het bevel van Robert Biggar, John Cane en
-Ogle, drie Engelschen. Biggar was opperbevelhebber.
-
-Zonder veel hindernissen werd de Tugelarivier overgetrokken, en een
-Zoeloe-regiment, dat op verkenning was uitgezonden, teruggeworpen.
-
-Het leger vervolgde nu zijn tocht en bereikte Endouka Kusuka. Hier
-stond slechts een zwak regiment der Zoeloe’s, daar de hoofdmacht van
-den vijand op Dingaan’s bevel verder landwaarts was ingetrokken, om als
-reserve dienst te doen, indien de Boeren in hun vermetelen tocht
-mochten slagen.
-
-Maar de tocht der Boeren had reeds schipbreuk geleden, en ijlboden
-brachten aan de reserve de order onmiddellijk hare vorige stelling, die
-ernstig bedreigd werd, in te nemen.
-
-De Engelschen echter waren de Zoeloe’s voor. Bij het krieken van den
-dageraad was Kasuka omsingeld, en een vernielend snelvuur werd op de
-plaats gericht. Onder gebrul en gejuich bestormden nu de Kaffers onder
-hun blanken aanvoerder de plaats, die wel een stad werd genoemd, doch
-slechts, evenals de andere Zoeloe-steden, uit een groot aantal, in
-lange rijen zich uitstrekkende stroohutten bestond, en namen de zwakke
-verschansingen. Weldra kronkelden de rookwolken omhoog boven de plaats,
-en verkondigden aan de in ijlmarschen naderende hoofdmacht der
-Zoeloe’s, dat zij te laat kwamen, om hun stad te redden.
-
-Maar dit gezicht maakte hen razend, en geprikkeld door het bewustzijn,
-dat de gevreesde Boeren voor de Zoeloe’s waren geweken, daalden zij
-snel van de heuvelen neer, die Kasuka omringden, om den vijand slag te
-leveren.
-
-Het waren zeven regimenten, ongeveer 10000 man, die de heuvelen
-afstormden.
-
-Biggar zag hen naderen. Met grooten spoed stelde hij zijn leger in
-slagorde op voor de brandende stad, en de voorhoede der Zoeloe’s werd
-met zoo’n geduchten kogelregen begroet, dat zij zwenkte, het slagveld
-vol dooden en gewonden achter zich latende.
-
-Er was een oogenblik van verademing, maar de geheele macht der Zoeloe’s
-rukte nu op in den vorm van een halve maan, een slagorde, door koning
-Chaka [11] uitgevonden, waarvan het centrum recht op den vijand
-aanrukte, terwijl de vleugels hem in snellen aanloop moesten
-omsingelen.
-
-Biggar zag de gevaarlijke beweging, en terwijl Ogle met zijn
-manschappen tegen den linkervleugel des vijands optrok, zou Cane zijn
-rechtervleugel zien te keeren.
-
-Ogle was inderdaad zoo gelukkig, den vijand terug te werpen, toen zijn
-Kaffers, door een nooit opgehelderde paniek aangetast, plotseling
-uiteen stoven, en hun heil in de vlucht zochten.
-
-Het was een onherstelbare slag.
-
-Wel snelden de blanken aan het hoofd van versche manschappen naar het
-bedreigde punt, doch daardoor werden weer andere punten ontbloot, en de
-vreeselijke hoornen der halve maan begonnen elkander dicht te naderen.
-
-Cane kreeg een assegaai voor in de borst, en terwijl hij ze met eigen
-hand uit de wond rukte, trof hem de tweede speer tusschen de schouders.
-Het wapen stond te schudden in zijn vleesch. Een Kaffervorst, een van
-Cane’s trouwste vrienden, sprong toe, om de assegaai uit de wond te
-halen, doch Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en
-verbrijzelde diens hoofd door een geweerschot.
-
-Maar de Zoeloe’s lieten hem weinig tijd, om de vreeselijke vergissing
-te betreuren. Door vier speren getroffen, stortte hij tegen den grond.
-Geen twee minuten later lagen ook Biggar en Ogle zieltogend uitgestrekt
-op den van bloed doorweekten bodem, en het geheele Kafferkommando
-verstoof als kaf voor den wind.
-
-Het was een vreeselijke vlucht, en de Kaffers kwamen aan de
-Tugelarivier aan op een punt, waar de oever uit honderd voet hooge,
-loodrechte rotsen bestond. De Tugela werd voor hen een andere Berezina.
-Met de scherpe speer der Zoeloe’s achter zich was er geen tijd voor
-beraad, en de ongelukkigen stortten verpletterd neer op de harde
-klippen en steenen der Tugelabedding. Eerst toen er een hooge laag van
-stuiptrekkende, stervende lichamen was gevormd, werd de val der
-nakomenden gebroken, en bereikten dezen den overkant. Doch ook hier was
-men nog niet veilig, want een sterke afdeeling der Zoeloe’s was, de
-rotsen omtrekkend, op een gemakkelijke plek de rivier overgetrokken, en
-versperde den ontkomenen opnieuw den weg. Hier viel de laatste blanke,
-Blankenberg, en van het Kafferkommando van Biggar schoten slechts
-weinig honderdtallen over.
-
-Als een bergstroom vervolgde het Zoeloe-leger, plunderend en
-verwoestend, zijn overwinningstocht. De Engelsche kolonisten hadden
-geen rust voor het hol van hun voet en weken terug tot aan het strand
-van den Oceaan. En er zou hun slechts de keuze zijn overgebleven
-tusschen de golven van dien Oceaan en de speer van den Zoeloe, indien
-in dit hachelijk oogenblik niet een schip in de baai het anker had
-uitgeworpen. Het nam de ongelukkigen aan boord, heesch toen de vlag en
-koos het ruime sop.
-
-Maar de Boeren bleven achter, omloeid door het heidendom, en vaster dan
-ooit stond Dingaan’s troon. Met een grijnslach om den wreeden mond
-zeide hij tot zijn kapiteins: „Zie, op gindschen heuvel ligt het
-afgeknaagde gebeente van Piet Retief en de zijnen; bij dien anderen
-heuvel, waar juist een zwerm aasvogels neerstrijkt, ligt Piet Uijs,
-zijn wreker, en ik heb de bedding der Tugelarivier geplaveid met de
-lijken mijner vijanden. Uwe assegaaien druipen van het bloed van acht
-honderd Boerenmenschen, en ik ben besloten, om dit volk te verdelgen
-tot den laatsten man!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XX.
-
-
-Hendrik Potgieter had er genoeg van, en trok met zijn volgelingen terug
-naar de oevers der Vaalrivier.
-
-Een bange tijd brak nu aan voor de achterblijvende Boeren. De
-levensmiddelen, zelfs de ammunitie, raakte bij velen op, en het
-nijpendste gebrek stond voor de deur. Daarbij kwamen vele en zware
-regens, en in hun gevolg ernstige koortsen, die het volk teisterden.
-
-Men kon elk oogenblik Dingaan’s bloeddorstige regimenten verwachten, en
-om dien schok te kunnen weerstaan, werden er twee groote, elk uit
-vijfhonderd ossenwagens bestaande, lagers gevormd, waarvan het lager,
-onder bevel van Gert Maritz, bij de kleine Tugelarivier, en het andere,
-onder bevel van Jakobus Potgieter aan een zijtak der Blauwkransrivier
-werd opgeslagen, op de plek, waar de wagens van Piet Uijs hadden
-gestaan.
-
-Dit lager werd het Modderlager genaamd van wege den door vele regens
-doorweekten grond, en na verloop van vier maanden was men dan ook
-verplicht, het te verplaatsen naar de Boschmansrivier.
-
-Hier, aan de Boschmansrivier, kreeg men de Zoeloe’s. Drie volle
-etmalen, van den 10den tot en met den 12den Augustus 1838 duurde de
-bestorming; het lager lag als een eenzaam eiland in een wild bruisende
-zee.
-
-Den derden dag ontving Gert Maritz bericht van het groote gevaar,
-waarin de stamgenooten verkeerden. Het eigen lager werd nu snel in
-staat van verdediging gebracht; daarna zadelde Maritz op, en trok met
-een sterke wacht uit, om het benarde lager te ontzetten. Maar de
-dappere mannen van Jakobus Potgieter hadden zich met zooveel kracht
-verweerd, dat de Zoeloe’s het na een verlies van duizenden manschappen
-hadden moeten opgeven.
-
-Als door een wonder was ook het kleine kamp der van Dijken, niet ver
-van Jakobus Potgieter’s lager opgeslagen, aan het dreigend gevaar
-ontsnapt. Midden in den nacht kwam hier de tijding, dat de Zoeloe’s in
-aantocht waren, en terwijl de vrouwen en de kinderen in hun nachtgewaad
-de bosschen invluchtten, maakten zich de weinig weerbare mannen gereed,
-om het zwakke lager te verdedigen. Maar de Zoeloe’s ontdekten het niet,
-en de menschen waren gered.
-
-Er heerschte dus groote blijdschap bij de Boeren, doch zij werd niet
-weinig getemperd, toen men tot de treurige ervaring kwam, dat al het
-vee, dat toch het hoofdbestaan der Boeren uitmaakte, zoowel het vee van
-Potgieter’s lager als dat der van Dijken, door de Zoeloe’s was
-meegevoerd.
-
-Acht dagen na het gevecht werd Jakobus Potgieter’s lager verplaatst
-naar de kleine Tugelarivier, slechts door de rivier van Gert Maritz’
-lager gescheiden.
-
-Beide lagers werden nu herschapen in ééne sterke vesting, die door
-zware zodenmuren en diepe grachten werd beschermd, terwijl zij werd
-gedekt door zoogenaamde „schiethokken” aan de hoeken, van waar men de
-muren kon bestrijken.
-
-In het midden van het lager was een groote ruimte gelaten, die
-overspannen werd met tentlinnen, waar de Nederlandsche zendeling Smit,
-die de Boeren in hun grooten nood trouw ter zijde heeft gestaan,
-geregeld godsdienstoefening hield.
-
-In dit lager hebben de Boeren vijf maanden gestaan, en hier is hun het
-water werkelijk tot aan de lippen gekomen.
-
-De beesten waren geroofd, de proviand raakte op, en de hongersnood
-stond voor de deur. En alsof al deze rampen nog niet genoeg waren, werd
-de wakkere Voortrekker Gert Maritz ziek en bezweek. Onder vele tranen
-werd hem in het lager een laatste rustplaats bereid, en de Boeren, door
-zooveel leed overmand, lieten het moedige hoofd zakken.
-
-In zware tegenheden handelde God met dit volk, en Hij bezocht het met
-zijn kastijdende roede. Hij schudde het, evenals zijn storm de wateren
-schudt en zuivert. Hij wierp het in den heeten oven der beproeving,
-opdat het gereinigd te voorschijn zou komen, als goud, gelouterd in den
-smeltkroes. Immers Hij had het volk der Emigranten-Boeren uitverkoren,
-om de weegschalen van het heilig recht hoog te houden onder de blinde
-heidenen, die niet wisten van God noch van zijn gebod.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXI.
-
-
-„Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijne klacht
-uitstort voor het aangezicht des Heeren.
-
-„O Heere! Hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.
-
-„Verberg uw aangezicht niet voor mij, neig uw oor tot mij ten dage
-mijner benauwdheid; ten dage als ik roep, verhoor mij haastelijk.”
-
-Vrouw Kloppers staakt even met het lezen van den psalm, en luistert
-naar den wind, die het linnen doet golven der tent boven haar.
-
-„Want mijne dagen zijn vergaan als rook, en mijne gebeenten zijn
-uitgebrand als een haard....
-
-„Mijne vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij
-mij.
-
-„Want ik eet asch als brood, en vermeng mijn drank met tranen.
-
-„Van wege uwe verstoordheid en uwen grooten toorn: want Gij hebt mij
-verheven en weder nedergeworpen.”
-
-Weer houdt vrouw Kloppers op; haar leven gaat voor het oog harer ziel
-voorbij.
-
-De regen klettert tegen het linnen der tent; op sommige plaatsen, waar
-het linnen versleten raakt, dringt hij er door. Het opengeslagen
-bijbelblad wordt vochtig, maar dat komt niet van de regendruppels. Dat
-komt van de tranen, die vrouw Kloppers langzaam over de wangen rollen.
-
-„Mijne dagen zijn als eene afgaande schaduw, en ik verdor als gras.”
-
-Ja, dat getuigen hare diepliggende oogen, hare ingevallen wangen, die
-smartelijke trek om haar mond.
-
-„Maar Gij, Heere! Blijft in eeuwigheid, en uwe gedachtenis van geslacht
-tot geslacht.”
-
-„Amen!” zegt hare ziel.
-
-„Gij zult opstaan, Gij zult u ontfermen over Zion, want de tijd om haar
-genadig te zijn, de bestemde tijd is gekomen.”
-
-Ja, dat is hare hoop; die hoop houdt haar staande; zonder die hoop ware
-zij reeds lang vergaan.
-
-God zal zich ontfermen over Zion, over het geestelijk Zion, over zijn
-uitverkoren volk, over het schuldige maar in zijn onwankelbaar verbond
-opgenomen volk der Emigranten-Boeren.
-
-Vrouw Kloppers wil doorlezen, maar Hannie roept. Hannie is ook in de
-tent, maar ge zoudt het lieve kind niet meer kennen: zoo uitgeteerd
-ziet zij er uit. De koortsen hebben haar vreeselijk geteisterd, doch
-die beteren nu gelukkig. Maar zij heeft thans versterkend voedsel
-noodig, dat bijna niet te krijgen is. Want van den kostbaren veestapel,
-dien Gert Kloppers meebracht uit de Kolonie, is niets overgeschoten dan
-een paar melkkoeien en eenige paarden. Het andere vee is op den langen
-tocht verongelukt of geroofd door de Zoeloe-Kaffers. Tevens is het
-eetbaar wild ver weggevlucht, en de Boeren durven zich niet van hun
-lagers verwijderen uit vrees, dat deze zullen overrompeld worden door
-de overmoedige, bloeddorstige vijanden.
-
-„Moeke, wanneer komt Vader thuis?”
-
-„Ik wacht hem elk oogenblik, lieveling.”
-
-„Is Vader op de jacht?”
-
-„Ja, mijn kind.”
-
-Al drie dagen is Gert Kloppers in de buurt op de jacht geweest, zonder
-iets onder schot te krijgen.
-
-De andere jagers zijn niet gelukkiger geweest.
-
-„Ik wou, dat Vader eens een blesbok schoot; wat zou dat vleesch ons
-smaken!”
-
-De moeder zucht, doch buiten wordt een mannenstem gehoord, en Gert
-Kloppers treedt binnen.
-
-Hij heeft er in geen weken zoo opgeruimd uitgezien.
-
-„Ik heb een bok geschoten, Hanneke,” zegt hij, „een goeie, hoor! Hij
-ligt hier buiten. Nu zullen we smullen!”
-
-„Nu zullen we smullen,” herhaalt de kleine Hannie, en zij klapt met
-hare magere handjes.
-
-Ook vrouw Kloppers is innig verblijd, en zij zegt: „De Heere vergeet
-ons nog niet,” maar haar man met haar vriendelijken blik aanziende,
-laat zij er op volgen: „Beste man, gij hebt zeker geen droogen draad
-aan je lijf; droog je hier bij het vuur, en ik zal dadelijk koffie
-zetten.”
-
-„Zeker koffie van geroosterde gerst?”
-
-„Ja, de echte koffie is al lang op.”
-
-„Nu, maar ik moet echte koffie hebben vandaag, vrouwke.”
-
-Hanna kijkt haar man verwonderd aan. Hij heeft al verscheidene weken
-het opgietsel van geroosterde gerst voor lief genomen; hij weet, dat er
-in het heele lager geen lood koffie te krijgen is, en toch wil hij ze
-van middag hebben. Zij begrijpt er niets van, maar nog minder begrijpt
-zij ’t, nu haar man met een lachend gelaat uit een grooten, diepen zak
-een buil echte koffieboonen haalt en op de tafel legt.
-
-„Je bent in den regel nog al slim; maar dat begrijp je zeker niet?”
-zegt hij.
-
-Zij schudt het hoofd—hoe zou ze dat begrijpen?
-
-„Dan zul je dàt ook wel niet begrijpen, en dàt, en dàt—” en hij haalt
-wel vijftien builen uit den zak: kruidenierswaren, gedroogde vruchten,
-specerijen, enzoovoort. De zak schijnt wel onuitputtelijk.
-
-De verbazing van vrouw Kloppers kent geen grenzen, maar dit hindert
-haar niet, om onmiddellijk echte koffie, Javakoffie te zetten.
-Intusschen helpt Kloppers zijn vrouw uit den droom: „Onze broeders in
-de Kolonie en in den omtrek der Vaalrivier hebben van onzen grooten
-nood gehoord, en zich gehaast, om levensmiddelen te zenden. Dat is het
-medelijdende, Afrikaansche bloed, Hanneke, dat zich niet verloochenen
-kan. Nu zijn een paar volgeladen ossenwagens met levensmiddelen reeds
-in de buurt aangekomen, en om je te verrassen, heb ik al vast het een
-en ander meegebracht.”
-
-De koffie is thans gezet; de zoo lang ontbeerde suiker is er nu ook, en
-een blikken kannetje, half gevuld met melk, voltooit de nederige
-koffietafel. Maar het echtpaar heeft schik, en verkneutert zich in den
-naar hunne meening zoo rijk voorzienen disch.
-
-Het duurt niet lang, of Dirk, de zoon, komt ook binnen. Hij is platzak
-en gemelijk van de jacht thuis gekomen en is niet weinig in zijn schik
-geweest, toen hij het geschoten hert in de gaten kreeg.
-
-Opgewekt treedt hij binnen.
-
-„Zoo, Vader,” zegt hij, „hebt ge dien bok geschoten? Kom aan, ’t is een
-baas, hoor! Wij zullen er straks een flink stuk afsnijden en boven het
-vuur roosteren.”
-
-„En echte koffie gezet?” laat hij er op volgen, met behagen den
-koffiegeur ruikend.
-
-„Waar haal je ’t van daan? Flink, Moeder, schenk maar eens in; dat zal
-me verwarmen, want ’t is een geducht koude regen.”
-
-Hij wordt hoe langer hoe opgewekter.
-
-„En wat ligt daar toch allemaal op de tafel? Het lijkt wel een heele
-kruidenierswinkel. Menschen, waar komt dat toch allemaal van daan?”
-
-„Raad maar eens,” zegt zijn vader.
-
-„Van de Engelsche regeering!” antwoordt Dirk.
-
-Hij schaterlacht, terwijl hij dit zegt. Deze lach werkt aanstekelijk;
-ook zijne ouders, zelfs de kleine Hannie beginnen te lachen. Er begint
-een frissche, vroolijke toon te heerschen; het wordt bepaald gezellig
-in de oude, gehavende tent.
-
-Na eenigen tijd komt de leeuwenjager, die een paar dagen afwezig is
-geweest.
-
-Hij heeft iets gewichtigs; de anderen merken het aan zijn stap, die
-driftiger is dan gewoonlijk.
-
-Over dien vreeselijken Februarimorgen, toen Mieke door een assegaai
-werd gedood en den daaropvolgenden morgen, toen zij in de koele aarde
-werd neergelegd, spreekt hij nooit. Maar in zijn binnenste brandt een
-vuur.
-
-„Belangrijk nieuws!” zegt hij op zijn gewonen, korten toon.
-
-De anderen zien hem vragend aan.
-
-„Pretorius is aangekomen.”
-
-„Welke Pretorius?” vraagt Kloppers.
-
-„Andries Wessel uit het district Graaff-Reynet.”
-
-„Ik heb geruchtswijze gehoord, dat hij ons komt helpen,” zegt Kloppers.
-
-„Niets vaster dan dat,” antwoordt de leeuwenjager met klem.
-
-„Dus we trekken weer tegen de Zoeloe’s op?”
-
-„Dat zou ik denken.”
-
-De oogen van den leeuwenjager flikkeren, terwijl hij dit zegt; zij
-weerkaatsen het vuur, dat in zijn binnenste brandt.
-
-„Met hoeveel man is hij gekomen?”
-
-„Met vierhonderd: allen flinke, dappere kerels.”
-
-„Mooi,” zegt Kloppers. Hij wrijft zich van plezier de handen.
-
-„Heb je ze gesproken, Teunis?”
-
-„Ik heb hun veldkornetten de hand gedrukt. Zij hebben gezegd: Wij zijn
-gekomen, om onze broeders in Natal te helpen. Wij willen met hen
-sterven of overwinnen. Dat hebben zij gezegd.”
-
-De oogen van Kloppers beginnen te schitteren.
-
-„Daaraan herken ik weer den echten, onverbasterden, Afrikaanschen
-aard,” zegt hij. „Wij Boeren zijn net als de kinderen in een groot
-huishouden: dikwijls gekibbel en ruzie. Maar als de vijand voor de
-poorten staat, als het meenens wordt, dan staan we schouder aan
-schouder: één voor allen; allen voor één.
-
-„En wanneer zal de veldtocht beginnen, Teunis?”
-
-„Zoo gauw mogelijk; binnen eenige dagen. Pretorius zet er haast
-achter.”
-
-„Hij heeft gelijk,” zegt Kloppers. „Hoe eerder hoe beter. We moèten met
-de Zoeloe’s afrekenen. Ten eerste, omdat het onschuldig vergoten bloed
-moet worden gewroken. God heeft ons Boeren de roeping gegeven, om onder
-de heidenen de Overheid te vertegenwoordigen, en de Overheid draagt het
-zwaard niet te vergeefs. Ten tweede, omdat onze toestand bij den dag
-onhoudbaarder wordt. Daarom zeg ik nog eens: hoe eerder de veldtocht
-begint, hoe beter.”
-
-Hij ziet zijn zoon aan.
-
-„Dirk,” zegt hij, „ik wou wel mee trekken in den oorlog; wilt gij niet
-hier blijven ter verdediging van het lager?”
-
-„Liefst niet, vader!” zegt Dirk. „Ik smeek u, laat me mee!”
-
-„Goed dan, gij zult mee—Teunis, blijf jij dan hier?”
-
-„Ik? Neem me niet kwalijk, maar ik heb geen tijd.”
-
-„Als de anderen ook zoo praten, dan blijft er geen man hier,” zegt
-Kloppers.
-
-„De huisvaders behooren hier te blijven; laat de jònge menschen
-trekken,” antwoordt de leeuwenjager.
-
-Er volgt een pauze.
-
-„Het wordt een ernstige strijd,” zegt Kloppers; „een strijd op leven en
-dood!”
-
-„Ja, op leven en dood,” zegt de leeuwenjager; „de twee volgende maanden
-brengen ons den ondergang of de overwinning!”
-
-„De overwinning en de zegepraal!” roept vrouw Kloppers.
-
-Zij is opgestaan; zij heeft de hand op haren bijbel gelegd.
-
-Hare oogen stralen als van een profetes uit het oude Verbond.
-
-„De Heere zal zich ontfermen over ons volk,” zegt zij met luide,
-plechtige stem, „en Hij zal ons voeren uit den strik der heidenen!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXII.
-
-
-Pretorius, de man met het moedige hart en het schrandere brein, de man,
-wien de onverwelkelijke eere zal verblijven, dat hij onder diep
-ontmoedigende omstandigheden den hachelijken strijd tegen den Koning
-der Zoeloe’s dorst aan te binden, was met zijn Boeren op marsch gegaan.
-Allen waren van het gewicht en den ernst hunner taak doordrongen; allen
-wisten het, dat de strijd zou uitloopen op zegepraal of ondergang.
-
-Waar de kleine Tugela zich met de groote Tugela vereenigt, sloot de
-wakkere Karel Landman zich met zijn manschappen aan bij het kommando,
-dat nu vierhonderd zeven blanken telde.
-
-Pretorius stelde op alles orde. Bij elken wagen moesten twee hekkens
-(schanskorven van doorntakken) zijn ter afsluiting der open ruimte
-tusschen de voor- en achterwielen, als men in lager stond, terwijl deze
-hekkens door zware ijzere kettingen werden verzekerd.
-
-Elken morgen werd de krijgswet, die door allen was bezworen,
-voorgelezen, en bij elken marsch trokken verspreide patrouilles van
-vijf man vooruit, om de veiligheid van den omtrek te bespieden.
-
-De ammunitie, de proviand en de kampbenoodigdheden waren verladen op
-een trein van zeven en vijftig ossenwagens, die in breede rijen van
-vier wagens, door een sterke voor- en achterhoede gedekt, voorttrokken.
-
-Men trok nu het eigenlijke Zoeloeland in, en den 7den December (1838)
-bracht een patrouille twee Kaffers mede, door Matowaan, een door
-Dingaan onderworpen Kafferhoofd, als parlementairs den Boeren tegemoet
-gezonden.
-
-Pretorius liet bij de komst dezer parlementairs onmiddellijk halt
-houden, uitspannen en het kamp opslaan, terwijl hij de beide Kaffers
-terug zond met de order aan Matowaan, dat deze den volgenden dag met al
-zijn weerbare manschappen doch ongewapend voor den kommandant zou
-verschijnen.
-
-Zoo geschiedde het, en Matowaan sloot met de Boeren een verbond,
-terwijl hij als teeken van vrede van den kommandant een groote, witte
-sjerp ontving, waarop Pretorius’ naam stond te lezen. De Boeren
-verplichtten zich, om den rapportganger der Kaffers, die deze sjerp
-mocht dragen, te eerbiedigen, doch al de andere Kaffers moesten tijdens
-den veldtocht bij hun kralen blijven, op gevaar van anders door de
-blanken te worden doodgeschoten.
-
-Matowaan bood nu aan, met zijn manschappen het kommando te versterken,
-maar de voorzichtige Pretorius dacht aan het einde van Piet Retief, en
-bang voor verraad, wilde hij in dezen veldtocht, die op een groote
-overwinning of op een volkomen vernietiging moest uitloopen, geen
-onbetrouwbare elementen in zijn nabijheid hebben.
-
-Hij sloeg dus het aanbod vierkant af, doch stond toe, dat Matowaan zijn
-manschappen een oorlogsdans liet uitvoeren.
-
-Naar dien Kafferdans hebben de Boeren die plek Danskraal genoemd; zij
-ligt op eenige mijlen afstands van het tegenwoordige Ladysmith.
-
-Pretorius voelde intusschen de zware verantwoordelijkheid, die op zijn
-schouders rustte, en evenals een zijner vroegere stamgenooten, de
-beroemde admiraal de Ruiter, bij hachelijke ondernemingen zijn kracht
-zocht in het gebed, zocht deze Boeren-kommandant het ook in het gebed,
-en op zijn bevel werd, toen de Kaffers waren vertrokken, een plechtige
-godsdienstoefening gehouden.
-
-De vrome Sarel Cilliers nam op verlangen van Pretorius de leiding van
-den dienst op zich, en op den kanonwagen staande, sprak hij aldus:
-„Mijne broeders en stamgenooten! Hier staan wij thans voor een heilig
-God van hemel en aarde, om een gelofte af te leggen, dat, indien Hij
-ons zal beschermen en onze vijanden in onze handen zal geven, zoodat
-wij denzelve overwinnen, wij dien dag der zegepraal, dien datum, elk
-jaar als een dankdag, zooals een Sabbath, tot Zijne eer zullen
-doorbrengen. En wij zullen het ook aan onze kinderen zeggen, dat zij er
-met ons in moeten deelen, tot een gedachtenis ook voor onze nakomende
-geslachten. Want de eere van God zal er door worden verheerlijkt, dat
-Hem de roem en de eere der overwinning wordt gegeven! Doch is iemand
-bezwaard, om in dat verbond te treden, die verwijdere zich!”
-
-Hij keek met zijn vriendelijke oogen de vergadering rond, en wachtte
-even, of iemand zich zou verwijderen. Doch niemand ging. Allen waren
-begeerig, om in dit verbond te worden opgenomen, maar een heilige
-vreeze zal wel door aller ziel zijn gegaan, toen hij, zijn handen
-priesterlijk uitbreidend naar den hoogen, in naam van dit volk een
-plechtig verbond sloot met den Koning der koningen.
-
-Dit verbond werd elken avond vernieuwd, en de Boeren voelden er zich
-wonderlijk door versterkt.
-
-
-
-Van vlugge boodschappers heeft Gert Kloppers vernomen, dat Pretorius
-met zijn kommando in snelle tochten voorttrekt, het zuidoosten in, en
-de gewichtige tijding, dat de Zoeloe’s van het naderen der Boeren zijn
-verwittigd, en hunne rookseinen reeds van de toppen der bergen zijn
-gezien, doet een spoedig gevecht verwachten.
-
-Doch verscheidene dagen zijn er sedert die laatste tijding verstreken,
-en Gert Kloppers heeft niets meer vernomen.
-
-Van den naasten heuvel heeft hij een soort observatiepost gemaakt, en
-daar staat hij nu weer met Ouderling de Jong en Barend Jansen naar het
-oosten te turen. Floor en Willem zijn al heel vroeg uitgereden, om het
-een of ander nieuws op te sporen, maar ’t is al bijna middag, en nog
-zijn ze niet thuis.
-
-In de verte ziet Kloppers nu toch iemand naderen; ’t is een Griqua. De
-Boeren houden hem aan.
-
-„Hebt ge iets van den oorlog gehoord?”
-
-„Ik heb vernomen, dat er een groote slag is geleverd.”
-
-De Boeren spitsen hun ooren.
-
-„En hoe is ’t afgeloopen?”
-
-De Griqua haalt de schouders op: „Ik weet het niet.”
-
-De Boeren doen hem honderd vragen, maar meer weet hij niet, dan dat er
-een groote slag is geleverd. ’t Is schraal nieuws.
-
-Tegen den middag komen er twee Kaffers voorbij. Zij bevestigen het, dat
-er geducht is gevochten.
-
-„Er moeten veel Zoeloe’s gesneuveld zijn,” zegt de grootste.
-
-„Ja, dat denk ik ook wel,” zegt Barend Jansen, terwijl hij aan zijn
-ruigen baard trekt.
-
-„En de Boeren moeten woest hebben gevochten,” zegt de kleinste.
-
-„Dat betwijfel ik evenmin,” zegt Barend Jansen, „maar vertel nu eens,
-wie heeft het gewonnen?”
-
-Ja, dat wisten ze niet, maar ze geloofden wel van de Boeren.
-
-Veel wijzer waren de Boeren van die berichten nog niet geworden, maar
-de geruchten waren ten minste gunstig, en dat was al vast iets.
-
-Zij bleven op hun observatiepost, maar er kwam geen mensen meer in ’t
-zicht.
-
-„Geen tijding goede tijding, zullen we maar denken,” zeide Gert
-Kloppers, ofschoon hij ongeduldig heen en weer liep.
-
-Tegen den avond kwam eindelijk Floor opdagen. Hij had een Griqua aan
-zijn zijde, de man bereed een os. ’t Was een vreemd gezicht: een
-ossenruiter naast een paardenruiter.
-
-Het gelaat van Floor stond waarlijk niet vroolijk. Strak en ernstig
-stonden zijn trekken.
-
-„Dat is slechte tijding,” zeide Kloppers.
-
-De anderen zeiden geen woord.
-
-Kloppers had juist gegist.
-
-„Ik heb een Zoeloe-krijger gesproken,” zeide de Griqua, „die den slag
-heeft meegemaakt. Hij deelde mij mee, dat de Zoeloe’s de Boeren in een
-hinderlaag hadden gelokt, waar dezen niet uit konden. Zij hadden als
-leeuwen gevochten en honderden Zoeloe’s doodgeschoten, maar eindelijk
-werden ze overmand en de meesten sneuvelden. Ook de generaal is
-gesneuveld.”
-
-„Hoe heet de generaal?” vraagde Kloppers.
-
-„Ik heb den naam hooren noemen, maar hij is me ontgaan.”
-
-„Heet hij Landman?”
-
-De Griqua schudde van neen.
-
-„Jager?”
-
-De Griqua schudde weer.
-
-„Pretorius?”
-
-„Ja, Pretorius, zoo heet hij.”
-
-Toen verbleekte Kloppers, maar Barend Jansen klemde de tanden op
-elkaar.
-
-„’t Zou vreeselijk zijn—”, zeide Kloppers.
-
-„Als ’t waar is,” zeide Barend Jansen.
-
-In de pijnlijkste onzekerheid liep de dag ten einde. Willem was niet
-gekomen.
-
-Slechts één persoon in het geheele lager stond in het geloof, dat de
-slag was gewonnen. Die persoon was een vrouw. Die vrouw was de vrouw
-van Kloppers.
-
-„God heeft ons de overwinning gegeven,” zeide zij.
-
-„Wie heeft u dat gezegd?” vraagde een verstandige, voorzichtige Boer.
-
-„Dat heeft de Heere mij geopenbaard,” zeide ze.
-
-De Boer haalde de schouders op.
-
-„In die zaken moet men zeer behoedzaam zijn,” zeide hij; „hoeveel
-droevige vergissingen hebben christenen op dat punt gemaakt!”
-
-„Maar ik vergis mij niet,” zeide zij.
-
-Zij was van haar punt niet af te brengen; zij stond in een onwankelbaar
-geloof.
-
-
-
-Bij het krieken van den dageraad stonden weer een tiental Boeren op den
-uitkijk.
-
-Wijd, wijd in de verte zagen zij eene kleine zwarte stip....
-
-Nu was ze verdwenen; maar het volgende oogenblik was ze weer zichtbaar.
-
-Zij naderde snel.
-
-„We zullen ’t gauw weten,” zeide Kloppers, „wie ’t is.” Hij zette zijn
-valkenoogen wijd open.
-
-„’t Is Willem,” riep hij plotseling; „er is geen twijfel aan, ’t is
-Willem—maar hij rijdt als een dolle; hij zal den Vos nog
-doodrijden—kijk, daar gaat hij den heuvel af—het paard zal de pooten
-nog breken bij dien woesten rit—nu is hij verdwenen in de vallei—daar
-is hij al weer op den volgenden heuvel—hij zwaait met het geweer—dat is
-een goed teeken—hij roept—ik kan hem niet verstaan—ik houd het hier
-niet langer—voorwaarts!”
-
-De tien Boeren, Kloppers voorop, liepen den ruiter tegemoet.
-
-Hij stond in de stijgbeugels, en hij zwaaide aldoor het geweer boven
-zijn hoofd, en hij riep met zijn frissche, heldere stem: „Hoera!
-Overwinning en zegepraal!”
-
-De Boeren waren zich zelve niet bij deze heugelijke tijding.
-
-Zij namen hun hoeden, en zwaaiden ze; zij namen hunne geweren en losten
-vreugdeschoten—Hoera! Overwinning en zegepraal!
-
-Nu was Willem bij de Boeren aangekomen.
-
-„Het leger van Dingaan is geducht geslagen; waarschijnlijk is ons
-kommando reeds zijn hoofdstad binnengedrongen. Het vierde gedeelte van
-het Kafferleger ligt dood op het slagveld.”
-
-Zoo luidde Willem’s kort, bondig rapport.
-
-„Van wien weet ge ’t?” vraagde zijn vader.
-
-„Van den Hottentot, die door Dirk met een brief aan ons is afgezonden.”
-
-„Een brief? Waar is de brief?”
-
-„Hier,” zeide Willem, terwijl hij een pakje, in een stuk buffelleer
-gerold, overhandigde.
-
-„En waar is de Hottentot?”
-
-„Ik heb hem achtergelaten; het schepsel kon me niet bijhouden.”
-
-Ouderling de Jong zou, als de geleerdste, den brief ontcijferen, die op
-verscheidene dikke, grauwe repen papier was geschreven. De letters
-waren echte hanepooten, maar de Jong kreeg het kunststuk klaar, en
-ontcijferde die wonderlijke hieroglyphen.
-
-De brief luidde aldus:
-
-
- Maandag, 17 December 1838.
-
-Geliefde Ouders, Broeders,
-Vrienden en Bekenden!
-
-Wij, Afrikaansche Boeren, hebben het nu met Gods hulp zoover
-overwonnen. De Zoeloe’s hebben ons gisteren morgen met hunne duizenden
-aangevallen, maar wij hebben hen overwonnen. Ons kommando was sterk
-vier honderd vijftig man. Van onzen kant is niemand gevallen, en
-slechts drie menschen gekwetst, namelijk onze generaal, Flip Fourie en
-Gert Raads, maar die kwetsuren zijn van lichten graad. Van de Zoeloe’s
-zijn gevallen ruim zesduizend man. Wij hebben ons nu gewroken op onze
-vijanden, Vader; de Heere gaf hen in onze hand. En Teunis de
-leeuwenjager heeft ook vreeselijk gevochten; hij heeft gevochten als
-een woedende leeuw. Bart Pretorius was haast geen mensch; enfin wij
-hebben allen ons best gedaan.
-
-Onze dappere generaal heeft gezegd; Jongens je hebt Dingaan nu een
-flink pak slaag gegeven, maar nu moeten jullie hem nog een flink pak
-geven. En nu gaan wij op zijn hoofdstad aan, maar het moet maar een
-krot zijn, zooals Teunis de leeuwenjager zegt. Lieve Ouders, de Heere
-heeft den vijand in onze hand gegeven, en wij komen dankensstof te
-kort. Hij heeft ons wonderlijk geholpen. Ouderling Sarel Cilliers zegt,
-dat hij tegen ieder wil volhouden, dat God eerst een volk in de laagte
-drukt, opdat het zich zal verootmoedigen voor Hem, en dan er weer
-uithelpt. Hij kan dit ook heel netjes uit de geschiedenis van het Oude
-Testament bewijzen. En hij beweert ook, dat wij nu maar de instrumenten
-in des Heeren hand zijn, om het veel onschuldig vergoten bloed te
-wreken. En dus den Heere komt al de eere toe en niet ons. Ik ben nog
-fiksch en gezond, maar ik kan beter schieten dan schrijven. Enfin, wij
-zullen er verder maar het beste van hopen. Weest nu allen gegroet. Ik
-eindig met de pen, maar niet met mijne gedachten. Ik denk veel aan
-jullie, en ik hoop, dat wij elkander in gezondheid weer mogen zien.
-
- Weest nogmaals gegroet
-
- van Uw liefhebbenden Zoon,
- Broeder en Vriend,
-
- Dirk Kloppers.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIII.
-
-
-Den historischen draad, bij Danskraal losgelaten, nemen wij weer op.
-Pretorius zorgde er voor, geen vijandelijke Zoeloe’s achter zich te
-laten. Hij wilde in den rug veiligheid hebben; dan waren de
-achtergebleven vrouwen en kinderen van zelve veilig. Hij stootte de
-vijanden dus op, en joeg hen voor zich uit. Zoo tastte hij met honderd
-vijftig man den Zoeloekapitein Joob, een van Dingaan’s bevelhebbers,
-aan, die tusschen de Zondagsrivier en de Tugela-rivier woonde, en dreef
-hem met zijn stam terug, waarbij de Boeren honderd stuks slachtvee
-bemachtigden, die hun uitnemend te pas kwamen.
-
-Den 11den December werd de Buffelrivier overgetrokken, en tegen den
-nachtelijken hemel zag men thans de vuurseinen des vijands.
-
-Men kon zich nu op ernstige gebeurtenissen voorbereid houden, en
-Zaterdag 15 December trok een sterke wacht onder bevel van Hans de
-Lange uit, om den weg te verkennen.
-
-De Boeren hadden een rit van anderhalf uur achter zich, toen zij vijf
-Zoeloekrijgers ondekten, die in vluggen draf voor hen uitliepen.
-
-Het waren spionnen van Dingaan, die den voorgaanden nacht het
-Boerenlager hadden bespied, en de Boeren, begeerig om deze gevaarlijke
-sluippatrouille in handen te krijgen, gaven hun paarden de sporen, om
-hen te vervolgen. Maar hun pogingen mislukten, en op den berg Ngoutou
-komend, zagen zij beneden zich in de diepte plotseling het leger der
-Zoeloe’s.
-
-Het was geen aangename ontdekking, want men was tamelijk ver van het
-lager, en de Zoeloe’s begonnen onmiddellijk den berg te bestormen.
-
-Maar de Lange behield zijn koelbloedigheid, en terwijl twee
-rapportgangers terug joegen naar het Boerenkamp, om de nadering des
-vijands te berichten, liet hij zijn manschappen bedaard zwenken.
-
-Pretorius was in het lager, toen hem de tijding gewerd; hij liet door
-het kleine kanon onmiddellijk noodschoten lossen, om de patrouilles,
-die in den omtrek zwierven, te waarschuwen, en terwijl Piet Moolman met
-honderd man moest achterblijven, om het lager in orde te brengen en te
-dekken, trok Pretorius aan het hoofd van drie honderd zestig man tegen
-het Kafferleger op. Onderweg kreeg hij voeling met Hans de Lange, die
-zich nu met hem vereenigde, en het kommando in afdeelingen van vijftig
-man splitsend, liet Pretorius deze in tusschenruimten van ongeveer
-vijftig pas manoeuvreeren, om den Zoeloe’s een grooten indruk te geven
-van den Boerenmacht.
-
-Maar het Zoeloeleger hield halt en bleef onbewegelijk staan als een
-hangende, dreigende donderwolk. Zoo gaf Pretorius dan bevel om terug te
-keeren, en diep onder den indruk van den ernstigen toestand reden de
-Boeren naar hun lager terug.
-
-Er werd een bidstond gehouden, en zelden is er wel dringender gebeden
-dan op dien Zaterdagavond.
-
-
-
-Met bijzondere zorg was de legerplaats gekozen, want het lager werd aan
-de achter- en de rechterzijde gedekt door veertig voet diepe, naar het
-lager steil oploopende kloven, zoodat het kamp slechts aan den voor- en
-linkerkant kon worden bestormd.
-
-Het lager was twee honderd voet in het vierkant. Behalve door de
-paarden werd deze ruimte nog gedeeld door acht honderd trekossen.
-
-Niemand ging slapen; met den bandelier omgegespt en het geweer geladen,
-zaten de Boeren in groote troepen, zacht met elkander fluisterend, bij
-de zwak onderhouden vuren.
-
-Schildwachten werden er niet uitgezet. Het kon niet. Zij zouden bij een
-snellen aanval der Zoeloe’s niet tijdig in het lager hebben kunnen
-komen, dat door schanskorven en palen hermetisch was afgesloten.
-
-Op vijftig pas afstands voor het lagerfront waren zweepstokken
-ingeplant, waaraan lantaarnen waren bevestigd. De lantaarnen bewogen
-zich langzaam in den nachtwind, die over de golvende vlakte streek, en
-bij het matte schijnsel van hun licht zouden de Boeren de
-sluippatrouilles van den vijand beter kunnen ontdekken.
-
-
-
-Het Zoeloeleger trok nu op, om het lager te vermeesteren en de Boeren
-uit te roeien. Maar God de Heere waakte over de Boeren en zond een
-zwaren mist, die als een ondoordringbaar kleed het lager omgolfde.
-
-Eerst met het krieken van den dag trok de nevel op, en werden de Boeren
-in de verte de snel naderende drommen van den vijand gewaar. In
-gesloten gelederen, als een wilde, brullende zee kwamen zij, gedekt
-door het groote, leeren schild, aanstormen, maar toen zij tot op
-veertig pas afstands waren genaderd, werden zij ontvangen door het vuur
-van vier geduchte salvo’s.
-
-Het gebrul was nu verstomd, en toen de zware kruitdampen, die den
-omtrek met een ondoordringbaren sluier hadden bedekt, langzaam
-optrokken, was de omtrek van het lager tot op vijf honderd pas afstands
-schoongeveegd, en slechts gewonden, dooden en stervenden vulden de
-tusschenruimte aan.
-
-De voorhoede van Dingaan’s leger bestond niet meer. Het inderdaad
-moorddadige vuur der Boeren, wier geweren ook dezen keer met loopers
-waren geladen, had haar weggemaaid als de sikkel de rijpe korenhalmen.
-
-Op zoo’n vreeselijke ontvangst hadden de Zoeloe’s dan ook niet
-gerekend, en zij draalden met een nieuwen aanval. Toen werd het groote
-lagerhek ontsloten, en Bart Pretorius trok met acht ruiters uit het
-lager, reed over het bloedige slagveld heen, naderde het Zoeloeleger
-tot op een speerworp afstands, en terwijl hij de roode bloedvlag liet
-wapperen, riep hij de Zoeloe’s op ten strijde, als het mannen waren en
-geen lafaards! [12]
-
-In onbeschrijfelijke woede sprongen de Zoeloe’s bij deze tartende
-woorden op, en vast besloten, dezen keer het lager omver te rennen,
-bestormden zij het opnieuw.
-
-Ook dezen keer liet Pretorius hen tot op veertig pas afstands naderen;
-toen donderden hen opnieuw vier salvo’s tegen.
-
-De Zoeloe’s moesten terug; tegen dien vuurspuwenden berg kon niemand
-op; in die vuurlijn kon geen schepsel zich bewegen en leven.
-
-Zoo was dit gevaar voorloopig geweken, doch thans braken de acht
-honderd in het lager opgesloten trekossen, door het vreeselijk vuren
-opgeschrikt, los, en dreigden den lagermuur van binnen uit door te
-breken.
-
-Het was het hachelijkste oogenblik van den slag.
-
-De Zoeloekapiteins bemerkten de wanorde in het lager, en gaven
-onmiddellijk bevel tot een derden storm. Doch de Zoeloe’s weifelden; al
-te geweldig was het vuur van de Boeren geweest, en de orde in het lager
-werd gelukkig hersteld.
-
-Op nieuw trok Bart Pretorius nu met zijn acht vermetele kameraden uit,
-liet de bloedvlag wapperen en daagde de Zoeloe’s andermaal ten strijde,
-als het mannen waren en geen lafaards!
-
-Doch dezen keer bewoog zich geen Zoeloevoet, en geen Zoeloekreet werd
-gehoord.
-
-„Zij schijnen geen trek meer te hebben om tot ons te komen,” zeide
-Andries Pretorius, de kommandant, „laten wij tot hen gaan!” Zoo liet
-hij dan snel opzadelen en joeg met zijn mannen tegen de Zoeloe’s in,
-wier moed gebroken was. Zij weken terug, maar de Boeren waren snel
-achter hen.
-
-Hoe de kogels floten!
-
-Hoe de groote Zoeloemoord werd gewroken!
-
-De Zoeloe’s spatten uiteen als glasscherven tusschen hamer en aanbeeld,
-en eerst, toen de Boeren tot de reserve des vijands waren
-doorgedrongen, kwam het gevecht tot staan.
-
-Deze reserve bestond uit de regimenten der witte schilden, keurtroepen,
-die ten minste een poging waagden, om de Boeren terug te werpen. Maar
-de Boeren schoten een gapende gleuf in hun rijen, drongen snel als de
-wind in die opening, en van nu af werd het gevecht een ware slachting.
-
-Intusschen waren vijftig Boeren achtergebleven, want de twee diepe
-kloven, de zoogenaamde „slooten” aan den achter- en rechterkant van het
-lager, waren vol Zoeloe’s, die zich hier in hinderlaag hadden gelegd,
-om het kamp in een onbewaakt oogenblik te overrompelen. Ze stonden zoo
-dicht opeen gepakt, dat ze moeilijk den arm konden bewegen om een speer
-te werpen.
-
-De vijftig Boeren begonnen nu op deze dicht opeen gehoopte massa te
-vuren. Het was geen strijd, maar een executie. De Boeren hielden een
-verschrikkelijke, maar rechtvaardige afrekening.
-
-De vluchtende Zoeloe’s sprongen intusschen in de rivier, en de Boeren
-hebben deze rivier „Bloedrivier” genoemd, omdat hare wateren rood
-werden gekleurd door het Zoeloebloed.
-
-Aan de „Bloedrivier” werd het verraad van „Moordspruit” viervoudig
-gewroken, en tot op den huidigen dag wordt door de Zoeloe’s het water
-dezer rivier niet gedronken.
-
-Eerst toen de ammunitie opraakte, keerden de overwinnaars terug naar
-hun lager, en hielden een plechtigen dankstond.
-
-Er was reden voor.
-
-Dit was de slag aan de Bloedrivier, waar de Boeren den 16den December
-1838 op een veertigvoudige overmacht een schitterende overwinning
-behaalden. Deze dag werd sedert de Dingaansdag genaamd, en wordt telken
-jare in de Transvaal godsdienstig herdacht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIV.
-
-
-Reeds den volgenden dag werd opgebroken, en zetten de Boeren hun
-zegetocht voort. Voor hen uit ging de schrik, en achter hen volgde het
-vuur. Dingaan’s kralen [13] gingen in vlammen op, doch vrouw noch kind
-werd eenig leed gedaan.
-
-Zoo kwam men tot op een half uur afstands van Dingaan’s hoofdstad. Hier
-werd het lager opgeslagen, en Pretorius reed aan het hoofd van drie
-honderd mannen de stad in.
-
-Maar het vuur was hen voor geweest, en zware rookwolken hingen boven
-het paleis van den koning, die zijn eigendommen aan de vlammen had
-prijsgegeven.
-
-Stil, doodsch en verlaten lag de stad; er was geen levend schepsel te
-zien.
-
-Op den moordheuvel nabij de hoofdstad werden de overblijfselen gevonden
-der verraderlijk vermoorde Boeren. Een rilling ging door de gelederen
-der overwinnaars, toen zij die plaats bereikten. Hièr vond een zoon
-zijn vermisten vader, dàar een broeder zijn vermisten broeder onder de
-door aasvogels en wild gedierte geschonden lijken weer.
-
-Piet Retief werd herkend aan zijn kogeltasch, en bij zijn gebeente lag
-het officiëele dokument, behelzende de Acte van Afstand van Natal aan
-de Boeren. Het dokument was in spijt van wind en regen, die er over
-heen was gegaan, nog volkomen leesbaar.
-
-Met diepen weemoed aanvaardden de Boeren de nalatenschap van hun
-vroegeren aanvoerder.
-
-Zij schaarden zich om zijn gebeente, ontblootten hun hoofden, en eerden
-hem als hun held en martelaar.
-
-Daarna werd er een groot graf gemaakt, waarin de overblijfselen der
-geliefde dooden werden neergelegd, terwijl God werd gedankt, dat Hij
-hun, den overwinnaars, het voorrecht had geschonken, aan hun vermoorde
-vrienden en betrekkingen een eerlijke begrafenis te geven, en dit
-onschuldig bloed te wreken.
-
-Met zware klipsteenen werd de groote groeve gesloten, en op tien pas
-afstands sloegen de Boeren een nieuw lager op.
-
-Maar nog een ander gevoel dan dat van weemoed en droefheid bij het
-gezicht der geschonden lijken van hunne dierbaarste betrekkingen kwam
-boven bij de Boeren. Zij namen een grooten steen, dien zij als een
-gedenknaald achterlieten, en waarop deze sobere maar zelfbewuste
-woorden waren gebeiteld: „Ik Andries Wilhelmus Jakobus Pretorius,
-Kommandant-Generaal, heb met mijne Onder-Kommandanten, Veldkornetten en
-Manschappen de hoofdstad van Dingaan, Koning der Zoeloenatie, ingenomen
-op den 21en December 1838.”
-
-
-
-Had men de Zoeloe’s verslagen, de praktische Boeren wenschten het vee
-terug, dat de Zoeloe’s hadden geroofd. Daarom gingen dag aan dag
-patrouilles uit, doch men vond geen spoor van vee.
-
-Men begon den moed reeds te laten zakken, toen een Zoeloe—Bongose
-heette de man—aan de Boeren beloofde, hun een groote kudde beesten te
-wijzen, die maar voor het nemen was.
-
-Dit was goed nieuws, en de Boeren hadden er wel ooren naar, om den
-Zoeloe als gids te volgen, maar de leeuwenjager vertrouwde de zaak
-niet, en de voorzichtige Pretorius zou den Zoeloe zeker niet zijn
-gevolgd, indien er bij de Boeren niet zoo’n nijpend gebrek was aan vee.
-
-De blanken gingen dus, Bongose als gids, op pad, om die kolossale kudde
-vee te pakken, maar de leeuwenjager ontving als een gunst den last, om
-den Zoeloe onder zijn opzicht te nemen.
-
-Hij nam den Zoeloe ter zijde, keek hem aan met zijn harde oogen en
-zeide zacht: „Kijk Zoeloe, ik heb hier een dolk—voel eens, of hij
-scherp genoeg is!”
-
-„Ik denk het wel,” antwoordde Bongose.
-
-„Ik heb hem voor jou geslepen, Zoeloe,” hernam de leeuwenjager. „Als
-jij ons in een hinderlaag voert, dan zul jij er niet veel plezier van
-hebben, Zoeloe, want dan is dèze je voorman!”
-
-De Boeren volgden intusschen den Zoeloe, en op een berghoogte komend,
-strekte dezen den gespierden, zwarten arm uit naar rechts,
-triomfantelijk uitroepend: „Daar zijn de beesten!”
-
-Het was zoo.
-
-In een vallei, die door een rivier van den berg werd gescheiden, waarop
-de blanken zich bevonden, graasde een kudde van minstens twee duizend
-beesten, terwijl een dertigtal Kaffers, die aan den voet van den berg
-stonden, en dus door de rivier van de kudde waren gescheiden, volgens
-Bongose’s beweren de herders waren van die kudde.
-
-Daar had men dus het begeerde vee, waarnaar de Boeren zoo watertandden!
-Doch nooit zouden die Boeren het hebben gewaagd, deze kudde te vangen,
-indien de nood er hen niet toe had gedrongen, want de beesten liepen in
-een nauwe kloof, van weerszijden begroeid met ruige, voor een
-mogelijken vijand uitstekende dekking gevende doornbosschen, en bezaaid
-met groote, ruwe klippen, die als zooveel verschansingen voor een
-hinderlaag konden dienst doen.
-
-Daarbij was men diep in een vijandelijk land—er was reden voor, dat de
-Boeren aarzelden. Maar Bongose gaf de plechtige verzekering, dat er op
-den geheelen aardbodem geen Zoeloe-leger meer te vinden was, en de
-Boeren daalden nu, ongeveer driehonderd vijftig man sterk, de paarden
-aan den teugel leidend, langzaam van den berg af, terwijl de
-Kommandant, die den ouden achterdocht weer voelde opkomen, met de
-overige manschappen en het kleine kanon als reserve achterbleef op den
-berg.
-
-Op de nadering der Boeren namen de dertig Kaffers de vlucht,
-achtervolgd door de Boeren, die hen nazetten de rivier door. Maar de
-rivier maakte hier een korten boog, zoodat de blanken haar nog eens
-moesten passeeren, alvorens zij de vallei hadden bereikt, waar de
-beesten graasden.
-
-De Boeren waren nu wat driftig geworden van de jacht en joegen de
-vallei in.
-
-Maar hetzelfde ongeluk, dat het kommando van Hendrik Potgieter en Piet
-Uijs had getroffen, werd hùn lot.
-
-Plotseling sloot zich de vallei van voren en van achteren door een
-levenden Kaffermuur, en de Boeren zaten tusschen twee sterke
-Zoeloe-kommando’s bekneld.
-
-Maar Bongose zou niet veel plezier hebben van zijn verraad.
-
-Voordat hij den wilden strijdkreet der Zoeloe’s kon beantwoorden, werd
-hem het koude staal in de borst gestooten.
-
-„Sterf!” zeide de leeuwenjager, en zijn sterke tanden knarsten op
-elkander.
-
-
-
-De Boeren waren van hun reserve afgesneden. Zij konden niet terug, want
-al te zwaar was de Kaffermuur achter hen. Zoo moesten zij zich naar
-voren een weg zien te banen, in tegenovergestelde richting van het
-lager.
-
-Het gelukte, en voor den derden keer kwam men voor de sterk kronkelende
-rivier, die opnieuw werd doorgetrokken.
-
-Thans was het zaak, om in een grooten wijden boog het lager te zien te
-bereiken, maar de verwarring, die eens de slagorde van Hendrik
-Potgieter had verbroken, dreigde ook dezen keer de Boeren noodlottig te
-worden.
-
-Gelukkig werd ze dezen keer nog gekeerd, en terwijl zestig Boeren in
-groote wanorde het open veld injoegen, sloten de overige tweehonderd
-negentig zich dicht aaneen, en stapvoets voortrijdend, al ladend en
-schietend, trok men langzaam terug.
-
-’s Morgens te negen uur was het gevecht begonnen, dat onverpoosd werd
-voortgezet, want de Zoeloe’s gunden den Boeren geen rust, en de zon had
-reeds haar hoogste punt achter zich, toen de blanken langs den zoom van
-een bosch een vijandelijke ruiterbende zagen galoppeeren, die het
-kennelijk doel had, de Boeren voor te jagen en om te keeren.
-
-Het was voor de vluchtenden onmogelijk voor te blijven, want de vijand
-had versche paarden, terwijl hun eigen paarden, al waren ze taai en
-sterk, van den langen rit moede begonnen te worden.
-
-Er schoot dus niets anders over, dan den teugel te wenden en den
-nieuwen vijand op te wachten.
-
-Het stoute stuk had een volkomen succes.
-
-De Boeren kegelden met hun lange roeren de zwarte ruiters uit het
-zadel, en vingen zooveel mogelijk de onbeheerde paarden op, waarvan er
-verscheidene werden herkend als het eigendom van wijlen Piet Retief en
-zijn manschappen.
-
-Nu ging de tocht al retireerende weer voort, maar de Boeren kwamen nu
-tot de zeer onaangename ontdekking, dat zich een sterk regiment
-Zoeloe’s tusschen hen en het lager had ingeschoven.
-
-Zoo werden zij opnieuw uit de goede richting gedrongen, en zij moesten
-zijwaarts inslaan, om een omsingeling te ontgaan.
-
-Bij dezen terugtocht kwamen zij echter uit op een steilen, acht à negen
-voet hoogen kliprand, met de Zoeloe’s op hun hielen.
-
-’t Begon er nu al heel leelijk uit te zien voor de Boeren. Zij konden
-niet terug, en vóór hen gaapte de diepte.
-
-Maar er was geen tijd voor beraad, en hun paarden de sporen gevend,
-waagden zij den sprong in de diepte, die bijzonder gelukkig afliep,
-daar de diepte bestond uit de weeke, zanderige bedding van een zoo goed
-als uitgedroogde beek.
-
-De Boeren haalden nu ruimer adem, maar zij juichten te vroeg, want
-plotseling verscheen een regiment Zoeloe’s, dat hier in hinderlaag had
-gelegen, en overviel de blanken.
-
-Vijf Boeren en dertig Natal-Kaffers, die zich bij de Boeren hadden
-aangesloten, bezweken hier onder de puntige werpspeer, en het verlies
-zou veel ernstiger zijn geweest, waren de Zoeloe’s niet aan het
-plunderen der lijken gegaan.
-
-Zoo hadden de vluchtelingen gelegenheid, een voorsprong van ongeveer
-vijf honderd pas op hun vervolgers te krijgen, dien zij ook behielden,
-en een bosch voorbijjagend, legde zich daar een afdeeling Boeren in
-hinderlaag, die op de flank der vervolgende Zoeloe’s een vernielend
-snelvuur opende, dat dezen noopte, om de vervolging te staken.
-
-Nu eerst hadden de doodelijk vermoeide Boeren gelegenheid, uit het
-zadel te springen, en hun brandenden dorst te lesschen.
-
-De rit en het gevecht hadden geduurd van ’s morgens negen uur tot een
-halfuur vóór zonsondergang. Al dien tijd hadden de Boeren niets gedaan
-dan rijden, laden en schieten, en zij waren onkenbaar van den
-kruitdamp.
-
-Nu werd weer opgezadeld, totdat men, het lager tot op een halfuur
-afstands genaderd, bekende stemmen hoorde.
-
-Het waren manschappen der reserve, die dezen morgen naar het lager
-waren teruggekeerd, om het voor een mogelijke overrompeling te dekken.
-Zij brachten versche paarden, en gezamenlijk trok men nu kampwaarts.
-
-Zoo ontsnapten de Boeren aan den fijn gespannen strik van den loozen
-vos, die koning was van Zoeloe-land.
-
-Den geheelen nacht bleven de Boeren bij uitgedoofde vuren onder de
-wapens, elk oogenblik een aanval van den vijand verwachtend. Maar in
-plaats van den vijand kwamen te middernacht de zestig vluchtelingen,
-die door hun tuchtelooze houding het geheele kommando in gevaar hadden
-gebracht, en ontvingen van den bevelhebber een strenge doch verdiende
-berisping.
-
-De Boeren vertoefden nog eenige weken in Zoeloe-land, hadden het geluk,
-zes duizend stuks hoornvee machtig te worden, en keerden met den buit
-in Januari 1839 naar Natal terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXV.
-
-
-Het doel van den veldtocht was bereikt. Dingaan had de zware vuist der
-Boeren gevoeld; gewroken was het onschuldig vergoten bloed, en met
-dankbare blijdschap werden de overwinnaars door de hunnen begroet.
-
-Nu was de nacht van ’t lijden voorbij, en het begon licht te worden in
-het Oosten.
-
-Zoo dachten ten minste de Emigranten. Met ijver toog men aan het werk
-der kolonisatie. Dorpen werden aangelegd, vlekken uitgemeten, steden
-ontworpen. Aan de kust ontstond Durban, een gehucht van eenige leemen
-huisjes, thans een wereldhaven, en in het midden des lands, op een
-hoogte van 2000 voet, de hoofdstad Pieter-Maritzburg, genoemd naar de
-twee aanvoerders der Boeren: Pieter Retief en Gert Maritz. Allengs
-verwisselden de Trekboeren nu den zoolang gebruikten ossenwagen voor de
-eenvoudig opgetrokken woning, doch in het Noorden, vooral aan de
-Tugela- en de Boschmansrivier, waar het lager van Gert Kloppers stond,
-was men om de invallende Kafferhorden wel verplicht, voorloopig in
-lager te blijven. Doch ook hier hoopte men spoedig het versleten
-tentlinnen op te rollen, toen de hemel op nieuw door donkere
-onweerswolken werd verduisterd. Dingaan namelijk, de koning der
-Zoeloe’s, begon zich weer krachtiger te gevoelen, en bleef
-weigerachtig, om de veertig duizend beesten terug te geven, die zijn
-soldaten van de Boeren hadden geroofd. Evenmin wilde hij de
-oorlogskosten, bedragende honderdtien duizend gulden, betalen.
-
-De Boeren bereidden zich opnieuw tot den oorlog voor, toen aan
-Pretorius werd gerapporteerd, dat er van de zeekust een zonderlinge
-karavaan in aantocht was: mannen, vrouwen en kinderen met groote kudden
-hoornvee en schapen, een geheele stam van duizenden menschen met al hun
-bezittingen, die toevlucht zochten in de schaduw der Boerenvlag.
-
-Het hoofd van dezen stam, die tot de Zoeloe’s behoorde, heette Panda,
-en was een broeder van Koning Dingaan.
-
-Hij had zich aan het hof van Dingaan voorgedaan als idioot, en was
-daardoor aan een anders wissen dood ontgaan. Maar hij wàs geen idioot;
-deze zwarte Kafferprins wist terdege goed, wat hij wilde.
-
-Hij had wettige grieven. Als ouderen broeder van Dingaan kwam hem de
-Zoeloe-scepter toe, terwijl slechts weinig maanden geleden zijn stam
-door Dingaan verraderlijk was overvallen.
-
-De Volksraad der Boeren onderzocht de grieven van Panda, en het bleek,
-dat hij de waarheid had gesproken. Zoo aanvaardde men zijn
-bondgenootschap, dat den Boeren een hulpmacht verzekerde van
-vierduizend met werp- en stootspeer gewapende Zoeloe-krijgers. Panda’s
-legeroverste was kapitein Nonquaas, terwijl de voorzichtige Pretorius
-Panda in schijn als gast doch in werkelijkheid als gijzelaar bij zich
-behield.
-
-Dingaan was intusschen niet op zijn gemak, en daar was reden voor. Zoo
-zond hij zijn vertrouweling Tambuza met een eerewacht van driehonderd
-man en een geschenk van veertig olifantstanden tot de Boeren, om hen
-zachter te stemmen, en de Volksraad liet Tambuza mèt Panda voor zijn
-vierschaar verschijnen. Eerst mocht Tambuza spreken, die in vleiende
-woorden den roem en de edelmoedigheid der Boeren bezong, doch daarna
-stond Panda op, en riep, terwijl zijn neusvleugels zich bewogen, en
-zijn zwarte oogen vuur schoten:
-
-„Weest op uwe hoede, o blanken, en laat u niet verschalken, want
-Dingaan duldt geen ander volk naast zich! Gelooft de pluimstrijkende
-woorden niet van dezen Tambuza, want Dingaan wil u maar gerust maken,
-om u later als de bliksemstraal te overvallen en te vernietigen. Dat is
-zijn manier. Eerst maakt hij vrede, en dan stuurt hij plotseling een
-groot kommando, om alles uit te moorden! Zoo heeft hij met Piet Retief
-gedaan; zoo heeft hij met de Fingoes gedaan; zoo heeft hij met den
-vader van Matowaan gedaan, dien hij onverhoeds liet binden en de oogen
-uitsteken. Zoo zal hij ook doen met u. Denkt niet, dat zijn
-krijgslieden te weinig zijn geworden in getal; zij staan nog zoo dicht
-als het gras, dat het veld bedekt.”
-
-„En wat dezen Tambuza betreft,” ging hij voort, den arm naar den Zoeloe
-uitstrekkend, „hij en Umhleha hebben Dingaan aangepord, om Piet Retief
-met de zijnen te vermoorden!”
-
-Panda’s woorden maakten een diepen indruk, en Tambuza werd in
-verzekerde bewaring genomen.
-
-
-
-Het Boerenleger, dat onder Andries Pretorius Zoeloe-land binnentrok,
-bestond uit vijfhonderd man en vijftig ossenwagens.
-
-Het veldtochtsplan van den kommandant muntte uit door eenvoudigheid:
-Panda’s veldoverste Nonquaas zou met zijn vierduizend krijgslieden van
-uit het zuiden, de Boeren van uit het noorden Zoeloe-land
-binnendringen, op een bepaald punt elkander de hand reiken, en aan
-Dingaan’s macht voor goed een einde maken.
-
-Op het hoofd van den koning-moordenaar werd een prijs van vijftig, op
-dat van Umhleha een prijs van vijf en twintig beesten gezet, terwijl
-Tambuza den tocht in boeien moest medemaken.
-
-Den 29sten Januari 1840 kwamen de Boeren aan de hooggezwollen
-Buffelrivier, bereikten, terwijl de wagens diep door het water der
-drift moesten, toch in goede orde den overkant, terwijl het kamp op de
-historische plek van den 16den December 1838 werd opgeslagen.
-
-Zoo naderden het kommando der Boeren en het leger der Panda-krijgers
-elkander al meer en meer. Zij vormden wel een groot contrast: de
-Panda-krijgers waren half naakt, met kralen en veeren versierd, druk
-bewegelijk, hun knotsen opheffend, hun speren zwaaiend en op hun leeren
-schilden slaande, terwijl de Boeren op hun taaie, vlugge paarden, het
-geweer over den schouder, alle noodelooze vertooning vermeden, en kalm,
-sober en nuchter maar vastberaden slechts dit ééne groote doel in ’t
-oog behielden: hun slag te slaan met groote kracht.
-
-Intusschen stootte Nonquaas, Panda’s veldheer, het eerst op de Zoeloe’s
-van Dingaan, en spoedig was hij met de vijanden in een bloedig gevecht
-gewikkeld. Er werd nauwlijks één schot gelost, maar de lange werpspeer
-suisde door de lucht, straks vervangen door de korte stootassegaai en
-de staalharde knots, die onder een helsch gebrul hun vreeselijk werk
-verrichtten.
-
-Intusschen stonden twee Zoeloe-kapiteins, die aan Pretorius hunne hulde
-en onderdanigheid hadden betuigd, en als Panda’s bondgenooten mee waren
-opgetrokken, met hun volk zijwaarts van het slaggewoel, en volgden met
-groote belangstelling de wisselingen van het gevecht.
-
-„Als ik vecht,” zeide de jongste der twee, na een lange pauze, „dan win
-ik het graag, en als wij onze bondgenooten, de Panda’s, helpen, dan
-verliezen wij ’t. Zooveel verstand heb ìk wel van vechten.”
-
-„En in plaats van winnen krijgen wij dan Dingaan’s lieve jongens aan
-onzen hals,” zeide de oudste.
-
-„Daarom zou het wel zoo verstandig zijn, Dingaan te helpen,” zeide de
-jongste.
-
-„Als hij ons uit dankbaarheid maar niet aan de assegaai rijgt,” zeide
-de oudste.
-
-„Wees gerust! Wij worden zijne eerste staatsdienaren,” zeide de
-jongste.
-
-„En de Boeren?” zeide de oudste.
-
-„Die zullen wegblijven en naar huis gaan,” zeide de jongste.
-
-„We willen ’t hopen,” zeide de oudste.
-
-„Maar nu zal ’t tijd worden,” liet de oudste er op volgen, „laat ons
-oprukken! De Panda’s zullen al heel vreemd staan te kijken—voorwaarts!”
-
-De Panda-krijgers hadden tot op dit oogenblik met onmiskenbare
-dapperheid gestreden, doch tegen het verraad konden zij niet op, en de
-langzame, geregelde terugtocht dreigde plotseling in een wilde vlucht
-te ontaarden.
-
-Doch zoover kwam het niet. Dingaan vreesde oogenschijnlijk een
-hinderlaag der Boeren, en de vervolging werd spoedig gestaakt.
-
-Intusschen zond Pretorius twee verspieders uit, om Panda’s leger op te
-sporen, die, om Dingaan’s aandacht te ontsnappen, slechts des nachts
-mochten rijden. Zij brachten de tijding, dat Nonquaas reeds met de
-Zoeloe’s was slaags geweest, met verlies was teruggeslagen, doch
-desniettegenstaande in staat was, zich op een nader te bepalen punt met
-het Boerenkommando te vereenigen. Dit punt werd door Pretorius aan
-Nonquaas opgegeven, maar in plaats van de Panda’s, die hij er meende te
-treffen, stootte Pretorius op de nog ongehavende regimenten van koning
-Dingaan.
-
-Niet ver van zijn hoofdstad werd zijn lot beslist. De koning zelf
-voerde zijn leger aan. Hij had een slechten nacht gehad. Had hij in den
-droom de schimmen gezien der vermoorde Boeren? Hadden zij hun
-ontvleeschde handen uitgestrekt en hem naar de keel gegrepen?
-
-Zijn blik was onrustig. Bange voorgevoelens vervulden zijn ziel, en
-zijn knieën knikten als die van Belzazar, toen deze de geheimzinnige
-hand aan den wand het doodvonnis zag schrijven.
-
-Maar Dingaan vermande zich, gaf het teeken tot den aanval, en nog eens
-deed zijn stem de vroegere geestdrift ontvlammen in de harten van zijn
-veteranen.
-
-„Daar komen de witmenschen,” riep hij, „maar wij zullen hen overwinnen!
-Wij hebben hen gelokt diep in ons Zoeloeland, en niemand hunner zal
-ontsnappen! Ben ik niet de leeuw van het land der vele rivieren? Heb ik
-niet Piet Retief verslagen met zijn knechten, en Piet Uijs met zijn
-knechten, en Biggar met zijn duizenden? Wij zullen hen andermaal
-overvallen als een vuurvlam, die niet te keeren is, en hun lichamen tot
-spijze geven aan den roofvogel hoog in de lucht, en aan het wild
-gedierte, dat in diepe holen huist!”
-
-Doch de witmenschen, die hij zou bestrijden, waren plotseling
-verdwenen. De Zoeloe’s stonden voor een vijand, die zich onzichtbaar
-had gemaakt, en hun speeren gierden doelloos door de lucht. Doch nu en
-dan, van achter een klip, een struik, een boom werd een klein
-rookwolkje zichtbaar, en stortte een Zoeloekrijger dood voor den grond.
-De rookwolkjes vermenigvuldigen zich; nu zag men ze van voren, rechts,
-links, en slechts de knal van het Boerengeweer verbrak de stilte.
-
-Koning Dingaan hoorde het fluiten der kogels, en hij zag met starren
-blik, welke verwoestingen zij aanrichtten. Hij wilde dien vijand te
-lijf, doch die vijand bleef onzichtbaar. Hij stond tegenover een
-vreeselijken, geheimzinnigen, onweerstaanbaren vijand—zijn dapperste
-veldheer stortte dood aan zijn voeten neer—de vale angst greep hem
-aan—de wrekers van het onschuldig vergoten bloed waren gekomen—hij
-keerde zich om en vlood om zijns levens wil!
-
-
-
-Vernietigd was het leger van den Zoeloekoning, en gebroken de
-toovercirkel, waarin zich deze bloedhond bewoog.
-
-Pretorius liet nu den Kafferprins Panda en zijne voornaamste hoofden
-voor zich komen, en terwijl zijn Boeren in volle uitrusting: den
-bandelier over de borst en het geweer over den schouder moesten
-aantreden, om getuigen te zijn, sprak hij het volgende: „Wij blanke
-Boeren hebben, zooals gij het met uw eigen oogen hebt gezien, over den
-wreeden Dingaan gezegepraald, zijn scepter gebroken en veel onschuldig
-vergoten bloed gewroken. Maar wij hebben dit niet gedaan door onze
-eigen kracht, maar in de kracht des Heeren, Die ons genadiglijk hielp.
-Nu heb ik, in naam van onzen Volksraad, goedgedacht, om u Panda te
-benoemen tot koning of opperhoofd over Zoeloe-land, u als onzen grooten
-bondgenoot te aanvaarden, en uwe vijanden als onze vijanden te
-beschouwen. Nooit zult gij zonder onze toestemming mogen oorlog voeren;
-gij zult geen bloed vergieten noch van den blanke noch van den
-kleurling, en wij zullen u steeds handhaven tegen iedereen.”
-
-Diep bewogen luisterde Panda; hij was getroffen door de edelmoedigheid
-der Boeren, boog het hoofd en antwoordde: „Groote Heer! Ik ben door
-eeuwige dankbaarheid aan u verknocht, want gij hebt mij verlost van de
-dwingelandij, waaronder ik jarenlang als een verstooteling heb gezucht.
-Ik zal uwe voorwaarden vervullen, en geen bloed vergieten van blanke of
-kleurling, zoolang de zon en maan hun schijnsel zullen geven. Wordt gij
-aangetast door de vijanden, dan zal ik u bijstaan met mijn geheele
-macht, en mijn laatsten man voor u wagen, want zie, ik was dood, en gij
-hebt mij weder levend gemaakt! Ik was verschopt, en gij hebt mij weder
-opgeraapt!”
-
-Nu werd er een behoorlijk, in duplo geteekend contract opgemaakt,
-geteekend eenerzijds door Pretorius en eenige der voornaamste Boeren,
-en anderzijds door Panda en zijn kapiteins, waarbij Panda onder de
-opperhoogheid der Boeren tot koning over Zoeloe-land werd
-geproklameerd, terwijl de Boeren vreugdesalvo’s losten.
-
-Vervolgens hielden de Boeren een streng doch rechtvaardig gericht over
-Tambuza, Dingaan’s eersten staatsdienaar. Zijn aandeel aan den moord op
-de Boeren werd klaar bewezen en hij werd tot den kogel veroordeeld,
-waarna de Boeren met een buit van veertigduizend beesten, die hun van
-de Zoeloe’s toekwamen, in zegepraal terugkeerden naar hun lagers in
-Natal.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVI.
-
-
-Slechts door een kleine groep getrouwen vergezeld, was koning Dingaan
-nu dicht bij de grenzen gekomen van zijn rijk.
-
-Hij had zich nedergezet tegen den stam van een wilden kastanjeboom,
-dicht bij een gehavende veldtent, die men voor hem had opgeslagen.
-
-Hij wierp een langen blik naar zijn verloren koninkrijk, en balde
-toornig de vuist.
-
-„Waar is het regiment der witte schilden,” riep hij na een wijle,
-„waarmede ik zoo menigmaal de slagorden van den vijand heb
-verbrijzeld?”
-
-„Zij zijn uiteengestoven,” antwoordde Toelma, een zijner dienaren, „en
-hun hart is geworden als water.”
-
-„En de zwarte en de blauwe schilden—waar zijn zij?”
-
-„Zij waren niet bestand, o koning, voor het aangezicht der witmenschen,
-en zij versmolten van vrees.”
-
-Nu stond de koning op, en trad uit de schaduw van den kastanjeboom in
-het heldere licht der morgenzon, terwijl de even wreede als zinnelijke
-trekken van zijn gelaat en de krachtige lijnen van zijn zwaargebouwd
-lichaam nu duidelijk uitkwamen.
-
-Hij staarde naar de verte, Zoeloeland in, en zijn strakke oogen
-klaarden op, toen hij in de verte boven het lange, golvend Tamboekigras
-den Zwarten kroeskop van een Zoeloe ontdekte.
-
-In een snellen draf doorliep de Zoeloe den afstand, die hem scheidde
-van den koning, wierp zich voor hem ter aarde, stond toen op en kruiste
-zwijgend de armen over elkander.
-
-„Spreek Malowa,” zeide nu de koning, „zijt gij een brenger van goede
-tijdingen?”
-
-„Uwe zon heeft zich verduisterd, o koning,” antwoordde de Zoeloe. „Er
-zijn vele honden opgestaan in Zoeloeland, en zij bassen tegen den
-gewonden leeuw.”
-
-„Maar de leeuw zal genezen, Malowa,” zeide de koning, „en zijn klauw
-zal de honden verscheuren!”
-
-„Uw regimenten zijn verstoven als kaf voor den wind, o heer,” hernam de
-Zoeloe, „of zijn overgeloopen tot uw broeder, tot Panda!”
-
-„Noem mij den naam niet van dien vervloekte,” schreeuwde Dingaan, en
-hij knarste woedend op zijn tanden.
-
-„Ik heb hem gezien, o koning,” zeide de Zoeloe,—„het zwart in zijn
-oogen—ik had de werpspeer reeds gereed—”
-
-„Indien uw speer zijn adem had afgesneden, Malowa,” riep de koning, „ik
-zou u met goud en elpenbeen hebben omhangen!”
-
-De Zoeloe zweeg een oogenblik.
-
-„Hebt gij ’t soms gedaan?” ging de koning voort op gedempten toon,
-terwijl de haat zijn oogen deed fonkelen.
-
-Malowa schudde het hoofd.
-
-„’t Is niet mijn schuld, o koning, dat de geest des levens nog boven
-hem zweeft. Ik had mij strikt gehouden aan uw orders, en mij laten
-inlijven bij het leger van Panda. Dag en nacht heb ik zijn tent
-begluurd, maar ik moest voorzichtig zijn, want reeds had ik de aandacht
-getrokken van een witgezicht—men noemde hem den leeuwenjager—die mijn
-gangen naging, en mij naspeurde met zijn harde, strenge oogen. En toen
-ik meende een goede kans te hebben, en mijn hand reeds de assegaai had
-gegrepen, waarschuwde hij den Kafferprins, en slechts door een snelle
-vlucht redde ik mij van zijn kogel.”
-
-„Waar is mijn vee?” vraagde Dingaan, „mijn duizenden ossen?”
-
-„De Boeren hebben ze genomen, o koning!”
-
-„En waar is Tambuza?”
-
-„Zijn gebeente ligt te bleeken op de gerechtplaats, bij uw hoofdstad!”
-
-Weer hoorde men het knarsen der tanden.
-
-„Malowa,” brulde de koning met schorre stem, „breng mij mijn
-regimenten! Mijn regimenten, Malowa!”
-
-Hij stampte op den grond, en gaf eene zijner vrouwen, die naast hem
-hurkte, een schop.
-
-Hij balde de vuist en hief den arm dreigend omhoog.
-
-„Hoe zal ik mij wreken!” schreeuwde hij. „Ik zal de vrouwen en kinderen
-der Boeren levend spiesen op scherpgepunte palen, en de Boeren—ha! Ik
-zal mij wreken, dat er de latere geslachten nog van zullen beven!”
-
-Hij wachtte een oogenblik, want een snelvoetige Zoeloe naderde.
-
-„Wat hebt gij, Utuzi?”
-
-„Vlucht, o koning, vlucht!”
-
-„Vluchten, ellendeling? Ik wil strijden! Ik heb Moselekatse, „den
-Grooten Olifant”, de tanden gebroken—sla op het koningsschild, Malowa,
-en roep mijn regimenten op ten strijde tegen den vreemdeling!”
-
-Malowa zweeg, want hij vreesde, dat de duistere machten van den afgrond
-het verstand hadden beneveld van zijn gebieder, maar Utuzi riep
-gejaagd: „Vlucht, o koning, want de Boeren zitten u op de hielen—ik heb
-reeds den hoefslag gehoord van hun snelle paarden, en de groote
-leeuwenjager rijdt aan hun spits! Zie, ginds worden zij reeds zichtbaar
-op dien hoogen bergrug—vlucht, o koning!”
-
-Inderdaad werden in de verte een groep van minstens veertig ruiters
-zichtbaar, die nauwkeurig den omtrek schenen op te nemen, en bij dit
-gezicht kwam de koning plotseling tot bezinning.
-
-„Snel,” riep hij, „te paard!”
-
-„En over de grenzen!” zeide Malowa.
-
-„Over de grenzen!” herhaalde de koning, en hij steunde als een gewonde
-ever.
-
-„Als de blanken ons ten minste niet inhalen!” meende Utuzi.
-
-„Neen,” zeide Malowa, „dat zal niet gebeuren. Geen Boer zal de grenzen
-van Zoeloeland overschrijden; trouwens ik weet een pad in het gebergte,
-dat geen Boer zal vinden,” en hij ging den kleinen stoet van
-vluchtelingen als gids vooruit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVII.
-
-
-Op den hoogen bergrug stonden de veertig ruiters. Pretorius was met
-zijn hoofdmacht naar huis gegaan, naar Natal, maar deze ruiters zetten
-voor eigen rekening de jacht voort op Dingaan, den Zoeloe-koning. Het
-was eigenlijk een vermetele onderneming, maar zij volgden in blind
-vertrouwen den leeuwenjager, die in deze streken en in het land ten
-noorden, het gebied der Amazwazi-Kaffers, weken en maanden had
-rondgezworven op de jacht.
-
-Van hun hoogen observatiepost zagen zij de witte tent des konings, en
-zij haastten zich, nu zij zoo dicht het doel der lange jacht waren
-genaderd, om snel den berg af te komen. Doch hun paarden hadden wel
-vleugels aan hun hoeven mogen hebben, om den koning nog in te halen, en
-toen de ruiters, na een grooten omweg te hebben gemaakt, de tent
-bereikten, was er van de vluchtelingen niets meer te ontdekken.
-
-„Had je zwarte gisteren maar geen spijker in den poot gekregen,” meende
-de leeuwenjager wrevelig tot Dirk Kloppers, „dan hadden we den
-moordenaar nu in de ijzers!”
-
-„En wij zijn aan den grens van Zoeloeland—wij krijgen hem niet meer!”
-meende Tijs de Jong.
-
-„Waarom niet?” meende de leeuwenjager kortaf. „Zijn de grenzen voor òns
-versperd, terwijl ze voor den Zoeloe openstaan?”
-
-„Doch waar is zijn spoor?” vraagde Lodewijk Jansen; „het lijkt wel, of
-de aarde hem heeft opgeslokt.”
-
-„Ik heb het al,” zeide Dirk Kloppers, die een uitnemend speurder was,
-en op eenigen afstand in gebukte houding stond te zoeken. „Hier is de
-indruk van de paardenhoeven, en het geknikte gras wijst ons van zelf
-den weg.”
-
-De Boeren, die waren afgestegen en hun paarden hadden gedrenkt,
-sprongen nu weer vlug in ’t zaâl, en volgden in snellen rit het nieuw
-opgenomen spoor.
-
-Het was een lust, om hen te zien, die sterke, forsch gebouwde ruiters
-met over de borst vastgegespten bandelier en over den schouder geworpen
-geweer, als een wervelwind voortjagend op hun sterke, taaie paarden
-over de golvende, hobbelende grasvlakte!
-
-Er werd weinig gesproken; slechts het gehinnik der paarden en hun doffe
-hoefslag tegen den harden grond verbrak de stilte.
-
-Dirk Kloppers was nu de voorste; zijn zwarte hengst scheen nauwlijks
-den grond te raken. Maar de vos van den leeuwenjager was slechts een
-paardenlengte achter hem, terwijl de anderen op een twintig pas
-afstands volgden.
-
-Dirk Kloppers strekte de hand uit, en wees naar de verte.
-
-„Dáár, Teunis,” riep hij, „dáár!”
-
-De leeuwenjager knikte.
-
-„Dat zijn ze,” zeide hij, en hij drukte zijn vos de sporen diep in de
-flanken.
-
-
-
-„Utuzi,” zeide de koning, „hoeveel werpsperen bezit gij nog?”
-
-„Twee, o koning!”
-
-„Houd ze gereed, en zoo gauw als die voorste, die blonde op het zwarte
-paard, in het bereik komt van uw speer, dan slinger ze hem allebei in
-de borst!”
-
-„Eén zal voldoende zijn, o koning; de andere is goed voor dien ruiter
-op den goudvos!”
-
-„Doe wat ik u gebied,” zeide de koning kortaf.
-
-Nu wendde hij zich tot Malowa, die even als Utuzi te voet was, terwijl
-de andere vluchtelingen te paard waren.
-
-„Malowa, Snelvoetige, spring zijwaarts in het lange Tamboekigras, en
-stoot den tweede, dien blanke op den goudvos, als hij in het bereik
-komt van uw arm, het breede lemmer van uw stootspeer tusschen de korte
-ribben!”
-
-„O heer,” zeide deze, „dat kan ik niet!”
-
-„Waarom niet?” riep de koning verwonderd; „is uw arm verzwakt sinds gij
-Piet Uijs, die door de blanken de Dappere werd genoemd, den doodelijken
-speerstoot gaaft?”
-
-„’t Is de Onkwetsbare, o koning,” antwoordde Malowa op bijna
-fluisterenden toon; „ik heb het onbedriegelijk kenteeken gezien boven
-zijn rechter wenkbrauw, en al zouden de wolken boven hem assegaaien
-regenen, hij zou toch niet geraakt worden, omdat hij onkwetsbaar is!”
-
-„Ik zie,” zeide de koning met verachting, „dat de moed versmolten is in
-het hart van den zoon van het snuivende rhinoceros, en hij is een laffe
-hond geworden, dien men met de kirrie, met den knuppel doodslaat!”
-
-Maar dit snerpende woord trof den Zoeloe als een vlijm, en zonder een
-woord te spreken, sprong hij zijwaarts en verdween in het Tamboekigras.
-
-
-
-De goudvos van den leeuwenjager hield zich uitnemend; hij rende nu op
-gelijke hoogte met Kloppers’ hengst over de vlakte.
-
-De afstand, die hen van de vluchtelingen scheidde, kortte nu snel in.
-
-Dirk Kloppers was opgewonden; ook het hart van den leeuwenjager klopte
-sneller, maar deze liet het minder merken.
-
-Hij richtte zich hoog op in de stijgbeugels, en zijn valkenoog
-bespiedde den omtrek, maar een trek van groote teleurstelling werd
-plotseling zichtbaar op zijn streng gelaat.
-
-„Wij moeten Dingaan hebben voordat hij gindsche bergen bereikt,” zeide
-Dirk, „want anders ontsnapt hij ons tusschen de kloven en bosschen!”
-
-„We halen ’t niet,” meende de leeuwenjager.
-
-Als eenig antwoord gaf Dirk het paard de sporen, en prikkelde het tot
-de uiterste krachtsinspanning.
-
-Hij kwam weer voor den leeuwenjager uit—hij was nu binnen den speerworp
-van den Zoeloe.
-
-Hij zag geen gevaar; hij kende geen ander gevaar dan dit, dat de koning
-hem zou ontsnappen.
-
-Hij maakte een lang werptouw gereed: een soort lazzo.
-
-„Ik zal hem vangen als een wild beest,” zeide hij, „want het is een
-wild beest.”
-
-Hij lette er niet op: dat Utuzi de Zoeloe zich omkeerde.... dat hij de
-werpspeer richtte....
-
-Maar de valkenoogen achter hem waakten, en de kogel van den
-leeuwenjager was sneller dan de assegaai van den Zoeloe.
-
-Met doorschoten borst stortte Utuzi neer.
-
-
-
-Even lichtte Malowa den zwarten kroeskop op boven het golvende
-Tamboekigras, om te zien naar de uitwerking van het schot, maar dit was
-zijn ongeluk. Reeds had de leeuwenjager hem ontdekt, en toen Malowa
-zag, dat er aan geen vlucht meer te denken viel, sprong hij recht
-overeind, en staarde den leeuwenjager aan met wilde, tartende oogen—het
-ware beeld van den fieren, grimmigen Zoeloekrijger, die den dood niet
-vreest.
-
-De koning keek om en slaakte een kreet van woede en smart, toen hij
-Malowa, den snelvoetige, den zoon van het snuivende rhinoceros, zijn
-dappersten krijger, zag vallen. Doch thans had hij de vlakte achter
-zich, en snel met zijn overgebleven getrouwen in de met dichte bosschen
-begroeide bergkloven verdwijnend, staarden de Boeren hem na als jagers,
-wien het opgekeerde wild nog in ’t laatste oogenblik ontsnapt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVIII.
-
-
-’t Is inderdaad een merkwaardige groep in die ruime, sombere, vochtige
-spelonk.
-
-Daar, in den hoek, zit de toovenares: Walhoeli.
-
-Het lange, pikzwarte haar hangt in zware strengen langs het donkere,
-gerimpelde gelaat, en de lange kraalsnoeren, die haar om de leden
-hangen, rinkelen bij de geringste beweging.
-
-Zij zit neergehurkt bij een pot, gevuld met water, die boven een
-hoogopvlammend vuur is gehangen, terwijl wierookwalmen de spelonk
-vervullen.
-
-Haar oogen gloeien als vuur, en met over elkander geslagen armen staart
-zij naar de dampen, die opstijgen uit den pot.
-
-Zij spreekt geen woord, slechts nu en dan bewegen zich haar lippen, om
-tooverspreuken te fluisteren.
-
-Een veertigtal ruiters staan, leunend op hun lange roeren, voor en in
-de spelonk en staren beurtelings naar het vuur, naar de in grillige
-vormen opstijgende dampen en naar de toovenares, terwijl op hun
-krachtige, door de zon gebruinde gelaatstrekken een zekere spanning
-onmiskenbaar is.
-
-Nog altijd zwijgt de geheimzinnige, raadselachtige vrouw, en uit de
-groep Boeren gaat een afkeurend gemompel op.
-
-„’t Is ’n waarzegster,” roept Dirk Kloppers, „eene echte waarzegster;
-wij zijn den strijd met God begonnen—zullen wij hem met waarzegsters
-eindigen?”
-
-„’t Is eene toovenares—eene dochter van de toovenares van Endor,” meent
-Tijs de Jong, en hij stoot met den kolf van zijn geweer op den harden
-rotsgrond, dat de echo van den stoot dof weergalmt in de diepe grot.
-
-Maar de toovenares verroert zich niet; met schitterende oogen staart ze
-naar de grillige dampen, en zij schijnt in die dampen een vizioen te
-lezen.
-
-De leeuwenjager staat vlak naast haar; met ongeduldige gebaren kijkt
-hij haar aan, maar nog bedwingt hij zich.
-
-De spelonk bevindt zich midden in het gebergte, en de schorre schreeuw
-van een wilde papegaai en het hongerige gejank der hyena wordt uit de
-verte gehoord.
-
-„De blanke man heeft waarheid gesproken,” zegt zij eindelijk op
-langzamen, slependen toon; „koning Dingaan is gevlucht, zijn rijk is
-ineen gestort als een vermolmd huis, en hij heeft toevlucht gezocht bij
-ons, de Amazwazikaffers. Dingaan is de buffel, en de witmensch is de
-leeuw, en de leeuw zal den buffel najagen maar niet bereiken, want hij
-wordt gedekt door het schild der dappere Amazwazi’s! Maar ik—de omhoog
-kronkelende dampen zeggen het mij—maar ik—”
-
-„Me dunkt, dat we wel heen kunnen gaan,” meent Lodewijk Jansen
-verachtelijk—„wat doen we hier in het hol van het heidendom?” en hij
-wendt zich reeds naar den uitgang der grot.
-
-„Maar ik zal den buffel leveren,” roept zij, plotseling opspringend,
-met harde, snelle, krijschende stem; „hij heeft mijne drie kinderen
-voor mijn oogen afschuwelijk verminkt, doch het uur der wrake heeft
-geslagen!”
-
-Zij slaat met haar handen krampachtig in de lucht; dan zet zij zich
-weer uitgeput neder.
-
-Het vuur dooft nu uit, en de dampen verminderen.
-
-Zij kijkt den leeuwenjager strak aan.
-
-„Kent gij mij?” vraagt hij.
-
-Zij knikt bevestigend.
-
-„Wij hebben drie dagen in deze streken gezworven, Walhoeli, om u te
-vinden, want ik wist, dat koning Dingaan uw kinderen had mishandeld, en
-wij hebben grooten haast. Ik heb u eens geholpen, toen gij in grooten
-nood verkeerdet—”
-
-„Ik weet het, groote jager; gij hebt de dochter der Amazwazi’s
-gedrenkt, toen zij zou verdorsten.”
-
-„En nu kunt gij ons helpen en uw dankbaarheid bewijzen, want gij hebt
-grooten invloed op uw volk. Gij kunt hen bewegen, dat zij koning
-Dingaan aan ons uitleveren.”
-
-Walhoeli schudt met het hoofd, dat de kraalsnoeren rinkelen.
-
-„Ik zal aan uw wensch niet kunnen voldoen,” zegt zij op bedaarden toon,
-„want het zou indruischen tegen de wetten van mijn volk. Doch indien
-Walhoeli, van wie haar volk getuigt, dat zij in de sterren den
-naderenden regen kan lezen, iets vermag, dan zal het gebeente van
-koning Dingaan, voordat de zon nog driemaal oprijst in het oosten,
-dienen tot spijs van den jakhals, die op de lijken loert.”
-
-„Dàt hoor ik liever dan dat heidensche toovergeleuter,” zegt Lodewijk
-Jansen met hartgrondigen nadruk, terwijl de Boeren zich naar buiten
-begeven.
-
-„Ik zal uw gids zijn,” zegt Walhoeli, „en u brengen, waar gij wezen
-moet.”
-
-„Is het wel geraden haar te volgen?” vraagt een voorzichtige Boer.
-
-„Zij is te vertrouwen,” zegt de leeuwenjager, „maar hoe de Amazwazi’s
-ons zullen ontvangen, weet ik niet. In elk geval: onze paarden zijn
-vlug, en onze geweren geladen—wij zullen haar volgen!” En stapvoets
-volgen de Boeren, de omgeving behoedzaam opnemend, het vreemde
-schepsel.
-
-
-
-Vijf uur duurde de tocht; de zon neigde reeds naar het westen, toen de
-blanken bij de vorsten der Amazwazi’s aankwamen.
-
-Koning Dingaan had zich onder hunne bescherming geplaatst, en zij zaten
-in een breeden kring, in de schaduw van eenige palmboomen, raad te
-houden, hoe men met hem zou handelen.
-
-Een eerewacht stond met gevelde speer op eenigen afstand.
-
-Walhoeli heette de blanken halt te houden, terwijl zij zich
-onbeschroomd tot in den kring der vorsten waagde.
-
-„Wat brengt u hier, sterrekijkster?” vraagde de oudste der vorsten,
-blijkbaar hun koning, de zwarte, vorschende oogen naar de verte
-slaande, waar hij de ruiters zag.
-
-„De dochter uws volks groet u,” zeide zij, eerbiedig ter aarde buigend,
-„en dat ge sterk moogt worden en machtig als de olifant van dit land,
-die met zijn snuit de boomen ontwortelt! Ik heb als gids gediend voor
-het gezantschap, dat het machtige volk der witmenschen heeft
-afgezonden, om hun hulde en hun bede aan uw voeten neer te leggen, o
-groote koning!”
-
-„Wat willen zij?” vraagde hij met een flikkering van zijn zwarte oogen,
-en Umkowo, een zijner raadslieden, het woord nemend, zeide: „Zij zijn
-gekomen, om de gesteldheid van dit land te onderzoeken; het zijn
-verspieders, en gij zult verstandig doen, o koning, zoo gij hun tong
-stom maakt voor eeuwig.”
-
-„Mag ik spreken?” vraagde Walhoeli.
-
-„Spreek!” zeide de koning.
-
-„Umkowo de Schrandere spreekt dezen keer dwaze taal, o koning, want als
-die witmenschen verspieders waren, dan zouden zij zijn gekomen als het
-wild gedierte, dat des nachts over onze grasvelden sluipt. Maar zij
-komen op den dag, als de zon schijnt, omdat hun bedoelingen rein en
-klaar zijn als het licht der zon. Zij zoeken Dingaan, den vluchtenden
-koning der Zoeloes, en wenschen, dat hij hun worde uitgeleverd om de
-bloedwraak!”
-
-De vorsten keken bij deze tijding verwonderd op; zelfs Umkowo, die de
-schrandere werd genoemd.
-
-„Weet gij, Walhoeli, waar Dingaan is?” vraagde de koning op gedempten
-toon.
-
-„Hij is in gindsche kraal, o koning, waar ik de speren eeniger
-Amazwazi’s zie blinken.”
-
-„Hoe weet gij dat, Walhoeli?”
-
-„Ik heb de wolken des hemels geraadpleegd, o koning, en die liegen
-niet!”
-
-„De wijsheid der goden woont in uw ziel,” zeide de koning vol eerbied.
-
-„Ik lees in de sterren en in het hart der koningen, en ik vergis mij
-nooit,” zeide zij op stouten toon.
-
-„Als gij in het hart der koningen leest, vertel mij dan toch, wat de
-koning denkt op dit oogenblik,” zeide Umkowo de Schrandere, die aan
-haar waarzeggerskunsten twijfelde, en haar den voet altijd dwars zette,
-omdat hij jaloersch was op haar grooten invloed.
-
-„Mag ik het zeggen, o koning?”
-
-Weer knikte hij met het hoofd.
-
-„Onze koning denkt, dat Dingaan niet kan worden uitgeleverd, omdat de
-gerechtigheid der Amazwazi’s en niet de gerechtigheid der blanken mag
-heerschen ten noorden der Pongolo-rivier.”
-
-„Gij hebt naar waarheid gesproken, Walhoeli—dat de speerwacht de
-vreemdelingen hier brenge!”
-
-De wacht rukte op naar de ruiters, doch de hoofdman keerde alleen
-terug.
-
-„Zij willen hun wapens niet afgeven, o koning,” rapporteerde de
-hoofdman. „Hun aanvoerder zegt, dat zij dit niet doen en in der
-eeuwigheid niet zullen doen, sinds Dingaan hun dapperste mannen, die
-ongewapend voor hem verschenen, als lammeren heeft geslacht!”
-
-De welwillendheid, die tot nog toe op het gelaat van den koning was
-zichtbaar geweest, verdween echter bij deze woorden, en zijn oogen
-stonden strak en toornig.
-
-„Om deze weigering hebben zij u, o koning, beleedigd,” meende een der
-vorsten.
-
-„En zijn des doods schuldig!” riep Umkowo.
-
-
-
-„Die daar opstaat, is zeker hun koning,” zeide de leeuwenjager, terwijl
-zijn scherpe oogen onafgewend op den kring der vorsten waren gericht,
-„maar al kwam de koning aan de spits van zijn geheele leger, wij geven
-onze wapens niet af.”
-
-„Me dunkt, dat het tijd wordt!” meende Kees Bouwer, en hij wendde reeds
-den teugel van zijn paard, om te vluchten.
-
-„Dat komt er van, als men met waarzeggers aanlegt,” zeide Lodewijk
-Jansen, zonder Bouwer’s voorbeeld te volgen.
-
-„Was het mij om haar tooverspreuken te doen?” riep de leeuwenjager op
-luiden toon; „ik heb geene waarzegster gezocht, maar een gids, eene
-voorspraak onder deze wilde Kaffers, en dat is mij genoeg!”
-
-„Een mooie voorspraak!” riep een der achterste Boeren op spottenden
-toon.
-
-„Gij hebt ons in de knoei gebracht—breng er ons nu ook weer uit,
-Teunis,” meende een ander, dood bedaard zijn houten pijp stoppend.
-
-„En als gij het niet doet, dan hoop ik, dat deze dochter van Endor het
-zal doen,” meende Dirk Kloppers uit den grond van zijn hart.
-
-Plotseling weerklonk luid hoorngeschal, wijd uit de verte snel en
-driftig beantwoord.
-
-„Nu wordt het meenens,” zeide Tijs de Jong.
-
-Zelfs de leeuwenjager werd een tint bleeker, maar overigens was er
-niets aan hem te bespeuren.
-
-„Ik vermoed, dat gij van plan zijt om te vluchten, Kees Bouwer,” zeide
-hij bedaard, „maar ik raad je, om het te laten, want ik schiet je niet
-graag dood.”
-
-Kees Bouwer liet zich gezeggen en bleef.
-
-Het was verstandig, want de leeuwenjager zou anders werkelijk op hem
-hebben geschoten. Slechts door eendrachtig het dreigend gevaar te
-trotseeren, was er kans van ontkoming.
-
-„Kalm en bedaard,” vermaande hij nu, „en de oogen open!”
-
-
-
-„Gij zult het niet doen, o koning,” zeide Walhoeli, smeekend voor zijn
-voeten nederknielend.
-
-„Ga mij uit den weg,” riep hij toornig, „of de brullende leeuw zal u
-verbrijzelen onder zijn voet!”
-
-„Koning—de goden waarschuwen u!” gilde zij, „zie toch—zie toch!”
-
-Zij wees met beide handen naar boven, waar een grillig gevormde wolk
-langzaam voortdreef aan den overigens bijna wolkeloozen hemel.
-
-De koning keek omhoog.
-
-„Een wolk,” mompelde hij verachtelijk.
-
-„Een wolk, o koning,” zeide zij, „waarin de bode woont van den grooten
-Geest. Ik Walhoeli, in wie de geest der wijsheid woont, zeg het u!”
-
-De koning scheen deze woorden niet eens te hooren.
-
-„Ziet gij dan niet, o koning, dat die wolkebode van den grooten Geest
-den vinger dreigend heeft uitgestrekt? ’t Is dezelfde wolk van vier
-jaar geleden, o koning!”
-
-„Zwijg,” riep hij grimmig—„speerwacht, voorwaarts!”
-
-Maar Walhoeli zweeg niet.
-
-„Zij at uit uwe hand, de liefelijke roos van den Marikelenberg, en uit
-uwen beker dronk zij. Zij wekte u elken morgen met snarenspel, en elken
-avond zong zij u haar schoonste liederen. Maar de slang der ijverzucht
-siste u een leugen in het oor, en gij hebt de speer gestooten in het
-trouwste hart, dat ooit voor u heeft geklopt en ooit voor u zal kloppen
-in Amazwaziland!”
-
-De koning stond plotseling stil—op dertig pas afstands van de blanken;
-ook de speerwacht, vierhonderd man sterk, bleef staan, terwijl in de
-verte de assegaaien blonken van een snel naderend regiment.
-
-Met groote, strakke oogen staarde hij naar de wolk.
-
-„’t Was dezelfde wolk, o koning! Hadt gij op haar wenk gelet, dan zou
-de liefelijke roos van den Marikelenberg nog heden met haar zoete geur
-uw gaarde vervullen!”
-
-De toorn verdoofde in zijn oogen; er kwam een dof gekreun uit zijn
-breede borst.
-
-„O Walhoeli, gij doet mij veel pijn,” kwam het klagend over zijn
-lippen.
-
-„Om u voor andere pijn te bewaren, o koning,” zeide zij eerbiedig.
-
-Hij wenkte met de hand, en het hoorngeschal werd opnieuw vernomen, maar
-thans in vredige, langgerekte toonen. De speerwacht keerde terug naar
-haar vroegere standplaats, en de flikkerende speren in de verte
-verdwenen.
-
-„Mogen de blanken morgen verschijnen voor uw troon?” smeekte nu
-Walhoeli.
-
-„Neen,” zeide hij met waardigheid, „geen vreemdeling zal gewapend
-verschijnen voor mijn troon, maar om de liefelijke roos van den
-Marikelenberg, die eens voor een blanke bij mij pleitte, zal ik morgen
-de vierschaar spannen over Dingaan, den Zoeloe-koning, en gerechtigheid
-oefenen!”
-
-„Maar wie zullen er dan als getuigen optreden, als er geen blanken
-mogen verschijnen?” vraagde Walhoeli, want nieuwe zorgen kwamen er op
-in haar hart.
-
-„Wees gerust,” zeide de koning; „mijn spionnen, die ik naar Zoeloeland
-zond, kunnen heden nacht terug zijn, en zullen mij de waarheid brengen.
-Overmorgen vroeg, als de dauw optrekt, is Dingaan een vrij man, of ligt
-zijn gebeente te bleeken achter de gerechtsplaats, op den heuvel der
-misdadigers—ga nu, en zeg dit aan uw blanke vrienden!”
-
-
-
-Nog was de dauw niet opgetrokken, maar de dageraad vlamde reeds boven
-de bergen en valleien van Amazwaziland, toen eene vrouw, eene
-kleurling, een groep kloeke ruiters te paard voorging het veld in.
-
-Allen verkeerden in ernstige stemming.
-
-De heuvel der misdadigers was spoedig bereikt.
-
-Een groep aasvogels vloog bij de nadering der ruiters op, maar zette
-zich in de nabijheid weer neder, in de lage takken van een wilden
-olijvenboom.
-
-Zij bleven dicht in de nabijheid, want aasvogels zijn brutaal, en deze
-aasvogels hadden honger.
-
-Midden op den heuvel lag, als een bedekking, een kleed uitgespreid.
-
-De ruiters sprongen van hun paarden, en schaarden zich in een kring om
-dat kleed.
-
-„Onder dat kleed—,” fluisterde Walhoeli, „onder dat kleed—”
-
-Zij scheen den volzin niet te kunnen voltooien, want zij was
-aangegrepen door den ernst en de plechtigheid van dit oogenblik.
-
-De leeuwenjager nam het kleed langzaam weg....
-
-Er werd geen kreet gehoord; zelfs geen woord. Slechts het gekras der
-aasvogels werd vernomen uit den wilden olijvenboom, want zij hadden
-honger, en de blanken vertoefden langer dan hun lief was.
-
-De leeuwenjager verbrak nu het zwijgen, en zijn hand uitstrekkend boven
-het lijk van Dingaan, den gewezen koning van Zoeloeland, zeide hij met
-langzame, van ontroering bevende stem: „Gewroken is het bloed van Piet
-Retief en zijn dapperen, en van Piet Uijs en zijn dapperen, en het
-bloed van vele mannen, vrouwen en kinderen, die wij liefhadden—moge het
-heidendom weten, dat God zijn volk zal wreken!”
-
-De ruiters verlieten nu den heuvel, maar een keurbende des konings,
-gewapend met schild en speer, stond hen op te wachten.
-
-„Ik heb het bevel van den koning ontvangen,” zeide de kapitein, „u als
-een veilig geleide te vergezellen tot aan de grenzen van ons land.”
-
-Zoo reden dan de ruiters, vergezeld door de snelvoetige Kaffers, naar
-het zuiden terug.
-
-Ook Walhoeli ging mee, maar toen in de verte het groene water zichtbaar
-werd van de Pongolorivier, keerden de Amazwazi’s om, van de blanken
-vriendelijk afscheid nemend.
-
-Ook Walhoeli keerde terug.
-
-„Heb ik mijn gelofte gestand gedaan?” zeide zij.
-
-„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ten volle—wij danken u, Walhoeli!”
-
-Hij reikte haar de hand, die zij kuste. Zij scheen diep bewogen, maar
-snel liet zij zijn hand los, en voordat de leeuwenjager nog iets kon
-zeggen, verdween zij zijwaarts in het bosch, en niemand heeft meer iets
-van haar gehoord.
-
-
-
-Maar het lijk van Dingaan was achtergebleven, op den heuvel der
-misdadigers—onbedekt. En de aasvogels zijn neergestreken uit den
-olijvenboom, en zij hebben met het wild gedierte uit het bosch
-gevochten om zijn vleesch, en de honden hebben zijn bloed gedronken—het
-bloed van Dingaan, den koning van Zoeloeland!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIX.
-
-
-Wij bevinden ons in een der liefelijkste oorden van het Over-Vaalsche,
-van de Transvaal.
-
-Op een platten heuvel, in de nabijheid eener wijde beek, wier water
-driftig van de bergen nederkomt, ziet ge eene landelijke, eenvoudige
-woning. Ze is omlijst door een krans van kort geplante, welig
-opschietende boomen.
-
-Hier woont Gert Kloppers. De ossenwagen is uitgespannen; de tent
-opgerold; de Trekker is tot rust gekomen.
-
-Ge zult u echter verwonderen, hem hier in de Transvaal te vinden. Ge
-zoudt hem in ’t zuiden hebben gezocht, in Natal.
-
-Kloppers zou zich waarschijnlijk ook in Natal blijvend hebben
-gevestigd, hadden zijne schoonzoons, die zich met de Trekboeren onder
-Kommandant-Generaal Hendrik Potgieter met der woon hadden gevestigd in
-Transvaal, hem niet zoo’n prachtig stuk gronds, minstens 6000 morgen
-groot, aangeboden. Hij had het land bezichtigd, en het had alle
-verwachting overtroffen. Toen had hij de sterke ossen weer voor den
-wagen gespannen, en zijn vrienden, met wie hij zoo veel leed en strijd
-had doorworsteld, hadden hem de hand gedrukt, en met bewogen stem
-nageroepen:
-
-„Ga in vrede!”
-
-En zoo woont Gert Kloppers nu met zijn gezin in de Transvaal, en daar
-in de verte, waar gij, tegen dat bosch aan, den rook van een
-schoorsteen langzaam omhoog ziet kronkelen, daar woont zijn zoon Dirk.
-
-Met veerkrachtigen tred ging de jonge Boer langs zijne vruchtbare
-akkers, waaruit het gezaaide koren veelbelovend uitsproot. Het was hem
-licht om het hart, en hij zong een vroolijk lied, dat wijd over de
-velden schalde.
-
-Hij werkte voor zijne vrouw, straks, zoo God wilde, voor zijne
-kinderen. Want naar kinderen verlangt de Afrikaansche Boer: het is zijn
-schat, zijn weelde; het zijn de frissche olijfplanten, die zijn disch
-zullen versieren.
-
-Kalm, bedaard, zonder overdreven idealen, is Dirk met zijn bruid in het
-huwelijk getreden. Zij hadden elkander werkelijk lief; hunne karakters
-pasten bij elkander; zij waren dezelfde levensbeschouwing toegedaan; de
-ouders hadden geen bezwaren—welnu, toen trouwden zij. En ’t is een
-flink paar, die Dirk Kloppers en die Anna, de dochter van Barend
-Jansen, dat moet er van gezegd zijn.
-
-Tegen den middag huiswaarts keerend, kwam den jongen Boer een ruiter
-tegemoet. ’t Was Teunis de leeuwenjager; Dirk herkende hem dadelijk.
-
-De trouwe vrienden schudden elkander hartelijk de hand.
-
-„Komt gij kersversch uit Natal?” vraagde Dirk.
-
-Op het gelaat van den leeuwenjager lag een ernstigen trek, toen hij die
-vraag bevestigde.
-
-„Maar kom binnen, Teunis,” hernam Dirk, „en groet mijn vrouw. En ik
-hoop, dat gij eenige dagen onze gast zult zijn.”
-
-Nu traden beide mannen de bescheiden woning binnen, waar Anna bezig
-was, het middageten gereed te maken. Zij was blijde verrast met de
-komst van den leeuwenjager, en sprak eveneens den wensch uit, dat hij
-eenige dagen bij hen door zou brengen.
-
-Maar hij schudde het hoofd en zeide: „Ik blijf bij u eten, en dan rijd
-ik terug naar uw vader. Ik heb haast.”
-
-Bij dit gezegde keek Dirk den spreker vorschend in het stroeve gelaat,
-en vraagde, zonderling beklemd: „Is er zoo’n haast bij?”
-
-„Ja,” zeide de leeuwenjager, „er is haast bij: er is oorlog in ’t
-zicht!”
-
-Nadenkend keek hij de twee jonge menschen aan, die daar zoo vroolijk
-voor hem zaten, en een vochtige schemering ging over zijne oogen heen.
-In het volgende oogenblik echter schenen die oogen weer zoo hard als de
-harde kogel in den loop van zijn geweer, en hij zeide: „Dirk! Ik roep u
-op tot den strijd voor vrijheid en recht!”
-
-Maar als een bliksemstraal uit den zonnigen hemel, zoo trof dit bericht
-den jongen Boer. Hij had zich nauwelijks nedergezet aan zijn eigen
-haard, hij had nauwelijks den zoeten geur des vredes ingeademd, en
-midden in die liefelijke, zoo vurig begeerde rust kwam plotseling het
-stormgelui der oorlogsklok!
-
-„Oorlog?” riep hij, terwijl hij overeind vloog: „oorlog?” Maar in ’t
-volgende oogenblik had hij zijn evenwicht terug.
-
-Met verwonderlijke zelfbeheersching ging hij weer zitten aan de
-stevige, eikenhouten tafel tegenover zijn vrouw, en vraagde op kalmen
-toon: „Het gaat zeker tegen de Engelschen?”
-
-„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ze willen Natal inpalmen.”
-
-„Dat met het kostbare, edele Boerenbloed is gedrenkt?” zeide de jonge
-Boer. „Maar zij hebben ’t nog niet,” liet hij er dreigend op volgen.
-
-„Doch zij zullen ’t krijgen,” antwoordde de leeuwenjager. „Ons volk is
-uitgeput door de Kafferoorlogen; het moet zich herstellen van de
-geslagen wonden, en de meeste lagers verkeeren in groote armoede. Ja,
-de Engelschen zijn een zeer verstandig volk; zij kijken hun tijd af.”
-
-Er lag een snijdende bitterheid in den toon, waarop hij dit zeide.
-
-„Dus gij beschouwt de zaak voor de Boeren verloren?” vraagde Dirk.
-
-„Ik heb uw vader zooeven gesproken, hij denkt het eveneens,” antwoordde
-de leeuwenjager.
-
-„En waarom zullen wij dan vechten voor een verloren zaak?” vraagde de
-jonge Boer verwonderd.
-
-„Omdat die verloren zaak een rechtvaardige zaak is,” antwoordde de
-leeuwenjager.
-
-„Het heeft zijn nut, er het geweer voor te laden, en ’t kan zijn nut
-hebben, er voor te—sterven.
-
-„’t Zal een protest zijn tegen het schandelijk onrecht, dat ons wordt
-aangedaan.”
-
-Zijn stem beefde, toen hij dit zeide; ze beefde van ingehouden toorn.
-
-Zijne oogen begonnen het vuur te weerkaatsen, dat in zijn boezem
-brandde, en de diep in het hart van dezen man sluimerende
-hartstochtelijkheid kwam met macht naar boven.
-
-„Zie,” zeide hij, „het bloed der Boeren heeft nog meer kracht dan een
-kogel, en dat bloed zal tot God roepen om wraak over onze vijanden, die
-ons wreed verdrukken.”
-
-„Maar,” liet hij er zachter op volgen, „het is hard voor u, Anna, om uw
-man, met wien gij nog geen jaar zijt gehuwd geweest, in den oorlog te
-zien trekken.”
-
-„Ja,” antwoordde zij, „dat is hard. Het zou met ons huwelijk slecht
-staan, als ik mijn man gaarne zag scheiden. Maar,” liet zij er op
-volgen, terwijl haar heldere blik vast op den leeuwenjager rustte,
-„Barend Jansen zou zich over zijn dochter schamen, als zij tot haar man
-zeide: „Blijf!””
-
-„Barend Jansen zal zich nooit over zijn dochter te schamen hebben,”
-antwoordde de leeuwenjager met een warmen toon in zijn stem. „Toen ik
-haar met den bijl in de hand den ingang van het lager tegen de woedende
-Zoeloe’s heb zien verdedigen, heb ik respect voor haar gekregen.”
-
-„Dus gij gaat mee?” wendde hij zich tot Dirk.
-
-„Ja,” zeide Dirk met vaste stem. „Wanneer vertrekken wij?”
-
-„Ik ga nu terug naar uw vader,” antwoordde de leeuwenjager; „het is
-reeds afgesproken, dat uw broeder Willem meetrekt in den oorlog, en hij
-zal mij vergezellen, om nog eenige andere Boeren in deze streken op te
-roepen tot den oorlog. Overmorgen hopen wij u dan aan de „drift” te
-ontmoeten, en rijden wij te samen onmiddellijk naar Natal.”
-
-Met deze afspraak verliet de leeuwenjager in den namiddag, nadat hij
-bij hen had gegeten, de woning der jonggetrouwden.
-
-
-
-De volgende dag is een drukke dag. Dirk bestelt zijn huis en regelt
-alles. Zijn vrouw zal zoo goed het gaat zijn plaats vervullen, en op de
-raad en de hulp van haren schoonvader kan zij rekenen. De meest
-vertrouwde kafferknecht wordt binnengeroepen, en hij zal een extra
-belooning ontvangen, als hij een oog in ’t zeil houdt.
-
-Inmiddels bakt Anna beschuit, droogt zij vleesch, vult zij het leeren
-zakje met gemalen koffie, en zorgt ze voor tabak. Dit is de proviand
-voor haar man op reis. Soms verduistert haar helder oog, terwijl ze dit
-alles en nog zoo veel meer gereed maakt, maar zij houdt zich taai, want
-zij weet, dat zij is de vrouw van een Afrikaanschen Boer.
-
-In drukke bezigheden en beslommeringen gaat de dag voorbij. Men gaat op
-den gewonen tijd ter ruste, maar vóór het krieken van den morgen staat
-de jonge Boer op.
-
-Hij begeeft zich naar den stal, naar Hannibal. Hij strijkt het edele
-dier het kophaar uit de oogen en klopt het op den slanken hals.
-
-Inmiddels heeft Anna het ontbijt gereed gemaakt, en samen gaan zij aan
-de eenvoudige tafel zitten. Ach, het is een droevig ontbijt; Dirk kan
-het brood niet door de keel krijgen.
-
-Nu is het ontbijt afgeloopen; nu zal het op een scheiden gaan.
-
-Anna neemt de kogeltasch, gevuld met de kogels, die zij heeft gegoten;
-en hangt ze haren man om de schouders.
-
-Dan reikt ze hem het geladen geweer.
-
-„Strijdt wakker, geliefde man,” zegt zij.
-
-Ja, wakker strijden, dat hoopt hij waarlijk te doen.
-
-En nu komt het afscheid.
-
-Zij staren elkander in de oogen, lang en innig, die man en die vrouw.
-Zij lezen in elkanders oogen, en ach, daar is niets in geschreven dan
-droefheid en liefde. Zij neemt zijn hoofd tusschen hare handen, kust
-hem de tranen uit de oogen en zegt: „De Heere beware uwen uitgang en
-uwen ingang!”
-
-De oudste kaffer leidt het paard voor de huisdeur. Het ruikt de
-frissche morgenlucht, en hinnikt vroolijk zijn jongen baas tegemoet.
-
-Snel springt hij in het zaâl, en geeft het paard de sporen.
-
-Zijn vrouw staat in de deur hem na te staren.
-
-Hoe snel verdwijnt hij uit het gezicht!
-
-Daar blikt hij nog eenmaal om, heft zich in den stijgbeugel op, en
-zwaait tot een laatst vaarwel driemaal met het geweer boven zijn hoofd,
-zoodat de blanke loop schittert in de eerste stralen der morgenzon.
-
-En nu ziet Anna niets meer, want de ruiter is achter den naasten
-heuvelrand verdwenen. Zij ziet niets meer dan een nevel; dat zijn hare
-tranen.
-
-Maar den jongen Boer wordt het nu ruimer om het hart. Hij is nu op het
-oorlogspad, en hij zal strijden voor vrijheid en recht!
-
-Geen Hongaarsche ruiter jaagt sneller door de eenzame wildernissen van
-zijn vaderland, dan deze Afrikaansche Boer over de ongemeten grasvelden
-der Transvaal.
-
-Hij jaagt al sneller en sneller—het zuiden in.... naar Natal.... tot
-voor de mond van het Engelsche kanon....
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXX.
-
-
-Anna voelde zich thans zeer eenzaam. Nu eerst voelde zij de sterkte van
-den band, die haar aan Dirk Kloppers bond.
-
-Hoe menigmaal ging zij tegen het vallen van den avond op den hoogsten
-heuvel in den omtrek, om te zien, of haar man nog niet terugkwam! Zij
-wist, dat het dwaasheid was, zulks te doen, doch zij had een weemoedig
-genot in die dwaasheid.
-
-Ach, zij had hem lief—er is immers ook geen inniger, hechter, teederder
-band te denken dan tusschen man en vrouw! Elken morgen en elken avond
-smeekte zij op neergebogen knieën voor dat zoo dierbaar leven, dat
-thans door de bommen der Engelsche kanonnen werd bedreigd. Met haar
-gebeden wilde zij haar man dekken als met een schild, en hare liefde
-wilde zich om hem heen legeren als een slagorde met banieren!
-
-Zoo lief had Anna haar man.
-
-De tijd brak aan, dat zij een dochterke in haar armen hield. Het was
-een allerliefst, mollig wichtje; het had de blauwe, schitterende oogen
-van haren vader. Zij noemde het Mieke, naar zijn zuster, die in het
-gevecht tegen de Zoeloe’s was bezweken, en soms ging er een groote,
-heerlijke blijdschap door haar ziel, als zij dacht aan het oogenblik,
-dat Dirk behouden terug zou komen, en dit lieve kindeke aan zijn hart
-zou drukken.
-
-Reikhalzend zag zij uit naar tijding, maar er verliepen weken en
-maanden, zonder dat er tijding kwam.
-
-Nu, dat was niet te verwonderen. Immers honderden mijlen wildernis en
-het hooge Drakengebergte scheidden de streek, waar de familie Kloppers
-woonde, van het gebied, waar de bloedige botsing zou plaats grijpen.
-Daarbij veroorzaakte de strijd tusschen de twee blanke rassen een
-begrijpelijke spanning en gisting bij de Kafferstammen, zoodat de wijd
-en zijd verspreide, als van de wereld afgezonderde Emigranten-Boeren
-dicht bij huis en hof moesten blijven, en weinig nieuws vernamen.
-
-Eindelijk echter kwam er toch tijding, maar ’t was een vreeselijke,
-ontzettende tijding. Zij zag er uit als een hoop harde, wreede
-klipsteenen, waaronder het liefste ligt begraven, dat wij op aarde
-bezitten.
-
-Gert Kloppers zelf bracht de tijding.
-
-Door de kleine vensterruiten zag Anna hem aankomen. Hij liep gedrukt,
-gebogen; het scheen, dat een onzichtbare, doch zware last hem neder
-drukte. Op zijn gelaat lag een trek van bittere smart.
-
-En dat was niet te verwonderen, want Dirk was—dood! Dirk—de trots van
-zijn oogen! De glans van zijn leven! Zijn eerstgeboren zoon! Het wilde
-wat zeggen—Dirk dood!
-
-Heden morgen had hij het vreeselijk bericht gehoord van een hem bekend,
-rondreizend man, die pas uit Natal was gekomen. Die man had het van een
-Boer, die zelf het gevecht tegen de Engelschen had medegemaakt.
-
-Dirk was met andere Boeren reeds tot de batterij der Engelschen
-doorgedrongen; hij had de hand reeds gelegd op den zwaren, ijzeren loop
-van het kanon, toen hij door den sabelhouw van een Engelsch officier
-doodelijk werd getroffen.
-
-Als een held was hij gevallen—voor vrijheid en recht!
-
-Anna was, toen zij haren schoonvader zag aankomen, door bange
-voorgevoelens gekweld, hem tegemoet gegaan.
-
-Geen kreet, zelfs geen zucht kwam over hare lippen, toen Gert Kloppers
-haar voorzichtig het treurige nieuws mededeelde. Slechts beefden hare
-lippen, en de laatste bloeddrup week uit haar gelaat. Zij greep den
-stam van een jongen appelboom, die verleden jaar door Dirk was gepoot,
-om niet om te vallen.
-
-Als in een droom liep zij, dagen lang. Maar eindelijk kwam zij tot de
-werkelijkheid terug, en de diepe wateren der smart gingen over hare
-ziel. Doch in de diepe wateren liggen de kostbare parels, en de
-kostbaarste parel werd Anna’s deel.
-
-Zij leerde zich zelve kennen, en zij leerde de roede kussen, die haar
-sloeg. Van wege hare vele tranen kon zij den Heiland niet zien, maar
-zij voèlde de hand van den liefderijken Herder, die het verloren schaap
-zocht, en zij hoòrde Zijne stem: „Komt herwaarts tot Mij allen, die
-vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven!”
-
-Hare schoonouders kwamen haar dagelijks bezoeken. Men zette zich dan
-aan de eikenhouten tafel, waar Dirk en Anna zoo dikwijls plachten te
-zitten, en men sprak met elkander over lieve herinneringen, waaraan de
-naam van Dirk was verbonden.
-
-„En heden zou Dirk jarig zijn geweest,” zeide Moeder Kloppers een keer.
-
-„Ja,” zeide Anna, „heden. Verleden jaar hebben wij dien verjaardag nog
-samen gevierd; wij waren pas eenige weken getrouwd. Het verschil is
-groot tusschen vrouw en weduwe.”
-
-Ja, dat verschil was werkelijk groot.
-
-Zij bedekte haar gelaat en weende.
-
-
-
-Honderden mijlen van Anna’s woning verwijderd, aan een der zuidelijkste
-punten van Natal, waar de golven van den Indischen Oceaan zich breken
-tegen het strand, stonden op dienzelfden dag een zestal kloeke ruiters
-bij hunne gezadelde paarden.
-
-De paarden sloegen ongeduldig met de voorpooten in het mulle zand.
-
-Nu sprongen de ruiters vlug in het zaâl.
-
-De voorste sloeg met de vlakke hand op den slanken hals van zijn
-zwarten hengst, en zeide op vroolijken toon: „Vooruit, Hannibal! Naar
-huis!”
-
-Die ruiter droeg een breed, versch litteeken op zijn voorhoofd.
-
-Dat litteeken was waarschijnlijk van een sabelhouw afkomstig. In elk
-geval: het litteeken stond hem goed.
-
-De ruiters gaven hun paarden de sporen.
-
-Sneller, al sneller joegen zij door Natal, het land der duizend
-heuvelen, het noorden in.... naar de Transvaal.... tot voor Anna’s
-woning....
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXI.
-
-
-Wat was er met de Emigranten-Boeren in Natal gebeurd? [14]
-
-De Engelsche wolf was uit zijn legerplaats opgerezen, want hij had weer
-honger gekregen. Natal was een te welkome buit.
-
-Reeds was er bij den Volksraad der Natalsche Boeren een zonderlinge
-missive ingekomen. Zij kwam van den gouverneur der Kaapkolonie en was
-van den volgenden inhoud: „Het is voor Hare Majesteit niet mogelijk,
-een gedeelte harer eigene onderdanen, die zich eenige honderden mijlen
-buiten de Kaap de Goede Hoop hebben begeven, voor onafhankelijk te
-verklaren. Zoo de Boeren een militaire macht willen ontvangen, dan zal
-Hare Majesteit hun al die handelsvoorrechten waarborgen, die aan de
-àndere Britsche koloniën zijn toegestaan, en dan zal het land, dat de
-Emigranten thans hebben bezet, aan hen worden toegekend, in zooverre
-rechtvaardigheid en billijkheid dit gedoogen.”
-
-De Boeren stonden vreemd te kijken bij het lezen dezer missive.
-
-Wat? Zij zouden Natal afstaan? Het schoone, liefelijke Natal, het land
-der duizend heuvelen? Het land, dat zij twéé keeren hadden gekocht, den
-eersten keer met aan de bedingen te voldoen, die koning Dingaan had
-gesteld, den twééden keer met hun bloed? En durfde de Engelsche
-regeering nu nog de woorden: „rechtvaardigdheid” en „billijkheid” op de
-lippen te nemen, waar zij bezig was, met een goed gehuicheld
-komediespel het schandelijkste onrecht te begaan?
-
-„Neen,” zeiden de èchte, oude Voortrekkers, en zij schudden toornig
-hunne grijze lokken; „wij willen geen militaire macht van Engeland, en
-wij dulden ze evenmin.”
-
-Onmiddellijk beantwoordde de Volksraad het schrijven van den Engelschen
-gouverneur in een stuk, even ernstig als waardig.
-
-„Wij vermeenen,” zoo schreven de Boeren, „dat beide, Hare Majesteit en
-Uwe Excellentie omtrent ons, onze aanspraak op het recht van
-onafhankelijkheid en het recht, hetwelk wij tot het land hebben, door
-ons geoccupeerd wordende, verkeerd zijt onderricht. Wij zijn van
-geboorte Hollandsche Afrikaanders. Dadelijk nadat wij Harer Majesteits
-grondgebied in Zuid-Afrika hebben verlaten, hebben wij onze
-onafhankelijkheid gepubliceerd, en van dien tijd af tot op dit
-oogenblik hebben wij als een onafhankelijk Volk gehandeld, ons zelven
-volgens onze eigene wetten geregeerd, en gevolgelijk opgehouden,
-Britsche onderdanen te zijn. Het door ons bewoond wordende land hebben
-wij wettig verkregen, en het is nooit tot op dit oogenblik een Britsche
-provincie of kolonie geweest, en niettegenstaande Uwer Excellentie’s
-herhaalde mededeelingen, dat wij Britsche onderdanen en kolonisten
-zijn, moeten wij beweren, dat wij volgens alle rechten van beschaafde
-natiën nóch het een nóch het ander zijn. En verder bedanken wij voor
-Harer Majesteit’s militaire macht. Wij hebben vrede met alle natiën, en
-wij hebben geen bescherming noodig.”
-
-Dit was ronde, duidelijke, Oud-Hollandsche taal. En had de Engelsche
-wolf niet zoo’n honger gehad, dan had hij ’t er misschien bij laten
-zitten.
-
-Doch nù was er geen denken aan.
-
-Geen twee maanden later (1841) verscheen een nieuw dokument van den
-Kaapschen gouverneur, luidende: „Aangezien de Volksraad der
-Emigranten-Boeren, nu wonende te Port-Natal en aangrenzend gebied, ons
-hebben bekend gemaakt, dat zij hadden opgehouden, Britsche onderdanen
-te zijn, zoo proclameeren wij, dat die onafhankelijkheid in geenen
-deele zal worden erkend; dat de bewoners onderdanen en kolonisten zijn
-van Groot-Brittanje, en dat wij onverwijld militair bezit van Natal
-zullen nemen, door derwaarts eene afdeeling te zenden van Harer
-Majesteits troepen.”
-
-Maar nu barstte de verontwaardiging bij de Boeren los, en zij
-antwoorden: „Wij weten, dat er een God leeft, Die hemel en aarde
-regeert, en Die Machtig en gewillig is, om den verongelijkte, hoewel
-zwakke, tegen geweldenaars te beschermen. Op hem en op de
-rechtvaardigheid onzer zaak verlaten wij ons, en zoo het Zijn wil is,
-dat eene algeheele verwoesting worde gebracht over ons, onze vrouwen en
-kinderen, en alles, wat wij hebben of bezitten, zullen wij onderworpen
-zijn, en erkennen, zulks bij Hèm te hebben verdiend maar niet bij de
-mènschen. Wij zijn bekend met de macht van Groot-Brittanje, en het is
-ons doelwit geenszins, om die macht te trotseeren, doch wij kunnen te
-gelijkertijd evenmin toelaten, dat geweld inplaats van recht over ons
-zou zegevieren, zonder dat wij al onze pogingen zullen hebben
-aangewend, om zoodanig geweld tegen te gaan.”
-
-De gouverneur van de Kaapkolonie glimlachte even, toen hij dit
-schrijven las, en gaf onmiddellijk bevel aan majoor Smith, om zijn kamp
-in Pondo-land op te breken en in ijlmarschen op Natal aan te trekken.
-
-Aan zoo’n tocht, met een trein van wagens en kanonnen, waren groote
-moeilijkheden verbonden, doch majoor Smith kwam alle zwarigheden te
-boven, en was in zeven weken tijds tot de Natalbaai doorgedrongen.
-
-De Boeren waren door die plotselinge nadering inderdaad verrast, en
-zelfs hun kundige generaal Pretorius had niet vermoed, dat de vijand
-van dièn kant zou gekomen zijn.
-
-De Engelsche majoor maakte intusschen van deze verrassing gebruik, om
-op eenigen afstand van de havenplaats Durban—in den vorm van een
-driehoek—zijn kamp op te slaan. Op elk punt werd een kanon geplant, en
-terwijl de vlag der Boeren werd neergehaald, wapperde de Engelsche hoog
-in de lucht.
-
-Nu had de majoor de goedheid, om aan de Boeren een termijn van vijftien
-dagen toe te staan voor hunne onderwerping. Anders zouden zij als
-muiters worden beschouwd en de volle gestrengheid der wet ondervinden.
-
-Bijna terzelfder tijd brachten de brik „Pilot” en de schoener „Mazeppa”
-nog twee kanonnen met eene groote hoeveelheid mondbehoeften en
-ammunitie, en aan een zandigen uithoek bij Durban, de „Point” genoemd,
-werd het aangebrachte opgeslagen. Majoor Smith plaatste er een wacht
-naast van een sergeant en vijfentwintig man, stak vervolgens zijn
-fijnste sigaar op, en zeide vergenoegd tot zijn officieren: „Nu zullen
-jelui eens zien, hoe gauw die koppige Boeren om genade zullen smeeken!”
-
-
-
-Maar de Boeren liepen niet hard; ten minste niet, om genade te smeeken.
-
-Wel was er onder de Afrikaansche Boeren kaf onder het koren, wijfelaars
-en wankelmoedigen, voornamelijk schuilende onder de Emigranten, die pas
-een jaar geleden, nìet om de staatkundige vrijheid maar om een ruimer
-stuk brood, uit de Kaapkolonie waren gekomen, doch onder de echte
-Voortrekkers, den kern der bevolking, was geen weifelaar.
-
-Oogenblikkelijk riep de Volksraad alle beschikbare manschappen op, en
-als een dreigende donderwolk legerde zich Pretorius met zijn ruiters,
-waarbij zich Teunis de leeuwenjager, Tijs de Jong, de twee zonen van
-Gert Kloppers en de beide zonen van Barend Jansen bevonden, op drie
-mijlen afstands van het Engelsche kamp.
-
-Pretorius begon de vijandelijkheden met de ossen der Engelschen weg te
-nemen, doch majoor Smith glimlachte, toen hij dit hoorde.
-
-„Laat die domme boeren maar begaan,” zeide hij. „Wij krijgen de ossen
-terug, en de Boeren toe.”
-
-Reeds den volgenden nacht zou dit kunststuk worden uitgevoerd.
-
-In het holle van den nacht brak de majoor met zijn manschappen en twee
-kanonnen op, om het Boerenlager bij verrassing te nemen, en om zóó—met
-éénen slag—aan de zoogenaamde muiterij een einde te maken.
-
-Het was een stille, liefelijke nacht. Fluisterend gaven de officieren
-de kommando’s. Niets werd gehoord dan de dreunende stap der infanterie,
-de gedempte hoefslag van het paard in het lange gras, het gekraak der
-kanonwagens, de kreet van een wilden baviaan en het ruischen van den
-wind in het loover van het woud. Slechts dit woud scheidde nog de snel
-avanceerende Engelschen van het lager der Boeren.
-
-Dat lager lag in de diepste rust. Snelvoetige Zoeloekaffers brachten
-den majoor de welkome tijding.
-
-„Ja, zoo zijn de Boeren,” dacht de majoor; „dom—oliedom!”
-
-„Tegen de dikhuidige, met vet en traan ingesmeerde kaffers zijn ze wel
-bestand, maar het vechten tegen den Engelschman is toch nog iets
-anders—dat zullen ze van nacht gewaar worden!”
-
-„Voorwaarts, jongens,” zeide Smith; „gauw door dit bosch heen, en dan
-het Boerenkamp genomen! Ge laat niet éénen Boer ontsnappen—ik moet ze
-allemaal hebben—de verrassing zal volkomen zijn—voorwaarts!”
-
-Maar waarom deinzen de soldaten plotseling achteruit, alsof zij op
-vergiftige slangen hebben getrapt? Waarom slaan de ossen, voor de
-kanonwagens gespannen, wild op de vlucht? Waarom springt de majoor met
-uitgetrokken sabel, vloekend en dreigend, voor het front zijner
-wankelende gelederen?
-
-Waarom?—maar ge behoeft het niet te vragen. Door het duister van den
-nacht ziet ge den vuurstraal glippen uit het lange roer der Boeren, die
-achter het geboomte in hinderlaag liggend, den vijand hebben opgewacht,
-totdat hij onder schot zou komen.
-
-Majoor Smith had het wel bij het rechte eind gehad, dat de verrassing
-volkomen zou zijn, doch zij was niet aan den kant der Boeren.
-
-Met huiveringwekkende juistheid sloegen de kogels in de Engelsche
-gelederen, en de verwarring werd algemeen. Al sterker drongen de Boeren
-op. „Hier heen!” riep Dirk Kloppers met luide stem; „dáár zijn de
-kanonnen!” In een stouten aanloop werden ze genomen, doch Kloppers viel
-en kleurde met zijn heldenbloed den grond van Natal.
-
-Majoor Smith begon intusschen te begrijpen, wat voor vleesch hij in de
-kuip had. Met het overschot van zijn gehavend legertje vluchtte hij
-naar zijn verlaten kamp, woedend, dat die „domme” Boeren hem te gauw
-waren afgeweest.
-
-Maar de voortvarende Pretorius liet er geen gras over groeien. „Kom,”
-zeide hij tot zijn mannen, „die levensmiddelen en die ammunitie daar
-aan de „Point” kunnen wij gebruiken.”
-
-Met honderd Boeren trok hij naar de „Point”, waar de sergeant met zijn
-vijfentwintig soldaten nog steeds de wacht hield.
-
-„Geef u over,” liet Pretorius aan den sergeant zeggen.
-
-„Neen,” antwoordde de sergeant, „dat doe ik niet.”
-
-„En waarom niet?” liet Pretorius vragen.
-
-„Omdat zulks tegen de eer van Engeland is,” antwoordde de sergeant.
-
-„Maar dan word jij met al je soldaten dood geschoten,” liet Pretorius
-zeggen.
-
-„Dat hindert niet; dan is de eer van Engeland gered,” antwoordde de
-sergeant, „en wij schieten ook niet met erwten.”
-
-Nu moesten de Boeren al weer aan ’t vechten, maar toen zij twee
-soldaten hadden gewond en twee andere doodgeschoten, zeide de sergeant:
-„Zie zoo; nu is aan de eer voldaan,” en hij gaf zich over.
-
-Een rijke buit aan levensmiddelen en ammunitie viel de Boeren in
-handen, en terwijl zij wagenvrachten vol goederen doorzonden naar
-Pieter-Maritzburg, hun hoofdstad, was de ammunitie zeer geschikt, om
-majoor Smith uit zijn eigene kanonnen te bestoken.
-
-Tevens legde Pretorius beslag op de schepen de „Pilot,” en de
-„Mazeppa,” en nogmaals ging de vlag der Boeren zegevierend naar de
-steng.
-
-Van alle kanten werd majoor Smith nu door de Boeren ingesloten, maar
-hij liet hooge, aarden verschansingen opwerpen, en dekte zich
-daarachter als een bunzing in zijn hol.
-
-Zoo doende was hij beveiligd tegen het vuur der Boeren, maar Pretorius
-zeide: „Wij zullen den bunzing door den honger uit zijn hol drijven.”
-
-Smith lachte, toen hij dit hoorde, maar de mondvoorraad begon toch
-allengs te slinken.
-
-Toen kwam een Engelsch koopman in Durban op de gedachte, om zijne in ’t
-nauw komende landgenooten te helpen, en hij trachtte een koppel ossen
-het kamp binnen te smokkelen. Doch de belegeraars roken lont, en de
-list mislukte. En om ook voor het vervolg van hen geen last te hebben,
-liet Pretorius de Engelsche ingezetenen van Durban naar
-Pieter-Maritzburg verhuizen en legde beslag op hun goed. Nu begon het
-meenens te worden; majoor Smith lachte niet meer.
-
-Al kleiner werden de porties gedroogd paardenvleesch, en al brakker
-werd het water uit de gegraven put.
-
-Wel deden de Engelschen verscheidene wanhopige uitvallen, om zich door
-den waakzamen vijand heen te slaan, doch telkenmale werden zij met
-bebloede koppen naar huis terug gestuurd.
-
-Doch in dezen grooten nood daagde er redding op in de gedaante van een
-jongen Engelschman, met name Richard King. „Ik red het Kamp,” zeide
-hij, en—hij kreeg het gedaan.
-
-De waakzaamheid der Boeren verschalkend, wist hij tusschen hunne
-schildwachten door te sluipen, en voorzien van dépêches van majoor
-Smith, aanvaardde hij een tocht van over de vierhonderd mijlen, om die
-dépêches te overhandigen aan den bevelhebber der Engelsche troepen in
-Grahamstown.
-
-Door volle rivieren en langs stroopende Kafferbenden moest hij heen,
-doch niets en niemand kon den taaien en onverschrokken Engelschman
-keeren. In nauwelijks negen dagen volbracht hij den gevaarvollen tocht
-en meldde zich, hongerig en afgebeuld, aan bij den Engelschen generaal.
-
-Onmiddellijk werd een afdeeling grenadiers met de „Conch” naar Natal
-verscheept, gevolgd door alle beschikbare troepen op het oorlogsschip
-de „Southampton”.
-
-Een dag voor de „Southampton” liet de „Conch” het anker vallen op de
-reede van Port-Natal, en den volgenden nacht verkondigden de hoog
-opstijgende Engelsche vuurpijlen aan majoor Smith, dat de hulp nabij
-was.
-
-J. A. Cloete, een geboren Afrikaander, doch kolonel in Engelschen
-dienst, mag aanspraak maken op de eer en—de schande, Engeland aan Natal
-te hebben geholpen.
-
-Op Zondag 26 Juni 1842 bewerkstelligde hij de landing der troepen. Met
-bange zorgen op het schrandere voorhoofd snelde Pretorius, het beleg
-van het Engelsche kamp opbrekend, naar de Baai, om die landing te
-keeren.
-
-Doch te vergeefs was de moed en de doodsverachting, waarmede zijn
-Boeren streden!
-
-De troepen waren volkomen gedekt door het vèr dragend geschut der
-„Southampton”, en de ammunitie der Boeren raakte op. Afgemat en totaal
-uitgeput trokken zij zich terug. Toorn, smart en droefheid spraken uit
-hun oogen.
-
-Majoor Smith was ontzet, en donkerder dan ooit was de staatkundige
-hemel.
-
-De Engelschen waren nu meester van het terrein, en ook de
-Smellenkamp-illusie was in rook vergaan.
-
-Wie was die Smellenkamp?
-
-Drie maanden voor de „Southampton” ankerde op de reede van Port-Natal,
-en met de kartetsen uit hare stalen vuurmonden het strand schoonveegde,
-was op diezelfde reede een groote Oost-Indiëvaarder verschenen. De
-Boeren hadden zich herhaalde malen de oogen gewreven bij het zien van
-het schip, want zij konden hun oogen nauwelijks gelooven. Maar ten
-slotte was er toch geen twijfel aan; vroolijk wapperde de Hollandsche
-vlag in den top van den mast.
-
-Aan boord van dit schip, de „Brazilië”, was de supercarga Smellenkamp,
-die, de Boeren opzoekend, door hen met de hartelijkste blijdschap werd
-begroet. De wakkere mannen klaagden hem hunnen nood, en meegesleept
-door zijn gevoel, beloofde hij aan de Boeren de bescherming van Willem
-I, koning der Nederlanden. Ja, hij ging in zijn dwaze lichtvaardigheid
-zoover, een verdrag met de Boeren te onderteekenen in naam van den
-koning. Toen riepen de Boeren vol geestdrift: „Weg met de Engelschen!
-Oranje boven!”
-
-De reis van Smellenkamp naar Pieter-Maritzburg werd een ware
-triomftocht, maar de Boeren werden in hun hooggespannen verwachtingen
-bitter teleurgesteld. En op denzelfden dag, dat de Engelsche troepen
-landden in Natal, werd Smellenkamp door de Engelsche regeering opgepakt
-en in de gevangenis geworpen.
-
-Intusschen durfde Cloete, die den loop der Engelsche geweren op zijn
-eigen stamgenooten had laten richten, nog meer aan. Overtuigd, dat de
-Voortrekkers eerder een guerrilla-oorlog tegen Engeland zouden
-beginnen, dan zich onderwerpen aan een gezag, dat zij verafschuwden,
-hitste hij zijn bloedhonden op hen aan, en die bloedhonden waren de
-Zoeloe-Kaffers. Deze maatregel was even wreed als verachtelijk, doch de
-Boeren raakten nu tusschen twee vuren bekneld. Omzwermd door de
-snelvoetige Zoeloe’s, bedreigd door de kanonnen van Engeland, uitgeput
-door het trekken en oorlogen, werd de toestand zeer hachelijk.
-
-De Volksraad hield stormachtige zittingen. De harde kern, de echte
-Voortrekkers, wisten van wankelen noch wijken, doch de anderen begonnen
-hun ooren te neigen naar de wenschen der Engelsche staatkunde, die in
-Cloete een uitstekenden vertegenwoordiger had.
-
-Zelf verscheen hij in de raadzaal.
-
-In de ééne hand den strooppot, in de andere den strop, zoo deed hij
-zijn intocht.
-
-De strooppot was voor de halven en de weifelenden; de strop voor de
-onverzettelijken.
-
-„Gij Boeren,” zeide Cloete, „wees toch niet verblind! Ge zult veilig en
-zeker wonen onder de vleugelen van het machtigste rijk der aarde. Ik
-ben ook een onderdaan onzer geëerbiedigde Majesteit, en bezit ik niet
-een onbeperkte persoonlijke vrijheid? Gij wilt de vrijheid—waar gedijt
-ze beter dan onder den scepter onzer jonge koningin? Gij behoeft niet
-eens den eed der getrouwheid af te leggen: een gewone verklaring, dat
-ge Britsche onderdanen zijt, werpt u al de zegeningen der beschaving in
-den schoot. Ge behoudt uw eigen land, uw eigen bestuur, uw eigen taal,
-en het machtige Engeland zal u met zijn zwaard beschermen tegen de
-aanvallen der Kaffers.”
-
-Dat was de strooppot.
-
-„Wilt gij niet beschermd worden, gij ongelukkigen? Dan schiet er niet
-anders over dan je dood te schieten of uit het land te bannen.”
-
-Dat was de strop.
-
-Maar Barend Jansen fronste zijn zware wenkbrauwen en zeide met
-flikkerende oogen: „Liever de strop dan de strooppot!” Dat was de taal
-van al de zonen der vrijheid, doch de Engelschgezinden onder de
-Afrikaanders en de halve Afrikaanders gaven den doorslag bij de
-stemming, en er werd tot onderwerping besloten.
-
-„Maar wij zijn niet gebonden door dat besluit,” zeide Barend Jansen;
-„kom, de Jong, al wat waarlijk Afrikaander is, zal met ons mede
-strijden tegen Engelsch verraad.”
-
-De bezadigde ouderling echter schudde het hoofd en antwoordde: „Wij
-zullen niet vechten, Barend Jansen.”
-
-„En waarom niet?” vraagde Barend Jansen.
-
-„Omdat de Heere reeds een Pella voor ons heeft gereed gemaakt, een
-toevluchtsoord der vrijheid—daar trekken wij heen.”
-
-„Goed,” zeide Barend Jansen, „maar dan gauw, want ik kan die Engelsche
-uniformen niet uitstaan.”
-
-
-
-Terwijl wij de vrijheidlievende Voortrekkers achterlaten bij hun
-ingespannen ossenwagens, volgen wij nog even den loop van de
-merkwaardige lotgevallen der Emigranten-Boeren in Natal.
-
-Er heerschte nu feitelijk drieërlei regeering: de Volksraad, het
-militaire bestuur aan de Natal-Baai en het opperbestuur van den
-Engelschen minister.
-
-Er moest bij dezen stand van zaken een grenzenlooze verwarring
-ontstaan, die ook niet op zich liet wachten. En om in dezen chaos orde
-te scheppen, werd een broeder van kolonel Cloete als speciale
-commissaris naar Natal gezonden.
-
-Inmiddels had men in Nederland met warme belangstelling de
-gebeurtenissen in Zuid-Afrika gevolgd, en als een welkomstgroet uit het
-oude vaderland liet de „Brazilië” nogmaals het anker vallen op de reede
-van Natal. Aan boord bevond zich Ds. Ham, die als herder en leeraar
-onder de Boeren zou optreden. Maar hij mocht niet aan land komen. Het
-Engelsche bestuur weigerde het, en onverrichter zake lichtte het
-Hollandsche koopvaardijschip het anker.
-
-De verbittering onder de Emigranten over deze handelwijze was zoo
-groot: dat men den commissaris Cloete te lijf wilde en die verbittering
-nam nog toe, toen de Engelsche regeering het plan liet doorschemeren,
-om ook de Transvaal te annexeeren. Met de snelheid van een veldbrand
-verbreidde zich dit nieuws in Transvaal, en als door een elektrieken
-schok getroffen, grepen de Boeren aan beide zijden der Vaalrivier naar
-de wapens. Een gevaarlijke gisting openbaarde zich te gelijker tijd in
-de Kaapkolonie, en slechts één vonk was er noodig, om heel Zuid-Afrika
-in vlam te zetten.
-
-Maar de Engelsche regeering was zoo voorzichtig, den vonk te dooven,
-voor hij den buskruitkelder bereikte, en het Drakengebergte werd
-vastgesteld als de grens van het Engelsch gebied.
-
-Onwillig echter bogen de Emigranten-Boeren den nek onder het Engelsche
-juk, en zij hunkerden naar de gelegenheid, om naar de Transvaal, naar
-hunne broeders te trekken. En als een andere Jozua stelde zich
-Pretorius aan hunne spits, en hen uitleidend uit de Engelsche
-gevangenschap, bracht hij hen in het land der vrijheid: de Transvaal.
-Zij breidden zich voornamelijk uit in het zuiden en het westen, en
-stichtten in het midden des lands, op de helling van het gebergte, een
-stad, en noemden haar uit dankbaarheid voor hun grooten generaal,
-Pretoria, thans de welbekende hoofdstad der Zuid-Afrikaansche
-Republiek.
-
-
-
-Wij keeren terug tot de ossenwagens van ouderling de Jong, Barend
-Jansen en nog eenige andere Boeren, die zich bij hen hadden
-aangesloten: de voorloopers van den tweeden, zoo even medegedeelden
-grooten Trek onder Pretorius.
-
-De reis ging recht het noorden in, naar het Drakengebergte.
-
-Ouderling de Jong maakte haast, want hij reikhalsde, zijn trouwen
-vriend Gert Kloppers weer de hand te drukken. Ook Barend Jansen
-verlangde naar het einde der lange, eentonige reis, want hij was
-benieuwd naar zijn dochter Anna.
-
-Vóór men echter den moeielijken en gevaarvollen tocht over het gebergte
-achter den rug had, beklom—op een helderen namiddag—ouderling de Jong
-alleen eene der voornaamste spitsen.
-
-Op de hoogte gekomen, wendde hij zijn blik naar het zuiden, en daar
-lag—in den glans der naar het westen neigende zon—het land Natal in al
-zijne liefelijkheid voor hem.
-
-Hij zag het glinsteren der beekjes, snel afvlietend van de heuvelen, de
-als groene tapijten zich uitstrekkende dalen, de schaduwrijke bosschen!
-
-Hoe gaarne had hij daar de pinne zijner tente diep ingeslagen—helaas
-het mocht niet zijn!
-
-Langzaam gleed zijn oog over het panorama heen, totdat het bleef hangen
-aan een eenzamen wilgenboom.
-
-Onder dien boom lag Mieke begraven, de dochter van zijn trouwsten
-vriend. En ach! Daar verder heen strekten zich die kleine klipheuvelen
-uit—onder die klippen lagen zoo vele lieve, hartelijk beweende vrienden
-begraven! Daar lagen ze: de vaders naast hunne zonen; de kinderen in de
-armen hunner moeders—vermoord door de scherpe assegaai....
-
-Zijn blik werd al droeviger; op zijn edel gelaat legde zich de smart
-als een sombere avondwolk.
-
-Wat al leed, wat al ellende had het volk der Emigranten-Boeren niet
-doorgemaakt! Door welke plassen van bloed en tranen waren die
-ossenwagens heengegaan!
-
-Sombere wolken van zwaarmoedigheid en moedeloosheid onderschepten den
-anders zoo helderen blik van ouderling de Jong, en schokten zijn
-Godsvertrouwen.
-
-Doch toen hij langzaam de oogen ophief naar de schemerende heuvelen aan
-den verren horizon, toen werd het weer lichter in zijn ziel, want
-achter die heuvelen lag de Bloedrivier, en aan die Bloedrivier had God
-aan Zijn volk verlossing geschonken.
-
-Aan den rand van den afgrond had de Heere het gered als een teeken
-Zijner onwankelbare trouw.
-
-En wat klaagde de Jong? Had God het volk der vrije Emigranten-Boeren
-òoit verlaten, al hadden zij ’t van wege hunne zonden verdiend? Was Hij
-niet steeds—in al hun trekken—voor hen als een wolkkolom en vuurkolom
-geweest? Was niet steeds in den hoogsten nood ook de onmiddellijke
-redding gevolgd? En had de Heere in Zijn trouw verbond niet gezorgd,
-dat zij aan het Engelsche juk konden ontkomen als een vogel aan den
-strik van den vogelvanger?
-
-Op een harden klipsteen, daar zette de Jong zich neder. En hier in de
-eenzaamheid, tusschen de rotsen en de spelonken en de kloven, prees hij
-de onwankelbare trouw zijns Gods!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXII.
-
-
-Gert Kloppers scheen iets heel bijzonders in de verte te zien.
-
-Hij hield de hand boven de oogen, want de zon brandde fel.
-
-Een lange trein van ossenwagens naderde. Hottentotten en Kaffers liepen
-naast de trekossen, sloegen met hunne korte zweepen en maakten een
-leven van geweld.
-
-De trein ging recht op Kloppers’ hoeve aan.
-
-Nu stapten een vijftal Boeren uit de wagens, en sloegen de richting in
-naar Gert Kloppers, die op een heuvel stond.
-
-Twee van die Boeren herkende Kloppers op den eersten blik; het waren
-Barend Jansen en ouderling de Jong.
-
-Blijde verrast, liep hij de komenden tegemoet, en dat de ontmoeting met
-de oude wapenbroeders hartelijk en innig was, behoef ik wel niet te
-zeggen.
-
-„En kom je zoo uit Natal? En hoe staat het met den oorlog? Wij weten
-hier van niets, dan dat Dirk is gevallen.”
-
-De droefheid kwam met onverzwakte kracht weer boven in het hart van
-Gert Kloppers, doch met ongehuichelde verbazing staarden de Boeren den
-spreker aan.
-
-„Dirk gevallen?” zeide Barend Jansen; „Dirk gevallen? Neen, Neef Gert,
-zoo erg was het gelukkig niet. Bij het bestormen van—,” doch Gert
-Kloppers liet hem niet uitpraten, en riep in de grootste spanning: „Zeg
-mij maar één ding—leeft Dirk dan nog?”
-
-„Natuurlijk,” zeide Barend Jansen, „hij leeft nog; hij is zoo frisch
-als een hoen, en binnen weinige dagen zal hij denkelijk wel hier
-zijn—zijt ge nu tevreden, driftige baas?”
-
-Ja, nu was Gert Kloppers tevreden. Neen, hij was meer dan tevreden.
-
-„Dirk leeft! Hij is op de komst!” het barstte hem als een juichkreet
-uit de borst.
-
-Als uit den ruischenden afgrond des doods ontving hij zijn zoon weer
-terug—het geluk was te groot, om het in éénen keer te vatten!
-
-„Maar hoe is men toch aan dat doodsbericht gekomen?” vraagde Kloppers.
-
-„Dat had ik u daar net al kunnen zeggen, als gij mij niet in de rede
-waart gevallen,” zeide Jansen. „Op zekeren nacht wilde de Engelsche
-generaal de onzen overrompelen, maar Pretorius had er de lucht van
-gekregen, en heeft dien lord behoorlijk ontvangen. Dirk was een der
-eersten bij de Engelsche kanonnen, en kreeg van een Engelschen officier
-een zwaren sabelhouw over het voorhoofd. Zwaar gewond werd hij
-opgenomen; daar is het praatje vandaan gekomen, dat hij gesneuveld was.
-Hij werd bij een Engelschen kolonist gebracht, die, ik moet de waarheid
-zeggen, hem liefderijk heeft verpleegd, totdat hij was hersteld.”
-
-„Enfin,” liet Barend Jansen er op volgen, „die Engelsche officier heeft
-van den leeuwenjager zijn vet gehad: kapitaal met rente, dat verzeker
-ik je.”
-
-En hij wreef zich, terwijl hij dit vertelde, heel genoegelijk de
-groote, zware handen.
-
-Nu gingen de Boeren met Kloppers voorop naar diens woning, en werd
-moeder Kloppers van de vreugdetijding in kennis gesteld.
-
-Het is te verstaan, dat hare blijdschap geen grenzen kende.
-
-Terwijl nu de andere Boeren bij moeder Kloppers bleven, haastten
-Kloppers en Jansen zich, om Anna’s woning te bereiken. Zij stond met
-haar kind op den arm juist in de buitendeur, toen de beide vaders de
-heugelijke tijding brachten. Sprakeloos stond zij hen aan te staren;
-geen woord kwam over haar lippen. Reeds vreesde Kloppers, dat de
-overgroote blijdschap haar te sterk had geschokt, doch spoedig
-ontlastte zich haar overvol gemoed. De tranen stroomden haar over de
-wangen: tranen van blijdschap, van liefde, van dankbaarheid....
-
-Zij legde de kleine in haar wieg, en zocht het donkerste hoekje op in
-haar woning.
-
-Daar knielde zij neder.
-
-Daar stortte zij haar ziel uit in een vurig dankgebed tot Hem, Die
-steeds is geweest en steeds zal blijven een Hoorder, ja een Verhoorder
-des gebeds!
-
-
-
-Zoo is de dag des wederziens aangebroken. Willem Kloppers, de jongste
-van het zestal ruiters, die wij aan het strand van Natal hebben
-bespied, is heden morgen aangekomen. Hij brengt de tijding, dat Dirk
-met de anderen om drie uur heden middag hier denkt te zijn. De jonge
-Boeren zijn namelijk van morgen bij een Afrikaander aangereden, die er
-op stond, dat zij vandaag zijn gasten zouden zijn. Dirk, die zeer
-ongeduldig naar huis verlangde, zou daarin echter niet hebben
-toegestemd, had hij bij dien Afrikaander niet het praatje van zijn
-doodsbericht gehoord. Hij had zich daarover ten hoogste verwonderd,
-daar hij achtereenvolgens drie kleurlingen met brieven naar zijn vrouw
-had afgezonden, die blijkbaar alle drie aan den haal waren gegaan, maar
-in deze omstandigheden achtte hij het toch raadzaam, zijn vrouw door
-een bode op zijn komst voor te bereiden. Dat zijn schoonvader en
-ouderling de Jong reeds waren aangekomen, kon hij natuurlijk niet
-gissen, en zoo is Willem dus de bode, die dit alles mededeelt.
-
-Floor spreekt nu als zijn meening uit, dat deze dag een eenigszins
-feestelijk aanzien behoort te hebben, en dat al de kennissen in de
-buurt dezen namiddag de gasten van zijn schoonzuster moeten zijn.
-Anna’s woning biedt natuurlijk geen ruimte voor zooveel menschen, doch
-daar weet Floor wel raad op. Hij timmert van een partij ruwe planken
-eenige tafels en banken in elkaar, die hij dicht bij de woning, in de
-schaduw van het geboomte, plaatst.
-
-Op deze tafels worden eenige mooie bloemruikers gezet, en Floor zegt:
-„Nu kan het wel.”
-
-Tegen den namiddag nemen de familie, de vrienden en de kennissen aan de
-tafels plaats. Er wordt koffie geschonken en gebak uitgedeeld; de
-Boeren steken hunne pijpen aan en praten druk over de politiek.
-Daartusschen wordt geschertst en gelachen: er heerscht een geest van
-echte, gulle gezelligheid.
-
-Doch Anna spreekt weinig; zij is stil en in zich zelve gekeerd. Het
-naderende geluk maakt haar stil.
-
-Grootvader Jansen heeft de kleine Mieke op zijn knie. Zij plukt met
-haar blanke, mollige handjes in zijn ruigen baard en kraait van
-plezier.
-
-’t Is nu half drie; op aller gelaat begint een blijde spanning te
-komen.
-
-„Nog een half uur, Hanneke!” zegt Gert Kloppers.
-
-„’t Zal geen half uur meer duren!” zegt zijn vrouw.
-
-Zij raadt het. O die moeders! Zij kennen hare kinderen!
-
-Daar komt Willem driftig aanloopen.
-
-„Zij zijn in zicht,” roept hij—„hoera!”
-
-„Hoera,” roepen de jongeren, maar Anna kon het aan tafel niet meer
-houden.
-
-De grond brandt onder hare voeten—zij snelt de ruiters tegemoet.
-
-Daar komen zij aan: Dirk Kloppers en de leeuwenjager; de beide zonen
-van Jansen en Tijs de Jong.
-
-Zij staan in de stijgbeugels—recht op—zij zwaaien met de geweren boven
-hunne hoofden! En dáár, die voorste van de groep—die dáár op den
-zwarten hengst—ja, Anna kent hem wel!
-
-Hij springt van het paard, en lachend, weenend, juichend valt Anna in
-zijn armen.
-
-Zij ziet niemand; zij ziet niets.
-
-Zij hoort slechts zijne stem, en het ruischt in hare ooren als het
-ruischen van den morgenwind door de toppen van het geboomte: „Anna,
-Liefste!”
-
-Doch snel keert Anna tot de werkelijkheid terug, en vlug als een hinde
-gaat zij tot haar vader.
-
-Zij neemt haar dochterke, en legt het haren man in de armen.
-
-„Zie daar uw kind,” zegt ze met stralenden blik.
-
-Hij staart de kleine in de vriendelijke, blauwe kijkers, en als heldere
-zonneschijn ligt het zoetste lachje op dat liefelijke gezichtje. Hij
-drukt de kleine aan zijn hart en hij kust haar. En mannelijke tranen,
-tranen van diepe, blijde ontroering, biggelen over zijn gebruinde
-wangen, en dalen als dauw op de rozige koontjes der kleine Mieke.
-
-„En wat een breed litteeken loopt daar over uw voorhoofd, Dirk!” zegt
-Anna, en zij gaat met haar hand liefkozend over dat litteeken heen.
-
-„Maar ik ben trotsch op dat litteeken,” gaat zij voort met schitterende
-oogen, terwijl de dochter der vrije Emigranten-Boeren in haar boven
-komt, „want gij zijt voortaan voor vriend en vijand geteekend als een
-held van ons volk! Als een strijder voor vrijheid en recht!”
-
-En nu heeft de ontmoeting plaats van Dirk met zijn ouders. Wat een
-blijdschap, wat een vreugde! De ouders hebben hun zoon dood gewaand, en
-zie—hij wandelt weer op de lichte hoogten des levens!
-
-En nu lezer, laat den blik eens gaan over deze levende, sprekende groep
-menschen, daar aan de lange, ruwe tafels!
-
-Daar ziet ge in de eerste plaats Gert Kloppers met die blauwe, heldere
-oogen en dat hooge, schrandere voorhoofd. En naast hem zijn vrouw, de
-gulle, hartelijke, vrome Hanna, die genoemd wordt eene moeder in
-Israël. En naast haar de leeuwenjager met dat stroeve, zwaargebaarde
-gelaat, en dat hart vol gulden trouw.
-
-Vrouw Kloppers heeft zoo even gezegd: „Hier zult ge zitten, Teunis,
-naast mij. Gij hebt geen tehuis, maar ons tehuis zal voortaan ook het
-uwe zijn, en gij zult ons zijn als een zoon des huizes.” En deze uit de
-diepte opwellende hartelijkheid en liefde heeft den leeuwenjager goed
-gedaan; dat kunt ge hem aanzien.
-
-En naast den leeuwenjager ziet ge de breede schouders van Barend
-Jansen. Op den stevigen nek staat het groote hoofd, en onder die
-forsche, zware wenkbrauwen flikkeren de scherpe, vorschende oogen.
-Vastberadenheid en onverzettelijkheid liggen in elke plooi van dit
-gelaat, en dat stalen voorhoofd schijnt geschapen, om er een muur mee
-in te loopen.
-
-Maar thans ligt op dat gezicht een vroolijke tint, alsof de zon
-tusschen de donderbuien zal doorkomen.
-
-En tusschen Barend Jansen en een ouden voortrekker—hoe komt ze daar
-tusschen te zitten?—ziet ge de thans twaalfjarige Hannie als een
-frissche, liefelijke lenteroos tusschen verweerde eiken.
-
-En die dáár is Floor. Ja, zijn vader heeft wel gelijk gehad, toen hij
-zeide: „Met Floor zal het wel terecht komen.” Kijk maar in die flinke,
-schrandere oogen—dan weet ge genoeg.
-
-En die daar met dien schalkschen, guitigen blik is Willem, en daarnaast
-ziet ge het ernstige, edele gelaat van ouderling de Jong—maar stil, hij
-staat op; hij zal spreken.
-
-De drukke gesprekken verstommen, nu de Jong het woord neemt.
-
-„Waarde, lieve Vrienden,” zoo begint hij met zijn klankvolle stem, „het
-is heden voor ons allen een blijde, vroolijke dag, nu wij de onzen, die
-in den oorlog zijn geweest, gezond en behouden weer mogen ontmoeten. Ik
-denk hier bovenal aan mijn trouwen vriend Gert Kloppers, die dezen dag
-tot een der gelukkigste zijns levens zal rekenen.
-
-„Doch deze dag heeft nog eene andere, eveneens blijde beteekenis.
-
-„Wij vertegenwoordigen hier een klein deel, maar ’t is toch een deel
-van het wakkere, vrijheidlievende volk der Emigranten-Boeren.”
-
-De Boeren knikken bevestigend.
-
-„En aan ons, de Emigranten-Boeren, behoort naar Goddelijk en
-menschelijk recht Natal, dat gedrenkt is met het hartebloed der Boeren.
-
-„Doch wij hebben ons teruggetrokken uit Natal—”
-
-„Met mìjn zin niet,” zegt de stugge Barend Jansen.
-
-„Wij hebben ons teruggetrokken uit Natal, zeg ik, omdat ons volk was
-uitgeput door de Kafferoorlogen, omdat de armoede ons aangrijnsde,
-omdat de Engelsche regeering steeds nieuwe hulptroepen zond, en omdat
-er kaf was onder het koren: verbasterde Afrikaanders, die heil
-verwachtten van de Engelsche vlag.”
-
-„Liever in de woestijn dan onder die vlag,” roept een forsche stem.
-
-„Doch de hoofdreden waarom wij, zwichtend voor Engelsch geweld, ons
-terugtrekken uit Natal, ligt daarin, dat God de Almachtige ons hier in
-het noorden, in de Transvaal, waar reeds zoo vele onzer broeders zich
-onder de leiding van den zeer geachten kommandant-generaal Hendrik
-Potgieter hebben gevestigd, dat Hij ons hier, zeg ik, ruimte geeft voor
-onzen voet en staatkundige onafhankelijkheid.
-
-„Hier, broeders, op dezen grond zijn wij vrij! Het Engelsche juk is ons
-van de schouders genomen, en wij ademen de vrijheidslucht! Het doel van
-den zesjarigen zwerftocht is bereikt—God heeft onze gebeden verhoord!”
-
-„Maar wij geven daarmede onze rechtmatige aanspraken op Natal niet op,”
-zegt de Jong, en het klinkt door zijn woorden heen als ingehouden
-toorn. „En wij klagen de Engelsche regeering aan bij den troon van den
-rechtvaardigen God, omdat zij het recht heeft geschonden en het recht
-heeft vertrapt!
-
-„Ik geloof aan het recht van den sterkste. Verwondert ge u over mijn
-uitdrukking? Ik zeg u, dat Engeland aan het kortste eind zal trekken,
-want de rechtvaardige God is de sterkste, en Zijn recht zal zegevieren.
-Zijne molens malen niet spoedig, want God is een lankmoedig God. Doch
-als ze beginnen te malen, dan malen ze door, en vermalen de glorie der
-volken, die den zwakke hebben verdrukt, en den ellendige smaadheid
-aangedaan.
-
-„Maar wij, geliefde Broeders, wij hebben stof, om onzen trouwen God te
-danken, want Hij heeft ons volk, het moe gejaagde, uit vele wonden
-bloedend hert, een plaats gegeven, waar het kan uitrusten en genezen.
-
-„Reeds begint het te genezen—met uw eigen oogen kunt ge ’t zien! Een
-groen, sappig kleed bedekt de velden; het vee heeft overvloedig
-voedsel, en in de verte ziet ge de golvende, gouden korenvelden. Zie
-den veestapel van onzen vriend Gert Kloppers! Zijn vee breekt uit in
-menigte—de kalveren huppelen tusschen de lammeren!”
-
-„Ja,” zegt Barend Jansen, „als de Engelschen het in de gaten krijgen,
-zullen ze gauw komen.”
-
-„Dan zullen wij vechten,” zegt de Jong, „of we trekken hooger het
-noorden in, want onze God heeft meer dan éénen zegen.”
-
-„En als de Engelschen dien weg naar ’t noorden afsluiten?” vraagt
-Jansen.
-
-„Dan zullen we zeker vechten,” antwoordt de Jong.
-
-„Ja, dan zullen we zèker vechten,” roepen de Boeren.
-
-„Tot den laatsten man!” zegt de Jong met verheffing van stem.
-
-„Tot den laatsten man!” roepen de Boeren.
-
-„Maar wij keeren tot het heden terug,” begint de Jong opnieuw, „en
-thans zijn wij een vrij volk. Doch een vrij volk behoort een vlag te
-hebben als een teeken zijner zelfstandigheid.”
-
-„Kent gij deze vlag?” zegt hij, terwijl hij een vlag, aan een stok
-gebonden, omhoog houdt.
-
-Daar staat een Boer op; zijn haar is wit als sneeuw van ouderdom.
-
-„Dat is de Hollandsche driekleur,” zegt hij, „die ik vele jaren aan de
-Tafelbaai heb zien wapperen.”
-
-„Maar de Engelschen hebben ze neergehaald,” laat hij er droevig op
-volgen.
-
-„En hier, in den bodem der Transvaal, zullen we ze weer planten,” zegt
-de Jong met moedige stem, „als het volk der Emigranten er over denkt
-als ik, want wij zijn en blijven Hollandsche Afrikaanders! En wij
-zullen er dan nog ééne kleur bijvoegen, namelijk het groen, want groen
-is de kleur der hope.”
-
-„En deze vierkleur,” roept hij met langzame, luide, plechtige stem:
-„deze vierkleur moge wapperen over het vrije volk der
-Emigranten-Boeren—van het Drakengebergte tot aan de
-Limpopo-rivier—zoolang de zon boven Afrika schijnt!”
-
-De koele, stoere Boeren zijn opgestaan. Hunne oogen schitteren; hunne
-wangen gloeien.
-
-„Zoolang de zon boven Afrika schijnt!” roepen zij in losbarstende
-geestdrift.
-
-„En zij zàl blijven wapperen op den wind,” alzoo besluit ouderling de
-Jong zijn toespraak, „als ons volk door den band der eendracht blijft
-verbonden; als wij onze roeping verstaan, om christendom en beschaving
-te brengen onder de blinde heidenen; als wij wandelen in de inzettingen
-des Heeren—God de Almachtige en de Getrouwe zegene het geliefde volk
-der Emigranten-Boeren, en Hij stelle het tot een zegen tot in lengte
-van dagen!”
-
-
-
-De zon, het groote licht van den dag, is nu ondergegaan. Reeds beginnen
-de kleinere lichten van den nacht, de maan en de sterren, hun schijnsel
-te geven aan den diepblauwen hemel.
-
-De zangvogel zingt zijn avondlied; de beek stoeit haar kabbelende
-golven over de rotsen naar de diepte, en hoog boven de hoofden der
-Boeren ruischt de avondwind in de toppen van het geboomte.
-
-En hoor, zij zingen!
-
-Zij zingen hun overwinningslied:
-
-
- „De Heer is mij tot hulp en sterkte;
- Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;
- Hij was het, Die mijn heil bewerkte;
- Dies loof ik Hem mijn leven lang.
- Men hoort der vromen tent weergalmen
- Van hulp en heil ons aangebracht;
- Daar zingt men blij met dankbare psalmen:
- Gods rechterhand doet groote kracht!”
-
-
-Het lied klimt op; het zet zich uit; het klinkt over velden en beemden!
-
-Het rijst op boven de toppen van het geboomte; boven de koppen der
-Afrikaansche bergen!
-
-Het rijst op, al hooger en hooger—; tot de sterren—; tot voor den troon
-van den Eeuwige en den Rechtvaardige, die het lot der volkeren
-bestiert—!
-
-
- EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Heirweg.
-
-[2] Wild gedierte.
-
-[3] De Transvaalsche vlag, de vierkleur, bestaat uit de drie kleuren
-der Nederlandsche vlag met een groenen streep.
-
-[4] Assegaai = Kafferspeer.
-
-[5] Drift = ondiep, doorwaadbaar veer.
-
-[6] De trekkende Boeren noemden zich zelven Emigranten-Boeren in
-tegenstelling van de Boeren, die in de Kaapkolonie bleven.
-
-[7] De Geschiedenis van de Hollandsch-Afrikaansche Boeren door J. H.
-Hatting, Utrecht, Transvaal.
-
-[8] Trans beteekent over. Met de uitdrukking: Transvaal bedoelden de
-Boeren dus het gebied over de Vaalrivier: het Overvaalsche.
-
-[9] Eene soort beenen bikkels.
-
-[10] Zonder verlies van menschenlevens.
-
-[11] Chaka was de broeder van Dingaan, en werd door zijn broeders in
-1828 vermoord. Chaka was een onmensch, bloeddorstig als een wild dier,
-doch werd door zijn opvolger Dingaan nog overtroffen.
-
-[12] De Geschiedenis van de Hollandsch-Afrikaansche Boeren door J. H.
-Hatting. Utrecht, Transvaal.
-
-[13] Kraal = Kafferwoning.
-
-[14] Zie Lion Cachet: „De worstelstrijd der Transvalers”.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE HELDEN VAN ZUID-AFRIKA ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.