diff options
Diffstat (limited to 'old/67635-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/67635-0.txt | 5607 |
1 files changed, 0 insertions, 5607 deletions
diff --git a/old/67635-0.txt b/old/67635-0.txt deleted file mode 100644 index b06e4ce..0000000 --- a/old/67635-0.txt +++ /dev/null @@ -1,5607 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Koning Hendrik de Vijfde, by William -Shakespeare - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Koning Hendrik de Vijfde - -Author: William Shakespeare - -Translator: Dr. L.A.J. Burgersdijk - -Release Date: March 15, 2022 [eBook #67635] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KONING HENDRIK DE -VIJFDE *** - - - - -KONING HENDRIK DE VIJFDE. - - - - - - - -PERSONEN: - - Koning Hendrik de Vijfde. - Humphrey, hertog van Gloster, } - John, hertog van Bedford, } broeders des Konings. - De Hertog van Exeter, oom des Konings. - De Hertog van York, neef des Konings. - De Graven van Salisbury, Westmoreland en Warwick. - De Aartsbisschop van Canterbury. - De Bisschop van Ely. - De Graaf van Cambridge, } - Lord Scroop, } Saamgezworenen. - Sir Thomas Grey, } - Sir Thomas Erpingham, } - Gower, Fluellen, } krijgsoversten in ’s konings leger. - Macmorris, Jamy, } - Bates, Court, Williams, soldaten in ’s konings leger. - Pistool, Nym, Bardolf, en een Jongen, hun bediende. - Een Heraut. - - Karel de Zesde, koning van Frankrijk. - Louis, de Dauphijn. - De Hertogen van Bourgondië, Orleans en Bourbon. - De Connetabel van Frankrijk. - Rambures en Grandpré, Fransche edellieden. - Montjoye, een Fransch heraut. - De Commandant van Harfleur. - Fransche Gezanten aan het Engelsch hof. - - Isabella, Koningin van Frankrijk. - Catharina, dochter van Karel en Isabella. - Alice, hofdame bij Prinses Catharina. - Vrouw Haastig, waardin van een herberg in Eastcheap, gehuwd met - Pistool. - - Chorus. - - Edellieden, Edelvrouwen, Officieren, Engelsche en Fransche - soldaten, - Boden en Dienaars. - - - -Het Tooneel is in Engeland, later in Frankrijk. - - - - - - - -EERSTE BEDRIJF. - - -Chorus treedt op. - - -CHORUS. O, stond een Muze mij ten dienst, van vuur, -Die tot der vinding lichtsten hemel steeg! -Een rijk als schouwtooneel, voor ’t spelen vorsten, -Voor ’t zien van ’t prachtig schouwspel koningen! -Dan trad, gelijk hij was, held Hendrik op -In Marsgestalte; voor zijn voeten kropen, -Als honden aangekoppeld, vuur en zwaard -En honger rond om werk. Doch o! vergeeft, -Geëerden, dat een ongewiekte geest -Op zulk een planken vloer zoo groot een stof -U voor te stellen waagt! Dit hanenstrijdperk, -Omvat het Frankrijks vlakten? bergt deze O -Met houten wand de helmen slechts, waar eens -Bij Agincourt de lucht voor heeft gesidderd? -Vergeeft, ja! kan een kromme cijfertrek -Niet in een klein bestek millioenen gelden? -Dat wij dan, nullen bij een groot bedrag, -Verbeeldings macht bij u hier laten werken! -Denkt in den gordel dezer muren thans -Twee groote monarchieën ingesloten, -Elk de andre dreigend met verheven voorhoofd, -Gescheiden door een woeste, smalle zee. -Vult aan, door uwen geest, wat ons ontbreekt, -Verdeelt in duizend stukken elken man; -Dat uw verbeelding hier een leger scheppe; -Als wij van paarden spreken, denkt, gij ziet hen, -In ’t weeke land hun trotsche hoeven prentend; -Uw geest leen’ koningstooi aan onze vorsten, -Verplaats’ hen hier en daar, spring’ tijden over, -Vatte in een uurglas samen, wat door jaren -Gewrocht werd. Laat, opdat uw geest dit doe, -Als Chorus mij bij dit geschiedstuk toe, -Die als Proloog hier smeek: hoort onze kunst -Toegevend aan en oordeelt dan in gunst. - - (Chorus af.) - - - - -EERSTE TOONEEL. - - -Londen. Een voorzaal in het koninklijk paleis. - -De Aartsbisschop van Canterbury en de Bisschop van Ely komen op. - - -CANTERBURY. Voorwaar, mylord, de wet is weer aanhangig, -Die in het elfde jaar des voor’gen konings -Waarschijnlijk tegen ons waar’ doorgegaan, -Zoo niet de woeste en onrustvolle tijd -De verdere overweging had verhinderd. - -ELY. En hoe, mylord, voorkomen wij haar nu? - -CANTERBURY. Dit moeten we overleggen. Gaat zij door, -Dan neemt ze ons ruim de helft van onze have. -Want al het grondbezit, door vrome leeken -Bij testament ooit aan de kerk vermaakt, -Wil men ons nemen,—wat, naar ’t wordt geschat, -Zou onderhouden, voor des konings luister, -Ruim vijftien graven, vijftienhonderd ridders, -Zes duizend en tweehonderd wakk’re knapen, -En dan, tot troost van zieken en verzwakten, -Voor schaam’le zieken, de’ arbeidstijd voorbij, -Een honderd armenhuizen, wel voorzien,— -En verder ’s konings koffers stijven zou -Met duizend ponden ’s jaars. Zoo luidt de wet. - -ELY. Een diepe teug! - -CANTERBURY. Die kelk en al zou slikken! - -ELY. Doch hoe dit te verhind’ren? - -CANTERBURY. De koning is genadevol en billijk. - -ELY. En een waarachtig vriend der heil’ge kerk. - -CANTERBURY. De wandel van zijn jeugd deed dit niet hopen. -Nauw blies zijns vaders borst den adem uit, -Of ook zijn woestheid scheen, in hem verstikt, -Te sterven; ja, in ’t eigen oogenblik -Verscheen Bezonnenheid, gelijk een engel, -En zweepte uit hem den zondige’ Adam weg, -En liet zijn lichaam als een paradijs, -Dat hemelgeesten opnam en omsloot. -Zoo plots’ling werd geen kweek’ling ooit gevormd; -Zoo, als een vloed, kwam nooit bekeering op, -Zoo driftig stroomend, feilen met zich sleepend; -Zoo ras heeft hydrakoppige eigenlust -Zijn troon nooit opgegeven, zoo in eens, -Als nu in dezen koning. - -ELY. Ons ten zegen! - -CANTERBURY. Hoor hem met godgeleerden in gesprek, -En, gansch bewondring, zult ge inwendig wenschen, -Dat hij, de vorst, prelaat geworden waar’; -En hoor hem over staatsbelangen hand’len, -Die waren, zweert gij, steeds zijn een’ge lust; -Hij spreek’ van oorlogvoering, gij verneemt -Een schrikb’ren veldslag, op muziek gezet; -Leg een geval van staatsmanskunst hem voor, -En hij ontwart den Gordiaanschen knoop, -Als waar’ ’t zijn knieband; waarlijk, als hij spreekt, -Is zelfs de lucht, de vrije woest’ling, stil, -En stom verbazen loert in ieders oor -Om zijner reed’nen honingzeem te buiten, -Zoodat de hand’ling, ’t practisch deel des levens, -Zich leermeest’resse toont der theorie. -Een wonder is ’t, hoe onze vorst dit oplas, -Daar al zijn lust een ijd’le wandel was, -Zijn makkers ruw, onwetend, zonder diepte, -Zijn tijd bezet door brassen, zwieren, tieren, -En hij geen zweem van studiegeest ooit toonde, -Of zucht tot eenzaamheid en tot ontwijken -Der menigte en haar openbaar gewoel. - -ELY. De aardbezie ziet men onder netels groeien, -En nevens vruchten van geringer aard -Gezonde beziën best tot rijpheid komen; -Zoo was zijn wildheid voor den prins een sluier, -Zijn overpeinzing dekkend, die bij nacht, -Gewis, als zomergras, het snelst gedijde, -Onopgemerkt, doch krachtig in haar groei. - -CANTERBURY. Zoo moet het; want der wond’ren tijd is over; -En dus, er moeten midd’len zijn, waardoor -Volkomenheid ontstaat. - -ELY. Doch, waarde lord, -Wat is te doen tot temp’ring dezer wet, -Die de gemeenten eischen? Is de koning -Er voor of tegen? - -CANTERBURY. Naar het schijnt, nog weiflend -Maar toch, naar onze zijde eer overhellend, -Dan dat hij onze weêrpartijders steunt; -Want ik heb hem een aanbod kunnen doen -Van de vergaad’ring onzer geestlijkheid,— -En ’k heb daarbij zijn hoogheid in den breede -De hangende geschillen toegelicht, -Frankrijk betreffend,—om een grooter som -Te geven, dan de geestlijkheid nog ooit -In eens aan vorsten vóór hem heeft bewilligd. - -ELY. Hoe, dunkt u, stond den koning ’t aanbod aan? - -CANTERBURY. ’t Vond bij zijn majesteit een heusche ontvangst; -Alleen ontbrak de tijd om aan te hooren,— -Gelijk hij blijkbaar gaarne had gedaan,— -Die vele, voor een elk onwraakb’re rechten, -Die hij op enk’le hertogdommen heeft, -Ja, in ’t geheel, op Frankrijks kroon en troon, -Als erfgenaam zijns oudgrootvaders Edward. - -ELY. Wat was de stoornis bij uw onderhoud? - -CANTERBURY. Frankrijks gezant vroeg op dat oogenblik -Juist om gehoor; en ’t uur is daar, vermoed ik, -Voor zijn ontvangst bestemd. Is ’t reeds vier uur? - -ELY. Dat is ’t. - -CANTERBURY. Laat ons dan gaan, en hooren wij zijn boodschap, -Die ik naar gissing licht u melden kon, -Aleer de Franschman er een woord van uit. - -ELY. Ik volg u; zeer verlang ik haar te hooren. - - (Beiden af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Aldaar. Een staatsievertrek in het paleis. - -Koning Hendrik, Gloster, Bedford, Exeter, Warwick, Westmoreland en -Gevolg komen op. - - -KONING HENDRIK. Waar is de eerwaarde lord van Canterbury? - -EXETER. Niet hier, mijn vorst. - -KONING HENDRIK. Ontbied hem, waardige oom. - -WESTMORELAND. Kan de afgezant verschijnen, heer en koning? - -KONING HENDRIK. Nog niet, neef, vóór ’t gehoor beslisten wij -Liefst enkele zaken van gewicht, die zeer -Onze aandacht eischen, ons en Frankrijk rakend. - -(De Aartsbisschop van Canterbury en de Bisschop van Ely komen op.) - -CANTERBURY. Bescherme met zijn englen God uw troon, -Dat gij hem lange siert! - -KONING HENDRIK. Wij danken u. -Wij bidden u, geleerde heer, ga voort, -En wil ons juist en nauwgezet ontvouwen, -Of ’t Salisch recht, dat Frankrijk gelden laat, -Onze aanspraak, al of niet, aan ons ontzegt. -En God verhoede, waarde en trouwe heer, -Dat gij de lezing vormt of wringt of buigt, -En vindingrijk uw wetend hart bezwaart, -Verwrongen titels openslaand, wier recht -Niet strookt, in echte kleuren, met de waarheid. -Want menigeen, God weet het, krachtig nu, -Vergiet welras zijn bloed, om dàt te staven, -Waar gij, hoogwaardige, ons toe drijven zult. -Daarom, zie toe, hoe gij onze eer verpandt, -En hoe ge ons slapend zwaard ten strijde wekt; -Wij manen u bij de eere Gods, zie toe! -Twee zulke rijken slechtten nooit een twist -Dan met veel bloed, en elke onnooz’le drop -Is dan een wee, een aanklacht tegen hem, -Wiens onrecht zwaarden, die zoo schrikk’lijk woeden -Op korte sterflijkheid, hun scherpte geeft. -En nu, aldus bezworen, spreek, mylord; -Wij willen hooren, en in ’t hart gelooven, -Dat, wat gij zegt, zoo rein in uw geweten -Gewasschen is, als zonde is door den doop. - -CANTERBURY. Zoo hoort, genadig koning, en gij pairs, -Die aan des vorsten troon uzelf, uw leven -En diensten schuldig zijt.—Niets is er, niets, -Dat uwer hoogheid recht op Frankrijk wraakt, -Dan dit, wat Pharamond wordt toegeschreven: -In terram Salicam mulieres ne succedant, -„Geen vrouw mag heerschen over Salisch land”; -Welk Salisch land ten onrecht door de Franschen -Voor Frankrijk wordt verklaard, en Pharamond -Voor vestiger van ’t recht, dat vrouwen uitsluit. -En toch verklaren zelfs hun eigen schrijvers -Van ’t Salisch land, dat dit in Duitschland ligt, -Begrepen tusschen de’ Elbestroom en Sala, -Waar keizer Karel, na tenonderbrenging -Der Saksers, Fransche mannen heeft geplant; -Die hebben, Duitsche vrouwen weinig achtend -Ter zake van oneerb’re levenswijs, -Toen deze wet gemaakt, dat nooit een vrouw -Erfrecht bezitten zou op Salisch land, -Dat, als ik zeide, tusschen Elbe en Sala, -In Duitschland tegenwoordig Meissen heet. -Hieruit is duid’lijk, dat het Salisch recht -Niet uitgedacht is voor het Fransch gebied; -En ’t Salisch land bezaten ook geen Franschen -Dan eerst vierhonderd een-en-twintig jaar -Na Pharamonds verscheiden, wien verkeerd’lijk -Die wet wordt toegeschreven; deze stierf -In ’t jaar des heils vierhonderd zes-en-twintig; -En keizer Karel onderwierp de Saksers -En deed de Franschen wonen in het land -Aan gene zij der Sala, eerst in ’t jaar -Achthonderd vijf. Ook deed, naar hunne schrijvers, -Koning Pepijn, die Child’rik van den troon stiet, -Als eenig erfgenaam en nazaat van -Blithilde, die Clotharis’ dochter was, -Zijn aanspraak op den troon van Frankrijk gelden. -Hugo Capet ook, die de kroon aan Karel -Van Loth’ringen, het eenig manlijk oir, -Den rechten erfgenaam van keizer Karel, -Ontrukte, gaf zijn doen een glimp van recht,— -Hoewel dit waarlijk nietig was en valsch,— -Door zich den wettige’ erfgenaam te noemen -Van vrouwe Luitgard, die de dochter was -Van Karloman, den zoon van keizer Lood’wijk, -Van Lodewijk, des grooten Karels zoon. -Ook Lodewijk de tiende, die geheel -Het rijk des overweldigers Capet -Geërfd had, vond geen rust voor zijn geweten -Bij ’t dragen van de kroon, totdat hem bleek, -Dat Isabel, de schoone koningin, -Zijn grootmoeder, van vrouwe Hermingard -Afstamde, die de dochter was van Karel, -Loth’ringens hertog, pas door mij vermeld; -Door haren echt was keizer Karels lijn -Op nieuw verbonden aan de Fransche kroon. -Zoodat, zoo klaar als zomerzonneschijn, -’t Recht van Pepijn en de aanspraak van Capet -En Lodewijks bevrediging, dit alles, -Zich gronden op het erfrecht van de vrouw. -Dit doen de Fransche vorsten tot op heden, -Al roepen zij het Salisch recht nu in, -Om u, als vrouwe-nazaat, uit te sluiten, -En hullen zij zich liever in een net, -Dan dat zij open hun verwrongen recht, -U en uw voorgeslacht ontroofd, ontvouwen. - -KONING HENDRIK. Kan ik naar recht en naar geweten, ’t vord’ren? - -CANTERBURY. Kome op mijn hoofd de zonde, strenge heer! -Want in het boek van Numeri staat geschreven: -Sterft iemand zonder mann’lijk kroost, dan valle -Zijn dochter de erf’nis toe. Genadig vorst, -Handhaaf uw recht; ontrol uw bloedbanier; -Blik naar uw roemrijk voorgeslacht terug; -Ga naar uws oudgrootvaders praalgraf, heer; -Zijn recht is ’t uwe;—roep zijn heldengeest, -En dien uws oudooms aan, des zwarten prinsen, -Die, Frankrijks algeheele macht verslaand, -Op Franschen grond een treffend treurspel gaf, -Terwijl zijn groote vader op een heuvel -Glimlachend toezag, hoe zijn leeuwenwelp -Het hartebloed des Franschen adels slurpte. -O edele Engelschen, daar boodt gij ’t hoofd, -Met half uw macht, aan heel den trots van Frankrijk, -En liet uw andre helft het lachend aanzien, -Gansch werkeloos, bij ’t heete strijden koud! - -ELY. Roep al die dapp’re dooden voor uw geest; -Hernieuw met uwen sterken arm hun roem. -Gij zit als erfgenaam op hunnen troon; -Het bloed en vuur, dat hen beroemd deed zijn, -Stroomt u in de aad’ren; en mijn hooge vorst -Is in de Meische morgen zijner jeugd, -Voor wapenroem en grootsche plannen rijp. - -EXETER. Der aard monarchen, al uw scepterbroeders, -Verwachten, dat gij u verheffen zult, -Als de oude leeuwen van uw voorgeslacht. - -WESTMORELAND. Zij weten, reed’nen hebt gij, macht en midd’len;— -Dit heeft uw hoogheid; en,—geen Engelsch koning -Had rijker eed’len, trouwer onderdanen; -Hun hart, ja! liet hun lichaam nog in England, -Maar huist in tenten reeds op Frankrijks grond. - -CANTERBURY. O, laat hun lichaam volgen, waarde vorst; -Verschaf u recht met bloed en zwaard en vuur; -Wij van de kerk verbinden ons, uw hoogheid -Te schragen met een groote somme gouds, -Zooals de geestlijkheid aan geen van uwe -Voorvaders ooit in eens heeft toegekend. - -KONING HENDRIK. Wij moeten ons niet enkel tegen Frankrijk -Ten aanval waap’nen, maar ons voorbereiden -De Schotten af te slaan, die, zien ze een kans, -Gewis een inval doen. - -CANTERBURY. De mannen van die mark, genadig vorst, -Zijn een toereikend bolwerk, om ons land -Voor ’t rooven van dat grensvolk te beschutten. - -KONING HENDRIK. Wij duchten daar niet enkel benden plund’raars, -Maar een vereenden aanval van den Schot, -Die steeds een zeer onrustig nabuur was. -Gij vindt beschreven, dat onze oudgrootvader -Nooit met zijn legermacht naar Frankrijk toog, -Dat niet op zijn ontbloot gebied de Schot -Zich plots’ling stortte, als door een scheur een stroom, -Met al de boordevolheid zijner kracht, -Zóó ’t ledig land met heeten aanval teist’rend, -Met zwaar beleg kasteel en stad omgordend, -Dat England, van zijn weerbaarheid beroofd, -Voor zulk een boozen nabuur beefde en trilde. - -CANTERBURY. De schrik was grooter dan de schade, heer; -Ontleen het voorbeeld slechts aan England zelf. -Toen heel haar ridderschap in Frankrijk was, -En ze om haar adel als een weduw treurde, -Heeft England zich niet slechts zeer goed geweerd, -Maar ving en kooide, als een verdwaald stuk vee, -Der Schotten koning op, en zond hem weg -Naar Frankrijk, om er koning Edwards roem -Te hoogen door gevangen koningen, -En de kronieken rijk aan lof te maken, -Gelijk de bodem ’t is en ’t slijk der zee -Door tal van wrakken en onnoemb’re schatten. - -WESTMORELAND. Maar toch, er is een spreuk, zeer oud en waar: - - „Wilt gij Frankrijk overwinnen, - Zorg met Schotland te beginnen;” - -Want vliegt ooit Englands arend uit op roof, -Dan sluipt de wezel Schotland in haar nest -En zuigt er al haar vorstlijke eiers uit, -En speelt voor muis, die, is de kat afwezig, -Meer aanknaagt en vernielt dan ze eten kan. - -EXETER. Dan zou de kat te huis steeds moeten blijven; -Maar dit besluit gaat mank en is niets waard; -Om goed’ren te beveil’gen zijn er sloten, -En voor de kleine dieren fijne vallen. -Terwijl de hand gewapend buiten vecht, -Verdedigt zich het schrand’re hoofd te huis; -Want, zij ’t bestuur ook hoog en laag, en lager, -Gezet in vele stemmen, alles sluit -Aaneen, en stemt, gelijk muziek, te zamen -Tot volle en zuiv’re harmonie. - -CANTERBURY. Daarom -Verdeelt de hemel ook den staat des menschen -In velerlei verrichtingen en drijft -Elk onderdeel tot stâge werkzaamheid; -Deze echter heeft tot richtsnoer en tot doelwit -Gehoorzaamheid. Zoo werken ook de bijen, -Diertjes, die door natuur aan groote staten -Voor ord’lijk doen als voorbeeld zijn gesteld: -Een koning hebben ze en beambten; deels -Handhaven deze, als schouten, thuis de tucht; -Deels doen ze, als handlaars, zaken buitenshuis; -Deels gaan ze als krijgers, en een angel voerend, -Ten roof uit op des zomers fulpen knoppen, -En dragen hunnen buit in blijden optocht -Naar huis en in de heerscherstent huns vorsten, -Die, naar zijn roeping allen gadeslaat: -De mets’laars, zingend gouden daken bouwend, -De stille burgers, die den honing kneden, -Het poover arbeidsvolk, dat, zwaar beladen, -Door de enge poort de woning binnendringt, -Den strakken rechter, die met norsch gegons -Den tragen slaper hommel overlevert -Aan bleeke beulen. Hieruit put ik dit: -Dat vele dingen, die op samenstemming -Berekend zijn, verschillend werken kunnen;— -Gelijk veel pijlen, van verschillend standpunt -Den boog ontsneld, éénzelfde doelwit treffen, -Naar ééne stad veel wegen samenloopen, -Naar ééne zilte zee veel frissche stroomen, -Naar ’t midden van een uurplaat vele lijnen, -Zoo kunnen duizend handlingen, met zorg -Naar één doel samenstrevend, alle slagen, -Dat niets mislukt. Daarom, naar Frankrijk, heer! -Deel uw gelukkig England thans in vieren; -Neem gij een vierde deel naar Frankrijk mee; -En doe heel ’t land daar op zijn grondvest schudden. -Als wij, met driemaal zooveel macht te huis, -Den hond van onze deur niet weren kunnen, -Nu, dan verscheur’ hij ons, en heel ons volk -Verliez’ zijn roem van moed en schranderheid! - -KONING HENDRIK. Voert de afgezanten des dauphijns nu tot ons. - - (Eenigen van het Gevolg af.) - -Wij zijn besloten; en met hulp van God -En u, het edel merg van onze kracht, -Zal Frankrijk, òns naar recht en wet, nu buigen, -Of barsten en verbrijzeld worden. Ja, -Ten troon gezeten willen we over Frankrijk -En zijn schier koninklijke hertogdommen -In luisterrijken glans en hoogheid heerschen, -Of in een need’rige urne dit gebeente -Doen rusten, zonder praalgesteente of opschrift; -Englands geschied’nis zal met donderstem -Van onze daden spreken, of ons graf -Zij als een Turksche stomme tongeloos, -Geen naam, zelfs niet in was gegrift, vermeldend. - -(De Fransche Gezanten komen op.) - -Wij zijn bereid de boodschap aan te hooren -Van den dauphijn, onze’ eed’len neef; van hem toch, -Zoo hoorden we, is uw groet, niet van den koning. - -EERSTE GEZANT. Wil uwe hoogheid ons goedgunstig toestaan -Vrij uit, wat ons gelast werd, hier te ontvouwen; -Of zullen wij, wat de dauphijn ons opdroeg, -Verschoonend, als van verre, scheem’rig, toonen? - -KONING HENDRIK. Geen dwingland zijn wij, maar een christenkoning, -Wiens heilig ambt zijn gramschap zoo beheerscht, -Als onze kerkers onze schurken kluist’ren; -Daarom meldt vrij, in onverwrongen waarheid, -Wat de dauphijn bedoelt. - -EERSTE GEZANT. In ’t kort dan, dit: -Uw hoogheid eischte zeek’re hertogdommen -Onlangs van Frankrijk, naar het recht, dat u -Edward de derde, uw groote voorzaat, naliet. -Op dien eisch antwoordt onze heer, de prins, -Dat gij te zeer nog smaakt naar uwe jeugd, -En brengt u onder ’t oog, dat niets in Frankrijk -Met lustige gaillarden zich laat winnen, -Geen hertogdom daar in te zwelgen is. -Dies zendt hij u, als voor uw aard geschikter, -Dit vat vol schatten en begeert daarvoor, -Dat die verlangde hertogdommen niets -Van u meer hooren. Zoo spreekt de dauphijn. - -KONING HENDRIK. Wat zijn ’t voor schatten, oom? - -EXETER (op den inhoud van het inmiddels geopend vat wijzend). - Kaatsballen, heer. - -KONING HENDRIK. ’t Verheugt ons, dat de prins zoo met ons schertst. -Hebt dank voor zijn geschenk en uwe moeite! -Als we ons palet met deze ballen paren, -Dan spelen we, als God wil, een spel in Frankrijk, -Dat in de baan de kroon zijns vaders rolt. -Een tegenspeler heeft hij uitgedaagd, -Die al uw Fransche banen zal doen rillen -Door slag op slag. En wij verstaan hem goed, -Hoe hij ons onze wilde dagen voorhoudt, -Niet radend van wat nut ze ons zijn geweest. -Nooit hebben we Englands armen troon geschat; -En daarom, dien ontwijkend, gaven we ons -Aan grove woestheid over, juist zooals men -Vaak menschen buitenshuis het vroolijkst ziet. -Doch meldt aan den dauphijn, dat ik mijn rang -Handhaven zal, een echte koning zijn, -En alle zeilen mijner grootheid hijschen, -Als ik mij op mijn troon van Frankrijk plaats. -Daartoe legde ik mijn waardigheid ter zij -En ploeterde als een werkman in de week, -Maar ginds verrijs ik in zoo heldren luister, -Dat ik heel Frankrijks oogen zal verbijst’ren, -Ja, uw dauphijn bij ’t zien met blindheid slaan. -En zegt dien jool’gen prins, dat deze spot -Van elken bal een steenen kogel maakt, -En dat die schrikb’re wraak, die met hen vliegt, -Zijn ziel bezwaren zal, want deze spot -Spot duizend weeuwen hare gaden weg, -Spot moeders zonen weg, spot burchten neer; -En menig thans nog ongeboren zoon -Vloekt eenmaal des dauphijns vermeet’len hoon. -Doch dit berust nog in de hand van God, -Op wien ik mij beroep; zegt den dauphijn -In Zijn naam, dat ik kom, om mij te wreken -Zoo goed ik kan, en mijn gerechten arm -Denk op te heffen voor een heil’ge zaak. -Gaat thans in vrede heen, en zegt den prins, -Dat elk zijn scherts een laffe scherts zal achten, -Als duizenden meer weenen, dan er lachten.— -Bezorgt hun vrijgeleide.—Vaart gij wel! - - (De Gezanten af.) - -EXETER. Dat was een fraaie boodschap. - -KONING HENDRIK. Wij hebben hoop, den zender te doen blozen. -Daarom, mylords, verzuimt geen gunstig uur, -Dat tot bevord’ring van den tocht kan strekken; -Want geen gedachte is thans in ons dan Frankrijk; -Slechts die aan God gaat aan ons werk nog voor. -Dat daarom onze midd’len voor den oorlog -Ras saamgebracht zijn, alles welbedacht, -Wat met bezonnen spoed aan onze vleugels -Meer veed’ren schenken kan. Want, helpt ons God, -Dan boet de prins, voor ’s vaders hof, zijn spot. -Dies spore een elk zijn geest tot denken aan, -Hoe wij dit edel werk het best bestaan! - - (Allen af.) - - - - - - - -TWEEDE BEDRIJF. - - -Trompetgeschal. Chorus treedt op. - - -CHORUS. Nu is de jeugd van England vuur en vlam, -En zijden dart’len ligt in ’t kleederschrijn; -De wapensmeden bloeien, de gedachte -Aan eer alleen beheerscht der mannen borst. -Zij hebben voor een paard hun weiden veil, -En volgen aller christenvorsten spiegel -Met vleugelvoet, als Engelsche Merkuurs. -Want nu zit Heilverwachting in de lucht, -En voert een zwaard, van greep tot spits beladen -Met diademen, kronen, hertogshoeden, -Aan Hendrik en zijn volgers toegezegd. -De Franschen, onderricht door goede kondschap -Van deze schrikb’re krijgstoerusting, sidd’ren -Van angst, en bleeke staatsmanskunst beproeft -Aan Englands plan een and’ren loop te geven. -O England, beeld van innerlijke grootheid, -Klein lichaam, dat een machtig hart omsluit, -Wat zoudt gij niet, als de eer u roept, volbrengen, -Ware elk van uwe kind’ren goed en echt! -Doch zie uw onheil! In u is een nest -Van holle harten; Frankrijk kent en vult ze -Met kronen des verraads; drie veile mannen, -Met name Richard, graaf van Cambridge, dan -Henry lord Scroop van Masham, en als derde -Sir Thomas Grey, Northumberlander ridder, -Zij hebben voor Fransch goud,—vergulde schuld!— -Snood saamgespannen met het angstig Frankrijk; -En door hun hand moet hij, der vorsten roem, -Vermoord zijn,—houdt verraad en hel hun woord,— -Eer hij naar Frankrijk afzeilt in Southampton. -’t Geld is betaald, de snoodaards zijn het eens, -De koning reeds uit Londen weg, en, vrienden, -Wij voeren thans u naar Southampton heen; -Daar is nu ’t schouwtooneel, daar zet ge u neer, -Daar schepen wij u veilig in naar Frankrijk -En weer terug, de smalle zee bezwerend -Tot kalme rust;—want, dient ons het geluk, -Geen enkle maag, die ziek wordt bij ons stuk. -Doch eerst als gij den koning komen ziet, -Verreist gij naar Southampton; eerder niet. - - (Chorus af.) - - - - -EERSTE TOONEEL. - - -Londen. Eastcheap. - -Nym en Bardolf komen op. - - -BARDOLF. Welkom, korporaal Nym! - -NYM. Goeden morgen, luitenant Bardolf! - -BARDOLF. Hoe is het, zijt gij en vaandrig Pistool thans goede vrienden? - -NYM. Voor mijn part geef ik er niet om; ik zeg weinig, maar als de tijd -komt, zal er gelachen worden;—maar dat mag zijn zooals het wil. Vechten -durf ik niet, maar ik zal mijn oogen toedoen en mijn ijzer -vooruitsteken. Dit is niet veel bijzonders, maar wat doet het er toe? -Er is kaas aan te roosten en koude houdt het even goed uit als eens -andermans degen; en daarmee uit. - -BARDOLF. Ik zal een ontbijt geven om u vrienden te maken en dan willen -wij alle drie als gezworen broeders naar Frankrijk; ja, zoo zal het -wezen, goede korporaal Nym. - -NYM. Op mijn woord, ik wil leven, zoolang ik kan, dat staat vast; en -als ik niet langer leven kan, zal ik zien, wat ik doe; daar blijf ik -bij, en dat is het rendez-vous er van. - -BARDOLF. Het is zeker, korporaal, dat hij met Neel Haastig getrouwd is! -en waarachtig, zij heeft u slecht behandeld, want gij waart met haar -verloofd. - -NYM. Ik weet niet; alles moet gaan zooals het wil; het kan gebeuren, -dat menschen slapen en dat zij te gelijk hun keel bij zich hebben; en -het zeggen is, dat messen scherpe kanten hebben. Het moet gaan, zooals -het wil; al is geduld een afgejakkerde knol, voortploeteren doet het -toch. Er moet een eind zijn aan alles. Nu, ik weet niet. - -(Pistool en vrouw Haastig komen op.) - -BARDOLF. Daar komt vaandrig Pistool, met zijn vrouw.—Beste korporaal, -houd u nu bedaard.—Hoe gaat het, waard Pistool? - -PISTOOL. Gemeene keffer, ik een waard? -Bij deze vuist, die naam is mij een afschuw; -En ook mijn Neel geeft geen logies. - -VROUW HAASTIG. Neen, zoo waar ik leef, sinds lang niet meer; want een -mensch kan geen twaalf of veertien meisjes thuis en in den kost hebben, -die eerlijk met de naald haar brood verdienen, of er wordt dadelijk -gedacht, dat men een knip houdt. (Nym trekt zijn degen.) O -menschenkinderen, die trekt van leer!—Daar komt voorbedachte moord en -echtbreuk van. - -BARDOLF. Beste luitenant,—beste korporaal, geen twist hier! - -NYM. Stik! - -PISTOOL. Stik gij, IJslandsche hond! spitsoor van IJsland! - -VROUW HAASTIG. Beste korporaal Nym, toon gij uw dapperheid en steek uw -degen op. - -NYM. Wil je gaan schuiven? Ik wilde je wel solus hebben. - -(Hij steekt zijn degen op.) - -PISTOOL. Solus, gij uitgelezen hond? O adder! -Dat Solus op uw wondervol gezicht; -Dat Solus op uw kiezen, in uw keel, -En in uw snoode long, ja, in uw pens, pardi, -En, erger nog, in uw onguren mond! -Ik wring dat solus u in de ingewanden; -Want afgaan kan Pistool, reeds dreigt zijn haan, -En flikkervuur zal volgen. - -NYM. Ik ben Asmodeus niet; je kunt mij niet bezweren. Ik heb een humor -om je redelijk wel te kloppen. Als je vuilaardig wordt, Pistool, zal ik -je uitpoetsen met mijn degen, dat het een aard heeft; als je met mij -ter zijde wilt gaan, zal ik je behoorlijk wat in de pens prikken, dat -het een lust is; en dat is de humor er van. - -PISTOOL. O pocher snood, vervloekte schandvlek-kerel! -U gaapt het graf en ’t suffend doodsuur naakt; -Daarom veradem! - -(Pistool en Nym trekken.) - -BARDOLF. Hoort mij aan! hoort aan wat ik zeg! wie den eersten stoot -doet, ik spiets hem aan, tot dit gevest toe, zoo waar ik soldaat ben. - -(Hij trekt.) - -PISTOOL. Een eed van wond’re kracht, en woede moet gaan liggen. -Geef mij de vuist; uw voorpoot, geef mij dien; -Uw moed is wondergroot. - -NYM. Ik wil je de keel afsnijden, te avond of morgen, in alle eere; dat -is de humor er van. - -PISTOOL. Coupe le gorge! -Dat is het woord; ik daag op nieuw u uit. -Jachthond van Creta, hoopt gij op mijn gade? -Neen, ga naar ’t hospitaal, -En haal daar uit het pekelvat der schande, -’t Melaatsch perceel van Cressida’s geslacht, -Scheurlaken, alias Door, en trouw met haar! -Ik heb en ik behoud de quondam Haastig, -Als de een’ge zij; en—pauca! ’t is genoeg. -Verdwijn! - -(De Jongen komt op.) - -JONGEN. Beste waard Pistool, gij moet bij mijn meester komen, en uw -waardin ook.—Hij is recht ziek en wil naar bed.—Goede Bardolf, steek uw -gezicht tusschen zijn lakens en doe dienst als beddepan; waarachtig, -hij is erg ziek. - -BARDOLF. Weg, gij schelm! - -VROUW HAASTIG. Waarachtig, hij wordt dezer dagen een gebraad voor de -kraaien; de koning heeft zijn hart gedood.—Beste man, kom dadelijk naar -huis. - - (Vrouw Haastig en de Jongen af.) - -BARDOLF. Komt, wil ik u tweeën vrienden maken? Wij moeten allen samen -naar Frankrijk. Wat, voor den duivel, zouden wij messen dragen om -elkander de keel af te snijden? - -PISTOOL. Laat vloeden zwellen! duivels, brult om buit! - -NYM. Wil je mij de acht schellingen betalen, die ik met wedden je heb -afgewonnen? - -PISTOOL. Een lafaard, die betaalt. - -NYM. Die wil ik nu hebben, dat is de humor er van. - -PISTOOL. Manhaftigheid beslisse! trek en stoot! - -(Hij trekt.) - -BARDOLF. Bij dit zwaard, die den eersten stoot doet, ik dood hem; bij -dit zwaard, ik doe het. - -PISTOOL. ’t Zwaard is een eed, en eeden moeten doorgaan. - -BARDOLF. Korporaal Nym, als je vrienden wilt zijn, weest dan vrienden; -als je niet wilt, nu, weest dan vijanden ook met mij. Ik bid u, steekt -op. - -NYM. Zal ik mijn acht schellingen hebben, die ik met wedden van je won? - -PISTOOL. Een nobel zult gij hebben en terstond; -En ’k zal u eveneens een zoopje geven, -En vriendschap pare zich aan broederschap; -Ik leef door Nym en Nym zal door mij leven. -Is dit niet goed bedacht? want zoet’laar wil ik -Bij ’t leger zijn en win dan geld als water. -Geef mij de hand. - -NYM. Zal ik mijn nobel hebben? - -PISTOOL. Die krijg je juist gepast. - -NYM. Komaan dan, dat is de humor er van. - -(Vrouw Haastig komt weder op.) - -VROUW HAASTIG. Zoo waar je van vrouwen komt, komt dadelijk binnen bij -Sir John. Ach, die arme ziel! hij wordt zoo geschud door een heete -alledaagsche derdedaagsche koorts, dat het allerjammerlijkst is om aan -te zien. Lieve menschen, komt toch bij hem. - -NYM. De koning heeft den ridder een booze grap gespeeld; dat is het -fijne van de zaak. - -PISTOOL. Nym, gij hebt wel gelijk; -Stuk is zijn hart en gecorroboreerd. - -NYM. De koning is een goed koning; maar men moet het nemen, zooals het -valt; hij doet allerlei humors en sprongen. - -PISTOOL. Beklaagt den ridder; wij, o lamm’ren! willen leven. - - (Allen af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Southampton. Een raadzaal. - -Exeter, Bedford en Westmoreland komen op. - - -BEDFORD. ’t Is roek’loos, dat zijn hoogheid dien verraders -Vertrouwen schenkt. - -EXETER. Zoo daad’lijk zijn ze in hecht’nis. - -WESTMORELAND. Wat doen zij zich eenvoudig, arg’loos voor, -Alsof de oprechtheid in hun boezem woonde, -Gekroond door liefde en ongekreukte trouw. - -BEDFORD. De koning heeft bericht van al hun plannen, -Door onderschepping, nooit door hen gedroomd. - -EXETER. Neen, deze man, die vaak zijn leger deelde, -Door hem gevoed, gepropt met vorstengunst, -Dat die zijn heer en vorst voor ’t goud eens vreemden -Aan dood en vuig verraad verkoopen kon! - -(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Scroop, Cambridge, Grey, Edellieden en -Gevolg komen op.) - -KONING HENDRIK. De wind is goed, wij willen nu aan boord.— -Mylord van Cambridge,—en beste lord van Masham,— -En gij, mijn waarde ridder, zegt uw meening:— -Gelooft gij, dat de strijdmacht, die ons volgt, -Door Frankrijks scharen zich den weg zal banen, -De tuchtiging volbrengend en de taak, -Waartoe wij deze krijgers samenbrachten? - -SCROOP. Geen twijfel, heer, als elk zijn best wil doen. - -KONING HENDRIK. Dit lijdt geen twijfel, want het bleek ons duid’lijk: -Wij voeren niet een enkel hart van hier, -Dat niet eenstemmig met het onze klopt; -Geen enkel laten we achter, of het wenscht, -Dat voorspoed ons verzelle en zegepraal. - -CAMBRIDGE. Geen koning wekte ooit meer ontzag en eerbied -Dan uwe majesteit; er is, geloof ik, -Geen onderdaan, die onrust kent of kommer, -Nu hem de schaduw dekt van uw bestuur. - -GREY. ’t Is waar; uws vaders vijanden, zij doopten -Hun gal in honing, en zij dienen u -Met harten, gansch gevormd uit trouw en ijver. - -KONING HENDRIK. Zoo hebben wij veel grond tot dankbaarheid, -En zullen eer ’t gebruik der hand vergeten, -Dan wij vergeten, ijver en verdienste -Naar hun gewicht en waarde te beloonen. - -SCROOP. Zoo zal de trouw met stalen spieren zwoegen -En zal zich de arbeid laven met de hoop -Van aan uw hoogheid stâgen dienst te doen. - -KONING HENDRIK. Niets minder wachten wij.—Oom Exeter, -Ontsla den man, die gist’ren werd gevat, -Omdat hij ons gehoond had; wij doen gelden, -Dat overmaat van wijn zijn prikkel was; -Daar hij tot inkeer kwam, zij ’t hem vergeven. - -SCROOP. Dit is genadig, ja, maar veel te zorgloos; -Bestraf hem, heer; wordt hij gespaard, zijn voorbeeld -Brengt licht’lijk meer van zulke daden voort. - -KONING HENDRIK. O, laat ons toch genadig zijn. - -CAMBRIDGE. Dit kunt gij zijn, mijn vorst, en toch hem straffen. - -GREY. ’t Waar’ veel genâ, zoo gij hem ’t leven schenkt, -Doch eerst een scherpe tuchtiging laat proeven. - -KONING HENDRIK. Ach, uwe groote liefde en zorg voor mij -Zijn sterke beden tegen de’ armen schelm. -Indien men ’t oog bij dronkenschaps-vergrijpen -Niet sluiten mag, hoe moet men ’t openspalken, -Zoo hoogverraad, gekauwd, geslikt, verteerd, -Zich voor ons opdoet!—Toch, we ontslaan dien man, -Schoon Cambridge, Scroop en Grey, uit teed’re zorg -Voor ons en onze veiligheid, verlangen, -Dat hij gestraft zij.—Nu de Fransche zaken;— -wacht van ons een volmacht? - -CAMBRIDGE. Ik, mijn vorst; -Ik moest die heden van uw hoogheid vragen. - -SCROOP. Ik ook, mijn hooge vorst. - -GREY. En ik, mijn koninklijke heer. - -KONING HENDRIK. Juist; Richard, graaf van Cambridge, hier is de uwe; -En hier, lord Scroop van Masham, en, heer ridder, -Grey van Northumberland, hier hebt gij de uwe;— -Leest die en ziet, dat ik uw waarde ken.— -Mylord van Westmoreland, oom Exeter, -Van nacht gaan wij aan boord.—Hoe is het, heeren? -Wat leest gij in die stukken, dat gij zoo -Van kleur verschiet?—O ziet, hoe zij verbleeken; -Hun wangen zijn papier.—Wat leest gij daar, -Dat zoo uw bloed als lafaard weg deed vlieden -En zich verschuilen? - -CAMBRIDGE. Ik beken mij schuldig, -En onderwerp mij, heer, aan uw genade. - -GREY, SCROOP. Die roepen we allen in. - -KONING HENDRIK. Wat vroeger in ons van genade leefde, -Werd door uw eigen raad verstikt, gedood. -Rept niet, uit schaamte alleen reeds, van genade; -Uw eigen gronden werpen zich op u, -Als honden op hun meesters, u verscheurend. -Ziet, prinsen en gij eed’le pairs, die monsters -Van Engelschen! Mylord van Cambridge hier,— -Gij weet, hoe onze liefde steeds bereid was, -Om ieder voorrecht, passend aan zijn rang, -Hem rijk’lijk toe te staan; en die man spande -Lichtzinnig voor een handvol lichte kronen -Met Frankrijks arglist saam, en deed den eed, -Ons hier te zullen dooden;—en die ridder, -Voor hooge gunst niet minder dank ons schuldig -Dan Cambridge, was zijn eedgenoot.—Maar, o! -Wat zeg ik thans tot u, lord Scroop? gij wreed, -Ondankbaar, dierlijk woest, onmenschlijk wezen! -Gij, die den sleutel hadt van al mijn plannen, -Die zaagt tot op den bodem mijner ziel, -Mij schier tot gouden munt hadt kunnen slaan,— -Hadt gij uw voordeel zoo bij mij gezocht,— -Is ’t moog’lijk, kon uit u de huur eens vreemden -Een vonkje onheils lokken, als dit mij -Een vinger krenken kon? het is zoo vreemd, -Dat, schoon de waarheid scherp en duid’lijk afsteek’ -Als wit en zwart, mijn oog ze nauw’lijks zien wil. -Verraad en sluipmoord gingen steeds te zaam -Als twee jukduivels, eed- en bondgenooten, -En zoo natuurlijk scheen hun boos bedrijf, -Dat zij verwond’ring nooit een kreet ontlokten; -Doch gij verkeert dit alles, en door u -Volgt nu verbazing op verraad en moord. -En welke sluwe duivel het ook ware, -Die u zoo onnatuurlijk heeft verzocht, -De hel schenkt hem den prijs van ’t meesterschap. -Want andre duivels, lokkend tot verraad, -Behangen, lappen hun doemwaardig werk -Met moesjes, kleuren, vormen, die zij borgen -Van ’t glinstrend kleed, waar vroomheid zich in hult; -Doch hij, die u bewerkte en u deed opstaan, -Gaf u geen drijfveer om verraad te plegen, -Dan dat hij u tot aartsverrader sloeg. -Als deze demon, die zoo u verleidde, -Heel de’ aardbol rondging met zijn leeuwenstap -En in den ruimen Tartarus terugkwam, -Hij kon aan de legioenen daar verklaren: -„’k Win nimmermeer met zoo geringe moeite -Een ziel, als nu van dezen Engelschman”. -O, hoe hebt gij met argwaan ’t zoetst vertrouwen -Vergiftigd! Schijnt er iemand hou en trouw? -Gij deedt het ook. Schijnt hij geleerd en ernstig? -Gij deedt het ook. Stamt hij van eed’len bloede? -Gij deedt het ook. Schijnt hij oprecht godvruchtig? -Gij deedt het ook. Is hij aan tafel sober, -Van groven hartstocht vrij in vreugde of toorn, -Bestendig, nooit door bruisend bloed verwilderd, -Gehuld in ’t kleed van ware zedigheid, -Niet met het oog iets toetsend zonder ’t oor, -En beide slechts na rijp beraad vertrouwend,— -Zoo, tot zoo fijne bloem gebuild, scheent gij; -En daarom laat uw val een soort van smet na, -Die ook den kloeken, meest begaafden man -Met een’gen argwaan vlekt, ’k Wil om u weenen, -Want dit verraad van u is, naar ’t mij schijnt, -Een tweede menschenval.—Hun schuld is duid’lijk; -Neemt hen in hechtnis, stelt hen voor ’t gerecht, -En spreke God hen van hun zonden vrij! - -EXETER. Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name -Richard, graaf van Cambridge. -Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name -Henry lord Scroop van Masham. -Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name -Thomas Grey, ridder van Northumberland. - -SCROOP. Gerecht heeft onzen aanslag God ontdekt, -En ik betreur meer dan mijn dood mijn schuld, -Die ik uw hoogheid smeeke te vergeven, -Hoewel mijn lichaam er het loon voor kwijt’. - -CAMBRIDGE. Mij heeft het goud van Frankrijk niet verlokt, -Ofschoon ik ’t wel als middel gelden liet, -Om des te sneller tot mijn doel te komen. -Maar God zij dank, dat hij ’t verijdeld heeft; -Dit zal mij, stervend zelfs, tot vreugde zijn, -En ’k smeek èn God èn u mij te vergeven. - -GREY. Geen onderdaan, hoe trouw, was bij de ontdekking -Van smaad en zwart verraad ooit zoo verheugd, -Als ik te dezer ure, nu ikzelf -Mijn eigen vloekbaar opzet zie verhoed; -Verschoon mijn schuld,—mijn leven niet, mijn vorst! - -KONING HENDRIK. Vergeve u Gods genade! Hoort uw vonnis: -Gij hebt bij eede u tegen ons verbonden -Met onze’ erkenden vijand, naamt van hem -Het gouden handgeld aan voor onzen dood; -Uw koning wildet ge aan den moord verkoopen, -Zijn prinsen en zijn pairs aan slavernij, -Zijn volk aan onderdrukking en verguizing, -En aan verwoesting heel zijn koninkrijk. -Wij, voor onszelven, zoeken geene wraak; -Doch ’t heil des rijks, welks ondergang gij zocht, -Is onzer zorg vertrouwd, zoodat wij u -Den rechter overgeven. Gaat dus heen, -Rampzalige arme zondaars, in den dood; -En geve u God, in zijn genade, kracht -Diens bitterheid te dulden, en berouw -Van al uw booze daden. Leidt hen weg. - - (Cambridge, Scroop en Grey met een Wacht af.) - -Nu, lords, naar Frankrijk! De onderneming moog’ -Gelijken roem voor u en ons verwerven. -Geen twijfel, onze krijg zal heilrijk zijn, -Nu God ons zoo genadig dit verraad -Ontsluierd heeft, dat loerde op onzen weg -Om de’ aanvang reeds te stuiten; thans geen twijfel, -Of iedre hindernis is weggeruimd. -Dus op, mijn landgenooten! geven wij -In ’s Heeren hand ons leger; zij de tocht -Terstond aanvaard. En zoo, vol moed ter zee! -De strijdvaan hoog, dat zij den weg ons toon’; -Geen Engelsch koning, dan met Frankrijks kroon! - - (Allen af.) - - - - -DERDE TOONEEL. - - -Londen. Voor het huis van Vrouw Haastig in Eastcheap. - -Pistool, Vrouw Haastig, Nym, Bardolf en de Jongen komen op. - - -WAARDIN. Ik bid u, mijn zoetelieve man, laat ik u tot Staines -wegbrengen. - -PISTOOL. Neen, want mijn mann’lijk harte kreunt.— -Bardolf, spring op; Nym, wek uw pochend hart; -Knaap, zet uw moed te berg, want Falstaff, hij is dood, -En kreunen is nu plicht. - -BARDOLF. Ik wenschte, dat ik bij hem was, waar ook, in den hemel of in -de hel. - -WAARDIN. Neen, zeker, hij is niet in de hel; hij is in Arthurs schoot, -als ooit eenig mensch in Arthurs schoot gekomen is. Hij had een schoon -uiteinde en ging heen, alsof het een kind in het doophemdje geweest -was; hij heeft het afgelegd precies juist tusschen twaalven en eenen, -juist toen het water begon te vallen; want toen ik zag, dat hij met de -lakens begon te frommelen en met bloemen speelde en zijn vingertoppen -toelachte, toen wist ik ook, dat het afliep, want zijn neus was zoo -scherp als een pen en een tafellaken met groene plekken. „Hoe gaat het, -Sir John?” zeide ik, „kom, man, wees goedsmoeds”. Toen riep hij: „God, -God, God!” drie of vier malen. Nu, ik, om hem te troosten, zeide, dat -hij niet aan God moest denken; ik hoopte, dat hij nog niet noodig had, -zich met zulke gedachten te plagen. Toen vroeg hij mij, nog wat meer -dek op zijn voeten te leggen; en ik stak mijn hand in het bed en -bevoelde ze en zij waren koud als steen. En toen bevoelde ik zijn -knieën, en verder op en verder op, en alles was zoo koud als een steen. - -NYM. Ze zeggen, dat hij de sek verwenschte. - -WAARDIN. Ja, dat deed hij. - -BARDOLF. En de vrouwen. - -WAARDIN. Neen, dat deed hij niet. - -JONGEN. Ja, dat deed hij wel, en hij zeide, ze waren gevleesde duivels. - -WAARDIN. Ja, hij hield niet van gevleesdheid, die kleur kon hij niet -uitstaan. - -JONGEN. Hij zeide eens, om de vrouwen zou de duivel hem nog halen. - -WAARDIN. Nu zoo eenigszins, ’t is waar, had hij het over vrouwen, maar -toen was hij assent en sprak van de hoer van Babylon. - -JONGEN. Weet gij het nog, hij zag eens een vlieg op Bardolfs neus -zitten, en toen zeide hij, dat was een zwarte ziel, die in het helsche -vuur brandde. - -BARDOLF. Nu, het hout is op, dat dit vuur onderhield; dit is al de -rijkdom, dien ik in zijn dienst heb overgelegd. - -NYM. Zullen wij gaan schuiven? De koning zal wel van Southampton weg -zijn. - -PISTOOL. Ja, laat ons gaan.—Mijn lief, reik mij uw lippen. -Let op mijn boedel en mijn roerend goed; -Verstand hoû stuur, en „bare munt” zij ’t wachtwoord; -Vertrouw geen mensch; -Een eed is stroo; geloof en trouw zijn wafels, -En slechts „Hou vast” de ware hond, mijn duifje; -Daarom, caveto moge uw raadsman zijn. -Ga, droog uw parels.—Wapen-jukgenooten, -Naar Frankrijk, komt! bloedzuiger-spelen, jongens! -Gaan zuigen, zuigen, bloed, ja bloed gaan zuigen! - -JONGEN. Maar dat is recht ongezonde kost, zeggen ze. - -PISTOOL. Haar zachten mond nu aangeraakt, dan weg! - -BARDOLF. Vaarwel, waardin. - -(Hij kust haar.) - -NYM. Ik kan niet kussen, dat is de humor er van; maar leef wel. - -PISTOOL. Huishoud’lijkheid zie rond; nog eens, goed opgepast! - -VROUW HAASTIG. Het ga u goed, vaarwel! - - (Allen af.) - - - - -VIERDE TOONEEL. - - -Frankrijk. Een zaal in het koninklijk paleis. - -Trompetgeschal. Koning Karel, de Dauphijn, de Hertog van Bourgondië, de -Connetabel en Anderen komen op. - - -KONING KAREL. Zoo nadert England dus met heel zijn macht, -En ’t moet ons meer dan ernst zijn, koninklijk -Gereed te zijn om de’ aanval af te slaan. -De hertogen van Berry en Bretagne, -Van Orleans en Brabant moeten dus, -Ook gij, mijn prins dauphijn, met allen spoed -Op weg, om onze sterkten toe te rusten -Met wakk’re mannen en verweringsmidd’len; -Want England nadert met zoo snelle vaart -Als ’t water, dat zich naar een maalstroom spoedt, -’t Betaamt ons dus, vooruitziend zoo te zorgen, -Als vrees ons leeren moet door menig voorbeeld, -Dat dit geminacht en verderflijk England -Op onze velden eertijds achterliet. - -DAUPHIJN. Grootmachtig vader, zeker is het nuttig, -Dat wij ons waap’nen tegen onzen vijand; -Geen vrede wiege een rijk ooit zoo in slaap,— -Al dreigt geen krijg, noch openbare twist,— -Dat krijgsvoorraad, verweringsmidd’len, manschap -Niet saamgebracht, versterkt, geoefend worden, -Alsof een oorlog te verwachten waar’. -’t Is daarom, zeg ik, nuttig, dat wij allen -Nu Frankrijks zwakke punten gaan bezien; -Maar laat dit zonder zweem van vrees geschieden, -Zoo zonder zorg, als hoorden wij, dat England -Zich met een pinkster-moorendans vermaakt. -Want, beste vorst, ’t is nu zoo dwaas gekoningd, -Zijn scepter voert zoo grillig thans een jongling -Als ijdel, nietig, wuft erkend, dat England -Geen vrees meer wekt. - -CONNETABEL. O stil toch, prins dauphijn! -Te zeer bedriegt gij u in dezen koning. -Uw hoogheid ondervrage eens de afgezanten, -Hoe hij vol waardigheid hun boodschap hoorde, -Door eed’le mannen van zijn raad omringd, -Hoe kalm zijn wederlegging was, en toch, -Hoe indrukwekkend door zijn vast besluit; -Want dan erkent gij, dat zijn vroeg’re dwaasheid -De mom van den Romeinschen Brutus was, -Wijsheid bedekkend met een narrenmantel, -Gelijk tuiniers met mest die wortels dekken, -Die, teer en vroeg, vóór de andren schieten moeten. - -DAUPHIJN. O, ’t is niet zoo, mijn heer groot-connetabel; -Doch hoe het werk’lijk zij, ’t is onverschillig; -Men achte, wordt verdediging beraamd, -Den vijand immer sterker dan hij schijnt; -Haar vollen eisch krijgt dan de weerbaarheid, -Die, op een zwakke en kaar’ge wijs ontworpen, -Gelijk een vrek, om luttel stofs te sparen -Heel ’t kleed bederft. - -KONING KAREL. Denkt koning Hendrik machtig, -En rust u krachtig toe ten strijd met hem. -Zijn stam is eertijds van ons vleesch gevoed; -Hij is een welp van dat bloedgierig ras, -Dat in ons eigen veld en bosch ons opzocht; -Getuige die al te onvergeetb’re smaad, -Toen Cressy’s slag noodlottig werd geslagen, -En onze prinsen allen in de macht -Der hand met zwarten naam, van Edward, vielen, -Den zwarten prins van Wales, terwijl zijn vader, -Staande op een berg,—hijzelf alreeds een berg,— -Hoog in de lucht, gekroond met zonnegoud, -Zag, hoe zijn heldenzaad,—glimlachend zag hij ’t,— -De werken der natuur verdierf, de vormen, -In twintig jaar door God en Frankrijks vaders -Tot stand gebracht, verminkte. Een tak is deze -Van dien zeeghaften stam; en daarom, ducht -Zijn aangeboren kracht en zijn gesternte. - -(Een Kamerheer komt op.) - -KAMERHEER. Gezanten, Heer, van Hendrik, Englands koning, -Verzoeken bij uw majesteit gehoor. - -KONING KAREL. Het zij terstond verleend. Geleid hen tot ons. - - (De Kamerheer en eenige Lords af.) - -Gij ziet, de jacht gaat fel haar gang, mijn vrienden. - -DAUPHIJN. Wend om en doe haar staan; want laffe honden -Zijn met hun muil het stoutst, wanneer hun wild -Ver voor hen uitloopt. Beste heer en vorst, -Geef dien gezanten kort bescheid, en toon hun, -Van welk een koninkrijk gij ’t hoofd zijt, heer; -Want zelfmin is een minder snoode zonde -Dan zelfverzuim. - -(De Edellieden komen terug, met Exeter en Gevolg.) - -KONING KAREL. Van onzen broeder England? - -EXETER. Zoo is ’t en dus begroet hij uwe hoogheid: -Hij eischt van u, in naam van God Almachtig, -Dat ge u ontdoet van uw geborgde hoogheid, -Die aflegt, daar zij naar des hemels wil, -’t Natuurrecht en der volken wet behoort -Aan hem en aan zijn erven; dus met name -De kroon, met iedre glansrijke eer, verbonden -Naar oud gebruik en de inzetting der tijden -Aan Frankrijks kroon. Opdat gij weten moogt, -Dat dit geen slinksche, wraakb’re vord’ring is, -Ontdekt in ’t molm van lang vervlogen dagen, -Gerakeld uit vergetelheids oud stof, -Zendt hij u deze’ opmerkenswaarden stamboom, - -(Hij overhandigt een geslachtsboom.) - -Welks takken ieder vol bewijskracht zijn. -Hij vraagt, dat gij die tafel door wilt zien; -En als gij vindt, dat hij in rechte lijn -Van den beroemdsten der beroemde vaad’ren, -Edward den derden, stamt, dan vraagt hij u -Uw kroon en scepter af, als valschlijk hem, -Die naar geboorte en recht deze eischt, onthouden. - -KONING KAREL. Wat volgt bij weig’ring? - -EXETER. De dwang des zwaards. Want zelfs als gij de kroon -In uwe harten bergt, hij graaft haar uit; -Met dit doel komt hij, als een Jupiter -In fellen storm, in aardschudding en onweer, -Opdat hij, helpt hem geen vermaan, u dwing’; -Bij Jezus’ ingewanden zegt hij u: -Doe afstand, heb genâ met de arme zielen, -Naar wie de hong’rige oorlog reeds de kaken -Wijd openspert; hij wentelt op uw hoofd -Der weeuwen tranenvloed, der weezen kreten, -Der dooden bloed, der bange maagden zuchten -Om gaden, vaders, dierb’re bruidegoms, -Welke allen dezen krijg verslinden zal. -Dit is zijn eisch, zijn dreiging, heel mijn boodschap. -Tenzij hier de dauphijn aanwezig zij, -Dien ik uitdrukkelijk te begroeten heb. - -KONING KAREL. Wat ons aangaat, wij zullen overwegen; -Op morgen brengt gij onzen broeder England -Ons antwoord weer. - -DAUPHIJN. Wat den dauphijn betreft, -Hij staat hier voor u; spreek, wat zendt hem England? - -EXETER. Uittarting en verachting, hoon en spot, -En alles, wat den grooten zender niet -Onteeren kan; dit is ’t, wat hij u waard acht. -Zoo spreekt mijn vorst: wanneer uws vaders hoogheid -Niet, door geheel in elken eisch te treden, -Den bitt’ren spot verzoet, dien gij hem zondt, -Zal hij zoo scherp ter rekenschap u roepen, -Dat Frankrijks holen en gewelfde grotten -Uw driestheid zullen laken en uw loon -U kwijten in den weergalm zijns geschuts. - -DAUPHIJN. Zeg hem, dat, geeft mijn vader gunstig antwoord, -Dit strijdt met mijnen raad; want niets verlang ik -Dan strijd met England; tot dit doel vereerde ik, -Als passend voor zijn jeugd en ijdel doen, -Hem die Parijzer ballen ten geschenke. - -EXETER. Daarvoor zal uw Parijzer Louvre sidd’ren, -Al stelde uw hof aan gansch Euroop de wet; -Geloof me, een grooten afstand zult gij vinden, -Gelijk verbaasd zijn eigen volk het vond, -Van wat zijn groene dagen deden wachten -Tot wat de vorst nu is. Hij weegt zijn tijd -Thans tot het laatste grein; dit speurt gij dra, -Blijft hij in Frankrijk, in uw nederlagen. - -KONING KAREL. Op morgen zult gij ons besluit vernemen. - -EXETER. Laat ras ons gaan, opdat niet onze koning -Hier zelf naar ons vertoeven vragen koom’; -Hij heeft reeds voet aan wal gezet in Frankrijk. - -KONING KAREL. Dra laten we u met billijk antwoord gaan. -Een nacht is snel vervlogen en recht kort, -Om zaken af te doen van dit gewicht. - - (Allen af.) - - - - - - - -DERDE BEDRIJF. - - -Trompetgeschal. Chorus treedt op. - - -CHORUS. Zoo vliegt op vleug’len der verbeelding steeds -Ons ijlend schouwspel met geen mind’re vaart -Dan der gedachte. Denkt, gij zaagt den koning, -Wel toegerust, aan Hamptons havenhoofd -Zijn rijk inschepen, en zijn wakk’re vloot -Den jongen dag met zijden wimpels groeten. -Spele uw verbeelding mede; ziet aldus -Scheepsjongens klaut’ren in ’t getaande want, -En hoort de schelle fluit, die orde stelt -Op ’t woest geraas; en ziet de linnen zeilen, -Die ongezien de wind besluipt en spant, -Door de opgeploegde zee de kielen stuwen, -Wier forsche boeg den hoogen golfslag trotst. -O, denkt, dat gij aan strand staat en een stad -Ziet dansen op de wisselzieke baren; -Want zoo doet zich die grootsche vloot u voor, -Die koers zet naar Harfleur. O volgt haar, volgt! -Haakt uwen geest aan de achterstevens vast, -En laat uw England, doodsch als middernacht, -Bewaakt door grijsaards, kind’ren, oude vrouwen, -Wier kracht en merg verdween of komen moet. -Wie toch, wien slechts een enkel zichtbaar haar -De kin versiert, trekt niet naar Frankrijk op, -Met zoo volmaakte en uitgelezen dapp’ren? -Wekt, wekt uw geest; aanschouwt zoo een beleg, -En ziet de stukken op de affuiten, gapend -Met onheilvolle monden naar Harfleur. -Frankrijks gezant, stelt dit u voor, keert weder -En meldt aan Hendrik, dat de koning hem -Zijn dochter aanbiedt, en, met haar als bruidschat, -Een paar armzaal’ge kleine hertogdommen.— -Het aanbod smaakt niet; nu beroert de lont -Des kanonniers het helsch geschut, - -(Krijgsgedruisch en kanongebulder.) - - dat alles -Ter neder velt.—Schenkt immer ons uw gunst, -En heele uw geest de leemten onzer kunst. - - (Chorus af.) - - - - -EERSTE TOONEEL. - - -Frankrijk. Voor Harfleur. - -Krijgsgedruisch. Koning Hendrik komt op, benevens Exeter, Bedford, -Gloster en Soldaten met stormladders. - - -KONING HENDRIK. Nog eens gestormd, nog eens, mijn lieve vrienden! -Of stopt de bres met Englands doode strijders! -In vredestijd staat niets den man zoo goed, -Dan rustige bescheidenheid en ootmoed; -Maar trilt des oorlogs storm ons in het oor, -Bootst dan het doen des fellen tijgers na; -Spant iedre pees en wekt uw bloed; vermomt -Uw vriendlijke natuur door norsche woede; -Leent dan aan ’t oog een onheilspellend uitzicht; -Het gluur’, gelijk een veldslang, door de schutpoort -Van ’t hoofd; de wenkbrauw overwelv’ het dreigend, -Gelijk een rots, die, onder uitgehold, -Ver uitsteekt over zijn vergruisden voet, -Waar de oceaan vernielend, woest, om bruist. -Spert wijd het neusgat, klemt de tanden saam, -Houdt de’ adem in, spant al uw kracht en geest -Tot volle hoogte!—Op, op, gij Englands eedlen! -Gij, ’t bloed van in den krijg beproefde vaad’ren, -Vaad’ren, die, elk een Alexander, hier -Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds rustloos streden, -En ’t zwaard eerst borgen om gebrek aan werk. -Onteert uw moeders niet, maar staaft, dat zij, -Die gij uw vaders noemt, u ook verwekten. -Weest mannen van een grover bloed ten voorbeeld, -Leert hun wat strijden is.—Ook gij, braaf landvolk, -Met leden, die in England groeiden, toont -De kracht van uwe weiden; laat ons zweren, -Dat ge uw verzorging waard zijt; doch dit weet ik; -Want zoo gering of laag is geen van u, -Dat nu zijn oog niet straalt van eed’len gloed; -Ja, ’k zie, gij staat als brakken aan de lijn, -En rukt om los te komen. ’t Wild is op; -Gaat, volgt uw moed; uw wapenkreet bij ’t stormen -Zij:—„God met Hendrik! England en Sint George!” - - (Allen af. Krijgsgedruisch en kanonschoten.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Op dezelfde plaats. - -Legerscharen. Nym, Bardolf, Pistool en de Jongen komen op. - - -BARDOLF. Vooruit, vooruit, vooruit! naar de bres, naar de bres! - -NYM. Ik bid u, korporaal, bedaard; de kloppartij is al te heet; en wat -mij betreft, ik heb geen koppel levens; de humor er van is te heet, dat -is de litanie er van. - -PISTOOL. De litanie is juist; het wemelt hier van humors; -Klop hier, klop daar; Gods knechten vallen, sneven: - - Hier wint de held - Op ’t bloedig veld - Al strijdend eeuw’gen roem. - -JONGEN. Ik wenschte, dat ik in een bierhuis zat, in Londen! Ik zou al -mijn roem voor een kan bier geven en voor veiligheid. - -PISTOOL. En ik: - Zoo alles maar voor ’t wenschen was, - Of ik dan ook vol ijver was! - Ik ijlde fluks er heen. - -JONGEN. Zoo vluchtig - En luchtig, - Als ’t vogeltje zingt in ’t bosch. - -(Fluellen komt op.) - -FLUELLEN. Foort, naar de pres, gij honden! foort, schafuiten! - -PISTOOL. Spaar, groote veldheer, ’t zwak geslacht des stofs! -Betoom uw woede, toom uw mannenwoede; -Betoom uw woede, o veldheer! -Fier haantje, toom uw woede; erbarmen, duifje! - -NYM. Dat zijn fraaie humors!—een mensch zijn eer wint niets dan booze -humors. - - (Nym, Pistool en Bardolf af; Fluellen achter hen aan.) - -JONGEN. Zoo jong als ik ben, heb ik toch die drie vechtersbazen in de -gaten. Ik ben jongen bij hen alle drie; maar zij alle drie, als zij bij -mij wilden dienen, waren toch mijn man niet; want waarachtig, drie -zulke fratsenmakers maken samen nog niet één man uit. Bardolf, die -heeft een witte lever en een rood gezicht; en daarom, met zijn vlammen -ziet hij er vurig genoeg uit, maar hij vecht niet. Pistool, die heeft -een moorddadige tong en een vreedzaam zwaard; en daarom breekt hij -woorden den nek, maar houdt zijn wapens heel. Nym, die heeft wel eens -gehoord, dat menschen van weinig woorden de besten zijn, en daarom -verdraait hij het, ooit te bidden, opdat men hem niet voor een lafaard -zou houden, maar naast zijn weinige en slechte woorden staan even -weinige goede daden, want hij sloeg nooit iemand den kop in dan -zichzelf, en dat was tegen den deurpost, toen hij dronken was. Zij -stelen alles, wat voor de hand komt, en dat noemen zij zaken doen. -Bardolf stal de kast van een luit en droeg die twaalf mijlen ver en -verkocht ze voor vierdehalven stuiver. Nym en Bardolf zijn gezworen -broeders in het kapen en in Calais stalen zij een aschschop; uit dat -proefstuk zag ik, dat geen van tweeën een schop waard is. Zij zouden -willen, dat ik even goed vertrouwd was met een andermans zakken, als -zijn handschoenen of zakdoeken het zijn, wat zeer tegen mijn -mannenwaarde strijdt, als ik uit een anders zak wat neem om het in den -mijnen te steken, want dat zou toch niets anders wezen dan onrecht op -te steken. Ik moet van hen weg en een beteren dienst zoeken; mijn -zwakke maag kan hun schelmerij niet verdragen en daarom moet ik dien -opgeven. - - (De Jongen af.) - -(Fluellen komt terug, gevolgd door Gower.) - -GOWER. Overste Fluellen, gij moet dadelijk bij de mijnen komen; de -hertog van Gloster wil u spreken. - -FLUELLEN. Pij te mijnen? seg gij ten hertog, het is niet so choed te -komen bij te mijnen, want, siet gij, te mijnen is niet in akkoord met -de leering fan ten oorlog; de concaviteiten er van is niet chenoegsaam, -want, ziet gij, de vijand,—dat kunt gij den hertog wel seggen, siet -gij,—is self wel vier ellen onder de contermijnen gegraafd. Pij Jezus, -ik denk, hij sal ons allen springen in de lucht, als er geen betere -directies is. - -GOWER. De hertog van Gloster, die het bestuur heeft van het beleg, laat -zich geheel leiden door een Ier, een recht dapper man, op mijn woord. - -FLUELLEN. Dat is de overste Macmorris, niet waar? - -GOWER. Ik geloof van ja. - -FLUELLEN. Pij Jezus, hij is een ezel, als in de wereld, dat wil ik -pefestigen op zijn baard; hij heeft niet meer directies in de ware -kunsten van den oorlog, siet gij, van de Romeinsche kunsten, als een -pasgeboren schoothond. - -(Macmorris en Jamy komen op den achtergrond op.) - -GOWER. Daar komt hij; en de Schotsche overste, overste Jamy, is bij -hem. - -FLUELLEN. Oferste Jamy is een verpazend tapper edelman, dat is zeker; -en fan groote onderfinding en wetenschap in de oude oorlogen, naar mijn -pijzondere kennis van zijn directies; pij Jezus, hij zal zijn onderwerp -staande houden, soo choed als eenig krijgsman in de wereld, in de -wetenschappen van de foorgaande oorlogen van de Romeinen. - -JAMY. Ik zeg u goeden dag, overste Fluellen. - -FLUELLEN. Wees gechroet, oferste Jamy. - -GOWER. Hoe staat het, overste Macmorris, hebt gij de mijnen verlaten? -hebben de schansgravers het opgegeven? - -MACMORRIS. Bij Christus, ’t is verkeerd gedaan; het werk is opgegeven, -de trompetters blazen terugroeping. Bij mijn hand zweer ik en bij mijns -vaders ziel, dat is verkeerd gedaan, het werk is opgegeven; ik had de -stad in de lucht laten springen, zoo waar mij Christus helpe, ja, in -een uur. O, ’t is verkeerd gedaan, ’t is verkeerd gedaan; bij mijn -hand, ’t is verkeerd gedaan. - -FLUELLEN. Oferste Macmorris, ik pit u nu, wilt gij mij toestaan, siet -gij, een paar disputaties met u te hebben, als gedeeltelijk betreffend -of belangend de wetenschappen van den oorlog, de Romeinsche oorlogen, -bij wijze van argumentatie, siet gij, en friendschappelijke -communicatie, gedeeltelijk tot bewijzen mijn meening, en gedeeltelijk, -siet gij, tot pefestiging van mijn inzichten betreffende de directie -van de krijgswetenschap, dat is de zaak. - -JAMY. Dat zal zeer goed zijn, dat is zeer goed, mijn goede oversten -beiden, en ik zal het, met verlof, u vergelden, als de gelegenheid eens -komt; dat zal ik, waarachtig. - -MACMORRIS. Het is geen tijd om te gaan redeneeren, zoo waar Christus -mij helpe. De strijd is heet, en het weer, en de oorlog, en de koning -en de hertogen; het is geen tijd voor redeneeren. De stad wordt berend -en de trompet roept ons naar de bres, en wij praten, en, bij Christus, -wij doen niets; ’t is schande voor ons allen; zoo waar God mij helpe, -’t is schande, stil te blijven; ’t is schande, bij mijn hand; en daar -zijn kelen af te snijden en daar is werk te doen, en daar wordt niets -gedaan, zoo waar Christus mij helpe, ja. - -JAMY. Bij het sakrament, eer deze mijn oogen zich te slapen leggen, wil -ik goede diensten doen, of ik wil er voor in den grond liggen, ja, of -mijn leven laten; en ik wil het zoo manhaftig betalen, als ik kan; dat -zal ik zeker doen; ja, dat is kort en goed de zaak. Maar toch, ik had -gaarne een dispuut tusschen u tweeën gehoord. - -FLUELLEN. Oferste Macmorris, ik cheloof, siet gij, met uwe ferpetering, -er is niet velen van uw natie— - -MACMORRIS. Van mijn natie? Wat is mijn natie? Is het een hondsvot en -een bastaard en een schelm en een schurk? Wat is mijn natie? Wie zegt -iets van mijn natie? - -FLUELLEN. Ziet gij? als gij de zaak anders neemt dan is gemeend, -oferste Macmorris, zoo zal ik misschien denken, dat gij mij niet -pehandelt met de beleefdheid, als gij in pillijkheid pehoort mij te -behandelen, siet gij, want ik ben een man even choed als gijzelf, -zoowel in de wetenschappen van den oorlog, als in de afkomst van mijn -geboorte en in andere pijsonderhedens. - -MACMORRIS. Ik weet niet, dat gij een even goed man zijt als ik; zoo -waar Christus mij helpe, ik zal u het hoofd afslaan. - -GOWER. Gij heeren alle twee, gij verstaat elkaar verkeerd. - -JAMY. Ai, dat is een boos gebrek. - -(Er wordt een sein tot een mondgesprek geblazen.) - -GOWER. De stad laat daar het sein tot onderhandeling blazen. - -FLUELLEN. Oferste Macmorris, als er eens een peterder gelegenheid te -krijgen is, siet gij, dan sal ik de frijheid nemen u te fertellen, dat -ik de wetenschappen van den oorlog versta; en daarmee genoeg. - - (Allen af.) - - - - -DERDE TOONEEL. - - -Aldaar. Voor de poort van Harfleur. - -De Commandant der stad met eenige Burgers op de wallen. De Engelsche -legermacht beneden. Koning Hendrik komt op met zijn Gevolg. - - -KONING HENDRIK. Waartoe besluit de commandant der stad? -Voor ’t laatst is u een mondgesprek gegund; -Geeft dus u over, bouwend op genade, -Of tart, als mannen, tuk op hun verderf, -Ons tot het uiterst, want, zoo waar ik ben,— -Wat ik mijn hoogsten eernaam acht,—soldaat, -Wanneer mijn schutgevaarte weer begint, -Verlaat ik ’t half verwoest Harfleur niet eer, -Dan als het in zijn asch begraven ligt. -’k Zal alle poorten der genade sluiten; -De ontmenschte krijger, met een hart als steen, -Hoog’ vrij, ’t geweten ruim gelijk de hel, -Zijn hand des bloeds dan roeren, maaie als gras -Uw frissche maagden weg, uw bloeiend kroost -Wat deert het mij dan, of de snoode krijg, -In vlammen, als der duiv’len vorst, gehuld, -’t Gelaat met bloed bestreken, al de gruw’len, -Die steeds op storm en plund’ring volgen, pleegt? -Wat deert het mij,—gijzelf toch draagt de schuld,— -Of uwe reine maagden in de hand -Van heete, razende verkrachting vallen? -Wat teugel kan den wulpschen moedwil stuiten, -Als die zijn felle vaart bergafwaarts neemt? -Niet minder vruchtloos spilden wij ons machtwoord -Bij krijgers, woest en dol van plunderzucht, -Dan zoo we aan strand den Leviathan daagden -Voor onzen stoel. Dies, mannen van Harfleur, -Hebt deernis met uw stad en met uw volk, -Terwijl mijn krijgers luist’ren naar mijn wil, -En der genade koele, warme wind -De zwarte en onheilzwang’re wolken wegdrijft -Van woesten moord en roof en schurkerij. -Zoo niet, dan ziet gij in een oogwenk blinde, -Bloedgier’ge krijgers met onreine hand -De lokken van uw dochters, hoe ze ook gillen, -Bezoed’len; bij den zilv’ren baard uws vaders -Gevat, hun achtb’re hoofden wreed verplet, -Uw naakte wichtjes op een piek gespietst, -Terwijl de moeders met haar wanhoopskreten -De wolken splijten, als Judea’s vrouwen -Bij ’t bloedbad van Herodes’ slacht’renrot. -Spreekt, wilt ge u overgeven, dit vermijden? -Of, om uw weerstand, al die gruwlen lijden? - -COMMANDANT. ’t Is heden voor ons uit met elke hoop. -Wij smeekten den dauphijn om hulp; zijn antwoord -Luidt, dat zijn macht alsnog om ons te ontzetten -Niet toereikt; dies, o groote koning, geven -Wij onze stad aan uw genâ thans over, -Trek binnen, neem bezit van ons en ’t onze; -Wij zijn niet meer in staat tot tegenweer. - -KONING HENDRIK. Ontsluit de poorten!—Kom, oom Exeter, -Trekt gij Harfleur nu binnen, toef aldaar, -En maak het sterk, dat het de Franschen keer’; -Wees allen goedertieren. En, mijn oom, -De winter naakt en ’t aantal zieken neemt -In ’t leger toe; dus, wij gaan naar Calais. -Deze eene nacht zijn we in Harfleur uw gast; -Op morgen geven wij tot de’ opmarsch last. - -(Trompetgeschal. De Koning en de zijnen trekken de stad binnen.) - - - - -VIERDE TOONEEL. - - -Rouaan. Een vertrek in het koninklijk paleis. - -Catharina en Alice komen op. - - -CATHARINA. Alice, tu as esté en Angleterre, et tu bien parles le -langage. - -ALICE. Un peu, Madame. - -CATHARINA. Je te prie, m’enseigniez; il faut que je apprend à parler. -Comment appellez vous le main, en Anglois? - -ALICE. Le main, il est appellé de hand. - -CATHARINA. De hand. Et les doigts? - -ALICE. Les doigts? ma foy, j’ai oublié les doigts, mais je me -souviendray. Les doigts? je pense qu’ ils sont appellé de fingres; ouy, -de fingres. - -CATHARINA. Le main, de hand; les doigts, de fingres. Je pense que je -suis le bon escolier. J’ai gagné deux mots d’ Anglois vistement. -Comment appellez vous les ongles? - -ALICE. Les ongles? Nous les appellons, de nails. - -CATHARINA. De nails. Escoutez; dites moy, si je parle bien: de hand, de -fingres, et de nails. - -ALICE. C’est bien dict, Madame; il est fort bon Anglois. - -CATHARINA. Dites moy l’Anglois pour le bras. - -ALICE. De arm, Madame. - -CATHARINA. Et le coude? - -ALICE. De elbow. - -CATHARINA. De elbow. Je m’en faitz la répétition de tous les mots que -vous m’avez apprins dès à présent. - -ALICE. Il est trop difficile, Madame, comme je pense. - -CATHARINA. Excuse moy, Alice, escoute: de hand, de fingre, de nails, de -arm, de bilbow. - -ALICE. De elbow, Madame. - -CATHARINA. O Seigneur Dieu! je m’en oublie; de elbow. Comment appellez -vous le col? - -ALICE. De neck, Madame. - -CATHARINA. De nick. Et le menton? - -ALICE. De chin. - -CATHARINA. De sin. Le col, de nick; le menton, de sin. - -ALICE. Ouy. Sauf vostre honneur, en vérité, vous prononcez les mots -aussi droict que les natifs d’Angleterre. - -CATHARINA. Je ne doute point d’apprendre par la grace de Dieu, et en -peu de temps. - -ALICE. N’avez vous déjà oublié ce que je vous ay enseigné? - -CATHARINA. Non, je réciteray à vous promptement. De hand, de fingre, de -mails,— - -ALICE. De nails, Madame. - -CATHARINA. De nails, de arme, de ilbow. - -ALICE. Sauf vostre honneur, de elbow. - -CATHARINA. Ainsi dis je; de elbow, de nick, et de sin. Comment appellez -vous le pied et la robe? - -ALICE. De foot, Madame, et de coun. - -CATHARINA. De foot, et de coun? O seigneur Dieu! ils sont les mots de -son mauvais, corruptible, grosse et impudique, et non pour les dames de -honneur d’user. Je ne voudrois prononcer ces mots devant les seigneurs -de France, pour tout le monde. Il faut de foot, et de coun, néantmoins. -Je réciteray une autre fois ma leçon ensemble: de hand, de fingre, de -nails, de arme, de elbow, de nick, de sin, de foot, de coun. - -ALICE. Excellent, Madame. - -CATHARINA. C’est assez pour une fois: allons nous à disner. - - (Beiden af.) - - - - -VIJFDE TOONEEL. - - -Aldaar. Een ander vertrek in het paleis. - -De Koning van Frankrijk, de Dauphijn, de Hertog van Bourbon, de -Connetabel van Frankrijk en Anderen komen op. - - -KONING KAREL. Dit is gewis, de Somme is hij reeds over. - -CONNETABEL. En grijpt men hem niet aan, mijn vorst, zoo laat ons -Niet meer in Frankrijk blijven, ’t gansch ontruimen, -Wijnbergen, alles, aan barbaren schenken. - -DAUPHIJN. O Dieu vivant! Wat! zullen een paar rijsjes, -De uitbotting van de wulpschheid onzer vaad’ren, -Uitspruitsels, op een wilden stam geënt, -Zal dit zoo plotsling in de wolken schieten, -Zoo laag op die hen entten nederzien? - -BOURBON. Normandiërs, niets, niets dan Normannerbastaards! -Mort de ma vie! gaan zij onaangevochten -Hun weg,—ik maak mijn hertogdom te gelde, -En koop me in Albion, dien neergeplompten -Uithoek der aard, een smeer’ge boerenplaats. - -CONNETABEL. Dieu des batailles! Wat schonk hun dat vuur? -Is hun klimaat niet mistig, somber, ruw, -Schijnt ook de zon, geërgerd, er niet bleek, -Hun vruchten doodend met zijn fronsblik? Kan -Hun brouwsel, water op wat gerst getrokken, -Een drank voor afgereden knollen, zoo -’t Koud bloed van hen tot dapp’re hitte koken? -En moet ons warmer bloed, door wijn bezield, -Bevroren schijnen? O, voor Frankrijks eer, -Laat ons niet hangen, als aan onze daken -IJskegels doen, terwijl een kouder volk -De droppels zijner dapp’re jeugd hier zweet -Op onze rijke velden, die men arm -Mag noemen in hun aangeboren meesters. - -DAUPHIJN. Bij eer en trouw, reeds spotten onze schoonen -Ronduit met ons, ja, zeggen meer: ons vuur -Zou uit zijn, en dra geven ze aan den lust -Van Englands jeugd haar lichaam prijs, om Frankrijk -Op nieuw, met bastaard-krijgers, te bevolken. - -BOURBON. Dansmeesters willen ze ons in England zien. -Luchtsprongen, vlugge passen onderwijzend; -In onze hielen, heet het, zit onze eer; -In ’t loopen hebben we ons gelijken niet. - -KONING KAREL. Waar is Montjoye, des rijks heraut? hij groete -Uitdagend, namens ons, ras Englands vorst.— -Op, prinsen! ijlt in ’t veld! de geest der eer -Zij scherper wapen nog dan ’t felste zwaard! -Charles de la Bret, Frankrijks groot connetabel, -Gij, hertogen van Orleans, Bar, Berry, -Bourgogne, Brabant, Alençon, Bourbon, -Jacques Chatillon, Rambures, Vaudemont, -Beaumont, Grandpré, Roussi en Fauconberg, -Foix, Lestrale, Boucicault en Charolois, -Hertogen, prinsen, graven, baanderheeren, -Delgt, gij met groote leenen, grooten smaad; -Stuit Englands Hendrik, die door Frankrijk stormt -Met vanen, voor Harfleur in bloed gedoopt; -Stort op zijn leger, als gesmolten sneeuw -In dalen, op wier lagen knechtenzetel -Der Alpen kruin haar vochten spuwt en uitgiet; -Gaat, overvalt hem,—macht hebt gij genoeg,— -En voert hem, in een wagen opgesloten, -Gevangen naar Rouaan. - -CONNETABEL. Zoo past het grooten. -Slechts dit bedroeft mij, dat zijn macht zoo klein, -Zijn volk verhongerd, krank is van den marsch; -Want zeker, ziet hij slechts ons heer, dan zal -Zijn hart verzinken in een poel van vrees, -En hij, in steê van strijd, een losgeld bieden. - -KONING KAREL. Spoor dies Montjoye tot spoed, heer connetabel; -Hij vrage aan Englands koning, namens ons, -Welk losgeld hij vrijwillig wil voldoen.— -Gij, prins Dauphijn, blijft bij ons in Rouaan. - -DAUPHIJN. Ik bid uw majesteit, dit niet. - -KONING KAREL. Berust er in, gij blijft alhier bij ons.— -Op, connetabel, en gij prinsen allen! -En meldt welras, dat England is gevallen! - - (Allen af.) - - - - -ZESDE TOONEEL. - - -Het Engelsch legerkamp in Picardije. - -Gower en Fluellen komen op, elkander ontmoetende. - - -GOWER. Hoe staat het, overste Fluellen? komt gij van de brug? - -FLUELLEN. Ik verzeker u, daar worden zeer uitstekende diensten pegaan -pij de prug. - -GOWER. Is de hertog van Exeter ongedeerd? - -FLUELLEN. De hertog van Exeter is zoo heldenmoedig als Agamemnon, en -een man, dien ik pemin en eer, met mijn ziel, en mijn hart, en mijn -verknochtheid, en mijn leven, en mijn levensmiddelen, en al mijn -vermogen. Hij is,—Chod sij gedankt en geprijst!—gewond op geenerlei -wijs, maar hij houdt de prug, zoo dapper mogelijk, en met -foortreffelijke wetenschap fan den oorlog. Daar is een faandrig -luitenant pij de prug,—ik denk waarachtig in mijn geweten, hij is een -dappere man als Marcus Antonius, en hij is een man van geen estimatie -in de wereld, maar ik heb hem praven dienst zien doen. - -GOWER. Hoe noemt gij hem? - -FLUELLEN. Hij heet faandrig Pistool. - -GOWER. Ik ken hem niet. - -(Pistool komt op.) - -FLUELLEN. Daar komt de man. - -PISTOOL. Hoofdman, ik bid u, mij een gunst te doen; -De hertog Exeter is u genegen. - -FLUELLEN. Ja, dank zij Chod, en ik heb ook enkele welwillendheid -verdiend van zijn hand. - -PISTOOL. Bardolf, een krijgsman, vast en sterk van hart, -Met sluwen moed, heeft door het gruw’lijk noodlot, -En ’t wiss’lend dolle rad der wufte vrouw, -De blinde schikgodin Fortuin, -Wier stand is op een steen, die rustloos rolt,— - -FLUELLEN. Met uw ferlof, faandrig Pistool. Fortuin wordt plind gemalen -met een pand voor haar oogen om u te betuiten, dat Fortuin blind is. En -sij wordt ook gemalen met een rad, om u te betuiten,—wat de moraal er -fan is,—dat zij is draaiende en onpestendig en feranderlijkheid en -ferscheidenheid, en haar foet, siet gij, is gefestigd op een polronden -steen, dat rolt en rolt en rolt. Wezenlijk, de dichters maakt een zeer -foortreffelijke peschrijving er fan, Fortuin is een foortreffelijke -moraal. - -PISTOOL. Fortuin is Bardolfs vijandin, ziet norsch; -Hij stal zich een monstrans en moet nu hangen. -Een vloekb’re dood! -Voor honden gaap’ de galg, de mensch zij vrij, -En hennep mag zijn gorgel niet verstikken. -Maar Exeter deed de uitspraak van den dood -Voor voddigen monstrans. -Ga dus en spreek, de hertog hoort uw stem; -Zij Bardolfs levensdraad niet afgesneden -Met scherpen penningstrop en lagen smaad; -Spreek, hoofdman, voor zijn heil, en ik zal ’t u beloonen. - -FLUELLEN. Faandrig Pistool, ik fersta gedeeltelijk uw meening. - -PISTOOL. Welnu, ’t verheuge uw hart. - -FLUELLEN. Zeker, faandrig, het is niet een ding om ferheugd te zijn, -want, siet gij, als hij mijn eigen proeder was, zou ik den hertog -ferzoeken, zijn choedvinden te doen en hem te brengen tot de -terechtstelling; want de krijgstucht moet gepruikt worden. - -PISTOOL. Sterf dan en wees verdoemd, en figo voor uw vriendschap! - -FLUELLEN. Het is choed. - -PISTOOL. De vijg van Spanje! - - (Pistool af.) - -FLUELLEN. Zeer choed. - -GOWER. Nu, dat is een uitgemaakte schelmachtige bedrieger; nu ken ik -hem wel, een koppelaar en een beurzensnijder. - -FLUELLEN. Ik wil u verzekeren, hij uitte zoo prave woorden op de prug, -als gij maar zien kunt op een zomerdag. Maar het is zeer choed; wat hij -daar gesproken heeft tot mij, dat is choed, gij zult het zeker zien, -als de cheschikte tijd er foor komt. - -GOWER. Nu, hij is een uilskuiken, een zot, een schelm, die af en toe in -den oorlog gaat, om bij zijn terugkomst naar Londen den soldaat uit te -hangen. En zulke knapen kennen de namen van de bevelhebbers op hun -duimpje, en zij leeren van buiten waar het heet toeging, bij dit en dat -bolwerk, bij die en die bres, bij dit en dat konvooi; wie zich dapper -gehouden heeft, wie doodgeschoten werd, wie zich slecht gedroeg, welke -voorwaarden de vijand stelde; en dat leeren zij nauwkeurig in -krijgsmanstermen, die zij met nieuwmodische vloeken opsmukken. En wat -een generaalsbaard en een havelooze legerplunje voor werking doen bij -schuimende flesschen en met bier doortrokken hersens, het is verbazend, -als men er aan denkt. Maar gij moet zulke schandvlekken van onzen tijd -leeren erkennen, of gij zoudt u wonderbaarlijk kunnen vergissen. - -FLUELLEN. Ik wil u wat zeggen, oferste Gower; ik heb zeer choed -gemerkt; hij is niet de man, dien hij gaarne aan de wereld zou laten -zien dat hij is; als ik aan zijn rok een steek los vind, zal ik hem -seggen wat ik denk. (Er wordt getrommeld.) Hoor daar, de koning komt, -en ik moet spreken met hem over de prug. - -(Trommen en vaandels. Koning Hendrik, Gloster en Soldaten komen op.) - -Chod pehoete uw majesteit! - -KONING HENDRIK. Hoe is ’t, Fluellen, komt gij van de brug? - -FLUELLEN. Ja, om uwe majesteit te dienen. De hertog van Exeter heeft de -prug zeer dapperlijk gehouden; de Franschen is afgetrokken, siet gij, -en daar is dappere, recht prave gevechten. Waarachtig, de vijand waren -pijna pezeten van de prug, maar hij is gedwongen geweest terug te gaan -en de hertog van Exeter is meester van de prug. Ik kan het aan uwe -majesteit zeggen, de hertog is een prave man. - -KONING HENDRIK. Wat hebt gij aan manschappen verloren, Fluellen? - -FLUELLEN. De verderving van den vijand is zeer groot geweest, naar alle -rede groot; waarachtig, ik voor mijn persoon cheloof, de hertog heeft -niet verloren een enkel man, dan een die denkelijk wordt terechtgesteld -om het pestelen van een kerk, een zekeren Bardolf als uw majesteit den -man kent; zijn gezicht is een en al puisten en knobbels en wratten en -fuurflammen, en zijn lippen plazen zijn neus aan, en die is als een -kool fuur, pij tijden plauw en pij tijden rood; maar nu is zijn neus -terechtgesteld en zijn fuur is uit. - -KONING HENDRIK. Wij zouden al zulke misdadigers zoo uitgeroeid willen -zien, en wij geven uitdrukkelijk bevel, dat er op onze marschen door -het land aan de dorpen niets worde afgeperst, dat er niets genomen -worde dan tegen betaling, dat geen Franschman gehoond of door smaadtaal -gekrenkt worde; want als zachtmoedigheid en wreedheid om een koninkrijk -spelen, is de zachtaardigste speler de eerste om te winnen. - -(Een trompetsignaal. Montjoye komt op.) - -MONTJOYE. Gij weet aan mijn gewaad reeds, wie ik ben. - -KONING HENDRIK. Dit weet ik, ja; wat moet ik van u weten? - -MONTJOYE. Mijns meesters wil. - -KONING HENDRIK. Ontvouw dien vrij. - -MONTJOYE. Zoo spreekt mijn koning:—„Zeg aan Hendrik van Engeland: -ofschoon wij dood schenen, wij sliepen slechts; gunstige gelegenheid is -een beter krijgsman dan overijling. Zeg hem, dat wij hem te Harfleur -hadden kunnen tuchtigen, maar dat wij het niet goed vonden, een gezwel -te drukken, voor het geheel rijp was. Nu is voor ons het oogenblik daar -om te spreken, en onze stem is die van het gezag. Engeland moet zijn -dwaasheid bejammeren, zijn zwakheid zien en onze lankmoedigheid -bewonderen. Zeg hem daarom, aan zijn losgeld te denken, dat -geëvenredigd moet zijn aan de verliezen, die wij geleden, de -onderdanen, die wij verloren, de vernedering, die wij geduld hebben, -zoodat, als die last hem met vol gewicht werd opgelegd, zijn kleinheid -bezwijken zou. Wat onze verliezen betreft, zijn schatkamer is er te arm -voor; wat het vergieten van ons bloed betreft, de legers van zijn -koninkrijk te zwak in manschap; en wat onze vernedering betreft, zijn -eigen persoon, knielend aan onze voeten, slechts een geringe en -waardelooze voldoening. Voeg hierbij onze uitdaging; en zeg hem ten -slotte, dat hij de verrader van zijn volgelingen is geworden, want dat -hun veroordeeling uitgesproken is.”—Aldus spreekt mijn koning en -meester; aldus luidt mijn opdracht. - -KONING HENDRIK. Hoe is uw naam? uw ambt is mij bekend. - -MONTJOYE. Montjoye. - -KONING HENDRIK. Gij kwijt u loff’lijk van uw last. Keer weder, -En zeg uw vorst, dat ik hem thans niet zoek, -Maar liever ongehinderd door wil trekken -Tot naar Calais, want,—dit belijd ik hier, -Al moge ’t niet zeer wijs zijn, aan een vijand, -Die sluw zijn voordeel zoekt, dit te bekennen,— -Mijn volk is afgemat door ziekte, en ook -Gedund in tal, de handvol, die mij rest, -Niet beter schier, dan even zooveel Franschen;— -Schoon ’t in hun volle kracht,—voorwaar, heraut!— -Mij scheen, dat ieder Engelsch beenenpaar -Drie Franschen dragen kon. Maar God vergeev’ mij, -Dat ik zoo poch!—het is uw Fransche lucht, -Die dit gebrek mij aanwaait: ik betreur het. -Ga dus en meld uw meester, dat ik hier ben, -Dit zwak en waard’loos lijf mijn losgeld is, -Mijn leger slechts een zwakke, kranke bende; -Toch,—meld hem ’t,—komen willen wij, met God, -Al sperde heel Frankrijk met een buur als hij -Den weg ons af. Hier, neem dit voor uw moeite.— -Ga, zeg uw heer, dat hij het wel bedenke: -Laat hij ons door, ’t is wèl; weêrstaat hij ons, -Dan kleurt uw purp’ren bloed den bruinen grond -Door onze hand.—En nu, Montjoye, vaarwel! -Nog eens zij hier ons antwoord saamgevat: -„Wij zoeken niet, zooals wij zijn, een veldslag, -Maar mijden dien ook niet, zooals wij zijn.” -Zeg dit uw meester. - -MONTJOYE. Ik zal dit melden.—’k Zeg uw hoogheid dank. - -GLOSTER. Zij zullen, hoop ik, thans ons niet bestoken. - -KONING HENDRIK. In Gods hand zijn wij, niet in hunne hand. -Thans allen naar de brug, want de avond valt; -Wij leeg’ren ons aan gene zij des strooms, -En eischen morgen hun den aftocht af. - - (Allen af.) - - - - -ZEVENDE TOONEEL. - - -Het legerkamp der Franschen bij Agincourt. - -De Connetabel van Frankrijk, de Heer van Rambures, de Hertog van -Orleans, de Dauphijn en Anderen komen op. - - -CONNETABEL. Nu, ik heb de beste rusting ter wereld. Ware het al dag! - -ORLEANS. Gij hebt een uitmuntende rusting; maar laat mijn paard recht -wedervaren. - -CONNETABEL. Het is het beste paard van heel Europa. - -ORLEANS. Zal het nooit morgen worden? - -DAUPHIJN. Mijn prins van Orleans en mijn heer de groot-connetabel, gij -spreekt van paarden en rustingen,— - -ORLEANS. Gij zijt van beide zoo goed voorzien als eenig prins ter -wereld. - -DAUPHIJN. Wat is dit een lange nacht!—Ik ruil mijn paard voor geen -enkel ander, dat op vier hoeven loopt, Ça, ha! Hij springt van den -grond op, alsof hij veerkrachtige haren tot ingewanden had; le cheval -volant, de Pegasus, qui a les narines de feu! Als ik hem bestijg, zweef -ik omhoog, ben ik een valk; hij draaft op de lucht; de aarde zingt, als -hij haar aanraakt; in het horengekletter van zijn hoef is meer muziek -dan in de veldfluit van Hermes. - -ORLEANS. Hij heeft de kleur van de muskaatnoot. - -DAUPHIJN. En de hitte van de gember. Het is een dier voor Perseus, -niets dan vuur en lucht; de trage elementen, aarde en water, toonen -zich nooit in hem, dan in zijn geduldige rust, als zijn berijder hem -bestijgt; hij is inderdaad een paard, alle andere knollen kan men -beesten noemen. - -CONNETABEL. Inderdaad, doorluchtig heer, hij is een alleruitmuntendst, -voortreffelijk paard. - -DAUPHIJN. Hij is de prins der kleppers; zijn gebriesch is als het bevel -van een monarch, en zijn houding dwingt tot hulde. - -ORLEANS. ’t Is genoeg, neef. - -DAUPHIJN. Kom, dat is een man zonder geest, die niet van het klimmen -van den leeuwrik af tot het ter kooi gaan van het lam op telkens nieuwe -wijs den welverdienden lof van mijn klepper kan zingen; het is een -thema, steeds vloeiend als de zee! Verander het zand in welsprekende -tongen en mijn paard biedt stof voor die allen. Het is een onderwerp -voor een souverein om over te redeneeren, en voor den souverein van een -souverein om op te rijden, en voor de wereld, de bekende zoowel als de -onbekende, om al haar eigen bezigheden ter zijde te leggen en dit wezen -aan te staren. Ik schreef eens een sonnet tot zijn lof en begon aldus: -„O, wonder der natuur!” - -ORLEANS. Ik heb een sonnet op iemands geliefde zoo hooren beginnen. - -DAUPHIJN. Dan heeft men dat nagevolgd, wat ik op mijn renner maakte; -want mijn paard is mijn geliefde. - -ORLEANS. Uw geliefde draagt goed. - -DAUPHIJN. Draagt mij goed; wat de voorgeschreven deugd en volkomenheid -van een goede en uitsluitend eigen geliefde is. - -CONNETABEL. Nu, maar mij dacht gisteren, dat uw geliefde u duchtig den -rug schudde. - -DAUPHIJN. Dat deed misschien de uwe u ook. - -CONNETABEL. De mijne was niet gebreideld. - -DAUPHIJN. O dan was zij zeker oud en mak, en dan reedt gij, als een -Iersche Kern, zonder uw pofbroek, in uw enge vleeschkleurige hozen. - -CONNETABEL. Gij hebt veel verstand van rijden. - -DAUPHIJN. Laat u dan van mij waarschuwen; zij, die zoo rijden en niet -behoedzaam rijden, vallen in vuile poelen. Ik heb liever mijn paard tot -geliefde. - -CONNETABEL. Dan had ik even lief, dat mijn geliefde een huurknol was. - -DAUPHIJN. Ik zeg u, connetabel, mijn geliefde draagt zijn eigen haar. - -CONNETABEL. Daarop zou ik met evenveel recht kunnen roemen, als mijn -geliefde een zeug was. - -DAUPHIJN. Le chien est retourné à son propre vomissement, et la truie -lavée au bourbier; gij maakt van alles gebruik. - -CONNETABEL. Toch niet van mijn paard als geliefde, en ook niet van -zulke spreekwoorden, die zoo weinig bij de zaak passen. - -RAMBURES. Heer connetabel, de rusting, die ik heden avond in uw tent -zag, zijn het sterren of zonnen, die er op zijn? - -CONNETABEL. Sterren, heer. - -DAUPHIJN. Enkele er van zullen morgen wel vallen, denk ik. - -CONNETABEL. En toch zal mijn hemel er niet door verarmen. - -DAUPHIJN. Dit kan zijn, want gij draagt er veel overtollige, en het zou -te meer eer zijn, als er eenige verdwenen. - -CONNETABEL. Juist zooals uw paard uw loftuitingen draagt; hij zou even -goed draven, als er eenige van uw grootsprekerijen afgeworpen waren. - -DAUPHIJN. Ik wenschte, dat ik in staat ware, hem met al den lof te -laden, dien hij verdient.—Zal het dan nimmer dag worden? Ik wil morgen -een mijl draven, en mijn weg zal geplaveid zijn met Engelsche -gezichten. - -CONNETABEL. Dit wil ik niet zeggen; de weg mocht eens gezichten tegen -mij trekken. Maar ik wenschte wel, dat het dag was, want ik verlang -dien Engelschen de ooren te wasschen. - -RAMBURES. Wie wil met mij dobbelen om een twintig krijgsgevangenen? - -CONNETABEL. Gij moest eerst uzelf op het spel zetten, eer gij ze hebt. - -DAUPHIJN. ’t Is middernacht; ik wil mij gaan wapenen. - - (De Dauphijn af.) - -ORLEANS. De dauphijn verlangt naar den morgen. - -RAMBURES. Hij zou de Engelschen wel opeten. - -CONNETABEL. Hij zal er wel evenveel opeten, als hij ombrengt. - -ORLEANS. Bij de blanke hand mijner dame, hij is een dappere prins. - -CONNETABEL. Zweer bij haar voet; dan kan zij den eed vertrappen. - -ORLEANS. Geen edelman in het leger is grooter held dan hij. - -CONNETABEL. Een leger is een bed, en daar is hij een held. - -ORLEANS. Hij heeft nooit iemand leed gedaan, zoover ik weet. - -CONNETABEL. Hij zal ’t morgen ook niet doen; dien goeden naam zal hij -in eere houden. - -ORLEANS. Ik weet, dat hij dapper is. - -CONNETABEL. Dit is mij door iemand gezegd, die hem nog beter kent dan -gij. - -ORLEANS. Wie is dat? - -CONNETABEL. Wel, hij heeft het mij zelf gezegd, en hij voegde er bij, -dat hij er zich niet om bekommerde, of iemand het wist. - -ORLEANS. Dat behoeft hij ook niet te doen; verborgen deugden heeft hij -niet. - -CONNETABEL. Toch wel, op mijn eer, maar deze heeft nooit iemand gezien -dan zijn kamerdienaar; ’t is een verkapte dapperheid, en als zij in het -licht komt, zal zij het schuwen. - -ORLEANS. Afgunst heeft een booze tong. - -CONNETABEL. Ik zal dat spreekwoord dompen met:—„een vriendenoog, een -vleiersmond.” - -ORLEANS. En ik vang dat op met:—„Geef den duivel wat hem toekomt.” - -CONNETABEL. Juist opgemerkt; gij verklaart er uw vriend tot duivel mee. -Maar nu krijgt uw spreekwoord den wind van voren met:—„Naar de hel met -den duivel.” - -ORLEANS. Gij zijt in spreekwoorden de baas, en waarom? Een narrenpijl -is ras verschoten. - -CONNETABEL. Daar schiet gij het doel voorbij. - -ORLEANS. Het is niet de eerste maal, dat men u voorbijschiet. - -(Een Bode komt op.) - -BODE. Heer groot-connetabel, de Engelschen liggen binnen de -vijftienhonderd pas van uw tenten. - -CONNETABEL. Wie heeft den afstand gemeten? - -BODE. De heer van Grandpré. - -CONNETABEL. Een dapper en recht nauwkeurig edelman.—Werd het nu maar -dag!—Ach, die arme Hendrik van Engeland!—hij verlangt niet zoo naar den -dageraad als wij. - -ORLEANS. Wat een ongelukkige dwaze hals is deze koning van Engeland, -met zijn domkoppen van aanhangers zoo ver van honk te gaan! - -CONNETABEL. Als die Engelschen een greintje verstand hadden, zouden zij -maken, dat zij wegkwamen. - -ORLEANS. Dat hebben zij in het geheel niet; want hadden zij in het -hoofd eenig verstandelijk wapentuig, dan konden zij nimmer zulke zware -stormkappen op het hoofd dragen. - -RAMBURES. Dat eiland Engeland brengt recht dappere schepsels voort; hun -bullebijters hebben huns gelijken niet in moed. - -ORLEANS. Stomme rekels, die blindelings een Russischen beer in den mond -loopen en zich de koppen laten verbrijzelen als rotte appels. Gij kunt -even goed zeggen, dat het een dappere vloo is, die haar ontbijt durft -nuttigen op de lip van een leeuw. - -CONNETABEL. Juist, juist; en evenals de bullebijters zijn de mannen; -zij gaan er ruw en onbesuisd op los en laten hun verstand thuis bij hun -vrouwen. En geef hun dan veel rundvleesch te eten, en ijzer en staal, -dan vreten zij als wolven en vechten als duivels. - -ORLEANS. Ja, maar bij die Engelschen is het rundvleesch nu zeker -verduiveld schaarsch. - -CONNETABEL. Dan zullen wij morgen bevinden, dat zij alleen trek hebben -in eten en niet in vechten. Het wordt tijd om ons te wapenen; komt, -willen wij gaan? - -ORLEANS. ’t Is nu twee uur; elk onzer heeft,—laat zien,— -Voor zich een honderd Engelschen te tien. - - (Allen af.) - - - - - - - -VIERDE BEDRIJF. - - -Trompetgeschal. Chorus komt op. - - -CHORUS. Stelle uw verbeelding thans een tijd u voor, -Dat sluipend ruischen en het stikziend duister -Der wereld wijde welving gansch vervult. -Zacht galmt nu in de’ onzaal’gen schoot der nacht -Van kamp tot kamp ’t gegons van beide legers, -Zoodat de wachters op hun posten schier -’t Geheim gefluister wederzijds verstaan. -Vuur blikt op vuur, door bleeke vlammen ziet -Elk leger ’t ander in ’t gebruind gelaat, -Elk ros tart ros, hun fier gebriesch doorboort -Het domm’lig oor der nacht, en van de tenten, -Waar wapensmeden ridderpantsers gespen, -Hun snelle hamer losse nagels klinkt, -Verneemt men ’t schriksignaal der voorbereiding. -Dorpshanen kraaien en de klokken slaan, -Het derde droom’rig morgenuur verkondend. -Trotsch op hun tal en zorg’loos, dobb’len reeds -De Franschen in hun waan en zelfvertrouwen -Om de Engelschen, op lagen prijs geschat, -En vloeken op de nacht, de loome sluipster, -Die, als een rimp’lige oude tooverkol, -Traag voorthinkt. De Engelschen, ter dood gewijd -Als offers, zitten zwijgend bij hun vuren, -Geduldig, overwegend welk gevaar -De morgen brengen zal; hun ernstig uitzicht,— -Diepholle wangen, stukgestreden kleed’ren,— -Toont aan de maan, die staart, hen als zoovele -Afschuwb’re geesten. Maar wie hem nu ziet, -Den hoogen veldheer dezer jammerschaar, -Van wacht tot wacht, van tent tot tent zich spoedend, -Hij roepe:—„Lof en glorie op zijn hoofd!” -Want hij gaat om, bezoekt geheel zijn leger, -Wenscht met bescheiden lach hun goeden morgen, -En noemt hen landgenooten, vrienden, broeders. -Geen enk’le trek op ’t koninklijk gelaat -Getuigt van ’t vreeslijk heer, dat hem omringt; -De moeitevolle, gansch doorwaakte nacht -Brengt hij geen enkel stipje kleur ten offer; -Frisch blikt hij rond en overmeestert zwakheid -Met kalm gelaat en zachte majesteit, -Dat elk, hoe uitgeput en bleek te voren, -Hem ziende, zoeten troost put uit zijn blik. -Gelijk de zon, strooit zijn milddadig oog -Alom aan ieder rijke gaven toe, -Dat kille vrees versmelt en hoog en laag -Van nieuwen moed, van vuur doortinteld zijn.— -Aanschouwt, zooveel onwaardigheid kan schetsen, -Een flauwen schijn van Hendrik in de nacht. -En dan moet ons tooneel naar ’t slagveld ijlen; -Doch, o helaas! onteeren zullen wij,— -Met vier of vijf geschaarde, stompe klingen, -Bij dwaas, belachlijk vechten slecht gevoerd,— -Den naam van Agincourt. Toch, komt! en ziet -Het wezen in den schijn, dien ’t spel u biedt. - - (Chorus af.) - - - - -EERSTE TOONEEL. - - -Het Engelsch legerkamp bij Agincourt. - -Koning Hendrik, Bedford en Gloster komen op. - - -KONING HENDRIK. Gloster, ’t is waar, wij zijn in groot gevaar; -Maar des te grooter zij dan onze moed,— -Goeden morgen, broeder Bedford.—God almachtig! -In booze dingen schuilt een kern van goed, -Zoo slechts de mensch bedachtzaam dien er uitperst; -Want onze booze buur leert ons vroeg opstaan, -Wat èn gezond is èn de huizing bouwt; -En bovendien, hij is, schoon buiten ons, -Ons een geweten, dat ons allen predikt, -Ons loff’lijk te bereiden voor ons eind. -Zoo kunnen wij uit onkruid honig lezen -En ons den duivel zelf tot leer doen zijn. - -(Erpingham komt op.) - -Goeden morgen, oude Thomas Erpingham; -Op zachter peluw mocht dit grijze hoofd -Zich vlijen, dan op Frankrijks harden grond. - -ERPINGHAM. Toch niet, mijn vorst, dit leger is mij liever; -’k Zeg nu, „mijn bed is als des konings bed.” - -KONING HENDRIK. Goed is het, dat de mensch zijn lijden liefkrijgt -Door voorbeeld; dit verlicht en sterkt den geest; -En luikt de ziel weer op, dan breken zeker -Des lichaams leden, die verstorven schenen, -Hun doodswâ los en roeren zich op nieuw -Met afgeworpen huid en frissche vlugheid.— -Sir Thomas, leen me uw mantel.—Gij, mijn broeders, -Gaat namens mij de legervorsten groeten, -Brengt hun mijn morgenwenschen en zegt allen, -Terstond zich te verzaam’len in mijn tent. - -GLOSTER. Volgaarne, heer en vorst. - - (Gloster en Bedford af.) - -ERPINGHAM. Verzel ik uwe hoogheid? - -KONING HENDRIK. Neen, mijn vriend, -Ga gij naar Englands grooten met mijn broeders; -Ik en mijn hart, wij moeten ons beraden: -Daarom, gezelschap is mij niet gewenscht. - -ERPINGHAM. De Hemelheer zij met u, eed’le Hendrik. - - (Erpingham af.) - -KONING HENDRIK. God loone u, brave grijze, uw wakker woord! - -(Pistool komt op.) - -PISTOOL. Qui va là? - -KONING HENDRIK. Goed vriend. - -PISTOOL. Geef mij verklaring, zijt gij officier? -Of zijt gij laag, gering en van het volk? - -KONING HENDRIK. Ik ben de leider van een compagnie. - -PISTOOL. Sleept gij de felle speer? - -KONING HENDRIK. Ja zeker. Wat zijt gij? - -PISTOOL. Een edelman, gelijk de keizer ’t is. - -KONING HENDRIK. Dan zijt gij beter dan de koning zelf. - -PISTOOL. De koning is een haantje’, een hart van goud, -Een knaap vol leven, spruit des roems, -Van ouders goed, van vuist een echte held; -Ik kus zijn modderschoen, en recht van harte -Min ik den jongen vechtersbaas.—Uw naam? - -KONING HENDRIK. Henri le Roy. - -PISTOOL. Le Roy? die naam is Cornisch; fokte u Cornwal op? - -KONING HENDRIK. Neen, ik ben uit Wales. - -PISTOOL. Kent gij Fluellen? - -KONING HENDRIK. Ja. - -PISTOOL. Ik sla hem wis zijn knoflook om zijn bol, Op Davidsdag; zeg -dit hem aan. - -KONING HENDRIK. Zorg dan op dien dag uw dolk niet in uw muts te dragen, -opdat hij u dien niet in den bol sla! - -PISTOOL. Zijt gij zijn vriend? - -KONING HENDRIK. Ja, zelfs aan hem verwant. - -PISTOOL. Dan Figo voor uw deel! - -KONING HENDRIK. Ik dank u, God zij met u! - -PISTOOL. Mijn naam heet zich Pistool. - - (Pistool af.) - -KONING HENDRIK. Hij past goed bij uw grimmigheid. - -(Fluellen en Gower komen op, van verschillenden kant.) - -GOWER. Overste Fluellen! - -FLUELLEN. Pst! in den naam van Jezus Christus, spreek zachter! Het is -de chrootste wonderpaarheid in de gesamentlijke wereld, als de -waarhaftige en oude prifilegien en wetten fan de oorlogen niet gehouden -worden. Als gij de moeiten zoudt willen nemen fan te onderzoeken de -oorlogen van Pompejus den grooten, zult gij vinden, dit verzeker ik u, -dat er in het legerkamp van Pompejus geen kikelkakel is, geen -bibbelbabbel; ik verzeker u, gij zult vinden, dat de ceremoniën van de -oorlogen, en de zorgen er van, en de formaliteiten er van, en de -matigheid er van, en de zedigheid er van, geheel anders zijn. - -GOWER. Kom, de vijand maakt leven, men hoort hem de geheele nacht. - -FLUELLEN. Als de vijand een ezel is en een nar en een snappende -windmaker, is het choed, denkt gij, dat wij ook zouden zijn, ziet gij, -een ezel en een nar en een snappende windmaker? Op uw geweten af, -spreek! - -GOWER. Ik wil zachter spreken. - -FLUELLEN. Ik pid u en verzoek u, dat gij het wilt. - - (Gower en Fluellen af.) - -KONING HENDRIK. Er zit, al moog’ het wat vreemdmodisch schijnen, -Toch in dien man uit Wales veel moed en ijver. - -(Bates, Court en Williams komen op.) - -COURT. Broeder John Bates, is dat niet de morgen, wat daar aanbreekt? - -BATES. Ik geloof van ja, maar veel reden hebben wij niet, om naar de -komst van den dag te verlangen. - -WILLIAMS. Wij zien daar het begin van den dag, maar het einde zullen -wij, denk ik, wel nimmer zien.—Wie gaat daar? - -KONING HENDRIK. Goed vriend. - -WILLIAMS. Onder welken overste dient gij? - -KONING HENDRIK. Onder Sir Thomas Erpingham. - -WILLIAMS. Een goed oud veldoverste en een recht vriendelijk heer. Zeg -ons eens, hoe denkt hij over onzen toestand? - -KONING HENDRIK. Als over menschen, die op een zandbank gestrand zijn, -en verwachten, dat de volgende vloed hen wegspoelt. - -BATES. Hij heeft toch aan den koning zijn gedachten niet gezegd? - -KONING HENDRIK. Neen, en dat zou ook niet goed wezen. Want al zeg ik -dit tot u, ik geloof, dat de koning maar een mensch is zooals ik ben. -Het viooltje ruikt voor hem evenals voor mij; de lucht ziet er voor hem -even zoo uit als voor mij; al zijn zinnen zijn menschelijk van aard; -zijn praal ter zijde gelaten, verschijnt hij in zijn naaktheid -eenvoudig als een mensch, en al nemen zijn wenschen een hooger vlucht -dan de onze, zoo moeten zij toch, als zij dalen, met gelijke vlucht als -de onze nederkomen. Daarom, als hij grond ziet tot vrees, zooals wij -het doen, dan moet zijn vrees ongetwijfeld evenzoo smaken als de onze; -maar toch moet niemand, die zijn oordeel gebruikt, hem eenigen schijn -van vrees mededeelen, opdat hij, die toonend, zijn leger niet moedeloos -make. - -BATES. Uitwendig mag hij zooveel moed toonen als hij wil, maar ik -geloof toch, hoe koud de nacht ook zij, dat hij zich tot aan den hals -toe in den Theems wenscht,—en ik wenschte, dat ik daar bij hem was, op -alle gevaar af, als wij hier maar vandaan waren. - -KONING HENDRIK. Op mijn woord, ik wil u wel zeggen, wat ik van den -koning denk; ik geloof, dat hij nergens anders wenscht te zijn dan waar -hij is. - -BATES. Dan wenschte ik, dat hij hier alleen was; dan zou hij zeker -wezen van voor losgeld vrij te komen en dan was het leven van menigen -armen duivel gered. - -KONING HENDRIK. Ik durf zeggen, dat gij hem niet zulk een kwaad hart -toedraagt om hem hier alleen te wenschen, al zegt ge dit ook om te -polsen, hoe anderen denken. Mij dunkt, ik zou nergens zoo gelaten -sterven dan in het gezelschap van den koning, omdat zijn zaak -rechtvaardig en zijn strijd eervol is. - -WILLIAMS. Dat is meer dan wij weten. - -BATES. Ja, en meer dan ons past te onderzoeken; want wij weten genoeg, -als wij weten, dat wij des konings onderdanen zijn. Als zijn zaak -onrechtvaardig is, uit ons wischt onze gehoorzaamheid aan den koning de -zonde er van weg. - -WILLIAMS. Maar als zijn zaak niet goed is, dan heeft de koning zelf een -zware rekening te vereffenen, wanneer al die beenen en armen en -hoofden, die in een veldslag afgehouwen zijn, zich verzamelen en allen -roepen: „wij stierven daar en daar”; eenigen vloekend, sommigen om een -wondheeler jammerend, sommigen om hun vrouwen, die zij in armoede -achterlieten, anderen om hun onbetaalde schulden, anderen om hun -onverzorgde kinderen. Ik vrees, dat er weinigen zijn, die goed sterven, -als zij in een veldslag sterven; want hoe kunnen zij eenige -christelijke beschikking maken, als bloed hun eenige gedachte is? Nu, -en als die menschen niet goed sterven, dan ziet het er donker uit voor -den koning, die hen er toe gebracht heeft, daar toch ongehoorzaamheid -aan hem tegen alle regels van onderdanigheid zou strijden. - -KONING HENDRIK. Dus, als een zoon, die door zijn vader op den handel -wordt uitgezonden, in zijn zonden op zee verongelukt, zou, volgens uw -regel, de schuld van zijn goddeloosheid neerkomen op den vader, die hem -uitzond. Of als een dienaar, die op zijns meesters bevel een som gelds -overbrengt, door roovers wordt overvallen en in vele onverzoende -ongerechtigheden sterft, zoudt gij zeggen, dat de zaken van den meester -de oorzaak zijn van het eeuwig verderf van den dienaar. Maar dit is zoo -niet; de koning is niet verantwoordelijk voor het uiteinde van elk -zijner soldaten in het bijzonder, zoo min als de vader voor dat van -zijn zoon, of de meester voor dat van zijn dienaar, want zij verlangen -hun dood niet, als zij hun diensten verlangen. Bovendien, er is geen -koning, hoe vlekkeloos zijn zaak ook zij, die haar, als de wapenen -moeten beslissen, met louter vlekkelooze soldaten kan uitmaken. -Sommigen hebben misschien de schuld van voorbedachten en opzettelijken -doodslag op hun geweten; anderen de misleiding van maagden door het -verbroken zegel des meineeds; anderen weer maken zich van den oorlog -een bolwerk, nadat zij den zachten boezem des vredes door roof en -plundering hebben opengereten. Als deze menschen nu aan de -gerechtigheid ontsnapt en de straf in hun land ontloopen zijn, hebben -zij, al konden zij menschen te snel zijn, toch geen vleugels om God te -ontvlieden; de oorlog is zijn gerechtsdienaar, de oorlog is zijn wraak; -zoodat hier menschen wegens vroegere verbreking van ’s konings wetten -door den lateren strijd des konings gestraft worden; waar zij den dood -vreesden, hebben zij er het leven afgebracht; en waar zij veiligheid -zochten, komen zij om. Dus, als zij onvoorbereid sterven, is de koning -evenmin schuldig aan hun eeuwig verderf, als hij vroeger schuldig was -aan die misdaden, voor welke zij nu bezocht worden. De dienst van -iederen onderdaan is des konings, maar de ziel van iederen onderdaan is -zijn eigene. Daarom moest ieder soldaat in den oorlog doen, wat ieder -kranke in zijn bed doet: zijn geweten rein wasschen van ieder stofje; -en als hij zoo sterft, is het sterven hem gewin; of, sterft hij niet, -dan is het hem een zegenrijk tijdverlies, waarin hij zulk een -voorbereiding won. En voor hem, die er het leven afbrengt, zal het geen -zonde wezen, als hij denkt, dat God, in wiens hand hij zich zoo -gewillig gegeven heeft, hem dien dag heeft laten overleven, om Zijn -grootheid te zien en anderen te toonen, hoe zij zich moeten -voorbereiden. - -WILLIAMS. Dit is zeker, ieder die in zonde sterft: de zonde op zijn -eigen hoofd! De koning heeft die niet te verantwoorden. - -BATES. Ik verlang niet, dat hij voor mij verantwoordelijk is; en toch -ben ik besloten wakker voor hem te vechten. - -KONING HENDRIK. Ik heb zelf den koning hooren zeggen, dat hij zich niet -wil laten vrijkoopen. - -WILLIAMS. Ja, dat heeft hij gezegd, opdat wij lustig zouden vechten; -maar als ons de hals is afgesneden, kan hij nog wel vrijgekocht worden -en zijn wij er toch niet verder mee. - -KONING HENDRIK. Als ik dat beleef, zal ik nimmer aan zijn woorden meer -geloof slaan. - -WILLIAMS. Gij zult het hem dus betaald zetten! Dat is een gevaarlijk -schot uit een vlierboomhouten geweer, door de ontevredenheid van een -arm onderdaan op een monarch afgevuurd! Even goed kunt gij beproeven, -de zon in ijs te veranderen, door haar met een pauwenveertje in ’t -gelaat te waaien. Gij wilt nooit meer aan zijn woorden geloof slaan? -loop, dat is een dwaas zeggen! - -KONING HENDRIK. Uw uitval is wel wat al te heftig; ik zou boos op u -zijn, als de tijd het toeliet. - -WILLIAMS. Laat ons er dan om vechten, als gij in het leven blijft. - -KONING HENDRIK. Dat neem ik aan. - -WILLIAMS. Waaraan zal ik u erkennen? - -KONING HENDRIK. Geef mij eenig onderpand van u, en ik zal het op mijn -muts dragen; als gij het dan durft erkennen, zal ik er om vechten. - -WILLIAMS. Hier is mijn handschoen; geef gij er mij een van u. - -KONING HENDRIK. Daar. - -WILLIAMS. Dien wil ik ook op mijn muts dragen. Als gij ooit, na morgen, -tot mij komt en zegt: „dat is mijn handschoen,” mijn hand er op, dan -geef ik u een oorveeg. - -KONING HENDRIK. En als ik het beleef, dat ik dien handschoen weer zie, -zal ik hem terugvorderen. - -WILLIAMS. Gij zult u wel even gaarne laten hangen. - -KONING HENDRIK. Nu, ik doe het, al tref ik u in des konings gezelschap -aan. - -WILLIAMS. Houd uw woord; vaarwel! - -BATES. Legt het bij, gij Engelsche zotten, legt het bij; wij hebben -Fransche twisten genoeg, als gij verstand hadt van rekenen. - -KONING HENDRIK. Inderdaad, de Franschen kunnen wel twintig Fransche -kronen tegen één zetten, dat zij ons zullen slaan; want zij dragen hun -Fransche kale kroontjes op den kop. Maar het is voor een Engelschman -geen hoogverraad, Fransche kronen te besnoeien, en morgen zal de koning -zelf een snoeier en kerver zijn. - - (De Soldaten af.) - -Ja, op den koning! laden wij ons leven, -Ziel, schulden, bange vrouwen, kind’ren, zonden, -Den koning op!—Wij moeten alles dragen. -O, drukkend lot der vorsten, tweelingbroeder -Der grootheid, onderdaan te zijn van de’ adem -Van elken zotskap, die voor niets gevoel heeft -Dan voor zijn eigen hartzeer! Hoeveel zielsrust, -Aan burgers toebedeeld, ontbeert een koning! -En wat, wat heeft een koning voor op burgers, -Dan luister, luister, die voor ieder blinkt? -En wat, wat zijt gij, menschen-afgod luister, -Wat zijt gij voor een god, dat ge aardsche nooden -Meer lijden moet, dan uw aanbidders doen? -Wat hebt gij als bezitting, wat als renten? -O, luister, wijs mij aan, wat is uw waarde? -Wat is de ziel der hulde, u toegebracht? -Zijt gij iets anders nog dan plaats, rang, vorm, -Ontzag en vrees bij and’re menschen wekkend, -Maar, hoe gevreesd ook, toch veel min gelukkig -Dan zij in hunne vrees? -Wat drinkt gij vaak in steê van zoete hulde, -Dan ’t gif der vleierij? O, groote grootheid, -Word ziek, en zoek genezing bij uw luister! -Gelooft gij, dat de vuur’ge koorts zal wijken -Voor titels, toegeruischt door kruiperij? -Verdwijnen zal voor lenig, diep gebuig? -Staat met des beed’laars knie ook zijn gezondheid -U ten gebode? Neen, gij trotsche droom, -Die met eens konings rust zoo listig speelt, -Ik ben een koning, die u kent; ik weet, -Rijksappel niet, niet scepter, noch de balsem, -Noch zwaard, noch staf, noch vorstlijk diadeem, -Noch ’t kleed, doorwerkt met goud en parels, noch -De titels, voor een koning uitgegalmd, -De troon, waar hij op zit, de vloed van praal, -Die tegen ’s werelds hoogen oever klotst, -Dit alles, neen, geen driewerf kostb’re luister, -Dit alles—kan niet, in een staatsiebed, -Zoo rustig slapen als de lage slaaf, -Die met gevulden buik en ledig hoofd -Ter rust zich legt, verzaad van ’t brood des zwoegens, -De schrikb’re nacht, het hellekind, nooit ziet, -Maar als een knecht, van ’t morgenrood tot de’ avond, -Voor Phebus’ oogen zweet, en heel de nacht -Slaapt in Elysium, rijst bij ’t morgenkrieken -En Hyperions rossen aan helpt spannen, -En zoo het stadig ijlend jaar steeds bijhoudt -Met winstenbrengende’ arbeid tot aan ’t graf. -Omstraalde een vorst geen luister, o, dan ware -Zulk een armzaal’ge slover, die in arbeid -De dagen afspint en in slaap de nachten, -Een koning vóór en won het ver hem af. -De slaaf, een deelnoot in den vreê des lands, -Geniet dien; maar ’t grof brein bevroedt het luttel, -Hoe staâg de koning voor dien vrede waakt, -Welks uren meest den boer ten voordeel zijn. - -(Erpingham komt op.) - -ERPINGHAM. In zorg, heer, zijn uw eed’len om uw afzijn, -En zoeken u in ’t leger. - -KONING HENDRIK. Oude vriend, -Roep gij hen allen samen in mijn tent; -Ik zal nog voor u daar zijn. - -ERPINGHAM. ’k Ga, mijn vorst. - - (Erpingham af.) - -KONING HENDRIK. O, God der scharen, staal mijn krijgers ’t hart; -Vervul hen niet van vrees; ontneem hun nu -’t Begrip van reek’nen, zoo des vijands aantal -Hun ’t hart ontrukken zou!—O, Heer, denk heden, -O, heden niet, gedenk niet aan de zonde -Mijns vaders bij het grijpen naar de kroon! -’k Heb Richards lijk op nieuw ter aard besteld, -Er meer oprechte tranen aan gewijd, -Dan door geweld er druppels bloed uit vloten. -Een jaargeld geef ik aan vijfhonderd armen, -Die tweemaal daags de maag’re hand ten hemel -Verheffen, dat dit bloed vergeven zij; -En twee kapellen zijn door mij gebouwd, -Waar ernstig, plechtig steeds de priesters zingen -Voor Richards ziele. Meer nog wil ik doen, -Al zij, al wat ik doen wil, zonder waarde, -Omdat mijn boete toch na alles komt, -Vergiff’nis smeekend. - -(Gloster komt op.) - -GLOSTER. Mijn vorst! - -KONING HENDRIK. De stem mijns broeders Gloster?—Ja; -Ik weet, waartoe gij komt en ga met u;— -De dag, mijn vrienden, alles roept mij nu. - - (Beiden af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Het Fransche legerkamp. - -De Dauphijn, Orleans, Rambures en Anderen komen op. - - -ORLEANS. De zon verguldt reeds onzen wapendos; Mijn’ heeren, op! - -DAUPHIJN. Montez à cheval!—Mijn paard! varlet! lacquay! ha! - -ORLEANS. O, fiere moed! - -DAUPHIJN. Via!—les eaux et la terre! - -ORLEANS. Rien puis? l’air et le feu! - -DAUPHIJN. Le ciel! neef Orleans. - -(De Connetabel komt op.) - - Nu, connetabel? - -CONNETABEL. Hoor, hoe de rossen brieschen van verlangen! - -DAUPHIJN. Bestijgt hen, striemt de flanken hun in bloed! -Dit spring’ dan heet den Engelschen in de oogen, -En doov’ hen met moeds-overvloeiing! ha! - -RAMBURES. Wat! weenen zouden ze onzer paarden bloed? -Hoe kunt gij dan hun eigen tranen zien? - -(Een Bode komt op.) - -BODE. De vijand staat geschaard, gij pairs van Frankrijk! - -CONNETABEL. Te paard! gij dappre prinsen! fluks te paard! -Ziet hen slechts aan, die arme hongerlijders; -En reeds uw glans zuigt hun de zielen uit, -Laat schalen, doppen slechts van menschen over. -Er is geen werk genoeg voor onze handen, -Nauw bloed genoeg in al hun ziek’lijke aad’ren, -Dat elke kortelas een smet ontvang’, -Die onze dapp’ren heden zullen trekken, -Maar dra weer bergen bij gebrek aan buit. -Laat ons op hen slechts blazen; want dan werpt -De wasem onzer dapperheid hen om. -’t Is uitgemaakt en duldt geen twijfel, heeren, -Dat reeds de tros van legerknechts en boeren, -Die nutt’loos zwermend onze krijgerscharen -Omgeven, mans genoeg ware om dit veld -Te zuiv’ren van een zoo armzaal’gen vijand, -Al namen wij een standpunt aan dien berg -Om werkloos toe te zien. Doch dit gedoogt -Onze eer geenszins. Wat zal ik zeggen, heeren? -Laat ons een weinig, bijster weinig doen, -En alles is gedaan. Geev’ de trompet -Het sein! Stijgt op en schaart u; want ontzet -Verbleek’ die schaar, en zonder tegenweer -Legge England knielend ons de wapens neer! - -(Grandpré komt op.) - -GRANDPRÉ. Wat sammelt gij zoo lang, gij pairs van Frankrijk? -Die eiland-krengen, wien geen hoop meer rest -Voor hun gebeent’, ontsieren ’t morgenveld; -Armzalig fladd’ren hun gescheurde vodden, -Die onze lucht verachtend schokt en schudt. -Wat beed’laarsbende! Mars schijnt daar bankroet, -Gluurt angstig door een roestig helmvizier; -De ruiters zitten daar als luchterbeelden, -Die toortsen dragen; van hun knollen hangt -De kop laag neer, de huid en heupen lillen, -Slijm vloeit hun uit het lichtloos, brekend oog, -En in hun slappen bek ligt hun gebit, -Groen van ’t gekauwde gras, stil, onbeweeglijk; -En over allen vliegen reeds hun beulen, -De drieste kraaien, hunk’rend naar haar uur. -Doch geen beschrijving kan de woorden vinden, -Om ’t leven af te malen van een schaar, -Die, levend, reeds zoo levenloos zich toont. - -CONNETABEL. Zij wachten, na gedaan gebed, den dood. - -DAUPHIJN. Zegt, willen wij hun kost en kleed’ren zenden, -En voor hun uitgevaste paarden voêr, -En daarna met hen vechten? - -CONNETABEL. Ik wacht slechts op mijn standaard. Maar, in ’t veld! -Ik wil van een trompetter ’t vaantje nemen; -Dit dien’ mij bij mijn haast. Op, tot den strijd! -De zon staat hoog reeds; wij verdoen den tijd. - - (Allen af.) - - - - -DERDE TOONEEL. - - -Het Engelsche legerkamp. - -Het Engelsch leger, Gloster, Bedford, Exeter, Salisbury en Westmoreland -komen op. - - -GLOSTER. Waar is de koning? - -BEDFORD. Hij reed van hier, om hen geschaard te zien. - -WESTMORELAND. Zij hebben zestigduizend strijdb’re mannen. - -EXETER. Vijf tegen één; en dan, ’t zijn versche troepen. - -SALISBURY. God zij met ons! hun overmacht is schrikk’lijk. -Behoede u God, mylords! mij roept mijn plicht; -Zien wij elkaar niet weer, dan in den hemel, -Dan, welgemoed,—mijn eed’le hertog Bedford, -En waarde heeren Gloster, Exeter,— -En, beste neef,—gij strijders, vaart dan wel! - -BEDFORD. Vaarwel, mijn Salisbury; geluk verzelle u! - -EXETER. Vaarwel, mijn waarde lord; strijd dapper heden! -Doch ik beleedig u door zulk vermaan; -Gij zijt van de echte stof der dapperheid. - - (Salisbury af.) - -BEDFORD. Hij is zoo rijk aan dapperheid als goedheid; -Vorstlijk in beide. - -(Koning Hendrik komt op.) - -WESTMORELAND. O, hadden wij nu hier -Slechts één tienduizendtal van hen in England, -Die heden niets doen. - -KONING HENDRIK. Wie is ’t, die dit wenscht? -Mijn neef van Westmoreland?—Neen, waarde neef, -Wacht ons de dood, genoeg is ons getal -Om England te doen treuren; wacht ons ’t leven, -Hoe kleiner tal, te meer deelt elk in de eer. -Gods wil geschiede! wensch geen man hier meer. -Bij Jupiter, ik heb geen dorst naar goud, -En vraag niet, wie er op mijn kosten teert, -Mij deert het niet, als men mijn kleed’ren draagt: -Mijn ziel streeft niet naar zulk uitwendig goed; -Maar is het zondig, eere te begeeren, -Dan leeft geen zondaar thans, zoo boos als ik. -Neen, neef, wensch niet één man uit England hier; -Bij God, ik wil niet zooveel eere derven, -Als, dunkt mij, één man meer mij rooven zou,— -Voor niets ter wereld. Wensch niet één man meer; -Roep, Westmoreland, veeleer door ’t leger uit, -Dat, wie voor dezen strijd den moed niet heeft,— -Laat hem vertrekken, hem een paspoort reiken, -En steek, tot reisgeld, kronen in zijn beurs; -Wij willen niet in diens gezelschap sterven, -Die de gemeenschap ducht met onzen dood. -Het is van daag het Crispianusfeest; -Wie ’t overleeft en welbehouden thuis komt, -Springt, als die dag genoemd wordt, plotsling op, -Verheft zich bij den naam van Crispianus. -Wie dezen dag doorleeft en de’ ouden dag ziet, -Noodt op den heil’gen avond vóór deez’ dag -Zijn buren jaarlijks tot een feest en zegt hun: -„De dag van morgen is Sint Crispianus”; -En dan stroopt hij zijn mouw op, toont zijn wonden, -En zegt: „Die zijn van Sint-Crispinusdag”. -Schoon de ouderdom vergete, hij moge alles -Vergeten zijn, maar weet toch nog uitvoerig, -Wat daden hij op dien dag heeft verricht; -En onze namen zullen in zijn mond -Gemeenzaam zijn als alledaagsche woorden: -Hendrik de koning, Bedford, Exeter, -Warwick en Talbot, Salisbury en Gloster; -En volle bekers houden die in eer. -De goede man vertelt zijn zoon dien strijd, -En nimmer daagt Crispinus Crispianus, -Van dezen dag tot ’s werelds ondergang, -Of op dien dag wordt er van ons gesproken, -Ons, wein’gen, ons, gelukkigen, ons, broeders; -Want wie vandaag met mij zijn bloed vergiet, -Hij zal mijn broeder zijn; hoe laag zijn stand -Ook zijn moog’, aad’len zal dien deze dag; -En Engelsche edellieden, nu in bed, -Vervloeken ’t eens, dat zij alhier niet waren, -En zwijgen als vernietigd, spreekt er iemand, -Die met ons vocht op Sint-Crispinusdag. - -(Salisbury komt weder op.) - -SALISBURY. Mijn hooge vorst, maak u met spoed gereed; -De Franschen staan in al hun praal geschaard, -En zullen onverwijld den aanval doen. - -KONING HENDRIK. Wij zijn geheel gereed, zoo ’t hart het is. - -WESTMORELAND. Verga de man, wiens hart nog achterblijft! - -KONING HENDRIK. Wenscht gij niet langer hulp uit England, neef? - -WESTMORELAND. Gehengde ’t God, mijn vorst, dat gij en ik -Geheel alleen den strijd beslechten konden! - -KONING HENDRIK. Zie, nu wenscht gij vijfduizend strijders weg; -Dit lijkt mij beter, dan één meer te wenschen.— -Gij allen kent uw plaatsen;—God zij met u! - -(Trompetgeschal. Montjoye komt op.) - -MONTJOYE. Nog eenmaal kom en vraag ik, koning Hendrik, -Of ge over losgeld onderhand’len wilt -Vóór uw niet af te wenden nederlaag; -Want waarlijk, bij den maalstroom zijt gij reeds, -Gij moet verzwolgen worden. Bovendien -Zegt uit erbarmen u de connetabel; -Vermaan tot boete uw volk, opdat hun zielen -In vrede naar een beter wijkplaats scheiden -Dan deze velden, waar hun arme lijven -Ter rotting zullen liggen. - -KONING HENDRIK. Wie zendt thans u? - -MONTJOYE. De connetabel van het Fransche rijk. - -KONING HENDRIK. Ik bid u, breng mijn vorig antwoord weer: -Maakt eerst mij af, verhandelt dan mijn beend’ren. -Algoede God, wat hoonen zij ons, armen! -De man, die eens de huid des leeuws verkocht, -Toen ’t beest nog leefde, kwam bij ’t jagen om. -Recht velen onzer vinden, dit vertrouw ik, -Te huis een graf, waarop, zoo ’k hoop, een bronzen -Getuig’nis leven zal van dezen dag; -En hij, die hier zijn dapp’re beendren laat, -Manmoedig stervend,—schoon in mest bedolven,— -Hij wordt beroemd; de zon begroet hem daar, -En doet zijn eer als damp ten hemel stijgen, -Terwijl zijn aardsche deel uw lucht verderft, -En door zijn stank in Frankrijk pest verwekt. -Zie, zoo vol dapperheid is Englands volk, -Dat het, schoon dood, gelijk een opstuit-kogel, -Nog losbreekt in een tweede vaart van onheil -En met herleving van zijn moordlust doodt. -Fier wil ik spreken; zeg den connetabel, -Dat wij slechts krijgers voor een werkdag zijn, -Ons praalgewaad en goudpronk overspat -Door regenmarschen zijn in ’t moeilijk veld, -Geen vederspriet meer onze helmen siert,— -Een goede waarborg, dat we u niet ontvliegen,— -En ons de tijd recht haav’loos heeft gemaakt, -Maar ’t hart, bij God, steeds in zijn feestdos is. -En mijn arm krijgsvolk zegt mij, vóór de nacht -Verlangt het schoone kleedren, of het trekt -De fraaie nieuwe rokken van de Franschen -Hun over ’t hoofd en jaagt hen uit den dienst. -Als zij dit doen,—en zoo het God behaagt, -Doen zij het wis,—dan is mijn losgeld spoedig -Bijeengebracht.—Heraut, spaar verd’re moeite, -Kom, goede vriend, geen losgeld hier meer vragen; -Geen ander bied ik aan, dan deze leden, -Die, als ik hun ze laten zal, verminkt -En waardloos zijn.—Zeg dit den connetabel. - -MONTJOYE. Dit zal ik, koning Hendrik. Vaar dan wel; -Van geen heraut zult gij nu verder hooren. - - (Montjoye af.) - -KONING HENDRIK. Ik vrees, gij komt nog eens om losgeld weer. - -(De hertog van York komt op.) - -YORK. Mijn vorst, op mijne knieën smeek ik u, -De voorhoede aan te mogen voeren. - -KONING HENDRIK. Goed, wakk’re York.—Op, mannen! ’t zij gewaagd! -Bestuur ’t, o God! zooals het u behaagt! - - (Allen af.) - - - - -VIERDE TOONEEL. - - -Het slagveld. - -Strijdgedruisch; schermutselingen. Een Fransch Soldaat, Pistool en de -Jongen komen op. - - -PISTOOL. Geef u over, hond! - -SOLDAAT. Je pense, que vous estes le gentilhomme de bonne qualité. - -PISTOOL. Kaliteef? kale hond! zijt gij een edelman? -Hoe is uw naam? spreek op! - -SOLDAAT. O Seigneur Dieu! - -PISTOOL. O, Sinjeur Djoe moet wel van adel zijn. -Weeg nu mijn woorden, Sinjeur Djoe, merk op: -O Sinjeur Djoe, mijn kling, gij springt er over, -Zoo gij, Sinjeur, mij geen uitbundig losgeld -Betalen wilt. - -SOLDAAT. O, prenez miséricorde! ayez pitié de moy! - -PISTOOL. Mooi praten helpt niet, goud verlang ik, goud; -Of ik haal u het darmnet uit uw strot, -In droppels purp’ren bloed. - -SOLDAAT. Est-il impossible d’eschapper la force de ton bras? Grâce! -grâce! - -PISTOOL. Gras zegt ge, gras? -O gij verdoemde, loopsche haas, gij grasbuik, -Biedt gij mij gras? - -SOLDAAT. O pardonne moy! - -PISTOOL. Wat zegt gij? een paar ton? twee tonnen moois? -Wat moois? wat geld? knaap, vraag dien schelm in ’t Fransch, -Hoe of hij heet. - -JONGEN. Escoutez, comment estes vous appellé? - -SOLDAAT. Monsieur le Fer. - -JONGEN. Hij zegt, dat zijn naam is Mosjeur Fer. - -PISTOOL. Mosjeu Fer! ik wil hem beferren en beferken en -befenkelen.—Verklaar hem dit in ’t Fransch. - -JONGEN. Ik weet het Fransch niet voor beferren en befenkelen en -beferken. - -PISTOOL. Hij zij bereid, ik snijd de keel hem af. - -SOLDAAT. Que dit il, monsieur? - -JONGEN. Il me commande à vous dire que vous faites vous prest; car ce -soldat icy est disposé tout à cette heure de couper vostre gorge. - -PISTOOL. Ouy, coupe legorge, par ma foy, gij boer, -Als gij geen kronen geeft, een zak met kronen; -Of anders hakt dit zwaard u in de pan. - -SOLDAAT. O, je vous supplie pour l’amour de Dieu, me pardonner. Je suis -le gentilhomme de bonne maison; gardez ma vie, et je vous donneray deux -cents escus. - -PISTOOL. Wat zegt hij daar? - -JONGEN. Hij bidt u zijn leven te sparen; hij is een edelman van goeden -huize, en hij wil u tweehonderd kronen als losgeld geven. - -PISTOOL. Zeg hem dan dit: - -Mijn woede luwt, de kronen wil ik nemen. - -SOLDAAT. Petit monsieur, que dit il? - -JONGEN. Encore qu’il est contre son jurement de pardonner aucun -prisonnier, néantmoins, pour les escus que vous l’avez promis, il est -content à vous donner la liberté, le franchisement. - -SOLDAAT. Sur mes genoux je vous donne mille remerciemens, et je -m’estime heureux que je suis tombe entre les mains d’un chevalier, je -pense, le plus brave, valiant, et très-distingué seigneur d’Angleterre. - -PISTOOL. Vertolk mij dit, gij knaap! - -JONGEN. Hij zegt u op zijn knieën duizendmaal dank; en hij acht zich -gelukkig, dat hij in de handen gevallen is van een, die, naar hij -meent, de dapperste, moedigste en waardigste seigneur is van Engeland. - -PISTOOL. Bij ’t bloed, dat ik steeds zuig, ik voel erbarmen. Volg mij. - -JONGEN. Suivez vous le grand capitaine. - - (Pistool en de Fransche Soldaat af.) - -Van mijn leven heb ik zulk een volle stem niet hooren komen uit een -ledig hart; maar het zeggen is waar: in holle vaten zit de meeste -klank. Bardolf en Nym hadden tienmaal meer moed dan deze brullende -duivel uit de oude zinnespelen, wien iedereen de nagels met een houten -dolk korten kan; en die zijn beiden gehangen; en dat zou hem ook -gebeurd zijn, als hij iets stoutweg had durven stelen. Ik moet bij den -tros, bij de legerbagage, blijven in het kamp; als de Franschen het -wisten, zouden zij een mooien buit op ons kunnen behalen, want alleen -jongens zijn er bij, om de wacht te houden. - - (De Jongen af.) - - - - -VIJFDE TOONEEL. - - -Een ander gedeelte van het slagveld. - -Krijgsgedruisch. De Dauphijn, Orleans, Bourbon, de Connetabel, Rambures -en Anderen komen op. - - -CONNETABEL. O, diable! - -ORLEANS. O, Seigneur!—le jour est perdu! tout est perdu! - -DAUPHIJN. Mort de ma vie! ten duivel alles! alles! -Smaad, eeuw’ge schande zetelt hoonend nu -In onze vederpluimen!—O, meschante fortune! - -(Een kort strijdgedruisch.) - -Niet vluchten! staat! - -CONNETABEL. Niet één gelid houdt stand. - -DAUPHIJN. O, eeuw’ge smaad!—doorsteken wij onszelven! -Is dit de bende, waar we om dobbelden? - -ORLEANS. Is dit de koning, wien wij losgeld eischten? - -BOURBON. O schande, en eeuw’ge schande, niets dan schande! -Laat ons in eere sterven! nogmaals kampen! -En hij, die thans Bourbon niet volgen wil, -Ga heen en houde, ’t hoofd ontbloot, de wacht, -Gelijk een lage kopp’laar, voor de kamer, -Waarin een slaaf, niet eed’ler dan mijn hond, -De schoonste zijner dochters hem onteert! - -CONNETABEL. Was wanorde ons verderf, die helpe ons nu! -Laat ons in dichte drommen ’t leven off’ren! - -ORLEANS. Er zijn er nog genoeg van ons in leven, -Om in ’t gedrang den vijand te verstikken, -Indien slechts aan een plan te denken waar’. - -BOURBON. Ter helle een plan! ons in ’t gedrang gestort! -Zijn smaad verlengt, wie niet zijn leven kort. - - (Allen af.) - - - - -ZESDE TOONEEL. - - -Een ander gedeelte van het slagveld. - -Strijdgedruisch. Koning Hendrik, Exeter en Anderen komen op, met -troepen. - - -KONING HENDRIK. Veel is volbracht, maar, dapp’re landgenooten, -Gedaan is ’t niet; nog houdt de vijand stand. - -EXETER. De hertog York laat uwe hoogheid groeten. - -KONING HENDRIK. Oom, leeft hij? Driemaal zag ik in dit uur -Hem vallen, driemaal opstaan en weer vechten; -Van helm tot spoor was hij met bloed bedekt. - -EXETER. In dien tooi ligt de dapp’re held en maakt -Den bodem rijk; en naast zijn bloedig lijk,— -Zijn eergenoot door schoon ontvangen wonden,— -Ligt de eed’le graaf van Suffolk uitgestrekt. -Suffolk stierf eerst, en York, met houw op houw, -Komt tot hem, waar hij in een bloedplas ligt, -En vat hem bij den baard en kust de wonden, -Die bloedig gaapten op zijn aangezicht; -En luide roept hij: „Toef, mijn beste Suffolk, -Mijn ziel verzelle de uwe hemelwaarts; -Toef, waarde ziel, laat ons te zamen vlieden, -Gelijk dit veld, door dapp’ren strijd verheerlijkt, -Ons samen eed’len ridderplicht zag doen.” -Toen hij dit riep, kwam ik en sprak hem aan; -Hij glimlachte mij toe, en greep mijn hand, -En sprak, ze krachtloos drukkend: „Waarde lord, -Breng aan mijn heer en vorst mijn laatsten groet.” -Zich wendend, sloeg hij toen om Suffolk’s hals -Zijn bloedige’ arm, en kuste hem de lippen, -En zegelde, aan den dood gehuwd, met bloed -Een testament van schoon besloten vriendschap. -Dit teeder, lieflijk doen ontperste mij -Deez’ druppels, die ik gaarne had gestuit, -Doch daartoe voelde ik mij niet mans genoeg; -Mijn moeder nam geheel mijn oogen in -En gaf me aan tranen prijs. - -KONING HENDRIK. Ik gisp u niet; -Want ik, die ’t hoor, heb met omnevelde oogen -Mij goed te houden, of zij breken ook -In tranen uit.—(Strijdgedruisch.) - Doch hoor, nieuw slaggedruisch!— -De vijand trok zijn macht weer saam!— Daarom, -Elk krijger doode nu zijn krijgsgevang’nen! -Gaat, zegt dit voort! - - (Allen af.) - - - - -ZEVENDE TOONEEL. - - -Een ander gedeelte van het slagveld. - -Strijdgedruisch. Fluellen en Gower komen op. - - -FLUELLEN. De jongens en de pagage om te prengen! Het is uitdrukkelijk -tegen de wetten van den oorlog; het is zulk een schurkenstreek van -schelmerij, let wel op, als volpracht kan worden; op uw geweten af, is -het niet? - -GOWER. Zooveel is zeker, zij hebben geen jongen in het leven gelaten, -en juist diezelfde laffe schurken, die uit den slag wegliepen, hebben -die slachting aangericht. Bovendien hebben zij alles verbrand en -weggeroofd, wat in des konings tent was, waarom de koning naar -verdienste allen soldaten bevolen heeft hun krijgsgevangenen den hals -af te snijden. O, hij is een dapper koning! - -FLUELLEN. Ja, hij is geporen te Monmouth, oferste Gower. Hoe noemt gij -den naam van de stad, waar Alexander de Lange is geporen? - -GOWER. Alexander de Groote! - -FLUELLEN. Nu, ik pit u, is Lang niet groot? De Lange, of de Groote, of -de Hooge, of de Kloekmoedige, zijn alle één soort van dingen te -rekenen; behalfe de uitdrukking is er een weinig variaties. - -GOWER. Alexander de Groote, meen ik, is in Macedonië geboren; zijn -vader heette Philippus van Macedonië, zoo ver ik weet. - -FLUELLEN. Ik meen, het is in Macedonië, waar Alexander is geporen. Ik -zeg u, oferste, als gij ziet in de kaarten ter wereld, ik sta er foor -in, dan zult gij finden in de vergelijkingen tusschen Macedonië en -Monmouth, dat de liggingen, siet gij, beide gelijk is. Daar is een -rifier in Macedonië, en daar is ook povendien een rifier te Monmouth; -die heet de Wye te Monmouth, maar het is weggeraakt in mijn prein, wat -is de naam fan die andere rifier, maar dat is alles hetzelfde, ’t is -zoo gelijk als mijn fingers is met mijn fingers, en er is zalmen in -beide. Als gij Alexanders leven wel opgemerkt, Hendrik van Monmouth’s -leven komt achterna tamelijk wel, want daar is gelijking in alle -tingen. Alexander,—God weet het en gij weet het ook,—in zijn -gramschappen en zijn woeden en zijn torens en zijn gallen en zijn -grillen en zijn verdrietigheden en zijn poosheden, en dewijl hij ook -een peetje in zijn prein peschonken is gewezen, zoo heeft hij in zijn -pierluim en zijn poosheid, siet gij, zijn pesten friend omgebracht, -Clytus. - -GOWER. Daarin gelijkt onze koning niet op hem, die heeft nooit een van -zijn vrienden omgebracht. - -FLUELLEN. Het is niet wel gedaan, versta mij wel, mij de -geschiedenissen uit mijn mond te nemen, eer het gereed is en afgewerkt. -Ik spreek maar van de afpeeldingen en de gelijkenissen er van. Zooals -Alexander zijn vriend Clytus heeft omgebracht, toen hij in zijn -pierluim en zijn pekeren is gewezen, zoo heeft ook Hendrik Monmouth, -toen hij bij zijn goed verstand en zijn prave inzichten was, den dikken -ritter met den grooten tuppelen puik weggezonden; hij was fol grappen -en knepen en schelmerijen en spotternijen; en ik heb zijn naam -fergeten. - -GOWER. Sir John Falstaff. - -FLUELLEN. Dat is hij. Laat u zeggen, er is prafe mannen geporen in -Monmouth. - -GOWER. Daar komt zijn majesteit. - -(Strijdgedruisch. Koning Hendrik komt op, met een gedeelte der -Engelsche troepen, verder Warwick, Gloster, Exeter en Anderen.) - -KONING HENDRIK. Sinds ik naar Frankrijk kwam, was ik niet toornig; -Dan deze maal.—Heraut, neem een trompetter; -Rijd naar de ruiters op den heuvel ginds; -Hun keus is: af te dalen, om te vechten, -Of ’t veld te ruimen; de aanblik ergert ons. -Maar toeven zij, dan vallen wij hen aan, -Dat zij van hier verstuiven, ras als steenen, -Assyrië’s slingers van weleer ontsneld. -Dan slaan wij allen, die wij vangen, dood; -Geen enkel man, die ons in handen valt, -Vindt dan genade.—Ga en zeg hun dit. - -(Montjoye komt op.) - -EXETER. Daar nadert de heraut der Franschen, heer. - -GLOSTER. Zijn blik is veel bescheid’ner dan voorheen. - -KONING HENDRIK. Hoe is ’t, heraut, wat wilt ge? weet gij niet, -Dat ik als losprijs u mijn beend’ren bood? -Komt gij om ’t losgeld weer? - -MONTJOYE. Neen, groote koning. -Thans kom ik om de christelijke vergunning, -Om op dit bloedig veld vrij rond te gaan, -De dooden op te teek’nen, te begraven, -En de eed’len van ’t gemeene volk te scheiden. -Want velen onzer prinsen liggen, ach! -In ’t bloed van huurlingen verstikt, doorweekt; -Zoo baadde ons boerenvolk zijn grove leden -In vorstlijk bloed; en menig bloedend ros -Stampt tot de vetlok in het roode slijk, -En treft met de’ ijz’ren hoef zijn dooden heer, -Hem nogmaals doodend. O, vergun ons, koning, -In veiligheid het slagveld te doorzoeken, -De lijken te verzorgen. - -KONING HENDRIK. ’k Weet in waarheid, -Heraut, nog niet, of wij verwinnaars zijn -Of niet; ’k zie velen uwer ruiters dwalen, -En jagen over ’t veld. - -MONTJOYE. U is de zege. - -KONING HENDRIK. Geloofd zij God, niet onze kracht, er voor!— -Hoe heet het slot, dat ginder zich verheft? - -MONTJOYE. Men noemt het Agincourt. - -KONING HENDRIK. Dan heete dit de slag van Agincourt, -Gestreden op Crispinus Crispianus. - -FLUELLEN. Uw grootvader beroemder gedachtenis, met uwer majesteits -verlof, en uw oudoom Edward, de zwarte prins van Wales, zooals ik heb -gelezen in de kronieken, hebben een zeer prafen slag hier in Frankrijk -gefochten. - -KONING HENDRIK. Dat hebben zij, Fluellen. - -FLUELLEN. Uwe majesteit zegt zeer waar. Als het uwe majesteiten -foorstaat, dan deden die fan Wales goeden dienst in een tuin, waar look -groeide, en zij droegen look in hun Monmouth-mutsen, wat, zooals uw -majesteit weet, tot op dit uur is een eervol veldteeken, en ik geloof, -uwe majesteit neemt geen versmading, het look te dragen op -Sint-Tavidsdag. - -KONING HENDRIK. Ik draag ’t als gedenkwaardig eereteeken; -Gij weet, ik ben uit Wales, mijn wakk’re landsman. - -FLUELLEN. Al het water van de Wye kan uw majesteit’s Walliser ploed -niet uit uw lichaam wasschen, dit kan ik u zeggen; God pehoede het en -pewaar’ het, zoolang het zijn genade pehaagt en zijn majesteit -povendien. - -KONING HENDRIK. Dank, mijn goede landsman. - -FLUELLEN. Bij Jezus! ik ben uw majesteits landsman, en dat mag iedereen -weten; ik wil het aan de geheele wereld pekennen. Ik pehoef mij over -uwe majesteit niet te schamen, God zij geprijsd, zoo lang als uwe -majesteit is een eerlijke man. - -KONING HENDRIK. Zoo sterk’ mij God!—Herauten, gaat met dezen; -En meldt nauwkeurig mij het aantal dooden -Aan beide zijden.—Roep mij gindschen knaap. - - (Hij wijst op Williams.—Montjoye en Anderen af.) - -EXETER. Soldaat, gij moet bij den koning komen. - -KONING HENDRIK. Soldaat, waarom draagt gij dien handschoen op de muts? - -WILLIAMS. Met verlof van uw majesteit, het is een pand van iemand, met -wien ik vechten moet, als hij nog in leven is. - -KONING HENDRIK. Een Engelschman? - -WILLIAMS. Met verlof van uwe majesteit, een schavuit, die mij in de -laatste nacht wat voorsnoefde! en als hij nog leeft en het hart heeft -dien handschoen op te vorderen, heb ik gezworen hem een oorveeg toe te -deelen; of, als ik mijn handschoen op zijn muts zie, gelijk hij, zoo -waar hij soldaat is, gezworen heeft hem te zullen dragen, als hij in -leven bleef,—zal ik hem een duchtig pak geven. - -KONING HENDRIK. Wat dunkt u, overste Fluellen, is het betamelijk, dat -deze soldaat zijn eed houdt? - -FLUELLEN. Hij is anders een lafaard en een hondsvot, met verlof van uwe -majesteit, op mijn geweten af. - -KONING HENDRIK. Het zou kunnen zijn, dat zijn tegenpartij een voornaam -edelman was, veel te hoog om aan iemand van zijn rang rekenschap te -geven. - -FLUELLEN. Al was hij een zoo goede edelman, als de tuifel het is, als -Lucifer en Pelzepup zelf, toch is het noodig, versta uwe genade, dat -hij zijn gelofte houdt en zijn eed. Als hij is een eedbreker, siet gij, -dan is zijn reputatie zulk een aartshondsvot en een hansworst, als er -ooit een zijn swarte schoenen op Gods aardbodem heeft geset, op mijn -geweten, siet gij. - -KONING HENDRIK. Zoo houd dan uw eed, knaap, als gij den kerel ontmoet. - -WILLIAMS. Dat zal ik, mijn vorst, zoo waar ik leef. - -KONING HENDRIK. Onder wien dient gij? - -WILLIAMS. Onder overste Gower, mijn vorst. - -FLUELLEN. Gower is een goed oferste, en is goede wetenschap en -gestudeerd in de oorlogen. - -KONING HENDRIK. Roep hem hierheen tot mij, soldaat. - -WILLIAMS. Terstond mijn vorst. - - (Williams af.) - -KONING HENDRIK. Hier, Fluellen, draag gij dit eereteeken voor mij en -steek het op uw muts. Toen Alençon en ik te zamen op den grond lagen, -rukte ik hem dezen handschoen van zijn helm; als iemand hem -terugvordert, is hij Alençons vriend en een vijand van onzen persoon; -als gij zoo iemand ontmoet, vat hem dan, zoo gij mij lief hebt. - -FLUELLEN. Uw genade bewijst mij zoo groote eeren, als maar gewenscht -kan worden in de harten van zijn onderdanen. Ik zou wel gaarne willen -zien den man, die op maar twee beenen loopt, die zich beleedigd zal -vinden door dezen handschoen, dat is alles. Maar ik zou het wel eens -willen zien, en het pelieve God in zijn genade, dat ik moge zien. - -KONING HENDRIK. Kent gij Gower? - -FLUELLEN. Hij is mijn waarde vriend, met uw verlof. - -KONING HENDRIK. Ik bid u, zoek hem op en breng hem aan mijn tent. - -FLUELLEN. Ik zal hem halen. - - (Fluellen af.) - -KONING HENDRIK. Mylord van Warwick, en mijn broeder Gloster, -Gaat, volgt Fluellen daad’lijk, op den voet. -De handschoen, dien ik hem als eereteeken -Daar gaf, brengt hem wellicht een oorveeg op; -Hij is van den soldaat; naar de afspraak zou -Ikzelf hem dragen. Volg hem, waarde neef; -Als de soldaat hem slaat,—en ik vermoed, -Omdat hij plomp genoeg is, dat hij woord houdt,— -Dan sproot er licht een plots’ling onheil uit; -Want die Fluellen heeft een hart in ’t lijf, -En vliegt, als hij vergramd is, op als buskruit, -En geeft een smaad op ’t oogenblik terug; -Volgt dus en zorgt, dat zij elkaar geen leed doen.— -Ga gij met mij, mijn oom van Exeter. - - (Allen af.) - - - - -ACHTSTE TOONEEL. - - -Voor de tent van koning Hendrik. - -Gower en Williams komen op. - - -WILLIAMS. Ik sta er voor in, overste, het is om u tot ridder te slaan. - -(Fluellen komt op.) - -FLUELLEN. Gods wil en zijn welgevallen, overste, ik verzoek u nu, kom -terstond bij den koning; er is meer goeds voor u, mogelijkerwijs, dan -in uw wetenschap is om van te droomen. - -WILLIAMS. Heer, kent gij dezen handschoen? - -FLUELLEN. Of ik den handschoen ken? Ik weet, de handschoen is een -handschoen. - -WILLIAMS. Maar ik ken dien, en zoo eisch ik hem op. - -(Hij geeft Fluellen een slag.) - -FLUELLEN. Alle duivels! een aartsverrader, als er één is in de -gesamentlijke wereld, of in Frankrijk of in Engeland. - -GOWER. Wat beteekent dit, kerel? gij, schurk! - -WILLIAMS. Denkt gij, dat ik mijn eed wil breken? - -FLUELLEN. Ga terug, oferste Gower, ik wil de verraderij haar loon -petalen in slagen, dat verzeker ik u. - -WILLIAMS. Ik ben geen verrader. - -FLUELLEN. Dat liegt gij in uw strot.—Ik pefeel u in naam van zijn -majesteit, hem te vatten; hij is een friend van den hertog van Alençon. - -(Warwick en Gloster komen op.) - -WARWICK. Wat is er? wat is er? wat gebeurt hier? - -FLUELLEN. Mylord van Warwick, hier is,—God zij er voor geprijst!—een -hoogst aanstekelijke verraderij aan het licht gekomen, ziet gij, als -gij maar wenschen kunt op een zomerdag.—Daar komt zijn majesteit. - -(Koning Hendrik en Exeter komen op.) - -KONING HENDRIK. Wat is er? wat gebeurt hier? - -FLUELLEN. Mijn vorst, hier is een hondsvot en een verrader, die, zie uw -genade, den handschoen geslagen heeft, dien uw majesteit is weggenomen -uit den helm van Alençon. - -WILLIAMS. Mijn vorst, dit was mijn handschoen; hier is de weergâ er -van; en hij, wien ik hem in ruil gegeven heb, beloofde, dat hij hem op -de muts zou dragen, en ik beloofde, dat ik hem zou slaan, als hij het -deed. Ik ontmoette dezen man met mijn handschoen op zijn muts, en ik -ben zoo goed als mijn woord geweest. - -FLUELLEN. Uw majesteit hooren nu, met alle respect voor uw majesteits -manpaarheid, wat een uitpundige, schoftige, armzalige, luizige schelm -hij is. Ik hoop, dat uw majesteit mij getuigenis wil afleggen en -bekentenis en borg, dat dit de handschoen is van Alençon, dien uw -majesteit mij is gegeven, op uw geweten nu. - -KONING HENDRIK. Geef mij dien handschoen, soldaat; zie, hier is zijn -wedergâ. Ik was ’t, wien gij die slagen hebt beloofd, En, waarlijk, -bitt’re woorden moet ik hooren. - -FLUELLEN. Met uw majesteits verlof, laat zijn hals er voor -verantwoordelijk zijn, als er nog een martiale wet is op de wereld. - -KONING HENDRIK. Hoe kunt gij mij voldoening verschaffen? - -WILLIAMS. Alle beleedigingen, heer, komen uit het hart; en nooit is er -uit het mijne iets gekomen, dat uw majesteit beleedigen kon. - -KONING HENDRIK. Wijzelven waren ’t, die gij hebt gesmaad. - -WILLIAMS. Uw majesteit kwam niet in de gedaante van uzelf; gij scheent -mij slechts een gewoon krijgsman; de nacht, uw kleeding, uw min -voorkomen mogen het getuigen; en wat uw hoogheid in deze gedaante heeft -moeten lijden, reken dit, bid ik u, uw schuld en niet de mijne; want -als gij dat geweest waart, waar ik u voor hield, dan beging ik geen -vergrijp; daarom bid ik uw hoogheid, vergeef mij. - -KONING HENDRIK. Hier, oom, vul dezen handschoen mij met kronen, -En geef hem dezen knaap.—Gij, borst, behoud hem, -En draag hem op de muts als eereteeken, -Tot ik hem opeisch.—Geef hem nu de kronen.—En, -overste, verzoen u ook met hem. - -FLUELLEN. Pij dezen dag en dit licht, de porst heeft hart genoeg in -zijn puik.—Hier, daar is twaalf stuivers voor u, en ik pit u, dien God -en houd u buiten gekijf en gekibbel en twist en tweedrachten; en ik sta -er voor in, het is des te peter voor u. - -WILLIAMS. Ik wil uw geld niet. - -FLUELLEN. Het is met een goeden wil; ik kan u zeggen, dat het u dienen -kan voor het lappen van uw schoenen. Kom, waarom zoudt gij zoo -schaamachtig wezen? Uw schoenen is niet te best; ’t is een goede -schelling, ik sta er voor in, of ik wil hem wisselen. - -(Een Engelsch Heraut komt op.) - -KONING HENDRIK. Nu, heraut, zijn de dooden geteld? - -HERAUT. Hier is het aantal der gevallen Franschen. - -(Hij reikt een papier over.) - -KONING HENDRIK. Wat hooge krijgsgevang’nen zijn er, oom? - -EXETER. Charles van Orleans, des konings neef, -Jean van Bourbon, de heer van Boucicault; -Van andre heeren, graven, ridders, jonkers, -Ruim vijftienhonderd buiten al de mindren. - -KONING HENDRIK. De lijst hier zegt: tienduizend Franschen liggen -In ’t veld gedood; er zijn, in dit getal, -Geveld, van prinsen en van baanderheeren, -Éénhonderd zes-en-twintig; bovendien, -Aan ridders, jonkers, dappere edellieden, -Achtduizend en vierhonderd, onder welke -Vijfhonderd gist’ren pas geridderd werden; -Zoodat van de tienduizend omgekoom’nen -De huurlingen slechts zestienhonderd zijn, -Al de and’ren prinsen, graven, baanderheeren, ridders, -En edellieden van geboorte en rang. -Dit zijn de namen van hun pairs, die vielen: -Charles de la Bret, des rijks grootconnetabel, -Jacques Chatillon, des konings admiraal, -Der kruisboogschutters hoofdman, heer Rambures, -Frankrijks grootmeester, heer Guichard Dauphin, -De hertogen van Alençon, van Brabant, -De broeder van den hertog van Bourgondië, -De hertog Eduard van Bar, de graven -Grandpré, Roussi en Fauconberg en Foix, -Beaumont en Marie, Vaudemont, Lestrale. -Dat was een drang van vorsten tot den dood!— -Waar is de lijst nu van onze eigen dooden? - -(De Heraut reikt een tweede papier over.) - -Edward, hertog van York, de graaf van Suffolk, -Sir Richard Ketly, David Gam, esquire; -Geen ander man van naam, en van de mind’ren -Slechts vijf-en-twintig.—God! uw arm was hier; -En niet onszelven, uwen arm slechts schrijven -Wij alles toe.—Wanneer ooit zag men, niet -Door listig overvallen, maar door botsing -In ’t open veld en ’t wagen van de krijgskans, -Aan de eene zijde en de andere, een zoo groot -En zoo gering verlies?—O God, aanvaard het; -Want u is ’t, u alleen! - -EXETER. ’t Is wonderbaar. - -KONING HENDRIK. Komt, gaan we in plechtige’ optocht naar het dorp; -En ’t zij aan ’t heer verkondigd, dat de dood -Hem wacht, die op de zege pocht, of Gode -Den roem onthoudt, die hem alleen behoort. - -FLUELLEN. Is het niet veroorloofd, met uw majesteits welgefallen, te -zeggen, hoe velen doodgeslagen is? - -KONING HENDRIK. Ja, overste, dit wel, doch met de erkenning, -Dat God hier voor ons streed. - -FLUELLEN. Ja, op mijn geweten, hij heeft ons praaf gehelpt. - -KONING HENDRIK. Geen heil’ge plechtigheid verzuimd! -’t Non nobis aangeheven en Te Deum; -De dooden christ’lijk aan den grond vertrouwd! -Dan naar Calais en voorts naar England; daar -Ontscheepte uit Frankrijk nooit een blijder schaar. - - (Allen af.) - - - - - - - -VIJFDE BEDRIJF. - - -Chorus treedt op. - - -CHORUS. Vergunt mij, de geschied’nis te verklaren -Voor elk, die haar niet las; hem, die haar kent, -Smeek ik deemoedig om ontschuldiging, -Dat aantal, tijd, de juiste loop der dingen -Hier in haar eigen, rijk en krachtig leven -Niet voor te stellen zijn. Wij brengen thans -Den koning naar Calais; ziet gij hem daar, -Zoo heft hem, op de vleug’len der gedachte, -Weg, over zee. Ziet, Englands kust omzoomt -Den breeden vloed met mannen, vrouwen, knapen; -Zij overjuichen ’t zwaar geklots der zee, -Die, als een grootsch heraut, den koning voorgaand, -Den weg hem schijnt te banen. Laat hem landen, -En ziet zijn zegetocht naar Londen aan. -Zoo snel is der gedachte gang, dat gij -Hem nu alreeds moogt denken in Blackheath; -Daar smeeken hem zijn lords, dat voor hem uit -Zijn zwaar gebutste helm, verbogen kling, -Gedragen worden door de stad. Hij weigert, -Blijft vrij van ijdelheid en zelfverheffing, -Wijst eerekroon, tropee en praal terug, -En geeft aan God alle eer. Maar ziet nu, ziet, -In der gedachte vlugge smidse en werkplaats, -Hoe Londens burgerij naar buiten stroomt; -De mayor en heel zijn raad in plechtgewaad -Gaan, als oud-Rome’s senatoren, met -Een zwerm Plebejers achter zich, vooruit -En halen de’ overwinnaar Caesar in; -Zoo,—’t beeld zij klein, ’t is liefdevol,— -Als onzer hooge koninginne veldheer, -Wat dra geschiede!—uit Ierland weder kwam, -En ’t oproer aan zijn zwaard geregen hier bracht, -Hoe velen stroomden uit deez’ stad en riepen -Hem welkom toe! Veel meer, met veel meer reden, -Begroetten zij hun Hendrik.—Denkt hem nu -In Londen, wijl het jamm’ren van de Franschen -Thans Englands koning thuis in vreê doet blijven, -Terwijl de keizer zelfs om Frankrijks wil -Als vredestichter komt;—en springt nu over -Al wat intusschen verder is geschied, -Tot Hendrik nogmaals wederkeert naar Frankrijk. -Daar zij hij thans; den tusschentijd heb ik -Gespeeld, opdat gij weet, dat die verstreek. -Blikt, die verkorting duldend, nu meteen, -Waar de gedachte ’t wil, naar Frankrijk heen. - - (Chorus af.) - - - - -EERSTE TOONEEL. - - -Frankrijk. Een wachtpost in het Engelsch legerkamp. - -Fluellen en Gower komen op. - - -GOWER. Gij hebt gelijk. Maar waarom draagt gij vandaag uw look? -Sint-Davidsdag is al voorbij. - -FLUELLEN. Er is aanleidingen en oorzaken, waarom en waarvoor, in alle -dingen. Ik wil het u zeggen, als mijn vriend, overste Gower. De -schoftige, schurftige, lompige, luizige, snoevende schelm Pistool, dien -gij en uw persoon en de geheele wereld voor niets peters kent, ziet -gij, dan als een kerel, die niets waard is, hij is bij mij gekomen, en -prengt mij gisteren prood en zout, ziet gij, en zegt mij, mijn look er -mee te eten. Dat was op een plaats, waar ik geen twist met hem kon -peginnen; maar ik wil nu zoo frij wezen het op mijn muts te dragen, tot -ik hem weer zie, en dan wil ik hem vertellen een klein peetje van mijn -verlangsten. - -GOWER. Wel nu, daar komt hij, opgeblazen als een kalkoensche haan. - -(Pistool komt op.) - -FLUELLEN. Zijn opplazingen en zijn kalkoensche-hanen raakt mij -niet.—God zegen’ u, faandrig Pistool! gij schurftige, luizige schoft, -God zegen’ u! - -PISTOOL. Ha! zijt gij dolheid? Lust het u, Trojaan, Dat ik der Parken -stervensweefsel plooi? Weg! ik bezwijm reeds bij de lucht van look! - -FLUELLEN. Ik verzoek u hartelijk, schurftige, luizige schoft, op mijn -wensch en mijn pegeeren en mijn aanhoudingen, dit look, ziet gij, op te -eten; omdat gij er niet van houdt, ziet gij, en het uw neigingen en uw -lusten en uw spijsverteringen niet goed pekomt, daarom pit ik u het op -te eten. - -PISTOOL. Niet voor Cadwallader en al zijn geiten. - -FLUELLEN. Daar is een van de geiten voor u. (Hij slaat hem.) Wilt gij -zoo goed zijn, schurftige schoft, en het opeten? - -PISTOOL. Gij hond van Troje, gij moet sterven! - -FLUELLEN. Gij zegt de waarheid, schurftige schoft, als het Gods wil is. -Ik wil u ondertusschen pegeeren te leven en uw spijzen te eten; kom, -daar is de saus er bij. (Hij slaat hem weder.) Gij hebt mij gisteren -een pergjonker genoemd, maar ik zal u vandaag een jonker maken van -lagen stand. Ik pit u, tast toe; kunt gij met look spotten, dan kunt -gij ook look eten. - -GOWER. Genoeg, overste, gij hebt hem geheel overdonderd. - -FLUELLEN. Ik zeg, hij zal een stuk van mijn look eten, of ik sla zijn -kop voor vier dagen pont en plauw.—Pijt toe, pit ik u, het is goed voor -een fersche wond en voor uw ploedigen zotskop. - -PISTOOL. Moet ik toebijten? - -FLUELLEN. Ja, zeker en zonder twijfel, en zonder fragen ook en -dubbelzinnigheden. - -PISTOOL. Nu, bij dit look, ik zal mij gruw’lijk wreken; -Ik eet en eet, ik zweer— - -FLUELLEN. Eet, pit ik u. Wilt gij nog meer saus bij uw look hebben? er -is niet genoeg look om bij te zweren. - -PISTOOL. Geef uwen knuppel rust, gij ziet, ik eet. - -FLUELLEN. Wel pekome het u, schurftige schoft, van harte. Neen, ik pit -u, gooi niets weg, de schil is goed genoeg voor uw gewonden zotskop. -Wilt gij hiernamaals gelegenheden nemen om look te zien, zoo pit ik u, -spot er mede, dat is alles. - -PISTOOL. Goed. - -FLUELLEN. Ja, look is goed.—Hier, daar hebt gij een stooter, om te -genezen uw hersenpan. - -PISTOOL. Een stooter mij! - -FLUELLEN. Ja zeker, en in waarheid, gij zult dien aannemen, of ik heb -nog een ander look in mijn zak, wat gij zult opeten. - -PISTOOL. Ik neem hem aan, als handgeld voor mijn wraak. - -FLUELLEN. Als ik u iets schuldig ben, zal ik u petalen in knuppels; gij -moet in hout gaan doen en niets koopen van mij dan knuppels. God zij -met u en pehoete u en geneze uw pol! - - (Fluellen af.) - -PISTOOL. Hierover komt de gansche hel in opstand. - -GOWER. Loop, loop! gij zijt een pochende, laffe schelm. Wilt gij -spotten over een oud gebruik, dat uit een eervolle aanleiding ontsproot -en als een gedenkwaardig teeken van vroegere dapperheid gedragen wordt, -en waagt gij het niet, zelfs één uwer woorden door daden waar te maken? -Ik heb het twee of drie keer gezien, dat gij dien wakkeren man begekt -en gesard hebt. Gij dacht, omdat hij de Engelsche taal niet in haar -landsdracht spreken kan, dat hij ook geen Engelschen knuppel kon -hanteeren? Nu bevindt gij het anders; en laat voor het vervolg een -Walliser tuchtiging u goede Engelsche manieren leeren. Goeden dag. - - (Gower af.) - -PISTOOL. Gaat nu Fortuin ’t valsch vrouwmensch met mij spelen? -’k Vernam, dat in het hospitaal mijn Neel -Stierf aan de Fransche ziekte. -Ginds ligt mijn toevluchtsoord alzoo in puin. -Oud groei ik op en de eer is uitgeknuppeld -Uit dit vermoeide lijf. ’k Wil kopp’laar worden; -Ook handig beurzensnijden trekt mij aan. -Steelswijs wip ik naar England om te stelen; -Ik leg mij pleisters op de knuppelschrammen; -En zweer, dat ze uit den Franschen oorlog stammen. - - (Pistool af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Troyes, in Champagne. Een zaal in het koninklijk paleis. - - -Uit de eene deur komen op: Koning Hendrik, Bedford, Gloster, Exeter, -Warwick, Westmoreland en andere Lords; uit een andere Koning Karel, -Koningin Isabella, Prinses Catharina, Hovelingen en Hofdames, waaronder -Alice; alsmede de Hertog van Bourgondië met Gevolg. - -KONING HENDRIK. Vrede aan den kring hier, die den vrede zoekt!— -Wij wenschen onzen broeder, onze zuster -Van Frankrijk heil en welzijn,—onze nicht, -De schoone Catharina, vreugde en zegen;— -Ook u, als tak en lid van ’t koningshuis, -Die deze vorstensamenkomst tot stand bracht, -U, hertog van Bourgondië, groeten wij;— -En, prinsen, pairs van Frankrijk, heil u allen! - -KONING KAREL. Met groote vreugde aanschouwen we uw gelaat, -Doorluchte broeder England; wees hier welkom; -Elk uwer, Englands prinsen, evenzoo! - -KONINGIN ISABELLA. Zij de afloop even heilrijk, broeder England, -Des blijden dags, der hart’lijke begroeting, -Als wij, verheugd, u thans in de oogen zien. -Die oogen, die tot dusver op de Franschen, -Die in hun richting hen ontmoetten, steeds -Den moord’naarsblik der basilisken schoten,— -’t Venijn van zulke blikken, hopen wij, -Verloor alsnu zijn kracht, en deze dag -Verkeer’ hier allen twist en strijd in liefde. - -KONING HENDRIK. Hier staan we, om amen op dien wensch te zeggen. - -KONINGIN ISABELLA. Gij Englands prinsen, ’k heet u allen welkom. - -BOURGONDIË. Gelijk’lijk wijd ik dienst en liefde u beiden, -Verheven koningen! Dat ik gestreefd heb -Met al mijn denken, ijver en volharding, -U, hooge vorsten, tot deez’ koningsdag, -Dit mondgesprek te brengen, kunnen mij -Uw majesteiten zelf het best getuigen. -Is nu mijn dienst zoo ver geslaagd, dat gij -Van aangezicht tot aangezicht elkander -Hier ziet en groet, zoo duidt gij ’t mij niet euvel, -Dat ik voor dezen hoogen kring u vraag, -Wat hindernis of aanstoot er nog is, -Dat de arme, naakte, zwaar gekwetste vrede, -Der kunsten kweekster, volks- en welvaartvoedster, -In ’s werelds schoonsten gaard, ons vruchtbaar Frankrijk, -Haar lieflijk aanschijn niet verheffen zou? -Helaas! te lang was zij verjaagd uit Frankrijk; -Op hoopen ligt zijn veld- en akkerschat, -Verrottend in zijn eigen vruchtbaarheid. -Zijn wijnstok, ’s harten lust- en vreugdewekker, -Sterft onverzorgd; zijn fraaie dichte heggen -Zijn, als langhaar’ge en stopp’lige gevang’nen, -Door wilde twijgen haav’loos; op zijn akkers, -Die braak nu liggen, tieren dolik, schierling -En weeld’rige aardrook, en het kouter roest, -Dat zulk een woeste woek’ring moest ontwort’len. -Het effen weiland, eens zoo schoon gesierd -Met sleutelbloemen, pimpernel en klaver, -De zeis nu dervend, brengt, verwilderd, geil, -In woesten moedwil niets dan onkruid voort, -Dan ruwe distels, wilde zuring, klissen; -En met zijn schoon verloor ’t zijn nuttigheid. -En zooals wijngaard, braakland, weide en heg, -Ontaardend, nu tot wildernissen worden, -Is ’t in de huizen; wij en onze kind’ren, -Vergeten hebben we, of verzuimd te leeren, -Wijl tijd ontbrak, wat Frankrijks roem moest zijn, -De wetenschappen; en wij groeien op, -Als wilden,—als soldaten ’t doen, wier denken -Op bloed steeds zint,—tot haveloosheid, vloeken, -Norsch uitzicht, al wat onnatuurlijk schijnt. -Om dit weer in zijn vroegren staat te brengen -Kwaamt gij bijeen; en nu smeekt u mijn tong, -Dat gij mij meldt, waarom de zachte vrede -Niet al dit onheil uit het land zou drijven -En ons weer zeeg’nen met haar vroeg’re kracht. - -KONING HENDRIK. Wenscht gij den vrede, hertog van Bourgondië, -Welks afzijn wasdom geeft aan al de rampen, -Door u genoemd, dien vrede moet gij koopen, -Door al de billijke eischen toe te staan, -Die gij, kort saamgevat, met juiste omschrijving -Van elk bijzonder punt, in handen hebt. - -BOURGONDIË. De koning kent ze reeds, doch heeft zijn antwoord -Ons nog niet meêgedeeld. - -KONING HENDRIK. Welnu, de vrede, -Waar gij op aandrongt, ligt juist in zijn antwoord. - -KONING KAREL. Ik heb de artik’len slechts met vluchtig oog -Doorloopen; doch, wil thans uw hoogheid enk’len -Uit uwen raad benoemen, om met ons -Ze grondiger te toetsen, dan wordt dra -Door ons besloten wat we aanneem’lijk achten, -En ons beslissend antwoord meegedeeld. - -KONING HENDRIK. Zoo zij het, broeder.—Gaat, oom Exeter,— -En broeder Clarence;—en gij, broeder Gloster,— -Warwick,—en Huntingdon, nu met den koning: -Ik machtig u tot sluiting van ’t verdrag; -Vermeerdert, wijzigt, zooals ’t uwe wijsheid -Voor onze waardigheid voordeeligst acht, -U al of niet aan wat wij eischten houdend; -Wij zullen onderteek’nen.—Waarde zuster, -Gaat gij met hen, of blijft gij hier bij ons? - -KONINGIN ISABELLA. Doorluchte broeder, ik wil met hen gaan. -Wellicht bewerkt een vrouwestem iets goeds, -Als eenige eisch te sterk wordt aangedrongen. - -KONING HENDRIK. Zoo laat toch onze nicht Cath’rina hier; -Want zij is de eerste vord’ring, die wij stellen, -En heeft den hoogsten rang in onze artik’len. - -KONINGIN ISABELLA. ’t Is gaarne haar vergund. - - (Allen af, behalve Koning Hendrik, Catharina en haar Hofdame Alice.) - -KONING HENDRIK. Nu, schoone Catharina, allerschoonste, -Mag een soldaat van u de woorden leeren, -Die ingang vinden in een vrouwenoor, -Haar teeder hart voor zijne liefde winnen? - -CATHARINA. Uw majesteit zal zich van mij spotten; ik niet kan spreken -uw England. - -KONING HENDRIK. O, schoone Catharina, als gij met uw Fransch hart -oprecht beminnen wilt, zal ik met genoegen hooren, dat gij het met uw -Engelsche tong gebroken bekent. Hebt gij mij lief, Kaatje? - -CATHARINA. Pardonnez-moy, ik niet verstaan, wat is „mij lief.” - -KONING HENDRIK. De engelen zijn lief en goed, Kaatje, en gij zijt als -een engel. - -CATHARINA. Que dit-il? que je suis semblable à les anges? - -ALICE. Ouy, vrayment, sauf vostre grace, ainsi dit-il. - -KONING HENDRIK. Dit zeide ik, dierbare Catharina, en dit kan ik zonder -blozen herhalen. - -CATHARINA. O bon Dieu! les langues des hommes sont pleines de -tromperies. - -KONING HENDRIK. Wat zegt zij, schoon kind? dat de tongen der mannen vol -bedrog zijn? - -ALICE. Ouy, dat de tongs van de mans zijn vol bedrog; dat is de -prinses. - -KONING HENDRIK. De prinses is de beste Engelsche van u beiden. -Waarachtig, Kaatje, voor mijn aanzoek is uw kennis van het Engelsch -juist geschikt; ik ben blijde, dat gij het niet beter spreekt, want als -gij dit deedt, zoudt gij mij zulk een eenvoudig koning vinden, dat gij -zoudt denken, dat ik mijn bouwmanshoeve verkocht had om mijn kroon te -koopen. Ik versta de kunst niet om mijn liefde fraai voor te doen; ik -kan slechts eenvoudigweg zeggen: „ik bemin u.” En als gij mij dan -verder dringt, dan dat gij vraagt: „meent gij het in ernst”? dan ben ik -uitgepraat met mijn aanzoek. Geef mij uw antwoord; in allen ernst, doe -het; dan een handslag en de koop is gesloten. Wat zegt gij, jonkvrouw? - -CATHARINA. Sauf vostre honneur, ik verstaan goed. - -KONING HENDRIK. Maar waarlijk, Kaatje, als gij verlangt, dat ik om -uwentwil verzen maken of dansen ga, dan ben ik verloren. Voor het eene -ontbreken mij de woorden en de maat, en wat het andere betreft, ben ik -niet sterk in het maathouden, al heb ik een behoorlijke mate van -sterkte. Als ik een jonkvrouw met haasje-over-springen kon winnen, of -door mij met volle wapenrusting in den zadel te slingeren, dan zou ik -mij met springen spoedig een vrouw veroveren. Of als ik om mijn liefste -mocht boksen, of mijn paard voor haar gunst laten steigeren, dan zou ik -er op kunnen toeslaan als een slager en vastzitten als een aap, nooit -er af. Maar, bij God, Kaatje, ik kan niet kwijnend kijken, noch mijn -welsprekendheid uitzuchten, ook ben ik niet bedreven in het bezweren -van mijn liefde, maar heb alleen eeden zonder omhaal, die ik nooit -gebruik dan als het niet anders gaat, en nooit breek, hoe het ook ga. -Als gij een man van dit slag kunt beminnen, Kaatje, wiens gezicht niet -waard is van de zon verbrand te worden, die nooit in zijn spiegel kijkt -uit verliefdheid op iets, wat hij daar ziet, laat dan uw oog hem u -toebereiden. Ik spreek tot u als een rond soldaat; kunt gij mij hierom -lief hebben, neem mij dan; zoo niet, nu, als ik tot u zeg, dat ik zal -sterven, zoo is dat waar,—maar, door mijn liefde tot u, bij den hemel, -neen; en toch, ik bemin u. En zoo lang gij leeft, lieve Kaatje, neem u -een man van eenvoudige en ongemunte standvastigheid, want die moet -vanzelf u geven wat u toekomt, daar hij de gave mist om elders zijn hof -te maken; die knapen met eindelooze tong, die zich in de gunst van -vrouwen weten in te rijmen, draaien zich door redeneeringen er altijd -weder uit. Kom, een redenaar is maar een prater, en een rijmpje is maar -een deuntje. Een goed been schrompelt in, een rechte rug wordt krom, -een zwarte baard wordt wit, een kroeskop wordt kaal, een blozend -gezicht verwelkt, een vol oog wordt hol; maar een goed hart, Kaatje, is -zon en maan, of liever, de zon, en niet de maan, want het schijnt -helder en verandert nimmer, maar blijft trouw in zijn baan. Als gij er -zoo een hebben wilt, neem dan mij; neem mij, neem een soldaat; neem een -soldaat, neem een koning. En wat zegt gij nu op mijn liefde? Spreek, -melieve, en liefelijk, bid ik u. - -CATHARINA. Is het mogelijk, dat ik zou beminnen den vijand van -Frankrijk? - -KONING HENDRIK. Neen, het is niet mogelijk, dat gij den vijand van -Frankrijk zoudt beminnen, Kaatje; maar door mij te beminnen, zoudt gij -den vriend van Frankrijk beminnen, want ik bemin Frankrijk zoo zeer, -dat ik er geen dorp van wil laten varen; ik wil het geheel voor mijzelf -hebben. En, Kaatje, als Frankrijk mijn is, en ik de uwe ben, dan is -Frankrijk u en gij zijt mijn. - -CATHARINA. Ik niet verstaan, wat dat is. - -KONING HENDRIK. Niet, Kaatje? Ik zal het u in het Fransch zeggen, dat -zeker aan mijn tong zal hangen als een pasgetrouwde vrouw aan den hals -van haar man, nauwelijks af te schudden. Quand j’ai le possession de -France, et quand vous avez le possession de moy,—laat zien, hoe verder? -Sint Dénis sta mij bij!—donc vostre est France, et vous estes mienne. -Het valt mij even licht, Kaatje, het koninkrijk te veroveren, als nog -eens zooveel Fransch te spreken. Ik zal nooit in het Fransch u tot iets -bewegen, of het moet zijn tot lachen. - -CATHARINA. Sauf vostre honneur, le François que vous parlez est -meilleur que l’Anglois lequel je parle. - -KONING HENDRIK. Neen, waarlijk, Kaatje, dat is het niet; maar zooals -gij mijn taal spreekt en ik de uwe, beiden oprecht slecht, komt, dit -moet erkend worden, vrij wel op hetzelfde neer. Maar, Kaatje, verstaat -gij zooveel Engelsch: kunt gij mij beminnen? - -CATHARINA. Ik dat niet kan zeggen. - -KONING HENDRIK. Kan een van uw buren hier het mij zeggen, Kaatje? Ik -wil ’t haar vragen. Kom, ik weet, gij bemint mij; en als gij van avond -op uw kamer komt, zult gij deze edelvrouw over mij vragen; en ik weet, -Kaatje, gij zult, tegen haar, al die dingen in mij laken, die gij in uw -hart liefhebt; maar, goede Kaatje, spot barmhartig met mij, vooral, -lieve prinses, omdat ik u gruwelijk bemin. Als gij ooit de mijne wordt, -Kaatje,—en ik heb het zaligend geloof in mij, dat gij het worden -zult,—dan won ik u met schermutselen, en dan moet gij vanzelf een goede -soldatenmoeder blijken. Welnu, zullen wij beiden niet, tusschen Sint -Denis en Sint George in, een jongen tot stand brengen, half Fransch, -half Engelsch, die naar Constantinopel zal gaan en den grooten Turk bij -den baard trekken? zullen wij niet? wat zegt gij, mijn schoone -leliebloem? - -CATHARINA. Ik niet weet dat. - -KONING HENDRIK. Neen, te weten is het eerst later, maar nu te beloven. -Beloof nu maar, Kaatje, dat gij uw best zult doen voor uw Fransche -helft van zulk een jongen, en neem voor mijn Engelsche helft het woord -aan van een koning en vrijgezel. Wat antwoordt gij nu, la plus belle -Catharine du monde, mon très cher et divin déesse? - -CATHARINA. Uw majesté hebben fausse Fransch genoeg om te bedriegen de -meest sage demoiselle, die is in Frankrijk. - -KONING HENDRIK. Foei dan dat valsche Fransch van mij! Op mijn eer, in -trouwhartig Engelsch, ik bemin u, Kaatje. Bij mijn eer durf ik nog wel -niet zweren, dat gij mij bemint, maar mijn bloed begint mij te vleien, -dat gij het doet, niettegenstaande den armzaligen, niet verleidelijken -indruk van mijn gelaat. Verwenscht zij mijns vaders eerzucht! Hij dacht -aan burgeroorlogen, toen hij mij gewon; daardoor werd ik geschapen met -een stuursch uiterlijk, met een ijzeren voorkomen, zoodat ik -jonkvrouwen, als ik haar het hof kom maken, schrik aanjaag. Maar in -waarheid, Kaatje, hoe ouder ik word, des te beter zal ik er uitzien; -mijn troost is, dat de oude dag, die slechte schoonheidsbewaarder, aan -mijn gezicht niets meer bederven kan; gij hebt mij, als gij mij hebt, -op mijn slechtst; en gij zult mij, als gij mij verslijt, door het -verslijten beter en beter maken. Daarom, zeg mij nu, schoone Catharina, -wilt gij mij hebben? Leg uw maagdelijke blosjes ter zijde; verkondig de -gedachten van uw hart met de blikken van een keizerin; neem mij bij de -hand en zeg: „Hendrik van Engeland, ik ben de uwe!” En zoodra zult gij -met dit woord mijn oor niet gezegend hebben, of ik zal luide aan u -verklaren: „Engeland is u, Ierland is u, Frankrijk is u, en Hendrik -Plantagenet is u”, die, al zeg ik het hier voor zijn aangezicht, zoo -hij ook niet de beste kerel onder de koningen zijn moge, u toch de -beste koning van alle goede kerels blijken zal. Kom, uw antwoord! in -gebroken muziek; want uw stem is muziek, en uw Engelsch gebroken; -daarom, aller koningin, Catharina, breek in gebroken Engelsch uw -zwijgen af; wilt gij mij hebben? - -CATHARINA. Dat is, zooals het zal behagen den roy mon père. - -KONING HENDRIK. O, het zal hem zeer behagen, Kaatje; het zal hem -behagen, Kaatje. - -CATHARINA. Dan ik ook zal tevreden zijn. - -KONING HENDRIK. Daarvoor kus ik u de hand en noem u mijn Koningin. - -CATHARINA. Laissez, mon seigneur, laissez, laissez! Ma foy, je ne veux -point que vous abbaissez vostre grandeur, en baisant le main d’une -vostre indigne serviteur; excusez moi, je vous supplie, mon très -puissant seigneur. - -KONING HENDRIK. Dan wil ik u op de lippen kussen, Kaatje. - -CATHARINA. Les dames, et damoiselles, pour estre baisées devant leurs -nopces, il n’est pas le costume de France. - -KONING HENDRIK. Mejonkvrouw tolk, wat zegt zij? - -ALICE. Dat het niet is te zijn de gewoonte pour les dames in -Frankrijk,—ik weet niet te zeggen, wat is baiser in Engelsch. - -KONING HENDRIK. Kussen. - -ALICE. Uw majesteit entendre betre que moy. - -KONING HENDRIK. Het is geen gebruik bij de meisjes in Frankrijk, te -kussen, voor zij getrouwd zijn, wilde zij zeggen? - -ALICE. Ouy, vraiment! - -KONING HENDRIK. O, Kaatje, preutsche zeden buigen zich voor groote -koningen. Gij en ik, beste Kaatje, zijn niet in te sluiten door de -zwakke beperking van landsgewoonten; wij zijn de scheppers van de -gebruiken, Kaatje; en de vrijheid, die onzen rang begeleidt, sluit aan -alle bedillers den mond, zooals ik hem u sluiten wil, wegens het -ophouden van de preutsche zeden van uw land door mij een kus te -weigeren; daarom, stilgezwegen en toegegeven! (Hij kust haar.) Gij hebt -tooverkracht in uw lippen, Kaatje; er is meer welsprekendheid in haar -zoete aanraking, dan in de tongen van den geheelen hoogen raad van -Frankrijk; en zij zouden Hendrik van Engeland eerder overreden, dan een -algemeen verzoek van monarchen.—Daar komt uw vader. - -(Koning Karel, Koningin Isabella, Bourgondië, Bedford, Gloster, Exeter, -Westmoreland en andere Fransche en Engelsche Heeren komen op.) - -BOURGONDIË. God hoede uw majesteit! Mijn koninklijke neef, geeft gij -onze prinses les in het Engelsch? - -KONING HENDRIK. Ik wenschte, waarde neef, dat zij leerde, met welk een -volkomen liefde ik haar bemin; en dat is goed Engelsch. - -BOURGONDIË. Is zij niet vlug in ’t leeren? - -KONING HENDRIK. Onze taal is ruw, neef, en mijn natuur is niet glad; -zoodat, daar ik noch de stem noch het hart der vleierij in mij heb, ik -niet zoo den geest der liefde in haar kan oproepen, dat die in zijn -ware gedaante verschijnt. - -BOURGONDIË. Vergeef de vrijmoedigheid mijner vroolijkheid, zoo ik u -hierop antwoord. Als gij in haar iets bezweren wilt, moet gij een kring -trekken; en wilt gij in haar den liefdegod in ware gedaante bezweren, -dan moet die naakt en blind verschijnen.—En kunt gij het nu laken in -haar, die een meisje is, nog door het maagdelijk purper der zedigheid -als met rozen bedekt, wanneer zij de verschijning van een naakt, blind -jongske in haar naakte, ziende persoonlijkheid niet dulden wil? Het zou -een harde voorwaarde zijn voor een meisje, mylord, zich daaraan te -moeten onderwerpen. - -KONING HENDRIK. Toch sluiten zij de oogen en geven toe, wanneer de -liefde blind is en aandringt. - -BOURGONDIË. Dan zijn zij verontschuldigd, mylord, wanneer zij niet zien -wat zij doen. - -KONING HENDRIK. Nu, waarde lord, leer dan uw nicht met gesloten oogen -toe te stemmen. - -BOURGONDIË. Ik zal haar wenken toe te stemmen, mylord, als gij haar -wilt leeren, wat het beteekent; want meisjes zijn, als het gezomerd -heeft en zij warm gehouden zijn, als de vliegen omstreeks Sint -Bartholomeus, blind, al hebben zij ook haar oogen; en dan laten zij -zich met de handen aanvatten, al konden zij te voren het aankijken niet -lijden. - -KONING HENDRIK. Die vergelijking verwijst mij naar later tijd en een -warmen zomer, en zoo zal ik de vlieg, uw nicht, ten laatste vangen, en -dan moet zij bovendien blind zijn. - -BOURGONDIË. Zooals de liefde is, mylord, voor zij bemint. - -KONING HENDRIK. Zoo is het; en enkelen uwer mogen de liefde dankbaar -zijn voor mijn blindheid, die menige schoone Fransche stad niet zien -kan door één schoone Fransche maagd, die op mijn weg staat. - -KONING KAREL. Ja, mylord, gij ziet ze als door een tooverglas, de -steden in een maagd veranderd; want zij zijn alle door maagdelijke -muren omgord, waar de krijg nooit binnen drong. - -KONING HENDRIK. Zal Kaatje mijn vrouw worden? - -KONING KAREL. Zoo het u behaagt. - -KONING HENDRIK. Ik zal het gaarne zien, zoo slechts de maagdelijke -steden, waar gij van spreekt, haar gevolg uitmaken. Zoo zal de maagd, -die op den weg stond van mijn wensch, mij den weg naar mijn verlangen -wijzen. - -KONING KAREL. Wij stemden toe in iedren billijke’ eisch. - -KONING HENDRIK. Is ’t zoo, gij lords van England? - -WESTMORELAND. De koning gaf u alles, wat gij vordert; -Vooreerst zijn dochter, verder ook al ’t andre, -Geheel naar ’t vroeger vastgestelde ontwerp. - -EXETER. Alleen dit artikel heeft hij nog niet onderschreven, waarbij uw -majesteit begeert, dat de koning van Frankrijk, als hij aanleiding -heeft om schriftelijk het een of ander te verzoeken, uw hoogheid in -dezen vorm en met deze bijvoeging noemen zal, in het Fransch: Nostre -très cher filz Henry, Roy d’Angleterre, heretier de France; en aldus in -’t Latijn: Praeclarissimus filius noster Henricus, rex Angliae, et -haeres Franciae. - -KONING KAREL. Ook dit heb ik niet zoo geweigerd, broeder, -Dat ik ’t op uw verzoek niet door liet gaan. - -KONING HENDRIK. Dan bid ik u, als vriend en bondgenoot, -Laat dit artikel staan gelijk die andren. -En nu, sta mij uwe dochter toe. - -KONING KAREL. Neem haar, mijn eed’le zoon, wek uit haar bloed -Mij kroost, opdat de aloude tegenstanders, -Frankrijk en England, welker kusten zelfs -Bleek zien van afgunst op elkanders bloei, -Hun haat begraven, en dit schoon verbond -Recht christ’lijke eendracht plante en goede buurtschap -In beider borst, en geen het zwaard meer heff’, -Opdat het fel zijn eed’len broeder treff! - -ALLEN. Amen. - -KONING HENDRIK. Thans welkom, Kaatje!—Weest getuigen, allen, -Dat ik haar als mijn koningin hier kus. - -(Trompetgeschal.) - -KONINGIN ISABELLA. God, aller huwelijksbanden beste hoeder, -Voege uwe harten, uwe rijken saam! -Ziet, man en vrouw zijn twee, doch een in liefde, -En zulk een echt vereene uw beider rijk, -Dat nimmer booze diensten noch jaloerschheid, -Die vaak het bed van ’t heilig huw’lijk storen, -Zich dringen tusschen beider rijken bond, -Echtscheiding, van wat één nu wordt, beproevend; -Dat Franschman, Engelschman voortaan de namen -Van broeders zijn!—Spreek’ God hierop zijn Amen! - -ALLEN. Amen! - -KONING HENDRIK. Nu ’t huw’lijk voorbereid;—dien dag ontvang ik -Van u, hoogeed’le hertog van Bourgondië, -En alle pairs, den eed op ons verbond. -Dan zweer ik Kaatje trouw en zij aan mij; -Dat heilig ons die eed en heilrijk zij! - - (Allen af.) - -Chorus treedt op. - -CHORUS. Tot zoo ver volgde, ruw en onbekwaam, -Tol schroom des schrijvers veder de historie; -Klein was ’t bestek voor mannen, groot van naam, -Verbrokkeld door zijn sprongen werd hun glorie. - -Kort scheen die ster van England, maar een zon -In glans gelijk; hem schonk Geluk zijn wapen, -Waar hij der wereld schoonsten gaard meê won, -Des zesden Hendriks deel bij zijn ontslapen. - -Frankrijks en Englands koning, kon die zoon, -Gekroond in winds’len, zijn gebied niet hoeden; -Zijn vele raders, woelend om zijn troon, -Verloren Frankrijk, deden England bloeden; - -Vaak zaagt gij dit vertoond en waart voldaan; -Neemt daarom ook dit stuk welwillend aan. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -Bij het schrijven van dit stuk werd Shakespeare door het gevoel -bezield, dat de dag van Agincourt de grootste en schoonste dag was uit -de Engelsche geschiedenis, en Hendrik de Vijfde de grootste held, -waarop zijn land kon bogen. En inderdaad, wel waren de veroveringen van -den veelgeprezen vorst kort van duur, ja, waren alle voor goed verloren -gegaan, eer zijn zoon en erfgenaam de oogen gesloten had, maar daarmede -waren geenszins de vruchten zijner overwinningen verdwenen. Het volk -leerde onder den stouten, jeugdigen vorst zijn kracht voor het eerst in -haar vol vermogen, in haar hooge waarde kennen, en in den slag van -Agincourt, waar adel, kleinere grondbezitters, burgers en boeren, allen -te zamen, naast elkander een ongeëvenaarde zege bevochten, viel het -laatste onderscheid tusschen Normandische edelen en Saksische -overwonnelingen weg. Het Engelsche volk was geboren, dat met fierheid -terugzag op de daden, die het volbracht had, en voortaan het bewustzijn -in zich omdroeg, dat het steeds met denzelfden onverschrokken moed, -denzelfden volhardenden ijver, verachting van doodsgevaren, gelijke -kalmte van geest, dezelfde samenwerking en onderwerping aan tucht en -orde, tot even groote dingen in staat zou zijn. Geen wonder, dat het -zich de meerdere achtte van andere volken. Dat dit gevoel ook -Shakespeare bezielde, blijkt uit het geheele stuk; het brengt hem er -zelfs toe, zijn gewone weergalooze onpartijdigheid te verloochenen, en -de Franschen, met den Dauphijn en den Connetabel te beginnen, allen als -armzalige pochers voor te stellen. Doch het is waar, dat -lichtzinnigheid en zorgeloosheid, overmoed en ijdelheid, die meermalen, -en nog in den laatsten oorlog met Duitschland, de goede eigenschappen -der Franschen hebben verduisterd en hun noodlottig zijn geweest, op den -dag van Agincourt hun de nederlaag hebben doen lijden; waar is het ook, -dat zij, steunend op hun overmacht, reeds vooraf de krijgsgevangenen -onder elkander verdeelden, dat zij de gansche nacht in luide -feestviering doorbrachten, dat de bevelen van den opperbevelhebber in -den wind werden geslagen en zij het slachtoffer werden hunner -doldrieste onbezonnenheid. De wijze, waarop Shakespeare het beloop der -gebeurtenissen voorstelt, is hier volkomen te rechtvaardigen. - -Dat Hendrik V van de rechtvaardigheid des oorlogs, dien hij Frankrijk -aandeed, overtuigd was, valt niet te betwijfelen. Zijn overgrootvader -Edward III had, als zoon van Isabella, dochter van Philips den Schoonen -van Frankrijk, zijn aanspraken op de Fransche kroon doen gelden, die -hij, als afstammende in de rechte, zij het dan ook vrouwelijke, lijn -van het oude vorstenhuis van Capet, voor meer gegrond verklaarde dan -het recht der zijlijn van Valois. Wel had hij tegen bepaalde vergoeding -in land en geldsommen bij den vrede van Brétigny afstand gedaan van -zijn aanspraken op de Fransche kroon en de oude leengoederen der -Plantagenets, maar de voorwaarden van den vrede waren nooit nagekomen, -en er bestond eigenlijk tusschen Engeland en Frankrijk geen vrede maar -een wapenstilstand, welks voortduring hoofdzakelijk hieraan te danken -was, dat de toestand van Engeland nòch aan Richard II, nòch aan Hendrik -IV gelegenheid had gelaten om den oorlog door te zetten. Hendrik V -mocht zijn macht hiertoe genoegzaam gevestigd rekenen; de -binnenlandsche twisten waren gedoofd en het ondernemen van den krijg -zou de eendracht in zijn rijk ongetwijfeld nog hechter maken, want -geheel Engeland was met de plannen des konings hooglijk ingenomen en -ondersteunde die met alle kracht. Ook de geestelijkheid bleef hierin -niet achter en deed zelfs het hare om den koning van de rechtmatigheid -des oorlogs, indien dit noodig ware, te overtuigen. Nadat de -onderhandelingen, waardoor Frankrijk den krijg nog getracht had af te -wenden, waren afgesprongen, werden de toebereidselen met ijver -voortgezet en in den zomer van 1415 waren Hendriks leger en vloot voor -den overtocht naar Frankrijk gereed. - -Op dat oogenblik kwam op het onverwachtst een gevaarlijke samenzwering -tegen Hendrik aan het licht. Aan het hoofd stonden zijn eigen neef -Richard, graaf van Cambridge, broeder van den hertog van Aumerle, -alsmede lord Scroop, die steeds het volle vertrouwen van Hendrik -genoten had. De samenzwering was niet, zooals Shakespeare in zijn -kroniek vond, door de Franschen verwekt en aangestookt om den krijg te -stuiten, maar was wel degelijk een Engelsche samenzwering, een -voortzetting als het ware van de opstanden der Percys, een voorspel van -den lateren strijd der witte en roode rozen, tusschen het huis van York -en dat van Lancaster. De rechten van het huis van Mortimer, de graven -van March, lagen er ten grondslag aan. Richard, graaf van Cambridge, -zoon van Edmund Langley, hertog van York, die de vijfde zoon was van -Edward III, was gehuwd met Anna Mortimer, achterkleindochter van -Lionel, hertog van Clarence, deszelfden Edwards derden zoon; zij was de -zuster van Edmund Mortimer, graaf van March, die naar het erfrecht -koning van Engeland moest zijn en daarom door Hendrik IV steeds nauw -bewaakt, maar door Hendrik V, die zijn troon stevig gevestigd rekende, -in vrijheid gesteld was. Hendrik deed snel en streng recht; de -saamgezworenen werden in Southampton ter dood gebracht. - -Op 13 Augustus 1415 ging het leger onder zeil. Op vijftienhonderd -vaartuigen werd het, 6000 ridders, 23000 boogschutters en 1000 -kanonniers en schansgravers sterk, naar den mond der Seine overgevoerd. -Daar werd Harfleur na een heldhaftigen weêrstand van vier weken -ingenomen. Maar de toestand der Engelschen was ongunstig geworden en de -kracht der onderneming scheen gebroken te zijn. Een besmettelijke -ziekte had de helft van het leger buiten gevecht gesteld; er was gebrek -aan levensmiddelen; de bevolking was den Engelschen vijandig en de -Franschen begonnen een geweldig leger samen te trekken. Er waren er in -Hendriks omgeving, die den terugtocht raadden; zoo deed zijn broeder, -de Hertog van Clarence. Maar de koning wilde er niet van hooren, de -groote onderneming op te geven; hij was besloten met allen, die hem -wilden volgen, dwars door Frankrijk naar Calais te trekken. Hij zond -zijn zieken, 5000 in aantal, naar huis, liet 2000 man als bezetting in -Harfleur en ondernam met het overschot, ten hoogste 12000 man, op 8 -October den merkwaardigen, gewaagden tocht. - -Onder heftige regenbuien en telkens door schermutselingen met den -vijand bemoeilijkt, drongen de Engelschen op ellendige wegen, zich te -nauwernood lijftocht verschaffend, het land binnen. De krijgstucht werd -streng gehandhaafd, plunderen zwaar gestraft, de levensmiddelen -betaald. Deze laatsten waren door den vijand, die ook de bruggen bezet -had, zooveel mogelijk weggevoerd. Eindelijk gelukte het, de Somme over -te trekken. Herauten des vijands meldden zich bij den koning aan, met -den eisch, dat hij terug zou trekken; in het tegenovergestelde geval -daagden zij hem ten strijde. „Zegt uw heer”, was het antwoord, „dat ik -hem voor ditmaal niet zal opzoeken; maar als hij of de zijnen mij -opzoeken, zal ik, zoo God wil, standhouden. Maar ik hoop, dat geen uwer -zoo onberaden zal zijn, van mij gelegenheid te geven, om uw bruine -aarde met uw rood bloed te verven”. Met dit antwoord en een gift van -honderd kronen mochten de herauten aftrekken. Eindelijk, op den 24sten -October, stiet men op het leger des vijands, 50000 man sterk, waaronder -niet minder dan 14000 ridders, allen versche manschappen, en -voortreffelijk, ja prachtig uitgerust. Hendrik kon er niet meer dan -10000 boogschutters en 1000 ridders tegenoverstellen. De Franschen -twijfelden geen oogenblik aan de overwinning, de ridderschap alleen kon -die kleine bende, grootendeels uit geminacht voetvolk bestaande, -gemakkelijk verpletteren; luidruchtig werd de nacht al feestvierende -doorgebracht; er werd gedobbeld om de krijgsgevangenen, die den -volgenden dag hun ten deel zouden vallen. - -In het Engelsche legerkamp heerschte een ernstige stemming; het was er -donker en stil, tegenover de tallooze wachtvuren des vijands. Allen -wisten, hoe doldriest het was, den strijd aan te nemen; velen biechtten -en namen het sacrament. Maar de doldriestheid ging bij den koning met -groote bedaardheid en overleg, met het nemen van alle voorzorgen -gepaard. Zooveel mogelijk werden de manschappen door spijs en drank en -door rust voor den komenden, zwaren dag versterkt. Het terrein werd -goed verkend en alle beschikkingen werden genomen om aan de -boogschutters de volle werking van hun wapen te verzekeren; de door den -regen week geworden grond, door struikgewas ingesloten, moest den -vijand beletten zich uit te breiden en zijn tegenstander te -overvleugelen en zou ook de kracht zijner ruiterij aanmerkelijk breken. -De 25ste October, de dag van de heiligen Crispinus en Crispianus, brak -aan en werd met misheffing en gebed begonnen. Toen schaarde de koning, -in blinkend harnas en met den gekroonden helm op het hoofd, de zijnen -in een lange rij, nauwelijks vier man diep. Voor iederen boogschutter -stak een lange spitse paal in den grond om tegen den aanval der -vijandelijke ruiters te beschermen. Zonder trompetgeschal trokken de -Engelschen op, en staken, met hun kleederen, die door den langen marsch -veel geleden hadden, treurig af bij de bonte, glinsterende scharen der -Franschen, die in drie dichte hoopen, de een na den anderen, met luid -trompetgeschal tegen hen optrokken. Een ridder uit Hendriks gevolg riep -uit: „Ware heden ieder Engelschman hier, die het zwaard verstaat te -voeren!” De koning antwoordde: „Ik wensch geen man meer; God kan ook -aan het klein aantal de overwinning verleenen”. Geen oogenblik -twijfelde hij aan de ongeloofelijke zege der zijnen. - -En het ongeloofelijke geschiedde. Zorgeloosheid, oneenigheid, -ongehoorzaamheid aan de bevelen van den connetabel, alles liep samen om -den Franschen al het voordeel hunner grootere getalsterkte te doen -derven. Daarbij kwam, dat in den van regen doorweekten grond paarden en -kanonnen bleven steken en dat de 8000 afgestegen ridders die de -voorhoede uitmaakten, zich te nauwernood konden bewegen. - -Tegen elf uur riep koning Hendrik: „Sint George en voorwaarts!” De -grijze maarschalk Erpingham wierp zijn commandostaf hoog in de lucht en -met luiden wapenkreet viel de lange rij van boogschutters de met lansen -gewapende hoofdmacht der Franschen aan. Dicht als hagel vielen de -pijlen der Engelsche boogschutters in de dichte massa der te voet -vechtende ridders en brachten, trots helmen en pantsers, menige -doodelijke wonde toe. Nu was de tweede krijgshoop der Franschen, onder -den hertog van Alençon, niet meer te houden; onstuimig drong deze -voorwaarts en voegde zich bij den eersten tot een ordeloozen klomp. Van -dit oogenblik maakten de Engelschen gebruik. De stevige boerenknapen -wierpen den boog op den schouder en stormden op den vijand los; met -knots, strijdaks of zwaard alles nederslaand. In de door hen gemaakte -opening drong onweerstaanbaar, de koning te voet vooraan, de -aaneengesloten ridderschap van Engeland; een panische schrik greep de -onbestuurde massa’s des vijands aan; in woeste vlucht verspreidden zij -zich over het veld, duizenden gaven zich zonder wederstand te bieden -aan den vijand over. Plotseling werd in den rug der Engelschen -strijdgedruisch vernomen; daar dreigde een plotselinge aanval het pas -gewonnen voordeel vruchteloos te maken. Snel besloten, gaf Hendrik het -bevel, dat naar toenmalig krijgsgebruik groot geldelijk verlies -veroorzaakte, van alle krijgsgevangenen te dooden, om de handen vrij te -hebben voor den nieuwen strijd. Later bleek, dat het overvallen van het -wagenpark, dat bijna onbewaakt gelaten was, door rooflustige boeren en -stroopers, de oorzaak van het gedruisch geweest was. - -Een volkomen, ongehoorde zegepraal was behaald. Meer dan 10000 -vijanden, waaronder 8000 edelen, bedekten het slagveld: de hertog van -Orleans en 1500 edellieden waren krijgsgevangen. De lijst van -hooggeboren gesneuvelden, in het achtste tooneel van het vierde -bedrijf, is aan de geschiedenis ontleend. Het verlies der overwinnaars -was fabelachtig klein, al was het veel grooter dan 25, zooals -Shakespeare opgeeft; niet meer dan 15 ridders waren er gevallen; de -voornaamste was de hertog van York, die in „K. Richard II” Aumerle -heet; hij was gesneuveld bij den inval in het centrum der Franschen. - -Koning Hendrik vermaande zijn troepen, niet trotsch te zijn op de zege, -daar alle eer er van toekwam aan God, die den vijand met blindheid -geslagen had. Toen de Fransche herauten kwamen, om de dooden te -schouwen, vroeg hij naar den naam van het kasteel, dat boven het veld -uitstak en noemde den veldslag daarnaar den slag van Agincourt. Den -St.-Cripinusdag maakte hij tot een feestdag voor geheel zijn rijk. - -Thans konden de Engelschen ongestoord, zooals men denken kan, hun tocht -naar Calais voortzetten, vanwaar zij met onmetelijken buit naar -Engeland overstaken. Toen de koning Londen naderde, stroomde de geheele -burgerij, met den Mayor en de Aldermans aan het hoofd, hem te gemoet en -geleidde hem door de versierde straten naar de Paulskerk en naar -Westminster. Hendrik zelf reed, zonder sieraad, en ernstig, door de -jubelende menigte, wars van alle ijdel vertoon. - -Shakespeare heeft de vier oorlogsjaren, die op den dag van Agincourt -volgden, met weinige woorden overgesprongen en op de nederlaag der -Franschen onmiddellijk den merkwaardigen vrede laten volgen. Hij heeft -de moeite niet genomen, iets te melden van de redenen, die het Fransche -hof bewogen, den Dauphijn op te offeren en een vreemden vorst tot -troonopvolger en rijksbestuurder te maken. Hertog Jan van Bourgondië -was te Parijs, in tegenwoordigheid, en waarschijnlijk met voorkennis -des Dauphijns, verraderlijk vermoord geworden. De moeder des Dauphijns, -koningin Isabeau van Frankrijk, was hierover in woede ontvlamd en had -haar zoon wraak en verderf gezworen. De erfgenaam des vermoorden, -hertog Philips van Bourgondië, verbond zich met haar, en het viel hun -beiden niet moeilijk, den onnoozelen koning tot den vrede van Troyes te -bewegen, die inderdaad Frankrijk aan den vijand, den koning van -Engeland, geheel in handen leverde. - -Twee jaren lang heeft Hendrik V Frankrijk werkelijk als rijksbestuurder -beheerscht, „grootmoedig, dapper en wijs”, zooals een tijdgenoot, een -monnik van Saint Dénis, die zijn inval in Frankrijk beschreven heeft, -getuigt. Allen, ook zijn vijanden, erkenden hem als een voortreffelijk -vorst, dapper in het veld, verstandig in den raad, rechtvaardig op den -rechterstoel, trouw aan zijn beloften, minzaam jegens armen en -geringen, rein van leven, voor kerk en godsdienst ijverend. Moesten -Frankrijk en Engeland onder één scepter vereenigd worden, geen -waardiger vorst ware er te denken. Groot waren reeds zijn macht en -invloed, en alles liet verwachten, dat zij nog aanmerkelijk zouden -toenemen. Daar verraste hem de dood. Vijf-en-dertig jaren oud, stierf -hij ten gevolge van een fistel, waartegen de geneeskunde toenmaals geen -baat wist, te Vincennes, op den 31sten Augustus 1422, negen maanden -nadat koningin Catharina hem een zoon geschonken had. Zorgvuldig had -hij op zijn sterfbed alle beschikkingen gemaakt, die dienstig konden -geacht worden om zijn nalatenschap aan zijn zoon te verzekeren en -bejammerde dit alleen, dat het hem niet vergund was geweest, de -vereenigde wapens van zijn beide rijken in het Heilig Land tegen de -ongeloovigen te richten. - -In plechtigen optocht werd het lijk door de treurende prinsen, hoogere -en lagere edellieden, over Calais naar Engeland gevoerd, waar het in de -Westminster-abdij werd bijgezet. Gansch Engeland was in rouw; allen -weeklaagden alsof er een heilige gestorven was. Bange tijden volgden; -de vreeselijkste burgeroorlog brak uit; het edelste bloed werd bij -stroomen vergoten; en te nauwernood was er een halve eeuw verloopen, of -de laatste mannelijke spruit van het pas zoo machtige en bloeiende huis -der Plantagenets stierf op het slagveld; maar door alle schriktooneelen -en gruwelen heen was de nagedachtenis van den grooten en goeden koning -in eere bij het Engelsche volk gebleven, tot zijn grootste dichter dien -lievelingsheld verheerlijkte en voor alle eeuwen deed leven. - -„Koning Hendrik de Vijfde” werd, zooals uit de proloog van het vijfde -bedrijf blijkt, in den tijd, dat koningin Elizabeth den Graaf van Essex -tot demping van een opstand naar Ierland gezonden had, dus in den zomer -van 1599, gespeeld. Weldra waren boekhandelaars er bij om het stuk uit -te geven, maar de tekst, dien zij, hoe dan ook, wisten machtig te -worden, was allerellendigst; niet alleen ontbraken geheele tooneelen, -alle prologen en de epiloog, maar ook het overige was verminkt en vol -onnauwkeurigheden. Toch werd deze tekst, die in 1600 het licht zag, nog -tweemaal, in 1602 en in 1608, herdrukt. Eerst de folio-uitgave van 1623 -deed de echte lezing kennen. - -Ten slotte zij hier nog vermeld, dat reeds in het oude, blz. 512 -genoemde stuk, „The Famous Victories of Henry the Fifth” eenige -tooneelen voorkomen, die, hoe ruw ook bewerkt, eenige overeenstemming -met die van Shakespeare vertoonen, namelijk het gezantschap van den -Dauphijn, de inneming van Harfleur, de slag van Agincourt en de -verloving des konings. - - - -I. Prol. Chorus. Onder Chorus wordt bij het oud-Engelsch tooneel niet -een vereeniging van personen, maar één persoon verstaan, die de -prologen enz. spreekt en, door te vertellen wat niet voorgesteld kan -worden, de gedeelten van een stuk verbindt en opheldert. - -I. Pr. 2. Der vinding. Vinding is Sh.’s bescheiden naam voor poëzie, -dichterlijk scheppingsvermogen. Ook in het Nederlandsch is vinder, voor -minstreel, dichter, zanger gebruikelijk geweest. - -I. Pr. 11. Dit hanenstrijdperk. Daarmede vergelijkt Shakespeare zijn -tooneel, wegens de geringe afmetingen. Het Globe-theater had de -gedaante van een lagen ronden toren, vandaar de vergelijking met een O. -Bij de helmen, een paar regels verder, denke men aan helmen met pluimen -of vederbossen, die de lucht deden sidderen. - -I. 1. 1. De wet is weer aanhangig. Het voorstel, waarvan de inhoud in -de volgende regels vermeld wordt, ging eigenlijk van de Gemeenten uit, -die reeds in het zevende jaar der regeering van Hendrik IV, toen deze -geldmiddelen verlangde, den koning ronduit voorsloegen al het -wereldlijk grondbezit der kerk in beslag te nemen en daaruit een -blijvend fonds te vormen om den behoeften van den staat te gemoet te -komen. De Gemeenten hadden zoo groot ongelijk niet, want de Kerk had -een derde des lands in bezit en droeg niets tot de staatslasten bij. De -koning en de Lords verwierpen het voorstel. De Gemeenten kwamen in -Hendriks elfde regeeringsjaar op nieuw met haar ontwerp voor den dag, -voegden er een raming van de inkomsten der geestelijkheid bij en -sloegen de verdeeling voor, hier regel 12–19 opgegeven. De Koning -verzette zich ook ditmaal. Toen Hendrik V den troon had beklommen, werd -het voorstel op nieuw gedaan en nu trachtte Chicheley, aartsbisschop -van Canterbury, den slag af te wenden, door den koning tot den oorlog -met Frankrijk te overreden. - -I. 1. 28. En een waarachtig vriend der heil’ge kerk. De eenige keer, -dat Sh. zinspeelt op den ijver van Hendrik V voor de kerk; de -vervolging der Lollarden, de voorloopers der hervorming, zou den -protestantschen toehoorders weinig behaagd hebben. - -I. 2. 33. Zoo hoort, genadig koning. In deze geheele redeneering van -den Aartsbisschop is Sh. Holinshed zeer nauwkeurig gevolgd; men vindt -daar ook den Latijnschen regel (r. 38), en ook enkele onjuistheden zijn -overgenomen; b.v. Luitgard (r. 74) heet er Lingare (bij Holinshed -Lingard) en reg. 77 staat Lodewijk de Tiende, wat de Negende moest -zijn; ook de aanhaling uit Numeri (kap. 27 vs. 8) in r. 99 is aan -Holinshed ontleend. - -I. 2. 162. Om er koning Edwards roem Te hoogen door gevangen koningen. -In het jaar van den slag bij Crecy (1346), in welken zoovele hooge -personen sneuvelden of krijgsgevangenen werden gemaakt, werden de -Schotten door de edelen van Noord-Engeland, de Percy’s enz. bij -Nevil’s-Cross geslagen en hun koning David Bruce gevangen naar Londen -gevoerd; hij was nog niet in vrijheid gesteld, toen tien jaar later in -den slag bij Poitiers Koning Jan II van Frankrijk den Zwarten Prins in -handen viel en mede naar Engeland gezonden werd. - -I. 2. 187. Zoo werken ook de bijen. Een dergelijke vergelijking met een -bijenstaat komt voor in het toen veelgelezen werk van Lyly: „Euphues -and his England” (1580).—Ook in het vierde boek van Vergilius’ Georgica -zijn verscheiden overeenkomstige beschouwingen te vinden. - -I. 2. 252. Met lustige Galliarden. De Galliarde was een vroolijke dans -uit Shakespeare’s tijd. - -II. Pr. 26. Zij hebben voor Fransch goud,—vergulde schuld!—In het -oorspronkelijke vindt men een woordspeling met gilt en guilt. - -II. Pr. 30. Eer hij naar Frankrijk afzeilt, in Southampton. In het -oorspronkelijke volgen hier twee regels, die blijkbaar bedorven zijn en -geen goeden zin geven en bovendien den samenhang, die na weglating -dezer twee regels niets te wenschen overlaat, verbreken. Zij moeten -door het een of ander toeval in den gedrukten tekst geraakt zijn. De -regels zijn: - - „Linger your patience on: and we’ll digest - The abuse of distance; force a play.” - -II. 1. 44. IJslandsche hond. De naam van IJslandsche hond komt meer als -scheldwoord voor, zooals b.v. bij ons mop gebezigd kan worden. - -II. 1. 47. Ik wilde u wel solus hebben. Solus was de gewone -tooneelaanwijzing voor alleen. Pistool houdt het woord voor een -scheldnaam. Het „veradem”, dat hij een oogenblik later gebruikt, moet -beteekenen: „sterf!” - -II. 1. 57. Asmodeus. Shakespeare heeft hier den bij ons onbekenden -duivelsnaam Barbason, die toen meer gebezigd werd; zie De vroolijke -vrouwtjes van Windsor, II. 2. 311. - -II. 1. 77. Jachthond van Creta. Deze honden waren speurhonden. Sh. -vermeldt ze in den Midzomernachtdroom, IV. 1. 131. Bij de ouden worden -zij niet vermeld.—Van Cressida’s geslacht. De uitdrukking: „Een -nachtuil van Cressida’s geslacht” (het woord kite, dat gebruikt wordt, -beduidt den een of anderen roofvogel) wordt reeds in een stuk van 1578 -toegepast op vrouwen als Doortje Scheurlaken, en was dus aan -schouwburgbezoekers zeker wel bekend; het „pekelvat der schande” wijst -op een zweetkuur, waaraan Doortje zich juist moest onderwerpen. - -II. 1. 112. Een nobel zult gij hebben. Pistool dingt af; een nobel is -slechts 6 schellingen 4 stuivers.—Drie regels verder schuilt in het -Engelsch: I live by Nym een woordspeling met nim, dat in de dieventaal -„nemen”, „stelen” beteekent.—Met gecorroboreerd in reg. 130 is -gecorrodeerd, aangeknaagd, verteerd, bedoeld. - -II. 2. 8. Neen, deze man, die vaak zijn leger deelde. Dit gold als een -bewijs van broederlijke vriendschap. Dat koning Hendrik dit bewijs aan -lord Scroop gegeven had, vond Shakespeare in Holinshed. - -II. 2. 155. Mij heeft het goud van Frankrijk niet verlokt. Cambridge -heeft recht dit te zeggen, daar de verheffing van het huis Mortimer het -hoofddoel was, zie boven blz. 606. - -II. 2. 167. Gij hebt bij eede u tegen ons verbonden. In deze toespraak -volgde Sh. Holinshed. - -II. 3. 5. Falstaff, hij is dood. Dat Shakespeare, toen hij zijn „K. -Hendrik de Vierde” voltooid had en zich gereedmaakte, „K. Hendrik de -Vijfde” te laten volgen, van plan was, ook in dit stuk Falstaff te -laten optreden, weten wij uit goede bron, namelijk, van hemzelf; men -zie de epiloog van „2 K. Hendrik IV,” blz. 559. Maar ongetwijfeld heeft -hij later ingezien, dat Falstaff er niet in mocht voorkomen; in de bres -van Harfleur, in het slaggewoel van Agincourt kon Falstaff zijn rol -niet spelen; hij zou de stemming, die in dit stuk heerscht, bedorven -hebben; de ernst, dien de beslissende gebeurtenissen vorderen, oefent -geen genade jegens Bardolf en Nym; Pistool wordt gespaard, ja, maar -voor een leven in diepe schande; ook vrouw Haastig sterft een -smadelijken dood. Wat zou de dichter dan met hun aller heer en meester, -met Falstaff, in dit stuk uitvoeren? Een eervolle dood op het slagveld -mocht hem niet ten deel vallen. Men moet erkennen, dat de dichter wèl -deed, Falstaff, verre van het tooneel der handeling, in alle stilte te -laten verscheiden, op een wijze, die onze deelneming nog wekt. En -ontegenzeglijk heeft zijn dood, juist op dit oogenblik, nu de groote -gebeurtenissen aanstaande zijn, ook een symbolische beteekenis, want -met Falstaff gaat al de loszinnigheid, die aan koning Hendriks verleden -kleefde, ten grave. Met zijn vroegere metgezellen verstaat de koning -geen scherts meer; zijn blijmoedigheid heeft hij behouden, maar deze -uit zich thans in den omgang met den rechtschapen Fluellen of met -eerlijke, trouwe soldaten, zooals Williams. - -II. 3. 12. Een kind in het doophemdje. In het Engelsch a chrisom child, -waar vrouw Haastig een christom child van maakt, zooals zij Arthurs -schoot in plaats van Abrahams schoot zegt. Een chrisom child is een -kind, dat in de eerste maand sterft; chrisom is eigenlijk het witte -doekje, dat een kind op het hoofd gelegd werd, opdat de zalvingsolie -niet weggevaagd zou worden.—Dat Falstaff stierf, toen het water begon -te vallen, zegt vrouw Haastig, omdat naar een oud volksgeloof niemand -tijdens het opkomen van het water stierf. - -II. 3. 17. Zijn neus was zoo scherp als een pen en een tafellaken met -groene plekken. In ’t Engelsch: his nose was as sharp as a pen, and a -table of green fields. Als men vrouw Haastig verstandig wil laten -praten, is zeker Theobalds oude emendatie: and ’a babbled of green -fields, de verstandigste van allen. Maar verstandig te praten is het -zwak van vrouw Haastig niet; met een tafel kan zij zeer wel er een -gemeend hebben met een tafellaken, en met den spitsen neus en de -groenachtig bleeke kleur den indruk hebben geschetst, dien het -Hippocratisch stervensgezicht van Falstaff op haar gemaakt had. - -II. 3. 55. Caveto moge uw raadsman zijn. Een aardig staaltje van de -fouten der quarto-uitgaven is, dat zij hier voor het Latijnsche caveto -(pas op), Cophetua, den koning uit het bekende volksliedje, te lezen -geven. - -II. 4. 25. Zich met een pinkster-moorendans vermaakt. Hier zij in het -midden gelaten, of het misschien beter is voor „moorendans” morrisdans -of lentedans te lezen, want het is lang niet onwaarschijnlijk, dat de -morrisdance zijn oorsprong nam in de heidensche tijden van Engeland en -niets met een moorschen dans te maken had. Het was vooral op den -eersten Mei, dat deze dansen plaats hadden: een twaalftal personen -kwamen er in voor, waaronder juffer Marianne of de Mei-koningin, tevens -geliefde van Robin Hood, dan broeder Tuck, de kapelaan van denzelfden, -het stok- of hobbelpaard of hobby-horse, de Meipaal, alsmede een groep -buitenlanders; onder deze laatsten kunnen ook Mooren opgetreden zijn. - -II. 4. 102. Bij Jezus’ ingewanden zegt hij u. De ingewanden worden als -zetel van het mededoogen opgevat. Sh. vond deze uitdrukking bij -Holinshed: „nevertheless exhorted the French king, in the bowels of -Jesu Christ, to render him” etc. - -III. 2. 19. Zoo vluchtig En luchtig Als ’t vogeltje zingt in ’t bosch. -Deze en de voorafgaande rijmen zijn waarschijnlijk aan volksliedjes -ontleend. - -III. 2. 61. Pij te mijnen? seg gij ten hertog, enz. De dichter heeft hier -een Schot Jamy, een Ier Macmorris, en een Walliser Fluellen, laten -optreden, en ieder op zijn eigenaardige wijze laten spreken. Op het -tooneel heeft het spreken in verschillende tongvallen, als het goed -gedaan wordt, een uitnemende uitwerking; geschreven is dit in veel -minder mate het geval; de woorden zien er vreemd uit en de uitwerking -wordt geheel gemist, als de lezer met het bedoelde dialect niet -vertrouwd is. De vertaler heeft er bij den Schot Jamy en den Ier -Macmorris van afgezien, het dialect uit te drukken; bij het overluid -voordragen van het stuk moge de spreker den vreemden tongval, dien hij -machtig is, aan de woorden leenen. Voor den Schot Jamy zou b.v. de -wijze, waarop de Friezen Nederlandsch spreken, kunnen worden -nagebootst, met de harde f voor de v, de zachtere uitspraak van de g, -het weglaten van het voorvoegsel ge bij de verleden deelwoorden enz. De -Ier Macmorris moge zich van een dialect bedienen, dat iets verder van -het gewone Nederlandsch afwijkt; voor zijn gezegden zou b.v. een -Limburgsche of Zuid-Nederlandsche tongval in aanmerking komen. Met den -Walliser Fluellen (= Llewellyn) is het een ander geval. Deze spreekt in -het oorspronkelijke geen volksdialect; hij spreekt als een man, wiens -moedertaal het Kymrisch is en die zich het Engelsch met moeite en -onvolkomen heeft eigen gemaakt. Het Engelsch is hem een vreemde taal -gebleven; ieder oogenblik zondigt hij tegen de juiste woordenkeus, de -taalregels, de uitspraak. Toch is hij voor zichzelf volkomen gerust, -dat hij zich zeer goed en gemakkelijk in het Engelsch uitdrukt en -gebruikt zijn vreemde wendingen en uitdrukkingen, verbuigingen en -vervoegingen met het grootst mogelijke aplomb, ja, hij zoekt, daar hij -vrij wat gelezen heeft, aan zijn taal een geleerd voorkomen te geven en -waagt er allerlei halsbrekende kunsten mee; daarbij komt nog, dat hij -de verkeerde woorden, die den vreemdeling verraden, verkeerd -uitspreekt. Dit alles moest, bij deze tamelijk omvangrijke rol, -uitgedrukt worden; in hoeverre de vertaler hierin geslaagd is, mogen -anderen beoordeelen. - -III. 4. 1. Alice, tu as esté en Angleterre. Het Fransch, dat in dit -stuk voorkomt, is—dit is niet te loochenen—zeer slecht; de Franschen -hebben het zeker veel beter gesproken; en voor Koning Hendrik en de -zijnen was het Fransch zeker ook geen vreemde taal. Het is niet wel uit -te maken, wat Shakespeare geschreven heeft, want vaak zijn vreemde -woorden, zelfs daar, waar Sh. ze ongetwijfeld goed geschreven heeft, -tot onkenbaarheid toe verminkt en misvormd. Het valt niet moeilijk de -ergste fouten te verbeteren, maar dan verkrijgt men waarschijnlijk iets -anders dan Sh. schreef en heeft een eigenaardigheid van het -oorspronkelijke uitgewischt. Want het is mogelijk, dat, wat de -folio-uitgave ons heeft overgeleverd, niet veel afwijkt van wat Sh. -geschreven heeft. Het Fransch toch, zooals wij het daar vinden, was -zeker voor Sh.’s publiek voldoende om de gewenschte uitwerking te weeg -te brengen. De hachelijke verandering is daarom hier niet beproefd; -wordt het stuk hier te lande ooit gespeeld, dan moge men het Fransch -wijzigen naar de eischen van ons publiek. - -III. 5. 33. Luchtsprongen, vlugge passen onderwijzend. In ’t Engelsch -worden hier twee bepaalde dansen genoemd: And teach lavoltas high, and -swift corantos. De lavolta was een Italiaansche, over Frankrijk naar -Engeland gekomen dans, met omdraaiingen—de naam hangt met het -Latijnsche volvere samen,—en hooge sprongen, die eenige gelijkenis met -de wals zal gehad hebben; de coranto was een vlugge dans, die misschien -meer van een galop had. Sir John Davies (1570–1626) heeft in zijn -gedicht Orchestra, or a Poem of Dancing, in a Dialogue between Penelope -and one of her Wooers, de Lavolta beschreven en schetst de maat aldus: - - - „And still their feet an anapest do sound: - An anapest is all their musick’s song, - Whose first two feet is short, and third is long”. - - -De coranto had daarentegen een dactylische maat. - -III. 6. 42. Hij stal zich een monstrans. Een monstrans, een -hostiehuisje, heet in ’t Engelsch pix, maar in den tekst staat pax. Pix -zal wel bedoeld zijn; in Holinshed toch lezen wij: A soldier took a pix -out of a church, for which he was apprehended, and the king not once -removed till the box was restored and the offender strangled.—Een pax -was een klein plaatje van hout of metaal, waar een heilige voorstelling -op gegraveerd was; het werd bij het eind der mis aan de geloovigen ten -kus gereikt. - -III. 7. 56. Als een Iersche Kern. Kernen waren de lichte Iersche -troepen, met een zeer primitief kostuum. - -III. 7. 121. ’t Is een verkapte dapperheid. In ’t Engelsch: ’t Is a -hooded valour; and when it appears, it will bate. „’t Is een verkapte -(of omhuifde) dapperheid; en als zij voor den dag komt, zal zij met de -vleugels slaan”. To bate is een uitdrukking aan de valkerij ontleend, -die ook „afvallen”, „verminderen”, beteekent, een woordspeling, die -hier bedoeld is. - -IV. Pr. 45. Van nieuwen moed, van vuur doortinteld zijn. Het is, dunkt -mij, onmiskenbaar, dat, in het oorspronkelijke, achter de woorden: -„that mean and gentle all” een regel is uitgevallen. De inhoud er van -moet geweest zijn, als van dezen door mij ingelaschten regel. - -IV. 1. 13. Goeden morgen, oude Thomas Erpingham. Erpingham was reeds -met Bolingbroke uit Bretagne naar Engeland gekomen. Zie „K. Richard -II”, II. 1. 283. - -IV. 1. 54. Ik sla hem wis zijn knoflook om zijn bol Op Davidsdag. De slag -bij Crécy had plaats op Davidsdag (25 Augustus) 1346; de Wallisers -hielden toen manmoedig stand nabij een moestuin met look en kozen nu -look als zegeteeken, dat zij sedert op Davidsdag op de muts droegen, in -overeenstemming met een oud Keltisch en Germaansch gebruik. - -IV. 1. 197. Dit is zeker, ieder, die in zonde sterft, enz. Deze woorden -zijn misschien eer aan Court toe te kennen. - -IV. 1. 292. Hyperions rossen. Hyperion is de Zonnegod, zie Homerus’ -Odyssea I. 8. en de naam is hier alzoo van gelijke beteekenis met -Phoebus. - -IV. 2. 4. Voort!—les eaux et la terre! Het oorspronkelijke is zeer -bedorven.—De Dauphijn roept: Via! (voort!) over water en land! en -Orleans vraagt spottend: „Wat! ook niet door de andere elementen, lucht -en vuur, heen?” waarop de Dauphijn al pochend er den hemel nog -bijvoegt. - -IV. 2. 60. Ik wacht slechts op mijn standaard. Holinshed vertelt hier -van den Hertog van Brabant, dat hij in zijn ongeduld het vaantje van -een trompetter nam. - -IV. 3. 10. En, beste neef. Deze woorden richt Salisbury tot -Westmoreland; beiden waren Nevils. Salisbury was de vader van den -beroemden graaf van Warwick, die in „Koning Hendrik VI” een groote rol -speelt. Vergelijk boven blz. 563. - -IV. 3. 76. Zie, nu wenscht gij vijfduizend strijders weg. De koning neemt -vijfduizend bij wijze van een onbepaald getal, want het Engelsche leger -is even te voren, regel 4, door Exeter op twaalfduizend man geschat. - -IV. 3. 105. Nog losbreekt in een tweede vaart van onheil. Door de booze -ziekten, die de dooden verwekken. Dat zij dit zouden doen als een -schampschot, like to the bullet’s grazing, zooals de tweede -folio-uitgave leest, is mij niet duidelijk; ik heb daarom hier van een -opstuitkogel d.i. „een ricochetschot” gesproken; misschien is crasing, -d.i. crazing, verpletterend, der eerste folio-uitgave verkieslijk boven -het woord grazing der tweede folio-uitgave. - -IV. 4. 3. Kaliteef? kale hond! zijt gij een edelman? Pistool verstaat -geen Fransch en beschimpt den Franschen soldaat, door den klank zijner -woorden met Engelsche uitdrukkingen na te bootsen. Natuurlijk moeten -deze laatste in de vertaling door andere vervangen worden.—Hoe de -oorspronkelijke tekst soms door drukfouten onkenbaar is geworden, -blijkt hier. Nadat de Franschman van qualité heeft gesproken, zegt -Pistool volgens de folio-uitgave: „Qualtitie calmie custure me. Art -thou a gentleman?” De eerste woorden waren een onoplosbaar raadsel, tot -Malone er de eerste woorden van een Iersch lied in herkende, dat voor -de melodie aangehaald wordt in een boek, verschenen in 1584, en ten -titel voerende: „A Handifulle of pleasant Delites”. Daarin vindt men: -„Sundry new Sonets, in divers kinds of meeter newly devised to the -newest tunes that are now in use to be sung” en onder deze: a Sonet of -a Lover in the praise of his Lady; to (d.i. op de wijs van:) „Calen o -custure me;” sung at everie line’s end. De woorden van den tekst moeten -dus gelezen worden: Quality! Calen o custure me! [1] Het woord qualité -brengt eenvoudig den klank van Calen aan Pistool in de gedachte, zoodat -hij de woorden der melodie herhaalt. - -IV. 4. 9. Mijn kling, gij springt er over. In ’t Engelsch: thou diest on -point of fox. Fox komt meer in de beteekenis van zwaard voor, omdat -sommige klingen een loopenden vos als smidsmerk hadden.—Een oogenblik -later vat Pistool het woord moi als een gouden munt, voluit moidore -geheeten, op. - -IV. 4. 75. Dan deze brullende duivel. In de oude moraliteiten zag de -duivel er wel vreeselijk uit en brulde geweldig, maar hij was toch zeer -laf en liet zich door den hansworst met zijn houten zwaard ongestraft -op de vingers slaan. - -IV. 7. 104. Monmouth-mutsen. Monmouth, in Wales, de geboorteplaats van -Koning Hendrik V, was beroemd om de mutsen, daar vervaardigd en bij -krijgslieden veel in gebruik. - -IV. 7. 114. Zoolang het zijn genade behaagt en zijn majesteit bovendien. -Fluellen spreekt van Gods genade, maar houdt het woord „genade” voor -een titel, die hem te gering schijnt, zoodat hij zich haast er -„majesteit” bij te voegen. - -IV. 8. 81. Charles van Orleans enz. De namen en getallen, die Exeter -noemt en die de koning opleest, zijn aan Holinshed ontleend; dat -Shakespeare ze hier opneemt, bewijst voor de belangstelling, die alle -bijzonderheden van den slag van Agincourt in zijn tijd nog opwekten. - -IV. 8. 128. ’t Non nobis aangeheven en Te Deum. Holinshed verhaalt, dat -de koning na de overwinning zijn leger vereenigde; zijn prelaten en -kapelanen moesten den psalm: In exitu Israel de Aegypto zingen, en bij -het vers: Non nobis, Domine, moest iedereen knielen. - -V. Pr. 30. Als onzer hooge koninginne veldheer. Essex, die van April -tot September 1599 in Ierland was, om er een opstand te dempen, zie -boven blz. 65. - -V. Pr. 38. De keizer zelf. Inderdaad heeft keizer Sigismund koning -Hendrik te Londen bezocht, en getracht, hoewel tevergeefs, den vrede -tusschen Engeland en Frankrijk te bemiddelen. - -V. 1. 29. Niet voor Cadwallader en al zijn geiten. Een nieuwe -beleediging voor Fluellen. Cadwallader is een Walliser naam (een vorst -van 984 heet Cadwallon); misschien meent Pistool er een berg of Wales -zelf mee; en de Wallisers werden dikwijls om hun geitenkudden bespot. - -V. 2. 17. Den moordnaarsblik der basilisken. Die den mensch deed -versteenen. Het oorspronkelijk „The fatal balls of murdering basilisks” -bevat ook een toespeling op de vuurmonden, die den naam van basilisken -droegen. - -V. 2. 84. En broeder Clarence. Nòch Clarence, nòch de Graaf van -Huntingdon komen elders in dit stuk voor. - -V. 2. 244. Daardoor werd ik geschapen met een stuursch uiterlijk, enz. -Hendrik V was daarentegen volgens de beschrijving van tijdgenooten een -schoon man, met krachtigen en toch sierlijken lichaamsbouw. - -V. 278. Dan wil ik u op de lippen kussen, Kaatje. De Engelschen waren -toen ter tijd veel guller met kussen dan vele andere volken, bij welke -hun begroeting met een kus op den mond meermalen aanstoot gaf. - -V. 336. Als de vliegen omstreeks Sint Bartholomeus. Dus in ’t warmste -van het jaar, 24 Augustus. - -V. 369. Praeclarissimus filius noster. Als vertaling van très cher -moest het prœcarissimus zijn, maar Shakespeare vond het zoo in -Holinshed. - -Epil. 13. Vaak zaagt gij dit vertoond. Meermalen waren de verschillende -deelen van „Koning Hendrik de Zesde”, die tot de eerste stukken van -Shakespeare behooren, opgevoerd. Het eerste deel schetst vooral, hoe -Frankrijk voor Engeland verloren ging; het tweede en derde de bloedige -burgeroorlogen tijdens de regeering van koning Hendrik den Zesden. - - - - - - - -AANTEEKENING. - - -[1] „Mijn harteliefje voor eeuwig” wordt als de beteekenis der woorden -opgegeven.—Voor caleno wordt ook wel callino gelezen. - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KONING HENDRIK DE VIJFDE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
