diff options
Diffstat (limited to 'old/67653-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/67653-0.txt | 6717 |
1 files changed, 0 insertions, 6717 deletions
diff --git a/old/67653-0.txt b/old/67653-0.txt deleted file mode 100644 index 7b2d1ac..0000000 --- a/old/67653-0.txt +++ /dev/null @@ -1,6717 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Om het recht der liefde, by Abraham -Anthony Fokker - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Om het recht der liefde - -Author: Abraham Anthony Fokker - -Release Date: March 18, 2022 [eBook #67653] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (Scans - from the Koninklijke Bibliotheek, The Hague) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OM HET RECHT DER LIEFDE *** - - - - - OM HET RECHT - DER LIEFDE - - DOOR - DR. A. A. FOKKER - (KARAMATI) - - - AMSTERDAM.—SCHELTENS & GILTAY - - - - - - - - -HOOFDSTUK I. - - -Hij zou stellig komen: ze had er zoo’n idee van. ’t Was immers een -Woensdag, en die had hij tot nog toe nooit overgeslagen... En als hij -kwam, zou ze hem niets zeggen van haar verjaardag. Waarom zou ze? Wat -had hij er eigenlijk mee te maken? En toch... ’t zou wel aardig zijn, -als hij ’t wist, als hij daarom kwam... - -Ze zat vóor haar schrijftafel, met de eene hand onder ’t hoofd, te -staren. ’t Was een fijne tengere gestalte. Het welbesneden ovale -gezichtje met de groote donkere oogen en het weelderige iet of wat -kroezend zwart haar, met de matbleeke tint, de spitse eenigzins gebogen -neus en de dunne goedsluitende lippen van de kleine mond, spraken van -jeugdige ernst, maar ook van veel ingehouden hartstocht, van groote -schranderheid en verstandsleven naast hoog-ontwikkeld vrouwelijk -gevoel. - -Ze droeg een eenvoudig grijs reform-kostuum. - -Op de schrijftafel vóor haar lagen eenige boeken en schriften. Een, -opgeslagen, bevatte een werk waaraan ze bezig was. Tusschen de papieren -lag een menschelijke schedel, geel glad glimmend, met de grijnzende -kant naar haar toegekeerd, naast de groote zilver-en-kristallen -inktpot. Vlak daarachter—er was een plaatsje voor gemaakt—stond een -groen vaasje met een groote bos veldbloemen, aardig uitkomend tegen het -donkergroene gordijn der boekenkast achter de schrijftafel. Even -opgeschoven, vertoonde het daarachter ’t begin van rijen dikke boeken, -waarvan de breede ruggen gouden glimpuntjes op hun gladzwart leder -lieten zien. Daarboven op, manshoog, twee biscuit borstbeeldjes. Naast -de stemmige boekenkast onder een eveneens donkergroene doek, iets op -een zwart-houten voetstuk. Onderaan een ontbloot gebleven deel een -menschelijk geraamte verradend. - -De wand tegenover de boekenkast droeg op het grauw-groene behang twee -mooie omlijste staaldrukken: Christus en de rijke jongeling en Christus -als knaap in de tempel. Daaronder éen portret in ronde lijst: een -fraaie mannekop, met grijze baard en denkersoogen, uitgesproken Joodsch -type. Aan deze wand een sofa en een paar stoelen, met een kleine tafel, -waarop een aardig zelfgewerkt kleedje, ’t een en ander nieuwe stijl en -iets-donkerder-grauwgroen van bekleeding dan het behang. Op de vloer -effen grauw zeil, waarop in ’t midden van ’t vertrek een donkergroen -kleed. De beide overige wanden vertoonden groote openslaande deuren, -links van de ingang leidend naar een ander vertrek en daar nu half -verborgen onder een zware voorhang van dezelfde kleur als ’t kleed op -de grond; rechts een balkon, uitziend op een breede straat. - -De zon schijnt buiten vroolijk en werpt een lange lichtstraal door ’t -vertrek, zich baan brekend door de spaarzaam opengelaten witte -valgordijnen en de donkergroene overgordijnen aan de balkonkant. De -zonnestraal weerkaatst juist op de spiegel boven de schoorsteenmantel -en speelt daar met het verguldsel van ’t staande klokje. Daarnaast -werpen een paar eveneens vergulde kandelabertjes en eenige foto’s in -metalen lijstjes flikkerglansjes onder de inwerking van ’t -namiddaglicht. - -De heele inrichting der kamer heeft bij alle eenvoud een sterk -persoonlijk karakter, en mist het banale der gewone huurvertrekken. -Zelfs de lamp, een verguld kroontje met drie armen, zoo geheel in -overeenstemming met het klokje, de spiegel en de kandelabertjes, doet -denken aan eigen keuze der bewoonster. - -Deze heeft zich weer over haar werk gebogen, en schrijft. Doch eenige -oogenblikken later heeft ze ’t hoofd opgeheven, en kijkt met aandacht -naar de deur. Dan, opeens legt ze de pen neer. - -Er is geklopt. «Binnen», roept Marta van Zee. - -«Juffrouw, daar is meneer Jensen; die vraagt, of u ook belet heeft.» - -«Laat meneer boven komen, Juffrouw Pieters,» antwoordt Marta schijnbaar -onverschillig. Als de hospita weg is, staat ze op en kijkt even in de -spiegel. Dan gaat ze weer zitten op dezelfde plaats, neemt een van de -boeken, die opengeslagen op de schrijftafel liggen, en bladert -afgetrokken daarin. Ze kijkt een paar maal naar de deur. - -Een gestommel op de trap, wat beweging op ’t portaal en een stevige tik -op de deur, die van ’t portaal naar de kamer leidt, doen haar nogmaals -naar de deur opkijken. - -«Zoo, Marta, dat doet me pleizier; ik was een oogenblik bang, je niet -thuis te vinden.» - -Marta is opgestaan en steekt de jonge man, die binnengetreden is, de -hand toe. Hij is grooter en forscher dan zij, maar in de trekken van -zijn gelaat ligt minder kracht van geest en wil dan van gezondheid. Een -fijn zwart snorretje geeft iets fattigs aan de gevulde lippen, waarvan -de onderste, ietwat uitpuilend, de uitdrukking van overmoed der heldere -bruine oogen bevordert. Ook de vierkante stevige vorming der kin draagt -daartoe bij. Een kortgehouden donkerbruine haardos laat een hoog -voorhoofd vrij, waaronder een paar zijige wenkbrauwen van dezelfde -kleur als het haar. De vrij groote neus is van onderen wat breed en -stomp. ’t Heele gelaat heeft iets voornaams, wat ook uit kleeding en -houding spreekt, maar tevens iets weekelijks, iets van ’t bedorven -moeders-zoontje en van de lustig en onbezorgd levende student van ’t -«studentikoze» type. - -Een aardig tegenbeeld Marta’s gestalte daar tegenover hem. Blozend, -maar hem recht in de oogen kijkend geeft zij hem de hand. - -«Bang, me niet thuis te vinden... Och, tegenwoordig ben ik nog al ’s -hier te treffen.» Ze glimlacht even en wijst op haar werk. - -«Ik stoor toch niet?» - -«O nee, volstrekt niet. Dat kan wachten. Ga zitten, ga zitten: daar, op -je gewone plaats.» - -«Ja, stamgast wor’ ik hier zoo langzamerhand.» Hij zet zich op een -gemakkelijke stoel op zij van Marta’s schrijftafel. Marta is weer gaan -zitten, maar heeft zich nu halverwege omgewend, naar haar bezoeker toe. -Deze zit in ’t volle licht dat van ’t balkon binnenkomt, schuin -tegenover Marta met de rug naar de muur. Nauwelijks gezeten valt zijn -blik op het doodshoofd bij de inktpot. - -«Merkwaardige combinatie, zeg, Marta,» roept hij, en neemt meteen de -schedel van de schrijftafel, dat «doodshoofd met die veldbloemen! -Zinnebeeld van leven en geluk bij dat van vergankelijkheid... Wat ’n -leelijke grijns heeft zoo’n kop toch!» - -Hij bekijkt het gladde glimmende voorwerp van verschillende kanten met -een speelsche spottende glimlach. - -Marta neemt hem de schedel af. - -«Foei, Frans, je moet niet spotten met zoo iets!» - -«Daar, ik zet het weer op zijn plaats. Daar hoort het: ik heb het -noodig voor een verhandeling over schedelbreuk, waaraan ik bezig ben. -Och, dat weet je trouwens: kijk.» Ze raakt even achteloos het papier -aan, vóor haar op tafel. «En dan: wat die combinatie aangaat, die is -zoo vreemd niet. Dood en leven komen overal naast elkaar voor.» Ze -zwijgt even. «In ieder menscheleven ook... in ’t mijne... in ’t jouwe -ook...» - -«Nou ja, maar op een meisjeskamer... Ik weet wel... maar toch... Ik kan -er me zoo moeilijk indenken.» - -«Dat begrijp ik best. Maar och, voor ons medici krijgt ’t menschelijk -lichaam zoo’n heel andere beteekenis dan voor andere menschen. Dood en -leven zijn voor ons ook anders... Er is eigenlijk geen dood...» - -«Zoo, nou, ik zou zeggen...» Frans lacht even luid. - -«’t Is maar net zooals je ’t opvat. Je weet immers, dat men ontdekt -heeft, dat moleculaire beweging—een beweging die overal in alles -is—niet qualitatief verschilt van levensbeweging... Een stuk ijzer -leeft eigenlijk ook...» - -Er is een trek van verhoogde ernst op Marta’s gelaat. - -«Ho, nu wor’ je me te geleerd! ’t Eenige wat ik bedoel—ik heb je dat -meer gezegd, weet je niet?—is dat ik niet vat, hoe jij met je fijn -vrouwelijk gevoel zooveel akeligs—zooveel, nou.... griezeligs, vies, -laat me maar zeggen, kunt aanzien. Hoe je bijvoorbeeld in de snijkamer -geen walg krijgt, geen afschuw van....» - -«Een kwestie van wennen.... anders niet. Heel in ’t begin ben ik er wel -eens naar van geweest. Maar nu.... ’t Eenige wat me nu nog aandoet, is -de gedachte aan ’t lot van de arme wezens, die daar voor onze proeven -dienen, voor onze «experimenten».» - -«Hoe bedoel je dat? Die voelen er toch niets meer van?» - -«Jawel, dat is zoo; maar ’t zijn zulke ongelukkige schepsels, wier -lijken naar de snijkamer gaan.» - -Marta wendt zich naar de andere kant der schrijftafel, en wijst op ’t -voorwerp met het groene dekkleed erover. - -«Weet je bijvoorbeeld wat dat rif daar in haar leven geweest is?» - -«Haar? Is dat dan van een vrouw?» - -Frans is opgestaan en plaatst zich bij ’t geraamte. Marta staat -eveneens op, en neemt het kleed van ’t geraamte af. - -«Ja, van een meisje. Kijk, dat kun je toch zien! Breed bekken met de -schouders vergeleken, dan kleinere gestalte.... Nou ja, dát geraamte is -afkomstig van een achttienjarig meisje. Een prostituee.... In ’t -ziekenhuis gestorven....» - -Frans kijkt meewarig naar ’t gebeente. - -«Arm kind! Maar ik wist niet, dat zoo’n geraamte eerst in de snijkamer -geweest was.» - -«O ja, altijd. Als ’t daar voldoende.... bekorven is en afgehaald, dan -gaat het naar de man, die er een skelet van prepareert.» - -Ze zwijgt een oogenblik. Dan gaat ze voort: - -«Ik heb dat meisje gekend. Ik heb met haar gesproken.» - -Marta doet de groene doek weer over ’t geraamte en gaat zitten. Frans -volgt haar voorbeeld. Dan gaat ze voort met iets gewild onverschilligs -in haar stem, maar toch met lichte trilling daarin: - -«Och de gewone geschiedenis, zie je... Toch vreeselijk, vreeselijk, -altijd weer even hartverscheurend.» De ontroering wordt haar een enkel -oogenblik de baas. De jonge man kijkt haar verwonderd aan. - -«Ja, ja, ik kan ’t me denken,» zegt hij ernstig, met veel sympathie in -toon en blik; maar toch niet geheel begrijpend. - -«Ik heb, God dank, nooit een meisje ongelukkig gemaakt.» - -Marta ziet hem even vol aan. Er is een lieve streeling in haar -fluweelen oogen, die vochtig glanzen. - -«Och ja,» gaat ze voort, «dat is ’t begin... en dan de rest. Dit was -een mooi meisje. Ze heeft tegenspoed gehad... had te veel hart... -Anders was ze wel anders terechtgekomen. De harteloozen brengen ’t in -zoo’n geval tot een soort van geluk, tot de «diamanten en paarlen» van -Heine’s gedichtje. Die beseffen dan niet, «hoe diep ze ellendig zijn». -Anderen soms ook wel... maar dat zijn uitzonderingen, groote -uitzonderingen....» - -Ze zwijgt en blijft in gedachten staren. Met de hand onder ’t hoofd zit -ze zoo, dat Frans haar fijn profiel scherp tegen de donkere achtergrond -ziet uitkomen. Na eenige oogenblikken van hernieuwde verwondering, zegt -hij: - -«Wat wou je zeggen, Marta?» Ze kijkt even op. - -«Och, die.... die heffen zich weer op. In armoede is dat heel -moeilijk...» Weer vervalt ze in gepeins. - -«Kom, ik vind dit lang geen prettig onderwerp van gesprek. Nu ’s wat -anders, Marta, weet je nu eigenlijk wel, waarom ik bij je kom?» - -Marta lacht opeens. Haar oogen kijken hem helder aan. «Waarom je -vandaag bij me komt? Maar, Frans, je komt bijna iederen dag!» - -Onwillekeurig lacht de ander mee. - -«Dat is.... waar. Mijn vader moest ’t ’s weten! Die denkt dat ik braaf -college loop...» - -«Dat moest je ook...» Marta’s mond is half ernst, half spot. - -«Och wat! Wat kunnen mij die colleges schelen? Ik studeer hier bij jou -immers ook?» - -Marta glimlacht weer. - -«Ja, dat is zoo... Maar zeg, nu weet ik nog niet, waarom je vandaag—zoo -speciaal!—gekomen bent. Ook om te studeeren?» - -«Och, flauwe meid! Dat weet je wel beter, ben je dan niet jarig?» - -«Ik jarig?» Haar oogen stralen. «’t Is waar ook! Nu, daar let ik anders -niet meer op hoor.» Dit laatste klinkt eenigszins weemoedig. - -«Je wordt ook zoo oud, he!» Marta lacht niet, maar blijft stroef -kijken. «Nu, ik let er wèl op, en...» - -«Maar hoe ben jij daar eigenlijk achtergekomen?» - -«Nagevraagd, aan de burgerlijke stand. Een heerlijke nuttige -instelling!» - -Marta kleurt. - -«Och kom! Waar jij al belang in stelt!» Toch voelt ze ze zich aangenaam -verrast. Frans kijkt haar strak aan. - -«Daarvoor had de huisjuffrouw immers die bloemen daar klaargezet.» - -Marta antwoordt kwazi-verwonderd: - -«O zoo.» - -«Nou ja, van mij heb je niets gekregen. Je wil niets hebben, trouwens: -je wil nooit wat van me hebben. Maar nu wil ik wat van jou hebben, -versta je? Ik wil ’s op je gezondheid drinken.» - -Zijn gastvrouw lacht verlegen. - -«Ik heb niets in huis. Je weet, ik gebruik nooit wat. Niet omdat ik -afschafster ben ... Maar ik bedenk me daar: ik heb toch misschien nog -wat. Ik heb laatst bezoek gehad van ... mijn oom ... mijn voogd...» - -Marta kleurt weer en zoekt naar haar woorden, doch Frans komt haar -onwillekeurig te hulp. - -«Je voogd? Je vroegere voogd dan toch: je wordt vandaag -een-en-twintig.» - -Marta kleurt nog sterker. Dan antwoordt ze kwazi-natuurlijk, en -vroolijk: «Juist, ook mooi nageplozen ...» - -«Nu, wat heb je? Vooruit ermee!» - -Beiden staan op. Marta gaat naar een kast in de achterwand, die ze -opent. - -«Kom, meezoeken» noodt ze lachend. - -«Potstausend! Houdt je ploerterij dat zoo netjes?» - -«M’n wat?» - -«Je ploerterij.» - -«M’n huisjuffrouw, wil je zeggen? Een heel best braaf mensch, waar je -met eerbied over spreken moet ... maar dat gaat jou niet aan, zoek jij -maar.» - -«Ik vind niets, als jij me in de weg staat! Ik zie alleen dat je mooi -glaswerk hebt ... En zilver ook, keurig ...» - -«Maar niets erin ... Kom, in de andere nog ’s kijken.» - -«Even nog!» - -«Och, doe die kast nu dicht. Je hebt er niets mee te maken verder.» - -Ondertusschen heeft Marta een andere muurkast opengemaakt. - -«Zeg, kom je nu? Daar is niets in, zeg ik je». - -«Best, best, ik geloof je. Is dat weer zoo’n wonderkastje?» Frans sluit -de eene kast en komt bij de andere staan. - -Marta, die onderwijl aan ’t zoeken gegaan is, schiet op eens in een -lach. - -«Och, wat moetje daar? Dat’s mijn tafelgoed.» - -«Je vraagt me om mee te zoeken!» - -«Ja, maar wat dacht je? Dat het hier was als bij een van je vrienden? -Alles heeft zijn plaats.» - -«O ja, natuurlijk. Alles keurig, dat zie ik.» - -Eindelijk vindt Marta een karafje. Ze neemt het eruit. - -«Daar!» roept Frans zegevierend. - -«Och nee, dat’s te gek.» Haar lach klinkt helder door ’t vertrek. «Dat -kan ik je niet aanbieden! Nu herinner ik me: ’t is cognac. De man ... -mijn oom woû een glas cognac drinken, en ik heb toen een half fleschje -laten halen.» Ze zet het karafje weer weg. «Ik dacht, dat ik nog wat -witte port had ... Maar dat’s niets ...» Ze gaat naar de schel in een -hoek van de kamer, en wil de juffrouw laten komen. Frans is haar vóor. - -«Wat, wil je nu wat laten halen? Nee, maar ... nu zal je me toch -onbescheiden vinden.» Hij wil haar beletten op de knop van de -electrische schel te drukken. Ze weert hem af door een tik op de hand. - -«Nu zál je wat drinken. Trouwens, ik ben hier de baas.» - -«Bazin, wil je zeggen. Dat heb je met al je feminisme nog niet anders -kunnen krijgen. De taal wijst het uit.» - -«Wat een pedanterie! Baas of bazin: dat is ’t zelfde.» - -«Dat denk je maar: een bazin veronderstelt altijd een baas, en die is -toch in allen geval hooger.» - -«Dat is nu weer zoo’n muggezifterij van een rechtsgeleerde.» - -Er wordt geklopt. - -«Binnen!» roept Marta. Frans is weer gaan zitten, en slaat dan de beide -vrouwen gade. - -«Juffrouw», zegt Marta vriendelijk. «Wil u even een half fleschje port -laten halen? Van de beste, hoor, en dan hier klaar zetten met twee -glazen. Hier is een leeg karafje.» - -«Goed, juffrouw,» antwoordt de toegesprokene, terwijl ze het kristallen -karafje aanneemt. «Heeft u nog wat?» - -«Nee, dank u.» - -De magere gestalte, in vaal zwart gekleed, beweegt zich even bedaard -als ze gekomen is, weer naar de deur. ’t Is een vrouw van wellicht -vijftig jaar, scherpe hoekige trekken en reeds grijzend haar. Als ze -vlak bij de deur is, werpt ze Frans een schuine blik toe, en verdwijnt. - -«Mijn sympathie niet, die Juffrouw,» zegt Frans tot zijn vriendin, die -weer op haar stoel aan de schrijftafel is gaan zitten. - -«Nou ja, dat weet ik. Een best mensch, zeg ik je: ik ken haar beter dan -jij.» - -«Een kaketoe. En kijkt ook even nijdig.» - -«Verbeelding!» - -«Nou, ze keek zooeven met een blik naar me. Zeg, in ernst, zou ze ’t -niet raar vinden, dat je me hier op je kamer port schenkt?» - -Marta haalt de schouders op. - -«Och, daar stoor ik me wat aan! Je bent een vriend van me. Ik ontvang -mijn vriendinnen—mijn kennissen, wil ik zeggen—hier immers ook wel.» - -«Nu ja, meisjes als jij...» - -«Dat is voor mij volkomen ’t zelfde.» Er is meer ernst in haar stem dan -’t gezegde schijnt noodig te maken. - -«Maar, zeg, Marta,» hervat Frans na een oogenblik zwijgen, «nu we toch -op onze manier gaan fuiven,—er is nog iets waarom ik me vandaag zoo -bizonder in mijn schik voel.» - -«Nu?» - -«We kennen elkaar vandaag juist een half jaar.» - -Hij kijkt haar vol innigheid aan. - -«Merkwaardig feit.» - -«Ja, zeker, voor mij wel. Weet je nog, die eerste keer, toen ik je -ontmoette aan ’t Station Weesperpoort? ’t Regende dat het goot. Je hadt -geen paraplu bij je. En je scheen ook geen geld bij je te hebben. Weet -je nog, dat we van Breukelen samengereisd hadden?» - -«O, ik herinner ’t me alsof ’t gisteren was.» - -«We hadden al heel gauw een gesprek aangeknoopt.» - -«Dat wil zeggen, jij praatte nogal.» - -«Nou ja, je antwoordde me toch. In dat opzicht was je toch anders dan -de meeste jonge dames, die je op reis ontmoet: die vinden ’t gewoonlijk -vreeselijk met een onbekende een gesprek te beginnen... Of ze doen ten -minste zoo.» - -«Och, jij zag er nogal betrouwbaar uit. En dan.» - -«Nogal! Die vind ik heerlijk.» - -Frans lacht hartelijk. Marta glimlacht en beantwoordt zijn aanhoudend -sterk sprekend aankijken met een blik vol kalme haast weemoedige -vriendelijkheid. - -«Nou, Marta, ik vond dat jij er niet alleen heel betrouwbaar, maar ook -heel aantrekkelijk uitzag.» - -«Zoo, zoo. ’t Laatste was natuurlijk voor jou verreweg ’t voornaamste: -je woû’s een gijntje met me hebben.» - -«Een wat?» - -«Een gijntje...» - -«Mooi woord. Is dat speciaal Amsterdamsch? Grapje, bedoel je? Och nee, -ik vond je belangwekkend.» - -«Jawel, en later toen ik je bij ’t uitstappen ontweek, was je zoo vrij -me te volgen.» - -«Weer pure belangstelling. Als ik dat niet gedaan had, had ik je mijn -diensten ook niet kunnen aanbieden. Dan was je druipnat thuis gekomen, -of je hadt aan ’t station kunnen wachten.» - -«Eeuwig dankbaar, hoor. ’t Was bepaald een ridderlijk gijntje van je... -Ja, hoe gek, he, dat ik geen cent bij me had.» Ze zwijgt even, in -gedachten. Dan: - -«Ja, ik had alles uitgegeven, omdat ik dacht dat ik het niet meer -noodig zou hebben.» - -«Maar, zeg, waar kwam je toen vandaan?» - -De vraag doet Marta opschrikken. - -«Waarvandaan? Och, ik was even naar Utrecht geweest». - -«Daar heb je familie wonen, niet?» - -Met een lichte blos en afgewende oogen zegt ze ontwijkend: - -«Nee, ik ben uit Limburg, dat weet je. Nee, och, een patiëntje uit onze -kliniek van vroeger, waar ik nogal belang in stelde.» - -Marta zwijgt verlegen. De jonge man hult haar in zijn bewonderende -innige blikken. Een enkele maal geeft ze hem die terug, met een -mengeling van schuwheid en vriendelijkheid. De blos op haar wangen is -donkerder dan tevoren. - -«Zoo,» zegt ze «dus al een halfjaar. Wel, ’t lijkt me zoo kort.» - -«Zeg, Marta, je hoeft niet te kleuren: ik vind die toewijding van je -allerliefst.» - -«Och, schei uit.» - -«Ik meen ’t... Een half jaar ja, mij lijkt het ook veel korter.» Er is -juiching in zijn stem. «En toch! ’t Is net alsof ik je mijn heele leven -gekend had. Jammer dat het niet zoo is.» - -Marta zucht. - -«Ja, dat vind ik ook,» zegt ze zacht. «Je moest mijn broer wezen.» - -«Je broer! Nou ja, of je vriend. We zijn nu toch vrienden, hoop ik.» - -Weer kijkt hij haar sterk aan. - -«Zoo iets vraag je niet.» - -«Nu, ik wel.» - -«Goed: vrienden zijn we.» Ze geeft hem de hand over de schrijftafel -heen. De jonge man neemt die gretig aan. Toch spreekt er eenige -teleurstelling uit zijn wezen. - -«Wat heeft het me een moeite gekost, je na onze eerste ontmoeting terug -te zien!» gaat hij voort. «Eindelijk hoor, weet je nog: bij Kras?» - -Marta knikt. - -«Ik at dien dag met een paar vrienden. Daar zag ik je, hoor: moederziel -alleen aan een tafeltje kalm bezig met een biefstukje met aardappelen.» - -«Ja, en wat keek je telkens onhebbelijk naar me! Hebben je vrienden dat -toen niet gemerkt?» - -«Och, nee. Ik heb ook niet zoo sterk gekeken.» - -«Nou, ik merkte het dadelijk!» - -«Wat heb ik toen die vrienden in mijn hart weggewenscht. Zoo’n eenige -gelegenheid moest ik voorbij laten gaan.» - -«Daarom was je natuurlijk de volgende dag weer bij Kras.» - -«En jij ook!» - -«Nou ja, ik at daar toen iederen dag.» - -«Ik niet. En ik kwam dien dag een half uur te laat thuis eten. Vader -was razend, natuurlijk. Een tooneel van woede. Moeder aan het huilen.» - -Het binnenkomen van de hospita brengt even stoornis. Zwijgend gaat ze -naar de kast, giet de inhoud van ’t fleschje, dat ze bij zich heeft, in -een ledige karaf, en zet deze met twee glazen op de tafel neer. Weer -merkt Frans een zekere onwil en onvriendelijkheid in haar wezen op. -Maar hij bepaalt zich tot even opkijken. - -«Hier is de port. Had uwes nog iets, juffrouw?» Met een leege blik ziet -ze Marta aan, terwijl ze de deurknop reeds in de hand heeft. Haar -wenkbrauwen zijn hoog opgetrokken en haar lippen staan eenigszins -vaneen. - -«Nee, dank u,» zegt Marta, die nu ook iets hinderlijks in de houding -der hospita bespeurd heeft, en graag gauw van haar af is. - -«Ziezoo, nu kunnen we’s drinken. Ik zal meedoen, om je genoegen te -doen. Jullie mannen drinken niet graag alleen, wel? Mag ik ’s -inschenken?» - -«Gaarne.» - -«O ja, dat ’s waar ook: je rookt..... Jullie mannen hebben toch heel -wat noten op je zang.....!» - -Er is iets bizonder druks in Marta’s praten: ’t is of ze daardoor -gedachten verdrijven wil. - -«Och, hoû me nu niet voor de gek, Marta!» valt de ander haar in de -rede. «Op jouw kamer rook ik immers nooit. ’t Is wat anders in ’t -restaurant: daar heb je gezien, dat ik ’t na ’t eten wel deed.» - -«Nou ja.... Heusch, ’t spijt me: ik zou je nu zoo graag een goeie -sigaar willen bezorgen. Had ik nu maar aan die juffrouw....» - -«Och maar, Marta, je zeurt, neem me niet kwalik. Ik zou hier niet -durven rooken.» Meteen sipt hij aan zijn glas en tuurt naar ’t balkon, -alsof hij aan heel andere dingen denkt. - -«Om de lui beneden zeker, om de ploerterij, zooals jij zegt. Ook een -reden!» Beiden zwijgen even. - -«Dat moet je niet zeggen,» zegt Frans en wendt zich weer naar zijn -gastvrouw. Er is een toon van groote ernst in zijn stem. «’t Is al -mooi, dat je me ontvangt. De menschen kletsen er toch al over, geloof -me.» - -«Laat ze gerust! Ik heb er maling aan. De menschen, wat kunnen mij de -menschen schelen! Ik doe mijn plicht en verder laat ik ze leuteren -zooveel als ze willen. De menschen!» Ze zwijgt een oogenblik, en dan op -heel andere toon: «Nee, werkelijk, ik woû dat ik een goeie sigaar voor -je had.» - -Frans lacht. - -«Je bent toch een origineel schepsel! Nu, ik heb ze wel bij me. Ik zal -er dan een rooken, om jou plezier te doen.» - -Hij haalt een keurig bruin lederen sigarenkokertje voor den dag, kijkt -erin, en biedt haar dan een kleine sigaar aan, die hij onder de -grootere gevonden heeft. - -«Kom, jij dat kleintje», zegt hij lachend. «Of rook je niet?» - -«Och, loop heen! Zoo graag als ik een man een goeie sigaar zie rooken, -zoo afschuwelijk vind ik ’t voor een vrouw het zelf te doen. Dàt vind -ik nu eens iets echt onvrouwelijks. Jullie praten anders altijd over -«onvrouwelijk», als je tegen de feministen uitvaart.» - -«Onvrouwelijk? Och wat!» Hij steekt zelf op. Marta staat op en geeft -hem een schoteltje voor aschbakje. - -«Mooi zoo. Onvrouwelijk, zeg je? Is dat nu onvrouwelijker dan -lijkeschennis op de snijkamer?» Luchtig blaast hij een rookwolkje van -zich af. - -«Frans!» roept Marta. - -«Neem me niet kwalijk.... Ik leuter ook eigenlijk maar wat. En toch -begrijp ik niet, waarom jij als arts niet zou kunnen rooken. -Bijvoorbeeld als ontsmettings-middel.» - -«Een mooi ding. Op een ziekekamer zeker! O jullie rechtsgeleerden! Maar -komaan, op je.....» Ze neemt haar glas op, waaraan ze nog niet de mond -gezet heeft. - -«Op jouw gezondheid!» valt Frans in. «En van harte gelukgewenscht ook -in andere opzichten, alle mogelijke opzichten! Ik feliciteer mezelf -ook, dat ik je al een half jaar ken.» - -Weer stoort een kloppen aan de deur hun gesprek. - -«Wat is dat nou weer?» roept de jonge man kregelig. - -Weer vertoont zich de hospita, met hetzelfde humeurige gezicht van te -voren. - -«Juffrouw, daar is een meneer, die vraagt naar meneer Hensen, of die -ook hier is.» - -Frans kijkt eerst Marta en dan de huisjuffrouw verwonderd aan. - -«Die ben ik,» zegt hij ontstemd. «Ik heet ten minste Jensen, juffrouw. -Dat wist u trouwens. Hoe zag die meneer eruit? Heeft hij geen kaartje -afgegeven?» - -De aangesprokene wendt zich half tot Frans, en antwoordt met kleurlooze -stem, eigenlijk tot Marta sprekend. - -«Nee. ’t Is een heer met een zwarte baard. Een beetje grijs. Draagt een -bril.... of lorniët, of hoe heet zoo’n ding? Hij heeft een hooge hoed -op.» - -Daar, nou weet je ’t, schijnen haar oogen erbij te voegen. - -Frans schrikt. - -«Heeft u gezegd, dat ik er was?» - -De hospita blijft in een houding alsof ze tot Marta spreekt. - -«Hoe kon ik dat nou zegge?» geeft ze terug. «Ik heb gezegd, dat ik ’s -kijke zou, maar dat ik van niks wis. Die meneer zei, dat meneer Hensen -hier moes wezen.» - -Dit laatste is onmiskenbaar tot de jonge man gericht. - -Frans kijkt weer vragend naar zijn vriendin. Er is onrust in haar -trekken: ze heeft blijkbaar begrepen, wie de bezoeker is. Hij tracht -haar met een bedekt gebaar te kennen te geven, dat ze hem niet toelaten -kan, in geen geval. Doch Marta let daar niet op. Ze snijdt hem het -woord af, als hij wat zeggen wil, en beveelt kort en beslist: - -«Juffrouw, laat meneer bovenkomen.» - -De hospita glijdt zwijgend de kamer uit. - -«Maar Marta!» roept Frans opgewonden, als ze nauwelijks de deur -gesloten heeft. «Wil je nu mijn vader hier binnenlaten? ’t Is mijn -vader, ik weet het zeker.... Je vat toch, dat hij niets goeds in ’t zin -kan hebben.» - -«Dat kan me niet schelen. Dacht je soms, dat ik me schaamde, jou hier -te ontvangen? Ik ben hier op mijn kamer, en ik ontvang hier wie ik -wil.» - -’t Besliste en kalme in Marta’s toon maakt de ander eenigszins -verlegen. - -«Je hebt gelijk, je hebt gelijk,» zegt hij zenuwachtig. «Maar... je -weet hoe mijn vader is. Ik heb je dat immers al zoo vaak verteld.» - -«Als hij me hier beleedigt... Nou ja, maar dat zal hij niet doen. Och, -ik kan mijn woord wel doen, als ’t noodig is...» Ze glimlacht even. - -Wat is ze mooi! denkt Frans. En wat is ze flink! - -«Dat begrijp ik,» antwoordt hij minder zenuwachtig. «Hoor eens, dat zou -ik niet toelaten, hoor, Marta. Mijn vader jou beleedigen! ’t Is alleen, -dat ik...» - -Een eenigszins driftige tik op de deur doet hem afbreken. Op Marta’s -«Binnen!» komt de verwachte de kamer in. - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - - -Er is iets bruusks in zijn beweging, in de haast waarmee Mr. Jensen de -deur weer achter zich sluit. Toch verraadt zijn houding verlegenheid. -Hij buigt op onhandige wijze voor Marta, en geeft daarna zijn zoon een -blik vol toorn. - -«Mejuffrouw ... U is immers Juffrouw Van Zee?» vraagt Jensen -zenuwachtig, en brengt ook de linkerhand aan zijn hooge hoed, die hij -in de rechter hield. - -Marta, die evenals Frans is opgestaan, maakt een stijve buiging terug. -Frans doet een stap vooruit. - -«Jawel, dit is de kamer van Juffrouw Van Zee» antwoordt hij stroef. -«Wat komt u hier doen?» - -Vader en zoon kijken elkaar recht in de oogen. De eerste zoekt in -drift-uiting afleiding voor zijn ongemakkelijkheid. - -«Dat raakt je niet,» roept hij uit. «Ik kom jou vragen wat jij hier -doet.» Tevens werpt hij een eigenaardige blik op Marta en in de kamer -om zich heen. - -«Niets, wat u reden zou kunnen geven, om mij een verwijt te doen ... of -Juffrouw Van Zee te komen lastig vallen.» - -Marta heeft dit tooneel zwijgend gadegeslagen; maar acht thans het -oogenblik gekomen, om zich te verwijderen. Ze doet een stap naar de -deur, kalm en waardig. Ze is opvallend bleek. - -«U zal me niet kwalijk nemen ...», zegt ze tot Frans’ vader. - -Doch Frans weerhoudt haar. - -«Waar denk je aan?» roept hij opgewonden. «Mijn vader heeft me hier -niets te zeggen—mag me niets zeggen!—wat jij niet zou mogen hooren ...» -De toegesprokene blijft aarzelend staan. - -«Wil u dan gaan zitten, Mijnheer?» zegt ze met weifeling in haar toon. - -«Dank u», is ’t antwoord. «Ik kom alleen maar zeggen, dat ik jou, -Frans, verbied, om buiten mijn weten bezoeken te brengen aan ... -intieme betrekkingen aan te knoopen met ...» - -«Wat zegt u, vader? Ik ben hier bij een vriendin, die ik hoogacht. Ik -verwacht hetzelfde van u. Overigens ...» - -«Ho, mijn baasje, daarover zullen we nog wel eens onder vier oogen -praten. Maar ik zeg je bij deze, dat er aan deze vriendschap een einde -moet komen. Versta je me goed? Daar zàl een eind aan komen. En dit is -de laatste maal, dat ik je hier duld... Al moest ik je met de politie -hier vandaan laten halen.» - -Zich meer en meer opwindend stapt Jensen onderwijl in de kamer op en -neer. Hevig ontroerd gaat Marta onwillekeurig bij haar jonge vriend -staan. Ze vreest ’t ergste: zoo kan ze zich tusschen de vertoornde -mannen in plaatsen, wanneer ’t noodig mocht wezen.... - -«Mijnheer!» roept ze, nauwelijks in staat een woord te brengen. - -«Vader, weet wat u zegt» zegt Frans dreigend. «Ik zou anders de eerbied -wel eens kunnen vergeten, die ik u schuldig ben.» - -«Zie zoo, dreigementen,» geeft de vader ietwat kalmer terug. «’t Is -best, best. Ik zal gaan. Ik heb je gezegd waar ’t op stond. Ik -verwacht, dat je naar mijn woorden zult handelen.» Dan zich tot Marta -keerend, en met opzettelijk overdreven beleefdheid in toon en gebaar: - -«Ik heb de bizondere eer, u te groeten, Juffrouw Van Zee. Tot -weerziens, Frans.» Met een lichte buiging en een ironisch lachje op -zijn dunne lippen verlaat hij, thans met volle zelfbeheersching, de -jongelieden. - -Deze blijven nog een oogenblik als verbijsterd staan. Dan barst Frans -uit: - -«Zoó’n... oh! ik zou een scheldwoord kunnen gebruiken. ’t Is mijn -vader, maar ik zou hem te lijf kunnen gaan!» - -Marta is onderwijl op een stoel neergezegen en ondersteunt het hoofd in -de eene hand. - -«Ik zal hem afleeren, hier jou te komen hoonen,» gaat de ander voort. -«Ik ga dadelijk...» - -«Je gaat niets,» roept Marta opziende. «Je blijft hier. Ik moet met je -spreken...» - -«Och wat! Wat valt hier nog te spreken?» - -Driftig stapt hij op en neer. - -«Hij heeft jou beleedigd en mij door jou. Of voel je dat niet? Wil je -hem soms nog verontschuldigen?» - -«Nee, Frans. Ik voel ’t maar al te zeer. Ik lijd eronder. En toch...» - -De jonge man treedt onwillekeurig op Marta toe: de toon van innige -smart, die in haar laatste woorden klonk, heeft hem diep getroffen. - -«En toch wàt?» roept hij heftig, terwijl hij haar aankijkt. «Ik zal hem -leeren, je te eerbiedigen. Ik zal....» Weer wil hij heen. - -«Als je eenige vriendschap voor mij hebt, blijf dan tot je mij -aangehoord hebt...» - -Frans blijft verwonderd staan: wat moet die zonderlinge plechtige toon? -Hij grijpt een stoel en gaat onwillig zitten. - -«Nu, wat heb je dan? Maak ’t kort, als-je-belieft: ik brand van -verlangen, om... die man eens de heele waarheid te zeggen. De heele -waarheid tegen al zijn monsterachtige vermoedens in. Tegen al de laster -van de wereld.» - -Als Marta nog niets zegt, gaat hij heftig voort. - -«Jij zoo rein en zoo hoogstaand...» - -Het jonge meisje ziet hem bedroefd aan. Er is een vochtige glans in -haar mooie groote oogen. Dan slaat ze de blik neer en blijft zwijgen. - -«Daar!» hervat de ander nog hartstochtelijker. «’t Is misschien -leelijk, dat ik ’t zoo zeg; ik heb nog nooit voor een vrouw dat respect -gehad, die innige oprechte hoogachting als voor jou, Marta. Zelfs voor -mijn moeder niet. Nee, heusch niet. Mijn moeder is een goed zwak -wezentje. Ik voel medelijden met haar. Voor jou heb ik bewondering.» - -«En toch vrees ik... dat je niet meer zoo zult spreken, als.... je -weet.... als je alles weet.» Weer treft Frans de diep droeve toon van -haar stem. Ze houdt de oogen afgewend en blikt droomerig vóor zich uit. - -«Alles wat?» roept haar vriend een en al verbazing. «Ik weet alles. -Jouw ziel is helder en doorschijnend als kristal. Ik ken je door en -door, al ken ik je pas zes maanden.—Dit is nu ’t einde van deze -heerlijke dag.» De laatste woorden komen er haast schreiend uit. - -«Als ’t maar niet het einde van onze heele vriendschap is... Je vader -heeft in zeker opzicht gelijk... De schijn is heelemaal tegen me.» Als -Frans haar in de rede wil vallen, belet ze hem dit: - -«Nee, laat me uitspreken... Ik vermoed wat hij gedaan heeft! Hij heeft -inlichtingen ingewonnen aan een van die laster-instellingen, die ze -detective-bureau’s noemen. Hij weet, dat je hier veel komt. En mijn -verleden...» - -Haar stem stokt in haar keel. Bij al wat ze gezegd heeft, is ze in -dezelfde houding, met starende neergeslagen blik blijven zitten. Frans -is opgesprongen. - -«Jouw verleden? ’t Verleden van een lief rein verstandig meisje! Dat -steeds werkzaam is geweest, steeds haar plicht gedaan heeft...» - -De ander voelt dat de jonge man haar aanziet; fier heft ze ’t hoofd op -en geeft hem de blik terug. - -«Dat heb ik», zegt ze, «Maar toch... De inlichtingen, die je vader -gekregen heeft... mogen lasterlijk ingekleed zijn... Toch zullen ze wel -een grond van waarheid hebben.» - -Weer wendt ze ’t hoofd af, en hervat haar staren. - -«Marta, ik begrijp er nu niets meer van» roept Frans. - -«Och, je zult me heel gauw begrijpen.» Ze zwijgt even, als om al haar -moed te verzamelen. Dan, terwijl ze de jonge man droevig, maar -vastberaden aanziet, gaat ze voort: - -«Nu dan, Frans: mijn verleden is in de oogen van de wereld slecht... Ik -heb een kind.» Ze heeft hem even recht aangekeken, vol fiere -oprechtheid. Haar woorden klinken dof, maar duidelijk en met iets -bitters en uitdagends erin, dat Frans overstelpt. - -«Marta, je bent krankzinnig!» roept hij buiten zich zelf, en op Marta -toetredend. - -Deze blijft de blik afwenden. - -«’t Is zoo, zooals ik ’t je zeg.» Die toon laat geen twijfel. De jonge -man valt op zijn stoel neer. - -«O Marta, dat is vreeselijk!» roept hij. «Dat is monsterachtig! Jij die -ik verafgoodde, die ik liefhad als ’t levende voorbeeld van al wat -hoogstond, zou jij...? Dat kàn niet. Dat is onmogelijk. Zeg me, dat het -onmogelijk is! Marta, ontruk me niet de heerlijkste illuzie van mijn -leven, verbrijzel mijn God niet met éen slag..» En in krampachtig -snikken uitbarstend, verbergt hij het gelaat tusschen de handen. - -De jonge vrouw slaat hem eenige oogenblikken gade, doch zonder -verwondering: - -«Heb ik ’t niet gezegd?» antwoordt ze ten slotte bitter en op doffe -toon. «Jij bent al net als de rest: net als die wreede wereld, die me -in haar domheid veroordeelt. Daarom heb ik deze verklaring altijd -uitgesteld, altijd weer verschoven. Waartoe zou die dienen?» Ze zwijgt -even en laat ’t hoofd zakken. - -«Ik vreesde zoo voor je minachting... Ik had zoo’n behoefte aan je -vriendschap. Aan je liefde, Frans... Och, ik had het niet zoo ver mogen -laten komen... Ik wil geen liefde meer. Ik ben bang geworden voor -liefde.» - -Strak staren Marta’s oogen vooruit, als keken ze de matte klanklooze -woorden na, die daar vergleden waren in de mist van haar smart. - -De ander is inmiddels weer opgestaan, doet een paar stappen in de -kamer, met vertrokken gelaat, de handen woelend in zijn zakken. Dan -blijft hij achter Marta’s stoel staan, en als zijn vriendin, die het -hoofd wat schuin achterover houdt, de groote droeve oogen naar hem -opslaat, roept Frans op wanhopige toon: - -«Och, Marta, geef me de hoogachting terug, die ik voor je had! Hoe kan -ik nu nog achting voelen? Voor een meisje dat in zoo’n betrekking -geleefd heeft?» - -Kalm ziet ze hem in de oogen; toch trilt haar stem, als ze antwoordt. - -«Ik heb mezelf niets te verwijten. Niets, hoor je dat?» - -«Maar Marta! Noem je ’t dan niets, als een meisje zonder getrouwd te -zijn, zich aan een man geeft... een kind van hem heeft?» - -«Nee, dat noem ik niets. Niets slechts ten minste. In mijn geval -waarlijk niet.» - -«’t Is verschrikkelijk. En de man die me zoover gebracht heeft, verfoei -ik uit de grond van mijn hart. En ’t verdriet dat ik gehad heb en nòg -heb is meer dan menigeen zou hebben kunnen dragen, Frans.... Ik heb -geleden, deze drie jaren van mijn jonge leven. Ik heb hellepijn -doorgestaan....» - -Allengs is de toon van haar stem anders geworden. Haar koonen gloeien -en haar oogen hebben alle matheid verloren. De wanhopige houding van -Frans en de oprechte deernis, die ze op zijn trekken leest, wekken -beurtelings verteedering en pijn in haar gemoed. - -«Maar hoe kòn je, jij met je hooge idealen, met je prachtige -beginselen...?» hervat Frans met heftig handgebaar. - -«Juist dàt was mijn lijden... Ik had hem lief... zooals ik.... jou nu -liefheb, Frans.» - -Als verdwaasd en nauwelijks wetend wat hij zegt, roept Frans daarop: - -«Had je ’m lief?» - -«Och, waartoe meer? Ik voelde me gedrongen, je alles te zeggen. Ik had -me al drie maanden ingehouden. Ik dorst niet. Laf.... zal je zeggen. -Maar aan de andere kant, welk recht had jij eigenlijk om mijn verleden -te kennen? Was ik aan jou verantwoording schuldig? Ik zou immers door -zoo te denken onze vriendschap te hoog aangeslagen hebben. ’t Zou geen -vriendschap meer geweest zijn: tusschen man en vrouw, die beiden jong -zijn, is trouwens geen vriendschap mogelijk zonder liefde. En ik wou -geen liefde.... Die had me te veel doen lijden.» Ze zwijgt even, -hijgend. Dan op kalmer toon: - -«Kom, Frans, ga nu maar heen. Keer jij naar je wereld terug en vergeet -mij. Veroordeel me niet te hard. Ik weet dat je niet anders kunt: je -bent nu eenmaal in die vooroordeelen opgevoed. Nee, nee.... Hier heb je -mijn hand: ik ben niet boos, hoor. Laten we als vrienden scheiden....» - -De ander is verbijsterd. - -«Och God, ik kàn niet, ik kàn niet van je scheiden!» roept hij -hartstochtelijk. Hij treedt op haar toe en neemt haar hand in de zijne. - -«Wat zeg je van vooroordeelen? Noem jij huwelijk en zedelijkheid -vooroordeelen? Och, verklaar je.... Ik voel, dat ik als een kind vóor -je sta. Ik weet niet, wat ik zeggen of denken moet. Ik weet niets, -niets, dan alleen dat er iets in me is, dat me dwingt, niet zoo van je -weg te gaan. Vertel me alles. Alles, alles, hoor je, in de kleinste -bizonderheden. Ik wil alles weten. Ik zal je niet veroordeelen, als.... -mijn hart het me niet zegt. Maar laat me niet in die duisternis -rondwaren. Ik lijd er zoo vreeselijk onder, Marta.» - -De jonge vrouw heeft voor ’t uiterlijk al haar kalmte en -zelfbeheersching herwonnen, al kookt en bruist ook alles in haar. - -«Goed, Frans,» antwoordt ze met een zucht. «Ga dan weer zitten. Ik zal -je alles vertellen zooals ’t gegaan is.» - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - - -Er was geen spoor van verlegenheid in Marta’s houding, toen ze zich -ertoe zette, de droeve roman van haar leven te vertellen. Er was alleen -smart en moedeloosheid op haar trekken te lezen, en beide gevoelens -spraken ook uit de opslag van haar oogen, telkens wanneer ze die op -haar vriend richtte, en uit de matte schier gebaarlooze wijze, waarop -ze haar woorden vóor zich uit deed klinken. Ze zat op haar -lessenaar-stoel, met de rechterhand haar kin steunend, overleunend naar -die kant, terwijl de andere hand in haar schoot rustte, het sprekende -mooie donkere lokkenhoofdje ietwat voorover, zoodat het wit der oogen -in hun staren zichtbaar was, en de kleine voeten over elkaar met de -hielen op de grond. Om Frans aan te zien, moest ze nauw merkbaar het -hoofd opheffen: want de jonge man zat bij de deur schuin tegenover -haar, waar hij willekeurig op de eenige leuningstoel in ’t vertrek was -neergevallen. In zijn rusteloos veranderen van houding vormde hij een -schril contrast met de roerloosheid van Marta. Alleen zijn oogen bleven -volharden in een lange groote begeerige blik, waarmee hij haar woorden -wegslurpte van haar lippen. - -«Je weet, ik ben uit Weerloo in Limburg,» begint Marta. «Ik heb daar -mijn heele kindertijd doorgebracht. Tot mijn achttiende jaar. Ik ben -wees, dat weet je ook, en ik kreeg mijn opvoeding van een oom van -moederszijde. Die was indertijd rector van een gymnasium geweest, en -had zich voor de goedkoopte in Limburg gevestigd. Ik ben dus zelf nooit -op een gymnasium geweest, ofschoon ik in de rechten studeeren moest.» - -«In de rechten?» roept Frans. - -«Ja in de rechten.» Dit met een flauwe glimlach. «Dat was mijn illuzie. -Ik begreep spoedig—ik was heel vroeg rijp—door de gesprekken van mijn -oom, dat de rechtspositie van de vrouw—ook in ons land—nog erbarmelijk -veel te wenschen overliet. Ik wou zijn idealen helpen verwezenlijken. -Ik wou ’t mijne doen, al wat ik kon, om in die rechtstoestand -verbetering te brengen.... Mijn oom was een dweper op zijn manier—al -hield hij er geen eigenlijke godsdienst op na—en ik ging geheel in hem -op.... Hij leerde me Latijn en Grieksch, en alles wat ik verder noodig -had voor mijn staatsexamen, om aan de universiteit te komen. En nog -heel wat daarbij.... O die avonden! Zondags vooral—als er een enkele -huisvriend bij ons was: wat redeneerden we dan druk over alles! Onder -onze kennissen, huisvrienden liever, hoorde een jonge man. ’t Doet er -niet toe, hoe hij heet....» Een zware zucht en enkele oogenblikken van -zwijgen volgen. - -Frans verandert voor de zooveelste maal van houding, en martelt de -vingers van zijn linkerhand in de rechter. - -«Die hoorde tot de vurigste volgelingen van mijn oom. Of deed ten -minste zoo: ik weet nu, hoe voos en hol zijn ziel was.... Maar hoe kon -ik dat toèn weten—ik was zoo onervaren. Zoo jong. Ik geloofde -blindelings in hem.» - -«Arme lieveling!» roept Frans hartstochtelijk, en slaakt een kreunende -zucht. - -«Nu, hij was mijn vriend. En—ik hield van hem... heel veel. Toen we -samen naar de universiteit gingen—hij had in Maastricht het gymnasium -afgeloopen—toen bekende hij me zijn liefde. Zijn liefde!.... Ik weet nu -wat het was....» - -«Ellendeling,» bromt Frans. Dan, op andere toon: «was dat hier, in -Amsterdam?» - -«Nee, in Luik. Ik ontdekte toen pas, dat ik al lang van hem hield. Ik -stelde hem enorm hoog. Hij kon zoo edel en overtuigend spreken: ik -kende niemand welsprekender dan hij. Hij had ook een paar gedichten -gemaakt. Die vond ik heel mooi. Och, toen, nie’waar? Op zoo’n -plaatsje.... Hij en mijn oom waren er mijn liefste vrienden; want hij -kwam telkens over. Zijn ouders woonden op de plaats. De meeste menschen -op ’t plaatsje hadden een hekel aan mijn oom. Zijn ouders ook waren -eigenlijk tegen onze omgang. Je begrijpt: mijn oom was vrijdenker, en -dan in zoo’n land! En oom stak het ook al niet onder stoelen of -banken.... Zijn ouders, die van.... van mijn vriend, kende ik -nauwelijks: hij beweerde altijd, dat hij thuis ruzie had om zijn -vriendschap met mij en «de godloochenaar,» zooals ze mijn oom op ’t -plaatsje noemden. Nu jà, ik begon mijn studie in Luik. Met heel veel -opgewektheid. Mijn vriend werd mijn man....» - -«Je man!! Ben je dan getrouwd geweest of nog misschien?» - -«Zeker, maar niet in de gewone opvatting van ’t woord! De.... persoon -in kwestie had «vrijzinnige» denkbeelden, en daar hoorde ook toe, dat -het huwelijk een zaak is, die uitsluitend afhankelijk moet wezen van de -man en de vrouw die elkaar liefhebben.» - -«Jawel, vrije liefde!» - -«Zooals je wil.... Maar ik geloofde in hem. Ik was het volmaakt met hem -eens. En mijn oom dacht er net zoo over.» - -«Nu nòg, Marta, denk jij er nu nòg zoo over?» - -«O zeker. Beginselen en inzichten zijn bij mij niet verwerpelijk -geworden, omdat een kwakzalver ze misbruikt heeft. Mijn brave vriend -wàs zoo’n kwakzalver. Hij hield van frazen. Meende niets, niets van al -wat hij zoo mooi wist te beweren.... Nu goed: we brachten in praktijk -wat we beiden dachten. Ondanks de vooroordeelen van de wereld. We -stoorden ons aan niets.»—Hier zweeg ze even en zuchtte weer diep. Dan -weer droomerig als te voren: «We waren heel gelukkig. Een paar maanden. -Heel gelukkig. Tot dat ik.... zwanger werd. Toen liet hij me in de -steek....» Marta stokt en snikt nauw hoorbaar. Zich dadelijk vermannend -gaat ze voort. «Ik heb niet veel gedaan, om hem tot andere gedachten te -brengen. Ik deed éen poging—éen enkele—om hem te wijzen op zijn -mede-verantwoordelijkheid voor ons kind. Daarvoor alleen. Ik had toen -al een walg van hem..... Maar ’t was om ons kind: ik woû niet, dat het -een paria zou worden.» - -«En weigerde de... kerel ervoor te zorgen?» - -«Och, dat was niet het voornaamste. Ik leef nu zuinig. Omdat ik in mijn -heele studietijd niet meer dan vierduizend gulden mag opmaken. Ik hoû -dan wat over, om mijn praktijk als arts te beginnen. Ik had genoeg voor -’t kind en mezelf. Maar ik wou, dat het kind zijn naam droeg, al -verfoeide ik die ook....» - -«Jawel.... En je veranderde dus van studie?» - -«Och ja, ik moest weg uit Luik, uit mijn heele omgeving, uit de plaats -waar ik zulke ellenden geleden had.... Ik ben toen naar hier gekomen, -en met de studie van de medicijnen begonnen.» - -«En je kind?» vroeg Frans aarzelend. «Dat is dus nu zoowat twee jaren -oud..... waar is dat?» - -«Dat heb ik uitbesteed, ergens tusschen hier en Utrecht.... O, bij -beste luitjes. Ze zorgen goed voor hem. ’t Is een jongen.» - -«Is het.... een gezond kind? En is ’t lief en houdt het van je?» - -Op deze eenvoudige vragen op hartelijk belangstellende toon -uitgesproken, wordt het Marta te vol in haar gemoed. Opstaande barst ze -in schreien uit, en gaat voorover op de sofa liggen. Dan, terwijl haar -heele lichaam schokt, stoot ze eruit: - -«’t Is een schat! Ik hoû van hem.... hartstochtelijk veel.... Ik vind -het vreeselijk.... dat ik niet altijd.... altijd bij hem kan zijn.... -Ik vlas op later.... Later neem ik hem bij me.... Wat kan me de wereld -dan schelen? En de jonge is ook... dol op mij... Hij schreeuwt... -schreeuwt gewoon van de pret, als hij me ziet aankomen....» Haar hoofd -tegen de leuning van de sofa gedrukt schreit ze eenige oogenblikken -heftig. - -Frans gaat bij haar staan, kijkt met diepe meewarigheid naar dat beeld -van echt lijden. Dan zegt hij zacht, om iets te zeggen: - -«Ga je hem geregeld opzoeken?» - -Marta blijft in dezelfde houding liggen. - -«Ja....» stamelt ze «eens in de veertien dagen.... Overmorgen moet ik -weer naar hem toe.... Och die arme arme lieveling!» - -Weer zwijgt Frans, in gedachten, in tweestrijd. - -«Lijkt hij op.... zijn vader?» vraagt hij met een hooge kleur, en -tevergeefs worstelend met zijn afkeer bij het uitspreken van ’t laatste -woord. - -«Nee, God dank... niets. ’t Is precies mijn vader.» - -Ze heeft zich weer opgericht, zoekt zenuwachtig naar haar zakdoek, die -ze eindelijk vindt. - -«Hij lijkt dus op jou?» zegt Frans gretig. - -«Ja, dat zeggen ze.» Ze zwijgt even en wischt zich de oogen af. - -Frans haalt een zak-flakonnetje met eau-de-cologne voor den dag, uit -zijn vestzakje, en reikt het haar zwijgend over. Ze bet zich het -voorhoofd, en richt zich op. - -«Vreemd, he,» gaat ze iets kalmer voort, nog met wat tranen in haar -stem, «dat ik zoo van hem hoû?» Hier kijkt ze Frans vol aan. «En dat -terwijl het toch zijn kind is....» - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - - -Gedurende dit korte tooneel, dat wellicht in niet langer dan een -kwartier tusschen die twee menschen afgespeeld was, had er in Frans een -merkwaardige verandering plaats. In zijn overigens zoo vlak, zoo -gebeurtenis-arm bestaan van rijkeluis-zoontje vormde deze korte spanne -tijds een oase van krachtig zelfbewust leven, zooals hij dat te voren -nooit gekend had. Hij had een vaag besef, dat hij nu aan een keerpunt -gekomen was: een heerlijke jonge geestdrift doortintelde hem. Hij wilde -handelen, man zijn. En al ’t goede, dat in hem sluimerde, was opgestaan -en woelde in hem op, drong tot uiting. - -Met een ruk stond hij van de stoel op, waar hij de laatste oogenblikken -met gebogen hoofd gezeten had, en zette zich naast zijn vriendin op de -sofa. - -«Ik weet nu alles, Marta,» zegt hij met een blik vol teederheid op -haar. «Ik begrijp je. Dat kind kan immers niet helpen, dat het die man -tot vader heeft. En ’t zal behoefte genoeg krijgen aan je liefde.... -Later....» - -Marta brengt de zakdoek weer aan haar oogen. - -«Ja,» stamelt ze met afgewend hoofd. «O, die gedachte maakt me soms -radeloos: dat die wreede wereld hem later zal laten boeten voor onze -daad.» - -«Zijn daad, bedoel je.» - -«Nu ja, ik bedoel ons trotseeren van de openbare meening, van de gewone -gangbare zedeleer.» Ze zwijgt even. «Je weet nu alles, he?» En ze werpt -een schuchtere blik op Frans, als verwacht ze met spanning iets uit -zijn mond: «Ben je nu tevreden?..... Immers niet. Je kunt me.... niet -meer liefhebben... niet meer achten... als te voren.» - -Frans grijpt hartstochtelijk haar hand, die ze willoos in de zijne -laat. - -«Och, Marta,» zegt hij innig. «Vergeef me. Ik heb een openbaring gehad, -ik zie nu alles helder in. Ik ben ’t slachtoffer geweest van -verblinding. Van dom vooroordeel. Ik heb evenveel achting voor je als -ooit te voren—meer misschien, als dat kan.» - -De jonge vrouw kijkt verrast op, en drukt hem sprakeloos de hand. Dan -brengt ze met moeite uit: «O, Frans...» - -«Zeker» hervat hij met groote stelligheid in zijn toon en overtuiging -in zijn blik. «Ik ben ’t nu volkomen met je eens. Volkomen, hoor je. -Dat je niets gedaan hebt, waarvoor je in je hart, tegenover je geweten, -eenige schaamte hebt te voelen. Ik geloof nu met je, dat het huwelijk -een zaak is van hart en geweten: de liefde beslist, of twee menschen -bij elkaar zullen leven als man en vrouw, niet een trouwing in kerk of -stadhuis. Jouw huwelijk is achtenswaardiger—zoo als jij het opvatte en -erin geloofde—dan menige verbintenis, die door een priester is -ingezegend.» - -Dan van toon veranderend, gaat hij met groote vleiing in stem en blik -voort: - -«Alles is weer als te voren tusschen ons, niet waar, Marta?» - -De ander schudt het hoofd, en antwoordt droef, maar gelaten: - -«Och, Frans, hoe graag zou ik dat willen!» - -«Maar dat is immers zoo. We kunnen immers nog gelukkig zijn samen.» -Zijn stem dringt, smeekt haast. - -«Wij? Nooit..... Laten we ons samentreffen en onze -vriendschap—onuitgesproken liefde zoo lang!—als een zonnige epizode uit -ons leven beschouwen. Die nu voorbij is.....» - -Ondanks de groote inspanning, die Marta zich geeft om zich goed te -houden, wordt het gevoel haar hier weder te machtig. En ze geeft vrij -spel aan haar tranen. Doch ’t is maar even. Als ze haar zakdoek van ’t -gelaat neemt, staat er weer een glimlach op. - -«Dat’s voor goed voorbij, Frans. Maar toch: ’t was een heerlijke tijd -voor mij. Ik zal er altijd met dankbaarheid aan terugdenken. De -herinnering»—ze stokt even—«zal me kracht geven in mijn latere strijd.» -En ze staart vóor zich uit. - -Frans is vóor haar op zijn knieën gevallen en vat haar hand. Een vage -angst geeft aan zijn stem slechts zwakke overreding. - -Ze glimlacht flauwtjes, als ze ’t hoofd opricht en hem aankijkt, -neerblikkend in zijn kinderlijk oprechte oogopslag. - -«Ik ben niet somber en mismoedig... Ik zie alleen wat onvermijdelijk -is. Wij kunnen niet samenleven...» - -«Waarom niet? Hoû je niet genoeg van me? Hoû je van mij minder... dan -van die... man?» - -«Och, Frans! Juist omdat ik je zoo liefheb, kan ik zoo’n offer niet van -je aannemen.» - -«Offer! als ik mijn geluk daarin zie!» - -«Och, dat zeg je nu. Wie waarborgt me, dat je altijd zoo zult blijven -denken? Kun jij instaan voor je hart, dat het niet eenmaal zwichten zal -voor je verstand?...» - -«Foei, Marta, hoû je me voor zoo wankelmoedig? Geloof je zoo weinig in -mijn kracht?» - -«De wereld, Frans...» - -«Och wat! Jij bent mijn wereld. Met jouw liefde heb ik moed en kracht -voor alles. Ik spuw op die wereld, als ik weet dat jij me lief hebt en -hoogacht.» - -«Ik geloof immers in je oprechtheid, Frans.» - -«Nu, wat wil je dan meer?» Er is allengs meer vastheid in zijn toon -gekomen. «Kom, Marta» hervat hij weer geheel op dreef. «Laat me -welgemoed van je heengaan. Ik wil met mijn vader een afdoend gesprek -hebben. Zoo spoedig mogelijk... Laat alles weer bij ’t oude zijn -tusschen ons...» - -Op Frans’ dringend vragende blik wendt de jonge vrouw haar oogen af. Ze -zwijgt even, weer peinzend vóor zich uit starend. - -«Je vader!» antwoordt ze dan, als sprak ze tot zichzelf. «Geloof je, -dat die ooit zijn toestemming zou geven?» - -Heftig valt Frans uit. - -«Als ik hem vóor ’t feit stel, dat mijn wil vaststaat, dat mijn besluit -onherroepelijk is?... En dan... als hij weigert... doe ik toch mijn -zin: ik ben immers meerderjarig! Dat vergat de man zooeven in zijn -drift, toen hij van de politie sprak.» - -Weer kijken Marta’s mooie donkere oogen recht in de zijne. ’t Is of ze -even aarzelt, maar de kleine flikkering in haar blik wijkt onmiddellijk -weer. En op dezelfde toon van welmeenende medevoelende, maar berustende -verstandigheid, antwoordt ze zacht: - -«Maar wat doe je zonder hem? Hij kan je immers dwingen zoolang je nog -van hem afhankelijk bent?» - -«Nou ja, daar heb ik maling aan,» zegt Frans met een fiere rukbeweging -van zijn hoofd. «Ik zal mijn eigen brood wel kunnen verdienen. Als ik -maar wil. Voor jou erbij, als ’t moest.» - -Marta kijkt meewarig, maar ongeloovig. - -«Nee, Frans, je zou zijn toestemming moeten hebben. Je vader geeft die -nooit.» - -«Dat zie ik nog niet in. Mijn moeder is er ook nog.» - -Er is weinig overtuiging in die woorden, al tracht de spreker ze erin -te leggen. Hij voelt de mislukking van zijn pogen, om zijn vriendin -erin te doen gelooven. Als deze dan ook opmerkt: - -«Je hebt me zelf verteld, dat die zoo weinig invloed op je vader had», -antwoordt hij kregelig en in ’t wilde weg: - -«Nou ja, in zulke dingen.» - -«Juist in zulke dingen» geeft Marta terug. «Je weet, wat een man van de -vormen, van ’t goed fatsoen je vader is. Hij is immers een deftig man.» - -«Ja, God beter ’t... Lid van de Kerkeraad.. kristelijk in alles, -behalve zijn gedrag thuis, tegenover moeder en mij.... en nog een -enkele kleinigheid.» - -Frans heeft zich opgericht en is weer naast Marta gaan zitten. Deze -glimlacht om zijn uitval Dan zegt ze na korte weifeling: - -«Je weet, er is een groote zaak, waarin je je moeder ook stellig niet -aan je zijde zult hebben. Je zegt me, dat ze vroom is?» - -«Ja. De arme vrouw zoekt daarin de eenige troost tegen al haar leed -thuis.» - -«Nu! En ik ben een Jodin!» - -Frans maakt een gebaar van ergernis. - -«Maar, Marta, wat ’n onzin is dat nu! Jij bent een Jodin zooals ik een -Germaan. Wat doet dat er nu toe?» - -«Voor jou niet. Maar voor menschen als je ouders...» - -«Een man als mijn vader heeft nogal recht van praten.» - -«’t Is hier niet de vraag, wat recht is. Hij zal eenvoudig weigeren, en -je moeder zal ’t van haar kant vreeselijk vinden, dat je met een Jodin -wil trouwen... die ook nog «zoo’n geschiedenis» achter de rug heeft...» -Ze zwijgt even. Dan met een zucht: «Och nee, Frans, er is nergens hoop -voor ons... Kom, je moet hier vandaan. Laat me alleen. Ik heb behoefte -om tot mezelf te komen. ’t Is alles zoo opeens gekomen...» - -’t Stroeve van Marta’s toon waarmee ze haar groote ontroering tracht te -verbergen, doet de jonge man zeer pijnlijk aan. - -Van de sofa opstaande, roept hij vol angst: - -«Dus je stoot me van je af?» - -Haar heldere oprechte blik is weer vol op hem gericht. - -«Frans!» zegt ze zacht verwijtend. «Wees nu een man. Ik heb je immers -uitgelegd, dat het niet kan.... al.... al breekt mijn hart er ook -onder...» - -«Je wilt niet in mijn liefde gelooven!» antwoordt Frans -hartstochtelijk. «Je durft de kracht van mijn liefde niet beproeven.» -Mistroostig doet hij een paar schreden de kamer in. - -«Nee Frans,» geeft Marta bedaard terug, «dat is me te gewaagd. Versta -me wel: voor jou bedoel ik. Ik zal van je blijven houden. De wereld -staat toch al vijandig tegenover me, en de liefde voor jou kan door die -wereld niet meer aan ’t wankelen gebracht worden. Maar jij: je moet nog -alles van de wereld ontvangen. Je heele toekomst.» - -«Dat ben jij voor me, Marta,» zegt de jonge man met groote innigheid, -terwijl hij recht vóor haar blijft staan. En haast smeekend vervolgt -hij: «Och, Marta, wees niet zoo hard. Ik zal nooit berouw hebben over -mijn liefde voor je. We zullen steun vinden aan elkaar.» - -De ander schudt droevig het hoofd: - -«Een huwelijk in de gewone zin van ’t woord is onmogelijk. En iets -anders is even onmogelijk: je zou er je heele toekomst mee breken.» Ze -wendt zuchtend het hoofd af. - -«Dus je weigert beslist?» hervat Frans, schier wanhopig. - -Marta ziet hem vol droefheid aan. - -«Ja Frans,» zegt ze nochtans kalm. «’t Kan niet anders.» - -’t Berustende en afdoende in haar toon en houding grijpen de jonge man -zoodanig aan, dat hij zich op een stoel laat vallen en daar krampachtig -begint te snikken. - -«Je houdt niet van me! Je houdt niet van me!» roept hij bitter en -heftig. - -Marta is opgestaan en komt naar hem toe. Dan legt ze hem de hand op de -schouder, en zegt met lieve streeling in haar klankrijke altstem: - -«Och Frans, wat zou ik je dolgraag gelukkig maken.» - -De schreiende slaat de oogen op, met een glans van blijde hoop in de -blik. - -«Maar doe ’t dan... doe ’t dan,» dringt hij heftig. «Marta, mijn -liefste... liefste lieveling.. doe ’t dan!» - -Hij grijpt haar hand en drukt die in zijn beide handen. Zijn oogen, -groot dringend borend zoeken de hare. Verbijsterd ontwijkt ze zijn -blik, antwoordt niet. - -De ander gaat woest voort. - -«Zeg, je wil wel, is ’t niet?... Je wil wel? Om mij gelukkig te maken?» -Steeds blijft hij haar hand vastklemmen, zoodat ze eenigszins tot hem -overbuigt. - -«Och Frans», stamelt ze eindelijk als willoos. - -«Jawel, ik zie ’t: je wil wel!» roept Frans zegevierend. - -«’t Is alleen je engelachtige zelfopofferende liefde die je weerhoudt. -Maar ik wil geen offer van jou, Marta, versta je me? Evenmin ik van -jou. Ik wil niet, dat je je ongelukkig zult voelen—om mij. Dat je -alleen zult staan in je strijd tegen de wereld... Ik wil met je zijn, -tegen alles en iedereen...» - -Droomerig, als luisterend naar een zoete verlokking, hoort Marta zijn -woorden aan. Dan, voor ’t eerst hem weer in de oogen ziende, antwoordt -ze aarzelend, maar toch met een popeling van vreugde in haar hart: - -«Zou je dat willen? Zou je dat kunnen?» Doch opeens van toon -veranderend, en zich losmakend van zijn greep, als kwam ze nu eerst -recht tot bezinning, herstelt ze zich. - -«Och nee, Frans, ’t is onmogelijk, onzinnig: ik mag zoo iets niet -aannemen.» - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - - -Een oogenblik maakt Marta’s besliste toon indruk; doch de jonge man -ziet iets in haar houding, dat zijn hoop staande houdt. - -«Marta, in Godsnaam,» smeekt hij, «denk ook aan mijn geluk, als je dan -niet aan ’t jouwe wil denken. Stel, dat ik ook erg lijden zou, omdat ik -me aan je zijde geschaard had tegen de booze wereld: dacht je dan, dat -ik gelukkiger zou wezen, wanneer die booze wereld me van je gescheiden -had? Dacht je, dat ooit een andere vrouw me gelukkig zou kunnen maken? -Ik zal er nooit nooit zoo een vinden als jij, Marta.» - -«Maar Frans... hoe kan je ooit van mijn kind houden?» - -Een hooge blos geeft bij de jonge vrouw blijk van de ontroering, die ’t -uitspreken dezer gedachte bij haar opwekt. «En dat zou toch moeten,» -hervat ze met een lief-verlegen lach, «ook voor mijn geluk.» - -«Maar waarom niet!» roept de ander hartstochtelijk. - -«Ik zal van hem houden, omdat het jouw kind is, Marta. Ik hoû nu al van -hem. Laat me zijn portret zien... Heb je een portret van hem?» - -Er flitst iets blijs in Marta’s oogen. - -«Ik draag zijn portretje altijd hier in een medaljon.» En ze wijst op -haar boezem. - -«O ja, dat medaljon, dat je me nooit wou laten openmaken.» - -«Natuurlijk niet...» - -Ze haalt het voor den dag, en neemt het van haar hals af. - -«Hier is ’t», zegt ze met een streeling in haar stem. - -«Kom even op de sofa,» antwoordt Frans, het medaljon aannemend, en haar -meetroonend. Ze zetten zich naast elkaar en bekijken samen het -portretje. Eenige oogenblikken zegt geen van beiden een woord. Dan -verbreekt Frans de stilte. - -«Een heerlijke jongen...» zegt hij vol warme innigheid. - -«Nie’ waar?» klinkt het gretig terug. «Arme snoes...» En als ze dit -zegt, moet ze even een traan wegpinken. - -Frans gaat heftig voort: - -«En zou ik van die jongen niet kunnen houden? Ik zeg je, ik hoû nu al -van hem, en nu ik zijn lief bakkesje gezien heb, nog meer.» Weer kijkt -hij met aandacht naar het kinderkopje. «Hij lijkt op jou, dezelfde -donkere oogen, dezelfde fijne trekken.» - -Het medaljon naar zich toe trekkend, beziet hij het nog eens alleen, -met liefkoozende blikken. - -«Daar, ik kus je jongen», roept hij uit «als belofte, dat ik een vader -voor hem wezen zal. Arm kereltje!» - -Marta valt hem schreiend om de hals. - -«O Frans,» zegt ze ontroerd, «als ’t ’s waar was.... als dat ’s kon... -Laat me denken.» - -Ze maakt zich van hem los, en hervat met diepen ernst in haar toon: - -«’t Is alles zoo overstelpend. Zoo overweldigend, ’t Zou zoo heerlijk, -zoo zalig zijn..» Dan verzinkt ze in gepeins. - -Met iets droomerigs, als sprak ze weer tot zichzelve, herneemt Marta na -enkele oogenblikken: - -«Wat zou ik me sterk voelen... want ik voel me niet meer zoo sterk als -te voren—Och, ik ben een vrouw als alle anderen—Wat heb ik mezelf -misleid en gemeend, dat ik buiten liefde leven kon! Dat ik kracht -genoeg putten kon uit... mijn zuiver geweten; uit mijn studie, mijn -mooie toekomst-droomen en idealen!—En toch gezwicht...» - -«Woû je ’t dan anders hebben?» valt Frans in, «Neem de zaken zooals ze -zijn, Marta. En beslis nu. Ik moet je antwoord hebben, voordat ik mijn -vader spreek. De overtuiging, dat wij beiden onwrikbaar vast -aaneengesloten staan, zal me als een borstwering zijn tegen zijn -aanvallen.» - -Als Marta blijft zwijgen, gaat hij dringender voort: - -«Geef me je woord, Marta... wil je, dat ik, hoe dan ook, je vriend zal -worden voor je heele leven, voor jou en je kind? ’t Kind zal zelfs -nooit weten, dat ik zijn vader niet ben, zoolang dat niet noodig is.» - -Nog steeds zonder te antwoorden neemt de jonge vrouw het medaljon uit -Frans’ handen, en hangt het zich weer om, na nog even een blik op ’t -portretje van haar kind te hebben geslagen. Dan zit ze enkele -oogenblikken in gedachten, geroerd tot in ’t diepst van haar ziel, met -neergeslagen oogen. Op eens slaat ze de blik op, en zegt vastberaden: - -«Ik wil, Frans.» En ze vleit zich weer tegen hem aan en kust hem. De -ander slaat zijn arm om haar heen, geeft haar een innige kus terug, en -dan, haar een eindje van zich af houdend en haar diep in de oogen -ziende, zegt hij: - -«En geloof je nu ook, dat ik je hoogschat evenals vroeger?» - -«Natuurlijk, Frans.» - -«En hoû je nu ook een heel klein beetje van mij... afgescheiden van -alles... eenvoudig omdat ik ben wie ik ben?» - -«Niet een heel klein beetje, maar veel, oneindig veel.» En als ze dit -zegt, verbergt ze blozend haar hoofd aan zijn schouder. - -«En zal je je nu weer sterk voelen?» hervat Frans, na een oogenblik van -zalig zwijgend opgaan in de weelde zijner aandoeningen. «Zul je weer de -vroegere flinke verstandige Marta wezen, die vrij en frank met -opgeheven hoofd haar weg door ’t leven gaat?» - -Ze kijkt hem aan met een blik van oprecht vertrouwen. - -«Ja, Frans,» antwoordt ze. «Met jou wel.» Dan zwijgen beiden, elk -verzonken in eigen gepeins. - -«Hoe heet onze jongen?» vraagt Frans op-eens. - -De ander kijkt aangenaam verrast op. - -«Bram...» antwoordt ze «Abraham... naar mijn vader. Een leelijke naam, -he?» - -«Nee, waarom? Maar—dat heb ik je nog niet gevraagd, hoe denkt je oom -over die... zaak?» - -Marta’s trekken versomberen merkbaar. - -«O, ellendig,» zegt ze met een zucht. «Ik heb geheel met hem gebroken. -Met allen trouwens.» - -«En ik dacht, dat je oom dezelfde denkbeelden had als jij, of liever: -jij hebt immers al je denkbeelden over liefde en zedelijkheid van hem. -Je hebt niet anders gedaan dan die idees in toepassing brengen.» - -«Ja...» antwoordt Marta droevig. «En dat is ook zoo’n vreeselijke -gedachte voor me. Mijn oom, die ik zoo vereerde.., die ik nog vereer.., -ze hebben hem opgestookt. Ik weet wel wie... Hij denkt, dat ik ontrouw -ben geworden aan mijn hooge beginselen. Hij wil me niet meer zien...» - -De aandoening is haar te machtig en ze barst weer in schreien uit; haar -gezicht verbergend in versmoord snikken. - -«Kom, Marta», tracht de jonge man te troosten. «Dat komt terecht: ik -zal hem wel weten te overtuigen. Als hij ziet, dat ik in je geloof, hoe -kan hij je dan nog blijven veroordeelen?» - -Ze ziet hem aan en droogt haar tranen. - -«Goed, Frans», zegt ze zacht. «Dank, mijn beste jongen. Maar laat me nu -alleen. Ik heb rust noodig... En jij», gaat ze vol vriendelijke -bezorgdheid voort «ga jij nu niet dadelijk je vader spreken. Kom ook -zelf eerst wat tot bedaren. Stel je gesprek met hem tot morgen uit.» - -«Goed», antwoordt de jonge man, opstaande «als ik je daarmee genoegen -kan doen.» - -Hij richt zich naar een stoel, waar zijn hoed op ligt, en neemt deze in -de hand. Marta is inmiddels ook opgestaan. - -«Daarvoor niet alleen», zegt ze bij de deur, «ook om de zaak zelf. Je -zult jezelf nu niet voldoende meester zijn. Je hebt kalmte noodig... -heel noodig...» - -«Goed, goed, ik zal ’t doen, hoor. Morgen breng ik je bericht.» - -«Hoe laat?» - -«Morgen na de koffie. Om twee uur. Tot ziens dan, lieveling.» Hij kust -haar. «Hou jij je nu ook kalm. En denk eens lief aan me.» - -Ze knikt hem toe als antwoord, als hij al op de gang is. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - - -In ’t schemerdonker zat mevrouw Jensen in haar huiskamer bij de tafel, -een groot hol vertrek met groote stijve meubels en zware gordijnen, -deftig en ongezellig. ’t Was daar haar gewone plekje jaar in jaar uit; -haar stoel met de hooge leuning stond altijd daar, ’s winters dicht bij -de open haard. Ondanks haar nauw meer dan middelbare leeftijd had ze -reeds echte oudvrouwtjes-gewoonten en eigenaardigheden. Haar uiterlijk -was daarmee geheel in overeenstemming: het vele thuishokken had haar -een was-achtig gele tint gegeven, en haar voorhoofd vertoonde reeds -rimpels. Haar ouderwetsch kapsel, links en rechts neervallend langs -haar slapen, de strakke stemmig zwarte japon zonder eenig sieraad, de -lange magere knokige vingers—steeds met een «werkje,» wanneer ze zat—en -eindelijk de uitdrukking van droefgeestigheid en matte berusting op -haar gelaat met de afgemetenheid van haar bewegingen—’t gaf alles -bijeen een indruk van vroege ouderdom, van een vrouw wier denken en -voelen vóor hun tijd verdord waren, ingeschrompeld tot enkele -manie-achtige vooroordeelen en neigingen. - -Zoo mogelijk, kijken mevrouw Jensen’s oogen nog iets droefgeestiger dan -anders: zelfs ligt er iets hards in haar gewoonlijk zoo zachte, -«uitgewischte» trekken: er is blijkbaar iets, dat haar ontstemt. - -Als haar zoon Frans binnenkomt, slaat ze dan ook maar even haar oogen -van haar borduurwerkje op; fronst haar wenkbrauwen en kijkt weer vóor -zich. - -«Moeder, is u daar nog?» zegt de binnentredende eenigszins aarzelend: - -«Ja, jongen, wat woû je?» Mevrouw Jensen blijft vóor zich kijken. Een -zeer ongewoon verschijnsel, bij zijn komst! - -«Och, niets bizonders, moeder.... luister u ’s even....» - -Frans neemt een stoel, en zet zich tegenover haar. Zijn moeder -verandert haar houding niet; maar geeft hem ditmaal een onverschillig -vluchtige blik, en haar vingers bewegen zich iets vlugger. - -«Wat heb je?» zegt ze kwazi zonder belangstelling. - -«Och, dat begrijpt u toch wel: die zaak van zooëven.... aan tafel...., -u weet wel. Ik heb zoo’n verdriet....» - -«Kom jongen, zet dat uit je hoofd. Ik heb er al genoeg over moeten -hooren....» - -«U? Heeft vader er u over gesproken?» - -«O, meer dan me lief was.» - -Mevrouw Jensen legt met een zucht haar borduurwerk neer, en zet zich -met een gemelijk gezicht, om hem aan te hooren. - -«En aan tafel zei hij zoo weinig!» hervat Frans. «Wat hij me te zeggen -heeft, bewaart hij zeker voor later.» - -«Ik weet ’t niet, Frans. Ik weet wèl, dat hij vreeselijk tegen je te -keer gegaan is; vóor het eten, voordat je thuis kwam. Ik denk, dat hij -je straks wel op zijn studeerkamer zal laten roepen.» - -«Hij denkt zeker, dat ik op mijn kamer zit te werken. Ik kan nogal -werken! Mijn kop loopt me om. En nu wil hij me straks kapittelen! -Moeder, ik wor’ gek—ik bega een ongeluk aan hem, als hij me weer zoo -beleedigt als vanmiddag op de kamer van.... Marta, van juffrouw Van -Zee. Ik had zoo graag tot morgen gewacht, u eerst lang en breed over de -zaak gesproken.» - -«Och jongen», roept de oude dame, hem aanziend, en haar stem klinkt nòg -temeriger en klagender dan anders, «wees toch niet zoo balsturig, en -niet zoo driftig. Ik moèt je vader gelijk geven. En jij moet je ook -weten in te houden. Je hebt ongelijk, Frans, je hebt heusch groot -ongelijk!» - -«U ook al!» antwoordt haar zoon korzelig, en staat meteen van zijn -stoel op. Dan gaat hij vlak vóor haar staan, en zegt: - -«Dus u vindt, dat ik... Marta moet opgeven?» - -«Frans, ik woû, dat je die naam niet meer uitsprak, in mijn bijzijn ten -minste niet!» - -«Moeder, waarom niet, als ik u vragen mag?» - -’t Kost de jonge man blijkbaar inspanning, om zich in te houden: zijn -stem klinkt luider en heftiger dan hij zelf wìl. - -«Een mooie vraag», zegt mevrouw Jensen eenigszins ontsteld. - -«Och, och, m’n jongen, wat ben je verblind! Ze heeft je wel heelemaal -ingepalmd!» - -Frans gaat een stap achteruit. - -«Ingepalmd!» roept hij heftig. «Och, moeder, u kent haar niet!» - -«Genoeg van wat ik gehoord heb.» - -«Van vader!» - -«Is ’t dan niet waar wat hij zegt?» - -De jonge man zoekt even naar zijn woorden: - -«Nee», zegt hij iet of wat verlegen «dat wil zeggen.... ten minste niet -zoo.... niet zoo als vader ’t uitlegt.» - -Hij gaat weer zitten, en slaat de beenen over elkaar, plukkend aan zijn -opkomend snorretje. - -«Er is maar éen uitlegging voor een redelijk denkend mensch», gaat de -ander voort, «voor een kristen....» - -«Moeder, zeg nu niet voor een kristen: voor een edeldenkend mensch wil -u zeggen. Nu, die denkt erover net als ik.» - -Mevrouw Jensen slaat de handen ineen, en de oogen ten hemel. - -«Als jij!» roept ze klagend. «Jij vindt, dat een edeldenkend mensch er -geen bezwaar in moet zien, te trouwen met een gevallen meisje!?» - -«Dat zèg ik niet, moeder!» hervat de jonge man heftig. - -«En een Jodin bovendien!» gaat ze temerig voort. «Met een ongehuwde -moeder!» - -«Evengoed getrouwd als u, moeder!» - -«Frans, als je zoo begint, zwijg ik verder liever.» - -Hij bedwingt zich, en antwoordt minder heftig: - -«Och moeder, als u wist, hoe u me met uw woorden pijnigt.... hoe u me -martelt....» - -Mevrouw Jensen voelt zich getroffen door de toon van echte smart, die -uit de woorden van haar zoon klinkt. - -«Kom, je overdrijft», hervat ze goedhartig. «Ik beoog immers je -bestwil. Wat heb je nu eigenlijk vóor? Woû je trouwen met een -meisje—met een vrouw, laat me liever zeggen—waar geen fatsoenlijk -mensch achting meer voor kan hebben? Dat ze een Jodin is, laat ik nog -daar. Als het een fatsoenlijk meisje was.... maar nu.... och jongen, je -bent zoo onnoozel, zoo onervaren: je hebt je heelemaal laten inpalmen.» - -Frans bruist weer op. - -«Nog eens dat ellendige woord! Maar moeder waarvoor zou ze dat nu juist -doen? Ik ken haar... ik ken haar zes maanden.» - -«Dat is juist haar slimmigheid. Ze heeft op je gevoel gewerkt. Ze heeft -je eerst voorbereid en aan haar gehecht. Ze aast op je naam en op je -geld, zeg ik je.» - -«Maar moeder», roept Frans buiten zichzelve, «vindt u dat dan een -manier, om mij voor haar in te nemen? Zoo’n bekentenis in alle -bizonderheden! en geheel uit haar zelf!» - -«Pu! Door je vader in ’t nauw gebracht, en nadat ze jouw dolle idees -over vrije liefde kende!» - -Mevrouw Jensen’s gelaat is éen-en-al heilige afkeer. - -«Dat is niet waar, moeder!» geeft Frans verontwaardigd terug. - -«Frans!» - -«Ze kende die idees niet, zeg ik u! Ik heb eerst andere gedachten -gehad, en die ook uitgesproken. Haar bekentenis heeft me overtuigd, dat -ze nog al mijn achting verdiende....» - -De oude dame staart haar zoon enkele oogenblikken met groote oogen aan, -eer ze antwoordt. - -«Gerechte God in den hemel!» roept ze geheel ontdaan. «Een bekentenis, -die je afschuw voor haar geven moest!» - -«Jezus had geen afschuw van Magdalena, moeder, en dat was een publieke -vrouw, moeder.» - -Mevrouw Jensen voelt zich zeer ongemakkelijk. Met iets van driftige -wrevel antwoordt ze: - -«Spot niet, jongen. Haal hier de heilige naam van Christus niet bij. En -dan... en dan, is die Marta iets anders?» - -Frans slaat met een wanhopig gebaar de beide handen aan ’t voorhoofd, -en buigt ietwat voorover. - -«O, moeder, je maakt me krankzinnig», zegt hij met een kreunend geluid, -en, van zijn stoel opspringend, stampt hij met de eene voet op de -grond. - -«Jongen, wees toch bedàard!» roept zijn moeder verschrikt, «wind je -toch niet zoo op.» - -De jonge man gaat met een zucht weer zitten. - -«Maar waarom gelooft u me dan toch niet?» roept hij terneergeslagen. -«Ik zeg u, ze deed haar bekentenis vrijwillig, geheel vrijwillig! En ze -had me met weinig moeite kunnen wijsmaken wat ze woû!» - -«Je vader en ik zijn er ook nog, jongen.» - -«Ik zou u niet geloofd hebben. Ik zou niemand geloofd hebben, als er -iets tegen haar gezegd werd. Ik vereer haar, ik stel haar hoog. Hoog, -moeder, verstaat u dat? Heel hoog.» - -De ander maakt een gebaar van kwazie-berusting, en verschuift even in -haar stoel, met een beweging, als wilde ze zeggen, dat ze er nu niets -meer van hooren wil. - -«Jawel, dat weten we», zegt ze met haar gelaat weer geheel van Frans -afgewend. - -«Maar als ik haar dan hoogstel, moeder», gaat de laatste voort, «waarom -zou ik... zou ik haar dan niet mogen trouwen?» - -«Och...» - -Mevrouw Jensen bewaart haar afgewende houding. - -«Nou, zeg nou...» houdt Frans aan. - -«Ik wil niets meer zeggen. Je zult wel tot andere gedachten komen.» - -Haar lustelooze onwillige toon prikkelt hem, doch hij houdt zich in: -beseffend, dat alleen kalme overreding op zulk een houding eenige vat -kan hebben. - -«Ik zeg u, dat ik volkomen kalm ben», zegt hij, zich verschikkend op -zijn stoel, de handen ineenleggend en de beenen over elkaar slaande, -terwijl zijn toon veel vriendelijker klinkt. - -«Een kalmte wel! dat moet ik zeggen!» gemelijkt de ander door, en haalt -de schouders op. - -«Nou ja, ik weet alles wat ik zeg», antwoordt de jonge man onverdroten. -«Ik vraag u nu vriendelijk, ik smeek u, moeder, om me bedaard aan te -hooren. Wil u dat? Mag ik u mijn heele opvatting van de zaak eens -blootleggen? Als ik weet, dat u ’t met me eens is»—Mevrouw Jensen maakt -een korzelig ongeduldig gebaar met arm en schouder—«dan voel ik me -zooveel sterker...» - -«Om in je eigenzinnige opvattingen te volharden.» - -Nog steeds blijft het gelaat van de spreekster van de ander afgekeerd. - -«Als u me overtuigen kan, dat ik ongelijk heb», gaat Frans met dezelfde -bedaardheid voort, «zal ik me gewonnen geven. Is dat dan goed? Mag ik -nu spreken?» - -«Nu, ik ben benieuwd,.. Er zal wat moois komen.» - -«Goed dan. Gelooft u aan beginselen?» - -Mevrouw Jensen haalt de schouders op. De ander hervat: - -«Die zijn bij u gegrond op uw godsdienstige overtuiging, is dat niet -zoo?» - -Voor ’t eerst kijkt de oude dame weer op, met verwondering in haar -blik, steeds met de uitdrukking van gewilde wrevel erop, die op Frans, -ware hij anders gestemd, stellig een komische indruk zou gemaakt -hebben. - -«Nou, ja, wat zou dat!» zegt ze met een schouderschokje. - -«Gelooft u ook,» spreekt haar zoon geduldig verder, «dat ieder zalig -kan worden op zijn eigen manier, naar zijn eigen inzichten?» - -«Ja.... jawel, ofschoon.... ieder geloof toch niet hetzelfde is.» - -«Nu goed, in hoofdzaak geeft u me dus toe. Nu, als dat dan zoo is, -neemt u dan aan, dat ook Marta overtuigingen had? Of liever: wil u de -mogelijkheid wel aannemen, dat zij ze had en heeft?» - -«Jawel, nou ja.... je bedoelt, dat ze er godsdienstige overtuigingen op -na houdt?....» - -«Godsdienstige.... nee, overtuigingen, heilige overtuigingen in ’t -algemeen? Beginselen waarnaar men leeft, waarnaar men goed en kwaad -beoordeelt?» - -«Nou ja, ga verder. Als je dat godsdienst noemt...» - -«Nee moeder—» en weer verliest zijn stem een oogenblik haar kalmte, -maar hij herstelt zich onmiddellijk. «Ik noem dat alleen heilige -overtuigingen. U gelooft toch met mij, dat ook een «vrijdenker» een -goed mensch kan wezen?» - -«Een vrijdenker? Een godloochenaar, wil je zeggen?» - -Er is een klank van innige afschuw in Mevrouw Jensen’s stem, als ze dit -zegt. Ze kijkt weer stroef vóor zich. - -«Nee, moeder,» gaat de ander met ingehouden ergernis voort. «Ik bedoel -iemand, die geheel vrij van elk opgedrongen dogma, zijn eigen -denkbeelden heeft over zedelijkheid en verantwoordelijkheid; iemand, -die zijn geweten als eenige God vereert en gehoorzaamt.» - -’t Is of de jonge man een vaag besef heeft van ’t rhetorische van zijn -woorden. Toch is hij er tevreden over, al verschuift hij even op zijn -stoel, als iemand die verlegen is met de fraaiheid van zijn taal: hij -heeft het immers zoo—in die vorm—zoo vaak gehoord en gelezen. Ook uit -Marta’s mond... - -Mevrouw Jensen haalt weer haar schouders op. - -«Mooie frazen!» zegt ze met opgetrokken wenkbrauwen. «Maar ga je -gang...» - -«Nu, Marta heeft zulke beginselen», hervat de jonge man. «En tot die -beginselen behoort, dat het huwelijk een gewetenszaak is tusschen man -en vrouw, die dat huwelijk willen aangaan.» - -«Tweemaal twee is vier.» - -«Nee, moeder, ik vat hier huwelijk op als samenleving van man en vrouw -met gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de kinderen, die ze -samen krijgen.» - -«Jawel, vrije liefde...» - -Er klinkt grenzelooze minachting in de toon, waarop deze woorden -uitgesproken worden. Doch Frans blijft onverstoord.—hij vecht immers -voor ’t recht van zijn liefde—en hij vervolgt kalm: - -«Marta vond voor zoo’n huwelijk het eenig vereischte: de vrije keus van -de twee betrokkenen, zonder bemoeienis van iemand anders.» - -«Ja maar...» - -«Laat me uitspreken, moeder. Marta had die opvatting van haar oom -geleerd, dat was een man, die ze hoog vereerde, een man van -onberispelijk leven, iemand die haar steeds lief gehad heeft. Ze -geloofde in die man. Ze kende niemand, wiens gezag ze in de hoogste -levenskwesties hooger stelde. Vindt u het dan leelijk of -afkeurenswaardig, dat ze hem geloofde, dat ze zelf heilig vertrouwde op -wat hij haar leerde?» - -«Nee maar... ik begrijp niet wat...» - -«U zàl me wel begrijpen. Nu, dat wat ik zei vooropgesteld, zal u het -wel even aannemelijk vinden, dat ze een jonge man, die ze goed kende, -die een huisvriend was bij haar oom, net zoo vertrouwde, toen die -beweerde dezelfde denkbeelden aan te hangen. En toen die van haar de -toepassing vroeg van die denkbeelden...» - -«Goed, ze had met hem kunnen trouwen.» De voetbeweging, die de oude -dame maakt, heeft veel van een ongeduldig stampje. «Dat heeft ze zeker -niet gedaan, omdat er wat tegen was.» - -«Maar, moeder, ik zeg u, dat er niets, hoegenaamd niets tegen was. Haar -oom hield van die man. Zij had geld, al was ’t niet veel. Die man kon -ook behoorlijk bestaan. Ze hielden van elkaar, of ten minste zij hield -oprecht van hem, en hij betuigde zijn liefde.» - -«Dan hàd ze immers kunnen trouwen!» - -«En dan ontrouw worden aan de beginselen, die ze had? Die ze als heilig -beschouwde? Bemoeienis van anderen met zulke intieme -zielsaangelegenheden beschouwde ze als heiligschennis. Begrijpt u dat -dan niet?» - -«Wat ’n godslastering!» - -Mevrouw Jensen heft de handen op van haar schoot. De ander verliest -weer zijn zelfbedwang. - -«Maar, moeder», roept hij heftig, «ze geloofde dat vast, even vast als -u aan uw geloof hecht! Deed ze dan kwaad door die man te volgen, en -zich aan hem te geven?» - -«Ja, wis en drie deed ze dat», antwoordt de moeder, nu met eenige -stemverheffing, en hem weer aankijkend met opgetrokken wenkbrauwen. - -«Wat woû jij beweren, dat het iemand zoo maar vrijstaat, alle -beginselen van zedeleer en godsdienst eventjes ondersteboven te halen, -en te handelen zoo... als niemand anders doet? Jij kon me evengoed -vertellen, dat ze tegen alle andere menschen in, het voor goed hield, -om haar evenmensch te vermoorden, als die bij voorbeeld rijk was en -haar zijn geld niet geven woû.» - -Met blijkbare voldoening zet de magere gestalte zich weer recht, en -kijkt weer vóor zich met nog een nageluidje en een lipvertrekking. - -Frans haalt zijn schouders op; toch is hij bedaard, als hij hervat: - -«Dat is benadeelen van een ander, moeder. Marta kon met wat ze deed -alleen zichzelf benadeelen, als het verkeerde gevolgen had...» - -«En de kinderen dan, als ze die kreeg? En de maatschappij door haar -voorbeeld?» - -«Haar kinderen, daar zou ze voor gezorgd hebben. En hij had dat òok -moeten doen. Hij heeft ’t niet gedaan, dat kon zij toch niet helpen! En -de maatschappij! Zou u, moeder, heilige overtuigingen opgeven, omdat de -wereld u er om veroordeelen zou?» - -«Nee, maar ik kan me niet denken, dat die er zouden kunnen zijn.» - -«Och kom! Zoo iets komt immers dikwijls voor: ik bedoel minachting van -de wereld, omdat men zijn plicht doet. Ze hebben Christus ook gesmaad -en gehoond, omdat...» - -«Zwijg, Frans, ik wìl die godslasterlijke vergelijkingen van je niet -aanhooren. Ik zeg je: ze had moèten trouwen, daar blijf ik bij. ’t -Huwelijk is een goddelijke instelling: de huwelijken worden in de hemel -gesloten...» - -Heftig valt de jonge man weer uit: - -«Als dat zoo is, laten de menschen er dan afblijven! En als ze in de -hemel gesloten worden, dan hoeft een dominee of pastoor, of een -ambtenaar van de burgerlijke stand er zich niet mee in te laten.» - -Mevrouw Jensen maakt een klein gebaar van wrevel met de rechterhand, -maar zwijgt. - -«Maar we dwalen af», gaat de ander voort. «Ik woû u alleen aantoonen, -dat Marta geen schuld heeft gehad. De eenige schuldige is die ploert, -de bedrieger, de verleider, die haar om de tuin geleid heeft!» - -Mevrouw Jensen slaat de oogen even naar Frans op, en er is iets van -meewarigheid in haar stem, als ze vraagt: - -«Heeft die haar dan in de steek gelaten?» - -«Ja, toen ze zwanger was», zegt hij dof. Hij maakt een driftig gebaar -met gebalde vuist, en slaat somber de blik neer. - -«En ’t kind?» - -«Daar zorgt zij nu alleen voor. O, u moest ’s weten, hoe innig ze dat -kind liefheeft.» - -«Een jongen?» - -«Ja. Ik heb ’t portret gezien: een alleraardigst kind, een snoes van -een jongen. Hij is nu twee jaar oud.» - -De innig ontroerde toon van Frans’ stem, doet zijn moeder eigenaardig -aan. Ze kijkt hem nu strak aan, worstelend met haar gevoel. - -«’t Lijkt wel, of jij ook van dat kind houdt», zegt ze. - -De oogen van Frans worden vochtig. - -«Ja, moeder ... en toch heb ik het nog nooit gezien. O, ik heb zoo’n -innig medelijden met die arme Marta! En als u ’s wist, hoe ze werkt, -hoe ze nu al bij de professoren hoog staat aangeschreven. Ze heeft een -prijsvraag beantwoord. Is met goud bekroond.» - -Frans voelt zich meer en meer op dreef. Zoo zal hij ’t misschien nog -winnen, denkt hij hoopvol hij ziet hoe verteederd zijn moeder is. - -«Ja, dat’s waar», zegt ze, nu op echt goedhartige toon en bijna geheel -bijgedraaid, «daar heb ik niets dan goeds van gehoord. Je vader moest -daar voor uitkomen: dat stond ook in de informaties, die we gekregen -hebben.» - -Frans grijpt verrukt zijn moeders hand. - -«O moeder, ik wou, dat u haar kende», roept hij uit. «Zoo’n voorbeeld -van plichtsbetrachting, van kieschheid...» - -Mevrouw Jensen is even stil, neemt de blijde trekken van haar zoon—van -wie ze zooveel houdt!—met zichtbaar welgevallen op. Dan zegt ze opeens -met aandrang: - -«Jongen, zeg me nu ’s oprecht: heeft er ooit wat tusschen jelui... -bestaan? Vader hield dat voor zeker...» - -«Nooit, hoor», geeft de ander met groote beslistheid terug. - -«Niet het minste! Ik vind het heel leelijk van vader, om u zoo iets op -de mouw te spelden. Als ik u vertel, dat ik haar gisteren voor ’t eerst -gezegd heb, dat ik haar liefheb!» - -«’t Eerste woord van liefde heeft zij ook pas gisteren uitgesproken. -Evenals ik, moeder. We zijn met elkaar omgegaan als broer en zuster.» - -Ze antwoordt niet dadelijk, maar kijkt hem vol in de oogen. - -«Is dat heusch waar, Frans?» - -«Op mijn woord, moeder!» - -Neen, in zulk een oprechte oogopslag kan geen spoor van leugen -schuilen, denkt de oude vrouw: Och, ’t is toch in de grond zoon goeie -beste jongen... - -«En wil ze nu met je trouwen?» vraagt de moeder ten slotte. - -«Ja, nu: ik heb haar overgehaald. Haar overtuigd, dat het mijn geluk -was, dat het geluk van haar kind ervan afhing. Toen is ze eindelijk -gezwicht.» - -«Dat klinkt ongelooflijk, Frans. Jij haar overgehaald?» - -«’t Is zooals ik ’t u zeg. Ze was zich volkomen bewust van al ’t -gewaagde, dat er voor mij in zulk een verbintenis was.» - -«En haar beginselen over... vrije liefde?» - -«Die heeft ze nog. Maar ze wil om haar kind in een gewoon huwelijk -toestemmen.» - -Weer zwijgt Frans’ moeder even. Dan wat minder vriendelijk dan te -voren, aarzelend en met iets van teruggekeerd wantrouwen: - -«Wil ze dan ook protestant worden?» - -Frans bedwingt een gevoel van ergernis. - -«Daar hebben we niet over gesproken, moeder» antwoordt hij schijnbaar -volkomen kalm. «Maar waartoe zou dat dienen? Ik... ik geef daar niets -om!» - -«Frans, Frans, hoe durf je zoo iets te zeggen?» valt zijn moeder uit. -«Ik geef daar wel om, jongen. Ik geef daar veel om.... Maar, och, wat -praat ik eigenlijk? ’t Is net of ik aan de mogelijkheid denk... ’t Is -allemaal onmogelijk. Allemaal, Frans. Er kan toch niets van komen.» - -«En u begon me al hoop te geven!» roept de jonge man. - -Zijn moeders omzwenken slaat hem weer op eens neer. Doch hij heeft voor -’t oogenblik geen gelegenheid, verder zijn zaak te bepleiten; want er -wordt geklopt. De oude vrouw slaakt een zucht van verlichting: zoo komt -er wellicht een einde aan hun pijnlijk gesprek. Ze voelt zich -overstelpt, ontdaan, moe. - -«Binnen!» roept ze. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - - -«Daar is Dientje met de thee» hervat Mevrouw Jensen. - -«O» zegt de ander gemelijk. - -Een oude dienstbode, stemmig bleek en verflenst als haar meesteres, -maar heel wat lijviger dan deze, komt geruischloos binnen. In haar -handen draagt ze een groot blad met de «theeboel», waaraan ze een -kolossale theemuts laat neerbengelen. Met de grootste bedaardheid zet -ze het een en ander op de groote eikenhouten tafel, en dan de theemuts -op de trekpot. Daarna zegt ze zacht, bijna fluisterend, alsof ze bang -was, iemand wakker te maken, en zeer zelfvoldaan: - -«Mevrouw, hier is de thee. Ik heb ze maar vast gezet, weet u.» Ze kijkt -nog even, verzet een kopje, geeft een tikje aan de theemuts. Haar -meesteres ziet even op. - -«Meneer heb me gezegd, dat ie z’n thee op z’n studeerkamer woû hebbe», -hervat de gedienstige. «Zal ik maar een koppie inschenke?» Dralend -blijft ze staan. - -«Goed, Dientje, ga je gang.» - -De oude dienstbode schenkt een groote porseleinen kop—«Meneer’s» -kop—vol, doet er met afgemeten wel-overdachte stille bewegingen suiker -en melk in, en wil dan met de kop thee heengaan. - -«Nee, Dientje,» valt Mevrouw in «je kunt gaan: ik zal de thee zelf wel -aan Meneer brengen.» - -Dientje blijft nog dralen. - -«O ja,» zegt ze «dat’s waar ook: Meneer heb me ook gezegd, dat ik de -jonge meneer moest roepe.» Even een moederlijke blik naar Frans: er is -wat gaande, hoor—dat weet ze zoo vast «as ies». «Of de jonge meneer op -de studeerkamer woû komme.» - -De bedoelde trekt zijn schouders op, en geeft een teeken aan zijn -moeder. - -«Goed, Dientje, je kunt gaan», zegt de laatste. - -De oude dienstbode verdwijnt, niet zonder een meewarig hoofdschudden. - -«Daar heb je ’t al: vader wil me spreken!» roept de jonge man, als de -deur achter Dientje dicht gegaan is. - -«Ik dacht al, dat het mis was», antwoordt zijn moeder. «Als hij zijn -thee op zijn studeerkamer wil hebben, weet ik al hoe laat het is.» - -«Ja maar, moeder, ik kan nu niet gaan! Ik wil vader nu nog niet over -die zaak spreken. Ik ben met u nog niet klaar...» - -Mevrouw Jensen zucht diep. - -«Och jongen, wat heb je nu toch nog te zeggen? Ik weet immers alles!» - -«Nee, moeder, u heeft me nog lang niet laten uitspreken. En dan: ik zal -me niet kunnen inhouden. Vader is zoo heftig: hij is dadelijk klaar met -zijn beleedigingen. En dat kan ik niet uitstaan, moeder. Nu niet, in -Gods naam nu niet!» - -«Goed, ik zal ’t hem zeggen. Goed, hoor, ik ga naar hem toe.» - -«Als ’t u belieft, moeder!... Morgen zal ik bedaarder wezen. Morgen...» - -Mevrouw Jensen staat op en neemt de volgeschonken kop van de tafel. - -«Goed, goed, ik zal mijn best doen. Ofschoon...» - -Zonder uit te spreken gaat ze de kamer uit. - -Frans staat van zijn stoel op, en begint heen en weer te stappen, nu en -dan stilstaande, met hangend hoofd en de handen in zijn broekzakken. - -«Wat zal ’t geven?» denkt hij in arren moede. «Ik moet eraan gelooven. -Die goeie moeder! Die maakt zich nog altijd illuzies met vader, denkt -nog altijd dat ze wat op hem uitwerken kan... Ellendige geschiedenis! -Toch moet ik zien, dat ik kalm blijf, er hangt voor mij zooveel van af. -En mijn tanden laten zien... ’t Is mijn vader, anders zou ik hem wel -anders trakteeren. Die arme moeder laat zich altijd overdonderen. Als -ze die man behoorlijk aanpakte, als ze niet zoo gedwee was, zou hij wel -in zijn schulp kruipen... Ook een huwelijksleven dat van mijn ouders!» - -Onwillekeurig valt zijn oog op de portretten van beiden, in olieverf, -nog uit de eerste tijden van hun huwelijk. Het zachte, vertrouwelijke -gelaat zijner moeder, en het zoetsappige mooi-doenerige gezicht van -haar echtgenoot daartegenover, doen hem thans de oogen afwenden, als -deed het vereenigen dier twee beeltenissen in zijn blik hem zeer. - -«Hemel, als dat «heilige banden» zijn», peinst hij, «dan drukken ze wel -zwaar.... op mijn moeder ten minste! En geven een erbarmelijk beetje -zegen aan beiden!....» - -Een gerucht van stemmen in de gang, die langs de huiskamer loopt, -stoort hem even in zijn onrustige gedachten. Hij luistert, en hoort -heftig redetwisten. Vooral de stem van zijn vader hoort hij erboven -uit. - -«Daar heb je ’t al!» mompelt hij, en zet zich weer op zijn vorige -plaats, kwazi onverschillig, maar vol bange voorgevoelens, ondanks de -inspanning, die hij zich geeft, om zich schrap te zetten tegen al wat -er dreigt. - -De heer Jensen treedt bruusk binnen, onmiddellijk gevolgd door mevrouw, -die zwijgend naar haar plaats bij de theeboel gaat. Nauw in de kamer -wendt de eerste zich tot zijn zoon: - -«Wat hoor ik, Frans, dat je weigert bij me te komen?» - -Mevrouw Jensen, die, met haar rug naar haar man, bezig is op -zenuwachtige wijze kopjes te verzetten en met lepeltjes te rinkelen, -draait zich om. - -«Och, dat heeft-i niet gezegd, Jensen,» zegt ze klagerig. - -«Nee, vader,» valt de beschuldigde zelf in «ik had alleen verzocht, of -u ons gesprek tot morgen woû uitstellen. Ik voel me wat van streek -vandaag....» - -In Frans’ toon klinkt duidelijk iets van zelfbedwang, om niet -onvriendelijk te wezen. - -«Zoo», antwoordt zijn vader na een oogenblik zwijgen, nog steeds bij de -deur en in staande houding. «Geen wonder, waarachtig! Maar je zult het -nòg wel meer worden, dat beloof ik je.» - -Er is iets sarrend scherps en kalms in zijn woorden. - -Frans, die zich niet verroerd heeft, kijkt voor ’t eerst zijn vader -aan: wantrouwig van terzijde. - -«Wil u dan....?» begint hij. Maar de ander laat hem niet uitspreken. - -«Ik wil jou leeren je vader te dwarsboomen» roept Jensen iets minder -gemaakt-kalm. «Je vertikt het om bij me te komen. Dan kom ik hier. Maar -hooren zul je wat ik te zeggen heb. Ik had het je moeder willen -besparen; maar laat ze er nu maar bij zijn.... ’t Is eigenlijk wel -goed, dat ze ’s alles hoort.» - -Frans haalt de schouders op; bijna onmerkbaar, zoodat het Jensen -ontgaat. Deze neemt een stoel, en zet zich bij zijn zoon aan de tafel, -met de beenen over elkaar. Vergeefs tracht hij diens blik te vangen: -Frans kijkt vóor zich met gefronste wenkbrauwen, somber en in zichzelf -gekeerd. - -Mevrouw Jensen voelt blijkbaar de electriciteit, die er in de lucht -staat ontwikkeld te worden: ze is onrustig als een meeuw vóor de storm. - -«Zal ik je nog een kop thee inschenken, Jensen?.... en jij Frans, wil -jij ook een kopje?» Ze weet nauwelijks wat ze zegt, is opgestaan en -dribbelt en schokkelt nu langs het theeblad, laat een lepeltje vallen. -Jensen, die er vlak bij zit, laat het haar met een zware zucht oprapen. - -«Och, laat die thee maar,» zegt hij knorrig, «’t thee-uurtje wordt me -hier nogal smakelijk gemaakt. Jij ook al met dat gezeur over Frans! Ik -waarschuw je nu: geen woord tusschenbeide.» Hij kijkt scherp naar zijn -vrouw, die hem de blik niet terug durft te geven. «Frans en ik hebben -hier wat af te handelen, anders niemand. Jij luistert, nie’waar?» - -«Och moeder, laat u ons maar alleen,» zegt Frans meewarig en met -verbeten ergernis. - -«Geen kwestie van,» valt Jensen in «Je blijft hier, erbij. Hier, ga -hier zitten.» Hij wijst naar de sofa aan de andere kant van de tafel. - -Frans kijkt zijn vader met opgetrokken wenkbrauwen aan. - -Mevrouw Jensen gehoorzaamt makjes, zonder een woord; weer zwaar -zuchtend. Haar echtgenoot wendt zich tot de mismoedige gestalte naast -hem. - -«Ziezoo. Laat me nu’s hooren, veelbelovende zoon. Verklaar je nu’s.» - -«Ik heb niets te verklaren, vader», antwoordt de toegesprokene dof en -zonder opkijken. «U had mij iets te zeggen....» - -«Best. Je ziet: ik ben meegaand genoeg. En toch zul je me nu’s moeten -uitleggen, wat die vriendschap»—hier een schamper lachje—«met die -juffrouw Van Zee beteekent.» - -Frans slaat de blik op, hard koud en onverschrokken. - -«Die beteekent, dat ik juffrouw Van Zee hoogacht en liefheb, vader», -zegt hij met groote ernst. - -Frans’ oogen hinderen Jensen, en hij tracht zijn ongemakkelijkheid -onder een glimlachje te verbergen. Zijn toon wordt iets spottender. - -«Jawel, dat heb ik zoo begrepen. Jawel. En nu wil je’r zeker trouwen, -niet?» - -«Dat is mijn wensch, vader, zeker. Dat is mijn vurigste wensch.» De -woorden komen er met eenige ontroering uit. - -«En daarvoor reken je dan zeker op mijn medewerking en goedkeuring?» -hervat Jensen. - -«Uw toon geeft me weinig hoop op iets daarvan. Toch wil ik u niet -ontkennen, dat uw toestemming tot dat huwelijk me heel veel waard is.» - -Frans verschuift op zijn stoel, maakt een schraapgeluidje met zijn -keel, en verzet zijn voeten op ’t tapijt. - -«Jawel» gaat de andere spreker voort «ze is je zooveel waard als ik je -mee zou geven met je trouwen.» - -Tegen ’t sarrend bedaarde van zijn vaders toon geeft Frans kalmte -terug, hoeveel zelfbeheersching het hem ook kost. ’t Is om Marta, om -Marta! Zijn hart bonst. - -«Dat is lang niet het voornaamste, vader», zegt hij toch met ietwat -trillende stem. - -«Zoo, wat dan? Woû je beweren, dat je om ’t andere nog iets gaf? Je -bent meerderjarig! Als je je nog iets aan mijn oordeel gestoord hadt, -zou je die fraaie vriendschap»—weer die spottende nadruk—«niet zes -maanden voor mij verborgen gehouden hebben.» - -«Dat weet u wel precies. Ik kòn u daarover niet spreken. Ik zou maar -onaangenaamheden met u gekregen hebben: u is dadelijk zoo heftig. En -dan ook: ik woû niet, dat u leelijke veronderstellingen zou gaan maken -over onze omgang.» - -«O juist. Dus je wil daarmee zeggen, dat die omgang onberispelijk was.» - -«Zonder twijfel. En dat was-ie.» - -Weer die koude rustige blik van Frans. - -Jensen slaat met de hand op zijn rechterknie. - -«En dat met zoo iemand!» roept hij gemaakt vroolijk. «Nee maar! Ha, ha, -ha!» - -Bevend antwoordt Frans, worstelend met zijn toorn: - -«Vader, ik verzoek u dringend, me niet te kwetsen met uw spot. Als u -mijn woorden niet gelooft, hoef ik verder niets meer te zeggen.» Meteen -wendt hij zich half om, van zijn vader af. - -Jensen acht het geraden, wat bij te draaien, en zijn toon wat minder -scherp makend, antwoordt hij: - -«Je hebt gelijk: ik zal niet meer lachen.—We zullen nu ’s aannemen, dat -je met die vriendin van je steeds op voet van zuivere vriendschap bent -omgegaan...» - -«Dat moet u aannemen, vader!» roept Frans, zeer driftig. - -«Ik neem aan wat ik verkies. Of woû je soms, dat ik bij jou in de leer -ging, om menschenkennis op te doen?» - -«Waar ’t iemand geldt, die ik ken en u niet, zeker. Ik zeg u, dat er -tusschen Juffrouw Van Zee en mij niets, hoegenaamd niets bestaan heeft -wat haar of mij tot een verwijt zou kunnen strekken.» - -«Nu goed, best. Je zult me dan toch toegeven, dat haar verleden er niet -naar is, om je hooge gedachten van haar te geven?» - -De vraag, zoo schamper gesteld, brengt de jonge man een oogenblik in -verlegenheid. Jensen ziet het met welgevallen. - -«Nou?» vraagt hij met een glimlach, die Frans onuitstaanbaar vindt, als -deze niet dadelijk antwoordt. - -«Wat... weet u dan van haar?» brengt Frans uit. - -Jensen leunt achterover in zijn stoel, en terwijl hij met de eene hand -zijn gouden horloge-ketting spelend heen en weer beweegt en de andere -tegen zijn kin houdt, zegt hij losweg en telkens afbrekend: - -«Wel, dit. Dat ze van de eerste dag af, dat ze in Luik studeerde een -liefdesbetrekking had met een jongmensch van goeden huize—zij zelf is -dat niet—dat ze zich door dat jongemensch heeft laten onderhouden—dat -ze op een goeien dag van hem weggeloopen is—hm—en, toen ze later -merkte»—hier kijkt de spreker in de lucht, over Frans’ hoofd heen—«dat -ze in ongezegende omstandigheden was, weer naar hem terugwoû—wat -begrijpelijker wijze niet in de smaak viel van haar vroegere vriend,.. -Et il y avait de quoi!» - -Frans staart zijn vader aan. Het valt hem zelf op, dat hij nog nooit te -voren zóó naar zijn vader gekeken heeft. Iedere trek van dat gelaat, -hem toch zoo welbekend, schijnt hem nieuw—hatelijk nieuw: het hooge -gladde voorhoofd met de ivoren welving daarboven en ’t schrale -zorgvuldig gekamde sluike zwarte haar, grijs aan de slapen, de kleine -bewegelijke donkere oogen, de dunne donkere wenkbrauwen, de welgedane -blozende wangen, de scherpe neus, waarvan de neusvleugels mee schijnen -te doen met de opwaartsche spottrek der bovenlip, de vochtig glimmende -roode onderlip, de glanzige knevel, nog zwart evenals de goed -onderhouden puntbaard, de kleine platte ooren. Een geheel van banale -mooiheid, van wereldsche zelfzorg, van mephisto-achtig cynisme... - -De vallende schemering bevordert een waarneming van Jensen’s uiterlijk, -die ietwat vrij spel laat aan de verbeelding, al zit hij ook naar ’t -vensterlicht gekeerd. - -Om zich een houding van welberaden bedaardheid te geven, neemt Jensen -zijn lorgnet af en begint de glazen achteloos met zijn zakdoek te -wrijven. - -Een flauwzoete geur walmt de jonge man in de neus. - -«Komaan, nu jij,» zegt zijn vader, druk wrijvend. - -«Vader, dat is van a tot z leugen en laster» brengt Frans eindelijk -uit, met trillende stem, maar ieder woord onderschrappend. Zijn -wenkbrauwen zijn strak-gefronst, en in ’t halve duister, dat zijn hoofd -verdoezelt, vonken zijn oogen den ander tegen. - -«Dat beweer jij», hervat deze kalm «jij die de inlichtingen van haar -zelf hebt...» - -«Ik kon ze van niemand beter krijgen, vader. Juffrouw Van Zee is de -eerlijkheid zelf: ze heeft me vrijwillig alles verteld.» - -«Zoo, laat ’s hooren.» - -«Dat ze die liefdesbetrekking gehad heeft, is waar, maar die kwam pas -aan, toen ze een tijdje student was. Dan was die verhouding in haar oog -een huwelijk, even heilig als eenig ander.» - -«Dan toch altijd een concubinaat. Hm.» - -«In haar opvatting niet, zeg ik u. En ook de man, die met haar ging -samenleven beweerde die... opvatting als hooge ernst te beschouwen. Hij -is gebleken een bedrieger en wellusteling te wezen. Een egoïst die niet -anders zocht dan zijn genoegen.» - -Onrustig beweegt Frans zich op zijn stoel. Hij voelt zijn wangen -gloeien. - -Jensen haalt de schouders op. - -«Zooals vanzelf spreekt», zegt hij achteloos, en zet zijn lorgnet weer -op. - -«Zoo, vindt u dat?» antwoordt Frans met minachtende nadruk. «Ook als -die man een huisvriend van haar voogd was—van haar oom? En zij voor die -oom een onbeperkte vereering had? Die man had haar zulke idees -gegeven.» - -«Dat maakt de zaak wel iets anders. Nu ja, maar...» - -Frans gaat onverschrokken voort: laat me uitspreken! raast het in hem. - -«Toen ze zag, dat ze... moeder zou worden, heeft die «vriend» haar -verlaten—de man, die ze als haar echtgenoot beschouwde. En nu -onderhoudt ze haar kind zelf. Ze heeft en had eigen middelen, was -volstrekt niet afhankelijk van de man met wie... ze leefde.» - -«Ze had niets op hem te verhalen: ’t was haar man niet.» - -«Maar, vader, een man van eer zal toch niet zoo een meisje in de steek -laten, zelfs al had hij nooit van een huwelijk gesproken, in welke zin -van ’t woord ook.» - -Jensen kijkt weer in de lucht. - -«Dat kan eraan liggen,» zegt hij. - -Frans verschuift driftig zijn eene voet. Dan, met groote stelligheid en -nadruk, als uitdagend, antwoordt hij: - -«Een man, die een meisje zwanger maakt, draagt de verantwoordelijkheid -voor zijn kind. Anders is ’t een ploert. Ik ken daar geen uitzondering -op...» - -Jensen wendt even zijn blik naar zijn zoons gelaat, haalt de schouders -op en glimlacht spottend. Dan kijkt hij naar zijn vrouw. Deze zit -onderwijl met neergeslagen oogen, bleeker dan ooit, zenuwachtig druk te -borduren, haar werkje dicht bij de oogen houdend om ’t schaarsche -licht. - -Terwijl hij de beenen over elkaar slaat en naar de wiebelende punt van -zijn eene «molière» staart, hervat de advokaat: - -«Over jouw rechts-opvattingen zullen we ’t nu maar ’s niet hebben. Ik -vind—en dat is hier de hoofdzaak—dat een vrouw als Juffrouw Van Zee.... -geen partij voor jou is, om het zacht te zeggen. In geen geval, al is -alles waar wat jij me van haar vertelt.» - -«Maar zeg u me nu toch ’s waarom!» - -Jensen staat driftig op. - -«Waarom? Waarom?» roept hij, «Wel, beroerde jongen, omdat ik ’t niet -wil hebben, dat je met een hoer trouwt.» - -Mevrouw Jensen kijkt verschrikt eerst naar haar man, dan naar Frans. - -«Vader!» barst de laatste uit, eveneens opstaande. «Ik verzoek u dat -woord onmiddellijk in te trekken» roept hij dreigend. - -«Groote God, dat wordt moord en doodslag!» mompelt zijn moeder -huilerig. - -«Of?» sart Jensen. - -«Of....» hervat Frans woest, met bliksemende oogen, bevend en rood van -toorn «.... of ik sla u in uw gezicht!» Meteen brengt hij de -rechterhand achteruit. - -Mevrouw Jensen springt op, en plaatst zich tusschen de mannen in: - -«Frans, hoû je kalm!» jammert ze. «In Gods naam: vergeet niet, dat je -je vader vóor je hebt!» - -«Goed, moeder, om u.... maar die man maakt me razend.» Dan weer tot de -ander zegt hij iets kalmer: - -«Blijft u bij wat u gezegd heeft?» - -Jensen is onwillekeurig een pas achteruit gegaan. - -«Natuurlijk» antwoordt hij. «Maar dit mooie gesprek moet uit zijn. Ga -naar je kamer.» En hij wijst naar de deur. - -De jonge man let er niet op. - -«Vader» zegt hij zich bedwingend, «’t spijt me, dat ik u in mijn drift -beleedigd heb. Maar u beleedigt ook het liefste dat ik heb.... Wil u me -nog even te woord staan?» - - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - - -Mr. Jensen voelt zich weer volkomen op dreef, na ’t schrikje, dat zijn -zoons woest optreden hem op ’t lijf gejaagd heeft. Hij gaat weer kalm -zitten, en wijst hem met zijn gewoon deftig-advokaten-gebaar op diens -stoel. Frans volgt de wenk op. - -Mevrouw Jensen dribbelt nog een oogenblik, weifelend of ze weer haar -gewone plaats zal innemen. Dan besluit ze met een zucht voor de sofa, -en grijpt weer naar haar werkje. - -«Goed, maar dan kort, als je belieft,» zegt Jensen onwillig. «Vader, u -gebruikte daar zooeven dat leelijke woord voor een meisje... dat zich -in liefde aan een man gegeven heeft.» - -«Ja, dat’s zoo de gewone opvatting van dat woord...» Jensen heeft de -handen ineengeslagen en speelt met zijn duimen, terwijl hij de oogen op -de tafel gericht houdt. - -«En dus ook de uwe?» vraagt de ander. «U, die een man van ’t recht is! -Nu, dan... dan wil ik u wat zeggen», en Frans’ stem verraadt meer -opwinding—«dat ik die opvatting verachtelijk... misselijk vind.» - -«Nu is ’t genoeg, dunkt me», antwoordt de advokaat en staat nogmaals -op, bedaard strak en koud. - -«Nee, nu is ’t niet genoeg», stuift Frans op, «Ik vind een hoer: een -vrouw, die om eenige andere reden dan liefde zich aan een man geeft.» - -Jensen wil naar de deur. De ander springt overeind. «En ik vind» roept -hij uit, «ik vind de man van opvoeding, die een meisje tot vrouw neemt -om haar geld, verachtelijker dan de vuilste hoer! Verstaat u dat?» - -Ziedend van toorn doet hij een schrede naar zijn vader en treedt hem in -de weg. - -«God allemachtig!» krijt Mevrouw Jensen, die met haar werkje en al -opgevlogen is, en tevergeefs tusschenbeide tracht te komen. «Frans, -bedaar toch: vader heeft dat zoo niet gemeend! Om Godswil, Jensen, wees -jij dan tenminste kalm. De jongen is buiten zichzelve. Ik heb ’t wel -gezegd... ik woû...» - -«Hoû’ je mond!» krijgt ze terug. «Ik heb jou gezegd, dat jij je mond -zou houden. Ga daar weer op je plaats...» - -De terecht-gewezene wil gehoorzamen, doet een schrede, maar blijft dan -staan. - -Frans slaat met verachtelijke blikken het tooneeltje gade. - -«En dat woû mij de les lezen!» mompelt hij. - -«Verklaar jij me’s», hervat Jensen weer bedaard, «wat je me daar -zooeven zeide—die vergelijking—was dat een toespeling?» - -Frans heeft alle schijn van ontzag van zich afgeworpen. - -«Wie de schoen past, trekt hem aan! U die zoo’n huwelijk gesloten -heeft, wil mij leeren, wat betamelijk is. Die praat me nog van -zedelijkheid!» - -Jensen houdt zich kranig onder die striemende woorden. - -«Zwijg!» roept hij met uitgezette borst en opgeheven hoofd. «’t Is nu -uit, he! De kamer uit.» - -En na herhaling van zijn deurwijzings-gebaar kruist hij de armen. - -Frans doet een paar schreden naar de deur, en blijft daar met de rug -erheen gekeerd vlak vóor staan. Dan zegt hij tartend, de oogen op de -gestalte vóor hem: - -«Ik ga niet voordat ik alles gezegd heb. Trekt u dat woord over Marta -in?» - -«De kamer uit, zeg ik je.» Volgt een hoofdwijzing naar de deur. - -«Dus niet?» bijt Frans hem toe, hijgend van woede. - -«Dan zal u hooren wat ik van u weet, waardige vader.» - -Jensen schrikt, maar blijft zijn houding bewaren. - -«Wat jij van mij weet?» vraagt hij met een lachje. - -«Ja, ik heb u in de gaten, mooidoener. Huichelaar! Ik heb u nagegaan, -net zoo goed als u mij...» - -Dit maakt indruk: de armen van Mr. Jensen dalen uit de -veldmaarschalks-positie naar een meer burgerlijke houding. Met beide -handen in zijn broekzakken begint hij met zijn sleutels te rammelen. - -«Zoo, zoo», zegt hij met een schuine blik naar Frans. «Heb jij me -bespionneerd?» - -Mevrouw Jensen, die met de eene hand op de rug van de sofa geleund -stond, wil weer naar de beide mannen toe gaan. - -«Och Frans», zegt ze huilerig, «wat ik je bid-mag: ga nu toch maar -heen! Kom.» - -Maar de toegesprokene hoort haar niet. - -«Nee, vader, dat laat ik aan u over. Ik heb geen detective-bureau -noodig gehad, om uw handelingen na te gaan. De oogen zijn me door een -toeval open gegaan. Toen begreep ik alles...» - -Jensen wendt zich tot zijn vrouw: zoo vermijdt hij tenminste het -hinderlijk kijken dier twee woedende oogen. - -«Hoor je ’t, Carolien?», zegt hij met een vleugje vriendelijke -gemoedelijkheid in zijn toon, «hoe die jongen te keer gaat? Ik geloof, -dat hij gek geworden is.» Dan weer dreigend tot Frans: - -«Wil je nu heengaan? Of anders....» - -Jensen bedenkt zich. - -«Carolien, ga jij dan ten minste heen», zegt hij nog gemoedelijker dan -te voren, «’t Is een pijnlijk tooneel voor je.» - -«Jawel, nu minzaam zijn tegen uw slachtoffer», hervat de jonge man met -opgetrokken bovenlip. - -«Moeder, hij is bang» gaat hij voort tot de verbijsterde Mevrouw -Jensen. «Daarom wil hij u weghebben.» - -Jensen tracht hem honend aan te kijken. Ellendige jongen, denkt hij -onderwijl: zoo had hij hem nooit gekend! waar zou dat heengaan? - -«Nog eens, vader», vervolgt zijn zoon, als de ander zwijgt, «trekt u -dat woord in over Marta?» - -«Jouw Marta kan voor mijn part naar de bliksem loopen! ’t Kan me niet -schelen wat ze is...» - -«Trekt u dat woord in, vader? Of anders zeg ik alles wat ik weet... En -dat zal nog maar een beetje zijn. Ik ben genoeg op de hoogte met de -wet, om te weten, dat ik... uw lot in mijn handen heb op dit -oogenblik.» - -Mevrouw Jensen houdt het niet meer uit. - -«Wat raaskalt die jongen toch?» roept ze. «Frans ben je nu heelemaal -van de wijs? Jongen, ga toch de kamer uit.» Haar stem is beverig, en -klinkt bizonder hoog en schraal. - -«Heilige onnoozelheid!» antwoordt haar zoon, «’t Is om te schreien! Die -moeder, die nog in de bres springt voor zoo’n man!» - -Mr. Jensen bewaart zijn houding van verontwaardigde fierheid, al is hij -wat bleeker dan te voren. - -«Wat wil je nu nog?» vraagt hij op een toon, als gaf hij toe aan een -onnoozele gril, om der wille van de vrede. - -«Intrekking van dat scheldwoord», houdt Frans aan. - -Jensen acht het geraden, wat tegemoet te komen: hij heeft wel eens meer -met driftige menschen te doen gehad... - -«Frans» antwoordt hij bijna vriendelijk, «wil je nu, dat ik... dat -meisje voor een fatsoenlijke vrouw verklaar?» - -«Voor «fatsoenlijk», dat hoeft niet» zegt de jonge man nog steeds -heftig, «voor een eerbare vrouw.» - -«Ga daar zitten, en wees bedaard. Carolien, ga jij nu maar de kamer -uit: ik zal dat zaakje wel afdoen.» - -Frans verroert zich niet. - -«Moeder, blijf gerust» hervat hij. Dan tot zijn vader: «Ik ga hier niet -weg voordat ik mijn zin heb. Ik kan die nare zoetsappigheid tegen -moeder niet uitstaan. En dat na die behandeling van zooëven. Wat ’n man -is u toch!» Weer windt hij zich op. «Dat is nu al die jaren al zoo: u -mishandelt mijn moeder op alle manieren... nou ja, moreele mishandeling -bedoel ik, u brutalizeert en beleedigt haar. U is alleen vriendelijk... -wàs alleen vriendelijk, toen uw eigenbelang het meebracht, he... -vroeger toen u uw hof nog maakte, toen u als arm meestertje in de -rechten moeder trouwen woû. En nu! Toen om uw huwelijk te -verzekeren.... nu om ’t zoo te houden als ’t is.» - -Frans hijgt, en bijt zich op de lippen. Zijn beide handen martelen op -zijn rug de knop van de deur. - -«Zwijg, brutale jongen, of ik vergeet me», roept Jensen, en treedt op -zijn zoon toe, als wilde hij hem overbluffen. - -De ander kijkt hem dreigend aan. - -«Probeer ’t ’s, me aan te raken», roept hij. «Ik duld uw mishandelingen -niet meer, verstaat u? Ik ben een man, evengoed als u. Ik laat me niet -meer bang maken met een pak ransel, als een kleine jongen. ’t Is nu uit -met uw schrikbewind hier in huis. U heeft mijn arme moeder genoeg -afgejakkerd. Ze is een ander mensch geworden: alle levenslust is er -uit. Dat ’s uw werk: u heeft haar van een levenslustig meisje vóor haar -tijd tot een half versufte oude vrouw gemaakt. Ze is schuw en in -zichzelf gekeerd. Ik heb zelf die verandering in de laatste jaren -kunnen nagaan. En nu weet ik hoe u bovendien buitenshuis leeft...» - -Mevrouw Jensen brengt de magere handen aan ’t gelaat, en gaat schreiend -op een stoel zitten. De beschuldigde tracht vergeefs een uitdrukking -van onverschilligheid en onverstoorbaarheid aan te nemen: hij beseft, -dat zijn houding veel te wenschen overliet. Die rekel van een jongen! -Zoo iets is hem nog nooit overkomen! Zelfs niet met die -meineeds-geschiedenis, toen hem ’t vuur zoo na aan de schenen gelegd -werd, en hem bijna de toegang tot de balie ontzegd was: hij was toen -immers geen oogenblik zijn aplomb kwijt geweest... - -De schreiende Mevrouw Jensen verschaft afleiding. - -«Frans, zwijg, in Gods naam» jammert ze. - -«Nee, moeder, ik zal niet zwijgen. Om u, ’t is om u! De huichelaar moet -ontmaskerd worden. Ga van hem scheiden. De man is heelemaal in onze -macht. Ik weet genoeg, om u makkelijk van hem af te helpen. Dan kunnen -we nog eens gelukkig zijn.» Frans kijkt onderwijl verteederd naar zijn -moeder, die daar als een toonbeeld van zielsellende in elkaar gedoken -zit te schreien. «En u zal mij mijn geluk niet misgunnen, wel, moeder?» -zegt hij innig. - -«Och Frans, wat ’n een onzin... wat ’n onzin!» brengt mevrouw Jensen -tusschen haar tranen uit. «Hoe kan ik nou meewerken tot zulk een -geluk?... Dat is.... dat is geen geluk.... Frans....» - -Het voorwerp van ’s jonkmans woede is intusschen hulpeloos op zijn -vorige plaats gaan zitten. De andere wending, die ’t gesprek genomen -heeft, is hem niet onwelkom: hij besluit af te wachten. - -«Och moeder», gaat Frans voort «u zal ’t later anders inzien.» - -«Nooit, jongen, nooit», stamelt ze, nog steeds zacht schreiend. «Hoe -kun je zoo vergeten, wie je bent?! Denk er toch aan, dat je een -eervolle naam draagt.» - -«Och wat! Een naam is alleen eervol, als de drager ernaar handelt. Ik -zie niet in, waarom mijn naam zoo bizonder eervol zou wezen. Omdat ik -de zoon ben van Mr. Jensen?» - -«Je bent van een deftige familie, Frans.» Mevrouw Jensen herstelt zich -wat. «Je moeder is een freule Van Witstein tot Ravenhorst, vergeet dat -toch ook niet. En je vader is een advokaat van naam, ook van een oude -heel aanzienlijke familie. Je oom....» - -«Moeder, schei’ uit! Wat kan mij die familie schelen? Marta’s vader was -een achtbaar man, haar oom—haar voogd—was rector van een gymnasium—een -knap man en een man van eer.» - -«Maar zij, Frans, zij....» - -«Ik kan u daarover niet meer zeggen dan ik al gezegd heb. U zal dat -later wel anders inzien. Maar ik wil deze zaak ook eindigen.» En zich -ongeduldig weer tot zijn vader wendend, gaat hij voort: - -«Ik vraag u nu voor ’t laatst, om uw toestemming voor mijn huwelijk met -Marta. Die toestemming zal voor mij ’t zelfde zijn, als dat u haar als -eerbaar erkent.» - -Jensen heeft tijd gehad, om zich voor verdere tegenweer behoorlijk te -bedenken. Komaan, hij moet een andere toon aanslaan, trachten -gemoedelijk, ja vaderlijk te spreken. - -«Frans, je vraagt me ’t onmogelijke!» zegt hij na een oogenblik -zwijgen, als had hij even geweifeld. «Hoe wil je nu, dat ik toe zal -stemmen in een huwelijk met een vrouw, die een kind heeft—van een -ander! Ga dat nu toch’s zelf bedaard en kalm na: dat zou immers een -schande zijn, ook voor mij, en voor je moeder ook. Ik zou me schamen -tegenover de menschen. Tegenover mijn cliënten...» - -«We zullen naar ’t buitenland gaan, als u dat verlangt.» - -«Dan zullen er toch praatjes loopen. Die zullen nadeelig zijn voor mijn -naam...» - -Frans verbijt zich: hij voelt zijn drift weer opbruisen. «Daar is u -bang voor», antwoordt hij scherp. «Dacht u dan dat uw naam zoo -onbesproken was... nu?» - -«Frans, begin je nou weer?» roept Mevrouw Jensen huilerig. Haar -betraande roode oogen kijken haast smeekend. - -«Ik kàn mijn toestemming niet geven», antwoordt Mr. Jensen op beslister -toon dan te voren. De houding van zijn vrouw heeft hem grootendeels -gerust gesteld. Dat hij een oogenblik heeft kunnen twijfelen aan haar -blindheid! - -«En toch sta ik daarop», zegt Frans even beslist van toon. - -De ander der twistenden staat op, en doet weer een stap naar de deur. -De jonge man blijft waar hij staat. - -«Kom, laat me eruit» roept Jensen. «Dit gesprek verveelt me danig. We -zullen elkaar wel nader spreken.» - -«Misschien nooit meer,» bromt Frans. - -«Wil je daar vandaan gaan?» Jensen heeft zijn oude gezagtoon weer -volkomen terug. «Laat me er door, zeg ik je, of ik roep de knecht.» En -hij maakt een gebaar, als wilde hij naar de belknop gaan, op eenige -schreden daar vandaan. - -«Waag dat’s», roept Frans nogmaals opvlammend «dan zeg ik in ’t bijzijn -van Jacob, wat voor exemplaar of u is. Ik geef ruchtbaarheid aan de -zaak.» - -Jensen weet eenige waardigheid te leggen in zijn woorden, als hij -daartegen in brengt: - -«En de heele wereld zal je ongelijk geven, je veroordeelen. Laat me -erdoor, als je belieft.» - -«Nee, eerst die toestemming.» - -Mevrouw Jensen heeft onderwijl weer haar stoel verlaten. - -«Frans» teemt ze, «wees toch niet zoo oneerbiedig tegen je vader. Ga -daar vandaan!» - -«Oneerbiedig! Als ik u zeg, dat ik ’t laatste greintje eerbied voor die -man verloren heb.» - -«Frans, Frans, ’t is je vader!» - -«Jammer genoeg! Ik erken geen heilig vaderschap of kindschap. Men eert -zijn vader niet om het vader-zijn alleen! Daarvoor is geen dankbaarheid -verschuldigd. Dankbaarheid zeker voor het genoegen, dat een man -gesmaakt heeft, om je te verwekken! Een moeder lijdt nog voor je, -ofschoon ze dat ook niet speciaal voor ’t pleizier van ’t kind doet. -Als ze ’t zonder lijden de wereld in kon sturen, zou ze ’t zeker doen. -Maar dat laat ik nog daar. Er is toch meer natuurlijke band tusschen -moeder en kind. Maar een vader, een vader vind ik alleen eerbied waard, -als hij zich een goed vader toont, als hij zich een goed opvoeder -toont.» - -«Maar Frans, je vader heeft toch altijd goed voor je opvoeding -gezorgd?» - -«Nou ja, voor ’t uiterlijke. Ik heb een door en door fatsoenlijke -opvoeding gehad. Met de oudvaderlandsche klappen erbij. Maar de -eigenlijke opvoeding—leiding en vorming van mijn jonge ziel, inprenting -van mooie beginselen, eerbied en bewondering voor wat mooi en goed -is—niets, niets! Niet dàt!» Een knip met duim en middenvinger. «Van u -heb ik dat wèl gehad... zooveel als u me geven kon, moeder. Van u hou’ -ik, moeder. Van die man niets, al is ’t honderd maal mijn vader. Ik -veracht hem.» - -Op Jensen’s gelaat verschijnt zijn diplomatische glimlach, die alles -kan zeggen: hier lankmoedigheid voor jeugdige overmoed. - -«Is ’t je niet mogelijk, zonder beleedigingen te spreken?» vraagt hij -wijs-bedaard. «Meen je daarmee soms verder te komen dan door kalm -redeneeren?» - -«’t Kan me niet schelen. Ik begrijp, dat ik niets meer van u te wachten -heb. Ik wil ook niets meer vragen. Niets, verstaat u? En ik zal mijn -gang gaan. Ik zal u ook niet voor de rechter halen, en u trachten te -dwingen tot toestemming voor een «fatsoenlijk huwelijk.» Maak u maar -niet ongerust. Ik zal ’t zonder die toestemming wel doen. En ik zal -mijn brood wel verdienen. Al maak ik dan ook zooveel niet als mijn -vader, de brave advokaat. Ik zal een arme werkvrouw geen -vijf-en-twintig gulden laten betalen voor ’t opmaken van een rekestje, -dat haar zoon in de gevangenis noodig heelt, zooals u dat onlangs -gedaan heeft. Daar ben ik ook toevallig achter gekomen. Zoo’n deftig -advokaatje als u zal ik nooit worden: die laten zich duur betalen, ook -door arme stumpers van werkvrouwen! Maar op mijn huwelijk zal zegen -rusten, omdat het een huwelijk zal wezen, dat op liefde gegrond is... -’t Zal niet gevloekt wezen als dat van mijn ouders.» - -«Frans, laat God je niet straffen voor die taal», roept Mevrouw Jensen -in afschuw. - -«God zal hèm straffen, als er een God is,» geeft de jonge man terug, -«want als die er is, is hij rechtvaardig. Praat me nog van God waar ’t -zoo’n huwelijk betreft als van mijn vader. De man heeft niet alleen u -getrouwd om uw geld, maar hij heeft zijn godsdienst verloochend op de -koop toe: van «fijn» katholiek protestant geworden, om u te krijgen, -moeder. Of is dat soms zoo niet?» - -«Frans!» roept zijn moeder met jammerende verontwaardiging. «Je weet -heel goed, dat dat niet waar is. Ik heb je vader de oogen geopend voor -de dwaling van zijn geloof. Hij is even oprecht geloovig als ik, hij -gaat even trouw naar de kerk...» - -Jensen kijkt onderwijl in de lucht, en speelt weer met zijn -horlogeketting. - -«Bah! ook al fatsoen, en aanstellerij,» gaat Frans even heftig voort. -«Huichelarij, dat is alles. En dat u nog van zóó’n man houdt, moeder! -Wat beklaag ik u! Maar de oogen zullen ook u eenmaal opengaan...» Hij -zwijgt even, hijgend. «Ik moet weg, moeder,» hervat hij droevig. «Ik -kan ’t hier niet langer uithouden. Er moest een eind aan komen. ’t Is -nu alleen wat verhaast, maar ’t moest toch. ’t Moest...» - -De jonge man treedt op zijn moeder toe en omhelst haar innig. Zij -ontvangt de liefkoozing geheel verbijsterd en wezenloos. - -Jensen is opgestaan en kijkt met stalen blik naar de twee. Hij snuift -even, en er flitst een ironietje om zijn mond neus en oogen. Hij -plaatst zich achter zijn stoel en neemt een rustige houding aan, als om -kalm ’t tooneeltje daar vóor hem af te laten spelen. - -«Om u heb ik verdriet,» hervat Frans, met zijn eene hand op zijn -moeders schouder. Deze zoekt afleiding in haar zakdoek, die ze -zenuwachtig tegen ’t gelaat drukt. «Om u alleen vind ik het naar, dat -ik weg moet. Ik zal u missen. Maar ’t zal niet voor altijd zijn, -moedertje.» Hij legt nu ook zijn andere hand op de andere schouder der -schreiende. Deze neemt de zakdoek van haar oogen weg, en staart in haar -schoot. De jonge man ziet haar vol teederheid aan. - -«Niet voor altijd» gaat hij voort, «mijn hart zegt het me. Als u -eenmaal van die man af is...» - -Mevrouw Jensen begint weer zacht te schreien. - -«Och wat ’n onzin, jongen,» stamelt ze. «Maar... ga je nu heusch weg? -Dat mag immers niet.. Je zult nog tot bezinning komen. Neem nu toch -geen overijld besluit, je zult er... immers.. spijt van hebben...» - -«Ik kàn niet, moeder. Ik kàn hier niet langer in huis blijven. Ik kan -mijn vader niet meer zien.» - -De bedoelde haalt de schouders op, steeds bedaard waarnemend. Dat -komediespelletje is merkwaardig sentimenteel, denkt hij: hij was in -zijn jonge jaren heel wat nuchterder... - -«Maar, Frans, dat is immers gekkewerk» jammert Mevrouw Jensen, en weer -komt de zakdoek te pas, om haar snikken te smoren—wat haar heel slecht -gelukt. «Van je ouders weg te loopen, met een dolle kop... Dat kùn je -niet... meenen... dat kun je niet meenen.» - -«Ik weet heel goed wat ik doe», antwoordt Frans, nu weer naast haar -staande. «Ik ben volkomen kalm, dat ziet u wel. En ’t is ook niet zoo -plotseling. Ik zeg u, mijn weggaan uit dit huis is alleen verhaast door -wat er gebeurd is. Ik zou ’t tòch niet lang meer uitgehouden hebben. Ik -wil niet langer door mijn vader onderhouden worden. Iedere hap eten, -die ik hier in mijn mond steek, is me als medeplichtigheid aan roof, -moeder: ik voel me, alsof ik het afneem van arme en ongelukkige -menschen. Ja, ja, moeder, ik weet wel, dat onze rijkdom oorspronkelijk -van u afkomstig is... Val me niet in de rede. Ik weet ook, dat Meester -Jensen een van de groote advokaten hier in de stad is. Een van de beste -voor «netelige» zaken.. Nee, moeder, die weelde hier in huis maakt me -benauwd. Ik zal leven van de arbeid van mijn handen, van mijn geest, -van eerlijke arbeid, moeder. En al ben ik niet vroom, ik zal toepassen -wat u me geleerd heeft: bid en werk, al vat ik dat bidden anders op dan -u. Bidden is voor mij gelooven in de onfeilbaarheid van mijn geweten en -de kracht van mijn wil, als die ’t goede beoogt: mij van het bewustzijn -daarvan doordringen, dat is voor mij bidden. En zulk een gebed wordt -verhoord.» - -Mevrouw Jensen staart haar zoon een paar sekonden met verbazing en -meewarigheid aan: ze kende haar jongen zoo niet. Wat ’n vloed van -woorden, wat ’n hartstocht! En zulke denkbeelden: die waren niet van -hem, die kònden niet van hem zijn! O, wat ’n onheil had die vrouw over -hem, over haar gebracht; ze had hem heelemaal behekst, van de wijs -gebracht met haar godslasterlijke ideeën! - -«Frans, wees toch niet zoo dwaas!» roept ze nog steeds schreiend. «Je -slaat door, je weet niet wat je zegt...» Dan, na even zwijgen en op -heel andere toon, angstig: «Wil je nu, nu dadelijk weg? En... vannacht -dan? Heb je zelfs wel geld, om een week te leven?» - -Haar waterige oogen blikken hem hulpeloos aan. - -«Och, Carolien, geef je toch geen moeite», valt Jensen in, die -onderwijl met een gezicht erbij gestaan heeft, als vond hij zichzelf -een held van lankmoedigheid. «Laat hem gaan: hij zal wel met hangende -pootjes terugkomen. ’t Zal een goeie les voor hem wezen. Let op mijn -woorden: hij komt terug. Laat hem maar’s wat armoei lijden: best voor -hem.» - -Frans verwaardigt zich niet, hier iets op te zeggen: hij kijkt alleen -even over zijn schouder: van die kant kan niets nieuws hem deren! - -«Nu, moeder,» hervat hij «maak u niet ongerust, hoor. Ik geloof vast -aan ons wederzien. Later! Geld heb ik niet noodig. Ik heb nog vrienden -ook...» - -«En vriendinnen, ha, ha!» kan Jensen zich niet weerhouden uit te -roepen. - -Frans noch zijn moeder letten op deze woorden. Hij heeft haar hand -gegrepen. - -«Ga... je nou heusch... heen... heen?» snikt Mevrouw Jensen. «Och, -jongen, bedenk je toch vóor het te laat is!» - -De jonge man valt haar in de armen. - -«Nu, dag, lieve moedertje. Ik blijf bij mijn besluit. Ik kan niet -anders. Ik zal altijd met liefde aan u blijven denken.» Een kus. «Tot -we elkaar weerzien.» Frans kust haar nog eens met groote haast -overdreven hartelijkheid. «Dag, moedertje, sterkte, hoor. Ik weet, dat -u ook aan mij zal denken: lief, zooals u altijd voor me geweest is.» -Zijn oogen worden vochtig. «Vaarwel, moeder.» En hij kust haar nog -eens, terwijl hij haar blijft omhelzen. De oude vrouw laat zich alles -sprakeloos en als versuft welgevallen. Een paar maal poogt ze haar zoon -te liefkoozen, maar de groote aandoening verlamt haar. - -«Kom, ga je nu?» vraagt Jensen op eens, zijn wrevel luchtend. «Dit -fraaie tooneel heeft nu al lang genoeg geduurd. Goeie reis!» - -Frans kust nog eens zijn moeder, richt zich op, en gaat schijnbaar kalm -naar de deur. Dan kijkt hij nog eens om. - -«Ik zal u schrijven, moeder», roept hij haar toe, en gaat de kamer uit. - - - -Nauw is de deur achter hem gesloten, of mevrouw Jensen staat op, en -doet aarzelend en weifelend een paar stappen, als wilde ze hem achterna -gaan. Dan richt ze zich naar de sofa, en gaat daar, heftig snikkend en -met haar zakdoek werkend, op zitten. Haar kapsel is door ’t een en -ander aan de eene zijde losgeraakt en een bosje sluike spichtige grauwe -haren warrelen haar over slaap en wang. Het schreien heeft haar -oogranden vuurrood gemaakt, en haar heele gezicht heeft iets -gloeierigs, dat de vervallenheid der trekken misschien nog sterker doet -uitkomen. Wie dit gelaat en deze povere gestalte samen zag met het -bloeiende nog zoo jongdoende uiterlijk van Mr. Jensen, en de flauwe -glimlach kon waarnemen, waarmee de laatste het in zijn oogen eenigszins -komisch misbaar van zijn vrouw waarnam, kon de indruk niet ontgaan, dat -die twee menschen als echtgenooten zeker ver vaneen stonden: dat ze -sinds lang bij elkaar, niet met elkaar moesten leven.... - -«Nou, dat heeft hij ’m geleverd, hé, dat zoontje van je?» zegt Jensen -en treedt op de schreiende toe. Er is een bedoeling van goedigheid in -de toon van zijn stem. - -«Ontzaggelijk veel aanleg voor komediant....» De ander slaat de oogen -op. - -«Och, Jensen» kermt ze «je moet niet zoo hard zijn.... je bent veel te -hard tegen die arme jongen geweest... Als hij nu ’s... as hij nu ’s... -werkelijk wegbleef?» - -«Ha, ha, ha! Ik geloof er niets van.» - -«Zou je denken?» Weer kijkt ze hulpeloos op, haar oogen zwemmend in -tranen. - -«Och, hij komt terug», antwoordt Jensen zoetsappig. «Hij komt terug. -Droog nu maar je tranen. Geloof me toch. ’t Is allemaal bombarie, -larie. Laat hem een paar maanden uitblijven.... Als hij genoeg van die -meid heeft, komt hij stellig weer terug. En dan.... in dit geval, nu -onze vrind ook voor zoo’n jengel van een kind te zorgen heeft, zal hij -er wel gauw genoeg van krijgen. Hij komt terug. Let op mijn woorden.» -Hij legt zijn hand op haar schouder. «Kom, kom, Carolien! Kom, wees nu -wijs.» - -De ander vermant zich en staat op. - -«Ik kan hem niet zoo laten gaan», zegt ze vol onrust. «Ik moet in alle -geval voor zijn goed zorgen. Hij is naar zijn kamer gegaan: pakt zeker -zijn boeltje bijeen....» - -Met haar ietwat moeilijke schommelgang richt ze zich naar de deur. -Jensen haalt de schouders op. - -Als zij ’t vertrek uit is, kijkt de achtergeblevene even in de -richting, waar ze verdwenen is en meesmuilt. Dan draait hij met de -linkerhand aan zijn knevel, vertrekt zijn mond weer in een lachplooi en -schudt een paar maal het hoofd. Daarna werpt hij zich met een bruuske -beweging op de sofa, slaat zijn linker been over het rechter, en haalt -zijn sigarenkoker voor den dag. - -«Ziezoo», mompelt hij, en steekt langzaam een sigaar op. Peinzend -staart hij de eerste wolkjes na. - -«Verd.... jongen» denkt hij «wat heeft-ie me daar een oogenblik van -streek gebracht! Wat ’n dolle aanstellerij! En om zoo iets. Nu, toen ik -jong was....» In de blauwe rook-spiralen van zijn havana doemen -aangename herinneringsbeelden vóor Jensen’s geest op: hij ziet ze vóor -zich, de vele blondjes en bruintjes, de slankjes en molligjes, die zijn -gunst mochten erlangen. - -«Toen ik jong was» peinst hij weer in de oude gedachte-stroom, «trok ik -me zoo’n liefdesgeschiedenis nooit zoo aan.... Hij kan trouwens doen -wat hij wil: hij mag ophoepelen voor mijn part. En als hij terugkomt, -opgepast. Een mooie gelegenheid, om Carolien weer geheel op mijn hand -te krijgen.» Jensen slaat nu ’t rechterbeen over het linker, en fronst -de wenkbrauwen, terwijl hij een paar sterke trekken aan zijn sigaar -doet. - -Ja, hij moet die jongen alles vergeven, zeker. Hij is wel dom geweest, -zich zoo te laten bang maken. Dat zaakje zal veel mooier afloopen dan -hij een oogenblik gedacht heelt... Maar hoe kwam die bliksemsche jongen -toch aan wat hij van hem wist?... - -Och, Carolien zou er toch niets van gelooven, al zag ze ’t met haar -eigen oogen... - -Hij richt zich even hoog op waar hij zit, en werpt met zelfvoldoening -een blik in de spiegel, tegenover hem aan de andere kant van de tafel. - -Weer volkomen in gemoeds-evenwicht blaast hij juist genoegelijk -rookwolkjes vóor zich uit, als de deur weer opengaat en zijn vrouw -binnen komt loopen. - -«Hij is al weg!» jammert ze. «Och God, hij schijnt al vooruit zijn -koffertje gepakt te hebben. Hij had misschien... zoo iets verwacht... -Ik kan ten minste nergens zijn koffertje zien. En Jacob zegt, dat hij, -zooëven met een koffertje of zoo iets in de hand de voordeur uitgegaan -is.» - -In hernieuwd schreien uitbarstend valt ze op een stoel neer. - -«Kom, vrouw», zegt Jensen gemoedelijk troostend, «maak je niet zoo -naar. De jongen verdient het niet...» - -Hij staat op en gaat bij haar staan, nadat hij zijn sigaar op tafel op -een aschbakje gelegd heeft. - -De ander blijft jammeren. - -«Ik zeg je, Jensen, hij komt... hij komt niet meer terug... Hij komt -niet meer terug...» - -«Dwaasheid.» - -«En als hij ’s terugkwam... als hij ’s tot inkeer kwam,... zou je... -zou jij hem dan alles kunnen vergeven? Hij heeft je zoo beleedigd..» De -betraande oogen kijken even op, om dadelijk weer het schreien te -hervatten. - -Jensen heeft zijn beste parade-toon, als hij grootmoedig antwoordt: - -«Of ik hem àlles vergeven zou? Wèl, natuurlijk! Ik denk er nauwelijks -meer over. ’t Is immers alles jeugdige overmoed... Opbruising van ’t -jonge bloed.» - -«Meen je dat, Jensen?» - -«Wel, zeker. Daar, mijn hand erop.» - -Ze neemt die mat aan, kijkt hem dankbaar aan. - -«Is ’t nu goed? Kom, ga nu maar naar je kamer, en neem wat rust. Je -zult spoedig van hem hooren. Ik heb nog zaken af te doen.... Kom, -Carolien.» Hij doet bizonder hartelijk, legt zijn eene hand op haar -schouder, en laat haar met zachte drang opstaan. - -«Och Jensen, wat ben je goed, wat ben je goed!» stamelt ze en met -wankelende stap verlaat ze weer het vertrek, om naar haar slaapkamer te -sukkelen. - -Als ze weg is, neemt Jensen weer zijn sigaar op. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - - -Toen Frans het ouderlijke huis in zijn groote opwinding verliet, wist -hij eigenlijk niet recht, wat zijn naaste toekomst-plannen waren. Hij -mocht niet langer samenwonen met zijn vader en moest met Marta een -«nieuw leven» beginnen, dat was ’t eenige waarvan hij zich bewust was, -maar tusschen die beide levens-stadiën lag een overgangstijdperk, dat -besefte hij volkomen, en juist hierin zat voor hem de moeilijkheid. - -In zijn overspannen geestes-toestand leek hem dat anders: dat zou wel -terechtkomen, meende hij: als hij maar eerst weg was, weg uit die -drukkende beklemmende atmosfeer bij zijn vader thuis! - -Vaag begrijpend, dat hij wat kleeren en geld noodig zou hebben «voor de -eerste tijd», had hij al ’t lijfgoed bij elkaar gescharreld dat voor ’t -grijpen en vinden lag in zijn kamer, en al het geldswaardige en in geld -omzetbare dat hij meedragen kon bijeengepakt. Zoo had hij nog een -zomerpak, een paar schoenen en eenige verschooningen uit zijn kleerkast -in zijn koffertje overgebracht; en afzonderlijk daarbij, vluchtig in -een papiertje gepakt: een brillianten das-speld—een geschenkje van zijn -moeder toen hij achttien jaar was geworden, dat hij niet meer droeg, -omdat hij ’t wat opzichtig vond—verder een oud zilveren horloge—op stal -gezet sinds hij in ’t bezit was van een gouden opvolger—en eindelijk -een kleine verzameling gouden en zilveren munten en penningen, nog uit -zijn jongenstijd—toen een ware schat, nu nog een aardig sommetje -vertegenwoordigend. - -De heele pakkerij had enkele minuten geduurd. Het laatste voorwerp, dat -in ’t koffertje ging, was ’t portret van zijn moeder. Dit haalde hij -uit zijn studeerkamertje, waar ’t in een rond lijstje aan de muur hing. -Uit dit vertrek hoefde hij verder niets mee te nemen. Buiten dat -portret was daar niets te vinden, waar zijn hart aan hechtte, behalve -dan zijn boeken. En die mee te nemen, daar was immers geen denken aan! - -Bij ’t afnemen van zijn moeders beeltenis dacht hij even aan de inhoud -der laadjes van zijn schrijftafel... och, dat kon alles blijven: wat -gaf hij om het pakje briefjes van Klaartje, en dat kiekje van haar! -Kalverliefde! Zijn moeder zou daar wel voor zorgen, en hij liet de -sleutels zitten. Er was niets van Marta: ze had hem immers nooit -geschreven, en een portret bezat hij niet eens van haar. - -’t Afscheid aan ’t oord, waar hij gewoonlijk maar zoo’n klein deel van -zijn tijd doorbracht, waar hij veel minder droomde van zijn liefde dan -in ’t vertrek daarnaast, zijn slaapkamer, kon hem dus niet zwaar -vallen. - -En hij was spoedig op straat, koffertje in de linkerhand, zijn paraplu -erop gebonden, zomerjas om, ondanks de vrij warme avond, en zijn -wandelstok in de rechter. - -Waarheen nu? Naar een hotel? Daar had hij al heel weinig zin in. -Geroezemoes en drukte vond hij in zijn gemoedstoestand afschuwelijk. En -dan: Amsterdam was per slot van zaken zoo groot niet, en ’t zou -uitlekken, dat de «jonge Meneer Jensen weggeloopen» was. Nee, hij moest -de stad uit, hoe eer hoe liever. Tegenover Marta was dat ook beter. Hij -was bang voor zichzelf: zou hij anders wel sterk genoeg zijn, om haar -nog een tijdlang te vermijden? En dat moest toch. Een eigenaardige -schuchterheid weerhield hem, om haar dadelijk op de hoogte te stellen -van ’t gebeurde, ondanks zijn afspraak en hoezeer zijn hart ook naar -haar trok. Hij moest haar allengs voorbereiden. Eerst schrijven -bijvoorbeeld. En dan uit een andere stad, ja, hij moest naar Leiden, -naar Frederik... Die kon hem wel logeeren. Dat was een idee! - -Frans bedacht zich, dat hij in de zes maanden van zijn kennismaking met -Marta, zijn vriend Frederik Van Elst geen enkele maal geschreven had, -ook niet in antwoord op diens drie zoo echt joviale hartelijke brieven. -In de laatste had hij schertsenderwijs met «vergetelheid» gedreigd, als -Frans hardnekkig bleef «negeeren». En toen Frederik eenige dagen later -te Amsterdam over was geweest als gedelegeerde van ’t Leidsch -studenten-corps had Frans de gelegenheid laten voorbijgaan, om hem eens -te ontmoeten; want toen de Leidsche student zijn oude schoolkameraad ’s -middags op zijn eigen kwartier kwam opzoeken, liet Frans zich -excuseeren: een college dat hij onmogelijk verzuimen kon... Ja, hij -dacht er nu met schaamte aan. Toch moest hij even lachen. ’t Was wel -fijn uitgedrukt, ofschoon... ’t was een heel bizonder «collegium». En, -al wist hij heel goed, dat - - - tres faciunt collegium - - -voor dit geval had hij duo volkomen voldoende gevonden, en de tweede -van die beiden was niet de professor geweest, die op bedoelde middag -zijn wetenschap aan zijn jongeren mededeelde... - -Toch zou Frederik hem met vreugde inhalen. O, zeker. ’t Was een beste -kerel, die Frits. En hij zou rekening houden met de heel bizondere -omstandigheden. Ja, ja, Frits was de eenige, aan wie hij alles haarfijn -zou kunnen vertellen. O, hij voelde behoefte daaraan. Dat zou hem -opbeuren, nieuwe kracht geven, om voort te gaan op zijn eenmaal -ingeslagen weg. Frits zou hem immers begrijpen, Frits zou ’t -toejuichen, dat hij gevlucht was uit zijn vaders huis, als hij alles -wist. Misschien kende hij Marta wel—althans van naam—want hij studeerde -immers ook in de medicijnen. Hij «zat nu voor zijn doctoraal». - -Stellig, naar Frits moest hij. Hij zou hem vragen, eenige dagen bij hem -te mogen logeeren. Dan zou hij verder zien. - -Met deze gedachten vervuld wandelde hij door Amsterdams avondstraten: -Leidsche straat, Koningsplein, Heiligen-weg. En voordat hij ’t wist, -herinnerde het gedrang—’t was Zaterdag—hem eraan, dat hij in de smalle -Kalverstraat was aangekomen. Hij keek op zijn horloge: vijf minuten -voor half negen: nog juist tijd, om aan ’t hoofdkantoor een telegram te -bezorgen. Hij moest Frits toch even bericht zenden... En dan dadelijk -naar de trein: de paardetram van de Dam zou hem nog juist vóor ’t -vertrek van de trein aan ’t Centraalstation brengen. - -Frans reisde derde klas. Dat was de derde keer in zijn leven, dat hij -anders dan eerste gereisd had; de beide vorige keeren vielen in zijn -jongenstijd, toen hij met een heel gezelschap kameraden van school -eenige wagen-afdeelingen gevuld had. Nu was ’t volkomen vrije keuze. -Hij was immers een nieuw leven begonnen, had gebroken met alle -overbodige weelde, onder ’t volk wou hij zich bewegen, als een werkman! - -Hij was immers zelf een werkman, wilde een arbeider zijn, die eerlijk -zijn kost verdient. Nu wel nog niet, maar dan toch spoedig, heel -spoedig. En voorloopig wilde hij zich wennen aan zijn nieuwe -levens-opvattingen. - -Hij zette zich in een hoek. Naast hem vleide zich een reuzinne-gestalte -neer met breede rokzwaai: een Zandvoortsche vischvrouw. Haar -ontzaggelijke mand, waarin zeer blijkbaar visch gehuist had, zette ze -tusschen haar en hem op de bank neer. Weldra bereikte de uitwaseming -van de mand Frans’ neusgaten. Wat gaf hij er om! Was die vrouw niet een -eerlijke arbeidster, een braaf werkmensch, zooals hij er ook een wezen -zou, al was ’t dan op ander gebied? En de visscher tegenover hem met -zijn groote klompen, die hij telkens verzette, zoodat Frans zijn -«molières» ieder keer voor platdrukken moest behoeden, met zijn -stinkstok, die hem in ’t gelaat mengelingen van tabak- en vischgeur -deed zweven? - -Ook een eerlijk broodverdiener. Dat kon hij hem aanzien. ’t Stond te -lezen in zijn stoere lichaamsbouw en in zijn heldere trouwe blauwe -oogen. En de twee Joodsche handelsreizigers, weldra in druk gesprek, -ook al rookend, dat het een aard had; waren dat ook geen nijveren, -duizendmaal eerlijker dan zoo menige mooidoende Christen, die hij in -zijn stand kende? De kerels namen ’t er eens van; ze rookten een -sigaartje na hun vermoeiende dag, en vermaakten zich met een onschuldig -praatje. Frans maakte de verrassende ontdekking, dat hij zich aangenaam -voelde in dat gezelschap. Voor ’t eerst van zijn leven. - -Toch sloot hij na een poosje de oogen, en gaf zich aan zijn gedachten -over. - -Toen hij te Leiden vlak vóor de woning van Frederik Van Elst stond -bedacht hij voor ’t eerst, dat het wel wat laat was.... - -Nou ja, Frits had zijn telegram.... - -«Juffrouw, meneer van Elst thuis?» - -«Nee, meneer.» - -«Zoo? Heeft meneer mijn telegram niet ontvangen?» - -«O is uwes meneer Jensen uit Amsterdam?» - -Frans trippelde van ongeduld. - -«Ja» zei Frans kortaf. - -«O, komt uwes dan binnen. Meneer heit gezeid, u zou maar op meneer -wachte. Meneer is seffens thuis.» - -«Zoo,» bromde Frans, ging de gang in, en de trap op. - -«U weet de weg?» De juffrouw verdween, om de lamp aan te steken. - -Jawel, hij was er kort vóor zijn eerste ontmoeting met Marta nog -geweest: de kamer op de eerste verdieping vóor aan de gracht. - -De jonge man trad binnen, keek eens rond. Weinig veranderd: dezelfde -eenvoudige studentekamer met de oude mahonie-houten meubels, de -gaskroon, de ontzaggelijke canapé, met zwart leeren zitting en dito -stoelen, de schrijftafel met de studeerlamp erop; de boekenplanken met -de groene gordijnen en het Minerva-beeld. Daarover een breed rood lint -met insigne. In een hoek het geraamte, zooals bij iedere «medicus», -onder het sergekleed, en dan de flesschen met griezeligheden op sterk -water. Frans keek er met een bizondere blik naar, deze keer. Hij dacht -aan zijn stormachtige middag op een andere studentekamer. - -Hij vleide zich in een der banale zwart-glanzende vouwstoelen bij het -raam, met het onvermijdelijke sluimer-kussentje; keek nog eens rond, -uit pure verveling. Wat ’n ongezellige inrichting, dacht hij. Anders -bij Marta! Wat ’n platen, daar aan die wand! Hoe kon Frits ze dulden! -Vreemd dat hij daar vroeger nooit zoo op gelet had... De eene stelde -een dwepende juffrouw aan een blauw meer voor, de andere daartegenover -een vrijend paartje in een bootje, ook al op een meer bij maanlicht. -Wat ’n huilerige weeë gevoelerigheid van de ouwe doos! Van de -«schilderijen» dwaalde Frans’ blik naar het gebloemde rood-en-groene -behang. Afzichtelijk! En die spiegel met al de kaartjes, programs, -portretten zelfs... Hoe onoogelijk! En dan die staande klok met het -vergulde amortje met boog en pijl, en de stolp daaroverheen, de -vergulde kandelabertjes aan weerskanten. Onuitstaanbaar alledaagsch -plat prozaïsch zot! Geen gezelligheid, geen smaak... nergens een spoor. - -«He» zei Frans en stond op met een trek van ergernis op zijn gezicht: -hier kun je ook duidelijk zien, dat de ziel ontbreekt, dacht hij. De -ziel! Dat is de lieve vrouw, die... Arme Frits: een moeder of zuster -had hij niet, en overigens zou ’t nog wel ’t zelfde met hem zijn als -voor een half jaar. Frits dacht heel diepzinnig over de vrouwen, kon er -heel ernstig over «hannesen» hij mocht «de vrouw in abstracto» wel, -maar in werkelijkheid meed hij ze liever. De exemplaren, die je zoo -zag, waren meestal «niet veel zaaks.» Zoo’n enkele, nou ja... Och nee, -hij hield er zich liever niet mee op... - -Frans glimlachte, terwijl hij het groene gordijn der boekenkast met een -rukje opzij schoof, en afgetrokken naar de titels der rijen boeken -keek. Och, die Frits hield zich groot... Schuwheid en schuchterheid -altemaal, verborgen onder een schijn van geringschatting; een vertoon -van ruw cynisme... De ware zou voor hem ook nog wel’s komen; dan zou -je’s zien, hoe de man veranderde. Zoo’n kerel, met zoo’n hart als goud, -zoo door-en-door goed en warmvoelend, in zijn binnenste zoo innig -liefde-behoevend... die kòn immers op den duur niet buiten vrouwelijke -invloed leven! Och, hij kende hem zooveel jaren, en nog altijd die -komische ruwheids-aanstellerij. Hoe menig keer had Frans er hem om -uitgelachen. En dan die tegenstrijdigheid nu en dan, je moest zoo’n -brief ’s van hem lezen, zooals de laatste bijvoorbeeld... - -Frans nam onwillekeurig een boek in de hand. Een atlas van -huidziekten... gekleurd! Sloeg ’t met een klap weer dicht, zette het -weer weg. Kinderachtig eigenlijk. Marta moest toch ook diezelfde dingen -bestudeeren. En wat was die studie anders dan een vorm van hooge -menschenliefde... Hij nam een ander boek, een heel dik boek ditmaal, -ook met illustraties. Hij bladerde erin. Keek eens naar de -titel—«Geburtshilfe»—en bladerde nog eens. Bleef lezen en was weldra -verdiept; terwijl hij staan bleef bij de kast. Vreemde, nooit gekende -aandoeningen doorhuiverden hem. Hij dacht aan een jonge vrouw en haar -lijden in de eenzaamheid, de ellende harer verlatenheid bij al haar -lichamelijke smart. En hij zag haar vóor zich, zooals hij haar die -middag op haar kamer had gezien, in haar wondere berusting, haar -frissche levensmoed. «O, Marta!» mompelde hij onwillekeurig, en hij -voelde zijn oogen vochtig worden. - -Hij las verder, met kloppend hart. Zijn wangen gloeiden, zijn vingers -omklemden de band van ’t boek met krampachtige vastheid. Zoo, staande, -bleef hij lezen, de eene bladzijde na de andere, onweerstaanbaar -geboeid, gekluisterd door ’t onderwerp in zijn koel-bezadigde -uiteenzetting, overmand door ontzag voor ’t mysterie der geboorte. - -«Zoo!» klonk opeens een vrij ruwe, maar vroolijk heldere stem. «Ben jij -aan de studie?» - -Verschrikt en als verdwaasd keek Frans op. ’t Was Frederik. Haastig -zette hij ’t boek weg. - -«Och,» antwoordde hij een beetje verlegen «ik heb uit verveling maar -een van je boeken opgenomen.» - -«Je scheen er nogal in verdiept. Wel, wel, je hebt je dus niet te erg -verveeld.» De vrienden schudden elkaar de hand. - -De gastheer nam zijn late gast nauwkeurig op, keek hem strak aan. - -«Ga daar zitten. Je hebt me zeker niet kwalijk genomen, dat ik je zoo -ontvangen heb?» - -Frans schudde lachend het hoofd, zette zich bij de tafel. Frederik -bleef staan. - -«Zeg’s, is er wat bizonders met jou? Zeker wel... Maar je zult -misschien moê en dorstig zijn. Wat gebruiken? Een glas wijn, bier of -wat anders?» - -«Och nee, dank je... Of... jawel, geef me maar wat wijn en water... Je -hebt mijn telegram dus behoorlijk ontvangen?» - -«Nou ja, natuurlijk... Zoo erg behoorlijk anders niet.» - -De jonge medicus scharrelde in zijn buffet, bracht het noodige te -voorschijn, en zette het op de tafel. Onderwijl wierp hij een steelsche -blik naar zijn vriend. - -«Zoo,» zei Frans «wat laat, he? Och, maar kerel, ’t is ook zoo’n -bizonder geval.» - -«Zal wel.» - -«Ja, dat is ’t: ik was je anders niet zoo lastig gevallen.» - -«Och, dat nou niet. Je bent welkom, natuurlijk. Wij zijn zulke ouwe -vrinden.. Maar zeg, wat is er nou eigenlijk? Je ziet er zoo vreemd uit, -zoo miserabel, zou ik haast zeggen.» - -Frans nam een teug wijn en water, lette er niet op, dat de ander niet -meedronk. - -«Een beroerd geval ook, Frits: eenig in mijn leven.» - -«Verliefd?» - -Frederik ging eindelijk ook zitten, stak een sigaar op, keek Frans weer -strak aan. Deze haalde de schouders op, lachte bitterzoetjes: - -«Dacht ik ’t niet? Je schrijft zoo zes maanden lang niet, negeert me -dood-gewoon. En dan ineens zoo’n nachtelijke overval... Maar vóor we -verder gaan: blijf je hier logeeren, ik bedoel hier bij mij?» - -«Ja, liefst wel. Als ’t kan ten minste...» - -«Alles kan. Ik zal ’t even de juffrouw zeggen; ik zal zien, dat ik ’t -’m lever.» - -Frederik ging even de kamer uit, vond ’t wat laat om te schellen. Toen -hij terugkwam, zat zijn gast met de eene hand onder het hoofd. - -«In orde, hoor. Ik snap ’t best: je bent liever niet onder vreemden, -he?» - -«Nee.» - -«Kom, vertel nou ’s op. Lucht je hart! Is ’t heel naar?» - -«O, kerel...» - -De jonge medicus zette zich tot luisteren. - -Daar kwam ’t heele verhaal van zijn vriends wedervaren op de afgeloopen -dag, bij stukken en brokken, hartstochtelijk en onsamenhangend; in -korte, vaak afgebroken zinnen, naïef-oprecht en soms teeder als de -biecht van een heel jong meisje, nu en dan wild als de klacht van een -ijlende koortslijder. - -De ander luisterde aandachtig, knikte alleen af en toe, of gaf een -enkel «hm» van instemming of begrijpen, met een kleine -wenkbrauw-rijzing of lipvertrekking. - -«Daar, nou weet je alles,» eindigde Frans zijn verhaal En hij keek -Frits in ’t leuke ronde kale blozende gezicht. - -De laatste bleef nog enkele sekonden zwijgen, kneep even de kleine -oogen met de witte wenkbrauwen bijna dicht, en liet daarna de huid van -zijn vrij hoog voorhoofd met de witte wenkbrauwen en het kort gehouden -witte rattekop-haar een schuifbeweging naar boven maken. Toen gingen de -wenkbrauwen nòg iets op, de snorlooze lippen drukten zich heel vast -op-een. - -«Ezel!» klonk het kortaf en strak. - -Het bedrukte gezicht van Frans met de vragende uitdrukking in mond en -oogen, vormde een typisch tegenbeeld met de iet of wat clown-achtige -tronie van zijn vriend. - -«Ja, een voorbeeldelooze ezel, een stomme «feutus», of eigenlijk een -zeekwal—want die heeft geen hersens—en laat zich door het eerste het -beste stroominkje in ’t water maar losweeken en meedrijven.» - -Frits was opgestaan en liep met zijn sigaar tusschen de tanden geklemd, -scheef in zijn mond, door de kamer. - -«Zoo» zei de ander, toen hij begon te bekomen van zijn verbazing. - -«Jij bent...» - -«Zwijg... Kom je om raad bij me, of hoe heb ik ’t met je?» - -«Ja, goed» mokte Frans. - -«Luister dan. Je gaat nou naar bed en morgen as de bl.... naar je vader -terug. En heel in de vorm je excuus maken.» - -«Onmogelijk!» - -«Wat wou je dan? Heb ik nou geen gelijk, als ik je hersen-capaciteit -gelijk nul stel? Zeker naar Marta?» - -«Och, natuurlijk niet!» - -«Op je zelf gaan wonen, ergens in Amsterdam?» - -«Of in ’t buitenland.» - -«Je hebt zeker geld genoeg.» - -«Nou ja, een half jaar zal ik ’t wel kunnen uithouden.» - -«En dan?» - -«Dan kan ik werken...» - -«Ha, ha, ha, jij werken! Wat? Schrijven zeker?» - -«Waarom niet?» - -«O ja, dat’s waar, ik heb wel eens een stukje van je gezien in onze -Minerva en je Amsterdamsche Studenten-almanak. Niet zonder talent. Hm, -jawel.» - -«Ik kan me oefenen. Aan een redactie van een blad...» - -«ja, ja, zeker, aan zoo’n blad kun je in ons land na een jaar of tien, -vijftien soms een behoorlijk inkomen verdienen. En in ’t buitenland sta -je verkeerd met je taal. In ons land is schrijverskunst al heel laag -aangeslagen: de staat doet er niets voor... Kijk ’s naar zoo’n -Rijksmuseum. En de andere kunsten. En het publiek? Dat maalt immers wat -om «vaderlandsche» letteren.» - -«Ik verlang geen rijkdom. En later heb ik toch mijn erfdeel.» - -«Je zeurt, vriend Frans. Je vertelt me, dat je ’t een half jaar kunt -volhouden. Daarna begint je ellende; want ik voorspel je, je kunt niet -van je pen leven, behoorlijk tenminste niet. Zeker niet getrouwd. En -dan... Nee, laat me uitspreken. En dan trouw je toch, natuurlijk. En ’t -slot van de geschiedenis is, dat je... dat Marta jou onderhoudt.» - -Frits was vlak vóor zijn vriend blijven staan, keek hem strak in de -oogen. - -«Dat zou ik nooit dulden, dat snap je toch ook wel.» - -«Dulden, dulden... maar als je eenmaal samenbent... Nee, baasje: doe -wat ik je geraden heb. En zie de kat uit de boom. Haast heb je immers -niet...» - -«Onmogelijk,» mompelde de ander, die ondanks zijn verzet de logica van -Frits ongemakkelijk vond. - -«Je moet het zelf weten.» - -«Ik kan niet langer thuis zijn.» - -«Nou ja, slaap er maar ’s over. Je bent moe en overspannen: je moet -naar bed. Slaap nu maar een gat in de dag morgen. En dan kun je nog -zien. Goeie nacht, hoor. Ik ga naar kooi. Zal ik jou je -slaapgelegenheid wijzen?» - -Frans liet zich leiden, mak als een lammetje. Hij had nog nooit te -voren zoo goed—zoo onprettig—gevoeld, dat Frits met zijn twee jaar -meerderheid in leeftijd, ook verstandelijk zijn meerdere was. - - - -Na een tien-urige rust, waarin zijn jeugdig frisch gestel alle schade -ingehaald had, nam Frans afscheid van zijn gastheer. Hij liet deze in -het onzekere aangaande zijn eerste plannen. - -Weer te Amsterdam besloot hij even bij Marta aan te gaan. ’t Was toch -beter, haar alles te vertellen. Zeker, natuurlijk: hij moest haar zelf -alles meedeelen. En zij was immers verstandig, zou hem sterken in zijn -voornemens. - -Hij gaf zijn koffertje af in een klein hotel, waar hij een kamer nam, -en stapte op de tram, die hem naar de straat zou brengen, waar Marta -woonde. - -Ze was niet thuis: uit de stad, zei de huisjuffrouw, die hem nauwelijks -te woord wilde staan. Waarheen wist ze niet. - -Frans begreep gauw, dat Marta haar kind was gaan opzoeken. Wat zou hij -daar zelf graag heengaan, haar daar gadeslaan in haar omgang met dat -kind! ’t Was een onmogelijkheid, voor ’t oogenblik ten minste; want -blijkbaar hield zij ’t voor iedereen geheim, waar ze de kleine jongen -in de kost gedaan had. - -Mistroostig bracht Frans eenige uren in zijn hotel door met het lezen -van kranten. ’s Avonds om een uur of acht zond hij een kruier met een -briefje, waarin hij haar een ontmoeting bij Kras voorstelde. - -Een half uur vóor de afgesproken tijd stapte Frans de welbekende ingang -van Krasnapolski binnen. Een gegons van stemmen en voetgeschuifel, -getik van vorken en lepels, geklik en gestoot van flesschen glazen en -borden klonk door de groote ruimte der eetzaal met het hooge glazen dak -en de weelderige plant-versieringen. De lucht was nog bezwangerd met -een eigenaardig weezoet-zurig mengsel van etensgeuren en uitwasemingen -van wijn, bier en andere dranken. Kelners met helder-witte voorschoten -liepen af en aan met hun bladen, flesschen en glazen, handig sturend -door de rijen gedekte en ongedekte tafeltjes en de daartusschen -wemelende menschendrukte. Aan enkele tafeltjes zat men nog te eten of -onder een glas wijn na te praten, aan de meeste werd slechts gedronken -of een gelegenheids-lekkernijtje verorberd. Eerzame «kleine -luiden»—man, vrouw en eenig kroost, deden zich te goed aan de beroemde -pannekoeken van Kras, vader ernstig beschermend, moeder goedig -vollemaan-achtig, kinderen stralend van uitgaans-vreugde. - -Frans keek met afgetrokken blik naar al dit leven om hem heen, terwijl -hij aan een tafeltje dicht bij de ingang plaats nam. Hij dacht aan de -keeren, dat hij met Marta daar in diezelfde zaal gegeten had: daar -schuin aan de overkant dicht bij de doorgang naar de zoogenaamde -«Wintertuin» achterin. - -Zondagavond was hij er nog nooit geweest. ’t Was er wat erg «balsemiek» -roezemoezig: zou hij wel blijven, als Marta kwam, of dan ergens anders -heengaan? - -Telkens keek hij naar voren. Marta was erg stipt, ze zou wel niet lang -meer uitblijven. He, nog tien minuten: ging zijn horloge niet goed? -Wonderlijk: hij verbeeldde zich, daar al zoo’n heele poos te zijn! - -Daar zag hij een dame zonder geleide, met lichte bloeze, stroohoedje... -of hoorde die vent bij haar, met die hooge hoed en dat zotte -zondagsgezicht? Och ja, hoe kon hij zoo dom zijn! Maar er drongen ook -zooveel menschen tegelijk naar binnen op dat oogenblik, en hij keek -door de glazen deur, die telkens open en toe zwaaide. Onwillekeurig -moest hij lachen: dat Marta! Hoofd en bovenlijf deden aan haar -denken—in de verte!—maar die gang, die voeten! - -Daar was ze dan toch werkelijk: hij kon haar duidelijk waarnemen, ze -was alleen in de gang. - -De glazen deur werd opengestooten en vlug, rank en bevallig stapte het -kleine vrouwtje de groote zaal in. Frans deed, of hij haar niet zag: -hij woû ’s opletten, of ze hem dadelijk zou opmerken. En hij verborg -zich achter een krant, tersluiks erlangs kijkend, om haar niet uit het -oog te verliezen, als ze hem voorbij mocht loopen. Wat zag ze er lief -uit! Wat keken haar levendige oogen helder en opgeruimd, wat stond die -lichtpaarse bloeze met die donkerbruine voetvrije rok haar keurig! - -Met vlugge stapjes liep Marta de doorloop in, die langs Frans’ tafel -leidde, week hier en daar uit, met harmonisch lijfbeweeg. Ze zag hem -niet! Of deed ze zoo, de schalk? Reeds was ze een paar pas voorbij zijn -plaats. - -Hij sprong op, stapte haar achterna, had haar weldra ingehaald. - -«Marta!» riep hij halfluid, om de menschen, stootte haar even aan. En -zij, alsof ze schrok: - -«Wel Frans!» Ze keken elkaar aan, en bij de ontmoeting hunner blikken -blonk er een hartelijke lach in beider oogen. - -Een oogenblik later zaten ze samen aan een tafeltje in ’t achterste -zaalgedeelte, in ’t oude hoekje, dat gelukkig vrij was. Wat waren ze -blij elkaar terug te zien, en veilig eenzaam, ondanks ’t zondagsche -geroezemoes der Kras-bezoekers om hen heen! - -’t Was zulk een genot, elkaar weer te zien! Beiden zagen er goed uit, -en voelden ’t jonge leven moedig en hoopvol in zich bruisen. Frans -dacht niet meer aan bezwaren. Hij vertelde ’t gebeurde. De manier was -heel anders dan bij zijn vriend Frits. - -Marta’s hart popelde: o, ze begreep ’t heel goed, hij kon nu niet meer -terug. Haar verlangen, haar dorsten naar geluk na die jaren van -harts-verweezing, overstemde alle verstandelijkheid. - -Ze spraken beiden zacht, bijna fluisterend. Zij knikte telkens, met -stralende oogen hem aanziende. Of ze zei: «Ja.. zeker.» En toen Frans -uitgesproken had, greep hij haar hand, naast het tafeltje, bijna -eronder. - -«Ik kan niet langer zonder jou leven, Marta,» zei hij zacht. - -Een kelner kwam op hen af. Frans liet Marta’s hand los, bestelde -haastig wat. - -«Twee koffie... Jij ook immers, Marta?» - -Zij knikte. - -«Hoe is t met.... waar je geweest ben vandaag?» - -Marta kleurde. - -«O best... Hij maakt ’t heel goed.... Ik had behoefte hem te zien -na.... onze verklaring.» - -Frans keek haar zwijgend aan. - -«Ik woû hem in ons geluk laten deelen, Frans. Ja, lach jij maar. Ik heb -dat op mijn manier wel gedaan gekregen....» - -«We moeten zoo spoedig mogelijk weg,» zei de jonge man. - -«Alle drie....» - -Marta knikte, zielsgelukkig. - -«Ik zal werken, hard werken. En we zullen er wel komen.» - -O ja zeker: daar was ze niet bang voor. Haar praktische kijk op ’t -leven deed haar twijfelen aan de groote verwachtingen van haar vriend. -Hij zou in de eerste tijd niet veel verdienen.... Maar wat zou dat nòg! -Zij had genoeg, al was ’t niet veel. Gaf hij haar niet zijn steun, zijn -bescherming als man, zijn edele toewijding aan hun beider belangen, aan -de hare en die van haar ongelukkig kind? Opende hij haar niet een -toekomst van geluk? - -Ze was vrouw en ze was jong.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - - -Weer zaten ze met hun beiden aan éen tafeltje, ditmaal was het in de -veranda van een vrij groot hotel in een Duitsche universiteits-stad. Ze -hadden tien uur sporen achter de rug. Waren beiden vermoeid. De heele -maaltijd over had het gesprek gekwijnd. Beiden waren vol van gemoed, op -nooit gekende wijze ontroerd door ’t besef van hun daad: deze intrede -in hun gemeenschapsleven. Hun huwelijk. - -Frans zat achterover in zijn stoel, die hij een beetje achteruit -geschoven had, nog met zijn servet op schoot, en staarde naar buiten. -’t Was acht uur, en de schaduwen begonnen te vallen over het geboomte -en struikgewas in ’t stille tuintje vóor hem. Een poeierig rozig licht -deed rechts op de achtergrond tegen de tuinmuur het glas der kassen -vurig tintelen, en wierp een sprank van goudgloed op de groote -zwart-glazen bol op het middelste bloembed. - -Zij waren de eenige gasten, die nog in de veranda zaten. Van binnen, -uit de groote eetzaal, klonk piano-muziek, een wals, en nu en dan -ertusschen gegons van pratende menschen, overgeblevenen van de «ronde -tafel». Frans en Marta hadden de stilte gezocht, hadden beiden ook geen -lust gehad, toilet te maken, en, na zich wat opgeknapt te hebben, hun -luchtige reiskleeding aangehouden. - -Marta waagde een elleboog op tafel, steunde het teekenachtig kopje op -de eene hand. - -«Waarom rook je niet, Frans?» vroeg ze opeens opkijkend. - -«Och.... ik heb geen trek.» Hij bleef naar buiten staren en zag niet, -dat Marta even kleurde. - -«Slaapt de kleine vent rustig?» vroeg Frans na eenige oogenblikken. - -«O, als een roos.» - -«Zal ik ’s even gaan kijken?» - -«Jij?» - -«Ja zeker, waarom niet? Hij slaapt zoo alléen....» - -«Nou ja, daar is hij aan gewend! En hij vond ’t wat aardig, zoo’n mooi -kamertje te krijgen....» - -«’t Is alles zoo nieuw en vreemd voor hem.... En hij slaapt in zoo’n -groot bed.» - -De jonge man was al opgestaan, blij dat hij een voorwendsel had, al -maakte hij zichzelf wijs, dat het louter belangstelling was voor zijn -pleegkind. - -Hij wendde zich nog even tot Marta: - -«Blijf jij hier zitten? Ga je niet naar binnen?» - -«Nee, nee.... ik wacht hier wel op je.» - -Ze kijkt hem lachend na. Dan, naar de tuin gekeerd, tuurt ze in de -avondvredigheid. De wals binnen klinkt nu zacht en slepend. Ze kende -hem: ’t was de zoogenaamde «valse mélancolique» van Chopin. Goed -gespeeld, heel goed.... Is ’t een man die daar speelt?.... O nee, ’t -moet een vrouw wezen: die zoo echt vrouwelijke muziek kan alleen door -een vrouw zóo innig gespeeld worden.... waar had ze die wals toch ’t -laatst gehoord? O ja, in ’t Concertgebouw in Amsterdam.... die avond, -dat ze Frans ook gezien had, een maand zoowat na hun eerste ontmoeting. -Ze hadden elkaar toen even gegroet, heel uit de verte.... O ja, dat was -die Fransche pianist... Heerlijk, heerlijk.... Deze speelt ook bizonder -goed.... Ze geeft zich geheel aan de weemoedsbekoring der tonen. Opeens -voelt ze een hand op haar schouder, kijkt verrast op, als ontwakend. - -«Kom, Marta, ga jij nu maar rusten. De kleine slaapt lekker: hij zal -wel moe geweest zijn, arm kereltje! Maar jij zult het ook zijn. Ga je -nu?» - -Ze blijft even besluiteloos. - -«Ja, wat dunkt je? Maar.... ben jij dan niet moe?» - -Weer kleurt ze. Frans ziet ’t. - -«Nou ja.... een beetje. Ik ben sterk.... kan ertegen!» - -«Ben ik dan soms zoo’n poppetje? Dat is ook wat!» - -«Nee, maar je hebt slaap, dat zie ik aan je oogen.» - -«Och kom!» - -«Zie je wel? Je gaapt al.» - -Werkelijk houdt Marta even de hand vóor de mond. - -«Je hebt gelijk» zegt ze. En er vliegt een trekje over haar gelaat, -zooals Frans het zoo goed kende: het lichtglansje van innige -vriendelijkheid, dat haar gansche gezichtje opklaarde, als ’t een -oogenblik te voren wat stroef en strak gestaan had. Ze had een van die -vrouwentypen, welke door zoo’n gemoeds-uitstralinkje plotseling veel -vermooien, als toonde zich dan opeens hun ware lieve innerlijkheid ten -volle. - -Ze staat op, lacht weer, zegt een mislukt grapje: - -«Je bent mijn man, en ik moet gehoorzamen...» Daarna blijft ze nog -dralen. - -«Tot straks.... ik kom later wel. Rust jij maar. Daar staan wipstoelen. -Ik ga naar de muziek luisteren.» Hij wees naar een ander deel der -veranda. «Ik ga nog wat «klimaatschieten», zooals ze in Indië zeggen. -Ik heb nog heelemaal geen slaap, heusch. ’t Is ook nog veel te vroeg.» - -Hij kijkt op zijn horloge. Zij staat vlak bij hem, zwijgend. Hij trekt -haar naar zich toe, en kust haar innig. - -«Over een paar uurtjes... als je rustig slaapt, kom ik ook. Ik zal geen -leven maken.» - -Ze kijkt hem aan, met haar stralende vriendelijkheid. - -«Naächt!» zegt ze zacht, en verdwijnt door de deur in de veranda, die -naar de gang leidt. - -Frans slenterde naar een der wipstoelen in ’t andere deel der veranda. -Daar ging hij zitten, strekte zich behagelijk uit. - -Hij verbeeldde zich, dat hij trek in een kop thee had, en riep om een -kelner. Toen de man het bestelde bracht, was hij vergeten, dat hij erom -gevraagd had. Hij dronk een teug, en liet de rest staan, spreidde de -handen met de vingers over elkaar, en leunde weer achterover. Wat -voelde hij zich vreemd te moede! En toch, dat was immers geluk, ’t -groote geluk dat nu gekomen was? Hij had ’t aanvaard met zijn gansche -hart: hij aanbad immers Marta. En ’t besef, dat hij haar verlost had -uit een leven van gemoedsverkerkering, dat deed zijn boezem zwellen van -zoete zelfvoldoening en teederheid... Vier dagen van opgewonden, druk -beredderen en plannen maken waren ’t geweest, die laatste, die ze samen -nog te Amsterdam hadden doorgebracht; des daags de straten afloopend, -om bestellingen te doen, steeds samen; of samen naar de kostmenschen -van de kleine jongen buiten, bij elkaar de maaltijden gebruikend bij -Kras, en alleen ’s nachts gescheiden, Frans in zijn hotel, zij op haar -kamer... Marta was opeens veel spraakzamer geworden, veel opgewekter, -en de jonge man sloeg die verandering gade met een deelname aan haar -gevoelens, die hij alleen liet blijken door een blik, een liefkoozing -of een warmer toon in zijn woorden. Hij had in stilte gejubeld over -deze vrijmaking van twee menschen, deze herleving, die immers óok zijn -wedergeboorte was. - -Maar aan dat alles dacht Frans nu niet met klaarte. - -De bonte wisseling van indrukken en aandoeningen der laatste dagen ging -thans vervaagd en verdoezeld opnieuw zijn geest voorbij, zonder orde of -evenmaat. ’t Kon hem niet schelen, nee, hij wilde het zoo: hij wilde -zich dompelen in die weelde als de half-ontwaakte, die genotvol -terugzinkt in een droom, waarvan hij de bizonderheden flauw beseft, -waarvan hij alleen ’t heerlijke voelt. - -Zoo dommelend en droomend zat Frans met half-dichtgeknepen oogen, soms -opturend naar de mooie heldere zomerhemel, waar de sterren zich -begonnen te vertoonen. - -Frans was anders geen droomer. Er was nu ook iets anders, dat hem dreef -tot deze voor hem zoo ongewone mijmerij, heel iets anders dan de lust -tot overpeinzing van zijn nieuw geluk. Hij voelde een groote -schuchterheid. Hij, vroeger de losse, vroolijke student, nooit -verlegen, ja overmoedig-vrij of onverschillig in ’t gezelschap van -fatsoenlijke vrouwen of meisjes, en «door de wol geverfd» wat de omgang -met de andere soort betrof, hij was nu schuchter, haast bang voor het -eerste nachtelijk samenzijn met zijn vriendin. Zijn eenige ware -vriendin, zij wier intiemste gedachten en gevoelens hij meende te -kennen! Nu zijn vrouw... - -Afschuw en walg hadden hem altijd weerhouden, om, gelijk menigeen van -zijn kennissen onder de studenten, minnehandel te zoeken van veilen -aard. Zelfs in zijn meest opgewonden «fuif-stemming,» wanneer de wijn -hem overigens van de wijs gebracht had,—en soms op de meest -dubbelzinnige oorden van verstrooiing of vermaak—bleef Frans in dat -eene dezelfde. En ook in de grootste kalmte, er over redeneerend met -zijn vrienden—op naïef-hoogernstige, wijsneuzige manier, zooals jonge -studenten kunnen doen—had hij steeds woorden van ergernis en afkeuring -voor afdwalingen op bedoeld gebied. Nu en dan onder vrienden «vroolijk -zijn»—zoo eens in de maand dronken zijn, «lijk» zelfs een enkele -keer—nu ja, wat zou dat! Voor een jongmensch, een student! Onze -nationale toegeeflijkheid op dit punt deelde Frans, met de afkeuring -voor die andere zwakheid van jonge mannen. Ook hij vond onkuischheid -tien maal erger dan onmatigheid. En hij meende ’t. - -Frans was dus, hoe «ontgroend» ook in zijn verhouding tot de vrouw, -maagdelijk als een jongmeisje, al mocht men hem dan in zijn tijd vóor -de kennismaking met Marta vergelijken met een «demi-vierge» van Marcel -Prévort. - -Hij had ondanks die ingewijdheid nooit begrepen, waarin dan toch die -hoogere levenservaring en wijsheid van sommige zijner kennissen -bestonden, wanneer ze om hun scharrelavontuurtjes daarop in zijn -bijzijn pochten: zij kenden de liefde! Jawel, hij begreep nu vaag, dat, -als zij hem met recht groen mochten noemen op dat gebied, zij volkomen -vreemdeling moesten wezen in ’t land van geheimenis waar hij nu -binnentrad.... - -Frans had een heele poos in zijn wipstoel liggen mijmeren, toen het -ophouden der pianomuziek binnen, hem als onwillekeurig naar zijn -horloge deed grijpen. Half twaalf! Hij keek eens rond: geen sterveling -om hem heen, en achter hem in de groote zaal was nog maar éen gaslamp -aangelaten. Hij stond op. Kom, hij moest nu ook maar naar bed. Marta -sliep zeker al rustig.... - -Door de half duistere veranda stapte hij, de twee glazen deuren -voorbij, naar de deur der gang, die toegang gaf tot de breede trap. - -Hun kamer was op de eerste verdieping, no 3. Bijna geruischloos ging -hij naar boven, langzaam, met gebogen hoofd, als telde hij bedachtzaam -iedere schrede op de flauw verlichte mollige looper. Zijn hart bonsde, -toen hij op ’t eerste portaal vlak vóor de deur stond met het zwarte -cijfer op ’t wit-emailen plaatje. Daarbij, op de vloer, stonden twee -kleine schoenen, die van Marta. Zot, dat hij zoo beefde! Dat hij er -niet eens aan gedacht had, dat Marta de deur wel kon gesloten hebben... -Hij sloeg zijn hand aan de kruk. Nee, eerst zijn schoenen uitdoen. Hij -draaide de knop om, zoo zacht als hij kon. Gelukkig, het slot was er -niet op. Hij ging binnen, op zijn teenen, sloot de deur weer heel -voorzichtig. Toen keek hij rond. - -In het zachte wazige schijnsel der gaslamp, die half neergedraaid was, -zag de kamer er droomerig-vredig uit: frissche lichtkleurig-overtrokken -stoeltjes, twee ledikanten met ouderwetsche frisch-getinte -lit-d’ange-gordijnen—gele parketvloer, grijsblauw behang, waarop een -paar fleurige aquarellen in ronde lijsten, aan weerskanten van een -groote glazen deur, die op een balkon uitkwam, en waarover een -donkerblauwe drapeering en daaronder lichtere valgordijnen; vlak -tegenover de glazen deuren, rechts van de binnentredende, en dus tegen -de wand tusschen de beide bedden, een sierlijke waschtafel met marmeren -blad, aan de eene kant daarvan een kolossale verstelbare spiegel op een -standaard, en aan de andere een spiegelkast. De gaslamp juist in ’t -midden, overstolpt met blauwig matglas. - -Van de plek, waar de jonge man stond, kon hij in ’t eene bed zien. Dat -was blijkbaar onaangeroerd. Hij luistert aandachtig: een geregelde -ademhaling ruischt uit het andere bed, bij welks voeteneind hij staat. -Zacht schijnsel van licht valt door de dunne gordijnen en maakt die -half-doorzichtig. De streeling van een fijne geur van vrouwelijke -toilet-weelde doet hem nu eerst aan, doet hem sterker ademhalen. Met -iets als een zucht treedt hij vooruit, en komt zoo in de ruimte -tusschen de ledikanten: hij wil haar even zien, zooals ze daar rust, -wil haar dan goeden nacht kussen met een lange liefkoozende blik. En -dan terug, om zich vlug en geruischloos uit te kleeden achter zijn bed, -en zich kalmpjes te rusten te leggen... - -Als hij vóor Marta’s bed is gekomen, blijft hij staan. Daar ligt ze met -het zwarte lokkenkopje tegen ’t witte kussen, het halve bovenlijf boven -’t dek, de rechterhand er boven over. - -Ze houdt het gelaat naar hem toegekeerd, de oogleden met de lange -zwarte gesloten wimpers, een flauwe glimlach op de dunne fijne lippen, -met het doezel-lijntje van donshaartjes erop. Wat ziet ze er lief uit, -en ongewoon in die omlijsting van wolkig witte kant in ’t wazig blauwe -schemerlicht, in ’t groote witte bed!.. - -Onweerstaanbaar aangetrokken komt Frans zachtkens een schrede nader. -Hij wil zich vooroverbuigen en haar hand, die op het dek ligt, even -aanraken met zijn lippen. Daar zal ze wel niet van wakker worden... - -Marta slaat de oogen op en lacht. - -«Dwaze jongen! Dacht je dat ik sliep? Nu, op deze avond?» - -Een oogenblik staat hij verbluft, als verbijsterd, gevangen door de -zoete macht dier lieve stem, de innigheid van die blik. - -Dan overweldigt hem een groote teederheidsdrang. En zijn lippen zoeken -haar mond. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - - -Drie jaar later. De schemering begint te vallen op een avond in ’t -laatst van September. Door de openstaande glazen deuren en de beide -zijramen eveneens wijd-open, van het ruime, gezellige vertrek—de -gemeenschappelijke studeerkamer van Frans en Marta—stroomt met het late -licht een heerlijke avondkoelte. - -Van de plaats, waar Frans met over de borst gekruiste armen geleund -staat tegen een der deurposten, op ’t bordesje, dat naar de tuin leidt, -heeft hij een prachtig uitzicht: achter de haag, achter de groene -weelde vóor hem, rijst het terrein glooiend tot zoover het oog reikt, -en overal zijn ’t rijke wijngaarden—bruine aarde en donkere -loofmassa’s, waartusschen de zwarte trossen gluren; in regelmatige -gelederen rijen zich de stokken met hun bladerdek, als een leger van -fantastische monnikken in donkergroene pijen optrekkend in onafzienbare -stoet. Links is de gezichteinder beperkt door de eerste huizenrijen der -stad—eerst enkele villatjes met popperige tuintjes en veranda’s en -balkons, daar in de verte blinkend en glanzend in het avondlicht als -nieuw Neurenbergsch speelgoed. En vlak daarvoor korenvelden, waar de -grond nu hel geel lijkt, doorstippeld met het oker der stoppels. - -Het is vredig rondom. Alleen het verre geratel van een enkele boerekar, -of het gepuf van een voorbijsnellend treintje ginds bij de stad, waar -een deel van de lijn flauw zichtbaar is in haar kromming, en een -voetstap op het mulle zand vóor langs het huis, verder niets dan rust -en verademing alom. - -Maar ’t zelfde tooneel van landelijke schoon, dat Frans op diezelfde -plek zoo vaak geboeid heeft, heeft thans niet de minste bekoring voor -hem. - -Hij kijkt zonder te zien, en de rust en vredigheid van buiten dringen -niet in zijn gemoed door. - -’t Is zelfs, of hem die kalmte in de natuur na een wijle hindert; want -hij verlaat zijn rustige houding, en begint met gebogen hoofd en de -handen op de rug op het bordesje heen en weer te stappen. Nauwelijks -heeft hij zoo driemaal de breedte der kamer gemeten, of Marta’s stem -klinkt van binnen. - -«Hè, Frans, wat loop je daar vervelend te ijsberen: je beneemt me mijn -licht ook nog telkens... Zeg, heb je wat, heb je iets waarover je -pikert?» - -«Ik, och niks... Maar, wat voer je uit?» - -Hij stapt naar binnen en kijkt over haar schouder «Brieven schrijven? -O, ik zie ’t al: huishoudboekje. Zoo, zoo, klopt alles? Hm.» - -Ze kijkt hem lachend aan, met een spottrekje op haar lippen. - -«Je bent toch een bovenste beste huisvrouw. Wie had dat ooit gedacht? -Nou ja, hou je nou maar stil: ik bedoel het goed. En dan zoo altijd -dezelfde! Altijd diezelfde kalme bedaarde opgewektheid...» Hij kust -haar en buigt daartoe haar hoofd achterover, terwijl hij achter haar -staat. Ze blijft een poosje in deze houding hem aankijken, zonder iets -te zeggen. - -«Waarom?» - -«Ik wou’s goed zien, hoe je gezicht stond.» - -«Zoo.» - -Marta draait zich om op haar lessenaar-stoeltje en, terwijl ze haar -beide armen om Frans’ middel slaat, zet ze haar fysionomisch onderzoek -voort. - -«Je voelt je niet gelukkig, Frans», zegt ze opeens. - -«Och, je zeurt.» - -«Waarom frons je dan je wenkbrauwen?» - -«Je doet ook zulke vreemde vragen!» - -«Ik vraag niet eens: ik maak een diagnose op. De uitdrukking van je -oogen bevalt me niet.» - -«En? Wat constateer je?» - -«Gemoeds-aberratie en geheugen-verzwakking.» - -«Zeg maar gerust: gekrenkte geestvermogens! Jullie artsen is ’t toch om -een vaagheid te doen.» - -«Nee, nee, in alle ernst.» Opstaande grijpt de jonge vrouw naar een -wand-kalender, waarop een paar groote zwarte cijfers staan, en houdt -hem die onder de neus. «Daar, kijk!» - -«Nou, wat zou dat? De 28ste, dat wist ik!» - -«En een week geleden, verleden Donderdag?» - -«De 21ste.» - -«Precies: onze trouwdag, Frans.» - -«O ja, dat’s waar...» - -«Je was ’t maar mooi vergeten.» - -«Och, je went zoo aan geluk... dat je de tijd niet meer gaat afmeten. -Maar jij dan?» - -«Ik heb er wel degelijk aan gedacht. Maar, toen ik merkte dat ’t je -ontging, wou ik er maar liever niet over spreken... ’t Was wel ànders -verleden jaar, Frans, en twee jaar geleden... toen was ’t je eerste -woord bij je morgenkus...» - -«Och, hecht je daar zóo aan?» - -«Zeker, Frans: waarom zouden wij onze trouwdag niet herdenken, evenals -alle getrouwde menschen, als ze gelukkig zijn? Alle «fatsoenlijk» -getrouwde menschen...» - -Frans antwoordt niet. Zij kijkt hem scherp aan. - -«Alweer die frons! Nee, Frans, je ziet er bezorgd uit. Al een heele -tijd merk ik dat. Je lijkt ouder dan vroeger: vijf jaar ouder dan... -voor kort nog.» - -«Nou ja, ik draag nu een baard.» - -«Die droeg je twee jaar geleden ook al. Nee, je voorhoofd, je oogen, -Frans... Kom.» En meteen neemt ze zijn eene arm. «Ga maar’s met me mee, -daar op de sofa. Laten we weer ’s op ons oude plekje zitten.» - -Frans laat zich leiden, en ze zetten zich naast elkaar, hij in de hoek -bij ’t raam, zij meer naar binnen. Ze hebben zoo honderden malen naast -elkaar gezeten in ’t dommelig vooravond-uurtje, wanneer zooals nu de -kleine jongen naar bed was. - -De jonge man grijpt haar hand en streelt die op afgetrokken wijze. - -«Ik ben tevreden, Frans», hervat Marta na een kort zwijgen, «als ik -denk aan al wat we in deze drie jaar doorleefd hebben, heb ik reden tot -dankbaarheid. Ook aan jou.» - -«Aan mij?» - -«Ja zeker. Je hebt je woord gehouden tegenover mijn jongen. Wat heeft -dat kind zich aan je gehecht! Ik ben soms jaloersch, wil je dat wel -gelooven?» - -Hij slaat zijn arm om Marta’s middel. Haar donkere kijkers zeggen hem -in hun opslag, dat hij dat al eerder had moeten doen. - -«Och praat me daar nu maar niet over. Ik hoû van de jongen: anders zou -ik zeker niet zoo... aardig tegen hem zijn. Heelemaal geen verdienste -dus. C’est mon bon plaisir, voilà tout!» - -«Weet je nog», valt de jonge vrouw weer in na enkele sekonden zwaar van -onbestemde gedachten, als warend tusschen hen beiden, «hoe we bijna ons -vertrek hierheen uitgesteld hadden om die ongelukkige akte van -eerbied?» - -«Hm, ja, bijna... Jij woû met alle geweld je zin doorzetten.» - -«En jij de jouwe.» - -«Maar ik heb toegegeven.» Frans zucht. - -«Een fraaie eerbied, die je met zoo’n akte van eerbied te kennen geeft! -Je dwingt iemand—je vader nota bene—en dan nog van eerbied te -spreken...» - -«Een term, zooals zooveel in ’t recht. Een formaliteit... He nee, ’t -spijt me nu toch, dat we mijn vader toen niet op die manier...» - -«Kom, Frans, laten we daarover nu niet weer beginnen. Je weet, hoe ik -daarover denk. En dacht. En je hebt me immers gelijk gegeven. Je weet -evengoed als ik, waarom ik daar niet in kon berusten.» - -«Jawel, kieschheid tegenover mijn vader, ook tegenover moeder. En dan -jouw trots...» - -«Fierheid wil je zeggen. Frans. Hoe kon ik nu ooit goed vinden, dat je -vader gedwongen werd, zijn toestemming te geven voor een huwelijk van -mij met zijn zoon: dat ik dus met dwang in zijn familie kwam? Dat zou -’t toch feitelijk wezen. En dan tegenover je ouders, je moeder vooral. -Die verdiende toch niet, dat haar zoon schande werd aangedaan... -schande in haar oogen tenminste.» - -«Och, overdreven! Bovendien, is ’t nu zooveel beter?» Als onwillekeurig -heeft Frans zijn arm losgemaakt van Marta’s middel. - -Met groote bezorgdheid kijkt zij hem aan: alweer die rimpels, die -sombere trek. - -«Frans, begin je spijt te krijgen?» zegt ze. Een vage angst komt nu bij -haar boven. Toen ze kort te voren sprak van zijn geluk was die angst er -niet: ze schertste toen. - -«Och Marta, je begrijpt me verkeerd. Spijt! Wat ’n onzin! Nee, ik -bedoel niet anders, dan dat je moeder onze tegenwoordige... manier van -samenleven als nòg grooter schande beschouwt.» - -’t Laatste was er als met een ruk uitgestooten. De trek van -gemelijkheid en ergernis is er op Frans’ gezicht niet beter op -geworden. Hij staart nu recht vóor zich uit, als zàg hij ’t voorwerp -van zijn bezorgdheid daar tastbaar vóor zich liggen. - -«Nu ja, goed, maar nu rekent ze mij tenminste niet tot de familie...» -Haar toon verraadt een zekere ongemakkelijkheid, die ze moeite doet te -onderdrukken. «En je vader... die beschouwt ons huwelijk als een -concubinaat, als een «liaison»... waar heel gauw... of ten minste te -eeniger tijd een einde aan moet komen.» - -«Spreek me niet over mijn vader. Wat ik je bidden mag, Marta! Mijn -bloed kookt nog! Hè, als ik aan ons afscheid denk... Die arme moeder!» - -Frans laat het hoofd zinken. - -«Kom, Frans, wat doe je vreemd! Zooeven ook al, toen je zoo heen en -weer liep op ’t bordes... Wat is er toch?» - -De ander staat driftig op. - -«Och, er is iets... niets van belang... of tenminste... niets waarover -we hoeven te praten... ’t Geeft toch niets... geen mier...» - -Met de handen in zijn broekzakken, eenigszins wijdbeens en ’t hoofd -omhoog gewipt met booze onderlip, stijfgesloten, als weerhoudend een -drang van wilde woorden en met bijna gesloten oogen staart de jonge man -naar buiten, door de open deuren - -De kamer is bij gedeelten oranjerood verlicht: de westelijke hemel, -recht vóor ’t bordes, is nu éen gloed al gloed. - -Waar Marta zit heerscht reeds een halfdonker. De volle baard van Frans -lijkt, waar hij staat, veel heller blond, nu ’t zonlicht erop schijnt. -Zijn mannelijk profiel komt scherp uit. Zij ziet iets nieuws aan hem, -iets ongewoons, en haar angst jaagt haar op. Ze legt haar hand op zijn -schouder. - -«Zeg, Frans, wat is dát nou? Je hebt iets dat je hindert... dat je naar -maakt, en je zegt ’t mij niet: heb ik je vertrouwen dan verloren?» - -Er is iets als een snik in de angstige vleiing van die welbekende lieve -stem. Hij vat haar hartstochtelijk om haar middel en trekt haar ranke -lichaam naar zich toe. En hij ziet, dat er een vochtglans blinkt in -haar vragende groote oogen. - -«Mijn vertrouwen niet meer? Mijn liefste, liefste lieveling! Mijn -alles! ’t Is juist omdat ik je zoo liefheb, dat ik me soms zoo naar -maak om... om die kleinigheden...» - -«Och, je bedoelt zeker dat geval met... onze jongen.» - -«Dat ook. Je wil immers zeggen, toen hij huilend thuiskwam van school?» - -Marta dacht aan een gebeurtenis, die een paar maanden geleden was -voorgevallen. Een paar kinderen van de bewaarschool hadden de kleine -Bram voor «hoerekind» uitgescholden. Frans had het zich nogal -aangetrokken, was naar de juffrouw, de directrice gegaan. De kinderen -waren gestraft. Zij had gedacht, dat hij de zaak veel te hoog opnam; -had zelf erom gelachen, en zijn ergernis niet de moeite waard gevonden. -’t Kind was op een andere bewaarschool gedaan. - -Nu schrijnde de herinnering. - -«Maar Frans, denk je daar nu nóg aan?» zegt ze luchtiger dan ze meent. -«Kinderen van vijf of zes jaar!» «Zooals de ouden zongen, zoo piepen de -jongen: zelf begrepen die kinderen immers niet wat ze zeiden.» - -«’t Ging van de ouders uit, natuurlijk... Maar die kinderen wisten toch -heel goed, dat het een scheldwoord was. Och maar, was ’t dat alleen -maar.... Trouwens, we konden al die dingen verwachten, we wisten dat -ons leven een strijd zou wezen. Ik dacht, dat je je over die nietigheid -allang heengezet hadt. Evenals ik. Laat jij nu al de moed zinken? We -lijden om ons idee, Frans. ’t Is er immers niet minder mooi om.» - -«Mooi, mooi... maar we hadden die narigheden kunnen vermijden.....» - -Marta laat het hoofd zinken en antwoordt niet. Er is een bittere trek -op haar gezichtje gekomen, en ’t staat even in de harde plooi. Eén -sekonde ook maar, dan verzacht haar gansche wezen even plotseling. -Frans heeft de verandering niet kunnen waarnemen—hij staat half -afgewend en Marta zit in de doezelige schemering—maar hij hoort haar -stem de streelend-mollig-diepe toon aannemen: ’t alt-geluid van haar -innigheid, dat hij zoo liefheeft, dat hem steeds dezelfde warmte in ’t -gemoed wekt. - -«Maar je zegt me niet alles. Frans. Is er weer wat nieuws.... een -nieuwe ervaring op dat gebied?» - -«Als je ’t dan met alle geweld weten wil, ja.» - -Mismoedig haalt hij zijn zakportefeuille voor den dag, zoekt met -gefronste wenkbrauwen en driftige vingerbewegingen, haalt er een brief -uit. - -«Daar, lees. Ik had er jou anders liever buiten gehouden.» - -Hij spreekt met een soort afgebeten onvriendelijkheid, ondanks de in -zijn gemoed gewekte troostbehoefte. - -Marta let er niet op. Met de brief in de hand gaat ze naast haar vriend -staan, en leest gretig. En Frans ziet, hoe haar koonen onder ’t lezen -gaan gloeien en haar oogen versomberen. - -«Hè, wat ’n kleinzieligheid!» roept ze «Wat ’n afschuwelijke -bekrompenheid!» - -«Ja.....» En Frans haalt de schouders op. - -«En laat je ’t er bij?» - -«Wat wil je, dat ik doen zal? Ik kan die menschen toch niet gaan -bekeeren?» - -De jonge vrouw kan haar oogen nog niet goed gelooven: ze kijkt het -schriftuur nog eens in. Dan blijft ze even in gedachten. «Maar, Frans, -zou je denken, dat het daarom was?» begint ze weer. - -«Wel, natuurlijk. Waarom anders! Ik had zooveel gebouwd op die -medewerking! Onze jonge vereeniging was zoo mooi op touw gezet. Jouw -illuzie, van ouds al.... Weet je niet, dat je me vroeger in onze -vriendschapstijd, zoo dikwijls daarover gesproken hebt? Dat je toen zoo -vaak je ergernis geuit hebt over de slechte verloskundige hulp, die -vrouwen uit de werkmans-stand krijgen, en over de erbarmelijke -hygiënische toestanden in hun huishoudens?» Marta ziet hem met groote -aandachtsoogen aan en knikt even. «Ik was zoo trotsch op ons -geesteskind! Ik had er ’t mijne ook toe gedaan: dat goedkoop -rechtskundig advies aan de werklui, die als leden waren toegetreden. -Dat was ook zoo iets goeds.... En nu....» - -«Nou ja, Frans, éen zoo’n donatrice, die zich terugtrekt....» - -Zonder te antwoorden haalt Frans twee andere brieven uit de -portefeuille, die hij in de hand was blijven houden. - -«Daar, nog twee donateurs deze keer. Als dat zoo voortgaat... sterft -onze vereeniging aan verval van krachten... En dat na... laat me’s -kijken... zeven maanden levens.» - -Zenuwachtig woelt hij door zijn baard, nu en dan een blik slaande naar -de lezende naast hem. - -«Ja, ik zie ’t», zegt deze, zonder ’t hoofd op te heffen. «Deze hier is -nog erger... En wat ’n brutaliteit, om zich zoo uit te drukken. -Eigentumliche Verhältnisse worin Sie leben... können ehrsamen -Arbeiterfamilien schwerlich zum Vorbild dienen. Dat is eenvoudig -idioot! En deze... jawel, kort en bondig, maar tusschen de regels -hetzelfde liedje. Och dat fatsoen, dat fatsoen! ’t Is een misselijke -komedie.» - -Ze geeft de brieven terug, en zet zich moedeloos op een stoel. Frans -blijft zwijgen, en stapt, nu met de linkerhand aan zijn baard, in het -studeervertrek heen en weer. - -«Wat wil je nu doen?» vraagt de ander, als hij weer vlak vóor haar is -gekomen. - -«Niets. Berusten. Er is eenvoudig niet anders op.» - -«Doe nog moeite bij anderen. Kom, je hebt nog vrienden genoeg.» Dan -zwijgen beiden. Pijnlijk hangt de stilte om hen. De avondschaduwen -vallen dichter en dichter, verdoezelend en vervagend wat in ’t vertrek -nog zichtbaar is. De wingerd, weelderig neerrankend van ’t -bordes-afdakje, lijkt nu zwarte kant tegen ’t karmozijn en vlammenrood -van ’t westen. - -Marta zucht. Frans is op ’t bordes gaan staan, en leunt in zijn vorige -houding tegen een deurpost. Marta’s zwaar zuchten doet hem opkijken. -Hij ziet haar aan, trekt dan zijn wenkbrauwen hoog op, snuift met een -snikgeluidje, en zucht dan ook diep. ’t Fluiten van een voorbijgaande -trein—ginds bij de stad—snerpt fijn-fel door de stilte. Dan ’t -rommelend gerol der wagens als een verre zwakke donder, nog éen -langgerekte woest-brutale nagalm van de stoomfluit, en dan een dof -geruisch, dat plotseling ophoudt. En weer stilte. - -«De trein van half zeven!» zegt Marta. «Zeg, hoe laat verwacht je die -lui hier?» - -«De leden van ons bestuur, wil je zeggen? Goed, dat ik er aan denk... -Die kunnen straks hier zijn... over een half uurtje.» Meteen gaat de -jonge man naar zijn schrijftafel, en ordent er ’t een en ander. Marta -slaat hem van haar plaats gade. - -«Ik vind ’t toch niet aardig van je, dat je me die brieven niet eerder -hebt laten zien,» hervat ze. - -«Die eene was al bijna een maand oud... Waarom heb je dat gedaan?» - -«Och, ik weet ’t niet... Je zou er toch van hooren. Vandaag.» - -«Had je die brieven dan niet eerder moeten overleggen? Onze secretaris -en onze penningmeester.» - -«Eigenlijk wel.» Frans blijft scharrelen in zijn papieren, met zijn -gedachten er half bij. «Och maar... kwade tijding komt immers altijd -bij tijds genoeg. En ze waren bovendien aan mij persoonlijk gericht. Ik -zal ze straks wel overleggen.» - -«Ik ben wel benieuwd, wat ze er van zeggen zullen» gaat de ander na -eenige oogenblikken voort. «Ze zullen natuurlijk verontwaardigd zijn.» - -Zonder om te zien, haalt Frans de schouders op. - -«Ik wil ’t hopen» zegt hij. «Misschien wel...» - -«Och, waar denk je aan? Ze kennen immers allen onze verhouding.» - -«Ik heb er nooit over gesproken.» De papieren op de schrijftafel -schijnen in orde te wezen, en Frans heeft zich naar zijn vrouw gewend. -Zijn toon heeft iets troosteloos-onverschilligs. «Behalve tegen die -twee... Dr. Kegel en zijn vrouw», vervolgt hij. - -«Maar, Frans! De menschen wèten ’t toch!... Hoe komen de ouders van die -kinderen er dan aan, je weet wel?» - -«God mag ’t weten! Ik hang ’t de lui niet aan de neus. Of vind jij -soms, dat ik daar zooveel mogelijk bekendheid aan geven moet!» - -«Kom, wees nu niet zoo knorrig... Dat bedoel ik natuurlijk niet. Maar -je kon toch...» - -«Marta, neem me niet kwalijk: je zeurt daar al heel vreemd.» - -’t Klinkt nog kregeliger dan te voren. Marta gaat naar hem toe, en zegt -op verdrietige, maar liefvleiende toon: - -«Wees nu niet boos, Frans.» Doch ’t bruist en woelt te veel in zijn -gemoed, om vriendelijk terug te zijn. Een eigenaardige -tegenstrijdigheid in ’t menschelijk gevoelsleven maakt, dat hij, -innerlijk getroffen en geroerd door Marta’s neerslachtig, haast -smartelijk klinkende woorden, er toch een prikkel in vindt om nòg -knorriger te doen. - -«Nee maar, hoe kun je nu toch zoo gek over die dingen denken?!» -antwoordt hij heftig. «Denk je dan, dat gewone getrouwde menschen met -hun trouw-akte op hun borst gespeld rondloopen! En dat zou nog -makkelijker gaan dan aan iedereen te gaan vertellen: «Zeg weet je wel, -hoe ik met mijn vrouw leef? In vrije liefde.» En, als verlegen met zijn -houding, kijkt de jonge man weer naar de papieren van zijn -schrijftafel, en verlegt een portefeuille. - -«Je hebt gelijk» zegt ze. Dan kijkt ze rond in ’t vertrek, waar ’t nu -bijna donker is, en doet een paar schreden. Ze vindt een houten paardje -op de grond bij de deur. Ze raapt het op en zucht. - -«Ik ga even naar de kleine vent zien... We hebben nog wat tijd, he?» - -Frans kijkt zwijgend op zijn horloge, dan naar de klok op de -schoorsteen. Maar hij kan de wijzers niet goed meer onderscheiden van -de plaats waar hij staat, en hij knikt even met driftige knik. - -Als Marta heengaat met een «Ik ga me meteen kleeden», volgt haar zijn -blik, als gedachteloos. Dan gaat hij zitten, en steunt het hoofd op -beide handen, leunend op het blad van zijn schrijftafel. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XII. - - -Een stevige klop aan de deur doet de jonge advokaat opschrikken uit -zijn mijmering. Hij strijkt haastig met de eene hand door zijn haar, -verschikt zijn dasje. - -«Binnen!» roept hij. - -«Stoor ik?» zegt een forsche zware stem. «Ik ben maar zoo boven -gekomen... Zoo, zit je hier nog te schemeren?» - -Frans staat verward op en stamelt verlegen: - -«Och ja.» Hij kan nauwelijks zijn woorden vinden, nu hij Duitsch moet -spreken. «Dat is niets, hoor... Je bent alleen wat vroeg voor onze -vergadering... Komt je vrouw niet? Maar ga zitten.» - -«Zeker, stellig... ik ga weer weg: ik kom alleen ’s kijken. Ik kom zoo -regelrecht van een patiënt. Ik dacht: ik zal onderweg even aanloopen. -Ik moest toch langs je huis, en ik wou weten, of onze vergadering nog -doorging.» - -«Doorging? Waarom niet? Je hadt toch kennis gekregen?» - -«Jawel, maar...» - -Frans heeft intusschen de lamp aangestoken, en in haar licht neemt de -stoere bezoeker—een veertiger, met een mooie volle goudblonde baard, -echt type van de krachtige openhartige Germaan—de jonge man nauwkeurig -op. - -«Je bent niet normaal, kerel», vervolgt hij. «Dat merkte ik eergisteren -al, toen ik je tegenkwam in ’t park.» - -Kwazie vroolijk antwoordt de ander: - -«Och jullie doktoren!... Ik slaap wat slecht, dat’s alles.» - -De ander schudt het hoofd. Zijn sympathieke trouwe oogen kijken -meewarig en ernstig. - -«Mijn beste Jensen, dat is een kwaad teeken», hervat hij. - -Frans antwoordt niet dadelijk, maar draait verlegen aan zijn snor. -«Och», zegt hij eindelijk, met schouderschok en afgewende oogen. «Wat -kan ik eraan doen?» - -«Alles, als je maar wilt.» - -En de stoere Dr. Kegel legt zijn groote hand op Frans’ schouder: «Kom, -kerel», zegt hij gemoedelijk. «Jij trekt je de wereldsche zaken veel te -veel aan. Ik zag ’t immers zooeven weer.» - -«Wat keek je moedeloos! Mag ik ronduit spreken?» - -«Ga je gang» klinkt het somber terug. - -Dr Kegel werpt een vluchtige blik naar de deur, die naar binnen leidt. - -«Je vrouw is zich misschien gaan kleeden?» - -Frans knikt. - -«Nu dan, je stoort je te veel aan de menschen, mijn waarde heer. Je -maakt je ellendig over nietigheden. Ik zeg: fais ce que dois advienne -que pourra.» - -De brave medicus had in zijn jonge jaren de Fransche veldtocht -meegemaakt, en haalde graag zijn kennis van Fransche spreekwijzen voor -den dag, vooral in ’t bijzijn van menschen, die evenals deze vriend, er -verstand van konden hebben. Maar ’t was of hij besefte, dat zijn -uitspraak het goed verstaan min of meer in de weg zat; want hij gaf er -de vertaling in zijn moederspraak steeds bij: - -«Doe je plicht en laat de menschen leuteren! Je hebt immers niets op je -geweten.» - -«Ik zou meenen van niet...» antwoordt de jonge man nog steeds somber. - -«Welnou!» - -«Och, Kerel, je weet lang niet alles.» - -«’t Is natuurlijk weer de oude historie: je huwelijk. Maar dacht je -nou, dat de menschen hier... och, verbeelding, verbeelding, zeg ik je.» - -Frans staat driftig op. - -«Nu ik zeg je dat het geen verbeelding is, om de donder geen -verbeelding!» - -«Hoû je maar kalm, hoû je maar kalm. Vertel me nu ’s geregeld. We -hebben nog de tijd. Lucht je hart ’s» - -De bezadigde gemoedelijke toon van de dokter doet Frans wonder -kalmeerend aan. Hij zet zich weer neer, en, op gedempte toon sprekend, -en telkens afbrekend, antwoordt hij: «Laat Marta ons niet hooren: ze is -daar in haar kamer. ’t Is zoo’n lamme geschiedenis—’t Hindert me al zoo -lang—al heel, heel lang.—Ons geluk wordt erdoor bedreigd—En ik heb -Marta nog niet van alles op de hoogte gesteld—Arme lieveling!—Ze is zoo -weinig kwaaddenkend: ze houdt iedereen voor even waarheidlievend en -recht-door-zee als ze zelf is!» - -Dr. Kegel knikt goedig, geheel aandacht. - -«Je weet, sinds mijn promotie—nu voor anderhalf jaar—heb ik telkens -getracht, mijn weg te banen in de journalistiek. Maar wat ’n -resultaat!» - -«Ik heb toch wel wat van je gelezen! Wat goeds...» - -«Nou ja, een enkel artikel... Dat hebben ze genomen, omdat het goed -was,.. wat dondersteen. Maar wat zou dat nóg? Aan een redactie woûen ze -me niet hebben. Bij ons ééne liberale blad hier was ’t eerst gelukt. Ik -was al aangenomen, maar ik had het voor Marta geheim gehouden... Jawel, -hoor! toen ik me kwam aanmelden—bezwaren. Op mijn aandringen kwam -eindelijk de aap uit de mouw: mijn huiselijke verhouding—wie daar -gestookt had, is mij een raadsel...» - -Frans kijkt na zijn verhaal zwijgend vóor zich, en trommelt kwazie -onverschillig op de tafel. - -«Wel, kerel, daar heb je me nooit iets van verteld.» - -«Och!» En de jonge advokaat heft beide handen op, met een bitter -lachje, hij heeft wel meer en ergers voor zich gehouden, voor Marta -zelfs... - -«En wat zei de vent ook wel... die hoofdredacteur?» - -«Zijn heele toon was anders dan te voren. Dat noemt zich «freisinnig». -De zinnen van die kerel zijn al even vrij als zijn kop in zijn hooge -boord!» - -«Hò, hò, hò!» klinkt het hol en goedig deelnemend uit Kuno Kegel’s -stoere borstkas. - -«Hij wees me onuitstaanbaar kalm en deftig op een artikeltje in een -ander blad, waarin onze vereeniging besproken werd: allerlei hatelijke -toespelingen.—Op de oprichters,—op Marta en mij, dat vat je... Ik had -de knul wel kunnen vermorzelen...» - -Frans kon weer niet stoelvast blijven. Met gebalde vuisten stapt hij -driftig op en neer. - -«Joa, joa», bromt de ander met volkomen instemming. - -«En zoo gaat het telkens.—Met allerlei dingen. Allerlei -kleinigheden—Menschen willen me niet meer kennen...» - -«Nee, maar dat is toch stellig verbeelding, ik moet je eerlijk zeggen, -dat ik daar nog nooit wat van gemerkt heb.» - -«Jij niet... nou ja! Wat zou jij daarvan zien! Ze weten wel dat je een -vriend van me bent. ’t Is zoo, ik verbeeld me niets, geloof me. Ze -doen, alsof ze me niet zien, wanneer ik ze tegenkom.» - -«Och kom.. wie bij voorbeeld?» - -«De vrouw van Förster onlangs.» - -Dr. Kegels rechterhand, evenals zijn linker op zijn schoot rustend, -wipt even op en geeft een tikje met de volle breedte op zijn dij, en -een achterwaartsche ruk van zijn hoofd maakt een deel van zijn -stierenhals zichtbaar onder de boord. - -«Ja, ik mocht haar zoo graag. En Marta ook. Ze komt niet meer sinds een -paar maanden. Marta gelooft, dat ze ’t druk heeft, ff..» - -«Ongelooflijk», mompelt de medicus. «Ongehoord.» - -«Ja», hervat Frans zuchtend en even stilstaand om een lange liniaal van -zijn schrijftafel op te nemen, waarmee hij zijn woorden onderstreepen -kan: zoo leidt hij meteen wat van zijn heftigheid en drift af. «En dat -is nu een verlichte hoogbeschaafde vrouw.... Doet aan vrouwenbeweging. -God beter ’t! Bij haar ook al pure beweging, anders niet!—Van mijn -vrienden in Amsterdam hoor ik ook niets meer.... Dat alles zou nog zoo -erg niet wezen—als ik wist, dat ons geluk—’t mijne en dat van Marta er -niet door bedreigd werd.» - -Hij zwijgt enkele oogenblikken, staat stil en strijkt eens met de -linkerhand door zijn haar en langs zijn eene wang. Dan hervat hij op -dezelfde doffe neerslachtige toon, en alsof hij hardop denkt: - -«Geluk zonder stoffelijke welvaart.... is dat op den duur wel mogelijk? -En dan ’t besef, dat ik bijna heelemaal afhankelijk ben van ’t beetje -inkomen, dat Marta van haar praktijk en van haar zelve heeft! Ik -verdien zoo weinig....» - -Beiden zwijgen nu, de bezoeker omdat hij kalm den ander wil laten -uitspreken, hem wil waarnemen ook in de uiting van zijn leed, Frans -omdat de bekentenis van zijn onmacht en afhankelijkheid hem neerdrukt. -Doch met een ruk van zijn hoofd opwaarts, als een zwemmer die een golf -over zich heen laat gaan, en een schokzwaaitje met zijn liniaal -onttrekt de jonge man zich plotseling aan zijn staat van gedruktheid. - -«Maar wat ’n onzin, dat ik me zoo laat ontmoedigen, vin’ je niet? Ze -moesten het eens zien, mijn vijanden in ’t lieve vaderland en hier mijn -preutsche beoordeelaars: wat zouden ze in hun vuistje lachen!» En op -temerige toon vervolgt Frans: «Zie je, Gods zegen kan niet rusten op -zulk een verbintenis. Nu, ik zal hun toonen, dat een andere zegen niet -uitblijft—die van mijn arbeid—van mijn wil tot het goede.» - -«Dat mag ik hooren!» valt Dr. Kegel in. «Je hebt immers een heldere -kop—een pracht stel hersens. Ja, ja, dat meen ik—En je hebt een hart -als goud—fijn gevoel. En een lieve beste vrouw—niet te vergeten, -Jensen!—een vrouw, die je begrijpt en die je waardeert. We hebben van -die heldere koppen en zulke rijke gemoederen noodig voor de -maatschappij, beste kerel. Om voor ’t gros te denken en te voelen. Je -droom om deze oude maatschappij ’s wat te helpen verjongen door je -geschrijf.... je artikelen.... enfin je woord, je denkbeelden, kan nog -eenmaal werkelijkheid worden. Geloof daar toch in, beste kerel.» - -Dr. Kegel’s gezicht straalt van kameraadschappelijke hartelijkheid, en -van voldoening over zijn toespraakje. - -«Och, daar geloof ik ook wel in», antwoordt de jonge advokaat, -onwillekeurig glimlachend om de welsprekendheid van zijn vriend. Dan -hervat hij zijn onrustig gedraai om en bij hem, heftig gesticuleerend -onder ’t spreken: - -«Studies over de toestand van de vrouw—’t huwelijk, de liefde—eeuwig -belangwekkende vraagstukken voor ’t menschdom, niet?—ik zal ze de -wereld inslingeren als bliksemstralen, die de duffe bedompte atmosfeer -zullen reinigen. Strijd tegen domheid en bijgeloof! En ’t veroverde zal -ook ons ten goede komen. Ik zàl niet ondergaan in die strijd: ik zal -zegevieren trots alles. Trots de God der dommen, die in fatsoen en -bekrompenheid wil gediend worden! Tegenover hem stel ik de God, die in -mij leeft, de God der Martelaren van de gedachte, van het Genie: de God -die de denkers voorlicht en de kunstenaars bezielt.—Dezelfde die -glansde in de stralenkrans om Christus’ hoofd. Christus! O wat is er ’n -onrecht in zijn naam gepleegd! Wat ’n miskenning van ’t goddelijke in -hem door hem te vereeren als een onbegrepen bombastische tooneelgod. -Door hem uit te dossen in een goddelijkheid van klatergoud! Verlossing -door de Liefde: hoe eenvoudig, en toch hoe zot verduisterd en -vermoeilijkt door onze theologen! - -«Onze Farizeeërs en schriftgeleerden... O wat zouden ze hem honen, -omdat hij niet «christelijk» zou handelen, als hij weer’s op aarde -kwam, Christus zelf! Omdat hij niet rechtzinnig zou wezen, niet -fatsoenlijk...» En, op-eens een andere toon aannemend, vervolgt Frans -met een zucht: «Kom, ’t zal tijd worden voor onze vergadering.» Meteen -raadpleegt hij zijn horloge, gaat naar de deur, die naar de kamer -ernaast leidt, en roept daar zacht: «Marta, ben je haast klaar?» - -«Ja, ja, ik kom, hoor», klinkt het van de andere kant der deur terug. - -«Ik ben benieuwd wat het geven zal, straks als die brieven overgelegd -worden... Marta is zoo gerust.» - -Dr. Kegel, die hem stil heeft laten begaan, staat nu van zijn stoel op. - -«Zeg, Jensen», zegt hij ernstig. «Je bent veel te opgewonden. Ik ga -mijn vrouw zeggen, dat er geen vergadering is vanavond. Jij komt straks -met jouw vrouw bij ons, hoor. We zullen je wel opkalefateren. C’est -confenu, eh? Afgesproken?» - -Maar Frans wil er niet van hooren. - -«Geen kwestie van. Ik ben kalm. Blijf jij nu maar hier. Je vrouw komt -wel alleen: ’t is immers vlak bij. Heusch, mijn waarde, ik kan daar -niet meer af: je zult straks wel merken waarom.» - -«Nu, in vredesnaam dan... Maar ik ga toch maar even Dora halen. Tot -straks.» - -De deur sluit zich achter hem; doch een oogenblik later verschijnt ’s -dokters mooie Germanen-kop weer: - -«Vertel maar niks aan je vrouw, zeg Jensen.» - -De ander schudt het hoofd, met een uitdrukking op zijn gezicht, als -wilde hij zeggen: «Wat zou dat nòg?» Dan gaat hij naar een hangkast, en -verwisselt haastig zijn huisjasje tegen een oude «gekleede.» - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIII. - - -Nauwelijks is Dr. Kegel vertrokken, of Marta komt weer in de -studeerkamer. Haar koonen gloeien, ondanks de verfrissching, die ze in -een koele wassching gezocht heeft. Ze heeft nu een donkerbruin -reform-pakje met groote witkanten kraag aan, dat haar lenige maar -ranke, haast tengere bouw goed doet uitkomen. Ze kijkt vroolijk uit -haar donkere groote fluweel-oogen, doet ook opgewekt in stem en gebaar. -Toch zou een fijn opmerker zekere onrust bespeurd hebben, zich -openbarend in iets overdrevens en gewilds in haar vroolijkheid. Frans -ontvangt haar met een glimlach, nog staande bij de kast. - -«Is ’t al zoo laat?» zegt ze. «Wat dunkt je? Die tafel maar weer hier -in ’t midden zetten, niet?» - -«Best.» - -En beiden dragen het meubel naar een ander deel van het vertrek. Ze -wisselen een blik, als steelsgewijs. - -«En je voorzittershamer. Zeg, Frans...» - -Zwijgend haalt de jonge man het voorwerp uit de boekenkast, waar het -boven op de boeken gelegen heeft, en legt het bedaard op de tafel. -Onder ’t neerleggen vertrekt hij zijn mond even in een onmerkbaar -lachplooitje. In al zijn bewegingen is trouwens iets mats en -onverschilligs. - -Marta neemt hem telkens op, schuw en vluchtig. - -«Nog een stoel, niet?» zegt Frans. «Deze.» - -«Ja, zie zoo, nu zijn er zes stoelen.» Man en vrouw schikken de stoelen -om de tafel. Daarbij raken hun handen elkaar eens en Marta’s blik zoekt -de zijne; maar hij kijkt stroef naar de grond. Bij iedere andere -gelegenheid zou hij haar hand gestreeld hebben. Waarom deed hij het nu -niet? - -«De president hier», zegt zij onverstoord, «daar de -onder-voorzitter—schrijver—penningmeester—en nog twee leden... Net als -de vorige keer, he?..» - -Frans knikt. Marta kijkt rond. - -«Dat’s dus in orde. Nu nog? Wat nu nog?» - -«Heb je nog wat... voor de inwendige mensch? Keel-lafenis?» - -«Bier en thee, vin’ je niet? De thee heb ik gezet. Ik zal even bellen.» -Bedrijvig loopt ze naar de schelknop naast de deur, en drukt er zeker -tweemaal zoo lang op als ze anders gewoon is. - -«O heb je daar al voor gezorgd?» vraagt Frans met een streeling in zijn -stem. - -Haar hart springt hem tegemoet in warme teederheid. - -«Kom» zegt ze op hem toetredend, «nu opgewekt zijn, hoor. Je moet je nu -’s van je beste kant toonen.» - -«O ja zeker, zeker», antwoordt Frans. - -Ze kijkt hem aan: och, hij meent ’t zoo goed! - -Toch blijft er iets hangen tusschen hen, iets dat hun zielsgemeenschap -verstoort. ’t Zelfde onzeggelijke van vroeger, van die enkele malen, -dat er woorden gevallen zijn tusschen hen beiden... O ze kan ze tellen, -al die keeren, dat hun vrede verstoord werd! Eens had het zeker drie -uur geduurd—van ’s avonds acht ongeveer tot over elf... Nog zoo lang -niet geleden, een groote maand. En hij had schuld bekend met een kus... -En met die in-droeve uitdrukking in zijn oogen. Net als nu, o ja, nu -herinnerde ze zich alles precies. Maar dat nare, dat akelig koude, was -dat er toen ook? Was er toen die weifeling, die angst voor haar geluk, -voor ’t zijne, die haar bekroop als een nachtmerrie? Zoo dat ze ’t zou -willen uitschreeuwen van ellende, maar niet kon, niet kon... O nee... -dat was anders, heel anders. Ze was toen gerust... En nu... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIV. - - -«Zet maar daar neer», zegt Marta tot de dienstbode—een blonde vleezige -deern met helroode landelijke wangen, netjes gekleed in ’t zwart met -wit schortje—. «Genoeg kopjes? Ja, goed. Ziezoo, dank je, Aennchen. O -ja. Nu ’t bier.» - -De dienstbode lacht met een dom lachje, en verdwijnt weer; komt na -eenige oogenblikken terug met een paar flesschen en eenige glazen, die -ze op een zijtafeltje zet, waar reeds de theeboel klaar staat. - -«’t Is goed zoo, Aennchen, ga maar open doen: ik hoor daar menschen -vóor.» - -Met iets gewild langzaams, zwijgend, beweegt zich de dienstbode naar de -deur, om het bevel op te volgen. - -Een paar minuten later treden Dr. Kegel en zijn vrouw de kamer binnen. -De laatste een levendige brunette, klein en kittig, ’t tegenbeeld van -haar stoere wederhelft. Met zorg, maar weinig smaak gekleed. Hij in een -kort zwart jasje, ruime broek en groote stroohoed op. - -«Zoo luitjes! Daar zijn we», zegt de arts, en zwaait zijn hoed af. -«Niet precies op tijd? Juist zeven uur.» Hij wijst op de klok op de -schoorsteenmantel. - -«Mooi zoo, dat noem ik hart voor de zaak hebben», antwoordt de -gastvrouw. - -Een hartelijke begroeting volgt. De beide mannen drukken elkaar de -hand, de vrouwen kussen elkaar. - -«Mag ik u verzoeken? Mevrouw Kegel?», zegt Frans daarna. Meteen wijst -hij op een stoel voor een der bestuursleden. - -«En u, Secretaris... of Schrijver, wat wil u? U daar op uw gewone -plaats, nie’waar?» - -Het echtpaar zet zich op de aangewezen stoelen, hij ernstig, zij -vroolijk. - -«Jij een kop thee, niet, Dora?» - -«Ja, ja, ik drink tegenwoordig ook thee, dat weet je!» En ’t levendige -vrouwtje kijkt Marta met een stralend snuitje aan, waarbij haar -glanzend witte tanden tot aan ’t tandvleesch zichtbaar worden. Marta -glimlacht vluchtig terug en wendt zich tot een andere gast. - -«En u bier, Dokter Kegel? U is zoo’n echte Germaansche bierliefhebber.» - -«Zonder twijfel, Mevrouw. Maar met mate, met mate.» - -In de oogen van Frans flitst een spotglansje, ondanks zijn gedrukte -stemming. - -Marta bedient zelf, overdreven bedrijvig. - -«Wat dacht u, Dokter, dat ik er hier literglazen op nahield? ’t Wordt -ook geen bierfuif vanavond.» - -«Mevrouwtje, u is ondeugend... Nu, prosit.» In éen teug is het vocht -verorberd. - -Frans staat onderwijl te staren met de eene hand op de rugleuning van -een stoel bij de tafel; hoort niet, dat er geklopt wordt. - -«Daar heb je de dames Finke!» roept Marta. «Binnen.» - -Emilie en Lotte Finke zweven naar binnen, beiden statig en -geruischloos, als gegoten in gladde reform, grauw en volmaakt sierloos. -Sluik plat hel blond haar. Ze zijn droog spits en spichtig in de heele -verschijning. - -«Goeden avond», zegt Lotte nadrukkelijk. - -«Ik hoop, dat we niet te laat zijn», valt de andere in, even -nadrukkelijk. - -«O nee», antwoordt Frans, terwijl hij van beiden een hand krijgt, -evenals de anderen van ’t gezelschap. «Gaat u zitten, Juffrouw Emilie, -en u Juffrouw Lotte. Hier, we zullen maar dadelijk beginnen, vindt u -niet?» - -«De beide dames eerst een kopje thee, nie’waar?» zegt Marta, nog bij de -theetafel. - -«Zonder suiker, als ’t u belieft.» - -«Mij zonder melk, als u er niet tegen heeft.» - -Beide dames zetten zich. Marta bedient ze, vriendelijk gastvrouwelijk, -dan geeft ze Frans een kopje, neemt er haastig zelf een, en zet zich -neder links van haar man. - -«Ziezoo,» zegt ze met een zuchtje. Gezeten neemt ze Frans even op, met -groote aandacht: hij heeft de voorzittershamer opgenomen, en kijkt -strak rond, hoog-ernstig. - -En zijn stem klinkt koel, articuleert de woorden onverschillig, als -gingen ze hem niet aan, en als doolden zijn gedachten ver weg. - -«Ik open deze vergadering. Schrijver, mag ik u verzoeken de notulen van -de vorige te lezen?» - -Dr. Kegel schraapt even zijn keel, en legt het notulenboek, dat hij uit -zijn binnenzak opdiept, open vóor zich neer. Dan leest hij op, met -zware bas en zonder eenige toon afwisseling, beide armen over de tafel: -«Notulen van de vergadering gehouden op 14 Juli 1897 ten huize van Dr. -Jensen. Lezing der notulen van de vorige vergadering. Overlegging van -ingekomen stukken, waaronder toezegging van een gift van 1000 Mark van -Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden.» Juffrouw Emilie Finke meesmuilt. -«Verder verzoeken om toetreding tot de Vereeniging van verschillende -werklieden, waarvan aanteekening gehouden. Verslag van ’t bestuurslid, -Mejuffrouw Lotte Finke, omtrent haar huisbezoek bij leden der -Vereeniging, voorstel van Dr. Kegel, om een verzoekschrift in te -dienen, teneinde een subsidie te erlangen van het gemeentebestuur. -Aangenomen. De Schrijver belast zich met de opstelling van het -desbetreffende... van het desbetreffende verzoekschrift, dat daarna -door Voorzitter en Schrijver namens het bestuur zal geteekend worden. -Niets meer aan de orde zijnde...» - -Frans valt in voordat de laatste woorden uitgesproken worden: «Jawel, -dank u. Heeft iemand iets op te merken omtrent de voorgelezen notulen? -Niemand?» De voorzitter kijkt onrustig naar de vijf gezichten om hem. -«Zoo, dan zijn ze hiermee goedgekeurd. Ik verzoek Dokter Kegel -voorlezing te doen van de thans ingekomen stukken.» - -De genoemde glimlacht met breede mondvertrekking: «Er is maar één, -zegge één toetredingsaanvraag. Ik had er veel meer verwacht. Er is zoo -voor geijverd! Er konden nog zooveel werkmansgezinnen toetreden.» - -«Mag ik even ’t woord?» - -«Juffrouw Lotte Finke?» - -«Ik heb bij acht families een minder aangename ontvangst gehad. De -menschen spraken van godsdienst-bezwaren. Noemden onze vereeniging een -«vermomde vrijmetselarij».» - -Allen lachen, behalve de gezusters Finke. - -«Mooi zoo!» roept de voorzitter bitter-ironisch. - -«Ja, een werkman had het over «de duivel»,» verklaart Lotte Finke, -zonder een spier te vertrekken. - -«Een Vereeniging als de onze!» valt de voorzitter uit. «Wat heeft de -godsdienst daar nu mee te maken?» Dr. Kegel vraagt met een blik het -woord. «Ja, u, Dr. Kegel.» - -«Ha, ha, ha! En toch... Jawel, ik woû zeggen dat onze vereeniging zoo -niet vooruitgaat. Van ’t gemeentebestuur ook nog geen antwoord... -Vreemd...» Dr. Kegel’s massieve vingers krommen zich om een zilver -potlood, waarmee hij al mompelend aanteekeningen maakt. - -«Veroorloof mij», hervat de president, kalm-ernstig en met strakke -trekken rechts en links blikkend, «deze ingekomen stukken—brieven—over -te leggen»—Frans haalt de drie brieven uit zijn zak-portefeuille—«en u, -Dr. Kegel, te verzoeken, ze wel te willen voorlezen.» Hij reikt ze aan -genoemde. - -Deze ziet ze in en al lezende verandert zijn gezicht. Dan houdt hij de -eene een halve meter van zich af, en begint: «Een brief van onze -donateur August Lercher, waarbij hij mededeelt, voor ’t komende -vereenigings-jaar zijn jaarlijksche gift niet meer te kunnen geven. -Geen vermelding van redenen. Hier», en met een rukbeweging gaat het -tweede geschrift een eind van hem af: «een schrijven van Mevrouw de -Gravin Weduwe von Linden, waarbij ze verklaart, bij-nader-inzien, aan -een vereeniging, aan wier hoofd een man als Dr. Jensen staat, de -donatie te moeten onthouden, die ze voornemens was te schenken. Hm. -Verder niets geen verklaring... Derde brief. Hm.» Weer een ruk naar -voren: het papier kromt zich in zijn greep. En hij leest erin: -«Opzegging van de beloofde jaarlijksche som... Hm, jawel, ze zijn er -gauw bij: ’t vereenigingsjaar is net half om!» Even deze opmerking van -de derde brief, gericht aan ’t adres van onze voorzitter: «die -eigentümlichen Verhaltnisse worin Sie leben können schwerlich guten -Arbeiterfamilien zum vorbild dienen.» Sic! De schrijver zucht met zwaar -geruisch, en heft de rechterhand op met een komisch wrange verplooing -van mond, neus en wenkbrauwen. Dan: «verlangt iemand nog inzage van de -brieven?» Kijkt rond met zeer wijdgeopende oogen. «Nee? Dan gaan ze in -’t archief. Fini. Da’s eenvoudig krankzinnig, Voorzitter.» - -Frans haalt moedeloos de schouders op. «Wat zal ik ervan zeggen?» - -«Wat ’n zottepraat!» zegt Dr. Kegels vrouw Dora met hoog -sopraan-geluid. - -«Mag ik even ’t woord, Mijnheer de Voorzitter?» zegt Lotte Finke. - -Frans knikt. Zij brengt een opgevouwen papier voor den dag, dat na -viermaal openslaan uitdijt tot het formaat van een krant. - -«Mag ik u even dit artikeltje laten lezen?» hervat ze droogbeleefd tot -de voorzitter. - -Frans neemt het aan, werpt er een vluchtige blik in, knikt met een zuur -lachje en reikt het blad aan de Secretaris. - -«Ik ken ’t ding» zegt hij met verknepen lippen. «Wil u ’t eens -voorlezen, Schrijver?» - -Deze ziet het in, leest het met klimmende aandacht. Zijn borstelige -wenkbrauwen fronzen zich tot een prop boven zijn stompe neus. Dan laat -hij de hand, waarin hij ’t papier houdt, met een hoorbare smak op de -tafel vallen. Daarna barst hij uit: - -«Dat is onwaardig! Onwaardig! Ik zal ’t de overige leden maar zelf -laten lezen: ’t is toch kort.» En hij reikt het aan zijn vrouw over. -«’t Is indigne....» - -«Wat ’n laster» roept deze na de lezing. «Nee maar! Kijk u ’s, Juffrouw -Emilie.» - -«O ik ken ’t, dank u», zegt de toegesprokene stijf en stroef. «De zaak -is hoogst onaangenaam. Mevrouw Jensen, heeft u ’t gelezen?» - -«Nee waarlijk niet!» En met bevende aandacht, zich nauw tijd gunnend om -iedere volzin behoorlijk te lezen, vliegen Marta’s oogen over de booze -woorden. Frans kijkt somber vóor zich en plukt zenuwachtig aan zijn -eene snorpunt. - -Marta schreit bijna. - -«Dat’s beneden alles!» brengt ze met moeite uit. - -«Maar we kunnen die redactie vervolgen,» merkt Dr. Kegel op. «Of de -schrijver: wegens laster.» - -«Ik vrees, dat dàt niet gaan zal», vindt Lotte Finke. En losjesweg-weg, -zoo langs haar neus, vervolgt ze: «’t Is geen laster ten minste.» - -«Geen laster!!» valt Kegel uit. Allen kijken op, verschuiven hun -stoelen, behalve Frans, die schijnbaar kalm aan zijn thee sipt. - -«Wat is ’t dàn?» hervat de medicus, als allen zwijgen, terwijl hij met -groote verbaasde oogen de uitster der laatste bewering opneemt, als -wilde hij haar schrale beeld voorgoed in zijn netvlies prenten. «Wat is -’t dàn? Wou u beweren...?» Juffrouw Lotte voelt zich zeer -ongemakkelijk. - -«Ik beweer niets...», tracht ze vastberaden te antwoorden. «Er wordt -hier gesproken van concubinaat. We geven ondersteuning en raad aan een -paar gezinnen, waar man en vrouw «in concubinaat» leven. Maar wat er -volgt: Waarlijk geen wonder, dat de vereeniging op die wijze optreedt, -waar haar voorzitter zelf het voorbeeld van zulke onzedelijke -verbintenissen geeft. Het is bekend, dat deze niet gehuwd is. Nu?» - -Dr. Kegel is ten toppunt van ergernis. - -«Maar dat is immers klinkklare laster? Onze president niet getrouwd!!» - -Frans kijkt bedaard op. - -«Mag ik even deze vergadering sluiten?» zegt hij, en heft de -voorzittershamer op. «’t Komt me voor, dat ons onderwerp van gesprek -een particulier karakter heeft aangenomen, en dus wel buiten -behandeling kan blijven.» - -«Nee, dat vind ik niet», meent Lotte. «Deze zaak raakt de eer van onze -vereeniging.» - -«Zeker, zonder twijfel», vindt Dora, die bleek ziet van schrik. «Een -stuk inzenden, om te antwoorden op die lage insinuaties, en in alle -bladen laten opnemen.» Ze kijkt met eenige zelfvoldoening rond. - -«Ik leg mijn mandaat neer», zegt de voorzitter. - -Maar Dokter Kegel wil er niet van hooren: - -«Waarachtig niet,» roept hij uit. «Morbleu, dat gaat maar zoo niet! Ik -heb veel te veel hoogachting voor u en uw vrouw, om zoo iets...» - -«Vrouw!» valt Lotte hem verontwaardigd en met bevende stem in de rede. -«Ik vind het... niet in den haak... niet behoorlijk, dat Meneer Jensen -ons nooit gezegd heeft, dat... hij niet getrouwd was.» - -Onder ’t uitbrengen dezer gewichtige woorden is de spreekster -beurtelings verbleekt en hoog-rood geworden. Zenuwachtig plukt haar -eene hand aan een knoop van haar kleed vlak onder haar spitse kin, op -de plaats waar een broche zou kunnen zitten. - -«Een mooi ding!» hervat de arts streng, en weer stralen zijn heldere -oogen fel op de bevende Lotte. «Wij wisten, hoe de zaak stond, maar we -vonden dàt van te weinig beteekenis. Trouwens de samenleving van... -waar hier sprake van is... is een huwelijk, Juffrouw Finke.» - -«Dat vind ik ook!» roept zijn ega met een hooge interval in haar stem. - -Frans en Marta zijn onderwijl opgestaan. - -«Veroorloof me», zegt eerstgenoemde, «een eind aan dit pijnlijke -gesprek te maken. Ik wensch niet meer in ’t bestuur te zitten. Mijn -vrouw evenmin.» - -De oudste juffrouw Finke verrijst echter plechtig-strak van haar stoel -en zegt afgemeten: - -«Ik zal me wel terugtrekken.» Haar stem is niet geheel vast en haar -heele gezicht ziet rood, ondanks al haar plechtigheid. «Ik bedank bij -deze voor mijn lidmaatschap, ook van de vereeniging.» - -«Ik evenzoo», valt haar zuster in, en ook zij verrijst statig en strak. - -«Dat is kleinzielig», roept de oprechte arts toornig, «maar laat het -zijn: leden als u beiden hooren niet onder verlichte menschen!» - -«Nee, wij hooren niet in dit gezelschap» antwoordt Lotte. - -Marta treedt zenuwachtig op Dr. Kegel toe, om te beletten, dat hij van -repliek dient, iets wat hij maar te gaarne toont te willen doen: - -«Och, Dr. Kegel, geef u geen moeite... ik bid u...» - -De stoere medicus kijkt zijn gastvrouw even vreemd aan, en houdt zich -in. - -«Ik heb de eer het gezelschap te groeten», zegt Emilie Finke met -krakend-stroeve uitgeknepen stem. En ze buigt als een automaat, reeds -bij de deur. - -Lotte buigt zonder een woord, onhandig potsierlijk, te vol van -zichzelf, om de onberispelijkheid van haar jongere zuster te kunnen -navolgen. Beiden schuifelen naar buiten. - -Frans drukt op een schelknop: - -«Aennchen, wil je even de dames uitlaten?», zegt hij tot het -dienstmeisje, zeker tien sekonden te laat. - -«Daar heb je ’t nu al, Frans», roept Marta, als de jonge rechtsgeleerde -weer bij haar staat. - -Frans, doodsbleek, maar overigens met een onverschillig gezicht, haalt -de schouders op, en wendt zich tot de arts: - -«Wat zeg jij nu, amice Kegel? Kon ik nu zonder eenige aanleiding die -dames eens haarfijn verteld hebben, hoe de verhouding tot mijn vrouw -eigenlijk was?» - -«Och onzin! Dat wij ’t weten, is toevallig. Wij zijn oudere kennissen -en ons gesprek is er immers eens vanzelf op gekomen.» - -«’t Is of wij ’t verborgen willen houden!» Marta’s stem heeft een -sterker toon van ergernis dan zij er bedoelt in te leggen. Ze merkt het -zelf op, en dit verhoogt nog haar ontstemming en zenuwachtigheid. - -«Nee, Marta, dat hebben wij nooit gedacht, hoor», klinkt het melodieus -uit Dora Kegel’s kleine mond. «Nooit, hoor, volstrekt niet. Heusch, we -kenden jullie drie maanden, toen we op de hoogte kwamen door jullie -zelf. Wat ’n nesten! Had je dat nu ooit gedacht, zeg Kegel? -Voorvechters van de vrouwenbeweging, dat zie je nu ’s, he? ’t Is meer -dan ergerlijk. Bah!» - -«Kom», antwoordt Dr. Kegel, die na ’t vertrek der voorwerpen zijner -verontwaardiging merkbaar bekoeld en bedaard is, «laten we er onze -avond maar niet om vergallen.» - -Een blik op Frans doet hem van toon veranderen. «Maar kerel, wat zie -jij er uit! Trek je je dat zoo aan?» - -«Ja, ik vind het een ellendige geschiedenis. Onze vereeniging loopt -spaak zoo. En dan...» - -«Ik begrijp u volkomen», zegt Kegel’s kleine wederhelft met haar -meewarigste stembuiging, «Kom, Hans, we zullen onze vrienden maar -verder alleen laten, vin’je niet?» - -Marta, die ziet, dat de Kegels aanstalten maken, om dadelijk heen te -gaan, weet nauwelijks, wat ze zeggen moet: - -«Gaan jelui nu werkelijk? Moeten jullie niet nog wat gebruiken?... Kom, -blijf nog wat zitten, Dora.» - -De kleine dame met het stralende ronde gezicht, dat zelfs na het -donderbuitje nog een-en-al opgewektheid vertoont, kijkt haar vriendin -even lachend aan: kom, ze begreep immers heel best, dat die twee -verlangden zoo spoedig mogelijk alleen te zijn. - -«Nee, hoor, Mevrouwtje», valt Dr. Kegel in, met een hartelijke -streeling in zijn zware bastoon, en haar weer opnemend met iets in zijn -blik, dat haar nu vreemd aandoet. «U heeft rust noodig. We komen morgen -nog wel’s over ’t geval praten. Goeden avond verder: ça passera, ça -passera, dat gaat voorbij. Maar kalm zijn, Mevrouwtje. En, Frans, je -kunt op ons rekenen. Steeds.» - -De stevigheid van ’s dokters handdruk is deze keer zoodanig, dat de -jonge man zijn vingers voelt tintelen. - -«Kom, laat die zotte wijven praten», zegt Dora nog, die zijn thans -ontspannen, neerslachtige trekken en Marta’s zenuwachtigheid heel naar -vindt, «u heeft nog vrienden, dokter. Dag! Dag, Marta. Hoû je kranig, -hoor.» En ze kust haar vriendin op voorhoofd en wang, terwijl ze haar -iets iets in ’t oor fluistert. Als ze dan Frans haar handje toesteekt, -heeft Marta een kleur als bloed. - -«Tot ziens!» zegt Frans. - -De gastvrouw knikt verbijsterd, starend. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XV. - - -«Daar, nu zet jij een gezicht, alsof je boos op mij bent! Dat moest er -nog maar bijkomen. ’t Is net alsof ik het met opzet gedaan heb... Alsof -ik die heele geschiedenis aan de gang gemaakt had.» - -«Och, Frans...» - -«Ziezoo, nu schreien... Ik ken je niet meer. Wat scheelt je toch? -Begrijp je dan niet, dat... dat, als ik... zoo iets verteld had—zoo -maar zonder eenige aanleiding—dat dat gelijk zou staan met een -verklaring in optima forma, dat... dat onze verhouding een heel -bizondere was...! Dat mag ze in de oogen van de wereld wezen, bij ons, -in onze wereld is ze dat niet. Of woû jij soms ’t omgekeerde beweren? -Nou, zeg nou wat! Waarom antwoord je niet?» - -Marta was op de sofa gaan zitten en schreide zacht. Langs haar -neergeslagen donkere wimpers dropten de tranen haar op wang en lippen, -en krampachtig korte snikjes deden de linkerhand, waarop ze haar kin -steunde, telkens trillen, - -Frans kon zijn oogen niet gelooven: zijn Marta, de sterke flinke -moedige Marta, die daar schreide als een wanhopige! Hij dacht aan een -andere keer, dat hij haar ook zoo bedroefd had gezien: ’t was drie jaar -geleden, de eenige keer dat hij haar ooit meer had zien schreien. En -zijn drift bedaarde. Verwonderd staarde hij het zoo ongewone schouwspel -daar vóor hem aan. Wat had ze toch? Was dat nu alleen om die narigheid -van zooeven? Een vage ongerustheid bekroop hem. Maar zijn ergernis -woelde nog in hem, en er was nog stuurschheid in zijn toon, toen hij, -vlak bij haar staande, bleef aandringen: - -«Wat is er dan toch, Marta? Wat mankeer je?» - -«Och, Frans, ik weet het niet... ik weet het niet. Ik voel me zoo... -ellendig... Mijn hoofd barst...» - -Meteen stond ze op: «Ik ga maar naar bed, Frans...» - -Hij begreep er niets van, woû maar niets meer vragen. Zelf voelde hij -zich òp, verlangde naar rust. - -«Ik ga ook», zei hij alleen maar. - -Tien minuten later lagen ze beiden te bed. Hij had haar goeden nacht -gekust, zonder een woord. Zij had hem stil aangekeken, even met -vochtige blik, en, nog snikkend nu en dan, was zij in ’t eene, hij in -’t andere bed gegaan. Ze sliepen in tweeling-bedden, vlak naast elkaar, -nu reeds drie jaar, hier evenals vroeger in de stad, waar ze nog in hun -studietijd woonden. En vóor ’t inslapen werd menig lief gesprek -gevoerd, ja zelden ging er een avond om, dat er niet een kwartier -verliep—minstens—tusschen hun nachtkus en hun eigenlijk afscheid, om te -gaan slapen; want soms was een tweede «nou, goeie nacht, hoor» of -«slaap lekker» van een van beiden noodig, om ’t afscheid beslissend te -doen zijn. - -Dien avond wisselden ze geen enkel woord, drie kwartier lang. Marta -hoorde de klok beneden in de huiskamer elf heldere slaagjes tiengen. Ze -kon niet slapen. In ’t donker—ze sliepen nooit met licht op—kon ze van -de gestalte in ’t bed naast haar slechts vage omtrekken zien: een -zwarte massa. Zou Frans slapen? Zou ze... Ze kon zich eindelijk niet -langer inhouden: - -«Frans!» riep ze op gedempte toon, klagelijk. - -«Ja», klonk het helder-wakker en ietwat onvriendelijk verwonderd terug. - -«Ben je boos, Frans?» - -«Welnee, ook niet geweest, hoor.» - -Stilte, behalve een flauw geritsel van laken of kussensloop, geschuifel -van een been, van hoofd of arm, die even van plaats veranderden. Zeker -vijf minuten. - -«Zeg, Frans», zei Marta weer. - -«Ja?» - -«Zou je ’t... erg naar vinden... als ik zwanger was?» - -Wat klonk dat moedeloos en droef! - -«Naar vinden? Hoe kom je daarbij? Maar... denk je dan...?» - -«Ja, Frans... Ik denk ’t...» - -Nu was er weer geritsel en geschuifel. De jonge man tastte naar Marta’s -hand, toen naar haar hoofd. Hij had zijn hart voelen opspringen, en van -ontroering vermocht hij eerst niets uit te brengen. Hij kuste haar op -haar wang bij haar oor, lang en innig. Dan fluisterde hij: - -«Liefste lieveling!... Slaap nu... Slaap nu.» - -Nu begreep hij plotseling haar groote gevoeligheid en zenuwachtigheid -van dien avond. Hij bleef, nadat hij zijn hoofd weer op zijn eigen -kussen gelegd had, nog aandachtig luisteren naar Marta’s ademhalen... -Hij voelde zich zonderling te moede: een machtig medelijden kwam over -hem; een weedom en een weelde mengden zich in hem. - -Zoo bleef hij nog een heele poos, roerloos luisterend. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVI. - - -Dagen verliepen en weken en maanden, twee, drie. En steeds bleef de -gedrukte stemming, met korte tusschenpoozen, in ’t samenzijn van Frans -en Marta. De eerste vond in zijn werk maar weinig afleiding: praktijk -als advokaat had hij niet veel en zijn streven als journalist en -schrijver vond telkens en telkens moeilijkheden. Deze brachten hem meer -dan eens dezelfde ergernis. En meer en meer kon hij gewaarworden, -hoevelen over de zaak dachten als die Lotte Finke, en ’t hem op de een -of andere wijze lieten merken. Hij kòn zijn leed niet verkroppen, en ’t -was Marta die ’t ontgelden moest. Waren tooneelen van drift vroeger een -zeldzaamheid, thans kwamen ze telkens voor. Zij, prikkelbaar als ze nu -was, wist zich dan toch meestal nog wat te beheerschen, totdat -eindelijk haar kracht haar begaf, en ze in tranen uitbarstte. Dan had -de ander spijt, en hartstochtelijk beschuldigde hij zichzelf, noemde -zich een barbaar, een beest, overstelpte haar met lieve naampjes. Hij -nam zich telkens heilig voor, zich voortaan in te zullen houden. Maar -hun verstandhouding leed er onder. Dat voelden ze beiden. - -Marta leed in stilte. Had Frans een van die elastieke karakters, welke -onder de slagen van ’t lot dadelijk meegeven en zich laten indrukken, -om zich weer even spoedig in de vroegere gaafheid te herstellen. Marta -had het onverzettelijk geduld, het hardnekkig vasthouden en volhouden, -de gelaten strakke lijdzaamheid, aan haar ras reeds zooveel eeuwen -eigen. Bij haar waren die eigenschappen door haar leed gestaald. - -En haar gezichtje vertoonde weer het harde koel-afgeslotene van -voorheen, de trek, die Frans kende uit de dagen hunner vrijage. - -’t Meeste leed ze om de eenzaamheid, die ze dreigend voelde aankomen, -meer en meer: buitenshuis, in haar omgang met anderen, en—thuis, in -haar lieve lieve thuis, daar ook? Drong daar ook de ijzige -vervreemding, de vereenzaming hunner zielen door, vereenzaming van -elkaar? O nee, dat kòn niet, dat mòcht niet! Daarvoor was hun liefde te -groot, te innig, te heerlijk mooi. Die nare ontstemming zou wijken, als -maar na eenige tijd de praatjes uitgeraasd hadden. ’t Was iets -voorbijgaands. Vast. En ze leed immers om haar idee, om de zaak van hun -hooge edele liefde, die verheven was boven de domme vooroordeelen der -menschen. Ze moest er voor lijden... Haar idee... En Frans... had hij -geen ongelijk, groot ongelijk met maar steeds terug te komen op dat -eene? Ze kòn immers niet... Uit liefde voor hem... Nee juist daarom -niet!.. Of... wàs ’t niet laf toe te geven hierin? Och, hoe kòn ze -twijfelen? Zij, de sterke moedige vrouw van vroeger... was ze niet -dezelfde als toen?.. Of was ’t nu anders? Ze vergeleek in haar geest de -beide mannen die ze liefgehad had, zooals ze reeds zoo vaak gedaan had. -Frans: een en al oprechtheid en openhartigheid, wars van alle vertoon, -maar toch heftig, hartstochtelijk; gevoelig als een vrouw, maar, hoe -ook telkens ontmoedigd, weer opstrevend met mannelijk-koene aandrift; -woest in zijn driftuitingen, maar leidzaam als een kind op een lief -woord van haar. De ander: artistieke zwier van ’t fijne-kapper gehalte -in zijn gansche wezen, ook in zijn woorden; een tooneel-geestdrift en -een lion-de-village-beminnelijkheid, zwichtend voor de eerste -beproeving. Frans eenvoudig en waar, hij valsch. Frans soms ruw, «de -ander» wreed en hondsch, toen hij zijn ware aard moest toonen. Was «de -ander,» het type van de zuiderling op zijn ongunstigst, Frans -vereenigde in zich veel, ja de meeste goede eigenschappen van ’t -donkerharige niet-geheel blanke ras onzer zuidelijke provinciën met de -beste der karaktertrekken van ’t Germaansche ras der Friezen. «De -eenige Hollandsche vulkaan» noemde zij Frans in haar dartele -oogenblikken. «Mijn Oostersch Sfinksje» zei hij, wanneer zij, zich -gesloten toonde of geheimzinnig deed. - -En nu, nu ze behoorde aan deze man... nu ze een kind wachtte van hem, -was ’t nu anders, heel anders dan vroeger? En als dan alles in hun -verhouding zoo anders was, bleef dan toch dat eene? Bleef haar idee, -haar opvatting van liefde dezelfde, volkomen dezelfde? Ze twijfelde, en -de twijfel maakte haar ellendig. Ze leed er des te meer onder, omdat ze -er niet mee voor den dag wilde komen, omdat ze er tegen vocht in -stilte. En dit eigen gemoeds-leventje in eenzaamheid—buiten -Frans—kwelde haar bij voortduring. Zonder dat ze er het einde van zag, -knaagde dat in haar, ook al speelde er een glimlach om haar mond, -wanneer ze Frans in de oogen keek. - -En dan: er waren geldzorgen ook. Och, deze zouden anders bij haar zoo -zwaar niet tellen. Ze hadden immers alles, waaraan zij behoefte had, -voorzoover het voor geld te krijgen was. Wat gaf zij om weelde van -kleeding, van uitgaan, eten of drinken? Ze moesten eenvoudig, ja zuinig -leven. En dat kòn ze, daarvoor bezat ze de aanleg en aangeboren -handigheid van haar ras, waarin de «Marta’s» eer regel dan uitzondering -zijn, even spaarzaam en huishoudelijk als de nieuw-testamentische -voorzate. Als wetenschappelijk mensch, als arts, vond ze tot nu toe -alle bevrediging in haar vrouwen- en kinder-praktijk; al waren dan ook -haar meeste patiënten armen, die ze gratis hielp. Waardeering voor haar -streven—ook hier—zocht ze alleen bij hem, bij Frans. Een prijsje van -hem was haar meer lief dan de schittering van een beroemde naam. Zij -was een stille, in-zich-zelf-gekeerde natuur, diepvoelend maar zich -weinig of moeilijk uitend. - -Hoe anders hij! Och, zij begreep het: hij kon zijn ambitie niet bepalen -bij een bescheiden werkkring en geluk in huis—en had hij die nog -maar!—Hij had behoefte aan mededeeling, uitstorting, omgang: zijn -eerzucht—een edele eerzucht immers!—haakte, snakte naar het groote -leven. «Der mann muss hinaus in’s feindliche Leben», ja, hij met zijn -talenten stellig en zeker... En dan te moeten aanzien, dat hij om dat -ellendige geld zich telkens en telkens iets moest ontzeggen: een reis, -een kostbaar boekwerk, een uitstapje. Hij klaagde dàar nooit over... -Maar ze zag ’t aan zijn blik nu en dan, ze hoorde ’t in de klank van -zijn stem. Had ze hem niet tot tweemaal toe in de laatste maanden -betrapt, dat hij—zich alleen wanend—in tranen was uitgebarsten na ’t -spelen van eén zijner lievelings-stukken op de piano. Hij had gezegd, -dat de muziek hem altijd zoo aandeed!... En hij die aan zooveel weelde -gewend was, vroeger, had dat alles opgegeven om hàar!... - -Zoo—in die bizondere stemming hunner zielen was er eens weer een lange -loome lood-zware dag voorbij gekropen, ’t Was in de winter. Ze waren -reeds om tien uur naar bed gegaan; hadden even—eenige minuten—wat losse -onverschillige woorden gewisseld, kille verstands-woorden, glijdend om -en buiten hun warme smachtend-eenzame innerlijkheid. - -Buiten zwiepten de boomen in de tuin achter hun slaapkamer met het -groote balkon, boven hen floot de wind in schoorsteenpijp en langs -muurhoeken, en nu en dan snerpte en kraakte met snikkend geluidje de -half-glazen deur, als de wind erop viel. - -Geen van beiden was nog uit het stadium der geregelde -gedachten-opvolging overgegaan in dat der beelden-vervloeiing van de -eerste slaap, toen Frans opschrok: - -«Marta, hoor je dat?» - -«Nee, wat is er?» - -«Ik hoor een rijtuig stilstaan. Er wordt gebeld ook.» - -«Gebeld? Nu?» - -«Ja, duidelijk. Hoor je ’t niet? Daar, nog ’s.» - -«Is Aennchen nog op?» - -«Welnee, die is ook naar bed.» - -Frans was er al uit. «Ik zal haar gaan roepen» zei hij, en stak licht -aan, schoot haastig wat aan zijn lijf. - -De dienstbode sliep in een kamertje op dezelfde gang boven, waar ook -haar meesters hun slaapkamer hadden, en was spoedig beneden. Een paar -minuten zijn nauw verloopen, als ze weer boven komt en humeurig door de -half-gesloten deur der kamer aankondigt: - -«Daar is een heer, die naar Juffrouw van Zee vraagt.» - -«Juffrouw van Zee!» roept haar heer van binnen driftig. «Er is hier -geen Juffrouw van Zee, dat weet je toch ook wel!» - -Marta is intusschen buiten gekomen, na zich vluchtig in haar -allernoodigste kleeren gestoken te hebben. - -«Wat is dat, Aennchen?» vraagt ze vriendelijk, maar verwonderd. - -De toegesprokene kijkt Marta boos aan, en antwoordt stroef: - -«Die ouwe meneer zegt toch, dat ze hier moest wonen, hier op nommer -zestien. Ik heb hem beneden in ’t kamertje gelaten.» - -Frans gromt wat, steeds binnen, bezig aan zijn kousen. - -«Heb je een kaartje gevraagd, Aennchen?» gaat Marta onverstoord voort. -«Of weet je, hoe hij heet?» Ze werpt door de half-geopende deur een -blik naar Frans: - -«Zoo laat op de avond», zeg Frans. «Wie zou dat toch wezen?» - -«Ik heb niks gevraagd», verklaart Aennchen steeds stroef. - -Frans stuift naar de deur: - -«Denk je dan, dat we op dit uur maar ieder willekeurig kunnen -ontvangen, uilskuiken? Je bent er ook een!!» - -«Mevrouw», antwoordt de gedienstige huilerig—en Marta moet -onwillekeurig even lachen om haar komisch négligé—fladderende haren en -scheeve rokken. - -«Mevrouw, as Meneer zoo driftig tegen me is en... me zoo uitscheldt, -wil ik wel weggaan. De pastoor heeft toch al dikwijls gezegd, dat ik... -niet mocht dienen bij menschen... zooals u... die in kongkemenaat -leven.» - -’t Was er alles in éen relletje uitgekomen. - -«Snij uit», roept Frans, stampvoetend, «dadelijk, als je wilt. Je kunt -je loon krijgen tot vanavond.» - -«Goed, meneer. Ik zal mijn boeltje pakken. Ik ga morgenochtend, vroeg. -Dadelijk...» - -«Goed, Aennchen», valt Marta in. «Ik zal je morgenochtend je loon -geven, als je weg wilt. Maar ga nu even vragen, wie die meneer is.» - -De pantoffels van Aennchen kleppen slof-slof de trap af, en hommelend -klinkt daar tusschen haar gemor. - -«Dat doet de deur dicht: le comble!» zegt Frans, terwijl Marta en hij -hun kleeding haastig voltooien. - -«Och, wat kan je die meid schelen!» Haar kan ’t zeker op dat oogenblik -al heel weinig schelen, want ze voelt haar hart onrustig kloppen, ze is -zenuwachtig, opgewonden: - -«Wie zou toch die ouwe heer wezen...? Die jou spreken wil? Jouw vader -misschien?» - -«Loop heen!... Wat zou die nou hier doen?! Zeg, reik me even die kom, -en je handspiegeltje maar. Nee, blijf jij maar vóor de waschtafel... Ik -denk... misschien... je oom misschien?» - -«Zou je denken? Hoe gek, dat die gedachte ook bij mij opkwam zooeven, -he? Wat vreemd dan, dat hij naar Juffrouw Van Zee vraagt!.. Och, nee, -ik denk ’t niet. Zoo onverwacht: hij zou me schrijven: ik heb nu in -zooveel jaar geen taal of teeken van hem gehad!» - -Frans antwoordt niet dadelijk. - -«Zou jij hem willen ontvangen?» hervat hij. - -«Och, waarom niet? Ik ben niet haatdragend: als hij komt, is het zeker -niet, om ons onaangenaam te wezen...» - -«Een mooie aankondiging anders met dat «Juffrouw van Zee!» - -«Ja, dat is al heel gek... Och nee, ’t zal oom niet wezen...» - -Het dienstmeisje klopt, en jawel, ’t was toch Meneer Winter. - -«Hier is ’t kaartje» zegt Aennchen, en houdt een stuk wit karton -tusschen twee korte vingertjes. - -Marta grijpt het haar uit de hand. Aennchen kijkt zot. - -«Laat zien... Ja ’t is Oom.» En, nauw haar aandoening meester, beveelt -ze snel: «Laat meneer binnen... In de studeerkamer maar... daar zal de -kachel nog wel aan zijn.» - -De gedienstige verdwijnt zonder een woord. - -«Mijn goeie, beste Oom!» roept Marta bijna schreiend, reeds op de trap, -Aennchen na. - -Frans volgt, in gedachten. - -«Jij bent ook niet haatdragend!» zegt hij na eenige oogenblikken. «Een -man, die je in je beroerdste tijd in de steek gelaten heeft...» - -«Nou ja... Goddank, de kachel is nog aan, zie ik... Och, als ik niet -finantiëel onafhankelijk was geweest, zou hij me zeker wel geholpen -hebben. O, dat weet ik zeker...» - -«Jawel, dat veronderstel je. Maar ’t is toch maar ’n feit, dat hij geen -troostwoord voor je overhad, toen je zoo diep-ongelukkig was.» - -«Kom, Frans, je moet niet hard wezen: de schijn was zoo geheel tegen -me. Geheel...» - -«Voor hem moest dat in de laatste plaats zoo wezen. Je hadt niets -anders gedaan dan toegepast wat hij je voorgepreekt had...» - -«Och, voor mij is ’t ook altijd een raadsel geweest...» - -«Nu, we zullen zoo-meteen de verklaring wel hooren.» - -«Zal ik eerst maar heengaan?» - -«Welnee, blijf gerust. Je hoort erbij: ik wil juist toonen, dat wij -voor elkaar geen geheimen hebben.» - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVII. - - -Op ’t geluid van moeilijke schreden boven op de trap doet Marta ijlings -de deur open. - -De gestalte van Dr. Winter vertoont zich op ’t smalle portaaltje, in ’t -volle licht van een gaspit boven de trap. ’t Is een «eerwaardige» -verschijning, zooals men dat pleegt te noemen. Een sneeuwwitte volle -zijige baard omvat een vervallen scherp-geteekend gelaat, met fijne -dunlippige mond, arendsneus, spierwitte borstelige wenkbrauwen, met -diepe holle oogen, die koortsachtig schitteren. De oude man—diep in de -zestig—loopt moeilijk, komt hijgend en blazend de kamer in; maar met -een glimlach om de mond. Hij spreekt met iets benauwds, maar met een -stem, die vroeger mooi-klinkend vol moet geweest zijn, eenigszins hoog -van toon, en telkens afbrekend, om op adem te komen. - -«Ik ben hier immers wel goed terecht... nie’waar?... bij Meester -Jensen... Dokter Jensen, zooals ze hier zeggen?» - -Frans is naar voren getreden, hem tegemoet op ’t overloopje, terwijl -Marta nog aarzelend en in groote spanning bij de deur staat, nog -onzichtbaar voor de binnentredende. - -«De meid...» wil deze nog doorgaan. - -«Ja, stellig... volkomen aan ’t goeje adres. Komt u binnen.» Man en -vrouw snellen hem nu tegemoet. - -«Och, de meid»... hervat hij eenigszins met zijn houding verlegen, «ik -had me vergist... ik vroeg eerst naar Juffrouw... Van Zee... Och, oude -gewoonte... toen heb ik dadelijk uw naam genoemd... Dokter Jensen. Ik -was erg in de war.» Hij glimlacht verlegen. - -En Frans: «Ja... wil u niet gaan zitten?» - -Marta komt met een gemakkelijke stoel aandragen, zet die bij de kachel, -waar ze even vluchtig naar kijkt; pookt erin, trekt een klep open. Haar -gezicht gloeit. - -«Hier, Oom, gaat u hier zitten... hier bij de kachel... die is nog aan. -U schijnt erg moe. En buiten adem ook. En koud... Zal ik Uw stoel...?» - -De oude heer maakt een moê gebaar van dank, en zet zich sterk hijgend -neer. Dan zwijgt hij eenige oogenblikken. Marta en Frans staan bij hem -aan de andere zijde der kachel. - -«Ik ben... blij dat ik zit... trappen-klimmen gaat me niet best meer -af... op mijn jaren... al is ’t maar eenige treden.» Dan slaat hij een -blik vol teederheid op naar Marta. «En Marta, mijn kind, hoe gaat het -je?» - -Er is een lichte trilling in zijn stem en hij heeft zijn magere armen -naar de jonge vrouw uitgestrekt, met een gebaar van innige -hartelijkheid. - -Marta barst in zenuwachtig schreien uit, snelt op de zittende toe, en -knielt bij hem neder. Dan omhelst ze hem met kinderlijke vleiing. - -«Oom, lieve goeje beste Oom... Is u niet meer boos op me?» - -«Boos?... Ik ben nooit boos op je geweest... Ik heb alleen verdriet -gehad... Veel verdriet gehad, Marta... Om jou... Kom, ga daar bij me -zitten.» - -Marta zet zich naast hem, en terwijl ze haar tranen droogt, glimlacht -ze verlegen. Er glanst een vroolijkheidje uit haar vochtige groote -oogopslag, iets van eindelijke ontspanning. Frans blijft intusschen op -een afstand op de sofa bij de bordesdeuren, waar hij is gaan zitten. Er -is iets stugs in zijn trekken. - -«Kom ook hier, Frans», dringt Marta, die hem even gadegeslagen heeft. -De aangesprokene komt aarzelend naderbij, en blijft dan staan. «Oom, -dit is mijn beste man», vervolgt ze op innige toon. «Ik heb na u en -mijn vader nog nooit een man zoo liefgehad... Kom, Frans, geef Oom een -hand. Alles is vergeten: jij mag Oom ook geen kwaad hart toedragen.» - -De jonge man aarzelt nòg. Dr. Winter ziet het, en steekt hem met een -spontane beweging zijn hand toe. - -«Hier, jongen, bied ik je mijn hand... Wil je die aannemen? En wil je -me... al ’t verdriet vergeven, dat... dat... ik je vrouw heb aangedaan? -Och... als je alles wist...» - -Frans grijpt, zichtbaar ontroerd, de dunne vingers van de grijsaard, en -drukt die met krachtige druk, zwijgend. - -«Ga daar zitten,» gaat de oude voort, terwijl hij Frans steeds -aandachtig opneemt: de bewegelijke schrandere prikkelig-kijkende oogen -omvorschen diens wezenstrekken, als waren de woorden, die hij spreekt, -slechts enkele weerklanken van de vele gedachten, die de aanschouwing -bij hem wekt. En Frans gehoorzaamt lijdzaam, sympathiek aangetrokken -door de macht van die oogen, die zijn ziel schijnen te willen -doorzoeken als met een elektrisch zoeklicht. Ondanks zijn -vooringenomenheid voelde hij iets warms in hem opkomen, een kinderlijke -vertrouwelijkheids-drang, een behoefte aan uitschreien en algeheele -gemoeds-uitstorting. Zoo zou een zoon zich tegenover een vereerde vader -voelen, na lang leed onder vreemden. - -En Marta moest wel veel van zulk een man gehouden hebben. O hoe goed -begreep hij nu de machtige bekoring, die van zulk een persoonlijkheid -uit moest gaan op een jong ontvankelijk meisje, leergierig als Marta! - -«Ik ben erg verlangend», brengt Frans na enkele oogenblikken stilte -uit, «van u te hooren, hoe alles zich toegedragen heeft... Ik heb een -onbeperkt vertrouwen in... Marta, en... ik heb me altijd... ten zeerste -verbaasd... verwonderd over Uw houding...» - -«Best begrijpelijk. Best begrijpelijk, hoor. En je hebt ’t voor haar -opgenomen, natuurlijk...» - -Hij moet even ophouden, want een benauwdheid overvalt hem. Marta -schrikt hevig, haalt haastig een glas water uit de naaste kamer, -waarvan ze de schuifdeuren zenuwachtig open en weer dicht trekt. - -De oude man neemt bevend het water aan, en drinkt een paar teugjes, het -hoofd in gloed, maar toch met zachte glimlach om de dunne lippen. - -«Och... ’t is niets... ik heb dat telkens... Nu van die trap zeker... -toch maar een tien treedjes, he...» Weer drinkt hij even. «Ja... ik ben -al oud... en ik heb een hart-aandoening... een kwaal...» - -Marta kijkt hem meewarig met haar groote fluweel-oogen aan, lezend -iedere aandoening op zijn vertrokken gelaat. - -«Och Oom!..» zegt ze. - -«Ja... ’t is nu weer wat over... maar, zie je, de dokter heeft me ook -nog een half jaar gegeven.» Weer dat gelaten lachje, dat Marta door de -ziel snijdt. «Toch kan ’t ook... zoo... zoo met me gedaan zijn. -Daarom...» - -«Maar Oom, en dan die lange reis... in de winter!..» - -«Och, wat zal ik je zeggen? Ik moest wel... ik moest, zie je.» Zijn -blik gaat beurtelings van Marta naar Frans. - -«Ik wou je nog zien vóor... mijn dood..: schuld vereffenen.» - -«Kom, Oom», hervat Marta met tranen in haar stem en in streelende -klankgolving. «Laten we niet meer aan ’t verleden denken...» En ze -grijpt zijn hand, die slap langs de leuning van de stoel hing. - -«Nee, aan ’t... heden alleen, nie’waar? Maar juist daarvoor... Had je -nog verdriet... om mij?» - -Marta slaat de oogen neer voor zijn blik. - -«Altijd, Oom», zegt ze zacht schreiend. «Altijd! Ik heb altijd met -liefde aan u gedacht... En dan begrijpt u...» - -De oude man blijft haar liefdevol gadeslaan. «Mijn lief braaf... goed -kind», gaat hij voort. «Net mijn onvergetelijke zuster... je moeder.» - -Alle drie zwijgen, aangedaan. Frans kijkt stroef. - -«Nu, Marta, dan moest het je toch... smarten, nie’waar, dat je zoo... -voor goed gebroken hadt met je oom. Dat moest nu uit wezen... Ik woû je -zien en spreken... ik woû je vergiffenis, Marta... Wat ben je een lieve -lieve ziel... dat je me die zoo dadelijk... geschonken hebt...» - -Een paar tranen rollen blinkend neer uit de strakke oogen, die nu van -Marta afgewend vóor zich uit staren. - -«Och, natuurlijk, Oom» zegt zij teeder. - -«En dan je man», hervat de grijsaard. «Ik woû ook mijn rekening bij hem -vereffenen.» Dan kijkt hij Frans recht in ’t gelaat «Jullie zijn -gelukkig, nie’waar? Is ’t niet?» - -Frans aarzelt even en kijkt Marta aan. - -«Dat moet jij zeggen, Marta», antwoordt hij dan. - -«Wat ons... drieën aangaat, onder ons... volkomen, Oom.» - -«Jullie drieën... maar er zijn meer menschen in de wereld dan jullie -drieën, wil je zeggen!..» - -Weer slaat Marta haar oogen neer vóor ’t vorschende kijken des ouden. - -«De wereld... och, die laat me koud», tracht ze onverschillig te -antwoorden, met schuchtere oogopslag. - -«Dat meen je niet, Marta.» - -De schrandere oogen, vorschend uit de donkere diepten der kassen, -vestigen zich nu ook op de jonge man. Hij wil spreken, doch bedenkt -zich. Zijn brauwen fronsen zich even... «Maar», hervat hij op ietwat -andere toon... «ik moet eerst over mezelf... spreken.» - -«Meneer Winter», valt Frans plotseling in, «hoe kon u, u, die zooveel -van Marta hield,.. haar verlaten... op zulk een oogenblik?» - -De oude man verschuift even in zijn stoel en zucht: - -«’t Heeft me... moeite gekost», antwoordt hij kalm-ernstig. «Maar juist -omdat ik haar zoo hoog stelde... daarom stelde ik haar volkomen -verantwoordelijk voor haar daden. Van wie—men veel verwacht—keurt men -ook veel af.—Wie hoog staat—wordt streng geoordeeld.» Even een zucht. -«Ik begon met Marta’s—huwelijk met Karel—verkeerd te vinden. Ze was nog -veel te jong voor—zulk een stap.—Ik schreef haar op haar -mededeeling—hoe ik erover dacht.—Ze antwoordde met een—hooghartige -brief...» - -Marta bloost en buigt het hoofd. - -«Nu ja», gaat de oude na een oogenblik voort, «dat was niet zoo heel -erg.—Maar toen kwam... toen hoorde ik niets tot—totdat ze me schreef, -dat Karel haar in de steek gelaten had—Ik had in de tusschentijd andere -berichten gekregen—ook van de kant van zijn familie.—En iedereen op de -plaats sloeg er geloof aan.—Ik ook.» - -Dr. Winter kijkt somber vóor zich, en zijn witte baard schokt met -kleine rukjes op en neer. - -«Maar hoe kòn u...!» breekt Frans de stilte, meer smartelijk somber dan -verwijtend. - -«O, je weet zeker wat ze zeiden, niet? ’t Was afschuwelijk. Dat Marta -’t weer—met een ander aangelegd had—dat ze van die tweede—zoover -was—zwanger.—Ik wou ’t eerst niet gelooven. Maar ik had vertrouwen in -die Karel—ik meende hem te kennen—door-en-door te kennen.» - -De oude man hief zijn rechter hand omhoog en sloeg de oogen hoog op. -«Ja... niet, dat hij—me zoo iets te verstaan gaf...» - -«Nou ja», valt Frans in, «daar zorgden zijn familie en vrienden wel -voor...» - -«Ik schreef Marta weer», hervat de oude man. «Mijn toon was -misschien... beleedigend...» - -«O ja, Oom!» roept Marta heftig en op schreierige toon. «Ik kon niet -verdragen, dat u een oogenblik aan mijn eergevoel twijfelde. Ik woû me -niet rechtvaardigen.» - -«Ja—en je schreef me, dat de kwestie—wie de vader van je kind -was—alleen jou—en de vader zelf aanging.» - -«Dat deed ik», stamelt Marta, «maar ik was ook haast gek van ellende.» - -«Dat begrijp ik—nu—en ik zeg ’t ook niet als—een verwijt. Ik heb je -immers gezegd—ik kom om je vergiffenis.» - -«Och Oom...» - -«Ik ben ten slotte tot inkeer gekomen... Weet je waardoor. Frans? Ten -minste, wat de—stoot gegeven heeft?» - -De jonge man kijkt verwonderd op. - -«Hoe zou ik... dat weten?» - -«Door een artikel van jou—in een Duitsch tijdschrift—over -«vrouweneer»...» - -«Och!» klinkt het spontaan-kinderlijk uit twee monden. - -«Ja, vreemd, he? De wegen des Heeren... zeggen de geloovigen. Ja, toen -ben ik gaan nadenken.—Een man die zulke idees verkondigde—kon niet -slecht zijn—moest het hart op de rechte plaats hebben.—En ik wist—», -hier een fijne lieve glimlach—«dat de schrijver dezelfde was -als—degeen—die ik voor Marta’s derde minnaar hield!—Ik kwam achter -allerlei bizonderheden—later meer.—En zoo—langzamerhand—ben ik tot -inzicht—tot inkeer ook!—gekomen. En hier ben ik nu...» - -Marta kust hem innig de hand. - -«Mijn hart zei me», brengt ze uit, «dat u nog eenmaal... weer dezelfde -zou worden...» - -«Dezelfde! Ik woû dat het waar was, kind.—En toch—in zeker opzicht -niet.» De eene magere hand gaat weer omhoog met groot gebaar. «Maar ik -ben niet daarvoor—alleen hier gekomen.» - -«Maar Oom, voor u verder gaat, waar logeert u?» valt Marta in. - -«O, ik ben afgestapt—ik heb me in een goed hotel laten brengen.—Ik heb -mijn rijtuig buiten laten wachten—een tien minuten rijden van hier.—Ik -ben net anderhalf uur—hier op de plaats.» - -En Marta weer: - -«U moet hier logeeren—morgen dadelijk al, wil u? We hebben een goeje -logeerkamer.» ’t Was een klein leugentje, maar ze hadden immers een -kamer, die er voor in te richten was... - -«Zeker, Meneer Winter», vindt Frans noodig aan te dringen, «’t is beter -bij ons.» - -«Meneer Winter! Zeg jij maar oom, m’n jongen. Je zult het toch niet -lang hoeven te zeggen.—Als je er niet tegen hebt.» - -«Wat zou ik daar tegen kunnen hebben?» - -«Maar—dat is dan afgesproken», hervat de oude met een lange blik op het -gezicht van Frans, die hem ditmaal met trouwe oog-opslag de blik -teruggeeft. ’t Laatste spoor van onvriendelijkheid is van Frans’ -trekken verdwenen, en de uitdrukking van zijn gezicht beantwoordt nu -geheel aan de drang van zijn hart. - -«Ik kom dus morgen bij jullie.—Maar—laat me nu ’s zeggen—waarvoor ik -nog meer gekomen ben.»—Frans en Marta kijken beiden vragend. «Om jullie -tot andere gedachten te brengen.» - -«Wat bedoelt u?» vraagt de jonge vrouw onthutst, en haar streel-oogen -gaan beurtelings van haar oom naar Frans. Deze schijnt begrepen te -hebben, wacht af in spanning, en wil niets zeggen; laat eerst die twee -uitspreken, denkt hij. - -«Om fatsoenlijk—burgermans-fatsoenlijk—je aan te raden, om—je -verbintenis—je samenleven—te bekrachtigen door—een -huwelijks-voltrekking—op de gewone manier...» - -Marta aarzelt, voordat ze antwoordt: - -«Maar Oom, onze verbintenis heeft zoo iets niet noodig: die is zonder -dat immers even krachtig... En dat u ons zoo iets aan kan raden! Meent -u dat?... U die dezelfde denkbeelden over... die zaken... over sexueele -verhoudingen heeft als ik...» - -«Nee, Marta—jij was plus royaliste que le roi: de leerlingen gaan -dikwijls—verder dan de meesters...» - -«Dus u vindt...?» - -«Ik vind, m’n lieve kind, dat vrije liefde een—heel mooi ding is—voor -hoogstaande menschen...» - -«Maar zijn wij dan..?» - -«Laat me uitspreken.—Een heel mooi iets, zeg ik, in een hoogstaande -maatschappij—een wereld van engelen.—En de meeste menschen—dat zul je -wel toegeven—zijn nog niet zoover.—Zoo iets is voor een—ideale -samenleving—niet voor de onze.—Nu heeft men verplichtingen -tegenover—zijn medemenschen, de wereld waarin men leeft.» - -De oude man zwijgt even nadenkend. Zijn edel profiel komt scherp uit -tegen de donker-beschaduwde achtergrond van ’t behang. Ook Marta en -Frans zwijgen. Met groote aandacht, als wachtten ze iets beslissends, -staren ze hem beiden aan. Plotseling wendt de grijsaard ’t hoofd naar -hen. - -«Zeg, vertel me’s, Marta», zegt hij weer met zijn in-vriendelijke -glimlach, «als jij—een huis koopt—van iemand—dan is dat een zaak -tusschen jou en die iemand, niet?» - -«Ja, natuurlijk...», antwoordt Marta. - -«En toch moet je—wil je je rechten later—laten gelden—een koop-contract -opmaken—Niet?—Dat moet voor een huis.—Goed.—Vin’ je dan—waar je eigen -persoon erin gemoeid is—vin’ je dan zoo’n contract—zoo’n wettiging -tegenover derden—onnoodig?» - -«Die derden hebben er niets mee te maken...» zegt de jonge vrouw met -zwak protest. - -«Evenmin als met het huis, dat je koopt!» hervat Dr. Winter onverstoord -en steeds met zijn beminnelijk lachje. - -«Ze hebben er wèl mee te maken—zeg ik je. De maatschappij heeft het -recht—waarborgen te eischen.—Ja, ja, waarborgen—voor iedereen—voor -goeden en kwaden—en de goeden moeten zich—onderwerpen, omdat er—kwaden -zijn.—En de zwakken onder de «goeden»... tegenover die ook...» - -Als Marta niet dadelijk antwoordt, zegt Frans gretig: - -«Ik vind eigenlijk, dat u gelijk heeft... Ik heb heb er ook dikwijls op -aangedrongen... Marta woû niet...» - -«O, hadden jullie dan eerst—plan gehad om te trouwen?» - -«O ja... ik vond het noodig voor de kleine jongen.—Maar u begrijpt: -mijn vader woû van geen toestemming weten.» - -«Je bent in onmin gescheiden—is ’t niet zoo?» - -«O, had u daarvan gehoord? Nu, Marta vond het toen een naar idee, mijn -vader door de rechter tot toestemming te dwingen—zooals zij ’t noemde. -Door een akte van eerbied, u weet wel. Overdreven, vindt u nu ook -niet?» - -«Ik woû me niet met geweld in zijn familie dringen», valt Marta -eenigszins verlegen in. «Dat kòn ik toch niet...» - -«Maar, Marta, begrijp je dan niet, dat Frans zijn vader—juist doordat -jullie—je bij zijn weigering hebben neergelegd—een min idee gekregen -heeft—van je verhouding?—Hij houdt je nu immers—voor een -avonturierster...» - -Marta laat het hoofd zinken, haar blik zwichtend voor die wonderlijk -doordringende zoek-oogen. - -De oude schudt onderwijl langzaam zijn teekenachtige kop. En ’t is -haar, als hoorde ze hem weer als in haar kinderjaren haar vermanen met -zijn: «Meisje, meisje!» en die zelfde glimlach. - -«Nee, geloof me, m’n kind», hervat Dr. Winter, «doe wat ik je zeg.—Zie -zoo gauw mogelijk—toestemming te krijgen—hoe dan ook.» - -«Langs minnelijke weg is niet meer mogelijk... Ik weet van de laatste -brief van mijn moeder... dat mijn vader zijn oude standpunt blijft -innemen... Trouwens, ik had niet anders verwacht.» - -«Nu, dan door zoo’n—akte van eerbied.—Je bent toch lang -meerderjarig—formeele toestemming heb je immers niet noodig.—Maar -trouwen moeten jullie—voor je eigen geluk—dat kàn niet volkomen zijn -zonder—de achting van diezelfde wereld—waar je beweert zoo -onverschillig voor te zijn—Marta...» - -«Maar dat bèn ik, Oom», verzet zich de jonge vrouw, met een vergeefsch -poginkje om haar oogen opgeslagen te houden. - -«Och wat! Larie!—In zake je wetenschappelijke werk—he?—ben je niet -onverschillig voor—goed- of afkeuring van de wereld.—Frans evenmin—als -hij een artikel geschreven heeft.—En wie zijn vaak die—beoordelaars—om -wier opinie je zooveel geeft...? Immers heel dikwijls—meestal -zelfs—menschen die beneden je staan!—Publiek, ik veracht je is een -fraze—van verwaande ijdeltuitige ingebeelde en behaagzieke -kwasten—kwasten bij al hun genie.—Ze zijn als beeldmooie -jongemeisjes—die koket verklaren—dat ze alle mannen verachten.—Dat -staat machtig voornaam.—Maar ’t is larie, hoor.—Ze meenen er niets van, -die meisjes—en ze zouden ’t diep treurig vinden—als alleen hun spiegel -hun vertelde—dat ze zoo mooi zijn.—Zou je niet denken?» Weer verlicht -de in-goedig-verstandige zacht-ironische glimlach ’t gelaat van de -grijsaard. «Dat laatste zou—trouwens, onmogelijk zijn, want—zoo’n -meisje weet pas—dat ze mooi is—wanneer andere menschen—mannen -vooral—het haar gezegd hebben.—Nee nee, je hebt de menschen noodig.—Kom -daar nu maar voor uit: je zult wel onaangename ervaringen hebben -opgedaan.» - -Even zwijgen alle drie, de oude om op adem te komen. Dan gaat deze -voort, weer met zijn zoek-oogen op Marta: - -«Sedert je samenzijn—je samenleven met Frans—bedoel ik?» - -«O ja, maar...» stamelt de jonge vrouw. - -«Daar kom je tegen op—om ’t beginsel—jawel.—Maar ondertusschen—wordt je -geluk er door bedreigd—ondermijnd.—Je kunt niet volkomen gelukkig -zijn—zoo.» - -«U slaat de spijker op de kop!» roept Frans, als kwam hij nu eerst -recht los. «Ik heb al ellende genoeg doorleefd...» - -«Als er geen martelaren waren», zegt Marta op gloedlooze -overtuigings-toon, «zou er geen enkele goede zaak, geen enkel nieuw -denkbeeld ingang kunnen vinden. Het hooggeroemde kristendom was zonder -martelaren ook niet doorgedrongen...» - -Dr. Winter’s glimlach verbreedt zich, en zijn wijd geopende oogen -schieten ironische lachvonkjes. - -«Marta, Marta—wat ’n logica!» zegt hij met opgeheven wiegelende -rechterhand. «Wat war jij de dingen door elkaar!—In mijn tijd leerden -we nog logica—nu promoveeren ze tot doctor—en kunnen de jonge menschen -nog niet zelf denken—als ze geroepen zijn—om anderen te leeren -denken.—Ja, ja—.» - -«De martelaren waar je van spreekt—zijn gestorven voor een zaak—die ze -voor goddelijk hielden—» hervat hij. - -«Als er iets goddelijks is, dan is ’t de Liefde,» antwoordt Marta met -eigenaardige nadruk. - -De oude man herinnert zich zijn eigen woorden, hier door zijn discipel -trouw herhaald: zoo’n heksje! - -«Nu goed—best—maar nu verwar je twee dingen. Liefde en huwelijk heeten -ze,—Mevrouw mijn leerlinge.—De maatschappij heeft zich niet te -bemoeien—heeft niets—niets te eischen of te bedillen—in zake de liefde -tusschen man en vrouw.—Wèl mag ze eischen, dat hun samenleving met de -mogelijke gevolgen—aan behoorlijke regelen gebonden zij.» De oud-rector -vergiste zich nooit met zijn aan voegende wijs—en ’t was hem nog altijd -een genot, de zelftucht der logisch voortrollende Latijnsche periode op -zijn moedertaal aan te passen. «Leef in een liefdesbetrekking met -elkaar—als je dat met je geweten—met God!—overeen kunt brengen—maar -verlang niet van de maatschappij—dat ze je samenzijn—als een huwelijk -beschouwe—als ’t geen huwelijk is—dat wil zeggen—als je je niet -behoorlijk tegenover die maatschappij—verbonden hebt.—De liefde is een -gewetenszaak—het huwelijk is een maatschappelijke verbintenis.»—Hij -zwijgt enkele oogenblikken, de uitwerking zijner woorden bespiedend. -«Maar ik zie—dat je niet overtuigd bent», hervat hij leepjes—een -spotvonkje in de diepe oogen. «We zullen er wel’s op terugkomen. Ik ben -wat moe—ik verlang naar mijn bed, kinderen.» - -«Ja Oom», valt Marta berouwvol-gedienstig in. «U praat zooveel... En ik -laat u op een droogje zitten! Ik ben ook zoo in de war. Maar wat zal ik -u geven? Wijn mag u niet hebben...» - -«Och niets—heusch niets, Marta lief—Ik heb straks al wat gebruikt: ik -heb nergens behoefte aan... dan alleen wat rust. Kom...» - -De oude man staat ietwat moeilijk op. En ’t valt Marta nu eerst goed -op, hoe veranderd de gestalte daar vóor haar is, hoe schraal die bouw, -hoe diepliggend die oogen, hoe wankel die gang, als hij een schreden -vooruit doet. Dat dezelfde levenslustige krachtige grijsaard van -toen?... Dat menschelijk wrak, waarvan alleen de oogen nog intens leven -vertoonen? Maar ze heeft in haar verbijstering geen heldere -gedachtengang: alleen voelt ze, dat het woelt en raast daarbinnen in -haar boezem, dat er iets schrijnt en weeklaagt ook. Ze staart haar oom -aan. - -«Nu, kindertjes—ik ga naar mijn hotel.—Goeje nacht.» En hij drukt -beiden de hand met stuipig-stevige greep. - -«Wil u nu heusch niet hier blijven?» dringt Marta kinderlijk vleiend. -«Heusch niet, Oompje? Uw logeerkamer is dadelijk in orde.» - -«Nee, nee—werkelijk niet.—Ik waardeer je goede bedoelingen—mijn beste -meid.—Nu nogmaals: goeje nacht.—Ik kom morgen koffie drinken.—Op zijn -Hollandsch—is dat goed?» - -«Zeker, zeker», valt Frans afgetrokken in. «Wij leven hier nog altijd -op zijn Hollandsch.» - -«We drinken om éen uur koffie, hoor, Oom», zegt Marta met een -leugentje—«neem maar goed rust—flinke nachtrust—uitslapen, hoor! -Belooft u me?» - -Ze kust hem onhandig, en hij geeft haar op ’t voorhoofd twee innige -kussen terug. Dan ziet hij haar in de oogen, diep en innig. - -«Ja, ja», hommelt de oude in zijn baard. «Adieu, Frans.» - -«Slaap wel... Ik hoop u morgen wèl te zien», brengt de jonge man -haperend uit. - -Beiden volgen hem tot onder aan de trap. Frans doet de voordeur open, -roept de ingedommelde koetsier, die opschrikt uit zijn omwalling van -bouffante en hooge halskraag als een tuinslak uit zijn huisje.—Nog een -handdruk over en weer.—Het rijtuig rolt heen op de schaars verlichte -straatweg, hol-bolderend in de stilte. - -«Hu! ’t is koud, hier aan de deur», zegt Frans. «Gauw maar naar -binnen.» - -Als ze beiden het buiten trapje weer op zijn, treden ze onwillekeurig -de studeerkamer binnen. - -En nauwelijks binnen, valt Marta Frans snikkend om de hals: - -«Die lieve lieve Oom! Wat heeft hij geleden! Om mij! Och, Frans, ik wil -hem zijn zin doen. Ik wil hem zijn zin doen...» - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OM HET RECHT DER LIEFDE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
