summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/67635-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/67635-0.txt')
-rw-r--r--old/67635-0.txt5607
1 files changed, 0 insertions, 5607 deletions
diff --git a/old/67635-0.txt b/old/67635-0.txt
deleted file mode 100644
index b06e4ce..0000000
--- a/old/67635-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5607 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Koning Hendrik de Vijfde, by William
-Shakespeare
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Koning Hendrik de Vijfde
-
-Author: William Shakespeare
-
-Translator: Dr. L.A.J. Burgersdijk
-
-Release Date: March 15, 2022 [eBook #67635]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KONING HENDRIK DE
-VIJFDE ***
-
-
-
-
-KONING HENDRIK DE VIJFDE.
-
-
-
-
-
-
-
-PERSONEN:
-
- Koning Hendrik de Vijfde.
- Humphrey, hertog van Gloster, }
- John, hertog van Bedford, } broeders des Konings.
- De Hertog van Exeter, oom des Konings.
- De Hertog van York, neef des Konings.
- De Graven van Salisbury, Westmoreland en Warwick.
- De Aartsbisschop van Canterbury.
- De Bisschop van Ely.
- De Graaf van Cambridge, }
- Lord Scroop, } Saamgezworenen.
- Sir Thomas Grey, }
- Sir Thomas Erpingham, }
- Gower, Fluellen, } krijgsoversten in ’s konings leger.
- Macmorris, Jamy, }
- Bates, Court, Williams, soldaten in ’s konings leger.
- Pistool, Nym, Bardolf, en een Jongen, hun bediende.
- Een Heraut.
-
- Karel de Zesde, koning van Frankrijk.
- Louis, de Dauphijn.
- De Hertogen van Bourgondië, Orleans en Bourbon.
- De Connetabel van Frankrijk.
- Rambures en Grandpré, Fransche edellieden.
- Montjoye, een Fransch heraut.
- De Commandant van Harfleur.
- Fransche Gezanten aan het Engelsch hof.
-
- Isabella, Koningin van Frankrijk.
- Catharina, dochter van Karel en Isabella.
- Alice, hofdame bij Prinses Catharina.
- Vrouw Haastig, waardin van een herberg in Eastcheap, gehuwd met
- Pistool.
-
- Chorus.
-
- Edellieden, Edelvrouwen, Officieren, Engelsche en Fransche
- soldaten,
- Boden en Dienaars.
-
-
-
-Het Tooneel is in Engeland, later in Frankrijk.
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE BEDRIJF.
-
-
-Chorus treedt op.
-
-
-CHORUS. O, stond een Muze mij ten dienst, van vuur,
-Die tot der vinding lichtsten hemel steeg!
-Een rijk als schouwtooneel, voor ’t spelen vorsten,
-Voor ’t zien van ’t prachtig schouwspel koningen!
-Dan trad, gelijk hij was, held Hendrik op
-In Marsgestalte; voor zijn voeten kropen,
-Als honden aangekoppeld, vuur en zwaard
-En honger rond om werk. Doch o! vergeeft,
-Geëerden, dat een ongewiekte geest
-Op zulk een planken vloer zoo groot een stof
-U voor te stellen waagt! Dit hanenstrijdperk,
-Omvat het Frankrijks vlakten? bergt deze O
-Met houten wand de helmen slechts, waar eens
-Bij Agincourt de lucht voor heeft gesidderd?
-Vergeeft, ja! kan een kromme cijfertrek
-Niet in een klein bestek millioenen gelden?
-Dat wij dan, nullen bij een groot bedrag,
-Verbeeldings macht bij u hier laten werken!
-Denkt in den gordel dezer muren thans
-Twee groote monarchieën ingesloten,
-Elk de andre dreigend met verheven voorhoofd,
-Gescheiden door een woeste, smalle zee.
-Vult aan, door uwen geest, wat ons ontbreekt,
-Verdeelt in duizend stukken elken man;
-Dat uw verbeelding hier een leger scheppe;
-Als wij van paarden spreken, denkt, gij ziet hen,
-In ’t weeke land hun trotsche hoeven prentend;
-Uw geest leen’ koningstooi aan onze vorsten,
-Verplaats’ hen hier en daar, spring’ tijden over,
-Vatte in een uurglas samen, wat door jaren
-Gewrocht werd. Laat, opdat uw geest dit doe,
-Als Chorus mij bij dit geschiedstuk toe,
-Die als Proloog hier smeek: hoort onze kunst
-Toegevend aan en oordeelt dan in gunst.
-
- (Chorus af.)
-
-
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Londen. Een voorzaal in het koninklijk paleis.
-
-De Aartsbisschop van Canterbury en de Bisschop van Ely komen op.
-
-
-CANTERBURY. Voorwaar, mylord, de wet is weer aanhangig,
-Die in het elfde jaar des voor’gen konings
-Waarschijnlijk tegen ons waar’ doorgegaan,
-Zoo niet de woeste en onrustvolle tijd
-De verdere overweging had verhinderd.
-
-ELY. En hoe, mylord, voorkomen wij haar nu?
-
-CANTERBURY. Dit moeten we overleggen. Gaat zij door,
-Dan neemt ze ons ruim de helft van onze have.
-Want al het grondbezit, door vrome leeken
-Bij testament ooit aan de kerk vermaakt,
-Wil men ons nemen,—wat, naar ’t wordt geschat,
-Zou onderhouden, voor des konings luister,
-Ruim vijftien graven, vijftienhonderd ridders,
-Zes duizend en tweehonderd wakk’re knapen,
-En dan, tot troost van zieken en verzwakten,
-Voor schaam’le zieken, de’ arbeidstijd voorbij,
-Een honderd armenhuizen, wel voorzien,—
-En verder ’s konings koffers stijven zou
-Met duizend ponden ’s jaars. Zoo luidt de wet.
-
-ELY. Een diepe teug!
-
-CANTERBURY. Die kelk en al zou slikken!
-
-ELY. Doch hoe dit te verhind’ren?
-
-CANTERBURY. De koning is genadevol en billijk.
-
-ELY. En een waarachtig vriend der heil’ge kerk.
-
-CANTERBURY. De wandel van zijn jeugd deed dit niet hopen.
-Nauw blies zijns vaders borst den adem uit,
-Of ook zijn woestheid scheen, in hem verstikt,
-Te sterven; ja, in ’t eigen oogenblik
-Verscheen Bezonnenheid, gelijk een engel,
-En zweepte uit hem den zondige’ Adam weg,
-En liet zijn lichaam als een paradijs,
-Dat hemelgeesten opnam en omsloot.
-Zoo plots’ling werd geen kweek’ling ooit gevormd;
-Zoo, als een vloed, kwam nooit bekeering op,
-Zoo driftig stroomend, feilen met zich sleepend;
-Zoo ras heeft hydrakoppige eigenlust
-Zijn troon nooit opgegeven, zoo in eens,
-Als nu in dezen koning.
-
-ELY. Ons ten zegen!
-
-CANTERBURY. Hoor hem met godgeleerden in gesprek,
-En, gansch bewondring, zult ge inwendig wenschen,
-Dat hij, de vorst, prelaat geworden waar’;
-En hoor hem over staatsbelangen hand’len,
-Die waren, zweert gij, steeds zijn een’ge lust;
-Hij spreek’ van oorlogvoering, gij verneemt
-Een schrikb’ren veldslag, op muziek gezet;
-Leg een geval van staatsmanskunst hem voor,
-En hij ontwart den Gordiaanschen knoop,
-Als waar’ ’t zijn knieband; waarlijk, als hij spreekt,
-Is zelfs de lucht, de vrije woest’ling, stil,
-En stom verbazen loert in ieders oor
-Om zijner reed’nen honingzeem te buiten,
-Zoodat de hand’ling, ’t practisch deel des levens,
-Zich leermeest’resse toont der theorie.
-Een wonder is ’t, hoe onze vorst dit oplas,
-Daar al zijn lust een ijd’le wandel was,
-Zijn makkers ruw, onwetend, zonder diepte,
-Zijn tijd bezet door brassen, zwieren, tieren,
-En hij geen zweem van studiegeest ooit toonde,
-Of zucht tot eenzaamheid en tot ontwijken
-Der menigte en haar openbaar gewoel.
-
-ELY. De aardbezie ziet men onder netels groeien,
-En nevens vruchten van geringer aard
-Gezonde beziën best tot rijpheid komen;
-Zoo was zijn wildheid voor den prins een sluier,
-Zijn overpeinzing dekkend, die bij nacht,
-Gewis, als zomergras, het snelst gedijde,
-Onopgemerkt, doch krachtig in haar groei.
-
-CANTERBURY. Zoo moet het; want der wond’ren tijd is over;
-En dus, er moeten midd’len zijn, waardoor
-Volkomenheid ontstaat.
-
-ELY. Doch, waarde lord,
-Wat is te doen tot temp’ring dezer wet,
-Die de gemeenten eischen? Is de koning
-Er voor of tegen?
-
-CANTERBURY. Naar het schijnt, nog weiflend
-Maar toch, naar onze zijde eer overhellend,
-Dan dat hij onze weêrpartijders steunt;
-Want ik heb hem een aanbod kunnen doen
-Van de vergaad’ring onzer geestlijkheid,—
-En ’k heb daarbij zijn hoogheid in den breede
-De hangende geschillen toegelicht,
-Frankrijk betreffend,—om een grooter som
-Te geven, dan de geestlijkheid nog ooit
-In eens aan vorsten vóór hem heeft bewilligd.
-
-ELY. Hoe, dunkt u, stond den koning ’t aanbod aan?
-
-CANTERBURY. ’t Vond bij zijn majesteit een heusche ontvangst;
-Alleen ontbrak de tijd om aan te hooren,—
-Gelijk hij blijkbaar gaarne had gedaan,—
-Die vele, voor een elk onwraakb’re rechten,
-Die hij op enk’le hertogdommen heeft,
-Ja, in ’t geheel, op Frankrijks kroon en troon,
-Als erfgenaam zijns oudgrootvaders Edward.
-
-ELY. Wat was de stoornis bij uw onderhoud?
-
-CANTERBURY. Frankrijks gezant vroeg op dat oogenblik
-Juist om gehoor; en ’t uur is daar, vermoed ik,
-Voor zijn ontvangst bestemd. Is ’t reeds vier uur?
-
-ELY. Dat is ’t.
-
-CANTERBURY. Laat ons dan gaan, en hooren wij zijn boodschap,
-Die ik naar gissing licht u melden kon,
-Aleer de Franschman er een woord van uit.
-
-ELY. Ik volg u; zeer verlang ik haar te hooren.
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Aldaar. Een staatsievertrek in het paleis.
-
-Koning Hendrik, Gloster, Bedford, Exeter, Warwick, Westmoreland en
-Gevolg komen op.
-
-
-KONING HENDRIK. Waar is de eerwaarde lord van Canterbury?
-
-EXETER. Niet hier, mijn vorst.
-
-KONING HENDRIK. Ontbied hem, waardige oom.
-
-WESTMORELAND. Kan de afgezant verschijnen, heer en koning?
-
-KONING HENDRIK. Nog niet, neef, vóór ’t gehoor beslisten wij
-Liefst enkele zaken van gewicht, die zeer
-Onze aandacht eischen, ons en Frankrijk rakend.
-
-(De Aartsbisschop van Canterbury en de Bisschop van Ely komen op.)
-
-CANTERBURY. Bescherme met zijn englen God uw troon,
-Dat gij hem lange siert!
-
-KONING HENDRIK. Wij danken u.
-Wij bidden u, geleerde heer, ga voort,
-En wil ons juist en nauwgezet ontvouwen,
-Of ’t Salisch recht, dat Frankrijk gelden laat,
-Onze aanspraak, al of niet, aan ons ontzegt.
-En God verhoede, waarde en trouwe heer,
-Dat gij de lezing vormt of wringt of buigt,
-En vindingrijk uw wetend hart bezwaart,
-Verwrongen titels openslaand, wier recht
-Niet strookt, in echte kleuren, met de waarheid.
-Want menigeen, God weet het, krachtig nu,
-Vergiet welras zijn bloed, om dàt te staven,
-Waar gij, hoogwaardige, ons toe drijven zult.
-Daarom, zie toe, hoe gij onze eer verpandt,
-En hoe ge ons slapend zwaard ten strijde wekt;
-Wij manen u bij de eere Gods, zie toe!
-Twee zulke rijken slechtten nooit een twist
-Dan met veel bloed, en elke onnooz’le drop
-Is dan een wee, een aanklacht tegen hem,
-Wiens onrecht zwaarden, die zoo schrikk’lijk woeden
-Op korte sterflijkheid, hun scherpte geeft.
-En nu, aldus bezworen, spreek, mylord;
-Wij willen hooren, en in ’t hart gelooven,
-Dat, wat gij zegt, zoo rein in uw geweten
-Gewasschen is, als zonde is door den doop.
-
-CANTERBURY. Zoo hoort, genadig koning, en gij pairs,
-Die aan des vorsten troon uzelf, uw leven
-En diensten schuldig zijt.—Niets is er, niets,
-Dat uwer hoogheid recht op Frankrijk wraakt,
-Dan dit, wat Pharamond wordt toegeschreven:
-In terram Salicam mulieres ne succedant,
-„Geen vrouw mag heerschen over Salisch land”;
-Welk Salisch land ten onrecht door de Franschen
-Voor Frankrijk wordt verklaard, en Pharamond
-Voor vestiger van ’t recht, dat vrouwen uitsluit.
-En toch verklaren zelfs hun eigen schrijvers
-Van ’t Salisch land, dat dit in Duitschland ligt,
-Begrepen tusschen de’ Elbestroom en Sala,
-Waar keizer Karel, na tenonderbrenging
-Der Saksers, Fransche mannen heeft geplant;
-Die hebben, Duitsche vrouwen weinig achtend
-Ter zake van oneerb’re levenswijs,
-Toen deze wet gemaakt, dat nooit een vrouw
-Erfrecht bezitten zou op Salisch land,
-Dat, als ik zeide, tusschen Elbe en Sala,
-In Duitschland tegenwoordig Meissen heet.
-Hieruit is duid’lijk, dat het Salisch recht
-Niet uitgedacht is voor het Fransch gebied;
-En ’t Salisch land bezaten ook geen Franschen
-Dan eerst vierhonderd een-en-twintig jaar
-Na Pharamonds verscheiden, wien verkeerd’lijk
-Die wet wordt toegeschreven; deze stierf
-In ’t jaar des heils vierhonderd zes-en-twintig;
-En keizer Karel onderwierp de Saksers
-En deed de Franschen wonen in het land
-Aan gene zij der Sala, eerst in ’t jaar
-Achthonderd vijf. Ook deed, naar hunne schrijvers,
-Koning Pepijn, die Child’rik van den troon stiet,
-Als eenig erfgenaam en nazaat van
-Blithilde, die Clotharis’ dochter was,
-Zijn aanspraak op den troon van Frankrijk gelden.
-Hugo Capet ook, die de kroon aan Karel
-Van Loth’ringen, het eenig manlijk oir,
-Den rechten erfgenaam van keizer Karel,
-Ontrukte, gaf zijn doen een glimp van recht,—
-Hoewel dit waarlijk nietig was en valsch,—
-Door zich den wettige’ erfgenaam te noemen
-Van vrouwe Luitgard, die de dochter was
-Van Karloman, den zoon van keizer Lood’wijk,
-Van Lodewijk, des grooten Karels zoon.
-Ook Lodewijk de tiende, die geheel
-Het rijk des overweldigers Capet
-Geërfd had, vond geen rust voor zijn geweten
-Bij ’t dragen van de kroon, totdat hem bleek,
-Dat Isabel, de schoone koningin,
-Zijn grootmoeder, van vrouwe Hermingard
-Afstamde, die de dochter was van Karel,
-Loth’ringens hertog, pas door mij vermeld;
-Door haren echt was keizer Karels lijn
-Op nieuw verbonden aan de Fransche kroon.
-Zoodat, zoo klaar als zomerzonneschijn,
-’t Recht van Pepijn en de aanspraak van Capet
-En Lodewijks bevrediging, dit alles,
-Zich gronden op het erfrecht van de vrouw.
-Dit doen de Fransche vorsten tot op heden,
-Al roepen zij het Salisch recht nu in,
-Om u, als vrouwe-nazaat, uit te sluiten,
-En hullen zij zich liever in een net,
-Dan dat zij open hun verwrongen recht,
-U en uw voorgeslacht ontroofd, ontvouwen.
-
-KONING HENDRIK. Kan ik naar recht en naar geweten, ’t vord’ren?
-
-CANTERBURY. Kome op mijn hoofd de zonde, strenge heer!
-Want in het boek van Numeri staat geschreven:
-Sterft iemand zonder mann’lijk kroost, dan valle
-Zijn dochter de erf’nis toe. Genadig vorst,
-Handhaaf uw recht; ontrol uw bloedbanier;
-Blik naar uw roemrijk voorgeslacht terug;
-Ga naar uws oudgrootvaders praalgraf, heer;
-Zijn recht is ’t uwe;—roep zijn heldengeest,
-En dien uws oudooms aan, des zwarten prinsen,
-Die, Frankrijks algeheele macht verslaand,
-Op Franschen grond een treffend treurspel gaf,
-Terwijl zijn groote vader op een heuvel
-Glimlachend toezag, hoe zijn leeuwenwelp
-Het hartebloed des Franschen adels slurpte.
-O edele Engelschen, daar boodt gij ’t hoofd,
-Met half uw macht, aan heel den trots van Frankrijk,
-En liet uw andre helft het lachend aanzien,
-Gansch werkeloos, bij ’t heete strijden koud!
-
-ELY. Roep al die dapp’re dooden voor uw geest;
-Hernieuw met uwen sterken arm hun roem.
-Gij zit als erfgenaam op hunnen troon;
-Het bloed en vuur, dat hen beroemd deed zijn,
-Stroomt u in de aad’ren; en mijn hooge vorst
-Is in de Meische morgen zijner jeugd,
-Voor wapenroem en grootsche plannen rijp.
-
-EXETER. Der aard monarchen, al uw scepterbroeders,
-Verwachten, dat gij u verheffen zult,
-Als de oude leeuwen van uw voorgeslacht.
-
-WESTMORELAND. Zij weten, reed’nen hebt gij, macht en midd’len;—
-Dit heeft uw hoogheid; en,—geen Engelsch koning
-Had rijker eed’len, trouwer onderdanen;
-Hun hart, ja! liet hun lichaam nog in England,
-Maar huist in tenten reeds op Frankrijks grond.
-
-CANTERBURY. O, laat hun lichaam volgen, waarde vorst;
-Verschaf u recht met bloed en zwaard en vuur;
-Wij van de kerk verbinden ons, uw hoogheid
-Te schragen met een groote somme gouds,
-Zooals de geestlijkheid aan geen van uwe
-Voorvaders ooit in eens heeft toegekend.
-
-KONING HENDRIK. Wij moeten ons niet enkel tegen Frankrijk
-Ten aanval waap’nen, maar ons voorbereiden
-De Schotten af te slaan, die, zien ze een kans,
-Gewis een inval doen.
-
-CANTERBURY. De mannen van die mark, genadig vorst,
-Zijn een toereikend bolwerk, om ons land
-Voor ’t rooven van dat grensvolk te beschutten.
-
-KONING HENDRIK. Wij duchten daar niet enkel benden plund’raars,
-Maar een vereenden aanval van den Schot,
-Die steeds een zeer onrustig nabuur was.
-Gij vindt beschreven, dat onze oudgrootvader
-Nooit met zijn legermacht naar Frankrijk toog,
-Dat niet op zijn ontbloot gebied de Schot
-Zich plots’ling stortte, als door een scheur een stroom,
-Met al de boordevolheid zijner kracht,
-Zóó ’t ledig land met heeten aanval teist’rend,
-Met zwaar beleg kasteel en stad omgordend,
-Dat England, van zijn weerbaarheid beroofd,
-Voor zulk een boozen nabuur beefde en trilde.
-
-CANTERBURY. De schrik was grooter dan de schade, heer;
-Ontleen het voorbeeld slechts aan England zelf.
-Toen heel haar ridderschap in Frankrijk was,
-En ze om haar adel als een weduw treurde,
-Heeft England zich niet slechts zeer goed geweerd,
-Maar ving en kooide, als een verdwaald stuk vee,
-Der Schotten koning op, en zond hem weg
-Naar Frankrijk, om er koning Edwards roem
-Te hoogen door gevangen koningen,
-En de kronieken rijk aan lof te maken,
-Gelijk de bodem ’t is en ’t slijk der zee
-Door tal van wrakken en onnoemb’re schatten.
-
-WESTMORELAND. Maar toch, er is een spreuk, zeer oud en waar:
-
- „Wilt gij Frankrijk overwinnen,
- Zorg met Schotland te beginnen;”
-
-Want vliegt ooit Englands arend uit op roof,
-Dan sluipt de wezel Schotland in haar nest
-En zuigt er al haar vorstlijke eiers uit,
-En speelt voor muis, die, is de kat afwezig,
-Meer aanknaagt en vernielt dan ze eten kan.
-
-EXETER. Dan zou de kat te huis steeds moeten blijven;
-Maar dit besluit gaat mank en is niets waard;
-Om goed’ren te beveil’gen zijn er sloten,
-En voor de kleine dieren fijne vallen.
-Terwijl de hand gewapend buiten vecht,
-Verdedigt zich het schrand’re hoofd te huis;
-Want, zij ’t bestuur ook hoog en laag, en lager,
-Gezet in vele stemmen, alles sluit
-Aaneen, en stemt, gelijk muziek, te zamen
-Tot volle en zuiv’re harmonie.
-
-CANTERBURY. Daarom
-Verdeelt de hemel ook den staat des menschen
-In velerlei verrichtingen en drijft
-Elk onderdeel tot stâge werkzaamheid;
-Deze echter heeft tot richtsnoer en tot doelwit
-Gehoorzaamheid. Zoo werken ook de bijen,
-Diertjes, die door natuur aan groote staten
-Voor ord’lijk doen als voorbeeld zijn gesteld:
-Een koning hebben ze en beambten; deels
-Handhaven deze, als schouten, thuis de tucht;
-Deels doen ze, als handlaars, zaken buitenshuis;
-Deels gaan ze als krijgers, en een angel voerend,
-Ten roof uit op des zomers fulpen knoppen,
-En dragen hunnen buit in blijden optocht
-Naar huis en in de heerscherstent huns vorsten,
-Die, naar zijn roeping allen gadeslaat:
-De mets’laars, zingend gouden daken bouwend,
-De stille burgers, die den honing kneden,
-Het poover arbeidsvolk, dat, zwaar beladen,
-Door de enge poort de woning binnendringt,
-Den strakken rechter, die met norsch gegons
-Den tragen slaper hommel overlevert
-Aan bleeke beulen. Hieruit put ik dit:
-Dat vele dingen, die op samenstemming
-Berekend zijn, verschillend werken kunnen;—
-Gelijk veel pijlen, van verschillend standpunt
-Den boog ontsneld, éénzelfde doelwit treffen,
-Naar ééne stad veel wegen samenloopen,
-Naar ééne zilte zee veel frissche stroomen,
-Naar ’t midden van een uurplaat vele lijnen,
-Zoo kunnen duizend handlingen, met zorg
-Naar één doel samenstrevend, alle slagen,
-Dat niets mislukt. Daarom, naar Frankrijk, heer!
-Deel uw gelukkig England thans in vieren;
-Neem gij een vierde deel naar Frankrijk mee;
-En doe heel ’t land daar op zijn grondvest schudden.
-Als wij, met driemaal zooveel macht te huis,
-Den hond van onze deur niet weren kunnen,
-Nu, dan verscheur’ hij ons, en heel ons volk
-Verliez’ zijn roem van moed en schranderheid!
-
-KONING HENDRIK. Voert de afgezanten des dauphijns nu tot ons.
-
- (Eenigen van het Gevolg af.)
-
-Wij zijn besloten; en met hulp van God
-En u, het edel merg van onze kracht,
-Zal Frankrijk, òns naar recht en wet, nu buigen,
-Of barsten en verbrijzeld worden. Ja,
-Ten troon gezeten willen we over Frankrijk
-En zijn schier koninklijke hertogdommen
-In luisterrijken glans en hoogheid heerschen,
-Of in een need’rige urne dit gebeente
-Doen rusten, zonder praalgesteente of opschrift;
-Englands geschied’nis zal met donderstem
-Van onze daden spreken, of ons graf
-Zij als een Turksche stomme tongeloos,
-Geen naam, zelfs niet in was gegrift, vermeldend.
-
-(De Fransche Gezanten komen op.)
-
-Wij zijn bereid de boodschap aan te hooren
-Van den dauphijn, onze’ eed’len neef; van hem toch,
-Zoo hoorden we, is uw groet, niet van den koning.
-
-EERSTE GEZANT. Wil uwe hoogheid ons goedgunstig toestaan
-Vrij uit, wat ons gelast werd, hier te ontvouwen;
-Of zullen wij, wat de dauphijn ons opdroeg,
-Verschoonend, als van verre, scheem’rig, toonen?
-
-KONING HENDRIK. Geen dwingland zijn wij, maar een christenkoning,
-Wiens heilig ambt zijn gramschap zoo beheerscht,
-Als onze kerkers onze schurken kluist’ren;
-Daarom meldt vrij, in onverwrongen waarheid,
-Wat de dauphijn bedoelt.
-
-EERSTE GEZANT. In ’t kort dan, dit:
-Uw hoogheid eischte zeek’re hertogdommen
-Onlangs van Frankrijk, naar het recht, dat u
-Edward de derde, uw groote voorzaat, naliet.
-Op dien eisch antwoordt onze heer, de prins,
-Dat gij te zeer nog smaakt naar uwe jeugd,
-En brengt u onder ’t oog, dat niets in Frankrijk
-Met lustige gaillarden zich laat winnen,
-Geen hertogdom daar in te zwelgen is.
-Dies zendt hij u, als voor uw aard geschikter,
-Dit vat vol schatten en begeert daarvoor,
-Dat die verlangde hertogdommen niets
-Van u meer hooren. Zoo spreekt de dauphijn.
-
-KONING HENDRIK. Wat zijn ’t voor schatten, oom?
-
-EXETER (op den inhoud van het inmiddels geopend vat wijzend).
- Kaatsballen, heer.
-
-KONING HENDRIK. ’t Verheugt ons, dat de prins zoo met ons schertst.
-Hebt dank voor zijn geschenk en uwe moeite!
-Als we ons palet met deze ballen paren,
-Dan spelen we, als God wil, een spel in Frankrijk,
-Dat in de baan de kroon zijns vaders rolt.
-Een tegenspeler heeft hij uitgedaagd,
-Die al uw Fransche banen zal doen rillen
-Door slag op slag. En wij verstaan hem goed,
-Hoe hij ons onze wilde dagen voorhoudt,
-Niet radend van wat nut ze ons zijn geweest.
-Nooit hebben we Englands armen troon geschat;
-En daarom, dien ontwijkend, gaven we ons
-Aan grove woestheid over, juist zooals men
-Vaak menschen buitenshuis het vroolijkst ziet.
-Doch meldt aan den dauphijn, dat ik mijn rang
-Handhaven zal, een echte koning zijn,
-En alle zeilen mijner grootheid hijschen,
-Als ik mij op mijn troon van Frankrijk plaats.
-Daartoe legde ik mijn waardigheid ter zij
-En ploeterde als een werkman in de week,
-Maar ginds verrijs ik in zoo heldren luister,
-Dat ik heel Frankrijks oogen zal verbijst’ren,
-Ja, uw dauphijn bij ’t zien met blindheid slaan.
-En zegt dien jool’gen prins, dat deze spot
-Van elken bal een steenen kogel maakt,
-En dat die schrikb’re wraak, die met hen vliegt,
-Zijn ziel bezwaren zal, want deze spot
-Spot duizend weeuwen hare gaden weg,
-Spot moeders zonen weg, spot burchten neer;
-En menig thans nog ongeboren zoon
-Vloekt eenmaal des dauphijns vermeet’len hoon.
-Doch dit berust nog in de hand van God,
-Op wien ik mij beroep; zegt den dauphijn
-In Zijn naam, dat ik kom, om mij te wreken
-Zoo goed ik kan, en mijn gerechten arm
-Denk op te heffen voor een heil’ge zaak.
-Gaat thans in vrede heen, en zegt den prins,
-Dat elk zijn scherts een laffe scherts zal achten,
-Als duizenden meer weenen, dan er lachten.—
-Bezorgt hun vrijgeleide.—Vaart gij wel!
-
- (De Gezanten af.)
-
-EXETER. Dat was een fraaie boodschap.
-
-KONING HENDRIK. Wij hebben hoop, den zender te doen blozen.
-Daarom, mylords, verzuimt geen gunstig uur,
-Dat tot bevord’ring van den tocht kan strekken;
-Want geen gedachte is thans in ons dan Frankrijk;
-Slechts die aan God gaat aan ons werk nog voor.
-Dat daarom onze midd’len voor den oorlog
-Ras saamgebracht zijn, alles welbedacht,
-Wat met bezonnen spoed aan onze vleugels
-Meer veed’ren schenken kan. Want, helpt ons God,
-Dan boet de prins, voor ’s vaders hof, zijn spot.
-Dies spore een elk zijn geest tot denken aan,
-Hoe wij dit edel werk het best bestaan!
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE BEDRIJF.
-
-
-Trompetgeschal. Chorus treedt op.
-
-
-CHORUS. Nu is de jeugd van England vuur en vlam,
-En zijden dart’len ligt in ’t kleederschrijn;
-De wapensmeden bloeien, de gedachte
-Aan eer alleen beheerscht der mannen borst.
-Zij hebben voor een paard hun weiden veil,
-En volgen aller christenvorsten spiegel
-Met vleugelvoet, als Engelsche Merkuurs.
-Want nu zit Heilverwachting in de lucht,
-En voert een zwaard, van greep tot spits beladen
-Met diademen, kronen, hertogshoeden,
-Aan Hendrik en zijn volgers toegezegd.
-De Franschen, onderricht door goede kondschap
-Van deze schrikb’re krijgstoerusting, sidd’ren
-Van angst, en bleeke staatsmanskunst beproeft
-Aan Englands plan een and’ren loop te geven.
-O England, beeld van innerlijke grootheid,
-Klein lichaam, dat een machtig hart omsluit,
-Wat zoudt gij niet, als de eer u roept, volbrengen,
-Ware elk van uwe kind’ren goed en echt!
-Doch zie uw onheil! In u is een nest
-Van holle harten; Frankrijk kent en vult ze
-Met kronen des verraads; drie veile mannen,
-Met name Richard, graaf van Cambridge, dan
-Henry lord Scroop van Masham, en als derde
-Sir Thomas Grey, Northumberlander ridder,
-Zij hebben voor Fransch goud,—vergulde schuld!—
-Snood saamgespannen met het angstig Frankrijk;
-En door hun hand moet hij, der vorsten roem,
-Vermoord zijn,—houdt verraad en hel hun woord,—
-Eer hij naar Frankrijk afzeilt in Southampton.
-’t Geld is betaald, de snoodaards zijn het eens,
-De koning reeds uit Londen weg, en, vrienden,
-Wij voeren thans u naar Southampton heen;
-Daar is nu ’t schouwtooneel, daar zet ge u neer,
-Daar schepen wij u veilig in naar Frankrijk
-En weer terug, de smalle zee bezwerend
-Tot kalme rust;—want, dient ons het geluk,
-Geen enkle maag, die ziek wordt bij ons stuk.
-Doch eerst als gij den koning komen ziet,
-Verreist gij naar Southampton; eerder niet.
-
- (Chorus af.)
-
-
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Londen. Eastcheap.
-
-Nym en Bardolf komen op.
-
-
-BARDOLF. Welkom, korporaal Nym!
-
-NYM. Goeden morgen, luitenant Bardolf!
-
-BARDOLF. Hoe is het, zijt gij en vaandrig Pistool thans goede vrienden?
-
-NYM. Voor mijn part geef ik er niet om; ik zeg weinig, maar als de tijd
-komt, zal er gelachen worden;—maar dat mag zijn zooals het wil. Vechten
-durf ik niet, maar ik zal mijn oogen toedoen en mijn ijzer
-vooruitsteken. Dit is niet veel bijzonders, maar wat doet het er toe?
-Er is kaas aan te roosten en koude houdt het even goed uit als eens
-andermans degen; en daarmee uit.
-
-BARDOLF. Ik zal een ontbijt geven om u vrienden te maken en dan willen
-wij alle drie als gezworen broeders naar Frankrijk; ja, zoo zal het
-wezen, goede korporaal Nym.
-
-NYM. Op mijn woord, ik wil leven, zoolang ik kan, dat staat vast; en
-als ik niet langer leven kan, zal ik zien, wat ik doe; daar blijf ik
-bij, en dat is het rendez-vous er van.
-
-BARDOLF. Het is zeker, korporaal, dat hij met Neel Haastig getrouwd is!
-en waarachtig, zij heeft u slecht behandeld, want gij waart met haar
-verloofd.
-
-NYM. Ik weet niet; alles moet gaan zooals het wil; het kan gebeuren,
-dat menschen slapen en dat zij te gelijk hun keel bij zich hebben; en
-het zeggen is, dat messen scherpe kanten hebben. Het moet gaan, zooals
-het wil; al is geduld een afgejakkerde knol, voortploeteren doet het
-toch. Er moet een eind zijn aan alles. Nu, ik weet niet.
-
-(Pistool en vrouw Haastig komen op.)
-
-BARDOLF. Daar komt vaandrig Pistool, met zijn vrouw.—Beste korporaal,
-houd u nu bedaard.—Hoe gaat het, waard Pistool?
-
-PISTOOL. Gemeene keffer, ik een waard?
-Bij deze vuist, die naam is mij een afschuw;
-En ook mijn Neel geeft geen logies.
-
-VROUW HAASTIG. Neen, zoo waar ik leef, sinds lang niet meer; want een
-mensch kan geen twaalf of veertien meisjes thuis en in den kost hebben,
-die eerlijk met de naald haar brood verdienen, of er wordt dadelijk
-gedacht, dat men een knip houdt. (Nym trekt zijn degen.) O
-menschenkinderen, die trekt van leer!—Daar komt voorbedachte moord en
-echtbreuk van.
-
-BARDOLF. Beste luitenant,—beste korporaal, geen twist hier!
-
-NYM. Stik!
-
-PISTOOL. Stik gij, IJslandsche hond! spitsoor van IJsland!
-
-VROUW HAASTIG. Beste korporaal Nym, toon gij uw dapperheid en steek uw
-degen op.
-
-NYM. Wil je gaan schuiven? Ik wilde je wel solus hebben.
-
-(Hij steekt zijn degen op.)
-
-PISTOOL. Solus, gij uitgelezen hond? O adder!
-Dat Solus op uw wondervol gezicht;
-Dat Solus op uw kiezen, in uw keel,
-En in uw snoode long, ja, in uw pens, pardi,
-En, erger nog, in uw onguren mond!
-Ik wring dat solus u in de ingewanden;
-Want afgaan kan Pistool, reeds dreigt zijn haan,
-En flikkervuur zal volgen.
-
-NYM. Ik ben Asmodeus niet; je kunt mij niet bezweren. Ik heb een humor
-om je redelijk wel te kloppen. Als je vuilaardig wordt, Pistool, zal ik
-je uitpoetsen met mijn degen, dat het een aard heeft; als je met mij
-ter zijde wilt gaan, zal ik je behoorlijk wat in de pens prikken, dat
-het een lust is; en dat is de humor er van.
-
-PISTOOL. O pocher snood, vervloekte schandvlek-kerel!
-U gaapt het graf en ’t suffend doodsuur naakt;
-Daarom veradem!
-
-(Pistool en Nym trekken.)
-
-BARDOLF. Hoort mij aan! hoort aan wat ik zeg! wie den eersten stoot
-doet, ik spiets hem aan, tot dit gevest toe, zoo waar ik soldaat ben.
-
-(Hij trekt.)
-
-PISTOOL. Een eed van wond’re kracht, en woede moet gaan liggen.
-Geef mij de vuist; uw voorpoot, geef mij dien;
-Uw moed is wondergroot.
-
-NYM. Ik wil je de keel afsnijden, te avond of morgen, in alle eere; dat
-is de humor er van.
-
-PISTOOL. Coupe le gorge!
-Dat is het woord; ik daag op nieuw u uit.
-Jachthond van Creta, hoopt gij op mijn gade?
-Neen, ga naar ’t hospitaal,
-En haal daar uit het pekelvat der schande,
-’t Melaatsch perceel van Cressida’s geslacht,
-Scheurlaken, alias Door, en trouw met haar!
-Ik heb en ik behoud de quondam Haastig,
-Als de een’ge zij; en—pauca! ’t is genoeg.
-Verdwijn!
-
-(De Jongen komt op.)
-
-JONGEN. Beste waard Pistool, gij moet bij mijn meester komen, en uw
-waardin ook.—Hij is recht ziek en wil naar bed.—Goede Bardolf, steek uw
-gezicht tusschen zijn lakens en doe dienst als beddepan; waarachtig,
-hij is erg ziek.
-
-BARDOLF. Weg, gij schelm!
-
-VROUW HAASTIG. Waarachtig, hij wordt dezer dagen een gebraad voor de
-kraaien; de koning heeft zijn hart gedood.—Beste man, kom dadelijk naar
-huis.
-
- (Vrouw Haastig en de Jongen af.)
-
-BARDOLF. Komt, wil ik u tweeën vrienden maken? Wij moeten allen samen
-naar Frankrijk. Wat, voor den duivel, zouden wij messen dragen om
-elkander de keel af te snijden?
-
-PISTOOL. Laat vloeden zwellen! duivels, brult om buit!
-
-NYM. Wil je mij de acht schellingen betalen, die ik met wedden je heb
-afgewonnen?
-
-PISTOOL. Een lafaard, die betaalt.
-
-NYM. Die wil ik nu hebben, dat is de humor er van.
-
-PISTOOL. Manhaftigheid beslisse! trek en stoot!
-
-(Hij trekt.)
-
-BARDOLF. Bij dit zwaard, die den eersten stoot doet, ik dood hem; bij
-dit zwaard, ik doe het.
-
-PISTOOL. ’t Zwaard is een eed, en eeden moeten doorgaan.
-
-BARDOLF. Korporaal Nym, als je vrienden wilt zijn, weest dan vrienden;
-als je niet wilt, nu, weest dan vijanden ook met mij. Ik bid u, steekt
-op.
-
-NYM. Zal ik mijn acht schellingen hebben, die ik met wedden van je won?
-
-PISTOOL. Een nobel zult gij hebben en terstond;
-En ’k zal u eveneens een zoopje geven,
-En vriendschap pare zich aan broederschap;
-Ik leef door Nym en Nym zal door mij leven.
-Is dit niet goed bedacht? want zoet’laar wil ik
-Bij ’t leger zijn en win dan geld als water.
-Geef mij de hand.
-
-NYM. Zal ik mijn nobel hebben?
-
-PISTOOL. Die krijg je juist gepast.
-
-NYM. Komaan dan, dat is de humor er van.
-
-(Vrouw Haastig komt weder op.)
-
-VROUW HAASTIG. Zoo waar je van vrouwen komt, komt dadelijk binnen bij
-Sir John. Ach, die arme ziel! hij wordt zoo geschud door een heete
-alledaagsche derdedaagsche koorts, dat het allerjammerlijkst is om aan
-te zien. Lieve menschen, komt toch bij hem.
-
-NYM. De koning heeft den ridder een booze grap gespeeld; dat is het
-fijne van de zaak.
-
-PISTOOL. Nym, gij hebt wel gelijk;
-Stuk is zijn hart en gecorroboreerd.
-
-NYM. De koning is een goed koning; maar men moet het nemen, zooals het
-valt; hij doet allerlei humors en sprongen.
-
-PISTOOL. Beklaagt den ridder; wij, o lamm’ren! willen leven.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Southampton. Een raadzaal.
-
-Exeter, Bedford en Westmoreland komen op.
-
-
-BEDFORD. ’t Is roek’loos, dat zijn hoogheid dien verraders
-Vertrouwen schenkt.
-
-EXETER. Zoo daad’lijk zijn ze in hecht’nis.
-
-WESTMORELAND. Wat doen zij zich eenvoudig, arg’loos voor,
-Alsof de oprechtheid in hun boezem woonde,
-Gekroond door liefde en ongekreukte trouw.
-
-BEDFORD. De koning heeft bericht van al hun plannen,
-Door onderschepping, nooit door hen gedroomd.
-
-EXETER. Neen, deze man, die vaak zijn leger deelde,
-Door hem gevoed, gepropt met vorstengunst,
-Dat die zijn heer en vorst voor ’t goud eens vreemden
-Aan dood en vuig verraad verkoopen kon!
-
-(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Scroop, Cambridge, Grey, Edellieden en
-Gevolg komen op.)
-
-KONING HENDRIK. De wind is goed, wij willen nu aan boord.—
-Mylord van Cambridge,—en beste lord van Masham,—
-En gij, mijn waarde ridder, zegt uw meening:—
-Gelooft gij, dat de strijdmacht, die ons volgt,
-Door Frankrijks scharen zich den weg zal banen,
-De tuchtiging volbrengend en de taak,
-Waartoe wij deze krijgers samenbrachten?
-
-SCROOP. Geen twijfel, heer, als elk zijn best wil doen.
-
-KONING HENDRIK. Dit lijdt geen twijfel, want het bleek ons duid’lijk:
-Wij voeren niet een enkel hart van hier,
-Dat niet eenstemmig met het onze klopt;
-Geen enkel laten we achter, of het wenscht,
-Dat voorspoed ons verzelle en zegepraal.
-
-CAMBRIDGE. Geen koning wekte ooit meer ontzag en eerbied
-Dan uwe majesteit; er is, geloof ik,
-Geen onderdaan, die onrust kent of kommer,
-Nu hem de schaduw dekt van uw bestuur.
-
-GREY. ’t Is waar; uws vaders vijanden, zij doopten
-Hun gal in honing, en zij dienen u
-Met harten, gansch gevormd uit trouw en ijver.
-
-KONING HENDRIK. Zoo hebben wij veel grond tot dankbaarheid,
-En zullen eer ’t gebruik der hand vergeten,
-Dan wij vergeten, ijver en verdienste
-Naar hun gewicht en waarde te beloonen.
-
-SCROOP. Zoo zal de trouw met stalen spieren zwoegen
-En zal zich de arbeid laven met de hoop
-Van aan uw hoogheid stâgen dienst te doen.
-
-KONING HENDRIK. Niets minder wachten wij.—Oom Exeter,
-Ontsla den man, die gist’ren werd gevat,
-Omdat hij ons gehoond had; wij doen gelden,
-Dat overmaat van wijn zijn prikkel was;
-Daar hij tot inkeer kwam, zij ’t hem vergeven.
-
-SCROOP. Dit is genadig, ja, maar veel te zorgloos;
-Bestraf hem, heer; wordt hij gespaard, zijn voorbeeld
-Brengt licht’lijk meer van zulke daden voort.
-
-KONING HENDRIK. O, laat ons toch genadig zijn.
-
-CAMBRIDGE. Dit kunt gij zijn, mijn vorst, en toch hem straffen.
-
-GREY. ’t Waar’ veel genâ, zoo gij hem ’t leven schenkt,
-Doch eerst een scherpe tuchtiging laat proeven.
-
-KONING HENDRIK. Ach, uwe groote liefde en zorg voor mij
-Zijn sterke beden tegen de’ armen schelm.
-Indien men ’t oog bij dronkenschaps-vergrijpen
-Niet sluiten mag, hoe moet men ’t openspalken,
-Zoo hoogverraad, gekauwd, geslikt, verteerd,
-Zich voor ons opdoet!—Toch, we ontslaan dien man,
-Schoon Cambridge, Scroop en Grey, uit teed’re zorg
-Voor ons en onze veiligheid, verlangen,
-Dat hij gestraft zij.—Nu de Fransche zaken;—
-wacht van ons een volmacht?
-
-CAMBRIDGE. Ik, mijn vorst;
-Ik moest die heden van uw hoogheid vragen.
-
-SCROOP. Ik ook, mijn hooge vorst.
-
-GREY. En ik, mijn koninklijke heer.
-
-KONING HENDRIK. Juist; Richard, graaf van Cambridge, hier is de uwe;
-En hier, lord Scroop van Masham, en, heer ridder,
-Grey van Northumberland, hier hebt gij de uwe;—
-Leest die en ziet, dat ik uw waarde ken.—
-Mylord van Westmoreland, oom Exeter,
-Van nacht gaan wij aan boord.—Hoe is het, heeren?
-Wat leest gij in die stukken, dat gij zoo
-Van kleur verschiet?—O ziet, hoe zij verbleeken;
-Hun wangen zijn papier.—Wat leest gij daar,
-Dat zoo uw bloed als lafaard weg deed vlieden
-En zich verschuilen?
-
-CAMBRIDGE. Ik beken mij schuldig,
-En onderwerp mij, heer, aan uw genade.
-
-GREY, SCROOP. Die roepen we allen in.
-
-KONING HENDRIK. Wat vroeger in ons van genade leefde,
-Werd door uw eigen raad verstikt, gedood.
-Rept niet, uit schaamte alleen reeds, van genade;
-Uw eigen gronden werpen zich op u,
-Als honden op hun meesters, u verscheurend.
-Ziet, prinsen en gij eed’le pairs, die monsters
-Van Engelschen! Mylord van Cambridge hier,—
-Gij weet, hoe onze liefde steeds bereid was,
-Om ieder voorrecht, passend aan zijn rang,
-Hem rijk’lijk toe te staan; en die man spande
-Lichtzinnig voor een handvol lichte kronen
-Met Frankrijks arglist saam, en deed den eed,
-Ons hier te zullen dooden;—en die ridder,
-Voor hooge gunst niet minder dank ons schuldig
-Dan Cambridge, was zijn eedgenoot.—Maar, o!
-Wat zeg ik thans tot u, lord Scroop? gij wreed,
-Ondankbaar, dierlijk woest, onmenschlijk wezen!
-Gij, die den sleutel hadt van al mijn plannen,
-Die zaagt tot op den bodem mijner ziel,
-Mij schier tot gouden munt hadt kunnen slaan,—
-Hadt gij uw voordeel zoo bij mij gezocht,—
-Is ’t moog’lijk, kon uit u de huur eens vreemden
-Een vonkje onheils lokken, als dit mij
-Een vinger krenken kon? het is zoo vreemd,
-Dat, schoon de waarheid scherp en duid’lijk afsteek’
-Als wit en zwart, mijn oog ze nauw’lijks zien wil.
-Verraad en sluipmoord gingen steeds te zaam
-Als twee jukduivels, eed- en bondgenooten,
-En zoo natuurlijk scheen hun boos bedrijf,
-Dat zij verwond’ring nooit een kreet ontlokten;
-Doch gij verkeert dit alles, en door u
-Volgt nu verbazing op verraad en moord.
-En welke sluwe duivel het ook ware,
-Die u zoo onnatuurlijk heeft verzocht,
-De hel schenkt hem den prijs van ’t meesterschap.
-Want andre duivels, lokkend tot verraad,
-Behangen, lappen hun doemwaardig werk
-Met moesjes, kleuren, vormen, die zij borgen
-Van ’t glinstrend kleed, waar vroomheid zich in hult;
-Doch hij, die u bewerkte en u deed opstaan,
-Gaf u geen drijfveer om verraad te plegen,
-Dan dat hij u tot aartsverrader sloeg.
-Als deze demon, die zoo u verleidde,
-Heel de’ aardbol rondging met zijn leeuwenstap
-En in den ruimen Tartarus terugkwam,
-Hij kon aan de legioenen daar verklaren:
-„’k Win nimmermeer met zoo geringe moeite
-Een ziel, als nu van dezen Engelschman”.
-O, hoe hebt gij met argwaan ’t zoetst vertrouwen
-Vergiftigd! Schijnt er iemand hou en trouw?
-Gij deedt het ook. Schijnt hij geleerd en ernstig?
-Gij deedt het ook. Stamt hij van eed’len bloede?
-Gij deedt het ook. Schijnt hij oprecht godvruchtig?
-Gij deedt het ook. Is hij aan tafel sober,
-Van groven hartstocht vrij in vreugde of toorn,
-Bestendig, nooit door bruisend bloed verwilderd,
-Gehuld in ’t kleed van ware zedigheid,
-Niet met het oog iets toetsend zonder ’t oor,
-En beide slechts na rijp beraad vertrouwend,—
-Zoo, tot zoo fijne bloem gebuild, scheent gij;
-En daarom laat uw val een soort van smet na,
-Die ook den kloeken, meest begaafden man
-Met een’gen argwaan vlekt, ’k Wil om u weenen,
-Want dit verraad van u is, naar ’t mij schijnt,
-Een tweede menschenval.—Hun schuld is duid’lijk;
-Neemt hen in hechtnis, stelt hen voor ’t gerecht,
-En spreke God hen van hun zonden vrij!
-
-EXETER. Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name
-Richard, graaf van Cambridge.
-Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name
-Henry lord Scroop van Masham.
-Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name
-Thomas Grey, ridder van Northumberland.
-
-SCROOP. Gerecht heeft onzen aanslag God ontdekt,
-En ik betreur meer dan mijn dood mijn schuld,
-Die ik uw hoogheid smeeke te vergeven,
-Hoewel mijn lichaam er het loon voor kwijt’.
-
-CAMBRIDGE. Mij heeft het goud van Frankrijk niet verlokt,
-Ofschoon ik ’t wel als middel gelden liet,
-Om des te sneller tot mijn doel te komen.
-Maar God zij dank, dat hij ’t verijdeld heeft;
-Dit zal mij, stervend zelfs, tot vreugde zijn,
-En ’k smeek èn God èn u mij te vergeven.
-
-GREY. Geen onderdaan, hoe trouw, was bij de ontdekking
-Van smaad en zwart verraad ooit zoo verheugd,
-Als ik te dezer ure, nu ikzelf
-Mijn eigen vloekbaar opzet zie verhoed;
-Verschoon mijn schuld,—mijn leven niet, mijn vorst!
-
-KONING HENDRIK. Vergeve u Gods genade! Hoort uw vonnis:
-Gij hebt bij eede u tegen ons verbonden
-Met onze’ erkenden vijand, naamt van hem
-Het gouden handgeld aan voor onzen dood;
-Uw koning wildet ge aan den moord verkoopen,
-Zijn prinsen en zijn pairs aan slavernij,
-Zijn volk aan onderdrukking en verguizing,
-En aan verwoesting heel zijn koninkrijk.
-Wij, voor onszelven, zoeken geene wraak;
-Doch ’t heil des rijks, welks ondergang gij zocht,
-Is onzer zorg vertrouwd, zoodat wij u
-Den rechter overgeven. Gaat dus heen,
-Rampzalige arme zondaars, in den dood;
-En geve u God, in zijn genade, kracht
-Diens bitterheid te dulden, en berouw
-Van al uw booze daden. Leidt hen weg.
-
- (Cambridge, Scroop en Grey met een Wacht af.)
-
-Nu, lords, naar Frankrijk! De onderneming moog’
-Gelijken roem voor u en ons verwerven.
-Geen twijfel, onze krijg zal heilrijk zijn,
-Nu God ons zoo genadig dit verraad
-Ontsluierd heeft, dat loerde op onzen weg
-Om de’ aanvang reeds te stuiten; thans geen twijfel,
-Of iedre hindernis is weggeruimd.
-Dus op, mijn landgenooten! geven wij
-In ’s Heeren hand ons leger; zij de tocht
-Terstond aanvaard. En zoo, vol moed ter zee!
-De strijdvaan hoog, dat zij den weg ons toon’;
-Geen Engelsch koning, dan met Frankrijks kroon!
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-DERDE TOONEEL.
-
-
-Londen. Voor het huis van Vrouw Haastig in Eastcheap.
-
-Pistool, Vrouw Haastig, Nym, Bardolf en de Jongen komen op.
-
-
-WAARDIN. Ik bid u, mijn zoetelieve man, laat ik u tot Staines
-wegbrengen.
-
-PISTOOL. Neen, want mijn mann’lijk harte kreunt.—
-Bardolf, spring op; Nym, wek uw pochend hart;
-Knaap, zet uw moed te berg, want Falstaff, hij is dood,
-En kreunen is nu plicht.
-
-BARDOLF. Ik wenschte, dat ik bij hem was, waar ook, in den hemel of in
-de hel.
-
-WAARDIN. Neen, zeker, hij is niet in de hel; hij is in Arthurs schoot,
-als ooit eenig mensch in Arthurs schoot gekomen is. Hij had een schoon
-uiteinde en ging heen, alsof het een kind in het doophemdje geweest
-was; hij heeft het afgelegd precies juist tusschen twaalven en eenen,
-juist toen het water begon te vallen; want toen ik zag, dat hij met de
-lakens begon te frommelen en met bloemen speelde en zijn vingertoppen
-toelachte, toen wist ik ook, dat het afliep, want zijn neus was zoo
-scherp als een pen en een tafellaken met groene plekken. „Hoe gaat het,
-Sir John?” zeide ik, „kom, man, wees goedsmoeds”. Toen riep hij: „God,
-God, God!” drie of vier malen. Nu, ik, om hem te troosten, zeide, dat
-hij niet aan God moest denken; ik hoopte, dat hij nog niet noodig had,
-zich met zulke gedachten te plagen. Toen vroeg hij mij, nog wat meer
-dek op zijn voeten te leggen; en ik stak mijn hand in het bed en
-bevoelde ze en zij waren koud als steen. En toen bevoelde ik zijn
-knieën, en verder op en verder op, en alles was zoo koud als een steen.
-
-NYM. Ze zeggen, dat hij de sek verwenschte.
-
-WAARDIN. Ja, dat deed hij.
-
-BARDOLF. En de vrouwen.
-
-WAARDIN. Neen, dat deed hij niet.
-
-JONGEN. Ja, dat deed hij wel, en hij zeide, ze waren gevleesde duivels.
-
-WAARDIN. Ja, hij hield niet van gevleesdheid, die kleur kon hij niet
-uitstaan.
-
-JONGEN. Hij zeide eens, om de vrouwen zou de duivel hem nog halen.
-
-WAARDIN. Nu zoo eenigszins, ’t is waar, had hij het over vrouwen, maar
-toen was hij assent en sprak van de hoer van Babylon.
-
-JONGEN. Weet gij het nog, hij zag eens een vlieg op Bardolfs neus
-zitten, en toen zeide hij, dat was een zwarte ziel, die in het helsche
-vuur brandde.
-
-BARDOLF. Nu, het hout is op, dat dit vuur onderhield; dit is al de
-rijkdom, dien ik in zijn dienst heb overgelegd.
-
-NYM. Zullen wij gaan schuiven? De koning zal wel van Southampton weg
-zijn.
-
-PISTOOL. Ja, laat ons gaan.—Mijn lief, reik mij uw lippen.
-Let op mijn boedel en mijn roerend goed;
-Verstand hoû stuur, en „bare munt” zij ’t wachtwoord;
-Vertrouw geen mensch;
-Een eed is stroo; geloof en trouw zijn wafels,
-En slechts „Hou vast” de ware hond, mijn duifje;
-Daarom, caveto moge uw raadsman zijn.
-Ga, droog uw parels.—Wapen-jukgenooten,
-Naar Frankrijk, komt! bloedzuiger-spelen, jongens!
-Gaan zuigen, zuigen, bloed, ja bloed gaan zuigen!
-
-JONGEN. Maar dat is recht ongezonde kost, zeggen ze.
-
-PISTOOL. Haar zachten mond nu aangeraakt, dan weg!
-
-BARDOLF. Vaarwel, waardin.
-
-(Hij kust haar.)
-
-NYM. Ik kan niet kussen, dat is de humor er van; maar leef wel.
-
-PISTOOL. Huishoud’lijkheid zie rond; nog eens, goed opgepast!
-
-VROUW HAASTIG. Het ga u goed, vaarwel!
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-VIERDE TOONEEL.
-
-
-Frankrijk. Een zaal in het koninklijk paleis.
-
-Trompetgeschal. Koning Karel, de Dauphijn, de Hertog van Bourgondië, de
-Connetabel en Anderen komen op.
-
-
-KONING KAREL. Zoo nadert England dus met heel zijn macht,
-En ’t moet ons meer dan ernst zijn, koninklijk
-Gereed te zijn om de’ aanval af te slaan.
-De hertogen van Berry en Bretagne,
-Van Orleans en Brabant moeten dus,
-Ook gij, mijn prins dauphijn, met allen spoed
-Op weg, om onze sterkten toe te rusten
-Met wakk’re mannen en verweringsmidd’len;
-Want England nadert met zoo snelle vaart
-Als ’t water, dat zich naar een maalstroom spoedt,
-’t Betaamt ons dus, vooruitziend zoo te zorgen,
-Als vrees ons leeren moet door menig voorbeeld,
-Dat dit geminacht en verderflijk England
-Op onze velden eertijds achterliet.
-
-DAUPHIJN. Grootmachtig vader, zeker is het nuttig,
-Dat wij ons waap’nen tegen onzen vijand;
-Geen vrede wiege een rijk ooit zoo in slaap,—
-Al dreigt geen krijg, noch openbare twist,—
-Dat krijgsvoorraad, verweringsmidd’len, manschap
-Niet saamgebracht, versterkt, geoefend worden,
-Alsof een oorlog te verwachten waar’.
-’t Is daarom, zeg ik, nuttig, dat wij allen
-Nu Frankrijks zwakke punten gaan bezien;
-Maar laat dit zonder zweem van vrees geschieden,
-Zoo zonder zorg, als hoorden wij, dat England
-Zich met een pinkster-moorendans vermaakt.
-Want, beste vorst, ’t is nu zoo dwaas gekoningd,
-Zijn scepter voert zoo grillig thans een jongling
-Als ijdel, nietig, wuft erkend, dat England
-Geen vrees meer wekt.
-
-CONNETABEL. O stil toch, prins dauphijn!
-Te zeer bedriegt gij u in dezen koning.
-Uw hoogheid ondervrage eens de afgezanten,
-Hoe hij vol waardigheid hun boodschap hoorde,
-Door eed’le mannen van zijn raad omringd,
-Hoe kalm zijn wederlegging was, en toch,
-Hoe indrukwekkend door zijn vast besluit;
-Want dan erkent gij, dat zijn vroeg’re dwaasheid
-De mom van den Romeinschen Brutus was,
-Wijsheid bedekkend met een narrenmantel,
-Gelijk tuiniers met mest die wortels dekken,
-Die, teer en vroeg, vóór de andren schieten moeten.
-
-DAUPHIJN. O, ’t is niet zoo, mijn heer groot-connetabel;
-Doch hoe het werk’lijk zij, ’t is onverschillig;
-Men achte, wordt verdediging beraamd,
-Den vijand immer sterker dan hij schijnt;
-Haar vollen eisch krijgt dan de weerbaarheid,
-Die, op een zwakke en kaar’ge wijs ontworpen,
-Gelijk een vrek, om luttel stofs te sparen
-Heel ’t kleed bederft.
-
-KONING KAREL. Denkt koning Hendrik machtig,
-En rust u krachtig toe ten strijd met hem.
-Zijn stam is eertijds van ons vleesch gevoed;
-Hij is een welp van dat bloedgierig ras,
-Dat in ons eigen veld en bosch ons opzocht;
-Getuige die al te onvergeetb’re smaad,
-Toen Cressy’s slag noodlottig werd geslagen,
-En onze prinsen allen in de macht
-Der hand met zwarten naam, van Edward, vielen,
-Den zwarten prins van Wales, terwijl zijn vader,
-Staande op een berg,—hijzelf alreeds een berg,—
-Hoog in de lucht, gekroond met zonnegoud,
-Zag, hoe zijn heldenzaad,—glimlachend zag hij ’t,—
-De werken der natuur verdierf, de vormen,
-In twintig jaar door God en Frankrijks vaders
-Tot stand gebracht, verminkte. Een tak is deze
-Van dien zeeghaften stam; en daarom, ducht
-Zijn aangeboren kracht en zijn gesternte.
-
-(Een Kamerheer komt op.)
-
-KAMERHEER. Gezanten, Heer, van Hendrik, Englands koning,
-Verzoeken bij uw majesteit gehoor.
-
-KONING KAREL. Het zij terstond verleend. Geleid hen tot ons.
-
- (De Kamerheer en eenige Lords af.)
-
-Gij ziet, de jacht gaat fel haar gang, mijn vrienden.
-
-DAUPHIJN. Wend om en doe haar staan; want laffe honden
-Zijn met hun muil het stoutst, wanneer hun wild
-Ver voor hen uitloopt. Beste heer en vorst,
-Geef dien gezanten kort bescheid, en toon hun,
-Van welk een koninkrijk gij ’t hoofd zijt, heer;
-Want zelfmin is een minder snoode zonde
-Dan zelfverzuim.
-
-(De Edellieden komen terug, met Exeter en Gevolg.)
-
-KONING KAREL. Van onzen broeder England?
-
-EXETER. Zoo is ’t en dus begroet hij uwe hoogheid:
-Hij eischt van u, in naam van God Almachtig,
-Dat ge u ontdoet van uw geborgde hoogheid,
-Die aflegt, daar zij naar des hemels wil,
-’t Natuurrecht en der volken wet behoort
-Aan hem en aan zijn erven; dus met name
-De kroon, met iedre glansrijke eer, verbonden
-Naar oud gebruik en de inzetting der tijden
-Aan Frankrijks kroon. Opdat gij weten moogt,
-Dat dit geen slinksche, wraakb’re vord’ring is,
-Ontdekt in ’t molm van lang vervlogen dagen,
-Gerakeld uit vergetelheids oud stof,
-Zendt hij u deze’ opmerkenswaarden stamboom,
-
-(Hij overhandigt een geslachtsboom.)
-
-Welks takken ieder vol bewijskracht zijn.
-Hij vraagt, dat gij die tafel door wilt zien;
-En als gij vindt, dat hij in rechte lijn
-Van den beroemdsten der beroemde vaad’ren,
-Edward den derden, stamt, dan vraagt hij u
-Uw kroon en scepter af, als valschlijk hem,
-Die naar geboorte en recht deze eischt, onthouden.
-
-KONING KAREL. Wat volgt bij weig’ring?
-
-EXETER. De dwang des zwaards. Want zelfs als gij de kroon
-In uwe harten bergt, hij graaft haar uit;
-Met dit doel komt hij, als een Jupiter
-In fellen storm, in aardschudding en onweer,
-Opdat hij, helpt hem geen vermaan, u dwing’;
-Bij Jezus’ ingewanden zegt hij u:
-Doe afstand, heb genâ met de arme zielen,
-Naar wie de hong’rige oorlog reeds de kaken
-Wijd openspert; hij wentelt op uw hoofd
-Der weeuwen tranenvloed, der weezen kreten,
-Der dooden bloed, der bange maagden zuchten
-Om gaden, vaders, dierb’re bruidegoms,
-Welke allen dezen krijg verslinden zal.
-Dit is zijn eisch, zijn dreiging, heel mijn boodschap.
-Tenzij hier de dauphijn aanwezig zij,
-Dien ik uitdrukkelijk te begroeten heb.
-
-KONING KAREL. Wat ons aangaat, wij zullen overwegen;
-Op morgen brengt gij onzen broeder England
-Ons antwoord weer.
-
-DAUPHIJN. Wat den dauphijn betreft,
-Hij staat hier voor u; spreek, wat zendt hem England?
-
-EXETER. Uittarting en verachting, hoon en spot,
-En alles, wat den grooten zender niet
-Onteeren kan; dit is ’t, wat hij u waard acht.
-Zoo spreekt mijn vorst: wanneer uws vaders hoogheid
-Niet, door geheel in elken eisch te treden,
-Den bitt’ren spot verzoet, dien gij hem zondt,
-Zal hij zoo scherp ter rekenschap u roepen,
-Dat Frankrijks holen en gewelfde grotten
-Uw driestheid zullen laken en uw loon
-U kwijten in den weergalm zijns geschuts.
-
-DAUPHIJN. Zeg hem, dat, geeft mijn vader gunstig antwoord,
-Dit strijdt met mijnen raad; want niets verlang ik
-Dan strijd met England; tot dit doel vereerde ik,
-Als passend voor zijn jeugd en ijdel doen,
-Hem die Parijzer ballen ten geschenke.
-
-EXETER. Daarvoor zal uw Parijzer Louvre sidd’ren,
-Al stelde uw hof aan gansch Euroop de wet;
-Geloof me, een grooten afstand zult gij vinden,
-Gelijk verbaasd zijn eigen volk het vond,
-Van wat zijn groene dagen deden wachten
-Tot wat de vorst nu is. Hij weegt zijn tijd
-Thans tot het laatste grein; dit speurt gij dra,
-Blijft hij in Frankrijk, in uw nederlagen.
-
-KONING KAREL. Op morgen zult gij ons besluit vernemen.
-
-EXETER. Laat ras ons gaan, opdat niet onze koning
-Hier zelf naar ons vertoeven vragen koom’;
-Hij heeft reeds voet aan wal gezet in Frankrijk.
-
-KONING KAREL. Dra laten we u met billijk antwoord gaan.
-Een nacht is snel vervlogen en recht kort,
-Om zaken af te doen van dit gewicht.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE BEDRIJF.
-
-
-Trompetgeschal. Chorus treedt op.
-
-
-CHORUS. Zoo vliegt op vleug’len der verbeelding steeds
-Ons ijlend schouwspel met geen mind’re vaart
-Dan der gedachte. Denkt, gij zaagt den koning,
-Wel toegerust, aan Hamptons havenhoofd
-Zijn rijk inschepen, en zijn wakk’re vloot
-Den jongen dag met zijden wimpels groeten.
-Spele uw verbeelding mede; ziet aldus
-Scheepsjongens klaut’ren in ’t getaande want,
-En hoort de schelle fluit, die orde stelt
-Op ’t woest geraas; en ziet de linnen zeilen,
-Die ongezien de wind besluipt en spant,
-Door de opgeploegde zee de kielen stuwen,
-Wier forsche boeg den hoogen golfslag trotst.
-O, denkt, dat gij aan strand staat en een stad
-Ziet dansen op de wisselzieke baren;
-Want zoo doet zich die grootsche vloot u voor,
-Die koers zet naar Harfleur. O volgt haar, volgt!
-Haakt uwen geest aan de achterstevens vast,
-En laat uw England, doodsch als middernacht,
-Bewaakt door grijsaards, kind’ren, oude vrouwen,
-Wier kracht en merg verdween of komen moet.
-Wie toch, wien slechts een enkel zichtbaar haar
-De kin versiert, trekt niet naar Frankrijk op,
-Met zoo volmaakte en uitgelezen dapp’ren?
-Wekt, wekt uw geest; aanschouwt zoo een beleg,
-En ziet de stukken op de affuiten, gapend
-Met onheilvolle monden naar Harfleur.
-Frankrijks gezant, stelt dit u voor, keert weder
-En meldt aan Hendrik, dat de koning hem
-Zijn dochter aanbiedt, en, met haar als bruidschat,
-Een paar armzaal’ge kleine hertogdommen.—
-Het aanbod smaakt niet; nu beroert de lont
-Des kanonniers het helsch geschut,
-
-(Krijgsgedruisch en kanongebulder.)
-
- dat alles
-Ter neder velt.—Schenkt immer ons uw gunst,
-En heele uw geest de leemten onzer kunst.
-
- (Chorus af.)
-
-
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Frankrijk. Voor Harfleur.
-
-Krijgsgedruisch. Koning Hendrik komt op, benevens Exeter, Bedford,
-Gloster en Soldaten met stormladders.
-
-
-KONING HENDRIK. Nog eens gestormd, nog eens, mijn lieve vrienden!
-Of stopt de bres met Englands doode strijders!
-In vredestijd staat niets den man zoo goed,
-Dan rustige bescheidenheid en ootmoed;
-Maar trilt des oorlogs storm ons in het oor,
-Bootst dan het doen des fellen tijgers na;
-Spant iedre pees en wekt uw bloed; vermomt
-Uw vriendlijke natuur door norsche woede;
-Leent dan aan ’t oog een onheilspellend uitzicht;
-Het gluur’, gelijk een veldslang, door de schutpoort
-Van ’t hoofd; de wenkbrauw overwelv’ het dreigend,
-Gelijk een rots, die, onder uitgehold,
-Ver uitsteekt over zijn vergruisden voet,
-Waar de oceaan vernielend, woest, om bruist.
-Spert wijd het neusgat, klemt de tanden saam,
-Houdt de’ adem in, spant al uw kracht en geest
-Tot volle hoogte!—Op, op, gij Englands eedlen!
-Gij, ’t bloed van in den krijg beproefde vaad’ren,
-Vaad’ren, die, elk een Alexander, hier
-Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds rustloos streden,
-En ’t zwaard eerst borgen om gebrek aan werk.
-Onteert uw moeders niet, maar staaft, dat zij,
-Die gij uw vaders noemt, u ook verwekten.
-Weest mannen van een grover bloed ten voorbeeld,
-Leert hun wat strijden is.—Ook gij, braaf landvolk,
-Met leden, die in England groeiden, toont
-De kracht van uwe weiden; laat ons zweren,
-Dat ge uw verzorging waard zijt; doch dit weet ik;
-Want zoo gering of laag is geen van u,
-Dat nu zijn oog niet straalt van eed’len gloed;
-Ja, ’k zie, gij staat als brakken aan de lijn,
-En rukt om los te komen. ’t Wild is op;
-Gaat, volgt uw moed; uw wapenkreet bij ’t stormen
-Zij:—„God met Hendrik! England en Sint George!”
-
- (Allen af. Krijgsgedruisch en kanonschoten.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Op dezelfde plaats.
-
-Legerscharen. Nym, Bardolf, Pistool en de Jongen komen op.
-
-
-BARDOLF. Vooruit, vooruit, vooruit! naar de bres, naar de bres!
-
-NYM. Ik bid u, korporaal, bedaard; de kloppartij is al te heet; en wat
-mij betreft, ik heb geen koppel levens; de humor er van is te heet, dat
-is de litanie er van.
-
-PISTOOL. De litanie is juist; het wemelt hier van humors;
-Klop hier, klop daar; Gods knechten vallen, sneven:
-
- Hier wint de held
- Op ’t bloedig veld
- Al strijdend eeuw’gen roem.
-
-JONGEN. Ik wenschte, dat ik in een bierhuis zat, in Londen! Ik zou al
-mijn roem voor een kan bier geven en voor veiligheid.
-
-PISTOOL. En ik:
- Zoo alles maar voor ’t wenschen was,
- Of ik dan ook vol ijver was!
- Ik ijlde fluks er heen.
-
-JONGEN. Zoo vluchtig
- En luchtig,
- Als ’t vogeltje zingt in ’t bosch.
-
-(Fluellen komt op.)
-
-FLUELLEN. Foort, naar de pres, gij honden! foort, schafuiten!
-
-PISTOOL. Spaar, groote veldheer, ’t zwak geslacht des stofs!
-Betoom uw woede, toom uw mannenwoede;
-Betoom uw woede, o veldheer!
-Fier haantje, toom uw woede; erbarmen, duifje!
-
-NYM. Dat zijn fraaie humors!—een mensch zijn eer wint niets dan booze
-humors.
-
- (Nym, Pistool en Bardolf af; Fluellen achter hen aan.)
-
-JONGEN. Zoo jong als ik ben, heb ik toch die drie vechtersbazen in de
-gaten. Ik ben jongen bij hen alle drie; maar zij alle drie, als zij bij
-mij wilden dienen, waren toch mijn man niet; want waarachtig, drie
-zulke fratsenmakers maken samen nog niet één man uit. Bardolf, die
-heeft een witte lever en een rood gezicht; en daarom, met zijn vlammen
-ziet hij er vurig genoeg uit, maar hij vecht niet. Pistool, die heeft
-een moorddadige tong en een vreedzaam zwaard; en daarom breekt hij
-woorden den nek, maar houdt zijn wapens heel. Nym, die heeft wel eens
-gehoord, dat menschen van weinig woorden de besten zijn, en daarom
-verdraait hij het, ooit te bidden, opdat men hem niet voor een lafaard
-zou houden, maar naast zijn weinige en slechte woorden staan even
-weinige goede daden, want hij sloeg nooit iemand den kop in dan
-zichzelf, en dat was tegen den deurpost, toen hij dronken was. Zij
-stelen alles, wat voor de hand komt, en dat noemen zij zaken doen.
-Bardolf stal de kast van een luit en droeg die twaalf mijlen ver en
-verkocht ze voor vierdehalven stuiver. Nym en Bardolf zijn gezworen
-broeders in het kapen en in Calais stalen zij een aschschop; uit dat
-proefstuk zag ik, dat geen van tweeën een schop waard is. Zij zouden
-willen, dat ik even goed vertrouwd was met een andermans zakken, als
-zijn handschoenen of zakdoeken het zijn, wat zeer tegen mijn
-mannenwaarde strijdt, als ik uit een anders zak wat neem om het in den
-mijnen te steken, want dat zou toch niets anders wezen dan onrecht op
-te steken. Ik moet van hen weg en een beteren dienst zoeken; mijn
-zwakke maag kan hun schelmerij niet verdragen en daarom moet ik dien
-opgeven.
-
- (De Jongen af.)
-
-(Fluellen komt terug, gevolgd door Gower.)
-
-GOWER. Overste Fluellen, gij moet dadelijk bij de mijnen komen; de
-hertog van Gloster wil u spreken.
-
-FLUELLEN. Pij te mijnen? seg gij ten hertog, het is niet so choed te
-komen bij te mijnen, want, siet gij, te mijnen is niet in akkoord met
-de leering fan ten oorlog; de concaviteiten er van is niet chenoegsaam,
-want, ziet gij, de vijand,—dat kunt gij den hertog wel seggen, siet
-gij,—is self wel vier ellen onder de contermijnen gegraafd. Pij Jezus,
-ik denk, hij sal ons allen springen in de lucht, als er geen betere
-directies is.
-
-GOWER. De hertog van Gloster, die het bestuur heeft van het beleg, laat
-zich geheel leiden door een Ier, een recht dapper man, op mijn woord.
-
-FLUELLEN. Dat is de overste Macmorris, niet waar?
-
-GOWER. Ik geloof van ja.
-
-FLUELLEN. Pij Jezus, hij is een ezel, als in de wereld, dat wil ik
-pefestigen op zijn baard; hij heeft niet meer directies in de ware
-kunsten van den oorlog, siet gij, van de Romeinsche kunsten, als een
-pasgeboren schoothond.
-
-(Macmorris en Jamy komen op den achtergrond op.)
-
-GOWER. Daar komt hij; en de Schotsche overste, overste Jamy, is bij
-hem.
-
-FLUELLEN. Oferste Jamy is een verpazend tapper edelman, dat is zeker;
-en fan groote onderfinding en wetenschap in de oude oorlogen, naar mijn
-pijzondere kennis van zijn directies; pij Jezus, hij zal zijn onderwerp
-staande houden, soo choed als eenig krijgsman in de wereld, in de
-wetenschappen van de foorgaande oorlogen van de Romeinen.
-
-JAMY. Ik zeg u goeden dag, overste Fluellen.
-
-FLUELLEN. Wees gechroet, oferste Jamy.
-
-GOWER. Hoe staat het, overste Macmorris, hebt gij de mijnen verlaten?
-hebben de schansgravers het opgegeven?
-
-MACMORRIS. Bij Christus, ’t is verkeerd gedaan; het werk is opgegeven,
-de trompetters blazen terugroeping. Bij mijn hand zweer ik en bij mijns
-vaders ziel, dat is verkeerd gedaan, het werk is opgegeven; ik had de
-stad in de lucht laten springen, zoo waar mij Christus helpe, ja, in
-een uur. O, ’t is verkeerd gedaan, ’t is verkeerd gedaan; bij mijn
-hand, ’t is verkeerd gedaan.
-
-FLUELLEN. Oferste Macmorris, ik pit u nu, wilt gij mij toestaan, siet
-gij, een paar disputaties met u te hebben, als gedeeltelijk betreffend
-of belangend de wetenschappen van den oorlog, de Romeinsche oorlogen,
-bij wijze van argumentatie, siet gij, en friendschappelijke
-communicatie, gedeeltelijk tot bewijzen mijn meening, en gedeeltelijk,
-siet gij, tot pefestiging van mijn inzichten betreffende de directie
-van de krijgswetenschap, dat is de zaak.
-
-JAMY. Dat zal zeer goed zijn, dat is zeer goed, mijn goede oversten
-beiden, en ik zal het, met verlof, u vergelden, als de gelegenheid eens
-komt; dat zal ik, waarachtig.
-
-MACMORRIS. Het is geen tijd om te gaan redeneeren, zoo waar Christus
-mij helpe. De strijd is heet, en het weer, en de oorlog, en de koning
-en de hertogen; het is geen tijd voor redeneeren. De stad wordt berend
-en de trompet roept ons naar de bres, en wij praten, en, bij Christus,
-wij doen niets; ’t is schande voor ons allen; zoo waar God mij helpe,
-’t is schande, stil te blijven; ’t is schande, bij mijn hand; en daar
-zijn kelen af te snijden en daar is werk te doen, en daar wordt niets
-gedaan, zoo waar Christus mij helpe, ja.
-
-JAMY. Bij het sakrament, eer deze mijn oogen zich te slapen leggen, wil
-ik goede diensten doen, of ik wil er voor in den grond liggen, ja, of
-mijn leven laten; en ik wil het zoo manhaftig betalen, als ik kan; dat
-zal ik zeker doen; ja, dat is kort en goed de zaak. Maar toch, ik had
-gaarne een dispuut tusschen u tweeën gehoord.
-
-FLUELLEN. Oferste Macmorris, ik cheloof, siet gij, met uwe ferpetering,
-er is niet velen van uw natie—
-
-MACMORRIS. Van mijn natie? Wat is mijn natie? Is het een hondsvot en
-een bastaard en een schelm en een schurk? Wat is mijn natie? Wie zegt
-iets van mijn natie?
-
-FLUELLEN. Ziet gij? als gij de zaak anders neemt dan is gemeend,
-oferste Macmorris, zoo zal ik misschien denken, dat gij mij niet
-pehandelt met de beleefdheid, als gij in pillijkheid pehoort mij te
-behandelen, siet gij, want ik ben een man even choed als gijzelf,
-zoowel in de wetenschappen van den oorlog, als in de afkomst van mijn
-geboorte en in andere pijsonderhedens.
-
-MACMORRIS. Ik weet niet, dat gij een even goed man zijt als ik; zoo
-waar Christus mij helpe, ik zal u het hoofd afslaan.
-
-GOWER. Gij heeren alle twee, gij verstaat elkaar verkeerd.
-
-JAMY. Ai, dat is een boos gebrek.
-
-(Er wordt een sein tot een mondgesprek geblazen.)
-
-GOWER. De stad laat daar het sein tot onderhandeling blazen.
-
-FLUELLEN. Oferste Macmorris, als er eens een peterder gelegenheid te
-krijgen is, siet gij, dan sal ik de frijheid nemen u te fertellen, dat
-ik de wetenschappen van den oorlog versta; en daarmee genoeg.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-DERDE TOONEEL.
-
-
-Aldaar. Voor de poort van Harfleur.
-
-De Commandant der stad met eenige Burgers op de wallen. De Engelsche
-legermacht beneden. Koning Hendrik komt op met zijn Gevolg.
-
-
-KONING HENDRIK. Waartoe besluit de commandant der stad?
-Voor ’t laatst is u een mondgesprek gegund;
-Geeft dus u over, bouwend op genade,
-Of tart, als mannen, tuk op hun verderf,
-Ons tot het uiterst, want, zoo waar ik ben,—
-Wat ik mijn hoogsten eernaam acht,—soldaat,
-Wanneer mijn schutgevaarte weer begint,
-Verlaat ik ’t half verwoest Harfleur niet eer,
-Dan als het in zijn asch begraven ligt.
-’k Zal alle poorten der genade sluiten;
-De ontmenschte krijger, met een hart als steen,
-Hoog’ vrij, ’t geweten ruim gelijk de hel,
-Zijn hand des bloeds dan roeren, maaie als gras
-Uw frissche maagden weg, uw bloeiend kroost
-Wat deert het mij dan, of de snoode krijg,
-In vlammen, als der duiv’len vorst, gehuld,
-’t Gelaat met bloed bestreken, al de gruw’len,
-Die steeds op storm en plund’ring volgen, pleegt?
-Wat deert het mij,—gijzelf toch draagt de schuld,—
-Of uwe reine maagden in de hand
-Van heete, razende verkrachting vallen?
-Wat teugel kan den wulpschen moedwil stuiten,
-Als die zijn felle vaart bergafwaarts neemt?
-Niet minder vruchtloos spilden wij ons machtwoord
-Bij krijgers, woest en dol van plunderzucht,
-Dan zoo we aan strand den Leviathan daagden
-Voor onzen stoel. Dies, mannen van Harfleur,
-Hebt deernis met uw stad en met uw volk,
-Terwijl mijn krijgers luist’ren naar mijn wil,
-En der genade koele, warme wind
-De zwarte en onheilzwang’re wolken wegdrijft
-Van woesten moord en roof en schurkerij.
-Zoo niet, dan ziet gij in een oogwenk blinde,
-Bloedgier’ge krijgers met onreine hand
-De lokken van uw dochters, hoe ze ook gillen,
-Bezoed’len; bij den zilv’ren baard uws vaders
-Gevat, hun achtb’re hoofden wreed verplet,
-Uw naakte wichtjes op een piek gespietst,
-Terwijl de moeders met haar wanhoopskreten
-De wolken splijten, als Judea’s vrouwen
-Bij ’t bloedbad van Herodes’ slacht’renrot.
-Spreekt, wilt ge u overgeven, dit vermijden?
-Of, om uw weerstand, al die gruwlen lijden?
-
-COMMANDANT. ’t Is heden voor ons uit met elke hoop.
-Wij smeekten den dauphijn om hulp; zijn antwoord
-Luidt, dat zijn macht alsnog om ons te ontzetten
-Niet toereikt; dies, o groote koning, geven
-Wij onze stad aan uw genâ thans over,
-Trek binnen, neem bezit van ons en ’t onze;
-Wij zijn niet meer in staat tot tegenweer.
-
-KONING HENDRIK. Ontsluit de poorten!—Kom, oom Exeter,
-Trekt gij Harfleur nu binnen, toef aldaar,
-En maak het sterk, dat het de Franschen keer’;
-Wees allen goedertieren. En, mijn oom,
-De winter naakt en ’t aantal zieken neemt
-In ’t leger toe; dus, wij gaan naar Calais.
-Deze eene nacht zijn we in Harfleur uw gast;
-Op morgen geven wij tot de’ opmarsch last.
-
-(Trompetgeschal. De Koning en de zijnen trekken de stad binnen.)
-
-
-
-
-VIERDE TOONEEL.
-
-
-Rouaan. Een vertrek in het koninklijk paleis.
-
-Catharina en Alice komen op.
-
-
-CATHARINA. Alice, tu as esté en Angleterre, et tu bien parles le
-langage.
-
-ALICE. Un peu, Madame.
-
-CATHARINA. Je te prie, m’enseigniez; il faut que je apprend à parler.
-Comment appellez vous le main, en Anglois?
-
-ALICE. Le main, il est appellé de hand.
-
-CATHARINA. De hand. Et les doigts?
-
-ALICE. Les doigts? ma foy, j’ai oublié les doigts, mais je me
-souviendray. Les doigts? je pense qu’ ils sont appellé de fingres; ouy,
-de fingres.
-
-CATHARINA. Le main, de hand; les doigts, de fingres. Je pense que je
-suis le bon escolier. J’ai gagné deux mots d’ Anglois vistement.
-Comment appellez vous les ongles?
-
-ALICE. Les ongles? Nous les appellons, de nails.
-
-CATHARINA. De nails. Escoutez; dites moy, si je parle bien: de hand, de
-fingres, et de nails.
-
-ALICE. C’est bien dict, Madame; il est fort bon Anglois.
-
-CATHARINA. Dites moy l’Anglois pour le bras.
-
-ALICE. De arm, Madame.
-
-CATHARINA. Et le coude?
-
-ALICE. De elbow.
-
-CATHARINA. De elbow. Je m’en faitz la répétition de tous les mots que
-vous m’avez apprins dès à présent.
-
-ALICE. Il est trop difficile, Madame, comme je pense.
-
-CATHARINA. Excuse moy, Alice, escoute: de hand, de fingre, de nails, de
-arm, de bilbow.
-
-ALICE. De elbow, Madame.
-
-CATHARINA. O Seigneur Dieu! je m’en oublie; de elbow. Comment appellez
-vous le col?
-
-ALICE. De neck, Madame.
-
-CATHARINA. De nick. Et le menton?
-
-ALICE. De chin.
-
-CATHARINA. De sin. Le col, de nick; le menton, de sin.
-
-ALICE. Ouy. Sauf vostre honneur, en vérité, vous prononcez les mots
-aussi droict que les natifs d’Angleterre.
-
-CATHARINA. Je ne doute point d’apprendre par la grace de Dieu, et en
-peu de temps.
-
-ALICE. N’avez vous déjà oublié ce que je vous ay enseigné?
-
-CATHARINA. Non, je réciteray à vous promptement. De hand, de fingre, de
-mails,—
-
-ALICE. De nails, Madame.
-
-CATHARINA. De nails, de arme, de ilbow.
-
-ALICE. Sauf vostre honneur, de elbow.
-
-CATHARINA. Ainsi dis je; de elbow, de nick, et de sin. Comment appellez
-vous le pied et la robe?
-
-ALICE. De foot, Madame, et de coun.
-
-CATHARINA. De foot, et de coun? O seigneur Dieu! ils sont les mots de
-son mauvais, corruptible, grosse et impudique, et non pour les dames de
-honneur d’user. Je ne voudrois prononcer ces mots devant les seigneurs
-de France, pour tout le monde. Il faut de foot, et de coun, néantmoins.
-Je réciteray une autre fois ma leçon ensemble: de hand, de fingre, de
-nails, de arme, de elbow, de nick, de sin, de foot, de coun.
-
-ALICE. Excellent, Madame.
-
-CATHARINA. C’est assez pour une fois: allons nous à disner.
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-VIJFDE TOONEEL.
-
-
-Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.
-
-De Koning van Frankrijk, de Dauphijn, de Hertog van Bourbon, de
-Connetabel van Frankrijk en Anderen komen op.
-
-
-KONING KAREL. Dit is gewis, de Somme is hij reeds over.
-
-CONNETABEL. En grijpt men hem niet aan, mijn vorst, zoo laat ons
-Niet meer in Frankrijk blijven, ’t gansch ontruimen,
-Wijnbergen, alles, aan barbaren schenken.
-
-DAUPHIJN. O Dieu vivant! Wat! zullen een paar rijsjes,
-De uitbotting van de wulpschheid onzer vaad’ren,
-Uitspruitsels, op een wilden stam geënt,
-Zal dit zoo plotsling in de wolken schieten,
-Zoo laag op die hen entten nederzien?
-
-BOURBON. Normandiërs, niets, niets dan Normannerbastaards!
-Mort de ma vie! gaan zij onaangevochten
-Hun weg,—ik maak mijn hertogdom te gelde,
-En koop me in Albion, dien neergeplompten
-Uithoek der aard, een smeer’ge boerenplaats.
-
-CONNETABEL. Dieu des batailles! Wat schonk hun dat vuur?
-Is hun klimaat niet mistig, somber, ruw,
-Schijnt ook de zon, geërgerd, er niet bleek,
-Hun vruchten doodend met zijn fronsblik? Kan
-Hun brouwsel, water op wat gerst getrokken,
-Een drank voor afgereden knollen, zoo
-’t Koud bloed van hen tot dapp’re hitte koken?
-En moet ons warmer bloed, door wijn bezield,
-Bevroren schijnen? O, voor Frankrijks eer,
-Laat ons niet hangen, als aan onze daken
-IJskegels doen, terwijl een kouder volk
-De droppels zijner dapp’re jeugd hier zweet
-Op onze rijke velden, die men arm
-Mag noemen in hun aangeboren meesters.
-
-DAUPHIJN. Bij eer en trouw, reeds spotten onze schoonen
-Ronduit met ons, ja, zeggen meer: ons vuur
-Zou uit zijn, en dra geven ze aan den lust
-Van Englands jeugd haar lichaam prijs, om Frankrijk
-Op nieuw, met bastaard-krijgers, te bevolken.
-
-BOURBON. Dansmeesters willen ze ons in England zien.
-Luchtsprongen, vlugge passen onderwijzend;
-In onze hielen, heet het, zit onze eer;
-In ’t loopen hebben we ons gelijken niet.
-
-KONING KAREL. Waar is Montjoye, des rijks heraut? hij groete
-Uitdagend, namens ons, ras Englands vorst.—
-Op, prinsen! ijlt in ’t veld! de geest der eer
-Zij scherper wapen nog dan ’t felste zwaard!
-Charles de la Bret, Frankrijks groot connetabel,
-Gij, hertogen van Orleans, Bar, Berry,
-Bourgogne, Brabant, Alençon, Bourbon,
-Jacques Chatillon, Rambures, Vaudemont,
-Beaumont, Grandpré, Roussi en Fauconberg,
-Foix, Lestrale, Boucicault en Charolois,
-Hertogen, prinsen, graven, baanderheeren,
-Delgt, gij met groote leenen, grooten smaad;
-Stuit Englands Hendrik, die door Frankrijk stormt
-Met vanen, voor Harfleur in bloed gedoopt;
-Stort op zijn leger, als gesmolten sneeuw
-In dalen, op wier lagen knechtenzetel
-Der Alpen kruin haar vochten spuwt en uitgiet;
-Gaat, overvalt hem,—macht hebt gij genoeg,—
-En voert hem, in een wagen opgesloten,
-Gevangen naar Rouaan.
-
-CONNETABEL. Zoo past het grooten.
-Slechts dit bedroeft mij, dat zijn macht zoo klein,
-Zijn volk verhongerd, krank is van den marsch;
-Want zeker, ziet hij slechts ons heer, dan zal
-Zijn hart verzinken in een poel van vrees,
-En hij, in steê van strijd, een losgeld bieden.
-
-KONING KAREL. Spoor dies Montjoye tot spoed, heer connetabel;
-Hij vrage aan Englands koning, namens ons,
-Welk losgeld hij vrijwillig wil voldoen.—
-Gij, prins Dauphijn, blijft bij ons in Rouaan.
-
-DAUPHIJN. Ik bid uw majesteit, dit niet.
-
-KONING KAREL. Berust er in, gij blijft alhier bij ons.—
-Op, connetabel, en gij prinsen allen!
-En meldt welras, dat England is gevallen!
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-ZESDE TOONEEL.
-
-
-Het Engelsch legerkamp in Picardije.
-
-Gower en Fluellen komen op, elkander ontmoetende.
-
-
-GOWER. Hoe staat het, overste Fluellen? komt gij van de brug?
-
-FLUELLEN. Ik verzeker u, daar worden zeer uitstekende diensten pegaan
-pij de prug.
-
-GOWER. Is de hertog van Exeter ongedeerd?
-
-FLUELLEN. De hertog van Exeter is zoo heldenmoedig als Agamemnon, en
-een man, dien ik pemin en eer, met mijn ziel, en mijn hart, en mijn
-verknochtheid, en mijn leven, en mijn levensmiddelen, en al mijn
-vermogen. Hij is,—Chod sij gedankt en geprijst!—gewond op geenerlei
-wijs, maar hij houdt de prug, zoo dapper mogelijk, en met
-foortreffelijke wetenschap fan den oorlog. Daar is een faandrig
-luitenant pij de prug,—ik denk waarachtig in mijn geweten, hij is een
-dappere man als Marcus Antonius, en hij is een man van geen estimatie
-in de wereld, maar ik heb hem praven dienst zien doen.
-
-GOWER. Hoe noemt gij hem?
-
-FLUELLEN. Hij heet faandrig Pistool.
-
-GOWER. Ik ken hem niet.
-
-(Pistool komt op.)
-
-FLUELLEN. Daar komt de man.
-
-PISTOOL. Hoofdman, ik bid u, mij een gunst te doen;
-De hertog Exeter is u genegen.
-
-FLUELLEN. Ja, dank zij Chod, en ik heb ook enkele welwillendheid
-verdiend van zijn hand.
-
-PISTOOL. Bardolf, een krijgsman, vast en sterk van hart,
-Met sluwen moed, heeft door het gruw’lijk noodlot,
-En ’t wiss’lend dolle rad der wufte vrouw,
-De blinde schikgodin Fortuin,
-Wier stand is op een steen, die rustloos rolt,—
-
-FLUELLEN. Met uw ferlof, faandrig Pistool. Fortuin wordt plind gemalen
-met een pand voor haar oogen om u te betuiten, dat Fortuin blind is. En
-sij wordt ook gemalen met een rad, om u te betuiten,—wat de moraal er
-fan is,—dat zij is draaiende en onpestendig en feranderlijkheid en
-ferscheidenheid, en haar foet, siet gij, is gefestigd op een polronden
-steen, dat rolt en rolt en rolt. Wezenlijk, de dichters maakt een zeer
-foortreffelijke peschrijving er fan, Fortuin is een foortreffelijke
-moraal.
-
-PISTOOL. Fortuin is Bardolfs vijandin, ziet norsch;
-Hij stal zich een monstrans en moet nu hangen.
-Een vloekb’re dood!
-Voor honden gaap’ de galg, de mensch zij vrij,
-En hennep mag zijn gorgel niet verstikken.
-Maar Exeter deed de uitspraak van den dood
-Voor voddigen monstrans.
-Ga dus en spreek, de hertog hoort uw stem;
-Zij Bardolfs levensdraad niet afgesneden
-Met scherpen penningstrop en lagen smaad;
-Spreek, hoofdman, voor zijn heil, en ik zal ’t u beloonen.
-
-FLUELLEN. Faandrig Pistool, ik fersta gedeeltelijk uw meening.
-
-PISTOOL. Welnu, ’t verheuge uw hart.
-
-FLUELLEN. Zeker, faandrig, het is niet een ding om ferheugd te zijn,
-want, siet gij, als hij mijn eigen proeder was, zou ik den hertog
-ferzoeken, zijn choedvinden te doen en hem te brengen tot de
-terechtstelling; want de krijgstucht moet gepruikt worden.
-
-PISTOOL. Sterf dan en wees verdoemd, en figo voor uw vriendschap!
-
-FLUELLEN. Het is choed.
-
-PISTOOL. De vijg van Spanje!
-
- (Pistool af.)
-
-FLUELLEN. Zeer choed.
-
-GOWER. Nu, dat is een uitgemaakte schelmachtige bedrieger; nu ken ik
-hem wel, een koppelaar en een beurzensnijder.
-
-FLUELLEN. Ik wil u verzekeren, hij uitte zoo prave woorden op de prug,
-als gij maar zien kunt op een zomerdag. Maar het is zeer choed; wat hij
-daar gesproken heeft tot mij, dat is choed, gij zult het zeker zien,
-als de cheschikte tijd er foor komt.
-
-GOWER. Nu, hij is een uilskuiken, een zot, een schelm, die af en toe in
-den oorlog gaat, om bij zijn terugkomst naar Londen den soldaat uit te
-hangen. En zulke knapen kennen de namen van de bevelhebbers op hun
-duimpje, en zij leeren van buiten waar het heet toeging, bij dit en dat
-bolwerk, bij die en die bres, bij dit en dat konvooi; wie zich dapper
-gehouden heeft, wie doodgeschoten werd, wie zich slecht gedroeg, welke
-voorwaarden de vijand stelde; en dat leeren zij nauwkeurig in
-krijgsmanstermen, die zij met nieuwmodische vloeken opsmukken. En wat
-een generaalsbaard en een havelooze legerplunje voor werking doen bij
-schuimende flesschen en met bier doortrokken hersens, het is verbazend,
-als men er aan denkt. Maar gij moet zulke schandvlekken van onzen tijd
-leeren erkennen, of gij zoudt u wonderbaarlijk kunnen vergissen.
-
-FLUELLEN. Ik wil u wat zeggen, oferste Gower; ik heb zeer choed
-gemerkt; hij is niet de man, dien hij gaarne aan de wereld zou laten
-zien dat hij is; als ik aan zijn rok een steek los vind, zal ik hem
-seggen wat ik denk. (Er wordt getrommeld.) Hoor daar, de koning komt,
-en ik moet spreken met hem over de prug.
-
-(Trommen en vaandels. Koning Hendrik, Gloster en Soldaten komen op.)
-
-Chod pehoete uw majesteit!
-
-KONING HENDRIK. Hoe is ’t, Fluellen, komt gij van de brug?
-
-FLUELLEN. Ja, om uwe majesteit te dienen. De hertog van Exeter heeft de
-prug zeer dapperlijk gehouden; de Franschen is afgetrokken, siet gij,
-en daar is dappere, recht prave gevechten. Waarachtig, de vijand waren
-pijna pezeten van de prug, maar hij is gedwongen geweest terug te gaan
-en de hertog van Exeter is meester van de prug. Ik kan het aan uwe
-majesteit zeggen, de hertog is een prave man.
-
-KONING HENDRIK. Wat hebt gij aan manschappen verloren, Fluellen?
-
-FLUELLEN. De verderving van den vijand is zeer groot geweest, naar alle
-rede groot; waarachtig, ik voor mijn persoon cheloof, de hertog heeft
-niet verloren een enkel man, dan een die denkelijk wordt terechtgesteld
-om het pestelen van een kerk, een zekeren Bardolf als uw majesteit den
-man kent; zijn gezicht is een en al puisten en knobbels en wratten en
-fuurflammen, en zijn lippen plazen zijn neus aan, en die is als een
-kool fuur, pij tijden plauw en pij tijden rood; maar nu is zijn neus
-terechtgesteld en zijn fuur is uit.
-
-KONING HENDRIK. Wij zouden al zulke misdadigers zoo uitgeroeid willen
-zien, en wij geven uitdrukkelijk bevel, dat er op onze marschen door
-het land aan de dorpen niets worde afgeperst, dat er niets genomen
-worde dan tegen betaling, dat geen Franschman gehoond of door smaadtaal
-gekrenkt worde; want als zachtmoedigheid en wreedheid om een koninkrijk
-spelen, is de zachtaardigste speler de eerste om te winnen.
-
-(Een trompetsignaal. Montjoye komt op.)
-
-MONTJOYE. Gij weet aan mijn gewaad reeds, wie ik ben.
-
-KONING HENDRIK. Dit weet ik, ja; wat moet ik van u weten?
-
-MONTJOYE. Mijns meesters wil.
-
-KONING HENDRIK. Ontvouw dien vrij.
-
-MONTJOYE. Zoo spreekt mijn koning:—„Zeg aan Hendrik van Engeland:
-ofschoon wij dood schenen, wij sliepen slechts; gunstige gelegenheid is
-een beter krijgsman dan overijling. Zeg hem, dat wij hem te Harfleur
-hadden kunnen tuchtigen, maar dat wij het niet goed vonden, een gezwel
-te drukken, voor het geheel rijp was. Nu is voor ons het oogenblik daar
-om te spreken, en onze stem is die van het gezag. Engeland moet zijn
-dwaasheid bejammeren, zijn zwakheid zien en onze lankmoedigheid
-bewonderen. Zeg hem daarom, aan zijn losgeld te denken, dat
-geëvenredigd moet zijn aan de verliezen, die wij geleden, de
-onderdanen, die wij verloren, de vernedering, die wij geduld hebben,
-zoodat, als die last hem met vol gewicht werd opgelegd, zijn kleinheid
-bezwijken zou. Wat onze verliezen betreft, zijn schatkamer is er te arm
-voor; wat het vergieten van ons bloed betreft, de legers van zijn
-koninkrijk te zwak in manschap; en wat onze vernedering betreft, zijn
-eigen persoon, knielend aan onze voeten, slechts een geringe en
-waardelooze voldoening. Voeg hierbij onze uitdaging; en zeg hem ten
-slotte, dat hij de verrader van zijn volgelingen is geworden, want dat
-hun veroordeeling uitgesproken is.”—Aldus spreekt mijn koning en
-meester; aldus luidt mijn opdracht.
-
-KONING HENDRIK. Hoe is uw naam? uw ambt is mij bekend.
-
-MONTJOYE. Montjoye.
-
-KONING HENDRIK. Gij kwijt u loff’lijk van uw last. Keer weder,
-En zeg uw vorst, dat ik hem thans niet zoek,
-Maar liever ongehinderd door wil trekken
-Tot naar Calais, want,—dit belijd ik hier,
-Al moge ’t niet zeer wijs zijn, aan een vijand,
-Die sluw zijn voordeel zoekt, dit te bekennen,—
-Mijn volk is afgemat door ziekte, en ook
-Gedund in tal, de handvol, die mij rest,
-Niet beter schier, dan even zooveel Franschen;—
-Schoon ’t in hun volle kracht,—voorwaar, heraut!—
-Mij scheen, dat ieder Engelsch beenenpaar
-Drie Franschen dragen kon. Maar God vergeev’ mij,
-Dat ik zoo poch!—het is uw Fransche lucht,
-Die dit gebrek mij aanwaait: ik betreur het.
-Ga dus en meld uw meester, dat ik hier ben,
-Dit zwak en waard’loos lijf mijn losgeld is,
-Mijn leger slechts een zwakke, kranke bende;
-Toch,—meld hem ’t,—komen willen wij, met God,
-Al sperde heel Frankrijk met een buur als hij
-Den weg ons af. Hier, neem dit voor uw moeite.—
-Ga, zeg uw heer, dat hij het wel bedenke:
-Laat hij ons door, ’t is wèl; weêrstaat hij ons,
-Dan kleurt uw purp’ren bloed den bruinen grond
-Door onze hand.—En nu, Montjoye, vaarwel!
-Nog eens zij hier ons antwoord saamgevat:
-„Wij zoeken niet, zooals wij zijn, een veldslag,
-Maar mijden dien ook niet, zooals wij zijn.”
-Zeg dit uw meester.
-
-MONTJOYE. Ik zal dit melden.—’k Zeg uw hoogheid dank.
-
-GLOSTER. Zij zullen, hoop ik, thans ons niet bestoken.
-
-KONING HENDRIK. In Gods hand zijn wij, niet in hunne hand.
-Thans allen naar de brug, want de avond valt;
-Wij leeg’ren ons aan gene zij des strooms,
-En eischen morgen hun den aftocht af.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-ZEVENDE TOONEEL.
-
-
-Het legerkamp der Franschen bij Agincourt.
-
-De Connetabel van Frankrijk, de Heer van Rambures, de Hertog van
-Orleans, de Dauphijn en Anderen komen op.
-
-
-CONNETABEL. Nu, ik heb de beste rusting ter wereld. Ware het al dag!
-
-ORLEANS. Gij hebt een uitmuntende rusting; maar laat mijn paard recht
-wedervaren.
-
-CONNETABEL. Het is het beste paard van heel Europa.
-
-ORLEANS. Zal het nooit morgen worden?
-
-DAUPHIJN. Mijn prins van Orleans en mijn heer de groot-connetabel, gij
-spreekt van paarden en rustingen,—
-
-ORLEANS. Gij zijt van beide zoo goed voorzien als eenig prins ter
-wereld.
-
-DAUPHIJN. Wat is dit een lange nacht!—Ik ruil mijn paard voor geen
-enkel ander, dat op vier hoeven loopt, Ça, ha! Hij springt van den
-grond op, alsof hij veerkrachtige haren tot ingewanden had; le cheval
-volant, de Pegasus, qui a les narines de feu! Als ik hem bestijg, zweef
-ik omhoog, ben ik een valk; hij draaft op de lucht; de aarde zingt, als
-hij haar aanraakt; in het horengekletter van zijn hoef is meer muziek
-dan in de veldfluit van Hermes.
-
-ORLEANS. Hij heeft de kleur van de muskaatnoot.
-
-DAUPHIJN. En de hitte van de gember. Het is een dier voor Perseus,
-niets dan vuur en lucht; de trage elementen, aarde en water, toonen
-zich nooit in hem, dan in zijn geduldige rust, als zijn berijder hem
-bestijgt; hij is inderdaad een paard, alle andere knollen kan men
-beesten noemen.
-
-CONNETABEL. Inderdaad, doorluchtig heer, hij is een alleruitmuntendst,
-voortreffelijk paard.
-
-DAUPHIJN. Hij is de prins der kleppers; zijn gebriesch is als het bevel
-van een monarch, en zijn houding dwingt tot hulde.
-
-ORLEANS. ’t Is genoeg, neef.
-
-DAUPHIJN. Kom, dat is een man zonder geest, die niet van het klimmen
-van den leeuwrik af tot het ter kooi gaan van het lam op telkens nieuwe
-wijs den welverdienden lof van mijn klepper kan zingen; het is een
-thema, steeds vloeiend als de zee! Verander het zand in welsprekende
-tongen en mijn paard biedt stof voor die allen. Het is een onderwerp
-voor een souverein om over te redeneeren, en voor den souverein van een
-souverein om op te rijden, en voor de wereld, de bekende zoowel als de
-onbekende, om al haar eigen bezigheden ter zijde te leggen en dit wezen
-aan te staren. Ik schreef eens een sonnet tot zijn lof en begon aldus:
-„O, wonder der natuur!”
-
-ORLEANS. Ik heb een sonnet op iemands geliefde zoo hooren beginnen.
-
-DAUPHIJN. Dan heeft men dat nagevolgd, wat ik op mijn renner maakte;
-want mijn paard is mijn geliefde.
-
-ORLEANS. Uw geliefde draagt goed.
-
-DAUPHIJN. Draagt mij goed; wat de voorgeschreven deugd en volkomenheid
-van een goede en uitsluitend eigen geliefde is.
-
-CONNETABEL. Nu, maar mij dacht gisteren, dat uw geliefde u duchtig den
-rug schudde.
-
-DAUPHIJN. Dat deed misschien de uwe u ook.
-
-CONNETABEL. De mijne was niet gebreideld.
-
-DAUPHIJN. O dan was zij zeker oud en mak, en dan reedt gij, als een
-Iersche Kern, zonder uw pofbroek, in uw enge vleeschkleurige hozen.
-
-CONNETABEL. Gij hebt veel verstand van rijden.
-
-DAUPHIJN. Laat u dan van mij waarschuwen; zij, die zoo rijden en niet
-behoedzaam rijden, vallen in vuile poelen. Ik heb liever mijn paard tot
-geliefde.
-
-CONNETABEL. Dan had ik even lief, dat mijn geliefde een huurknol was.
-
-DAUPHIJN. Ik zeg u, connetabel, mijn geliefde draagt zijn eigen haar.
-
-CONNETABEL. Daarop zou ik met evenveel recht kunnen roemen, als mijn
-geliefde een zeug was.
-
-DAUPHIJN. Le chien est retourné à son propre vomissement, et la truie
-lavée au bourbier; gij maakt van alles gebruik.
-
-CONNETABEL. Toch niet van mijn paard als geliefde, en ook niet van
-zulke spreekwoorden, die zoo weinig bij de zaak passen.
-
-RAMBURES. Heer connetabel, de rusting, die ik heden avond in uw tent
-zag, zijn het sterren of zonnen, die er op zijn?
-
-CONNETABEL. Sterren, heer.
-
-DAUPHIJN. Enkele er van zullen morgen wel vallen, denk ik.
-
-CONNETABEL. En toch zal mijn hemel er niet door verarmen.
-
-DAUPHIJN. Dit kan zijn, want gij draagt er veel overtollige, en het zou
-te meer eer zijn, als er eenige verdwenen.
-
-CONNETABEL. Juist zooals uw paard uw loftuitingen draagt; hij zou even
-goed draven, als er eenige van uw grootsprekerijen afgeworpen waren.
-
-DAUPHIJN. Ik wenschte, dat ik in staat ware, hem met al den lof te
-laden, dien hij verdient.—Zal het dan nimmer dag worden? Ik wil morgen
-een mijl draven, en mijn weg zal geplaveid zijn met Engelsche
-gezichten.
-
-CONNETABEL. Dit wil ik niet zeggen; de weg mocht eens gezichten tegen
-mij trekken. Maar ik wenschte wel, dat het dag was, want ik verlang
-dien Engelschen de ooren te wasschen.
-
-RAMBURES. Wie wil met mij dobbelen om een twintig krijgsgevangenen?
-
-CONNETABEL. Gij moest eerst uzelf op het spel zetten, eer gij ze hebt.
-
-DAUPHIJN. ’t Is middernacht; ik wil mij gaan wapenen.
-
- (De Dauphijn af.)
-
-ORLEANS. De dauphijn verlangt naar den morgen.
-
-RAMBURES. Hij zou de Engelschen wel opeten.
-
-CONNETABEL. Hij zal er wel evenveel opeten, als hij ombrengt.
-
-ORLEANS. Bij de blanke hand mijner dame, hij is een dappere prins.
-
-CONNETABEL. Zweer bij haar voet; dan kan zij den eed vertrappen.
-
-ORLEANS. Geen edelman in het leger is grooter held dan hij.
-
-CONNETABEL. Een leger is een bed, en daar is hij een held.
-
-ORLEANS. Hij heeft nooit iemand leed gedaan, zoover ik weet.
-
-CONNETABEL. Hij zal ’t morgen ook niet doen; dien goeden naam zal hij
-in eere houden.
-
-ORLEANS. Ik weet, dat hij dapper is.
-
-CONNETABEL. Dit is mij door iemand gezegd, die hem nog beter kent dan
-gij.
-
-ORLEANS. Wie is dat?
-
-CONNETABEL. Wel, hij heeft het mij zelf gezegd, en hij voegde er bij,
-dat hij er zich niet om bekommerde, of iemand het wist.
-
-ORLEANS. Dat behoeft hij ook niet te doen; verborgen deugden heeft hij
-niet.
-
-CONNETABEL. Toch wel, op mijn eer, maar deze heeft nooit iemand gezien
-dan zijn kamerdienaar; ’t is een verkapte dapperheid, en als zij in het
-licht komt, zal zij het schuwen.
-
-ORLEANS. Afgunst heeft een booze tong.
-
-CONNETABEL. Ik zal dat spreekwoord dompen met:—„een vriendenoog, een
-vleiersmond.”
-
-ORLEANS. En ik vang dat op met:—„Geef den duivel wat hem toekomt.”
-
-CONNETABEL. Juist opgemerkt; gij verklaart er uw vriend tot duivel mee.
-Maar nu krijgt uw spreekwoord den wind van voren met:—„Naar de hel met
-den duivel.”
-
-ORLEANS. Gij zijt in spreekwoorden de baas, en waarom? Een narrenpijl
-is ras verschoten.
-
-CONNETABEL. Daar schiet gij het doel voorbij.
-
-ORLEANS. Het is niet de eerste maal, dat men u voorbijschiet.
-
-(Een Bode komt op.)
-
-BODE. Heer groot-connetabel, de Engelschen liggen binnen de
-vijftienhonderd pas van uw tenten.
-
-CONNETABEL. Wie heeft den afstand gemeten?
-
-BODE. De heer van Grandpré.
-
-CONNETABEL. Een dapper en recht nauwkeurig edelman.—Werd het nu maar
-dag!—Ach, die arme Hendrik van Engeland!—hij verlangt niet zoo naar den
-dageraad als wij.
-
-ORLEANS. Wat een ongelukkige dwaze hals is deze koning van Engeland,
-met zijn domkoppen van aanhangers zoo ver van honk te gaan!
-
-CONNETABEL. Als die Engelschen een greintje verstand hadden, zouden zij
-maken, dat zij wegkwamen.
-
-ORLEANS. Dat hebben zij in het geheel niet; want hadden zij in het
-hoofd eenig verstandelijk wapentuig, dan konden zij nimmer zulke zware
-stormkappen op het hoofd dragen.
-
-RAMBURES. Dat eiland Engeland brengt recht dappere schepsels voort; hun
-bullebijters hebben huns gelijken niet in moed.
-
-ORLEANS. Stomme rekels, die blindelings een Russischen beer in den mond
-loopen en zich de koppen laten verbrijzelen als rotte appels. Gij kunt
-even goed zeggen, dat het een dappere vloo is, die haar ontbijt durft
-nuttigen op de lip van een leeuw.
-
-CONNETABEL. Juist, juist; en evenals de bullebijters zijn de mannen;
-zij gaan er ruw en onbesuisd op los en laten hun verstand thuis bij hun
-vrouwen. En geef hun dan veel rundvleesch te eten, en ijzer en staal,
-dan vreten zij als wolven en vechten als duivels.
-
-ORLEANS. Ja, maar bij die Engelschen is het rundvleesch nu zeker
-verduiveld schaarsch.
-
-CONNETABEL. Dan zullen wij morgen bevinden, dat zij alleen trek hebben
-in eten en niet in vechten. Het wordt tijd om ons te wapenen; komt,
-willen wij gaan?
-
-ORLEANS. ’t Is nu twee uur; elk onzer heeft,—laat zien,—
-Voor zich een honderd Engelschen te tien.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE BEDRIJF.
-
-
-Trompetgeschal. Chorus komt op.
-
-
-CHORUS. Stelle uw verbeelding thans een tijd u voor,
-Dat sluipend ruischen en het stikziend duister
-Der wereld wijde welving gansch vervult.
-Zacht galmt nu in de’ onzaal’gen schoot der nacht
-Van kamp tot kamp ’t gegons van beide legers,
-Zoodat de wachters op hun posten schier
-’t Geheim gefluister wederzijds verstaan.
-Vuur blikt op vuur, door bleeke vlammen ziet
-Elk leger ’t ander in ’t gebruind gelaat,
-Elk ros tart ros, hun fier gebriesch doorboort
-Het domm’lig oor der nacht, en van de tenten,
-Waar wapensmeden ridderpantsers gespen,
-Hun snelle hamer losse nagels klinkt,
-Verneemt men ’t schriksignaal der voorbereiding.
-Dorpshanen kraaien en de klokken slaan,
-Het derde droom’rig morgenuur verkondend.
-Trotsch op hun tal en zorg’loos, dobb’len reeds
-De Franschen in hun waan en zelfvertrouwen
-Om de Engelschen, op lagen prijs geschat,
-En vloeken op de nacht, de loome sluipster,
-Die, als een rimp’lige oude tooverkol,
-Traag voorthinkt. De Engelschen, ter dood gewijd
-Als offers, zitten zwijgend bij hun vuren,
-Geduldig, overwegend welk gevaar
-De morgen brengen zal; hun ernstig uitzicht,—
-Diepholle wangen, stukgestreden kleed’ren,—
-Toont aan de maan, die staart, hen als zoovele
-Afschuwb’re geesten. Maar wie hem nu ziet,
-Den hoogen veldheer dezer jammerschaar,
-Van wacht tot wacht, van tent tot tent zich spoedend,
-Hij roepe:—„Lof en glorie op zijn hoofd!”
-Want hij gaat om, bezoekt geheel zijn leger,
-Wenscht met bescheiden lach hun goeden morgen,
-En noemt hen landgenooten, vrienden, broeders.
-Geen enk’le trek op ’t koninklijk gelaat
-Getuigt van ’t vreeslijk heer, dat hem omringt;
-De moeitevolle, gansch doorwaakte nacht
-Brengt hij geen enkel stipje kleur ten offer;
-Frisch blikt hij rond en overmeestert zwakheid
-Met kalm gelaat en zachte majesteit,
-Dat elk, hoe uitgeput en bleek te voren,
-Hem ziende, zoeten troost put uit zijn blik.
-Gelijk de zon, strooit zijn milddadig oog
-Alom aan ieder rijke gaven toe,
-Dat kille vrees versmelt en hoog en laag
-Van nieuwen moed, van vuur doortinteld zijn.—
-Aanschouwt, zooveel onwaardigheid kan schetsen,
-Een flauwen schijn van Hendrik in de nacht.
-En dan moet ons tooneel naar ’t slagveld ijlen;
-Doch, o helaas! onteeren zullen wij,—
-Met vier of vijf geschaarde, stompe klingen,
-Bij dwaas, belachlijk vechten slecht gevoerd,—
-Den naam van Agincourt. Toch, komt! en ziet
-Het wezen in den schijn, dien ’t spel u biedt.
-
- (Chorus af.)
-
-
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Het Engelsch legerkamp bij Agincourt.
-
-Koning Hendrik, Bedford en Gloster komen op.
-
-
-KONING HENDRIK. Gloster, ’t is waar, wij zijn in groot gevaar;
-Maar des te grooter zij dan onze moed,—
-Goeden morgen, broeder Bedford.—God almachtig!
-In booze dingen schuilt een kern van goed,
-Zoo slechts de mensch bedachtzaam dien er uitperst;
-Want onze booze buur leert ons vroeg opstaan,
-Wat èn gezond is èn de huizing bouwt;
-En bovendien, hij is, schoon buiten ons,
-Ons een geweten, dat ons allen predikt,
-Ons loff’lijk te bereiden voor ons eind.
-Zoo kunnen wij uit onkruid honig lezen
-En ons den duivel zelf tot leer doen zijn.
-
-(Erpingham komt op.)
-
-Goeden morgen, oude Thomas Erpingham;
-Op zachter peluw mocht dit grijze hoofd
-Zich vlijen, dan op Frankrijks harden grond.
-
-ERPINGHAM. Toch niet, mijn vorst, dit leger is mij liever;
-’k Zeg nu, „mijn bed is als des konings bed.”
-
-KONING HENDRIK. Goed is het, dat de mensch zijn lijden liefkrijgt
-Door voorbeeld; dit verlicht en sterkt den geest;
-En luikt de ziel weer op, dan breken zeker
-Des lichaams leden, die verstorven schenen,
-Hun doodswâ los en roeren zich op nieuw
-Met afgeworpen huid en frissche vlugheid.—
-Sir Thomas, leen me uw mantel.—Gij, mijn broeders,
-Gaat namens mij de legervorsten groeten,
-Brengt hun mijn morgenwenschen en zegt allen,
-Terstond zich te verzaam’len in mijn tent.
-
-GLOSTER. Volgaarne, heer en vorst.
-
- (Gloster en Bedford af.)
-
-ERPINGHAM. Verzel ik uwe hoogheid?
-
-KONING HENDRIK. Neen, mijn vriend,
-Ga gij naar Englands grooten met mijn broeders;
-Ik en mijn hart, wij moeten ons beraden:
-Daarom, gezelschap is mij niet gewenscht.
-
-ERPINGHAM. De Hemelheer zij met u, eed’le Hendrik.
-
- (Erpingham af.)
-
-KONING HENDRIK. God loone u, brave grijze, uw wakker woord!
-
-(Pistool komt op.)
-
-PISTOOL. Qui va là?
-
-KONING HENDRIK. Goed vriend.
-
-PISTOOL. Geef mij verklaring, zijt gij officier?
-Of zijt gij laag, gering en van het volk?
-
-KONING HENDRIK. Ik ben de leider van een compagnie.
-
-PISTOOL. Sleept gij de felle speer?
-
-KONING HENDRIK. Ja zeker. Wat zijt gij?
-
-PISTOOL. Een edelman, gelijk de keizer ’t is.
-
-KONING HENDRIK. Dan zijt gij beter dan de koning zelf.
-
-PISTOOL. De koning is een haantje’, een hart van goud,
-Een knaap vol leven, spruit des roems,
-Van ouders goed, van vuist een echte held;
-Ik kus zijn modderschoen, en recht van harte
-Min ik den jongen vechtersbaas.—Uw naam?
-
-KONING HENDRIK. Henri le Roy.
-
-PISTOOL. Le Roy? die naam is Cornisch; fokte u Cornwal op?
-
-KONING HENDRIK. Neen, ik ben uit Wales.
-
-PISTOOL. Kent gij Fluellen?
-
-KONING HENDRIK. Ja.
-
-PISTOOL. Ik sla hem wis zijn knoflook om zijn bol, Op Davidsdag; zeg
-dit hem aan.
-
-KONING HENDRIK. Zorg dan op dien dag uw dolk niet in uw muts te dragen,
-opdat hij u dien niet in den bol sla!
-
-PISTOOL. Zijt gij zijn vriend?
-
-KONING HENDRIK. Ja, zelfs aan hem verwant.
-
-PISTOOL. Dan Figo voor uw deel!
-
-KONING HENDRIK. Ik dank u, God zij met u!
-
-PISTOOL. Mijn naam heet zich Pistool.
-
- (Pistool af.)
-
-KONING HENDRIK. Hij past goed bij uw grimmigheid.
-
-(Fluellen en Gower komen op, van verschillenden kant.)
-
-GOWER. Overste Fluellen!
-
-FLUELLEN. Pst! in den naam van Jezus Christus, spreek zachter! Het is
-de chrootste wonderpaarheid in de gesamentlijke wereld, als de
-waarhaftige en oude prifilegien en wetten fan de oorlogen niet gehouden
-worden. Als gij de moeiten zoudt willen nemen fan te onderzoeken de
-oorlogen van Pompejus den grooten, zult gij vinden, dit verzeker ik u,
-dat er in het legerkamp van Pompejus geen kikelkakel is, geen
-bibbelbabbel; ik verzeker u, gij zult vinden, dat de ceremoniën van de
-oorlogen, en de zorgen er van, en de formaliteiten er van, en de
-matigheid er van, en de zedigheid er van, geheel anders zijn.
-
-GOWER. Kom, de vijand maakt leven, men hoort hem de geheele nacht.
-
-FLUELLEN. Als de vijand een ezel is en een nar en een snappende
-windmaker, is het choed, denkt gij, dat wij ook zouden zijn, ziet gij,
-een ezel en een nar en een snappende windmaker? Op uw geweten af,
-spreek!
-
-GOWER. Ik wil zachter spreken.
-
-FLUELLEN. Ik pid u en verzoek u, dat gij het wilt.
-
- (Gower en Fluellen af.)
-
-KONING HENDRIK. Er zit, al moog’ het wat vreemdmodisch schijnen,
-Toch in dien man uit Wales veel moed en ijver.
-
-(Bates, Court en Williams komen op.)
-
-COURT. Broeder John Bates, is dat niet de morgen, wat daar aanbreekt?
-
-BATES. Ik geloof van ja, maar veel reden hebben wij niet, om naar de
-komst van den dag te verlangen.
-
-WILLIAMS. Wij zien daar het begin van den dag, maar het einde zullen
-wij, denk ik, wel nimmer zien.—Wie gaat daar?
-
-KONING HENDRIK. Goed vriend.
-
-WILLIAMS. Onder welken overste dient gij?
-
-KONING HENDRIK. Onder Sir Thomas Erpingham.
-
-WILLIAMS. Een goed oud veldoverste en een recht vriendelijk heer. Zeg
-ons eens, hoe denkt hij over onzen toestand?
-
-KONING HENDRIK. Als over menschen, die op een zandbank gestrand zijn,
-en verwachten, dat de volgende vloed hen wegspoelt.
-
-BATES. Hij heeft toch aan den koning zijn gedachten niet gezegd?
-
-KONING HENDRIK. Neen, en dat zou ook niet goed wezen. Want al zeg ik
-dit tot u, ik geloof, dat de koning maar een mensch is zooals ik ben.
-Het viooltje ruikt voor hem evenals voor mij; de lucht ziet er voor hem
-even zoo uit als voor mij; al zijn zinnen zijn menschelijk van aard;
-zijn praal ter zijde gelaten, verschijnt hij in zijn naaktheid
-eenvoudig als een mensch, en al nemen zijn wenschen een hooger vlucht
-dan de onze, zoo moeten zij toch, als zij dalen, met gelijke vlucht als
-de onze nederkomen. Daarom, als hij grond ziet tot vrees, zooals wij
-het doen, dan moet zijn vrees ongetwijfeld evenzoo smaken als de onze;
-maar toch moet niemand, die zijn oordeel gebruikt, hem eenigen schijn
-van vrees mededeelen, opdat hij, die toonend, zijn leger niet moedeloos
-make.
-
-BATES. Uitwendig mag hij zooveel moed toonen als hij wil, maar ik
-geloof toch, hoe koud de nacht ook zij, dat hij zich tot aan den hals
-toe in den Theems wenscht,—en ik wenschte, dat ik daar bij hem was, op
-alle gevaar af, als wij hier maar vandaan waren.
-
-KONING HENDRIK. Op mijn woord, ik wil u wel zeggen, wat ik van den
-koning denk; ik geloof, dat hij nergens anders wenscht te zijn dan waar
-hij is.
-
-BATES. Dan wenschte ik, dat hij hier alleen was; dan zou hij zeker
-wezen van voor losgeld vrij te komen en dan was het leven van menigen
-armen duivel gered.
-
-KONING HENDRIK. Ik durf zeggen, dat gij hem niet zulk een kwaad hart
-toedraagt om hem hier alleen te wenschen, al zegt ge dit ook om te
-polsen, hoe anderen denken. Mij dunkt, ik zou nergens zoo gelaten
-sterven dan in het gezelschap van den koning, omdat zijn zaak
-rechtvaardig en zijn strijd eervol is.
-
-WILLIAMS. Dat is meer dan wij weten.
-
-BATES. Ja, en meer dan ons past te onderzoeken; want wij weten genoeg,
-als wij weten, dat wij des konings onderdanen zijn. Als zijn zaak
-onrechtvaardig is, uit ons wischt onze gehoorzaamheid aan den koning de
-zonde er van weg.
-
-WILLIAMS. Maar als zijn zaak niet goed is, dan heeft de koning zelf een
-zware rekening te vereffenen, wanneer al die beenen en armen en
-hoofden, die in een veldslag afgehouwen zijn, zich verzamelen en allen
-roepen: „wij stierven daar en daar”; eenigen vloekend, sommigen om een
-wondheeler jammerend, sommigen om hun vrouwen, die zij in armoede
-achterlieten, anderen om hun onbetaalde schulden, anderen om hun
-onverzorgde kinderen. Ik vrees, dat er weinigen zijn, die goed sterven,
-als zij in een veldslag sterven; want hoe kunnen zij eenige
-christelijke beschikking maken, als bloed hun eenige gedachte is? Nu,
-en als die menschen niet goed sterven, dan ziet het er donker uit voor
-den koning, die hen er toe gebracht heeft, daar toch ongehoorzaamheid
-aan hem tegen alle regels van onderdanigheid zou strijden.
-
-KONING HENDRIK. Dus, als een zoon, die door zijn vader op den handel
-wordt uitgezonden, in zijn zonden op zee verongelukt, zou, volgens uw
-regel, de schuld van zijn goddeloosheid neerkomen op den vader, die hem
-uitzond. Of als een dienaar, die op zijns meesters bevel een som gelds
-overbrengt, door roovers wordt overvallen en in vele onverzoende
-ongerechtigheden sterft, zoudt gij zeggen, dat de zaken van den meester
-de oorzaak zijn van het eeuwig verderf van den dienaar. Maar dit is zoo
-niet; de koning is niet verantwoordelijk voor het uiteinde van elk
-zijner soldaten in het bijzonder, zoo min als de vader voor dat van
-zijn zoon, of de meester voor dat van zijn dienaar, want zij verlangen
-hun dood niet, als zij hun diensten verlangen. Bovendien, er is geen
-koning, hoe vlekkeloos zijn zaak ook zij, die haar, als de wapenen
-moeten beslissen, met louter vlekkelooze soldaten kan uitmaken.
-Sommigen hebben misschien de schuld van voorbedachten en opzettelijken
-doodslag op hun geweten; anderen de misleiding van maagden door het
-verbroken zegel des meineeds; anderen weer maken zich van den oorlog
-een bolwerk, nadat zij den zachten boezem des vredes door roof en
-plundering hebben opengereten. Als deze menschen nu aan de
-gerechtigheid ontsnapt en de straf in hun land ontloopen zijn, hebben
-zij, al konden zij menschen te snel zijn, toch geen vleugels om God te
-ontvlieden; de oorlog is zijn gerechtsdienaar, de oorlog is zijn wraak;
-zoodat hier menschen wegens vroegere verbreking van ’s konings wetten
-door den lateren strijd des konings gestraft worden; waar zij den dood
-vreesden, hebben zij er het leven afgebracht; en waar zij veiligheid
-zochten, komen zij om. Dus, als zij onvoorbereid sterven, is de koning
-evenmin schuldig aan hun eeuwig verderf, als hij vroeger schuldig was
-aan die misdaden, voor welke zij nu bezocht worden. De dienst van
-iederen onderdaan is des konings, maar de ziel van iederen onderdaan is
-zijn eigene. Daarom moest ieder soldaat in den oorlog doen, wat ieder
-kranke in zijn bed doet: zijn geweten rein wasschen van ieder stofje;
-en als hij zoo sterft, is het sterven hem gewin; of, sterft hij niet,
-dan is het hem een zegenrijk tijdverlies, waarin hij zulk een
-voorbereiding won. En voor hem, die er het leven afbrengt, zal het geen
-zonde wezen, als hij denkt, dat God, in wiens hand hij zich zoo
-gewillig gegeven heeft, hem dien dag heeft laten overleven, om Zijn
-grootheid te zien en anderen te toonen, hoe zij zich moeten
-voorbereiden.
-
-WILLIAMS. Dit is zeker, ieder die in zonde sterft: de zonde op zijn
-eigen hoofd! De koning heeft die niet te verantwoorden.
-
-BATES. Ik verlang niet, dat hij voor mij verantwoordelijk is; en toch
-ben ik besloten wakker voor hem te vechten.
-
-KONING HENDRIK. Ik heb zelf den koning hooren zeggen, dat hij zich niet
-wil laten vrijkoopen.
-
-WILLIAMS. Ja, dat heeft hij gezegd, opdat wij lustig zouden vechten;
-maar als ons de hals is afgesneden, kan hij nog wel vrijgekocht worden
-en zijn wij er toch niet verder mee.
-
-KONING HENDRIK. Als ik dat beleef, zal ik nimmer aan zijn woorden meer
-geloof slaan.
-
-WILLIAMS. Gij zult het hem dus betaald zetten! Dat is een gevaarlijk
-schot uit een vlierboomhouten geweer, door de ontevredenheid van een
-arm onderdaan op een monarch afgevuurd! Even goed kunt gij beproeven,
-de zon in ijs te veranderen, door haar met een pauwenveertje in ’t
-gelaat te waaien. Gij wilt nooit meer aan zijn woorden geloof slaan?
-loop, dat is een dwaas zeggen!
-
-KONING HENDRIK. Uw uitval is wel wat al te heftig; ik zou boos op u
-zijn, als de tijd het toeliet.
-
-WILLIAMS. Laat ons er dan om vechten, als gij in het leven blijft.
-
-KONING HENDRIK. Dat neem ik aan.
-
-WILLIAMS. Waaraan zal ik u erkennen?
-
-KONING HENDRIK. Geef mij eenig onderpand van u, en ik zal het op mijn
-muts dragen; als gij het dan durft erkennen, zal ik er om vechten.
-
-WILLIAMS. Hier is mijn handschoen; geef gij er mij een van u.
-
-KONING HENDRIK. Daar.
-
-WILLIAMS. Dien wil ik ook op mijn muts dragen. Als gij ooit, na morgen,
-tot mij komt en zegt: „dat is mijn handschoen,” mijn hand er op, dan
-geef ik u een oorveeg.
-
-KONING HENDRIK. En als ik het beleef, dat ik dien handschoen weer zie,
-zal ik hem terugvorderen.
-
-WILLIAMS. Gij zult u wel even gaarne laten hangen.
-
-KONING HENDRIK. Nu, ik doe het, al tref ik u in des konings gezelschap
-aan.
-
-WILLIAMS. Houd uw woord; vaarwel!
-
-BATES. Legt het bij, gij Engelsche zotten, legt het bij; wij hebben
-Fransche twisten genoeg, als gij verstand hadt van rekenen.
-
-KONING HENDRIK. Inderdaad, de Franschen kunnen wel twintig Fransche
-kronen tegen één zetten, dat zij ons zullen slaan; want zij dragen hun
-Fransche kale kroontjes op den kop. Maar het is voor een Engelschman
-geen hoogverraad, Fransche kronen te besnoeien, en morgen zal de koning
-zelf een snoeier en kerver zijn.
-
- (De Soldaten af.)
-
-Ja, op den koning! laden wij ons leven,
-Ziel, schulden, bange vrouwen, kind’ren, zonden,
-Den koning op!—Wij moeten alles dragen.
-O, drukkend lot der vorsten, tweelingbroeder
-Der grootheid, onderdaan te zijn van de’ adem
-Van elken zotskap, die voor niets gevoel heeft
-Dan voor zijn eigen hartzeer! Hoeveel zielsrust,
-Aan burgers toebedeeld, ontbeert een koning!
-En wat, wat heeft een koning voor op burgers,
-Dan luister, luister, die voor ieder blinkt?
-En wat, wat zijt gij, menschen-afgod luister,
-Wat zijt gij voor een god, dat ge aardsche nooden
-Meer lijden moet, dan uw aanbidders doen?
-Wat hebt gij als bezitting, wat als renten?
-O, luister, wijs mij aan, wat is uw waarde?
-Wat is de ziel der hulde, u toegebracht?
-Zijt gij iets anders nog dan plaats, rang, vorm,
-Ontzag en vrees bij and’re menschen wekkend,
-Maar, hoe gevreesd ook, toch veel min gelukkig
-Dan zij in hunne vrees?
-Wat drinkt gij vaak in steê van zoete hulde,
-Dan ’t gif der vleierij? O, groote grootheid,
-Word ziek, en zoek genezing bij uw luister!
-Gelooft gij, dat de vuur’ge koorts zal wijken
-Voor titels, toegeruischt door kruiperij?
-Verdwijnen zal voor lenig, diep gebuig?
-Staat met des beed’laars knie ook zijn gezondheid
-U ten gebode? Neen, gij trotsche droom,
-Die met eens konings rust zoo listig speelt,
-Ik ben een koning, die u kent; ik weet,
-Rijksappel niet, niet scepter, noch de balsem,
-Noch zwaard, noch staf, noch vorstlijk diadeem,
-Noch ’t kleed, doorwerkt met goud en parels, noch
-De titels, voor een koning uitgegalmd,
-De troon, waar hij op zit, de vloed van praal,
-Die tegen ’s werelds hoogen oever klotst,
-Dit alles, neen, geen driewerf kostb’re luister,
-Dit alles—kan niet, in een staatsiebed,
-Zoo rustig slapen als de lage slaaf,
-Die met gevulden buik en ledig hoofd
-Ter rust zich legt, verzaad van ’t brood des zwoegens,
-De schrikb’re nacht, het hellekind, nooit ziet,
-Maar als een knecht, van ’t morgenrood tot de’ avond,
-Voor Phebus’ oogen zweet, en heel de nacht
-Slaapt in Elysium, rijst bij ’t morgenkrieken
-En Hyperions rossen aan helpt spannen,
-En zoo het stadig ijlend jaar steeds bijhoudt
-Met winstenbrengende’ arbeid tot aan ’t graf.
-Omstraalde een vorst geen luister, o, dan ware
-Zulk een armzaal’ge slover, die in arbeid
-De dagen afspint en in slaap de nachten,
-Een koning vóór en won het ver hem af.
-De slaaf, een deelnoot in den vreê des lands,
-Geniet dien; maar ’t grof brein bevroedt het luttel,
-Hoe staâg de koning voor dien vrede waakt,
-Welks uren meest den boer ten voordeel zijn.
-
-(Erpingham komt op.)
-
-ERPINGHAM. In zorg, heer, zijn uw eed’len om uw afzijn,
-En zoeken u in ’t leger.
-
-KONING HENDRIK. Oude vriend,
-Roep gij hen allen samen in mijn tent;
-Ik zal nog voor u daar zijn.
-
-ERPINGHAM. ’k Ga, mijn vorst.
-
- (Erpingham af.)
-
-KONING HENDRIK. O, God der scharen, staal mijn krijgers ’t hart;
-Vervul hen niet van vrees; ontneem hun nu
-’t Begrip van reek’nen, zoo des vijands aantal
-Hun ’t hart ontrukken zou!—O, Heer, denk heden,
-O, heden niet, gedenk niet aan de zonde
-Mijns vaders bij het grijpen naar de kroon!
-’k Heb Richards lijk op nieuw ter aard besteld,
-Er meer oprechte tranen aan gewijd,
-Dan door geweld er druppels bloed uit vloten.
-Een jaargeld geef ik aan vijfhonderd armen,
-Die tweemaal daags de maag’re hand ten hemel
-Verheffen, dat dit bloed vergeven zij;
-En twee kapellen zijn door mij gebouwd,
-Waar ernstig, plechtig steeds de priesters zingen
-Voor Richards ziele. Meer nog wil ik doen,
-Al zij, al wat ik doen wil, zonder waarde,
-Omdat mijn boete toch na alles komt,
-Vergiff’nis smeekend.
-
-(Gloster komt op.)
-
-GLOSTER. Mijn vorst!
-
-KONING HENDRIK. De stem mijns broeders Gloster?—Ja;
-Ik weet, waartoe gij komt en ga met u;—
-De dag, mijn vrienden, alles roept mij nu.
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Het Fransche legerkamp.
-
-De Dauphijn, Orleans, Rambures en Anderen komen op.
-
-
-ORLEANS. De zon verguldt reeds onzen wapendos; Mijn’ heeren, op!
-
-DAUPHIJN. Montez à cheval!—Mijn paard! varlet! lacquay! ha!
-
-ORLEANS. O, fiere moed!
-
-DAUPHIJN. Via!—les eaux et la terre!
-
-ORLEANS. Rien puis? l’air et le feu!
-
-DAUPHIJN. Le ciel! neef Orleans.
-
-(De Connetabel komt op.)
-
- Nu, connetabel?
-
-CONNETABEL. Hoor, hoe de rossen brieschen van verlangen!
-
-DAUPHIJN. Bestijgt hen, striemt de flanken hun in bloed!
-Dit spring’ dan heet den Engelschen in de oogen,
-En doov’ hen met moeds-overvloeiing! ha!
-
-RAMBURES. Wat! weenen zouden ze onzer paarden bloed?
-Hoe kunt gij dan hun eigen tranen zien?
-
-(Een Bode komt op.)
-
-BODE. De vijand staat geschaard, gij pairs van Frankrijk!
-
-CONNETABEL. Te paard! gij dappre prinsen! fluks te paard!
-Ziet hen slechts aan, die arme hongerlijders;
-En reeds uw glans zuigt hun de zielen uit,
-Laat schalen, doppen slechts van menschen over.
-Er is geen werk genoeg voor onze handen,
-Nauw bloed genoeg in al hun ziek’lijke aad’ren,
-Dat elke kortelas een smet ontvang’,
-Die onze dapp’ren heden zullen trekken,
-Maar dra weer bergen bij gebrek aan buit.
-Laat ons op hen slechts blazen; want dan werpt
-De wasem onzer dapperheid hen om.
-’t Is uitgemaakt en duldt geen twijfel, heeren,
-Dat reeds de tros van legerknechts en boeren,
-Die nutt’loos zwermend onze krijgerscharen
-Omgeven, mans genoeg ware om dit veld
-Te zuiv’ren van een zoo armzaal’gen vijand,
-Al namen wij een standpunt aan dien berg
-Om werkloos toe te zien. Doch dit gedoogt
-Onze eer geenszins. Wat zal ik zeggen, heeren?
-Laat ons een weinig, bijster weinig doen,
-En alles is gedaan. Geev’ de trompet
-Het sein! Stijgt op en schaart u; want ontzet
-Verbleek’ die schaar, en zonder tegenweer
-Legge England knielend ons de wapens neer!
-
-(Grandpré komt op.)
-
-GRANDPRÉ. Wat sammelt gij zoo lang, gij pairs van Frankrijk?
-Die eiland-krengen, wien geen hoop meer rest
-Voor hun gebeent’, ontsieren ’t morgenveld;
-Armzalig fladd’ren hun gescheurde vodden,
-Die onze lucht verachtend schokt en schudt.
-Wat beed’laarsbende! Mars schijnt daar bankroet,
-Gluurt angstig door een roestig helmvizier;
-De ruiters zitten daar als luchterbeelden,
-Die toortsen dragen; van hun knollen hangt
-De kop laag neer, de huid en heupen lillen,
-Slijm vloeit hun uit het lichtloos, brekend oog,
-En in hun slappen bek ligt hun gebit,
-Groen van ’t gekauwde gras, stil, onbeweeglijk;
-En over allen vliegen reeds hun beulen,
-De drieste kraaien, hunk’rend naar haar uur.
-Doch geen beschrijving kan de woorden vinden,
-Om ’t leven af te malen van een schaar,
-Die, levend, reeds zoo levenloos zich toont.
-
-CONNETABEL. Zij wachten, na gedaan gebed, den dood.
-
-DAUPHIJN. Zegt, willen wij hun kost en kleed’ren zenden,
-En voor hun uitgevaste paarden voêr,
-En daarna met hen vechten?
-
-CONNETABEL. Ik wacht slechts op mijn standaard. Maar, in ’t veld!
-Ik wil van een trompetter ’t vaantje nemen;
-Dit dien’ mij bij mijn haast. Op, tot den strijd!
-De zon staat hoog reeds; wij verdoen den tijd.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-DERDE TOONEEL.
-
-
-Het Engelsche legerkamp.
-
-Het Engelsch leger, Gloster, Bedford, Exeter, Salisbury en Westmoreland
-komen op.
-
-
-GLOSTER. Waar is de koning?
-
-BEDFORD. Hij reed van hier, om hen geschaard te zien.
-
-WESTMORELAND. Zij hebben zestigduizend strijdb’re mannen.
-
-EXETER. Vijf tegen één; en dan, ’t zijn versche troepen.
-
-SALISBURY. God zij met ons! hun overmacht is schrikk’lijk.
-Behoede u God, mylords! mij roept mijn plicht;
-Zien wij elkaar niet weer, dan in den hemel,
-Dan, welgemoed,—mijn eed’le hertog Bedford,
-En waarde heeren Gloster, Exeter,—
-En, beste neef,—gij strijders, vaart dan wel!
-
-BEDFORD. Vaarwel, mijn Salisbury; geluk verzelle u!
-
-EXETER. Vaarwel, mijn waarde lord; strijd dapper heden!
-Doch ik beleedig u door zulk vermaan;
-Gij zijt van de echte stof der dapperheid.
-
- (Salisbury af.)
-
-BEDFORD. Hij is zoo rijk aan dapperheid als goedheid;
-Vorstlijk in beide.
-
-(Koning Hendrik komt op.)
-
-WESTMORELAND. O, hadden wij nu hier
-Slechts één tienduizendtal van hen in England,
-Die heden niets doen.
-
-KONING HENDRIK. Wie is ’t, die dit wenscht?
-Mijn neef van Westmoreland?—Neen, waarde neef,
-Wacht ons de dood, genoeg is ons getal
-Om England te doen treuren; wacht ons ’t leven,
-Hoe kleiner tal, te meer deelt elk in de eer.
-Gods wil geschiede! wensch geen man hier meer.
-Bij Jupiter, ik heb geen dorst naar goud,
-En vraag niet, wie er op mijn kosten teert,
-Mij deert het niet, als men mijn kleed’ren draagt:
-Mijn ziel streeft niet naar zulk uitwendig goed;
-Maar is het zondig, eere te begeeren,
-Dan leeft geen zondaar thans, zoo boos als ik.
-Neen, neef, wensch niet één man uit England hier;
-Bij God, ik wil niet zooveel eere derven,
-Als, dunkt mij, één man meer mij rooven zou,—
-Voor niets ter wereld. Wensch niet één man meer;
-Roep, Westmoreland, veeleer door ’t leger uit,
-Dat, wie voor dezen strijd den moed niet heeft,—
-Laat hem vertrekken, hem een paspoort reiken,
-En steek, tot reisgeld, kronen in zijn beurs;
-Wij willen niet in diens gezelschap sterven,
-Die de gemeenschap ducht met onzen dood.
-Het is van daag het Crispianusfeest;
-Wie ’t overleeft en welbehouden thuis komt,
-Springt, als die dag genoemd wordt, plotsling op,
-Verheft zich bij den naam van Crispianus.
-Wie dezen dag doorleeft en de’ ouden dag ziet,
-Noodt op den heil’gen avond vóór deez’ dag
-Zijn buren jaarlijks tot een feest en zegt hun:
-„De dag van morgen is Sint Crispianus”;
-En dan stroopt hij zijn mouw op, toont zijn wonden,
-En zegt: „Die zijn van Sint-Crispinusdag”.
-Schoon de ouderdom vergete, hij moge alles
-Vergeten zijn, maar weet toch nog uitvoerig,
-Wat daden hij op dien dag heeft verricht;
-En onze namen zullen in zijn mond
-Gemeenzaam zijn als alledaagsche woorden:
-Hendrik de koning, Bedford, Exeter,
-Warwick en Talbot, Salisbury en Gloster;
-En volle bekers houden die in eer.
-De goede man vertelt zijn zoon dien strijd,
-En nimmer daagt Crispinus Crispianus,
-Van dezen dag tot ’s werelds ondergang,
-Of op dien dag wordt er van ons gesproken,
-Ons, wein’gen, ons, gelukkigen, ons, broeders;
-Want wie vandaag met mij zijn bloed vergiet,
-Hij zal mijn broeder zijn; hoe laag zijn stand
-Ook zijn moog’, aad’len zal dien deze dag;
-En Engelsche edellieden, nu in bed,
-Vervloeken ’t eens, dat zij alhier niet waren,
-En zwijgen als vernietigd, spreekt er iemand,
-Die met ons vocht op Sint-Crispinusdag.
-
-(Salisbury komt weder op.)
-
-SALISBURY. Mijn hooge vorst, maak u met spoed gereed;
-De Franschen staan in al hun praal geschaard,
-En zullen onverwijld den aanval doen.
-
-KONING HENDRIK. Wij zijn geheel gereed, zoo ’t hart het is.
-
-WESTMORELAND. Verga de man, wiens hart nog achterblijft!
-
-KONING HENDRIK. Wenscht gij niet langer hulp uit England, neef?
-
-WESTMORELAND. Gehengde ’t God, mijn vorst, dat gij en ik
-Geheel alleen den strijd beslechten konden!
-
-KONING HENDRIK. Zie, nu wenscht gij vijfduizend strijders weg;
-Dit lijkt mij beter, dan één meer te wenschen.—
-Gij allen kent uw plaatsen;—God zij met u!
-
-(Trompetgeschal. Montjoye komt op.)
-
-MONTJOYE. Nog eenmaal kom en vraag ik, koning Hendrik,
-Of ge over losgeld onderhand’len wilt
-Vóór uw niet af te wenden nederlaag;
-Want waarlijk, bij den maalstroom zijt gij reeds,
-Gij moet verzwolgen worden. Bovendien
-Zegt uit erbarmen u de connetabel;
-Vermaan tot boete uw volk, opdat hun zielen
-In vrede naar een beter wijkplaats scheiden
-Dan deze velden, waar hun arme lijven
-Ter rotting zullen liggen.
-
-KONING HENDRIK. Wie zendt thans u?
-
-MONTJOYE. De connetabel van het Fransche rijk.
-
-KONING HENDRIK. Ik bid u, breng mijn vorig antwoord weer:
-Maakt eerst mij af, verhandelt dan mijn beend’ren.
-Algoede God, wat hoonen zij ons, armen!
-De man, die eens de huid des leeuws verkocht,
-Toen ’t beest nog leefde, kwam bij ’t jagen om.
-Recht velen onzer vinden, dit vertrouw ik,
-Te huis een graf, waarop, zoo ’k hoop, een bronzen
-Getuig’nis leven zal van dezen dag;
-En hij, die hier zijn dapp’re beendren laat,
-Manmoedig stervend,—schoon in mest bedolven,—
-Hij wordt beroemd; de zon begroet hem daar,
-En doet zijn eer als damp ten hemel stijgen,
-Terwijl zijn aardsche deel uw lucht verderft,
-En door zijn stank in Frankrijk pest verwekt.
-Zie, zoo vol dapperheid is Englands volk,
-Dat het, schoon dood, gelijk een opstuit-kogel,
-Nog losbreekt in een tweede vaart van onheil
-En met herleving van zijn moordlust doodt.
-Fier wil ik spreken; zeg den connetabel,
-Dat wij slechts krijgers voor een werkdag zijn,
-Ons praalgewaad en goudpronk overspat
-Door regenmarschen zijn in ’t moeilijk veld,
-Geen vederspriet meer onze helmen siert,—
-Een goede waarborg, dat we u niet ontvliegen,—
-En ons de tijd recht haav’loos heeft gemaakt,
-Maar ’t hart, bij God, steeds in zijn feestdos is.
-En mijn arm krijgsvolk zegt mij, vóór de nacht
-Verlangt het schoone kleedren, of het trekt
-De fraaie nieuwe rokken van de Franschen
-Hun over ’t hoofd en jaagt hen uit den dienst.
-Als zij dit doen,—en zoo het God behaagt,
-Doen zij het wis,—dan is mijn losgeld spoedig
-Bijeengebracht.—Heraut, spaar verd’re moeite,
-Kom, goede vriend, geen losgeld hier meer vragen;
-Geen ander bied ik aan, dan deze leden,
-Die, als ik hun ze laten zal, verminkt
-En waardloos zijn.—Zeg dit den connetabel.
-
-MONTJOYE. Dit zal ik, koning Hendrik. Vaar dan wel;
-Van geen heraut zult gij nu verder hooren.
-
- (Montjoye af.)
-
-KONING HENDRIK. Ik vrees, gij komt nog eens om losgeld weer.
-
-(De hertog van York komt op.)
-
-YORK. Mijn vorst, op mijne knieën smeek ik u,
-De voorhoede aan te mogen voeren.
-
-KONING HENDRIK. Goed, wakk’re York.—Op, mannen! ’t zij gewaagd!
-Bestuur ’t, o God! zooals het u behaagt!
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-VIERDE TOONEEL.
-
-
-Het slagveld.
-
-Strijdgedruisch; schermutselingen. Een Fransch Soldaat, Pistool en de
-Jongen komen op.
-
-
-PISTOOL. Geef u over, hond!
-
-SOLDAAT. Je pense, que vous estes le gentilhomme de bonne qualité.
-
-PISTOOL. Kaliteef? kale hond! zijt gij een edelman?
-Hoe is uw naam? spreek op!
-
-SOLDAAT. O Seigneur Dieu!
-
-PISTOOL. O, Sinjeur Djoe moet wel van adel zijn.
-Weeg nu mijn woorden, Sinjeur Djoe, merk op:
-O Sinjeur Djoe, mijn kling, gij springt er over,
-Zoo gij, Sinjeur, mij geen uitbundig losgeld
-Betalen wilt.
-
-SOLDAAT. O, prenez miséricorde! ayez pitié de moy!
-
-PISTOOL. Mooi praten helpt niet, goud verlang ik, goud;
-Of ik haal u het darmnet uit uw strot,
-In droppels purp’ren bloed.
-
-SOLDAAT. Est-il impossible d’eschapper la force de ton bras? Grâce!
-grâce!
-
-PISTOOL. Gras zegt ge, gras?
-O gij verdoemde, loopsche haas, gij grasbuik,
-Biedt gij mij gras?
-
-SOLDAAT. O pardonne moy!
-
-PISTOOL. Wat zegt gij? een paar ton? twee tonnen moois?
-Wat moois? wat geld? knaap, vraag dien schelm in ’t Fransch,
-Hoe of hij heet.
-
-JONGEN. Escoutez, comment estes vous appellé?
-
-SOLDAAT. Monsieur le Fer.
-
-JONGEN. Hij zegt, dat zijn naam is Mosjeur Fer.
-
-PISTOOL. Mosjeu Fer! ik wil hem beferren en beferken en
-befenkelen.—Verklaar hem dit in ’t Fransch.
-
-JONGEN. Ik weet het Fransch niet voor beferren en befenkelen en
-beferken.
-
-PISTOOL. Hij zij bereid, ik snijd de keel hem af.
-
-SOLDAAT. Que dit il, monsieur?
-
-JONGEN. Il me commande à vous dire que vous faites vous prest; car ce
-soldat icy est disposé tout à cette heure de couper vostre gorge.
-
-PISTOOL. Ouy, coupe legorge, par ma foy, gij boer,
-Als gij geen kronen geeft, een zak met kronen;
-Of anders hakt dit zwaard u in de pan.
-
-SOLDAAT. O, je vous supplie pour l’amour de Dieu, me pardonner. Je suis
-le gentilhomme de bonne maison; gardez ma vie, et je vous donneray deux
-cents escus.
-
-PISTOOL. Wat zegt hij daar?
-
-JONGEN. Hij bidt u zijn leven te sparen; hij is een edelman van goeden
-huize, en hij wil u tweehonderd kronen als losgeld geven.
-
-PISTOOL. Zeg hem dan dit:
-
-Mijn woede luwt, de kronen wil ik nemen.
-
-SOLDAAT. Petit monsieur, que dit il?
-
-JONGEN. Encore qu’il est contre son jurement de pardonner aucun
-prisonnier, néantmoins, pour les escus que vous l’avez promis, il est
-content à vous donner la liberté, le franchisement.
-
-SOLDAAT. Sur mes genoux je vous donne mille remerciemens, et je
-m’estime heureux que je suis tombe entre les mains d’un chevalier, je
-pense, le plus brave, valiant, et très-distingué seigneur d’Angleterre.
-
-PISTOOL. Vertolk mij dit, gij knaap!
-
-JONGEN. Hij zegt u op zijn knieën duizendmaal dank; en hij acht zich
-gelukkig, dat hij in de handen gevallen is van een, die, naar hij
-meent, de dapperste, moedigste en waardigste seigneur is van Engeland.
-
-PISTOOL. Bij ’t bloed, dat ik steeds zuig, ik voel erbarmen. Volg mij.
-
-JONGEN. Suivez vous le grand capitaine.
-
- (Pistool en de Fransche Soldaat af.)
-
-Van mijn leven heb ik zulk een volle stem niet hooren komen uit een
-ledig hart; maar het zeggen is waar: in holle vaten zit de meeste
-klank. Bardolf en Nym hadden tienmaal meer moed dan deze brullende
-duivel uit de oude zinnespelen, wien iedereen de nagels met een houten
-dolk korten kan; en die zijn beiden gehangen; en dat zou hem ook
-gebeurd zijn, als hij iets stoutweg had durven stelen. Ik moet bij den
-tros, bij de legerbagage, blijven in het kamp; als de Franschen het
-wisten, zouden zij een mooien buit op ons kunnen behalen, want alleen
-jongens zijn er bij, om de wacht te houden.
-
- (De Jongen af.)
-
-
-
-
-VIJFDE TOONEEL.
-
-
-Een ander gedeelte van het slagveld.
-
-Krijgsgedruisch. De Dauphijn, Orleans, Bourbon, de Connetabel, Rambures
-en Anderen komen op.
-
-
-CONNETABEL. O, diable!
-
-ORLEANS. O, Seigneur!—le jour est perdu! tout est perdu!
-
-DAUPHIJN. Mort de ma vie! ten duivel alles! alles!
-Smaad, eeuw’ge schande zetelt hoonend nu
-In onze vederpluimen!—O, meschante fortune!
-
-(Een kort strijdgedruisch.)
-
-Niet vluchten! staat!
-
-CONNETABEL. Niet één gelid houdt stand.
-
-DAUPHIJN. O, eeuw’ge smaad!—doorsteken wij onszelven!
-Is dit de bende, waar we om dobbelden?
-
-ORLEANS. Is dit de koning, wien wij losgeld eischten?
-
-BOURBON. O schande, en eeuw’ge schande, niets dan schande!
-Laat ons in eere sterven! nogmaals kampen!
-En hij, die thans Bourbon niet volgen wil,
-Ga heen en houde, ’t hoofd ontbloot, de wacht,
-Gelijk een lage kopp’laar, voor de kamer,
-Waarin een slaaf, niet eed’ler dan mijn hond,
-De schoonste zijner dochters hem onteert!
-
-CONNETABEL. Was wanorde ons verderf, die helpe ons nu!
-Laat ons in dichte drommen ’t leven off’ren!
-
-ORLEANS. Er zijn er nog genoeg van ons in leven,
-Om in ’t gedrang den vijand te verstikken,
-Indien slechts aan een plan te denken waar’.
-
-BOURBON. Ter helle een plan! ons in ’t gedrang gestort!
-Zijn smaad verlengt, wie niet zijn leven kort.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-ZESDE TOONEEL.
-
-
-Een ander gedeelte van het slagveld.
-
-Strijdgedruisch. Koning Hendrik, Exeter en Anderen komen op, met
-troepen.
-
-
-KONING HENDRIK. Veel is volbracht, maar, dapp’re landgenooten,
-Gedaan is ’t niet; nog houdt de vijand stand.
-
-EXETER. De hertog York laat uwe hoogheid groeten.
-
-KONING HENDRIK. Oom, leeft hij? Driemaal zag ik in dit uur
-Hem vallen, driemaal opstaan en weer vechten;
-Van helm tot spoor was hij met bloed bedekt.
-
-EXETER. In dien tooi ligt de dapp’re held en maakt
-Den bodem rijk; en naast zijn bloedig lijk,—
-Zijn eergenoot door schoon ontvangen wonden,—
-Ligt de eed’le graaf van Suffolk uitgestrekt.
-Suffolk stierf eerst, en York, met houw op houw,
-Komt tot hem, waar hij in een bloedplas ligt,
-En vat hem bij den baard en kust de wonden,
-Die bloedig gaapten op zijn aangezicht;
-En luide roept hij: „Toef, mijn beste Suffolk,
-Mijn ziel verzelle de uwe hemelwaarts;
-Toef, waarde ziel, laat ons te zamen vlieden,
-Gelijk dit veld, door dapp’ren strijd verheerlijkt,
-Ons samen eed’len ridderplicht zag doen.”
-Toen hij dit riep, kwam ik en sprak hem aan;
-Hij glimlachte mij toe, en greep mijn hand,
-En sprak, ze krachtloos drukkend: „Waarde lord,
-Breng aan mijn heer en vorst mijn laatsten groet.”
-Zich wendend, sloeg hij toen om Suffolk’s hals
-Zijn bloedige’ arm, en kuste hem de lippen,
-En zegelde, aan den dood gehuwd, met bloed
-Een testament van schoon besloten vriendschap.
-Dit teeder, lieflijk doen ontperste mij
-Deez’ druppels, die ik gaarne had gestuit,
-Doch daartoe voelde ik mij niet mans genoeg;
-Mijn moeder nam geheel mijn oogen in
-En gaf me aan tranen prijs.
-
-KONING HENDRIK. Ik gisp u niet;
-Want ik, die ’t hoor, heb met omnevelde oogen
-Mij goed te houden, of zij breken ook
-In tranen uit.—(Strijdgedruisch.)
- Doch hoor, nieuw slaggedruisch!—
-De vijand trok zijn macht weer saam!— Daarom,
-Elk krijger doode nu zijn krijgsgevang’nen!
-Gaat, zegt dit voort!
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-ZEVENDE TOONEEL.
-
-
-Een ander gedeelte van het slagveld.
-
-Strijdgedruisch. Fluellen en Gower komen op.
-
-
-FLUELLEN. De jongens en de pagage om te prengen! Het is uitdrukkelijk
-tegen de wetten van den oorlog; het is zulk een schurkenstreek van
-schelmerij, let wel op, als volpracht kan worden; op uw geweten af, is
-het niet?
-
-GOWER. Zooveel is zeker, zij hebben geen jongen in het leven gelaten,
-en juist diezelfde laffe schurken, die uit den slag wegliepen, hebben
-die slachting aangericht. Bovendien hebben zij alles verbrand en
-weggeroofd, wat in des konings tent was, waarom de koning naar
-verdienste allen soldaten bevolen heeft hun krijgsgevangenen den hals
-af te snijden. O, hij is een dapper koning!
-
-FLUELLEN. Ja, hij is geporen te Monmouth, oferste Gower. Hoe noemt gij
-den naam van de stad, waar Alexander de Lange is geporen?
-
-GOWER. Alexander de Groote!
-
-FLUELLEN. Nu, ik pit u, is Lang niet groot? De Lange, of de Groote, of
-de Hooge, of de Kloekmoedige, zijn alle één soort van dingen te
-rekenen; behalfe de uitdrukking is er een weinig variaties.
-
-GOWER. Alexander de Groote, meen ik, is in Macedonië geboren; zijn
-vader heette Philippus van Macedonië, zoo ver ik weet.
-
-FLUELLEN. Ik meen, het is in Macedonië, waar Alexander is geporen. Ik
-zeg u, oferste, als gij ziet in de kaarten ter wereld, ik sta er foor
-in, dan zult gij finden in de vergelijkingen tusschen Macedonië en
-Monmouth, dat de liggingen, siet gij, beide gelijk is. Daar is een
-rifier in Macedonië, en daar is ook povendien een rifier te Monmouth;
-die heet de Wye te Monmouth, maar het is weggeraakt in mijn prein, wat
-is de naam fan die andere rifier, maar dat is alles hetzelfde, ’t is
-zoo gelijk als mijn fingers is met mijn fingers, en er is zalmen in
-beide. Als gij Alexanders leven wel opgemerkt, Hendrik van Monmouth’s
-leven komt achterna tamelijk wel, want daar is gelijking in alle
-tingen. Alexander,—God weet het en gij weet het ook,—in zijn
-gramschappen en zijn woeden en zijn torens en zijn gallen en zijn
-grillen en zijn verdrietigheden en zijn poosheden, en dewijl hij ook
-een peetje in zijn prein peschonken is gewezen, zoo heeft hij in zijn
-pierluim en zijn poosheid, siet gij, zijn pesten friend omgebracht,
-Clytus.
-
-GOWER. Daarin gelijkt onze koning niet op hem, die heeft nooit een van
-zijn vrienden omgebracht.
-
-FLUELLEN. Het is niet wel gedaan, versta mij wel, mij de
-geschiedenissen uit mijn mond te nemen, eer het gereed is en afgewerkt.
-Ik spreek maar van de afpeeldingen en de gelijkenissen er van. Zooals
-Alexander zijn vriend Clytus heeft omgebracht, toen hij in zijn
-pierluim en zijn pekeren is gewezen, zoo heeft ook Hendrik Monmouth,
-toen hij bij zijn goed verstand en zijn prave inzichten was, den dikken
-ritter met den grooten tuppelen puik weggezonden; hij was fol grappen
-en knepen en schelmerijen en spotternijen; en ik heb zijn naam
-fergeten.
-
-GOWER. Sir John Falstaff.
-
-FLUELLEN. Dat is hij. Laat u zeggen, er is prafe mannen geporen in
-Monmouth.
-
-GOWER. Daar komt zijn majesteit.
-
-(Strijdgedruisch. Koning Hendrik komt op, met een gedeelte der
-Engelsche troepen, verder Warwick, Gloster, Exeter en Anderen.)
-
-KONING HENDRIK. Sinds ik naar Frankrijk kwam, was ik niet toornig;
-Dan deze maal.—Heraut, neem een trompetter;
-Rijd naar de ruiters op den heuvel ginds;
-Hun keus is: af te dalen, om te vechten,
-Of ’t veld te ruimen; de aanblik ergert ons.
-Maar toeven zij, dan vallen wij hen aan,
-Dat zij van hier verstuiven, ras als steenen,
-Assyrië’s slingers van weleer ontsneld.
-Dan slaan wij allen, die wij vangen, dood;
-Geen enkel man, die ons in handen valt,
-Vindt dan genade.—Ga en zeg hun dit.
-
-(Montjoye komt op.)
-
-EXETER. Daar nadert de heraut der Franschen, heer.
-
-GLOSTER. Zijn blik is veel bescheid’ner dan voorheen.
-
-KONING HENDRIK. Hoe is ’t, heraut, wat wilt ge? weet gij niet,
-Dat ik als losprijs u mijn beend’ren bood?
-Komt gij om ’t losgeld weer?
-
-MONTJOYE. Neen, groote koning.
-Thans kom ik om de christelijke vergunning,
-Om op dit bloedig veld vrij rond te gaan,
-De dooden op te teek’nen, te begraven,
-En de eed’len van ’t gemeene volk te scheiden.
-Want velen onzer prinsen liggen, ach!
-In ’t bloed van huurlingen verstikt, doorweekt;
-Zoo baadde ons boerenvolk zijn grove leden
-In vorstlijk bloed; en menig bloedend ros
-Stampt tot de vetlok in het roode slijk,
-En treft met de’ ijz’ren hoef zijn dooden heer,
-Hem nogmaals doodend. O, vergun ons, koning,
-In veiligheid het slagveld te doorzoeken,
-De lijken te verzorgen.
-
-KONING HENDRIK. ’k Weet in waarheid,
-Heraut, nog niet, of wij verwinnaars zijn
-Of niet; ’k zie velen uwer ruiters dwalen,
-En jagen over ’t veld.
-
-MONTJOYE. U is de zege.
-
-KONING HENDRIK. Geloofd zij God, niet onze kracht, er voor!—
-Hoe heet het slot, dat ginder zich verheft?
-
-MONTJOYE. Men noemt het Agincourt.
-
-KONING HENDRIK. Dan heete dit de slag van Agincourt,
-Gestreden op Crispinus Crispianus.
-
-FLUELLEN. Uw grootvader beroemder gedachtenis, met uwer majesteits
-verlof, en uw oudoom Edward, de zwarte prins van Wales, zooals ik heb
-gelezen in de kronieken, hebben een zeer prafen slag hier in Frankrijk
-gefochten.
-
-KONING HENDRIK. Dat hebben zij, Fluellen.
-
-FLUELLEN. Uwe majesteit zegt zeer waar. Als het uwe majesteiten
-foorstaat, dan deden die fan Wales goeden dienst in een tuin, waar look
-groeide, en zij droegen look in hun Monmouth-mutsen, wat, zooals uw
-majesteit weet, tot op dit uur is een eervol veldteeken, en ik geloof,
-uwe majesteit neemt geen versmading, het look te dragen op
-Sint-Tavidsdag.
-
-KONING HENDRIK. Ik draag ’t als gedenkwaardig eereteeken;
-Gij weet, ik ben uit Wales, mijn wakk’re landsman.
-
-FLUELLEN. Al het water van de Wye kan uw majesteit’s Walliser ploed
-niet uit uw lichaam wasschen, dit kan ik u zeggen; God pehoede het en
-pewaar’ het, zoolang het zijn genade pehaagt en zijn majesteit
-povendien.
-
-KONING HENDRIK. Dank, mijn goede landsman.
-
-FLUELLEN. Bij Jezus! ik ben uw majesteits landsman, en dat mag iedereen
-weten; ik wil het aan de geheele wereld pekennen. Ik pehoef mij over
-uwe majesteit niet te schamen, God zij geprijsd, zoo lang als uwe
-majesteit is een eerlijke man.
-
-KONING HENDRIK. Zoo sterk’ mij God!—Herauten, gaat met dezen;
-En meldt nauwkeurig mij het aantal dooden
-Aan beide zijden.—Roep mij gindschen knaap.
-
- (Hij wijst op Williams.—Montjoye en Anderen af.)
-
-EXETER. Soldaat, gij moet bij den koning komen.
-
-KONING HENDRIK. Soldaat, waarom draagt gij dien handschoen op de muts?
-
-WILLIAMS. Met verlof van uw majesteit, het is een pand van iemand, met
-wien ik vechten moet, als hij nog in leven is.
-
-KONING HENDRIK. Een Engelschman?
-
-WILLIAMS. Met verlof van uwe majesteit, een schavuit, die mij in de
-laatste nacht wat voorsnoefde! en als hij nog leeft en het hart heeft
-dien handschoen op te vorderen, heb ik gezworen hem een oorveeg toe te
-deelen; of, als ik mijn handschoen op zijn muts zie, gelijk hij, zoo
-waar hij soldaat is, gezworen heeft hem te zullen dragen, als hij in
-leven bleef,—zal ik hem een duchtig pak geven.
-
-KONING HENDRIK. Wat dunkt u, overste Fluellen, is het betamelijk, dat
-deze soldaat zijn eed houdt?
-
-FLUELLEN. Hij is anders een lafaard en een hondsvot, met verlof van uwe
-majesteit, op mijn geweten af.
-
-KONING HENDRIK. Het zou kunnen zijn, dat zijn tegenpartij een voornaam
-edelman was, veel te hoog om aan iemand van zijn rang rekenschap te
-geven.
-
-FLUELLEN. Al was hij een zoo goede edelman, als de tuifel het is, als
-Lucifer en Pelzepup zelf, toch is het noodig, versta uwe genade, dat
-hij zijn gelofte houdt en zijn eed. Als hij is een eedbreker, siet gij,
-dan is zijn reputatie zulk een aartshondsvot en een hansworst, als er
-ooit een zijn swarte schoenen op Gods aardbodem heeft geset, op mijn
-geweten, siet gij.
-
-KONING HENDRIK. Zoo houd dan uw eed, knaap, als gij den kerel ontmoet.
-
-WILLIAMS. Dat zal ik, mijn vorst, zoo waar ik leef.
-
-KONING HENDRIK. Onder wien dient gij?
-
-WILLIAMS. Onder overste Gower, mijn vorst.
-
-FLUELLEN. Gower is een goed oferste, en is goede wetenschap en
-gestudeerd in de oorlogen.
-
-KONING HENDRIK. Roep hem hierheen tot mij, soldaat.
-
-WILLIAMS. Terstond mijn vorst.
-
- (Williams af.)
-
-KONING HENDRIK. Hier, Fluellen, draag gij dit eereteeken voor mij en
-steek het op uw muts. Toen Alençon en ik te zamen op den grond lagen,
-rukte ik hem dezen handschoen van zijn helm; als iemand hem
-terugvordert, is hij Alençons vriend en een vijand van onzen persoon;
-als gij zoo iemand ontmoet, vat hem dan, zoo gij mij lief hebt.
-
-FLUELLEN. Uw genade bewijst mij zoo groote eeren, als maar gewenscht
-kan worden in de harten van zijn onderdanen. Ik zou wel gaarne willen
-zien den man, die op maar twee beenen loopt, die zich beleedigd zal
-vinden door dezen handschoen, dat is alles. Maar ik zou het wel eens
-willen zien, en het pelieve God in zijn genade, dat ik moge zien.
-
-KONING HENDRIK. Kent gij Gower?
-
-FLUELLEN. Hij is mijn waarde vriend, met uw verlof.
-
-KONING HENDRIK. Ik bid u, zoek hem op en breng hem aan mijn tent.
-
-FLUELLEN. Ik zal hem halen.
-
- (Fluellen af.)
-
-KONING HENDRIK. Mylord van Warwick, en mijn broeder Gloster,
-Gaat, volgt Fluellen daad’lijk, op den voet.
-De handschoen, dien ik hem als eereteeken
-Daar gaf, brengt hem wellicht een oorveeg op;
-Hij is van den soldaat; naar de afspraak zou
-Ikzelf hem dragen. Volg hem, waarde neef;
-Als de soldaat hem slaat,—en ik vermoed,
-Omdat hij plomp genoeg is, dat hij woord houdt,—
-Dan sproot er licht een plots’ling onheil uit;
-Want die Fluellen heeft een hart in ’t lijf,
-En vliegt, als hij vergramd is, op als buskruit,
-En geeft een smaad op ’t oogenblik terug;
-Volgt dus en zorgt, dat zij elkaar geen leed doen.—
-Ga gij met mij, mijn oom van Exeter.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-ACHTSTE TOONEEL.
-
-
-Voor de tent van koning Hendrik.
-
-Gower en Williams komen op.
-
-
-WILLIAMS. Ik sta er voor in, overste, het is om u tot ridder te slaan.
-
-(Fluellen komt op.)
-
-FLUELLEN. Gods wil en zijn welgevallen, overste, ik verzoek u nu, kom
-terstond bij den koning; er is meer goeds voor u, mogelijkerwijs, dan
-in uw wetenschap is om van te droomen.
-
-WILLIAMS. Heer, kent gij dezen handschoen?
-
-FLUELLEN. Of ik den handschoen ken? Ik weet, de handschoen is een
-handschoen.
-
-WILLIAMS. Maar ik ken dien, en zoo eisch ik hem op.
-
-(Hij geeft Fluellen een slag.)
-
-FLUELLEN. Alle duivels! een aartsverrader, als er één is in de
-gesamentlijke wereld, of in Frankrijk of in Engeland.
-
-GOWER. Wat beteekent dit, kerel? gij, schurk!
-
-WILLIAMS. Denkt gij, dat ik mijn eed wil breken?
-
-FLUELLEN. Ga terug, oferste Gower, ik wil de verraderij haar loon
-petalen in slagen, dat verzeker ik u.
-
-WILLIAMS. Ik ben geen verrader.
-
-FLUELLEN. Dat liegt gij in uw strot.—Ik pefeel u in naam van zijn
-majesteit, hem te vatten; hij is een friend van den hertog van Alençon.
-
-(Warwick en Gloster komen op.)
-
-WARWICK. Wat is er? wat is er? wat gebeurt hier?
-
-FLUELLEN. Mylord van Warwick, hier is,—God zij er voor geprijst!—een
-hoogst aanstekelijke verraderij aan het licht gekomen, ziet gij, als
-gij maar wenschen kunt op een zomerdag.—Daar komt zijn majesteit.
-
-(Koning Hendrik en Exeter komen op.)
-
-KONING HENDRIK. Wat is er? wat gebeurt hier?
-
-FLUELLEN. Mijn vorst, hier is een hondsvot en een verrader, die, zie uw
-genade, den handschoen geslagen heeft, dien uw majesteit is weggenomen
-uit den helm van Alençon.
-
-WILLIAMS. Mijn vorst, dit was mijn handschoen; hier is de weergâ er
-van; en hij, wien ik hem in ruil gegeven heb, beloofde, dat hij hem op
-de muts zou dragen, en ik beloofde, dat ik hem zou slaan, als hij het
-deed. Ik ontmoette dezen man met mijn handschoen op zijn muts, en ik
-ben zoo goed als mijn woord geweest.
-
-FLUELLEN. Uw majesteit hooren nu, met alle respect voor uw majesteits
-manpaarheid, wat een uitpundige, schoftige, armzalige, luizige schelm
-hij is. Ik hoop, dat uw majesteit mij getuigenis wil afleggen en
-bekentenis en borg, dat dit de handschoen is van Alençon, dien uw
-majesteit mij is gegeven, op uw geweten nu.
-
-KONING HENDRIK. Geef mij dien handschoen, soldaat; zie, hier is zijn
-wedergâ. Ik was ’t, wien gij die slagen hebt beloofd, En, waarlijk,
-bitt’re woorden moet ik hooren.
-
-FLUELLEN. Met uw majesteits verlof, laat zijn hals er voor
-verantwoordelijk zijn, als er nog een martiale wet is op de wereld.
-
-KONING HENDRIK. Hoe kunt gij mij voldoening verschaffen?
-
-WILLIAMS. Alle beleedigingen, heer, komen uit het hart; en nooit is er
-uit het mijne iets gekomen, dat uw majesteit beleedigen kon.
-
-KONING HENDRIK. Wijzelven waren ’t, die gij hebt gesmaad.
-
-WILLIAMS. Uw majesteit kwam niet in de gedaante van uzelf; gij scheent
-mij slechts een gewoon krijgsman; de nacht, uw kleeding, uw min
-voorkomen mogen het getuigen; en wat uw hoogheid in deze gedaante heeft
-moeten lijden, reken dit, bid ik u, uw schuld en niet de mijne; want
-als gij dat geweest waart, waar ik u voor hield, dan beging ik geen
-vergrijp; daarom bid ik uw hoogheid, vergeef mij.
-
-KONING HENDRIK. Hier, oom, vul dezen handschoen mij met kronen,
-En geef hem dezen knaap.—Gij, borst, behoud hem,
-En draag hem op de muts als eereteeken,
-Tot ik hem opeisch.—Geef hem nu de kronen.—En,
-overste, verzoen u ook met hem.
-
-FLUELLEN. Pij dezen dag en dit licht, de porst heeft hart genoeg in
-zijn puik.—Hier, daar is twaalf stuivers voor u, en ik pit u, dien God
-en houd u buiten gekijf en gekibbel en twist en tweedrachten; en ik sta
-er voor in, het is des te peter voor u.
-
-WILLIAMS. Ik wil uw geld niet.
-
-FLUELLEN. Het is met een goeden wil; ik kan u zeggen, dat het u dienen
-kan voor het lappen van uw schoenen. Kom, waarom zoudt gij zoo
-schaamachtig wezen? Uw schoenen is niet te best; ’t is een goede
-schelling, ik sta er voor in, of ik wil hem wisselen.
-
-(Een Engelsch Heraut komt op.)
-
-KONING HENDRIK. Nu, heraut, zijn de dooden geteld?
-
-HERAUT. Hier is het aantal der gevallen Franschen.
-
-(Hij reikt een papier over.)
-
-KONING HENDRIK. Wat hooge krijgsgevang’nen zijn er, oom?
-
-EXETER. Charles van Orleans, des konings neef,
-Jean van Bourbon, de heer van Boucicault;
-Van andre heeren, graven, ridders, jonkers,
-Ruim vijftienhonderd buiten al de mindren.
-
-KONING HENDRIK. De lijst hier zegt: tienduizend Franschen liggen
-In ’t veld gedood; er zijn, in dit getal,
-Geveld, van prinsen en van baanderheeren,
-Éénhonderd zes-en-twintig; bovendien,
-Aan ridders, jonkers, dappere edellieden,
-Achtduizend en vierhonderd, onder welke
-Vijfhonderd gist’ren pas geridderd werden;
-Zoodat van de tienduizend omgekoom’nen
-De huurlingen slechts zestienhonderd zijn,
-Al de and’ren prinsen, graven, baanderheeren, ridders,
-En edellieden van geboorte en rang.
-Dit zijn de namen van hun pairs, die vielen:
-Charles de la Bret, des rijks grootconnetabel,
-Jacques Chatillon, des konings admiraal,
-Der kruisboogschutters hoofdman, heer Rambures,
-Frankrijks grootmeester, heer Guichard Dauphin,
-De hertogen van Alençon, van Brabant,
-De broeder van den hertog van Bourgondië,
-De hertog Eduard van Bar, de graven
-Grandpré, Roussi en Fauconberg en Foix,
-Beaumont en Marie, Vaudemont, Lestrale.
-Dat was een drang van vorsten tot den dood!—
-Waar is de lijst nu van onze eigen dooden?
-
-(De Heraut reikt een tweede papier over.)
-
-Edward, hertog van York, de graaf van Suffolk,
-Sir Richard Ketly, David Gam, esquire;
-Geen ander man van naam, en van de mind’ren
-Slechts vijf-en-twintig.—God! uw arm was hier;
-En niet onszelven, uwen arm slechts schrijven
-Wij alles toe.—Wanneer ooit zag men, niet
-Door listig overvallen, maar door botsing
-In ’t open veld en ’t wagen van de krijgskans,
-Aan de eene zijde en de andere, een zoo groot
-En zoo gering verlies?—O God, aanvaard het;
-Want u is ’t, u alleen!
-
-EXETER. ’t Is wonderbaar.
-
-KONING HENDRIK. Komt, gaan we in plechtige’ optocht naar het dorp;
-En ’t zij aan ’t heer verkondigd, dat de dood
-Hem wacht, die op de zege pocht, of Gode
-Den roem onthoudt, die hem alleen behoort.
-
-FLUELLEN. Is het niet veroorloofd, met uw majesteits welgefallen, te
-zeggen, hoe velen doodgeslagen is?
-
-KONING HENDRIK. Ja, overste, dit wel, doch met de erkenning,
-Dat God hier voor ons streed.
-
-FLUELLEN. Ja, op mijn geweten, hij heeft ons praaf gehelpt.
-
-KONING HENDRIK. Geen heil’ge plechtigheid verzuimd!
-’t Non nobis aangeheven en Te Deum;
-De dooden christ’lijk aan den grond vertrouwd!
-Dan naar Calais en voorts naar England; daar
-Ontscheepte uit Frankrijk nooit een blijder schaar.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE BEDRIJF.
-
-
-Chorus treedt op.
-
-
-CHORUS. Vergunt mij, de geschied’nis te verklaren
-Voor elk, die haar niet las; hem, die haar kent,
-Smeek ik deemoedig om ontschuldiging,
-Dat aantal, tijd, de juiste loop der dingen
-Hier in haar eigen, rijk en krachtig leven
-Niet voor te stellen zijn. Wij brengen thans
-Den koning naar Calais; ziet gij hem daar,
-Zoo heft hem, op de vleug’len der gedachte,
-Weg, over zee. Ziet, Englands kust omzoomt
-Den breeden vloed met mannen, vrouwen, knapen;
-Zij overjuichen ’t zwaar geklots der zee,
-Die, als een grootsch heraut, den koning voorgaand,
-Den weg hem schijnt te banen. Laat hem landen,
-En ziet zijn zegetocht naar Londen aan.
-Zoo snel is der gedachte gang, dat gij
-Hem nu alreeds moogt denken in Blackheath;
-Daar smeeken hem zijn lords, dat voor hem uit
-Zijn zwaar gebutste helm, verbogen kling,
-Gedragen worden door de stad. Hij weigert,
-Blijft vrij van ijdelheid en zelfverheffing,
-Wijst eerekroon, tropee en praal terug,
-En geeft aan God alle eer. Maar ziet nu, ziet,
-In der gedachte vlugge smidse en werkplaats,
-Hoe Londens burgerij naar buiten stroomt;
-De mayor en heel zijn raad in plechtgewaad
-Gaan, als oud-Rome’s senatoren, met
-Een zwerm Plebejers achter zich, vooruit
-En halen de’ overwinnaar Caesar in;
-Zoo,—’t beeld zij klein, ’t is liefdevol,—
-Als onzer hooge koninginne veldheer,
-Wat dra geschiede!—uit Ierland weder kwam,
-En ’t oproer aan zijn zwaard geregen hier bracht,
-Hoe velen stroomden uit deez’ stad en riepen
-Hem welkom toe! Veel meer, met veel meer reden,
-Begroetten zij hun Hendrik.—Denkt hem nu
-In Londen, wijl het jamm’ren van de Franschen
-Thans Englands koning thuis in vreê doet blijven,
-Terwijl de keizer zelfs om Frankrijks wil
-Als vredestichter komt;—en springt nu over
-Al wat intusschen verder is geschied,
-Tot Hendrik nogmaals wederkeert naar Frankrijk.
-Daar zij hij thans; den tusschentijd heb ik
-Gespeeld, opdat gij weet, dat die verstreek.
-Blikt, die verkorting duldend, nu meteen,
-Waar de gedachte ’t wil, naar Frankrijk heen.
-
- (Chorus af.)
-
-
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Frankrijk. Een wachtpost in het Engelsch legerkamp.
-
-Fluellen en Gower komen op.
-
-
-GOWER. Gij hebt gelijk. Maar waarom draagt gij vandaag uw look?
-Sint-Davidsdag is al voorbij.
-
-FLUELLEN. Er is aanleidingen en oorzaken, waarom en waarvoor, in alle
-dingen. Ik wil het u zeggen, als mijn vriend, overste Gower. De
-schoftige, schurftige, lompige, luizige, snoevende schelm Pistool, dien
-gij en uw persoon en de geheele wereld voor niets peters kent, ziet
-gij, dan als een kerel, die niets waard is, hij is bij mij gekomen, en
-prengt mij gisteren prood en zout, ziet gij, en zegt mij, mijn look er
-mee te eten. Dat was op een plaats, waar ik geen twist met hem kon
-peginnen; maar ik wil nu zoo frij wezen het op mijn muts te dragen, tot
-ik hem weer zie, en dan wil ik hem vertellen een klein peetje van mijn
-verlangsten.
-
-GOWER. Wel nu, daar komt hij, opgeblazen als een kalkoensche haan.
-
-(Pistool komt op.)
-
-FLUELLEN. Zijn opplazingen en zijn kalkoensche-hanen raakt mij
-niet.—God zegen’ u, faandrig Pistool! gij schurftige, luizige schoft,
-God zegen’ u!
-
-PISTOOL. Ha! zijt gij dolheid? Lust het u, Trojaan, Dat ik der Parken
-stervensweefsel plooi? Weg! ik bezwijm reeds bij de lucht van look!
-
-FLUELLEN. Ik verzoek u hartelijk, schurftige, luizige schoft, op mijn
-wensch en mijn pegeeren en mijn aanhoudingen, dit look, ziet gij, op te
-eten; omdat gij er niet van houdt, ziet gij, en het uw neigingen en uw
-lusten en uw spijsverteringen niet goed pekomt, daarom pit ik u het op
-te eten.
-
-PISTOOL. Niet voor Cadwallader en al zijn geiten.
-
-FLUELLEN. Daar is een van de geiten voor u. (Hij slaat hem.) Wilt gij
-zoo goed zijn, schurftige schoft, en het opeten?
-
-PISTOOL. Gij hond van Troje, gij moet sterven!
-
-FLUELLEN. Gij zegt de waarheid, schurftige schoft, als het Gods wil is.
-Ik wil u ondertusschen pegeeren te leven en uw spijzen te eten; kom,
-daar is de saus er bij. (Hij slaat hem weder.) Gij hebt mij gisteren
-een pergjonker genoemd, maar ik zal u vandaag een jonker maken van
-lagen stand. Ik pit u, tast toe; kunt gij met look spotten, dan kunt
-gij ook look eten.
-
-GOWER. Genoeg, overste, gij hebt hem geheel overdonderd.
-
-FLUELLEN. Ik zeg, hij zal een stuk van mijn look eten, of ik sla zijn
-kop voor vier dagen pont en plauw.—Pijt toe, pit ik u, het is goed voor
-een fersche wond en voor uw ploedigen zotskop.
-
-PISTOOL. Moet ik toebijten?
-
-FLUELLEN. Ja, zeker en zonder twijfel, en zonder fragen ook en
-dubbelzinnigheden.
-
-PISTOOL. Nu, bij dit look, ik zal mij gruw’lijk wreken;
-Ik eet en eet, ik zweer—
-
-FLUELLEN. Eet, pit ik u. Wilt gij nog meer saus bij uw look hebben? er
-is niet genoeg look om bij te zweren.
-
-PISTOOL. Geef uwen knuppel rust, gij ziet, ik eet.
-
-FLUELLEN. Wel pekome het u, schurftige schoft, van harte. Neen, ik pit
-u, gooi niets weg, de schil is goed genoeg voor uw gewonden zotskop.
-Wilt gij hiernamaals gelegenheden nemen om look te zien, zoo pit ik u,
-spot er mede, dat is alles.
-
-PISTOOL. Goed.
-
-FLUELLEN. Ja, look is goed.—Hier, daar hebt gij een stooter, om te
-genezen uw hersenpan.
-
-PISTOOL. Een stooter mij!
-
-FLUELLEN. Ja zeker, en in waarheid, gij zult dien aannemen, of ik heb
-nog een ander look in mijn zak, wat gij zult opeten.
-
-PISTOOL. Ik neem hem aan, als handgeld voor mijn wraak.
-
-FLUELLEN. Als ik u iets schuldig ben, zal ik u petalen in knuppels; gij
-moet in hout gaan doen en niets koopen van mij dan knuppels. God zij
-met u en pehoete u en geneze uw pol!
-
- (Fluellen af.)
-
-PISTOOL. Hierover komt de gansche hel in opstand.
-
-GOWER. Loop, loop! gij zijt een pochende, laffe schelm. Wilt gij
-spotten over een oud gebruik, dat uit een eervolle aanleiding ontsproot
-en als een gedenkwaardig teeken van vroegere dapperheid gedragen wordt,
-en waagt gij het niet, zelfs één uwer woorden door daden waar te maken?
-Ik heb het twee of drie keer gezien, dat gij dien wakkeren man begekt
-en gesard hebt. Gij dacht, omdat hij de Engelsche taal niet in haar
-landsdracht spreken kan, dat hij ook geen Engelschen knuppel kon
-hanteeren? Nu bevindt gij het anders; en laat voor het vervolg een
-Walliser tuchtiging u goede Engelsche manieren leeren. Goeden dag.
-
- (Gower af.)
-
-PISTOOL. Gaat nu Fortuin ’t valsch vrouwmensch met mij spelen?
-’k Vernam, dat in het hospitaal mijn Neel
-Stierf aan de Fransche ziekte.
-Ginds ligt mijn toevluchtsoord alzoo in puin.
-Oud groei ik op en de eer is uitgeknuppeld
-Uit dit vermoeide lijf. ’k Wil kopp’laar worden;
-Ook handig beurzensnijden trekt mij aan.
-Steelswijs wip ik naar England om te stelen;
-Ik leg mij pleisters op de knuppelschrammen;
-En zweer, dat ze uit den Franschen oorlog stammen.
-
- (Pistool af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Troyes, in Champagne. Een zaal in het koninklijk paleis.
-
-
-Uit de eene deur komen op: Koning Hendrik, Bedford, Gloster, Exeter,
-Warwick, Westmoreland en andere Lords; uit een andere Koning Karel,
-Koningin Isabella, Prinses Catharina, Hovelingen en Hofdames, waaronder
-Alice; alsmede de Hertog van Bourgondië met Gevolg.
-
-KONING HENDRIK. Vrede aan den kring hier, die den vrede zoekt!—
-Wij wenschen onzen broeder, onze zuster
-Van Frankrijk heil en welzijn,—onze nicht,
-De schoone Catharina, vreugde en zegen;—
-Ook u, als tak en lid van ’t koningshuis,
-Die deze vorstensamenkomst tot stand bracht,
-U, hertog van Bourgondië, groeten wij;—
-En, prinsen, pairs van Frankrijk, heil u allen!
-
-KONING KAREL. Met groote vreugde aanschouwen we uw gelaat,
-Doorluchte broeder England; wees hier welkom;
-Elk uwer, Englands prinsen, evenzoo!
-
-KONINGIN ISABELLA. Zij de afloop even heilrijk, broeder England,
-Des blijden dags, der hart’lijke begroeting,
-Als wij, verheugd, u thans in de oogen zien.
-Die oogen, die tot dusver op de Franschen,
-Die in hun richting hen ontmoetten, steeds
-Den moord’naarsblik der basilisken schoten,—
-’t Venijn van zulke blikken, hopen wij,
-Verloor alsnu zijn kracht, en deze dag
-Verkeer’ hier allen twist en strijd in liefde.
-
-KONING HENDRIK. Hier staan we, om amen op dien wensch te zeggen.
-
-KONINGIN ISABELLA. Gij Englands prinsen, ’k heet u allen welkom.
-
-BOURGONDIË. Gelijk’lijk wijd ik dienst en liefde u beiden,
-Verheven koningen! Dat ik gestreefd heb
-Met al mijn denken, ijver en volharding,
-U, hooge vorsten, tot deez’ koningsdag,
-Dit mondgesprek te brengen, kunnen mij
-Uw majesteiten zelf het best getuigen.
-Is nu mijn dienst zoo ver geslaagd, dat gij
-Van aangezicht tot aangezicht elkander
-Hier ziet en groet, zoo duidt gij ’t mij niet euvel,
-Dat ik voor dezen hoogen kring u vraag,
-Wat hindernis of aanstoot er nog is,
-Dat de arme, naakte, zwaar gekwetste vrede,
-Der kunsten kweekster, volks- en welvaartvoedster,
-In ’s werelds schoonsten gaard, ons vruchtbaar Frankrijk,
-Haar lieflijk aanschijn niet verheffen zou?
-Helaas! te lang was zij verjaagd uit Frankrijk;
-Op hoopen ligt zijn veld- en akkerschat,
-Verrottend in zijn eigen vruchtbaarheid.
-Zijn wijnstok, ’s harten lust- en vreugdewekker,
-Sterft onverzorgd; zijn fraaie dichte heggen
-Zijn, als langhaar’ge en stopp’lige gevang’nen,
-Door wilde twijgen haav’loos; op zijn akkers,
-Die braak nu liggen, tieren dolik, schierling
-En weeld’rige aardrook, en het kouter roest,
-Dat zulk een woeste woek’ring moest ontwort’len.
-Het effen weiland, eens zoo schoon gesierd
-Met sleutelbloemen, pimpernel en klaver,
-De zeis nu dervend, brengt, verwilderd, geil,
-In woesten moedwil niets dan onkruid voort,
-Dan ruwe distels, wilde zuring, klissen;
-En met zijn schoon verloor ’t zijn nuttigheid.
-En zooals wijngaard, braakland, weide en heg,
-Ontaardend, nu tot wildernissen worden,
-Is ’t in de huizen; wij en onze kind’ren,
-Vergeten hebben we, of verzuimd te leeren,
-Wijl tijd ontbrak, wat Frankrijks roem moest zijn,
-De wetenschappen; en wij groeien op,
-Als wilden,—als soldaten ’t doen, wier denken
-Op bloed steeds zint,—tot haveloosheid, vloeken,
-Norsch uitzicht, al wat onnatuurlijk schijnt.
-Om dit weer in zijn vroegren staat te brengen
-Kwaamt gij bijeen; en nu smeekt u mijn tong,
-Dat gij mij meldt, waarom de zachte vrede
-Niet al dit onheil uit het land zou drijven
-En ons weer zeeg’nen met haar vroeg’re kracht.
-
-KONING HENDRIK. Wenscht gij den vrede, hertog van Bourgondië,
-Welks afzijn wasdom geeft aan al de rampen,
-Door u genoemd, dien vrede moet gij koopen,
-Door al de billijke eischen toe te staan,
-Die gij, kort saamgevat, met juiste omschrijving
-Van elk bijzonder punt, in handen hebt.
-
-BOURGONDIË. De koning kent ze reeds, doch heeft zijn antwoord
-Ons nog niet meêgedeeld.
-
-KONING HENDRIK. Welnu, de vrede,
-Waar gij op aandrongt, ligt juist in zijn antwoord.
-
-KONING KAREL. Ik heb de artik’len slechts met vluchtig oog
-Doorloopen; doch, wil thans uw hoogheid enk’len
-Uit uwen raad benoemen, om met ons
-Ze grondiger te toetsen, dan wordt dra
-Door ons besloten wat we aanneem’lijk achten,
-En ons beslissend antwoord meegedeeld.
-
-KONING HENDRIK. Zoo zij het, broeder.—Gaat, oom Exeter,—
-En broeder Clarence;—en gij, broeder Gloster,—
-Warwick,—en Huntingdon, nu met den koning:
-Ik machtig u tot sluiting van ’t verdrag;
-Vermeerdert, wijzigt, zooals ’t uwe wijsheid
-Voor onze waardigheid voordeeligst acht,
-U al of niet aan wat wij eischten houdend;
-Wij zullen onderteek’nen.—Waarde zuster,
-Gaat gij met hen, of blijft gij hier bij ons?
-
-KONINGIN ISABELLA. Doorluchte broeder, ik wil met hen gaan.
-Wellicht bewerkt een vrouwestem iets goeds,
-Als eenige eisch te sterk wordt aangedrongen.
-
-KONING HENDRIK. Zoo laat toch onze nicht Cath’rina hier;
-Want zij is de eerste vord’ring, die wij stellen,
-En heeft den hoogsten rang in onze artik’len.
-
-KONINGIN ISABELLA. ’t Is gaarne haar vergund.
-
- (Allen af, behalve Koning Hendrik, Catharina en haar Hofdame Alice.)
-
-KONING HENDRIK. Nu, schoone Catharina, allerschoonste,
-Mag een soldaat van u de woorden leeren,
-Die ingang vinden in een vrouwenoor,
-Haar teeder hart voor zijne liefde winnen?
-
-CATHARINA. Uw majesteit zal zich van mij spotten; ik niet kan spreken
-uw England.
-
-KONING HENDRIK. O, schoone Catharina, als gij met uw Fransch hart
-oprecht beminnen wilt, zal ik met genoegen hooren, dat gij het met uw
-Engelsche tong gebroken bekent. Hebt gij mij lief, Kaatje?
-
-CATHARINA. Pardonnez-moy, ik niet verstaan, wat is „mij lief.”
-
-KONING HENDRIK. De engelen zijn lief en goed, Kaatje, en gij zijt als
-een engel.
-
-CATHARINA. Que dit-il? que je suis semblable à les anges?
-
-ALICE. Ouy, vrayment, sauf vostre grace, ainsi dit-il.
-
-KONING HENDRIK. Dit zeide ik, dierbare Catharina, en dit kan ik zonder
-blozen herhalen.
-
-CATHARINA. O bon Dieu! les langues des hommes sont pleines de
-tromperies.
-
-KONING HENDRIK. Wat zegt zij, schoon kind? dat de tongen der mannen vol
-bedrog zijn?
-
-ALICE. Ouy, dat de tongs van de mans zijn vol bedrog; dat is de
-prinses.
-
-KONING HENDRIK. De prinses is de beste Engelsche van u beiden.
-Waarachtig, Kaatje, voor mijn aanzoek is uw kennis van het Engelsch
-juist geschikt; ik ben blijde, dat gij het niet beter spreekt, want als
-gij dit deedt, zoudt gij mij zulk een eenvoudig koning vinden, dat gij
-zoudt denken, dat ik mijn bouwmanshoeve verkocht had om mijn kroon te
-koopen. Ik versta de kunst niet om mijn liefde fraai voor te doen; ik
-kan slechts eenvoudigweg zeggen: „ik bemin u.” En als gij mij dan
-verder dringt, dan dat gij vraagt: „meent gij het in ernst”? dan ben ik
-uitgepraat met mijn aanzoek. Geef mij uw antwoord; in allen ernst, doe
-het; dan een handslag en de koop is gesloten. Wat zegt gij, jonkvrouw?
-
-CATHARINA. Sauf vostre honneur, ik verstaan goed.
-
-KONING HENDRIK. Maar waarlijk, Kaatje, als gij verlangt, dat ik om
-uwentwil verzen maken of dansen ga, dan ben ik verloren. Voor het eene
-ontbreken mij de woorden en de maat, en wat het andere betreft, ben ik
-niet sterk in het maathouden, al heb ik een behoorlijke mate van
-sterkte. Als ik een jonkvrouw met haasje-over-springen kon winnen, of
-door mij met volle wapenrusting in den zadel te slingeren, dan zou ik
-mij met springen spoedig een vrouw veroveren. Of als ik om mijn liefste
-mocht boksen, of mijn paard voor haar gunst laten steigeren, dan zou ik
-er op kunnen toeslaan als een slager en vastzitten als een aap, nooit
-er af. Maar, bij God, Kaatje, ik kan niet kwijnend kijken, noch mijn
-welsprekendheid uitzuchten, ook ben ik niet bedreven in het bezweren
-van mijn liefde, maar heb alleen eeden zonder omhaal, die ik nooit
-gebruik dan als het niet anders gaat, en nooit breek, hoe het ook ga.
-Als gij een man van dit slag kunt beminnen, Kaatje, wiens gezicht niet
-waard is van de zon verbrand te worden, die nooit in zijn spiegel kijkt
-uit verliefdheid op iets, wat hij daar ziet, laat dan uw oog hem u
-toebereiden. Ik spreek tot u als een rond soldaat; kunt gij mij hierom
-lief hebben, neem mij dan; zoo niet, nu, als ik tot u zeg, dat ik zal
-sterven, zoo is dat waar,—maar, door mijn liefde tot u, bij den hemel,
-neen; en toch, ik bemin u. En zoo lang gij leeft, lieve Kaatje, neem u
-een man van eenvoudige en ongemunte standvastigheid, want die moet
-vanzelf u geven wat u toekomt, daar hij de gave mist om elders zijn hof
-te maken; die knapen met eindelooze tong, die zich in de gunst van
-vrouwen weten in te rijmen, draaien zich door redeneeringen er altijd
-weder uit. Kom, een redenaar is maar een prater, en een rijmpje is maar
-een deuntje. Een goed been schrompelt in, een rechte rug wordt krom,
-een zwarte baard wordt wit, een kroeskop wordt kaal, een blozend
-gezicht verwelkt, een vol oog wordt hol; maar een goed hart, Kaatje, is
-zon en maan, of liever, de zon, en niet de maan, want het schijnt
-helder en verandert nimmer, maar blijft trouw in zijn baan. Als gij er
-zoo een hebben wilt, neem dan mij; neem mij, neem een soldaat; neem een
-soldaat, neem een koning. En wat zegt gij nu op mijn liefde? Spreek,
-melieve, en liefelijk, bid ik u.
-
-CATHARINA. Is het mogelijk, dat ik zou beminnen den vijand van
-Frankrijk?
-
-KONING HENDRIK. Neen, het is niet mogelijk, dat gij den vijand van
-Frankrijk zoudt beminnen, Kaatje; maar door mij te beminnen, zoudt gij
-den vriend van Frankrijk beminnen, want ik bemin Frankrijk zoo zeer,
-dat ik er geen dorp van wil laten varen; ik wil het geheel voor mijzelf
-hebben. En, Kaatje, als Frankrijk mijn is, en ik de uwe ben, dan is
-Frankrijk u en gij zijt mijn.
-
-CATHARINA. Ik niet verstaan, wat dat is.
-
-KONING HENDRIK. Niet, Kaatje? Ik zal het u in het Fransch zeggen, dat
-zeker aan mijn tong zal hangen als een pasgetrouwde vrouw aan den hals
-van haar man, nauwelijks af te schudden. Quand j’ai le possession de
-France, et quand vous avez le possession de moy,—laat zien, hoe verder?
-Sint Dénis sta mij bij!—donc vostre est France, et vous estes mienne.
-Het valt mij even licht, Kaatje, het koninkrijk te veroveren, als nog
-eens zooveel Fransch te spreken. Ik zal nooit in het Fransch u tot iets
-bewegen, of het moet zijn tot lachen.
-
-CATHARINA. Sauf vostre honneur, le François que vous parlez est
-meilleur que l’Anglois lequel je parle.
-
-KONING HENDRIK. Neen, waarlijk, Kaatje, dat is het niet; maar zooals
-gij mijn taal spreekt en ik de uwe, beiden oprecht slecht, komt, dit
-moet erkend worden, vrij wel op hetzelfde neer. Maar, Kaatje, verstaat
-gij zooveel Engelsch: kunt gij mij beminnen?
-
-CATHARINA. Ik dat niet kan zeggen.
-
-KONING HENDRIK. Kan een van uw buren hier het mij zeggen, Kaatje? Ik
-wil ’t haar vragen. Kom, ik weet, gij bemint mij; en als gij van avond
-op uw kamer komt, zult gij deze edelvrouw over mij vragen; en ik weet,
-Kaatje, gij zult, tegen haar, al die dingen in mij laken, die gij in uw
-hart liefhebt; maar, goede Kaatje, spot barmhartig met mij, vooral,
-lieve prinses, omdat ik u gruwelijk bemin. Als gij ooit de mijne wordt,
-Kaatje,—en ik heb het zaligend geloof in mij, dat gij het worden
-zult,—dan won ik u met schermutselen, en dan moet gij vanzelf een goede
-soldatenmoeder blijken. Welnu, zullen wij beiden niet, tusschen Sint
-Denis en Sint George in, een jongen tot stand brengen, half Fransch,
-half Engelsch, die naar Constantinopel zal gaan en den grooten Turk bij
-den baard trekken? zullen wij niet? wat zegt gij, mijn schoone
-leliebloem?
-
-CATHARINA. Ik niet weet dat.
-
-KONING HENDRIK. Neen, te weten is het eerst later, maar nu te beloven.
-Beloof nu maar, Kaatje, dat gij uw best zult doen voor uw Fransche
-helft van zulk een jongen, en neem voor mijn Engelsche helft het woord
-aan van een koning en vrijgezel. Wat antwoordt gij nu, la plus belle
-Catharine du monde, mon très cher et divin déesse?
-
-CATHARINA. Uw majesté hebben fausse Fransch genoeg om te bedriegen de
-meest sage demoiselle, die is in Frankrijk.
-
-KONING HENDRIK. Foei dan dat valsche Fransch van mij! Op mijn eer, in
-trouwhartig Engelsch, ik bemin u, Kaatje. Bij mijn eer durf ik nog wel
-niet zweren, dat gij mij bemint, maar mijn bloed begint mij te vleien,
-dat gij het doet, niettegenstaande den armzaligen, niet verleidelijken
-indruk van mijn gelaat. Verwenscht zij mijns vaders eerzucht! Hij dacht
-aan burgeroorlogen, toen hij mij gewon; daardoor werd ik geschapen met
-een stuursch uiterlijk, met een ijzeren voorkomen, zoodat ik
-jonkvrouwen, als ik haar het hof kom maken, schrik aanjaag. Maar in
-waarheid, Kaatje, hoe ouder ik word, des te beter zal ik er uitzien;
-mijn troost is, dat de oude dag, die slechte schoonheidsbewaarder, aan
-mijn gezicht niets meer bederven kan; gij hebt mij, als gij mij hebt,
-op mijn slechtst; en gij zult mij, als gij mij verslijt, door het
-verslijten beter en beter maken. Daarom, zeg mij nu, schoone Catharina,
-wilt gij mij hebben? Leg uw maagdelijke blosjes ter zijde; verkondig de
-gedachten van uw hart met de blikken van een keizerin; neem mij bij de
-hand en zeg: „Hendrik van Engeland, ik ben de uwe!” En zoodra zult gij
-met dit woord mijn oor niet gezegend hebben, of ik zal luide aan u
-verklaren: „Engeland is u, Ierland is u, Frankrijk is u, en Hendrik
-Plantagenet is u”, die, al zeg ik het hier voor zijn aangezicht, zoo
-hij ook niet de beste kerel onder de koningen zijn moge, u toch de
-beste koning van alle goede kerels blijken zal. Kom, uw antwoord! in
-gebroken muziek; want uw stem is muziek, en uw Engelsch gebroken;
-daarom, aller koningin, Catharina, breek in gebroken Engelsch uw
-zwijgen af; wilt gij mij hebben?
-
-CATHARINA. Dat is, zooals het zal behagen den roy mon père.
-
-KONING HENDRIK. O, het zal hem zeer behagen, Kaatje; het zal hem
-behagen, Kaatje.
-
-CATHARINA. Dan ik ook zal tevreden zijn.
-
-KONING HENDRIK. Daarvoor kus ik u de hand en noem u mijn Koningin.
-
-CATHARINA. Laissez, mon seigneur, laissez, laissez! Ma foy, je ne veux
-point que vous abbaissez vostre grandeur, en baisant le main d’une
-vostre indigne serviteur; excusez moi, je vous supplie, mon très
-puissant seigneur.
-
-KONING HENDRIK. Dan wil ik u op de lippen kussen, Kaatje.
-
-CATHARINA. Les dames, et damoiselles, pour estre baisées devant leurs
-nopces, il n’est pas le costume de France.
-
-KONING HENDRIK. Mejonkvrouw tolk, wat zegt zij?
-
-ALICE. Dat het niet is te zijn de gewoonte pour les dames in
-Frankrijk,—ik weet niet te zeggen, wat is baiser in Engelsch.
-
-KONING HENDRIK. Kussen.
-
-ALICE. Uw majesteit entendre betre que moy.
-
-KONING HENDRIK. Het is geen gebruik bij de meisjes in Frankrijk, te
-kussen, voor zij getrouwd zijn, wilde zij zeggen?
-
-ALICE. Ouy, vraiment!
-
-KONING HENDRIK. O, Kaatje, preutsche zeden buigen zich voor groote
-koningen. Gij en ik, beste Kaatje, zijn niet in te sluiten door de
-zwakke beperking van landsgewoonten; wij zijn de scheppers van de
-gebruiken, Kaatje; en de vrijheid, die onzen rang begeleidt, sluit aan
-alle bedillers den mond, zooals ik hem u sluiten wil, wegens het
-ophouden van de preutsche zeden van uw land door mij een kus te
-weigeren; daarom, stilgezwegen en toegegeven! (Hij kust haar.) Gij hebt
-tooverkracht in uw lippen, Kaatje; er is meer welsprekendheid in haar
-zoete aanraking, dan in de tongen van den geheelen hoogen raad van
-Frankrijk; en zij zouden Hendrik van Engeland eerder overreden, dan een
-algemeen verzoek van monarchen.—Daar komt uw vader.
-
-(Koning Karel, Koningin Isabella, Bourgondië, Bedford, Gloster, Exeter,
-Westmoreland en andere Fransche en Engelsche Heeren komen op.)
-
-BOURGONDIË. God hoede uw majesteit! Mijn koninklijke neef, geeft gij
-onze prinses les in het Engelsch?
-
-KONING HENDRIK. Ik wenschte, waarde neef, dat zij leerde, met welk een
-volkomen liefde ik haar bemin; en dat is goed Engelsch.
-
-BOURGONDIË. Is zij niet vlug in ’t leeren?
-
-KONING HENDRIK. Onze taal is ruw, neef, en mijn natuur is niet glad;
-zoodat, daar ik noch de stem noch het hart der vleierij in mij heb, ik
-niet zoo den geest der liefde in haar kan oproepen, dat die in zijn
-ware gedaante verschijnt.
-
-BOURGONDIË. Vergeef de vrijmoedigheid mijner vroolijkheid, zoo ik u
-hierop antwoord. Als gij in haar iets bezweren wilt, moet gij een kring
-trekken; en wilt gij in haar den liefdegod in ware gedaante bezweren,
-dan moet die naakt en blind verschijnen.—En kunt gij het nu laken in
-haar, die een meisje is, nog door het maagdelijk purper der zedigheid
-als met rozen bedekt, wanneer zij de verschijning van een naakt, blind
-jongske in haar naakte, ziende persoonlijkheid niet dulden wil? Het zou
-een harde voorwaarde zijn voor een meisje, mylord, zich daaraan te
-moeten onderwerpen.
-
-KONING HENDRIK. Toch sluiten zij de oogen en geven toe, wanneer de
-liefde blind is en aandringt.
-
-BOURGONDIË. Dan zijn zij verontschuldigd, mylord, wanneer zij niet zien
-wat zij doen.
-
-KONING HENDRIK. Nu, waarde lord, leer dan uw nicht met gesloten oogen
-toe te stemmen.
-
-BOURGONDIË. Ik zal haar wenken toe te stemmen, mylord, als gij haar
-wilt leeren, wat het beteekent; want meisjes zijn, als het gezomerd
-heeft en zij warm gehouden zijn, als de vliegen omstreeks Sint
-Bartholomeus, blind, al hebben zij ook haar oogen; en dan laten zij
-zich met de handen aanvatten, al konden zij te voren het aankijken niet
-lijden.
-
-KONING HENDRIK. Die vergelijking verwijst mij naar later tijd en een
-warmen zomer, en zoo zal ik de vlieg, uw nicht, ten laatste vangen, en
-dan moet zij bovendien blind zijn.
-
-BOURGONDIË. Zooals de liefde is, mylord, voor zij bemint.
-
-KONING HENDRIK. Zoo is het; en enkelen uwer mogen de liefde dankbaar
-zijn voor mijn blindheid, die menige schoone Fransche stad niet zien
-kan door één schoone Fransche maagd, die op mijn weg staat.
-
-KONING KAREL. Ja, mylord, gij ziet ze als door een tooverglas, de
-steden in een maagd veranderd; want zij zijn alle door maagdelijke
-muren omgord, waar de krijg nooit binnen drong.
-
-KONING HENDRIK. Zal Kaatje mijn vrouw worden?
-
-KONING KAREL. Zoo het u behaagt.
-
-KONING HENDRIK. Ik zal het gaarne zien, zoo slechts de maagdelijke
-steden, waar gij van spreekt, haar gevolg uitmaken. Zoo zal de maagd,
-die op den weg stond van mijn wensch, mij den weg naar mijn verlangen
-wijzen.
-
-KONING KAREL. Wij stemden toe in iedren billijke’ eisch.
-
-KONING HENDRIK. Is ’t zoo, gij lords van England?
-
-WESTMORELAND. De koning gaf u alles, wat gij vordert;
-Vooreerst zijn dochter, verder ook al ’t andre,
-Geheel naar ’t vroeger vastgestelde ontwerp.
-
-EXETER. Alleen dit artikel heeft hij nog niet onderschreven, waarbij uw
-majesteit begeert, dat de koning van Frankrijk, als hij aanleiding
-heeft om schriftelijk het een of ander te verzoeken, uw hoogheid in
-dezen vorm en met deze bijvoeging noemen zal, in het Fransch: Nostre
-très cher filz Henry, Roy d’Angleterre, heretier de France; en aldus in
-’t Latijn: Praeclarissimus filius noster Henricus, rex Angliae, et
-haeres Franciae.
-
-KONING KAREL. Ook dit heb ik niet zoo geweigerd, broeder,
-Dat ik ’t op uw verzoek niet door liet gaan.
-
-KONING HENDRIK. Dan bid ik u, als vriend en bondgenoot,
-Laat dit artikel staan gelijk die andren.
-En nu, sta mij uwe dochter toe.
-
-KONING KAREL. Neem haar, mijn eed’le zoon, wek uit haar bloed
-Mij kroost, opdat de aloude tegenstanders,
-Frankrijk en England, welker kusten zelfs
-Bleek zien van afgunst op elkanders bloei,
-Hun haat begraven, en dit schoon verbond
-Recht christ’lijke eendracht plante en goede buurtschap
-In beider borst, en geen het zwaard meer heff’,
-Opdat het fel zijn eed’len broeder treff!
-
-ALLEN. Amen.
-
-KONING HENDRIK. Thans welkom, Kaatje!—Weest getuigen, allen,
-Dat ik haar als mijn koningin hier kus.
-
-(Trompetgeschal.)
-
-KONINGIN ISABELLA. God, aller huwelijksbanden beste hoeder,
-Voege uwe harten, uwe rijken saam!
-Ziet, man en vrouw zijn twee, doch een in liefde,
-En zulk een echt vereene uw beider rijk,
-Dat nimmer booze diensten noch jaloerschheid,
-Die vaak het bed van ’t heilig huw’lijk storen,
-Zich dringen tusschen beider rijken bond,
-Echtscheiding, van wat één nu wordt, beproevend;
-Dat Franschman, Engelschman voortaan de namen
-Van broeders zijn!—Spreek’ God hierop zijn Amen!
-
-ALLEN. Amen!
-
-KONING HENDRIK. Nu ’t huw’lijk voorbereid;—dien dag ontvang ik
-Van u, hoogeed’le hertog van Bourgondië,
-En alle pairs, den eed op ons verbond.
-Dan zweer ik Kaatje trouw en zij aan mij;
-Dat heilig ons die eed en heilrijk zij!
-
- (Allen af.)
-
-Chorus treedt op.
-
-CHORUS. Tot zoo ver volgde, ruw en onbekwaam,
-Tol schroom des schrijvers veder de historie;
-Klein was ’t bestek voor mannen, groot van naam,
-Verbrokkeld door zijn sprongen werd hun glorie.
-
-Kort scheen die ster van England, maar een zon
-In glans gelijk; hem schonk Geluk zijn wapen,
-Waar hij der wereld schoonsten gaard meê won,
-Des zesden Hendriks deel bij zijn ontslapen.
-
-Frankrijks en Englands koning, kon die zoon,
-Gekroond in winds’len, zijn gebied niet hoeden;
-Zijn vele raders, woelend om zijn troon,
-Verloren Frankrijk, deden England bloeden;
-
-Vaak zaagt gij dit vertoond en waart voldaan;
-Neemt daarom ook dit stuk welwillend aan.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-Bij het schrijven van dit stuk werd Shakespeare door het gevoel
-bezield, dat de dag van Agincourt de grootste en schoonste dag was uit
-de Engelsche geschiedenis, en Hendrik de Vijfde de grootste held,
-waarop zijn land kon bogen. En inderdaad, wel waren de veroveringen van
-den veelgeprezen vorst kort van duur, ja, waren alle voor goed verloren
-gegaan, eer zijn zoon en erfgenaam de oogen gesloten had, maar daarmede
-waren geenszins de vruchten zijner overwinningen verdwenen. Het volk
-leerde onder den stouten, jeugdigen vorst zijn kracht voor het eerst in
-haar vol vermogen, in haar hooge waarde kennen, en in den slag van
-Agincourt, waar adel, kleinere grondbezitters, burgers en boeren, allen
-te zamen, naast elkander een ongeëvenaarde zege bevochten, viel het
-laatste onderscheid tusschen Normandische edelen en Saksische
-overwonnelingen weg. Het Engelsche volk was geboren, dat met fierheid
-terugzag op de daden, die het volbracht had, en voortaan het bewustzijn
-in zich omdroeg, dat het steeds met denzelfden onverschrokken moed,
-denzelfden volhardenden ijver, verachting van doodsgevaren, gelijke
-kalmte van geest, dezelfde samenwerking en onderwerping aan tucht en
-orde, tot even groote dingen in staat zou zijn. Geen wonder, dat het
-zich de meerdere achtte van andere volken. Dat dit gevoel ook
-Shakespeare bezielde, blijkt uit het geheele stuk; het brengt hem er
-zelfs toe, zijn gewone weergalooze onpartijdigheid te verloochenen, en
-de Franschen, met den Dauphijn en den Connetabel te beginnen, allen als
-armzalige pochers voor te stellen. Doch het is waar, dat
-lichtzinnigheid en zorgeloosheid, overmoed en ijdelheid, die meermalen,
-en nog in den laatsten oorlog met Duitschland, de goede eigenschappen
-der Franschen hebben verduisterd en hun noodlottig zijn geweest, op den
-dag van Agincourt hun de nederlaag hebben doen lijden; waar is het ook,
-dat zij, steunend op hun overmacht, reeds vooraf de krijgsgevangenen
-onder elkander verdeelden, dat zij de gansche nacht in luide
-feestviering doorbrachten, dat de bevelen van den opperbevelhebber in
-den wind werden geslagen en zij het slachtoffer werden hunner
-doldrieste onbezonnenheid. De wijze, waarop Shakespeare het beloop der
-gebeurtenissen voorstelt, is hier volkomen te rechtvaardigen.
-
-Dat Hendrik V van de rechtvaardigheid des oorlogs, dien hij Frankrijk
-aandeed, overtuigd was, valt niet te betwijfelen. Zijn overgrootvader
-Edward III had, als zoon van Isabella, dochter van Philips den Schoonen
-van Frankrijk, zijn aanspraken op de Fransche kroon doen gelden, die
-hij, als afstammende in de rechte, zij het dan ook vrouwelijke, lijn
-van het oude vorstenhuis van Capet, voor meer gegrond verklaarde dan
-het recht der zijlijn van Valois. Wel had hij tegen bepaalde vergoeding
-in land en geldsommen bij den vrede van Brétigny afstand gedaan van
-zijn aanspraken op de Fransche kroon en de oude leengoederen der
-Plantagenets, maar de voorwaarden van den vrede waren nooit nagekomen,
-en er bestond eigenlijk tusschen Engeland en Frankrijk geen vrede maar
-een wapenstilstand, welks voortduring hoofdzakelijk hieraan te danken
-was, dat de toestand van Engeland nòch aan Richard II, nòch aan Hendrik
-IV gelegenheid had gelaten om den oorlog door te zetten. Hendrik V
-mocht zijn macht hiertoe genoegzaam gevestigd rekenen; de
-binnenlandsche twisten waren gedoofd en het ondernemen van den krijg
-zou de eendracht in zijn rijk ongetwijfeld nog hechter maken, want
-geheel Engeland was met de plannen des konings hooglijk ingenomen en
-ondersteunde die met alle kracht. Ook de geestelijkheid bleef hierin
-niet achter en deed zelfs het hare om den koning van de rechtmatigheid
-des oorlogs, indien dit noodig ware, te overtuigen. Nadat de
-onderhandelingen, waardoor Frankrijk den krijg nog getracht had af te
-wenden, waren afgesprongen, werden de toebereidselen met ijver
-voortgezet en in den zomer van 1415 waren Hendriks leger en vloot voor
-den overtocht naar Frankrijk gereed.
-
-Op dat oogenblik kwam op het onverwachtst een gevaarlijke samenzwering
-tegen Hendrik aan het licht. Aan het hoofd stonden zijn eigen neef
-Richard, graaf van Cambridge, broeder van den hertog van Aumerle,
-alsmede lord Scroop, die steeds het volle vertrouwen van Hendrik
-genoten had. De samenzwering was niet, zooals Shakespeare in zijn
-kroniek vond, door de Franschen verwekt en aangestookt om den krijg te
-stuiten, maar was wel degelijk een Engelsche samenzwering, een
-voortzetting als het ware van de opstanden der Percys, een voorspel van
-den lateren strijd der witte en roode rozen, tusschen het huis van York
-en dat van Lancaster. De rechten van het huis van Mortimer, de graven
-van March, lagen er ten grondslag aan. Richard, graaf van Cambridge,
-zoon van Edmund Langley, hertog van York, die de vijfde zoon was van
-Edward III, was gehuwd met Anna Mortimer, achterkleindochter van
-Lionel, hertog van Clarence, deszelfden Edwards derden zoon; zij was de
-zuster van Edmund Mortimer, graaf van March, die naar het erfrecht
-koning van Engeland moest zijn en daarom door Hendrik IV steeds nauw
-bewaakt, maar door Hendrik V, die zijn troon stevig gevestigd rekende,
-in vrijheid gesteld was. Hendrik deed snel en streng recht; de
-saamgezworenen werden in Southampton ter dood gebracht.
-
-Op 13 Augustus 1415 ging het leger onder zeil. Op vijftienhonderd
-vaartuigen werd het, 6000 ridders, 23000 boogschutters en 1000
-kanonniers en schansgravers sterk, naar den mond der Seine overgevoerd.
-Daar werd Harfleur na een heldhaftigen weêrstand van vier weken
-ingenomen. Maar de toestand der Engelschen was ongunstig geworden en de
-kracht der onderneming scheen gebroken te zijn. Een besmettelijke
-ziekte had de helft van het leger buiten gevecht gesteld; er was gebrek
-aan levensmiddelen; de bevolking was den Engelschen vijandig en de
-Franschen begonnen een geweldig leger samen te trekken. Er waren er in
-Hendriks omgeving, die den terugtocht raadden; zoo deed zijn broeder,
-de Hertog van Clarence. Maar de koning wilde er niet van hooren, de
-groote onderneming op te geven; hij was besloten met allen, die hem
-wilden volgen, dwars door Frankrijk naar Calais te trekken. Hij zond
-zijn zieken, 5000 in aantal, naar huis, liet 2000 man als bezetting in
-Harfleur en ondernam met het overschot, ten hoogste 12000 man, op 8
-October den merkwaardigen, gewaagden tocht.
-
-Onder heftige regenbuien en telkens door schermutselingen met den
-vijand bemoeilijkt, drongen de Engelschen op ellendige wegen, zich te
-nauwernood lijftocht verschaffend, het land binnen. De krijgstucht werd
-streng gehandhaafd, plunderen zwaar gestraft, de levensmiddelen
-betaald. Deze laatsten waren door den vijand, die ook de bruggen bezet
-had, zooveel mogelijk weggevoerd. Eindelijk gelukte het, de Somme over
-te trekken. Herauten des vijands meldden zich bij den koning aan, met
-den eisch, dat hij terug zou trekken; in het tegenovergestelde geval
-daagden zij hem ten strijde. „Zegt uw heer”, was het antwoord, „dat ik
-hem voor ditmaal niet zal opzoeken; maar als hij of de zijnen mij
-opzoeken, zal ik, zoo God wil, standhouden. Maar ik hoop, dat geen uwer
-zoo onberaden zal zijn, van mij gelegenheid te geven, om uw bruine
-aarde met uw rood bloed te verven”. Met dit antwoord en een gift van
-honderd kronen mochten de herauten aftrekken. Eindelijk, op den 24sten
-October, stiet men op het leger des vijands, 50000 man sterk, waaronder
-niet minder dan 14000 ridders, allen versche manschappen, en
-voortreffelijk, ja prachtig uitgerust. Hendrik kon er niet meer dan
-10000 boogschutters en 1000 ridders tegenoverstellen. De Franschen
-twijfelden geen oogenblik aan de overwinning, de ridderschap alleen kon
-die kleine bende, grootendeels uit geminacht voetvolk bestaande,
-gemakkelijk verpletteren; luidruchtig werd de nacht al feestvierende
-doorgebracht; er werd gedobbeld om de krijgsgevangenen, die den
-volgenden dag hun ten deel zouden vallen.
-
-In het Engelsche legerkamp heerschte een ernstige stemming; het was er
-donker en stil, tegenover de tallooze wachtvuren des vijands. Allen
-wisten, hoe doldriest het was, den strijd aan te nemen; velen biechtten
-en namen het sacrament. Maar de doldriestheid ging bij den koning met
-groote bedaardheid en overleg, met het nemen van alle voorzorgen
-gepaard. Zooveel mogelijk werden de manschappen door spijs en drank en
-door rust voor den komenden, zwaren dag versterkt. Het terrein werd
-goed verkend en alle beschikkingen werden genomen om aan de
-boogschutters de volle werking van hun wapen te verzekeren; de door den
-regen week geworden grond, door struikgewas ingesloten, moest den
-vijand beletten zich uit te breiden en zijn tegenstander te
-overvleugelen en zou ook de kracht zijner ruiterij aanmerkelijk breken.
-De 25ste October, de dag van de heiligen Crispinus en Crispianus, brak
-aan en werd met misheffing en gebed begonnen. Toen schaarde de koning,
-in blinkend harnas en met den gekroonden helm op het hoofd, de zijnen
-in een lange rij, nauwelijks vier man diep. Voor iederen boogschutter
-stak een lange spitse paal in den grond om tegen den aanval der
-vijandelijke ruiters te beschermen. Zonder trompetgeschal trokken de
-Engelschen op, en staken, met hun kleederen, die door den langen marsch
-veel geleden hadden, treurig af bij de bonte, glinsterende scharen der
-Franschen, die in drie dichte hoopen, de een na den anderen, met luid
-trompetgeschal tegen hen optrokken. Een ridder uit Hendriks gevolg riep
-uit: „Ware heden ieder Engelschman hier, die het zwaard verstaat te
-voeren!” De koning antwoordde: „Ik wensch geen man meer; God kan ook
-aan het klein aantal de overwinning verleenen”. Geen oogenblik
-twijfelde hij aan de ongeloofelijke zege der zijnen.
-
-En het ongeloofelijke geschiedde. Zorgeloosheid, oneenigheid,
-ongehoorzaamheid aan de bevelen van den connetabel, alles liep samen om
-den Franschen al het voordeel hunner grootere getalsterkte te doen
-derven. Daarbij kwam, dat in den van regen doorweekten grond paarden en
-kanonnen bleven steken en dat de 8000 afgestegen ridders die de
-voorhoede uitmaakten, zich te nauwernood konden bewegen.
-
-Tegen elf uur riep koning Hendrik: „Sint George en voorwaarts!” De
-grijze maarschalk Erpingham wierp zijn commandostaf hoog in de lucht en
-met luiden wapenkreet viel de lange rij van boogschutters de met lansen
-gewapende hoofdmacht der Franschen aan. Dicht als hagel vielen de
-pijlen der Engelsche boogschutters in de dichte massa der te voet
-vechtende ridders en brachten, trots helmen en pantsers, menige
-doodelijke wonde toe. Nu was de tweede krijgshoop der Franschen, onder
-den hertog van Alençon, niet meer te houden; onstuimig drong deze
-voorwaarts en voegde zich bij den eersten tot een ordeloozen klomp. Van
-dit oogenblik maakten de Engelschen gebruik. De stevige boerenknapen
-wierpen den boog op den schouder en stormden op den vijand los; met
-knots, strijdaks of zwaard alles nederslaand. In de door hen gemaakte
-opening drong onweerstaanbaar, de koning te voet vooraan, de
-aaneengesloten ridderschap van Engeland; een panische schrik greep de
-onbestuurde massa’s des vijands aan; in woeste vlucht verspreidden zij
-zich over het veld, duizenden gaven zich zonder wederstand te bieden
-aan den vijand over. Plotseling werd in den rug der Engelschen
-strijdgedruisch vernomen; daar dreigde een plotselinge aanval het pas
-gewonnen voordeel vruchteloos te maken. Snel besloten, gaf Hendrik het
-bevel, dat naar toenmalig krijgsgebruik groot geldelijk verlies
-veroorzaakte, van alle krijgsgevangenen te dooden, om de handen vrij te
-hebben voor den nieuwen strijd. Later bleek, dat het overvallen van het
-wagenpark, dat bijna onbewaakt gelaten was, door rooflustige boeren en
-stroopers, de oorzaak van het gedruisch geweest was.
-
-Een volkomen, ongehoorde zegepraal was behaald. Meer dan 10000
-vijanden, waaronder 8000 edelen, bedekten het slagveld: de hertog van
-Orleans en 1500 edellieden waren krijgsgevangen. De lijst van
-hooggeboren gesneuvelden, in het achtste tooneel van het vierde
-bedrijf, is aan de geschiedenis ontleend. Het verlies der overwinnaars
-was fabelachtig klein, al was het veel grooter dan 25, zooals
-Shakespeare opgeeft; niet meer dan 15 ridders waren er gevallen; de
-voornaamste was de hertog van York, die in „K. Richard II” Aumerle
-heet; hij was gesneuveld bij den inval in het centrum der Franschen.
-
-Koning Hendrik vermaande zijn troepen, niet trotsch te zijn op de zege,
-daar alle eer er van toekwam aan God, die den vijand met blindheid
-geslagen had. Toen de Fransche herauten kwamen, om de dooden te
-schouwen, vroeg hij naar den naam van het kasteel, dat boven het veld
-uitstak en noemde den veldslag daarnaar den slag van Agincourt. Den
-St.-Cripinusdag maakte hij tot een feestdag voor geheel zijn rijk.
-
-Thans konden de Engelschen ongestoord, zooals men denken kan, hun tocht
-naar Calais voortzetten, vanwaar zij met onmetelijken buit naar
-Engeland overstaken. Toen de koning Londen naderde, stroomde de geheele
-burgerij, met den Mayor en de Aldermans aan het hoofd, hem te gemoet en
-geleidde hem door de versierde straten naar de Paulskerk en naar
-Westminster. Hendrik zelf reed, zonder sieraad, en ernstig, door de
-jubelende menigte, wars van alle ijdel vertoon.
-
-Shakespeare heeft de vier oorlogsjaren, die op den dag van Agincourt
-volgden, met weinige woorden overgesprongen en op de nederlaag der
-Franschen onmiddellijk den merkwaardigen vrede laten volgen. Hij heeft
-de moeite niet genomen, iets te melden van de redenen, die het Fransche
-hof bewogen, den Dauphijn op te offeren en een vreemden vorst tot
-troonopvolger en rijksbestuurder te maken. Hertog Jan van Bourgondië
-was te Parijs, in tegenwoordigheid, en waarschijnlijk met voorkennis
-des Dauphijns, verraderlijk vermoord geworden. De moeder des Dauphijns,
-koningin Isabeau van Frankrijk, was hierover in woede ontvlamd en had
-haar zoon wraak en verderf gezworen. De erfgenaam des vermoorden,
-hertog Philips van Bourgondië, verbond zich met haar, en het viel hun
-beiden niet moeilijk, den onnoozelen koning tot den vrede van Troyes te
-bewegen, die inderdaad Frankrijk aan den vijand, den koning van
-Engeland, geheel in handen leverde.
-
-Twee jaren lang heeft Hendrik V Frankrijk werkelijk als rijksbestuurder
-beheerscht, „grootmoedig, dapper en wijs”, zooals een tijdgenoot, een
-monnik van Saint Dénis, die zijn inval in Frankrijk beschreven heeft,
-getuigt. Allen, ook zijn vijanden, erkenden hem als een voortreffelijk
-vorst, dapper in het veld, verstandig in den raad, rechtvaardig op den
-rechterstoel, trouw aan zijn beloften, minzaam jegens armen en
-geringen, rein van leven, voor kerk en godsdienst ijverend. Moesten
-Frankrijk en Engeland onder één scepter vereenigd worden, geen
-waardiger vorst ware er te denken. Groot waren reeds zijn macht en
-invloed, en alles liet verwachten, dat zij nog aanmerkelijk zouden
-toenemen. Daar verraste hem de dood. Vijf-en-dertig jaren oud, stierf
-hij ten gevolge van een fistel, waartegen de geneeskunde toenmaals geen
-baat wist, te Vincennes, op den 31sten Augustus 1422, negen maanden
-nadat koningin Catharina hem een zoon geschonken had. Zorgvuldig had
-hij op zijn sterfbed alle beschikkingen gemaakt, die dienstig konden
-geacht worden om zijn nalatenschap aan zijn zoon te verzekeren en
-bejammerde dit alleen, dat het hem niet vergund was geweest, de
-vereenigde wapens van zijn beide rijken in het Heilig Land tegen de
-ongeloovigen te richten.
-
-In plechtigen optocht werd het lijk door de treurende prinsen, hoogere
-en lagere edellieden, over Calais naar Engeland gevoerd, waar het in de
-Westminster-abdij werd bijgezet. Gansch Engeland was in rouw; allen
-weeklaagden alsof er een heilige gestorven was. Bange tijden volgden;
-de vreeselijkste burgeroorlog brak uit; het edelste bloed werd bij
-stroomen vergoten; en te nauwernood was er een halve eeuw verloopen, of
-de laatste mannelijke spruit van het pas zoo machtige en bloeiende huis
-der Plantagenets stierf op het slagveld; maar door alle schriktooneelen
-en gruwelen heen was de nagedachtenis van den grooten en goeden koning
-in eere bij het Engelsche volk gebleven, tot zijn grootste dichter dien
-lievelingsheld verheerlijkte en voor alle eeuwen deed leven.
-
-„Koning Hendrik de Vijfde” werd, zooals uit de proloog van het vijfde
-bedrijf blijkt, in den tijd, dat koningin Elizabeth den Graaf van Essex
-tot demping van een opstand naar Ierland gezonden had, dus in den zomer
-van 1599, gespeeld. Weldra waren boekhandelaars er bij om het stuk uit
-te geven, maar de tekst, dien zij, hoe dan ook, wisten machtig te
-worden, was allerellendigst; niet alleen ontbraken geheele tooneelen,
-alle prologen en de epiloog, maar ook het overige was verminkt en vol
-onnauwkeurigheden. Toch werd deze tekst, die in 1600 het licht zag, nog
-tweemaal, in 1602 en in 1608, herdrukt. Eerst de folio-uitgave van 1623
-deed de echte lezing kennen.
-
-Ten slotte zij hier nog vermeld, dat reeds in het oude, blz. 512
-genoemde stuk, „The Famous Victories of Henry the Fifth” eenige
-tooneelen voorkomen, die, hoe ruw ook bewerkt, eenige overeenstemming
-met die van Shakespeare vertoonen, namelijk het gezantschap van den
-Dauphijn, de inneming van Harfleur, de slag van Agincourt en de
-verloving des konings.
-
-
-
-I. Prol. Chorus. Onder Chorus wordt bij het oud-Engelsch tooneel niet
-een vereeniging van personen, maar één persoon verstaan, die de
-prologen enz. spreekt en, door te vertellen wat niet voorgesteld kan
-worden, de gedeelten van een stuk verbindt en opheldert.
-
-I. Pr. 2. Der vinding. Vinding is Sh.’s bescheiden naam voor poëzie,
-dichterlijk scheppingsvermogen. Ook in het Nederlandsch is vinder, voor
-minstreel, dichter, zanger gebruikelijk geweest.
-
-I. Pr. 11. Dit hanenstrijdperk. Daarmede vergelijkt Shakespeare zijn
-tooneel, wegens de geringe afmetingen. Het Globe-theater had de
-gedaante van een lagen ronden toren, vandaar de vergelijking met een O.
-Bij de helmen, een paar regels verder, denke men aan helmen met pluimen
-of vederbossen, die de lucht deden sidderen.
-
-I. 1. 1. De wet is weer aanhangig. Het voorstel, waarvan de inhoud in
-de volgende regels vermeld wordt, ging eigenlijk van de Gemeenten uit,
-die reeds in het zevende jaar der regeering van Hendrik IV, toen deze
-geldmiddelen verlangde, den koning ronduit voorsloegen al het
-wereldlijk grondbezit der kerk in beslag te nemen en daaruit een
-blijvend fonds te vormen om den behoeften van den staat te gemoet te
-komen. De Gemeenten hadden zoo groot ongelijk niet, want de Kerk had
-een derde des lands in bezit en droeg niets tot de staatslasten bij. De
-koning en de Lords verwierpen het voorstel. De Gemeenten kwamen in
-Hendriks elfde regeeringsjaar op nieuw met haar ontwerp voor den dag,
-voegden er een raming van de inkomsten der geestelijkheid bij en
-sloegen de verdeeling voor, hier regel 12–19 opgegeven. De Koning
-verzette zich ook ditmaal. Toen Hendrik V den troon had beklommen, werd
-het voorstel op nieuw gedaan en nu trachtte Chicheley, aartsbisschop
-van Canterbury, den slag af te wenden, door den koning tot den oorlog
-met Frankrijk te overreden.
-
-I. 1. 28. En een waarachtig vriend der heil’ge kerk. De eenige keer,
-dat Sh. zinspeelt op den ijver van Hendrik V voor de kerk; de
-vervolging der Lollarden, de voorloopers der hervorming, zou den
-protestantschen toehoorders weinig behaagd hebben.
-
-I. 2. 33. Zoo hoort, genadig koning. In deze geheele redeneering van
-den Aartsbisschop is Sh. Holinshed zeer nauwkeurig gevolgd; men vindt
-daar ook den Latijnschen regel (r. 38), en ook enkele onjuistheden zijn
-overgenomen; b.v. Luitgard (r. 74) heet er Lingare (bij Holinshed
-Lingard) en reg. 77 staat Lodewijk de Tiende, wat de Negende moest
-zijn; ook de aanhaling uit Numeri (kap. 27 vs. 8) in r. 99 is aan
-Holinshed ontleend.
-
-I. 2. 162. Om er koning Edwards roem Te hoogen door gevangen koningen.
-In het jaar van den slag bij Crecy (1346), in welken zoovele hooge
-personen sneuvelden of krijgsgevangenen werden gemaakt, werden de
-Schotten door de edelen van Noord-Engeland, de Percy’s enz. bij
-Nevil’s-Cross geslagen en hun koning David Bruce gevangen naar Londen
-gevoerd; hij was nog niet in vrijheid gesteld, toen tien jaar later in
-den slag bij Poitiers Koning Jan II van Frankrijk den Zwarten Prins in
-handen viel en mede naar Engeland gezonden werd.
-
-I. 2. 187. Zoo werken ook de bijen. Een dergelijke vergelijking met een
-bijenstaat komt voor in het toen veelgelezen werk van Lyly: „Euphues
-and his England” (1580).—Ook in het vierde boek van Vergilius’ Georgica
-zijn verscheiden overeenkomstige beschouwingen te vinden.
-
-I. 2. 252. Met lustige Galliarden. De Galliarde was een vroolijke dans
-uit Shakespeare’s tijd.
-
-II. Pr. 26. Zij hebben voor Fransch goud,—vergulde schuld!—In het
-oorspronkelijke vindt men een woordspeling met gilt en guilt.
-
-II. Pr. 30. Eer hij naar Frankrijk afzeilt, in Southampton. In het
-oorspronkelijke volgen hier twee regels, die blijkbaar bedorven zijn en
-geen goeden zin geven en bovendien den samenhang, die na weglating
-dezer twee regels niets te wenschen overlaat, verbreken. Zij moeten
-door het een of ander toeval in den gedrukten tekst geraakt zijn. De
-regels zijn:
-
- „Linger your patience on: and we’ll digest
- The abuse of distance; force a play.”
-
-II. 1. 44. IJslandsche hond. De naam van IJslandsche hond komt meer als
-scheldwoord voor, zooals b.v. bij ons mop gebezigd kan worden.
-
-II. 1. 47. Ik wilde u wel solus hebben. Solus was de gewone
-tooneelaanwijzing voor alleen. Pistool houdt het woord voor een
-scheldnaam. Het „veradem”, dat hij een oogenblik later gebruikt, moet
-beteekenen: „sterf!”
-
-II. 1. 57. Asmodeus. Shakespeare heeft hier den bij ons onbekenden
-duivelsnaam Barbason, die toen meer gebezigd werd; zie De vroolijke
-vrouwtjes van Windsor, II. 2. 311.
-
-II. 1. 77. Jachthond van Creta. Deze honden waren speurhonden. Sh.
-vermeldt ze in den Midzomernachtdroom, IV. 1. 131. Bij de ouden worden
-zij niet vermeld.—Van Cressida’s geslacht. De uitdrukking: „Een
-nachtuil van Cressida’s geslacht” (het woord kite, dat gebruikt wordt,
-beduidt den een of anderen roofvogel) wordt reeds in een stuk van 1578
-toegepast op vrouwen als Doortje Scheurlaken, en was dus aan
-schouwburgbezoekers zeker wel bekend; het „pekelvat der schande” wijst
-op een zweetkuur, waaraan Doortje zich juist moest onderwerpen.
-
-II. 1. 112. Een nobel zult gij hebben. Pistool dingt af; een nobel is
-slechts 6 schellingen 4 stuivers.—Drie regels verder schuilt in het
-Engelsch: I live by Nym een woordspeling met nim, dat in de dieventaal
-„nemen”, „stelen” beteekent.—Met gecorroboreerd in reg. 130 is
-gecorrodeerd, aangeknaagd, verteerd, bedoeld.
-
-II. 2. 8. Neen, deze man, die vaak zijn leger deelde. Dit gold als een
-bewijs van broederlijke vriendschap. Dat koning Hendrik dit bewijs aan
-lord Scroop gegeven had, vond Shakespeare in Holinshed.
-
-II. 2. 155. Mij heeft het goud van Frankrijk niet verlokt. Cambridge
-heeft recht dit te zeggen, daar de verheffing van het huis Mortimer het
-hoofddoel was, zie boven blz. 606.
-
-II. 2. 167. Gij hebt bij eede u tegen ons verbonden. In deze toespraak
-volgde Sh. Holinshed.
-
-II. 3. 5. Falstaff, hij is dood. Dat Shakespeare, toen hij zijn „K.
-Hendrik de Vierde” voltooid had en zich gereedmaakte, „K. Hendrik de
-Vijfde” te laten volgen, van plan was, ook in dit stuk Falstaff te
-laten optreden, weten wij uit goede bron, namelijk, van hemzelf; men
-zie de epiloog van „2 K. Hendrik IV,” blz. 559. Maar ongetwijfeld heeft
-hij later ingezien, dat Falstaff er niet in mocht voorkomen; in de bres
-van Harfleur, in het slaggewoel van Agincourt kon Falstaff zijn rol
-niet spelen; hij zou de stemming, die in dit stuk heerscht, bedorven
-hebben; de ernst, dien de beslissende gebeurtenissen vorderen, oefent
-geen genade jegens Bardolf en Nym; Pistool wordt gespaard, ja, maar
-voor een leven in diepe schande; ook vrouw Haastig sterft een
-smadelijken dood. Wat zou de dichter dan met hun aller heer en meester,
-met Falstaff, in dit stuk uitvoeren? Een eervolle dood op het slagveld
-mocht hem niet ten deel vallen. Men moet erkennen, dat de dichter wèl
-deed, Falstaff, verre van het tooneel der handeling, in alle stilte te
-laten verscheiden, op een wijze, die onze deelneming nog wekt. En
-ontegenzeglijk heeft zijn dood, juist op dit oogenblik, nu de groote
-gebeurtenissen aanstaande zijn, ook een symbolische beteekenis, want
-met Falstaff gaat al de loszinnigheid, die aan koning Hendriks verleden
-kleefde, ten grave. Met zijn vroegere metgezellen verstaat de koning
-geen scherts meer; zijn blijmoedigheid heeft hij behouden, maar deze
-uit zich thans in den omgang met den rechtschapen Fluellen of met
-eerlijke, trouwe soldaten, zooals Williams.
-
-II. 3. 12. Een kind in het doophemdje. In het Engelsch a chrisom child,
-waar vrouw Haastig een christom child van maakt, zooals zij Arthurs
-schoot in plaats van Abrahams schoot zegt. Een chrisom child is een
-kind, dat in de eerste maand sterft; chrisom is eigenlijk het witte
-doekje, dat een kind op het hoofd gelegd werd, opdat de zalvingsolie
-niet weggevaagd zou worden.—Dat Falstaff stierf, toen het water begon
-te vallen, zegt vrouw Haastig, omdat naar een oud volksgeloof niemand
-tijdens het opkomen van het water stierf.
-
-II. 3. 17. Zijn neus was zoo scherp als een pen en een tafellaken met
-groene plekken. In ’t Engelsch: his nose was as sharp as a pen, and a
-table of green fields. Als men vrouw Haastig verstandig wil laten
-praten, is zeker Theobalds oude emendatie: and ’a babbled of green
-fields, de verstandigste van allen. Maar verstandig te praten is het
-zwak van vrouw Haastig niet; met een tafel kan zij zeer wel er een
-gemeend hebben met een tafellaken, en met den spitsen neus en de
-groenachtig bleeke kleur den indruk hebben geschetst, dien het
-Hippocratisch stervensgezicht van Falstaff op haar gemaakt had.
-
-II. 3. 55. Caveto moge uw raadsman zijn. Een aardig staaltje van de
-fouten der quarto-uitgaven is, dat zij hier voor het Latijnsche caveto
-(pas op), Cophetua, den koning uit het bekende volksliedje, te lezen
-geven.
-
-II. 4. 25. Zich met een pinkster-moorendans vermaakt. Hier zij in het
-midden gelaten, of het misschien beter is voor „moorendans” morrisdans
-of lentedans te lezen, want het is lang niet onwaarschijnlijk, dat de
-morrisdance zijn oorsprong nam in de heidensche tijden van Engeland en
-niets met een moorschen dans te maken had. Het was vooral op den
-eersten Mei, dat deze dansen plaats hadden: een twaalftal personen
-kwamen er in voor, waaronder juffer Marianne of de Mei-koningin, tevens
-geliefde van Robin Hood, dan broeder Tuck, de kapelaan van denzelfden,
-het stok- of hobbelpaard of hobby-horse, de Meipaal, alsmede een groep
-buitenlanders; onder deze laatsten kunnen ook Mooren opgetreden zijn.
-
-II. 4. 102. Bij Jezus’ ingewanden zegt hij u. De ingewanden worden als
-zetel van het mededoogen opgevat. Sh. vond deze uitdrukking bij
-Holinshed: „nevertheless exhorted the French king, in the bowels of
-Jesu Christ, to render him” etc.
-
-III. 2. 19. Zoo vluchtig En luchtig Als ’t vogeltje zingt in ’t bosch.
-Deze en de voorafgaande rijmen zijn waarschijnlijk aan volksliedjes
-ontleend.
-
-III. 2. 61. Pij te mijnen? seg gij ten hertog, enz. De dichter heeft hier
-een Schot Jamy, een Ier Macmorris, en een Walliser Fluellen, laten
-optreden, en ieder op zijn eigenaardige wijze laten spreken. Op het
-tooneel heeft het spreken in verschillende tongvallen, als het goed
-gedaan wordt, een uitnemende uitwerking; geschreven is dit in veel
-minder mate het geval; de woorden zien er vreemd uit en de uitwerking
-wordt geheel gemist, als de lezer met het bedoelde dialect niet
-vertrouwd is. De vertaler heeft er bij den Schot Jamy en den Ier
-Macmorris van afgezien, het dialect uit te drukken; bij het overluid
-voordragen van het stuk moge de spreker den vreemden tongval, dien hij
-machtig is, aan de woorden leenen. Voor den Schot Jamy zou b.v. de
-wijze, waarop de Friezen Nederlandsch spreken, kunnen worden
-nagebootst, met de harde f voor de v, de zachtere uitspraak van de g,
-het weglaten van het voorvoegsel ge bij de verleden deelwoorden enz. De
-Ier Macmorris moge zich van een dialect bedienen, dat iets verder van
-het gewone Nederlandsch afwijkt; voor zijn gezegden zou b.v. een
-Limburgsche of Zuid-Nederlandsche tongval in aanmerking komen. Met den
-Walliser Fluellen (= Llewellyn) is het een ander geval. Deze spreekt in
-het oorspronkelijke geen volksdialect; hij spreekt als een man, wiens
-moedertaal het Kymrisch is en die zich het Engelsch met moeite en
-onvolkomen heeft eigen gemaakt. Het Engelsch is hem een vreemde taal
-gebleven; ieder oogenblik zondigt hij tegen de juiste woordenkeus, de
-taalregels, de uitspraak. Toch is hij voor zichzelf volkomen gerust,
-dat hij zich zeer goed en gemakkelijk in het Engelsch uitdrukt en
-gebruikt zijn vreemde wendingen en uitdrukkingen, verbuigingen en
-vervoegingen met het grootst mogelijke aplomb, ja, hij zoekt, daar hij
-vrij wat gelezen heeft, aan zijn taal een geleerd voorkomen te geven en
-waagt er allerlei halsbrekende kunsten mee; daarbij komt nog, dat hij
-de verkeerde woorden, die den vreemdeling verraden, verkeerd
-uitspreekt. Dit alles moest, bij deze tamelijk omvangrijke rol,
-uitgedrukt worden; in hoeverre de vertaler hierin geslaagd is, mogen
-anderen beoordeelen.
-
-III. 4. 1. Alice, tu as esté en Angleterre. Het Fransch, dat in dit
-stuk voorkomt, is—dit is niet te loochenen—zeer slecht; de Franschen
-hebben het zeker veel beter gesproken; en voor Koning Hendrik en de
-zijnen was het Fransch zeker ook geen vreemde taal. Het is niet wel uit
-te maken, wat Shakespeare geschreven heeft, want vaak zijn vreemde
-woorden, zelfs daar, waar Sh. ze ongetwijfeld goed geschreven heeft,
-tot onkenbaarheid toe verminkt en misvormd. Het valt niet moeilijk de
-ergste fouten te verbeteren, maar dan verkrijgt men waarschijnlijk iets
-anders dan Sh. schreef en heeft een eigenaardigheid van het
-oorspronkelijke uitgewischt. Want het is mogelijk, dat, wat de
-folio-uitgave ons heeft overgeleverd, niet veel afwijkt van wat Sh.
-geschreven heeft. Het Fransch toch, zooals wij het daar vinden, was
-zeker voor Sh.’s publiek voldoende om de gewenschte uitwerking te weeg
-te brengen. De hachelijke verandering is daarom hier niet beproefd;
-wordt het stuk hier te lande ooit gespeeld, dan moge men het Fransch
-wijzigen naar de eischen van ons publiek.
-
-III. 5. 33. Luchtsprongen, vlugge passen onderwijzend. In ’t Engelsch
-worden hier twee bepaalde dansen genoemd: And teach lavoltas high, and
-swift corantos. De lavolta was een Italiaansche, over Frankrijk naar
-Engeland gekomen dans, met omdraaiingen—de naam hangt met het
-Latijnsche volvere samen,—en hooge sprongen, die eenige gelijkenis met
-de wals zal gehad hebben; de coranto was een vlugge dans, die misschien
-meer van een galop had. Sir John Davies (1570–1626) heeft in zijn
-gedicht Orchestra, or a Poem of Dancing, in a Dialogue between Penelope
-and one of her Wooers, de Lavolta beschreven en schetst de maat aldus:
-
-
- „And still their feet an anapest do sound:
- An anapest is all their musick’s song,
- Whose first two feet is short, and third is long”.
-
-
-De coranto had daarentegen een dactylische maat.
-
-III. 6. 42. Hij stal zich een monstrans. Een monstrans, een
-hostiehuisje, heet in ’t Engelsch pix, maar in den tekst staat pax. Pix
-zal wel bedoeld zijn; in Holinshed toch lezen wij: A soldier took a pix
-out of a church, for which he was apprehended, and the king not once
-removed till the box was restored and the offender strangled.—Een pax
-was een klein plaatje van hout of metaal, waar een heilige voorstelling
-op gegraveerd was; het werd bij het eind der mis aan de geloovigen ten
-kus gereikt.
-
-III. 7. 56. Als een Iersche Kern. Kernen waren de lichte Iersche
-troepen, met een zeer primitief kostuum.
-
-III. 7. 121. ’t Is een verkapte dapperheid. In ’t Engelsch: ’t Is a
-hooded valour; and when it appears, it will bate. „’t Is een verkapte
-(of omhuifde) dapperheid; en als zij voor den dag komt, zal zij met de
-vleugels slaan”. To bate is een uitdrukking aan de valkerij ontleend,
-die ook „afvallen”, „verminderen”, beteekent, een woordspeling, die
-hier bedoeld is.
-
-IV. Pr. 45. Van nieuwen moed, van vuur doortinteld zijn. Het is, dunkt
-mij, onmiskenbaar, dat, in het oorspronkelijke, achter de woorden:
-„that mean and gentle all” een regel is uitgevallen. De inhoud er van
-moet geweest zijn, als van dezen door mij ingelaschten regel.
-
-IV. 1. 13. Goeden morgen, oude Thomas Erpingham. Erpingham was reeds
-met Bolingbroke uit Bretagne naar Engeland gekomen. Zie „K. Richard
-II”, II. 1. 283.
-
-IV. 1. 54. Ik sla hem wis zijn knoflook om zijn bol Op Davidsdag. De slag
-bij Crécy had plaats op Davidsdag (25 Augustus) 1346; de Wallisers
-hielden toen manmoedig stand nabij een moestuin met look en kozen nu
-look als zegeteeken, dat zij sedert op Davidsdag op de muts droegen, in
-overeenstemming met een oud Keltisch en Germaansch gebruik.
-
-IV. 1. 197. Dit is zeker, ieder, die in zonde sterft, enz. Deze woorden
-zijn misschien eer aan Court toe te kennen.
-
-IV. 1. 292. Hyperions rossen. Hyperion is de Zonnegod, zie Homerus’
-Odyssea I. 8. en de naam is hier alzoo van gelijke beteekenis met
-Phoebus.
-
-IV. 2. 4. Voort!—les eaux et la terre! Het oorspronkelijke is zeer
-bedorven.—De Dauphijn roept: Via! (voort!) over water en land! en
-Orleans vraagt spottend: „Wat! ook niet door de andere elementen, lucht
-en vuur, heen?” waarop de Dauphijn al pochend er den hemel nog
-bijvoegt.
-
-IV. 2. 60. Ik wacht slechts op mijn standaard. Holinshed vertelt hier
-van den Hertog van Brabant, dat hij in zijn ongeduld het vaantje van
-een trompetter nam.
-
-IV. 3. 10. En, beste neef. Deze woorden richt Salisbury tot
-Westmoreland; beiden waren Nevils. Salisbury was de vader van den
-beroemden graaf van Warwick, die in „Koning Hendrik VI” een groote rol
-speelt. Vergelijk boven blz. 563.
-
-IV. 3. 76. Zie, nu wenscht gij vijfduizend strijders weg. De koning neemt
-vijfduizend bij wijze van een onbepaald getal, want het Engelsche leger
-is even te voren, regel 4, door Exeter op twaalfduizend man geschat.
-
-IV. 3. 105. Nog losbreekt in een tweede vaart van onheil. Door de booze
-ziekten, die de dooden verwekken. Dat zij dit zouden doen als een
-schampschot, like to the bullet’s grazing, zooals de tweede
-folio-uitgave leest, is mij niet duidelijk; ik heb daarom hier van een
-opstuitkogel d.i. „een ricochetschot” gesproken; misschien is crasing,
-d.i. crazing, verpletterend, der eerste folio-uitgave verkieslijk boven
-het woord grazing der tweede folio-uitgave.
-
-IV. 4. 3. Kaliteef? kale hond! zijt gij een edelman? Pistool verstaat
-geen Fransch en beschimpt den Franschen soldaat, door den klank zijner
-woorden met Engelsche uitdrukkingen na te bootsen. Natuurlijk moeten
-deze laatste in de vertaling door andere vervangen worden.—Hoe de
-oorspronkelijke tekst soms door drukfouten onkenbaar is geworden,
-blijkt hier. Nadat de Franschman van qualité heeft gesproken, zegt
-Pistool volgens de folio-uitgave: „Qualtitie calmie custure me. Art
-thou a gentleman?” De eerste woorden waren een onoplosbaar raadsel, tot
-Malone er de eerste woorden van een Iersch lied in herkende, dat voor
-de melodie aangehaald wordt in een boek, verschenen in 1584, en ten
-titel voerende: „A Handifulle of pleasant Delites”. Daarin vindt men:
-„Sundry new Sonets, in divers kinds of meeter newly devised to the
-newest tunes that are now in use to be sung” en onder deze: a Sonet of
-a Lover in the praise of his Lady; to (d.i. op de wijs van:) „Calen o
-custure me;” sung at everie line’s end. De woorden van den tekst moeten
-dus gelezen worden: Quality! Calen o custure me! [1] Het woord qualité
-brengt eenvoudig den klank van Calen aan Pistool in de gedachte, zoodat
-hij de woorden der melodie herhaalt.
-
-IV. 4. 9. Mijn kling, gij springt er over. In ’t Engelsch: thou diest on
-point of fox. Fox komt meer in de beteekenis van zwaard voor, omdat
-sommige klingen een loopenden vos als smidsmerk hadden.—Een oogenblik
-later vat Pistool het woord moi als een gouden munt, voluit moidore
-geheeten, op.
-
-IV. 4. 75. Dan deze brullende duivel. In de oude moraliteiten zag de
-duivel er wel vreeselijk uit en brulde geweldig, maar hij was toch zeer
-laf en liet zich door den hansworst met zijn houten zwaard ongestraft
-op de vingers slaan.
-
-IV. 7. 104. Monmouth-mutsen. Monmouth, in Wales, de geboorteplaats van
-Koning Hendrik V, was beroemd om de mutsen, daar vervaardigd en bij
-krijgslieden veel in gebruik.
-
-IV. 7. 114. Zoolang het zijn genade behaagt en zijn majesteit bovendien.
-Fluellen spreekt van Gods genade, maar houdt het woord „genade” voor
-een titel, die hem te gering schijnt, zoodat hij zich haast er
-„majesteit” bij te voegen.
-
-IV. 8. 81. Charles van Orleans enz. De namen en getallen, die Exeter
-noemt en die de koning opleest, zijn aan Holinshed ontleend; dat
-Shakespeare ze hier opneemt, bewijst voor de belangstelling, die alle
-bijzonderheden van den slag van Agincourt in zijn tijd nog opwekten.
-
-IV. 8. 128. ’t Non nobis aangeheven en Te Deum. Holinshed verhaalt, dat
-de koning na de overwinning zijn leger vereenigde; zijn prelaten en
-kapelanen moesten den psalm: In exitu Israel de Aegypto zingen, en bij
-het vers: Non nobis, Domine, moest iedereen knielen.
-
-V. Pr. 30. Als onzer hooge koninginne veldheer. Essex, die van April
-tot September 1599 in Ierland was, om er een opstand te dempen, zie
-boven blz. 65.
-
-V. Pr. 38. De keizer zelf. Inderdaad heeft keizer Sigismund koning
-Hendrik te Londen bezocht, en getracht, hoewel tevergeefs, den vrede
-tusschen Engeland en Frankrijk te bemiddelen.
-
-V. 1. 29. Niet voor Cadwallader en al zijn geiten. Een nieuwe
-beleediging voor Fluellen. Cadwallader is een Walliser naam (een vorst
-van 984 heet Cadwallon); misschien meent Pistool er een berg of Wales
-zelf mee; en de Wallisers werden dikwijls om hun geitenkudden bespot.
-
-V. 2. 17. Den moordnaarsblik der basilisken. Die den mensch deed
-versteenen. Het oorspronkelijk „The fatal balls of murdering basilisks”
-bevat ook een toespeling op de vuurmonden, die den naam van basilisken
-droegen.
-
-V. 2. 84. En broeder Clarence. Nòch Clarence, nòch de Graaf van
-Huntingdon komen elders in dit stuk voor.
-
-V. 2. 244. Daardoor werd ik geschapen met een stuursch uiterlijk, enz.
-Hendrik V was daarentegen volgens de beschrijving van tijdgenooten een
-schoon man, met krachtigen en toch sierlijken lichaamsbouw.
-
-V. 278. Dan wil ik u op de lippen kussen, Kaatje. De Engelschen waren
-toen ter tijd veel guller met kussen dan vele andere volken, bij welke
-hun begroeting met een kus op den mond meermalen aanstoot gaf.
-
-V. 336. Als de vliegen omstreeks Sint Bartholomeus. Dus in ’t warmste
-van het jaar, 24 Augustus.
-
-V. 369. Praeclarissimus filius noster. Als vertaling van très cher
-moest het prœcarissimus zijn, maar Shakespeare vond het zoo in
-Holinshed.
-
-Epil. 13. Vaak zaagt gij dit vertoond. Meermalen waren de verschillende
-deelen van „Koning Hendrik de Zesde”, die tot de eerste stukken van
-Shakespeare behooren, opgevoerd. Het eerste deel schetst vooral, hoe
-Frankrijk voor Engeland verloren ging; het tweede en derde de bloedige
-burgeroorlogen tijdens de regeering van koning Hendrik den Zesden.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENING.
-
-
-[1] „Mijn harteliefje voor eeuwig” wordt als de beteekenis der woorden
-opgegeven.—Voor caleno wordt ook wel callino gelezen.
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KONING HENDRIK DE VIJFDE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.