summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/67398-0.txt5522
-rw-r--r--old/67398-0.zipbin121466 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67398-h.zipbin1414305 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67398-h/67398-h.htm6197
-rw-r--r--old/67398-h/images/front.jpgbin425563 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67398-h/images/ornament.pngbin43005 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67398-h/images/p011.jpgbin255248 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67398-h/images/p105.jpgbin210664 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67398-h/images/p213.jpgbin296710 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67398-h/images/titlepage.pngbin50809 -> 0 bytes
13 files changed, 17 insertions, 11719 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..9f91bdb
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #67398 (https://www.gutenberg.org/ebooks/67398)
diff --git a/old/67398-0.txt b/old/67398-0.txt
deleted file mode 100644
index 1e27460..0000000
--- a/old/67398-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5522 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Aan Tafelbaai's Strand, by D' Arbez
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Aan Tafelbaai's Strand
- of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811)
-
-Author: D' Arbez
-
-Illustrator: Cornelis Koppenol
-
-Release Date: February 13, 2022 [eBook #67398]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- file was produced from images generously made available by
- The Internet Archive)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK AAN TAFELBAAI'S STRAND ***
-
-
-
-
-
- ZUID-AFRIKAANSCHE HISTORIE-BIBLIOTHEEK.
- No. III.
-
- Aan Tafelbaai’s Strand
- OF
- TWINTIG JAREN UIT HET LEVEN VAN EEN KAPENAAR.
- (1791–1811).
-
-
- DOOR
- D’ARBEZ.
-
-
- Uitgegeven en verkrijgbaar bij:
- Hollandsch-Afrikaansche Uitgevers-Maatschappij,
- v/h. Jacques Dusseau & Co.
- Amsterdam—Kaapstad.
- 1903.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-HET VERHAAL VAN DEN DOKTER.
-
-
-Omtrent tien jaren geleden woonde ik in een klein dorpje in den
-Oranje-Vrijstaat, den naam waarvan het niet noodig is op te geven. Het
-was een klein plekje, waar ik misschien van verveling zou gestorven
-zijn, als het niet was geweest voor den ouden dokter. Goede, oude
-dokter, hij ligt al meer dan negen jaren onder den koelen grond,
-verlost van alle ellende en plagen des levens; en het is juist het
-feit, dat hij er niet meer is, dat mij thans eerst het recht geeft om
-hier dit verhaal te doen, en iets te publiceeren dat reeds lang in
-mijn bezit is. Maar ter zake.
-
-Dokter J. was een oud man: toen ik hem kende moet hij omtrent zeventig
-jaar geweest zijn, maar hij was nog kras voor zijne jaren, schoon haar
-en baard reeds spierwit waren. Van de levensgeschiedenis van den ouden
-heer had ik nooit veel te weten kunnen komen: de dokter sprak zelf er
-liever niet over, en natuurlijk was ik niet gerechtigd mij te bemoeien
-met zijne private zaken. Al wat ik wist, was dat hij te Kaapstad
-geboren was uit een oud Hollandsch-Afrikaansch geslacht, in Holland had
-gestudeerd en aan de Universiteit te Leiden zijn graad van Doctor in de
-Medicijnen had verkregen. Ook vernam ik eens van hem dat hij nooit
-getrouwd was, en, te oordeelen naar de uitdrukkingen, die hij bij die
-gelegenheid gebruikte over de schoone sekse (ik zal ze maar niet
-herhalen om mijne lezeressen niet kwaad te maken) was de dokter een
-echte vrouwenhater. Er waren, zooals licht te begrijpen valt, heel wat
-praatjes over den ouden heer, maar ik heb uit ondervinding geleerd, dat
-de kwaadsprekendheid steeds als een onvermoeid spook door al onze
-Zuid-Afrikaansche dorpen waart, en, daar dus waarschijnlijk niet een
-twintigste deel der praatjes over dokter J. waar waren, is het onnoodig
-om ze hier weer te geven. Maar, zooveel stond vast, en daar kon zelfs
-niet de meest vuige tong iets tegen zeggen, de dokter was een knap man
-in zijne professie; hij was de vriendelijkheid zelve tegenover zijne
-patiënten, en wat maar kon gedaan worden om den dood af te wenden, of
-de pijn te verzachten, dat werd door hem gedaan.
-
-Mijn eerste kennismaking met den dokter was in de kwaliteit van
-patiënt. Ik had kort na mijne aankomst in het dorp een erge koude
-gevat, en daar ik geplaagd was door een akelige soort van kerkhofhoest,
-ging ik den Esculaap een drankje vragen. Inderdaad gaf de dokter mij
-een probaat middeltje dat mij in weinige dagen genas; maar wat nog
-beter was, was dat die korte kennismaking zich ontwikkelde tot een
-groote vriendschap tusschen den dokter en mij. Ik geloof, dat dit een
-groot geluk voor mij is geweest; wie weet of, als ik niet het
-gezelschap van den dokter had gehad, ik niet, zooals zoo vele andere
-jongelui in kleine dorpjes in ons land, mij zou hebben overgegeven aan
-den drank, of andere verkeerdheden, die onze jonge lieden ten gronde
-richten, omdat ze geen anderen raad met hun goeden tijd weten. De
-aangename avonden die ik bij den dokter doorbracht, deden mij
-dergelijke verleidingen gemakkelijk weerstand bieden.
-
-Ik vond spoedig uit, dat de dokter niet alleen een knap man was in zijn
-vak, maar ook uitmuntend belezen, zoodat hij over heel wat meer dingen
-kon meepraten dan pillen en poeders alleen. Zooals de meeste goed
-opgevoede lieden, had hij ook zijn geliefkoosd onderwerp; bij hem was
-het de geschiedenis van Zuid-Afrika en alles wat daarmede in verband
-stond. Hij had gedurende lange jaren, en tegen een groote uitgave, een
-prachtige bibliotheek verzameld over de geschiedenis van Zuid-Afrika;
-deze verzameling bevatte inderdaad zeer kostbare boeken, niet alleen in
-de Engelsche en Hollandsche talen, maar ook in het Duitsch en in het
-Fransch, welke talen hij alle gemakkelijk las. Hij was zooals hij mij
-dikwijls vertelde, in het begin van zijn loopbaan geneigd geweest om
-sterk Engelschgezind te zijn; doch toen hij bekend raakte met de
-bijzonderheden van het bestuur der Engelsche regeering in dit land
-gedurende de negentiende eeuw, maakte de bewondering, die hij voor de
-Engelschen en hunne denkbeelden koesterde, plaats voor eene diepe
-verachting van alles wat Engelsch en Engelschgezind was; hij werd een
-vurige voorstander van de rechten der Afrikaners, en dit was een der
-voornaamste redenen waarom hij de oude Kolonie, waar hij destijds een
-zeer goede praktijk had, verliet om zich in den Vrijstaat te vestigen.
-
-Toen de dokter bevond, dat ook mijne sympathiën met de Afrikaners
-waren, en dat ik zeer verlangde om goed op de hoogte te komen der
-geschiedenis van mijn geboorteland, waarvan ik toen, helaas, bitter
-weinig wist, draalde de dokter geen oogenblik met mij het vrije gebruik
-zijner bibliotheek aan te bieden, en ik behoef nauwelijks te zeggen dat
-ik van dat aanbod gretig gebruik maakte. Kwam er dan eens een nieuw
-boek uit over dit onderwerp dan bestelde mijn oude vriend dit dadelijk
-van Kaapstad, en dan lazen wij het te zamen. Het was vooral bij die
-gelegenheden dat ik dikwijls de scherpzinnige aanmerkingen van den
-dokter bewonderde. Hij was volmaakt op de hoogte der algemeene
-geschiedenis, en hield er van om vergelijkingen te maken tusschen de
-gebeurtenissen in dit land, en die, welke vroeger in andere landen
-hadden plaats gevonden. De geschiedenis, zoo zeide hij dikwijls
-herhaalde zich steeds; dezelfde oorzaken hadden steeds dezelfde
-gevolgen, en wat eenmaal gebeurd was, zou weer gebeuren. Salomo was
-nooit wijzer dan toen hij zeide, „Er is niets nieuws onder de zon.”
-
-Het was op een kouden winteravond dat er iets tusschen mij en den
-dokter plaats vond, dat de eigenlijke oorzaak van dit verhaal is, en
-dat dus hier moet worden verteld om den lezer op de hoogte van zaken te
-brengen. Ik zat in de eetkamer van den dokter (een voorkamer hield hij
-er niet op na); wij hadden juist samen een der nieuwe boeken van onzen
-uitmuntenden Zuid-Afrikaanschen geschiedschrijver G. M. Theal gelezen,
-die toenmaals zich een naam begon te maken, en daarop hadden wij onze
-vrij drooge kelen met wat warme ponsch nat gemaakt, of liever gezegd,
-wij waren daarmede nog bezig, toen ik uit bloote nieuwsgierigheid, mijn
-ouden vriend vroeg, wat hem zulk eene bijzondere voorliefde voor de
-geschiedenis van zijn land en volk had gegeven. De oude heer zat eenige
-oogenblikken in gedachten en zeide toen:
-
-„Mijn waarde A., om die vraag te beantwoorden, zal ik je iets uit mijn
-levensgeschiedenis moeten vertellen, en wel een heel snaaksch geval. ’t
-Is een beetje een lange storie, maar ’t is nu nog vroeg, en als wij een
-beetje extra spraakwater nemen, zal de stof misschien wat vinniger
-loopen”.
-
-Zoo gezegd, zoo gedaan; de dokter schonk onze glazen nog eens vol, en
-na een flinke teug te hebben genomen, begon hij als volgt:
-
-„Het was in het jaar 1835, ik meen in Mei, dat ik als behoorlijk
-gepromoveerd Doctor Medicinae uit Holland naar de Kaap terug kwam. Mijn
-vader leefde toen nog, en woonde op een soort van buiten, of plaats,
-zooals wij hier in Zuid-Afrika zouden zeggen, even buiten de Kaapstad,
-in hetgeen men thans Woodstock noemt, maar dat toen nog als Papendorp,
-of liever Roodebloem bekend was. Ik was de oudste zoon van mijne
-ouders; na mij kwamen drie meisjes die allen ongetrouwd gestorven zijn,
-en de eenige broeder, dien ik had, en die overleed, toen hij nog maar
-twintig jaar oud was, had toen nog niet den leeftijd van vijftien jaren
-bereikt. Mijn vader was toen wel af, en hij zei de dat als ik wilde, ik
-mij kon vestigen in de Kaapstad, en, om kosten te besparen, mijn intrek
-kon nemen in zijn huis. Ik had echter reeds in die dagen weinig zin om
-mij in de buurt van de stad te vestigen en was ook niet geneigd om op
-eenige wijze op kosten van mijn vader te leven. Ik wilde de wereld in,
-op mijn eigen beenen staan, en op eigen houtje mijn fortuin maken.
-Derhalve besloot ik mij te gaan neerzetten in A. waar kort te voren de
-plaatselijke geneesheer overleden was.
-
-„Ik deed zulks, en had er spoedig een zeer aardige praktijk; ik ben dan
-ook te A. gebleven, totdat ik in 1865 op raad van onzen President
-Brand, naar den Vrijstaat ging, blij om eindelijk toch een plek in
-Zuid-Afrika te vinden, waar die eeuwigvervelende Britsche vlag niet
-woei. Toen ik omtrent twee jaar te A. was geweest, moest ik wegens
-noodzakelijke bezigheden naar de Kaap gaan, en daar ik zelf ook een
-weinig rust noodig had, besloot ik een maand lang in de stad te
-vertoeven; een jonge dokter, pas uit Engeland aangekomen, zou zoolang
-mijn praktijk waarnemen.
-
-„Ik nam natuurlijk mijn intrek bij mijn vader, en toen ik mijn
-voornaamste bezigheid had afgedaan, amuseerde ik mij zoo goed ik kon.
-Waar ik het meest van hield, was om stil en rustig aan het strand te
-zitten, op den eeuwig rusteloozen oceaan te staren, en mijne gedachten
-dan den vrijen loop te laten. Er was toen nog in die dagen niet dat
-gewoel, dat thans langs het strand in de buurt van Woodstock en
-Zoutrivier heerscht, en men kon er uren zitten, zonder door iemand
-gehinderd te worden.
-
-„Het was juist op een warmen rustigen middag, dat ik er eens zat in
-mijn eentje. Verschillende gedachten gingen mij door het hoofd en al
-peinzende was ik werktuigelijk bezig om met mijn stok gaten in het zand
-te boren. Plotseling stiet mijn stok op iets hards en dit trok mijn
-opmerkzaamheid. Ik boorde verscheidene gaten binnen den omtrek van
-omtrent een yard, maar telkens kwam de stok op het harde voorwerp te
-recht. Ik begon bepaald nieuwsgierig te worden, wat dit harde ding kon
-zijn, en ik had een soort van voorgevoel dat ik op het punt stond eene
-ontdekking te maken. Derhalve beproefde ik dan ook, zoo goed en zoo
-kwaad het ging om met mijn stok een gat te graven in het half natte
-zand, en na heel wat tobbens was ik zoover, dat ik zag dat ik hier met
-een kist of koffer te doen had, die met ijzer beslagen was. Op dat
-oogenblik schoot het mij te binnen, dat het een beetje gevaarlijk was
-om hier op helderen dag op een openbare plek zoo iets te voorschijn te
-halen. Ik herinnerde mij, dat een medestudent in Leiden die in de
-rechten studeerde, mij eens een heel verhaal had gedaan van een misdaad
-die strandroof genaamd werd, en waarop de doodstraf of levenslange
-verbanning of zoo iets vreeselijks stond.
-
-„Met dat schrikbeeld voor mij, vond ik het geraden om het door mij
-gemaakte gat maar dadelijk weer toe te maken. Doch om de plek niet te
-vergeten, maakte ik een hoopje van steenen op de plaats, zoodat ik die
-zonder moeite kon terugvinden. Daarop ging ik naar huis om een plan te
-beramen hoe ik het best mijn gevonden schat op een veilige plek kon
-brengen. De kist was blijkbaar zwaar, en ik zou hem zeker niet alleen
-baas kunnen raken; ik moest dus naar hulp uitzien. Ik was juist aan het
-denken welk persoon ik met dit gewichtig werk kon vertrouwen, toen ik
-den ouden jongen ontmoette, die reeds jaren lang bij mijn vader werkte,
-en die mij bijna sedert mijn geboorte kende, want hij was nog als slaaf
-bij mijn grootvader geweest, en noemde mij niet anders als „kleinbaas”.
-Ou Andries was, meende ik juist de jongen, om mij in deze netelige zaak
-van nut te zijn. Ik drukte hem dan ook een halve kroon in de handen, en
-zeide hem dat hij dien avond, als het avondeten afgeloopen was, met mij
-mede moest gaan, en een graaf samen nemen; er was iets van belang, dat
-hij voor mij moest doen, maar hij moest er geen woord aan iemand van
-zeggen, vooral niet aan mijn vader. Andries beloofde dit dan ook trouw,
-en ik wist dat ik op hem aan kon.
-
-„Het was ongeveer negen uur dien avond, dat ik Andries ontmoette bij
-het tuinhek, dat aan den zeekant uitkwam. Er was geen maan en het was
-pikdonker, juist een geschikte avond, zooals ik bij mijzelven dacht, om
-de misdaad van strandroof te plegen; in werkelijkheid voelde ik een
-beetje als een misdadiger; doch er was een zeker onverklaarbaar iets,
-dat mij aandreef en mij belette om veel attentie te wijden aan de
-inblazingen van het geweten. Ik had, in het donker eenige moeite om de
-juiste plek te vinden, doch eindelijk liep ik den steenhoop raak, en
-spoedig was Andries hard aan het graven. Nu en dan stiet de graaf tegen
-het harde hout van de kist, en het geluid dat daardoor veroorzaakt werd
-in den stillen nacht, deed mij schrikken, zoodat ik Andries
-toefluisterde om toch niet zooveel lawaai te maken. Eindelijk was de
-kist aan alle kanten los, en nu probeerden wij om haar uit den grond te
-tillen. Het was een heele toer, die onze vereenigde krachten
-vereischte, maar ten slotte hadden wij haar boven den grond. Maar nu
-deed zich een nieuwe moeielijkheid voor. Hoe moesten wij die zware kist
-naar huis krijgen? Om die te dragen met ons tweeën, daar was geen
-sprake van; de kist was zoo zwaar, dat Andries beweerde, dat die zeker
-vol geld zat.
-
-„„Zooveel te beter, Andries”, antwoordde ik lachend, „dan zal jij ook
-iets uit het voordeeltje krijgen; maar ons moet nou eerst een plan
-maken om die ding bij die huis te krijg”.
-
-„„Ik geloof, baas”, zeide de oude jongen, „dat daar niet een ander plan
-is dan om die kist hier open te maak, en dan die geld of die goed, wat
-daarin is, met klompjes naar die huis te vat”.
-
-„In werkelijkheid scheen dit mij ook het eenige mogelijke plan; maar ik
-moest bij mijzelven bekennen dat het niet weinig gevaar aanbood. Mijn
-vader was nog niet naar bed, en het ongewone geloop zou ongetwijfeld
-zijn aandacht trekken, en dan zou hij willen weten wat er aan den gang
-was.
-
-„Andries scheen dit ook te begrijpen, want hij zeide fluisterend tot
-mij, „Baasje, ons moet wacht tot die menschen in die huis slaap, en dan
-zal ons die goed naar mijn kamer draag, stukje voor stukje, en daar kan
-ons dan zien wat die goed is”.
-
-„Dit was geen slecht plan, want de kamer waar ou Andries sliep, was een
-buiten-kamer, die een heel eindje van het huis verwijderd was. Wij
-besloten dan ook dit plan te volgen, en daar het minstens nog een uur
-zou duren, voor al de menschen in het huis aan slaap zouden zijn, zeide
-ik aan Andries dat hij, om geen opspraak te wekken, maar liever naar
-huis moest teruggaan, en later, als alles rustig sliep, weerkomen, met
-een deken (kombaars), of iets dergelijks, waarin wij het goed
-geriefelijk konden dragen; ondertusschen zou ik de wacht in de buurt
-houden, en zorgen dat niemand ons onzen buit ontstal.
-
-„Toen Andries weg was, begon ik in de buurt van de kist heen en weer te
-loopen. Ik was nu nog nieuwsgieriger dan ooit, en de lust om eens nader
-te weten, wat er eigenlijk in die geheimzinnige kist zat, werd zoo
-onbedwingbaar, dat ik eene poging maakte om de kist te openen. Er zat,
-zooals ik na onderzoek merkte, een slot op, maar het zilte zeewater had
-zulk een effekt op het ijzer gehad, dat toen ik een weinig mijne
-krachten inspande, het slot uit elkander sprong. Ik tilde de zware
-deksel op en stak, in het donker mijn hand in de kist. Ik voelde iets
-zachts, dat mij toescheen kleederen te zijn, en verder mijn hand
-instekende, raakte ik aan iets hards en kouds, blijkbaar van metaal. De
-deksel was te zwaar dan dat ik die lang op kon houden, en ik moest dus
-mijne verdere onderzoekingen staken, en geduldig wachten op de
-terugkomst van Andries. Na een goed uur en een half, die mij in mijn
-ongeduld wel zes uren toeschenen, kwam de trouwe jongen weer aanzetten.
-Hij bracht het bericht dat iedereen in het huis vast in slaap scheen;
-tevens bracht hij ook een reusachtige kombaars, die zeker wel alles had
-kunnen bevatten wat in de kist was. Wij begonnen dadelijk de boel uit
-te pakken, schoon wij in het donker niet konden uitmaken waaruit de
-inhoud bestond; sommige dingen waren hard, andere weer zacht. Ik pakte
-vooreerst genoeg in de kombaars om Andries in staat te stellen die
-zonder veel moeite te dragen; daarop zond ik hem met die eerste vracht
-naar huis, hem gelastende het goed in zijn kamer te leggen, en die dan
-toe te maken, en dan de tweede vracht te komen halen. Met die tweede
-vracht was de kist leeg en de kwestie was nu wat wij met de leege kist
-zouden aanvangen. Het was te gewaagd haar te laten staan waar zij was,
-en om haar waardeloos karkas naar huis te slepen, daar had ik geen lust
-in; bovendien zou het onmogelijk zijn om haar tegenwoordigheid in ons
-huis te verhelen. Na een kort beraad tilden wij haar dus op, droegen
-haar zoover wij konden de zee in, en lieten haar aan de genade van de
-woeste baren over. Tusschen twee haakjes mag ik hier zeggen, dat ik
-nooit weer iets van de kist vernomen heb; of ze misschien vandaag nog
-op de golven van den oceaan rondzwabbert, of er een tweede strandroof
-aangaande haar gepleegd is, dat kan ik niet zeggen. In alle geval ben
-ik maar blij dat die kist niet als stomme getuige van mijn misdaad ooit
-is opgetreden.
-
-„Toen wij de kamer van Andries binnen waren, en iets voor het venster
-hadden gehangen, om het schijnsel van het licht niet te laten bemerken,
-staken wij een kaars op, en onderzochten de waarde van onzen buit. Het
-was niet veel, en ik weet niet wie het meest teleurgesteld was, ik of
-de oude jongen. ’t Was waar, er zat geld in de kist, want wij vonden
-een klein lederen zakje, dat wij met een zekere soort van
-zenuwachtigheid openden, doch, helaas, bij onderzoek bleek het zakje te
-bevatten.... de groote som van vier oulap. Maar er was toch één ding
-van aanzienlijke waarde, namelijk een goud horloge, een dier
-ouderwetsche dingen met dubbele kast, amper zoo groot als een „pompoen”
-zooals Andries het uitdrukte. Ik borg dat in mijn rokzak, even als een
-zeer mooi medaillon van gedreven goud, dat een werkelijk prachtstuk
-was. De verdere inhoud bestond meest uit kleederen, volgens de mode van
-het midden der achttiende eeuw, een oude verrekijker waarvan echter een
-der glazen stuk was, een oude Statenbijbel, een psalmboek, en nog een
-aantal snuisterijen van betrekkelijk weinig waarde. Ik gaf last aan
-Andries om den Bijbel en eenige andere kleinigheden, die ik wilde
-bewaren, zoolang voor mij te bergen, en verder de kleeren op de best
-mogelijke manier te verkoopen of op eenige andere wijze van de hand te
-zetten, en wilde juist de kamer uitgaan, toen Andries uitriep „Baasje,
-hier is nog een boek”; en met deze woorden overhandigde hij mij een
-vrij dik gebonden boek, dat ik even snel opende, in de meening dat het
-van weinig waarde zou zijn. Bij het openen viel mijn oog dadelijk op de
-woorden „Dagboek van Jan van Eck”. „Zoo”, dacht ik bij mijzelven, „dat
-is zeker de eigenaar van de kist geweest”, en ik besloot het boek met
-mij naar mijn kamer te nemen, om het bij gelegenheid eens door te
-bladeren. Voor ik echter uit de kamer van Andries ging, beloofde ik den
-ouden jongen, die blijkbaar zeer teleurgesteld was, dat er geen geld
-was gevonden, en hij dus zijn deel van de winst kwijt was, om hem den
-volgenden morgen een pond sterling te geven voor zijne moeite, mits hij
-geen woord repte van het gebeurde. Die belofte bracht Andries dan ook
-weder in een goede luim. Toen ik in mijn kamer kwam, voelde ik mij erg
-vermoeid; ik ontkleedde mij snel, en wierp mij op bed, maar het was te
-vergeefs dat ik trachtte te slapen. Ik voelde mij werkelijk als een
-misdadiger, en werd hevig gekweld met allerlei vreeswekkende gedachten.
-Als die ellendige kist opspoelde, of als er iets van mijn nachtelijk
-avontuur uitlekte, zou ik ongetwijfeld in groote onaangenaamheden
-komen; misschien zou de rechter er bij te pas komen, en zou ik zoo niet
-gestraft, althans gebrandmerkt zijn, en waarschijnlijk was mijn
-loopbaan dan bedorven. Kwaad met mijzelven verwenschte ik de kist en
-alles wat er in zat, doch daardoor viel ik nog niet in slaap.
-Plotseling schoot het mij in de gedachten dat als ik toch niet slapen
-kon, ik net zoo goed eens een kijkje kon nemen in het dagboek van Jan
-van Eck. Ik haalde het dus te voorschijn uit de plek waarin ik het
-geborgen had, en daarop weer onder de kombaars kruipende, begon ik te
-lezen. Toen de zon den volgenden morgen in mijn kamer scheen, vond zij
-mij nog bezig aan het lezen. Ik kan je nu niet alles vertellen wat in
-dat boek stond, maar ik zal het eens voor den dag halen, en dan kunt ge
-het zelve lezen.”
-
-Met deze woorden stond de oude dokter op, ging naar zijn slaapkamer, en
-kwam spoedig terug met iets onder den arm.
-
-„Hier is het dagboek van Jan van Eck, en....” Op dat oogenblik werd er
-hevig aan de deur geklopt, en op het geroep van „kom in” van den
-dokter, trad een man haastig de kamer in, en zeide half ademloos:
-
-„Dokter, jij moet toch als je belieft gauw kom naar Piet van Rooijen,
-van Uitkijk; zijn vrouw is banja ziek, en hij het mij gestuur om dokter
-dadelijk te kom haal”.
-
-„Naar Uitkijk”, riep de dokter uit, „machtig, kerel dit is amper zes
-uur te paard hiervan daan. Ik zal natuurlijk gaan, maar kan jij niet
-wacht nie, tot dit daglicht is; het is vreeselijk donker en koud
-daarbij”.
-
-„Ik zou niet om geef om te wacht nie, dokter”, luidde het antwoord,
-„maar oom Piet heeft mij gezegd dat ik gauw moet maak, want dit is een
-gevaarlijke ding”. En hier voegde de spreker er iets bij, dat bewees
-dat het inderdaad een geval van leven of dood was.
-
-„Wel als dit zoo is, dan ga ik nu dadelijk met jou mee” hernam de goede
-dokter, die nooit aarzelde, om waar zijn plicht hem riep, te gaan,
-vooral als het een zaak van dezen aard gold.
-
-„Waar is jou kar?” vroeg hij, terwijl hij reeds bezig was om zijn
-kistje met medicijnen en instrumenten voor den dag te halen.
-
-„Dokter die kar staat klaar ingespan”, was het antwoord; „ik het
-versche paarden van oom Jan Grobbelaar gekrijg, hullie is fluks, en zal
-ons binnen vier uur naar Uitkijk breng”.
-
-„Loop haal dan maar die kar, dan zal ik klaar wees” zeide de dokter, en
-zich daarop tot mij wendende, vervolgde hij:
-
-„Dit spijt mij, A, dat onze conversatie op deze manier gebroken wordt,
-maar daar is nu niets aan te doen. Neem ondertusschen het boek maar
-mee, dan kan je het zoolang lezen, en mij, als wij elkander weer zien,
-vertellen, wat je er van denkt, en dan zal je ook wel begrijpen, waarom
-ik zooveel van de geschiedenis van Zuid-Afrika houd”.
-
-Ik bedankte den dokter hartelijk, nam afscheid van hem, en ging toen
-naar huis.
-
-
-
-Den volgenden middag bracht men het lijk van dokter J. naar het dorp
-terug; hij was het slachtoffer geworden van zijne plichtsbetrachting.
-In den stikdonkeren nacht had de drijver het ongeluk gehad de kar om te
-gooien, de dokter was onder de kar gevallen: zijn ruggegraat was
-gebroken, en hij was waarschijnlijk dadelijk en zonder pijn geleden te
-hebben, overleden. Een benijdenswaardige dood voor een man die altijd
-zijn plicht had gedaan tegenover God en den mensch, en die nooit den
-dood had gevreesd.
-
-
-
-Ik behield het dagboek van Jan van Eck, en maakte er geen gewag van aan
-den executeur van des dokters boedel. Misschien deed ik daardoor iets
-waartoe ik volgens strikt wet geen recht toe had. Maar aangezien ik
-hoop dat mijne lezers het voordeel van mijn daad zullen hebben, daar
-anders naar alle waarschijnlijkheid zij nooit iets van het dagboek
-zouden hebben gehoord, vertrouw ik dat zij mij niet zullen gaan
-verklagen bij den procureur-generaal of eenig ander gevreesden
-ambtenaar, wegens het mij toeeigenen van een andersmans goed. Sommige
-menschen zouden het misschien diefstal willen noemen, maar dat is zulk
-een leelijk woord, dat ik het liever niet omtrent mijzelven wil
-gebruiken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-WAARIN EEN BEGIN WORDT GEMAAKT MET HET VERHAAL, EN DE
-HOOFDPERSOON ZIJN INTREDE MAAKT.
-
-
-Het zou zeker het gemakkelijkste wezen voor mij, om maar zonder meer,
-hier het dagboek overteschrijven, en mijne lezers er zich dan op de
-best mogelijke manier te laten doorworstelen. Maar ik vrees dat dit een
-heel vervelend stukje werk voor hen zou wezen, en dat er dan kans
-bestond dat zij, voor het boek nog half uit was, het ergens in een hoek
-zouden werpen, met den uitroep: „Dat boek is mij te saai”. Om zulk een
-ongeluk te voorkomen, heb ik besloten, om uit het materiaal in het
-dagboek vervat, een verhaal optetrekken, in mijn eigene woorden, en op
-mijn eigen manier, mij echter steeds vasthoudende aan de feiten zooals
-bevat in het dagboek. Ik meen te mogen zeggen, dat over het algemeen,
-die feiten vrij wel overeenkomen met hetgeen men in de geschiedenis
-boeken van die dagen vindt; hier en daar is er een klein verschil, maar
-dit doet niet veel af aan de waarde van het werk.
-
-Voor ik echter dit verhaal begin, is het noodig dat mijne lezers iets
-weten van den man die dit dagboek heeft geschreven: Jan van Eck. Heel
-veel kan ik niet van hem vertellen, want de familie van Eck schijnt in
-Zuid-Afrika vrij wel uitgestorven, zoodat het mij niet doenlijk is
-geweest om eenige familie-dokumenten in handen te krijgen, en het
-weinige dat ik heb kunnen uitvinden, en dat ik hier ga weergeven,
-bestaat deels uit aanteekeningen gevonden in het boek van wijlen den
-heer C. C. de Villiers, en uit gevolgtrekkingen door mij gemaakt uit
-hetgeen ik in het dagboek heb gevonden, schoon de heer van Eck zelve
-maar zeer karig is in het geven van berichten omtrent zijn leven of
-identiteit.
-
-In het jaar 1691 leefde er te Drakenstein een zekere Adriaan van Eck,
-die burger der Kolonie was, en die in 1712 een zoon liet doopen met den
-naam van Johan. Deze Johan had weder een zoon Johannes, geboren in
-1741, en later gehuwd met Martha Magdalena Cordier bij welke hij 3
-kinderen had, waarvan de jongste, Arie, in 1799 werd gedoopt. Geen
-dezer van Ecks kan echter de schrijver van dit dagboek zijn, om de
-eenvoudige reden dat uit het dagboek zelve blijkt dat de schrijver niet
-gehuwd was. Dat hij echter tot deze familie behoorde is geenszins
-twijfelachtig, want wij zullen zien dat hij in de Kaapstad eene
-achternicht had, met name Elizabeth, weduwe van Zacharias de Beer, die
-met hare kinderen verscheidene malen in dit werk voorkomen. Nu is
-volgens het boek van den heer Villiers eene dochter Elizabeth, van den
-ouden Johan van Eck gehuwd geweest met zekeren Zacharias Joseph de
-Beer, en het is dus zeer waarschijnlijk dat dit de hierin vermelde
-Elizabeth was. Maar verdere nasporingen van de identiteit van onzen
-schrijver hebben geen resultaten opgeleverd.
-
-Ook is het ons niet geheel duidelijk wat de schrijver van het dagboek
-geweest is; er zijn echter passages in het boek die ons er toe zouden
-kunnen leiden om tot de conclusie te komen dat hij vroeger in dienst
-der Compagnie is geweest, en een vrij aanzienlijke betrekking heeft
-bekleed. Immers hij verkeerde blijkbaar op zeer intiemen voet met een
-aantal der aanzienlijkste mannen in Kaapstad, velen waarvan hij bij
-hunne voornamen noemt; ook schijnt hij bekend te zijn geweest met
-verscheidene boeren uit differente deelen der Kolonie. Ten tijde dat
-hij dit dagboek aanhield woonde hij in een klein huisje gelegen aan het
-strand tusschen het tegenwoordige Woodstock en Zoutrivier; een oude
-kleurling die in het dagboek dikwijls voorkomt onder den naam van
-Thijs, en die blijkbaar een slaaf was, en jaren lang in dienst van den
-schrijver, zorgde voor hem, zoover het koken van de kost, en dergelijke
-huishoudelijke zaken aangaat; en daarbij was hij een vertrouwde van
-zijn meester, die hem allerlei gewichtige bezigheden liet verrichten.
-
-Over het geheel heeft het dagboek op mij den indruk gemaakt, dat Jan
-van Eck een dier menschen was, dien men gewoonlijk met den naam van een
-zonderling bestempelt. Hij woonde eenzaam in zijn huisje, ging geregeld
-iederen dag naar de stad om de nieuwtjes te vernemen, en zijne familie
-en oude kennissen te zien, maar nam geen werkdadig aandeel in de zaken,
-schoon wij zullen vinden, dat hij in 1795 dienst deed als soldaat, en
-toen tot het zoogenaamde „Pennisten-korps” behoorde. Met zijne
-medemenschen had hij niet veel op.
-
-Hij was een zeer belezen man, en had vooral een grondige kennis van de
-toenmalige Franschen schrijvers; Voltaire en Diderot, kende hij op zijn
-duimpje, maar zijn lievelings-schrijver was toch Jean Jacques Rousseau,
-en deze had een ontzettenden invloed op hem gehad. Van Eck was volbloed
-revolutionair, en dweepte met de denkbeelden van „de rechten van den
-mensch.” Hij haatte de ideeën van den ouden pruikentijd, had een hekel
-aan het monarchisme of aan alles wat er naar zweemde, en was bovendien,
-op het gebied van godsdienst doordrongen van de denkbeelden der
-toenmalige vrijdenkers. Er zijn bewijzen uit dokumenten in het archief
-der Kaap Kolonie, dat op dit punt er ook nog anderen waren die in die
-dagen dezelfde ideeën koesterden. Men vergete niet dat de denkbeelden,
-die in 1789 de Fransche Revolutie hebben veroorzaakt in Holland een
-groot aantal aanhangers hadden, zoo zelfs dat deze er ernstige
-politieke verwikkelingen veroorzaakten, en de „Patriotten” zooals men
-ze noemde, eene mislukte poging deden om den stadhouder der
-Nederlanden, Prins Willem van Oranje (Willem de Vijfde) van alle macht
-te berooven. Deze poging, gedaan in 1787, werd verijdeld door de
-„Prinsgezinden”, die gesteund werden door een groot leger, hun ter
-hulpe gezonden door den koning van Pruisen; en het gevolg dezer
-mislukte poging was, dat een groot aantal der „Patriotten” de wijk
-moesten nemen naar Frankrijk, waar zij niet weinig werkzaam waren, en
-ten slot te 1795 naar Holland terugkwamen, toen de Franschen dit land
-hadden veroverd, en Willem de Vijfde de wijk had genomen naar Engeland.
-Jan van Eck, was, wat zijne denkbeelden aangaat, een echte „Patriot”,
-en dit zal den lezer in dit verhaal duidelijk worden, en verklaart
-tegelijk het feit waarom hij zulk een ontzettenden haat tegen de
-Engelschen had, die toenmaals vijanden van de Franschen, en sterke
-ondersteuners waren van het Huis van Oranje.
-
-Het bovenstaande zal ten minste onzen lezers eenig denkbeeld geven van
-den man die het dagverhaal geschreven heeft, en wij kunnen thans ons
-verhaal voortzetten, of liever gezegd, beginnen. Maar nog een kleine
-verklaring is noodig. Toen ik het boek van den dokter kreeg, waren er
-verscheidene bladen uit het boek gescheurd, door wien, weet ik
-natuurlijk niet; een geheel gedeelte, namelijk dat tusschen de jaren
-1796 tot 1802 is zoo goed als weg; andere deelen zijn door de actie van
-het zeewater dat toegang schijnt te hebben gehad tot den inhoud der
-kist, bijna niet te ontcijferen. Waar dit het geval geweest is, heb ik
-uit andere bronnen eene korte geschiedenis te zamen gesteld van die
-tijden, daar anders het verdere gedeelte van het dagboek niet te
-begrijpen zou zijn. En ten slotte zij het hier gezegd, dat de eischen
-van plaatsgebrek mij hebben verplicht om veel uit het dagboek te
-verkorten, en er zelfs belangrijke deelen uit te laten. Het is echter
-niet onmogelijk, dat als dit boekje in den smaak van het Afrikaansche
-publiek valt, ik later nog meer uittreksels uit het dagboek zal geven.
-
-
-
-Op den morgen van den 12den Mei in het jaar 1791, omtrent 11 ure
-stonden er in de Graaffestraat (die later verkeerdelijk Grave straat
-werd genoemd, en nu herdoopt is in Parliament street) in Kaapstad, drie
-mannen een vrij opgewonden gesprek te voeren. De grootste dier mannen,
-een flinke kerel van iets over de zes voet, en gekleed op eene wijze
-die toonde dat hij tot den deftigen stand behoorde, heette Sebastiaan
-van Reenen, en was inderdaad een der aanzienlijkste inwoners van de
-Kaapstad in die dagen, gedeeltelijk wegens zijn groote rijkdom,
-gedeeltelijk omdat hij een zeer bekwaam man was, en deels ook omdat hij
-geparenteerd was aan bijna al de andere aanzienlijke burgerfamiliën der
-stad, en dus een grooten invloed uitoefenen kon. Naast hem stond een
-kort, eenigszins gezet man, die schoon niet zoo deftig uitgedoscht als
-de heer van Reenen, ook tot de betere klasse van burgers scheen te
-behooren, en wiens broeder dan ook de vrij aanzienlijke betrekking van
-Resident van Simonsbaai bekleedde. Zijn naam was Pieter Brand, waaruit
-men merken kan, dat hij tot een oud Kaapsch geslacht behoort. De derde
-man is insgelijks een klein mannetje, iets kleiner zelfs dan de heer
-Brand; hij is daarenboven veel schraler dan deze, en zijne kleeding is
-veel eenvoudiger dan die der anderen; ja, men zou zelfs zeggen dat ze
-hem slordig aan het lijf zitten, en dat de drager geen man is die zich
-erg moe maakt over zijn uiterlijk aanzien. Hij is een man van iets over
-middelbaren leeftijd, naar schatting omtrent acht en veertig of vijftig
-jaar oud. Haren en baard vertoonen de eerste sporen van grijsheid, maar
-hij loopt nog flink rechtop, en zijne houding heeft zelfs iets
-„parmantigs” over zich, terwijl gebaren en spraak toonen dat het hem
-geenszins aan levendigheid ontbreekt. De naam van dezen man is Jan van
-Eck, en hij woont als jonggezel in een klein huisje aan het strand
-tusschen de stad en de Zoutrivier.
-
-De heer Van Eck is aan het woord, en hij zegt op heftige wijze, terwijl
-hij zijn Malacca rottang, met zilveren knop, heen en weer zwaait:
-
-„’t Is alles van het zelfde brouwsel, die groote heeren van de
-Compagnie, mijnheer van Reenen; iedereen zorgt slechts voor zich
-zelven; wat van de Compagnie of van den lande wordt schijnt niemand te
-kunnen schelen. En natuurlijk, als men de gunst geniet van zijne
-Hoogheid den Stadhouder, dan behoeft men zich niet aan de bevelen der
-Compagnie te storen”.
-
-„Ik beaam niet alles wat gij daar zegt, mijnheer van Eck,” hernam de
-heer van Reenen, op ernstige wijze, „want er zijn ambtenaren zooals de
-broeder van onzen geachten vriend, de heer Brand, die wel degelijk hun
-plicht doen, maar ik vind het toch een schandaal dat mijnheer de
-Gouverneur op deze onbeschaamde wijze handelt. ’t Is nu toch al meer
-dan drie maanden geleden dat ZEd. uit Patria orders heeft ontvangen om
-het bestuur hier neder te leggen, en zulks ten gunste van den Secunde,
-en op het oogenblik speelt hij toch nog de baas, alsof hij van niets
-wist.”
-
-„Dat zou zeker niet het geval zijn, als het niet ware, dat de Fiskaal
-van Lynden hem in zijn verzet steunt” viel den heer Brand in „die man
-is een ware vloek voor deze volksplanting.”
-
-„Ja waarlijk, dat moogt gij wel zeggen, mijnheer Brand” hervatte van
-Eck, „nog nooit is alhier het recht op zulke schandelijke wijze veil
-geweest als het thans is; de rechtvaardigheid, het eenige juweel, dat
-de burger tot nu toe had, wordt aan den hoogsten bieder verkocht, en
-het volk schijnt er zich niet tegen te durven verzetten. Neen, dan was
-het wat anders in de dagen van Adam Tas, zaliger memorie; toen durfde
-men nog voor zijne rechten opstaan, en als er thans onder onze burgers
-denzelfden manmoedigen geest heerschte, dan was Cornelis Jacob van de
-Graaff al lang op het eene of andere schip gezet, en zonder
-complimenten naar huis toe gezonden, wat ook de Stadhouder mocht hebben
-gezegd. Maar wij zijn slaven geworden, en eerst als de Fransche
-Republiek ons de ware vrijheid zal hebben gebracht, zal er een betere
-tijd voor de volksplanting opdagen”.
-
-„Bedaar u wat mijnheer van Eck,” zeide van Reenen op waarschuwenden
-toon, „men mocht u eens hooren, en dan zoudt gij misschien op zeer
-onaangename wijze kunnen kennis maken met den Fiskaal”.
-
-„Hebt gij nog geene tijdingen uit Graaff-Reinet, mijnheer van Reenen?”
-vroeg van Eck bedaard, alsof hij niet de minste notitie nam van de
-woorden van dezen; „ik hoorde gisteren een gerucht dat er daar heel wat
-ontevredenheid heerscht, en de zaken er leelijk staan”.
-
-„Men is er zeer gebelgd over de onverschilligheid van den Politieken
-Raad, en eischt bevelen omtrent een kommando tegen de Bosjesmannen die
-het de boeren aldaar zeer lastig maken moeten,” was het antwoord.
-
-„De regeering behoort zeer voorzichtig te zijn met de burgers van
-Graaff-Reinet” viel hier de heer Brand in „ik ken de bevolking daar
-goed, en zij zullen zeker niet verdragen wat de menschen hier
-verdragen”.
-
-„Dat is een waar woord, mijnheer Brand” zeide van Eck, „de burgers van
-Graaff-Reinet en ook die van Swellendam zijn wakkere mannen, die de
-vrijheidsliefde van hunne voorvaderen nog hebben bewaard, en zich niet
-zullen laten vertrappen door een handjevol betweters, die meenen alles
-te kunnen doen, omdat zij in den gunst van den Prins of van de Hoog
-Mogenden meenen te staan. Laat men maar oppassen; de waarheid is ook
-reeds in die streken doorgedrongen, en het volk begint zijn eeuwige
-rechten, hem door de Natuur geschonken te kennen. Vrijheid, Gelijkheid,
-en Broederschap, zijn voor hen geen ijdele klanken meer, maar zullen
-spoedig werkelijkheid worden. En dan wee de ellendelingen die hen
-zoolang onderdrukt en uitgezogen hebben”.
-
-Het gezicht van den heer van Reenen betrok, toen hij deze woorden
-hoorde, en hij keek den spreker scherp aan; deze beantwoordde dien blik
-echter even scherp, waarop de heer van Reenen zijn mond tot een
-glimlach plooide, en zeide:
-
-„Ik ga u groeten, mijnheer van Eck, want gij wordt mij ietwat te
-gevaarlijk, en ik heb geen lust om u gezelschap te houden in het
-Kasteel, waar gij ongetwijfeld zult belanden, als gij uwen vinnigen
-mond niet wat meer in toom houdt”.
-
-De drie heeren scheidden. Van Reenen en Brand stapten in de richting
-van de Parade, terwijl de heer van Eck zijn weg voortzette, het
-Stalplein overging, en toen een weg insloeg die de helling van den
-Tafelberg opging. Al loopende, mompelde van Eck steeds bij zichzelven,
-en het was niet alleen mompelen, maar ook morren, want hij zeide, op
-driftige wijze, en zoo hoorbaar, dat als iemand hem voorbij gegaan was,
-deze de volgende woorden had kunnen vernemen:
-
-„Van Reenen heeft mooi praten met zijne waarschuwingen. De kerel is,
-dat weet ik, net van dezelfde opinie als ik, en is een even echte
-patriot. Maar zooals vele anderen is hij banghartig, en speelt den
-heilige, uit vrees voor zijn karkas. Wat heeft men aan zulke
-lammelingen, die even als Erasmus in de oude dagen, alles beamen wat er
-door Luther gezegd en geschreven werd, maar die niet gemaakt zijn uit
-het materiaal, waaruit de martelaren bestonden. ’t Is huilen met de
-wolven in het bosch, wat zulke menschen doen; maar wacht maar een
-weinig, mijnheer van Reenen, de wolven zullen net nu een ander deuntje
-huilen, en dat zal dan ook uw deuntje zijn. Maar een voorzinger om de
-goeie gemeente te leiden, dat te zijn, daar hebt gij den moed niet toe.
-Wat een geluk dat Voltaire, of Rousseau niet zulke lafhartigen waren;
-hadden zij de kat de bel niet omgehangen, dan zuchtte men heden nog in
-Frankrijk onder het wanbestuur der Capets.”
-
-Op deze wijze lucht gevende aan zijn overkropt gemoed, en aan zijn
-verachting van alles wat valsch en schijnheilig was, stapte van Eck
-ijverig voort, totdat hij eindelijk aan een breed hek was gekomen,
-waarop in vergulde letters stond te lezen—“Zeezicht”. Hij ging dit hek
-door, liep het net gegruisde pad op, en bevond zich spoedig voor een
-net gebouwd huis, eenigszins in den vorm van een boerenwoning, aan
-beide zijden waarvan er zich dan ook eenige buitengebouwen bevonden,
-die blijkbaar dienden, als stallen, wijnkelders en slavenwoningen,
-terwijl aan den achterkant van deze gebouwen een groote wingerd
-zichtbaar was, wier bladen in het late seizoen reeds waren afgevallen,
-terwijl daarentegen de eikenboomen, die zich in twee statige rijen aan
-beide zijden van het huis verhieven nog in al hun bladerdos prijkten,
-al was er hier en daar reeds een geele tint aan hen te bespeuren.
-
-De heer van Eck stapte juist den hoogen stoep van het woonhuis op, toen
-een ontzettend groote hond, geel van kleur met zwarten bek, van den
-zijkant opsprong en met heftig gebas aan kwam zetten; toen hij echter
-de reuk van den bezoeker kreeg, veranderde hij van houding, en kwam
-kwispelstaartend op den aankomeling af, die blijkbaar een oude kennis
-van het dier was, en die het dan ook een vriendelijk „zoo Caesar, zou
-jij den ouden baas niet meer kennen” toesprak.
-
-Intusschen was eene rijzige vrouw, wier grijze haren verrieden dat zij
-minstens vijf kruisjes achter den rug had, maar die toch nog eene fiere
-houding had, op den stoep verschenen, en liep van Eck vriendelijk
-groetend tegemoet.
-
-„Kijk, neef, dat is nu net mooi van je; ik zeide daar net tegen Annie,
-dat het heel aardig zou zijn als gij van daag hier kwaamt.”
-
-„Wat is er dan weer aan den gang, Bette,” sprak van Eck, terwijl hij
-zich met een roodzijdenen doek het voorhoofd afwischte, want de
-perspiratie liep daar in groote parels af, daar de zon nog heel wat
-kracht had, en als een vuurbol in den wolkenloozen hemel schitterde.
-„Is Zachje weer in moeilijkheden, of hebt gij misschien uw nieuwe wijn
-reeds getapt? Om de waarheid te zeggen zou een roemer jonge wijn mij
-uitmuntend smaken,” vervolgde van Eck lachend.
-
-„Kom maar binnen, neef, en dan zal de wijn zich wel laten vinden, al is
-die van verleden jaar, want de oogst van dit jaar is nog niet goed
-drinkbaar. Maar gij blijft zeker wel bij ons eten, niet waar?”
-
-„Dat was inderdaad mijn plan, waarde nicht, als ik u niet derangeer,”
-antwoordde van Eck, en meteen liet hij zich nederglijden op een
-rustbank die op de stoep in de schaduw stond.
-
-Mevrouw de weduwe Elizabeth de Beer, zooals de eigenares van Zeezicht
-heette, was ongetwijfeld gewoon aan de gemakkelijke manieren van haar
-neef, die deed alsof hij thuis was, en geen aanstelletjes had; zij riep
-dan ook eene slavin en beval deze een kan wijn en een paar glazen te
-halen, en een paar minuten daarna, was van Eck in staat om zijn dorst
-te lesschen met een flink glas Kaapsche wijn, terwijl ook zijne nicht
-zich den heerlijk verfrisschenden drank liet smaken.
-
-„En wat nieuws is er in de stad, neef?” vroeg zij daarop, terwijl zij
-den roemer van haren gast nog eens vulde, want schoon van Eck een matig
-man was, wist zij dat hij van twee glazen zuiveren wijn niet
-„hoenderkop” zou worden.
-
-„Men is in de stad blijkbaar volstrekt niet gesticht op het verdere
-gezelschap van den edelen gouverneur”, antwoordde van Eck, „en dat
-verwondert mij dan ook geenszins, want de man heeft het bont genoeg
-gemaakt, en heeft het zuurverdiende geld der arme burgers er op
-schandelijke wijze doorgejaagd”.
-
-„Ik hoorde Hans er van morgen iets over zeggen, maar ik begreep niet
-goed wat hij meende” zeide mevrouw de Beer. „Zoover ik opmaakte, scheen
-hij van opinie te zijn dat de gouverneur het volmaakste recht had om
-hier te vertoeven totdat hij zijne private zaken in orde had gemaakt,
-en was al dat lawaai niets anders dan afgunst van den heer Rhenius, den
-Secunde, die zijne partij opstookte, omdat hij kwaad is dat de macht
-hem nog niet in handen is gegeven, en hij het hoogere salaris niet kan
-trekken, voordat de gouverneur deze kusten heeft verlaten”.
-
-„Zoo, dat had ik mij wel kunnen denken, dat Hans ook al van het hondje
-gebeten is. Hij werkt nu op het kantoor van den Fiskaal, is het niet?”
-
-„Ja, van af het begin der vorige maand is hij daar heen verplaatst, en
-het schijnt hem er goed te bevallen”, luidde het antwoord.
-
-„’t Is jammer dat ik er niet vroeger van geweten had, dan zou ik u
-hebben gewaarschuwd, en u aangeraden hebben om te zien of gij geen
-ander baantje voor uw oudsten zoon had kunnen krijgen. Het gezelschap
-van den heer van Lynden is niet zeer geschikt voor een jongmensch die
-de verleidingen van het leven en de strikken des duivels nog niet juist
-kent”.
-
-„Wel, neef, dat zijn natuurlijk dingen, waar eene arme vrouw als ik
-niets van af weet; maar zie, daar komt Hans juist aan, en het zou
-misschien niet slecht zijn, zoo u met hem gingt spreken over de zaak;
-wellicht is er nog een plan te vinden”.
-
-Mevrouw had nauwelijks deze redevoering klaar, of haar oudste zoon
-Hans, een flink opgeschoten jongeling van omtrent twee-en-twintig jaar,
-kwam de stoep op. De jonge man had iets astrants in zijn uiterlijk, dat
-een eigenzinnig karakter verried, en als hij dit was, dan behoefde men
-hier niet verwonderd over te zijn, want de vader van Hans was overleden
-toen deze negen jaar oud was, en de weduwe had den vrij balsturigen
-knaap niet in de noodige orde kunnen houden, zoodat Hans veel te veel
-zijn zin had gekregen, en de baas in het huis speelde. Hij groette zijn
-neef eenigszins kortaf, en zette zich toen op de rustbank naast dezen
-neder, waarop hij een slaaf riep en dezen gelastte nog een glas te
-brengen; toen hij dit gekregen had schonk hij zich een duchtigen
-versterking in, en dronk dit uit, zonder op ’s lands manier den gast
-van zijne moeder gezondheid te wenschen.
-
-Jan van Eck keek den parmantigen knaap van ter zijde aan, en zeide toen
-bedaard:
-
-„Ik hoor, Hans, dat gij thans in het kantoor van den Fiskaal werkzaam
-zijt; hoe bevalt het u daar?”
-
-„Uitstekend oom”, luidde het antwoord, „het is zeer vermakelijk om te
-zien hoe de Fiskaal met de menschen weet om te springen, en hij is
-zeker een der geslepenste kerels in de Kaap. ’t Is een oude rot, die
-niet makkelijk in den val loopt”.
-
-„Ja, dat is hij zeker, maar oude rotten worden soms ook gevangen en dan
-hebben zij het menigmaal harder te verantwoorden dan de jongere
-dieren”, zeide van Eck koeltjes, en daarop vervolgde hij: „De heer
-Fiskaal schijnt echter geen populair man te zijn onder de burgers, ten
-minste niet naar ik hoor”.
-
-„Dat weet hij ook wel, maar daar stoort hij zich niet aan; hij veracht
-de menschen, en zegt dat over het algemeen de kolonisten te onbeschaafd
-zijn dan dat men notitie behoeft te nemen van wat zij zeggen”.
-
-„Heeft hij dat in uwe tegenwoordigheid gezegd?” vroeg van Eck verbaasd.
-
-„Oh, ja, hij windt er geen doekjes om, en zegt net wat hem op het harte
-ligt”, hernam de jonge man, en dit op een toon die te kennen gaf dat
-het gedrag van zijn chef zijn bewondering verwekte.
-
-De aderen aan het voorhoofd van Jan van Eck zwollen als koorden, zijn
-gelaat werd vuurrood, en hij mompelde iets dat veel klonk naar een
-krasse vloek. Toch bedwong hij zich, tot hij tegen zijn neef
-uitbarstte: „En gij Hans de Beer, een Afrikaner van geboorte, en uit
-een oud Kaapsch geslacht ontsproten, gij laat iemand dat in uw gezicht
-zeggen, zonder dit tegen te spreken. Foei, schaam u wat: ik zou in mijn
-jonge dagen mij niet zoo hebben laten beleedigen”.
-
-De jonge man was een weinig bedeesd onder dezen onverwachten aanval,
-maar herstelde zich toch spoedig, en antwoordde toen op scherpe toon:
-„Maar wildet gij dan hebben dat ik met mijn chef onaangenaamheden moet
-krijgen, en met hem ruzie maken over zulk een bagatel, neef? De heer
-van Lynden is een invloedrijk man, en het zou wel dwaas van mij zijn,
-om hem niet te vriend te houden”.
-
-„Ik geloof dat gij den invloed van den Fiskaal veel te hoog schat”,
-hernam de oudere man, „en al was hij de stadhouder zelf, dan zou ik
-mijn medekolonisten niet ongestraft hebben laten beleedigen, in alle
-geval niet stilzwijgend. Het spijt mij ten zeerste dat gij op dat
-kantoor zijt terecht gekomen. en gij zult er niet veel goeds leeren.
-Als ik u was Hans, dan zou ik om verplaatsing aanzoek doen”.
-
-„U heeft zeer wonderlijke veroordeelen, neef”, waagde de jonge man te
-zeggen, „de zaak is eenvoudig dat gij weet dat de Fiskaal Oranjegezind
-is, en gij zelve een Patriot zijt, en daarom haat gij den heer van
-Lynden, omdat gij vreest dat hij een oog op u heeft. Maar een man als
-de heer van Lynden, die den steun en de achting van den Gouverneur
-geniet, is verheven boven uwe aantijgingen”.
-
-Onder andere omstandigheden zou de heftige Jan van Eck den man die hem
-zulke woorden had toegevoegd een slag met zijn rottang in het
-aangezicht hebben gegeven; de gedachte echter, dat een domme melkbaard
-zooiets zeide, en het feit dat die melkbaard een zoon was van eene zeer
-geliefde nicht, hield zijn arm tegen, schoon de rottang werkelijk een
-paar duim van den grond rees, om daarop langzaam te zinken.
-
-„Hans, gij zijt een dwaas, die niet weet wat gij praat, en als gij wat
-meer verstand hebt, zal het u spijten zulke onbekooktheden tegen mij te
-hebben gezegd. Ik verzeker u echter dat gij u deerlijk vergist, en dat
-het u geraden is niet al uw vertrouwen te stellen in den Fiskaal, en
-zelfs niet in den Gouverneur want hun beider rijk is waarschijnlijk
-zeer spoedig uit”.
-
-„Zoudt gij dan denken dat de Gouverneur dwaas genoeg zou zijn om naar
-Patria terug te gaan op de eerste aanmaning hem daartoe door de
-directeuren gezonden. Hij heeft natuurlijk naar zijne vrienden in
-Patria geschreven, om hen te vertellen, dat hetgeen men in Holland van
-hem verteld niets dan leugens zijn van zijne tegenstanders alhier, en
-hij zal vragen dat men eene commissie uitsture om onderzoek naar den
-toestand der zaken alhier te doen. De heer van de Graaff is niet de man
-er naar, om zoo maar het veld te ruimen voor zijne vijanden, en hij
-heeft een uitmuntenden raadgever in den Fiskaal, die weet wat hij
-doet”, luidde het heftige antwoord van den jongen Hans.
-
-„Zoo, zoo, zit de vork zoo in den steel”, sprak van Eck, en hij wilde
-juist nog iets hierbij voegen, dat misschien niet zoo bedaard zou
-geweest zijn, toen plotseling de stem van zijn nicht zich deed hooren,
-die weder op de stoep verscheen, met „komt, neef Jan, en Hans, komt
-eten, de kost wordt anders koud en dat zou jammer zijn”.
-
-Neef Jan had een half uur geleden een geweldigen appetijt gehad, maar
-de woordenstrijd met Hans had dien geheel en al bedorven, en de oude
-heer was alles behalve vriendelijk gestemd toen hij de ruime eetkamer
-intrad, en daar de andere leden der familie aantrof, namelijk de eenige
-dochter van Mevrouw de Beer, Annie genaamd, een zeer mooi meisje van
-omtrent 17 jaar, en de tweede zoon des huizes, een knappe jongen van 19
-jaar, die naar de boerderij van zijne moeder keek, en als zoodanig de
-rechter hand dier moeder was. Hij had een geheel anderen aard dan zijn
-broeder Hans, deze Andries de Beer, en schoon meer bedeesd dan deze,
-was hij veel verstandiger dan zijn ouderen broeder.
-
-Annie was een lieveling van den stuggen Jan van Eck, maar heden was
-neef Jan zoo verstoord dat hij haar slechts zeer koel groette, en ook
-onder het eten in gedachten verzonken scheen. Nicht Bettie giste dat er
-weer een hevige woordenwisseling had plaats gevonden tusschen haar neef
-en haar zoon, want dergelijke tooneeltjes waren niets ongewoons; toch
-had zij nooit gezien dat neef zich zulk een zaak aldus aantrok als hij
-heden scheen te doen, en zij kon dan ook niet helpen om te vragen, wat
-Hans nu weer gezegd had om neef zoo overstuur te maken.
-
-Hans antwoordde niet, want hij begon zich reeds over zijn gedrag te
-schamen, en daarbij gevoelde hij dat hij in zijne aanmerkingen over de
-plannen van den Gouverneur, plannen waarover hij den heer van Lynden
-had hooren praten, zijn mond had voorbij gepraat, en geheimen uit het
-kantoor had verklikt, iets dat hem duur kon te staan komen. De heer van
-Eck daarentegen begon nu eerst geweldig ergerlijk te worden over het
-gedrag van zijn jongen neef, en, op de vraag van Mevrouw de Beer,
-barstte hij dan ook plotseling uit:
-
-„Nicht als gij daar dien oudsten zoon van u niet spoedig den mond
-snoert, zal hij u en anderen in groote ongelegenheden brengen.” „Ach,
-neef,” hernam nicht op goeielijken toon, „jonge harten zijn maar
-onbezuisd, en Hans meent het zoo kwaad niet, is het wel Hans?” Hans gaf
-geen antwoord, maar Annie nam nu de zaak op en zeide:
-
-„Oom Jan, gij moogt heden niet uit uw humeur wezen, want wij hebben
-vandaag juist een spul heerlijke pampoenkoekjes gemaakt, en gij weet
-dat is uw lievelingsgerecht”.
-
-„Ja, neef, het was daarom dat ik tegen Annie gezegd heb, dat ik hoopte
-dat gij heden hier zoudt aankomen, en gij moogt nu niet een zuur
-gezicht trekken, want anders zou het mij gaan spijten, en zal ik bang
-zijn dat de koekjes u niet zullen smaken”.
-
-Jan van Eck was mensch; daarenboven was hij Afrikaner; en hoe kwaad hij
-ook mocht zijn, tegen de verleiding van „pampoenkoekjes”, vooral zoo
-als nicht Bettie ze bakken kon, was zelfs de volgeling van Jean Jacques
-Rousseau niet bestand. Hij glimlachte eerst wel wat stijf, maar de lach
-werd steeds breeder en guller, vooral toen de „koekjes” door de meid op
-tafel werden gebracht, en nicht hem toen een viertal op zijn bord
-plaatste, „om mee te beginnen” zeide zij; en toen een uur later Neef
-Jan van Nicht Bettie afscheid nam, zou niemand hebben kunnen raden, dat
-slechts een kleine twee uur geleden Jan van Eck zoo kwaad was geweest,
-als hij zich niet herinnerde ooit te zijn geweest voor dezen.
-
-Drie dagen daarna kreeg Hans de Beer echter een verschrikkelijke
-schrobbeering van zijn chef, omdat deze had uitgevonden dat Hans uit de
-school had geklapt en dat nog al tegen dien gemeenen hond van een
-patriot Jan van Eck. Toch had die hond van een patriot gelijk gehad.
-Het rijk van den Fiskaal was uit. Toen op 24 Juni de heer van de Graaff
-zich eindelijk inscheepte om naar Holland terug te keeren, nam van
-Lynden heimelijk de vlucht met hem. Nu de leeuw weg ging, vond de
-jakhals het niet geraden om zich alleen te wagen tusschen de burgers,
-van wier haat hij zich maar al te goed bewust was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-EEN LEELIJK STANDJE.
-
-
-Voor ik dit verhaal voortzet, moet hier gemeld worden dat ongelukkig in
-het begin van het dagboek er een tachtig of honderd bladen zijn
-uitgescheurd, door wat de dichter zou noemen „een godvergeten hand”.
-Daar het verlorene een tijdperk van iets meer dan een jaar beslaat, ben
-ik dus wel verplicht om hier een stukje geschiedenis op mijn eigen
-houtje te geven, ten einde mijne lezers den draad der geschiedenis niet
-te laten verliezen.
-
-Reeds lang voor het vertrek van Gouverneur van de Graaff uit de
-Kaapstad, was men in de Nederlanden tot de conclusie gekomen dat het
-met de Oost-Indische Compagnie niet meer in den haak was. De Compagnie
-had groote schulden, en zij kon niet eens meer de renten op hare
-schuldbrieven betalen. De zaak was van groot belang voor het publiek,
-en daarom vonden de Staten Generaal zich gedrongen om van hun recht
-gebruik te maken, en een onderzoek te doen instellen naar den toestand
-der Compagnie. Het rapport uitgebracht door eene daartoe speciaal
-aangestelde commissie, was van dien aard, dat verdere maatregelen
-noodig werden beschouwd, en vier heeren werden aangesteld, met een
-bijna onbeperkte macht, om de kolonien der Compagnie in persoon te gaan
-bezoeken en zich te vergewissen van den aldaar heerschenden toestand.
-Twee der leden dezer commissie, de heeren Sebastiaan Cornelis
-Nederburgh, eerste advokaat der Compagnie, en de zeekapitein Simon
-Hendrik Frykenius, werden aangewezen om de kolonie de Kaap de Goede
-Hoop te bezoeken, en deze heeren kwamen den 18den Juni 1792 te
-Simonsstad aan met het oorlogsschip de Amazone.
-
-Er was sinds het vertrek van Gouverneur van de Graaff niet veel van
-belang in de kolonie geschied. De heer Rhenius had het bestuur
-overgenomen, en de zaken gingen hun ouden gang. In de distrikten
-Graaff-Reinet en Swellendam had men op een manier de rust een weinig
-hersteld door een sterk kommando te doen uittrekken tegen de
-Bosjesmans, waarvan een menigte werden gedood. Toch had zich door de
-geheele kolonie een geest van verzet tegen de regeering vertoond, die
-bewees dat er noodzakelijk verandering moest komen, wilde men niet het
-gevaar loopen van een algemeenen opstand. Toen b.v. de politieke raad
-een nieuwe belasting, de successierechten oplegde, was de onwil
-daarover zoo groot, dat de raad, om ergere dingen te voorkomen, zich
-verplicht zag, om op haar eens genomen besluit terug te komen, en men
-begrijpt dat dit teeken van zwakheid niet ongemerkt voorbij ging, en
-hen, die begonnen waren zich tegen de aanmatigingen van de Compagnie te
-verzetten, aanmoedigden om in hunne pogingen te volharden.
-
-De pas aangekomene commissarissen vonden dan ook spoedig uit, dat zij
-te doen hadden met mannen, die zich door geen ijdele woorden of zoete
-beloften lieten tevreden stellen. Net een week na hunne aankomst
-maakten de leden van den Burgerraad hunne opwachting bij de
-commissarissen, om hen bekend te stellen met een lange reeks van
-grieven die de burgers meenden te hebben. De namen der leden van den
-Burgerraad verdienen hier te worden vermeld. Het waren de heeren Jan
-Smuts, Gert. H. Meijer, Hendrik J. de Wet, Andries Fleck, Hendrik
-Truter, en Hendrik P. Warnecke, allen mannen van naam en invloed.
-
-De commissarissen waren onverstandig genoeg om te weigeren den
-Burgerraad te erkennen als een lichaam dat het recht bezat om grieven
-voor te brengen. En daarop begonnen de poppen te dansen, en hoe ze
-dansten dat zullen wij nu eens vertellen, zooals wij het aangeteekend
-vinden in het dagboek, dat een aantal bijzonderheden geeft, die in
-andere boeken niet te vinden zijn.
-
-’t Is den 30sten dag van Juni 1792 en een dier heerlijke dagen die de
-winter van het Kaapsche schiereiland ons eenmaal in een dozijn jaren
-schenkt. Het heeft een week lang geregend, maar drie dagen geleden is
-er een einde aan het natte weer gekomen en heeft de zon met
-buitengewone kracht geschenen, zoodat alle straten en wegen droog en
-schoon zijn. Op dezen morgen (want het heeft zooeven negen uur
-geslagen), waait er slechts een fijn luchtje, iets wat Jan van Riebeeck
-een „labberkoelte” zou genoemd hebben, en de heldere hemel geeft vader
-Sol alle mogelijke gelegenheid om zijne stralen op de aarde te zenden,
-van welke kans hij dan ook alle gebruik maakt.
-
-Vooral op de groote Parade, die zich voor de Keizersgracht uitstrekt,
-en aan wier oostzijde het Kasteel zich trotsch verheft, terwijl aan de
-westzijde de Heerengracht een begin van den weg maakt, die tot aan de
-Compagnies tuinen leidt, en daar dood loopt tegen de slavenloge, is het
-zeer warm, maar men heeft er toch een mooi uitzicht. Aan den eenen kant
-ziet men de Tafelbaai, wier wateren thans kalm wiegelen, en die thans
-een half dozijn Oost-Indiëvaarders dragen, welk ieder oogenblik
-verwachten de thuisreis te zullen aanvaarden, daar het Kaapsche
-stormseizoen nadert, die de Tafelbaai tot een der gevaarlijkste havens
-der wereld maakt, en daar bijna elk jaar tallooze offers eischt. Aan
-den kant tegenover de zee, valt het oog eerst op het nog niet geheel
-voltooide nieuwe hospitaal dat thans echter dienst doet als kazerne
-voor de troepen, en inderdaad ook nooit zijn oorspronkelijke bestemming
-als hospitaal heeft bereikt, maar altijd een soldatenhuis is gebleven.
-En daarachter verheft zich, trotsch en eeuwig onveranderlijk de
-Tafelberg, rechts en links geflankeerd door de Duivelspiek en den
-Leeuwenkop, een panorama, zoo schoon als maar ter wereld kan worden
-gevonden.
-
-Doch het is niet met de natuur dat wij ons heden morgen willen bezig
-houden, al verdient zij dit ruimschoots, en al zou een loflied op
-Tafelbergs pracht geenszins ongepast zijn. Neen, het is met den mensch
-dat wij ons willen bemoeien, en heden morgen zijn er exemplaren genoeg
-van den heer der schepping te vinden op de Parade. Er zijn er ten
-minste een heel aardig klompje reeds, en hun aantal vermeerdert elk
-oogenblik. Want er is heden eene groote vergadering bepaald, en het is
-duidelijk dat de Kapenaars groot belang gaan stellen in de te
-besprekene kwesties. Op dit oogenblik is de vergadering nog niet
-begonnen, want de daarvoor bepaalde tijd is eerst tien uur; wij hebben
-dus den tijd om eens een kijkje te nemen en een wandeling te doen
-tusschen de klompjes menschen, die hier en daar vergaderd zijn, om
-voorloopig de zaken te bepraten. Dat die zaken van gewicht moeten zijn,
-dat lijdt geen twijfel, want de personen reeds tegenwoordig schijnen
-zeer opgewonden, en men mist geheel die koele bedaardheid die anders
-den Kapenaar onderscheidt, want het oud Hollandsche bloed van Jan Saai,
-dat zit bij de meesten diep in de aderen. Het Afrikaansche volk was
-even als in 1901, ook in 1792 een zeer lijdzaam volk, dat niet snel aan
-het roeren geraakte; maar kwam het in beweging, dan volgde er ook een
-gansche uitbarsting en dan hield het niet op met agiteeren, totdat het
-zijn zin had gekregen.
-
-Maar ziet, hier zijn wij bij een klein klompje menschen, die met
-bijzonderen drift staan te redeneeren, men zou bijna zeggen, te
-twisten, zoo luid praten zij. Er zijn onder het hoopje een paar die wij
-reeds kennen; daar staat de heer van Reenen, even netjes aangekleed als
-altijd; naast hem zien wij onzen ouden vriend, den heer van Eck, die,
-in tegenstelling van zijn vriend niet de minste moeite heeft genomen
-met zijn toilet. Bij hen staat de heer J. P. Baumgardt, die iemand van
-eenigen invloed is, en die wij later misschien wel eens meer zullen
-ontmoeten. De vierde man is de heer Jan Smuts, een der leden van den
-Burgerraad van Kaapstad, een achtenswaardig man van over de zestig
-jaren, lid van een der aanzienlijkste familien der Kolonie, en die
-grooten invloed bezit. Hij is het die wij aan het woord vinden, en
-hoort maar eens wat hij, op eenigszins opgewonden manier zegt:
-
-„’t Is doodeenvoudig een schandaal, mijnheer van Reenen, zooals de
-Commissarissen ons hebben behandeld. Men wil niet eens naar ons
-luisteren, en beweert dat wij geen recht hebben om namens het volk
-dezer kolonie te spreken. Ik zou wel eens willen weten wie anders het
-recht zou hebben zulks te doen. Wie weet beter dan wij wat voor deze
-volkplanting vereischt wordt? Wie kan beter een oordeel vellen over de
-misbruiken die in de laatste dertig jaren en meer zijn ingeslopen in de
-regeering van dit ongelukkige land? Van af den dood van vader Tulbagh,
-zaliger gedachtenis, zijn dingen hier steeds achteruit gegaan, en thans
-zijn zij in zulk een toestand dat als er niet spoedig verandering ten
-goede komt, ik het ergste vrees. Er heerscht groote ontevredenheid
-onder alle standen; het zijn niet alleen de boeren die enkel klagen;
-het zijn alle kolonisten.
-
-„De Compagnie is niet in staat ons met iets te helpen, en het is niet
-billijk dat zij uit ons leeft, en ons steeds meer en meer belast”.
-
-„Maar zal het houden van vergaderingen van eenig nut zijn, mijnheer
-Smuts”, viel hier Jan van Eck in; „vreest gij niet dat de
-Commissarissen, die de macht in handen hebben, al uwe protesten in den
-wind zullen slaan, en op den koop toe u uitlachen?”
-
-„In alle gevallen hebben wij dan toch onze stem doen hooren, en komen
-de verdere gevolgen voor rekening van degenen die onze waarschuwingen
-in den wind hebben geslagen” merkte de heer Baumgardt aan.
-
-„En zoudt u mij misschien kunnen zeggen wat die gevolgen zullen wezen?”
-vroeg Van Eck, op droogen toon.
-
-„Wel, eerstens zal de ontevredenheid daardoor vermeerderen,” antwoordde
-de heer van Reenen, instede van den heer Baumgardt, aan wien de vraag
-gericht was.
-
-„Dat zal weinig baten, die toenemende ontevredenheid”, ging van Eck
-voort; „met mompelen en morren is men nooit veel verder gekomen in deze
-wereld, vooral niet waar men met eene regeering te doen heeft, die de
-baas is. In Frankrijk heeft men gemompeld van af het jaar 1690 tot aan
-1789, en wat hielp het? De lasten werden steeds zwaarder: en eerst toen
-men begon te handelen en de verrotte regeering van den troon stiet, is
-men een beter tijdperk ingetreden. Men kan in deze wereld slechts
-geweld met geweld keeren, en macht slechts door macht tot zijn plicht
-brengen. Als een volk zichzelve niet helpt, behoeft het niet te rekenen
-op verbetering van zijnen toestand”.
-
-„Wilt gij daarmede te kennen geven, mijnheer Van Eck, dat de kolonisten
-tot maatregelen van geweld moeten overgaan?” vroeg de heer Baumgardt op
-veelbeteekenende wijze.
-
-„Ik weet niet wat gij juist met het woord geweld bedoeld” luidde het
-kalme antwoord van den heer Van Eck, „maar wat ik meen is dit, dat het
-volk rondborstig moest verklaren dat het niet langer de autoriteit van
-Jan Compagnie, en diens afpersingen wil verdragen, en besluit om zich
-zelven te regeeren.”
-
-„Maar dat zou rebellie wezen, en de man die dat begint is des doods
-schuldig volgens de wetten des lands”, viel de heer Van Reenen driftig
-in.
-
-„Die kans behoort elk vrijheidslievend volk te staan; die kans bestond
-ook voor den man die de onafhankelijkheid van de Vereenigde Provinciën
-heeft gegrondvest; die kans bestond ook voor George Washington; maar
-toch hebben die mannen zich niet laten afschrikken door dien kans; zij
-hebben hun werk gedaan, als het ware met het zwaard boven het hoofd, en
-hunne namen staan voor eeuwig op de geschiedenisrollen gegraveerd”
-antwoordde Van Eck op ernstige wijze.
-
-„Mijnheer Van Eck, ik erken dat er verandering noodig is in den
-toestand van zaken, en persoonlijk zou ik niets liever zien dan dat het
-bestuur der Compagnie ophield alhier te bestaan; en tot zoo ver zal ik
-met u zamen gaan; maar om te spreken van eene eigene regeering, en van
-afscheiding van ons vaderland, dat keur ik ten stelligste af, en het
-zou mij spijten als er velen waren die dachten zooals u.”
-
-„Er zijn er meer dan gij wel denkt”, viel Van Eck den heer Smuts, die
-dit zeide in de rede, „alleen zij durven het niet zeggen, maar ik voor
-mij wil de waarheid niet achter stoelen en banken wegsteken”.
-
-De heer Smuts keek den vinnigen Van Eck een oogenblik zwijgend aan en
-vervolgde toen:
-
-„Wat ik echter als eene oplossing van de kwestie zou beschouwen, is dat
-de Compagnie het bestuur over deze landen overgeve aan de Staten
-Generaal, zoodat wij onze grieven direct voor de Hoog Mogenden kunnen
-brengen, en niet behoeven te dansen naar de pijpen van een aantal
-kooplieden, die geen ander oogmerk hebben dan om hunne eigene zakken op
-de snelst mogelijke wijze te vullen, en alles uit dat oogpunt
-beschouwen.”
-
-„Dat zou slechts een verwisseling van naam zijn, en daardoor zou het
-volk niets meer te zeggen krijgen,” gaf de heer Van Eck op spottenden
-toon te kennen.
-
-„Wij weten, mijn waarde vriend, dat gij een vurig patriot zijt, doch
-uwe revolutionaire ideeën loopen soms te snel met u weg”, zeide de heer
-Baumgardt.
-
-„Wel, ik ben, Gode zij dank, niet meer in dienst van de Compagnie of
-van eenige regeering, en dat geeft mij meer vrijheid van spreken, en ik
-houd vol, dat het volk dat de souvereine macht toekomt, sinds de
-schepping der dagen, zijne billijke rechten moet hebben, en hoe langer
-die er aan onthouden worden, des te gevaarlijker voor de regeerders”.
-
-Met deze woorden wendde Van Eck zich tot een tiental of twaalftal
-mannen, die intusschen zich bij het groepje hadden gevoegd, en juist de
-laatste woorden van den spreker hadden gehoord. „Heb ik recht?” vroeg
-hij aan deze personen.
-
-„Welzeker, mijnheer Van Eck”, riep een der bijstanders uit „het volk
-moet zijn rechten hebben. en wij zullen ze ook krijgen, als zij die de
-voormannen van het land en onze natuurlijke leiders zijn, hun plicht
-willen doen”.
-
-Er waren heel wat teekenen van bijval na deze korte, krachtige
-aanmerking, en Van Eck zeide veelbeteekenend tot den heer Smuts: „Wel,
-heb ik het u niet gezegd?” Hij wilde toen blijkbaar nog iets meer
-zeggen, doch de heer Van Reenen nam hem onder den arm, en ging met hem
-een klein eindje op zijde, waar hij hem als volgt toesprak:
-
-„Mijnheer Van Eck, u weet dat ik uw vriend ben, en dat in een aantal
-zaken mijne opinie met de uwe overeenkomt. Maar ik bid u, snoer u den
-mond wat. De bevolking is al opgewonden genoeg, en als gij nu de
-burgers aanhitst om dolle, dwaze dingen te doen, sta ik niet voor de
-gevolgen in. Door aldus te handelen zult gij de pogingen van hen die
-het goed meenen, geheel en al verijdelen, en zult gij de regeering
-drijven tot het doen van dingen, waarvan men later spijt zal hebben”.
-
-Jan van Eck bleef eenige minuten het stilzwijgen bewaren, en scheen na
-te denken over hetgeen zijn vriend hem gezegd had; eindelijk antwoordde
-hij. „Ik zal stil blijven, Sebastiaan, maar ik zeg u privaat dat men
-heden een groote fout maakt. Gij zult met mooi praten niets uit de
-heeren Commissarissen krijgen; een hunner is alreeds een lid van het
-bestuur der Direkteuren, en de ander is niets anders dan een ledepop,
-die rondspringt zooals hem de touwtjes worden getrokken. Uit die lieden
-krijgt men niets, als men hen niet het mes op de keel zet”.
-
-„Dat mag zoo zijn. mijn waarde vriend, maar het is thans niet de tijd
-om zulks te doen. Wij moeten eerst zachte maatregelen nemen, en dan kan
-men zoo noodig, tot strengere stappen overgaan. Ik, voor mij ben
-overtuigd, dat als men ziet dat wij het ernstig meenen, men eieren voor
-zijn geld zal kiezen”.
-
-„Ik hoop zoo, mijnheer van Reenen, en om te toonen dat ik naar u wil
-luisteren, beloof ik u om niets meer te zeggen, dat de goede lieden zou
-kunnen opwinden”.
-
-Middelerwijl was de menigte op de Parade zeer in aantal toegenomen, en
-maakte zij geen onaardige vertooning. Tusschen de vrij deftige
-stadbewoners, die in rok en driekanten hoed tegenwoordig waren, zag men
-de lieden uit Koeberg en Zwartland, ja zelfs waren er eenige uit de
-Paarl, en van Klapmuts en omstreken. Deze boeren waren veel eenvoudiger
-gekleed, en hadden baatjes aan van ruw materiaal, een enkel, die tot
-den meer nederigen stand behoorde, was zelfs in vel kleederen, die wel
-keurig netjes gemaakt waren, maar toch erg afstaken bij de gegaloneerde
-rokken der voorname Kapenaars; toch waren zij er niet minder
-schilderachtig om. Breed gerande hoeden, bijna gelijk aan die welke men
-nog kort geleden in de Transvaal zag, vormden het hoofddeksel deze
-boeren, en menige hoed was versierd met een struisvogelveer, of zelfs
-met de vlerk van de wilde pauw. Schoon allen zich zeer ordelijk
-gedroegen, werden er toch in en onder de verschillende groepjes uiterst
-levendige gesprekken gevoerd, en hier en daar hoorde men uitdrukkingen,
-die bewezen hoezeer men Jan Compagnie en zijne plakkaten moede was.
-
-Daar luidde een bel, of klok, het teeken dat de vergadering zou gaan
-beginnen, en nu vormde men een grooten halve cirkel om een soort van
-spreekgestoelte of platform (zooals men het nu op het Engelsch aan de
-Kaap noemt), dat in der haast was gevormd van eenige balken en kisten,
-en dat zoowat een voet of vier zich boven den beganen grond verhief. De
-heer Jan Smuts beklom de tribune het eerst, verzocht stilte, en stelde
-toen voor dat „burger Hendrik de Wet tot voorzitter zou worden
-gekozen”, wat met acclamatie werd aangenomen. De heer De Wet, een
-krachtig gebouwd man van omtrent vijf en veertig jaren, die tot de
-meest geziene mannen der Kolonie behoorde, nam toen plaats op een
-groote leuningstoel die op de tribune stond en daarna opstaande, stelde
-hij voor dat men den heer Eduard Bergh zou verzoeken, als secretaris
-dienst te doen; dit insgelijks aangenomen zijnde, ging de heer Bergh op
-een stoel naast den voorzitter zitten, en maakte van een houten kist
-zijn schrijftafeltje, terwijl een inktkoker, wat papier, en eenige
-ganzepennen, in een oogenblik werden verschaft uit een winkel die op de
-Keizersgracht stond.
-
-Zoodra deze noodige voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen,
-hield de heer De Wet een korte, maar krachtige aanspraak, waarin hij de
-vergadering vertelde van de aankomst der Commissarissen Nederburgh en
-Frykenius, en de van deze ontvangene weigering om den burgerraad te
-ontvangen als de vertegenwoordigers der kolonisten.
-
-Daarop trad hij kortelijks in de voornaamste grieven der kolonisten, en
-zeide onder anderen, dat het onbillijk was om te verwachten dat de
-bewoners dezer volkplanting zouden helpen om de Oost-Indische Compagnie
-het hoofd boven water te houden. Het was waarlijk niet aan de kolonie
-te wijten dat de Compagnie er zoo slecht aan toe was; de Compagnie had
-veel geld en een nog veel grootere hoeveelheid waarde aan
-levensmiddelen uit de volkplanting gekregen, en daarentegen had men
-zeer weinig acht geslagen op de behoeften der kolonisten, doch ze doen
-zuchten onder een zwaar belastings-systeem. Er werd altijd door de
-Direkteuren en door den Politieken Raad geleuterd over de groote
-uitgaven die men in de Kaap had; maar waarvoor waren die uitgaven?
-Voornamelijk waren ze bestemd voor oorlogsmateriaal, voor soldaten, en
-verdedigingswerken, en deze waren niet zoozeer gemeend om de Kaap zelve
-te verdedigen, dan wel om de belangen der Compagnie in Oost-Indië te
-beschermen. Als men de uitgaven naging die gemaakt werden ten behoeve
-van den Kaap zelve, dan zou men dadelijk zien, dat die uitgaven heel
-wat minder waren dan hetgeen de Kolonie in belastingen opbracht. Het
-was, zeide spreker, niet recht dat de Kaap zou betalen voor het
-beschermen der andere belangen der Compagnie; het geld dat van de
-burgers werd ontvangen, behoorde gebruikt te worden om den toestand
-dier burgers te verbeteren. Dit werd niet gedaan, en dit was een der
-ergste grieven der burgerij. Als men het geld alleen in het direkte
-belang der Kolonie gebruikte, dan had men veel minder noodig dan de
-tegenwoordige opbrengst der Kolonie, en dientengevolge meende hij dat
-men de belastingen moest verminderen, en niet steeds vermeerderen,
-zooals men eenige weken geleden had getracht te doen. Dat was een deel
-der grieven die de Burgerraad voor de Commissarissen had willen
-brengen, maar deze heeren had hem niet willen hooren, en dat was
-onbillijk.
-
-De burgerraad was indertijd opgericht om de bevolking een billijk
-aandeel in het bestuur van de volkplanting te geven, en men had in alle
-tijden dien raad als een der voornaamste van het land beschouwd.
-
-Spreker kon zich nog herinneren, hoe vader Tulbagh steeds den
-Burgerraad in alle dingen van belang raadpleegde, en hun opinie inwon
-over zaken die uiteindelijk in den politieken raad werden beslist. En
-dat was recht, want in den politieken raad waren er dikwijls leden, die
-niet goed op de hoogte van de hier heerschende toestanden waren, en
-wier eenig doel was om een wit voetje te zoeken bij de heeren
-direkteuren, zoodat zij daardoor zichzelven konden bevoordeelen, en
-later hoogere betrekkingen konden krijgen. Toen men hier een man had,
-als Rijk Tulbagh die als het ware in deze Kolonie was opgegroeid, en in
-den vollen zin des woords een Kapenaar was, toen was het uitmuntend in
-de Kaap gegaan; maar die dagen waren helaas, voorbij, en nu kreeg men
-hier slechts gouverneurs, welke als gehoorzame dienaars de bevelen hun
-uit Amsterdam gezonden, moesten uitvoeren, en den moed niet hadden om
-de direkteuren terecht te wijzen, waar deze, door onbekendheid met de
-plaatselijke toestanden, grove flaters begingen. Hij, spreker zou thans
-het woord laten aan eenigen, die iets wilde zeggen, maar schoon hij
-begreep, dat men voor zijne rechten wilde opstaan, en dit dan ook
-prijzenswaardig vond, wenschte hij allen tegenwoordig op het harte te
-drukken, dat men geen heftige taal moest gebruiken, en niets moet
-zeggen dat onnoodiglijk de autoriteiten in het harnas zou kunnen jagen.
-
-Het ontbreekt ons hier aan plaats, om de zeer belangrijke aanspraken
-weer te geven, die wij in het dagboek kortelijks aangeteekend vinden,
-als op dezen dag geuit, door een aantal der voornaamste mannen der
-Kaapstad, zoowel als door verscheidene der boeren, die ongetwijfeld
-even groot belang bij de vergadering hadden, als de beste Kapenaar. Het
-waren werkelijk dan ook de boeren, die het meest klaagden, want de
-vrije handel in hunne produkten was hun nog altijd belet, en de tienden
-werden nog altijd geheven, en dat op zeer ongelijk drukkende wijze. Wij
-vinden dan ook onder de resolutiën door deze vergadering genomen, ééne
-waarin gezegd wordt, dat de tienden moesten worden afgeschaft, als
-zijnde een middeneeuwsch en onrechtvaardig recht, dat den Staat of de
-Compagnie niet meer toekwam; daarvoor wilde men eene belasting van vijf
-ten honderd stellen op alle produkten verkocht, en deze zou, naar de
-vergadering meende, vrij wat meer opleveren, als men den handel wat
-meer openstelde, en de lastige bestaande beperkingen, die de Compagnie
-een monopolie bezorgden, ophief. Een tweede besluit drong er sterk op
-aan dat men de belastingen moest verminderen, om redenen door den
-voorzitter aangegeven. Ook verzocht men in al deze zaken de medewerking
-van de inwoners der andere distrikten, die tot dat doel ook
-bijeenkomsten moesten houden. Deze besluiten waren allen gepasseerd, en
-de voorzitter was juist van meening om de vergadering te sluiten, toen
-de heer Jan van Eck, die tot nu toe enkel een bedaard toeschouwer was
-geweest, en slechts nu en dan eenige teekenen van goed- of afkeuring
-had gegeven, het woord vroeg en kreeg.
-
-„Waarde medeburgers”, zoo begon de heer Van Eck, „over het algemeen
-vereenig ik mij met hetgeen door deze vergadering besloten is, hoewel
-ik vind dat hier en daar de besluiten in te zachte bewoordingen zijn
-uitgedrukt. Het geldt hier niet de kwestie om ons zelven te overtuigen,
-want wij weten dat wij in het recht zijn; maar de zaak is dat wij de
-heeren Commissarissen, en vooral de direkteuren moeten overtuigen van
-ons goed recht, en men moet niet vergeten, dat het gesprokene woord,
-indien op papier gebracht, en dan gelezen op zes duizend mijlen
-afstands, lang niet zoo scherp klinkt, als het doet hier voor ons, die
-het uitspreken. Er moet dus wat meer peper bij, en onze uitdrukkingen
-moeten dus gekruid worden, ten einde te voorkomen dat met de lange
-overzeesche reis zij niet te veel van hunne smaak zullen verliezen, en
-onze moeite te vergeefs is. Wij zijn het volk van de Kaap, en als
-zoodanig hebben wij rechten, en de tijd is voorbij dat koningen of
-heeren ons de knie kunnen doen buigen, en ons als slaven kunnen
-behandelen. Dat is onlangs in Frankrijk bewezen, en wat daar geschied
-is, kan ook elders geschieden. Als ik om mij heen zie, dan rust mijn
-oog op een aantal lieden, de meesten waarvan afstammelingen zijn, van
-de dappere voorvaders die dit land hebben gemaakt wat het heden is; die
-gevaren en moeilijkheden hebben getrotseerd, onbekende streken hebben
-gekoloniseerd, en den wijnstok hier hebben geplant en het graan hebben
-gezaaid, in streken waar vroeger slechts het gras en het onkruid
-groeiden. Maar wie heeft de vruchten geplukt van hun zwaren arbeid?
-Niet zij, maar de Oost-Indische Compagnie. Hoe meer zij met hun zuren
-arbeid verdienden, des te zwaarder werden de belastingen, en te
-drukkender de afpersingen der ambtenaren. Op goede of slechte jaren
-werd niet gelet; men moest maar altijd betalen; op de vele rechtmatige
-klachten der burgers werd òf geen antwoord gegeven òf anders werd hun
-geantwoord dat de direkteuren geen kans zagen om de belastingen te
-verminderen. Op de gruwelijkste en onzinnigste wijze is het geld
-vermorst, en men denke slechts aan de hofhouding die de laatste
-gouverneur hier hield, en aan de bescherming door hem aan zijne
-vriendjes geschonken. Het recht werd verdraaid, en de burgers op de
-gruwelijkste manier vervolgd, zooals men gezien heeft, toen Van Lynden
-hier de Fiskaal was, bij wien men niet kon komen, tenzij men een
-welgevulde geldbuidel medebracht. Zijn dit almaal dingen die ons koud
-moeten laten, en hebben wij dan geen recht om onze stemmen met kracht
-te doen hooren en uit te roepen? Weg met al deze ongerechtigheden, die
-een gruwel in het oog des Heeren zijn.”
-
-Hier viel de heer De Wet den spreker in de rede, en herinnerde hem er
-aan dat het onverstandig was om door zulke scherpe gezegden het volk op
-te winden.
-
-„Ik wil het volk niet opwinden, mijnheer de voorzitter”, vervolgde Van
-Eck, die blijkbaar moeite had om zich te bedwingen, „maar ik wensch te
-weten wat het ons zal helpen om hier op zoetsappige wijze onze
-rechtmatige grieven te bespreken. Meent men soms dat de Commissarissen,
-of de Direkteuren, zich zullen storen aan ons, als wij beleefd met den
-hoed in de hand naar hen toekomen met verzoek om naar ons te luisteren?
-Neen, zij zullen ons uitlachen, zooals zij reeds zoo vele malen hebben
-gedaan. Wat wij moeten doen is hun toonen dat het ons meenens is, en
-wij moeten hun het mes, als het ware op de keel zetten. Daarom zal ik,
-zonder meer, een voorstel maken als volgt: „Dat deze vergadering zich
-verbindt om geene produkten meer naar de Kaapstad te brengen, alvorens
-hunne grieven verhoord zijn, en hun recht is gedaan.””
-
-Eene mompeling van goedkeuring steeg na deze woorden uit de vergaderde
-menigte op.
-
-Van Eck vervolgde bedaard: „Naar ik uit goede bronnen vernomen heb, is
-er op dit oogenblik niet meer dan voor ten hoogste drie weken aan
-levensmiddelen in de stad, en daar het bestuur voedsel noodig heeft,
-niet alleen voor zijne ambtenaren, maar ook voor de troepen, moet het,
-indien dit voorstel aangenomen wordt, binnen drie weken aan onze
-verzoeken gehoor geven, of anders van honger omkomen; en als zij dan
-toch halsstarrig willen wezen, wel .... laat ze dan maar verrekken”.
-
-Eenige der aanwezigen bespraken dit voorstel; een zeer enkele vond het
-wat te kras, maar de meesten waren van opinie, dat dit het eenig middel
-zou zijn om de Commissarissen te toonen dat men geen „spulletjes”
-maakte, en ten slotte werd het voorstel aangenomen, met een bijvoeging
-dat men de burgers uit andere plaatsen ook zou verzoeken zich aan deze
-bepaling te houden.
-
-De bezigheden waren nu afgeloopen, en de voorzitter verdaagde de
-vergadering, zeggende dat hij zoo noodig, een verdere vergadering zou
-bijeenroepen, en men dan kon beraadslagen over verdere maatregelen.
-
-Dat Jan van Eck wel voldaan naar huis ging, blijkt uit hetgeen in zijn
-dagboek staat, waar hij schrijft: „Heden heb ik een begin gemaakt; als
-de boel een beetje wil, zal men in de Kolonie binnen kort een aardig
-grapje zien”.
-
-Doch wat de dagboekschrijver in zijn rede had gezegd, bleek waar te
-zijn; de bedreiging in zijn voorstel opgesloten, hielp, vooral nadat de
-vergaderingen in Stellenbosch, Zwartland, Swellendam, en elders zich
-aansloten bij de besluiten van de Kaapstadsche burgers. Op 13 Juli
-gaven de Commissarissen de zaak gewonnen; de burgerraad werd erkend als
-de vertegenwoordiger der kolonisten, en in plaats van dreigementen te
-gebruiken, vaardigde men eene proklamatie uit, waarin men de burgers
-verzocht om de regeering met raad en daad te steunen, ten einde tot
-eene vreedzame oplossing der bestaande moeilijkheden te komen. Voor het
-oogenblik was deze proklamatie een uitmuntende zet; de Afrikaners toch
-zijn menschen, die, helaas, te goedvertrouwend zijn, en zelve eerlijk
-zijnde, ook verwachten dat anderen eerlijk tegenover hen zullen zijn;
-bovendien zijn zij gemakkelijk te leiden door zachte maatregelen, maar
-moeilijk te dwingen. De opgewondenheid bedaarde dus, en men meende dat
-er nu eene verandering ten goede zou komen. Doch het bleek spoedig, dat
-men zich bitter bedrogen had. Eenige maanden daarna vaardigden de
-heeren Nederburgh en Frykenius een edikt uit, waarin de belastingen wel
-op geheel anderen voet werden geplaatst, maar ten slotte even drukkend
-bleven als vroeger, en daarenboven hadden zij een nieuwe soort van
-belasting opgelegd, die ontzettend impopulair was, namelijk eene
-belasting op venduties, de zoogenaamde vendurechten, die meer dan een
-eeuw in deze kolonie van kracht bleven, en de regeeringen duizenden, en
-men kan zeggen millioenen van ponden hebben ingebracht.
-
-Toch waren de maatregelen door de Commissarissen genomen in zooverre
-van nut, dat voor het oogenblik het jaarlijksche te kort in de kas
-daardoor verminderd werd; doch het was de oude storie in de kolonie: De
-boer moest voor alles betalen. En ongelukkig doet hij dit van daag nog.
-Met alle onze veranderingen van regeering stelsels, is men in
-Zuid-Afrika nog altijd trouw gebleven aan de beginselen van Jan
-Compagnie; en men heeft het nog nooit zoover kunnen brengen om eene
-radikale verandering in ons belasting-stelsel te brengen, waaronder de
-druk der belastingen gelijkelijk verdeeld wordt tusschen den stedeling
-en den landbewoner.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-EEN GEWICHTIGE NACHT.
-
-
-Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de
-gebeurtenissen die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden
-aan het einde der 18de eeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij
-hier verplicht, om een aantal feiten te verzwijgen die betrekking
-hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch meer of min
-uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien
-zullen wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen
-vertellen, want om onze lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij
-zeggen, dat er genoeg in het dagboek staat, om er minstens een half
-dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor hen in
-het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in
-hun smaak mocht vallen.
-
-Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de
-Kolonie, zoowel als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij
-nog steeds lief had, al behandelde zijn moederland hem vrij
-stiefmoederlijk, plaats vond.
-
-In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet
-zagen de zaken er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer
-onvergenoegd, en de regeering beging er groote fouten met het daarheen
-zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren, zooals de heer
-Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen
-aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren
-van die streken scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en
-de geschiedenis van Zuid-Afrika heeft steeds bewezen „dat al het onheil
-komt van Exeter Hall en consorten”.
-
-In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet
-eene beweging uit die niets meer of minder was, dan een opstand.
-
-Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon
-niets uitvoeren, en werd ten slotte op beleefde maar dringende wijze
-door de burgers over de grenzen van het distrikt gezet, en reeds voor
-dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers
-kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een
-onafhankelijk bestuur had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan
-zullen, even als wij dit gedaan hebben, tot de conclusie moeten komen,
-dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid van de beide
-republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een
-belangrijke rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog
-lang zullen doen.
-
-Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar
-Swellendam, waar men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost,
-den heer Faure, en ook hier werd de landdrost weggejaagd, en vormden de
-burgers of althans een groot deel van hen, een eigen onafhankelijk
-bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt maar al te
-duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat
-bewonderaars hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend
-op de hoogte werden gehouden door de patriotten aan de Tafelbaai, en
-het zal den oplettenden lezer niet verwonderen als wij zeggen dat onze
-vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was der
-Graaff-Reinetters en Swellendammers, en hij heel wat correspondentie
-schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk der twee
-distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel
-degelijk wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een
-onbekookte hoop dolle mannen waren, als sommige geschiedschrijvers van
-Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren de denkbeelden dier voormannen
-verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat ellende bespaard
-geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde er
-dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg
-drongen, waaraan niemand had gedacht.
-
-Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten
-het dagboek begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de
-geschiedenis van Europa, en wel voornamelijk met die van Frankrijk en
-Holland. In Frankrijk was de regeering van het land steeds slechter
-geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715, en het
-volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels
-door den wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de
-geschriften van mannen als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die
-schreven omtrent de natuurlijke rechten van den mensch, en beweerden
-dat volgens de natuur alle menschen vrij waren, gelijke rechten hadden,
-en broeders van elkander waren, stond het Fransche volk in 1789 op en
-begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen waarvan nog steeds
-zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe
-maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen.
-Toen de republiek Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen
-koning en hunne koningin op het schavot hadden doen omkomen, geraakte
-Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden van Europa,
-waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter
-ongelukkiglijk gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in
-het begin van 1795 Holland binnen en veroverden dit land in korten
-tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest voor hen naar Engeland
-vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur van een
-Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek.
-
-Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te
-hebben om zich meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het
-Engelsche rijk van groote waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg
-naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen beschermen, want men
-denke er aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg
-naar de Oost dus langs de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar
-Holland een bondgenoot was van Engeland, ging het niet voor het laatste
-land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren, en
-wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig
-voordeed.
-
-Reeds op den 7den Februari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan
-van de Oost-Indische Compagnie, waarin de regeering werd gewaarschuwd
-dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en dat men zich in de
-volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige
-Europeesche natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en
-Frykenius niet meer in de Kolonie. Deze hadden in September 1793
-Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat zij als
-Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die
-toevallig in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid
-hem verplicht had om zijne betrekking in Indië neer te leggen. De naam
-van dezen ambtenaar was Abraham Josias Sluijskens, en op den 2den
-September 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was
-om de Kolonie in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te
-brengen. Bij Simonsstad, bij de Kaapstad en bij Houtsbaai werden nieuwe
-forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde
-plaats gelegd. Het laatste bericht dat Gouverneur Sluijskens uit
-Holland kreeg werd hier gebracht door de Medemblik, die op 12 April
-hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te
-Swellendam het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer
-korte verklaring van den algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons
-verhaal voortzetten.
-
-
-
-Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad
-kennen, zoo niet van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een
-der weinige oude gebouwen, die ons doen herinneren aan den ouden
-Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping bedreigd, is men er
-tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en heeft
-men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet
-juist met haar accordeert, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners
-vele herinneringen verbonden aan dat oude kasteel, aangename zoowel als
-treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat Adriaan van
-Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een
-gevangene vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het
-einde waarvan wij nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in
-Zuid-Afrika.
-
-Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de
-verbeelding) en dat op den 12den Juni van het jaar 1795. Het uur dat
-wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat of liever gezegd een
-beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote zaal
-waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die
-op koperen blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel
-waaraan gewoonlijk de vergaderingen van den politieken raad worden
-gehouden. Op het oogenblik zit de raad niet; waren wij een minuut of
-tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in
-vergadering hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden
-nauwelijks zichtbaar in het half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de
-tafel in groote stoelen met hooge leuningen, en zij schijnen in een
-ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens haren
-reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een
-geelvale kleur heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een
-langen tijd in de Oost hebben doorgebracht is niemand anders dan
-Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust om deze volkplanting
-te besturen. De andere man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens
-geheel uiterlijk den militair verraadt, en wiens gebronsd gelaat, dat
-in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel van zijn leven
-in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger
-aanziet, dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert
-Jacob Gordon, is inderdaad een man die den naam van ontdekker verdient,
-als zijnde hij de man die het eerst de groote rivier ten noorden der
-Kolonie heeft bevaren, en die den naam van Oranjerivier heeft gegeven;
-daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel
-der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te
-maken met de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van
-Afrika bewonen. Sedert iets meer dan een jaar is hij de
-opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt dus den
-tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten,
-maar in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten
-dat in dienst genomen was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar
-trad later in dienst van de Oost-Indische Compagnie, en kwam op den
-1sten Juni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert
-die dagen heeft hij heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire
-talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar
-hij is bekend als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat
-is in dagen, waar het in de Kolonie wemelt van zoogenaamde „patriotten”
-van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur
-zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie,
-want er zijn heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten
-gisteren avond is van uit Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij
-het kasteel aangekomen met een brief van den heer Jan Hendrik Brand, de
-Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur berichtte dat
-dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren
-aangekomen; dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen
-had afgezonden, doch dat deze blijkbaar door den onbekenden vijand was
-gevangen genomen, want hij was niet weder teruggekomen. De heer
-Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk den raad bijeen
-geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats
-gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de
-secunde, (de heer J. I. Rhenius), en de heeren J. J. le Sueur, W. F.
-van Reede van Oudtshoorn, en W. S. van Rijneveld. Op die vergadering
-was heel wat besproken, en had men ten slotte besloten om overal
-alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd
-worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de
-Kaapstad moesten komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt
-gij bemerken dat op Tijgerberg, alsook, reeds in de verte op de bergen
-van Stellenbosch, de vuurbakens branden om de burgers aan te toonen dat
-de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen geleden,
-dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de
-Engelschen een inval in het land deden.
-
-’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad
-pleegt over de te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog
-niet heel duidelijk uitmaken wie de vreemdelingen kunnen zijn.
-
-„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?”
-vraagt hij op veelbeteekenenden toon.
-
-Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt
-langzaam in zijn Hollandsch, dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er
-natuurlijk veel van af wie zij zijn, want dat kan een groot verschil
-maken in onze houding.”
-
-„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl
-hij den spreker met verwondering aanziet.
-
-De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor hij antwoordt: „Wel,
-de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van het Huis
-van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van
-de Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij
-zullen dan ongetwijfeld beter in staat zijn om de Kaap tegen de
-Franschen te beschermen, dan wij dit thans zouden kunnen doen met het
-handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op het eerste
-schot op den loop zal gaan.”
-
-„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets
-dat ik niet in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om
-de kolonie tot het uiterste te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook
-genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den brief van den heer Guepin,
-die wij in Februari hebben ontvangen.”
-
-„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in
-Europa gebeurd zijn,” hernam de kolonel.
-
-Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide
-hij: „Ik ben erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen
-nog heel wat te doen zijn, want dan zullen wij wel weten wie wij voor
-ons hebben. Ik wensch u dus een aangename nachtrust.”
-
-„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders
-uitschrijven, en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat
-vergunt, aangezien schrijfmateriaal hier gereed ligt. Intusschen hoop
-ik, dat UEd. wel rusten zult.”
-
-De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en
-verwijderde zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij
-zich zelven hebben hooren mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen
-wil. Waar zou hij zijne informatie hebben opgedaan?”
-
-Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich
-herinnerd hebben, dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de
-Kaapstad bevond een zekere heer Pringle, die hier was gekomen als de
-Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie, met het doel, zooals zijne
-geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie aan de Kaap
-te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel,
-of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om
-ververschingen te krijgen of de noodige reparatiën te doen, en ook was
-er reeds menig schip van de Compagnie langs de Afrikaansche kust
-gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt geen
-argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was het feit,
-dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij
-zeer vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel
-bevriend, maar toch hield hij zich meer of min op een afstand van
-dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren was hij echter op
-blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap van
-den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel
-als in dat van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den
-heer Pringle verscheidene malen genoemd, op eene wijze, die wij maar
-liever niet zullen aanhalen, maar het is duidelijk, dat Van Eck, die
-goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde en als wij
-daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen
-het Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche
-bevelhebber alhier, die reeds geruimen tijd in het vertrouwen was
-genomen door zijne regeering, eene aanbeveling zond, waarin hij eene
-belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige diensten,
-door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan
-kunnen wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van
-onze lezers overlaten. Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan.
-
-Kolonel Gordon nam na het vertrek van den Gouverneur, eenige papieren,
-en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van een halfuur of
-zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille
-Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje,
-waarop de korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie
-of gij mij wat brandewijn en warm water kunt bezorgen, korporaal”,
-luidde het bevel van den kolonel, „’t is hier zoo drommels koud dat ik
-bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal zeide dat hij zou
-zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur er
-wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te
-bezorgen, en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug,
-met leege handen, maar met een ernstig gezicht, en salueerende, en een
-stijf militaire houding aannemende, sprak hij: „Kolonel, er is bij de
-poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad, die een brief
-brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die
-verder vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het
-kasteel toegelaten te worden”.
-
-„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw
-hoorbaar voegde hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch
-recht”. „Neem den officier, en den boodschapper onder uwe strenge
-bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat
-dan den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem
-zeggen, dat ik nog hier ben in de raadkamer”.
-
-Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te
-brengen, bleef Gordon, met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd
-in diepe gedachten verzonken, en uit die overpeinzing werd hij eerst
-gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens die op het
-vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich
-in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik
-had opgezet, maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje
-had bedekt.
-
-
-
-„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen
-om boodschappers aan de leden van den raad te zenden, en ze te
-verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel te komen om eene dringende
-vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving uitschrijven”.
-
-Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een
-boodschapper onder een der soldaten te krijgen, en deze werd kort
-daarop te paard weggezonden met de door Sluijskens uitgeschrevene
-kennisgeving, ten gevolge waarvan om half drie dien morgen de raad
-weder was vergaderd.
-
-Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de
-kolonel zich even, en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de
-Engelsche officier en de boodschapper daar waren, gereed om in
-vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden. De
-Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn
-titel aanspreken, en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer,
-als gij kolonel Gordon zijt, dan heb ik hier een brief voor u”, en met
-deze woorden overhandigde hij den kolonel een blauwe enveloppe, die
-zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door den
-kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf
-aan den korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de
-raadkamer, waar de vergadering juist door den gouverneur was geopend.
-
-Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de
-bijzonderheden optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering
-plaats vond, en wij moeten ons bepalen tot een kort overzicht.
-
-Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht,
-overhandigde deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van
-Admiraal Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans
-liggende in de Simonsbaai. Drie dezer brieven waren korte beleefde
-briefjes van de directeuren der Engelsche Oost-Indische Compagnie, de
-derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal aan den
-Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op
-diens schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den
-Stadhouder had voor den gouverneur. De raad besloot dat de gouverneur
-deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet wist met welke
-intenties zulk geschiedde, en een der leden liet zich niet
-oneigenaardig uit, door te zeggen, dat het gemakkelijk gebeuren kon,
-dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip ging,
-men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden
-trof, was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de
-discussie, en daarentegen zeer afgetrokken scheen, als of zijne
-gedachten met iets geheel anders bezig waren. De gouverneur schreef
-daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad voorlas,
-en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het
-over te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als
-antwoord op den brief van den admiraal.
-
-
- Kaapstad, 12 Juni 1795.
-
- Mijnheer,
-
- Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer,
- dien UEd. gezonden heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel
- Gordon te zien, en ons zeer belangrijk nieuws mede te deelen,
- zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne
- Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der
- Republiek, zoo spijt het mij daarop te moeten antwoorden, dat het
- op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij om de Kaapstad te
- verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber
- onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed
- te zijn om mij deze depêche zoowel als uwe informatie te zenden
- door een door UEd. vertrouwd persoon.
-
-
- Ik heb de eer te zijn
-
- A. J. SLUIJSKENS.
-
-
-Toen deze brief geschreven was, werd de heer Ross, zooals de Engelsche
-officier heette, en die eigenlijk de private secretaris van den
-Admiraal was, weder in de kamer gelaten, en deed men hem eenige vragen
-omtrent den toestand in Europa, en omtrent de destinatie der vloot,
-doch deze vragen zeide de officier niet te kunnen beantwoorden daar
-zijne instructien slechts luidden om den brief zonder meer te
-overhandigen. Men begreep dan ook deze positie, en overhandigde hem het
-antwoord van den heer Sluijskens, waarop men hem ongehinderd liet gaan.
-
-Zoo liep deze vergadering van den raad af, en de zon ging juist op toen
-de leden het kasteel verlieten.
-
-Maar daarmede was de zaak nog geenszins afgeloopen. Den volgenden
-morgen kwamen in de Kaapstad aan luitenant-kolonel Mackenzie, van het
-78ste regiment van het Engelsche leger, de heer Ross, en de zeekapitein
-Hardy, en deze brachten nieuwe brieven, zoowel voor den Gouverneur, als
-voor den heer Gordon. De eerste brief aan den gouverneur was een
-gezamentlijke brief onderteekend door Admiraal Elphinstone, en Generaal
-Craig, den bevelhebber der zich aan boord bevindende Engelsche troepen,
-waarin zij eene beschrijving gaven van den toen in Europa heerschenden
-toestand, en vertelden dat Holland door de Franschen was veroverd en de
-Stadhouder naar Engeland was gevlucht, en dit was het eerste bericht
-dat men in de Kaap over het gebeurde kreeg. Toch waren de feiten in den
-brief van de Engelsche bevelhebbers niet geheel juist, want zij
-verzwegen het voorname feit, dat de Franschen met opene armen in
-Holland waren ontvangen, en dat het stadhouderschap er afgeschaft was,
-zoodat Holland thans eene republiek was, waar de Prins van Oranje
-absoluut niets meer te zeggen had. Dit zou dan ook geenszins in de
-kraam der Engelschen zijn te pas gekomen, want de tweede brief door hen
-overhandigd bevatte een bevel van den Prins van Oranje, gedateerd uit
-Kew in Engeland op den 7den Februari 1795, waarin aan den heer
-Sluijskens gelast werd om de troepen van den Koning van Engeland
-toetelaten in de forten en versterkte plaatsen in de Kolonie, en hen te
-ontvangen als vrienden, daar de Engelschen gekomen waren om de Kolonie
-te beschermen tegen een aanval door de Franschen.
-
-Men kan begrijpen, dat deze brieven heel wat consternatie in den
-Politieken Raad veroorzaakten. De leden waren allen sterk Prins gezind,
-en genegen om gehoor te geven aan de bevelen van den Stadhouder, maar
-het feit dat deze een vluchteling in Engeland was, en dat men dus niet
-wist hoever zijne macht nog strekte, was ook iets dat men in aanmerking
-moest nemen, en volgens de konstitutie van de Oost-Indische Compagnie,
-zoowel als die van Holland kon de Prins niet op eigen houtje handelen,
-zonder de direkteuren in het eene geval, of zonder de autoriteit van de
-Staten Generaal in het tweede geval. Men moest dus zeer voorzichtig
-wezen, want zoo men verkeerde stappen nam, en de zaken anders
-uitdraaiden dan men op het eerste oog meende, dan was er kans dat zij,
-die de Kolonie zoo voetstoots aan eene vreemde mogendheid hadden
-overgegeven, als verraders zouden gestraft worden, en die kans wilde
-zelfs een Gordon of een van Rijneveld niet staan, om niet te spreken
-van den gouverneur zelf, die een man was, gedetermineerd om, kome wat
-kome, zijne instruktien letterlijk te volgen. Men besloot dus, dat het
-beste zou zijn, om te trachten tijd te winnen, en om die reden zond men
-een antwoord aan de Engelsche bevelhebbers ten effekte dat men de
-Engelsche vloot zou voorzien met de noodige levensmiddelen, en dat met
-dat doel kleine ongewapende troepjes Engelschen aan land te Simonsstad
-mochten komen. Verder bedankte men de Engelschen op zeer beleefde wijze
-voor hun aanbod om de kolonie te beschermen, maar gaf hen tevens te
-kennen dat men voldoende troepen had om dit zelf te doen, maar zoo
-noodig zou men graag willen weten hoeveel man de Engelschen konden
-leveren. Deze laatste vraag, die natuurlijk met geen ander doel werd
-gedaan dan om uittevinden wat werkelijk de sterkte der Engelschen was,
-werd onbeantwoord gelaten, want inderdaad was de Engelsche macht op dat
-oogenblik vrij zwak, maar verwachtte zij elk oogenblik Generaal Clarke
-uit West-Indië met een aanzienlijke vloot, en een sterk leger.
-
-Kolonel Gordon had gestemd voor deze besluiten die op den 14den Juni
-werden genomen. Doch nauwelijks was de raad verdaagd of hij schreef den
-volgenden brief aan Admiraal Sir George Elphinstone, dien hij medegaf
-aan de drie heeren die den officieelen brief van den raad meenamen. Als
-onze lezers dien brief zorgvuldig lezen, dan zullen zij wel hun eigene
-opinie kunnen vormen, over den naam die de geschiedenis aan kolonel
-Gordon behoort te geven.
-
-
- Kaap de Goede Hoop, 14 Juni 1795.
-
- Edele Heer,
-
- Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den
- heer Scott, en door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur
- ten hoogste den ongelukkigen toestand van zaken in Holland, en heet
- u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het grootste
- genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan
- is om gezamentlijk een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht
- te ontrooven aan haren wettigen souverein, de Republiek der zeven
- vereenigde provinciën met hunnen erfstadhouder, den Prins van
- Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een eed heb
- afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd
- zijn dat ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te
- vervullen. Het spijt mij verder zeer, dat een onvergeeflijke
- misslag van den bevelhebber van ons fregat de oorzaak is geweest
- van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag ik
- er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen,
- die denken dat zij hunne geruïneerde geldzaken zullen herstellen
- door het steunen van fransche beginselen en anarchie, en door
- anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden
- medegesleept. Maar dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik
- is voorzichtigheid noodig om de zaken tot een behoorlijk einde te
- brengen.
-
- Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan
- komen om u een bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte.
- Wees echter verzekerd Sir George, dat ik onze zaak zal steunen met
- al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche denkbeelden,
- en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik
- 42 jaren lang heb gediend, mocht komen te vallen hetgeen God
- verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een Brit ben.
-
- Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot
- mijn spijt niet hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en
- verblijf verder met eerbied, enz.
-
- R. J. GORDON.
-
-
-Het ingesloten briefje van den heer Pringle luidde als volgt:
-
-
- „Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te
- verlaten, maar ik beschouw het raadzaam om te verzekeren aan
- eenigen opperbevelhebber van de Britsche macht, die hier mocht
- aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld in de
- eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men
- derhalve onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”.
-
-
- JOHN PRINGLE,
- Agent voor de edele de O. I. Compagnie van Engeland.
-
-
-Zoo werd er in Zuid-Afrika gehandeld in 1795; wij zouden graag wenschen
-te kunnen zeggen, dat in 1901 niet zoo werd gehandeld, maar ongelukkig
-heeft de geschiedenis van de laatste twee jaar bewezen dat mannen van
-Gordons soort nog niet uit dit werelddeel verdwenen zijn. De eenige
-troost, die men echter hebben kan, is, dat de geschiedenis, die in den
-loop der tijden haar oordeel velt over alle menschen, goede zoowel als
-slechte, ook over de Gordons en van Rijnevelds van heden, haar oordeel
-zal vellen, en zij dan door het nageslacht zullen worden veracht met
-die verachting, die ten slotte alle zoodanige verraders ten deel vallen
-van vijand zoowel als van vriend.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-JAN VAN ECK WORDT SOLDAAT, EN VECHT MEE.
-
-
-Het is den avond van den 6den Augustus 1795, en wij zullen u vragen,
-waarde lezers om in gedachten met ons mede te gaan naar een plek, die
-heden een der voorname badplaatsen van Zuid-Afrika is, maar op
-genoemden datum slechts een soort van visschersstatie was, waar zeer
-weinige lieden woonden. In plaats van sierlijk aangekleede heeren en
-dames, en van badwagentjes; in plaats van net gebouwde villas, die den
-indruk maken dat de bewoners menschen van goeden doen zijn, die in
-weelde leven; in plaats van dat alles dat gij heden vindt te
-Muizenberg, zien wij er op den zooeven gemelden datum een tooneel dat
-lang niet zoo vreedzaam is. Een eerste oogopslag toch bewijst ons dat
-wij in een soldatenkamp zijn, dat gedeeltelijk gelegen is op de vlakte
-aan deze zijde van het strand, maar ook gedeeltelijk in de nauwe pas,
-die gelegen is tusschen den steilen Muizenberg en de wateren van de
-Baai Fals.
-
-Wat ons echter op het eerste oog treft, is, dat het kamp zoo weinig
-versterkt schijnt, en er niet die schikkingen getroffen zijn, die wij
-tegenwoordig gewoon zijn in een soldatenkamp te vinden. Er staan
-tusschen de zee en den berg eenige kanonnen, meest van klein kaliber,
-dingetjes, die op ons, gewoon aan de gegoten reuzen van den
-tegenwoordigen tijd, den indruk maken van speelgoed; er zijn maar twee
-stukken van vier-en-twintig ponden elk; de andere zijn zeven- en
-vijfponders, wier kogels geen 1000 treden zouden halen.
-
-En hoe open en bloot staan die kanonnen, en zelfs het geheele kamp? Wij
-zijn geen generaals of geen officieren der genie, doch het schijnt ons
-toch toe, dat het heel wat beter en doelmatiger zou zijn, als dit kamp
-met een hoogen aarden wal was omringd, of ten minste die kanonnen waren
-beschut door wat aarden wallen. De man die voor den hier heerschenden
-toestand verantwoordelijk is, heeft òf geen besef van de krijgskunde,
-òf verzaakt moedwillig zijn plicht.
-
-En voor de gerieven zijner manschappen schijnt hij ook maar zeer slecht
-te zorgen. Een vijf- of zestal tenten, meest met gaten en deerlijk
-gehavend, is alles wat wij zien in den vorm van beschutting, en dit
-waarlijk in den winter, wanneer de wind hier ijskoud kan waaien, of
-zware regenbuien den armen soldaat door broek en baatje dringen. Kijk
-eens, daar hebben de manschappen, om zich zelven toch eenigszins te
-helpen, een soort van schuiling gemaakt van boschjes en wat klippen, en
-aan de opgerolde kombaarsen merken wij, dat dit hun slaapplek is. Dat
-is toch wel een beetje erg bar, vindt gij het ook niet?
-
-Buiten langs het kamp loopen er een half dozijn schildwachten op en
-neder, op half zorgelooze wijze en reeds de eerste blik doet ons zien,
-dat deze mannen niet geregelde troepen zijn, of gewoon aan krijgstucht
-en orde. Hunne lange zware roeren, de meesten waarvan ons doen
-herinneren aan de oude „sanna’s”, die zes op een pond schieten, en die
-onze gedachten doen teruggaan naar de museums, waar wij ze wel eens
-gezien hebben, dragen zij op een zorgelooze manier, en hun gang heeft
-niets militairs in zich. Wel, dat is dan ook niet te verwonderen, want
-zij zijn geen soldaten van beroep, maar de meesten hunner zijn boeren,
-eigenaars van honderden van morgen gronds, koningen op dien grond, en
-slechts gehoorzaam aan de regeering, die hen heeft opgeroepen om het
-land te verdedigen. Zij hebben het erg te kwaad met die regeering, die
-hen jaren lang heeft onderdrukt, maar toch verkiezen ze die tirannieke
-regeering boven dien van den trotschen Brit, den erfvijand hunner
-voorvaderen, den bewoner van het rijk, dat eerst groot is geworden,
-nadat het een Hollander tot koning had gehad. Niet allen echter zijn
-boeren; er zijn ook een aantal Kapenaars onder hen, mannen, die met de
-pen beter terecht kunnen dan met het zware roer, doch ook deze hebben
-niets op met het vooruitzicht, dat hun aangeboden wordt om Engelsche
-onderdanen te worden.
-
-Omtrent in het midden van het kamp staat een klein klompje mannen een
-pijp te rooken en een praatje te maken, en kijkt nu en dan in de
-richting van de Simonsbaai, waar de Engelsche vloot rustig voor anker
-ligt, en waar de Engelsche krijgsmacht sedert 29 Juni reeds in bezit is
-van Simonsstad, dat door de regeering op eenigszins vreemdsoortige
-wijze is prijs gegeven. Om u echter den toestand te laten begrijpen,
-moeten wij, voor wij luistervink gaan spelen, eene korte schets geven
-van wat er voorgevallen is, sedert wij de vergadering in het kasteel op
-12 Juni hebben bijgewoond.
-
-Op den brief van den Raad aan de Engelsche bevelhebbers, gezonden op
-14 Juni, kwam geen geschreven antwoord, maar de Engelsche generaal,
-Sir James Craig, kwam even bedaard een bezoek brengen aan de stad op
-den 18den, en had den dag daarop een lang onderhoud met den Raad,
-waarin hij hen vertelde, dat zijne instrukties waren om de Kolonie in
-bezit te nemen en in bewaring te nemen voor den Prins van Oranje, tot
-tijd en wijle deze in zijne betrekkingen zou zijn hersteld. Hij gaf
-ook in bizonderheden de voorwaarden op, waaronder hij dit zou doen, en
-beloofde onder anderen, dat er geene verandering in de wetten des lands
-zou worden gemaakt, en dat de burgers geen andere lasten zouden
-behoeven te dragen dan die, welke absoluut noodig waren voor het
-onderhoud der regeering. Daarenboven zou de handel voor allen vrij
-zijn, en de lastige bepalingen der Oost-Indische Compagnie worden
-afgeschaft. De Hollandsche troepen zouden in dienst kunnen treden van
-den koning van Engeland en door Engeland worden betaald, en die
-ambtenaren, die zulks verkozen, konden in Engelschen staatsdienst
-overgaan, met behoud van al hunne rechten. Hier werd dus door den
-Engelschen generaal juist datgene aan de burgers aangeboden, waarvoor
-deze zooveel jaren hadden gestreden, en wat zij maar nooit hadden
-kunnen verkrijgen.
-
-Het antwoord van den Politieken Raad was eene bepaalde weigering om op
-het voorstel van den Engelschman in te gaan. Wat den Raad dezen
-manmoedigen stap deed nemen, was niets meer of minder dan vrees voor
-den galg; want men was van opinie, dat er eene Fransch-Hollandsche
-vloot in aantocht was en dat deze wel spoedig de Engelschen zouden
-verjagen, en natuurlijk zouden de leden der regeering dan tot
-verantwoording hunner daden worden geroepen.
-
-De Engelsche bevelhebbers gaven nu kort achter elkander een tweetal
-proklamatiën uit, de eerste met het doel om de bevolking in het harnas
-te jagen tegen zijne regeering, en toen dit zonder effekt bleef, volgde
-er eene tweede proklamatie, waarin de aap uit de mouw kwam, daar er
-duidelijk in werd te kennen gegeven, dat de Engelsche koning niet zou
-toelaten, dat de Kaapkolonie in handen zou vallen van zijn vijand,
-Frankrijk. Deze proklamatie bedierf de zaken geheel en al voor de
-Engelschen. Eerstens besloot de Politieke Raad, die thans geen andere
-uitkomst had, om de Kolonie tot het uiterste te verdedigen, een
-besluit, dat met gejuich door de burgerij van Kaapstad werd ontvangen;
-en ten tweede bracht ze de geheele bevolking der Kolonie op de been, en
-toen de regeering eene oproeping tot de burgers richtte, werd die met
-de meeste bereidwilligheid beantwoord, zelfs door de anders zoo
-oproerige mannen van Graaff-Reinet en Swellendam, die in grooten getale
-naar de Kaapstad kwamen, om deel te nemen aan den strijd. Want men
-vergete niet, dat de meeste burgers zeer ten gunste van de Franschen
-waren en dat om verscheidene redenen. In de laatste vijf-en-twintig of
-dertig jaren waren er heel wat Fransche troepen geweest, en deze hadden
-zich zeer populair bij de bevolking gemaakt, terwijl hun aanwezigheid
-zoowel als de aankomst van verscheidene Fransche eskaders, veel geld in
-de zakken der burgers hadden gebracht, en in die dagen de kolonie tot
-een ongekende bloei geraakte. Daarbij kwam dat een groot deel der
-burgers, afstammelingen der oude Hugenoten, nog steeds een zwak hadden
-voor het geboorteland hunner voorouders en er nog veel was dat hen aan
-het zonnige Frankrijk herinnerde.
-
-De Engelschen daarentegen hadden immer in de Kolonie een slechten
-indruk gemaakt; hun hoogmoed was onverdragelijk en zij hadden er alles
-behalve den slag van zich aangenaam te maken. De historische
-herinneringen, die de Hollanders aan den naam van Engeland verbonden,
-waren niet van dien aard, dat daardoor de Engelschman in de achting van
-eenigen rechtgeaarden kolonist, die zijn moederland lief had, hoog kon
-staan, want Engeland was steeds de jaloersche mededinger van Holland
-geweest, en had grootendeels schuld aan den achteruitgang van den
-voorspoed van het moederland. „Liever Waalsch dan Engelsch” zouden de
-kolonisten dus als hun motto kunnen hebben aangenomen en zoo zij dit al
-niet met die woorden uitdrukten, zoo waren hunne gevoelens toch van
-dezen aard.
-
-Een verder gevolg van deze proklamatie was, dat de Raad zich thans
-verplicht zag om de Engelschen als vijanden te behandelen;
-levensmiddelen werden hun geweigerd en een sterke bezetting werd te
-Muizenberg geplaatst. Wat echter de positie van den Raad ten zeerste
-versterkte, was het feit, dat er op 24 Juni een Amerikaansch schip in
-Simonsbaai kwam, dat een aantal brieven en kranten aan boord had, voor
-inwoners der Kolonie. De Engelschen namen op zeer onwettige wijze bezit
-van de mail van dit schip, maar door het een of andere toeval viel toch
-een krant in handen van een der burgers, en in die krant stond eene
-kennisgeving van de regeering van Holland, waarin alle Hollanders
-ontslagen werden van hun eed van getrouwheid aan den Prins van Oranje.
-Dit maakte de positie der kolonisten en van den raad duidelijk, en men
-kon nu niet meer eenigen twijfel hebben, welken weg men moest inslaan.
-Simonsstad werd nu ontruimd en slechts enkele inwoners bleven daar,
-waarop Admiraal Elphinstone op den 9den Juli bezit der stad nam. De
-Engelschen waren echter nog niet genegen om tot direkte
-vijandelijkheden over te gaan, want hunne versterkingen waren nog niet
-aangekomen, en zij hadden een totaal gebrek aan geschut geschikt voor
-gebruik te lande, en zouden zich moeten behelpen met de zware en
-onhandelbare kanonnen der schepen, terwijl daarentegen de verdedigers
-een aanzienlijke artillerie bezaten. Op den vierden Augustus echter
-ging een officier van het Pandoeren- of Hottentot korps een verkenning
-maken in de richting van Simonsstad, en schoon veel te ver van deze
-plaats om iemand of iets te kunnen raken, beging hij de onbezonnenheid
-om een aantal schoten in de richting der stad te schieten, en dit gaf
-natuurlijk de Engelschen aanleiding om te zeggen, dat de Hollanders de
-vijandelijkheden waren begonnen.
-
-Intusschen was er te Muizenberg steeds een wacht van omtrent 200 man,
-die van tijd tot tijd door anderen werden vervangen, zoodat iedereen
-een beetje rust op zijn beurt kreeg. Er was juist op den 3den een nieuw
-klompje mannen bij Muizenberg aangekomen, en het zijn deze mannen die
-wij er op den avond van den 6den Augustus vinden. Maar nu wordt het
-waarlijk tijd dat wij eens gaan hooren wat besproken wordt door het
-groepje rookers, waarvan wij melding maakten in het begin van dit
-hoofdstuk.
-
-Er zijn er onder dit groepje eenigen die wij kennen; daar staat
-bijvoorbeeld de heer van Reenen, en niet ver van hem staat de jonge de
-Beer, de neef van Jan van Eck, en als gij goed ziet zult gij dezen
-laatsten ook herkennen, schoon de zoogenaamde uniform die hij aan heeft
-hem een vreemd uiterlijk geeft. De anderen van het groepje bestaan uit
-burgers uit alle deelen des lands; er is een de Waal van Stellenbosch,
-en een van der Bijl uit het zelfde distrikt, en naast hen staat een
-vrij jong maar flink uitziend man, die de eigenaardige uniform draagt
-van de artillerie, en wiens naam luitenant Marnitz is; ook staan er
-Veldkornet Daniel du Plessis, een reus van een kerel die aan het hoofd
-staat van een klompje der anders zoo oproerige Swellendammers, die
-echter nu niets beters verlangen dan in aanraking te komen met den zoo
-gehaten Engelschman, en die ruw uitziende man met woest groeiende
-baard, en velbaatje is Louis Botha, een Graaff-Reinetter, kapitein van
-een afdeeling burgers uit zijn distrikt, die even als Du Plessis al
-lang vies is van dat hier leggen en niets doen, en die als men hem
-verlof gaf, op eigen houtje zou ondernemen om met de zijnen de
-Engelschen uit Simonsstad naar hunne schepen terug te jagen. Inderdaad
-is het gesprek dat op het oogenblik gevoerd wordt een bewijs dat er
-heel wat ontevredenheid onder de sprekers heerscht, want het is du
-Plessis die zich tot Marnitz wendende vraagt:
-
-„Maar luitenant, kunt gij mij zeggen wie eigenlijk verantwoordelijk is
-voor den toestand in het kamp, want als ik den rechten man in handen
-krijg, dan zal ik hem zijn ooren laten gonzen dat hij het niet gauw zal
-vergeten”.
-
-„Dat is een vraag die ik niet kan beantwoorden, veldkornet,” zegt de
-luitenant, „want om de waarheid te zeggen zendt men mij ook van Pontius
-naar Pilatus. Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag
-weten, hoe ik ze afschieten moet, want ze staan los in het zand, en met
-het eerste schot, zullen ze zich vastwoelen in het zand, en dan zal ik
-ze moeten laten losgraven voor ik ze weer gebruiken kan, en dat is
-nuttelooze tijdverspilling”.
-
-„Wel ik gun je je baantje luitenant”, viel hier van Reenen in, „want je
-zoudt daar met de manschappen geheel onbeschermd staan, en de eerste de
-beste goedgemikte kogel van den vijand zou jullie het leven leelijk
-zuur maken”.
-
-„Dat is ook mijne opinie”, hernam de dappere luitenant, „en toen
-kolonel Gordon eergisteren hier was, heb ik hem dit onder het oog
-gebracht, maar hij antwoordde dat het geheel onnoodig was, want dat de
-Engelsche schepen nooit dicht bij genoeg konden komen om ons hier te
-raken”.
-
-„Gordon is of een gek of een verduivelde verrader” riep hier Jan van
-Eck woedend uit, „wat weet hij van hetgeen de Engelschen kunnen doen;
-het zou ze niet veel tijd nemen om een paar zware kartouwen op eenige
-hunner grootste booten te plaatsen, en daarmede uw heele batterij uit
-elkaar te schieten, als gij geen betere bedekking krijgt. Een paar zes
-voet hooge wallen waren toch gemakkelijk opgeworpen”.
-
-„Als iemand de Baai Fals kent, dan geloof ik dat ik zulks doe”, zeide
-van Reenen opnieuw, „en je kunt met mijn komplimenten aan den kolonel
-vertellen luitenant, dat als de Engelschen een beetje snugger zijn, zij
-met hunne brikken zoo nabij kunnen komen, dat zij het heele kamp zooals
-het staat, plat kunnen schieten”.
-
-„Dat ze de baai kennen, daar is geen twijfel aan”, sprak de heer de
-Waal, „want reeds sedert den 20sten van de vorige maand zijn zij aan
-het peilen geweest, en toen ik hier voorverleden week de wacht hield
-met mijn kompagnie, heb ik ze zelf gezien, en kwamen ze zoo dicht bij
-het strand voor ons, dat ik ze wel met klippen had kunnen raak gooien”.
-
-„En hebt gij dit dan niet aan den kolonel gerapporteerd?” vroeg Van Eck
-op een toon van verbazing.
-
-„Welzeker deed ik zulks, maar de kolonel antwoordde dat wij de
-Engelschen niet konden beletten om in de baai rondtezeilen, en diepten
-te peilen. Zij waren nog niet onze vijanden”, antwoordde de luitenant.
-
-„Wel, de kolonel mag denken wat hij wil, maar onze vrienden zijn de
-Engelschen zeker niet, en dat zijn zij nooit geweest van af de dagen
-van Koning Eduard den Eersten. En wat men ook zeggen mag zal de
-Engelschman altijd de vloek voor ons land blijven”, merkte Van Eck op
-zijn bitsige manier aan.
-
-„Maar er is nog een ander ding waar ik van wil praten”, viel Du Plessis
-in; „waarom moeten mijne burgers hier in de opene lucht liggen, en in
-deze koude nachten allerlei ongemak uitstaan? Dit is niet een manier om
-een ordentelijk mensch te behandelen, en als er van mijn mannen huis
-toe gaan, dan moet de gouverneur niet klagen; ze beginnen nu al leelijk
-te brommen, en ik kan ze waarachtig geen ongelijk geven. Wie moet naar
-die dingen zien, luitenant?”
-
-„Daarover moet gij u tot den kolonel of tot majoor De Lille wenden”,
-was het korte antwoord van den luitenant, die daarop groetend
-vervolgde. „Ik moet nog eens de ronde gaan maken, en orders geven
-omtrent de wachten, en groet u dus heeren”, en met deze woorden verliet
-de militair het groepje.
-
-„Dat is een flinke kerel”, merkte de heer Van Reenen aan, op den
-wegstappenden luitenant wijzende, „als hij het bevel over de zaken had
-in plaats van Gordon, dan zouden de zaken er beter uitzien.”
-
-„Dat geloof ik ook”, hernam Van Eck, „en wat de kolonel aangaat zoo
-moest men hem doodeenvoudig een kogel door den kop jagen. Hij is niets
-anders dan een verrader naar mijn opinie”.
-
-Het gesprek had misschien een ernstige wending kunnen nemen, als op dat
-oogenblik niet het geschetter van een trompet gehoord werd, het teeken
-dat de wachten aantreden moesten, en daar verscheidene der
-tegenwoordigen een deel van den wacht voor den nacht uitmaakten, ging
-het groepje uitelkaar. Van Eck, die echter niet op de wacht moest, ging
-met veldkornet Botha naar diens vuur, en bleef daar de rest van den
-avond, alle mogelijke informatie inwinnende omtrent den toestand op de
-oostelijke grensdistrikten der kolonie, en het was bijna tien uur, toen
-hij zich ter ruste begaf naar de tent die hij met den heer Van Reenen
-en eenige andere burgers van de Kaapstad deelde, en dan was die tent
-nog niet eens verschaft door de regeering, maar het privaat eigendom
-van den heer Van Reenen zelf.
-
-Den volgenden dag was alles zoover rustig in het kamp te Muizenberg, en
-men zag slechts een klein troepje der Stellenbosche burgers, die bezig
-waren om hunne goederen optepakken, daar zij dien dag zouden worden
-afgelost door een honderdtal nieuwe manschappen die den vorigen dag te
-Kaapstad waren aangekomen en heden in het kamp werden verwacht. Met het
-vooruitzicht van weder naar huis en haard te kunnen terugkeeren, nadat
-zij er bijna een maand van weg waren geweest, waren de Stellenbosschers
-zeer opgeruimd, en menige scherts werd gewisseld onder elkaar, zoowel
-als met de andere burgers, die nog moesten blijven. Het was omtrent één
-uur na den middag dat de honderd nieuwe Stellenbosschers het kamp
-bereikten, en door den kommandeerenden officier Kolonel De Lille werden
-geïnspekteerd, terwijl de burgers die naar hunne woningen zouden
-teruggaan zich gereed maakten om over een uur te vertrekken, en de
-paarden reeds uit het veld waren gehaald. Doch terwijl de kolonel nog
-met de inspektie bezig was, kwam een van de wacht die bij Kalkbaai
-stond hard aangeloopen, en bracht het bericht dat de Engelsche schepen
-zich in beweging hadden gezet en blijkbaar op Muizenberg afzeilden. De
-Lille was bij het hooren van dit bericht niet genegen om er veel waarde
-aan te hechten, want de Engelsche schepen hadden reeds de drie laatste
-dagen in de Baai Fals heen en weer gekruist; doch een kwartier later
-kwam een tweede boodschapper van Kalkbaai het bericht brengen dat er
-eene groote kolonne Engelsche soldaten uit Simonsstad rukte, en zich in
-de richting van Muizenberg bewoog. Dit was een duidelijk teeken dat de
-Engelschen iets in het schild voerden, en De Lille gaf orders dat men
-het kamp zou strijken en zich voor den strijd gereed maken. Zelf ging
-hij met zijn 200 man van het Nationale bataljon eene positie opnemen
-nabij het strand, juist waar de weg door de nauwe poort tusschen de zee
-en den berg ging, en waar een elftal stukken stonden die dezen weg
-moesten verdedigen. Luitenant Marnitz, die het bevel over de geheele
-artillerie had, stond natuurlijk met zijne manschappen bij zijne
-stukken, gereed om zijn plicht te doen. Maar De Lille scheen geheel
-vergeten te hebben dat er nog 300 burgers, en 150 der Hottentot
-soldaten in het kamp waren, want hij gaf hoegenaamd geen orders omtrent
-de positie die deze mannen moesten opnemen, en het gevolg was, dat er
-geen geringe verwarring ontstond, en elke officier zich verplicht vond
-om op zijn eigen houtje te handelen, zoodat er hier een klompje burgers
-stonden, en wat verder een ander klompje, en daartusschen de pandoers,
-die ook allen te paard waren, zich hadden opgesteld onder bevel van hun
-kommandant Cloete.
-
-De Lille had blijkbaar verwacht dat de beweging der schepen slechts een
-manoevre der Engelschen was om de aandacht af te leiden van de
-naderende kolonne voetvolk. Doch het bleek spoedig dat hij zich hierin
-deerlijk had vergist, want de vier Engelsche schepen, die in dien
-tusschentijd tot vlak tegenover Muizenberg waren genaderd, openden
-plotseling een hevig vuur op het kamp. De verwarring die nu onder het
-koloniale leger ontstond was onbeschrijfelijk, maar toch had een
-bekwaam en dapper bevelhebber de positie nog kunnen redden. De Lille
-was echter noch bekwaam noch dapper; integendeel hij bleek of een
-lafaard of een verrader te zijn, want nauwelijks was de eerste kogel
-der Engelsche schepen in den grond geslagen of de bevelhebber wendde
-zijn paard, en ging ijlings op de vlucht, gevolgd door het Nationale
-bataljon, en zelfs een deel der artillerie liet zich in den vaart
-meeslepen. Luitenant Marnitz echter bleef met het restant der zijnen op
-zijn post, en begon dadelijk het vuur der Engelschen te beantwoorden
-met de twee zware 24 ponders, een werk waarin hij met heel wat bezwaren
-te kampen had, want daar de kanonnen los in het zand stonden, raakten
-zij met elk schot vast en moesten daar uitgegraven worden en opnieuw
-gericht. Maar dit alles liet Marnitz geenszins den moed verliezen, en
-hij bleef zich verdedigen. Toen de burgers de geregelde troepen, die
-als het ware de kern van het leger vormden, aldus op de vlucht zagen
-gaan, met de kolonel De Lille voorop, geraakten ook zij aan het wijken,
-en toen eenige der vijandelijke kogels in hun midden sloegen,
-retireerden zij zoo snel mogelijk om uit het bereik dier moorddadige
-werktuigen te komen. Zij gingen in de richting van het tegenwoordige
-Tokai, dat is juist om de punt van den berg, maar toen zij buiten schot
-waren hielden zij stand met het doel om zich te verweren tegen het
-voetvolk, als dit aan kwam. De Lille daarentegen hield met de zijnen
-niet op met vluchten, maar vervolgde hals over kop zijn weg naar de
-Dieprivier, waar hij toch eindelijk tot zijn verhaal scheen te komen,
-maar zonder dat hij het minste denkbeeld had wat er van de verdere
-strijdmacht was geworden, en zich zeker niet bekommerende over hen.
-
-Luitenant Marnitz weerde zich zoo goed hij kon, en bracht de Engelsche
-schepen heel wat schade toe, schoon hij hen natuurlijk niet het zwijgen
-kon opleggen. Toen echter de Engelsche voet-kolonne de engte had
-bereikt, en de vijand zich gereed maakte om de batterij te bestormen,
-zag de luitenant dat zijne positie hopeloos was, en dat er niets anders
-voor hem opzat dan om terug te trekken. In zijn hart vloekende op den
-lafaard die hem in een dusdanigen positie had gebracht, gaf Marnitz
-bevel tot den terugtocht, daarop vuurde hij nog een schot op den
-aanrukkenden vijand, en vernagelde toen eigenhandig de twee 24 ponders,
-en de andere kleine kanonnen, om ze onbruikbaar voor de Engelschen te
-maken, en eerst toen trok hij met vijf veldstukken terug. Het Engelsche
-voetvolk rukte nu de engte door, en trok om de punt van den berg. Doch
-hier liepen zij, om zoo te zeggen in de armen der burgers die hen met
-een geweldig vuur ontvingen, terwijl ook Marnitz met een paar kanonnen
-hier eene positie had opgenomen. Het Engelsche 78ste regiment liep hen
-echter met de bajonet storm, en tegen die wijze van oorlogvoeren waren
-de burgers niet opgewassen, zoodat zij weken. Kapitein Kemper van de
-artillerie, die met een deel van de kanonnen om de Zandvlei was
-getrokken, bemerkte in welke netelige positie de burgers waren, en
-opende van waar hij stond zulk een hevig vuur op de aanvallers, dat de
-Engelschen, nu van twee kanten beschoten, terug deinsden naar
-Muizenberg, en den strijd voor dien dag opgaven. De avond was toen
-reeds aan het vallen; het kamp der Kolonialen was in handen van den
-vijand; er kon dus niets meer door de burgers worden gedaan. Treurig,
-en daarbij niet weinig kwaad over de slechte leiding die zij gehad
-hadden, en wat ronduit het verraad van Lille werd genoemd, legerden de
-burgers zich in kleine troepjes hier en daar op de Kaapsche vlakte
-tusschen het tegenwoordige Retreat en Tokai, en brachten den nacht in
-de opene lucht door, terwijl ze zorgden dat er behoorlijk wachten
-werden uitgezet om eene verrassing door den vijand te voorkomen.
-
-Den volgenden dag scheen De Lille wat bijgekomen te zijn van zijn
-schrik, en trok hij behoedzaam met een kleine kolonne zijner troepen
-naar Zandvlei, doch de Engelschen hadden zijne beweging bespeurd, en
-een vrij sterke macht van Engelsche infanterie, vergezeld van een
-klompje mariniers vielen hem aan. De dappere(?) De Lille wachtte dezen
-aanval niet af, maar vluchtte hals over kop naar Dieprivier terug, en
-liet zich den geheelen dag niet meer zien. De burgers hadden echter een
-beter plan beraamd; zij hadden namelijk de Engelsche kolonne zien
-aankomen en verscholen zich daarop tusschen eenige hooge zandduinen die
-in de buurt waren, en in den weg lagen die de Engelschen volgden in hun
-nazetten van De Lille. Op het rechte tijdstip openden de burgers een
-heftig vuur op de niets vermoedende Britten met het gevolg dat deze
-door den schrik werden bevangen en ijlings op de vlucht sloegen. De
-burgers zetten den vijand dadelijk achterna en misschien zou het hun
-gelukt zijn om hun kamp van gisteren weder te bemachtigen, ware het
-niet dat de Engelschen de door luitenant Marnitz vernagelde kanonnen
-weder in orde gebracht hadden en daardoor in staat gesteld waren om de
-burgers, toen deze het kamp naderden met geschutvuur te ontvangen,
-waartegen de laatsten niet waren opgewassen. Dezen toch hadden geene
-kanonnen, daar luitenant Marnitz van zijn kommandeerenden officier, De
-Lille, bevel had ontvangen om zich terug te trekken naar Wijnberg, waar
-De Lille ook een kamp betrok, na de burgers op de aller lafhartigste
-wijze aan hun lot te hebben overgelaten. Onder zulke omstandigheden
-bleef er voor de arme burgers ook niets anders over dan om zijn
-voorbeeld te volgen en ook naar Wijnberg te trekken.
-
-Dienzelfden avond was er in het kamp te Wijnberg een ontzettend
-spektakel. De burgers zochten den man die hen zoo schandelijk verraden
-had, in handen te krijgen, maar De Lille had blijkbaar zoo iets
-voorzien, en had zich uit de voeten gemaakt, schuiling zoekend bij het
-Kasteel. Doch de burger officieren waren niet van plan om deze zaak op
-zulke wijze te laten doodloopen, en nog dien zelfden avond trokken zij
-een verzoekschrift aan den Gouverneur op, waarin zij De Lille openlijk
-van verraad beschuldigden, en verzochten dat hij voor een krijgsraad
-zou terecht staan. Dit dokument werd namens de burgers door de
-officieren Botha, Loubser, De Waal, Van der Bijl, Goosen, Hoffman, en
-Mulder onderteekend. Het gevolg was, dat de Gouverneur zich wel
-verplicht vond om aan dit verzoek gehoor te geven, en op den 10den
-Augustus werd De Lille gevangen genomen, en werd het bevel van het kamp
-te Wijnberg opgedragen aan den kapitein van Baalen, een man, die schoon
-geen groot krijgsman zijnde, toch door een ieder als een eerlijk en
-dapper man werd beschouwd. Eenige dagen later kwam De Lille voor een
-krijgsraad, die, om wel te vermoedene redenen hem vrijsprak, doch de
-bevolking was zoo op hem gebeten, dat de autoriteiten verplicht waren
-om hem onder verzekerde bewaring te houden, uit vrees dat men hem het
-leven mocht benemen.
-
-Jan van Eck was een dergenen geweest, die dapper tegenstand had geboden
-aan de Engelschen op den eersten dag, en hij was ook den tweeden dag in
-het heetst van het gevecht geweest, want een lafaard wilde de brave
-burger niet genoemd worden. Geheel ongedeerd kwam hij niet uit den
-strijd, want op den tweeden dag werd hij door een geweerkogel licht aan
-den arm gewond, en schoon de wond slechts een schram was, noodzaakte
-die hem toch om eenige dagen lang zijn arm in een doek te dragen,
-zoodat hij geen dienst kon doen. Dat hij woedend was op De Lille, op
-Gordon, die al die dagen lang nooit zich hadden laten zien in het kamp,
-laat zich gemakkelijk verstaan, en in het dagboek vinden wij dan ook de
-bitterste uitdrukkingen omtrent de „verraders, die deze kolonie in de
-handen van de Engelschen spelen.”
-
-Maar de zaken gingen later nog slechter, toen op den 4den September de
-Engelschen eene aanmerkelijke versterking kregen en heel wat geschut,
-zoodat zij in staat waren om krachtiger op te treden en inderdaad rukte
-op den 14den van die maand het geheele Engelsche leger van Muizenberg
-naar Kaapstad op. Een korten tijd lang weerden de burgers zich dapper
-tegen den viermaal sterkeren vijand, doch zij werden niet behoorlijk
-aangevoerd, en toen het onmogelijk bleek om den vijand te keeren,
-trokken de meeste burgers, moede van het verraad, dat naar hun meening
-gepleegd was door allen, die iets in het bestuur der kolonie te zeggen
-hadden, de Kaapsche vlakte in en begaven zich naar hunne plaatsen. De
-Kaapsche burgers, en daaronder onzen vriend Jan van Eck, trokken naar
-de Kaapstad, en men kan zich verbeelden, dat het hart van onzen vriend
-bloedde, als hij dacht aan hetgeen thans het onvermijdelijke scheen.
-
-Dienzelfden nacht kwam op het kasteel te Kaapstad de Politieke Raad bij
-elkander en werd besloten tot het laatste bedrijf van het droevige
-drama. Gordon was op deze vergadering niet tegenwoordig, en de heer Van
-Rheede van Oudtshoorn (eere zij zijn naam) stemde tegen het genomen
-besluit; alle andere leden waren echter van opinie, dat eene verdere
-verdediging van de kolonie onmogelijk was, en dat men zich moest
-overgeven.
-
-Op den 16den September 1795, des namiddags om drie uur, woei de
-Britsche vlag voor het eerst op het kasteel van Kaapstad. Het rijk van
-Jan Compagnie in Zuid-Afrika was gevallen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-HET EERSTE ENGELSCHE TIJDPERK.
-
-
-Wij zijn nu aan een deel van het dagboek gekomen, dat ongelukkiglijk
-geheel uit zijn verband is gerukt. Er mankeeren een aantal pagina’s,
-andere deelen zijn weer onleesbaar, en een gedeelte is gevuld met
-aanmerkingen en bespiegelingen van den heer Van Eck, die in menig
-opzicht veel waars en interessants bevatten, doch de publikatie waarvan
-wegens een aantal redenen niet wenschelijk is. Want de lezer kent al
-zeker onzen vriend als een heftig man, die op punten van godsdienst,
-zoowel als van regeeringsvorm, wonderlijke denkbeelden had;
-denkbeelden, die in zijn tijd geenszins ongewoon waren en die door
-velen onzer voorouders werden aangenomen, doch die thans, òf als
-verouderd, òf als geheel onmatig worden beschouwd. De overgang van de
-18de tot de 19de eeuw, is op het gebied van des menschen geest eene
-zeer merkwaardige, en veel is er in dien tijd ontstaan, waarvan wij
-heden het rechte nog niet begrijpen, maar er waren ontegenzeggelijk te
-veel abstracte bespiegelingen opgesloten in die denkbeelden, en men
-hechtte te veel waarde aan de dikwerf zeer schoone doch onpraktische
-beschouwingen van Jean Jacques Rousseau. Wij zouden dus òf onze lezers
-vervelen met hier deze uittreksels te geven uit het dagboek, òf,
-ingeval die lezers jongelieden mochten zijn, hen bekend maken met
-ideeën, die voor hen onverstaanbaar en onverteerbaar zouden zijn; in
-beide gevallen zouden wij kwaad kunnen doen.
-
-Onder die omstandigheden is het misschien het beste om een oogenblik
-van het dagboek af te wijken en uit andere bronnen een kort overzicht
-te geven van de gebeurtenissen, die plaats vonden gedurende den tijd,
-dat de Engelschen hier hun eerste bestuur voerden, namelijk van 1795
-tot 1803. Over een der voornaamste deelen van dit tijdvak, dat, hetwelk
-betrekking heeft op den opstand te Graaff-Reinet, moeten wij zeer kort
-zijn, omdat er kans bestaat, dat wij later onze lozers die
-gebeurtenissen in een apart werk zullen verhalen.
-
-Toen de Engelschen deze kolonie door het verdrag van 13 September 1795
-in bezit kregen, naar hun voorgeven om die te bewaren voor den Prins
-van Oranje, maar in werkelijkheid met geen ander doel als om ze voor
-henzelven te behouden, was de toestand in Zuid-Afrika over het algemeen
-zeer treurig. De handel was in de Kaapstad geruïneerd, en er heerschte
-een volslagen gebrek aan kontant geld, wordende dit gebrek slechts op
-zeer ontoereikende manier verholpen door een ontzachelijke massa
-papieren geld, met gedwongen koers, die door de Hollandsche regeering
-was uitgegeven. In de buitendistrikten zag het er niet veel beter uit,
-want de boeren waren ook hard achteruitgegaan; terwijl in de
-grensdistrikten er een toestand heerschte die, voor het oogenblik
-althans, niets anders was dan eene volslagene anarchie.
-
-Het zou den Engelschen, zoo zij een volk van eene andere geaardheid
-waren geweest, dan ze werkelijk zijn, niet moeielijk zijn gevallen, om
-de kolonie dusdanig te besturen dat ze de achting en de liefde van de
-bevolking hadden gewonnen, waardoor de kolonie later in waarheid een
-der schoonste parelen der Engelsche kroon zou zijn geworden, en de
-bevolking nog loyaler, dan de Engelschen in Engeland. Maar het ligt in
-den aard van het Engelsche volk om alle nieuwigheden, en alle nieuwe
-volken, te naderen met die vooroordelen die in het Angel-Saksische ras
-ingeworteld zijn, en bovendien met verachting neder te zien op alles
-wat niet tot dat Angel-Saksische ras behoort of behoord heeft. Het is
-merkwaardig, dat de Engelsche regeering van 1795, die in 1783 zulk een
-dure ondervinding had opgedaan in den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog,
-geen betere lessen heeft getrokken uit de feiten die de oorzaak waren
-van dien krijg, die Engeland een harer voornaamste koloniën had doen
-verliezen. Maar Engeland had in 1795 die les nog niet geleerd, en het
-is misschien zeer de vraag of ze die les zelfs nu al kent.
-
-De Engelschen waren ten tijde van hun aankomst alhier in 1795 alles
-behalve populair bij de Kaapsche kolonisten; en aan den anderen kant
-bleek maar al te spoedig welk eene verachting de Engelschen hadden voor
-den Zuid-Afrikaanschen boer, dien zij afschilderden als dom, lui, wreed
-tegenover zijne kleurlingen, oneerlijk, en lafhartig; en dat
-ongelukkige en onware oordeel, dat toen gevormd werd, is later niet
-veel veranderd, schoon John Bull gelegenheid genoeg had om dat oordeel
-te kunnen wijzigen door ondervindingen.
-
-Een van de eerste daden der nieuwe regeering was om de harten der
-inwoners te trachten te winnen door het voorspiegelen der groote
-voordeelen die zij zouden genieten onder Engelsch bestuur, dat hun
-vrijen handel zou toestaan, en hun geen nieuwe belastingen zou
-opleggen, en tevens voor alles dat gekocht werd in klinkende munt zou
-betalen. Voor al die geschonkene voordeelen eischte men echter den eed
-van getrouwheid aan koning George den Derden. In werkelijkheid werd die
-eed dan ook door een groote meerderheid der bevolking afgelegd, en
-zelfs in het distrikt Swellendam onderwierp men zich vrij rustig aan de
-nieuwe regeering, en bevond men in het algemeen dat de verandering van
-regeering een weldadigen invloed had op den handel, en dat de boer er,
-wat het finantieele betreft, heel wat beter aan toe was. In het
-distrikt Graaff-Reinet ging de zaak echter niet zoo gemakkelijk en een
-zekere partij, die der vroegere patriotten, nu de Nationalen genoemd,
-begon met een eigen regeering te vormen, die aan de Engelsche regeering
-kennis gaf dat zij geen oorlog zou voeren met haar, en met ze op goede
-voet wilde verkeeren. Generaal Craig, die toen de militaire gouverneur
-was der kolonie, zond wel een gewapende macht naar Graaff-Reinet, maar
-gedroeg zich toch zoo verstandig en gematigd in de zaak, dat men
-vijandelijkheden, vermeed, en er inderdaad een soort van schikking werd
-getroffen, waarin de Graaff-Reinetters wel de Engelsche regeering
-erkenden, maar toch op vele punten hun zin kregen. De reden waarom de
-Engelsche generaal zoo bizonder inschikkelijk was is thans bekend, en
-bestond daarin dat men in Engeland nog tot geen besluit was gekomen wat
-met de kolonie te doen, en of men die bepaald en onder alle
-omstandigheden, zou annexeeren aan de Britsche kroon.
-
-In werkelijkheid werd dan ook door de Hollandsche regeering, of om
-juister te zijn door de Bataafsche Republiek eene poging gedaan om de
-kolonie te heroveren, en zond men van uit Holland eene vloot van negen
-schepen met omtrent 2000 soldaten naar de Kaap. Doch deze vloot werd
-door de Engelschen verrast in Saldanhabaai op 17 Augustus 1796, en de
-Hollandsche Admiraal Lucas moest zich zonder slag of stoot overgeven
-met al de zijnen. Kort na deze mislukte poging, gaf de Britsche
-regeering openlijk te kennen dat zij van plan was om de Kaap voor goed
-te houden als eene Britsche bezitting, en die niet terug te geven aan
-het huis van Oranje, en hierop werden nieuwe maatregelen genomen voor
-het bestuur der Kolonie. Als gouverneur aan de Kaap zond men Lord
-Macartney uit, en met diens regeering begint de treurige tijd van
-Engelsch bestuur in Zuid-Afrika. In de eerste plaats werden alle
-betrekkingen gevuld met Engelschen. Daarenboven gedroeg de gouverneur
-zich alsof hij in een veroverd en vijandig land was. Alle inwoners
-moesten een nieuwen eed afleggen aan koning George, en de geringste
-vermoeden dat iemand niet zoo loyaal was, als de gouverneur wel noodig
-beschouwde, bezorgde den betrokken persoon heel wat onaangenaamheden.
-Er waren velen der Kaapsche burgers die reeds één keer den eed aan den
-koning hadden afgelegd, en het dus onnoodig beschouwden om dien eed nog
-eens afteleggen; doch diegenen die weigerden werden spoedig door dwang
-tot eene andere zienswijze gebracht; men liet een troep dragonders zich
-bij hen inkwartieren totdat ze den eed kwamen afleggen. Mocht er iemand
-gevonden worden die verdacht werd sympathie te hebben met de beginselen
-der Fransche revolutie, dan werd hem dadelijk het leven zuur gemaakt,
-en de geschiedenis verhaalt ons hiervan het volgende aardige geval.
-
-In Augustus zou de dochter van den heer Hendrik Oostwald Eksteen van
-Bergvliet, tusschen Wijnberg en Muizenberg, in het huwelijk treden, en
-voor die gelegenheid zond de vader een aantal uitnoodigingen uit aan
-vrienden om bij de bruiloft tegenwoordig te zijn. Dit deed hij op de
-wijze zooals toen ter tijde gewoonlijk werd gedaan in Frankrijk, en hij
-was onvoorzichtig genoeg om die uitnoodigingen te adresseeren aan
-„Burger zoo en zoo, enz”. Maar op den dag van het bruiloftsfeest kreeg
-hij een aantal gasten waarop hij niet had gerekend, namelijk een
-detachement dragonders, die hun kwartier bij hem opnamen, en door den
-Gouverneur waren gezonden onder het voorwendsel dat er een oog moest
-worden gehouden op „de ontevredene en kwaadgezinde personen die op de
-bruiloft mochten tegenwoordig zijn”. De heer Eksteen ging dadelijk naar
-het Gouvernements gebouw om te protesteeren tegen deze handelwijze, en
-te kennen te geven dat hij niet de minste kwade bedoelingen had met het
-uitzenden der uitnoodigingen, maar het duurde een heele tijd voor den
-gouverneur zich vermurwde en ten laatste order gaf dat de dragonders
-terug konden komen, doch onder voorwaarde dat de heer Eksteen borgtocht
-ten bedrage van £ 1000 zou geven, ten effekte dat hij voortaan niet
-meer zulke misdadige dingen zou plegen.
-
-Het was ook kort na de aankomst van Lord Macartney, dat Engeland in
-Zuid-Afrika haar nu reeds zoo wel bekende handelspolitiek begon te
-volgen. Schoon aan de kolonisten vrije handel was beloofd, hield men
-die belofte op eene eigenaardige manier. Goederen uit Engeland konden
-vrij ingevoerd worden, maar geen goederen konden uit andere landen
-worden ingevoerd behalve dan met Engelsche schepen, en dan moesten zij
-een invoerbelasting betalen van 5 percent. Waren er bizondere
-omstandigheden die vereischten dat goederen uit andere dan Engelsche
-landen met vreemde schepen moesten worden ingevoerd, dan werd op zulke
-goederen dubbel invoerrecht geheven.
-
-Als private secretaris van Lord Macartney was hier in Zuid-Afrika
-aangekomen, een man die meer dan eenig ander Engelschman kwaad aan deze
-kolonie, en aan Zuid-Afrika in het algemeen heeft gedaan. Dit was de
-heer John Barrow, een alleszins bekwaam man, maar vol van vooroordelen,
-en maar al te zeer genegen om alle berichten die hij omtrent de
-Afrikaansche boeren vernam te gelooven zonder een onderzoek in te
-stellen of die berichten juist waren of niet. Na korten tijd hier te
-zijn geweest schreef hij een boek over de kolonie en hare bevolking,
-dat in Engeland een grooten opgang maakte, en voor een halve eeuw bijna
-het tekstboek over den toestand in Zuid-Afrika was. In dit boek worden
-de Afrikaansche boeren in de afschuwelijkste kleuren afgeschilderd, en
-ter verachting van het menschdom ten toon gespreid.
-
-Men kan begrijpen dat allen die dit boek lazen, zich een geheel
-verkeerde voorstelling vormden over dit land en zijne bewoners, en dat
-zelfs de Engelsche staatslieden er jaren lang door werden misleid. Maar
-niet alleen de staatslieden, doch ook het algemeene publiek in Engeland
-kreeg door het boek van den heer Barrow, dat een groot aantal lezers
-had, een totaal verkeerden indruk van den toestand alhier. Aan de
-werken van den heer Barrow zijn een aantal der ongelukkige misslagen
-van Engeland in Zuid-Afrika te wijten, en hij is in groote mate
-verantwoordelijk voor den haat die het publiek van Engeland gekoesterd
-heeft tegen den Afrikaanschen boer; hij en Dr. Philip, die met andere
-oogmerken, den Afrikaner ook niet weinig heeft belasterd.
-
-Lord Macartney regeerde met zulk een ijzeren hand, dat de bevolking een
-tijd lang door vrees in toom werd gehouden, en men zelfs te
-Graaff-Reinet stil bleef. Doch in 1798 was de gezondheid van den ouden
-Lord zoodanig, dat hij zich genoodzaakt zag naar Engeland
-terugtekeeren, en op 20 November verliet hij deze kusten, Generaal
-Dundas hier latende om voorloopig het bestuur voort te zetten. Dadelijk
-daarop brak de opstand in Graaff-Reinet uit, die allertreurigst afliep,
-deels omdat men geen hulp van de andere deelen der kolonie kreeg, deels
-omdat de plannen van de leiders van den opstand slecht waren
-overgelegd. Twintig der aanvoerders in den opstand werden naar de
-Kaapstad gezonden; een daarvan stierf, de andere negentien stonden voor
-hoogverraad terecht en werden tot verschillende straffen veroordeeld;
-de twee hoofdaanvoerders Marthinus Prinsloo en Adriaan van Jaarsveld
-werden ter dood veroordeeld; maar dit vonnis werd niet uitgevoerd, en
-zij werden met de anderen als gevangenen in het kasteel gehouden,
-totdat zij, bij het teruggeven der kolonie aan de Hollanders in 1803 op
-vrije voeten werden gesteld. Doch voor dien tijd was Adriaan van
-Jaarsveld in de gevangenis overleden, en werd hij dus de eerste
-martelaar van het Engelsche bestuur in Zuid-Afrika. Voor den
-geschiedschrijver en den student van onze geschiedenis is deze
-gebeurtenis van ontzettend gewicht, want daarin ligt de bron van al het
-kwaad van Zuid-Afrika, en de gevolgen van den opstand van 1799 zijn
-onberekenbaar geweest. Had Engeland voor een oogenblik kunnen gissen
-wat het straffen van die mannen haar zou kosten, dan had het zeker geen
-oogenblik geaarzeld om ze alle gratie te schenken. Toch, de Groote
-Trek, het stichten der beide republieken ten noorden van de
-Oranjerivier, en zelfs den later gevoerden ontzettenden oorlog; dat
-alles is meer of min, het directe gevolg van het feit dat in den
-opstand van 1799 de Engelschen niet met het noodige verstand te werk
-gingen, maar meenden dat zij door een exempel te maken, den
-vrijheidsgeest van den Afrikaner konden versmoren. Hoe slecht is die
-berekening uitgekomen! Er zou een boek over deze zaak en hare gevolgen
-te schrijven zijn, maar daarvoor is het hier niet de plaats, en met
-deze weinige aanmerkingen moet de lezer zich tevreden stellen, voor het
-tegenwoordige althans.
-
-Uit het dagboek blijkt maar al te duidelijk, dat Jan van Eck aan deze
-bewegingen in Graaff-Reinet volstrekt niet vreemd was, maar dat hij er
-een werkzaam aandeel aan had, schoon hij niet de wapenen opnam.
-
-Dat deel van het dagboek, dat op deze periode betrekking heeft, wordt
-gemist, maar er zijn op latere plaatsen toespelingen op hetgeen door
-hem werd gedaan, en uit een ander deel blijkt, dat Van Eck op zeer
-intiemen voet verkeerde met een zekeren Cornelis Edeman, een
-schoolmeester nabij Kaapstad, die eene korrespondentie aan den gang had
-gehouden met de oproerlingen in Graaff-Reinet, en hen tot den opstand
-had aangespoord. Deze Edeman werd door de Engelsche autoriteiten
-gevangen genomen, veroordeeld tot geeseling en verbanning uit de
-kolonie en dit vonnis is in zijn geheel uitgevoerd. Hij werd als
-bandiet naar Nieuw Zuid-Wales gebracht en stierf daar verscheidene
-jaren later.
-
-Middelerwijl was hier een nieuwe gouverneur aangekomen in den persoon
-van Sir George Younge, die op 9 December 1799 in de Tafelbaai landde,
-en die hier een allerschandaligst bestuur voerde, waarin knoeierijen
-van allerlei aard en onaangenaamheden met ambtenaren een hoofdrol
-speelden. Eén goed ding deed hij echter, en dat was het verbeteren van
-den landbouw in de kolonie. Hij had namelijk met zich samen gebracht,
-op onkosten van de Engelsche regeering, den heer William Duckitt, een
-man, die goed met alle zaken betreffende de boerderij bekend was, en
-die met behulp van eenige assistenten die met hem waren uitgekomen, een
-modelboerderij begon, eerst te Klapmuts en later in de buurt van
-Darling, en schoon het later bleek, dat de gouverneur en de heer
-Duckitt gezamentlijk speculatiën deden, valt het toch niet te
-ontkennen, dat deze laatste veel gedaan heeft om de boerderij op
-beteren voet te doen drijven in Zuid-Afrika, dan zij tot dien tijd werd
-gedaan. Het gedrag van Sir George was echter zoodanig, dat er spoedig
-klachten naar Engeland werden gezonden, en het Ministerie aldaar zich
-verplicht zag om den gouverneur terug te roepen, die dan ook op 20
-April zijne betrekking overhandigde aan generaal Dundas en negen dagen
-later deze kusten verliet. Hij werd later terecht gesteld voor eene
-commissie in Engeland, die hem schuldig vond aan eenige der
-aanklachten, waarop hij uit den staatsdienst werd ontzet.
-
-Kort na zijn vertrek brak er een krijg uit met de Kaffers op de
-Oostergrenzen, die door het Engelsche gouvernement vrij slap werd
-gevoerd, maar waarin de burgers, die opgeroepen waren, zeer dapper
-vochten onder bevel van den dapperen en bekwamen kommandant Tjaart van
-der Walt. In een gevecht met de Kaffers te Roodeval, in de buurt van de
-Zondagsrivier, verloor echter deze brave Afrikaner zijn eenigen zoon,
-en nog geen vier maanden later viel hij zelf in een gevecht bij de
-Kougarivier. Zijn dood was een onherstelbaar verlies, en de oorlog werd
-feitelijk na dien tijd opgegeven, en met de Kaffers een soort van
-opgelapte vrede gesloten, die later de kolonie ontzettend veel moeite
-en geld zou kosten, want waren de Kaffers den eersten keer behoorlijk
-ten onder gebracht en hun respekt geleerd voor den blanke, dan was
-waarschijnlijk aan Zuid-Afrika die lange reeks van kafferoorlogen
-bespaard geworden, die millioenen gelds gekost hebben, zoowel als
-duizenden van levens. Dat de Engelsche regeering nooit den rechten slag
-gehad heeft om met de kleurlingstammen van Zuid-Afrika klaar te komen,
-maar daarentegen hun inboorlingen-politiek op verkeerde grondstellingen
-werd gevoerd onder den invloed der negrophilistische partij in Engeland
-en in de kolonie, is een te wel bekende zaak, dan dat wij hier er nog
-over zouden uitweiden; doch de meer dadelijke reden waarom generaal
-Dundas dezen oorlog niet verder wilde voortzetten, was het feit, dat de
-Engelsche regeering op dat tijdstip geen lust had om een kostbaren
-oorlog te voeren, omdat het thans zeker was, dat de Kaapkolonie aan de
-Hollanders zou worden teruggegeven.
-
-Op den 1sten October van het 1801 was er namelijk vrede gemaakt
-tusschen Engeland en Frankrijk te Amiens, en een der voorwaarden waarop
-de Fransche Eerste Consul, Napoleon Bonaparte had gestaan, was, dat de
-kolonie aan de Bataafsche Republiek zou worden teruggegeven, eene
-voorwaarde die Engeland niet dan met grooten weerzin toestond. De
-Oost-Indische Compagnie was ontbonden in 1796 en voortaan zou deze
-Volkplanting dus direkt door de regeering van Holland worden bestuurd.
-Het duurde echter geruimen tijd voor de finale vrede gesloten werd,
-doch dit vond eindelijk op 27 Maart 1802 plaats, en dadelijk werden
-toen in Holland de noodige stappen genomen voor het bestuur alhier. Een
-uiterst bekwaam man, Jacob Abraham de Mist, werd aangesteld als
-Commissaris om de zaken in de Oost-Indiën, en in de Kaap op een nieuwen
-grondslag te stellen, en als Gouverneur werd benoemd Generaal Jan
-Willem Janssens, een knap krijgsman, wiens eerlijkheid boven alle
-verdenking was verheven. De Mist en Janssens kwamen op den 23sten
-December in de Tafelbaai aan, en er werd tusschen hen en Generaal
-Dundas eene schikking getroffen, volgens hetwelk de kolonie op den
-31sten zou worden overhandigd, zullende als dan de Engelsche troepen
-door de Hollandsche worden vervangen op het kasteel. Werkelijk waren
-ook op den middag van dien dag de Engelsche troepen bezig zich
-inteschepen, toen er onverwachts een schip uit Engeland aankwam, met
-orders aan Generaal Dundas om de kolonie niet te overhandigen, tenzij
-hij verdere orders uit Engeland ontving. In allerijl werden den
-Engelsche soldaten weder ontscheept, en de Hollandsche soldaten, die
-reeds geland waren, werden gezonden in een kamp nabij Rondebosch, ten
-gevolge waarvan heden nog een weg nabij die voorstad van Kaapstad, den
-naam draagt van de Campground Road.
-
-Men kan zich voorstellen dat deze tijding eene geweldige ontsteltenis
-in de Kaapstad veroorzaakte. Er heerschte voor een oogenblik een paniek
-onder de bevolking, want men had de Hollanders met groote vreugde
-ontvangen, en men vreesde dat zoo Engeland hier toch ten slotte de baas
-bleef, de personen die hun gehechtheid aan Patria hadden ten toon
-gespreid, scherp zouden worden behandeld. Er vond dus dadelijk een
-uittocht plaats uit de stad, en de toestand werd zoodanig dat Generaal
-Dundas zich verplicht zag om de krijgswet van kracht te verklaren in de
-Kaapstad, en de bevolking te beletten de stad te verlaten. De
-opgewondenheid duurde echter geruimen tijd voort, en men begreep
-natuurlijk niet wat er aan scheelde. Ten slotte kwam er op 19 Februari
-een schip op de reede van Tafelbaai aan, met het bericht dat de kolonie
-thans kon worden overhandigd, en op den 21sten Februari woei de
-Hollandsche driekleur weer vroolijk en blij van de tinne van het
-Kasteel. Ongelukkig echter zou zij daar niet zoo erg lang waaien.
-
-Het behoeft nauwelijks aan onze lezers verteld te worden dat geen man
-in Kaapstad de vlag van Holland met meer vreugde weder begroette, dan
-Jan van Eck, die thans zijn hartewensch zag vervuld. Niet alleen was
-hij den Engelschman kwijt, maar ook zou de kolonie nu worden bestuurd
-volgens de beginselen van de Fransche Republiek, die door de Bataafsche
-republiek waren aangenomen. Jan van Eck droomde dus die nacht dat de
-gouden eeuw voor Zuid-Afrika was aangebroken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-JAN VAN ECK VIERT FEEST, MAAR HOORT TOCH TIJDINGEN DIE
-HEM NIET BEVALLEN, EN DIE HEM RUZIE DOEN MAKEN.
-
-
-Onze oude vriend liet niet toe dat zijne gevoelens over de verandering,
-die in de kolonie plaats had gevonden, onbekend bleven, en wie hij ook
-op den 20sten Februari ontmoette hield hij staande om met hem een
-praatje te maken. Er waren echter eenige personen die hij zorgvuldig
-vermeed, en daaronder was de heer van Rijneveld, de man die in den
-vorigen Hollandschen tijd de Fiskaal der kolonie was geweest, en nadat
-de Engelschen dit land hadden overgenomen die betrekking bleef
-bekleeden niet alleen, maar van het grootste nut was geweest voor de
-veroveraars, die hij met zijne ongetwijfeld groote talenten had
-gediend. Dan was er Kolonel De Lille, die in den Engelschen tijd de
-Kazerne wachtmeester was geweest te Kaapstad, maar nu onder het nieuwe
-Hollandsche regiment voor kwaad geld rondliep, en van wien niemand meer
-notitie nam, en het allerminst onze vriend.
-
-De hoofdpersoon, in het verraad van 1795, Kolonel Gordon was niet meer;
-op den 5den October van dat jaar had hij zich een kogel door den kop
-gejaagd, en zich op die wijze aan de verachting zijner medemenschen
-onttrokken.
-
-Zooals wij zeiden, was Jan van Eck vroolijk en opgeruimd, zoo opgeruimd
-als hij nog in langen tijd niet was geweest, en iemand die hem niet
-goed had gekend, zou misschien wel tot de liefdelooze gevolgtrekking
-hebben kunnen komen dat Oom Jan wat te diep in het glaasje gekeken had.
-Diep in het glaasje keek hij dien dag zeker, want een extra borrel,
-zooals men dat op zee noemt, verdiende de gelegenheid wel; maar de oude
-man zorgde wel degelijk dat hij absoluut nuchter bleef, want
-dronkenschap was iets dat hij even als de meeste Afrikaners, in anderen
-haatte, en waaraan hij zich dus in geen geval schuldig maakte. Toen hij
-echter zijn oude vriend den heer Van Reenen ontmoette, en kort daarop
-den heer Eksteen, dezelfde die de ongenoode gasten op de bruiloft
-zijner dochter kreeg, toen was het geenszins een wonder dat de drie
-heeren bij een fatsoenlijke plek eens ingingen om een „bittertje” te
-gebruiken, en een oogenblik wat met elkander te praten. Zij vonden
-spoedig uit dat zij niet de eenigen waren, die zich dezen dag door wat
-zoet gekout wilden aangenaam maken; integendeel het was in het hotel
-vrij vol, maar er werd spoedig plaats gemaakt en men dronk met innigen
-dankbaarheid op het welzijn van de Republiek en van de goede zaak.
-Menige tong raakte los, en heel wat verhalen werden gedaan over hetgeen
-men geleden had onder de Engelsche regeering.
-
-„Wel”, zeide de heer van Reenen „ik kan jullie verzekeren dat we ten
-minste twee knappe mannen hier hebben; Commissaris De Mist is geen
-gewoon man, en iemand die niet alleen de beste bedoelingen heeft, maar
-daarbij denkbeelden die zijn tijd heel wat vooruit zijn en als alles
-hem gelukt, hetgeen hij voornemens is te doen, dan gaan wij werkelijk
-een gulden tijd tegemoet. Ook de Gouverneur schijnt mij een knaphandig
-man, die het goed met het land meent, en met wien onze boeren goed
-zullen klaarkomen, want hij heeft geen greintje hoogmoed”.
-
-„Dat zal een heele verlichting zijn na die Engelsche Lords en Sirs, die
-totaal ongenaakbaar waren voor onze menschen, en niets dan verachting
-voor den Afrikaner hadden”, zeide de heer Van Eck. „Maar hebt gij dan
-reeds den Commissaris en den Gouverneur gesproken?” vroeg hij verder
-aan den heer Van Reenen.
-
-„O, ja, reeds lang”, luidde het antwoord, „gij schijnt te vergeten dat
-zij hier al van December laatst zijn, en met een aantal der voornaamste
-inwoners gesprekken hebben gevoerd, ten einde informatie te bekomen.”
-
-„Is het waar,” vroeg hier de heer Eksteen, „dat Van Rijneveld zich
-heeft laten aandienen bij den heer De Mist, maar dat deze geweigerd
-heeft hem te zien?”
-
-De heer Van Reenen scheen dit niet te weten, maar een der andere
-personen die in de kamer tegenwoordig waren, riep uit:
-
-„Ja, mijnheer Eksteen, dat is de zuivere waarheid, en het geschiedde
-den schobbejak recht; zij moesten dien kerel in den tronk smijten en
-een onderzoek instellen omtrent zijn gedrag; dan schiet hij zich
-misschien ook een kogel door den kop, even als Gordon dit gedaan
-heeft.”
-
-„Neen, burger,” viel de heer Van Reenen den spreker, die wel wat
-opgewonden was, in de rede, „laat den heer van Rijneveld stil met rust,
-en zeg niet weer zulke ongepaste dingen, want eerstens zou de nieuwe
-gouverneur om den drommel niet gemakkelijk zijn als er eenig verkeerd
-ding werd gedaan, en tweedens zal de heer Van Rijneveld, zoo hij iets
-kwaad gedaan heeft, wel zijn verdiende loon krijgen.”
-
-„Als wij in Frankrijk waren, zou hij al lang aan den eersten den besten
-lantaarnpaal zijn opgehangen,” waagde Van Eck zachtjes tot Van Reenen
-te fluisteren.
-
-„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Van Reenen, „maar het gaat niet om
-deze lieden hier thans optewinden. Zij hebben al meer binnen dan wel
-goed voor hen is, en zijn juist in staat om allerlei baldadigheden te
-beginnen, en schoon ik den heer Van Rijneveld ook niet lijden mag, zou
-ik hem toch niet overgeleverd willen zien aan een woesten volkshoop, te
-meer daar zijne vrouw eene verre bloedverwante van mij is.”
-
-Men dronk nog een afscheidje, en daarop gingen de heeren van Reenen en
-Eksteen de stad in, terwijl Jan van Eck zich wendde naar Zeezicht, om
-zijne nicht Elizabeth op te zoeken. Het was bijna een jaar geleden dat
-hij haar een bezoek had gebracht, en dat wel om de volgende reden. Toen
-de Engelschen in 1795 de Kaap hadden genomen, had Hans de Beer zijne
-betrekking bij het departement van den Fiskaal verloren, en was hij in
-dienst getreden bij een koopman in de stad, die toen toevallig een
-boekhouder noodig had, en het was Van Eck geweest die dit baantje aan
-zijn neef bezorgd had, door een goed woord bij den heer Faure, zooals
-de koopman heette, te doen. Want, schoon Hans nog dikwijls heethoofdig
-was, en er niet zelden woorden plaatsvonden tusschen den oom en den
-neef, zoo was Van Eck toch op punten van familiezaken een zeer goedig
-man, en hij kon zijne nicht zeer goed lijden. In het begin van het jaar
-1802 was de heer Faure echter gestorven, en zijne weduwe wond de zaak
-op, zoodat na eenige maanden Hans de Beer weder zonder betrekking was.
-Weder was het de oude oom die moeite deed om voor hem eene geschikte
-betrekking te vinden, en het was hem inderdaad gelukt, om een plek voor
-hem te krijgen bij den heer Truter, een der meest geachte prokureurs en
-notarissen van Kaapstad, toen hij plotseling vernam dat Hans klerk was
-geworden in een der Engelsche departementen, en dat wel bij de
-Thesaurie. Het denkbeeld dat een lid zijner familie in Engelschen
-dienst was getreden, en daardoor als het ware een verrader van zijn
-land was geworden, stuitte Van Eck vreeselijk tegen de borst, en hij
-wilde het nauwelijks gelooven. Derhalve was hij naar zijne nicht
-gegaan, om zich van de waarheid te overtuigen, en bevond dat hetgeen
-men hem verteld had, geheel de waarheid was. De heer Van Eck was hier
-zoo ontstemd over, dat hij een hevige ruzie had met zijne nicht, die
-dwaas genoeg was, om de handelwijze van haar zoon te verdedigen. Het
-was een geluk misschien dat Hans de Beer zelf niet tehuis was, anders
-was er nog meer gebeurd, want als Jan van Eck eens driftig werd, dan
-ontzag hij geen mensch. Het einde van de zaak was, dat hij, na zijn
-hart op echt Hollandsche manier te hebben gelucht, het huis van zijne
-nicht verliet, zeggende dat hij er nooit weder zijn voet zou zetten, en
-inderdaad was hij sedert dien tijd niet meer op Zeezicht geweest.
-
-Doch de tijden waren nu veranderd, en Van Eck was heden in zulk een
-goed humeur, dat hij geen bezwaar had om het gebeurde te vergeten en te
-vergeven, want zooals alle menschen van een opvliegenden aard, was hij
-niet wraakzuchtig, of haatdragend. Hij stapte dus even gerust en
-bedaard den ingang van Zeezicht in, en stond spoedig op den stoep, en
-de hond, die hem in dien langen tijd niet gezien had, scheen, als de
-eerste om hem te verwelkomen, geheel in zijn schik, dat hij zijn ouden
-vriend weer zag. Toen Van Eck den zwaren klopper aan de voordeur had
-doen vallen, kwam eene slavin hem open doen, en hij werd, even alsof
-hij een vreemde bezoeker was, in de voorkamer gelaten, en dit omdat de
-meid, die nog niet lang het eigendom van Mevrouw De Beer was, hem niet
-kende. Toen zij hem echter bij nicht aangediend had, vloog de goede
-oude ziel, die haren trouwen vriend zeer had gemist, naar voren om Van
-Eck welkom te heeten, en men was spoedig op vrij goeden voet, schoon de
-oude vertrouwelijkheid niet zoo dadelijk wilde terugkomen. Terwijl zij
-aan het praten waren, kwam Annie, thans eene groote, uitgegroeide jonge
-dame, ook de kamer binnen, en groette haren „Oom” zooals zij Van Eck
-steeds noemde, zeer minzaam; hare aankomst droeg er veel bij om het
-gesprek een meer ongedwongene houding te geven, en spoedig was men aan
-het gezelzen over allerlei onderwerpen, en had Van Eck het zoo druk met
-vertellen, dat hij niet merkte dat Annie aan hare moeder herhaaldelijk
-knikjes met het hoofd gaf, net als iemand doet, wanneer hij een ander
-waarschuwt om iets toch niet te verhalen. Met al dat praten was het
-bijna twaalf uur geworden, en toen Mevrouw De Beer Van Eck vroeg of hij
-niet zou blijven eten, nam deze met genoegen de uitnoodiging aan, en
-liet nicht daarop wat wijn en bitter in brengen, want het bitter
-drinken, vooral met het zoogenaamde maagelixer, is nu juist niet een
-uitvinding der negentiende eeuw, maar onze voorouders bitterden
-gewoonlijk elken dag, kort voor het eten, zooals nu nog in Holland ook
-wordt gedaan.
-
-Even voor dat men opgeschept had, kwam Hans het huis binnen, en was
-niet weinig verwonderd om neef Jan er te zien. Het was dan ook wel op
-een beetje bedeesde wijze, dat hij hem groette, maar Van Eck stelde hem
-gerust door te zeggen, dat men maar de oude koeien niet uit de sloot
-zou halen, daar nu de volkplanting toch weer aan hare rechtmatige
-eigenaars was teruggegeven, en Hans zoo hij lust had, weer in dienst
-van het Hollandsche gouvernement kon treden. Hans zeide echter
-glimlachend, dat hij bang was dit te doen, want het scheen hem toe, dat
-de regeering in de kolonie aan zulke plotselinge veranderingen
-onderhevig was, dat men niet meer wist wie men moest dienen; vandaag
-waren het de Engelschen en morgen de Hollandschen. Hij had dus besloten
-om den staatsdienst vaarwel te zeggen, en zou liever gaan zien of hij
-niet een stuk grond of eene kleine plaats kon huren waar hij op kleine
-schaal wat boerderij kon drijven. Jan van Eck zeide dat de boerderij
-zeker een uitmuntend vak was, want niemand was zoo vrij en zoo
-onafhankelijk als een boer, maar goede plaatsen waren schaars en duur,
-tenzij Hans zou verkiezen om ergens in het oosten een stuk grond van de
-regeering op request tenemen, en dan met vee, hetzij schapen of beesten
-te boeren. Daar Hans echter verklaarde zich liefst met wijnbouw te
-zullen bezighouden, daar hij hiervan het meeste afwist, was zijn
-neef zoo goed om te zeggen dat hij eens wat navraag zou doen of een
-kleine wijnplaats in de Paarl of Stellenbosch niet verkrijgbaar was
-tegen een redelijke prijs, en dan zou hij later aan zijn jongen neef
-den uitslag van dit onderzoek mededeelen. Toen men dus aan den
-middagdisch zat, scheen het dat de eensgezindheid weder volmaakt
-hersteld was tusschen de leden der familie, en als iemand, die niet
-bekend was met het verledene, toen plotseling de kamer was
-binnengekomen, zou hij nooit hebben kunnen vermoeden, dat er nog maar
-weinige uren geleden, eene ernstige spanning had geheerscht tusschen de
-hoofdpersonen van de familie.
-
-Maar dikwijls, als het zonnetje het helderst en het warmst schijnt, dan
-is het onweer niet ver meer af, en dat werd ook in dit geval bewezen.
-Het was alweer de ongelukkige Hans die de boel verbrouwde, door
-plotseling, juist toen men klaar met eten was, aan neef Jan te vragen
-of hij het nieuws reeds had gehoord, en beide Mevrouw De Beer en Annie
-hadden niet de minste gedachte wat er zou komen, en meenden dat het
-nieuws iets was dat misschien in de stad bekend was geworden of dat
-in verband stond met de verandering van de regeering. Maar toen Van Eck
-zeide van geen nieuws te weten, kwam Hans plotseling uit met:
-
-„Wat, hebben zij u nog niet het groote nieuws verteld? Annie gaat
-trouwen met een Engelschen kapitein”.
-
-Jan van Eck was juist bezig zijn glas wijn leeg te drinken, en dit
-onverwacht bericht deed hem zoo schrikken, dat het glas hem uit de hand
-viel, en de wijn gedeeltelijk op het hagelwitte tafellaken van nicht
-Elizabeth werd gespild. Nicht bemerkte het ongeluk bijna niet, en Annie
-wierp dolken van woede naar Hans. Was het dan niet juist dit geweest,
-dat zij hare moeder door hoofdschudden en andere teekenen had beduid,
-niet aan neef moest worden verteld! Een Afrikaansch meisje van den
-ouden stempel is er niets op gesteld om haar liefdesgeschiedenissen te
-doen rondbazuinen in de wereld, en vooral niet haar verloving. Wat de
-reden van deze bedeesdheid op dit punt is, zijn wij nooit in staat
-geweest om precies uit te vinden. Waarschijnlijk vreest het meisje om
-opspraak te verwekken, zoo er iets mocht plaats vinden waardoor het
-voorgenomen huwelijk zou afspringen, en beschouwt men het als eene
-schande voor een meisje als zulk eene verloving te niet raakt, daar de
-menschen dan misschien mogen denken dat de vrijer goede redenen had om
-het af te breken, en daardoor er een blaam op het meisje zou worden
-gelegd. Zooveel is zeker dat nog thans in Zuid-Afrika ten minste onder
-onze boerenbevolking verlovingen gewoonlijk geheim worden gehouden, en
-eerst met het gaan van het eerste gebod in de kerk het publiek in
-kennis wordt gesteld van het voorgenomen huwelijk. Den vreemdeling
-treft deze handelwijze te meer, omdat in andere landen en vooral in
-Duitschland eene verloving bijna tot een even groot feest aanleiding
-geeft als de bruiloft zelve.
-
-Maar bovendien was Annie geenszins gewillig om hare verloving, onder de
-omstandigheden aan Neef Jan bekend te stellen, en dat zij daarvoor eene
-goede reden had, dat bleek spoedig. Jan van Eck was eerst zoo verbaasd,
-dat niet alleen hij zijn wijn over de tafel wierp, maar met open mond
-beurtelings zijn nicht Elizabeth, en zijne kleinnicht Annie aanzag; en
-het duurde een minuut of wat voor hij zijn stem kon terugkrijgen, en
-vroeg:
-
-„Elizabeth, is dat waar wat Hans mij hier vertelt, of houdt de
-duivelsche jongen mij voor den gek?”
-
-Mevrouw de Beer, hoe spijtig zij ook was over de onvoorzichtige
-uitdrukking van Hans, wilde hare ziel niet door een leugen bezondigen
-en antwoordde:
-
-„Ja, neef Jan, van af het begin van November is Annie verloofd aan
-kapitein Allen van het 87ste regiment. Hij was hier verscheidene malen,
-en ik heb het reeds lang zien aankomen, en toen hij mij om de hand van
-Annie vroeg, en het mij bleek dat mijne dochter hem vurig lief had, kon
-ik natuurlijk niet neen zeggen. Hij is nu met de troepen naar Engeland
-vertrokken, maar is van plan om zoodra hij in Engeland aangekomen is,
-zijn ontslag uit den dienst te nemen, en zich hier in de kolonie te
-vestigen als boer, zijnde hij zeer goed bekend met de graanboerderij,
-daar zijn vader een aanzienlijk eigendom in Schotland heeft, en
-blijkbaar een welgesteld man is. Het zal dus niet noodig zijn dat Annie
-mij voor goed verlaat, want Allen is van plan om ergens in Zwartland
-een boerenplaats te koopen.”
-
-Jan van Eck scheen bedaard te luisteren naar hetgeen zijne nicht zeide,
-maar men kon zien dat hij inwendig kookte, en toen Mevrouw De Beer
-geëindigd had, zeide hij op heftigen toon:
-
-„’t Is bij mij niet de vraag of uwe dochter u gaat verlaten of niet.
-Maar wat mij hindert, is het feit dat een lid van mijn familie zich in
-het huwelijk gaat begeven met iemand van eene vreemde nationaliteit, en
-dat nog wel een nationaliteit die ik vurig haat.”
-
-„Ach, neef Jan, ’t is moeielijk voor u om over zulke zaken te
-oordeelen,” antwoordde Mevrouw de Beer zoo zachtzinnig mogelijk, want
-zij zag dat Van Eck zich ging opwinden, en wilde een heftig tooneel
-vermijden. „Meisjes volgen de ingevingen van hun hart, en storen zich
-niet aan politiek of nationaliteit, en dat is misschien maar goed ook,
-want anders zou de haat en nijd die er alreeds heerscht nog grooter
-worden.”
-
-„Ik kan mij begrijpen dat ge de partij van uwe dochter neemt,” hervatte
-Van Eck, „maar ik zeg dat ze onverstandig handelt. Ze heeft zich door
-een mooie uniform laten verlokken, en misschien wel door den waren of
-voorgewenden rijkdom van dien Kapitein Allen. Het spijt mij om op mijn
-ouden dag nog zulke dingen te hooren, en te zien hoe mijne weinige
-familiebetrekkingen dag op dag meer en meer beginnen te verschillen van
-mij in opinies. En—en nu stond Van Eck op en de drift zoolang door hem
-in toom gehouden, barstte nu uit—ik geloof dat ik steeds getracht heb
-om voor u te doen, nicht, wat ik kon, en dat de behandeling mij in
-dezen aangedaan, allerschandaligst is. Gij hebt mij niet eens
-geraadpleegd, en hebt, zooals ik nu merk, zelfs getracht het voor mij
-verborgen te houden. En nu gij Engelschgezind gaat worden, begint het
-mij toch te erg te worden, en ik verzoek voortaan niet meer als een lid
-dezer familie te worden beschouwd. Ik groet u.”
-
-Met deze woorden, gesproken met eene van aandoening en kwalijk
-onderdrukten toorn bevende stem, had Van Eck de tafel verlaten, en vóór
-de aanwezigen nog begrepen wat er aan den gang was, stond hij reeds in
-den gang, waar hij hoed en stok greep, en de deur uitsnelde.
-
-Mevrouw de Beer snelde hem achterna, en riep hem toe terugtekomen en
-niet zoo haastig te zijn. Doch dit was te vergeefs; de oude man deed
-alsof hij het niet hoorde en stapte weg.
-
-In zijn dagboek beschreef hij de gebeurtenis van dezen dag, en zijne
-woorden zijn zoo bitter, en zoo vreeselijk, dat wij geen goed zouden
-doen met ze hier te herhalen. Bovendien wat zou het helpen. Huwelijken
-tusschen Engelschen en Afrikaanders, van beider kunne, hebben sinds
-dien dag bij duizendtallen plaats gehad, en men zou, misschien met
-recht kunnen argumenteeren, dat ze meer goed dan kwaad hebben gedaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-EEN KORTE TIJD VAN RUST, DIE VEEL BELOOFT.
-
-
-De eerste dag van Maart in het jaar 1803 was een dag van dankzegging en
-vreugde in Kaapstad. Op dien dag toch werd er in de oude kerk op de
-Heerengracht een dienst gehouden waarin men den Schepper dankte voor
-het feit dat Hij het land van den overheerscher had bevrijd; na den
-dienst die door alle standen werd bijgewoond, werd Generaal Janssens
-plechtiglijk ingezworen als Gouverneur der Kolonie door den Commissaris
-generaal De Mist, die zelf echter voor het oogenblik althans de
-voornaamste machten in handen hield, totdat hij de zaken op nieuwen
-voet had geregeld. Dit laatste nam een geruimen tijd, want een aantal
-leden van den nieuwen raad van bestuur waren nog niet aangekomen,
-evenmin als verscheidene leden van het nieuwen Hooge Gerechtshof; maar
-zoowel in den raad als in het Hof hadden achtenswaardige mannen, in
-Zuid-Afrika geboortig, zitting, zoodat men in waarheid mocht hopen dat
-een nieuwe en betere tijd voor het land aanbreken zoude. Zoo vinden wij
-Willem Ferdinand van Reede van Oudshoorn als een der leden van den
-raad, en Jan Henoch Neethling als secretaris van dien raad; onder de
-rechters vinden wij mannen als W. Hiddingh, en D. Denijssen. Ook de
-burgerraad werd hersteld, en tot leden er van waren voor het eerste
-jaar Cornelis van der Poel, Gerrit Hendrik Meijer, Anthonie Berrange,
-Pieter van Breda, Jan Andries Horak, Jacobus Johannes Vos, en Jan
-Adriaan Vermaak aangesteld, namen van in ons land welbekende familiën.
-
-Het nageslacht behoort in waarheid den naam van De Mist in eere te
-houden, want er was misschien nooit een man in Zuid-Afrika, die het
-niet alleen zoo goed met het land meende, maar ook zulke verstandige
-maatregelen heeft genomen. De geschiedenis en de daden van De Mist zijn
-ongelukkig niet goed onder ons volk bekend, slechts zij die in de
-gelegenheid zijn geweest om de officieele stukken op het archief te
-Kaapstad na te gaan, en de brieven door De Mist geschreven, hebben
-gelezen, weten iets van de waarlijk grootsche gedachten en plannen van
-hem af. Het was geen gemakkelijk werk dat hij ondernomen had en de
-omstandigheden hebben belet dat hij het aangevangen werk behoorlijk ten
-einde heeft kunnen brengen, maar wat hij gedaan heeft, en nog meer wat
-hij van plan was te doen, zoo hem de kans ware gegeven, bewijst maar al
-te duidelijk dat De Mist een man was van de edelste bedoelingen, en die
-zijn tijd ettelijke jaren vooruit was. Zonder een dweper te zijn met de
-denkbeelden der Fransche revolutie, heeft hij aan veel dier denkbeelden
-getracht hier den rechten vorm te geven, met inachtneming van de
-omstandigheden des lands. Om een voorbeeld te geven behoeven wij
-slechts hier iets te vertellen van het schema door hem uitgedacht en
-gedeeltelijk in werking gebracht omtrent het onderwijs. In 1804 werd
-een belangrijke ordonnantie door hem uitgevaardigd over dit onderwerp,
-zoowel als over kerkzaken, een groot deel waarvan nog heden van kracht
-is. Eerstens werd daarin volkomene vrijheid van godsdienst verleend aan
-alle gezindheden, en gelijke burgerlijke rechten verleend aan Joden,
-Roomschen, en Mahomedanen, iets dat zoo veel den tijd vooruit was, dat
-de kolonisten er zelfs objekties tegen hadden, wat niet te verwonderen
-was, daar het grootste gedeelte van de bevolking tot de Calvinistische
-kerk behoorde, en men niet gewoon was aan zulke verdraagzame
-denkbeelden. Onder de bepalingen van die zelfde ordonnantie werden de
-scholen geplaatst onder het bestuur van de regeering, zonder respekt
-van eenige kerk, en dit gaf heel wat aanstoot. Men was tot op dat
-tijdstip steeds gewoon geweest om alle onderwijs in verband te hebben
-met de kerk, en zulk onderwijs geheel en al te schoeien op den Bijbel,
-wat ongetwijfeld in den aard van het volk lag, en grootendeels nog
-ligt. Het gevolg was, dat de buitenbevolking zich zoo hevig tegen deze
-scholen verzette, dat men die slechts in Kaapstad kon oprichten, maar
-hoe dit ook was, zoo vergete men niet dat het systeem van De Mist
-hetzelfde systeem was dat thans in zwang is in de kolonie en over het
-algemeen vrij goede vruchten heeft afgeworpen.
-
-Onder de andere goede maatregelen die De Mist nam, mag men het
-feitelijk beletten van den invoer van nieuwe slaven in de kolonie
-rekenen, terwijl hij daarentegen alles deed om de immigratie van
-geschikte blanken uit Holland te bevorderen. Dat dit laatste schema
-niet goed slaagde is zeker niet de schuld geweest van De Mist, maar wel
-van de onpraktische denkbeelden van de personen die de zaak in Holland
-in handen hadden genomen, en van den man dien zij hierheen zonden om
-hen te vertegenwoordigen, Majoor Buchenroeder, een man die weigerde te
-luisteren naar den goeden raad hem door Gouverneur Janssens gegeven, en
-die op halstarrige wijze zijn eigen ideeën volgde, met gevolg dat alles
-bedorven werd, waarbij nog kwam dat een aantal goederen voor de
-emigranten bestemd verloren gingen in twee schepen, die schipbreuk
-leden.
-
-Tegen het einde van het jaar 1803 ging De Mist een reisje doen door de
-kolonie om zich persoonlijk op de hoogte der zaken te stellen. Op die
-reis kwam hij onder anderen in aanraking met den beruchten Dr. Van der
-Kemp, een man die als zendeling naar Zuid-Afrika was gekomen, maar
-allerwonderlijkste denkbeelden had over zendingswerk, en die begonnen
-is met het werk waaronder de kolonisten nog heden lijden, en waaronder
-ze zooveel hebben geleden, namelijk het bederven, en als luiaards
-opvoeden van de Hottentotten en Kaffers; een werk later met zooveel
-succes (van hun oogpunt althans) voortgezet door den zendeling Read en
-Dr. Philip. Er zijn blijken genoeg uit de brieven destijds door De Mist
-geschreven, dat hij niets ophad met het stelsel van Van der Kemp, en
-dat hij dezen als een lastig sujet beschouwde, wiens werk
-allerongunstigst afstak bij het flinke en verstandige werk gedaan door
-de Moravische zendelingen te Genadendal, waar De Mist ook een bezoek
-bracht, en waar hij getroffen werd door den vlijt, en de werkzaamheid
-aldaar ten toon gespreid door de kleurlingen. Een bezoek door den
-Commissaris gebracht aan de kaffers op de oostergrenzen had ongelukkig
-geen goede resultaten, daar toen juist die twisten onder de Gaikastam
-begonnen te ontstaan die later zulke droevige gevolgen voor de kolonie
-hebben gehad. Maar in alle geval was De Mist verstandig genoeg om niet
-de fout te begaan die een groote twaalf jaar later door de Engelschen
-werd gemaakt, toen deze zich gingen bemoeien met de stamtwisten der
-kleurlingen, zich daardoor een wespennest om de ooren halende, dat de
-kolonie duizenden van levens en jaren van ellende heeft gekost. Op
-zijne terugreis naar de Kaap stichtte De Mist het nieuwe district
-Uitenhage, zoo genoemd naar een oude familie naam in zijn geslacht en
-nog geen jaar later werd ook het district Tulbagh gesticht. In het
-algemeen was men zeer tevreden over de goede maatregelen door den
-Commissaris Generaal genomen voor de regeering der kolonie, en scheen
-men hoop te hebben dat deze volkplanting een nieuw tijdperk van bloei
-zou betreden. Maar ongelukkig werd die hoop teleurgesteld door het
-opnieuw uitbreken in Europa van den oorlog, waaraan ook Engeland deel
-nam. Napoleon had zich namelijk als keizer van Frankrijk doen kronen,
-en begon die vreeselijke reeks van veroverings-oorlogen, die meer dan
-tien jaren stroomen bloeds deden vloeien, en ten slotte eindigde met
-den val van den grooten veroveraar der negentiende eeuw. De oorlog
-tusschen Engeland en Frankrijk brak reeds tegen het einde van 1803
-weder uit, en daar Holland een bondgenoot van Frankrijk was, kon men
-verwachten dat de Engelschen de Kaap niet ongemoeid zouden laten.
-Generaal Janssens, voor het oogenblik de voornaamste burgerlijke zaken
-in handen latende van De Mist, nam dadelijk alle maatregelen om de
-kolonie in zulk een staat van verdediging te stellen, als onder de
-omstandigheden mogelijk was. Maar in plaats dat men in Holland hem
-hierin steunde door hem de noodige versterkingen van troepen te zenden,
-gaf men hem last om het beste regiment soldaten dat toen aan de Kaap
-was, het 23ste bataljon naar Indië te zenden, en schoon Janssens
-begreep dat hij daardoor als het ware weerloos werd gemaakt,
-gehoorzaamde hij aan zijne superieuren, en zond het regiment naar
-Indië. Daarentegen zorgde hij voor de behoorlijke wapening en oefening
-van de burgers, in wie hij terecht groot vertrouwen stelde in geval van
-een aanval, en ook zorgde hij voor het opgaaren van genoegzame
-mondprovisie voor de troepen. Het was echter ongelukkig een slechte
-tijd geweest voor de boeren, die in de laatste jaren met een aantal
-misoogsten hadden te kampen gehad, zoodat er nauwelijks koren was, om
-in de dadelijke behoeften van de bevolking te voorzien. Verder werd het
-Hottentot-korps versterkt tot 600 man, en de heer Frans le Sueur, die
-goed verstond hoe om met deze klasse van lieden te werken, werd tot
-bevelhebber van dit korps aangesteld met den rang van
-luitenant-kolonel. Wat verder eigenaardig is, en bewijst dat de
-Mahomedanen steeds een goedgezind deel der koloniale bevolking zijn
-geweest, is het feit dat een groot aantal hunner dienst namen als een
-speciaal korps artilleristen, en werkelijk toonden dat men goede
-soldaten van hen kon maken. Maar met dit al, was het aantal soldaten,
-en geoefende krijgers, waar de Generaal op kon rekenen, maar zeer
-klein, en wat de toestand nog verergerde was, dat er een kwaadaardige
-soort van koliek uitbrak onder de troepen, die een groote vermindering
-in de strijdmacht veroorzaakte. Maar Janssens was er de man niet naar
-om zich te laten ontmoedigen, en hij werkte onvermoeid voort. Ten einde
-den gouverneur op geen enkele wijze de handen te binden, en hem alle
-mogelijke macht te geven, legde De Mist op den 24sten September zijne
-betrekking als Commissaris-Generaal neder, waarop hij eenige maanden
-ging vertoeven op de plaats Stellenburg nabij Wijnberg, en daarop weer
-een tijdje lang woonde op de plaats Maastricht in de buurt van
-Tijgerberg. In Februari 1805 vertrok hij echter met een Amerikaansch
-schip naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, om van daar te
-trachten Holland te bereiken.
-
-Er heerscht onder een aantal personen een denkbeeld, dat er in die
-dagen weinig werd gedaan om Gods woord te verspreiden onder de heidenen
-in Zuid-Afrika, en men is gewoon om al de eer van dit werk toe te
-schrijven aan de Engelsche en Amerikaansche genootschappen en te doen
-alsof het alleen aan het Londensche Zendinggenootschap te wijten is,
-dat de kleurlingen in dit land niet even onbekend met Christendom zijn
-als zij zulks in 1652 waren. Dit is echter geheel verkeerd, want men
-behoeft slechts de reisbeschrijving van Lichtenstein te lezen om van
-het tegendeel hiervan overtuigd te worden. Dr. Lichtenstein, toenmaals
-geneesheer bij het Hottentot korps te Kaapstad, werd in het jaar 1805
-door Generaal Janssens gezonden om tesamen met Landdrost van de Graaf
-van Tulbagh een onderzoek te gaan instellen naar den toestand van zaken
-ten noorden van de Oranjerivier, waar er een aantal zendingsstaties
-waren geopend, maar waar, naar men gehoord had, de Bosjesmannen nog erg
-lastig waren, en de geheele bevolking vijandig scheen. De gemelde
-heeren troffen op hun reis een aantal zendelingen, velen waarvan
-Afrikaners waren, zooals b.v. Christiaan Botma, een man die blijkbaar
-een groote energie in het zendingswerk ten toon spreidde, en zelfs een
-vrij groot fortuin daaraan had opgeofferd. Dan had men meer in het
-noorden de zendelingen van der Lingen, en Jan Kock, Korser en Janssen,
-en bij den heer Anderson ook den heer Kramer. Er waren echter ook reeds
-in die dagen zendelingen van het Londensche genootschap zooals de heer
-Edwards, die aan de reizigers heel wat nuttige informatie gaf. De
-expeditie drong zoover noord als Kuruman, en bevond werkelijk dat
-de Bosjesmannen zeer lastig waren, terwijl men bovendien een
-aantal nuttige berichten verkreeg omtrent de Batlapin en de andere
-kleurlingstammen die in deze woeste streken woonden. Weinig vermoedden
-Lichtenstein en de Graaf dat zij op hun reis gegaan waren over de
-rijkste diamantmijn in de wereld; de schatten der aarde die aan
-Zuid-Afrika indirekt zooveel leeds hebben berokkend, lagen nog
-onzichtbaar in de schoot der moeder.
-
-Zoo leefde men rustig voort in de Kaapkolonie, en ging de volkplanting
-waarlijk vooruit, in handel en in beschaving. Men wist wel van het
-uitbreken van den oorlog, maar men had of geen denkbeeld dat de
-Engelschen de kolonie weder zoo spoedig zouden aanvallen of men rekende
-te veel op de macht van Frankrijk. Doch de politiek van keizer Napoleon
-was eene politiek voor het vasteland van Europa, en tegen de zeemacht
-van Engeland was hij niet bestand. Zoo sterk en uitmuntend, en zoo goed
-aangevoerd als het leger van Frankrijk was, zoo zwak was de vloot van
-dat land, en er was niemand onder de Fransche zeeofficieren die
-opgewassen was tegen mannen als Nelson en Collingwood. Napoleon was dus
-niet in staat, zelfs al had hij zulks ook gewild om de koloniën van
-zijn bondgenoot Holland te beschermen, en allerminst niet voor de Kaap.
-Reeds vóór Juli 1805 begon men in Engeland toebereidselen te maken voor
-eene expeditie naar Zuid-Afrika, en te Madeira verzamelde zich een
-groote Engelsche vloot, en op 4 October—zeventien dagen voor den
-grooten slag van Trafalgar, waarin de Fransche vloot voor goed door
-Nelson werd vernield—zeilden 63 schepen, met een leger van 6654 man aan
-boord van uit de reede van Madeira om de Kaap te gaan veroveren. Het
-verhaal van die verovering moet echter overblijven tot een volgend
-hoofdstuk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-DE SLAG VAN BLAUWBERG, EN HOE DIE AFLIEP.
-
-
-Het is omtrent negen uur op den morgen van den 4den Januari in het jaar
-1806. Het zonnetje, op zijn heetst in dat gedeelte van het jaar, scheen
-alreeds fel, en deed het witte zand van het strand nabij Zoutrivier zoo
-schitteren, dat een mensch de oogen half toeknijpen moest, uit vrees
-van door dat helle licht te worden verblind. Jan van Eck zat buiten het
-huisje, dat hij zijne woning noemde; hij zat aan wat de schaduwzijde
-moest zijn, maar de schaduw was niet breed genoeg om geheel te
-beschermen, en hij had dus zijn slaaf een stuk zeildoek in den vorm van
-een afdak of halve tent doen spannen langs het huisje, zoodat hij op
-die wijze tegen de vinnige stralen der zon was beschermd, en rustig kon
-blijven voortlezen in het groote boek dat voor hem op den grond lag.
-Want de houding die Van Eck op het oogenblik had, kon niet erg elegant
-worden genoemd, al was zij zeker zeer geriefelijk. Hij lag namelijk op
-den grond uitgestrekt, zoo lui mogelijk, en stoorde zich
-oogenschijnlijk aan niets, zijnde hij te veel verdiept in het boek dat
-niets anders was dan de geschiedenis van de eeuw van Lodewijk den
-zestienden, geschreven door Voltaire. Het was zeker de tiende maal dat
-de oude Kapenaar dit boek las, maar dan was het ook een zijner
-lievelingsboeken, en slechts de werken van zijn geliefden Jean Jacques
-Rousseau konden het er van winnen. Hoelang Van Eck daar dien morgen zou
-hebben gelegen, kunnen wij niet zeggen; gewoonlijk was het zoowat
-twaalf uur voor hij zijn plekje verliet om eens een wandeling in de
-stad te gaan maken of anders zijn sober maal tehuis te gebruiken, en
-dan een rustig dutje te gaan doen. Maar deze morgen zou hij in zijn
-rust worden gestoord, want het was even over negenen toen plotseling
-van de batterij op de hangen van den Duivelsberg, of zooals met het
-noemde het blokhuis, drie kanonschoten snel achter elkander werden
-gevuurd. Van Eck sprong in een oogenblik recht op zijne voeten; een
-minuut lang zag hij naar het blokhuis, waar de rookwolk van het geschut
-in den stillen morgen nog hing, en eerst langzaam door den zachten wind
-voortgestuwd werd; toen liep hij snel het huisje binnen, en kwam er
-even snel weer uit, met een groote verrekijker in zijn hand, die hij
-dadelijk aan zijn oog bracht en op den Leeuwenrug richtte, waar op een
-signaalpaal eenige vlaggen zichtbaar waren. Een tijd lang tuurde hij
-naar die vlaggen, toen sloot hij met een gebaar van woede den kijker,
-en met een verwensching hoorde men hem de woorden zeggen: „Ik dacht het
-wel; daar zijn die vervloekte Engelschen al weer. Maar gelukkig hebben
-wij vandaag geen verraders onder ons, en zullen ze wel een betere
-ontvangst krijgen dan in ’95”.
-
-Het nam onzen vriend slechts een paar oogenblikken om zijn rok
-aantetrekken, en zijn stok uit den hoek te nemen, en daarop stapte hij
-met haastige schreden naar de stad, waar hij alles in rep en roer vond,
-want het was reeds overal bekend dat een Engelsche vloot van drie en
-zestig schepen in zicht was, en naar het scheen recht op Tafelbaai
-afstuurde. De Gouverneur had reeds alle mogelijke maatregelen genomen;
-de drie schoten die Van Eck hadden gestoord in zijn rust waren de
-seinen geweest voor de burgerij; zij zouden van bergtop tot bergtop
-herhaald worden, volgens een vroeger gemaakte afspraak, en tegen dezen
-tijd was het zeker al in Swellendam bekend dat de vijand in aantocht
-was, en zouden de burgers wel spoedig verschijnen om hunne hulp te
-verleenen.
-
-Toen Van Eck dit alles hoorde en overdacht, kwam hij tot de conclusie
-dat de Engelschen geen beteren tijd voor hun plan konden hebben
-gekozen. Het was juist de oogsttijd, en dit was natuurlijk een zeer
-ongelegen tijd voor den boer om zijn plaats te verlaten; een deel der
-wijnboeren was ook reeds bezig met het inzamelen hunner oogst, en het
-was misschien een heele vraag of de boeren wel zoo flink zouden
-opkomen, als de gouverneur en zijn raad verwachtten.
-
-Van Eck kende zijn volkje; hij wist dat de Afrikaansche boer zoo zeer
-aan zijne bezigheid gehecht is, dat hij die niet graag veronachtzaamt,
-want de boerderij is zijn bestaan; en dikwijls is hij dom genoeg, of,
-laten wij liever zeggen, niet verziend genoeg, om het oogenblikkelijk
-voordeel, dat naar evenredigheid van gering belang is, te verkiezen
-boven grootere maar meer verwijderde belangen; in andere woorden dat
-hij zijn land en zijn vrijheid zou laten verloren gaan, terwille van
-den te veld staanden oogst. Die kortzichtigheid is ongetwijfeld een
-gebrek van ons volk, en, was het niet met dat gebrek behebt, dan had
-het lang niet zooveel behoeven te lijden als het gedaan heeft. In
-plaats van een goeden beet in den zuren appel te geven en die daardoor
-te vermorzelen, is het steeds voor de zuurheid teruggeschrokken, maar
-moest toch op het einde door een aantal verschillende kleine beten den
-appel opeten, en ondervond dus de zuurheid er van des te meer. Hoe
-dikwijls is dit niet later gebleken in de geschiedenis der twee
-Zuid-Afrikaansche Republieken, en vooral in den Basuto oorlog door den
-Vrijstaat gevoerd? De ondervinding heeft echter ook den Afrikaner dure
-lessen geleerd, en dat hij die lessen niet heeft vergeten, dat bewijst
-het feit, dat de laatst gevoerde oorlog drie jaar duurde en de Boer,
-die voor zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid vecht, niet meer weet
-van ingeven. En toch weten wij dat in het begin van den oorlog de
-boeren-kommandanten niet weinig moeite hadden met het oude geslacht,
-dat steeds van kommando wou weggaan, om toch naar hunne boerderij te
-gaan kijken.
-
-Ten tijde dat Van Eck over dit punt dacht, kwam hier ook nog bij dat
-het weder ontzachelijk warm was, zoodat het bijna onmogelijk was voor
-mensch of beest om gedurende den dag te reizen. Het is aan dit feit te
-wijten dat er in den slag van Blauwberg zoo weinig burgers deelnamen,
-want de meesten der burgers waren nog op weg naar Kaapstad toen het lot
-der kolonie reeds beslist was.
-
-Jan Van Eck bleef geruimen tijd in de stad, hier met zijne vrienden een
-praatje houdende, daar goeden raad gevende. Zelf de wapenen op te nemen
-daar was hij thans te oud en te stram toe; de geest was wel gewillig
-maar het vleesch was zwak, en wat hij in 1795 had gedaan, daartoe
-voelde hij zich in 1806 niet in staat. Maar toch liet hij zich
-inschrijven bij de burgerwacht, wiens taak het zou zijn om de Kaapstad
-te verdedigen, zoo die direkt door den vijand van de land zijde werd
-aangevallen.
-
-Het was bijna duister toen onze vriend weer bij zijn huisje terug kwam,
-en reeds een paar uur voor dien tijd was de Engelsche vloot ten anker
-gekomen in de nauwe passage tusschen Robbeneiland en het strand van
-Blauwberg, dicht bij de zoogenaamde Melkbosch punt. Doch het weer had
-tegen dezen tijd een aanzienlijke verandering ondergaan. De noordenwind
-was plotseling komen opzetten, een vrij zeldzaam verschijnsel voor
-dezen tijd van het jaar, en zij blies vrij hevig. Van Eck hoorde hem
-dien avond huilen over de Tafelbaai, en in stilte bad hij dat de wind
-tot zulk een storm zou klimmen, dat elk der Engelsche schepen met man
-en muis aan de rotsachtige kusten van Blauwberg zou vergaan.
-
-Maar aan dien wensch werd niet voldaan; schoon de wind gedurende den
-nacht vrij hevig woei, was hij niet zoodanig van kracht, dat een goed
-geankerd schip er door zou kunnen lijden, en tegen het breken van den
-dag ging hij liggen, alhoewel de zee nog vrij hol bleef.
-
-Onder de omstandigheden was het echter eene onmogelijke zaak om eene
-landing te wagen in de hooge branders die aan de noordzijde van
-Tafelbaai tegen de rotsen sloegen, en dien geheelen dag bleef de
-Engelsche vloot werkeloos. Die verpoozing aldus aan Generaal Janssens
-gegeven was dezen natuurlijk zeer welkom, want hij kon thans de
-allernoodigste maatregelen nemen. Het valt te begrijpen dat hij geheel
-afhankelijk was van de omstandigheden, en dat alles afhing van de
-plaats waar de Engelschen zouden landen, of de wijze waarop zij de
-Kaapstad zouden aanvallen. Het kon zijn dat de Engelschen van plan
-waren om eene landing te doen bij het strand van Blauwberg, maar er was
-ook tevens niets om hen te beletten, Kaapstad van de zeezijde
-aantevallen, of liever om de dadelijke overgave der stad te eischen
-onder bedreiging van anders de stad aan een bombardement te
-onderwerpen. Dat dit laatste niet is gedaan is ons steeds een raadsel
-geweest; want goed beschouwd, zou dit zeker de kortste en
-gemakkelijkste weg zijn geweest. Kaapstad zou geen halfuur een
-bombardement hebben kunnen uithouden, en de batterijen die langs het
-strand van Tafelbaai stonden waren niet zwaar genoeg om de Engelsche
-schepen veel afbreuk te doen, terwijl hun zeegeschut veel zwaarder en
-verder reikend was. Een dreigement met te zullen bombardeeren zou een
-grooten invloed op zaken hebben gehad, en zeer demoraliseerend zijn
-geweest, want de vrouwen en kinderen zouden natuurlijk in allerijl de
-stad hebben verlaten zoo de gouverneur had besloten om niet aan de
-oproeping tot overgave gehoor te geven. Het is echter zeer
-waarschijnlijk dat de Engelsche bevelhebbers, Admiraal Popham en
-Generaal Baird, de kolonie wilden veroveren met zoo min mogelijk schade
-aan de welvaart ervan, en dat zij er geen nut in zagen om te beginnen
-met het in asch leggen van de voornaamste havenstad er van. Doch
-Generaal Janssens kon, zooals van zelf spreekt, dit niet weten, en van
-zijn oogpunt gezien behoorde een direkten aanval op de stad van de
-zeezijde tot de mogelijkheden, en moest hij zich daarvoor ook
-prepareeren. Hij hield dus voor het oogenblik zijn leger in de Kaapstad
-en ook de burgers die reeds dien avond van Koeberg en van de Paarl
-aankwamen, ontvingen last om in de stad te blijven; slechts een klein
-troepje burgers onder kommandant Jacobus Linde werd naar het strand van
-Blauwberg gezonden om de bewegingen van den vijand gade te slaan. Laat
-dien avond kwam dan ook een bericht van Linde dat de vijand
-oogenschijnlijk het anker lichtte en nog een uur later een tweede
-boodschapper met het nieuws dat een tiental schepen zeil waren gegaan
-naar het noorden. Generaal Janssens begreep wat de reden hiervan was;
-de Engelschen, vreezende dat het strand van Blauwberg te ongunstig
-gelegen was voor eene landing, waren van plan om meer noordelijk te
-landen, waarschijnlijk te Saldanha baai. Verandering in de plannen van
-den Hollandschen generaal kon deze nieuwe beweging van den vijand niet
-brengen, want, als er een veldslag moest worden geleverd, kon die
-nergens anders plaats hebben dan in de nabijheid der stad, en Janssens
-had het plan opgevat om, zoo hij verslagen werd, zich terug te trekken
-naar het binnenland, en zoo mogelijk de kolonie voet voor voet te
-verdedigen totdat er hulp uit Frankrijk kwam. Hoop op goeden uitslag
-had de Hollandsche generaal niet, want hij had slechts een handjevol
-geregelde troepen en deze waren niet van de allerbeste soort, vooral
-niet het zoogenaamde bataljon van Waldeck, een huurbende dat meest uit
-Duitschers bestond, en waarop de generaal meende niet te kunnen
-rekenen. Persoonlijk was Janssens van opinie dat de kolonie zooals zij
-toen was, geen voordeel aan het moederland aanbracht; de kosten die men
-er aan besteden moest waren te groot, en konden niet door de kolonisten
-gedragen worden, zoodat het misschien een geluk voor Holland zou zijn
-als het op een fatsoenlijke wijze van de Kaap kon worden ontslagen.
-Maar Janssens was soldaat en eerlijk man; hij had zijn plicht te
-volvoeren; die plicht was om de kolonie zoo lang mogelijk te
-verdedigen, en hij was vast besloten om dien plicht ten uitvoer te
-brengen.
-
-De gouverneur had het inderdaad niet mis, toen hij tot het denkbeeld
-geraakte dat de Engelschen van plan waren om eene landing te Saldanha
-baai te maken. Generaal Baird schijnt gevreesd te hebben dat eene
-landing te Blauwberg te gevaarlijk zou zijn, en zond dus op den avond
-van den 5den Januari een klein deel van zijn leger in eenige transport
-schepen naar Saldanhabaai, want schoon het hem bekend was dat zijne
-troepen een lange en vermoeiende marsch zouden moeten maken om van daar
-de Kaapstad te bereiken, wist hij ook dat gemelde baai goed tegen
-stormen beschut was, en men er veilig kon landen; bovendien begreep hij
-snel te moeten handelen daar hij den Hollandschen bevelhebber niet de
-gelegenheid mocht geven om zijne burgers te verzamelen en daardoor eene
-macht te hebben die geheel in staat zou zijn om het op te nemen tegen
-het Engelsche leger. De Engelsche generaal was van plan om vroeg in den
-morgen van den 6den met zijn geheel leger zijn voorhoede te volgen,
-doch dien nacht ging de wind geheel en al liggen, en de branding aan de
-kust tegen over Blauwberg was zoodanig verminderd dat Baird besloot om
-toch hier te landen, en met dat voornemen zond hij snel een vaartuig om
-de reeds vertrokken schepen terugteroepen. Daarop werden de noodige
-toebereidselen gemaakt. Vier der groote Engelsche oorlogsschepen gingen
-zoo nabij mogelijk de kust liggen, ten einde met hun grof geschut de
-landende troepen te beschermen, en men liet daarop een der kleinste
-schepen op strand loopen, om daardoor een soort van beveiliging te
-hebben tegen de groote branders, die zelfs in rustig weer tegen deze
-kust slaan. Toen werden de Hooglandsche regimenten, de Bergschotten van
-de 71ste, 72ste en 93ste regimenten het eerst geland onder bevel van
-generaal Ferguson. De landing liep echter niet zonder ongelukken af;
-een boot met vijf en dertig man van het 93ste regiment sloeg om in de
-branding, en al de opvarenden vonden den dood in de golven. Daarop
-werden nog drie regimenten geland benevens een aanzienlijke voorraad
-mondbehoeften en wat artillerie. Er waren toen bij het strand geen
-Hollandsche soldaten om deze landing te beletten; slechts Kommandant
-Linde was er met zijn klein klompje burgers en deze deden wat zij
-konden. Zij slaagden er in eenige der Engelschen te dooden, maar een
-paar welgemikte schoten van af de schepen verplichtten hen om
-terugtetrekken, en daarop liet Linde Generaal Janssens het gebeurde
-weten.
-
-De laatste Hollandsche gouverneur van de Kaap maakte zich dadelijk
-strijdvaardig, en vroeg in den morgen van den 8sten Januari 1806 trok
-hij met zijn leger Kaapstad uit om den vijand te ontmoeten. Beter
-gezegd trok hij van de zoogenaamde Rietvlei, waar hij den vorigen dag
-zijn leger had verzameld en dat ten noorden van de monding der
-Zoutrivier en juist west van de Tijgerberg was gelegen. Het Hollandsche
-leger telde iets over de tweeduizend man, hebbende Generaal Janssens
-meer dan duizend man, waaronder een groot aantal burgers te Kaapstad,
-achtergelaten om deze stad te beschermen tegen een aanval der
-Engelschen. Het is niet gemakkelijk om te begrijpen waarom Janssens
-aldus zijn leger verzwakte, want hij moet meer of min een denkbeeld
-hebben gehad van de sterkte van den vijand, en geweten hebben dat deze
-heel wat sterker was dan hij, en als hij zijn plan om in het binnenland
-terug te trekken had willen uitvoeren, zou hij wijzer gedaan hebben om
-de Kaapstad geheel ontruimd te hebben, want deze was in het geval dat
-hij den slag verloor, toch niet te verdedigen, terwijl hij door het
-laten van een aanzienlijk aantal burgers niet alleen zijn macht
-verzwakte, maar gemelde burgers ongetwijfeld in handen van den vijand
-zou doen vallen, en dit een groot verlies zou zijn met het oog op de
-verdere verdediging van de kolonie. Maar Janssens, schoon een eerlijk
-en welmeenend man, die uitmuntend geschikt was voor het bestuur dezer
-volkplanting, was geen veldheer, en heeft steeds ongelukkig gestreden,
-want later heeft hij op dezelfde wijze Java moeten overgeven aan de
-Engelschen. Had hij met al de macht die hem ten dienste stond den
-Engelschen generaal ontmoet, dan had hij meer kans op overwinning
-gehad, en hij in alle geval, met beter succes de bergpassen naar het
-binnenland kunnen verdedigen.
-
-De macht waarmede de generaal den vijand tegemoet trok was samen
-gesteld als volgt. Eerstens waren er 224 beredene burgers onder de
-kommandanten Linde, Human en Wium; dan volgde het bataljon der
-Waldeckers 400 man sterk; dan het 22ste linieregiment, ten getale van
-358 man; dan het negende bataljon der Jagers, 202 man; verder 138
-dragonders, en 160 man der artillerie, de laatsten met zestien stukken
-geschut. Ten laatste waren er nog 54 Maleische artilleristen, 181
-Hottentotten te voet, en 104 slaven bij de artillerie, terwijl 240
-Fransche matrozen van de in de Tafelbaai kort te voren gestrande
-schepen Atalante en Napoleon ook hulp verleenden onder bevel van
-kolonel Beauchene. Men ziet dus dat het Hollandsche leger een
-eigenaardig mixtuur was.
-
-Het was omtrent vijf uur in den morgen, toen men het Engelsche leger,
-dat vierduizend man sterk was, zag aanrukken over de zandduinen van
-Blauwberg, onder persoonlijk bevel van Generaal Baird. Janssens stelde
-daarop terstond zijn leger in slagorde, en dat in een lange linie, ten
-einde te voorkomen dat de veel talrijker Engelsche macht hem zou
-overvleugelen. Daarop reed hij langs het front der troepen en spoorde
-hen aan zich dapper te gedragen, en hun plicht te doen. Men ontving den
-algemeen beminden generaal met gejuich; slechts uit de monden der
-Waldeckers werd geen geluid van goedkeuring vernomen, en deze lafaards
-hadden geen lust zich op te offeren voor eene zaak, die zij als
-hopeloos beschouwden. Het gevecht begon met grof geschut, en hierin was
-het voordeel aan de zijde van de Hollanders, die meer stukken hadden
-dan de Engelschen, schoon het kaliber der kanonnen der laatstgenoemden
-weer zwaarder was. Er vielen eenige kogels in de buurt van het
-Waldecker regiment, en dit begon daarop dadelijk te wijken. Janssens,
-dit bemerkende, begaf zich persoonlijk naar hen, en trachtte de
-lafaards moed in te spreken, maar het was te vergeefs; de Duitsche
-huurlingen sloegen schandelijk op de vlucht. Dit voorbeeld had een zeer
-slechte uitwerking op de rest van de geregelde troepen, en een korten
-tijd daarna begon ook het 22ste linieregiment te wijken. Weder trad de
-Hollandsche generaal naar voren; hij sprak de manschappen toe, en het
-gelukte hem ook ze een oogenblik te doen standhouden. De beide legers
-waren echter nu zoo nabij elkander dat men met het geweer op elkander
-begon te schieten; de Generaal zelf werd getroffen door een kogel die
-echter afstuitte tegen een hard voorwerp in zijn zak, zonder hem te
-verwonden. De Hooglanders, die eenige lagen hadden gevuurd, maakten
-zich daarop gereed om een bajonet aanval te doen, en tegen die taktiek
-waren de Hollandsche troepen niet bestand. Het 22ste regiment sloeg op
-de wilde vlucht; slechts de burgers, de artillerie en de Fransche
-zeelieden hielden stand en beantwoordden den aanval met een hevig
-geweervuur. De welafgerichte, geoefende Hooglanders, die de keurbenden
-van het Engelsche leger waren, lieten zich echter niet door het
-hevigste vuur stuiten, maar kwamen steeds in charge pas nader, en
-Generaal Janssens ziende dat hij met de hem overblijvende rest van het
-leger niets uitvoeren kon, gaf bevel tot den terugtocht, die gedekt
-werd door de artillerie, meesterlijk bediend door luitenant Pelegrini,
-die zoolang persoonlijk de stukken bleef bedienen, dat Janssens
-verplicht was om zelf den dapperen man te gelasten, zich met zijne
-kanonnen in veiligheid te brengen, terwijl hij hem tevens op de plek
-zelve tot kapitein bevorderde. Daarop trok het geheele Hollandsche
-leger in vrij goede order terug naar Rietvlei, waar men ook het Waldeck
-regiment vond, dat dadelijk daarop door Janssens met verwijtingen werd
-overladen, en naar Kaapstad werd gezonden. De Gouverneur maakte nu
-verder zijne schikkingen voor een terugtocht naar het binnenland.
-Eerstens zond hij de Fransche zeelieden naar Kaapstad terug, niet omdat
-zij niet goed waren, want zij hadden zich inderdaad zeer dapper
-gedragen; maar omdat de zeelieden van weinig of geen nut konden zijn in
-het binnenland. Verder zond hij een boodschapper naar den kommandant
-van Simonsstad, met instructien aan dezen om alle krijgsvoorraad die
-daar mocht zijn, en die niet spoedig kon worden vervoerd te vernielen,
-en dan met het garnizoen van die plaats, omtrent 150 man, zich naar den
-tegenwoordigen Sir Lowry’s Pas te begeven, waarheen ook de Gouverneur
-zelf van plan was te gaan.
-
-Een der laatste daden van den Hollandschen gouverneur bewees welk een
-edel man hij was. Er waren namelijk een aantal burgers die zich in het
-gevecht van Blauwberg uitmuntend hadden gedragen, en daar deze mannen
-geen betaling voor hunne diensten kregen, en toch wel iets voor hunne
-dapperheid verdienden, zond Janssens een boodschapper naar den
-politieken raad in Kaapstad, waarin hij dezen verzocht om dadelijk,
-zonder eenig verzuim aan zekere burgers die hij met name noemden,
-plaatsen in eigendom te geven en die te transporteeren op hunne namen.
-De namen dezer dappere burgers verdienen aan de vergetelheid te worden
-ontrukt, en wij geven ze dus hier. Zij waren: Jacobus Linde, Pieter
-Human, Pieter Pietersen, Nicholaas Swart Pz., Nicholaas Swart Kz., Jan
-Rabe, Dirk Lourens, Servaas de Kock, Nicholaas Linde, Marthinus
-Theunissen, Hans Human en Pieter Mosterd. Wij mogen hier bijvoegen dat
-de raad aan dit verzoek gehoor gaf, zijn laatste vergadering op den
-8sten hield, de noodige dokumenten passeerde, en die deed registreeren.
-
-Waarom generaal Janssens, toen hij deze boodschap zond, ook niet
-dadelijk bevelen zond aan kolonel Prophalow, den bevelhebber van
-Kaapstad om zich in den nacht met alle beschikbare troepen en materiaal
-naar Muizenberg te begeven, en van daar langs het strand naar de
-Hottentot Hollands bergen te trekken, ten einde zich met hem, Janssens
-te vereenigen, is weer een van die dingen die men niet begrijpt.
-Janssens toch moet geweten hebben, dat er geen kwestie kon zijn van het
-verdedigen van Kaapstad, en dat de overgave er van zonder twijfel zou
-geschieden. Waarom moest echter in die overgave een groot deel van de
-troepen, en een aanzienlijk aantal burgers worden begrepen. De Britsche
-troepen trokken dien nacht niet verder dan Rietvlei, en kampeerden
-daar, zoodat Prophalow zeker alle kans had gehad om zonder moeite
-Muizenberg te bereiken, en daardoor het leger van Janssens, dat toen
-niet meer dan zoowat duizend man telde, aanzienlijk te versterken. Maar
-dit werd ongelukkig niet gedaan, en den achtermiddag van den 8sten trok
-de Hollandsche generaal met het overschot van zijn leger naar
-Hottentots Holland terug, waar hij de bergpas, thans als Sir Lowry’s
-pas bekend, bezette.
-
-Kaapstad werd aldus aan zijn lot overgelaten, en op den morgen van den
-9den Januari kwam het Engelsche leger te Zoutrivier aan, waar door den
-Engelschen generaal de noodige schikkingen werden getroffen om, zoo
-noodig, de stad te bombardeeren. Doch dit bleek spoedig een onnoodige
-maatregel. Prophalow begreep dat eene verdediging van de stad nutteloos
-bloedvergieten ten gevolge zou hebben, en even nuttelooze vernieling
-van eigendommen, en hij zond dus een parlementair naar Generaal Baird,
-om een wapenstilstand te verzoeken met doel de termen van overgave te
-arrangeeren. Baird schonk hem 36 uren wapenstilstand, op voorwaarde dat
-de buitenwerken van de stad aan hem werden overhandigd, en hij Fort
-Knokke kon bezetten, hetgeen toegestaan werd. Den volgenden dag, 10
-Januari 1806, des namiddags om 4 uur, werd de kapitulatie van Kaapstad
-geteekend, en dienzelfden avond woei de Engelsche vlag weder op het
-kasteel, om daar te waaien tot op den huidigen dag.
-
-Ondertusschen was Generaal Janssens te Hottentot Hollandsch, en scheen
-hij in twijfel te zijn geraakt wat te doen. De kleine macht ter zijner
-beschikking maakte het hem onmogelijk om iets nuttigs ten uitvoer te
-brengen, en hij was zelfs niet in staat om de bergpassen te bezetten,
-die den vijand in staat zouden stellen hem in den rug aan te vallen.
-Dat de Engelschen dit dan ook van plan waren, bleek spoedig, want reeds
-op den 12den vernam Janssens dat Stellenbosch, en de Roodezand Kloof
-door hen bezet was, en dat een regiment op weg was naar Mosselbaai om
-de Attaqua pas in bezit te nemen. Aldus aan alle kanten afgesneden,
-moest de Hollandsche generaal wel tot de conclusie komen dat er niets
-voor hem overbleef dan overgave. Maar toch kwam de eerste stap niet van
-hem, maar van den kant der Engelschen. Generaal Baird was een zeer
-achtenswaardig man, en hij schreef op den 13den een brief aan Janssens,
-waarin hij deze onder het oog bracht dat verder verzet slechts
-noodeloos bloedvergieten zou zijn, en dat hij hem aan de hand gaf of
-het niet beter was om onderhandelingen aanteknoopen voor eene eerlijke
-kapitulatie. Deze brief werd door Generaal Beresford aan den
-Hollandschen generaal gezonden, en dezen verder medegedeeld, dat, hij,
-Beresford, volmacht had om de onderhandelingen te voeren. Janssens
-wilde zich eerst overtuigen van den toestand in de Kaapstad, en vroeg
-verlof om een onderhoud te hebben met den toenmaligen secretaris van
-den politieken raad, den heer Jan Andries Truter. Dit verzoek werd
-toegestaan, en daarop besloot Janssens zich over te geven, en werd de
-kapitulatie op den 18den Januari geteekend. Bij die kapitulatie werd
-overeengekomen dat het Hollandsche leger zich met behoud van eer zou
-overgeven, en op kosten der Engelsche regeering naar Holland zou worden
-teruggezonden, en verder dezelfde voorwaarden gemaakt als beschreven
-waren in de capitulatie van Kaapstad.
-
-Op den 6den Maart verliet Generaal Janssens deze kusten, en werd voor
-goed de band verbroken die er bestond tusschen Oud-Holland en de Kaap
-de Goede Hoop. Merkwaardig is echter de brief die de dappere generaal,
-op den dag van zijn vertrek aan generaal Baird zond en waarin onder
-anderen deze uitdrukkingen voorkwamen:
-
-„Sta mij toe, mijnheer, om aan uwe bescherming aan te bevelen de
-inwoners dezer kolonie, wier geluk en welvaart de voornaamste
-onderwerpen mijner zorg zijn geweest, sedert mijne aankomst alhier, en
-die gedurende dien tijd zich geheel volgens mijne tevredenheid hebben
-gedragen. Sla in dit opzicht geen geloof aan den heer Barrow, of aan de
-vijanden der inwoners. Deze laatsten hebben hunne fouten, doch daar
-wegen hunne goede hoedanigheden ruimschoots tegen op. Door middel van
-zachtheid, door bewijzen van liefde, en vriendelijkheid kan men ze
-ongetwijfeld tot het goede leiden.”
-
-Het zou zeker een groot voordeel voor de Engelsche regeering zijn
-geweest, zoo zij wat meer geluisterd had naar den raad van den laatsten
-Hollandschen Gouverneur, en wat minder naar menschen in Engeland, die
-geen begrip van de toestanden hier hadden, of naar mannen, als Dr.
-Philip, die door hunne vooroordelen belet waren een behoorlijk besef
-van het karakter der Afrikaners te krijgen, of anders waren
-geïnfluenceerd door zelf belang en geldzucht. Maar de gevolgen van al
-deze verkeerde influisteringen zijn niet uitgebleven.
-
-Toen de „Bellona”, zooals het schip heette dat Generaal Janssens en
-zijne metgezellen naar Holland zou vervoeren, op den morgen van 6
-Maart, langzaam en statig de Tafelbaai uitzeilde, stond Jan van Eck op
-het strand van Papendorp, en tuurde hij op het schip totdat er niets
-meer van te zien was. Hij was moederziel alleen, maar zelfs al waren er
-honderd menschen geweest, dan zou hem het hart te vol zijn geweest om
-een woord te spreken. Toen echter het schip op de blauwe wateren van
-den Atlantischen Oceaan verdwenen was, liepen de tranen langs de wangen
-van den goeden eerlijken patriot, en zich langzaam omwendende, stapte
-hij in de richting van zijn huisje.
-
-Voor de eerste keer in zijn leven liet hij dien dag zijn middag eten
-onaangeroerd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-WAARUIT BLIJKT DAT MEN IN HET JAAR 1807 BANJA MAK WAS IN DE KAAPSTAD.
-
-
-Op Maandag 28 September van het jaar 1807 stapte ’s morgens om 10 uur,
-onze vriend Van Eck zeer rustig van zijne woning naar de stad, en
-wendde zich daar dadelijk naar het stadhuis op het zoogenoemde
-Groenteplein, waar het stadhuis stond, hetzelfde gebouw dat nu nog voor
-dat doel wordt gebruikt, totdat het groote en trotsche gebouw, dat men
-bezig is op het Caledonplein te bouwen, voor gebruik geschikt is. Het
-was in den laatsten tijd iets zeldzaam geweest, dat Van Eck in de stad
-kwam; hij was er sinds wij hem eerst hebben ontmoet heel wat ouder op
-geworden, en ouderdom komt met gebreken. Gebreken, in den eigenlijken
-zin van het woord had de oude man nu niet, want zijne gezondheid was
-nog uitmuntend; doch zijne knieën waren wat stram geworden en het
-loopen viel hem niet meer zoo gemakkelijk. Maar wat hem voornamelijk
-van de stad weghield, was niet de toestand van zijn lichaam, dan wel de
-toestand zijns geestes.
-
-Vurig Afrikaander als altijd, een man van vaste beginselen, kon hij
-niet klaarkomen met de Engelsche heerschappij in de kolonie, en
-verlangde hij immer terug naar de oude dagen der Hollanders, al wist
-hij bij ondervinding welke abuizen dat Hollandsch bestuur met zich had
-meegebracht. Van zijne oude vrienden waren verscheidene overleden, en
-anderen hadden de dagen van vroeger vergeten, en leefden in het
-tegenwoordige, als gewone menschen, wier plicht het op deze aarde is om
-voor vrouw en kinderen te zorgen, en die dit dan ook zoo goed mogelijk
-doen, zonder zich te bekommeren over zulke lastige dingen als
-beginselen. Zulke menschen worden gewoonlijk als de verstandigsten door
-hunne medeburgers beschouwd; zij komen gewoonlijk in de wereld vooruit,
-en laten dikwijls een heel aardig fortuintje aan hunne kinderen na, om
-daarop als eerlijke en brave burgers met alle statie te worden
-begraven, met een begeleidend paragraafje in de nieuwsbladen. Dat is nu
-eenmaal ’s werelds loop, en die dit niet volgt, dien beschouwt men als
-dwaas, of eccentriek. Doch het ongeluk was dat Van Eck zich niet kon
-gewennen aan deze wijze van denken en handelen, en dat hij eene diepe
-verachting had voor zulke menschen, en die verachting geenszins
-verheelde. Dit bracht hem dikwijls in onaangenaamheden, en dus begon
-hij langzamerhand een zeer afgezonderd leven te leiden, en ging hij met
-zeer weinig menschen om. Nu en dan ontving hij een bezoek van een der
-weinig hem trouw geblevene vrienden, vooral uit de distrikten in het
-oosten, en met deze gezelsde hij dan heerlijk over de goede oude
-tijden, en besprak men den algemeenen toestand van zaken.
-
-Dat hij heden in de stad was, had dan ook zijne bijzondere redenen. De
-gouverneur der Kaapkolonie, Graaf Caledon, had eenigen tijd geleden
-eene proklamatie uitgevaardigd, waarin hij alle inwoners der kolonie
-opriep om zich op zekere bepaalde dagen aantegeven bij een paar
-vastgestelde plaatsen, om aldaar optegeven het aantal personen van hun
-huishouden, van hun slaven, enz. enz. Feitelijk dus zoo iets als wat
-men thans een Census zou noemen. Voor de Kaapstad was die dag bepaald
-van af den 1sten tot 29sten September, en als plaats, het stadhuis op
-het Groenteplein. De meeste burgers hadden zich reeds lang aangegeven,
-schoon er niet weinige waren, die dit met geen gerust hart deden.
-Sommige menschen keurden deze wijze van handelen af, als in strijd met
-den Bijbel, daar de heer David had gestraft, wegens het houden van eene
-volkstelling der Israelieten; anderen weder waren van opinie dat de
-regeering met deze opgave geen ander doel had dan om te kunnen weten
-hoe zwaar eene belasting zij op het volk zou kunnen opleggen. Maar wat
-men ook van de zaak dacht, men gehoorzaamde het bevel zonder hoorbaar
-morren, omdat men machteloos was. Ook Van Eck meende dat er iets achter
-deze zaak zat, maar ook hij moest gehoorzamen; om zich echter eenige
-voldoening te geven had hij zijne aangifte uitgesteld tot op het
-laatste oogenblik, althans nagenoeg, en kwam hij dus op den
-voorlaatsten dag. Er waren nog eenige andere burgers, die om de eene of
-andere reden de zaak hadden uitgesteld, en toen dus onze vriend op het
-Groenteplein kwam, vond hij daar verscheidene personen, die hij kende.
-Hij groette hen beleefd, en ging toen dadelijk het gebouw binnen, om
-aan den heer Van Rijneveld, die met twee der leden van de Burgersenaat,
-een soort van Commissie vormde, om de opgaven te doen aanteekenen, zijn
-eigendom aantegeven, en daar dit niet veel was, was hij spoedig weder
-op het plein, waar hij thans een der aldaar staande groepjes naderde.
-Dat groepje bestond uit drie personen, twee waarvan Jan van Eck goed
-kende, als zijnde de barbier of chirurgijn Bözenberg, en de heer E. B.
-Ziervogel, terwijl de derde hem vreemd was, doch hem door den heer
-Bözenberg werd voorgesteld als Dr. Kriegler van Wagenmakersvlei, de
-plek die wij thans kennen als Wellington, en reeds toen een vrij
-bloeiende streek, schoon het nog geen eigenlijk dorp was. Men was
-spoedig in een gesprek gewikkeld, doch daar de zon wat heet begon te
-worden, al was het nog maar September, sloeg de heer Bözenberg voor dat
-men zich naar zijn huis en barbierswinkel zou begeven, die niet ver van
-het plein, in de korte Marktstraat, was gelegen. Hierin namen de
-aanwezigen genoegen, schoon eerst Van Eck zeide haastig te zijn, en
-liever dadelijk naar huis te willen teruggaan. Toch haalde de heer
-Bözenberg, met wien de oude man goed bevriend was, hem zonder veel
-moeite over om hen te vergezellen, en een oogenblik later zaten de vier
-heeren rustig in een kamer van het huis van den barbier, en
-verfrischten zich met een bittertje.
-
-„Gij zijt tegenwoordig geheel en al een vreemdeling in de stad,
-mijnheer Van Eck,” zeide de heer Ziervogel, toen zij rustig gezeten
-waren. „Och”, hernam de aangesprokene, „ik heb tegenwoordig zeer weinig
-te doen in de stad, en voor mijn genoegen kom ik er zeker niet, want
-als ik het kasteel passeer, en daar de Engelsche vlag zie waaien dan
-kookt het mij in de borst, en komen er in mij gedachten op, die voor
-een oud man als ik, die reeds aan ’s werelds loop behoort gewoon te
-zijn, niet passen.”
-
-„Nog steeds dezelfde van altijd Mijnheer Van Eck”, viel de heer
-Bözenberg den spreker in de rede, „zult gij u nooit gewennen aan de
-verandering, die in de laatste jaren hier heeft plaatsgevonden, en die
-toch in menig opzicht eene groote verbetering is op den vorigen
-toestand”.
-
-„Ik weet niet wat gij met eene verbetering bedoelt”, zeide Van Eck
-weder; „als gij daarmede te kennen wilt geven dat er thans niet zooveel
-schaarschheid van geld heerscht als vroeger, en men gemakkelijker zijn
-brood kan verdienen, zoo hebt gij misschien gelijk, alhoewel ik daarvan
-niet uit persoonlijke ondervinding kan spreken. Ik hoor zulks echter
-van anderen, die mij vertellen, dat er in jaren lang niet zooveel
-kontant geld in de kolonie was, als thans, en dat ook de boeren een
-veel beteren prijs krijgen voor hunne produkten dan tien jaren geleden
-het geval was. Maar of dit op zich zelve eene verbetering is, dat
-betwijfel ik. Naar mijn bescheidene opinie weegt dat zoogenaamde
-voordeel niet op tegen het feit dat wij thans de onderdanen zijn van de
-Engelschen, en dat wij onze vrijheid, het kleinood waarvoor onze
-vaderen vroeger zooveel stroomen bloeds vergoten, hebben verloren”.
-
-„Maar zeker zoudt gij toch niet de euvele dagen van Jan Compagnie
-willen terughebben”, zeide de heer Ziervogel. „Niemand kent die dagen
-beter dan gij, en niemand weet beter wat de burgers onder de compagnie
-hebben geleden”.
-
-„Ongetwijfeld waren er tijden, wanneer onze burgers veel leden onder
-Jan Compagnie, vooral in de laatste twintig jaren vóór 1793, maar toch
-waren die tijden in menig opzicht te verkiezen boven de tegenwoordige.
-Had men in die tijden een goede gouverneur zooals Swellengrebel of
-Vader Tulbagh, dan was het hier goed, en zelfs als hier een minder
-goede gouverneur was, dan kon men zich wenden tot de heeren directeuren
-in Patria, die, al waren zij niet altijd op de hoogte van de zaken
-alhier, toch steeds gewillig waren om naar onze grieven te luisteren.
-Herinner u maar eens in de dagen van Gouverneur van Plettenberg, hoe
-wij een commissie naar Patria zonden, en werkelijk wij toch een
-gedeelte kregen van wat wij hadden verzocht. En Jan Compagnie zijn rijk
-was uit in 1803, en toen de Mist en Generaal Janssens hier kwamen,
-scheen het waarlijk dat wij een beteren tijd tegemoet gingen. Maar het
-oude vaderland heeft ons verlaten, en niets heeft mij meer droefheid
-veroorzaakt dan het feit dat Keizer Napoleon zoo weinig voor ons heeft
-gedaan. En waar zijn wij nu? Wat kunnen wij nu doen? Wij hebben hier
-een gouverneur die een soort van despotische macht heeft, en van wiens
-beslissingen wij in geen hooger beroep kunnen komen. Wij moeten maar
-als hulpelooze slaven zijne bevelen uitvoeren, want anders is er boete
-en tronkstraf, of wordt men naar Botany Baai gezonden, zooals men aan
-Cornelis Edeman heeft gedaan. En dit alles verdragen de Kapenaars, en
-zij durven er niet tegen te pruttelen”.
-
-„Waarom zouden wij op het oogenblik pruttelen”, hernam de heer
-Ziervogel weder, „wij hebben toch waarlijk geen reden daartoe. Gij zijt
-onpraktisch, mijnheer van Eck, en streeft naar het onbereikbare. Men
-moet in het leven de dingen nemen zooals ze zijn, en er het beste van
-maken. Bovendien hebben wij allen onze plichten te vervullen tegenover
-onze familiën, en het zou dwaas van ons zijn om die familiën, in het
-ongeluk te storten, omdat wij bevinden dat de zaken niet gaan
-overeenkomstig onze beginselen. Gij hebt gemakkelijk spreken. Kind noch
-kraai hebt gij, om voor te zorgen: geregeld trekt gij uwe renten,
-alzijn ze niet veel: uwe behoeften zijn weinig en gij kunt ze voldoen,
-en als de dood u van deze aarde weg rukt, dan laat gij niemand achter
-die uwe zorg zal missen. Maar wij zijn niet allen in die gelukkige
-positie, en daarom kunnen wij uwe beginselen niet aannemen, al erkennen
-wij dat ze grootsch zijn.”
-
-Jan van Eck lachte; het was een bittere lach; een lach waarin
-medelijden en verachting als gemengd lagen, een lach die geen
-aangenamen indruk maakte op diegenen voor wie hij gemeend was. De oude
-man zweeg een oogenblik, en zeide toen:
-
-„Het was een waar woord dat Christus sprak toen hij zeide: „Gij kunt
-niet God en den Mammon dienen”. De geldzucht, en de bekoorlijkheden des
-levens hebben te veel aantrekkelijkheid voor ulieden, en gij verkiest
-het oogenblikkelijke en gemakkelijk te bereiken voordeel, boven het
-grootere voordeel dat slechts te verkrijgen is door een tijdperk van
-lijden, van angst, en van moed. Het ontbreekt u aan zedelijken moed:
-dat is de geheele zaak. Denkt eens terug aan de tijden van den
-tachtigjarigen oorlog; zou die ooit in de geschiedenis zijn beschreven
-als onze voorouders ook zoo hadden geredeneerd als gij thans doet. Als
-zij zich goedwillig aan den tiran hadden onderworpen, en het Roomsche
-geloof hadden aangenomen, dan zou het hun in de wereld ook veel beter
-zijn gegaan, en was hun veel lijden bespaard; maar dan zouden zij met
-den loop der tijden als een volk van de aarde zijn verdreven, en hun
-plaats zou niet meer gekend zijn. Voor hen persoonlijk zou het
-misschien beter zijn geweest, maar de wereld en de menschheid, en hun
-nageslacht zouden er onder geleden hebben; want heden erkennen wij wel
-dat zij vreeselijk hebben geleden doch wij zijn er hun dankbaar
-voor.... Maar laten wij voor het oogenblik dit punt laten varen, want
-ik gevoel dat ik meer zal gaan zeggen, dan zelfs een oud man geoorloofd
-is, ook onder zijne landgenooten. Laat ik u liever vragen of gijlieden
-mij niet iets nieuws kunt vertellen uit Europa. Ik heb in geen drie
-maanden iets uit Patria gehoord, en geen nieuwsblad is mij ter hand
-gekomen. De Engelsche taal ben ik niet machtig, en dus kan ik niet de
-berichten lezen die in de Engelsche bladen staan. Hoe staat het met de
-zaken in Europa?”
-
-De heer Ziervogel antwoordde op deze vraag, en zeide: „Uit brieven die
-ik uit Patria ontvangen heb, schijnt het mij toe dat de zaken op het
-oogenblik niet erg gunstig voor de verbondene mogendheden staan. Zooals
-gij weet heeft Keizer Napoleon verleden jaar Oostenrijk een geduchte
-nederlaag toegebracht, en daarop is het Engeland dat steeds dapper den
-strijd tegen den Franschen Keizer volhoudt gelukt, om Pruisen en
-Rusland te bewegen de wapenen tegen den overheerscher op te vatten.
-Napoleon heeft echter zoowel de Pruisen als de Russen geheel verslagen,
-en deze zijn thans bezig vrede te sluiten, en dat op voorwaarden, die
-zeer vernederend voor Pruisen zijn. Wat Rusland aangaat, zoo schijnt
-men in Engeland te vreezen, dat het Napoleon gelukt is om den keizer
-van Rusland zoodanig om te praten, dat deze zijn vriend en ondersteuner
-zal worden, en als dit werkelijk het geval is, dan is er vooreerst niet
-veel kans om den Franschen keizer tot den val te brengen”.
-
-Jan van Eck zweeg een oogenblik, en zeide toen: „Gij weet dat ik
-geenszins mij met u vereenig omtrent de afkeuring die gij schijnt te
-koesteren aan de daden van den Franschen keizer; als het voor niets
-anders is dan omdat hij tracht de Engelschen op hun plek te zetten, dan
-zou ik reeds daarvoor alleen hem eeren: maar naar mijn beschouwing
-heeft Europa een man als Napoleon noodig om er de zaken in orde te
-houden. Doch wat mij steeds getroffen heeft, is dat Napoleon het niet
-een voornaam deel van zijn politiek heeft gemaakt om op goeden voet te
-blijven met Rusland. Dit zou hem weinig moeite hebben gekost, want als
-hij slechts Rusland de vrije hand had gegeven op het Turksche
-schiereiland, en in Azië, dan zou Rusland hem daarvoor de vrije hand
-hebben gegeven in westelijk Europa, en dan zou hij zijn machtigsten
-tegenstander hebben kwijtgeraakt, terwijl tevens hij Engeland
-onschadelijk zou hebben gemaakt, want Rusland zou zich dan oostwaarts,
-in de richting van Indië hebben uitgebreid, en daardoor in botsing zijn
-gekomen met Engeland, dat natuurlijk zijn Indische heerschappij niet
-kan prijsgeven”.
-
-„Ik ben niet genoegzaam op de hoogte van de politieke kwesties van het
-hedendaagsch Europa, om een oordeel te kunnen vellen over deze zaak”
-merkte de heer Bözenberg aan, „maar ik geloof niet dat Napoleon dat
-goede doet, dat de heer Van Eck veronderstelt dat hij doet; hij schijnt
-mij een oorlogszuchtig en heerschzuchtig mensch te zijn, die reeds het
-leven van duizenden menschen heeft verspild, en dat van duizenden meer
-zal verspillen, vóór wij met hem klaar zijn. En ik ben niet van opinie
-dat wij er beter aan toe zouden zijn als Engeland het tegen den keizer
-der Franschen verloor. In een land als dit, bijvoorbeeld, moet men
-grootendeels van den handel leven, en Engeland, als de eenige zeemacht
-van belang in deze dagen, is ook de eenige natie die in staat is om
-onzen handel te beschermen. Als de Engelsche vloot de zeeën niet
-beheerschte, zouden wij op het oogenblik niets uit Europa kunnen
-krijgen, en zou de handel in dit land kwijnen. Dat zult gij toch moeten
-instemmen, mijnheer Van Eck?”
-
-„De handel mag er misschien onder lijden, en de stedeling mag het
-minder goed hebben, maar ik geloof, dat dit land niet afhankelijk
-behoort te zijn van den handel. De ware goudmijn van deze kolonie ligt
-bij de boerderij, en zoover ik kan zien heeft die niet gewonnen door de
-Engelsche bezetting van het land”.
-
-„Neen, dat is toch wel wat dwaas, om zoo iets te zeggen, mijnheer Van
-Eck,” viel de heer Ziervogel in; „heeft de boer het dan niet veel beter
-dan hij het vroeger onder het bestuur van Jan Compagnie had? Krijgt hij
-niet veel meer voor zijne produkten dan hij vroeger kreeg? Heeft hij
-thans niet contant geld in huis, terwijl een jaar of wat geleden hij
-niets kreeg in betaling zijner goederen dan wat beetje papierengeld,
-dat niet zijn volle waarde had?”
-
-De oude Kapenaar en vereerder van Rousseau lachte op treurige wijze, en
-sprak: „Gij laat u allen door den schijn verleiden, en gij wordt geheel
-en al doordrongen door dien ellendigen geest van koopmannij, die
-tegenwoordig het geheele Engelsche volk kenmerkt, en die nog tot de
-allertreurigste gevolgen zal leiden voor dit land. De kwestie is niet
-of de boer wat meer of wat minder geld krijgt voor zijn produkten, maar
-wel of hij iets te zeggen zal hebben in het bestuur van het land. Hij
-is de groote grondeigenaar van het land, en van zijn welzijn hangt ook
-het welzijn van het land af, dat hij aangelegd heeft. En denkt gij dat
-hij thans de kans heeft, om dit te doen? Engelsche denkbeelden winnen
-hier veld op meer dan eene manier, en onder die denkbeelden behoort de
-verkeerde behandeling der kleurlingen in dit land. Een der eerste
-behoeften voor den boer in dit land is, dat hij genoegzaam werkvolk
-hebbe, om hem in staat te stellen zijn boerderij goed te drijven. Maar
-wat vindt men thans in de kolonie? Dat de zendelingen, die ondersteund
-worden door de Britsche regeering, het volk aanlokken om te gaan wonen
-in en op de zendelingstaties, waar zij een lui en lekker leven voeren
-en dan geen lust hebben om zich aan den boer te verhuren? Deze
-zendelingstaties zijn, zooals ik nog onlangs uit het distrikt
-Swellendam hoorde, niets anders dan verzamelplaatsen voor dieven, want
-de Hottentot die niet werkt moet, om aan den kost te komen, het vleesch
-van den boer stelen, en menig schaapje en menige bok raakt op die wijze
-spoorloos verdwenen. Zoolang dat duurt kan de boer niet vooruitgaan. En
-dan schijnen de Engelschen geen slag te hebben om met de Kaffers om te
-gaan, en houden zij die de hand boven het hoofd. Het lijkt dikwijls
-alsof de Engelschen, afgaande op wat de zendelingen hun vertellen, de
-Kaffers als hunne broeders beschouwen, en meer van hem denken dan van
-den Afrikaanschen boer”.
-
-„Maar, mijnheer Van Eck, als de Engelschen de Kaffers dan als hun
-broeders beschouwen, hebben zij dan daar niet gelijk aan? Gij behoordet
-toch waarlijk de laatste man te zijn die iets daartegen zoudt
-inbrengen, want leert uw groote leermeester, Jean Jacques Rousseau ons
-niet dat alle menschen broeders zijn, en zijn vrijheid, gelijkheid, en
-broederschap, niet de hoofdbeginselen van zijn wijsgeerigheid?” Het was
-de heer Bözenberg, die Van Eck deze slimme vraag deed, en tot groot
-vermaak der aanwezigen scheen zij voor het oogenblik onzen vriend van
-zijn stuk te brengen, en kon hij niet dadelijk antwoord geven. Hij
-maakte zich echter gereed om dit argument tegen te spreken, toen juist
-op dat oogenblik de vrouw van de heer Bözenberg de kamer inkwam, en
-deed weten dat het eten op tafel was, en dat alle aanwezigen welkom
-zouden zijn, want in de oude dagen van Kaapstad was men bijzonder
-gastvrij, en wie ook op het uur des maaltijds in het huis aanwezig was,
-werd steeds als gast ter tafel genoodigd.
-
-Of het gesprek een wending had genomen, die den heer van Eck niet
-beviel, of dat hij uit zijn humeur was over de laatst gemaakte
-aanmerking, laat zich hier niet uitmaken, maar in alle geval nam hij de
-uitnoodiging om bij de familie Bözenberg te dineeren, niet aan, en
-zeide hij dat hij nog een paar commissies moest doen, en haastig was om
-naar huis te komen, waar zijn jongen op hem wachtte. Hij nam dus
-afscheid, en ging de straat op in de richting van de Parade, en wie hem
-van nabij had gevolgd, had kunnen hooren dat hij bij zich zelve als
-volgt mompelde:
-
-’t Wordt me hier een mooie boel in de Kaapstad; de lui zijn zoo pap als
-maar mogelijk is, en beginnen voor niets anders te leven dan om geld te
-maken. Kracht en liefde voor het land zit niet meer bij ze, en allen
-worden langzamerhand van dat ellendige zuurdezem van den handel
-doortrokken. Als het tegenwoordige geslacht zich reeds in zulk een
-korten tijd begint te veranderen, dan zal ik wel graag willen weten,
-wat er van het toekomende geslacht zal worden. Van die zal men ook wel
-kunnen zeggen, als zij opgegroeid zijn, „Plus royaliste que le roi”.
-(Nog meer koningsgezind dan de koning zelve).
-
-En de heer Van Eck toonde met het maken van die aanmerking, dat hij met
-een prophetischen geest was bezield.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-EEN VERHAAL VAN EEN SLAVEN OPSTAND AAN DE KAAP.
-
-
-Wat wij in dit hoofdstuk gaan vertellen, waarde lezers, is niets meer
-of min dan een afschrift uit het dagboek van Jan van Eck, dat is te
-zeggen, wij hebben bijna precies overgenomen wat er in dat dagboek
-geschreven staat, maar slechts hier en daar het Hollandsch in een meer
-moderne vorm gegoten, omdat wij gelooven dat anders onze lezers moeite
-zouden hebben, om de eenigszins verouderde taal van het dagboek te
-verstaan.
-
-Voor wij echter beginnen, moeten wij hier verder aanmerken, dat het
-blijkt dat Jan van Eck zijn tijd eenige dage heeft doorgebracht met het
-luisteren naar de zaak van de slaven, die in den hieronder beschreven
-opstand hadden deel genomen, en dat hij daarop waarschijnlijk uit
-aanteekeningen door hem gehouden over de getuigenissen in de zaak, een
-verhaal heeft opgetrokken van het gebeurde, naar hij zelf zegt, om het
-nageslacht te toonen, dat deze slaven opstand nooit zou hebben plaats
-gevonden, als het niet was geweest, dat een Engelschman het denkbeeld
-had geopperd, daar, (zooals Van Eck terecht aanmerkt) de slaven in de
-kolonie in het algemeen zeer goed werden behandeld, en uit henzelven
-nooit tot een opstand zouden zijn gekomen. Maar laten wij hem zelve
-zijn storie vertellen.
-
-Omtrent de maand Juli van het jaar 1808 woonde er te Kaapstad een
-zekere Louis, een slaaf, origineel afkomstig van het eiland Mauritius
-doch reeds een geruimen tijd hier. Hij was een slaaf van jufvrouw
-Kirsten, eene vrouw die van haar man gescheiden leefde, en die geen
-dienst hebbende voor Louis, dezen toeliet voor anderen te werken, op
-voorwaarde dat hij een deel van zijne verdiensten wekelijks aan zijne
-eigenares afstond, eene gewoonte die dikwijls in de Kaapstad gevolgd
-wordt, en haren oorsprong heeft in het Romeinsche recht. Louis nu was
-gehuwd, of leefde in alle geval met eene vrije vrouw, Anna genaamd, die
-zelve vroeger slavin was geweest maar door haren eigenaar
-geëmancipeerd, dat is vrij gemaakt, was. Het schijnt dat deze vrije
-vrouw haren echtgenoot had gehuurd van diens meesteres, en haar
-daarvoor een zekere vaste som per week betaalde, en het werk dat Louis
-deed voor Anna, bestond in het drijven en zorgen voor een wagen en
-paarden, die Anna uithuurde aan andere menschen voor het vervoeren van
-goederen en dergelijke werken. Louis was wel een slaaf, maar hij
-schijnt niet geheel gekleurd te zijn geweest; in waarheid was hij zoo
-licht van kleur dat een gewoon mensch hem voor een blanke zou aanzien,
-en waarschijnlijk was hij de onechte zoon van den een of andere blanke
-van Mauritius. Om in de kosten van hun huishouden te voorzien had Anna
-een paar kostgangers aangenomen, meest werklieden van den lageren
-stand, en onder die kostgangers bevond zich een Ier, James Hooper
-genaamd. Deze schijnt iemand geweest te zijn die veel gehoord en
-gelezen had van den opstand in Ierland in 1798, schoon hij aan dien
-opstand zelf geen deel heeft kunnen nemen, daar hij ten tijde dat dit
-verhaal begint nog maar 26 jaar oud was. Hooper had menig gesprek met
-Louis, en vervulde dezen met belachelijke denkbeelden van vrijheid, en
-als vanzelf kwam men natuurlijk te spreken over den afhankelijken
-toestand der slaven in de kolonie, en over de pogingen, die toen reeds
-in Engeland door zekere personen werden aangewend tot vrijmaking der
-slaven in het Britsche rijk. Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat
-deze gesprekken een geweldigen invloed hadden op het licht ontvlambare
-gemoed van Louis.
-
-Het duurde dan ook niet lang of de man van Mauritius begon met Hooper
-de mogelijkheid te bespreken van het aan den gang zetten van een
-slavenopstand, en Hooper was geenszins ongewillig om op dit plan in te
-gaan. Een weinig nadenken bracht hen spoedig tot de overtuiging dat het
-gekheid zou zijn om zoo iets te beginnen in de Kaapstad, waar er
-toenmaals niet minder dan 5000 soldaten in garnizoen lagen, en waar
-bovendien er groot gevaar bestond voor het uitlekken hunner plannen.
-Louis had echter een goede kennis, een zekere Abraham, slaaf van den
-heer Jan Wagenaar, die uitmuntend bekend was met het Zwartland, waar
-hij vroeger gewoond had. Deze Abraham werd nu in het geheim genomen, en
-men kwam ten laatste tot een besluit, namelijk dat Hooper en Abraham
-een reis zouden ondernemen naar het Zwartland, en zich vergewissen van
-de gevoelens onder de slaven der boeren aldaar, en Abraham daar dan
-voornamelijk zou spreken met eenige slaven die hij er kende. Dit plan
-werd op de volgende slimme wijze ten uitvoer gebracht. In het begin van
-de maand October gingen Hooper en Abraham op reis naar de plaats van
-den heer Pieter Louw in Zwartland, waar familie van Abraham woonde.
-Hooper gaf voor een Engelsche heer te zijn die voor zijn pleizier een
-reisje in die streken deed, en door zijn bediende Abraham, die tevens
-als tolk diende, vergezeld was. Abraham was met den heer Louw bekend en
-Hooper werd dan ook met alle gastvrijheid door den niets vermoedenden
-boer ontvangen en uitmuntend behandeld. Men bleef een paar dagen op de
-plaats, en Abraham besteedde zijn tijd nuttig en kwam tot de
-overtuiging dat er alle kans was dat hun plan zou slagen, en zij een
-aantal aanhangers zouden krijgen als de zaak maar één keer aan den gang
-was gezet.
-
-Toen deze twee lieden te Kaapstad terugkwamen, hadden zij weer een
-gesprek met Louis, en besloten toen om nog een vierde deelgenoot in het
-komplot te nemen, namelijk een tweeden Ier, zekeren Michael Kelly, een
-matroos, of liever gezegd gewezen matroos van een Engelsch schip, die
-eenig begrip had van militaire zaken. De vier vrienden begonnen thans
-hunne maatregelen te nemen, en zij lieten geen tijd verloopen om hun
-plan ten uitvoer te brengen. Op den 24sten October reeds, vroeg in den
-morgen ging James Hooper naar een zekeren Hendrik Matfeld, een half
-gekleurden maar vrijen man, die in het bezit was van een wagen en acht
-paarden, waarmede hij gewoon was menschen te brengen naar Paarl,
-Simonsstad, en dergelijke naburige plaatsen. Hooper zeide hem dat hij
-een baantje voor hem had daar er een Engelsche officier was, die naar
-eenige plaatsen in Zwartland wilde gaan. en voor dat doel een wagen
-verlangde. Hooper en Matfeld waren het spoedig eens over den prijs, en
-er werd bepaald dat den volgenden morgen vroeg, hij zou komen aan het
-huis van Louis, waar hij zijn passagiers zou ontvangen.
-
-Intusschen hadden Louis en Hooper zich twee uniformen aangeschaft, een
-met gouden, en een met zilveren epauletten, en ook een groote en een
-kleine sabel verkregen, en toen den volgenden morgen, de wagen van
-Hendrik Matfeld op de bepaalde plaats aankwam, klommen Hooper en Louis,
-beiden in uniform aangekleed in het voertuig, en vertrok men in de
-richting van Zwartland. Bij Zoutrivier ontmoette men als bij toeval
-Kelly en Abraham, die ook daarop in den wagen klommen, alsmede ook een
-zekere Adonis, een slaaf, die eenige tijd geleden van zijn baas gedrost
-was, maar aan Abraham bekend was. Adonis deelde men daarop het plan
-mede, en hij betoonde zich geheel gewillig om er deel aan te nemen. Men
-reed nu door, maar langs den weg werd er verscheidene malen
-stilgehouden, en teutte men zoo, dat de drijver van den wagen, zekere
-David, eenigszins gemelijk te kennen gaf, dat als men op die wijze
-voortging, men nooit dien avond weer in de Kaap zou zijn. Louis zeide
-dat David zeker zijn baas verkeerd had verstaan, want de wagen was voor
-vijf dagen gehuurd, en Hooper had daarvoor niet minder dan 100
-rijksdaalders aan Matfeld betaald, wat later bleek een brutale leugen
-te zijn. Maar daar zoowel Hooper als Kelly beweerden tegenwoordig te
-zijn geweest, toen dit accoord gesloten was, kwam David werkelijk tot
-de gedachte dat hij zijn baas verkeerd verstaan had, en reed hij door
-naar de plaats Brakkefontein, waar men in het veld uitspande. De
-volgenden dag werd de reis voortgezet, en tegen den middag bereikten
-zij de plaats van Pieter Louw, waar Hooper en Louis uit het rijtuig
-klommen, en naar het huis gingen om te vragen of de heer Louw thuis
-was. De afspraak die de schelmen hadden gemaakt, was, dat zoo Louw
-werkelijk thuis was, zij een gesprek met hem zouden aanknoopen, maar op
-een gegeven teeken allen hem zouden aanvallen en hem binden. Het
-ongeluk wilde echter dat Louw niet thuis was, waarop Hooper aan
-jufvrouw Louw Louis voorstelde als een Spaanschen zeekapitein, die geen
-Hollandsch of Engelsch verstond, en zich zelve uitgaf als een zijner
-officieren. De goede jufvrouw Louw geloofde dit verhaal en ontving hare
-gasten op de gewone vriendelijke Afrikaansche manier. Zij verzorgde
-hunne paarden, en gaf de personen dien avond een uitmuntende slaapplek.
-Terwijl zij op de plaats waren, gingen Louis en Abraham stilletjes naar
-de slaven, en hadden een gesprek met zekeren Japhta, een slaaf van
-Louw, die reeds vroeger door Abraham in het geheim was ingewijd, en met
-wien men nu verdere maatregelen besprak.
-
-De twee blanken schijnen echter of door vrees te zijn bekropen, of het
-gevaarlijke hunner positie te hebben ingezien. In alle geval blijken
-zij niet den moed te hebben gehad om het plan door te zetten, en den
-volgenden morgen vroeg, toen Louis en Abraham nog sliepen, vertrokken
-zij heimelijk van de plaats, maar niet zonder eerst Louis van zijn
-uniform, zijn sabels en epauletten te hebben ontroofd. Daar deze twee
-blanken niet meer in het verhaal zullen voorkomen, zal ik maar dadelijk
-hier melden, dat deze één dag bij elkander bleven, maar eenige wagens
-ziende aankomen verborgen zij zich, en dat wel zoo goed, dat zij later
-elkander niet konden vinden, en dus ieder huns weegs gingen. Hooper
-ging in de richting van Saldanha baai, en werd daar door eenige
-dragonders die er gestationeerd waren, gevangen genomen en later naar
-Kaapstad vervoerd. Kelly kwam kort daarop ook te Saldanha baai aan, en
-onderging hetzelfde lot.
-
-Wat de anderen betreft, zoo was Abraham dien morgen het eerste op de
-been, en na Louis te hebben gewekt, hielden zij een korte
-beraadslaging, waarin zij tot het besluit kwamen, om niettegenstaande
-het verraad hunner blanke deelgenooten, toch met hun plan voort te
-gaan. Met dat doel verzamelde Abraham eenige der slaven van den heer
-Louw, liet de wagen waarmee ze gekomen waren weder inspannen, en
-vertrok daarop van de plaats. Louis begon nu dadelijk een anderen toon
-aan te slaan, en gelastte het nog op de plaats zijnde volk om de wagen
-van Louw intespannen, met de paarden die in den stal stonden, en hoewel
-jufvrouw Louw, die thans onraad bemerkte, zich ten sterkste hiertegen
-verzette, gaf het volk aan de bevelen van Louis gehoor, en daarop
-vertrok men, versterkt door tien der slaven van Louw, naar de plaats
-van den heer Willem Basson, die niet ver daar van daan lag. De heer
-Basson was ook niet te huis, en de oproerlingen door deze omstandigheid
-aangemoedigd, draalden nu niet om in hun ware gedaante voor den dag te
-komen. Den jongeren broeder van Basson werd door hen gegrepen en
-vastgebonden, en daarop lieten zij ook hier de wagen van den eigenaar
-inspannen. Niet tevreden met deze geweldenarijen, braken zij een aantal
-der kamers van het huis open, haalden alle wapenen, en schiettuig er
-uit, en trachtte ook de vrouw van den heer Basson, en eene andere vrouw
-op de plaats wonende te vangen en te binden, zeggende dat zij bevelen
-hadden van den Gouverneur, en van den Fiskaal om alle blanken in het
-district gevangen te nemen en naar Kaapstad te brengen. Het gelukte
-echter aan de twee vrouwen om te ontsnappen. Daar de opstandelingen
-blijkbaar geen tijd wilden vermorsen met het zoeken naar de vrouwen,
-deden zij geen moeite daartoe, maar namen een aantal paarden van de
-plaats met zich, en begaven zich toen op weg naar de woning van Pieter
-Basson, die slechts een kleinen afstand van daar woonde; de gevangene
-broeder van Willem Basson namen zij gebonden, en in den wagen geworpen,
-met zich mede. Op den weg naar de plaats van Pieter Basson, ontmoetten
-ze dezen laatsten met zijn wagen, en verplichtten hem door hem met den
-dood te bedreigen, om zich aan hen overtegeven, waarop zij ook hem
-bonden, op zijn eigen wagen laadden, en dien ook medevoerden. Het
-bezoek op zijne plaats werd echter niet nagelaten, en zij maakten daar
-een kwantiteit geweren, kruit en hagel buit.
-
-De onverlaten gingen nu naar de plaats van den heer Johannes Louw, en
-nauwelijks waren zij daar aangekomen, of zij overrompelden den
-eigenaar, bonden hem vast, en wierpen hem in een der wagens; en daarop
-braken zij in het huis, en stalen al het geld dat er te vinden was, dat
-echter niet meer was dan omtrent 150 rijksdaalders; een aanzienlijke
-hoeveelheid ammunitie en kleederen viel ook in hunne handen. De meeste
-slaven van Louw sloten zich bij de opstandelingen aan, en dat wel omdat
-zij waarlijk geloofden dat Louis door de regeering was gezonden om de
-blanken gevangen te nemen en naar de Kaap te vervoeren. De thans meer
-dan vijftig man sterke macht trok nu naar de plaats van den heer Pieter
-van der Westhuizen. Hier gedroegen de kleurlingen zich zoo erg
-mogelijk, want niet alleen dat zij Van der Westhuizen bonden, maar zij
-mishandelden ook zijne vrouw op schandelijke wijze, en gingen zich te
-buiten aan den drank die zij in de kelders vonden.
-
-Na nog twee plaatsen te hebben bezocht, waar zij heel wat versterking
-ontvingen, werd de bende door hun aanvoerder Louis verdeeld in twee
-gedeelten, één waarvan onder zijne aanvoering bleef, en de andere onder
-het gezamentlijk bevel van twee slaven Adonis en Jonas werd gesteld,
-waarop elke bende toen zijns weegs ging, nadat men afgesproken had, dat
-men elkander weder op een zekere plek zou ontmoeten, om vereenigd
-daarvandaan naar Kaapstad op te trekken, dat men dan hoopte te
-overvallen en te veroveren.
-
-Ik kan niet hier al de plekken opnoemen die door deze woestelingen
-werden bezocht; genoeg zij te zeggen dat zij op niet minder dan 34
-plaatsen in het tegenwoordige Koeberg en zuidelijk gedeelte van
-Zwartland geweld pleegden, altijd dezelfde storie herhalende, namelijk
-dat zij handelden op last van den Gouverneur en den Fiskaal, waardoor
-zij niet weinige aanhangers kregen, die anders zeker zouden geaarzeld
-hebben om tegen hunne meesters op te staan. Bloed werd er gelukkig in
-dezen opstand niet vergoten; de weerspannige slaven bepaalden zich tot
-het knevelen hunner heeren in de meeste gevallen, het stelen van
-goederen, voornamelijk van ammunitie, geweren, kleederen en
-dergelijken, en het wegvoeren van paarden en wagens. Het gebeurde met
-jufvrouw Van der Westhuizen was een der ergste daden, maar dat was ook
-inderdaad erg genoeg; daarnaast kwam het gebeurde op Drooge vallei, de
-plaats van den heer Adriaan Louw, een ouden man van over zeventig jaar,
-die in het algemeen zeer goed voor zijne slaven was geweest, hetgeen
-echter niet belette dat men hem allergruwelijkst mishandelde door hem
-bij de haren rond te slepen, met de kolf van een geweer te slaan, en
-hem meer dood dan levend te laten liggen op de plaats van den heer
-Hendrik van Niekerk.
-
-Ten laatste kwamen de twee troepen bij elkander in de buurt van
-Blauwberg vallei, en hierop brachten zij een bezoek aan nog eenige
-plaatsen, totdat zij bij die van Hendrik Prehn waren gekomen. Tegen
-dezen tijd hadden de boeren echter kennis gekregen van hetgeen aan den
-gang was, en bij den heer Prehn waren de opstandelingen aan het
-verkeerde kantoor, want toen zij daar hunne gewone streken wilden
-uithalen, werden zij door Prehn met een schot hagel begroet, die wel
-niemand hunner wondde, maar hun toch zoodanig den schrik op het lijf
-joeg, dat zij haastiglijk het hazenpad kozen, zonder in staat te zijn
-geweest om eenig kwaad te doen.
-
-De tijding van hetgeen er in Zwartland gebeurde had tegen dezen tijd de
-Kaapstad bereikt, en de Gouverneur nam dadelijk stappen om aan dit
-grapje een einde te maken. Eenige sterke detachementen infanterie en
-kavalerie trokken dadelijk de Kaapstad uit in de richting van
-Zwartland, en ontmoetten tot hunne niet geringe verbazing de slaven
-wier getal toen bijna 350 bedroeg, even aan den anderen kant van
-Zoutrivier, zijnde de opstandelingen werkelijk op weg om naar de
-Kaapstad te rukken, met het heilig voornemen deze stad te veroveren.
-Men kan zich echter begrijpen dat de slaven niet weinig verbaasd waren,
-toen zij zich tegenover de troepen bevonden. Hun moed, zoowel als die
-van hunne aanvoerders zonk hen in de schoenen, en zonder slag of stoot
-gaven zij zich gevangen. Louis en vier anderen ontsnapten echter, doch
-werden reeds den volgenden dag achterhaald, en naar de gevangenis
-vervoerd.
-
-De Fiskaal ging nu een onderzoek in de zaak instellen, en dit nam hem
-natuurlijk vrij wat tijd, aangezien het aantal getuigen zeer groot was,
-en het van belang was, om uittevinden wie de hoofdmannen van de
-beweging waren geweest en wie er een werkdadig aandeel hadden genomen.
-Het bleek spoedig dat een groot deel der slaven werkelijk door de
-praatjes van Louis en anderen waren misleid, en inderdaad geloofden dat
-met het gevangen nemen van hunne meesters zij de bevelen van de
-autoriteiten uitvoerden. Tweehonderd en vier en veertig slaven werden
-dus niet verder gestraft dan met een geweldige schrobbeering van den
-Fiskaal, en daarop ontslagen, met eene waarschuwing er bij dat als zij
-weer zoo lichtgeloovig waren, zij er zeker niet zoo gemakkelijk zouden
-afkomen, en daarop werden zij aan hunne vorige meesters overhandigd,
-die hen waarschijnlijk privaat hun gedrag op wat meer gevoelige wijze
-onder het oog brachten. Een en vijftig der oproerlingen echter werden
-door den Fiskaal in staat van beschuldiging gesteld, en voor het Hooge
-Gerechtshof gebracht, dat op den 7den December 1808 vonnis gaf. Louis,
-Hooper, Kelly, Abraham, Adonis, en nog elf anderen werden door het hof
-ter dood veroordeeld, een groot aantal der gevangenen tot vele jaren
-gevangenis straf gedoemd, terwijl weer anderen gevonnisd werden tot het
-bijwonen der executie der ter dood veroordeelden, daarna te worden
-gegeeseld en ten slotte aan hunne meesters te worden overhandigd. De
-Gouverneur, die deze vonnissen moest bekrachtigen, wijzigde eenige er
-van, met gevolg dat Louis, Hooper, Abraham, Cupido en Jephta werden
-gehangen, en de meesten der anderen tot dwangarbeid werden veroordeeld.
-Het vonnis over Kelly, en Adonis werd, voor zekere mij onbekende
-redenen geschorst, tot dat men advies omtrent hen had gekregen uit
-Engeland, en terwijl ik dit schrijf zitten zij in de gevangenis hun lot
-aftewachten.
-
-Het is voor mij een merkwaardig feit, dat in het geheele tijdperk der
-Hollandsche regeering aan de Kaap, er nooit een opstand onder de slaven
-was, en dat niettegenstaande er toch heel wat schorremorrie in het land
-kwam in den vorm van ontslagen soldaten en matrozen, vele waarvan zeer
-nauw met de kleurlingen verbonden waren, daar dat soort van volk zich
-niet ontzag om op hunne manier slaven meiden te trouwen. De slaven
-werden over het algemeen vrij goed door hunne meesters aan de Kaap
-behandeld, en hoewel ik wel bekend ben met bijna deze geheele
-volkplanting, herinner ik mij slechts zeer weinig gevallen van meesters
-die hunne slaven mishandelden, en zulke daden vonden dan ook algemeen
-afkeuring bij de bevolking. Natuurlijk liep men niet om elk
-bagatelletje naar den Landdrost, schoon dit een voorschrift van de
-regeering was; in de meeste gevallen gaf de baas, als zijn slaaf het
-verbruid had, hem zelf een degelijke loesching, en dit deed hun goed,
-maar daarmee was de zaak dan ook gewoonlijk afgeloopen. Maar nu wij nog
-maar een paar jaar onder Engelsch bestuur zijn, hebben wij reeds een
-opstand der slaven, en uit de zaak blijkt maar al te duidelijk, dat het
-denkbeeld er van ontstaan is bij een Engelschman, schoon hij, zoowel
-als de andere blanke, insgelijks een Engelschman, geen moed hadden om
-het plan ten uitvoer te brengen. De zaak op zich zelve is al leelijk
-genoeg, maar ik vrees dat ze nog andere leelijkere gevolgen zal hebben,
-want het zou mij volstrekt niet verwonderen, of men zal het voorbeeld
-van den heer Barrow volgen, en beweren, dat de opstand veroorzaakt
-werd, door het feit, dat de boeren hunne slaven zoo wreed behandelden,
-want sedert de heer Barrow zijn boek heeft doen verschijnen, is het in
-Engeland de gewoonte geworden om den Afrikaanschen Boer als een laag,
-wreed beest aantezien, wiens grootste plezier het is om menschen en
-dieren te mishandelen. Men leze maar eens de mooie verhalen, die
-gemelde heer doet omtrent de wijze waarop de boeren hunne ossen
-behandelen. ’t Is een diep treurig ding dat de Afrikaner aldus miskend
-en belasterd wordt bij het volk dat de heerschappij over hem voert, en
-men weet waarlijk niet waar deze veldtocht van leugens zal eindigen, en
-welke ongelukkige gevolgen zij voor dit land kunnen meeslepen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-JAN VAN ECK KRIJGT BEZOEK, EN HOORT HEEL WAT NIEUWS.
-
-
-Ouderdom komt met gebreken, is een waar woord, en ieder mensch
-ondervindt op de eene of andere manier deze waarheid, sommigen in
-meerderen, anderen in minderen graad. ’t Is negentien jaren geleden,
-dat wij voor het eerst kennis hebben gemaakt met Jan van Eck, en hij
-was toen blijkbaar nog een flinke man, die in alle geval sterk genoeg
-was om in het jaar 1795 de wapenen ter verdediging van zijn land op te
-nemen, en daarbij niet weinig driftig van aard was. Maar de Jan van
-Eck, dien wij gaan bezoeken op den 1sten Juli 1811 is een geheel ander
-man, op wiens gezicht de tijd diepe sporen heeft gelaten, en niet de
-tijd alleen, maar ook diep zieleleed. Er zijn menschen die met het
-grootste gemak zich kunnen schikken in de veranderingen van het leven,
-en die zich door geen omstandigheden hoegenaamd uit hun gewonen
-levensaard laten leiden. Jan van Eck was zulk een man echter niet. Hij
-was bepaald wat men zou kunnen noemen „aantrekkelijk”; als er iets hem
-hinderde, kon hij dat niet gemakkelijk vergeten, en het was hem zeer
-moeielijk om zich zelfs in het onvermijdelijke te schikken. Nooit kon
-hij vergeten, dat hij thans in een land woonde, dat veroverd was door
-eene natie, welke hij haatte; nooit raakten de tijden van den Hollander
-uit zijn geheugen; hij wilde bij zich zelve niet erkennen dat er niets
-te doen was aan de bestaande positie; nog steeds hoopte hij dat er iets
-zou gebeuren, dat ten gevolge zou hebben, dat de Engelschman dit land
-zou moeten verlaten. Zoo gij hem gevraagd hadt, wat dat iets was, dan
-zou hij wellicht u geen voldoend antwoord hebben kunnen geven, maar zou
-gezegd hebben dat er in zijn hart een gevoel was, dat hem zeide dat er
-spoedig een dag zou komen, waarop de Engelschman de door hem gewonnen
-prooi zou moeten prijsgeven. Of hij die dag nog zou beleven, dat
-betwijfelde hij wel een beetje maar toch was het een vurige hoop zijns
-harten om dit te kunnen doen.
-
-Het was vrij laat in den middag, omtrent half vijf, toen Van Eck voor
-de deur van zijn huisje zat, op een gemakkelijke ouderwetsche
-leuningstoel, dat er wel wat naar een erfstuk uitzag, zoo had de tand
-des tijds er aan geknaagd; hier en daar kon men zien hoe met koperdraad
-en met riempjes de barsten in het hout waren hersteld, waarschijnlijk
-door Van Eck zelf; een der voorpooten van de stoel had oogenschijnlijk
-het ongeluk gehad om te breken, en was weer een weinig in orde gemaakt
-door een koper plaatje, dat er netjes aan bevestigd was. De zon was
-juist aan het ondergaan, en zooals meermalen het geval is in den winter
-op het Kaapsche schiereiland, werd het reeds dadelijk kil, en begon er
-een zware dauw te vallen. Van Eck wilde dan ook dadelijk aanstalten
-maken om naar binnen te gaan, want hij had van dezen winter de koude
-meer gevoeld dan hij ooit te voren had gedaan, en hij was dus
-voorzichtig, daar hij zeer goed wist dat een zware kou op zijn leeftijd
-geen grapje was. Juist was hij opgestaan en wilde hij den ouden jongen
-roepen om hem te zeggen de stoel naar binnen te brengen, toen een man
-eenigszins haastig op de hut kwam afstappen, van uit de richting van
-Kaapstad. Het was iets buitengewoons dat onze oude vriend tegenwoordig
-bezoeken in den avond ontving, en hij was dus wel eenigszins verbaasd
-om dezen man direkt op hem te zien afkomen. Deze, een flink uitgegroeid
-jonkman van omtrent vier en twintig jaar stapte dan ook recht op den
-heer Van Eck af, groette, en zeide toen:
-
-„Wel, Oom Jan, dit lijk amper of Oom mij niet meer ken”.
-
-De oude keek den nieuwen aankomeling scherp aan, doch scheen zich zijn
-gelaat niet te binnen kunnen brengen, zoodat hij dan ook antwoorden
-moest:
-
-„Jou gezicht kom mij bekend voor, neef, maar ik kan rechtig nie op jou
-naam kom nie”.
-
-„Ik is Jan Botha, Teunis Botha zijn zeun, Oom”, hernam de jongeling.
-
-„Mijn machtig, Jan,” riep Van Eck verbaasd uit, „wat kom jij hier maak?
-D’ is daarom nie een wonder nie, dat ik jou nie ken nie, want d’ is nou
-vijf jaar wat ik jou die laatste gezien het, en jij is een tamaai kerel
-geword. Jij is zeker ook al getrouwd?”
-
-„Neen, Oom,” zeide Jan Botha lachend, „daar is op die oogenblik nog te
-veel werk op die plaats voor mij, om nou al om trouw te denk. Pa zeg ik
-kan nog maar een beetje wacht.”
-
-„Kom binnen, kerel, kom binnen, dit is te koud voor mij om hier buiten
-te staan, nou die zon onder is”, vervolgde van Eck, terwijl hij zijn
-bezoeker voorging, en toen men binnen was, dezen een stoel gaf.
-
-„Vertel mij nou mooi al die nieuws uit jullie wereld, Jan. Hoe gaat dit
-met jou pa, en met jou ma? Hoe lijk die wereld bij jullie. Plaag die
-kaffers nog banja voor jullie?”
-
-Jan Botha wist niet hoe om al die vragen op eens te beantwoorden, maar
-begon met te zeggen dat het nog vrij goed met zijne ouders ging. „Maar
-ons woon nou op die oogenblik nie meer nie op Keurfontein, Oom,”
-vervolgde hij.
-
-„Wat?”, vroeg Van Eck, „jij wil toch nie zeg nie, dat jou pa die mooie
-plaats verkocht heeft?”
-
-„Nee, pa het nog die plaats, maar ons was verplicht om die plaats te
-verlaat, want die Kaffers het vlak bij ons gaan woon, en hullie was zoo
-parmantig, en brutaal, dat pa niet meer kans het gezien om daar te blij
-nie. Ons het tweemaal aan die Landdrost gevraagd om ons te bescherm,
-maar hij het aan pa laat weet, dat hij niets kan doen nie, want die
-Gouvernement wil nie oorlog maak met die Kaffers nie, en zonder oorlog
-zou ons die Kaffers nie weg krij nie”.
-
-„Die Engelschen is beduiveld, Jan”, riep Van Eck woedend uit, „hullie
-is te vrot om die land te verdedig, en die arme boeren moet daaronder
-lij. Ik zeg ver jou, Jan, die ding zal nog verkeerd kom in jullie
-wereld.”
-
-„D’ is wat pa ook zeg, Oom; ons zal nie rust hè, voor ons die
-Engelschman uit die land het uitgejaag. Dit lijk maar naar daar bij
-ons.”
-
-Van Eck bleef een oogenblik het stilzwijgen bewaren, en bood aan Jan
-Botha zijn tabakzak aan waarop hij zeide:
-
-„Toe nou, kerel vertel mij nu alles mooi, hoe dit gekom is, want ik is
-rechte nieuwsgierig om te hoor hoe het met mijn oude vrienden gaat.
-Zooals jij weet was ik groote vrienden met je pa, en toen die
-verflakste Engelschen hem hier bijna drie jaar op die kasteel het laat
-zit, het ik banja keer die ouwe gaan zien, en hem in zijn droefheid
-getroost, zoo goed ik kon. Kerel, dat was een blijde dag toen hullie
-die ou-baas los gelaat het. Maar arme Oom Adriaan het die Engelschen in
-die Kasteel vermoord, kan een mensch maar zeg. Die arme ou man kon die
-nattigheid, en die ongezonde onderaardsche kerkers niet staan, en hij
-is aan een kwaal overleden. Die Heere zal nog een dag die Engelschman
-voor die ding straf, al mag dit misschien honderd jaren duren.”
-
-De lezer zal waarschijnlijk wel begrijpen dat Van Eck hier doelde op de
-ongelukkigen die deel hadden genomen aan den opstand te Graaff-Reinet
-in 1799. Jans Botha’s vader, Teunis Botha, was een der voormannen
-geweest in dien opstand. Hij woonde toen op Keurfontein, een plaats
-niet ver van het tegenwoordige Port Elizabeth gelegen, en het was hij
-die een tijdje lang kommandant was van de Boeren die toen de Engelschen
-hadden moeten beletten om in Algoabaai te landen, doch dit mislukte
-omdat er geen eensgezindheid onder de opstandelingen was, en zij
-bovendien vreesden om door het leger van Generaal van de Leur, dat van
-uit den kant van Swellendam kwam, van Graaff-Reinet te worden
-afgesneden. Teunis Botha was toen gevonnisd geworden om op het schavot
-te worden ten toon gesteld, met een zwaard over zijn hoofd gezwaaid als
-teeken dat hij den dood had verdiend, en daarop uit de kolonie
-levenslang te worden verbannen. Het eerste gedeelte van het vonnis werd
-werkelijk uitgevoerd, maar hij werd niet uit de kolonie verbannen doch
-gevangen gehouden totdat hij met de anderen werd ontslagen, toen in
-1803 de Hollanders weder in het bezit der kolonie werden gesteld. Het
-is nauwelijks noodig te zeggen dat deze gebeurtenis een diepen indruk
-had gemaakt op den Graaff-Reinetschen boer en dat hij zoowel als zijne
-familie een diepen wrok in het hart koesterden tegen de Engelschen, en
-gedurig op wraak zonnen. Ook de jonge Jan had een geweldigen haat tegen
-de Engelschen, en de gedachte dat zijn vader jaren lang in de vunzige
-kerkers van het Kaapsche Kasteel had gelegen, maakte hem steeds de
-tanden knersen. Jan van Eck had vele jaren geleden kennis gemaakt met
-den ouden flinken boer uit Graaff-Reinet, en was vol bewondering
-geweest voor diens vaderlandsliefde, en zucht naar vrijheid, en door
-hem was hij bekend geraakt met den toestand van zaken in de Oostelijke
-distrikten, waar er toen reeds moeilijkheden met de Kaffers op handen
-waren. Teunis Botha, een man die de kleurlingen goed kende, had reeds
-toen gezegd, dat als men de grensboeren hun zin gaf, en ze toeliet om
-op hun eigen manier de Kaffers te bevechten, zij spoedig een einde
-zouden maken aan de tyrannie van het zwarte ras, en waarschijnlijk had
-hij daarin gelijk. Toch in die dagen was de Kaffer nog niet bekend met
-de uitwerking van de vuurwapens der Europeanen, en wist hij dat hij
-over geene andere wapens kon beschikken dan over zijn assegaai en zijn
-schild, zijn pijl en zijn boog. Waren de boeren toen den kleurling op
-flinke wijze te lijf gegaan, en waren zij er in geslaagd hem flink te
-verslaan, dan had de Kaffer ongetwijfeld een groot respekt voor den
-blanke gekregen, en zou hij voor dezen op den duur pad hebben gegeven,
-zoodat de Europeaan dan in het bezit zou zijn gekomen van het prachtige
-land dat toen, en gedeeltelijk nu nog door de Kaffers was bewoond; want
-het lijdt geen twijfel of de Kaffer zou weder getrokken zijn naar de
-noordelijke streken waar hij oorspronkelijk van daan was gekomen. De
-geschiedenis van Zuid-Afrika zou dan geheel veranderd zijn geweest, en
-heel wat van het bloed dat in de vele kaffer oorlogen is gevloeid, zou
-dan gespaard zijn gebleven. Maar de ongelukkige politiek der Engelsche
-regeering die nooit heeft willen luisteren naar de mannen die bekend
-waren met den waren toestand van zaken, is de oorzaak geweest dat de
-dingen verkeerd liepen, en dat nog heden de inboorlingen kwestie de
-groote levenskwestie voor dit land is, en Zuid-Afrika nooit zal wezen
-wat het behoort te wezen, voor dat die kwestie, hoe dan ook, uit de
-wereld is gemaakt.
-
-Doch dit is slechts terloops gezegd.
-
-Jan Botha voldeed aan het verzoek van den ouden heer en begon te
-vertellen als volgt:
-
-„Oom weet dat die Kaffers aan onze oostelijke grenzen voor hullie zelve
-die naam van Kosas geef. Hullie het jaren geleden een groot opperhoofd
-gehad wat Raraba genaamd was, maar onder Raraba zijn kleinzoon is daar
-ruzie onder die Kaffers ontstaan. Hintsa wordt gerekend als die groot
-kapitein van die algemeene Kosa stam, maar hullie is verdeeld in een
-aantal kleinere stammen, en een van die voornaamste daarvan is die
-Gaikas, wat zoo genoemd wordt naar die opperhoofd Gaika. Een oom van
-Gaika, Niambe, of Slambi zooals ons hem noem, is begeerig om die hoofd
-van die Gaika stam te word en hij het een grooten aanhang, alhoewel dit
-schijnt dat die Engelschen Gaika erken als die hoofd van die stam. Nou
-is daar gedurig oorlog tusschen die volk van Gaika en die volk Niambe.
-Een ander kapitein wat ook grooten invloed het, is Cungwa, en hij is
-die lastigste van almaal. D’is hij wat over die Kei het getrek, en nou
-tusschen die wit menschen inwoon; hij is al glad zoover gekom als die
-Langkloof.
-
-„In October 1809 het die Engelschen probeer om Cungwa uit die land te
-laat gaan; hullie het hem een stuk grond bij die Kaap aanpresenteer,
-maar hij wou dit niet neem. Cungwa het toen daarom beloof dat hij zal
-teruggaan over die Vischrivier, maar hij is in plaats daarvan naar die
-Zondagsrivier gegaan, en toen begon die lieve leventje. Hij het zijn
-kaffers links en rechts uitgestuur om te plunder en te rooven, en hij
-doet nu net wat hij wil. Een heele partij van die menschen wat aan die
-westekant van die Vischrivier woon, is al verplicht gewees om hullie
-plaatsen op te geef, want die kaffers plunder en steel zoo vreeselijk
-dat dit glad nie meer veilig is, en als een mensch naar die gestolen
-goed wil zoek, is hullie zoo parmantig dat dit makkelijk leelijke
-dingen kan afgeef. Die Engelschen het daarenboven die ding glad voor
-ons menschen bederf. In die vroeger dagen het een boer als hij goed
-verloor het, zelf daarnaar loop zoek, en zelfs al was dit door die
-Kaffers gesteel, het hij dit dikwijls teruggekrijg, omdat ons menschen
-weet hoe om met die Kaffers te werk, en die Kaffers nog een beetje
-respekt voor die boeren het. Maar om een Engelschman geef hullie glad
-nie, zooals dit lijk; en die gouvernement is bang om een oorlog met die
-Kaffers te maak, en dit weet die zwarte duivels. Die gouvernement het
-nou een nieuwe regel gemaakt dat als een man vee verloor het, hij dit
-aan die veldkornet moet rapporteer, wat dit weer aan die landdrost
-rapporteer, en die laat dan naar die vee zoek. Maar Oom kan begrijp dat
-tegen die tijd wat die landdrost menschen uitstuur om die vee te gaan
-zoek, dan is die vee al zoover Kafferland in, dat daar glad nie kans is
-om dit terug te krijg. Daarenboven gebruik die gouvernement die
-Hottentot soldaten om naar die vee te zoek, en dit lijk al te banja
-alsof die Hotnots kop in één muts is met die Kaffers, en op die manier
-krijg die arme boer nooit zijn vee terug. Als dit nog een beetje zoo
-aanhou, dan zal al ons menschen verplicht wees om die plaatsen in die
-Zuurveld en zelfs in die Zwartruggens te verlaat, en dan krijg die
-vervlakste Kaffers die mooiste stuk van die land, en moet ons boeren
-zie hoe hullie klaar kom. Die menschen word nou rechtig ontevree, want
-hullie reken d’is die gouvernement zijn schuld dat die ding zoo
-verkeerd loop, want als die regeering van die staanplek af, flinker was
-geweest, en ons menschen had opgeroep om een kommando op te maak, dan
-had ons die Kaffers gauw uit die wereld uitgejaag. Ons hoor, Oom, dat
-die Engelsche zendelingen wat nou onder die Kaffers werk die partij van
-die Kaffers neem. Hullie zeg dat die land eerst aan die Kaffers het
-behoor, en dat ons dit van hullie afgeneem het, en nou maak hullie uit,
-dat dit die plicht van die regeering is om die land aan die Kaffers
-terug te geef. Daar is een zendeling Read, Oom, een maat van die oû
-vuilnis, van der Kemp, wat net als een Hottentot leef, en zwart
-vrouwens het; die Read is een man wat die boeren vreeselijk haat, en
-die zwart volk tegen hullie opstook; en nou is daar een Dr. Philip
-gekom, Oom, wat net zoo verrot is, en dit lijk alsof hij die baas van
-die klomp zendelings is.
-
-„Die gouvernement is bang voor die zendelings, zooals dit lijk, want
-als een zendeling hem eenmaal met een ding het bemoei, is daar nie meer
-kans voor die boer om recht te krijg, en die landdrosten is nou zoo
-partijdig voor die volk dat een mensch net voor niks bij hullie gaat
-klaag nie. Die menschen word rechte onstuimig, en daar is partij wat
-grof begin te praat. Pa zeg, dat als die Engelschman nie ophou, daar
-leelijke dingen op die grenzen zal gebeur.”
-
-Jan van Eck had dit vrij lange verhaal zwijgend aangehoord, maar men
-kon het hem aanzien dat hij niet een beetje kwaad was. Toen Jan Botha
-klaar was, bleef de oude man nog een tijdje lang in gedachten
-verzonken; toen zeide hij:
-
-„Jan, jullie kerels op die oostelijke grenzen is toch zeker fluks
-genoeg om die Engelschen daaruit te jaag. Of als jullie dit niet wil
-doen nie, waarom maak jullie dan nie zelf een kommando van jullie
-menschen op om die kaffers uit die Zuurveld te jaag. Die land is jullie
-zijne, en in die oude dagen was daar glad nooit kaffers. Daar het,
-geloof ik, in die oude dagen een Hottentot stam daar gewoon, maar
-hullie was rondzwervende volk, wat van daag hier en morgen daar was.
-Ons het die land in bezit geneem in die dagen van die Compagnie en die
-Engelschen is gek als hullie denk dat hullie jullie daaruit kan jaag”.
-
-„Tegen die Engelschen kan ons niks nie maak nie, Oom,” zeide Jan Botha,
-„ons menschen is te ongelijk; partij van hullie is aan die Engelsche
-kant omdat hullie geld uit die Engelschen maak en daar is nog al van
-ons voormannen, zooals kommandant Jan Nel, wat altijd preek dat ons
-maar geduldig moet wees, en gehoorzaam aan die regeering. En tegen die
-Kaffers kan ons ook niks begin nie, want die gouvernement zal ons nie
-kruit en lood geef om op kommando te gaan, en zonder ammunitie kan ons
-natuurlijk niks begin nie.”
-
-„Ja, Jan, dit is een ongelukkige ding dat ons Afrikaners zoo ongelijk
-is; in 1799 met die opstand van Adriaan van Jaarsveld en jou pa, was
-dit net zoo die geval; als die menschen in Graaff-Reinet en Swellendam
-toen almaal gelijk getrek het, dan was die ding glad anders gekom. Maar
-die één het dit gewil, en die ander dat; die één wou nie onder die
-orders van die ander staan, en omdat ieder net zijn eigen kop het
-gevolg en zijn eigen belang getrek het voor die belang van die land,
-het die ding verkeerd geloop, en kon daar niks nie gedaan word. Daar
-zal nog banja water in die zee moet loop, voor ons menschen leer, dat
-als ons iets groots wil tot stand breng, ons saam moet werk, en als één
-man bij malkaar moet staan.”
-
-„D’is zeker waar, oom,” vervolgde Jan Botha, „maar dit zal nog lang
-neem voor ons zoover is. Op die oogenblik speel die Engelschen
-heeltemaal die baas, en die zendelingen is op Graaff-Reinet, en bij
-Bethelsdorp vreeselijk in die weer. Ik hoor dat hullie bezig is om een
-heele lijst van beschuldigingen intebreng tegen een spul van onze
-menschen wat hullie beschuldig van hun volk slecht te behandel. Die
-boeren, zeg hullie, is die wreedste natie op die wereld, en as een
-mensch die gekke praatjes hoor wat hullie vertel, kan een mensch amper
-lach. Verleden maand vertel een man uit Swellendam mij, dat hij van een
-van die zendelingen gehoord het, dat daar boeren vrouwens is, wat
-hullie meiden straf door hullie kokende water over die kop te gooi, en
-dat een vrouw zelfs een kaffer in een pot kokend water het laat gooi,
-omdat hij niet wou doen wat zij ver hem gezegd had. Ook dat een van
-onze voornaamste boeren een Hottentot zoolang met een sjambok het
-geslaan dat hij er dood van bleef, en toen het hij hem stilletjes
-begrave, omdat hij bang was dat die menschen dit zou uitvind. Hij en
-die Hottentot, zoo vertel die zendeling, was alleen, en als die
-Hottentot dan dood en begraven is, dan wil ik wel weet wie die storie
-onder die menschen vertel het, of die boer moet dit zelf gedaan het.”
-
-„Dit bewijs wat een leugen dit is”, zeide van Eck lachend, „want als
-die boer dan zoo bang was dat die menschen dit zou uitvind, dan zal hij
-dit toch nie zelvers gaan vertel nie. Maar, jong, die goed lieg zoo,
-dat hullie dit zelf geloof. Die waarheid is, dat die zendelings staties
-niks anders is nie, dan een legplek voor al die niksnutsige volk, wat
-van hullie bazen weggeloop het of niet wil werk nie, en dit banja
-lekkerder vind om op die statie te leg, en die boer zijn vee te steel.
-Hullie gaat iederen dag naar die kerk toe, en om in die gunst van die
-zendelings te geraak, vertel hullie die arme onnoozele Engelschen
-allerlei leugens, en die zendelings is zoo dom dat hullie dit alles
-geloof, of anders is hullie zoo laag, dat al geloof hullie dit nie,
-hullie toch te blij is om zoo iets te hoor, want dan het hullie alweer
-een wapen tegen die boeren, wat hullie zoo haat. Ik het indertijd
-gezegd dat dit een fout was van generaal Janssens om die zendelings zoo
-te bescherm, en aan van der Kemp en Read die plek bij Bethelsdorp te
-geef. Als die regeering die Moravische broeders, wat in Genadendal is,
-ondersteuning had gegeven, zou dit veel beter zijn geweest, want hullie
-leer die volk om behoorlijk te werk en stook hullie nie op nie tegen
-hullie bazen zooals die andere zendelings doet. Maar die zendelings van
-die Londensche genootschap is een ware pest voor die land, en die
-zoogenaamde christelijkheid wat hullie die Hotnots leer, is eerder die
-leer van die Satan dan die leer van Christus.”
-
-„D’is nie alleen met die hotnots wat die zendelings in Bethelsdorp mee
-werk, oom,” zeide Jan Botha weer, „onder die baar Kaffers is hullie net
-zoo bezig. Daar is Tshatsu, een van die kapiteins wat ons menschen net
-banja lastig val in die Zuurveld, met hem is hullie ook al bezig
-geweest, en nou is zijn oudste zeun dan kamma in die school te
-Bethelsdorp, en hullie zeg dat die arme bare kaffer nou een bekeerde
-christen is.”
-
-„Ja,” hernam Van Eck lachend, „die soort van stories hoor een man meer
-van zendelings, maar ongelukkig wijs die bekeerlingen dit nie altijd in
-hullie daden. Van een kaffer in zulk een geval geldt die oude
-spreekwoord, „Een vos verander wel van haren, maar niet van streken”.
-Maar misschien zal dingen nou beter word. Graaf Caledon is naar
-Engeland terug gegaan, en ons krijg nou een generaal Sir John Cradock,
-als gouverneur hier, en dit is te hopen dat hij die Kaffers zal
-rechtmaak, want anders weet ik rechtig niet wat die menschen op die
-grenzen moet begin.”
-
-„D’is waar Oom,” zeide Jan Botha, „zooals die ding nou is, kan dit
-niemeer blijf nie, en anders zal ons menschen verplicht wees om uit die
-kolonie tetrek, en naar die binnenland te gaan, waar ons bevrijd zal
-wees van die vloek der Engelsche regeering. Maar ik het lang, glad
-telang, hier zit en praat, en mijn volk is alleen bij die wagen. D’is
-ouwe volk van ons, maar een mensch kan een Hotnot nooit heeltemaal
-vertrouw nie, en hullie kan misschien allerlei soort van kattekwaad
-uitvoer”.
-
-Met deze woorden stond Jan Botha op, groette den heer Van Eck minzaam,
-en schoon deze hem uitnoodigde om het avondeten bij hem te gebruiken,
-weigerde Jan dit, en stapte in de richting van Papendorp, waar zijn
-wagens uitgespannen waren.
-
-Jan van Eck bleef nog een tijd lang in gedachten verzonken zitten, toen
-stond hij op en riep zijn oude jongen om het avondeten gereed temaken.
-Een half uur later was hij, naar gewoonte bezig om zijn dagboek in te
-vullen, altijd zijn laatste werk vóór hij ging slapen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-SLOT.
-
-
-Er zijn nog maar weinige menschen aan het leven die zich den
-vreeselijken storm herinneren, die op den 31sten Augustus van het jaar
-1811 in Kaapstad woedde. Leven er misschien nog enkelen, die in die
-dagen reeds oud genoeg waren om zooiets bemerkt te hebben, dan is het
-nog zeer de vraag of zij zich dezen bijzonderen storm zullen
-herinneren, want stormen zijn zoo gewoon op het Kaapsche schiereiland
-in den winter, dat de oude inwoners van de Kaap er geen bijzondere
-attentie aan schonken, tenzij die gekenmerkt werd door het vergaan van
-een aantal schepen, iets dat maar helaas, al te dikwijls gebeurde in de
-dagen, toen de Tafelbaai nog open lag voor de verschrikkelijke golven
-van den Oceaan, en er geen breekwater was, om die golven te keeren,
-zoodat de schepen veilig onder de bedekking er van konden liggen,
-zooals zij thans doen. In de geschiedenis boeken van de Kaapkolonie is
-dan ook geen melding gemaakt van dezen storm op gemelden datum, en dat
-waarschijnlijk omdat juist toen, er geen enkel schip in Tafelbaai lag,
-en de woedende elementen dus niet de gelegenheid hadden om hun wraak
-aan een enkel schip te koelen. Er lagen wel eenige schepen in de baai
-Fals, maar deze baai was in den winter een veel veiliger haven dan de
-Tafelbaai, omdat zij meer beschut was tegen de Noordwester stormen die
-in den winter heerschen. Wij vinden echter in het dagboek van Jan van
-Eck melding gemaakt van dien storm, en hij schijnt zeer erg geweest te
-zijn, zooals mijne lezers uit dit laatste gedeelte van het dagboek
-zullen zien.
-
-Wat Van Eck schreef komt omtrent hierop neer. Reeds in den namiddag van
-den 30sten Augustus begon de Noordwesten wind te waaien, maar het was
-toen nog maar een lichte bries, die geen ander effekt scheen te hebben
-dan dat zij uit het Noordwesten, zoowat tusschen Robbeneiland en
-Houtbaai eenige wolken aan den gezichteinder deed oprijzen, die
-aantoonden dat er nog heel leelijk weer in dien hoek zat, wat niemand
-verwonderde, want in Augustus is de winter nog lang niet over in het
-zuiden der kolonie, en zelfs in October krijgt men dikwijls zeer zware
-regens en stormen. In den nacht wakkerde de wind echter wat aan, en
-toen de goede Kapenaars den volgenden morgen ontwaakten, was de lucht
-met lichte wolken overdekt, terwijl uit de zee ontzettende
-wolkgevaarten kwamen aanzetten, met dien statigen tred, die een zware
-storm voorspellen. Zwarte zware, donder koppen waren het eenigszins
-buitengewoon van vorm en kleur; zij waren niet gewoon zwart, maar
-schenen een soort van blauwachtigen glans te hebben, en hier en daar
-waren er tusschen hen eenige witachtige wolken, die zich op hun eigen
-houtje tusschen de zwarte wolken bewogen, gedreven door eene
-luchtstrooming, die oogenschijnlijk dichter bij de aarde was dan de
-wind die de zwaardere gevaarten voortstuwde. Naarmate de dag voorbij
-ging, kwamen deze zwarte wolken nader, en tegen den avond zoowat
-omtrent den gewonen zonsondergangstijd, (want de zon zelve was niet
-meer zichtbaar) was de geheele Kaapstad in een blauwachtig,
-geheimzinnig waas gehuld, terwijl de wind nu geheel was gaan liggen.
-Het was de stilte vóór den storm; een akelige, benauwde, angstwekkende
-stilte, zoo doodsch en zoo treurig, dat als men sprak men voor zijn
-eigene stem schrok. Alle menschen zorgden dan ook om binnentijds in
-huis te komen, en zich daar veilig wanende, achter de dikke muren
-hunner huizen, wachtten zij met eenigen angst den verderen loop der
-zaken af.
-
-Het was even over zes ure, toen de natuur hare strijdkrachten scheen te
-hebben gemonsterd, en plotseling zich tot den aanval gereed maakte. Een
-felle bliksemstraal kliefde de lucht, en bijna op hetzelfde oogenblik
-kraakte er een geweldige donderslag, die de stad tot in hare
-grondvesten scheen te doen beven. Dadelijk daarop verhief de wind zich
-met ontzettend geweld, zoo erg, dat hij stukken schoorsteenen, en wat
-weggerukt kon worden, door de straten slingerde, en dat onder een
-gehuil en een gesis dat iemand hooren en zien deed vergaan. Steeds
-woedender werd het gebulder der elementen; en daarmede vermengde zich
-nu het gedruisch der opgezweepte golven, die als brieschende en
-schuimende paarden de baai binnen rolden en kletterend zich te pletter
-beukten tegen de rotsen nabij het kasteel en het omringende zand. Kort
-daarop begon de regen in stroomen neer te vallen, en werden de straten
-en wegen in ware rivieren herschapen, terwijl de wind steeds bleef
-doorwaaien, en zelfs heviger scheen te worden.
-
-Jan van Eck was dien avond vrij vroeg in zijn huis gegaan, want ook hij
-had den storm zien aankomen. Hij had juist zijn avondeten genuttigd,
-toen de storm losbrak, en dat met zooveel geweld, dat zijn oude jong
-half bang werd, en de aanmerking maakte dat dit leek alsof de wereld
-wilde vergaan, en dat een mensch kon bang worden dat die wind die huis
-kon omwaaien, of de golven het konden wegspoelen. Maar de oude man
-lachte om dit denkbeeld. Het huis, zoo zeide hij, was stevig gebouwd en
-had nog wel zwaardere stormen doorleefd, en het was niet zeer
-waarschijnlijk dat de golven zoover het strand zouden opkomen, al was
-in December 1809, toen er een aardbeving was geweest, de zee tot zeer
-dicht bij het huis gekomen, maar misschien was dit een aardbevingsgolf
-geweest, die altijd hooger drong dan de golven onder gewone
-omstandigheden.
-
-„Ga jij maar gerust slapen”, zeide hij tot den slaaf, en deze, die een
-onbeperkt vertrouwen in zijn meester had, en hem nooit tegensprak, ging
-dan ook werkelijk zijn bed op de gewone plek in de kombuis maken, want
-het huisje van Van Eck bestond slechts uit twee vertrekken, een waarvan
-als woon- en slaapkamer diende, terwijl de andere als kombuis en
-bergplek diende.
-
-Toen de jongen in bed was, ging van Eck zijn dagboek te voorschijn
-halen, en zette pen en inkt voor zich neder, zooals hij de laatste
-twintig jaren steeds had gedaan. Wie op dat oogenblik zijn kamer was
-binnen gekomen, zou nooit hebben kunnen droomen, dat daar buiten de
-elementen een hevigen strijd aan het voeren waren, en dat wind, en
-regen met elkander in geweld wedijverden onder het gedurige, en steeds
-sterker wordende gebrul en gedonder der golven, die thans berghoog de
-baai kwamen binnen rollen, en zeker alle schepen in de baai zouden
-hebben doen vergaan, zoo er eenige waren geweest.
-
-Jan van Eck was er niet de man naar om zich te bekommeren over dezen
-strijd, die daar buiten aan den gang was; een meer dan vijf-en-twintig
-jaar leven aan Tafelbaai’s strand had hem er aan gewoon doen worden, en
-het geloei van den storm en het gebrul der baren was hem immer een
-soort van muziek geweest, die hem in den slaap suste, als ware het een
-zoet gezang geweest dat moeder natuur voor hem, haar kind, zong. Doch
-dezen avond was het den ouden man toch wonderlijk te moede; hij
-luisterde een tijd lang naar de geluiden daar buiten, en het kwam hem
-voor alsof er dien avond iets bijzonders in die geluiden was, iets dat
-hem vroeger nooit had getroffen. Zijne gedachten gingen als van zelve
-terug naar de dagen van ouds, en zijn geheele leven ontrolde zich voor
-zijne oogen als een onafgebroken tooneel, van af zijne prilste jeugd
-tot aan den tegenwoordigen tijd. Hij zag weder de goede oude dagen,
-toen er hier in de kolonie een oprecht en rechtvaardig man aan het
-hoofd van zaken stond, een man zooals men sedert hem niet had gezien;
-Rijk Tulbagh, de vader des volks, de man die niet alleen belang stelde
-in de welvaart van de volkplanting in het algemeen, maar die zich ook
-het lot van iedere klasse, en men zou bijna kunnen zeggen van ieder
-individu in de kolonie aantrok. En toen ontrolde zich één voor één de
-verdere tooneelen van de geschiedenis der Kaap; hij zag de zaken
-achteruit gaan onder onverschillige en onbekwame gouverneurs; de
-Compagnie in den uitersten geldnood verkeeren, en trachtende om uit de
-kolonie te zuigen wat er te zuigen viel, ten einde toch maar in staat
-te zijn het hoofd boven water te houden. En toen zag hij ten slotte de
-eerste verovering van de Kaap door de Engelschen, en zich zelven met
-geweer en kruit en kogeltasch staan bij het strand aan Muizenberg; hij
-streed nog eens den slag van Muizenberg over, en het rood der schaamte
-kleurde zijn gelaat als hij dacht, hoe de volkplanting toen schandelijk
-verraden was, door hen aan wien het bestuur en de bewaking er van waren
-toevertrouwd. Toen volgde eenige treurige jaren, jaren van vreemde
-heerschappij; die jaren die door mannen als Adriaan van Jaarsveld,
-Teunis Botha en anderen werden doorgebracht in de vunzige, ongezonde
-kerkers van het Kaapsche kasteel, waar zij bleven totdat er een beteren
-tijd naderde, en de Hollandsche driekleur weder fier van de tinne van
-het kasteel wapperde. Welke tijden waren dat toen, en wat hadden zij
-niet beloofd? Maar die hoop was op grove wijze teleurgesteld, de oorlog
-brak weder uit, en de Britsche Leeuw, ergerlijk dat hij reeds éénmaal
-zijn prooi had moeten loslaten, sloeg weder den klauw op de kust van
-Zuid-Afrika. Weer woei het kruis van St. George aan de Tafelbaai, en
-het scheen bijna alsof zij daar zou waaien totdat de dag des doems de
-dooden in hunne graven zou doen ontwaken, en er een andere Vorst over
-de aarde zou regeeren, dan de zwakke monarchen dezer wereld.
-
-Al denkende over al deze gebeurtenissen, die zich voor zijn oog
-ontrolde, greep Jan van Eck, de laatste der oude Afrikaners van het
-Westen, de pen, om, vóór hij zich ter ruste begaf, nog zijn dagboek bij
-te werken. Hij begon: „Buiten loeit de storm, zoo erg als ik hem nog
-nimmer gehoord heb; binnen in mijn hart, woelt en stormt het van
-gedachten. Arm Kaapland, wat zal van u worden? Welke tooneelen zal men
-hier aanschouwen binnen de volgende honderd jaren? zal er éénmaal een
-dag komen wanneer....”
-
-
-
-Hier houdt het dagboek plotseling op, en na het woord „wanneer”, of
-liever er vlak onder, ligt een groote inktvlak. Wat is er met den
-schrijver gebeurd? Die vraag heb ik mij zelven zoo dikwijls gesteld, en
-er toch nooit eene behoorlijke oplossing van kunnen vinden. Dat het
-huisje van den ouden man op diens hoofd door den storm vernield is,
-komt mij onder de omstandigheden zeer onwaarschijnlijk voor. Want ten
-eerste schijnt hij tijd gehad te hebben om zijn dagboek weg te sluiten
-in de kist waarin hij die gewoonlijk bewaarde, en de kist zelf
-behoorlijk te sluiten. Ten tweede is er geen spoor te vinden van zijn
-lijk, en in de kerkboeken van de Hollandsche Kerk te Kaapstad heb ik te
-vergeefs gezocht naar iets omtrent zijn dood of begrafenis. Misschien
-dat het gebouw werkelijk aan het wankelen is geraakt en dat Van Eck het
-verliet, om op de eene of andere wijze zijn leven te redden, doch dat
-de woeste baren hem hebben uitgenomen, en hij in de Tafelbaai zijn dood
-vond? Doch waarom ons in zulke gissingen verdiept? De golven van den
-oceaan weten hunne geheimen te bewaren, en de grafgezangen door hen
-over duizenden en honderdduizenden van menschen gezongen, worden door
-ons niet verstaan.
-
-
-
-Een jaar of wat geleden, toen ik voor het eerst Kaapstad bezocht,
-maakte ik ook eene wandeling langs het strand tusschen Woodstock—(of
-Papendorp) en Zoutrivier, en trachtte zoo goed mogelijk de plaats te
-vinden waar het huis van Jan van Eck had gestaan, want schoon de dokter
-die mij zoo goed mogelijk had beduid, hadden er zoovele veranderingen
-plaats gevonden, dat ik niet geheel zeker van mijne zaak was.
-
-Ik zette mij neder op eene boot, die, onderste boven gekeerd, op het
-strand lag, en keek eens om mij heen.
-
-De Tafelbaai was vol schepen en stoombooten; links van mij strekte zich
-Kaapstad uit, en van het Kasteel waaide nog de Engelsche vlag. Rechts
-van mij lag Maitland, en de groote Spoorwegwerkplaats te Zoutrivier.
-Een kleinen afstand achter mij ratelde er bijna elke tien minuten een
-spoortrein van of naar Kaapstad, en rijen van telegraafdraden
-doorsneden als spinnedraden de ruimte boven den spoorweg.
-
-Wat al veranderingen, wat al vooruitgang op stoffelijk gebied, sinds de
-dagen van 1812! Als de arme Jan van Eck weer eens in het leven
-terugkwam, zou hij van dit alles niets begrijpen; hij zou een
-vreemdeling in de stad zijner geboorte zijn. Maar toch zou hij er
-eenige dingen vinden, die niet veranderd waren. Niet zaken der
-uiterlijke wereld, maar dingen die tot den geest van den mensch
-behooren. Want sinds 1812 is de klove, die er toen reeds bestond
-tusschen Afrikaner en Engelschman, niet gedempt; integendeel zij is
-breeder en dieper geworden; zij gaapt als een peilloozen afgrond. ’t Is
-niet hier de plaats om al de gebeurtenissen na te gaan, die daartoe
-hebben geleid.
-
-Maar toch is er iets dat ik graag onder den aandacht mijner lezers wil
-brengen, juist daarom, omdat, als zij werkelijk het rechte begrip er
-van krijgen, er meer kans is op samenwerking in Zuid-Afrika, dan er nu
-schijnt te bestaan.
-
-Men is gewoon om in Zuid-Afrika Engelschman tegenover Afrikaner te
-stellen; men heeft dit zoolang gedaan tot er werkelijk een rassengevoel
-is ontstaan, die alreeds tot de treurigste gevolgen heeft geleid. En
-toch, als men de zaak degelijk bekijkt, dan is de strijd die in
-Zuid-Afrika heeft geheerscht en nog heerscht, reeds duizenden van jaren
-oud, en zij bestaat overal. Het is de strijd tusschen den stadbewoner
-en den plattelands-bewoner, de strijd tusschen handel en landbouw. Dat
-de strijd die van de eene nationaliteit tegen de andere geworden is, is
-alleen veroorzaakt door het feit dat het na 1806 de Engelschman was,
-die de stadbewoner werd, en de Afrikaner gewoon aan het vrije
-buitenleven, weigerde stadbewoner te worden. Voor een land als
-Engeland, dat geheel van den handel leeft, en dat als het ware één
-groote stad wordt, en waar de landbouw bijna geheel verdelgd is ten
-gunste van de industrie—voor zulk een land is het natuurlijk een
-levenskwestie om zijn handel, en diergenen zijner onderdanen die van
-den handel leven, te beschermen. Daarom heeft Engeland in Zuid-Afrika
-eene zuivere handelspolitiek gevolgd, die direkt en indirekt werkte ten
-nadeele der Afrikaander Boeren. Daardoor zijn hare verkeerde
-maatregelen ontstaan met betrekking tot onze inboorlingen, die alleen
-werden beschouwd als mogelijke koopers en dus beschermd werden
-tegenover de Boeren, die terecht den kleurling aanziet als den arbeider
-van het land. Sympathie en Samenwerking tusschen de twee klassen van
-bevolking waren onmogelijk van het begin af aan; het was geen
-rassenhaat, maar een direkt tegenover elkander staan van belangen.
-
-Zal samenwerking ooit mogelijk worden? Wij hebben redenen genoeg om er
-aan te twijfelen, als wij tenminste mogen oordeelen naar de toestanden
-en gebeurtenissen die in andere landen hebben plaatsgevonden en nog
-plaatsvinden. Beide partijen zullen steeds trachten om elkander een
-vlieg af te vangen, zooals het spreekwoord luidt. Zoodra de
-Boerenpartij te machtig wordt, en door hare meerderheid in het
-Parlement in staat is maatregelen te nemen ten gunste van den landbouw,
-op datzelfde oogenblik zal de oude storie herhaald worden, en zal
-Engeland de handelspartij te hulp moeten komen.
-
-En wat leert ons ongelukkiglijk de geschiedenis. Dat, bijna overal waar
-de strijd plaats gevonden heeft, de steden het op den duur hebben
-gewonnen. En dat is ook begrijpelijk, want naar mate handel en
-industrie toenemen, en landbouw afneemt, na die mate groeit de
-bevolking der steden aan. ’t Is misschien een treurige toekomst voor
-den Afrikaner, maar de loop der dingen is niet te stuiten. Toch bestaan
-er betere kansen voor de landbouw bevolking in Zuid-Afrika dan ergens
-anders, tengevolge van de bijzondere omstandigheden, den aard van den
-grond en het klimaat van ons land, en er bestaat mogelijkheid, dat
-onder een gunstigen samenloop van omstandigheden, de Boer het toch
-wint. Maar dan is het noodig dat men de ware redenen van den strijd op
-den voorgrond stelt, en dat die niet op gebied van nationaliteit worde
-gestreden.
-
-Maar genoeg hiervan. Wij schrijven hier geen politieke verhandeling,
-maar wel iets over de geschiedenis en het leven onzer voorvaderen. Dat
-leven te bestudeeren moet voor elken Afrikaander iets aantrekkelijks
-hebben; het behoort zijne plicht te zijn met de geschiedenis van zijn
-land en volk bekend te raken. En daarom moet er nog veel worden gedaan
-voor onze opvoeding, of liever voor die onzer kinderen. Goede,
-goedkoope scholen, dat is wat wij nog noodig hebben. Hoe beter ons
-nageslacht opgevoed is, hoe beter kans zij hebben om den strijd te
-winnen.
-
-Afrika voor de Afrikaners! Dat is noch seditie, noch rebellie. Want
-onder Afrikaners verstaan wij alleen degenen die het ware welzijn van
-dit land ter harte hebben, hetzij zij van Engelschen bloede, of van
-Hollandschen, Duitschen, of Franschen oorsprong zijn.
-
-En daarom nog eens:
-
-
- AFRIKA VOOR DE AFRIKANERS!
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK AAN TAFELBAAI'S STRAND ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/67398-0.zip b/old/67398-0.zip
deleted file mode 100644
index 88ff9d1..0000000
--- a/old/67398-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67398-h.zip b/old/67398-h.zip
deleted file mode 100644
index 783775d..0000000
--- a/old/67398-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67398-h/67398-h.htm b/old/67398-h/67398-h.htm
deleted file mode 100644
index 7a2d0fa..0000000
--- a/old/67398-h/67398-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,6197 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-02-13T18:56:42Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Aan Tafelbaai’s Strand: of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791–1811)</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="D’Arbez [Pseud. van Johan Frederik van Oordt (1856–1918)]">
-<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="D’Arbez [Pseud. van Johan Frederik van Oordt (1856–1918)]">
-<meta name="DC.Title" content="Aan Tafelbaai’s Strand: of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791–1811)">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-margin-left: -0.1em;
-margin-top: 0.9em;
-min-width: 1.0em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.splitListTable td {
-vertical-align: top;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 8.4pt;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 2.4em;
-}
-titlePage .docTitle .volumeTitle, titlePage .docTitle .seriesTitle {
-font-size: 1.0em;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:516px;
-}
-.xd31e101 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.xd31e105 {
-text-align:center;
-}
-.xd31e110 {
-text-align:center; font-size:small;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:478px;
-}
-.xd31e230 {
-font-size:1.2em;
-}
-.p011width {
-width:498px;
-}
-.p105width {
-width:720px;
-}
-.p213width {
-width:509px;
-}
-.xd31e2130 {
-font-size:x-large;
-}
-.xd31e2207 {
-text-align:center; font-size:xx-large;
-}
-.xd31e2211 {
-text-align:center; font-size:x-large;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-<div lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl'>Aan Tafelbaai's Strand</span>, by D' Arbez</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl'>Aan Tafelbaai's Strand</span></p>
-<p style='display:block; margin-left:2em; text-indent:0; margin-top:0; margin-bottom:1em;'><span lang='nl'>of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811)</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: D' Arbez</p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Illustrator: Cornelis Koppenol</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: February 13, 2022 [eBook #67398]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
- <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive)</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl'>AAN TAFELBAAI'S STRAND</span> ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="516" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e101">AAN TAFELBAAI’S STRAND.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e105"><i>De volgende boeken behooren tot de</i>
-</p>
-<p class="xd31e101">ZUID-AFRIKAANSCHE HISTORIE-BIBLIOTHEEK.
-</p>
-<p class="xd31e110">Prijs per boek 2/9 per ex.
-</p>
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">I.</span> <b>De Familie van den Ziekentrooster.</b> Een verhaal van de aankomst der Fransche Vluchtelingen en de stichting van „Stellenbosch”
-door <span class="sc">Simon Van der Stel</span>.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">II.</span> <b>De Strijd om Recht.</b> Bevattende een verhaal van de beroeringen onder Gouverneur <span class="sc">Willem Van der Stel</span>, en voornamelijk van hetgeen in Stellenbosch geschiedde.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">III.</span> <b>Aan Tafelbaai’s Strand</b>, of <i>Twintig jaren uit het leven van een Kapenaar 1791–1811</i>.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">IV.</span> <b>Liefde en Plicht.</b> Een historisch verhaal uit de jaren 1815–1816, eindigende met „Slachtersnek”.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">V.</span> <b>David Malan.</b> Een verhaal uit den grooten trek.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">VI.</span> <b>Tusschen Berg en Zee.</b> Een verhaal uit den strijd der Boeren in Natal van 1831–1841.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">VII.</span> <b>Voor Land en Volk.</b> Een verhaal uit de jaren 1842–1848, eindigende met den slag van „Boomplaats”.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">VIII.</span> <b>Zwart en Wit.</b> Een verhaal uit den Vrijstaatschen Basuto-oorlog, eindigende met den dood van <span class="sc">Louw Wepener</span> op Thabo Bosigo.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">IX.</span> <b>Een Vader des Volks.</b> Een verhaal uit den Oranje-Vrijstaat van de jaren 1869–1871. De hoofdpersoon in dit
-verhaal is President <span class="sc">Brand</span>.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">X en X*.</span> <b>Macht en Recht.</b> Een verhaal uit den Transvaalschen Vrijheids-oorlog van 1880–1881.—2 deelen.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">XI.</span> <b>Onder de Vierkleur.</b> Een verhaal uit den tijd van den Jameson-inval.</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">XII.</span> <b>Mooi Annie.</b> De hoofdpersoon in dit verhaal is een klein meisje door <span class="sc">Held Woltemade</span> van het schip gered. Het verhaal beschrijft voornamelijk het leven in de oude Kaapstad
-der 18<sup>de</sup> <span class="corr" id="xd31e218" title="Bron: eenw">eeuw</span>.</li>
-</ul><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="478" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="seriesTitle xd31e230">ZUID-AFRIKAANSCHE HISTORIE-BIBLIOTHEEK.</div>
-<div class="volumeTitle">No. III.</div>
-<div class="mainTitle"><span class="sc">Aan Tafelbaai’s Strand</span></div>
-<div class="subTitle">OF<br>
-TWINTIG JAREN UIT HET LEVEN VAN EEN KAPENAAR.</div>
-<div class="subTitle">(1791–1811).</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR
-<br>
-<span class="docAuthor">D’ARBEZ.</span></div>
-<div class="docImprint">Uitgegeven en verkrijgbaar bij:<br>
-<span class="sc">Hollandsch-Afrikaansche Uitgevers-Maatschappij</span>,<br>
-v/h. <span class="sc">Jacques Dusseau &amp; Co.</span><br>
-<span class="ex">Amsterdam—Kaapstad</span>.<br>
-<span class="docDate">1903.</span></div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK I." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK I.</h2>
-<h2 class="main">Het verhaal van den dokter.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Omtrent tien jaren geleden woonde ik in een klein dorpje in den <span class="corr" id="xd31e276" title="Bron: Oranje Vrijstaat">Oranje-Vrijstaat</span>, den naam waarvan het niet noodig is op te geven. Het was een klein plekje, waar
-ik misschien van verveling zou gestorven zijn, als het niet was geweest voor den ouden
-dokter. Goede, oude dokter, hij ligt al meer dan negen jaren onder den koelen grond,
-verlost van alle ellende en plagen des levens; en het is juist het feit, dat hij er
-niet meer is, dat mij thans eerst het recht geeft om hier dit verhaal te doen, en
-iets te publiceeren dat reeds lang in mijn bezit is. Maar ter zake.
-<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span></p>
-<p>Dokter J. was een oud man: toen ik hem kende moet hij omtrent zeventig jaar geweest
-zijn, maar hij was nog kras voor zijne jaren, schoon haar en baard reeds spierwit
-waren. Van de levensgeschiedenis van den ouden heer had ik nooit veel te weten kunnen
-komen: de dokter sprak zelf er liever niet over, en natuurlijk was ik niet gerechtigd
-mij te bemoeien met zijne private zaken. Al wat ik wist, was dat hij te Kaapstad geboren
-was uit een oud Hollandsch-Afrikaansch geslacht, in Holland had gestudeerd en aan
-de Universiteit te Leiden zijn graad van Doctor in de <span class="corr" id="xd31e282" title="Bron: Medecijnen">Medicijnen</span> had verkregen. Ook vernam ik eens van hem dat hij nooit getrouwd was, en, te oordeelen
-naar de uitdrukkingen, die hij bij die gelegenheid gebruikte over de schoone sekse
-(ik zal ze maar niet herhalen om mijne lezeressen niet kwaad te maken) was de dokter
-een echte vrouwenhater. Er waren, zooals licht te begrijpen valt, heel wat praatjes
-over den ouden heer, maar ik heb uit ondervinding geleerd, dat de kwaadsprekendheid
-steeds als een onvermoeid spook door al onze Zuid-Afrikaansche dorpen waart, en, daar
-dus waarschijnlijk niet een twintigste deel der praatjes over dokter J. waar waren,
-is het onnoodig om ze hier weer te geven. Maar, zooveel stond vast, en daar kon zelfs
-niet de meest vuige tong <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>iets tegen zeggen, de dokter was een knap man in zijne professie; hij was de vriendelijkheid
-zelve tegenover zijne patiënten, en wat maar kon gedaan worden om den dood af te wenden,
-of de pijn te verzachten, dat werd door hem gedaan.
-</p>
-<p>Mijn eerste kennismaking met den dokter was in de kwaliteit van <span class="corr" id="xd31e289" title="Bron: patient">patiënt</span>. Ik had kort na mijne aankomst in het dorp een erge koude gevat, en daar ik geplaagd
-was door een akelige soort van kerkhofhoest, ging ik den Esculaap een drankje vragen.
-Inderdaad gaf de dokter mij een probaat middeltje dat mij in weinige dagen genas;
-maar wat nog beter was, was dat die korte kennismaking zich ontwikkelde tot een groote
-vriendschap tusschen den dokter en mij. Ik geloof, dat dit een groot geluk voor mij
-is geweest; wie weet of, als ik niet het gezelschap van den dokter had gehad, ik niet,
-zooals zoo vele andere jongelui in kleine dorpjes in ons land, mij zou hebben overgegeven
-aan den drank, of andere verkeerdheden, die onze jonge lieden ten gronde richten,
-omdat ze geen anderen raad met hun goeden tijd weten. De aangename avonden die ik
-bij den dokter doorbracht, deden mij dergelijke verleidingen gemakkelijk weerstand
-bieden.
-</p>
-<p>Ik vond spoedig uit, dat de dokter niet alleen een knap man was in zijn vak, maar
-ook uitmuntend <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>belezen, zoodat hij over heel wat meer dingen kon meepraten dan pillen en poeders
-alleen. Zooals de meeste goed opgevoede lieden, had hij ook zijn geliefkoosd onderwerp;
-bij hem was het de geschiedenis van Zuid-Afrika en alles wat daarmede in verband stond.
-Hij had gedurende lange jaren, en tegen een groote uitgave, een prachtige bibliotheek
-verzameld over de geschiedenis van Zuid-Afrika; deze verzameling bevatte inderdaad
-zeer kostbare boeken, niet alleen in de Engelsche en Hollandsche talen, maar ook in
-het Duitsch en in het Fransch, welke talen hij alle gemakkelijk las. Hij was zooals
-hij mij dikwijls vertelde, in het begin van zijn loopbaan geneigd geweest om sterk
-Engelschgezind te zijn; doch toen hij bekend raakte met de bijzonderheden van het
-bestuur der Engelsche regeering in dit land gedurende de negentiende eeuw, maakte
-de bewondering, die hij voor de Engelschen en hunne denkbeelden koesterde, plaats
-voor eene diepe verachting van alles wat Engelsch en Engelschgezind was; hij werd
-een vurige voorstander van de rechten der Afrikaners, en dit was een der voornaamste
-redenen waarom hij de oude Kolonie, waar hij destijds een zeer goede praktijk had,
-verliet om zich in den Vrijstaat te vestigen.
-</p>
-<p>Toen de dokter bevond, dat ook mijne sympathiën <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>met de Afrikaners waren, en dat ik zeer verlangde om goed op de hoogte te komen der
-geschiedenis van mijn geboorteland, waarvan ik toen, helaas, bitter weinig wist, draalde
-de dokter geen oogenblik met mij het vrije gebruik zijner bibliotheek aan te bieden,
-en ik behoef nauwelijks te zeggen dat ik van dat aanbod gretig gebruik maakte. Kwam
-er dan eens een nieuw boek uit over dit onderwerp dan bestelde mijn oude vriend dit
-dadelijk van Kaapstad, en dan lazen wij het te zamen. Het was vooral bij die gelegenheden
-dat ik dikwijls de scherpzinnige aanmerkingen van den dokter bewonderde. Hij was volmaakt
-op de hoogte der algemeene geschiedenis, en hield er van om vergelijkingen te maken
-tusschen de gebeurtenissen in dit land, en die, welke vroeger in andere landen hadden
-plaats gevonden. De geschiedenis, zoo zeide hij dikwijls herhaalde zich steeds; dezelfde
-oorzaken hadden steeds dezelfde gevolgen, en wat eenmaal gebeurd was, zou weer gebeuren.
-Salomo was nooit wijzer dan toen hij zeide, „Er is niets nieuws onder de zon.”
-</p>
-<p>Het was op een kouden winteravond dat er iets tusschen mij en den dokter plaats vond,
-dat de eigenlijke oorzaak van dit verhaal is, en dat dus hier moet worden verteld
-om den lezer op de hoogte van zaken te brengen. Ik zat in de eetkamer van <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>den dokter (een voorkamer hield hij er niet op na); wij hadden juist samen een der
-nieuwe boeken van onzen uitmuntenden Zuid-Afrikaanschen geschiedschrijver G.&nbsp;M. Theal
-gelezen, die toenmaals zich een naam begon te maken, en daarop hadden wij onze vrij
-drooge kelen met wat warme ponsch nat gemaakt, of liever gezegd, wij waren daarmede
-nog bezig, toen ik uit bloote nieuwsgierigheid, mijn ouden vriend vroeg, wat hem zulk
-eene bijzondere voorliefde voor de geschiedenis van zijn land en volk had gegeven.
-De oude heer zat eenige oogenblikken in gedachten en zeide toen:
-</p>
-<p>„Mijn waarde A., om die vraag te beantwoorden, zal ik je iets uit mijn levensgeschiedenis
-moeten vertellen, en wel een heel snaaksch geval. ’t Is een beetje een lange storie,
-maar ’t is nu nog vroeg, en als wij een beetje extra spraakwater nemen, zal de stof
-misschien wat vinniger loopen”.
-</p>
-<p>Zoo gezegd, zoo gedaan; de dokter schonk onze glazen nog eens vol, en na een flinke
-teug te hebben genomen, begon hij als volgt:
-</p>
-<p>„Het was in het jaar 1835, ik meen in Mei, dat ik als behoorlijk gepromoveerd Doctor
-Medicinae uit Holland naar de Kaap terug kwam. Mijn vader leefde toen nog, en woonde
-op een soort van buiten, of plaats, zooals wij hier in Zuid-Afrika zouden <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>zeggen, even buiten de Kaapstad, in hetgeen men thans Woodstock noemt, maar dat toen
-nog als Papendorp, of liever Roodebloem bekend was. Ik was de oudste zoon van mijne
-ouders; na mij kwamen drie meisjes die allen ongetrouwd gestorven zijn, en de eenige
-broeder, dien ik had, en die overleed, toen hij nog maar twintig jaar oud was, had
-toen nog niet den leeftijd van vijftien jaren bereikt. Mijn vader was toen wel af,
-en hij zei de dat als ik wilde, ik mij kon vestigen in de Kaapstad, en, om kosten
-te besparen, mijn intrek kon nemen in zijn huis. Ik had echter reeds in die dagen
-weinig zin om mij in de buurt van de stad te vestigen en was ook niet geneigd om op
-eenige wijze op kosten van mijn vader te leven. Ik wilde de wereld in, op mijn eigen
-beenen staan, en op eigen houtje mijn fortuin maken. Derhalve besloot ik mij te gaan
-neerzetten in A. waar kort te voren de plaatselijke geneesheer overleden was.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik deed zulks, en had er spoedig een zeer aardige praktijk; ik ben dan ook te A. gebleven,
-totdat ik in 1865 op raad van onzen President Brand, naar den Vrijstaat ging, blij
-om eindelijk toch een plek in Zuid-Afrika te vinden, waar die eeuwigvervelende Britsche
-vlag niet woei. Toen ik omtrent twee jaar te A. was geweest, moest ik wegens noodzakelijke
-<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>bezigheden naar de Kaap gaan, en daar ik zelf ook een weinig rust noodig had, besloot
-ik een maand lang in de stad te vertoeven; een jonge dokter, pas uit Engeland aangekomen,
-zou zoolang mijn praktijk waarnemen.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik nam natuurlijk mijn intrek bij mijn vader, en toen ik mijn voornaamste bezigheid
-had afgedaan, amuseerde ik mij zoo goed ik kon. Waar ik het meest van hield, was om
-stil en rustig aan het strand te zitten, op den eeuwig rusteloozen oceaan te staren,
-en mijne gedachten dan den vrijen loop te laten. Er was toen nog in die dagen niet
-dat gewoel, dat thans langs het strand in de buurt van Woodstock en Zoutrivier heerscht,
-en men kon er uren zitten, zonder door iemand gehinderd te worden.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Het was juist op een warmen rustigen middag, dat ik er eens zat in mijn eentje. Verschillende
-gedachten gingen mij door het hoofd en al peinzende was ik werktuigelijk bezig om
-met mijn stok gaten in het zand te boren. Plotseling stiet mijn stok op iets hards
-en dit trok mijn opmerkzaamheid. Ik boorde verscheidene gaten binnen den omtrek van
-omtrent een yard, maar telkens kwam de stok op het harde voorwerp te recht. Ik begon
-bepaald nieuwsgierig te worden, wat dit harde ding kon zijn, en ik had een soort van
-voorgevoel dat ik op het punt stond <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>eene ontdekking te maken. Derhalve beproefde ik dan ook, zoo goed en zoo kwaad het
-ging om met mijn stok een gat te graven in het half natte zand, en na heel wat tobbens
-was ik zoover, dat ik zag dat ik hier met een kist of koffer te<span class="corr" id="xd31e324" title="Niet in bron"> doen</span> had, die met ijzer beslagen was. Op dat oogenblik schoot het mij te binnen, dat het
-een beetje gevaarlijk was om hier op helderen dag op een openbare plek zoo iets te
-voorschijn te halen. Ik herinnerde mij, dat een medestudent in Leiden die in de rechten
-studeerde, mij eens een heel verhaal had gedaan van een misdaad die strandroof genaamd
-werd, en waarop de doodstraf of levenslange verbanning of zoo iets vreeselijks stond.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Met dat schrikbeeld voor mij, vond ik het geraden om het door mij gemaakte gat maar
-dadelijk weer toe te maken. Doch om de plek niet te vergeten, maakte ik een hoopje
-van steenen op de plaats, zoodat ik die zonder moeite kon terugvinden. Daarop ging
-ik naar huis om een plan te beramen hoe ik het best mijn gevonden schat op een veilige
-plek kon brengen. De kist was blijkbaar zwaar, en ik zou hem zeker niet alleen baas
-kunnen raken; ik moest dus naar hulp uitzien. Ik was juist aan het denken welk persoon
-ik met <span class="corr" id="xd31e329" title="Bron: dlt">dit</span> gewichtig werk kon vertrouwen, toen ik den ouden jongen ontmoette, die reeds jaren
-lang bij mijn vader werkte, en die <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>mij bijna sedert mijn geboorte kende, want hij was nog als slaaf bij mijn grootvader
-geweest, en noemde mij niet anders als „kleinbaas”. Ou Andries was, meende ik juist
-de jongen, om mij in deze netelige zaak van nut te zijn. Ik drukte hem dan ook een
-halve kroon in de handen, en zeide hem dat hij dien avond, als het avondeten afgeloopen
-was, met mij mede moest gaan, en een graaf samen nemen; er was iets van belang, dat
-hij voor mij moest doen, maar hij moest er geen woord aan iemand van zeggen, vooral
-niet aan mijn vader. Andries beloofde dit dan ook trouw, en ik wist dat ik op hem
-aan kon.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Het was ongeveer negen uur dien avond, dat ik Andries ontmoette bij het tuinhek, dat
-aan den zeekant uitkwam. Er was geen maan en het was pikdonker, juist een geschikte
-avond, zooals ik bij mijzelven dacht, om de misdaad van strandroof te plegen; in werkelijkheid
-voelde ik een beetje als een misdadiger; doch er was een zeker onverklaarbaar iets,
-dat mij aandreef en mij belette om veel attentie te wijden aan de inblazingen van
-het geweten. Ik had, in het donker eenige moeite om de juiste plek te vinden, doch
-eindelijk liep ik den steenhoop raak, en spoedig was Andries hard aan het graven.
-Nu en dan stiet de graaf tegen het harde hout van de kist, en het geluid dat daardoor
-veroorzaakt werd <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>in den stillen nacht, deed mij schrikken, zoodat ik Andries toefluisterde om toch
-niet zooveel lawaai te maken. Eindelijk was de kist aan alle kanten los, en nu probeerden
-wij om haar uit den grond te tillen. Het was een heele toer, die onze vereenigde krachten
-vereischte, maar ten slotte hadden wij haar boven den grond. Maar nu deed zich een
-nieuwe moeielijkheid voor. Hoe moesten wij die zware kist naar huis krijgen? Om die
-te dragen met ons tweeën, daar was geen sprake van; de kist was zoo zwaar, dat Andries
-beweerde, dat die zeker vol geld zat.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p011width"><img src="images/p011.jpg" alt="„Het was een heele toer, die onze vereenigde krachten vereischte...” (Blz. 11.)" width="498" height="720"><p class="figureHead">„Het was een heele toer, die onze vereenigde krachten vereischte …” (Blz. 11.)</p>
-</div><p>
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>„Zooveel te beter, Andries”, antwoordde ik lachend, „dan zal jij ook iets uit het
-voordeeltje krijgen; maar ons moet nou eerst een plan maken om die ding bij die huis
-te krijg”.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>„Ik geloof, baas”, zeide de oude jongen, „dat daar niet een ander plan is dan om die
-kist hier open te maak, en dan die geld of die goed, wat daarin is, met klompjes naar
-die huis te vat”.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>In werkelijkheid scheen dit mij ook het eenige mogelijke plan; maar ik moest bij mijzelven
-bekennen dat het niet weinig gevaar aanbood. Mijn vader was nog niet naar bed, en
-het ongewone geloop zou ongetwijfeld zijn aandacht trekken, en dan zou hij willen
-weten wat er aan den gang was.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Andries scheen dit ook te begrijpen, want hij <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>zeide fluisterend tot mij, „Baasje, ons moet wacht tot die menschen in die huis slaap,
-en dan zal ons die goed naar mijn kamer draag, stukje voor stukje, en daar kan ons
-dan zien wat die goed is”.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Dit was geen slecht plan, want de kamer waar ou Andries sliep, was een buiten-kamer,
-die een heel eindje van het huis verwijderd was. Wij besloten dan ook dit plan te
-volgen, en daar het minstens nog een uur zou duren, voor al de menschen in het huis
-aan slaap zouden zijn, zeide ik aan Andries dat hij, om geen opspraak te wekken, maar
-liever naar huis moest teruggaan, en later, als alles rustig sliep, weerkomen, met
-een deken (kombaars), of iets dergelijks, waarin wij het goed geriefelijk konden dragen;
-ondertusschen zou ik de wacht in de buurt houden, en zorgen dat niemand ons onzen
-buit ontstal.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Toen Andries weg was, begon ik in de buurt van de kist heen en weer te loopen. Ik
-was nu nog nieuwsgieriger dan ooit, en de lust om eens nader te weten, wat er eigenlijk
-in die geheimzinnige kist zat, werd zoo onbedwingbaar, dat ik eene poging maakte om
-de kist te openen. Er zat, zooals ik na onderzoek merkte, een slot op, maar het zilte
-zeewater had zulk een effekt op het ijzer gehad, dat toen ik een weinig mijne krachten
-inspande, het slot uit elkander sprong. Ik tilde de zware deksel op <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>en stak, in het donker mijn hand in de kist. Ik voelde iets zachts, dat mij toescheen
-kleederen te zijn, en verder mijn hand instekende, raakte ik aan iets hards en kouds,
-blijkbaar van metaal. De deksel was te zwaar dan dat ik die lang op kon houden, en
-ik moest dus mijne verdere onderzoekingen staken, en geduldig wachten op de terugkomst
-van Andries. Na een goed uur en een half, die mij in mijn ongeduld wel zes uren toeschenen,
-kwam de trouwe jongen weer aanzetten. Hij bracht het bericht dat iedereen in het huis
-vast in slaap scheen; tevens bracht hij ook een reusachtige kombaars, die zeker wel
-alles had kunnen bevatten wat in de kist was. Wij begonnen dadelijk de boel uit te
-pakken, schoon wij in het donker niet konden uitmaken waaruit de inhoud bestond; sommige
-dingen waren hard, andere weer zacht. Ik pakte vooreerst genoeg in de kombaars om
-Andries in staat te stellen die zonder veel moeite te dragen; daarop zond ik hem met
-die eerste vracht naar huis, hem gelastende het goed in zijn kamer te leggen, en die
-dan toe te maken, en dan de tweede vracht te komen halen. Met die tweede vracht was
-de kist leeg en de kwestie was nu wat wij met de leege kist zouden aanvangen. Het
-was te gewaagd haar te laten staan waar zij was, en om haar waardeloos karkas naar
-huis te slepen, daar <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>had ik geen lust in; bovendien zou het onmogelijk zijn om haar tegenwoordigheid in
-ons huis te verhelen. Na een kort beraad tilden wij haar dus op, droegen haar zoover
-wij konden de zee in, en lieten haar aan de genade van de woeste baren over. Tusschen
-twee haakjes mag ik hier zeggen, dat ik nooit weer iets van de kist vernomen heb;
-of ze misschien vandaag nog op de golven van den oceaan rondzwabbert, of er een tweede
-strandroof aangaande haar gepleegd is, dat kan ik niet zeggen. In alle geval ben ik
-maar blij dat die kist niet als stomme getuige van mijn misdaad ooit is opgetreden.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Toen wij de kamer van Andries binnen waren, en iets voor het venster hadden gehangen,
-om het schijnsel van het licht niet te laten bemerken, staken wij een kaars op, en
-onderzochten de waarde van onzen buit. Het was niet veel, en ik weet niet wie het
-meest teleurgesteld was, ik of de oude jongen. ’t Was waar, er zat geld in de kist,
-want wij vonden een klein lederen zakje, dat wij met een zekere soort van zenuwachtigheid
-openden, doch, helaas, bij onderzoek bleek het zakje te bevatten.… de groote som van
-vier oulap. Maar er was toch één ding van aanzienlijke waarde, namelijk een goud horloge,
-een dier ouderwetsche dingen met dubbele kast, amper zoo groot als een „pompoen” zooals
-<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>Andries het uitdrukte. Ik borg dat in mijn rokzak, even als een zeer mooi medaillon
-van gedreven goud, dat een werkelijk prachtstuk was. De verdere inhoud bestond meest
-uit kleederen, volgens de mode van het midden der achttiende eeuw, een oude verrekijker
-waarvan echter een der glazen stuk was, een oude Statenbijbel, een psalmboek, en nog
-een aantal snuisterijen van betrekkelijk weinig waarde. Ik gaf last aan Andries om
-den Bijbel en eenige andere kleinigheden, die ik wilde bewaren, zoolang voor mij te
-bergen, en verder de kleeren op de best mogelijke manier te verkoopen of op eenige
-andere wijze van de hand te zetten, en wilde juist de kamer uitgaan, toen Andries
-uitriep „Baasje, hier is nog een boek”; en met deze woorden overhandigde hij mij een
-vrij dik gebonden boek, dat ik even snel opende, in de meening dat het van weinig
-waarde zou zijn. Bij het openen viel mijn oog dadelijk op de woorden „Dagboek van
-Jan van Eck”. „Zoo”, dacht ik bij mijzelven, „dat is zeker de eigenaar van de kist
-geweest”, en ik besloot het boek met mij naar mijn kamer te nemen, om het bij gelegenheid
-eens door te bladeren. Voor ik echter uit de kamer van Andries ging, beloofde ik den
-ouden jongen, die blijkbaar zeer teleurgesteld was, dat er geen geld was gevonden,
-en hij dus zijn deel van <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>de winst kwijt was, om hem den volgenden morgen een pond sterling te geven voor zijne
-moeite, mits hij geen woord repte van het gebeurde. Die belofte bracht Andries dan
-ook weder in een goede luim. Toen ik in mijn kamer kwam, voelde ik mij erg vermoeid;
-ik ontkleedde mij snel, en wierp mij op bed, maar het was te vergeefs dat ik trachtte
-te slapen. Ik voelde mij werkelijk als een misdadiger, en werd hevig gekweld met allerlei
-vreeswekkende gedachten. Als die ellendige kist opspoelde, of als er iets van mijn
-nachtelijk avontuur uitlekte, zou ik ongetwijfeld in groote onaangenaamheden komen;
-misschien zou de rechter er bij te pas komen, en zou ik zoo niet gestraft, althans
-gebrandmerkt zijn, en waarschijnlijk was mijn loopbaan dan bedorven. Kwaad met mijzelven
-verwenschte ik de kist en alles wat er in zat, doch daardoor viel ik nog niet in slaap.
-Plotseling schoot het mij in de gedachten dat als ik toch niet slapen kon, ik net
-zoo goed eens een kijkje kon nemen in het dagboek van Jan van Eck. Ik haalde het dus
-te voorschijn uit de plek waarin ik het geborgen had, en daarop weer onder de kombaars
-kruipende, begon ik te lezen. Toen de zon den volgenden morgen in mijn kamer scheen,
-vond zij mij nog bezig aan het lezen. Ik kan je nu niet alles vertellen wat in dat
-boek stond, <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>maar ik zal het eens voor den dag halen, en dan kunt ge het zelve lezen.<span class="corr" id="xd31e377" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Met deze woorden stond de oude dokter op, ging naar zijn slaapkamer, en kwam spoedig
-terug met iets onder den arm.
-</p>
-<p>„Hier is het dagboek van Jan van Eck, en.…” Op dat oogenblik werd er hevig aan de
-deur geklopt, en op het geroep van „kom in” van den dokter, trad een man haastig de
-kamer in, en zeide half ademloos:
-</p>
-<p>„Dokter, jij moet toch als je belieft gauw kom naar Piet van Rooijen, van Uitkijk;
-zijn vrouw is banja ziek, en hij het mij gestuur om dokter dadelijk te kom haal”.
-</p>
-<p>„Naar Uitkijk”, riep de dokter uit, „machtig, kerel dit is amper zes uur te paard
-hiervan daan. Ik zal natuurlijk gaan, maar kan jij niet wacht nie, tot dit daglicht
-is; het is vreeselijk donker en koud daarbij”.
-</p>
-<p>„Ik zou niet om geef om te wacht nie, dokter”, luidde het antwoord, „maar oom Piet
-heeft mij gezegd dat ik gauw moet maak, want dit is een gevaarlijke ding”. En hier
-voegde de spreker er iets bij, dat bewees dat het inderdaad een geval van leven of
-dood was.
-</p>
-<p>„Wel als dit zoo is, dan ga ik nu dadelijk met <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>jou mee” hernam de goede dokter, die nooit aarzelde, om waar zijn plicht hem riep,
-te gaan, vooral als het een zaak van dezen aard gold.
-</p>
-<p>„Waar is jou kar?” vroeg hij, terwijl hij reeds bezig was om zijn kistje met medicijnen
-en instrumenten voor den dag te halen.
-</p>
-<p>„Dokter die kar staat klaar ingespan”, was het antwoord; <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>ik het versche paarden van oom Jan Grobbelaar gekrijg, hullie is fluks, en zal ons
-binnen vier uur naar Uitkijk breng”.
-</p>
-<p>„Loop haal dan maar die kar, dan zal ik klaar wees” zeide de dokter, en zich daarop
-tot mij wendende, vervolgde hij:
-</p>
-<p>„Dit spijt mij, A, dat onze conversatie op deze manier gebroken wordt, maar daar is
-nu niets aan te doen. Neem ondertusschen het boek maar mee, dan kan je het zoolang
-lezen, en mij, als wij elkander weer zien, vertellen, wat je er van denkt, en dan
-zal je ook wel begrijpen, waarom ik zooveel van de geschiedenis van Zuid-Afrika houd”.
-</p>
-<p>Ik bedankte den dokter hartelijk, nam afscheid van hem, en ging toen naar huis.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Den volgenden middag bracht men het lijk van dokter J. naar het dorp terug; hij was
-het slachtoffer geworden van zijne plichtsbetrachting. In den <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>stikdonkeren nacht had de drijver het ongeluk gehad de kar om te gooien, de dokter
-was onder de kar gevallen: zijn ruggegraat was gebroken, en hij was waarschijnlijk
-dadelijk en zonder pijn geleden te hebben, overleden. Een benijdenswaardige dood voor
-een man die altijd zijn plicht had gedaan tegenover God en den mensch, en die nooit
-den dood had gevreesd.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Ik behield het dagboek van Jan van Eck, en maakte er geen gewag van aan den executeur
-van des dokters boedel. Misschien deed ik daardoor iets waartoe ik volgens strikt
-wet geen recht toe had. Maar aangezien ik hoop dat mijne lezers het voordeel van mijn
-daad zullen hebben, daar anders naar alle waarschijnlijkheid zij nooit iets van het
-dagboek zouden hebben gehoord, vertrouw ik dat zij mij niet zullen gaan verklagen
-bij den procureur-generaal of eenig ander gevreesden ambtenaar, wegens het mij toeeigenen
-van een andersmans goed. Sommige menschen zouden het misschien diefstal willen noemen,
-maar dat is zulk een leelijk woord, dat ik het liever niet omtrent mijzelven wil gebruiken.
-<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK II." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK II.</h2>
-<h2 class="main">Waarin een begin wordt gemaakt met het verhaal, en de hoofdpersoon zijn intrede maakt.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het zou zeker het gemakkelijkste wezen voor mij, om maar zonder meer, hier het dagboek
-overteschrijven, en mijne lezers er zich dan op de best mogelijke manier te laten
-doorworstelen. Maar ik vrees dat dit een heel vervelend stukje werk voor hen zou wezen,
-en dat er dan kans bestond dat zij, voor het boek nog half uit was, het ergens in
-een hoek zouden werpen, met den uitroep: „Dat boek is mij te saai”. Om zulk een ongeluk
-te voorkomen, heb ik besloten, om uit het materiaal in het dagboek vervat, een verhaal
-optetrekken, in mijn eigene <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>woorden, en op mijn eigen manier, mij echter steeds vasthoudende aan de feiten zooals
-bevat in het dagboek. Ik meen te mogen zeggen, dat over het algemeen, die feiten vrij
-wel overeenkomen met hetgeen men in de geschiedenis boeken van die dagen vindt; hier
-en daar is er een klein verschil, maar dit doet niet veel af aan de waarde van het
-werk.
-</p>
-<p>Voor ik echter dit verhaal begin, is het noodig dat mijne lezers iets weten van den
-man die dit dagboek heeft geschreven: Jan van Eck. Heel veel kan ik niet van hem vertellen,
-want de familie van Eck schijnt in Zuid-Afrika vrij wel uitgestorven, zoodat het mij
-niet doenlijk is geweest om eenige familie-dokumenten in handen te krijgen, en het
-weinige dat ik heb kunnen uitvinden, en dat ik hier ga weergeven, bestaat deels uit
-aanteekeningen gevonden in het boek van wijlen den heer C.&nbsp;C. de Villiers, en uit
-gevolgtrekkingen door mij gemaakt uit hetgeen ik in het dagboek heb gevonden, schoon
-de heer van Eck zelve maar zeer karig is in het geven van berichten omtrent zijn leven
-of identiteit.
-</p>
-<p>In het jaar 1691 leefde er te Drakenstein een zekere Adriaan van Eck, die burger der
-Kolonie was, en die in 1712 een zoon liet doopen met den naam van Johan. Deze Johan
-had weder een zoon Johannes, geboren in 1741, en later gehuwd met Martha <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>Magdalena Cordier bij welke hij 3 kinderen had, waarvan de jongste, Arie, in 1799
-werd gedoopt. Geen dezer van Ecks kan echter de schrijver van dit dagboek zijn, om
-de eenvoudige reden dat uit het dagboek zelve blijkt dat de schrijver niet gehuwd
-was. Dat hij echter tot deze familie behoorde is geenszins twijfelachtig, want wij
-zullen zien dat hij in de Kaapstad eene achternicht had, met name Elizabeth, weduwe
-van Zacharias de Beer, die met hare kinderen verscheidene malen in dit werk voorkomen.
-Nu is volgens het boek van den heer Villiers eene dochter Elizabeth, van den ouden
-Johan van Eck gehuwd geweest met zekeren Zacharias Joseph de Beer, en het is dus zeer
-waarschijnlijk dat dit de hierin vermelde Elizabeth was. Maar verdere nasporingen
-van de <span class="corr" id="xd31e422" title="Bron: indentiteit">identiteit</span> van onzen schrijver hebben geen resultaten opgeleverd.
-</p>
-<p>Ook is het ons niet geheel duidelijk wat de schrijver van het dagboek geweest is;
-er zijn echter passages in het boek die ons er toe zouden kunnen leiden om tot de
-conclusie te komen dat hij vroeger in dienst der Compagnie is geweest, en een vrij
-aanzienlijke betrekking heeft bekleed. Immers hij verkeerde blijkbaar op zeer intiemen
-voet met een aantal der aanzienlijkste mannen in Kaapstad, velen waarvan hij bij hunne
-voornamen noemt; ook schijnt <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>hij bekend te zijn geweest met verscheidene boeren uit differente deelen der Kolonie.
-Ten tijde dat hij dit dagboek aanhield woonde hij in een klein huisje gelegen aan
-het strand tusschen het tegenwoordige Woodstock en Zoutrivier; een oude kleurling
-die in het dagboek dikwijls voorkomt onder den naam van Thijs, en die blijkbaar een
-slaaf was, en jaren lang in dienst van den schrijver, zorgde voor hem, zoover het
-koken van de kost, en dergelijke huishoudelijke zaken aangaat; en daarbij was hij
-een vertrouwde van zijn meester, die hem allerlei gewichtige bezigheden liet verrichten.
-</p>
-<p>Over het geheel heeft het dagboek op mij den indruk gemaakt, dat Jan van Eck een dier
-menschen was, dien men gewoonlijk met den naam van een zonderling bestempelt. Hij
-woonde eenzaam in zijn huisje, ging geregeld iederen dag naar de stad om de nieuwtjes
-te vernemen, en zijne familie en oude kennissen te zien, maar nam geen werkdadig aandeel
-in de zaken, schoon wij zullen vinden, dat hij in 1795 dienst deed als soldaat, en
-toen tot het zoogenaamde „Pennisten-korps” behoorde. Met zijne medemenschen had hij
-niet veel op.
-</p>
-<p>Hij was een zeer belezen man, en had vooral een grondige kennis van de toenmalige
-Franschen schrijvers; Voltaire<span class="corr" id="xd31e432" title="Niet in bron"> en</span> Diderot, kende hij op zijn duimpje, <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>maar zijn lievelings-schrijver was toch Jean Jacques Rousseau, en deze had een ontzettenden
-invloed op hem gehad. Van Eck was volbloed revolutionair, en dweepte met de denkbeelden
-van „de rechten van den mensch.” Hij haatte de <span class="corr" id="xd31e436" title="Bron: idëen">ideeën</span> van den ouden pruikentijd, had een hekel aan het monarchisme of aan alles wat er
-naar zweemde, en was bovendien, op het gebied van godsdienst doordrongen van de denkbeelden
-der toenmalige vrijdenkers. Er zijn bewijzen uit dokumenten in het archief der Kaap
-Kolonie, dat op dit punt er ook nog anderen waren die in die dagen dezelfde <span class="corr" id="xd31e439" title="Bron: idëen">ideeën</span> koesterden. Men vergete niet dat de denkbeelden, die in 1789 de Fransche Revolutie
-hebben veroorzaakt in Holland een groot aantal aanhangers hadden, zoo zelfs dat deze
-er ernstige politieke verwikkelingen veroorzaakten, en de „Patriotten” zooals men
-ze noemde, eene mislukte poging deden om den stadhouder der Nederlanden, Prins Willem
-van Oranje (Willem de Vijfde) van alle macht te berooven. Deze poging, gedaan in 1787,
-werd verijdeld door de „Prinsgezinden”, die gesteund werden door een groot leger,
-hun ter hulpe gezonden door den koning van Pruisen; en het gevolg dezer mislukte poging
-was, dat een groot aantal der „Patriotten” de wijk moesten nemen naar Frankrijk, waar
-zij niet weinig werkzaam <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>waren, en ten slot te 1795 naar Holland terugkwamen, toen de Franschen dit land hadden
-veroverd, en Willem de Vijfde de wijk had genomen naar Engeland. Jan van Eck, was,
-wat zijne denkbeelden aangaat, een echte „Patriot”, en dit zal den lezer in dit verhaal
-duidelijk worden, en verklaart tegelijk het feit waarom hij zulk een ontzettenden
-haat tegen de Engelschen had, die toenmaals vijanden van de Franschen, en sterke ondersteuners
-waren van het Huis van Oranje.
-</p>
-<p>Het bovenstaande zal ten minste onzen lezers eenig denkbeeld geven van den man die
-het dagverhaal geschreven heeft, en wij kunnen thans ons verhaal voortzetten, of liever
-gezegd, <span class="corr" id="xd31e446" title="Bron: beginnnen">beginnen</span>. Maar nog een kleine verklaring is noodig. Toen ik het boek van den dokter kreeg,
-waren er verscheidene bladen uit het boek gescheurd, door wien, weet ik natuurlijk
-niet; een geheel gedeelte, namelijk dat tusschen de jaren 1796 tot 1802 is zoo goed
-als weg; andere deelen zijn door de actie van het zeewater dat toegang schijnt te
-hebben gehad tot den inhoud der kist, bijna niet te ontcijferen. Waar dit het geval
-geweest is, heb ik uit andere bronnen eene korte geschiedenis te zamen gesteld van
-die tijden, daar anders het verdere gedeelte van het dagboek niet te begrijpen zou
-zijn. En ten slotte <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>zij het hier gezegd, dat de eischen van plaatsgebrek mij hebben verplicht om veel
-uit het dagboek te verkorten, en er zelfs belangrijke deelen uit te laten. Het is
-echter niet onmogelijk, dat als dit boekje in den smaak van het Afrikaansche publiek
-valt, ik later nog meer uittreksels uit het dagboek zal geven.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Op den morgen van den 12<sup>den</sup> Mei in het jaar 1791, omtrent 11 ure stonden er in de Graaffestraat (die later verkeerdelijk
-Grave straat werd genoemd, en nu herdoopt is in Parliament street) in Kaapstad, drie
-mannen een vrij opgewonden gesprek te voeren. De grootste dier mannen, een flinke
-kerel van iets over de zes voet<span class="corr" id="xd31e458" title="Bron: .">,</span> en gekleed op eene wijze die toonde dat hij tot den deftigen stand behoorde, heette
-Sebastiaan van Reenen, en was inderdaad een der aanzienlijkste inwoners van de Kaapstad
-in die dagen, gedeeltelijk wegens zijn groote rijkdom, gedeeltelijk omdat hij een
-zeer bekwaam man was, en deels ook omdat hij geparenteerd was aan bijna al de andere
-aanzienlijke burgerfamiliën der stad, en dus een grooten invloed uitoefenen kon. Naast
-hem stond een kort, eenigszins gezet man, die schoon niet zoo deftig uitgedoscht als
-de heer van Reenen, ook tot de betere klasse van burgers scheen te behooren, en wiens
-broeder <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>dan ook de vrij aanzienlijke betrekking van Resident van Simonsbaai bekleedde. Zijn
-naam was Pieter Brand, waaruit men merken kan, dat hij tot een oud Kaapsch geslacht
-behoort. De derde man is insgelijks een klein mannetje, iets kleiner zelfs dan de
-heer Brand; hij is daarenboven veel schraler dan deze, en zijne kleeding is veel eenvoudiger
-dan die der anderen; ja, men zou zelfs zeggen dat ze hem slordig aan het lijf zitten,
-en dat de drager geen man is die zich erg moe maakt over zijn uiterlijk aanzien. Hij
-is een man van iets over middelbaren leeftijd, naar schatting omtrent acht en veertig
-of vijftig jaar oud. Haren en baard vertoonen de eerste sporen van grijsheid, maar
-hij loopt nog flink rechtop, en zijne houding heeft zelfs iets „parmantigs” over zich,
-terwijl gebaren en spraak toonen dat het hem geenszins aan levendigheid ontbreekt.
-De naam van dezen man is Jan van Eck, en hij woont als jonggezel in een klein huisje
-aan het strand tusschen de stad en de Zoutrivier.
-</p>
-<p>De heer Van Eck is aan het woord, en hij zegt op heftige wijze, terwijl hij zijn Malacca
-rottang, met zilveren knop, heen en weer zwaait:
-</p>
-<p>„’t Is alles van het zelfde brouwsel, die groote heeren van de Compagnie, mijnheer
-van Reenen; iedereen zorgt slechts voor zich zelven; wat van de <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>Compagnie of van den lande wordt schijnt niemand te kunnen schelen. En natuurlijk,
-als men de gunst geniet van zijne Hoogheid den Stadhouder, dan behoeft men zich niet
-aan de bevelen der Compagnie te storen”.
-</p>
-<p>„Ik beaam niet alles wat gij daar zegt, mijnheer van Eck,” hernam de heer van Reenen,
-op ernstige wijze, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>want er zijn ambtenaren zooals de broeder van onzen geachten vriend, de heer Brand,
-die wel degelijk hun plicht doen, maar ik vind het toch een schandaal dat mijnheer
-de Gouverneur op deze onbeschaamde wijze handelt. ’t Is nu toch al meer dan drie maanden
-geleden dat ZEd. uit Patria orders heeft ontvangen om het bestuur hier neder te leggen,
-en zulks ten gunste van den Secunde, en op het oogenblik speelt hij toch nog de baas,
-alsof hij van niets wist.”
-</p>
-<p>„Dat zou zeker niet het geval zijn, als het niet ware, dat de Fiskaal van Lynden<span id="xd31e475"></span> hem in zijn verzet steunt” viel den heer Brand in „die man is een ware vloek voor
-deze volksplanting.”
-</p>
-<p>„Ja waarlijk, dat moogt gij wel zeggen, mijnheer Brand” hervatte van Eck, „nog nooit
-is alhier het recht op zulke schandelijke wijze veil geweest als het thans is; de
-rechtvaardigheid, het eenige juweel, dat de burger tot nu toe had, wordt aan den hoogsten
-<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>bieder verkocht, en het volk schijnt er zich niet tegen te durven verzetten. Neen,
-dan was het wat anders in de dagen van Adam Tas, zaliger memorie; toen durfde men
-nog voor zijne rechten opstaan, en als er thans onder onze burgers denzelfden manmoedigen
-geest heerschte, dan was Cornelis Jacob van de Graaff al lang op het eene of andere
-schip gezet, en zonder complimenten naar huis toe gezonden, wat ook de Stadhouder
-mocht hebben gezegd. Maar wij zijn slaven geworden, en eerst als de Fransche Republiek
-ons de ware vrijheid zal hebben gebracht, zal er een betere tijd voor de volksplanting
-opdagen”.
-</p>
-<p>„Bedaar u wat mijnheer van Eck,” zeide van Reenen op waarschuwenden toon, „men mocht
-u eens hooren, en dan zoudt gij misschien op zeer onaangename wijze kunnen kennis
-maken met den Fiskaal”.
-</p>
-<p>„Hebt gij nog geene tijdingen uit Graaff-Reinet<span class="corr" id="xd31e484" title="Bron: ”">,</span> mijnheer van Reenen<span class="corr" id="xd31e487" title="Bron: „">?” </span>vroeg van Eck bedaard, alsof hij niet de minste notitie nam van de woorden van dezen;
-<span class="corr" title="Niet in bron">„</span>ik hoorde gisteren een gerucht dat er daar heel wat <span class="corr" id="xd31e492" title="Bron: ontevrodenheid">ontevredenheid</span> heerscht, en de zaken er leelijk staan”.
-</p>
-<p>„Men is er zeer gebelgd over de onverschilligheid van den Politieken Raad, en eischt
-bevelen omtrent een kommando tegen de Bosjesmannen die het de <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>boeren aldaar zeer lastig maken moeten<span class="corr" id="xd31e499" title="Niet in bron">,”</span> was het antwoord<span id="xd31e501"></span>.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>De regeering behoort zeer voorzichtig te zijn met de burgers van <span class="corr" id="xd31e506" title="Bron: Graaff-Reinett">Graaff-Reinet</span>” viel hier de heer Brand in „ik ken de bevolking daar goed, en zij zullen zeker niet
-verdragen wat de menschen hier verdragen”.
-</p>
-<p>„Dat is een waar woord, mijnheer Brand” zeide van Eck, „de burgers van Graaff-Reinet
-en ook die van Swellendam zijn wakkere mannen, die de vrijheidsliefde van hunne voorvaderen
-nog hebben bewaard, en zich niet zullen laten vertrappen door een handjevol betweters,
-die meenen alles te kunnen doen, omdat zij in den gunst van den Prins of van de Hoog
-Mogenden meenen te staan. Laat men maar oppassen; de waarheid is ook reeds in die
-streken doorgedrongen, en het volk begint zijn eeuwige rechten, hem door de Natuur
-geschonken te kennen. Vrijheid, Gelijkheid, en Broederschap, zijn voor hen geen ijdele
-klanken meer, maar zullen spoedig werkelijkheid worden. En dan wee de ellendelingen
-die hen zoolang onderdrukt en uitgezogen hebben”.
-</p>
-<p>Het gezicht van den heer van Reenen betrok, toen hij deze woorden hoorde, en hij keek
-den spreker scherp aan; deze beantwoordde dien blik echter even scherp, waarop de
-heer van Reenen zijn mond tot een glimlach plooide, en zeide:
-<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p>
-<p>„Ik ga u groeten, mijnheer van Eck<span id="xd31e515"></span>, want gij wordt mij ietwat te gevaarlijk, en ik heb geen lust om u gezelschap te
-houden in het Kasteel, waar gij ongetwijfeld zult belanden, als gij uwen vinnigen
-mond niet wat meer in toom houdt”.
-</p>
-<p>De drie heeren scheidden. Van Reenen en Brand stapten in de richting van de Parade,
-terwijl de heer van Eck zijn weg voortzette, het Stalplein overging, en toen een weg
-insloeg die de helling van den Tafelberg opging. Al loopende, mompelde van Eck steeds
-bij zichzelven, en het was niet alleen mompelen, maar ook morren, want hij zeide,
-op driftige wijze, en zoo hoorbaar, dat als iemand hem voorbij gegaan was, deze de
-volgende woorden had kunnen vernemen:
-</p>
-<p>„Van Reenen heeft mooi praten met zijne waarschuwingen. De kerel is, dat weet ik,
-net van dezelfde opinie als ik, en is een even echte patriot. Maar zooals vele anderen
-is hij banghartig, en speelt den heilige, uit vrees voor zijn karkas. Wat heeft men
-aan zulke lammelingen, die even als Erasmus in de oude dagen, alles beamen wat er
-door Luther gezegd en geschreven werd, maar die niet gemaakt zijn uit het materiaal,
-waaruit de martelaren bestonden. ’t Is huilen met de wolven in het bosch, wat zulke
-menschen doen; maar wacht maar een weinig, mijnheer <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>van Reenen, de wolven zullen net nu een ander deuntje huilen, en dat zal dan ook uw
-deuntje zijn. Maar een voorzinger om de goeie gemeente te leiden, dat te zijn, daar
-hebt gij den moed niet toe. Wat een geluk dat Voltaire, of Rousseau niet zulke lafhartigen
-waren; hadden zij de kat de bel niet omgehangen, dan zuchtte men heden nog in Frankrijk
-onder het wanbestuur der Capets.”
-</p>
-<p>Op deze wijze lucht gevende aan zijn overkropt gemoed, en aan zijn verachting van
-alles wat valsch en schijnheilig was, stapte van Eck ijverig voort, totdat hij eindelijk
-aan een breed hek was gekomen, waarop in vergulde letters stond te lezen—“<span class="corr" id="xd31e525" title="Bron: zeezicht">Zeezicht</span>”. Hij ging dit hek door, liep het net gegruisde pad op, en bevond zich spoedig voor
-een net gebouwd huis, eenigszins in den vorm van een boerenwoning, aan beide zijden
-waarvan er zich dan ook eenige buitengebouwen bevonden, die blijkbaar dienden, als
-stallen, wijnkelders en slavenwoningen, terwijl aan den achterkant van deze gebouwen
-een groote wingerd zichtbaar was, wier bladen in het late seizoen reeds waren afgevallen,
-terwijl daarentegen de eikenboomen, die zich in twee statige rijen aan beide zijden
-van het huis verhieven nog in al hun bladerdos prijkten, al was er hier en daar reeds
-een geele tint aan hen te bespeuren.
-<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p>
-<p>De heer van Eck stapte juist den hoogen stoep van het woonhuis op, toen een ontzettend
-groote hond, geel van kleur met zwarten bek, van den zijkant opsprong en met heftig
-gebas aan kwam zetten; toen hij echter de reuk van den bezoeker kreeg, veranderde
-hij van houding, en kwam kwispelstaartend op den aankomeling af, die blijkbaar een
-oude kennis van het dier was, en die het dan ook een vriendelijk „zoo Caesar, zou
-jij den ouden baas niet meer kennen” toesprak.
-</p>
-<p>Intusschen was eene rijzige vrouw, wier grijze haren verrieden dat zij minstens vijf
-kruisjes achter den rug had, maar die toch nog eene fiere houding had, op den stoep
-verschenen, en liep van Eck vriendelijk groetend tegemoet.
-</p>
-<p>„Kijk, neef, dat is nu net mooi van je; ik zeide daar net tegen Annie, dat het heel
-aardig zou zijn als gij van daag hier kwaamt.”
-</p>
-<p>„Wat is er dan weer aan den gang, Bette,” sprak van Eck, terwijl hij zich met een
-roodzijdenen doek het voorhoofd afwischte, want de perspiratie liep daar in groote
-parels af, daar de zon nog heel wat kracht had, en als een vuurbol in den wolkenloozen
-hemel schitterde. „Is Zachje weer in moeilijkheden, of hebt gij misschien uw nieuwe
-wijn reeds getapt? Om de waarheid te zeggen zou een roemer jonge <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>wijn mij uitmuntend smaken,” vervolgde van Eck lachend.
-</p>
-<p>„Kom maar binnen, neef, en dan zal de wijn zich wel laten vinden, al is die van verleden
-jaar, want de oogst van dit jaar is nog niet goed drinkbaar. Maar gij blijft zeker
-wel bij ons eten, niet waar?”
-</p>
-<p>„Dat was inderdaad mijn plan, waarde nicht, als ik u niet derangeer,” antwoordde van
-Eck, en meteen liet hij zich nederglijden op een rustbank die op de stoep in de schaduw
-stond.
-</p>
-<p>Mevrouw de weduwe Elizabeth de Beer, zooals de eigenares van Zeezicht heette, was
-ongetwijfeld gewoon aan de gemakkelijke manieren van haar neef, die deed alsof hij
-thuis was, en geen aanstelletjes had; zij riep dan ook eene slavin en beval deze een
-kan wijn en een paar glazen te halen, en een paar minuten daarna, was van Eck in staat
-om zijn dorst te lesschen met een flink glas Kaapsche wijn, terwijl ook zijne nicht
-zich den heerlijk verfrisschenden drank liet smaken.
-</p>
-<p>„En wat nieuws is er in de stad, neef?” vroeg zij daarop, terwijl zij den roemer van
-haren gast nog eens vulde, want schoon van Eck een matig man was, wist zij dat hij
-van twee glazen zuiveren wijn niet „hoenderkop” zou worden.
-</p>
-<p>„Men is in de stad blijkbaar volstrekt niet gesticht <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>op het verdere gezelschap van den edelen gouverneur”, antwoordde van Eck, „en dat
-verwondert mij dan ook geenszins, want de man heeft het bont genoeg gemaakt, en heeft
-het zuurverdiende geld der arme burgers er op schandelijke wijze doorgejaagd”.
-</p>
-<p>„Ik hoorde Hans er van morgen iets over zeggen, maar ik begreep niet goed wat hij
-meende” zeide mevrouw de Beer. „Zoover ik opmaakte, scheen hij van opinie te zijn
-dat de gouverneur het volmaakste recht had om hier te vertoeven totdat hij zijne private
-zaken in orde had gemaakt, en was al dat lawaai niets anders dan afgunst van den heer
-Rhenius, den Secunde, die zijne partij opstookte, omdat hij kwaad is dat de macht
-hem nog niet in handen is gegeven, en hij het hoogere salaris niet kan trekken, voordat
-de gouverneur deze kusten heeft verlaten”.
-</p>
-<p>„Zoo, dat had ik mij wel kunnen denken, dat Hans ook al van het hondje gebeten is.
-Hij werkt nu op het kantoor van den Fiskaal, is het niet?”
-</p>
-<p>„Ja, van af het begin der vorige maand is hij daar heen verplaatst, en het schijnt
-hem er goed te bevallen”, luidde het antwoord.
-</p>
-<p>„’t Is jammer dat ik er niet vroeger van geweten had, dan zou ik u hebben gewaarschuwd,
-en u aangeraden hebben om te zien of gij geen ander baantje <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>voor uw oudsten zoon had kunnen krijgen. Het gezelschap van den heer van Lynden is
-niet zeer geschikt voor een jongmensch die de verleidingen van het leven en de strikken
-des duivels nog niet juist kent”.
-</p>
-<p>„Wel, neef, dat zijn natuurlijk dingen, waar eene arme vrouw als ik niets van af weet;
-maar zie, daar komt Hans juist aan, en het zou misschien niet slecht zijn, zoo u met
-hem gingt spreken over de zaak; wellicht is er nog een plan te vinden”.
-</p>
-<p>Mevrouw had nauwelijks deze redevoering klaar, of haar oudste zoon Hans, een flink
-opgeschoten jongeling van omtrent twee-en-twintig jaar, kwam de stoep op. De jonge
-man had iets astrants in zijn uiterlijk, dat een eigenzinnig karakter verried, en
-als hij dit was, dan behoefde men hier niet verwonderd over te zijn, want de vader
-van Hans was overleden toen deze negen jaar oud was, en de weduwe had den vrij balsturigen
-knaap niet in de noodige orde kunnen houden, zoodat Hans veel te veel zijn zin had
-gekregen, en de baas in het huis speelde. Hij groette zijn neef eenigszins kortaf,
-en zette zich toen op de rustbank naast dezen neder, waarop hij een slaaf riep en
-dezen gelastte nog een glas te brengen; toen hij dit gekregen had schonk hij zich
-een duchtigen versterking in, en dronk dit <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>uit, zonder op ’s lands manier den gast van zijne moeder gezondheid te wenschen.
-</p>
-<p>Jan van Eck keek den parmantigen knaap van ter zijde aan, en zeide toen bedaard:
-</p>
-<p>„Ik hoor, Hans, dat gij thans in het kantoor van den Fiskaal werkzaam zijt; hoe bevalt
-het u daar?”
-</p>
-<p>„Uitstekend oom”, luidde het antwoord, „het is zeer vermakelijk om te zien hoe de
-Fiskaal met de menschen weet om te springen, en hij is zeker een der <span class="corr" id="xd31e561" title="Bron: geslependste">geslepenste</span> kerels in de Kaap. ’t Is een oude rot, die niet makkelijk in den val loopt”.
-</p>
-<p>„Ja, dat is hij zeker, maar oude rotten worden soms ook gevangen en dan hebben zij
-het menigmaal harder te verantwoorden dan de jongere dieren”, zeide van Eck koeltjes,
-en daarop vervolgde hij: „De heer Fiskaal schijnt echter geen populair man te zijn
-onder de burgers, ten minste niet naar ik hoor”.
-</p>
-<p>„Dat weet hij ook wel, maar daar stoort hij zich niet aan; hij veracht de menschen,
-en zegt dat over het algemeen de kolonisten te onbeschaafd zijn dan dat men notitie
-behoeft te nemen van wat zij zeggen”.
-</p>
-<p>„Heeft hij dat in uwe tegenwoordigheid gezegd?” vroeg van Eck verbaasd.
-</p>
-<p>„Oh, ja, hij windt er geen doekjes om, en zegt net wat hem op het harte ligt”, hernam
-de jonge <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>man, en dit op een toon die te kennen gaf dat het gedrag van zijn chef zijn bewondering
-verwekte.
-</p>
-<p>De aderen aan het voorhoofd van Jan van Eck zwollen als koorden, zijn gelaat werd
-vuurrood, en hij mompelde iets dat veel klonk naar een krasse vloek. Toch bedwong
-hij zich, tot hij tegen zijn neef uitbarstte: „En gij Hans de Beer, een Afrikaner
-van geboorte, en uit een oud Kaapsch geslacht ontsproten, gij laat iemand dat in uw
-gezicht zeggen, zonder dit tegen te spreken. Foei, schaam u wat: ik zou in mijn jonge
-dagen mij niet zoo hebben laten beleedigen”.
-</p>
-<p>De jonge man was een weinig bedeesd onder dezen onverwachten aanval, maar herstelde
-zich toch spoedig, en antwoordde toen op scherpe toon: „Maar wildet gij dan hebben
-dat ik met mijn chef onaangenaamheden moet krijgen, en met hem ruzie maken over zulk
-een bagatel, neef? De heer van Lynden is een invloedrijk man, en het zou wel dwaas
-van mij zijn, om hem niet te vriend te houden”.
-</p>
-<p>„Ik geloof dat gij den invloed van den Fiskaal veel te hoog schat”, hernam de oudere
-man, „en al was hij de stadhouder zelf, dan zou ik mijn medekolonisten niet ongestraft
-hebben laten beleedigen, in alle geval niet stilzwijgend. Het spijt mij ten zeerste
-dat gij op dat kantoor zijt terecht gekomen. <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>en gij zult er niet veel goeds leeren. Als ik u was Hans, dan zou ik om verplaatsing
-aanzoek doen”.
-</p>
-<p>„U heeft zeer wonderlijke veroordeelen, neef”, waagde de jonge man te zeggen, „de
-zaak is eenvoudig dat gij weet dat de Fiskaal Oranjegezind is, en gij zelve een Patriot
-zijt, en daarom haat gij den heer van Lynden, omdat gij vreest dat hij een oog op
-u heeft. Maar een man als de heer van Lynden, die den steun en de achting van den
-Gouverneur geniet, is verheven boven uwe aantijgingen”.
-</p>
-<p>Onder andere omstandigheden zou de heftige Jan van Eck den man die hem zulke woorden
-had toegevoegd een slag met zijn rottang in het aangezicht hebben gegeven; de gedachte
-echter, dat een domme melkbaard zooiets zeide, en het feit dat die melkbaard een zoon
-was van eene zeer geliefde nicht, hield zijn arm tegen, schoon de rottang werkelijk
-een paar duim van den grond rees, om daarop langzaam te zinken.
-</p>
-<p>„Hans, gij zijt een dwaas, die niet weet wat gij praat, en als gij wat meer verstand
-hebt, zal het u spijten zulke onbekooktheden tegen mij te hebben gezegd. Ik verzeker
-u echter dat gij u deerlijk vergist, en dat het u geraden is niet al uw vertrouwen
-te stellen in den Fiskaal, en zelfs niet in den Gouverneur want hun beider rijk is
-waarschijnlijk zeer spoedig uit”.
-<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span></p>
-<p>„Zoudt gij dan denken dat de Gouverneur dwaas genoeg zou zijn om naar Patria terug
-te gaan op de eerste aanmaning hem daartoe door de directeuren gezonden. Hij heeft
-natuurlijk naar zijne vrienden in Patria geschreven, om hen te vertellen, dat hetgeen
-men in Holland van hem verteld niets dan leugens zijn van zijne tegenstanders alhier,
-en hij zal vragen dat men eene commissie uitsture om onderzoek naar den toestand der
-zaken alhier te doen. De heer van de Graaff is niet de man er naar, om zoo maar het
-veld te ruimen voor zijne vijanden, en hij heeft een uitmuntenden raadgever in den
-Fiskaal, die weet wat hij doet”, luidde het heftige antwoord van den jongen Hans.
-</p>
-<p>„Zoo, zoo, zit de vork zoo in den steel”, sprak van Eck, en hij wilde juist nog iets
-hierbij voegen, dat misschien niet zoo bedaard zou geweest zijn, toen plotseling de
-stem van zijn nicht zich deed hooren, die weder op de stoep verscheen, met „komt,
-neef Jan, en Hans, komt eten, de kost wordt anders koud en dat zou jammer zijn”.
-</p>
-<p>Neef Jan had een half uur geleden een geweldigen appetijt gehad, maar de woordenstrijd
-met Hans had dien geheel en al bedorven, en de oude heer was alles behalve vriendelijk
-gestemd toen hij de ruime eetkamer intrad, en daar de andere leden der familie <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>aantrof, namelijk de eenige dochter van Mevrouw de Beer, Annie genaamd, een zeer mooi
-meisje van omtrent 17 jaar, en de tweede zoon des huizes, een knappe jongen van 19
-jaar, die naar de boerderij van zijne moeder keek, en als zoodanig de rechter hand
-dier moeder was. Hij had een geheel anderen aard dan zijn broeder Hans, deze Andries
-de Beer, en schoon meer bedeesd dan deze, was hij veel verstandiger dan zijn ouderen
-broeder.
-</p>
-<p>Annie was een lieveling van den stuggen Jan van Eck, maar heden was neef Jan zoo verstoord
-dat hij haar slechts zeer koel groette, en ook onder het eten in gedachten verzonken
-scheen. Nicht Bettie giste dat er weer een hevige woordenwisseling had plaats gevonden
-tusschen haar neef en haar zoon, want dergelijke tooneeltjes waren niets ongewoons;
-toch had zij nooit gezien dat neef zich zulk een zaak aldus aantrok als hij heden
-scheen te doen, en zij kon dan ook niet helpen om te vragen, wat Hans nu weer gezegd
-had om neef zoo overstuur te maken.
-</p>
-<p>Hans antwoordde niet, want hij begon zich reeds over zijn gedrag te schamen, en daarbij
-gevoelde hij dat hij in zijne aanmerkingen over de plannen van den Gouverneur, plannen
-waarover hij den heer van Lynden had hooren praten, zijn mond had voorbij gepraat,
-en geheimen uit het kantoor had verklikt, <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>iets dat hem duur kon te staan komen. De heer van Eck daarentegen begon nu eerst geweldig
-ergerlijk te worden over het gedrag van zijn jongen neef, en, op de vraag van Mevrouw
-de Beer, barstte hij dan ook plotseling uit:
-</p>
-<p>„Nicht als gij daar dien oudsten zoon van u niet spoedig den mond snoert, zal hij
-u en anderen in groote ongelegenheden brengen<span class="corr" id="xd31e597" title="Niet in bron">.</span>” „Ach, neef,” hernam nicht op goeielijken toon, „jonge harten zijn maar onbezuisd,
-en Hans meent het zoo kwaad niet, is het wel Hans?” Hans gaf geen antwoord, maar Annie
-nam nu de zaak op en zeide:
-</p>
-<p>„Oom Jan, gij moogt heden niet uit uw humeur wezen, want wij hebben vandaag juist
-een spul heerlijke pampoenkoekjes gemaakt, en gij weet dat is uw lievelingsgerecht”.
-</p>
-<p>„Ja, neef, het was daarom dat ik tegen Annie gezegd heb, dat ik hoopte dat gij heden
-hier zoudt aankomen, en gij moogt nu niet een zuur gezicht trekken, want anders zou
-het mij gaan spijten, en zal ik bang zijn dat de koekjes u niet zullen smaken”.
-</p>
-<p>Jan van Eck was mensch; daarenboven was hij Afrikaner; en hoe kwaad hij ook mocht
-zijn, tegen de verleiding van „pampoenkoekjes”, vooral zoo als nicht Bettie ze bakken
-kon, was zelfs de volgeling van Jean Jacques Rousseau niet bestand. Hij glimlachte
-<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>eerst wel wat stijf, maar de lach werd steeds breeder en guller, vooral toen de „koekjes”
-door de meid op tafel werden gebracht, en nicht hem toen een viertal op zijn bord
-plaatste, „om mee te beginnen” zeide zij; en toen een uur later Neef Jan van Nicht
-Bettie afscheid nam, zou niemand hebben kunnen raden, dat slechts een kleine twee
-uur geleden Jan van Eck zoo kwaad was geweest, als hij zich niet herinnerde ooit te
-zijn geweest voor dezen.
-</p>
-<p>Drie dagen daarna kreeg Hans de Beer echter een verschrikkelijke schrobbeering van
-zijn chef, omdat deze had uitgevonden dat Hans uit de school had geklapt en dat nog
-al tegen dien gemeenen hond van een patriot Jan van Eck. Toch had die hond van een
-patriot gelijk gehad. Het rijk van den Fiskaal was uit. Toen op 24 Juni de heer van
-de Graaff zich eindelijk inscheepte om naar Holland terug te keeren, nam van Lynden
-heimelijk de vlucht met hem. Nu de leeuw weg ging, vond de jakhals het niet geraden
-om zich alleen te wagen tusschen de burgers, van wier haat hij zich maar al te goed
-bewust was.
-<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK III." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK III.</h2>
-<h2 class="main">Een leelijk standje.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Voor ik dit verhaal voortzet, moet hier gemeld worden dat ongelukkig in het begin
-van het dagboek er een tachtig of honderd bladen zijn uitgescheurd, door wat de dichter
-zou noemen „een godvergeten hand”. Daar het verlorene een tijdperk van iets meer dan
-een jaar beslaat, ben ik dus wel verplicht om hier een stukje geschiedenis op mijn
-eigen houtje te geven, ten einde mijne lezers den draad der geschiedenis niet te laten
-verliezen.
-</p>
-<p>Reeds lang voor het vertrek van Gouverneur van de Graaff uit de Kaapstad, was men
-in de Nederlanden tot de conclusie gekomen dat het met <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>de Oost-Indische Compagnie niet meer in den haak was. De Compagnie had groote schulden,
-en zij kon niet eens meer de renten op hare schuldbrieven betalen. De zaak was van
-groot belang voor het publiek, en daarom vonden de Staten Generaal zich gedrongen
-om van hun recht gebruik te maken, en een onderzoek te doen instellen naar den toestand
-der Compagnie. Het rapport uitgebracht door eene daartoe speciaal aangestelde commissie,
-was van dien aard, dat verdere maatregelen noodig werden beschouwd, en vier heeren
-werden aangesteld, met een bijna onbeperkte macht, om de kolonien der Compagnie in
-persoon te gaan bezoeken en zich te vergewissen van den aldaar heerschenden toestand.
-Twee der leden dezer commissie, de heeren Sebastiaan Cornelis Nederburgh, eerste advokaat
-der Compagnie, en de zeekapitein Simon Hendrik Frykenius, werden aangewezen om de
-kolonie de Kaap de Goede Hoop te bezoeken, en deze heeren kwamen den 18<sup>den</sup> Juni 1792 te Simonsstad aan met het oorlogsschip de <i>Amazone</i>.
-</p>
-<p>Er was sinds het vertrek van Gouverneur van de Graaff niet veel van belang in de kolonie
-geschied. De heer Rhenius had het bestuur overgenomen, en de zaken gingen hun ouden
-gang. In de distrikten <span class="corr" id="xd31e624" title="Bron: Graaff Reinet">Graaff-Reinet</span> en Swellendam had men op een manier <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>de rust een weinig hersteld door een sterk kommando te doen uittrekken tegen de Bosjesmans,
-waarvan een menigte werden gedood. Toch had zich door de geheele kolonie een geest
-van verzet tegen de regeering vertoond, die bewees dat er noodzakelijk verandering
-moest komen, wilde men niet het gevaar loopen van een algemeenen opstand. Toen b.v.
-de politieke raad een nieuwe belasting, de successierechten oplegde, was de onwil
-daarover zoo groot, dat de raad, om ergere dingen te voorkomen, zich verplicht zag,
-om op haar eens genomen besluit terug te komen, en men begrijpt dat dit teeken van
-zwakheid niet ongemerkt voorbij ging, en hen, die begonnen waren zich tegen de aanmatigingen
-van de Compagnie te verzetten, aanmoedigden om in hunne pogingen te volharden.
-</p>
-<p>De pas aangekomene commissarissen vonden dan ook spoedig uit, dat zij te doen hadden
-met mannen, die zich door geen ijdele woorden of zoete beloften lieten tevreden stellen.
-Net een week na hunne aankomst maakten de leden van den Burgerraad hunne opwachting
-bij de commissarissen, om hen bekend te stellen met een lange reeks van grieven die
-de burgers meenden te hebben. De namen der leden van den Burgerraad verdienen hier
-<span class="corr" id="xd31e631" title="Bron: te worden te worden">te worden</span> vermeld. Het waren de heeren Jan Smuts, <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>Gert. H. Meijer, Hendrik J. de Wet, Andries Fleck, Hendrik Truter, en Hendrik P. Warnecke,
-allen mannen van naam en invloed.
-</p>
-<p>De commissarissen waren onverstandig genoeg om te weigeren den Burgerraad te erkennen
-als een lichaam dat het recht bezat om grieven voor te brengen. En daarop begonnen
-de poppen te dansen, en hoe ze dansten dat zullen wij nu eens vertellen, zooals wij
-het aangeteekend vinden in het dagboek, dat een aantal bijzonderheden geeft, die in
-andere boeken niet te vinden zijn.
-</p>
-<p>’t Is den 30<sup>sten</sup> dag van Juni 1792 en een dier heerlijke dagen die de winter van het Kaapsche schiereiland
-ons eenmaal in een dozijn jaren schenkt. Het heeft een week lang geregend, maar drie
-dagen geleden is er een einde aan het natte weer gekomen en heeft de zon met buitengewone
-kracht geschenen, zoodat alle straten en wegen droog en schoon zijn. Op dezen morgen
-(want het heeft zooeven negen uur geslagen), waait er slechts een fijn luchtje, iets
-wat Jan van Riebeeck een „labberkoelte” zou genoemd hebben, en de heldere hemel geeft
-vader Sol alle mogelijke gelegenheid om zijne stralen op de aarde te zenden, van welke
-kans hij dan ook alle gebruik maakt.
-</p>
-<p>Vooral op de groote Parade, die zich voor de <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>Keizersgracht uitstrekt, en aan wier oostzijde het Kasteel zich trotsch verheft, terwijl
-aan de westzijde de Heerengracht een begin van den weg maakt, die tot aan de Compagnies
-tuinen leidt, en daar dood loopt tegen de slavenloge, is het zeer warm, maar men heeft
-er toch een mooi uitzicht. Aan den eenen kant ziet men de Tafelbaai, wier wateren
-thans kalm wiegelen, en die thans een half dozijn <span class="corr" id="xd31e646" title="Bron: Oost-Indievaarders">Oost-Indiëvaarders</span> dragen, welk ieder oogenblik verwachten de thuisreis te zullen aanvaarden, daar het
-Kaapsche <span class="corr" id="xd31e649" title="Bron: stormsaizoen">stormseizoen</span> nadert, die de Tafelbaai tot een der gevaarlijkste havens der wereld maakt, en daar
-bijna elk jaar tallooze offers eischt. Aan den kant tegenover de zee, valt het oog
-eerst op het nog niet geheel voltooide nieuwe hospitaal dat thans echter dienst doet
-als kazerne voor de troepen, en inderdaad ook nooit zijn oorspronkelijke bestemming
-als hospitaal heeft bereikt, maar altijd een soldatenhuis is gebleven. En daarachter
-verheft zich, trotsch en eeuwig onveranderlijk de Tafelberg, rechts en links geflankeerd
-door de Duivelspiek en den Leeuwenkop, een panorama, zoo schoon als maar ter wereld
-kan worden gevonden.
-</p>
-<p>Doch het is niet met de natuur dat wij ons heden morgen willen bezig houden, al verdient
-zij dit ruimschoots, en al zou een loflied op Tafelbergs pracht geenszins ongepast
-zijn. Neen, het is met <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>den mensch dat wij ons willen bemoeien, en heden morgen zijn er exemplaren genoeg
-van den heer der schepping te vinden op de Parade. Er zijn er ten minste een heel
-aardig klompje reeds, en hun aantal vermeerdert elk oogenblik. Want er is heden eene
-groote vergadering bepaald, en het is duidelijk dat de Kapenaars groot belang gaan
-stellen in de te besprekene kwesties. Op dit oogenblik is de vergadering nog niet
-begonnen, want de daarvoor bepaalde tijd is eerst tien uur; wij hebben dus den tijd
-om eens een kijkje te nemen en een wandeling te doen tusschen de klompjes menschen,
-die hier en daar vergaderd zijn, om voorloopig de zaken te bepraten. Dat die zaken
-van gewicht moeten zijn, dat lijdt geen twijfel, want de personen reeds tegenwoordig
-schijnen zeer opgewonden, en men mist geheel die koele bedaardheid die anders den
-Kapenaar onderscheidt, want het oud Hollandsche bloed van Jan Saai, dat zit bij de
-meesten diep in de aderen. Het Afrikaansche volk was even als in 1901, ook in 1792
-een zeer lijdzaam volk, dat niet snel aan het roeren geraakte; maar kwam het in beweging,
-dan volgde er ook een gansche uitbarsting en dan hield het niet op met agiteeren,
-totdat het zijn zin had gekregen.
-</p>
-<p>Maar ziet, hier zijn wij bij een klein klompje <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>menschen, die met bijzonderen drift staan te redeneeren, men zou bijna zeggen, te
-twisten, zoo luid praten zij. Er zijn onder het hoopje een paar die wij reeds kennen;
-daar staat de heer van Reenen, even netjes aangekleed als altijd; naast hem zien wij
-onzen ouden vriend, den heer van Eck, die, in tegenstelling van zijn vriend niet de
-minste moeite heeft genomen met zijn toilet. Bij hen staat de heer J.&nbsp;P. Baumgardt,
-die iemand van eenigen invloed is, en die wij later misschien wel eens meer zullen
-ontmoeten. De vierde man is de heer Jan Smuts, een der leden van den Burgerraad van
-Kaapstad, een achtenswaardig man van over de zestig jaren, lid van een der aanzienlijkste
-familien der Kolonie, en die grooten invloed bezit. Hij is het die wij aan het woord
-vinden, en hoort maar eens wat hij, op eenigszins opgewonden manier zegt:
-</p>
-<p>„’t Is doodeenvoudig een schandaal, mijnheer van Reenen, zooals de Commissarissen
-ons hebben behandeld. Men wil niet eens naar ons luisteren, en beweert dat wij geen
-recht hebben om namens het volk dezer kolonie te spreken. Ik zou wel eens willen weten
-wie anders het recht zou hebben zulks te doen. Wie weet beter dan wij wat voor deze
-volkplanting vereischt wordt? Wie kan beter een oordeel vellen over de misbruiken
-die in de laatste dertig <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>jaren en meer zijn ingeslopen in de regeering van dit ongelukkige land? Van af den
-dood van vader Tulbagh, zaliger gedachtenis, zijn dingen hier steeds achteruit gegaan,
-en thans zijn zij in zulk een toestand dat als er niet spoedig verandering ten goede
-komt, ik het ergste vrees. Er heerscht groote ontevredenheid onder alle standen; het
-zijn niet alleen de boeren die enkel klagen; het zijn alle kolonisten.
-</p>
-<p>„De Compagnie is niet in staat ons met iets te helpen, en het is niet billijk dat
-zij uit ons leeft, en ons steeds meer en meer belast”.
-</p>
-<p>„Maar zal het houden van vergaderingen van eenig nut zijn, mijnheer Smuts”, viel hier
-Jan van Eck in;<span class="corr" id="xd31e668" title="Bron: ” "> „</span>vreest gij niet dat de Commissarissen, die de macht in handen hebben, al uwe protesten
-in den wind zullen slaan, en op den koop toe u uitlachen?”
-</p>
-<p>„In alle gevallen hebben wij dan toch onze stem doen hooren, en komen de verdere gevolgen
-voor rekening van degenen die onze waarschuwingen in den wind hebben geslagen” merkte
-de heer Baumgardt aan.
-</p>
-<p>„En zoudt u mij misschien kunnen zeggen wat die gevolgen zullen wezen?<span class="corr" id="xd31e674" title="Niet in bron">”</span> vroeg Van Eck, op droogen toon.
-</p>
-<p>„Wel, eerstens zal de ontevredenheid daardoor vermeerderen,” antwoordde de heer van
-Reenen, <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>instede van den heer Baumgardt, aan wien de vraag gericht was.
-</p>
-<p>„Dat zal weinig baten, die toenemende ontevredenheid”, ging van Eck voort; <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>met mompelen en morren is men nooit veel verder gekomen in deze wereld, vooral niet
-waar men met eene regeering te doen heeft, die de baas is. In Frankrijk heeft men
-gemompeld van af het jaar 1690 tot aan 1789, en wat hielp het? <span class="corr" id="xd31e684" title="Bron: de">De</span> lasten werden steeds zwaarder: en eerst toen men begon te handelen en de verrotte
-regeering van den troon stiet, is men een beter tijdperk ingetreden. Men kan in deze
-wereld slechts geweld met geweld keeren, en macht slechts door macht tot zijn plicht
-brengen. Als een volk zichzelve niet helpt, behoeft het niet te rekenen op verbetering
-van zijnen toestand”.
-</p>
-<p>„Wilt gij daarmede te kennen geven, mijnheer Van Eck, dat de kolonisten tot maatregelen
-van geweld moeten overgaan?” vroeg de heer Baumgardt op veelbeteekenende wijze.
-</p>
-<p>„Ik weet niet wat gij juist met het woord geweld bedoeld” luidde het kalme antwoord
-van den heer Van Eck<span class="corr" id="xd31e690" title="Bron: ” ">, „</span>maar wat ik meen is dit, dat het volk rondborstig moest verklaren dat het niet langer
-de autoriteit van Jan Compagnie, en diens afpersingen wil verdragen, en besluit om
-zich zelven te regeeren.”
-<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p>
-<p>„Maar dat zou rebellie wezen, en de man die dat begint is des doods schuldig volgens
-de wetten des lands”, viel de heer Van Reenen driftig in.
-</p>
-<p>„Die kans behoort elk vrijheidslievend volk te staan; die kans bestond ook voor den
-man die de onafhankelijkheid van de Vereenigde <span class="corr" id="xd31e697" title="Bron: Provincien">Provinciën</span> heeft gegrondvest; die kans bestond ook voor George Washington; maar toch hebben
-die mannen zich niet laten afschrikken door dien kans; zij hebben hun werk gedaan,
-als het ware met het zwaard boven het hoofd, en hunne namen staan voor eeuwig op de
-geschiedenisrollen gegraveerd” antwoordde Van Eck op ernstige wijze.
-</p>
-<p>„Mijnheer Van Eck, ik erken dat er verandering noodig is in den toestand van zaken,
-en persoonlijk zou ik niets liever zien dan dat het bestuur der Compagnie ophield
-alhier te bestaan; en tot zoo ver zal ik met u zamen gaan; maar om te spreken van
-eene eigene regeering, en van afscheiding van ons vaderland, dat keur ik ten stelligste
-af, en het zou mij spijten als er velen waren die dachten zooals u.”
-</p>
-<p>„Er zijn er meer dan gij wel denkt”, viel Van Eck den heer Smuts, die dit zeide in
-de rede, „alleen zij durven het niet zeggen, maar ik voor mij wil de waarheid niet
-achter stoelen en banken wegsteken”.
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>De heer Smuts keek den vinnigen Van Eck een oogenblik zwijgend aan en vervolgde toen:
-</p>
-<p>„Wat ik echter als eene oplossing van de kwestie zou beschouwen, is dat de Compagnie
-het bestuur over deze landen overgeve aan de Staten Generaal, zoodat wij onze grieven
-direct voor de Hoog Mogenden kunnen brengen, en niet behoeven te dansen naar de pijpen
-van een aantal kooplieden, die geen ander oogmerk hebben dan om hunne eigene zakken
-op de snelst mogelijke wijze te vullen, en alles uit dat oogpunt beschouwen.”
-</p>
-<p>„Dat zou slechts een verwisseling van naam zijn, en daardoor zou het volk niets meer
-te zeggen krijgen<span class="corr" id="xd31e709" title="Bron: ”,">,”</span> gaf de heer Van Eck op spottenden toon te kennen.
-</p>
-<p>„Wij weten, mijn waarde vriend, dat gij een vurig patriot zijt, doch uwe revolutionaire
-<span class="corr" id="xd31e714" title="Bron: ideëen">ideeën</span> loopen soms te snel met u weg”, zeide de heer Baumgardt.
-</p>
-<p>„Wel, ik ben, Gode zij dank, niet meer in dienst van de Compagnie of van eenige regeering,
-en dat geeft mij meer vrijheid van spreken, en ik houd vol, dat het volk dat de souvereine
-macht toekomt, sinds de schepping der dagen, zijne billijke rechten moet hebben, en
-hoe langer die er aan onthouden worden, des te gevaarlijker voor de regeerders”.
-</p>
-<p>Met deze woorden wendde Van Eck zich tot een <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>tiental of twaalftal mannen, die intusschen zich bij het groepje hadden gevoegd, en
-juist de laatste woorden van den spreker hadden gehoord. „Heb ik recht?” vroeg hij
-aan deze personen.
-</p>
-<p>„Welzeker, mijnheer Van Eck”, riep een der bijstanders uit „het volk moet zijn rechten
-hebben. en wij zullen ze ook krijgen, als zij die de voormannen van het land en onze
-natuurlijke leiders zijn, hun plicht willen doen”.
-</p>
-<p>Er waren heel wat teekenen van bijval na deze korte, krachtige aanmerking, en Van
-Eck zeide veelbeteekenend tot den heer Smuts: „Wel, heb ik het u niet gezegd?” Hij
-wilde toen blijkbaar nog iets meer zeggen, doch de heer Van Reenen nam hem onder den
-arm, en ging met hem een klein eindje op zijde, waar hij hem als volgt toesprak:
-</p>
-<p>„Mijnheer Van Eck, u weet dat ik uw vriend ben, en dat in een aantal zaken mijne opinie
-met de uwe overeenkomt. Maar ik bid u, snoer u den mond wat. De bevolking is al opgewonden
-genoeg, en als gij nu de burgers aanhitst om dolle, dwaze dingen te doen, sta ik niet
-voor de gevolgen in. Door aldus te handelen zult gij de pogingen van hen die het goed
-meenen, geheel en al verijdelen, en zult gij de regeering drijven tot het doen van
-dingen, waarvan men later spijt zal hebben”.
-<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p>
-<p>Jan van Eck bleef eenige minuten het stilzwijgen bewaren, en scheen na te denken over
-hetgeen zijn vriend hem gezegd had; eindelijk antwoordde hij. „Ik zal stil blijven,
-Sebastiaan, maar ik zeg u privaat dat men heden een groote fout maakt. Gij zult met
-mooi praten niets uit de heeren Commissarissen krijgen; een hunner is alreeds een
-lid van het bestuur der Direkteuren, en de ander is niets anders dan een ledepop,
-die rondspringt zooals hem de touwtjes worden getrokken. Uit die lieden krijgt men
-niets, als men hen niet het mes op de keel zet”.
-</p>
-<p>„Dat mag zoo zijn. mijn waarde vriend, maar het is thans niet de tijd om zulks te
-doen. Wij moeten eerst zachte maatregelen nemen, en dan kan men zoo noodig, tot strengere
-stappen overgaan. Ik, voor mij ben overtuigd, dat als men ziet dat wij het ernstig
-meenen, men eieren voor zijn geld zal kiezen”.
-</p>
-<p>„Ik hoop zoo, mijnheer van Reenen, en om te toonen dat ik naar u wil luisteren, beloof
-ik u om niets meer te zeggen, dat de goede lieden zou kunnen opwinden”.
-</p>
-<p>Middelerwijl was de menigte op de Parade zeer in aantal toegenomen, en maakte zij
-geen onaardige vertooning. Tusschen de vrij deftige stadbewoners, die in rok en driekanten
-hoed tegenwoordig waren, zag men de lieden uit Koeberg en Zwartland, ja <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>zelfs waren er eenige uit de Paarl, en van Klapmuts en omstreken. Deze boeren waren
-veel eenvoudiger gekleed, en hadden baatjes aan van ruw materiaal, een enkel, die
-tot den meer nederigen stand behoorde, was zelfs in vel kleederen, die wel keurig
-netjes gemaakt waren, maar toch erg afstaken bij de gegaloneerde rokken der voorname
-Kapenaars; toch waren zij er niet minder schilderachtig om. Breed gerande hoeden,
-bijna gelijk aan die welke men nog kort geleden in de Transvaal zag, vormden het hoofddeksel
-deze boeren, en menige hoed was versierd met een struisvogelveer, of zelfs met de
-vlerk van de wilde pauw. Schoon allen zich zeer ordelijk gedroegen, werden er toch
-in en onder de verschillende groepjes uiterst levendige gesprekken gevoerd, en hier
-en daar hoorde men uitdrukkingen, die bewezen hoezeer men Jan Compagnie en zijne plakkaten
-moede was.
-</p>
-<p>Daar luidde een bel, of klok, het teeken dat de vergadering zou gaan beginnen, en
-nu vormde men een grooten halve cirkel om een soort van spreekgestoelte of <i>platform</i> (zooals men het nu op het Engelsch aan de Kaap noemt), dat in der haast was gevormd
-van eenige balken en kisten, en dat zoowat een voet of vier zich boven den beganen
-grond verhief. De heer Jan Smuts beklom de tribune het <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>eerst, verzocht stilte, en stelde toen voor dat „burger Hendrik de Wet tot voorzitter
-zou worden gekozen”, wat met acclamatie werd aangenomen. De heer De Wet, een krachtig
-gebouwd man van omtrent vijf en veertig jaren, die tot de meest geziene mannen der
-Kolonie behoorde, nam toen plaats op een groote leuningstoel die op de tribune stond
-en daarna opstaande, stelde hij voor dat men den heer Eduard Bergh zou verzoeken,
-als secretaris dienst te doen; dit insgelijks aangenomen zijnde, ging de heer Bergh
-op een stoel naast den voorzitter zitten, en maakte van een houten kist zijn schrijftafeltje,
-terwijl een inktkoker<span class="corr" id="xd31e741" title="Niet in bron">,</span> wat papier, en eenige ganzepennen, in een oogenblik werden verschaft uit een winkel
-die op de Keizersgracht stond.
-</p>
-<p>Zoodra deze noodige voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen, hield de heer De
-Wet een korte, maar krachtige aanspraak, waarin hij de vergadering vertelde van de
-aankomst der Commissarissen Nederburgh en Frykenius, en de van deze ontvangene weigering
-om den burgerraad te ontvangen als de vertegenwoordigers der kolonisten.
-</p>
-<p>Daarop trad hij kortelijks in de voornaamste grieven der kolonisten, en zeide onder
-anderen, dat het onbillijk was om te verwachten dat de bewoners dezer volkplanting
-<span class="corr" id="xd31e746" title="Bron: zou">zouden</span> helpen om de Oost-Indische <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>Compagnie het hoofd boven water te houden. Het was waarlijk niet aan de kolonie te
-wijten dat de Compagnie er zoo slecht aan toe was; de Compagnie had veel geld en een
-nog veel grootere hoeveelheid waarde aan levensmiddelen uit de volkplanting gekregen,
-en daarentegen had men zeer weinig acht geslagen op de behoeften der kolonisten, doch
-ze doen zuchten onder een zwaar belastings-systeem. Er werd altijd door de Direkteuren
-en door den Politieken Raad geleuterd over de groote uitgaven die men in de Kaap had;
-maar waarvoor waren die uitgaven? Voornamelijk waren ze bestemd voor oorlogsmateriaal,
-voor soldaten, en verdedigingswerken, en deze waren niet zoozeer gemeend om de Kaap
-zelve te verdedigen, dan wel om de belangen der Compagnie in Oost-Indië te beschermen.
-Als men de uitgaven naging die gemaakt werden ten behoeve van den Kaap zelve, dan
-zou men dadelijk zien, dat die uitgaven heel wat minder waren dan hetgeen de Kolonie
-in belastingen opbracht. Het was, zeide spreker, niet recht dat de Kaap zou betalen
-voor het beschermen der andere belangen der Compagnie; het geld dat van de burgers
-werd ontvangen, behoorde gebruikt te worden om den toestand dier burgers te verbeteren.
-Dit werd niet gedaan, en dit was een der ergste grieven der burgerij. Als <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>men het geld alleen in het direkte belang der Kolonie gebruikte, dan had men veel
-minder noodig dan de tegenwoordige opbrengst der Kolonie, en dientengevolge meende
-hij dat men de belastingen moest verminderen, en niet steeds vermeerderen, zooals
-men eenige weken geleden had getracht te doen. Dat was een deel der grieven die de
-Burgerraad voor de Commissarissen had willen brengen, maar deze heeren had hem niet
-willen hooren, en dat was onbillijk.
-</p>
-<p>De burgerraad was indertijd opgericht om de bevolking een billijk aandeel in het bestuur
-van de volkplanting te geven, en men had in alle tijden dien raad als een der voornaamste
-van het land beschouwd.
-</p>
-<p>Spreker kon zich nog herinneren, hoe vader Tulbagh steeds den Burgerraad in alle dingen
-van belang raadpleegde, en hun opinie inwon over zaken die uiteindelijk in den politieken
-raad werden beslist. En dat was recht, want in den politieken raad waren er dikwijls
-leden, die niet goed op de hoogte van de hier heerschende toestanden waren, en wier
-eenig doel was om een wit voetje te zoeken bij de heeren direkteuren, zoodat zij daardoor
-zichzelven konden bevoordeelen, en later hoogere betrekkingen konden krijgen. Toen
-men hier een man had, als Rijk Tulbagh die als het ware in deze Kolonie was opgegroeid,
-<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>en in den vollen zin des woords een Kapenaar was, toen was het <span class="corr" id="xd31e758" title="Bron: uitmund">uitmuntend</span> in de Kaap gegaan; maar die dagen waren helaas, voorbij, en nu kreeg men hier slechts
-gouverneurs, welke als gehoorzame dienaars de bevelen hun uit Amsterdam gezonden,
-moesten uitvoeren, en den moed niet hadden om de direkteuren terecht te wijzen, waar
-deze, door onbekendheid met de plaatselijke toestanden, grove flaters begingen. Hij,
-spreker zou thans het woord laten aan eenigen, die iets wilde zeggen, maar schoon
-hij begreep, dat men voor zijne rechten wilde opstaan, en dit dan ook prijzenswaardig
-vond, wenschte hij allen tegenwoordig op het harte te drukken, dat men geen heftige
-taal moest gebruiken, en niets moet zeggen dat onnoodiglijk de autoriteiten in het
-harnas zou kunnen jagen.
-</p>
-<p>Het ontbreekt ons hier aan plaats, om de zeer belangrijke aanspraken weer te geven,
-die wij in het dagboek kortelijks aangeteekend vinden, als op dezen dag geuit, door
-een aantal der voornaamste mannen der Kaapstad, zoowel als door verscheidene der boeren,
-die ongetwijfeld even groot belang bij de vergadering hadden, als de beste Kapenaar.
-Het waren werkelijk dan ook de boeren, die het meest klaagden, want de vrije handel
-in hunne produkten was hun nog altijd belet, en de tienden werden nog altijd geheven,
-<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>en dat op zeer ongelijk drukkende wijze. Wij vinden dan ook onder de <span class="corr" id="xd31e765" title="Bron: resolutien">resolutiën</span> door deze vergadering genomen, ééne waarin gezegd wordt, dat de tienden moesten worden
-afgeschaft, als zijnde een middeneeuwsch en onrechtvaardig recht, dat den Staat of
-de Compagnie niet meer toekwam; daarvoor wilde men eene belasting van vijf ten honderd
-stellen op alle produkten verkocht, en deze zou, naar de vergadering meende, vrij
-wat meer opleveren, als men den handel wat meer openstelde, en de lastige bestaande
-beperkingen, die de Compagnie een monopolie bezorgden, ophief. Een tweede besluit
-drong er sterk op aan dat men de belastingen moest verminderen, om redenen door den
-voorzitter aangegeven. Ook verzocht men in al deze zaken de medewerking van de inwoners
-der andere distrikten, die tot dat doel ook bijeenkomsten moesten houden. Deze besluiten
-waren allen gepasseerd, en de voorzitter was juist van meening om de vergadering te
-sluiten, toen de heer Jan van Eck, die tot nu toe enkel een bedaard toeschouwer was
-geweest, en slechts nu en dan eenige teekenen van goed<span class="corr" id="xd31e768" title="Niet in bron">-</span> of afkeuring had gegeven, het woord vroeg en kreeg.
-</p>
-<p>„Waarde medeburgers”, zoo begon de heer Van Eck, „over het algemeen vereenig ik mij
-met hetgeen door deze vergadering besloten is, hoewel ik vind <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>dat hier en daar de besluiten in te zachte bewoordingen zijn uitgedrukt. Het geldt
-hier niet de kwestie om ons zelven te overtuigen, want wij weten dat wij in het recht
-zijn; maar de zaak is dat wij de heeren Commissarissen, en vooral de direkteuren moeten
-overtuigen van ons goed recht, en men moet niet vergeten, dat het gesprokene woord,
-indien op papier gebracht, en dan gelezen op zes duizend mijlen afstands, lang niet
-zoo scherp klinkt, als het doet hier voor ons, die het uitspreken. Er moet dus wat
-meer peper bij, en onze uitdrukkingen moeten dus gekruid worden, ten einde te voorkomen
-dat met de lange overzeesche reis zij niet te veel van hunne smaak zullen verliezen,
-en onze moeite te vergeefs is. Wij zijn het volk van de Kaap, en als zoodanig hebben
-wij rechten, en de tijd is voorbij dat koningen of heeren ons de knie kunnen doen
-buigen, en ons als slaven kunnen behandelen. Dat is onlangs in Frankrijk bewezen,
-en wat daar geschied is, kan ook elders <span class="corr" id="xd31e774" title="Bron: geschiedden">geschieden</span>. Als ik om mij heen zie, dan rust mijn oog op een aantal lieden, de meesten waarvan
-afstammelingen zijn, van de dappere voorvaders die dit land hebben gemaakt wat het
-heden is; die gevaren en moeilijkheden hebben getrotseerd, onbekende streken hebben
-gekoloniseerd, en den wijnstok hier hebben geplant en het graan hebben <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>gezaaid, in streken waar vroeger slechts het gras en het onkruid groeiden. Maar wie
-heeft de vruchten geplukt van hun zwaren arbeid? Niet zij, maar de Oost-Indische Compagnie.
-Hoe meer zij met hun zuren arbeid verdienden, des te zwaarder werden de belastingen,
-en te drukkender de afpersingen der ambtenaren. Op goede of slechte jaren werd niet
-gelet; men moest maar altijd betalen; op de vele rechtmatige klachten der burgers
-werd òf geen antwoord gegeven òf anders werd hun geantwoord dat de direkteuren geen
-kans zagen om de belastingen te verminderen. Op de gruwelijkste en onzinnigste wijze
-is het geld vermorst, en men denke slechts aan de hofhouding die de laatste gouverneur
-hier hield, en aan de bescherming door hem aan zijne vriendjes geschonken. Het recht
-werd verdraaid, en de burgers op de gruwelijkste manier vervolgd, zooals men gezien
-heeft, toen Van Lynden hier de Fiskaal was, bij wien men niet kon komen, tenzij men
-een welgevulde geldbuidel medebracht. Zijn dit almaal dingen die ons koud moeten laten,
-en hebben wij dan geen recht om onze stemmen met kracht te doen hooren en uit te roepen?
-Weg met al deze ongerechtigheden, die een gruwel in het oog des Heeren zijn.”
-</p>
-<p>Hier viel de heer De Wet den spreker in de rede, <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>en herinnerde hem er aan dat het onverstandig was om door zulke scherpe gezegden het
-volk op te winden.
-</p>
-<p>„Ik wil het volk niet opwinden, mijnheer de voorzitter”, vervolgde Van Eck, die blijkbaar
-moeite had om zich te bedwingen, „maar ik wensch te weten wat het ons zal helpen om
-hier op zoetsappige wijze onze rechtmatige grieven te bespreken. Meent men soms dat
-de Commissarissen, of de Direkteuren, zich zullen storen aan ons, als wij beleefd
-met den hoed in de hand naar hen toekomen met verzoek om naar ons te luisteren? Neen,
-zij zullen ons uitlachen, zooals zij reeds zoo vele malen hebben gedaan. Wat wij moeten
-doen is hun toonen dat het ons meenens is, en wij moeten hun het mes, als het ware
-op de keel zetten. Daarom zal ik, zonder meer, een voorstel maken als volgt: „Dat
-deze vergadering zich verbindt om geene produkten meer naar de Kaapstad te brengen,
-alvorens hunne grieven verhoord zijn, en hun recht is gedaan.”<span class="corr" id="xd31e786" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Eene mompeling van goedkeuring steeg na deze woorden uit de vergaderde menigte op.
-</p>
-<p>Van Eck vervolgde bedaard: „Naar ik uit goede bronnen vernomen heb, is er op dit oogenblik
-niet meer dan voor ten hoogste drie weken aan levensmiddelen in de stad, en daar het
-bestuur voedsel noodig heeft, niet alleen voor zijne ambtenaren, <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>maar ook voor de troepen, moet het, indien dit voorstel aangenomen wordt, binnen drie
-weken aan onze verzoeken gehoor geven, of anders van honger omkomen; en als zij dan
-toch halsstarrig willen wezen, wel .… laat ze dan maar verrekken”.
-</p>
-<p>Eenige der aanwezigen bespraken dit voorstel; een zeer enkele vond het wat te kras,
-maar de meesten waren van opinie, dat dit het eenig middel zou zijn om de Commissarissen
-te toonen dat men geen „spulletjes” maakte, en ten slotte werd het voorstel aangenomen,
-met een bijvoeging dat men de burgers uit andere plaatsen ook zou verzoeken zich aan
-deze bepaling te houden.
-</p>
-<p>De bezigheden waren nu afgeloopen, en de voorzitter verdaagde de vergadering, zeggende
-dat hij zoo noodig, een verdere vergadering zou bijeenroepen, en men dan kon beraadslagen
-over verdere maatregelen.
-</p>
-<p>Dat Jan van Eck wel voldaan naar huis ging, blijkt uit hetgeen in zijn dagboek staat,
-waar hij schrijft: „Heden heb ik een begin gemaakt; als de boel een beetje wil, zal
-men in de Kolonie binnen kort een aardig grapje zien”.
-</p>
-<p>Doch wat de dagboekschrijver in zijn rede had gezegd, bleek waar te zijn; de bedreiging
-in zijn voorstel opgesloten, hielp, vooral nadat de vergaderingen <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>in Stellenbosch, Zwartland, Swellendam, en elders zich aansloten bij de besluiten
-van de Kaapstadsche burgers. Op 13 Juli gaven de Commissarissen de zaak gewonnen;
-de burgerraad werd erkend als de vertegenwoordiger der kolonisten, en in plaats van
-dreigementen te gebruiken, vaardigde men eene proklamatie uit, waarin men de burgers
-verzocht om de regeering met raad en daad te steunen, ten einde tot eene vreedzame
-oplossing der bestaande moeilijkheden te komen. Voor het oogenblik was deze proklamatie
-een uitmuntende zet; de Afrikaners toch zijn menschen, die, helaas, te goedvertrouwend
-zijn, en zelve eerlijk zijnde, ook verwachten dat anderen eerlijk tegenover hen zullen
-zijn; bovendien zijn zij gemakkelijk te leiden door zachte maatregelen, maar moeilijk
-te dwingen. De opgewondenheid bedaarde dus, en men meende dat er nu eene verandering
-ten goede zou komen. Doch het bleek spoedig, dat men zich bitter bedrogen had. Eenige
-maanden daarna vaardigden de heeren Nederburgh en Frykenius een edikt uit, waarin
-de belastingen wel op geheel anderen voet werden geplaatst, maar ten slotte even drukkend
-bleven als vroeger, en daarenboven hadden zij een nieuwe soort van belasting opgelegd,
-die ontzettend impopulair was, namelijk eene belasting op venduties, de zoogenaamde
-<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>vendurechten, die meer dan een eeuw in deze kolonie van kracht bleven, en de regeeringen
-duizenden, en men kan zeggen millioenen van ponden hebben ingebracht.
-</p>
-<p>Toch waren de maatregelen door de Commissarissen genomen in zooverre van nut, dat
-voor het oogenblik het jaarlijksche te kort in de kas daardoor verminderd werd; doch
-het was de oude storie in de kolonie: De boer moest voor alles betalen. En ongelukkig
-doet hij dit van daag nog. Met alle onze veranderingen van regeering stelsels, is
-men in Zuid-Afrika nog altijd trouw gebleven aan de beginselen van Jan Compagnie;
-en men heeft het nog nooit zoover kunnen brengen om eene radikale verandering in ons
-belasting-stelsel te brengen, waaronder de druk der belastingen gelijkelijk verdeeld
-wordt tusschen den stedeling en den landbewoner.
-<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK IV." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK IV.</h2>
-<h2 class="main">Een gewichtige nacht.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de gebeurtenissen
-die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden aan het einde der 18<sup>de</sup> eeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij hier verplicht, om een aantal feiten
-te verzwijgen die betrekking hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch
-meer of min uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien zullen
-wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen vertellen, want om onze
-lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij zeggen, dat er genoeg in het dagboek
-staat, om er <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>minstens een half dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor
-hen in het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in hun
-smaak mocht vallen.
-</p>
-<p>Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de Kolonie, zoowel
-als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij nog steeds lief had, al behandelde
-zijn moederland hem vrij stiefmoederlijk, plaats vond.
-</p>
-<p>In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet zagen de zaken
-er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer onvergenoegd, en de regeering beging
-er groote fouten met het daarheen zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren,
-zooals de heer Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen
-aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren van die streken
-scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en de geschiedenis van Zuid-Afrika
-heeft steeds bewezen „dat al het onheil komt van Exeter Hall en consorten”.
-</p>
-<p>In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet eene beweging
-uit die niets meer of minder was, dan een opstand.
-</p>
-<p>Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon niets uitvoeren,
-en werd ten slotte <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>op beleefde maar dringende wijze door de burgers over de grenzen van het distrikt
-gezet, en reeds voor dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers
-kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een onafhankelijk bestuur
-had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan zullen, even als wij dit gedaan hebben,
-tot de conclusie moeten komen, dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid
-van de beide republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een belangrijke
-rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog lang zullen doen.
-</p>
-<p>Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar Swellendam, waar
-men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost, den heer Faure, en ook hier
-werd de landdrost weggejaagd, en vormden de burgers of althans een groot deel van
-hen, een eigen onafhankelijk bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt
-maar al te duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat bewonderaars
-hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend op de hoogte werden gehouden
-door de patriotten aan de Tafelbaai, en het zal den oplettenden lezer niet verwonderen
-als wij zeggen dat onze vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was der <span class="corr" id="xd31e825" title="Bron: Graaff Reinetters">Graaff-Reinetters</span> en Swellendammers, <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>en hij heel wat correspondentie schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk
-der twee distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel degelijk
-wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een onbekookte hoop dolle mannen
-waren, als sommige geschiedschrijvers van Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren
-de denkbeelden dier voormannen verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat
-ellende bespaard geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde
-er dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg drongen,
-waaraan niemand had gedacht.
-</p>
-<p>Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten het dagboek
-begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de geschiedenis van Europa, en wel
-voornamelijk met die van Frankrijk en Holland. In Frankrijk was de regeering van het
-land steeds slechter geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715,
-en het volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels door den
-wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de geschriften van mannen
-als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die schreven omtrent de natuurlijke rechten
-van den mensch, en beweerden dat volgens de natuur alle <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>menschen vrij waren, gelijke rechten hadden, en broeders van elkander waren, stond
-het Fransche volk in 1789 op en begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen
-waarvan nog steeds zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe
-maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen. Toen de republiek
-Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen koning en hunne koningin op het schavot
-hadden doen omkomen, geraakte Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden
-van Europa, waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter ongelukkiglijk
-gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in het begin van 1795 Holland
-binnen en veroverden dit land in korten tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest
-voor hen naar Engeland vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur
-van een Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek.
-</p>
-<p>Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te hebben om zich
-meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het Engelsche rijk van groote
-waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen
-beschermen, want men denke er <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg naar de Oost dus langs
-de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar Holland een bondgenoot was van Engeland,
-ging het niet voor het laatste land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren,
-en wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig voordeed.
-</p>
-<p>Reeds op den 7<sup>den</sup> Februari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan van de Oost-Indische Compagnie,
-waarin de regeering werd gewaarschuwd dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en
-dat men zich in de volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige Europeesche
-natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en Frykenius niet meer in de Kolonie.
-Deze hadden in September 1793 Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat
-zij als Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die toevallig
-in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid hem verplicht had om zijne
-betrekking in Indië neer te leggen. De naam van dezen ambtenaar was Abraham Josias
-Sluijskens, en op den 2<sup>den</sup> September 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was om de Kolonie
-in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te brengen. Bij Simonsstad, bij
-de Kaapstad en bij Houtsbaai <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>werden nieuwe forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde plaats
-gelegd. Het laatste bericht dat Gouverneur <span class="corr" id="xd31e848" title="Bron: Sluyskens">Sluijskens</span> uit Holland kreeg werd hier gebracht door de <i>Medemblik</i>, die op 12 April hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te Swellendam
-het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer korte verklaring van den
-algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons verhaal voortzetten.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad kennen, zoo niet
-van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een der weinige oude gebouwen, die
-ons doen herinneren aan den ouden Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping
-bedreigd, is men er tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en
-heeft men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet juist
-met haar <span class="corr" id="xd31e859" title="Bron: akkordeert">accordeert</span>, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners vele herinneringen verbonden aan dat oude
-kasteel, aangename zoowel als treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat
-Adriaan van Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een gevangene
-vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het einde waarvan wij <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in Zuid-Afrika.
-</p>
-<p>Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de verbeelding)
-en dat op den 12<sup>den</sup> Juni van het jaar 1795. Het uur dat wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat
-of liever gezegd een beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote
-zaal waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die op koperen
-blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel waaraan gewoonlijk de
-vergaderingen van den politieken raad worden gehouden. Op het oogenblik zit de raad
-niet; <span class="corr" id="xd31e869" title="Bron: ware">waren</span> wij een minuut of tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in vergadering
-hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden nauwelijks zichtbaar in het
-half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de tafel in groote stoelen met hooge leuningen,
-en zij schijnen in een ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens
-haren reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een geelvale kleur
-heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een langen tijd in de Oost hebben
-doorgebracht is niemand anders dan Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust
-om deze volkplanting te besturen. De andere <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens geheel uiterlijk den militair verraadt,
-en wiens gebronsd gelaat, dat in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel
-van zijn leven in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger aanziet,
-dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert Jacob Gordon, is inderdaad
-een man die den naam van ontdekker verdient, als zijnde hij de man die het eerst de
-groote rivier ten noorden der Kolonie heeft bevaren, en die den naam van <span class="corr" id="xd31e874" title="Bron: Oranje rivier">Oranjerivier</span> heeft gegeven; daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel
-der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te maken met
-de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van Afrika bewonen. Sedert iets
-meer dan een jaar is hij de opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt
-dus den tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten, maar
-in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten dat in dienst genomen
-was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar trad later in dienst van de Oost-Indische
-Compagnie, en kwam op den 1<sup>sten</sup> Juni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert die dagen heeft hij
-heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar hij is bekend
-als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat is in dagen, waar het in
-de Kolonie wemelt van zoogenaamde <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>patriotten” van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur
-zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie, want er zijn
-heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten gisteren avond is van uit
-Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij het kasteel aangekomen met een brief
-van den heer Jan Hendrik Brand, de Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur
-berichtte dat dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren aangekomen;
-dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen had afgezonden, doch dat
-deze blijkbaar door den onbekenden vijand was gevangen genomen, want hij was niet
-weder teruggekomen. De heer Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk
-den raad bijeen geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats
-gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de secunde, (de heer
-J.&nbsp;I. Rhenius), en de heeren J.&nbsp;J. le Sueur, W.&nbsp;F. van Reede van Oudtshoorn, en W.&nbsp;S.
-van Rijneveld. Op die vergadering was heel wat besproken, en had men ten <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>slotte besloten om overal alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd
-worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de Kaapstad moesten
-komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt gij bemerken dat op Tijgerberg,
-alsook, reeds in de verte op de bergen van Stellenbosch, de vuurbakens branden om
-de burgers aan te toonen dat de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen
-geleden, dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de Engelschen
-een inval in het land deden.
-</p>
-<p>’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad pleegt over de
-te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog niet heel duidelijk uitmaken
-wie de vreemdelingen kunnen zijn.
-</p>
-<p>„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?” vraagt hij op veelbeteekenenden
-toon.
-</p>
-<p>Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt langzaam in zijn Hollandsch,
-dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er natuurlijk veel van af wie zij zijn, want
-dat kan een groot verschil maken in onze houding.”
-</p>
-<p>„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl hij den spreker
-met verwondering aanziet.
-</p>
-<p>De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>hij antwoordt: „Wel, de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van
-het Huis van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van de
-Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij zullen dan ongetwijfeld
-beter in staat zijn om de Kaap tegen de Franschen te beschermen, dan wij dit thans
-zouden kunnen doen met het handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op
-het eerste schot op den loop zal gaan.”
-</p>
-<p>„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets dat ik niet
-in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om de kolonie tot het uiterste
-te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den
-brief van den heer Guepin, die wij in Februari hebben ontvangen.”
-</p>
-<p>„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in Europa gebeurd
-zijn,” hernam de kolonel.
-</p>
-<p>Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide hij: „Ik ben
-erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen nog heel wat te doen zijn,
-want dan zullen wij wel weten wie wij voor ons hebben. Ik wensch u dus een aangename
-nachtrust.”
-<span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span></p>
-<p>„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders uitschrijven,
-en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat vergunt, aangezien schrijfmateriaal
-hier gereed ligt. Intusschen hoop ik, dat UEd. wel rusten zult.”
-</p>
-<p>De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en verwijderde
-zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij zich zelven hebben hooren
-mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen wil. Waar zou hij zijne informatie hebben
-opgedaan?”
-</p>
-<p>Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich herinnerd hebben,
-dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de Kaapstad bevond een zekere heer
-Pringle, die hier was gekomen als de Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie,
-met het doel, zooals zijne geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie
-aan de Kaap te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel,
-of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om ververschingen te krijgen
-of de noodige reparatiën te doen, en ook was er reeds menig schip van de Compagnie
-langs de Afrikaansche kust gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt
-geen argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>het feit, dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij zeer
-vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel bevriend, maar toch hield
-hij zich meer of min op een afstand van dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren
-was hij echter op blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap
-van den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel als in dat
-van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den heer Pringle verscheidene
-malen genoemd, op eene wijze, die wij maar liever niet zullen aanhalen, maar het is
-duidelijk, dat Van Eck, die goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde
-en als wij daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen het
-Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche bevelhebber alhier, die reeds
-geruimen tijd in het vertrouwen was genomen door zijne regeering, eene aanbeveling
-zond, waarin hij eene belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige
-diensten, door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan kunnen
-wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van onze lezers overlaten.
-Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan.
-</p>
-<p>Kolonel Gordon nam na het vertrek van den <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>Gouverneur, eenige papieren, en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van
-een halfuur of zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille
-Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje, waarop de
-korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie of gij mij wat brandewijn
-en warm water kunt bezorgen, korporaal”, luidde het bevel van den kolonel, „’t is
-hier zoo drommels koud dat ik bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal
-zeide dat hij zou zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur
-er wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te bezorgen,
-en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug, met leege handen, maar
-met een ernstig gezicht, en salueerende, en een stijf militaire houding aannemende,
-sprak hij: „Kolonel, er is bij de poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad,
-die een brief brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die verder
-vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het kasteel toegelaten te
-worden”.
-</p>
-<p>„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw hoorbaar voegde
-hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch recht”. „Neem den officier, en den
-boodschapper onder uwe <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>strenge bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat dan
-den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem zeggen, dat ik
-nog hier ben in de raadkamer”.
-</p>
-<p>Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te brengen, bleef Gordon,
-met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd in diepe gedachten verzonken, en
-uit die overpeinzing werd hij eerst gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens
-die op het vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich
-in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik had opgezet,
-maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje had bedekt.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen om boodschappers
-aan de leden van den raad te zenden, en ze te verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel
-te komen om eene dringende vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving
-uitschrijven”.
-</p>
-<p>Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een boodschapper onder een
-der soldaten te krijgen, en deze werd kort daarop te paard weggezonden met de door
-Sluijskens uitgeschrevene kennisgeving, ten gevolge waarvan <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>om half drie dien morgen de raad weder was vergaderd.
-</p>
-<p>Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de kolonel zich even,
-en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de Engelsche officier en de boodschapper
-daar waren, gereed om in vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden.
-De Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn titel aanspreken,
-en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer, als gij kolonel Gordon zijt, dan
-heb ik hier een brief voor u”, en met deze woorden overhandigde hij den kolonel een
-blauwe enveloppe, die zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door
-den kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf aan den
-korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de raadkamer, waar de
-vergadering juist door den gouverneur was geopend.
-</p>
-<p>Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de bijzonderheden
-optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering plaats vond, en wij moeten
-ons bepalen tot een kort overzicht.
-</p>
-<p>Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht, overhandigde
-deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van Admiraal <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans liggende in de Simonsbaai.
-Drie dezer brieven waren korte beleefde briefjes van de directeuren der Engelsche
-Oost-Indische Compagnie, de derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal
-aan den Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op diens
-schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den Stadhouder had voor den gouverneur.
-De raad besloot dat de gouverneur deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet
-wist met welke intenties zulk<span id="xd31e930"></span> geschiedde, en een der leden liet zich niet oneigenaardig uit, door te zeggen, dat
-het gemakkelijk gebeuren kon, dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip
-ging, men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden trof,
-was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de discussie, en daarentegen
-zeer afgetrokken scheen, als of zijne gedachten met iets geheel anders bezig waren.
-De gouverneur schreef daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad
-voorlas, en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het over
-te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als antwoord op den
-brief van den admiraal.<span id="xd31e932"></span>
-<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p>
-<blockquote>
-<p class="first dateline"><span class="sc">Kaapstad</span>, 12 Juni 1795.
-</p>
-<p class="salute"><i>Mijnheer</i>,
-</p>
-<p>Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer, dien UEd. gezonden
-heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel Gordon te zien, en ons zeer belangrijk
-nieuws mede te deelen, zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne
-Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der Republiek, zoo spijt het
-mij daarop te moeten antwoorden, dat het op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij
-om de Kaapstad te verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber
-onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed te zijn om mij deze
-depêche zoowel als uwe informatie te zenden door een door UEd. vertrouwd persoon.
-</p>
-<p class="signed">Ik heb de eer te zijn
-</p>
-<p class="signed">A.&nbsp;J. SLUIJSKENS.</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Toen deze brief geschreven was, werd de heer Ross, zooals de Engelsche officier heette,
-en die eigenlijk de private secretaris van den Admiraal was, weder in de kamer gelaten,
-en deed men hem eenige vragen omtrent den toestand in Europa, en omtrent de destinatie
-der vloot, doch deze vragen zeide de <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>officier niet te kunnen beantwoorden daar zijne instructien slechts luidden om den
-brief zonder meer te overhandigen. Men begreep dan ook deze positie, en overhandigde
-hem het antwoord van den heer Sluijskens, waarop men hem ongehinderd liet gaan.
-</p>
-<p>Zoo liep deze vergadering van den raad af, en de zon ging juist op toen de leden het
-kasteel verlieten.
-</p>
-<p>Maar daarmede was de zaak nog geenszins afgeloopen. Den volgenden morgen kwamen in
-de Kaapstad aan <span class="corr" id="xd31e957" title="Bron: luitenant kolonel">luitenant-kolonel</span> Mackenzie, van het 78ste regiment van het Engelsche leger, de heer Ross, en de zeekapitein
-Hardy, en deze brachten nieuwe brieven, zoowel voor den Gouverneur, als voor den heer
-Gordon. De eerste brief aan den gouverneur was een gezamentlijke brief onderteekend
-door Admiraal Elphinstone, en Generaal Craig, den bevelhebber der zich aan boord bevindende
-Engelsche troepen, waarin zij eene beschrijving gaven van den toen in Europa heerschenden
-toestand, en vertelden dat Holland door de Franschen was veroverd en de Stadhouder
-naar Engeland was gevlucht, en dit was het eerste bericht dat men in de Kaap over
-het gebeurde kreeg. Toch waren de feiten in den brief van de Engelsche bevelhebbers
-niet geheel juist, want zij verzwegen het voorname feit, dat de Franschen met opene
-armen in Holland waren ontvangen, en dat het stadhouderschap <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>er afgeschaft was, zoodat Holland thans eene republiek was, waar de Prins van Oranje
-absoluut niets meer te zeggen had. Dit zou dan ook geenszins in de kraam der Engelschen
-zijn te pas gekomen, want de tweede brief door hen overhandigd bevatte een bevel van
-den Prins van Oranje, gedateerd uit Kew in Engeland op den 7<sup>den</sup> Februari 1795, waarin aan den heer Sluijskens gelast werd om de troepen van den Koning
-van Engeland toetelaten in de forten en versterkte plaatsen in de Kolonie, en hen
-te ontvangen als vrienden, daar de Engelschen gekomen waren om de Kolonie te beschermen
-tegen een aanval door de Franschen.
-</p>
-<p>Men kan begrijpen, dat deze brieven heel wat consternatie in den Politieken Raad veroorzaakten.
-De leden waren allen sterk Prins gezind, en genegen om gehoor te geven aan de bevelen
-van den Stadhouder, maar het feit dat deze een vluchteling in Engeland was, en dat
-men dus niet wist hoever zijne macht nog strekte, was ook iets dat men in aanmerking
-moest nemen, en volgens de konstitutie van de <span class="corr" id="xd31e967" title="Bron: Oost Indische">Oost-Indische</span> Compagnie, zoowel als die van Holland kon de Prins niet op eigen houtje handelen,
-zonder de direkteuren in het eene geval, of zonder de autoriteit van de Staten Generaal
-in het tweede geval. Men moest dus zeer voorzichtig wezen, want <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>zoo men verkeerde stappen nam, en de zaken anders uitdraaiden dan men op het eerste
-oog meende, dan was er kans dat zij, die de Kolonie zoo voetstoots aan eene vreemde
-mogendheid hadden overgegeven, als verraders zouden gestraft worden, en die kans wilde
-zelfs een Gordon of een van Rijneveld niet staan, om niet te spreken van den gouverneur
-zelf, die een man was, gedetermineerd om, kome wat kome, zijne instruktien letterlijk
-te volgen. Men besloot dus, dat het beste zou zijn, om te trachten tijd te winnen,
-en om die reden zond men een antwoord aan de Engelsche bevelhebbers ten effekte dat
-men de Engelsche vloot zou voorzien met de noodige levensmiddelen, en dat met dat
-doel kleine ongewapende troepjes Engelschen aan land te Simonsstad mochten komen.
-Verder bedankte men de Engelschen op zeer beleefde wijze voor hun aanbod om de kolonie
-te beschermen, maar gaf hen tevens te kennen dat men voldoende troepen had om dit
-zelf te doen, maar zoo noodig zou men graag willen weten hoeveel man de Engelschen
-konden leveren. Deze laatste vraag, die natuurlijk met geen ander doel werd gedaan
-dan om uittevinden wat werkelijk de sterkte der Engelschen was, werd onbeantwoord
-gelaten, want inderdaad was de Engelsche macht op dat oogenblik vrij zwak, maar verwachtte
-zij elk <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>oogenblik Generaal Clarke uit West-Indië met een aanzienlijke vloot, en een sterk
-leger.
-</p>
-<p>Kolonel Gordon had gestemd voor deze besluiten die op den 14<sup>den</sup> Juni werden genomen. Doch nauwelijks was de raad verdaagd of hij schreef den volgenden
-brief aan Admiraal Sir George Elphinstone, dien hij medegaf aan de drie heeren die
-den officieelen brief van den raad meenamen. Als onze lezers dien brief zorgvuldig
-lezen, dan zullen zij wel hun eigene opinie kunnen vormen, over den naam die de geschiedenis
-aan kolonel Gordon behoort te geven.
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first dateline"><span class="sc">Kaap de Goede Hoop</span>, 14 Juni 1795.
-</p>
-<p class="salute"><i>Edele Heer</i>,
-</p>
-<p>Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den heer Scott, en
-door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur ten hoogste den ongelukkigen toestand
-van zaken in Holland, en heet u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het
-grootste genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan is om gezamentlijk
-een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht te ontrooven aan haren wettigen souverein,
-de Republiek der zeven vereenigde <span class="corr" id="xd31e989" title="Bron: provincien">provinciën</span> met hunnen <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>erfstadhouder, den Prins van Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een
-eed heb afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd zijn dat
-ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te vervullen. Het spijt mij
-verder zeer, dat een onvergeeflijke misslag van den bevelhebber van ons fregat de
-oorzaak is geweest van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag
-ik er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen, die denken dat
-zij hunne <span class="corr" id="xd31e994" title="Bron: geruineerde">geruïneerde</span> geldzaken zullen herstellen door het steunen van fransche beginselen en anarchie,
-en door anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden medegesleept. Maar
-dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik is voorzichtigheid noodig om de zaken
-tot een behoorlijk einde te brengen.
-</p>
-<p>Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan komen om u een
-bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte. Wees echter verzekerd Sir George,
-dat ik onze zaak zal steunen met al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche
-denkbeelden, en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik 42
-jaren lang heb gediend, <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>mocht komen te vallen hetgeen God verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een
-Brit ben.
-</p>
-<p>Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot mijn spijt niet
-hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en verblijf verder met eerbied, enz.
-</p>
-<p class="signed">R.&nbsp;J. GORDON.</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Het ingesloten briefje van den heer Pringle luidde als volgt:
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first">„Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te verlaten, maar ik
-beschouw het raadzaam om te verzekeren aan eenigen opperbevelhebber van de Britsche
-macht, die hier mocht aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld
-in de eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men derhalve
-onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”.
-</p>
-<p class="signed">JOHN PRINGLE,
-<br><i>Agent voor de edele de O.&nbsp;I. Compagnie van Engeland</i>.</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Zoo werd er in Zuid-Afrika gehandeld in 1795; wij zouden graag wenschen te kunnen
-zeggen, dat in 1901 niet zoo werd gehandeld, maar ongelukkig <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>heeft de geschiedenis van de laatste twee jaar bewezen dat mannen van Gordons soort
-nog niet uit dit werelddeel verdwenen zijn. De eenige troost, die men echter hebben
-kan, is, dat de geschiedenis, die in den loop der tijden haar oordeel velt over alle
-menschen, goede zoowel als slechte, ook over de Gordons en van Rijnevelds van heden,
-haar oordeel zal vellen, en zij dan door het nageslacht zullen worden veracht met
-die verachting, die ten slotte alle zoodanige verraders ten deel vallen van vijand
-zoowel als van vriend.
-<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK V." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK V.</h2>
-<h2 class="main">Jan van Eck wordt soldaat, en vecht mee.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het is den avond van den 6<sup>den</sup> Augustus 1795, en wij zullen u vragen, waarde lezers om in gedachten met ons mede
-te gaan naar een plek, die heden een der voorname badplaatsen van Zuid-Afrika is,
-maar op genoemden datum slechts een soort van visschersstatie was, waar zeer weinige
-lieden woonden. In plaats van sierlijk aangekleede heeren en dames, en van badwagentjes;
-<span class="corr" id="xd31e1029" title="Bron: inplaats">in plaats</span> van net gebouwde villas, die den indruk maken dat de bewoners menschen van goeden
-doen zijn, die in weelde leven; in plaats van dat alles dat gij heden vindt te Muizenberg,
-zien wij er op den zooeven gemelden datum een tooneel <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>dat lang niet zoo vreedzaam is. Een eerste oogopslag toch bewijst ons dat wij in een
-<span class="corr" id="xd31e1034" title="Bron: soldaten kamp">soldatenkamp</span> zijn, dat gedeeltelijk gelegen is op de vlakte aan deze zijde van het strand, maar
-ook gedeeltelijk in de nauwe pas, die gelegen is tusschen den steilen Muizenberg en
-de wateren van de Baai Fals.
-</p>
-<p>Wat ons echter op het eerste oog treft, is, dat het kamp zoo weinig versterkt schijnt,
-en er niet die schikkingen getroffen zijn, die wij tegenwoordig gewoon zijn in een
-soldatenkamp te vinden. Er staan tusschen de zee en den berg eenige kanonnen, meest
-van klein kaliber, dingetjes, die op ons, gewoon aan de gegoten reuzen van den tegenwoordigen
-tijd, den indruk maken van speelgoed; er zijn maar twee stukken van vier-en-twintig
-ponden elk; de andere zijn zeven- en vijfponders, wier kogels geen 1000 treden zouden
-halen.
-</p>
-<p>En hoe open en bloot staan die kanonnen, en zelfs het geheele kamp? Wij zijn geen
-generaals of geen officieren der genie, doch het schijnt ons toch toe, dat het heel
-wat beter en doelmatiger zou zijn, als dit kamp met een hoogen aarden wal was omringd,
-of ten minste die kanonnen waren beschut door wat aarden wallen. De man die voor den
-hier heerschenden toestand verantwoordelijk is, heeft òf geen besef van de krijgskunde,
-òf verzaakt moedwillig zijn plicht.
-<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p>
-<p>En voor de gerieven zijner manschappen schijnt hij ook maar zeer slecht te zorgen.
-Een vijf- of zestal tenten, meest met gaten en deerlijk gehavend, is alles wat wij
-zien in den vorm van beschutting, en dit waarlijk in den winter, wanneer de wind hier
-ijskoud kan waaien, of zware regenbuien den armen soldaat door broek en baatje dringen.
-Kijk eens, daar hebben de manschappen, om zich zelven toch eenigszins te helpen, een
-soort van schuiling gemaakt van boschjes en wat klippen, en aan de opgerolde kombaarsen
-merken wij, dat dit hun slaapplek is. Dat is toch wel een beetje erg bar, vindt gij
-het ook niet?
-</p>
-<p>Buiten langs het kamp loopen er een half dozijn schildwachten op en neder, op half
-zorgelooze wijze en reeds de eerste blik doet ons zien, dat deze mannen niet geregelde
-troepen zijn, of gewoon aan krijgstucht en orde. Hunne lange zware roeren, de meesten
-waarvan ons doen herinneren aan de oude „sanna’s”, die zes op een pond schieten, en
-die onze gedachten doen teruggaan naar de museums, waar wij ze wel eens gezien hebben,
-dragen zij op een zorgelooze manier, en hun gang heeft niets militairs in zich. Wel,
-dat is dan ook niet te verwonderen, want zij zijn geen soldaten van beroep, maar de
-meesten hunner zijn boeren, eigenaars van honderden <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>van morgen gronds, koningen op dien grond, en slechts gehoorzaam aan de regeering,
-die hen heeft opgeroepen om het land te verdedigen. Zij hebben het erg te kwaad met
-die regeering, die hen jaren lang heeft onderdrukt, maar toch verkiezen ze die tirannieke
-regeering boven dien van den trotschen Brit, den erfvijand hunner voorvaderen, den
-bewoner van het rijk, dat eerst groot is geworden, nadat het een Hollander tot koning
-had gehad. Niet allen echter zijn boeren; er zijn ook een aantal Kapenaars onder hen,
-mannen, die met de pen beter terecht kunnen dan met het zware roer, doch ook deze
-hebben niets op met het vooruitzicht, dat hun aangeboden wordt om Engelsche onderdanen
-te worden.
-</p>
-<p>Omtrent in het midden van het kamp staat een klein klompje mannen een pijp te rooken
-en een praatje te maken, en kijkt nu en dan in de richting van de Simonsbaai, waar
-de Engelsche vloot rustig voor anker ligt, en waar de Engelsche krijgsmacht sedert
-29 Juni reeds in bezit is van Simonsstad, dat door de regeering op eenigszins vreemdsoortige
-wijze is prijs gegeven. Om u echter den toestand te laten begrijpen, moeten wij, voor
-wij luistervink gaan spelen, eene korte schets geven van wat er voorgevallen is, sedert
-wij de vergadering in het kasteel op 12 Juni hebben bijgewoond.
-<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p>
-<p>Op den brief van den Raad aan de Engelsche bevelhebbers, gezonden op 14 Juni, kwam
-geen geschreven antwoord, maar de Engelsche generaal, Sir James Craig, kwam even bedaard
-een bezoek brengen aan de stad op den 18<sup>den</sup>, en had den dag daarop een lang onderhoud met den Raad, waarin hij hen vertelde,
-dat zijne instrukties waren om de Kolonie in bezit te nemen en in bewaring te nemen
-voor den Prins van Oranje, tot tijd en wijle deze in zijne betrekkingen zou zijn hersteld.
-Hij gaf ook in bizonderheden de voorwaarden op, waaronder hij dit zou doen, en beloofde
-onder anderen, dat er geene verandering in de wetten des lands zou worden gemaakt,
-en dat de burgers geen andere lasten zouden behoeven te dragen dan die, welke absoluut
-noodig waren voor het onderhoud der regeering. Daarenboven zou de handel voor allen
-vrij zijn, en de lastige bepalingen der Oost-Indische Compagnie worden afgeschaft.
-De Hollandsche troepen zouden in dienst kunnen treden van den koning van Engeland
-en door Engeland worden betaald, en die ambtenaren, die zulks verkozen, konden in
-Engelschen staatsdienst overgaan, met behoud van al hunne rechten. Hier werd dus door
-den Engelschen generaal juist datgene aan de burgers aangeboden, waarvoor deze zooveel
-jaren hadden gestreden, <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>en wat zij maar nooit hadden kunnen verkrijgen.
-</p>
-<p>Het antwoord van den Politieken Raad was eene bepaalde weigering om op het voorstel
-van den Engelschman in te gaan. Wat den Raad dezen manmoedigen stap deed nemen, was
-niets meer of minder dan vrees voor den galg; want men was van opinie, dat er eene
-Fransch-Hollandsche vloot in aantocht was en dat deze wel spoedig de Engelschen zouden
-verjagen, en natuurlijk zouden de leden der regeering dan tot verantwoording hunner
-daden worden geroepen.
-</p>
-<p>De Engelsche bevelhebbers gaven nu kort achter elkander een tweetal proklamatiën uit,
-de eerste met het doel om de bevolking in het harnas te jagen tegen zijne regeering,
-en toen dit zonder effekt bleef, volgde er eene tweede proklamatie, waarin de aap
-uit de mouw kwam, daar er duidelijk in werd te kennen gegeven, dat de Engelsche koning
-niet zou toelaten, dat de Kaapkolonie in handen zou vallen van zijn vijand, Frankrijk.
-Deze proklamatie bedierf de zaken geheel en al voor de Engelschen. Eerstens besloot
-de Politieke Raad, die thans geen andere uitkomst had, om de Kolonie tot het uiterste
-te verdedigen, een besluit, dat met gejuich door de burgerij van Kaapstad werd ontvangen;
-en ten tweede bracht ze de geheele bevolking der Kolonie <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>op de been, en toen de regeering eene oproeping tot de burgers richtte, werd die met
-de meeste bereidwilligheid beantwoord, zelfs door de anders zoo oproerige mannen van
-<span class="corr" id="xd31e1061" title="Bron: Graaff Reinet">Graaff-Reinet</span> en Swellendam, die in grooten getale naar de Kaapstad kwamen, om deel te nemen aan
-den strijd. Want men vergete niet, dat de meeste burgers zeer ten gunste van de Franschen
-waren en dat om verscheidene redenen. In de laatste vijf-en-twintig of dertig jaren
-waren er heel wat Fransche troepen geweest, en deze hadden zich zeer populair bij
-de bevolking gemaakt, terwijl hun aanwezigheid zoowel als de aankomst van verscheidene
-Fransche eskaders, veel geld in de zakken der burgers hadden gebracht, en in die dagen
-de kolonie tot een ongekende bloei geraakte. Daarbij kwam dat een groot deel der burgers,
-afstammelingen der oude Hugenoten, nog steeds een zwak hadden voor het geboorteland
-hunner voorouders en er nog veel was dat hen aan het zonnige Frankrijk herinnerde.
-</p>
-<p>De Engelschen daarentegen hadden immer in de Kolonie een slechten indruk gemaakt;
-hun hoogmoed was onverdragelijk en zij hadden er alles behalve den slag van zich aangenaam
-te maken. De historische herinneringen, die de Hollanders aan den naam van Engeland
-verbonden, waren niet van dien aard, dat daardoor de Engelschman in de achting van
-eenigen <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>rechtgeaarden kolonist, die zijn moederland lief had, hoog kon staan, want Engeland
-was steeds de jaloersche mededinger van Holland geweest, en had grootendeels schuld
-aan den achteruitgang van den voorspoed van het moederland. „Liever Waalsch dan Engelsch”
-zouden de kolonisten dus als hun motto kunnen hebben aangenomen en zoo zij dit al
-niet met die woorden uitdrukten, zoo waren hunne gevoelens toch van dezen aard.
-</p>
-<p>Een verder gevolg van deze proklamatie was, dat de Raad zich thans verplicht zag om
-de Engelschen als vijanden te behandelen; levensmiddelen werden hun geweigerd en een
-sterke bezetting werd te Muizenberg geplaatst. Wat echter de positie van den Raad
-ten zeerste versterkte, was het feit, dat er op 24 Juni een Amerikaansch schip in
-Simonsbaai kwam, dat een aantal brieven en kranten aan boord had, voor inwoners der
-Kolonie. De Engelschen namen op zeer onwettige wijze bezit van de mail van dit schip,
-maar door het een of andere toeval viel toch een krant in handen van een der burgers,
-en in die krant stond eene kennisgeving van de regeering van Holland, waarin alle
-Hollanders ontslagen werden van hun eed van getrouwheid aan den Prins van Oranje.
-Dit maakte de positie der kolonisten en van den raad duidelijk, <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>en men kon nu niet meer eenigen twijfel hebben, welken weg men moest inslaan. Simonsstad
-werd nu ontruimd en slechts enkele inwoners bleven daar, waarop Admiraal Elphinstone
-op den 9<sup>den</sup> Juli bezit der stad nam. De Engelschen waren echter nog niet genegen om tot direkte
-vijandelijkheden over te gaan, want hunne versterkingen waren nog niet aangekomen,
-en zij hadden een totaal gebrek aan geschut geschikt voor gebruik te lande, en zouden
-zich moeten behelpen met de zware en onhandelbare kanonnen der schepen, terwijl daarentegen
-de verdedigers een aanzienlijke artillerie bezaten. Op den vierden Augustus echter
-ging een officier van het Pandoeren- of Hottentot korps een verkenning maken in de
-richting van Simonsstad, en schoon veel te ver van deze plaats om iemand of iets te
-kunnen raken, beging hij de onbezonnenheid om een aantal schoten in de richting der
-stad te schieten, en dit gaf natuurlijk de Engelschen aanleiding om te zeggen, dat
-de Hollanders de vijandelijkheden waren begonnen.
-</p>
-<p>Intusschen was er te Muizenberg steeds een wacht van omtrent 200 man, die van tijd
-tot tijd door anderen werden vervangen, zoodat iedereen een beetje rust op zijn beurt
-kreeg. Er was juist op den 3<sup>den</sup> een nieuw klompje mannen bij Muizenberg aangekomen, en het zijn deze mannen die wij
-er op den avond <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>van den 6<sup>den</sup> Augustus vinden. Maar nu wordt het waarlijk tijd dat wij eens gaan hooren wat besproken
-wordt door het groepje rookers, waarvan wij melding maakten in het begin van dit hoofdstuk.
-</p>
-<p>Er zijn er onder dit groepje eenigen die wij kennen; daar staat bijvoorbeeld de heer
-van Reenen, en niet ver van hem staat de jonge de Beer, de neef van Jan van Eck, en
-als gij goed ziet zult gij dezen laatsten ook herkennen, schoon de zoogenaamde uniform
-die hij aan heeft hem een vreemd uiterlijk geeft. De anderen van het groepje bestaan
-uit burgers uit alle deelen des lands; er is een de Waal van Stellenbosch, en een
-van der Bijl uit het zelfde distrikt, en naast hen staat een vrij jong maar flink
-uitziend man, die de eigenaardige uniform draagt van de artillerie, en wiens naam
-luitenant Marnitz is; ook staan er Veldkornet Daniel du Plessis, een reus van een
-kerel die aan het hoofd staat van een klompje der anders zoo oproerige Swellendammers,
-die echter nu niets beters verlangen dan in aanraking te komen met den zoo gehaten
-Engelschman, en die ruw uitziende man met woest groeiende baard, en velbaatje is Louis
-Botha, een Graaff-Reinetter, kapitein van een afdeeling burgers uit zijn distrikt,
-die even als Du Plessis al lang vies is van dat hier leggen en niets doen, en die
-als men hem verlof gaf, op <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>eigen houtje zou ondernemen om met de zijnen de Engelschen uit Simonsstad naar hunne
-schepen terug te jagen. Inderdaad is het gesprek dat op het oogenblik gevoerd wordt
-een bewijs dat er heel wat ontevredenheid onder de sprekers heerscht, want het is
-du Plessis die zich tot Marnitz wendende vraagt:
-</p>
-<p>„Maar luitenant, kunt gij mij zeggen wie eigenlijk verantwoordelijk is voor den toestand
-in het kamp, want als ik den rechten man in handen krijg, dan zal ik hem zijn ooren
-laten gonzen dat hij het niet gauw zal vergeten”.
-</p>
-<p>„Dat is een vraag die ik niet kan beantwoorden, veldkornet<span class="corr" id="xd31e1093" title="Niet in bron">,”</span> zegt de luitenant<span class="corr" id="xd31e1095" title="Bron: ”, ">, „</span>want om de waarheid te zeggen zendt men mij ook van Pontius naar Pilatus. Daar staan
-mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet, want
-ze staan los in het zand, en met het eerste schot, zullen ze zich vastwoelen in het
-zand, en dan zal ik ze moeten laten losgraven voor ik ze weer gebruiken kan, en dat
-is nuttelooze tijdverspilling”.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p105width"><img src="images/p105.jpg" alt="„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet...” (Blz. 105)." width="720" height="506"><p class="figureHead">„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten
-moet …” (Blz. 105).</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>„Wel ik gun je je baantje luitenant”, viel hier van Reenen in<span class="corr" id="xd31e1104" title="Bron: ">, „</span>want je zoudt daar met de manschappen geheel onbeschermd staan, en de eerste de beste
-goedgemikte kogel van den vijand zou jullie het leven leelijk zuur maken”.
-</p>
-<p>„Dat is ook mijne opinie”, hernam de dappere <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>luitenant, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>en toen kolonel Gordon eergisteren hier was, heb ik hem dit onder het oog gebracht,
-maar hij antwoordde dat het geheel onnoodig was, want dat de Engelsche schepen nooit
-dicht bij genoeg konden komen om ons hier te raken”.
-</p>
-<p>„Gordon is of een gek of een verduivelde verrader” riep hier Jan van Eck woedend uit,
-<span class="corr" title="Niet in bron">„</span>wat weet hij van hetgeen de Engelschen kunnen doen; het zou ze niet veel tijd nemen
-om een paar zware kartouwen op eenige hunner grootste booten te plaatsen, en daarmede
-uw heele batterij uit elkaar te schieten, als gij geen betere bedekking krijgt. Een
-paar zes voet hooge wallen waren toch gemakkelijk opgeworpen”.
-</p>
-<p>„Als iemand de Baai Fals kent, dan geloof ik dat ik zulks doe”, zeide van Reenen opnieuw,
-„en je kunt met mijn komplimenten aan den kolonel vertellen luitenant, dat als de
-Engelschen een beetje snugger zijn, zij met hunne brikken zoo nabij kunnen komen,
-dat zij het heele kamp zooals het staat, plat kunnen schieten”.
-</p>
-<p>„Dat ze de baai kennen, daar is geen twijfel aan”, sprak de heer de Waal, „want reeds
-sedert den 20<sup>sten</sup> van de vorige maand zijn zij aan het peilen geweest, en toen ik hier voorverleden
-week de wacht hield met mijn kompagnie, heb ik ze zelf gezien, en kwamen ze zoo dicht
-bij het strand voor ons, dat ik ze wel met klippen had kunnen raak gooien”.
-<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p>
-<p>„En hebt gij dit dan niet aan den kolonel gerapporteerd?” vroeg Van Eck op een toon
-van verbazing.
-</p>
-<p>„Welzeker deed ik zulks, maar de kolonel antwoordde dat wij de Engelschen niet konden
-beletten om in de baai rondtezeilen, en diepten te peilen. Zij waren nog niet onze
-vijanden”, antwoordde de luitenant.
-</p>
-<p>„Wel, de kolonel mag denken wat hij wil, maar onze vrienden zijn de Engelschen zeker
-niet, en dat zijn zij nooit geweest van af de dagen van Koning Eduard den Eersten.
-En wat men ook zeggen mag zal de Engelschman altijd de vloek voor ons land blijven”,
-merkte Van Eck op zijn bitsige manier aan.
-</p>
-<p>„Maar er is nog een ander ding waar ik van wil praten”, viel Du Plessis in; „waarom
-moeten mijne burgers hier in de opene lucht liggen, en in deze koude nachten allerlei
-ongemak uitstaan? Dit is niet een manier om een ordentelijk mensch te behandelen,
-en als er van mijn mannen huis toe gaan, dan moet de gouverneur niet klagen; ze beginnen
-nu al leelijk te brommen, en ik kan ze waarachtig geen ongelijk geven. Wie moet naar
-die dingen zien, luitenant?”<span id="xd31e1130"></span>
-</p>
-<p>„Daarover moet gij u tot den kolonel of tot majoor De Lille wenden”, was het korte
-antwoord van den luitenant, die daarop groetend vervolgde. „Ik moet nog eens de ronde
-gaan maken, en orders geven <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>omtrent de wachten, en groet u dus heeren”, en met deze woorden verliet de militair
-het groepje.
-</p>
-<p>„Dat is een flinke kerel”, merkte de heer Van Reenen aan, op den wegstappenden luitenant
-wijzende, „als hij het bevel over de zaken had in plaats van Gordon, dan zouden de
-zaken er beter uitzien.”
-</p>
-<p>„Dat geloof ik ook”, hernam Van Eck, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>en wat de kolonel aangaat zoo moest men hem doodeenvoudig een kogel door den kop jagen.
-Hij is niets anders dan een verrader naar mijn opinie”.
-</p>
-<p>Het gesprek had misschien een ernstige wending kunnen nemen, als op dat oogenblik
-niet het geschetter van een trompet gehoord werd, het teeken dat de wachten aantreden
-moesten, en daar verscheidene der tegenwoordigen een deel van den wacht voor den nacht
-uitmaakten, ging het groepje uitelkaar. Van Eck, die echter niet op de wacht moest,
-ging met veldkornet Botha naar diens vuur, en bleef daar de rest van den avond, alle
-mogelijke informatie inwinnende omtrent den toestand op de oostelijke grensdistrikten
-der kolonie, en het was bijna tien uur, toen hij zich ter ruste begaf naar de tent
-die hij met den heer Van Reenen en eenige andere burgers van de Kaapstad deelde, en
-dan was die tent nog niet eens verschaft door de regeering, maar het privaat eigendom
-van den heer Van Reenen zelf.
-<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p>
-<p>Den volgenden dag was alles zoover rustig in het kamp te Muizenberg, en men zag slechts
-een klein troepje der Stellenbosche burgers, die bezig waren om hunne goederen optepakken,
-daar zij dien dag zouden worden afgelost door een honderdtal nieuwe manschappen die
-den vorigen dag te Kaapstad waren aangekomen en heden in het kamp werden verwacht.
-Met het vooruitzicht van weder naar huis en haard te kunnen terugkeeren, nadat zij
-er bijna een maand van weg waren geweest, waren de Stellenbosschers zeer opgeruimd,
-en menige scherts werd gewisseld onder elkaar, zoowel als met de andere burgers, die
-nog moesten blijven. Het was omtrent één uur na den middag dat de honderd nieuwe Stellenbosschers
-het kamp bereikten, en door den kommandeerenden officier Kolonel De Lille werden <span class="corr" id="xd31e1146" title="Bron: geinspekteerd">geïnspekteerd</span>, terwijl de burgers die naar hunne woningen zouden teruggaan zich gereed maakten
-om over een uur te vertrekken, en de paarden reeds uit het veld waren gehaald. Doch
-terwijl de kolonel nog met de inspektie bezig was, kwam een van de wacht die bij Kalkbaai
-stond hard aangeloopen, en bracht het bericht dat de Engelsche schepen zich in beweging
-hadden gezet en blijkbaar op Muizenberg afzeilden. De Lille was bij het hooren van
-dit bericht niet genegen om er veel waarde aan te hechten, want de Engelsche <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>schepen hadden reeds de drie laatste dagen in de Baai Fals heen en weer gekruist;
-doch een kwartier later kwam een tweede boodschapper van Kalkbaai het bericht brengen
-dat er eene groote kolonne Engelsche soldaten uit Simonsstad rukte, en zich in de
-richting van Muizenberg bewoog. Dit was een duidelijk teeken dat de Engelschen iets
-in het schild voerden, en De Lille gaf orders dat men het kamp zou strijken en zich
-voor den strijd gereed maken. Zelf ging hij met zijn 200 man van het Nationale bataljon
-eene positie opnemen nabij het strand, juist waar de weg door de nauwe poort tusschen
-de zee en den berg ging, en waar een elftal stukken stonden die dezen weg moesten
-verdedigen. Luitenant Marnitz, die het bevel over de geheele artillerie had, stond
-natuurlijk met zijne manschappen bij zijne stukken, gereed om zijn plicht te doen.
-Maar De Lille scheen geheel vergeten te hebben dat er nog 300 burgers, en 150 der
-Hottentot soldaten in het kamp waren, want hij gaf hoegenaamd geen orders omtrent
-de positie die deze mannen moesten opnemen, en het gevolg was, dat er geen geringe
-verwarring ontstond, en elke officier zich verplicht vond om op zijn eigen houtje
-te handelen, zoodat er hier een klompje burgers stonden, en wat verder een ander klompje,
-en daartusschen de pandoers, die ook allen te paard <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>waren, zich hadden opgesteld onder bevel van hun kommandant Cloete.
-</p>
-<p>De Lille had blijkbaar verwacht dat de beweging der schepen slechts een manoevre der
-Engelschen was om de aandacht af te leiden van de naderende kolonne voetvolk. Doch
-het bleek spoedig dat hij zich hierin deerlijk had vergist, want de vier Engelsche
-schepen, die in dien tusschentijd tot vlak tegenover Muizenberg waren genaderd, openden
-plotseling een hevig vuur op het kamp. De verwarring die nu onder het koloniale leger
-ontstond was onbeschrijfelijk, maar toch had een bekwaam en dapper bevelhebber de
-positie nog kunnen redden. De Lille was echter noch bekwaam noch dapper; integendeel
-hij bleek of een lafaard of een verrader te zijn, want nauwelijks was de eerste kogel
-der Engelsche schepen in den grond geslagen of de bevelhebber wendde zijn paard, en
-ging ijlings op de vlucht, gevolgd door het Nationale bataljon, en zelfs een deel
-der artillerie liet zich in den vaart meeslepen. Luitenant Marnitz echter bleef met
-het restant der zijnen op zijn post, en begon dadelijk het vuur der Engelschen te
-beantwoorden met de twee zware 24 ponders, een werk waarin hij met heel wat bezwaren
-te kampen had, want daar de kanonnen los in het zand stonden, raakten zij met elk
-schot vast en moesten daar <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>uitgegraven worden en opnieuw gericht. Maar dit alles liet Marnitz geenszins den moed
-verliezen, en hij bleef zich verdedigen. Toen de burgers de geregelde troepen, die
-als het ware de kern van het leger vormden, aldus op de vlucht zagen gaan, met de
-kolonel De Lille voorop, geraakten ook zij aan het wijken, en toen eenige der vijandelijke
-kogels in hun midden sloegen, retireerden zij zoo snel mogelijk om uit het bereik
-dier moorddadige werktuigen te komen. Zij gingen in de richting van het tegenwoordige
-Tokai, dat is juist om de punt van den berg, maar toen zij buiten schot waren hielden
-zij stand met het doel om zich te verweren tegen het voetvolk, als dit aan kwam. De
-Lille daarentegen hield met de zijnen niet op met vluchten, maar vervolgde hals over
-kop zijn weg naar de Dieprivier, waar hij toch eindelijk tot zijn verhaal scheen te
-komen, maar zonder dat hij het minste denkbeeld had wat er van de verdere strijdmacht
-was geworden, en zich zeker niet bekommerende over hen.
-</p>
-<p>Luitenant Marnitz weerde zich zoo goed hij kon, en bracht de Engelsche schepen heel
-wat schade toe, schoon hij hen natuurlijk niet het zwijgen kon opleggen. Toen echter
-de Engelsche voet-kolonne de engte had bereikt, en de vijand zich gereed maakte om
-de batterij te bestormen, zag de luitenant dat zijne <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>positie hopeloos was, en dat er niets anders voor hem opzat dan om terug te trekken.
-In zijn hart vloekende op den lafaard die hem in een dusdanigen positie had gebracht,
-gaf Marnitz bevel tot den terugtocht, daarop vuurde hij nog een schot op den aanrukkenden
-vijand, en vernagelde toen eigenhandig de twee 24 ponders, en de andere kleine kanonnen,
-om ze onbruikbaar voor de Engelschen te maken, en eerst toen trok hij met vijf veldstukken
-terug. Het Engelsche voetvolk rukte nu de engte door, en trok om de punt van den berg.
-Doch hier liepen zij, om zoo te zeggen in de armen der burgers die hen met een geweldig
-vuur ontvingen, terwijl ook Marnitz met een paar kanonnen hier eene positie had opgenomen.
-Het Engelsche 78<sup>ste</sup> regiment liep hen echter met de bajonet storm, en tegen die wijze van oorlogvoeren
-waren de burgers niet opgewassen, zoodat zij weken. Kapitein Kemper van de artillerie,
-die met een deel van de kanonnen om de Zandvlei was getrokken, bemerkte in welke netelige
-positie de burgers waren, en opende van waar hij stond zulk een hevig vuur op de aanvallers,
-dat de Engelschen, nu van twee kanten beschoten, terug deinsden naar Muizenberg, en
-den strijd voor dien dag opgaven. De avond was toen reeds aan het vallen; het kamp
-der Kolonialen was in handen van <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>den vijand; er kon dus niets meer door de burgers worden gedaan. Treurig, en daarbij
-niet weinig kwaad over de slechte leiding die zij gehad hadden, en wat ronduit het
-verraad van Lille werd genoemd, legerden de burgers zich in kleine troepjes hier en
-daar op de Kaapsche vlakte tusschen het tegenwoordige Retreat en Tokai, en brachten
-den nacht in de opene lucht door, terwijl ze zorgden dat er behoorlijk wachten werden
-uitgezet om eene verrassing door den vijand te voorkomen.
-</p>
-<p>Den volgenden dag scheen De Lille wat bijgekomen te zijn van zijn schrik, en trok
-hij behoedzaam met een kleine kolonne zijner troepen naar Zandvlei, doch de Engelschen
-hadden zijne beweging bespeurd, en een vrij sterke macht van Engelsche infanterie,
-vergezeld van een klompje mariniers vielen hem aan. De dappere(?) De Lille wachtte
-dezen aanval niet af, maar vluchtte hals over kop naar Dieprivier terug, en liet zich
-den geheelen dag niet meer zien. De burgers hadden echter een beter plan beraamd;
-zij hadden namelijk de Engelsche kolonne zien aankomen en verscholen zich daarop tusschen
-eenige hooge zandduinen die in de buurt waren, en in den weg lagen die de Engelschen
-volgden in hun nazetten van De Lille. Op het rechte tijdstip openden de burgers een
-heftig vuur op de niets vermoedende Britten met <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>het gevolg dat deze door den schrik werden bevangen en ijlings op de vlucht sloegen.
-De burgers zetten den vijand dadelijk achterna en misschien zou het hun gelukt zijn
-om hun kamp van gisteren weder te bemachtigen, ware het niet dat de Engelschen de
-door luitenant Marnitz vernagelde kanonnen weder in orde gebracht hadden en daardoor
-in staat gesteld waren om de burgers, toen deze het kamp naderden met geschutvuur
-te ontvangen, waartegen de laatsten niet waren opgewassen. Dezen toch hadden geene
-kanonnen, daar luitenant Marnitz van zijn kommandeerenden officier, De Lille, bevel
-had ontvangen om zich terug te trekken naar Wijnberg, waar De Lille ook een kamp betrok,
-na de burgers op de aller lafhartigste wijze aan hun lot te hebben overgelaten. Onder
-zulke omstandigheden bleef er voor de arme burgers ook niets anders over dan om zijn
-voorbeeld te volgen en ook naar Wijnberg te trekken.
-</p>
-<p>Dienzelfden avond was er in het kamp te Wijnberg een ontzettend spektakel. De burgers
-zochten den man die hen zoo schandelijk verraden had, in handen te krijgen, maar De
-Lille had blijkbaar zoo iets voorzien, en had zich uit de voeten gemaakt, schuiling
-zoekend bij het Kasteel. Doch de burger officieren waren niet van plan om deze zaak
-op zulke wijze te laten doodloopen, en nog dien zelfden avond trokken <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>zij een verzoekschrift aan den <span class="corr" id="xd31e1175" title="Bron: Govverneur">Gouverneur</span> op, waarin zij De Lille openlijk van verraad beschuldigden, en verzochten dat hij
-voor een krijgsraad zou terecht staan. Dit dokument werd namens de burgers door de
-officieren Botha, Loubser, De Waal, Van der Bijl, Goosen, Hoffman, en Mulder onderteekend.
-Het gevolg was, dat de Gouverneur zich wel verplicht vond om aan dit verzoek gehoor
-te geven, en op den 10<sup>den</sup> Augustus werd De Lille gevangen genomen, en werd het bevel van het kamp te Wijnberg
-opgedragen aan den kapitein van Baalen, een man, die schoon geen groot krijgsman zijnde,
-toch door een ieder als een eerlijk en dapper man werd beschouwd. Eenige dagen later
-kwam De Lille voor een krijgsraad, die, om wel te vermoedene redenen hem vrijsprak,
-doch de bevolking was zoo op hem gebeten, dat de autoriteiten verplicht waren om hem
-onder verzekerde bewaring te houden, uit vrees dat men hem het leven mocht benemen.
-</p>
-<p>Jan van Eck was een dergenen geweest, die dapper tegenstand had geboden aan de Engelschen
-op den eersten dag, en hij was ook den tweeden dag in het heetst van het gevecht geweest,
-want een lafaard wilde de brave burger niet genoemd worden. Geheel ongedeerd kwam
-hij niet uit den strijd, want op den tweeden dag werd hij door een geweerkogel licht
-<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>aan den arm gewond, en schoon de wond slechts een schram was, noodzaakte die hem toch
-om eenige dagen lang zijn arm in een doek te dragen, zoodat hij geen dienst kon doen.
-Dat hij woedend was op De Lille, op Gordon, die al die dagen lang nooit zich hadden
-laten zien in het kamp, laat zich gemakkelijk verstaan, en in het dagboek vinden wij
-dan ook de bitterste uitdrukkingen omtrent de „verraders, die deze kolonie in de handen
-van de Engelschen spelen.”
-</p>
-<p>Maar de zaken gingen later nog slechter, toen op den 4<sup>den</sup> September de Engelschen eene aanmerkelijke versterking kregen en heel wat geschut,
-zoodat zij in staat waren om krachtiger op te treden en inderdaad rukte op den 14<sup>den</sup> van die maand het geheele Engelsche leger van Muizenberg naar Kaapstad op. Een korten
-tijd lang weerden de burgers zich dapper tegen den viermaal sterkeren vijand, doch
-zij werden niet behoorlijk aangevoerd, en toen het onmogelijk bleek om den vijand
-te keeren, trokken de meeste burgers, moede van het verraad, dat naar hun meening
-gepleegd was door allen, die iets in het bestuur der kolonie te zeggen hadden, de
-Kaapsche vlakte in en begaven zich naar hunne plaatsen. De Kaapsche burgers, en daaronder
-onzen vriend Jan van Eck, trokken naar de Kaapstad, en men kan zich verbeelden, dat
-het hart van onzen vriend <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>bloedde, als hij dacht aan hetgeen thans het onvermijdelijke scheen.
-</p>
-<p>Dienzelfden nacht kwam op het kasteel te Kaapstad de Politieke Raad bij elkander en
-werd besloten tot het laatste bedrijf van het droevige drama. Gordon was op deze vergadering
-niet tegenwoordig, en de heer Van Rheede van Oudtshoorn (eere zij zijn naam) stemde
-tegen het genomen besluit; alle andere leden waren echter van opinie, dat eene verdere
-verdediging van de kolonie onmogelijk was, en dat men zich moest overgeven.
-</p>
-<p>Op den 16<sup>den</sup> September 1795, des namiddags om drie uur, woei de Britsche vlag voor het eerst op
-het kasteel van Kaapstad. Het rijk van Jan Compagnie in Zuid-Afrika was gevallen.
-<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK VI." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK VI.</h2>
-<h2 class="main">Het eerste Engelsche tijdperk.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wij zijn nu aan een deel van het dagboek gekomen, dat ongelukkiglijk geheel uit zijn
-verband is gerukt. Er mankeeren een aantal pagina’s, andere deelen zijn weer onleesbaar,
-en een gedeelte is gevuld met aanmerkingen en bespiegelingen van den heer Van Eck,
-die in menig opzicht veel waars en interessants bevatten, doch de publikatie waarvan
-wegens een aantal redenen niet wenschelijk is. Want de lezer kent al zeker onzen vriend
-als een heftig man, die op punten van godsdienst, zoowel als van regeeringsvorm, wonderlijke
-denkbeelden had; denkbeelden, die in zijn tijd geenszins ongewoon waren <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>en die door velen onzer voorouders werden aangenomen, doch die thans, òf als verouderd,
-òf als geheel onmatig worden beschouwd. De overgang van de 18<sup>de</sup> tot de 19<sup>de</sup> eeuw, is op het gebied van des menschen geest eene zeer merkwaardige, en veel is
-er in dien tijd ontstaan, waarvan wij heden het rechte nog niet begrijpen, maar er
-waren ontegenzeggelijk te veel abstracte bespiegelingen opgesloten in die denkbeelden,
-en men hechtte te veel waarde aan de dikwerf zeer schoone doch onpraktische beschouwingen
-van Jean Jacques Rousseau. Wij zouden dus òf onze lezers vervelen met hier deze uittreksels
-te geven uit het dagboek, òf, ingeval die lezers jongelieden mochten zijn, hen bekend
-maken met ideeën, die voor hen onverstaanbaar en onverteerbaar zouden zijn; in beide
-gevallen zouden wij kwaad kunnen doen.
-</p>
-<p>Onder die omstandigheden is het misschien het beste om een oogenblik van het dagboek
-af te wijken en uit andere bronnen een kort overzicht te geven van de gebeurtenissen,
-die plaats vonden gedurende den tijd, dat de Engelschen hier hun eerste bestuur voerden,
-namelijk van 1795 tot 1803. Over een der voornaamste deelen van dit tijdvak, dat,
-hetwelk betrekking heeft op den opstand te Graaff-Reinet, moeten wij zeer kort zijn,
-omdat er kans bestaat, <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>dat wij later onze lozers die gebeurtenissen in een apart werk zullen verhalen.
-</p>
-<p>Toen de Engelschen deze kolonie door het verdrag van 13 September 1795 in bezit kregen,
-naar hun voorgeven om die te bewaren voor den Prins van Oranje, maar in werkelijkheid
-met geen ander doel als om ze voor henzelven te behouden, was de toestand in Zuid-Afrika
-over het algemeen zeer treurig. De handel was in de Kaapstad <span class="corr" id="xd31e1222" title="Bron: geruineerd">geruïneerd</span>, en er heerschte een volslagen gebrek aan kontant geld, wordende dit gebrek slechts
-op zeer ontoereikende manier verholpen door een ontzachelijke massa papieren geld,
-met gedwongen koers, die door de Hollandsche regeering was uitgegeven. In de buitendistrikten
-zag het er niet veel beter uit, want de boeren waren ook hard achteruitgegaan; terwijl
-in de grensdistrikten er een toestand heerschte die, voor het oogenblik althans, niets
-anders was dan eene volslagene anarchie.
-</p>
-<p>Het zou den Engelschen, zoo zij een volk van eene andere geaardheid waren geweest,
-dan ze werkelijk zijn, niet moeielijk zijn gevallen, om de kolonie dusdanig te besturen
-dat ze de achting en de liefde van de bevolking hadden gewonnen, waardoor de kolonie
-later in waarheid een der schoonste parelen der Engelsche kroon zou zijn geworden,
-en de <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>bevolking nog loyaler, dan de Engelschen in Engeland. Maar het ligt in den aard van
-het Engelsche volk om alle nieuwigheden, en alle nieuwe volken, te naderen met die
-<span class="corr" id="xd31e1229" title="Bron: veroordeelen">vooroordelen</span> die in het Angel-Saksische ras ingeworteld zijn, en bovendien met verachting neder
-te zien op alles wat niet tot dat Angel-Saksische ras behoort of behoord heeft. Het
-is merkwaardig, dat de Engelsche regeering van 1795, die in 1783 zulk een dure ondervinding
-had opgedaan in den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, geen betere lessen heeft getrokken
-uit de feiten die de oorzaak waren van dien krijg, die Engeland een harer voornaamste
-koloniën had doen verliezen. Maar Engeland had in 1795 die les nog niet geleerd, en
-het is misschien zeer de vraag of ze die les zelfs nu al kent.
-</p>
-<p>De Engelschen waren ten tijde van hun aankomst alhier in 1795 alles behalve populair
-bij de Kaapsche kolonisten; en aan den anderen kant bleek maar al te spoedig welk
-eene verachting de Engelschen hadden voor den Zuid-Afrikaanschen boer, dien zij afschilderden
-als dom, lui, wreed tegenover zijne kleurlingen, oneerlijk, en lafhartig; en dat ongelukkige
-en onware oordeel, dat toen gevormd werd, is later niet veel veranderd, schoon John
-Bull gelegenheid genoeg had om dat oordeel te kunnen wijzigen door ondervindingen.
-<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span></p>
-<p>Een van de eerste daden der nieuwe regeering was om de harten der inwoners te trachten
-te winnen door het voorspiegelen der groote voordeelen die zij zouden genieten onder
-Engelsch bestuur, dat hun vrijen handel zou toestaan, en hun geen nieuwe belastingen
-zou opleggen, en tevens voor alles dat gekocht werd in klinkende munt zou betalen.
-Voor al die geschonkene voordeelen eischte men echter den eed van getrouwheid aan
-koning George den Derden. In werkelijkheid werd die eed dan ook door een groote meerderheid
-der bevolking afgelegd, en zelfs in het distrikt Swellendam onderwierp men zich vrij
-rustig aan de nieuwe regeering, en bevond men in het algemeen dat de verandering van
-regeering een weldadigen invloed had op den handel, en dat de boer er, wat het finantieele
-betreft, heel wat beter aan toe was. In het distrikt Graaff-Reinet ging de zaak echter
-niet zoo gemakkelijk en een zekere partij, die der vroegere patriotten, nu de Nationalen
-genoemd, begon met een eigen regeering te vormen, die aan de Engelsche regeering kennis
-gaf dat zij geen oorlog zou voeren met haar, en met ze op goede voet wilde verkeeren.
-Generaal Craig, die toen de militaire gouverneur was der kolonie, zond wel een gewapende
-macht naar Graaff-Reinet, maar gedroeg zich toch zoo verstandig en gematigd in de
-<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>zaak, dat men vijandelijkheden, vermeed, en er inderdaad een soort van schikking werd
-getroffen, waarin de Graaff-Reinetters wel de Engelsche regeering erkenden, maar toch
-op vele punten hun zin kregen. De reden waarom de Engelsche generaal zoo bizonder
-inschikkelijk was is thans bekend, en bestond daarin dat men in Engeland nog tot geen
-besluit was gekomen wat met de kolonie te doen, en of men die bepaald en onder alle
-omstandigheden, zou annexeeren aan de Britsche kroon.
-</p>
-<p>In werkelijkheid werd dan ook door de Hollandsche regeering, of om juister te zijn
-door de Bataafsche Republiek eene poging gedaan om de kolonie te heroveren, en zond
-men van uit Holland eene vloot van negen schepen met omtrent 2000 soldaten naar de
-Kaap. Doch deze vloot werd door de Engelschen verrast in Saldanhabaai op 17 Augustus
-1796, en de Hollandsche Admiraal Lucas moest zich zonder slag of stoot overgeven met
-al de zijnen. Kort na deze mislukte poging, gaf de Britsche regeering openlijk te
-kennen dat zij van plan was om de Kaap voor goed te houden als eene Britsche bezitting,
-en die niet terug <span class="corr" id="xd31e1241" title="Bron: tegeven">te geven</span> aan het huis van Oranje, en hierop werden nieuwe maatregelen genomen voor het bestuur
-der Kolonie. Als gouverneur aan de Kaap zond men Lord Macartney uit, en met diens
-regeering begint <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>de treurige tijd van Engelsch bestuur in Zuid-Afrika. In de eerste plaats werden alle
-betrekkingen gevuld met Engelschen. Daarenboven gedroeg de gouverneur zich alsof hij
-in een veroverd en vijandig land was. Alle inwoners moesten een nieuwen eed afleggen
-aan koning George, en de geringste vermoeden dat iemand niet zoo loyaal was, als de
-gouverneur wel noodig beschouwde, bezorgde den betrokken persoon heel wat onaangenaamheden.
-Er waren velen der Kaapsche burgers die reeds één keer den eed aan den koning hadden
-afgelegd, en het dus onnoodig beschouwden om dien eed nog eens afteleggen; doch diegenen
-die weigerden werden spoedig door dwang tot eene andere zienswijze gebracht; men liet
-een troep dragonders zich bij hen inkwartieren totdat ze den eed kwamen afleggen.
-Mocht er iemand gevonden worden die verdacht werd sympathie te hebben met de beginselen
-der Fransche revolutie, dan werd hem dadelijk het leven zuur gemaakt, en de geschiedenis
-verhaalt ons hiervan het volgende aardige geval.
-</p>
-<p>In Augustus zou de dochter van den heer Hendrik Oostwald Eksteen van Bergvliet, tusschen
-Wijnberg en Muizenberg, in het huwelijk treden, en voor die gelegenheid zond de vader
-een aantal uitnoodigingen uit aan vrienden om bij de bruiloft tegenwoordig te zijn.
-Dit deed hij op de wijze zooals toen ter tijde <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>gewoonlijk werd gedaan in Frankrijk, en hij was onvoorzichtig genoeg om die uitnoodigingen
-te adresseeren aan „Burger zoo en zoo, enz”. Maar op den dag van het <span class="corr" id="xd31e1250" title="Bron: bruilofsfeest">bruiloftsfeest</span> kreeg hij een aantal gasten waarop hij niet had gerekend, namelijk een detachement
-dragonders, die hun kwartier bij hem opnamen, en door den Gouverneur waren gezonden
-onder het voorwendsel dat er een oog moest worden gehouden op „de ontevredene en kwaadgezinde
-personen die op de bruiloft mochten tegenwoordig zijn”. De heer Eksteen ging dadelijk
-naar het Gouvernements gebouw om te protesteeren tegen deze handelwijze, en te kennen
-te geven dat hij niet de minste kwade bedoelingen had met het uitzenden der uitnoodigingen,
-maar het duurde een heele tijd voor den gouverneur zich vermurwde en ten laatste order
-gaf dat de dragonders terug konden komen, doch onder voorwaarde dat de heer Eksteen
-borgtocht ten bedrage van £&nbsp;1000 zou geven, ten effekte dat hij voortaan niet meer
-zulke misdadige dingen zou plegen.
-</p>
-<p>Het was ook kort na de aankomst van Lord Macartney, dat Engeland in Zuid-Afrika haar
-nu reeds zoo wel bekende handelspolitiek begon te volgen. Schoon aan de kolonisten
-vrije handel was beloofd, hield men die belofte op eene eigenaardige <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>manier. Goederen uit Engeland konden vrij ingevoerd worden, maar geen goederen konden
-uit andere landen worden ingevoerd behalve dan met Engelsche schepen, en dan moesten
-zij een invoerbelasting betalen van 5 percent. Waren er bizondere omstandigheden die
-vereischten dat goederen uit andere dan Engelsche landen met vreemde schepen moesten
-worden ingevoerd, dan werd op zulke goederen dubbel invoerrecht geheven.
-</p>
-<p>Als private secretaris van Lord Macartney was hier in Zuid-Afrika aangekomen, een
-man die meer dan eenig ander Engelschman kwaad aan deze kolonie, en aan Zuid-Afrika
-in het algemeen heeft gedaan. Dit was de heer John Barrow, een alleszins bekwaam man,
-maar vol van <span class="corr" id="xd31e1260" title="Bron: veroordeelen">vooroordelen</span>, en maar al te zeer genegen om alle berichten die hij omtrent de Afrikaansche boeren
-vernam te gelooven zonder een onderzoek in te stellen of die berichten juist waren
-of niet. Na korten tijd hier te zijn geweest schreef hij een boek over de kolonie
-en hare bevolking, dat in Engeland een grooten opgang maakte, en voor een halve eeuw
-bijna het tekstboek over den toestand in Zuid-Afrika was. In dit boek worden de Afrikaansche
-boeren in de afschuwelijkste kleuren afgeschilderd, en ter verachting van het menschdom
-ten toon gespreid.
-</p>
-<p>Men kan begrijpen dat allen die dit boek lazen, <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>zich een geheel verkeerde voorstelling vormden over dit land en zijne bewoners, en
-dat zelfs de Engelsche staatslieden er jaren lang door werden misleid. Maar niet alleen
-de staatslieden, doch ook het algemeene publiek in Engeland kreeg door het boek van
-den heer Barrow, dat een groot aantal lezers had, een totaal verkeerden indruk van
-den toestand alhier. Aan de werken van den heer Barrow zijn een aantal der ongelukkige
-misslagen van Engeland in Zuid-Afrika te wijten, en hij is in groote mate verantwoordelijk
-voor den haat die het publiek van Engeland gekoesterd heeft tegen den Afrikaanschen
-boer; hij en Dr. Philip, die met andere oogmerken, den Afrikaner ook niet weinig heeft
-belasterd.
-</p>
-<p>Lord Macartney regeerde met zulk een ijzeren hand, dat de bevolking een tijd lang
-door vrees in toom werd gehouden, en men zelfs te Graaff-Reinet stil bleef. Doch in
-1798 was de gezondheid van den ouden Lord zoodanig, dat hij zich genoodzaakt zag naar
-Engeland terugtekeeren, en op 20 November verliet hij deze kusten<span class="corr" id="xd31e1269" title="Bron: .">,</span> Generaal Dundas hier latende om voorloopig het bestuur voort te zetten. Dadelijk
-daarop brak de opstand in Graaff-Reinet uit, die allertreurigst afliep, deels omdat
-men geen hulp van de andere deelen der kolonie kreeg, deels omdat de plannen van de
-leiders van den opstand slecht waren <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>overgelegd. Twintig der aanvoerders in den opstand werden naar de Kaapstad gezonden;
-een daarvan stierf, de andere negentien stonden voor hoogverraad terecht en werden
-tot verschillende straffen veroordeeld; de twee hoofdaanvoerders Marthinus Prinsloo
-en Adriaan van Jaarsveld werden ter dood veroordeeld; maar dit vonnis werd niet uitgevoerd,
-en zij werden met de anderen als gevangenen in het kasteel gehouden, totdat zij, bij
-het teruggeven der kolonie aan de Hollanders in 1803 op vrije voeten werden gesteld.
-Doch voor dien tijd was Adriaan van Jaarsveld in de gevangenis overleden, en werd
-hij dus de eerste martelaar van het Engelsche bestuur in Zuid-Afrika. Voor den geschiedschrijver
-en den student van onze geschiedenis is deze gebeurtenis van ontzettend gewicht, want
-daarin ligt de bron van al het kwaad van Zuid-Afrika, en de gevolgen van den opstand
-van 1799 zijn onberekenbaar geweest. Had Engeland voor een oogenblik kunnen gissen
-wat het straffen van die mannen haar zou kosten, dan had het zeker geen oogenblik
-geaarzeld om ze alle gratie te schenken. Toch, de Groote Trek, het stichten der beide
-republieken ten noorden van de Oranjerivier, en zelfs den later gevoerden ontzettenden
-oorlog; dat alles is meer of min, het directe gevolg van het feit dat in den opstand
-van 1799 de Engelschen niet met <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>het noodige verstand te werk gingen, maar meenden dat zij door een exempel te maken,
-den vrijheidsgeest van den Afrikaner konden versmoren. Hoe slecht is die berekening
-uitgekomen! Er zou een boek over deze zaak en hare gevolgen te schrijven zijn, maar
-daarvoor is het hier niet de plaats, en met deze weinige aanmerkingen moet de lezer
-zich tevreden stellen, voor het tegenwoordige althans.
-</p>
-<p>Uit het dagboek blijkt maar al te duidelijk, dat Jan van Eck aan deze bewegingen in
-Graaff-Reinet volstrekt niet vreemd was, maar dat hij er een werkzaam aandeel aan
-had, schoon hij niet de wapenen opnam.
-</p>
-<p>Dat deel van het dagboek, dat op deze periode betrekking heeft, wordt gemist, maar
-er zijn op latere plaatsen toespelingen op hetgeen door hem werd gedaan, en uit een
-ander deel blijkt, dat Van Eck op zeer intiemen voet verkeerde met een zekeren Cornelis
-Edeman, een schoolmeester nabij Kaapstad, die eene korrespondentie aan den gang had
-gehouden met de oproerlingen in Graaff-Reinet, en hen tot den opstand had aangespoord.
-Deze Edeman werd door de Engelsche autoriteiten gevangen genomen, veroordeeld tot
-geeseling en verbanning uit de kolonie en dit vonnis is in zijn geheel uitgevoerd.
-Hij werd als bandiet naar Nieuw Zuid-Wales gebracht en stierf daar verscheidene jaren
-later.
-<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p>
-<p>Middelerwijl was hier een nieuwe gouverneur aangekomen in den persoon van Sir George
-Younge, die op 9 December 1799 in de Tafelbaai landde, en die hier een allerschandaligst
-bestuur voerde, waarin knoeierijen van allerlei aard en onaangenaamheden met ambtenaren
-een hoofdrol speelden. Eén goed ding deed hij echter, en dat was het verbeteren van
-den landbouw in de kolonie. Hij had namelijk met zich samen gebracht, op onkosten
-van de Engelsche regeering, den heer William Duckitt, een man, die goed met alle zaken
-betreffende de boerderij bekend was, en die met behulp van eenige assistenten die
-met hem waren uitgekomen, een modelboerderij begon, eerst te Klapmuts en later in
-de buurt van Darling, en schoon het later bleek, dat de gouverneur en de heer Duckitt
-gezamentlijk speculatiën deden, valt het toch niet te ontkennen, dat deze laatste
-veel gedaan heeft om de boerderij op beteren voet te doen drijven in Zuid-Afrika,
-dan zij tot dien tijd werd gedaan. Het gedrag van Sir George was echter zoodanig,
-dat er spoedig klachten naar Engeland werden gezonden, en het Ministerie aldaar zich
-verplicht zag om den gouverneur terug te roepen, die dan ook op 20 April zijne betrekking
-overhandigde aan generaal Dundas en negen dagen later deze kusten verliet. Hij werd
-later terecht gesteld voor eene commissie <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>in Engeland, die hem schuldig vond aan eenige der aanklachten, waarop hij uit den
-staatsdienst werd ontzet.
-</p>
-<p>Kort na zijn vertrek brak er een krijg uit met de Kaffers op de Oostergrenzen, die
-door het Engelsche gouvernement vrij slap werd gevoerd, maar waarin de burgers, die
-opgeroepen waren, zeer dapper vochten onder bevel van den dapperen en bekwamen kommandant
-Tjaart van der Walt. In een gevecht met de Kaffers te Roodeval, in de buurt van de
-Zondagsrivier, verloor echter deze brave Afrikaner zijn eenigen zoon, en nog geen
-vier maanden later viel hij zelf in een gevecht bij de Kougarivier. Zijn dood was
-een onherstelbaar verlies, en de oorlog werd feitelijk na dien tijd opgegeven, en
-met de Kaffers een soort van opgelapte vrede gesloten, die later de kolonie ontzettend
-veel moeite en geld zou kosten, want waren de Kaffers den eersten keer behoorlijk
-ten onder gebracht en hun respekt geleerd voor den blanke, dan was waarschijnlijk
-aan Zuid-Afrika die lange reeks van kafferoorlogen bespaard geworden, die millioenen
-gelds gekost hebben, zoowel als duizenden van levens. Dat de Engelsche regeering nooit
-den rechten slag gehad heeft om met de kleurlingstammen van Zuid-Afrika klaar te komen,
-maar daarentegen hun inboorlingen-politiek op verkeerde grondstellingen werd gevoerd
-onder den invloed <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>der negrophilistische partij in Engeland en in de kolonie, is een te wel bekende zaak,
-dan dat wij hier er nog over zouden uitweiden; doch de meer dadelijke reden waarom
-generaal Dundas dezen oorlog niet verder wilde voortzetten, was het feit, dat de Engelsche
-regeering op dat tijdstip geen lust had om een kostbaren oorlog te voeren, omdat het
-thans zeker was, dat de Kaapkolonie aan de Hollanders zou worden teruggegeven.
-</p>
-<p>Op den 1<sup>sten</sup> October van het 1801 was er namelijk vrede gemaakt tusschen Engeland en Frankrijk
-te Amiens, en een der voorwaarden waarop de Fransche Eerste Consul, Napoleon Bonaparte
-had gestaan, was, dat de kolonie aan de Bataafsche Republiek zou worden teruggegeven,
-eene voorwaarde die Engeland niet dan met grooten weerzin toestond. De Oost-Indische
-Compagnie was ontbonden in 1796 en voortaan zou deze Volkplanting dus direkt door
-de regeering van Holland worden bestuurd. Het duurde echter geruimen tijd voor de
-finale vrede gesloten werd, doch dit vond eindelijk op 27 Maart 1802 plaats, en dadelijk
-werden toen in Holland de noodige stappen genomen voor het bestuur alhier. Een uiterst
-bekwaam man, Jacob Abraham de Mist, werd aangesteld als Commissaris om de zaken in
-de Oost-Indiën, en in de Kaap op een nieuwen <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>grondslag te stellen, en als Gouverneur werd benoemd Generaal Jan Willem Janssens,
-een knap krijgsman, wiens eerlijkheid boven alle verdenking was verheven. De Mist
-en Janssens kwamen op den 23<sup>sten</sup> December in de Tafelbaai aan, en er werd tusschen hen en Generaal Dundas eene schikking
-getroffen, volgens hetwelk de kolonie op den 31<sup>sten</sup> zou worden overhandigd, zullende als dan de Engelsche troepen door de Hollandsche
-worden vervangen op het kasteel. Werkelijk waren ook op den middag van dien dag de
-Engelsche troepen bezig zich inteschepen, toen er onverwachts een schip uit Engeland
-aankwam, met orders aan Generaal Dundas om de kolonie niet te overhandigen, tenzij
-hij verdere orders uit Engeland ontving. In allerijl werden den Engelsche soldaten
-weder ontscheept, en de Hollandsche soldaten, die reeds geland waren, werden gezonden
-in een kamp nabij Rondebosch, ten gevolge waarvan heden nog een weg nabij die voorstad
-van Kaapstad, den naam draagt van de <i>Campground Road</i>.
-</p>
-<p>Men kan zich voorstellen dat deze tijding eene geweldige ontsteltenis in de Kaapstad
-veroorzaakte. Er heerschte voor een oogenblik een paniek onder de bevolking, want
-men had de Hollanders met groote vreugde ontvangen, en men vreesde dat zoo Engeland
-hier toch ten slotte de baas bleef, de <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>personen die hun gehechtheid aan Patria hadden ten toon gespreid, scherp zouden worden
-behandeld. Er vond dus dadelijk een uittocht plaats uit de stad, en de toestand werd
-zoodanig dat Generaal Dundas zich verplicht zag om de krijgswet van kracht te verklaren
-in de Kaapstad, en de bevolking te beletten de stad te verlaten. De opgewondenheid
-duurde echter geruimen tijd voort, en men begreep natuurlijk niet wat er aan scheelde.
-Ten slotte kwam er op 19 Februari een schip op de reede van Tafelbaai aan, met het
-bericht dat de kolonie thans kon worden overhandigd, en op den 21<sup>sten</sup> Februari woei de Hollandsche driekleur weer vroolijk en blij van de tinne van het
-Kasteel. Ongelukkig echter zou zij daar niet zoo erg lang waaien.
-</p>
-<p>Het behoeft nauwelijks aan onze lezers verteld te worden dat geen man in Kaapstad
-de vlag van Holland met meer vreugde weder begroette, dan Jan van Eck, die thans zijn
-hartewensch zag vervuld. Niet alleen was hij den Engelschman kwijt, maar ook zou de
-kolonie nu worden bestuurd volgens de beginselen van de Fransche Republiek, die door
-de Bataafsche republiek waren aangenomen. Jan van Eck droomde dus die nacht dat de
-gouden eeuw voor Zuid-Afrika was aangebroken.
-<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK VII." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK VII.</h2>
-<h2 class="main">Jan van Eck viert feest, maar hoort toch tijdingen die hem niet bevallen, en die hem
-ruzie doen maken.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Onze oude vriend liet niet toe dat zijne gevoelens over de verandering, die in de
-kolonie plaats had gevonden, onbekend bleven, en wie hij ook op den 20<sup>sten</sup> Februari ontmoette hield hij staande om met hem een praatje te maken. Er waren echter
-eenige personen die hij zorgvuldig vermeed, en daaronder was de heer van Rijneveld,
-de man die in den vorigen Hollandschen tijd de Fiskaal der kolonie was geweest, en
-nadat de Engelschen dit land hadden overgenomen die betrekking bleef bekleeden niet
-alleen, maar van <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>het grootste nut was geweest voor de veroveraars, die hij met zijne ongetwijfeld groote
-talenten had gediend. Dan was er Kolonel De Lille, die in den Engelschen tijd de Kazerne
-wachtmeester was geweest te Kaapstad, maar nu onder het nieuwe Hollandsche regiment
-voor kwaad geld rondliep, en van wien niemand meer notitie nam, en het allerminst
-onze vriend.
-</p>
-<p>De hoofdpersoon, in het verraad van 1795, Kolonel Gordon was niet meer; op den 5<sup>den</sup> October van dat jaar had hij zich een kogel door den kop gejaagd, en zich op die
-wijze aan de verachting zijner medemenschen onttrokken.
-</p>
-<p>Zooals wij zeiden, was Jan van Eck vroolijk en opgeruimd, zoo opgeruimd als hij nog
-in langen tijd niet was geweest, en iemand die hem niet goed had gekend, zou misschien
-wel tot de liefdelooze gevolgtrekking hebben kunnen komen dat Oom Jan wat te diep
-in het glaasje gekeken had. Diep in het glaasje keek hij dien dag zeker, want een
-extra borrel, zooals men dat op zee noemt, verdiende de gelegenheid wel; maar de oude
-man zorgde wel degelijk dat hij absoluut nuchter bleef, want dronkenschap was iets
-dat hij even als de meeste Afrikaners, in anderen haatte, en waaraan hij zich dus
-in geen geval schuldig maakte. Toen hij echter zijn oude <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>vriend den heer Van Reenen ontmoette, en kort daarop den heer Eksteen, dezelfde die
-de ongenoode gasten op de bruiloft zijner dochter kreeg, toen was het geenszins een
-wonder dat de drie heeren bij een fatsoenlijke plek eens ingingen om een „bittertje”
-te gebruiken, en een oogenblik wat met elkander te praten. Zij vonden spoedig uit
-dat zij niet de eenigen waren, die zich dezen dag door wat zoet gekout wilden aangenaam
-maken; integendeel het was in het hotel vrij vol, maar er werd spoedig plaats gemaakt
-en men dronk met innigen dankbaarheid op het welzijn van de Republiek en van de goede
-zaak. Menige tong raakte los, en heel wat verhalen werden gedaan over hetgeen men
-geleden had onder de Engelsche regeering.
-</p>
-<p>„Wel”, zeide de heer van Reenen „ik kan jullie verzekeren dat we ten minste twee knappe
-mannen hier hebben; Commissaris De Mist is geen gewoon man, en iemand die niet alleen
-de beste bedoelingen heeft, maar daarbij denkbeelden die zijn tijd heel wat vooruit
-zijn en als alles hem gelukt, hetgeen hij voornemens is te doen, dan gaan wij werkelijk
-een gulden tijd tegemoet. Ook de Gouverneur schijnt mij een knaphandig man, die het
-goed met het land meent, en met wien onze boeren goed zullen klaarkomen, want hij
-heeft geen greintje hoogmoed”.
-<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p>
-<p>„Dat zal een heele verlichting zijn na die Engelsche Lords en Sirs, die totaal ongenaakbaar
-waren voor onze menschen, en niets dan verachting voor den Afrikaner hadden”, zeide
-de heer Van Eck. „Maar hebt gij dan reeds den Commissaris en den Gouverneur gesproken?”
-vroeg hij verder aan den heer Van Reenen.
-</p>
-<p>„O, ja, reeds lang”, luidde het antwoord, „gij schijnt te vergeten dat zij hier al
-van December laatst zijn, en met een aantal der voornaamste inwoners gesprekken hebben
-gevoerd, ten einde informatie te bekomen.”
-</p>
-<p>„Is het waar,” vroeg hier de heer Eksteen, „dat Van Rijneveld zich heeft laten aandienen
-bij den heer De Mist, maar dat deze geweigerd heeft hem te zien?”
-</p>
-<p>De heer Van Reenen scheen dit niet te weten, maar een der andere personen die in de
-kamer tegenwoordig waren, riep uit:
-</p>
-<p>„Ja, mijnheer Eksteen, dat is de zuivere waarheid, en het geschiedde den schobbejak
-recht; zij moesten dien kerel in den tronk smijten en een onderzoek instellen omtrent
-zijn gedrag; <span class="corr" id="xd31e1342" title="Bron: dat">dan</span> schiet hij zich misschien ook een kogel door den kop, even als Gordon dit gedaan
-heeft.”
-</p>
-<p>„Neen, burger,” viel de heer Van Reenen den <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>spreker, die wel wat opgewonden was, in de rede, „laat den heer van Rijneveld stil
-met rust, en zeg niet weer zulke ongepaste dingen, want eerstens zou de nieuwe gouverneur
-om den drommel niet gemakkelijk zijn als er eenig verkeerd ding werd gedaan, en tweedens
-zal de heer Van Rijneveld, zoo hij iets kwaad gedaan heeft, wel zijn verdiende loon
-krijgen.”
-</p>
-<p>„Als wij in Frankrijk waren, zou hij al lang aan den eersten den besten lantaarnpaal
-zijn opgehangen,” waagde Van Eck zachtjes tot Van Reenen te fluisteren.
-</p>
-<p>„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Van Reenen, „maar het gaat niet om deze lieden hier
-thans optewinden. Zij hebben al meer binnen dan wel goed voor hen is, en zijn juist
-in staat om allerlei baldadigheden te beginnen, en schoon ik den heer Van Rijneveld
-ook niet lijden mag, zou ik hem toch niet overgeleverd willen zien aan een woesten
-volkshoop, te meer daar zijne vrouw eene verre bloedverwante van mij is.”
-</p>
-<p>Men dronk nog een afscheidje, en daarop gingen de heeren van Reenen en Eksteen de
-stad in, terwijl Jan van Eck zich wendde naar Zeezicht, om zijne nicht Elizabeth op
-te zoeken. Het was bijna een jaar geleden dat hij haar een bezoek had gebracht, <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>en dat wel om de volgende reden. Toen de Engelschen in 1795 de Kaap hadden genomen,
-had Hans de Beer zijne betrekking bij het departement van den Fiskaal verloren, en
-was hij in dienst getreden bij een koopman in de stad, die toen toevallig een boekhouder
-noodig had, en het was Van Eck geweest die dit baantje aan zijn neef bezorgd had,
-door een goed woord bij den heer Faure, zooals de koopman heette, te doen. Want, schoon
-Hans nog dikwijls heethoofdig was, en er niet zelden woorden plaatsvonden tusschen
-den oom en den neef, zoo was Van Eck toch op punten van familiezaken een zeer goedig
-man, en hij kon zijne nicht zeer goed lijden. In het begin van het jaar 1802 was de
-heer Faure echter gestorven, en zijne weduwe wond de zaak op, zoodat na eenige maanden
-Hans de Beer weder zonder betrekking was. Weder was het de oude oom die moeite deed
-om voor hem eene geschikte betrekking te vinden, en het was hem inderdaad gelukt,
-om een plek voor hem te krijgen bij den heer Truter, een der meest geachte prokureurs
-en notarissen van Kaapstad, toen hij plotseling vernam dat Hans klerk was geworden
-in een der Engelsche departementen, en dat wel bij de Thesaurie. Het denkbeeld dat
-een lid zijner familie in Engelschen dienst was getreden, en daardoor als het ware
-een <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>verrader van zijn land was geworden, stuitte Van Eck vreeselijk tegen de borst, en
-hij wilde het nauwelijks gelooven. Derhalve was hij naar zijne nicht gegaan, om zich
-van de waarheid te overtuigen, en bevond dat hetgeen men hem verteld had, geheel de
-waarheid was. De heer Van Eck was hier zoo ontstemd over, dat hij een hevige ruzie
-had met zijne nicht, die dwaas genoeg was, om de handelwijze van haar zoon te verdedigen.
-Het was een geluk misschien dat Hans de Beer zelf niet tehuis was, anders was er nog
-meer gebeurd, want als Jan van Eck eens driftig werd, dan ontzag hij geen mensch.
-Het einde van de zaak was, dat hij, na zijn hart op echt Hollandsche manier te hebben
-gelucht, het huis van zijne nicht verliet, zeggende dat hij er nooit weder zijn voet
-zou zetten, en inderdaad was hij sedert dien tijd niet meer op <i>Zeezicht</i> geweest.
-</p>
-<p>Doch de tijden waren nu veranderd, en Van Eck was heden in zulk een goed humeur, dat
-hij geen bezwaar had om het gebeurde te vergeten en te vergeven, want zooals alle
-menschen van een opvliegenden aard, was hij niet wraakzuchtig, of haatdragend. Hij
-stapte dus even gerust en bedaard den ingang van Zeezicht in, en stond spoedig op
-den stoep, en de hond, die hem in dien langen tijd niet gezien <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>had, scheen, als de eerste om hem te verwelkomen, geheel in zijn schik, dat hij zijn
-ouden vriend weer zag. Toen Van Eck den zwaren klopper aan de voordeur had doen vallen,
-kwam eene slavin hem open doen, en hij werd, even alsof hij een vreemde bezoeker was,
-in de voorkamer gelaten, en dit omdat de meid, die nog niet lang het eigendom van
-Mevrouw De Beer was, hem niet kende. Toen zij hem echter bij nicht aangediend had,
-vloog de goede oude ziel, die haren trouwen vriend zeer had gemist, naar voren om
-Van Eck welkom te heeten, en men was spoedig op vrij goeden voet, schoon de oude vertrouwelijkheid
-niet zoo dadelijk wilde terugkomen. Terwijl zij aan het praten waren, kwam Annie,
-thans eene groote, uitgegroeide jonge dame, ook de kamer binnen, en groette haren
-„Oom” zooals zij Van Eck steeds noemde, zeer minzaam; hare aankomst droeg er veel
-bij om het gesprek een meer ongedwongene houding te geven, en spoedig was men aan
-het gezelzen over allerlei onderwerpen, en had Van Eck het zoo druk met vertellen,
-dat hij niet merkte dat Annie aan hare moeder herhaaldelijk knikjes met het hoofd
-gaf, net als iemand doet, wanneer hij een ander waarschuwt om iets toch niet te verhalen.
-Met al dat praten was het bijna twaalf uur geworden, en toen Mevrouw De Beer Van Eck
-vroeg of hij niet zou <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>blijven eten, nam deze met genoegen de uitnoodiging aan, en liet nicht daarop wat
-wijn en bitter in brengen, want het bitter drinken, vooral met het zoogenaamde <span class="corr" id="xd31e1366" title="Bron: maagelixter">maagelixer</span>, is nu juist niet een uitvinding der negentiende eeuw, maar onze voorouders bitterden
-gewoonlijk elken dag, kort voor het eten, zooals nu nog in Holland ook wordt gedaan.
-</p>
-<p>Even voor dat men opgeschept had, kwam Hans het huis binnen, en was niet weinig verwonderd
-om neef Jan er te zien. Het was dan ook wel op een beetje bedeesde wijze, dat hij
-hem groette, maar Van Eck stelde hem gerust door te zeggen, dat men maar de oude koeien
-niet uit de sloot zou halen, daar nu de volkplanting toch weer aan hare rechtmatige
-eigenaars was teruggegeven, en Hans zoo hij lust had, weer in dienst van het Hollandsche
-gouvernement kon treden. Hans zeide echter glimlachend, dat hij bang was dit te doen,
-want het scheen hem toe, dat de regeering in de kolonie aan zulke plotselinge veranderingen
-onderhevig was, dat men niet meer wist wie men moest dienen; vandaag waren het de
-Engelschen en morgen de Hollandschen. Hij had dus besloten om den staatsdienst vaarwel
-te zeggen, en zou liever gaan zien of hij niet een stuk grond of eene kleine plaats
-kon huren waar hij op kleine schaal wat boerderij kon drijven. Jan van <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>Eck zeide dat de boerderij zeker een uitmuntend vak was, want niemand was zoo vrij
-en zoo onafhankelijk als een boer, maar goede plaatsen waren schaars en duur, tenzij
-Hans zou verkiezen om ergens in het oosten een stuk grond van de regeering op request
-tenemen, en dan met vee, hetzij schapen of beesten te boeren. Daar Hans echter verklaarde
-zich liefst met wijnbouw te zullen bezighouden, daar hij hiervan het meeste afwist,
-was zijn neef zoo goed om te zeggen dat hij eens wat navraag zou doen of een kleine
-wijnplaats in de Paarl of Stellenbosch niet verkrijgbaar was tegen een redelijke prijs,
-en dan zou hij later aan zijn jongen neef den uitslag van dit onderzoek mededeelen.
-Toen men dus aan den middagdisch zat, scheen het dat de eensgezindheid weder volmaakt
-hersteld was tusschen de leden der familie, en als iemand, die niet bekend was met
-het verledene, toen plotseling de kamer was binnengekomen, zou hij nooit hebben kunnen
-vermoeden, dat er nog maar weinige uren geleden, eene ernstige spanning had geheerscht
-tusschen de hoofdpersonen van de familie.
-</p>
-<p>Maar dikwijls, als het zonnetje het helderst en het warmst schijnt, dan is het onweer
-niet ver meer af, en dat werd ook in dit geval bewezen. Het was alweer de ongelukkige
-Hans die de boel verbrouwde, <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>door plotseling, juist toen men klaar met eten was, aan neef Jan te vragen of hij
-het nieuws reeds had gehoord, en beide Mevrouw De Beer en Annie hadden niet de minste
-gedachte wat er zou komen, en meenden dat het nieuws iets was dat misschien in de
-stad bekend was geworden of dat in verband stond met de verandering van de regeering.
-Maar toen Van Eck zeide van geen nieuws te weten, kwam Hans plotseling uit met:
-</p>
-<p>„Wat, hebben zij u nog niet het groote nieuws verteld? Annie gaat trouwen met een
-Engelschen kapitein”.
-</p>
-<p>Jan van Eck was juist bezig zijn glas wijn leeg te drinken, en dit onverwacht bericht
-deed hem zoo schrikken, dat het glas hem uit de hand viel, en de wijn gedeeltelijk
-op het hagelwitte tafellaken van nicht Elizabeth werd gespild. Nicht bemerkte het
-ongeluk bijna niet, en Annie wierp dolken van woede naar Hans. Was het dan niet juist
-dit geweest, dat zij hare moeder door hoofdschudden en andere teekenen had beduid,
-niet aan neef moest worden verteld! Een Afrikaansch meisje van den ouden stempel is
-er niets op gesteld om haar liefdesgeschiedenissen te doen rondbazuinen in de wereld,
-en vooral niet haar verloving. Wat de reden van deze bedeesdheid op dit punt is, zijn
-wij nooit in staat geweest om <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>precies uit te vinden. Waarschijnlijk vreest het meisje om opspraak te verwekken,
-zoo er iets mocht plaats vinden waardoor het voorgenomen huwelijk zou afspringen,
-en beschouwt men het als eene schande voor een meisje als zulk eene verloving te niet
-raakt, daar de menschen dan misschien mogen denken dat de vrijer goede redenen had
-om het af te breken, en daardoor er een blaam op het meisje zou worden gelegd. Zooveel
-is zeker dat nog thans in Zuid-Afrika ten minste onder onze boerenbevolking verlovingen
-gewoonlijk geheim worden gehouden, en eerst met het gaan van het eerste gebod in de
-kerk het publiek in kennis wordt gesteld van het voorgenomen huwelijk. Den vreemdeling
-treft deze handelwijze te meer, omdat in andere landen en vooral in Duitschland eene
-verloving bijna tot een even groot feest aanleiding geeft als de bruiloft zelve.
-</p>
-<p>Maar bovendien was Annie geenszins gewillig om hare verloving, onder de omstandigheden
-aan Neef Jan bekend te stellen, en dat zij daarvoor eene goede reden had, dat bleek
-spoedig. Jan van Eck was eerst zoo verbaasd, dat niet alleen hij zijn wijn over de
-tafel wierp, maar met open mond beurtelings zijn nicht Elizabeth, en zijne kleinnicht
-Annie aanzag; en het duurde een minuut of wat voor hij zijn stem kon terugkrijgen,
-en vroeg:
-<span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span></p>
-<p>„Elizabeth, is dat waar wat Hans mij hier <span class="corr" id="xd31e1387" title="Bron: verteld">vertelt</span>, of houdt de duivelsche jongen mij voor den gek<span class="corr" id="xd31e1390" title="Bron: .?">?</span>”
-</p>
-<p>Mevrouw de Beer, hoe spijtig zij ook was over de onvoorzichtige uitdrukking van Hans,
-wilde hare ziel niet door een leugen bezondigen en antwoordde:
-</p>
-<p>„Ja, neef Jan, van af het begin van November is Annie verloofd aan kapitein Allen
-van het 87<sup>ste</sup> regiment. Hij was hier verscheidene malen, en ik heb het reeds lang zien aankomen,
-en toen hij mij om de hand van Annie vroeg, en het mij bleek dat mijne dochter hem
-vurig lief had, kon ik natuurlijk niet neen zeggen. Hij is nu met de troepen naar
-Engeland vertrokken, maar is van plan om zoodra hij in Engeland aangekomen is, zijn
-ontslag uit den dienst te nemen, en zich hier in de kolonie te vestigen als boer,
-zijnde hij zeer goed bekend met de graanboerderij, daar zijn vader een aanzienlijk
-eigendom in Schotland heeft, en blijkbaar een welgesteld man is. Het zal dus niet
-noodig zijn dat Annie mij voor goed verlaat, want Allen is van plan om ergens in Zwartland
-een boerenplaats te koopen.”
-</p>
-<p>Jan van Eck scheen bedaard te luisteren naar hetgeen zijne nicht zeide, maar men kon
-zien dat hij inwendig kookte, en toen Mevrouw De Beer geëindigd had, zeide hij op
-heftigen toon:
-</p>
-<p>„’t Is bij mij niet de vraag of uwe dochter u gaat <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>verlaten of niet. Maar wat mij hindert, is het feit dat een lid van mijn familie zich
-in het huwelijk gaat begeven met iemand van eene vreemde nationaliteit, en dat nog
-wel een nationaliteit die ik vurig haat.”
-</p>
-<p>„Ach, neef Jan, ’t is moeielijk voor u om over zulke zaken te oordeelen,” antwoordde
-Mevrouw de Beer zoo zachtzinnig mogelijk, want zij zag dat Van Eck zich ging opwinden,
-en wilde een heftig tooneel vermijden. „Meisjes volgen de ingevingen van hun hart,
-en storen zich niet aan politiek of nationaliteit, en dat is misschien maar goed ook,
-want anders zou de haat en nijd die er alreeds heerscht nog grooter worden.”
-</p>
-<p>„Ik kan mij begrijpen dat ge de partij van uwe dochter neemt,” hervatte Van Eck, „maar
-ik zeg dat ze onverstandig <span class="corr" id="xd31e1408" title="Bron: handeld">handelt</span>. Ze heeft zich door een mooie uniform laten verlokken, en misschien wel door den
-waren of voorgewenden rijkdom van dien Kapitein Allen. Het spijt mij om op mijn ouden
-dag nog zulke dingen te hooren, en te zien hoe mijne weinige familiebetrekkingen dag
-op dag meer en meer beginnen te verschillen van mij in opinies. En—en nu stond Van
-Eck op en de drift zoolang door hem in toom gehouden, <span class="corr" id="xd31e1411" title="Bron: barste">barstte</span> nu uit—ik geloof dat ik steeds getracht heb om voor u te doen, nicht, wat ik kon,
-en dat de behandeling mij <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>in dezen aangedaan, allerschandaligst is. Gij hebt mij niet eens geraadpleegd, en
-hebt, zooals ik nu merk, zelfs getracht het voor mij verborgen te houden. En nu gij
-Engelschgezind gaat worden, begint het mij toch te erg te worden, en ik verzoek voortaan
-niet meer als een lid dezer familie te worden beschouwd. Ik groet u.”
-</p>
-<p>Met deze woorden, gesproken met eene van aandoening en kwalijk onderdrukten toorn
-bevende stem, had Van Eck de tafel verlaten, en vóór de aanwezigen nog begrepen wat
-er aan den gang was, stond hij reeds in den gang, waar hij hoed en stok greep, en
-de deur uitsnelde.
-</p>
-<p>Mevrouw de Beer snelde hem achterna, en riep hem toe terugtekomen en niet zoo haastig
-te zijn. Doch dit was te vergeefs; de oude man deed alsof hij het niet hoorde en stapte
-weg.
-</p>
-<p>In zijn dagboek <span class="corr" id="xd31e1420" title="Bron: bescheef">beschreef</span> hij de gebeurtenis van dezen dag, en zijne woorden zijn zoo bitter, en zoo vreeselijk,
-dat wij geen goed zouden doen met ze hier te herhalen. Bovendien wat zou het helpen.
-Huwelijken tusschen <span class="corr" id="xd31e1423" title="Bron: Engelsche">Engelschen</span> en Afrikaanders, van beider kunne, hebben sinds dien dag bij duizendtallen plaats
-gehad, en men zou, misschien met recht kunnen argumenteeren, dat ze meer goed dan
-kwaad hebben gedaan.
-<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK VIII." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK VIII.</h2>
-<h2 class="main">Een korte tijd van rust, die veel belooft.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De eerste dag van Maart in het jaar 1803 was een dag van dankzegging en vreugde in
-Kaapstad. Op dien dag toch werd er in de oude kerk op de Heerengracht een dienst gehouden
-waarin men den Schepper dankte voor het feit dat Hij het land van den overheerscher
-had bevrijd; na den dienst die door alle standen werd bijgewoond, werd Generaal Janssens
-plechtiglijk ingezworen als Gouverneur der Kolonie door den Commissaris generaal De
-Mist, die zelf echter voor het oogenblik althans de voornaamste machten in handen
-hield, totdat hij de zaken op nieuwen voet had geregeld. Dit laatste nam een <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>geruimen tijd, want een aantal leden van den nieuwen raad van bestuur waren nog niet
-aangekomen, evenmin als verscheidene leden van het nieuwen Hooge Gerechtshof; maar
-zoowel in den raad als in het Hof hadden achtenswaardige mannen, in Zuid-Afrika geboortig,
-zitting, zoodat men in waarheid mocht hopen dat een nieuwe en betere tijd voor het
-land aanbreken zoude. Zoo vinden wij Willem Ferdinand van Reede van Oudshoorn als
-een der leden van den raad, en Jan Henoch Neethling als secretaris van dien raad;
-onder de rechters vinden wij <span class="corr" id="xd31e1435" title="Bron: mannenals">mannen als</span> W. Hiddingh, en D. Denijssen. Ook de burgerraad werd hersteld, en tot leden er van
-waren voor het eerste jaar Cornelis van der Poel, Gerrit Hendrik Meijer, Anthonie
-Berrange, Pieter van Breda, Jan Andries Horak, Jacobus Johannes Vos, en Jan Adriaan
-Vermaak aangesteld, namen van in ons land welbekende familiën.
-</p>
-<p>Het nageslacht behoort in waarheid den naam van De Mist in eere te houden, want er
-was misschien nooit een man in Zuid-Afrika, die het niet alleen zoo goed met het land
-meende, maar ook zulke verstandige maatregelen heeft genomen. De geschiedenis en de
-daden van De Mist zijn ongelukkig niet goed onder ons volk bekend, slechts zij die
-in de gelegenheid zijn geweest om de officieele stukken op het archief te Kaapstad
-na te gaan, en de brieven door De Mist <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>geschreven, hebben gelezen, weten iets van de waarlijk grootsche gedachten en plannen
-van hem af. Het was geen gemakkelijk werk dat hij ondernomen had en de omstandigheden
-hebben belet dat hij het aangevangen werk behoorlijk ten einde heeft kunnen brengen,
-maar wat hij gedaan heeft, en nog meer wat hij van plan was te doen, zoo hem de kans
-ware gegeven, bewijst maar al te duidelijk dat De Mist een man was van de edelste
-bedoelingen, en die zijn tijd ettelijke jaren vooruit was. Zonder een dweper te zijn
-met de denkbeelden der Fransche revolutie, heeft hij aan veel dier denkbeelden getracht
-hier den rechten vorm te geven, met inachtneming van de omstandigheden des lands.
-Om een voorbeeld te geven behoeven wij slechts hier iets te vertellen van het schema
-door hem uitgedacht en gedeeltelijk in werking gebracht omtrent het onderwijs. In
-1804 werd een belangrijke ordonnantie door hem uitgevaardigd over dit onderwerp, zoowel
-als over kerkzaken, een groot deel waarvan nog heden van kracht is. Eerstens werd
-daarin volkomene vrijheid van godsdienst verleend aan alle gezindheden, en gelijke
-burgerlijke rechten verleend aan Joden, Roomschen, en Mahomedanen, iets dat zoo veel
-den tijd vooruit was, dat de kolonisten er zelfs objekties tegen hadden, wat niet
-te verwonderen was, daar het <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>grootste gedeelte van de bevolking tot de Calvinistische kerk behoorde, en men niet
-gewoon was aan zulke verdraagzame denkbeelden. Onder de bepalingen van die zelfde
-ordonnantie werden de scholen geplaatst onder het bestuur van de regeering, zonder
-respekt van eenige kerk, en dit gaf heel wat aanstoot. Men was tot op dat tijdstip
-steeds gewoon geweest om alle onderwijs in verband te hebben met de kerk, en zulk
-onderwijs geheel en al te schoeien op den Bijbel, wat ongetwijfeld in den aard van
-het volk lag, en grootendeels nog ligt. Het gevolg was, dat de buitenbevolking zich
-zoo hevig tegen deze scholen verzette, dat men die slechts in Kaapstad kon oprichten,
-maar hoe dit ook was, zoo vergete men niet dat het systeem van De Mist hetzelfde systeem
-was dat thans in zwang is in de kolonie en over het algemeen vrij goede vruchten heeft
-afgeworpen.
-</p>
-<p>Onder de andere goede maatregelen die De Mist nam, mag men het feitelijk beletten
-van den invoer van nieuwe slaven in de kolonie rekenen, terwijl hij daarentegen alles
-deed om de immigratie van geschikte blanken uit Holland te bevorderen. Dat dit laatste
-schema niet goed slaagde is zeker niet de schuld geweest van De Mist, maar wel van
-de <span class="corr" id="xd31e1446" title="Bron: onpractische">onpraktische</span> denkbeelden van de personen die de zaak in Holland in handen hadden genomen, en <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>van den man dien zij hierheen zonden om hen te vertegenwoordigen, Majoor Buchenroeder,
-een man die weigerde te luisteren naar den goeden raad hem door Gouverneur Janssens
-gegeven, en die op halstarrige wijze zijn eigen <span class="corr" id="xd31e1451" title="Bron: ideën">ideeën</span> volgde, met gevolg dat alles bedorven werd, waarbij nog kwam dat een aantal goederen
-voor de emigranten bestemd verloren gingen in twee schepen, die schipbreuk leden.
-</p>
-<p>Tegen het einde van het jaar 1803 ging De Mist een reisje doen door de kolonie om
-zich persoonlijk op de hoogte der zaken te stellen. Op die reis kwam hij onder anderen
-in aanraking met den beruchten Dr. Van der Kemp, een man die als zendeling naar Zuid-Afrika
-was gekomen, maar allerwonderlijkste denkbeelden had over zendingswerk, en die begonnen
-is met het werk waaronder de kolonisten nog heden lijden, en waaronder ze zooveel
-hebben geleden, namelijk het bederven, en als luiaards opvoeden van de Hottentotten
-en Kaffers; een werk later met zooveel succes (van hun oogpunt althans) voortgezet
-door den zendeling Read en Dr. Philip. Er zijn blijken genoeg uit de brieven destijds
-door De Mist geschreven, dat hij niets ophad met het stelsel van Van der Kemp, en
-dat hij dezen als een lastig sujet beschouwde, wiens werk allerongunstigst afstak
-bij het flinke en verstandige <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>werk gedaan door de Moravische zendelingen te <span class="corr" id="xd31e1458" title="Bron: Genadendaal">Genadendal</span>, waar De Mist ook een bezoek bracht, en waar hij getroffen werd door den vlijt, en
-de werkzaamheid aldaar ten toon gespreid door de kleurlingen. Een bezoek door den
-Commissaris gebracht aan de kaffers op de oostergrenzen had ongelukkig geen goede
-resultaten, daar toen juist die twisten onder de Gaikastam begonnen te ontstaan die
-later zulke droevige gevolgen voor de kolonie hebben gehad. Maar in alle geval was
-De Mist verstandig genoeg om niet de fout te begaan die een groote twaalf jaar later
-door de Engelschen werd gemaakt, toen deze zich gingen bemoeien met de stamtwisten
-der kleurlingen, zich daardoor een wespennest om de ooren halende, dat de kolonie
-duizenden van levens en jaren van ellende heeft gekost. Op zijne terugreis naar de
-Kaap stichtte De Mist het nieuwe district Uitenhage, zoo genoemd naar een oude familie
-naam in zijn geslacht en nog geen jaar later werd ook het district Tulbagh gesticht.
-In het algemeen was men zeer tevreden over de goede maatregelen door den Commissaris
-Generaal genomen voor de regeering der kolonie, en scheen men hoop te hebben dat deze
-volkplanting een nieuw tijdperk van bloei zou betreden. Maar ongelukkig werd die hoop
-teleurgesteld door het opnieuw <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>uitbreken in Europa van den oorlog, waaraan ook Engeland deel nam. Napoleon had zich
-namelijk als keizer van Frankrijk doen kronen, en begon die vreeselijke reeks van
-veroverings-oorlogen, die meer dan tien jaren stroomen bloeds deden vloeien, en ten
-slotte eindigde met den val van den grooten veroveraar der negentiende eeuw. De oorlog
-tusschen Engeland en Frankrijk brak reeds tegen het einde van 1803 weder uit, en daar
-Holland een bondgenoot van Frankrijk was, kon men verwachten dat de Engelschen de
-Kaap niet ongemoeid <span class="corr" id="xd31e1463" title="Bron: zou">zouden</span> laten. Generaal Janssens, voor het oogenblik de voornaamste burgerlijke zaken in
-handen latende van De Mist, nam dadelijk alle maatregelen om de kolonie in zulk een
-staat van verdediging te stellen, als onder de omstandigheden mogelijk was. Maar in
-plaats dat men in Holland hem hierin steunde door hem de noodige versterkingen van
-troepen te zenden, gaf men hem last om het beste regiment soldaten dat toen aan de
-Kaap was, het 23<sup>ste</sup> bataljon naar Indië te zenden, en schoon Janssens begreep dat hij daardoor als het
-ware weerloos werd gemaakt, gehoorzaamde hij aan zijne superieuren, en zond het regiment
-naar Indië. Daarentegen zorgde hij voor de behoorlijke wapening en oefening van de
-burgers, in wie hij terecht groot vertrouwen stelde in geval <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>van een aanval, en ook zorgde hij voor het opgaaren van genoegzame mondprovisie voor
-de troepen. Het was echter ongelukkig een slechte tijd geweest voor de boeren, die
-in de laatste jaren met een aantal misoogsten hadden te kampen gehad, zoodat er nauwelijks
-koren was, om in de dadelijke behoeften van de bevolking te voorzien. Verder werd
-het Hottentot-korps versterkt tot 600 man, en de heer Frans le Sueur, die goed verstond
-hoe om met deze klasse van lieden te werken, werd tot bevelhebber van dit korps aangesteld
-met den rang van luitenant-kolonel. Wat verder eigenaardig is, en bewijst dat de <span class="corr" id="xd31e1472" title="Bron: Mahomadanen">Mahomedanen</span><span id="xd31e1474"></span> steeds een goedgezind deel der koloniale bevolking <span class="corr" id="xd31e1476" title="Bron: is">zijn</span> geweest, is het feit dat een groot aantal hunner dienst namen als een speciaal korps
-artilleristen, en werkelijk toonden dat men goede soldaten van hen kon maken. Maar
-met dit al, was het aantal soldaten, en geoefende krijgers, waar de Generaal op kon
-rekenen, maar zeer klein, en wat de toestand nog verergerde was, dat er een kwaadaardige
-soort van koliek uitbrak onder de troepen, die een groote vermindering in de strijdmacht
-veroorzaakte. Maar Janssens was er de man niet naar om zich te laten ontmoedigen,
-en hij werkte onvermoeid voort. Ten einde den gouverneur op geen enkele wijze de handen
-te binden, en hem <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>alle mogelijke macht te geven, legde De Mist op den 24<sup>sten</sup> September zijne betrekking als Commissaris-Generaal neder, waarop hij eenige maanden
-ging vertoeven op de plaats Stellenburg nabij Wijnberg, en daarop weer een tijdje
-lang woonde op de plaats Maastricht in de buurt van Tijgerberg. In Februari 1805 vertrok
-hij echter met een Amerikaansch schip naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika,
-om van daar te trachten Holland te bereiken.
-</p>
-<p>Er heerscht onder een aantal personen een denkbeeld, dat er in die dagen weinig werd
-gedaan om Gods woord te verspreiden onder de heidenen in Zuid-Afrika, en men is gewoon
-om al de eer van dit werk toe te schrijven aan de Engelsche en Amerikaansche genootschappen
-en te doen alsof het alleen aan het Londensche Zendinggenootschap te wijten is, dat
-de kleurlingen in dit land niet even onbekend met Christendom zijn als zij zulks in
-1652 waren. Dit is echter geheel verkeerd, want men behoeft slechts de reisbeschrijving
-van Lichtenstein te lezen om van het tegendeel hiervan overtuigd te worden. Dr. Lichtenstein,
-toenmaals geneesheer bij het Hottentot korps te Kaapstad, werd in het jaar 1805 door
-Generaal Janssens gezonden om tesamen met Landdrost van de Graaf van Tulbagh een onderzoek
-te gaan instellen naar den toestand van zaken ten noorden van de Oranjerivier, waar
-<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>er een aantal zendingsstaties waren geopend, maar waar, naar men gehoord had, de Bosjesmannen
-nog erg lastig waren, en de geheele bevolking vijandig scheen. De gemelde heeren troffen
-op hun reis een aantal zendelingen, velen waarvan Afrikaners waren, zooals b.v. Christiaan
-Botma, een man die blijkbaar een groote energie in het zendingswerk ten toon spreidde,
-en zelfs een vrij groot fortuin daaraan had opgeofferd. Dan had men meer in het noorden
-de zendelingen van der Lingen, en Jan Kock, Korser en Janssen, en bij den heer Anderson
-ook den heer Kramer. Er waren echter ook reeds in die dagen zendelingen van het Londensche
-genootschap zooals de heer Edwards, die aan de reizigers heel wat nuttige informatie
-gaf. De expeditie drong zoover noord als Kuruman, en bevond werkelijk dat de Bosjesmannen
-zeer lastig waren, terwijl men bovendien een aantal nuttige berichten verkreeg omtrent
-de Batlapin en de andere <span class="corr" id="xd31e1488" title="Bron: kleurling stammen">kleurlingstammen</span> die in deze woeste streken woonden. Weinig vermoedden Lichtenstein en de Graaf dat
-zij op hun reis gegaan waren over de rijkste diamantmijn in de wereld; de schatten
-der aarde die aan Zuid-Afrika indirekt zooveel leeds hebben berokkend, lagen nog onzichtbaar
-in de schoot der moeder.
-</p>
-<p>Zoo leefde men rustig voort in de Kaapkolonie, en <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>ging de volkplanting waarlijk vooruit, in handel en in beschaving. Men wist wel van
-het uitbreken van den oorlog, maar men had of geen denkbeeld dat de Engelschen de
-kolonie weder zoo spoedig zouden aanvallen of men rekende te veel op de macht van
-Frankrijk. Doch de politiek van keizer Napoleon was eene politiek voor het vasteland
-van Europa, en tegen de zeemacht van Engeland was hij niet bestand. Zoo sterk en uitmuntend,
-en zoo goed aangevoerd als het leger van Frankrijk was, zoo zwak was de vloot van
-dat land, en er was niemand onder de Fransche zeeofficieren die opgewassen was tegen
-mannen als Nelson en Collingwood. Napoleon was dus niet in staat, zelfs al had hij
-zulks ook gewild om de <span class="corr" id="xd31e1495" title="Bron: kolonien">koloniën</span> van zijn bondgenoot Holland te beschermen, en allerminst niet voor de Kaap. Reeds
-vóór Juli 1805 begon men in Engeland toebereidselen te maken voor eene expeditie naar
-Zuid-Afrika, en te Madeira verzamelde zich een groote Engelsche vloot, en op 4 October—zeventien
-dagen voor den grooten slag van Trafalgar, waarin de Fransche vloot voor goed door
-Nelson werd vernield—zeilden 63 schepen, met een leger van 6654 man aan boord van
-uit de reede van Madeira om de Kaap te gaan veroveren. Het verhaal van die verovering
-moet echter overblijven tot een volgend hoofdstuk.
-<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK IX." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK IX.</h2>
-<h2 class="main">De slag van <span class="corr" id="xd31e1504" title="Bron: Blaauwberg">Blauwberg</span>, en hoe die afliep.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het is omtrent negen uur op den morgen van den 4<sup>den</sup> Januari in het jaar 1806. Het zonnetje, op zijn heetst in dat gedeelte van het jaar,
-scheen alreeds fel, en deed het witte zand van het strand nabij Zoutrivier zoo schitteren,
-dat een mensch de oogen half toeknijpen moest, uit vrees van door dat helle licht
-te worden verblind. Jan van Eck zat buiten het huisje, dat hij zijne woning noemde;
-hij zat aan wat de schaduwzijde moest zijn, maar de schaduw was niet breed genoeg
-om geheel te beschermen, en hij had dus zijn slaaf een stuk zeildoek in den vorm van
-een afdak of halve tent doen <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>spannen langs het huisje, zoodat hij op die wijze tegen de vinnige stralen der zon
-was beschermd, en rustig kon blijven voortlezen in het groote boek dat voor hem op
-den grond lag. Want de houding die Van Eck op het oogenblik had, kon niet erg elegant
-worden genoemd, al was zij zeker zeer geriefelijk. Hij lag namelijk op den grond uitgestrekt,
-zoo lui mogelijk, en stoorde zich oogenschijnlijk aan niets, zijnde hij te veel verdiept
-in het boek dat niets anders was dan de geschiedenis van de eeuw van Lodewijk den
-zestienden, geschreven door Voltaire. Het was zeker de tiende maal dat de oude Kapenaar
-dit boek las, maar dan was het ook een zijner lievelingsboeken, en slechts de werken
-van zijn geliefden Jean Jacques Rousseau konden het er van winnen. Hoelang Van Eck
-daar dien morgen zou hebben gelegen, kunnen wij niet zeggen; gewoonlijk was het zoowat
-twaalf uur voor hij zijn plekje verliet om eens een wandeling in de stad te gaan maken
-of anders zijn sober maal tehuis te gebruiken, en dan een rustig dutje te gaan doen.
-Maar deze morgen zou hij in zijn rust worden gestoord, want het was even over negenen
-toen plotseling van de batterij op de hangen van den Duivelsberg, of zooals met het
-noemde het <i>blokhuis</i>, drie kanonschoten snel achter elkander werden gevuurd. Van <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>Eck sprong in een oogenblik recht op zijne voeten; een minuut lang zag hij naar het
-blokhuis, waar de rookwolk van het geschut in den stillen morgen nog hing, en eerst
-langzaam door den zachten wind voortgestuwd werd; toen liep hij snel het huisje binnen,
-en kwam er even snel weer uit, met een groote verrekijker in zijn hand, die hij dadelijk
-aan zijn oog bracht en op den Leeuwenrug richtte, waar op een signaalpaal eenige vlaggen
-zichtbaar waren. Een tijd lang tuurde hij naar die vlaggen, toen sloot hij met een
-gebaar van woede den kijker, en met een verwensching hoorde men hem de woorden zeggen:
-„Ik dacht het wel; daar zijn die vervloekte Engelschen al weer. Maar gelukkig hebben
-wij vandaag geen verraders onder ons, en zullen ze wel een betere ontvangst krijgen
-dan in ’95”.
-</p>
-<p>Het nam onzen vriend slechts een paar oogenblikken om zijn rok aantetrekken, en zijn
-stok uit den hoek te nemen, en daarop stapte hij met haastige schreden naar de stad,
-waar hij alles in rep en roer vond, want het was reeds overal bekend dat een Engelsche
-vloot van drie en zestig schepen in zicht was, en naar het scheen recht op Tafelbaai
-afstuurde. De Gouverneur had reeds alle mogelijke maatregelen genomen; de drie schoten
-die Van Eck hadden gestoord in zijn rust waren de seinen geweest voor <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>de burgerij; zij zouden van bergtop tot bergtop herhaald worden, volgens een vroeger
-gemaakte afspraak, en tegen dezen tijd was het zeker al in Swellendam bekend dat de
-vijand in aantocht was, en zouden de burgers wel spoedig verschijnen om hunne hulp
-te verleenen.
-</p>
-<p>Toen Van Eck dit alles hoorde en overdacht, kwam hij tot de conclusie dat de Engelschen
-geen beteren tijd voor hun plan konden hebben gekozen. Het was juist de oogsttijd,
-en dit was natuurlijk een zeer ongelegen tijd voor den boer om zijn plaats te verlaten;
-een deel der wijnboeren was ook reeds bezig met het inzamelen hunner oogst, en het
-was misschien een heele vraag of de boeren wel zoo flink zouden opkomen, als de gouverneur
-en zijn raad verwachtten.
-</p>
-<p>Van Eck kende zijn volkje; hij wist dat de Afrikaansche boer zoo zeer aan zijne bezigheid
-gehecht is, dat hij die niet graag <span class="corr" id="xd31e1525" title="Bron: verontachtzaamt">veronachtzaamt</span>, want de boerderij is zijn bestaan; en dikwijls is hij dom genoeg, of, laten wij
-liever zeggen, niet verziend genoeg, om het oogenblikkelijk voordeel, dat naar evenredigheid
-van gering belang is, te verkiezen boven grootere maar meer verwijderde belangen;
-in andere woorden dat hij zijn land en zijn vrijheid zou laten verloren gaan, terwille
-van den te veld staanden oogst. Die kortzichtigheid is ongetwijfeld <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>een gebrek van ons volk, en, was het niet met dat gebrek behebt, dan had het lang
-niet zooveel behoeven te lijden als het gedaan heeft. In plaats van een goeden beet
-in den zuren appel te geven en die daardoor te vermorzelen, is het steeds voor de
-zuurheid teruggeschrokken, maar moest toch op het einde door een aantal verschillende
-kleine beten den appel opeten, en ondervond dus de zuurheid er van des te meer. Hoe
-dikwijls is dit niet later gebleken in de geschiedenis der twee Zuid-Afrikaansche
-Republieken, en vooral in den Basuto oorlog door den Vrijstaat gevoerd? De ondervinding
-heeft echter ook den Afrikaner dure lessen geleerd, en dat hij die lessen niet heeft
-vergeten, dat bewijst het feit, dat de laatst gevoerde oorlog drie jaar duurde en
-de Boer, die voor zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid vecht, niet meer weet van
-ingeven. En toch weten wij dat in het begin van den oorlog de boeren-kommandanten
-niet weinig moeite hadden met het oude geslacht, dat steeds van kommando wou weggaan,
-om toch naar hunne boerderij te gaan kijken.
-</p>
-<p>Ten tijde dat Van Eck over dit punt dacht, kwam hier ook nog bij dat het weder ontzachelijk
-warm was, zoodat het bijna onmogelijk was voor mensch of beest om gedurende den dag
-te reizen. Het is aan dit feit te wijten dat er in den slag van Blauwberg <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>zoo weinig burgers deelnamen, want de meesten der burgers waren nog op weg naar Kaapstad
-toen het lot der kolonie reeds beslist was.
-</p>
-<p>Jan Van Eck bleef geruimen tijd in de stad, hier met zijne vrienden een praatje houdende,
-daar goeden raad gevende. Zelf de wapenen op te nemen daar was hij thans te oud en
-te stram toe; de geest was wel gewillig maar het vleesch was zwak, en wat hij in 1795
-had gedaan, daartoe voelde hij zich in 1806 niet in staat. Maar toch liet hij zich
-inschrijven bij de burgerwacht, wiens taak het zou zijn om de Kaapstad te verdedigen,
-zoo die direkt door den vijand van de land zijde werd aangevallen.
-</p>
-<p>Het was bijna duister toen onze vriend weer bij zijn huisje terug kwam, en reeds een
-paar uur voor dien tijd was de Engelsche vloot ten anker gekomen in de <span class="corr" id="xd31e1537" title="Bron: naauwe">nauwe</span> passage tusschen Robbeneiland en het strand van Blauwberg, dicht bij de zoogenaamde
-Melkbosch punt. Doch het weer had tegen dezen tijd een aanzienlijke verandering ondergaan.
-De noordenwind was plotseling komen opzetten, <span class="corr" id="xd31e1540" title="Bron: oen">een</span> vrij zeldzaam verschijnsel voor dezen tijd van het jaar, en zij blies vrij hevig.
-Van Eck hoorde hem dien avond huilen over de Tafelbaai, en in stilte bad hij dat de
-wind tot zulk een storm zou klimmen, dat elk der Engelsche schepen met man en muis
-<span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>aan de rotsachtige kusten van Blauwberg zou vergaan.
-</p>
-<p>Maar aan dien wensch werd niet voldaan; schoon de wind gedurende den nacht vrij hevig
-woei, was hij niet zoodanig van kracht, dat een goed geankerd schip er door zou kunnen
-lijden, en tegen het breken van den dag ging hij liggen, alhoewel de zee nog vrij
-hol bleef.
-</p>
-<p>Onder de omstandigheden was het echter eene onmogelijke zaak om eene landing te wagen
-in de hooge branders die aan de noordzijde van Tafelbaai tegen de rotsen sloegen,
-en dien geheelen dag bleef de Engelsche vloot werkeloos. Die verpoozing aldus aan
-Generaal Janssens gegeven was dezen natuurlijk zeer welkom, want hij kon thans de
-allernoodigste maatregelen nemen. Het valt te begrijpen dat hij geheel afhankelijk
-was van de omstandigheden, en dat alles afhing van de plaats waar de Engelschen zouden
-landen, of de wijze waarop zij de Kaapstad zouden aanvallen. Het kon zijn dat de Engelschen
-van plan waren om eene landing te doen bij het strand van Blauwberg, maar er was ook
-tevens niets om hen te beletten, Kaapstad van de zeezijde aantevallen, of liever om
-de dadelijke overgave der stad te eischen onder bedreiging van anders de stad aan
-een bombardement te onderwerpen. Dat dit <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>laatste niet is gedaan is ons steeds een raadsel geweest; want goed beschouwd, zou
-dit zeker de kortste en gemakkelijkste weg zijn geweest. Kaapstad zou geen halfuur
-een bombardement hebben kunnen uithouden, en de batterijen die langs het strand van
-Tafelbaai stonden waren niet zwaar genoeg om de Engelsche schepen veel afbreuk te
-doen, terwijl hun zeegeschut veel zwaarder en verder reikend was. Een dreigement met
-te zullen bombardeeren zou een grooten invloed op zaken hebben gehad, en zeer demoraliseerend
-zijn geweest, want de vrouwen en kinderen zouden natuurlijk in allerijl de stad hebben
-verlaten zoo de gouverneur had besloten om niet aan de oproeping tot overgave gehoor
-te geven. Het is echter zeer waarschijnlijk dat de Engelsche bevelhebbers, Admiraal
-Popham en Generaal Baird, de kolonie wilden veroveren met zoo min mogelijk schade
-aan de welvaart ervan, en dat zij er geen nut in zagen om te beginnen met het in asch
-leggen van de voornaamste havenstad er van. Doch Generaal Janssens kon, zooals van
-zelf spreekt, dit niet weten, en van zijn oogpunt gezien behoorde een direkten aanval
-op de stad van de zeezijde tot de mogelijkheden, en moest hij zich daarvoor ook prepareeren.
-Hij hield dus voor het oogenblik zijn leger in de Kaapstad en ook de <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>burgers die reeds dien avond van Koeberg en van de Paarl aankwamen, ontvingen last
-om in de stad te blijven; slechts een klein troepje burgers onder kommandant Jacobus
-Linde werd naar het strand van Blauwberg gezonden om de bewegingen van den vijand
-gade te slaan. Laat dien avond kwam dan ook een bericht van Linde dat de vijand oogenschijnlijk
-het anker lichtte en nog een uur later een tweede boodschapper met het nieuws dat
-een tiental schepen zeil waren gegaan naar het noorden. Generaal Janssens begreep
-wat de reden hiervan was; de Engelschen, vreezende dat het strand van Blauwberg te
-ongunstig gelegen was voor eene landing, waren van plan om meer noordelijk te landen,
-waarschijnlijk te Saldanha baai. Verandering in de plannen van den Hollandschen generaal
-kon deze nieuwe beweging van den vijand niet brengen, want, als er een veldslag moest
-worden geleverd, kon die nergens anders plaats hebben dan in de nabijheid der stad,
-en Janssens had het plan opgevat om, zoo hij verslagen werd, zich terug te trekken
-naar het binnenland, en zoo mogelijk de kolonie voet voor voet te verdedigen totdat
-er hulp uit Frankrijk kwam. Hoop op goeden uitslag had de Hollandsche generaal niet,
-want hij had slechts een handjevol geregelde troepen en deze waren niet van de allerbeste
-soort, vooral <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>niet het zoogenaamde bataljon van Waldeck, een huurbende dat meest uit Duitschers
-bestond, en waarop de generaal meende niet te kunnen rekenen. Persoonlijk was Janssens
-van opinie dat de kolonie zooals zij toen was, geen voordeel aan het moederland aanbracht;
-de kosten die men er aan besteden moest waren te groot, en konden niet door de kolonisten
-gedragen worden, zoodat het misschien een geluk voor Holland zou zijn als het op een
-fatsoenlijke wijze van de Kaap kon worden ontslagen. Maar Janssens was soldaat en
-eerlijk man; hij had zijn plicht te volvoeren; die plicht was om de kolonie zoo lang
-mogelijk te verdedigen, en hij was vast besloten om dien plicht ten uitvoer te brengen.
-</p>
-<p>De gouverneur had het inderdaad niet mis, toen hij tot het denkbeeld geraakte dat
-de Engelschen van plan waren om eene landing te Saldanha baai te maken. Generaal Baird
-schijnt gevreesd te hebben dat eene landing te Blauwberg te gevaarlijk zou zijn, en
-zond dus op den avond van den 5<sup>den</sup> Januari een klein deel van zijn leger in eenige transport schepen naar Saldanhabaai,
-want schoon het hem bekend was dat zijne troepen een lange en vermoeiende marsch zouden
-moeten maken om van daar de Kaapstad te bereiken, wist hij ook dat gemelde baai goed
-tegen stormen beschut was, en men er veilig <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>kon landen; bovendien begreep hij snel te moeten handelen daar hij den Hollandschen
-bevelhebber niet de gelegenheid mocht geven om zijne burgers te verzamelen en daardoor
-eene macht te hebben die geheel in staat zou zijn om het op te nemen tegen het Engelsche
-leger. De Engelsche generaal was van plan om vroeg in den morgen van den 6<sup>den</sup> met zijn geheel leger zijn voorhoede te volgen, doch dien nacht ging de wind geheel
-en al liggen, en de branding aan de kust tegen over Blauwberg was zoodanig verminderd
-dat Baird besloot om toch hier te landen, en met dat voornemen zond hij snel een vaartuig
-om de reeds vertrokken schepen terugteroepen. Daarop werden de noodige toebereidselen
-gemaakt. Vier der groote Engelsche oorlogsschepen gingen zoo nabij mogelijk de kust
-liggen, ten einde met hun grof geschut de landende troepen te beschermen, en men liet
-daarop een der kleinste schepen op strand loopen, om daardoor een soort van beveiliging
-te hebben tegen de groote branders, die zelfs in rustig weer tegen deze kust slaan.
-Toen werden de Hooglandsche regimenten, de Bergschotten van de 71<sup>ste</sup><span class="corr" id="xd31e1567" title="Niet in bron">,</span> 72<sup>ste</sup> en 93<sup>ste</sup> regimenten het eerst geland onder bevel van generaal Ferguson. De landing liep echter
-niet zonder ongelukken af; een boot met vijf en dertig man van het 93<sup>ste</sup> regiment sloeg om in de <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>branding, en al de opvarenden vonden den dood in de golven. Daarop werden nog drie
-regimenten geland benevens een aanzienlijke voorraad mondbehoeften en wat artillerie.
-Er waren toen bij het strand geen Hollandsche soldaten om deze landing te beletten;
-slechts Kommandant Linde was er met zijn klein klompje burgers en deze deden wat zij
-konden. Zij slaagden er in eenige der Engelschen te dooden, maar een paar welgemikte
-schoten van af de schepen verplichtten hen om terugtetrekken, en daarop liet Linde
-Generaal Janssens het gebeurde weten.
-</p>
-<p>De laatste Hollandsche gouverneur van de Kaap maakte zich dadelijk strijdvaardig,
-en vroeg in den morgen van den <span class="corr" id="xd31e1583" title="Bron: 8sten">8<sup>sten</sup></span> Januari 1806 trok hij met zijn leger Kaapstad uit om den vijand te ontmoeten. Beter
-gezegd trok hij van de zoogenaamde Rietvlei, waar hij den vorigen dag zijn leger had
-verzameld en dat ten noorden van de monding der Zoutrivier en juist west van de <span class="corr" id="xd31e1588" title="Bron: Tigerberg">Tijgerberg</span> was gelegen. Het Hollandsche leger telde iets over de tweeduizend man, hebbende Generaal
-Janssens meer dan duizend man, waaronder een groot aantal burgers te Kaapstad, achtergelaten
-om deze stad te beschermen tegen een aanval der Engelschen. Het is niet gemakkelijk
-om te begrijpen waarom Janssens aldus zijn leger verzwakte, want hij moet meer of
-min een denkbeeld hebben gehad <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>van de sterkte van den vijand, en geweten hebben dat deze heel wat sterker was dan
-hij, en als hij zijn plan om in het binnenland terug te trekken had willen uitvoeren,
-zou hij wijzer gedaan hebben om de Kaapstad geheel ontruimd te hebben, want deze was
-in het geval dat hij den slag verloor, toch niet te verdedigen, terwijl hij door het
-laten van een aanzienlijk aantal burgers niet alleen zijn macht verzwakte, maar gemelde
-burgers ongetwijfeld in handen van den vijand zou doen vallen, en dit een groot verlies
-zou zijn met het oog op de verdere verdediging van de kolonie. Maar Janssens, schoon
-een eerlijk en welmeenend man, die uitmuntend geschikt was voor het bestuur dezer
-volkplanting, was geen veldheer, en heeft steeds ongelukkig gestreden, want later
-heeft hij op dezelfde wijze Java moeten overgeven aan de Engelschen. Had hij met al
-de macht die hem ten dienste stond den Engelschen generaal ontmoet, dan had hij meer
-kans op overwinning gehad, en hij in alle geval, met beter succes de bergpassen naar
-het binnenland kunnen verdedigen.
-</p>
-<p>De macht waarmede de generaal den vijand tegemoet trok was samen gesteld als volgt.
-Eerstens waren er 224 beredene burgers onder de kommandanten Linde, Human en Wium;
-dan volgde het bataljon der Waldeckers 400 man sterk; dan het <span class="corr" id="xd31e1595" title="Bron: 22ste">22<sup>ste</sup></span> linieregiment, <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>ten getale van 358 man; dan het negende bataljon der Jagers, 202 man; verder 138 dragonders,
-en 160 man der artillerie, de laatsten met zestien stukken geschut. Ten laatste waren
-er nog 54 Maleische artilleristen, 181 Hottentotten te voet, en 104 slaven bij de
-artillerie, terwijl 240 Fransche matrozen van de in de Tafelbaai kort te voren gestrande
-schepen <i>Atalante</i> en <i>Napoleon</i> ook hulp verleenden onder bevel van kolonel Beauchene. Men ziet dus dat het Hollandsche
-leger een eigenaardig mixtuur was.
-</p>
-<p>Het was omtrent vijf uur in den morgen, toen men het Engelsche leger, dat vierduizend
-man sterk was, zag aanrukken over de zandduinen van Blauwberg, onder persoonlijk bevel
-van Generaal Baird. Janssens stelde daarop terstond zijn leger in slagorde, en dat
-in een lange linie, ten einde te voorkomen dat de veel talrijker Engelsche macht hem
-zou overvleugelen. Daarop reed hij langs het front der <span class="corr" id="xd31e1608" title="Bron: troeden">troepen</span> en spoorde hen aan zich dapper te gedragen, en hun plicht te doen. Men ontving den
-algemeen beminden generaal met gejuich; slechts uit de monden der Waldeckers werd
-geen geluid van goedkeuring vernomen, en deze lafaards hadden geen lust zich op te
-offeren voor eene zaak, die zij als hopeloos beschouwden. Het gevecht begon met grof
-geschut, <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>en hierin was het voordeel aan de zijde van de Hollanders, die meer stukken hadden
-dan de Engelschen, schoon het kaliber der kanonnen der laatstgenoemden weer zwaarder
-was. Er vielen eenige kogels in de buurt van het Waldecker regiment, en dit begon
-daarop dadelijk te wijken. Janssens<span class="corr" id="xd31e1613" title="Bron: .">,</span> dit bemerkende, begaf zich persoonlijk naar hen, en trachtte de lafaards moed in
-te spreken, maar het was te vergeefs; de Duitsche huurlingen sloegen schandelijk op
-de vlucht. Dit voorbeeld had een zeer slechte uitwerking op de rest van de geregelde
-troepen, en een korten tijd daarna begon ook het 22<sup>ste</sup> linieregiment te wijken. Weder trad de <span class="corr" id="xd31e1619" title="Bron: Hollansche">Hollandsche</span> generaal naar voren; hij sprak de manschappen toe, en het gelukte hem ook ze een
-oogenblik te doen standhouden. De beide legers waren echter nu zoo nabij elkander
-dat men met het geweer op elkander begon te schieten; de Generaal zelf werd getroffen
-door een kogel die echter afstuitte tegen een hard voorwerp in zijn zak, zonder hem
-te verwonden. De Hooglanders, die eenige lagen hadden gevuurd, maakten zich daarop
-gereed om een bajonet aanval te doen, en tegen die taktiek waren de Hollandsche troepen
-niet bestand. Het 22<sup>ste</sup> regiment sloeg op de wilde vlucht; slechts de burgers, de artillerie en de Fransche
-zeelieden hielden stand en beantwoordden <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>den aanval met een hevig geweervuur. De welafgerichte, geoefende Hooglanders, die
-de keurbenden van het Engelsche leger waren, lieten zich echter niet door het hevigste
-vuur stuiten, maar kwamen steeds in charge pas nader, en Generaal Janssens ziende
-dat hij met de hem overblijvende rest van het leger niets uitvoeren kon, gaf bevel
-tot den terugtocht, die gedekt werd door de artillerie, meesterlijk bediend door luitenant
-Pelegrini, die zoolang persoonlijk de stukken bleef bedienen, dat Janssens verplicht
-was om zelf den dapperen man te gelasten, zich met zijne kanonnen in veiligheid te
-brengen, terwijl hij hem tevens op de plek zelve tot kapitein bevorderde. Daarop trok
-het geheele Hollandsche leger in vrij goede order terug naar Rietvlei, waar men ook
-het Waldeck regiment vond, dat dadelijk daarop door Janssens met verwijtingen werd
-overladen, en naar Kaapstad werd gezonden. De Gouverneur maakte nu verder zijne schikkingen
-voor een terugtocht naar het binnenland. Eerstens zond hij de Fransche zeelieden naar
-Kaapstad terug, niet omdat zij niet goed waren, want zij hadden zich inderdaad zeer
-dapper gedragen; maar omdat de zeelieden van weinig of geen nut konden zijn in het
-binnenland. Verder zond hij een boodschapper naar den kommandant van Simonsstad, met
-instructien aan dezen om alle <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>krijgsvoorraad die daar mocht zijn, en die niet spoedig kon worden vervoerd te vernielen,
-en dan met het garnizoen van die plaats, omtrent 150 man, zich naar den tegenwoordigen
-Sir Lowry’s Pas te begeven, waarheen ook de Gouverneur zelf van plan was te gaan.
-</p>
-<p>Een der laatste daden van den Hollandschen gouverneur bewees welk een edel man hij
-was. Er waren namelijk een aantal burgers die zich in het gevecht van Blauwberg uitmuntend
-hadden gedragen, en daar deze mannen geen betaling voor hunne diensten kregen, en
-toch wel iets voor hunne dapperheid verdienden, zond Janssens een boodschapper naar
-den politieken raad in Kaapstad, waarin hij dezen verzocht om dadelijk, zonder eenig
-verzuim aan zekere burgers die hij met name noemden, plaatsen in eigendom te geven
-en die te transporteeren op hunne namen. De namen dezer dappere burgers verdienen
-aan de vergetelheid te worden ontrukt, en wij geven ze dus hier. Zij waren: Jacobus
-Linde, Pieter Human, Pieter Pietersen, Nicholaas Swart Pz., Nicholaas Swart Kz., Jan
-Rabe, Dirk Lourens, Servaas de Kock, Nicholaas Linde, Marthinus Theunissen, Hans Human
-en Pieter Mosterd. Wij mogen hier bijvoegen dat de raad aan dit verzoek gehoor gaf,
-zijn laatste vergadering op den 8<sup>sten</sup> hield, de noodige dokumenten passeerde, en die deed registreeren.
-<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p>
-<p>Waarom generaal Janssens, toen hij deze boodschap zond, ook niet dadelijk bevelen
-zond aan kolonel Prophalow, den bevelhebber van Kaapstad om zich in den nacht met
-alle beschikbare troepen en materiaal naar Muizenberg te begeven, en van daar langs
-het strand naar de Hottentot Hollands bergen te trekken, ten einde zich met hem, Janssens
-te vereenigen, is weer een van die dingen die men niet begrijpt. Janssens toch moet
-geweten hebben, dat er geen kwestie kon zijn van het verdedigen van Kaapstad, en dat
-de overgave er van zonder twijfel zou geschieden. Waarom moest echter in die overgave
-een groot deel van de troepen, en een aanzienlijk aantal burgers worden begrepen.
-De Britsche troepen trokken dien nacht niet verder dan Rietvlei, en kampeerden daar,
-zoodat Prophalow zeker alle kans had gehad om zonder moeite Muizenberg te bereiken,
-en daardoor het leger van Janssens, dat toen niet meer dan zoowat duizend man telde,
-aanzienlijk te versterken. Maar dit werd ongelukkig niet gedaan, en den achtermiddag
-van den 8<sup>sten</sup> trok de Hollandsche generaal met het overschot van zijn leger naar Hottentots Holland
-terug, waar hij de bergpas, thans als Sir Lowry’s pas bekend, bezette.
-</p>
-<p>Kaapstad werd aldus aan zijn lot overgelaten, en op den morgen van den 9<sup>den</sup> Januari kwam het <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>Engelsche leger te Zoutrivier aan, waar door den Engelschen generaal de noodige schikkingen
-werden getroffen om, zoo noodig, de stad te bombardeeren. Doch dit bleek spoedig een
-onnoodige maatregel. Prophalow begreep dat eene verdediging van de stad nutteloos
-bloedvergieten ten gevolge zou hebben, en even nuttelooze vernieling van eigendommen,
-en hij zond dus een parlementair naar Generaal Baird, om een wapenstilstand te verzoeken
-met doel de termen van overgave te arrangeeren. Baird schonk hem 36 uren wapenstilstand,
-op voorwaarde dat de buitenwerken van de stad aan hem werden overhandigd, en hij Fort
-Knokke kon bezetten, hetgeen toegestaan werd. Den volgenden dag, 10 Januari 1806,
-des namiddags om 4 uur, werd de kapitulatie van Kaapstad geteekend, en dienzelfden
-avond woei de Engelsche vlag weder op het kasteel, om daar te waaien tot op den huidigen
-dag.
-</p>
-<p>Ondertusschen was Generaal Janssens te Hottentot Hollandsch, en scheen hij in twijfel
-te zijn geraakt wat te doen. De kleine macht ter zijner beschikking maakte het hem
-onmogelijk om iets nuttigs ten uitvoer te brengen, en hij was zelfs niet in staat
-om de bergpassen te bezetten, die den vijand in staat zouden stellen hem in den rug
-aan te vallen. Dat de Engelschen dit dan ook van plan <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>waren, bleek spoedig, want reeds op den 12<sup>den</sup> vernam Janssens dat Stellenbosch, en de Roodezand Kloof door hen bezet was, en dat
-een regiment op weg was naar Mosselbaai om de Attaqua pas in bezit te nemen. Aldus
-aan alle kanten afgesneden, moest de Hollandsche generaal wel tot de <span class="corr" id="xd31e1655" title="Bron: conslusie">conclusie</span> komen dat er niets voor hem overbleef dan overgave. Maar toch kwam de eerste stap
-niet van hem, maar van den kant der Engelschen. Generaal Baird was een zeer achtenswaardig
-man, en hij schreef op den 13<sup>den</sup> een brief aan Janssens, waarin hij deze onder het oog bracht dat verder verzet slechts
-noodeloos bloedvergieten zou zijn, en dat hij hem aan de hand gaf of het niet beter
-was om <span class="corr" id="xd31e1661" title="Bron: onder handelingen">onderhandelingen</span> aanteknoopen voor eene eerlijke kapitulatie. Deze brief werd door Generaal Beresford
-aan den Hollandschen generaal gezonden, en dezen verder medegedeeld, dat, hij, Beresford,
-volmacht had om de onderhandelingen te voeren. Janssens wilde zich eerst overtuigen
-van den toestand in de Kaapstad, en vroeg verlof om een onderhoud te hebben met den
-toenmaligen secretaris van den politieken raad, den heer Jan Andries Truter. Dit verzoek
-werd toegestaan, en daarop besloot Janssens zich over te geven, en werd de kapitulatie
-op den 18<sup>den</sup> Januari geteekend. Bij die kapitulatie werd overeengekomen <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>dat het Hollandsche leger zich met behoud van eer zou overgeven, en op kosten der
-Engelsche regeering naar Holland zou worden teruggezonden, en verder dezelfde voorwaarden
-gemaakt als beschreven waren in de capitulatie van Kaapstad.
-</p>
-<p>Op den 6<sup>den</sup> Maart verliet Generaal Janssens deze kusten, en werd voor goed de band verbroken
-die er bestond tusschen Oud-Holland en de Kaap de Goede Hoop. Merkwaardig is echter
-de brief die de dappere generaal, op den dag van zijn vertrek aan generaal Baird zond
-en waarin onder anderen deze uitdrukkingen voorkwamen:
-</p>
-<p>„Sta mij toe, mijnheer, om aan uwe bescherming aan te bevelen de inwoners dezer kolonie,
-wier geluk en welvaart de voornaamste onderwerpen mijner zorg zijn geweest, sedert
-mijne aankomst alhier, en die gedurende dien tijd zich geheel volgens mijne tevredenheid
-hebben gedragen. Sla in dit opzicht geen geloof aan den heer Barrow, of aan de vijanden
-der inwoners. Deze laatsten hebben hunne fouten, doch daar wegen hunne goede hoedanigheden
-ruimschoots tegen op. Door middel van zachtheid, door bewijzen van liefde, en vriendelijkheid
-kan men ze ongetwijfeld tot het goede leiden.”
-</p>
-<p>Het zou zeker een groot voordeel voor de Engelsche regeering zijn geweest, zoo zij
-wat meer geluisterd <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>had naar den raad van den laatsten Hollandschen Gouverneur, en wat minder naar menschen
-in Engeland, die geen begrip van de toestanden hier hadden, of naar mannen, als Dr.
-Philip, die door hunne <span class="corr" id="xd31e1680" title="Bron: veroordeelen">vooroordelen</span> belet waren een behoorlijk besef van het karakter der Afrikaners te krijgen, of anders
-waren <span class="corr" id="xd31e1683" title="Bron: geinfluenceerd">geïnfluenceerd</span> door zelf belang en geldzucht. Maar de gevolgen van al deze verkeerde influisteringen
-zijn niet uitgebleven.
-</p>
-<p>Toen de „Bellona”, zooals het schip heette dat Generaal Janssens en zijne metgezellen
-naar Holland zou vervoeren, op den morgen van 6 Maart, langzaam en statig de Tafelbaai
-uitzeilde, stond Jan van Eck op het strand van Papendorp, en tuurde hij op het schip
-totdat er niets meer van te zien was. Hij was moederziel alleen, maar zelfs al waren
-er honderd menschen geweest, dan zou hem het hart te vol zijn geweest om een woord
-te spreken. Toen echter het schip op de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan
-verdwenen was, liepen de tranen langs de wangen van den goeden eerlijken patriot,
-en zich langzaam omwendende, stapte hij in de richting van zijn huisje.
-</p>
-<p>Voor de eerste keer in zijn leven liet hij dien dag zijn middag eten onaangeroerd.
-<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK X." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK X.</h2>
-<h2 class="main">Waaruit blijkt dat men in het jaar 1807 banja mak was in de Kaapstad.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op Maandag 28 September van het jaar 1807 stapte ’s morgens om 10 uur, onze vriend
-Van Eck zeer rustig van zijne woning naar de stad, en wendde zich daar dadelijk naar
-het stadhuis op het zoogenoemde Groenteplein, waar het stadhuis stond, hetzelfde gebouw
-dat nu nog voor dat doel wordt gebruikt, totdat het groote en trotsche gebouw, dat
-men bezig is op het Caledonplein te bouwen, voor gebruik geschikt is. Het was in den
-laatsten tijd iets zeldzaam geweest, dat Van Eck in de stad kwam; hij was er <span class="corr" id="xd31e1697" title="Bron: sints">sinds</span> wij hem eerst hebben ontmoet heel <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>wat ouder op geworden, en ouderdom komt met gebreken. Gebreken, in den eigenlijken
-zin van het woord had de oude man nu niet, want zijne gezondheid was nog uitmuntend;
-doch zijne <span class="corr" id="xd31e1702" title="Bron: knieen">knieën</span> waren wat stram geworden en het loopen viel hem niet meer zoo gemakkelijk. Maar wat
-hem voornamelijk van de stad weghield, was niet de toestand van zijn lichaam, dan
-wel de toestand zijns geestes.
-</p>
-<p>Vurig Afrikaander als altijd, een man van vaste beginselen, kon hij niet klaarkomen
-met de Engelsche heerschappij in de kolonie, en verlangde hij immer terug naar de
-oude dagen der Hollanders, al wist hij bij ondervinding welke abuizen dat <span class="corr" id="xd31e1707" title="Bron: Hollansch">Hollandsch</span> bestuur met zich had meegebracht. Van zijne oude vrienden waren verscheidene overleden,
-en anderen hadden de dagen van vroeger vergeten, en leefden in het tegenwoordige,
-als gewone menschen, wier plicht het op deze aarde is om voor vrouw en kinderen te
-zorgen, en die dit dan ook zoo goed mogelijk doen, zonder zich te bekommeren over
-zulke lastige dingen als beginselen. Zulke menschen worden gewoonlijk als de verstandigsten
-door hunne medeburgers beschouwd; zij komen gewoonlijk in de wereld vooruit, en laten
-dikwijls een heel aardig fortuintje aan hunne kinderen na, om daarop als eerlijke
-en brave burgers met alle statie te worden begraven, met een begeleidend <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>paragraafje in de nieuwsbladen. Dat is nu <span class="corr" id="xd31e1712" title="Bron: eenmaal’s">eenmaal ’s</span> werelds loop, en die dit niet volgt, dien beschouwt men als dwaas, of eccentriek.
-Doch het ongeluk was dat Van Eck zich niet kon gewennen aan deze wijze van denken
-en handelen, en dat hij eene diepe verachting had voor zulke menschen, en die verachting
-geenszins verheelde. Dit bracht hem dikwijls in onaangenaamheden, en dus begon hij
-langzamerhand een zeer afgezonderd leven te leiden, en ging hij met zeer weinig menschen
-om. Nu en dan ontving hij een bezoek van een der weinig hem trouw geblevene vrienden,
-vooral uit de distrikten in het oosten, en met deze gezelsde hij dan heerlijk over
-de goede oude tijden, en besprak men den algemeenen toestand van zaken.
-</p>
-<p>Dat hij heden in de stad was, had dan ook zijne bijzondere redenen. De gouverneur
-der Kaapkolonie, Graaf Caledon, had eenigen tijd geleden eene proklamatie uitgevaardigd,
-waarin hij alle inwoners der kolonie opriep om zich op zekere bepaalde dagen aantegeven
-bij een paar vastgestelde plaatsen, om aldaar optegeven het aantal personen van hun
-huishouden, van hun slaven, enz. enz. Feitelijk dus zoo iets als wat men thans een
-Census zou noemen. Voor de Kaapstad was die dag bepaald van af den 1<sup>sten</sup> tot 29<sup>sten</sup> September, en als plaats, het stadhuis <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>op het Groenteplein. De meeste burgers hadden zich reeds lang aangegeven, schoon er
-niet weinige waren, die dit met geen gerust hart deden. Sommige menschen keurden deze
-wijze van handelen af, als in strijd met den Bijbel, daar de heer David had gestraft,
-wegens het houden van eene volkstelling der Israelieten; anderen weder waren van opinie
-dat de regeering met deze opgave geen ander doel had dan om te kunnen weten hoe zwaar
-eene belasting zij op het volk zou kunnen opleggen. Maar wat men ook van de zaak dacht,
-men gehoorzaamde het bevel zonder hoorbaar morren, omdat men machteloos was. Ook Van
-Eck meende dat er iets achter deze zaak zat, maar ook hij moest gehoorzamen; om zich
-echter eenige voldoening te geven had hij zijne aangifte uitgesteld tot op het laatste
-oogenblik, althans nagenoeg, en kwam hij dus op den voorlaatsten dag. Er waren nog
-eenige andere burgers, die om de eene of andere reden de zaak hadden uitgesteld, en
-toen dus onze vriend op het Groenteplein kwam, vond hij daar verscheidene personen,
-die hij kende. Hij groette hen beleefd, en ging toen dadelijk het gebouw binnen, om
-aan den heer Van Rijneveld, die met twee der leden van de Burgersenaat, een soort
-van Commissie vormde, om de opgaven te doen aanteekenen, zijn eigendom aantegeven,
-en daar dit niet <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>veel was, was hij spoedig weder op het plein, waar hij thans een der aldaar staande
-groepjes naderde. Dat groepje bestond uit drie personen, twee waarvan Jan van Eck
-goed kende, als zijnde de barbier of chirurgijn Bözenberg, en de heer E.&nbsp;B. Ziervogel,
-terwijl de derde hem vreemd was, doch hem door den heer Bözenberg werd voorgesteld
-als Dr. Kriegler van Wagenmakersvlei, de plek die wij thans kennen als Wellington,
-en reeds toen een vrij bloeiende streek, schoon het nog geen eigenlijk dorp was. Men
-was spoedig in een gesprek gewikkeld, doch daar de zon wat heet begon te worden, al
-was het nog maar September, sloeg de heer Bözenberg voor dat men zich naar zijn <span class="corr" id="xd31e1727" title="Bron: uis">huis</span> en barbierswinkel zou begeven, die niet ver van het plein, in de korte Marktstraat,
-was gelegen. Hierin namen de aanwezigen genoegen, schoon eerst Van Eck zeide haastig
-te zijn, en liever dadelijk naar huis te willen teruggaan. Toch haalde de heer Bözenberg,
-met wien de oude man goed bevriend was, hem zonder veel moeite over om hen te vergezellen,
-en een oogenblik later zaten de vier heeren rustig in een kamer van het huis van den
-barbier, en verfrischten zich met een bittertje.
-</p>
-<p>„Gij zijt tegenwoordig geheel en al een vreemdeling in de stad, mijnheer Van Eck,<span class="corr" id="xd31e1732" title="Niet in bron">”</span> zeide de heer Ziervogel, toen zij rustig gezeten waren.<span id="xd31e1734"></span> „Och”, hernam de <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>aangesprokene, „ik heb tegenwoordig zeer weinig te doen in de stad, en voor mijn genoegen
-kom ik er zeker niet, want als ik het kasteel passeer, en daar de Engelsche vlag zie
-waaien dan kookt het mij in de borst, en komen er in mij gedachten op, die voor een
-oud man als ik, die reeds aan <span class="corr" id="xd31e1738" title="Bron: ’swerelds">’s werelds</span> loop behoort gewoon te zijn, niet passen.”
-</p>
-<p>„Nog steeds dezelfde van altijd Mijnheer Van Eck”, viel de heer Bözenberg den spreker
-in de rede, „zult gij u nooit gewennen aan de verandering, die in de laatste jaren
-hier heeft plaatsgevonden, en die toch in menig opzicht eene groote verbetering is
-op den vorigen toestand”.
-</p>
-<p>„Ik weet niet wat gij met eene verbetering bedoelt”, zeide Van Eck weder; „als gij
-daarmede te kennen wilt geven dat er thans niet zooveel schaarschheid van geld heerscht
-als vroeger, en men gemakkelijker zijn brood kan verdienen, zoo hebt gij misschien
-gelijk, alhoewel ik daarvan niet uit persoonlijke ondervinding kan spreken. Ik hoor
-zulks echter van anderen, die mij vertellen, dat er in jaren lang niet zooveel kontant
-geld in de kolonie was, als thans, en dat ook de boeren een veel beteren prijs krijgen
-voor hunne produkten dan tien jaren geleden het geval was. Maar of dit op zich zelve
-eene verbetering is, dat betwijfel ik. Naar mijn bescheidene <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>opinie weegt dat zoogenaamde voordeel niet op tegen het feit dat wij thans de onderdanen
-zijn van de Engelschen, en dat wij onze vrijheid, het kleinood waarvoor onze vaderen
-vroeger zooveel stroomen bloeds vergoten, hebben verloren”.
-</p>
-<p>„Maar zeker zoudt gij toch niet de euvele dagen van Jan Compagnie willen terughebben”,
-zeide de heer Ziervogel. „Niemand kent die dagen beter dan gij, en niemand weet beter
-wat de burgers onder de compagnie hebben geleden”.
-</p>
-<p>„Ongetwijfeld waren er tijden, wanneer onze burgers veel leden onder Jan Compagnie,
-vooral in de laatste twintig jaren vóór 1793, maar toch waren die tijden in menig
-opzicht te verkiezen boven de tegenwoordige. Had men in die tijden een goede gouverneur
-zooals Swellengrebel of Vader Tulbagh, dan was het hier goed, en zelfs als hier een
-minder goede gouverneur was, dan kon men zich wenden tot de heeren directeuren in
-Patria, die, al waren zij niet altijd op de hoogte van de zaken alhier, toch steeds
-gewillig waren om naar onze grieven te luisteren. Herinner u maar eens in de dagen
-van Gouverneur van Plettenberg, hoe wij een commissie naar Patria zonden, en werkelijk
-wij toch een gedeelte kregen van wat wij hadden verzocht. En Jan Compagnie zijn rijk
-was uit in 1803, en toen <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>de Mist en Generaal Janssens hier kwamen, scheen het waarlijk dat wij een beteren
-tijd tegemoet gingen. Maar het oude vaderland heeft ons verlaten, en niets heeft mij
-meer droefheid veroorzaakt dan het feit dat Keizer Napoleon zoo weinig voor ons heeft
-gedaan. En waar zijn wij nu? Wat kunnen wij nu doen? Wij hebben hier een gouverneur
-die een soort van despotische macht heeft, en van wiens beslissingen wij in geen hooger
-beroep kunnen komen. Wij moeten maar als hulpelooze slaven zijne bevelen uitvoeren,
-want anders is er boete en tronkstraf, of wordt men naar Botany Baai gezonden, zooals
-men aan Cornelis Edeman heeft gedaan. En dit alles verdragen de Kapenaars, en zij
-durven er niet tegen te pruttelen”.
-</p>
-<p>„Waarom zouden wij op het oogenblik pruttelen”, hernam de heer Ziervogel weder, „wij
-hebben toch waarlijk geen reden daartoe. Gij zijt onpraktisch, mijnheer van Eck, en
-streeft naar het onbereikbare. Men moet in het leven de dingen nemen zooals ze zijn,
-en er het beste van maken. Bovendien hebben wij allen onze plichten te vervullen tegenover
-onze familiën, en het zou dwaas van ons zijn om die familiën, in het ongeluk te storten,
-omdat wij bevinden dat de zaken niet gaan overeenkomstig onze beginselen. Gij hebt
-gemakkelijk spreken. Kind <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>noch kraai hebt gij, om voor te zorgen: geregeld trekt gij uwe renten, alzijn ze niet
-veel: uwe behoeften zijn weinig en gij kunt ze voldoen, en als de dood u van deze
-aarde weg rukt, dan laat gij niemand achter die uwe zorg zal missen. Maar wij zijn
-niet allen in die gelukkige positie, en daarom kunnen wij uwe beginselen niet aannemen,
-al erkennen wij dat ze grootsch zijn.”
-</p>
-<p>Jan van Eck lachte; het was een bittere lach; een lach waarin medelijden en verachting
-als gemengd lagen, een lach die geen aangenamen indruk maakte op diegenen voor wie
-hij gemeend was. De oude man zweeg een oogenblik, en zeide toen:
-</p>
-<p>„Het was een waar woord dat Christus sprak toen hij zeide<span class="corr" id="xd31e1759" title="Bron: ;">:</span> <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Gij kunt niet God en den Mammon dienen”. De geldzucht, en de bekoorlijkheden des levens
-hebben te veel aantrekkelijkheid voor ulieden, en gij verkiest het oogenblikkelijke
-en gemakkelijk te bereiken voordeel, boven het grootere voordeel dat slechts te verkrijgen
-is door een tijdperk van lijden, van angst, en van moed. Het ontbreekt u aan zedelijken
-moed: dat is de geheele zaak. Denkt eens terug aan de tijden van den tachtigjarigen
-oorlog; zou die ooit in de geschiedenis zijn beschreven als onze voorouders ook zoo
-hadden geredeneerd als gij thans doet. Als zij zich goedwillig aan den tiran <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>hadden onderworpen, en het Roomsche geloof hadden aangenomen, dan zou het hun in de
-wereld ook veel beter zijn gegaan, en was hun veel lijden bespaard; maar dan zouden
-zij met den loop der tijden als een volk van de aarde zijn verdreven, en hun plaats
-zou niet meer gekend zijn. Voor hen persoonlijk zou het misschien beter zijn geweest,
-maar de wereld en de menschheid, en hun nageslacht zouden er onder geleden hebben;
-want heden erkennen wij wel dat zij vreeselijk hebben geleden doch wij zijn er hun
-dankbaar voor.… Maar laten wij voor het oogenblik dit punt laten varen, want ik gevoel
-dat ik meer zal gaan zeggen, dan zelfs een oud man geoorloofd is, ook onder zijne
-landgenooten. Laat ik u liever vragen of gijlieden mij niet iets nieuws kunt vertellen
-uit Europa. Ik heb in geen drie maanden iets uit Patria gehoord, en geen nieuwsblad
-is mij ter hand gekomen. De Engelsche taal ben ik niet machtig, en dus kan ik niet
-de berichten lezen die in de Engelsche bladen staan. Hoe staat het met de zaken in
-Europa?<span class="corr" id="xd31e1766" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>De heer Ziervogel antwoordde op deze vraag, en zeide: „Uit brieven die ik uit Patria
-ontvangen heb, schijnt het mij toe dat de zaken op het oogenblik niet erg gunstig
-voor de verbondene mogendheden staan. Zooals gij weet heeft Keizer Napoleon verleden
-jaar <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>Oostenrijk een geduchte nederlaag toegebracht, en daarop is het Engeland dat steeds
-dapper den strijd tegen den Franschen Keizer volhoudt gelukt, om Pruisen en Rusland
-te bewegen de wapenen tegen den overheerscher op te vatten. Napoleon heeft echter
-zoowel de Pruisen als de Russen geheel verslagen, en deze zijn thans bezig vrede te
-sluiten, en dat op voorwaarden, die zeer vernederend voor Pruisen zijn. Wat Rusland
-aangaat, zoo schijnt men in Engeland te vreezen, dat het Napoleon gelukt is om den
-keizer van Rusland zoodanig om te praten, dat deze zijn vriend en ondersteuner zal
-worden, en als dit werkelijk het geval is, dan is er vooreerst niet veel kans om den
-Franschen keizer tot den val te brengen”.
-</p>
-<p>Jan van Eck zweeg een oogenblik, en zeide toen: „Gij weet dat ik geenszins mij met
-u vereenig omtrent de afkeuring die gij schijnt te koesteren aan de daden van den
-Franschen keizer; als het voor niets anders is dan omdat hij tracht de Engelschen
-op hun plek te zetten, dan zou ik reeds daarvoor alleen hem eeren: maar naar mijn
-beschouwing heeft Europa een man als Napoleon noodig om er de zaken in orde te houden.
-Doch wat mij steeds getroffen heeft, is dat Napoleon het niet een voornaam deel van
-zijn politiek heeft gemaakt om op <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>goeden voet te blijven met Rusland. Dit zou hem weinig moeite hebben gekost, want
-als hij slechts Rusland de vrije hand had gegeven op het Turksche schiereiland, en
-in Azië, dan zou Rusland hem daarvoor de vrije hand hebben gegeven in westelijk Europa,
-en dan zou hij zijn machtigsten tegenstander hebben kwijtgeraakt, terwijl tevens hij
-Engeland onschadelijk zou hebben gemaakt, want Rusland zou zich dan oostwaarts, in
-de richting van Indië hebben uitgebreid, en daardoor in botsing zijn gekomen met Engeland,
-dat natuurlijk zijn Indische heerschappij niet kan prijsgeven”.
-</p>
-<p>„Ik ben niet genoegzaam op de hoogte van de politieke kwesties van het hedendaagsch
-Europa, om een oordeel te kunnen vellen over deze zaak” merkte de heer Bözenberg aan,
-„maar ik geloof niet dat Napoleon dat goede doet, dat de heer Van Eck veronderstelt
-dat hij doet; hij schijnt mij een oorlogszuchtig en heerschzuchtig mensch te zijn,
-die reeds het leven van duizenden menschen heeft verspild, en dat van duizenden meer
-zal verspillen, vóór wij met hem klaar zijn. En ik ben niet van opinie dat wij er
-beter aan toe zouden zijn als Engeland het tegen den keizer der Franschen verloor.
-In een land als dit, bijvoorbeeld, moet men grootendeels van den handel leven, en
-Engeland, als de <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>eenige zeemacht van belang in deze dagen, is ook de eenige natie die in staat is om
-onzen handel te beschermen. Als de Engelsche vloot de zeeën niet beheerschte, zouden
-wij op het oogenblik niets uit Europa kunnen krijgen, en zou de handel in dit land
-kwijnen. Dat zult gij toch moeten instemmen, mijnheer Van Eck?”
-</p>
-<p>„De handel mag er misschien onder lijden, en de stedeling mag het minder goed hebben,
-maar ik geloof, dat dit land niet afhankelijk behoort te zijn van den handel. De ware
-goudmijn van deze kolonie ligt bij de boerderij, en zoover ik kan zien heeft die niet
-gewonnen door de Engelsche bezetting van het land”.
-</p>
-<p>„Neen, dat is toch wel wat dwaas, om zoo iets te zeggen, mijnheer Van Eck,<span class="corr" id="xd31e1783" title="Niet in bron">”</span> viel de heer Ziervogel in<span class="corr" id="xd31e1785" title="Bron: ”; ">; „</span>heeft de boer het dan niet veel beter dan hij het vroeger onder het bestuur van Jan
-Compagnie had? Krijgt hij niet veel meer voor zijne produkten dan hij vroeger kreeg?
-Heeft hij thans niet contant geld in huis, terwijl een jaar of wat geleden hij niets
-kreeg in betaling zijner goederen dan wat beetje papierengeld, dat niet zijn volle
-waarde had?”
-</p>
-<p>De oude Kapenaar en vereerder van Rousseau lachte op treurige wijze, en sprak: „Gij
-laat u allen door den schijn verleiden, en gij wordt geheel en <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>al doordrongen door dien ellendigen geest van koopmannij, die tegenwoordig het geheele
-Engelsche volk kenmerkt, en die nog tot de allertreurigste gevolgen zal leiden voor
-dit land. De kwestie is niet of de boer wat meer of wat minder geld krijgt voor zijn
-produkten, maar wel of hij iets te zeggen zal hebben in het bestuur van het land.
-Hij is de groote grondeigenaar van het land, en van zijn welzijn hangt ook het welzijn
-van het land af, dat hij aangelegd heeft. En denkt gij dat hij thans de kans heeft,
-om dit te doen? Engelsche denkbeelden winnen hier veld op meer dan eene manier, en
-onder die denkbeelden behoort de verkeerde behandeling der kleurlingen in dit land.
-Een der eerste behoeften voor den boer in dit land is, dat hij genoegzaam werkvolk
-hebbe, om hem in staat te stellen zijn boerderij goed te drijven. Maar wat vindt men
-thans in de kolonie? Dat de zendelingen, die ondersteund worden door de Britsche regeering,
-het volk aanlokken om te gaan wonen in en op de zendelingstaties, waar zij een lui
-en lekker leven voeren en dan geen lust hebben om zich aan den boer te verhuren? Deze
-zendelingstaties zijn, zooals ik nog onlangs uit het distrikt Swellendam hoorde, niets
-anders dan verzamelplaatsen voor dieven, want de Hottentot die niet werkt moet, om
-aan den <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>kost te komen, het vleesch van den boer stelen, en menig schaapje en menige bok raakt
-op die wijze spoorloos verdwenen. Zoolang dat duurt kan de boer niet vooruitgaan.
-En dan schijnen de Engelschen geen slag te hebben om met de Kaffers om te gaan, en
-houden zij die de hand boven het hoofd. Het lijkt dikwijls alsof de Engelschen, afgaande
-op wat de zendelingen hun vertellen, de Kaffers als hunne broeders beschouwen, en
-meer van hem denken dan van den Afrikaanschen boer”.
-</p>
-<p>„Maar, mijnheer Van Eck, als de Engelschen de Kaffers dan als hun broeders beschouwen,
-hebben zij dan daar niet gelijk aan? Gij behoordet toch waarlijk de laatste man te
-zijn die iets daartegen zoudt inbrengen, want leert uw groote leermeester, Jean Jacques
-Rousseau ons niet dat alle menschen broeders zijn, en zijn vrijheid, gelijkheid, en
-broederschap, niet de hoofdbeginselen van zijn wijsgeerigheid?” Het was de heer Bözenberg,
-die Van Eck deze slimme vraag deed, en tot groot vermaak der aanwezigen scheen zij
-voor het oogenblik onzen vriend van zijn stuk te brengen, en kon hij niet dadelijk
-antwoord geven. Hij maakte zich echter gereed om dit argument tegen te spreken, toen
-juist op dat oogenblik de vrouw van de heer Bözenberg de kamer inkwam, en deed weten
-dat het eten op tafel <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>was, en dat alle aanwezigen welkom zouden zijn, want in de oude dagen van Kaapstad
-was men bijzonder gastvrij, en wie ook op het uur des maaltijds in het huis aanwezig
-was, werd steeds als gast ter tafel genoodigd.
-</p>
-<p>Of het gesprek een wending had genomen, die den heer van Eck niet beviel, of dat hij
-uit zijn humeur was over de laatst gemaakte aanmerking, laat zich hier niet uitmaken,
-maar in alle geval nam hij de uitnoodiging om bij de familie Bözenberg te dineeren,
-niet aan, en zeide hij dat hij nog een paar commissies moest doen, en haastig was
-om naar huis te komen, waar zijn jongen op hem wachtte. Hij nam dus afscheid, en ging
-de straat op in de richting van de Parade, en wie hem van nabij had gevolgd, had kunnen
-hooren dat hij bij zich zelve als volgt mompelde:
-</p>
-<p>’t Wordt me hier een mooie boel in de Kaapstad; de lui zijn zoo pap als maar mogelijk
-is, en beginnen voor niets anders te leven dan om geld te maken. Kracht en liefde
-voor het land zit niet meer bij ze, en allen worden langzamerhand van dat ellendige
-zuurdezem van den handel doortrokken. Als het tegenwoordige geslacht zich reeds in
-zulk een korten tijd begint te veranderen, dan zal ik wel graag willen weten, wat
-er van het toekomende geslacht <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>zal worden. Van die zal men ook wel kunnen zeggen, als zij opgegroeid zijn, „Plus
-royaliste que le roi”. (Nog meer koningsgezind dan de koning zelve).
-</p>
-<p>En de heer Van Eck toonde met het maken van die aanmerking, dat hij met een prophetischen
-geest was bezield.
-<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK XI." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK XI.</h2>
-<h2 class="main">Een verhaal van een slaven opstand aan de Kaap.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wat wij in dit hoofdstuk gaan vertellen, waarde lezers, is niets meer of min dan een
-afschrift uit het dagboek van Jan van Eck, dat is te zeggen, wij hebben bijna precies
-overgenomen wat er in dat dagboek geschreven staat, maar slechts hier en daar het
-Hollandsch in een meer moderne vorm gegoten, omdat wij gelooven dat anders onze lezers
-moeite zouden hebben, om de eenigszins verouderde taal van het dagboek te verstaan.
-</p>
-<p>Voor wij echter beginnen, moeten wij hier verder aanmerken, dat het blijkt dat Jan
-van Eck zijn tijd eenige dage heeft doorgebracht met het luisteren <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>naar de zaak van de slaven, die in den hieronder beschreven opstand hadden deel genomen,
-en dat hij daarop waarschijnlijk uit aanteekeningen door hem gehouden over de getuigenissen
-in de zaak, een verhaal heeft opgetrokken van het gebeurde, naar hij zelf zegt, om
-het nageslacht te toonen, dat deze slaven opstand nooit zou hebben plaats gevonden,
-als het niet was geweest, dat een Engelschman het denkbeeld had geopperd, daar, (zooals
-Van Eck terecht aanmerkt) de slaven in de kolonie in het algemeen zeer goed werden
-behandeld, en uit henzelven nooit tot een opstand zouden zijn gekomen. Maar laten
-wij hem zelve zijn storie vertellen.
-</p>
-<p>Omtrent de maand Juli van het jaar 1808 woonde er te Kaapstad een zekere Louis, een
-slaaf, origineel afkomstig van het eiland Mauritius doch reeds een geruimen tijd hier.
-Hij was een slaaf van jufvrouw Kirsten, eene vrouw die van haar man gescheiden leefde,
-en die geen dienst hebbende voor Louis, dezen toeliet voor anderen te werken, op voorwaarde
-dat hij een deel van zijne verdiensten wekelijks aan zijne eigenares afstond, eene
-gewoonte die dikwijls in de Kaapstad gevolgd wordt, en haren oorsprong heeft in het
-Romeinsche recht. Louis nu was gehuwd, of leefde in alle geval met eene vrije vrouw,
-Anna genaamd, die zelve vroeger slavin <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>was geweest maar door haren eigenaar <span class="corr" id="xd31e1820" title="Bron: geemancipeerd">geëmancipeerd</span>, dat is vrij gemaakt, was. Het schijnt dat deze vrije vrouw haren echtgenoot had
-gehuurd van diens meesteres, en haar daarvoor een zekere vaste som per week betaalde,
-en het werk dat Louis deed voor Anna, bestond in het drijven en zorgen voor een wagen
-en paarden, die Anna uithuurde aan andere menschen voor het vervoeren van goederen
-en dergelijke werken. Louis was wel een slaaf, maar hij schijnt niet geheel gekleurd
-te zijn geweest; in waarheid was hij zoo licht van kleur dat een gewoon mensch hem
-voor een blanke zou aanzien, en waarschijnlijk was hij de onechte zoon van den een
-of andere blanke van Mauritius. Om in de kosten van hun huishouden te voorzien had
-Anna een paar kostgangers aangenomen, meest werklieden van den lageren stand, en onder
-die kostgangers bevond zich een Ier, James Hooper genaamd. Deze schijnt iemand geweest
-te zijn die veel gehoord en gelezen had van den opstand in Ierland in 1798, schoon
-hij aan dien opstand zelf geen deel heeft kunnen nemen, daar hij ten tijde dat dit
-verhaal begint nog maar 26 jaar oud was. Hooper had menig gesprek met Louis, en vervulde
-dezen met belachelijke denkbeelden van vrijheid, en als vanzelf kwam men natuurlijk
-te spreken over den afhankelijken <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>toestand der slaven in de kolonie, en over de pogingen, die toen reeds in Engeland
-door zekere personen werden aangewend tot vrijmaking der slaven in het Britsche rijk.
-Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat deze gesprekken een geweldigen invloed hadden
-op het licht ontvlambare gemoed van Louis.
-</p>
-<p>Het duurde dan ook niet lang of de man van Mauritius begon met Hooper de mogelijkheid
-te bespreken van het aan den gang zetten van een slavenopstand, en Hooper was geenszins
-ongewillig om op dit plan in te gaan. Een weinig nadenken bracht hen spoedig tot de
-overtuiging dat het gekheid zou zijn om zoo iets te beginnen in de Kaapstad, waar
-er toenmaals niet minder dan 5000 soldaten in garnizoen lagen, en waar bovendien er
-groot gevaar bestond voor het uitlekken hunner plannen. Louis had echter een goede
-kennis, een zekere Abraham, slaaf van den heer Jan Wagenaar, die uitmuntend bekend
-was met het Zwartland, waar hij vroeger gewoond had. Deze Abraham werd nu in het geheim
-genomen, en men kwam ten laatste tot een besluit, namelijk dat Hooper en Abraham een
-reis zouden ondernemen naar het Zwartland, en zich vergewissen van de gevoelens onder
-de slaven der boeren aldaar, en Abraham daar dan voornamelijk zou spreken met <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>eenige slaven die hij er kende. Dit plan werd op de volgende slimme wijze ten uitvoer
-gebracht. In het begin van de maand October gingen Hooper en Abraham op reis naar
-de plaats van den heer Pieter Louw in Zwartland, waar familie van Abraham woonde.
-Hooper gaf voor een Engelsche heer te zijn die voor zijn pleizier een reisje in die
-streken deed, en door zijn bediende Abraham, die tevens als tolk diende, vergezeld
-was. Abraham was met den heer Louw bekend en Hooper werd dan ook met alle gastvrijheid
-door den niets vermoedenden boer ontvangen en uitmuntend behandeld. Men bleef een
-paar dagen op de plaats, en Abraham besteedde zijn tijd nuttig en kwam tot de overtuiging
-dat er alle kans was dat hun plan zou slagen, en zij een aantal aanhangers zouden
-krijgen als de zaak maar één keer aan den gang was gezet.
-</p>
-<p>Toen deze twee lieden te Kaapstad terugkwamen, hadden zij weer een gesprek met Louis,
-en besloten toen om nog een vierde deelgenoot in het komplot te nemen, namelijk een
-tweeden Ier, zekeren Michael Kelly, een matroos, of liever gezegd gewezen matroos
-van een Engelsch schip, die eenig begrip had van militaire zaken. De vier vrienden
-begonnen thans hunne maatregelen te nemen, en zij lieten geen tijd verloopen om hun
-plan ten uitvoer te brengen. Op <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>den 24<sup>sten</sup> October reeds, vroeg in den morgen ging James Hooper naar een zekeren Hendrik Matfeld,
-een half gekleurden maar vrijen man, die in het bezit was van een wagen en acht paarden,
-waarmede hij gewoon was menschen te brengen naar Paarl, Simonsstad, en dergelijke
-naburige plaatsen. Hooper zeide hem dat hij een baantje voor hem had daar er een Engelsche
-officier was, die naar eenige plaatsen in Zwartland wilde gaan. en voor dat doel een
-wagen verlangde. Hooper en Matfeld waren het spoedig eens over den prijs, en er werd
-bepaald dat den volgenden morgen vroeg, hij zou komen aan het huis van Louis, waar
-hij zijn passagiers zou ontvangen.
-</p>
-<p>Intusschen hadden Louis en Hooper zich twee uniformen aangeschaft, een met gouden,
-en een met zilveren epauletten, en ook een groote en een kleine sabel verkregen, en
-toen den volgenden morgen, de wagen van Hendrik Matfeld op de bepaalde plaats aankwam,
-klommen Hooper en Louis, beiden in uniform aangekleed in het voertuig, en vertrok
-men in de richting van Zwartland. Bij Zoutrivier ontmoette men als bij toeval Kelly
-en Abraham, die ook daarop in den wagen klommen, alsmede ook een zekere Adonis, een
-slaaf, die eenige tijd geleden van zijn baas gedrost was, maar aan Abraham bekend
-was. Adonis deelde men daarop het plan mede, en hij <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>betoonde zich geheel gewillig om er deel aan te nemen. Men reed nu door, maar langs
-den weg werd er verscheidene malen stilgehouden, en teutte men zoo, dat de drijver
-van den wagen, zekere David, eenigszins gemelijk te kennen gaf, dat als men op die
-wijze voortging, men nooit dien avond weer in de Kaap zou zijn. Louis zeide dat David
-zeker zijn baas verkeerd had verstaan, want de wagen was voor vijf dagen gehuurd,
-en Hooper had daarvoor niet minder dan 100 rijksdaalders aan Matfeld betaald, wat
-later bleek een brutale leugen te zijn. Maar daar zoowel Hooper als Kelly beweerden
-tegenwoordig te zijn geweest, toen dit accoord gesloten was, kwam David werkelijk
-tot de gedachte dat hij zijn baas verkeerd verstaan had, en reed hij door naar de
-plaats Brakkefontein, waar men in het veld uitspande. De volgenden dag werd de reis
-voortgezet, en tegen den middag bereikten zij de plaats van Pieter Louw, waar Hooper
-en Louis uit het rijtuig klommen, en naar het huis gingen om te vragen of de heer
-Louw thuis was. De afspraak die de schelmen hadden gemaakt, was, dat zoo Louw werkelijk
-thuis was, zij een gesprek met hem zouden aanknoopen, maar op een gegeven teeken allen
-hem zouden aanvallen en hem binden. Het ongeluk wilde echter dat Louw niet thuis was,
-waarop Hooper aan jufvrouw Louw Louis voorstelde <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>als een Spaanschen zeekapitein, die geen Hollandsch of Engelsch verstond, en zich
-zelve uitgaf als een zijner officieren. De goede jufvrouw Louw geloofde dit verhaal
-en ontving hare gasten op de gewone vriendelijke Afrikaansche manier. Zij <span class="corr" id="xd31e1842" title="Bron: bezorgde">verzorgde</span> hunne paarden, en gaf de personen dien avond een uitmuntende slaapplek. Terwijl zij
-op de plaats waren, gingen Louis en Abraham stilletjes naar de slaven, en hadden een
-gesprek met zekeren Japhta, een slaaf van Louw, die reeds vroeger door Abraham in
-het geheim was ingewijd, en met wien men nu verdere maatregelen besprak.
-</p>
-<p>De twee blanken schijnen echter of door vrees te zijn bekropen, of het gevaarlijke
-hunner positie te hebben ingezien. In alle geval blijken zij niet den moed te hebben
-gehad om het plan door te zetten, en den volgenden morgen vroeg, toen Louis en Abraham
-nog sliepen, vertrokken zij heimelijk van de plaats, maar niet zonder eerst Louis
-van zijn uniform, zijn sabels en epauletten te hebben ontroofd. Daar deze twee blanken
-niet meer in het verhaal zullen voorkomen, zal ik maar dadelijk hier melden, dat deze
-één dag bij elkander bleven, maar eenige wagens ziende aankomen verborgen zij zich,
-en dat wel zoo goed, dat zij later elkander niet konden vinden, en dus ieder huns
-weegs gingen. <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>Hooper ging in de richting van Saldanha baai, en werd daar door eenige dragonders
-die er gestationeerd waren, gevangen genomen en later naar Kaapstad vervoerd. Kelly
-kwam kort daarop ook te Saldanha baai aan, en onderging hetzelfde lot.
-</p>
-<p>Wat de anderen betreft, zoo was Abraham dien morgen het eerste op de been, en na Louis
-te hebben gewekt, hielden zij een korte beraadslaging, waarin zij tot het besluit
-kwamen, om niettegenstaande het verraad hunner blanke deelgenooten, toch met hun plan
-voort te gaan. Met dat doel verzamelde Abraham eenige der slaven van den heer Louw,
-liet de wagen waarmee ze gekomen waren weder inspannen, en vertrok daarop van de plaats.
-Louis begon nu dadelijk een anderen toon aan te slaan, en gelastte het nog op de plaats
-zijnde volk om de wagen van Louw intespannen, met de paarden die in den stal stonden,
-en hoewel jufvrouw Louw, die thans onraad bemerkte, zich ten sterkste hiertegen verzette,
-gaf het volk aan de bevelen van Louis gehoor, en daarop vertrok men, versterkt door
-tien der slaven van Louw, naar de plaats van den heer Willem Basson, die niet ver
-daar van daan lag. De heer Basson was ook niet te huis, en de oproerlingen door deze
-omstandigheid aangemoedigd, draalden nu niet om in hun ware gedaante voor den dag
-te <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>komen. Den jongeren broeder van Basson werd door hen gegrepen en vastgebonden, en
-daarop lieten zij ook hier de wagen van den eigenaar inspannen. Niet tevreden met
-deze geweldenarijen, braken zij een aantal der kamers van het huis open, haalden alle
-wapenen, en schiettuig er uit, en trachtte ook de vrouw van den heer Basson, en eene
-andere vrouw op de plaats wonende te vangen en te binden, zeggende dat zij bevelen
-hadden van den Gouverneur, en van den Fiskaal om alle blanken in het district gevangen
-te nemen en naar Kaapstad te brengen. Het gelukte echter aan de twee vrouwen om te
-ontsnappen. Daar de opstandelingen blijkbaar geen tijd wilden vermorsen met het zoeken
-naar de vrouwen, deden zij geen moeite daartoe, maar namen een aantal paarden van
-de plaats met zich, en begaven zich toen op weg naar de woning van Pieter Basson,
-die slechts een kleinen afstand van daar woonde; de gevangene broeder van Willem Basson
-namen zij gebonden, en in den wagen geworpen, met zich mede. Op den weg naar de plaats
-van Pieter Basson, ontmoetten ze dezen laatsten met zijn wagen, en verplichtten hem
-door hem met den dood te bedreigen, om zich aan hen overtegeven, waarop zij ook hem
-bonden, op zijn eigen wagen laadden, en dien ook medevoerden. Het bezoek op <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>zijne plaats werd echter niet nagelaten, en zij maakten daar een kwantiteit geweren,
-kruit en hagel buit.
-</p>
-<p>De onverlaten gingen nu naar de plaats van den heer Johannes Louw, en nauwelijks waren
-zij daar aangekomen, of zij overrompelden den eigenaar, bonden hem vast, en wierpen
-hem in een der wagens; en daarop braken zij in het huis, en stalen al het geld dat
-er te vinden was, dat echter niet meer was dan omtrent 150 rijksdaalders; een aanzienlijke
-hoeveelheid ammunitie en kleederen viel ook in hunne handen. De meeste slaven van
-Louw sloten zich bij de opstandelingen aan, en dat wel omdat zij waarlijk geloofden
-dat Louis door de regeering was gezonden om de blanken gevangen te nemen en naar de
-Kaap te vervoeren. De thans meer dan vijftig man sterke macht trok nu naar de plaats
-van den heer Pieter van der Westhuizen. Hier gedroegen de kleurlingen zich zoo erg
-mogelijk, want niet alleen dat zij Van der Westhuizen bonden, maar zij mishandelden
-ook zijne vrouw op schandelijke wijze, en gingen zich te buiten aan den drank die
-zij in de kelders vonden.
-</p>
-<p>Na nog twee plaatsen te hebben bezocht, waar zij heel wat versterking ontvingen, werd
-de bende door hun aanvoerder Louis verdeeld in twee gedeelten, <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>één waarvan onder zijne aanvoering bleef, en de andere onder het gezamentlijk bevel
-van twee slaven Adonis en Jonas werd gesteld, waarop elke bende toen zijns weegs ging,
-nadat men afgesproken had, dat men elkander weder op een zekere plek zou ontmoeten,
-om vereenigd daarvandaan naar Kaapstad op te trekken, dat men dan hoopte te overvallen
-en te veroveren.
-</p>
-<p>Ik kan niet hier al de plekken opnoemen die door deze woestelingen werden bezocht;
-genoeg zij te zeggen dat zij op niet minder dan 34 plaatsen in het tegenwoordige Koeberg
-en zuidelijk gedeelte van Zwartland geweld pleegden, altijd dezelfde storie herhalende,
-namelijk dat zij handelden op last van den Gouverneur en den Fiskaal, waardoor zij
-niet weinige aanhangers kregen, die anders zeker zouden geaarzeld hebben om tegen
-hunne meesters op te staan. Bloed werd er gelukkig in dezen opstand niet vergoten;
-de weerspannige slaven bepaalden zich tot het knevelen hunner heeren in de meeste
-gevallen, het stelen van goederen, voornamelijk van ammunitie, geweren, kleederen
-en dergelijken, en het wegvoeren van paarden en wagens. Het gebeurde met jufvrouw
-Van der Westhuizen was een der ergste daden, maar dat was ook inderdaad erg genoeg;
-daarnaast kwam het gebeurde op Drooge vallei, de plaats van den <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>heer Adriaan Louw, een ouden man van over zeventig jaar, die in het algemeen zeer
-goed voor zijne slaven was geweest, hetgeen echter niet belette dat men hem allergruwelijkst
-mishandelde door hem bij de haren rond te slepen, met de kolf van een geweer te slaan,
-en hem meer dood dan levend te laten liggen op de plaats van den heer Hendrik van
-Niekerk.
-</p>
-<div class="figure p213width"><img src="images/p213.jpg" alt="„... dat men hem allergruwelijkst mishandelde...” (Blz. 213)." width="509" height="720"><p class="figureHead">„… dat men hem allergruwelijkst mishandelde …” (Blz. 213).</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Ten laatste kwamen de twee troepen bij elkander in de buurt van Blauwberg vallei,
-en hierop brachten zij een bezoek aan nog eenige plaatsen, totdat zij bij die van
-Hendrik Prehn waren gekomen. Tegen dezen tijd hadden de boeren echter kennis gekregen
-van hetgeen aan den gang was, en bij den heer Prehn waren de opstandelingen aan het
-verkeerde kantoor, want toen zij daar hunne gewone streken wilden uithalen, werden
-zij door Prehn met een schot hagel begroet, die wel niemand hunner wondde, maar hun
-toch zoodanig den schrik op het lijf joeg, dat zij haastiglijk het hazenpad kozen,
-zonder in staat te zijn geweest om eenig kwaad te doen.
-</p>
-<p>De tijding van hetgeen er in Zwartland gebeurde had tegen dezen tijd de Kaapstad bereikt,
-en de Gouverneur nam dadelijk stappen om aan dit grapje een einde te maken. Eenige
-sterke detachementen infanterie en kavalerie trokken dadelijk de Kaapstad <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>uit in de richting van Zwartland, en ontmoetten tot hunne niet geringe verbazing de
-slaven wier getal toen bijna 350 bedroeg, even aan den anderen kant van Zoutrivier,
-zijnde de opstandelingen werkelijk op weg om naar de Kaapstad te rukken, met het heilig
-voornemen deze stad te veroveren. Men kan zich echter begrijpen dat de slaven niet
-weinig verbaasd waren, toen zij zich tegenover de troepen bevonden. Hun moed, zoowel
-als die van hunne aanvoerders zonk hen in de schoenen, en zonder slag of stoot gaven
-zij zich gevangen. Louis en vier anderen ontsnapten echter, doch werden reeds den
-volgenden dag achterhaald, en naar de gevangenis vervoerd.
-</p>
-<p>De Fiskaal ging nu een onderzoek in de zaak instellen, en dit nam hem natuurlijk vrij
-wat tijd, aangezien het aantal getuigen zeer groot was, en het van belang was, om
-uittevinden wie de hoofdmannen van de beweging waren geweest en wie er een werkdadig
-aandeel hadden genomen. Het bleek spoedig dat een groot deel der slaven werkelijk
-door de praatjes van Louis en anderen waren misleid, en inderdaad geloofden dat met
-het gevangen nemen van hunne meesters zij de bevelen van de autoriteiten uitvoerden.
-Tweehonderd en vier en veertig slaven werden dus niet verder gestraft dan met een
-geweldige schrobbeering van den Fiskaal, en daarop <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>ontslagen, met eene waarschuwing er bij dat als zij weer zoo lichtgeloovig waren,
-zij er zeker niet zoo gemakkelijk zouden afkomen, en daarop werden zij aan hunne vorige
-meesters overhandigd, die hen waarschijnlijk privaat hun gedrag op wat meer gevoelige
-wijze onder het oog brachten. Een en vijftig der oproerlingen echter werden door den
-Fiskaal in staat van beschuldiging gesteld, en voor het Hooge Gerechtshof gebracht,
-dat op den 7<sup>den</sup> December 1808 vonnis gaf. Louis, Hooper, Kelly, Abraham, Adonis, en nog elf anderen
-werden door het hof ter dood veroordeeld, een groot aantal der gevangenen tot vele
-jaren gevangenis straf gedoemd, terwijl weer anderen gevonnisd werden tot het bijwonen
-der executie der ter dood veroordeelden, daarna te worden gegeeseld en ten slotte
-aan hunne meesters te worden overhandigd. De Gouverneur, die deze vonnissen moest
-bekrachtigen, wijzigde eenige er van, met gevolg dat Louis, Hooper, Abraham, Cupido
-en Jephta werden gehangen, en de meesten der anderen tot dwangarbeid werden veroordeeld.
-Het vonnis over Kelly, en Adonis werd, voor zekere mij onbekende redenen geschorst,
-tot dat men advies omtrent hen had gekregen uit Engeland, en terwijl ik dit schrijf
-zitten zij in de gevangenis hun lot aftewachten.
-</p>
-<p>Het is voor mij een merkwaardig feit, dat in het <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>geheele tijdperk der Hollandsche regeering aan de Kaap, er nooit een opstand onder
-de slaven was, en dat niettegenstaande er toch heel wat schorremorrie in het land
-kwam in den vorm van ontslagen soldaten en matrozen, vele waarvan zeer nauw met de
-kleurlingen verbonden waren, daar dat soort van volk zich niet ontzag om op hunne
-manier slaven meiden te trouwen. De slaven werden over het algemeen vrij goed door
-hunne meesters aan de Kaap behandeld, en hoewel ik wel bekend ben met bijna deze geheele
-volkplanting, herinner ik mij slechts zeer weinig gevallen van meesters die hunne
-slaven mishandelden, en zulke daden vonden dan ook algemeen afkeuring bij de bevolking.
-Natuurlijk liep men niet om elk bagatelletje naar den Landdrost, schoon dit een voorschrift
-van de regeering was; in de meeste gevallen gaf de baas, als zijn slaaf het verbruid
-had, hem zelf een degelijke loesching, en dit deed hun goed, maar daarmee was de zaak
-dan ook gewoonlijk afgeloopen. Maar nu wij nog maar een paar jaar onder Engelsch bestuur
-zijn, hebben wij reeds een opstand der slaven, en uit de zaak blijkt maar al te duidelijk,
-dat het denkbeeld er van ontstaan is bij een Engelschman, schoon hij, zoowel als de
-andere blanke, <span class="corr" id="xd31e1884" title="Bron: ingelijks">insgelijks</span> een Engelschman, geen moed hadden om het plan ten uitvoer te brengen. <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>De zaak op zich zelve is al leelijk genoeg, maar ik vrees dat ze nog andere leelijkere
-gevolgen zal hebben, want het zou mij volstrekt niet verwonderen, of men zal het voorbeeld
-van den heer Barrow volgen, en beweren, dat de opstand veroorzaakt werd, door het
-feit, dat de boeren hunne slaven zoo wreed behandelden, want sedert de heer Barrow
-zijn boek heeft doen verschijnen, is het in Engeland de gewoonte geworden om den Afrikaanschen
-Boer als een laag, wreed beest aantezien, wiens grootste plezier het is om menschen
-en dieren te mishandelen. Men leze maar eens de mooie verhalen, die gemelde heer doet
-omtrent de wijze waarop de boeren hunne ossen behandelen. ’t Is een diep treurig ding
-dat de Afrikaner aldus miskend en belasterd wordt bij het volk dat de heerschappij
-over hem voert, en men weet waarlijk niet waar deze veldtocht van leugens zal eindigen,
-en welke ongelukkige gevolgen zij voor dit land kunnen meeslepen.
-<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK XII." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK XII.</h2>
-<h2 class="main">Jan van Eck krijgt bezoek, en hoort heel wat nieuws.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ouderdom komt met gebreken, is een waar woord, en ieder mensch <span class="corr" id="xd31e1897" title="Bron: ondervind">ondervindt</span> op de eene of andere manier deze waarheid, sommigen in meerderen, anderen in minderen
-graad. ’t Is negentien jaren geleden, dat wij voor het eerst kennis hebben gemaakt
-met Jan van Eck, en hij was toen blijkbaar nog een flinke man, die in alle geval sterk
-genoeg was om in het jaar 1795 de wapenen ter verdediging van zijn land op te nemen,
-en daarbij niet weinig driftig van aard was. Maar de Jan van Eck, dien wij gaan bezoeken
-op den 1<sup>sten</sup> Juli 1811 is een <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>geheel ander man, op wiens gezicht de tijd diepe sporen heeft gelaten, en niet de
-tijd alleen, maar ook diep zieleleed. Er zijn menschen die met het grootste gemak
-zich kunnen schikken in de veranderingen van het leven, en die zich door geen omstandigheden
-hoegenaamd uit hun gewonen levensaard laten leiden. Jan van Eck was zulk een man echter
-niet. Hij was bepaald wat men zou kunnen noemen „aantrekkelijk”; als er iets hem hinderde,
-kon hij dat niet gemakkelijk vergeten, en het was hem zeer moeielijk om zich zelfs
-in het onvermijdelijke te schikken. Nooit kon hij vergeten, dat hij thans in een land
-woonde, dat veroverd was door eene natie, welke hij haatte; nooit raakten de tijden
-van den Hollander uit zijn geheugen; hij wilde bij zich zelve niet erkennen dat er
-niets te doen was aan de bestaande positie; nog steeds hoopte hij dat er iets zou
-gebeuren, dat ten gevolge zou hebben, dat de Engelschman dit land zou moeten verlaten.
-Zoo gij hem gevraagd hadt, wat dat iets was, dan zou hij wellicht u geen voldoend
-antwoord hebben kunnen geven, maar zou gezegd hebben dat er in zijn hart een gevoel
-was, dat hem zeide dat er spoedig een dag zou komen, waarop de Engelschman de door
-hem gewonnen prooi zou moeten prijsgeven. Of hij die dag nog zou beleven, dat betwijfelde
-hij wel <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>een beetje maar toch was het een vurige hoop zijns harten om dit te kunnen doen.
-</p>
-<p>Het was vrij laat in den middag, omtrent half vijf, toen Van Eck voor de deur van
-zijn huisje zat, op een gemakkelijke ouderwetsche leuningstoel, dat er wel wat naar
-een erfstuk uitzag, zoo had de tand des tijds er aan geknaagd; hier en daar kon men
-zien hoe met koperdraad en met riempjes de barsten in het hout waren hersteld, waarschijnlijk
-door Van Eck zelf; een der voorpooten van de stoel had oogenschijnlijk het ongeluk
-gehad om te breken, en was weer een weinig in orde gemaakt door een koper plaatje,
-dat er netjes aan bevestigd was. De zon was juist aan het ondergaan, en zooals meermalen
-het geval is in den winter op het Kaapsche schiereiland, werd het reeds dadelijk kil,
-en begon er een zware dauw te vallen. Van Eck wilde dan ook dadelijk aanstalten maken
-om naar binnen te gaan, want hij had van dezen winter de koude meer gevoeld dan hij
-ooit te voren had gedaan, en hij was dus voorzichtig, daar hij zeer goed wist dat
-een zware kou op zijn leeftijd geen grapje was. Juist was hij opgestaan en wilde hij
-den ouden jongen roepen om hem te zeggen de stoel naar binnen te brengen, toen een
-man eenigszins haastig op de hut kwam afstappen, van uit de richting van Kaapstad.
-<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>Het was iets buitengewoons dat onze oude vriend tegenwoordig bezoeken in den avond
-ontving, en hij was dus wel eenigszins verbaasd om dezen man direkt op hem te zien
-afkomen. Deze, een flink uitgegroeid jonkman van omtrent vier en twintig jaar stapte
-dan ook recht op den heer Van Eck af, groette, en zeide toen:
-</p>
-<p>„Wel, Oom Jan, dit lijk amper of Oom mij niet meer ken”.
-</p>
-<p>De oude keek den nieuwen aankomeling scherp aan, doch scheen zich zijn gelaat niet
-te binnen kunnen brengen, zoodat hij dan ook antwoorden moest:
-</p>
-<p>„Jou gezicht kom mij bekend voor, neef, maar ik kan rechtig nie op jou naam kom nie”.
-</p>
-<p>„Ik is Jan Botha, Teunis Botha zijn zeun, Oom”, hernam de jongeling.
-</p>
-<p>„Mijn machtig, Jan,” riep Van Eck verbaasd uit, „wat kom jij hier maak? D’ is daarom
-nie een wonder nie, dat ik jou nie ken nie, want d’ is nou vijf jaar wat ik jou die
-laatste gezien het, en jij is een tamaai kerel geword. Jij is zeker ook al getrouwd?<span class="corr" id="xd31e1917" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Neen, Oom,<span class="corr" id="xd31e1921" title="Niet in bron">”</span> zeide Jan Botha lachend<span class="corr" id="xd31e1923" title="Bron: ”, ">, „</span>daar is op die oogenblik nog te veel werk op die plaats voor mij, om nou al om trouw
-te denk. Pa zeg ik kan nog maar een beetje wacht.”
-</p>
-<p>„Kom binnen, kerel, kom binnen, dit is te koud <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>voor mij om hier buiten te staan, nou die zon onder is”, vervolgde van Eck, terwijl
-hij zijn bezoeker voorging, en toen men binnen was, dezen een stoel gaf.
-</p>
-<p>„Vertel mij nou mooi al die nieuws uit jullie wereld, Jan. Hoe gaat dit met jou pa,
-en met jou ma? Hoe lijk die wereld bij jullie. Plaag die kaffers nog banja voor jullie?<span class="corr" id="xd31e1933" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Jan Botha wist niet hoe om al die vragen op eens te beantwoorden, maar begon met te
-zeggen dat het nog vrij goed met zijne ouders ging.<span class="corr" id="xd31e1937" title="Bron: ” "> „</span>Maar ons woon nou op die oogenblik nie meer nie op Keurfontein, Oom,” vervolgde hij.
-</p>
-<p>„Wat?”, vroeg Van Eck,<span class="corr" id="xd31e1942" title="Bron: ” "> „</span>jij wil toch nie zeg nie, dat jou pa die mooie plaats verkocht heeft?<span class="corr" id="xd31e1945" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Nee, pa het nog die plaats, maar ons was verplicht om die plaats te verlaat, want
-die Kaffers het vlak bij ons gaan woon, en hullie was zoo parmantig, en brutaal, dat
-pa niet meer kans het gezien om daar te blij nie. Ons het tweemaal aan die Landdrost
-gevraagd om ons te bescherm, maar hij het aan pa laat weet, dat hij niets kan doen
-nie, want die Gouvernement wil nie oorlog maak met die Kaffers nie, en zonder oorlog
-zou ons die Kaffers nie weg krij nie”.
-</p>
-<p>„Die Engelschen is beduiveld, Jan”, riep Van Eck <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>woedend uit,<span class="corr" id="xd31e1952" title="Bron: ” "> „</span>hullie is te vrot om die land te verdedig, en die arme boeren moet daaronder lij.
-Ik zeg ver jou, Jan, die ding zal nog verkeerd kom in jullie wereld.”
-</p>
-<p>„D’ is wat pa ook zeg, Oom; ons zal nie rust hè, voor ons die Engelschman uit die
-land het uitgejaag. Dit lijk maar naar daar bij ons.”
-</p>
-<p>Van Eck bleef een oogenblik het stilzwijgen bewaren, en bood aan Jan Botha zijn tabakzak
-aan waarop hij zeide:
-</p>
-<p>„Toe nou, kerel vertel mij nu alles mooi, hoe dit gekom is, want ik is rechte nieuwsgierig
-om te hoor hoe het met mijn oude vrienden gaat. Zooals jij weet was ik groote vrienden
-met je pa, en toen die verflakste Engelschen hem hier bijna drie jaar op die kasteel
-het laat zit, het ik banja keer die ouwe gaan zien, en hem in zijn droefheid getroost,
-zoo goed ik kon. Kerel, dat was een blijde dag toen hullie die ou-baas los gelaat
-het. Maar arme Oom Adriaan het die Engelschen in die Kasteel vermoord, kan een mensch
-maar zeg. Die arme ou man kon die nattigheid, en die ongezonde onderaardsche kerkers
-niet staan, en hij is aan een kwaal overleden. Die Heere zal nog een dag die Engelschman
-voor die ding straf, al mag dit misschien honderd jaren duren.”
-<span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span></p>
-<p>De lezer zal waarschijnlijk wel begrijpen dat Van Eck hier doelde op de ongelukkigen
-die deel hadden genomen aan den opstand te Graaff-Reinet in 1799. Jans Botha’s vader,
-Teunis Botha, was een der voormannen geweest in dien opstand. Hij woonde toen op Keurfontein,
-een plaats niet ver van het tegenwoordige Port Elizabeth gelegen, en het was hij die
-een tijdje lang kommandant was van de Boeren die toen de Engelschen hadden moeten
-beletten om in Algoabaai te landen, doch dit mislukte omdat er geen eensgezindheid
-onder de opstandelingen was, en zij bovendien vreesden om door het leger van Generaal
-van de Leur, dat van uit den kant van Swellendam kwam, van Graaff-Reinet te worden
-afgesneden. Teunis Botha was toen gevonnisd geworden om op het schavot te worden ten
-toon gesteld, met een zwaard over zijn hoofd gezwaaid als teeken dat hij den dood
-had verdiend, en daarop uit de kolonie levenslang te worden verbannen. Het eerste
-gedeelte van het vonnis werd werkelijk uitgevoerd, maar hij werd niet uit de kolonie
-verbannen doch gevangen gehouden totdat hij met de anderen werd ontslagen, toen in
-1803 de Hollanders weder in het bezit der kolonie werden gesteld. Het is nauwelijks
-noodig te zeggen dat deze gebeurtenis een diepen indruk had gemaakt op den Graaff-Reinetschen
-boer <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>en dat hij zoowel als zijne familie een diepen wrok in het hart koesterden tegen de
-Engelschen, en gedurig op wraak zonnen. Ook de jonge Jan had een geweldigen haat tegen
-de Engelschen, en de gedachte dat zijn vader jaren lang in de vunzige kerkers van
-het Kaapsche Kasteel had gelegen, maakte hem steeds de tanden knersen. Jan van Eck
-had vele jaren geleden kennis gemaakt met den ouden flinken boer uit Graaff-Reinet,
-en was vol bewondering geweest voor diens vaderlandsliefde, en zucht naar vrijheid,
-en door hem was hij bekend geraakt met den toestand van zaken in de Oostelijke distrikten,
-waar er toen reeds moeilijkheden met de Kaffers op handen waren. Teunis Botha, een
-man die de kleurlingen goed kende, had reeds toen gezegd, dat als men de grensboeren
-hun zin gaf, en ze toeliet om op hun eigen manier de Kaffers te bevechten, zij spoedig
-een einde zouden maken aan de tyrannie van het zwarte ras, en waarschijnlijk had hij
-daarin gelijk. Toch in die dagen was de Kaffer nog niet bekend met de uitwerking van
-de vuurwapens der Europeanen, en wist hij dat hij over geene andere wapens kon beschikken
-dan over zijn assegaai en zijn schild, zijn pijl en zijn boog. Waren de boeren toen
-den kleurling op flinke wijze te lijf gegaan, en waren zij er in geslaagd hem flink
-te verslaan, dan <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>had de Kaffer ongetwijfeld een groot respekt voor den blanke gekregen, en zou hij
-voor dezen op den duur pad hebben gegeven, zoodat de Europeaan dan in het bezit zou
-zijn gekomen van het prachtige land dat toen, en gedeeltelijk nu nog door de Kaffers
-was bewoond; want het lijdt geen twijfel of de Kaffer zou weder getrokken zijn naar
-de noordelijke streken waar hij oorspronkelijk van daan was gekomen. De geschiedenis
-van Zuid-Afrika zou dan geheel veranderd zijn geweest, en heel wat van het bloed dat
-in de vele kaffer oorlogen is gevloeid, zou dan gespaard zijn gebleven. Maar de ongelukkige
-politiek der Engelsche regeering die nooit heeft willen luisteren naar de mannen die
-bekend waren met den waren toestand van zaken, is de oorzaak geweest dat de dingen
-verkeerd liepen, en dat nog heden de inboorlingen kwestie de groote levenskwestie
-voor dit land is, en Zuid-Afrika nooit zal wezen wat het behoort te wezen, voor dat
-die kwestie, hoe dan ook, uit de wereld is gemaakt.
-</p>
-<p>Doch dit is slechts terloops gezegd.
-</p>
-<p>Jan Botha voldeed aan het verzoek van den ouden heer en begon te vertellen als volgt:
-</p>
-<p>„Oom weet dat die Kaffers aan onze oostelijke grenzen voor hullie zelve die naam van
-Kosas geef. Hullie het jaren geleden een groot opperhoofd gehad <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>wat Raraba genaamd was, maar onder Raraba zijn kleinzoon is daar ruzie onder die Kaffers
-ontstaan. Hintsa wordt gerekend als die groot kapitein van die algemeene Kosa stam,
-maar hullie is verdeeld in een aantal kleinere stammen, en een van die voornaamste
-daarvan is die Gaikas, wat zoo genoemd wordt naar die opperhoofd Gaika. Een oom van
-Gaika, Niambe, of Slambi zooals ons hem noem, is begeerig om die hoofd van die Gaika
-stam te word en hij het een grooten aanhang, alhoewel dit schijnt dat die Engelschen
-Gaika erken als die hoofd van die stam. Nou is daar gedurig oorlog tusschen die volk
-van Gaika en die volk Niambe. Een ander kapitein wat ook grooten invloed het, is Cungwa,
-en hij is die lastigste van almaal. D’is hij wat over die Kei het getrek, en nou tusschen
-die wit menschen inwoon; hij is al glad zoover gekom als die Langkloof.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>In October 1809 het die Engelschen probeer om Cungwa uit die land te laat gaan; hullie
-het hem een stuk grond bij die Kaap aanpresenteer, maar hij wou dit niet neem. Cungwa
-het toen daarom beloof dat hij zal teruggaan over die Vischrivier, maar hij is in
-plaats daarvan naar die Zondagsrivier gegaan, en toen begon die lieve leventje. Hij
-het zijn kaffers links en rechts uitgestuur om te plunder en te rooven, en hij doet
-nu net wat hij wil. Een <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>heele partij van die menschen wat aan die westekant van die Vischrivier woon, is al
-verplicht gewees om hullie plaatsen op te geef, want die kaffers plunder en steel
-zoo vreeselijk dat dit glad nie meer veilig is, en als een mensch naar die gestolen
-goed wil zoek, is hullie zoo parmantig dat dit makkelijk leelijke dingen kan afgeef.
-Die Engelschen het daarenboven die ding glad voor ons menschen bederf. In die vroeger
-dagen het een boer als hij goed verloor het, zelf daarnaar loop zoek, en zelfs al
-was dit door die Kaffers gesteel, het hij dit dikwijls teruggekrijg, omdat ons menschen
-weet hoe om met die Kaffers te werk, en die Kaffers nog een beetje respekt voor die
-boeren het. Maar om een Engelschman geef hullie glad nie, zooals dit lijk; en die
-gouvernement is bang om een oorlog met die Kaffers te maak, en dit weet die zwarte
-duivels. Die gouvernement het nou een nieuwe regel gemaakt dat als een man vee verloor
-het, hij dit aan die veldkornet moet rapporteer, wat dit weer aan die landdrost rapporteer,
-en die laat dan naar die vee zoek. Maar Oom kan begrijp dat tegen die tijd wat die
-landdrost menschen uitstuur om die vee te gaan zoek, dan is die vee al zoover Kafferland
-in, dat daar glad nie kans is om dit terug te krijg. Daarenboven gebruik die gouvernement
-die Hottentot <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>soldaten om naar die vee te zoek, en dit lijk al te banja alsof die Hotnots kop in
-één muts is met die Kaffers, en op die manier krijg die arme boer nooit zijn vee terug.
-Als dit nog een beetje zoo aanhou, dan zal al ons menschen verplicht wees om die plaatsen
-in die Zuurveld en zelfs in die Zwartruggens te verlaat, en dan krijg die vervlakste
-Kaffers die mooiste stuk van die land, en moet ons boeren zie hoe hullie klaar kom.
-Die menschen word nou rechtig ontevree, want hullie reken d’is die gouvernement zijn
-schuld dat die ding zoo verkeerd loop, want als die regeering van die staanplek af,
-flinker was geweest, en ons menschen had opgeroep om een kommando op te maak, dan
-had ons die Kaffers gauw uit die wereld uitgejaag. Ons hoor, Oom, dat die Engelsche
-zendelingen wat nou onder die Kaffers werk die partij van die Kaffers neem. Hullie
-zeg dat die land eerst aan die Kaffers het behoor, en dat ons dit van hullie afgeneem
-het, en nou maak hullie uit, dat dit die plicht van die regeering is om die land aan
-die Kaffers terug te geef. Daar is een zendeling Read, Oom, een maat van die oû vuilnis,
-van der Kemp, wat net als een Hottentot leef, en zwart vrouwens het; die Read is een
-man wat die boeren vreeselijk haat, en die zwart volk tegen hullie opstook; en nou
-is daar een Dr. Philip gekom, Oom, <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>wat net zoo verrot is, en dit lijk alsof hij die baas van die klomp zendelings is.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Die gouvernement is bang voor die zendelings, zooals dit lijk, want als een zendeling
-hem eenmaal met een ding het bemoei, is daar nie meer kans voor die boer om recht
-te krijg, en die landdrosten is nou zoo partijdig voor die volk dat een mensch net
-voor niks bij hullie gaat klaag nie. Die menschen word rechte onstuimig, en daar is
-partij wat grof begin te praat. Pa zeg, dat als die Engelschman nie ophou, daar leelijke
-dingen op die grenzen zal gebeur.”
-</p>
-<p>Jan van Eck had dit vrij lange verhaal zwijgend aangehoord, maar men kon het hem aanzien
-dat hij niet een beetje kwaad was. Toen Jan Botha klaar was, bleef de oude man nog
-een tijdje lang in gedachten verzonken; toen zeide hij:
-</p>
-<p>„Jan, jullie kerels op die oostelijke grenzen is toch zeker fluks genoeg om die Engelschen
-daaruit te jaag. Of als jullie dit niet wil doen nie, waarom maak jullie dan nie zelf
-een kommando van jullie menschen op om die kaffers uit die Zuurveld te jaag. Die land
-is jullie zijne, en in die oude dagen was daar glad nooit kaffers. Daar het, geloof
-ik, in die oude dagen een Hottentot stam daar gewoon, maar hullie was rondzwervende
-volk, wat van daag hier <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>en morgen daar was. Ons het die land in bezit geneem in die dagen van die Compagnie
-en die Engelschen is gek als hullie denk dat hullie jullie daaruit kan jaag”.
-</p>
-<p>„Tegen die Engelschen kan ons niks nie maak nie, Oom,” zeide Jan Botha, „ons menschen
-is te ongelijk; partij van hullie is aan die Engelsche kant omdat hullie geld uit
-die Engelschen maak en daar is nog al van ons voormannen, zooals kommandant Jan Nel,
-wat altijd preek dat ons maar geduldig moet wees, en gehoorzaam aan die regeering.
-En tegen die Kaffers kan ons ook niks begin nie, want die gouvernement zal ons nie
-kruit en lood geef om op kommando te gaan, en zonder ammunitie kan ons natuurlijk
-niks begin nie.”
-</p>
-<p>„Ja, Jan, dit is een ongelukkige ding dat ons Afrikaners zoo ongelijk is; in 1799
-met die opstand van Adriaan van Jaarsveld en jou pa, was dit net zoo die geval; als
-die menschen in Graaff-Reinet en Swellendam toen almaal gelijk getrek het, dan was
-die ding glad anders gekom. Maar die één het dit gewil, en die ander dat; die één
-wou nie onder die orders van die ander staan, en omdat ieder net zijn eigen kop het
-gevolg en zijn eigen belang getrek het voor die belang van die land, het <span class="corr" id="xd31e1993" title="Bron: die die">die</span> ding verkeerd geloop, en kon daar niks nie gedaan word. <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>Daar zal nog banja water in die zee moet loop<span class="corr" id="xd31e1998" title="Bron: .">,</span> voor ons menschen leer, dat als ons iets groots wil tot stand breng, ons saam moet
-werk, en als één man bij malkaar moet staan.”
-</p>
-<p>„D’is zeker waar, oom,” vervolgde Jan Botha, „maar dit zal nog lang neem voor ons
-zoover is. Op die oogenblik speel die Engelschen heeltemaal die baas, en die zendelingen
-is op <span class="corr" id="xd31e2003" title="Bron: Graaff Reinet">Graaff-Reinet</span>, en bij Bethelsdorp vreeselijk in die weer. Ik hoor dat hullie bezig is om een heele
-lijst van beschuldigingen intebreng tegen een spul van onze menschen wat hullie beschuldig
-van hun volk slecht te behandel. Die boeren, zeg hullie, is die wreedste natie op
-die wereld, en as een mensch die gekke praatjes hoor wat hullie vertel, kan een mensch
-amper lach. Verleden maand vertel een man uit Swellendam mij, dat hij van een van
-die zendelingen gehoord het, dat daar boeren vrouwens is, wat hullie meiden straf
-door hullie kokende water over die kop te gooi, en dat een vrouw zelfs een kaffer
-in een pot kokend water het laat gooi, omdat hij niet wou doen wat zij ver hem gezegd
-had. Ook dat een van onze voornaamste boeren een Hottentot zoolang met een sjambok
-het geslaan dat hij er dood van bleef, en toen het hij hem stilletjes begrave, omdat
-hij bang was dat die menschen dit zou uitvind. Hij en die Hottentot, zoo vertel die
-<span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>zendeling, was alleen, en als die Hottentot dan dood en begraven is, dan wil ik wel
-weet wie die storie onder die menschen vertel het, of die boer moet dit zelf gedaan
-het.”
-</p>
-<p>„Dit bewijs wat een leugen dit is”, zeide van Eck lachend, „want als die boer dan
-zoo bang was dat die menschen dit zou uitvind, dan zal hij dit toch nie zelvers gaan
-vertel nie. Maar, jong, die goed lieg zoo, dat hullie dit zelf geloof. Die waarheid
-is, dat die zendelings staties niks anders is nie, dan een legplek voor al die niksnutsige
-volk, wat van hullie bazen weggeloop het of niet wil werk nie, en dit banja lekkerder
-vind om op die statie te leg, en die boer zijn vee te steel. Hullie gaat iederen dag
-naar die kerk toe, en om in die gunst van die zendelings te geraak, vertel hullie
-die arme onnoozele Engelschen allerlei leugens, en die zendelings is zoo dom dat hullie
-dit alles geloof, of anders is hullie zoo laag, dat al geloof hullie dit nie, hullie
-toch te blij is om zoo iets te hoor, want dan het hullie alweer een wapen tegen die
-boeren, wat hullie zoo haat. Ik het indertijd gezegd dat dit een fout was van generaal
-Janssens om die zendelings zoo te bescherm, en aan van der Kemp en Read die plek bij
-Bethelsdorp te geef. Als die regeering die Moravische broeders, wat in Genadendal
-is, ondersteuning <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>had gegeven, zou dit veel beter zijn geweest, want hullie leer die volk om behoorlijk
-te werk en stook hullie nie op nie tegen hullie bazen zooals die andere zendelings
-doet. Maar die zendelings van die Londensche genootschap is een ware pest voor die
-land, en die zoogenaamde christelijkheid wat hullie die Hotnots leer, is eerder die
-leer van die Satan dan die leer van Christus.”
-</p>
-<p>„D’is nie alleen met die hotnots wat die zendelings in Bethelsdorp mee werk, oom,”
-zeide Jan Botha weer,<span class="corr" id="xd31e2014" title="Bron: ” "> „</span>onder die baar Kaffers is hullie net zoo bezig. Daar is Tshatsu, een van die kapiteins
-wat ons menschen net banja lastig val in die Zuurveld, met hem is hullie ook al bezig
-geweest, en nou is zijn oudste zeun dan kamma in die school te Bethelsdorp, en hullie
-zeg dat die arme bare kaffer nou een bekeerde christen is.”
-</p>
-<p>„Ja,” hernam Van Eck lachend, „die soort van stories hoor een man meer van zendelings,
-maar ongelukkig wijs die bekeerlingen dit nie altijd in hullie daden. Van een kaffer
-in zulk een geval geldt die oude spreekwoord, „Een vos verander wel van haren, maar
-niet van streken”. Maar misschien zal dingen nou beter word. Graaf Caledon is naar
-Engeland terug gegaan, en ons krijg nou een generaal Sir John Cradock, als gouverneur
-hier, en dit is te hopen <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>dat hij die Kaffers zal rechtmaak, want anders weet ik rechtig niet wat die menschen
-op die grenzen moet begin.<span class="corr" id="xd31e2021" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>D’is waar Oom,<span class="corr" id="xd31e2027" title="Bron: „">” </span>zeide Jan Botha, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>zooals die ding nou is, kan dit niemeer blijf nie, en anders zal ons menschen verplicht
-wees om uit die kolonie tetrek, en naar die binnenland te gaan, waar ons bevrijd zal
-wees van die vloek der Engelsche regeering. Maar ik het lang, glad telang, hier zit
-en praat, en mijn volk is alleen bij die wagen. D’is ouwe volk van ons, maar een mensch
-kan een Hotnot nooit heeltemaal vertrouw nie, en hullie kan misschien allerlei soort
-van kattekwaad uitvoer”.
-</p>
-<p>Met deze woorden stond Jan Botha op, groette den heer Van Eck minzaam, en schoon deze
-hem uitnoodigde om het avondeten bij hem te gebruiken, weigerde Jan dit, en stapte
-in de richting van Papendorp, waar zijn wagens uitgespannen waren.
-</p>
-<p>Jan van Eck bleef nog een tijd lang in gedachten verzonken zitten, toen stond hij
-op en riep zijn oude jongen om het avondeten gereed temaken. Een half uur later was
-hij, naar gewoonte bezig om zijn dagboek in te vullen, altijd zijn laatste werk vóór
-hij ging slapen.
-<span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch13.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK XIII." width="560" height="117"></div>
-<h2 class="label">HOOFDSTUK XIII.</h2>
-<h2 class="main">Slot.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Er zijn nog maar weinige menschen aan het leven die zich den vreeselijken storm herinneren,
-die op den 31<sup>sten</sup> Augustus van het jaar 1811 in Kaapstad woedde. Leven er misschien nog enkelen, die
-in die dagen reeds oud genoeg waren om zooiets bemerkt te hebben, dan is het nog zeer
-de vraag of zij zich dezen bijzonderen storm zullen herinneren, want stormen zijn
-zoo gewoon op het Kaapsche schiereiland in den winter, dat de oude inwoners van de
-Kaap er geen bijzondere attentie aan schonken, tenzij die gekenmerkt werd door het
-vergaan van een aantal schepen, iets dat maar helaas, al te dikwijls <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>gebeurde in de dagen, toen de Tafelbaai nog open lag voor de verschrikkelijke golven
-van den Oceaan, en er geen breekwater was, om die golven te keeren, zoodat de schepen
-veilig onder de bedekking er van konden liggen, zooals zij thans doen. In de geschiedenis
-boeken van de Kaapkolonie is dan ook geen melding gemaakt van dezen storm op gemelden
-datum, en dat waarschijnlijk omdat juist toen, er geen enkel schip in Tafelbaai lag,
-en de woedende elementen dus niet de gelegenheid hadden om hun wraak aan een enkel
-schip te koelen. Er lagen wel eenige schepen in de baai Fals, maar deze baai was in
-den winter een veel veiliger haven dan de Tafelbaai, omdat zij meer beschut was tegen
-de Noordwester stormen die in den winter heerschen. Wij vinden echter in het dagboek
-van Jan van Eck melding gemaakt van dien storm, en hij schijnt zeer erg geweest te
-zijn, zooals mijne lezers uit dit laatste gedeelte van het dagboek zullen zien.
-</p>
-<p>Wat Van Eck schreef komt omtrent hierop neer. Reeds in den namiddag van den 30<sup>sten</sup> Augustus begon de Noordwesten wind te waaien, maar het was toen nog maar een lichte
-bries, die geen ander effekt scheen te hebben dan dat zij uit het Noordwesten, zoowat
-tusschen Robbeneiland en Houtbaai eenige wolken aan den gezichteinder deed oprijzen,
-<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>die aantoonden dat er nog heel leelijk weer in dien hoek zat, wat niemand verwonderde,
-want in Augustus is de winter nog lang niet over in het zuiden der kolonie, en zelfs
-in October krijgt men dikwijls zeer zware regens en stormen. In den nacht wakkerde
-de wind echter wat aan, en toen de goede Kapenaars den volgenden morgen ontwaakten,
-was de lucht met lichte wolken overdekt, terwijl uit de zee ontzettende wolkgevaarten
-kwamen aanzetten, met dien statigen tred, die een zware storm voorspellen. Zwarte
-zware, donder koppen waren het eenigszins buitengewoon van vorm en kleur; zij waren
-niet gewoon zwart, maar schenen een soort van blauwachtigen glans te hebben, en hier
-en daar waren er tusschen hen eenige witachtige wolken, die zich op hun eigen houtje
-tusschen de zwarte wolken bewogen, gedreven door eene luchtstrooming, die oogenschijnlijk
-dichter bij de aarde was dan de wind die de zwaardere gevaarten voortstuwde. Naarmate
-de dag voorbij ging, kwamen deze zwarte wolken nader, en tegen den avond zoowat omtrent
-den gewonen zonsondergangstijd, (want de zon zelve was niet meer zichtbaar) was de
-geheele Kaapstad in een blauwachtig, geheimzinnig waas gehuld, terwijl de wind nu
-geheel was gaan liggen. Het was de stilte vóór den storm; een akelige, benauwde, angstwekkende
-stilte, zoo doodsch <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>en zoo treurig, dat als men sprak men voor zijn eigene stem schrok. Alle menschen
-zorgden dan ook om binnentijds in huis te komen, en zich daar veilig wanende, achter
-de dikke muren hunner huizen, wachtten zij met eenigen angst den verderen loop der
-zaken af.
-</p>
-<p>Het was even over zes ure, toen de natuur hare strijdkrachten scheen te hebben gemonsterd,
-en plotseling zich tot den aanval gereed maakte. Een felle bliksemstraal kliefde de
-lucht, en bijna op hetzelfde oogenblik kraakte er een geweldige donderslag, die de
-stad tot in hare grondvesten scheen te doen beven. Dadelijk daarop verhief de wind
-zich met ontzettend geweld, zoo erg, dat hij stukken schoorsteenen, en wat weggerukt
-kon worden, door de straten slingerde, en dat onder een gehuil en een gesis dat iemand
-hooren en zien deed vergaan. Steeds woedender werd het gebulder der elementen; en
-daarmede vermengde zich nu het gedruisch der opgezweepte golven, die als brieschende
-en schuimende paarden de baai binnen rolden en kletterend zich te pletter beukten
-tegen de rotsen nabij het kasteel en het omringende zand. Kort daarop begon de regen
-in stroomen neer te vallen, en werden de straten en wegen in ware rivieren herschapen,
-terwijl de wind steeds bleef doorwaaien, en zelfs heviger scheen te worden.
-<span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span></p>
-<p>Jan van Eck was dien avond vrij vroeg in zijn huis gegaan, want ook hij had den storm
-zien aankomen. Hij had juist zijn avondeten genuttigd, toen de storm losbrak, en dat
-met zooveel geweld, dat zijn oude jong half bang werd, en de aanmerking maakte dat
-dit leek alsof de wereld wilde vergaan, en dat een mensch kon bang worden dat die
-wind die huis kon omwaaien, of de golven het konden wegspoelen. Maar de oude man lachte
-om dit denkbeeld. Het huis, zoo zeide hij, was stevig gebouwd en had nog wel zwaardere
-stormen doorleefd, en het was niet zeer waarschijnlijk dat de golven zoover het strand
-zouden opkomen, al was in December 1809, toen er een aardbeving was geweest, de zee
-tot zeer dicht bij het huis gekomen, maar misschien was dit een aardbevingsgolf geweest,
-die altijd hooger drong dan de golven onder gewone omstandigheden.
-</p>
-<p>„Ga jij maar gerust slapen”, zeide hij tot den slaaf, en deze, die een onbeperkt vertrouwen
-in zijn meester had, en hem nooit tegensprak, ging dan ook werkelijk zijn bed op de
-gewone plek in de kombuis maken, want het huisje van Van Eck bestond slechts uit twee
-vertrekken, een waarvan als woon<span class="corr" id="xd31e2062" title="Niet in bron">-</span> en slaapkamer diende, terwijl de andere als kombuis en bergplek diende.
-</p>
-<p>Toen de jongen in bed was, ging van Eck zijn <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>dagboek te voorschijn halen, en zette pen en inkt voor zich neder, zooals hij de laatste
-twintig jaren steeds had gedaan. Wie op dat oogenblik zijn kamer was binnen gekomen,
-zou nooit hebben kunnen droomen, dat daar buiten de elementen een hevigen strijd aan
-het voeren waren, en dat wind, en regen met elkander in geweld wedijverden onder het
-gedurige, en steeds sterker wordende gebrul en gedonder der golven, die thans berghoog
-de baai kwamen binnen rollen, en zeker alle schepen in de baai zouden hebben doen
-vergaan, zoo er eenige waren geweest.
-</p>
-<p>Jan <span class="corr" id="xd31e2070" title="Bron: Van">van</span> Eck was er niet de man naar om zich te bekommeren over dezen strijd, die daar buiten
-aan den gang was; een meer dan vijf-en-twintig jaar leven aan Tafelbaai’s strand had
-hem er aan gewoon doen worden, en het geloei van den storm en het gebrul der baren
-was hem immer een soort van muziek geweest, die hem in den slaap suste, als ware het
-een zoet gezang geweest dat moeder natuur voor hem, haar kind, zong. Doch dezen avond
-was het den ouden man toch wonderlijk te moede; hij luisterde een tijd lang naar de
-geluiden daar buiten, en het kwam hem voor alsof er dien avond iets bijzonders in
-die geluiden was, iets dat hem vroeger nooit had getroffen. Zijne gedachten gingen
-<span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>als van zelve terug naar de dagen van ouds, en zijn geheele leven ontrolde zich voor
-zijne oogen als een onafgebroken tooneel, van af zijne prilste jeugd tot aan den tegenwoordigen
-tijd. Hij zag weder de goede oude dagen, toen er hier in de kolonie een oprecht en
-rechtvaardig man aan het hoofd van zaken stond, een man zooals men sedert hem niet
-had gezien; Rijk Tulbagh, de vader des volks, de man die niet <span class="corr" id="xd31e2075" title="Bron: allen">alleen</span> belang stelde in de welvaart van de volkplanting in het algemeen, maar die zich ook
-het lot van iedere klasse, en men zou bijna kunnen zeggen van ieder individu in de
-kolonie aantrok. En toen ontrolde zich één voor één de verdere tooneelen van de geschiedenis
-der Kaap; hij zag de zaken achteruit gaan onder onverschillige en onbekwame gouverneurs;
-de Compagnie in den uitersten geldnood verkeeren, en trachtende om uit de kolonie
-te zuigen wat er te zuigen viel, ten einde toch maar in staat te zijn het hoofd boven
-water te houden. En toen zag hij ten slotte de eerste verovering van de Kaap door
-de Engelschen, en zich zelven met geweer en kruit en kogeltasch staan bij het strand
-aan Muizenberg; hij streed nog eens den slag van Muizenberg over, en het rood der
-schaamte kleurde zijn gelaat als hij dacht, hoe de volkplanting toen schandelijk verraden
-was, door hen aan wien <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>het bestuur en de bewaking er van waren toevertrouwd. Toen volgde eenige treurige
-jaren, jaren van vreemde heerschappij; die jaren die door mannen als Adriaan van Jaarsveld,
-Teunis Botha en anderen werden doorgebracht in de vunzige, ongezonde kerkers van het
-Kaapsche kasteel, waar zij bleven totdat er een beteren tijd naderde, en de Hollandsche
-driekleur weder fier van de tinne van het kasteel wapperde. Welke tijden waren dat
-toen, en wat hadden zij niet beloofd? Maar die hoop was op grove wijze teleurgesteld,
-de oorlog brak weder uit, en de Britsche Leeuw, ergerlijk dat hij reeds éénmaal zijn
-prooi had moeten loslaten, sloeg weder den klauw op de kust van Zuid-Afrika. Weer
-woei het kruis van St. George aan de Tafelbaai, en het scheen bijna alsof zij daar
-zou waaien totdat de dag des doems de dooden in hunne graven zou doen ontwaken, en
-er een andere Vorst over de aarde zou regeeren, dan de zwakke monarchen dezer wereld.
-</p>
-<p>Al denkende over al deze gebeurtenissen, die zich voor zijn oog ontrolde, greep Jan
-van Eck, de laatste der oude Afrikaners van het Westen, de pen, om, vóór hij zich
-ter ruste begaf, nog zijn dagboek bij te werken. Hij begon: „Buiten loeit de storm,
-zoo erg als ik hem nog nimmer gehoord heb; binnen in mijn hart, woelt en stormt het
-van gedachten. Arm Kaapland, <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>wat zal van u worden? Welke tooneelen zal men hier aanschouwen binnen de volgende
-honderd jaren? zal er éénmaal een dag komen wanneer.…<span class="corr" id="xd31e2084" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Hier houdt het dagboek plotseling op, en na het woord „wanneer”, of liever er vlak
-onder, ligt een groote inktvlak. Wat is er met den schrijver gebeurd? Die vraag heb
-ik mij zelven zoo dikwijls gesteld, en er toch nooit eene behoorlijke oplossing van
-kunnen vinden. Dat het huisje van den ouden man op diens hoofd door den storm vernield
-is, komt mij onder de omstandigheden zeer onwaarschijnlijk voor. Want ten eerste schijnt
-hij tijd gehad te hebben om zijn dagboek weg te sluiten in de kist waarin hij die
-gewoonlijk bewaarde, en de kist zelf behoorlijk te sluiten. Ten tweede is er geen
-spoor te vinden van zijn lijk, en in de kerkboeken van de Hollandsche Kerk te Kaapstad
-heb ik te vergeefs gezocht naar iets omtrent zijn dood of begrafenis. Misschien dat
-het gebouw werkelijk aan het wankelen is geraakt en dat Van Eck het verliet, om op
-de eene of andere wijze zijn leven te redden, doch dat de woeste baren hem hebben
-uitgenomen, en hij in de Tafelbaai zijn dood vond? Doch waarom ons in zulke gissingen
-verdiept? De golven van den oceaan weten hunne geheimen te bewaren, en de grafgezangen
-door hen <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>over duizenden en honderdduizenden van menschen gezongen, worden door ons niet verstaan.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Een jaar of wat geleden, toen ik voor het eerst Kaapstad bezocht, maakte ik ook eene
-wandeling langs het strand tusschen Woodstock—(of Papendorp) en Zoutrivier, en trachtte
-zoo goed mogelijk de plaats te vinden waar het huis van Jan van Eck had gestaan, want
-schoon de dokter die mij zoo goed mogelijk had beduid, hadden er zoovele veranderingen
-plaats gevonden, dat ik niet geheel zeker van mijne zaak was.
-</p>
-<p>Ik zette mij neder op eene boot, die, onderste boven gekeerd, op het strand lag, en
-keek eens om mij heen.
-</p>
-<p>De Tafelbaai was vol schepen en stoombooten; links van mij strekte zich Kaapstad uit,
-en van het Kasteel waaide nog de Engelsche vlag. Rechts van mij lag Maitland, en de
-groote Spoorwegwerkplaats te Zoutrivier. Een kleinen afstand achter mij ratelde er
-bijna elke tien minuten een spoortrein van of naar Kaapstad, en rijen van telegraafdraden
-doorsneden als spinnedraden de ruimte boven den spoorweg.
-</p>
-<p>Wat al veranderingen, wat al vooruitgang op stoffelijk gebied, sinds de dagen van
-1812! Als de <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>arme Jan van Eck weer eens in het leven terugkwam, zou hij van dit alles niets begrijpen;
-hij zou een vreemdeling in de stad zijner geboorte zijn. Maar toch zou hij er eenige
-dingen vinden, die niet veranderd waren. Niet zaken der uiterlijke wereld, maar dingen
-die tot den geest van den mensch behooren. Want sinds 1812 is de klove, die er toen
-reeds bestond tusschen Afrikaner en Engelschman, niet gedempt; integendeel zij is
-breeder en dieper geworden; zij gaapt als een peilloozen afgrond. ’t Is niet hier
-de plaats om al de gebeurtenissen na te gaan, die daartoe hebben geleid.
-</p>
-<p>Maar toch is er iets dat ik graag onder den aandacht mijner lezers wil brengen, juist
-daarom, omdat, als zij werkelijk het rechte begrip er van krijgen, er meer kans is
-op samenwerking in Zuid-Afrika, dan er nu schijnt te bestaan.
-</p>
-<p>Men is gewoon om in Zuid-Afrika Engelschman tegenover Afrikaner te stellen; men heeft
-dit zoolang gedaan tot er werkelijk een rassengevoel is ontstaan, die alreeds tot
-de treurigste gevolgen heeft geleid. En toch, als men de zaak degelijk bekijkt, dan
-is de strijd die in <span class="corr" id="xd31e2105" title="Bron: Zuid Afrika">Zuid-Afrika</span> heeft geheerscht en nog heerscht, reeds duizenden van jaren oud, en zij bestaat overal.
-Het is de strijd tusschen den stadbewoner en den plattelands-bewoner, de strijd tusschen
-<span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>handel en landbouw. Dat de strijd die van de eene nationaliteit tegen de andere geworden
-is, is alleen veroorzaakt door het feit dat het na 1806 de Engelschman was, die de
-stadbewoner werd, en de Afrikaner gewoon aan het vrije buitenleven, weigerde stadbewoner
-te worden. Voor een land als Engeland, dat geheel van den handel leeft, en dat als
-het ware één groote stad wordt, en waar de landbouw bijna geheel verdelgd is ten gunste
-van de industrie<span class="corr" id="xd31e2110" title="Bron: - ">—</span>voor zulk een land is het natuurlijk een levenskwestie om zijn handel, en diergenen
-zijner onderdanen die van den handel leven, te beschermen. Daarom heeft Engeland in
-Zuid-Afrika eene zuivere handelspolitiek gevolgd, die direkt en indirekt werkte ten
-nadeele der Afrikaander Boeren. Daardoor zijn hare verkeerde maatregelen ontstaan
-met betrekking tot onze inboorlingen, die alleen werden beschouwd als mogelijke koopers
-en dus beschermd werden tegenover de Boeren, die terecht den kleurling aanziet als
-den arbeider van het land. Sympathie en Samenwerking tusschen de twee klassen van
-bevolking waren onmogelijk van het begin af aan; het was geen rassenhaat, maar een
-direkt tegenover elkander staan van belangen.
-</p>
-<p>Zal samenwerking ooit mogelijk worden? Wij hebben redenen genoeg om er aan te twijfelen,
-als wij tenminste mogen oordeelen naar de toestanden <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>en gebeurtenissen die in andere landen hebben plaatsgevonden en nog plaatsvinden.
-Beide partijen zullen steeds trachten om elkander een vlieg af te vangen, zooals het
-spreekwoord luidt. Zoodra de Boerenpartij te machtig wordt, en door hare meerderheid
-in het Parlement in staat is maatregelen te nemen ten gunste van den landbouw, op
-datzelfde oogenblik zal de oude storie herhaald worden, en zal Engeland de handelspartij
-te hulp moeten komen.
-</p>
-<p>En wat leert ons ongelukkiglijk de geschiedenis. Dat, bijna overal waar de strijd
-plaats gevonden heeft, de steden het op den duur hebben gewonnen. En dat is ook begrijpelijk,
-want naar mate handel en industrie toenemen, en landbouw afneemt, na die mate groeit
-de bevolking der steden aan. ’t Is misschien een treurige toekomst voor den Afrikaner,
-maar de loop der dingen is niet te stuiten. Toch bestaan er betere kansen voor de
-landbouw bevolking in Zuid-Afrika dan ergens anders, tengevolge van de bijzondere
-omstandigheden, den aard van den grond en het klimaat van ons land, en er bestaat
-mogelijkheid, dat onder een gunstigen samenloop van omstandigheden, de Boer het toch
-wint. Maar dan is het noodig dat men de ware redenen van den strijd op den voorgrond
-stelt, en dat die niet op gebied van nationaliteit worde gestreden.
-<span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span></p>
-<p>Maar genoeg hiervan. Wij schrijven hier geen politieke verhandeling, maar wel iets
-over de geschiedenis en het leven onzer voorvaderen. Dat leven te bestudeeren moet
-voor elken Afrikaander iets aantrekkelijks hebben; het behoort zijne plicht te zijn
-met de geschiedenis van zijn land en volk bekend te raken. En daarom moet er nog veel
-worden gedaan voor onze opvoeding, of liever voor die onzer kinderen. Goede, goedkoope
-scholen, dat is wat wij nog noodig hebben. Hoe beter ons nageslacht opgevoed is, hoe
-beter kans zij hebben om den strijd te winnen.
-</p>
-<p>Afrika voor de Afrikaners! Dat is noch seditie, noch rebellie. Want onder Afrikaners
-verstaan wij alleen degenen die het ware welzijn van dit land ter harte hebben, hetzij
-zij van Engelschen bloede, of van Hollandschen, Duitschen, of Franschen oorsprong
-zijn.
-</p>
-<p>En daarom nog eens:
-</p>
-<p class="xd31e101"><i>Afrika voor de Afrikaners!</i>
-<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e2130">Bij de Holl.-Afrik. Uitgevers-Maatschappij v/h. JACQUES DUSSEAU &amp; Co. te <span class="ex">Amsterdam</span> en <span class="ex">Kaapstad</span>, is verkrijgbaar:
-</p>
-<p><b>Grappige Stories en andere Versies</b>, in Kaaps-Hollans, deur <span class="sc">Melt J. Brink</span>. Vijf verschillende bundels. <b>Prijs per bundel 2/9.</b>
-</p>
-<p><b>Johanna Cloete en andere verhalen</b>, door Ds. <span class="sc">J.&nbsp;D. Kestell</span>. Met een groot aantal prentjes tusschen den tekst. <b>Prijs 2/6.</b>
-</p>
-<p><b>Billy Bray, de Koningszoon</b>, door <span class="sc">F.&nbsp;W. Bourne</span>. Met een fraai portret van <span class="sc">Billy Bray</span>. 2e druk. <b>Prijs 2/3.</b>
-</p>
-<p><b>De Afrikaner Boer en de Jameson-inval</b>, door <span class="sc">Nico Hofmeyr</span>. Met een zeer groot aantal portretten en prenten. 2e druk. <b>Prijs 3/-.</b>
-</p>
-<p><b>Lichtstralen<span class="corr" id="xd31e2184" title="Bron: .">,</span></b> Getuigenissen der Schrift aangaande den Heiligen Geest. Stichtelijke toespraken door
-Prof. <span class="sc">N.&nbsp;J. Hofmeyr</span>. <b>Prijs 3/6.</b>
-</p>
-<p><b>De sleutel van het vraagstuk der zending<span class="corr" id="xd31e2196" title="Bron: .">,</span></b> Gedachten ontstaan bij het lezen van het rapport der Algemeene Zending-conferentie
-gehouden te New-York in 1900, door Ds. <span class="sc">Andrew Murray</span>. <b>Prijs 2/10.</b>
-<span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e2207">PAUL KRUGER
-</p>
-<p class="xd31e101">EN
-</p>
-<p class="xd31e2211"><span class="underline">De Opkomst der Zuid-Afrikaansche Republiek</span>
-</p>
-<p class="xd31e101">DOOR
-</p>
-<p class="xd31e2211">J.&nbsp;F. <span class="ex">VAN OORDT</span>, B. A.
-</p>
-<p class="xd31e101">Een groot zwaar boekdeel, meer dan 900 pagina’s dik, in prachtband, en versierd met
-een mooi portret van Oom Paul.
-</p>
-<p>Nu vrede en rust in Zuid-Afrika weder schijnt te heerschen, en men tot kalmte is gekomen,
-is het goed eens met dit boek in de hand na te gaan, wat aanleiding gaf tot den verschrikkelijken
-strijd, welke Zuid-Afrika voor jaren in zulke diepe ellende heeft gedompeld.
-</p>
-<p>Dit Standaardwerk behandelt de geschiedenis van Zuid-Afrika, vanaf de vroegste tijden
-tot op de laatste presidentsverkiezing, terwijl het duidelijk en op boeiende wijze
-verhaalt welke rol Paul Kruger, in die geschiedenis heeft gespeeld.
-</p>
-<p class="xd31e101"><i>Prijs nu slechts 12/6 Postvrij.</i>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table summary="Inhoudsopgave">
-<tr id="ch1.toc">
-<td class="tocDivNum">I. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">Het verhaal van den dokter.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch2.toc">
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">Waarin een begin wordt gemaakt met het verhaal, en de hoofdpersoon zijn intrede maakt.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">20</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch3.toc">
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">Een leelijk standje.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">44</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch4.toc">
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">Een gewichtige nacht.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">69</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch5.toc">
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">Jan van Eck wordt soldaat, en vecht mee.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">95</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch6.toc">
-<td class="tocDivNum">VI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">Het eerste Engelsche tijdperk.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">119</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch7.toc">
-<td class="tocDivNum">VII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">Jan van Eck viert feest, maar hoort toch tijdingen die hem niet bevallen, en die hem
-ruzie doen maken.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">136</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch8.toc">
-<td class="tocDivNum">VIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">Een korte tijd van rust, die veel belooft.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">151</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch9.toc">
-<td class="tocDivNum">IX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">De slag van Blauwberg, en hoe die afliep.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">162</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch10.toc">
-<td class="tocDivNum">X. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">Waaruit blijkt dat men in het jaar 1807 banja mak was in de Kaapstad.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">184</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch11.toc">
-<td class="tocDivNum">XI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">Een verhaal van een slaven opstand aan de Kaap.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">201</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch12.toc">
-<td class="tocDivNum">XII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">Jan van Eck krijgt bezoek, en hoort heel wat nieuws.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">218</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch13.toc">
-<td class="tocDivNum">XIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">Slot.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">236</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e44" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e44" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Aan Tafelbaai’s Strand: of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791–1811)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>D’Arbez [Pseud. van Johan Frederik van Oordt (1856–1918)]</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/121962631/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Illustrator:</b></td>
-<td>Cornelis Koppenol (1865–1946)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/295082989/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1903</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2022-02-12 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e218">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom">eenw</td>
-<td class="width40 bottom">eeuw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e276">1</a></td>
-<td class="width40 bottom">Oranje Vrijstaat</td>
-<td class="width40 bottom">Oranje-Vrijstaat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e282">2</a></td>
-<td class="width40 bottom">Medecijnen</td>
-<td class="width40 bottom">Medicijnen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e289">3</a></td>
-<td class="width40 bottom">patient</td>
-<td class="width40 bottom">patiënt</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="26 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e324">9</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom"> doen</td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e329">9</a></td>
-<td class="width40 bottom">dlt</td>
-<td class="width40 bottom">dit</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e377">17</a>, <a class="pageref" href="#xd31e674">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e786">65</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1732">188</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1766">193</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1783">196</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1917">221</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1921">221</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1933">222</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1945">222</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2021">235</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2084">244</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e422">22</a></td>
-<td class="width40 bottom">indentiteit</td>
-<td class="width40 bottom">identiteit</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e432">23</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom"> en</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e436">24</a>, <a class="pageref" href="#xd31e439">24</a></td>
-<td class="width40 bottom">idëen</td>
-<td class="width40 bottom">ideeën</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e446">25</a></td>
-<td class="width40 bottom">beginnnen</td>
-<td class="width40 bottom">beginnen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e458">26</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1269">128</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1613">176</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1998">232</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2184">250</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2196">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e475">28</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1474">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e484">29</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e487">29</a></td>
-<td class="width40 bottom"> „</td>
-<td class="width40 bottom">?” </td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e492">29</a></td>
-<td class="width40 bottom">ontevrodenheid</td>
-<td class="width40 bottom">ontevredenheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e499">30</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1093">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e501">30</a>, <a class="pageref" href="#xd31e515">31</a>, <a class="pageref" href="#xd31e932">86</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1734">188</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e506">30</a></td>
-<td class="width40 bottom">Graaff-Reinett</td>
-<td class="width40 bottom">Graaff-Reinet</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e525">32</a></td>
-<td class="width40 bottom">zeezicht</td>
-<td class="width40 bottom">Zeezicht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e561">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">geslependste</td>
-<td class="width40 bottom">geslepenste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e597">42</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e624">45</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1061">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2003">232</a></td>
-<td class="width40 bottom">Graaff Reinet</td>
-<td class="width40 bottom">Graaff-Reinet</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e631">46</a></td>
-<td class="width40 bottom">te worden te worden</td>
-<td class="width40 bottom">te worden</td>
-<td class="bottom">10</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e646">48</a></td>
-<td class="width40 bottom">Oost-Indievaarders</td>
-<td class="width40 bottom">Oost-Indiëvaarders</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e649">48</a></td>
-<td class="width40 bottom">stormsaizoen</td>
-<td class="width40 bottom">stormseizoen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e668">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1937">222</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1942">222</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1952">223</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2014">234</a></td>
-<td class="width40 bottom">” </td>
-<td class="width40 bottom"> „</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e684">52</a></td>
-<td class="width40 bottom">de</td>
-<td class="width40 bottom">De</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e690">52</a></td>
-<td class="width40 bottom">” </td>
-<td class="width40 bottom">, „</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e697">53</a></td>
-<td class="width40 bottom">Provincien</td>
-<td class="width40 bottom">Provinciën</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e709">54</a></td>
-<td class="width40 bottom">”,</td>
-<td class="width40 bottom">,”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e714">54</a></td>
-<td class="width40 bottom">ideëen</td>
-<td class="width40 bottom">ideeën</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e741">58</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1567">172</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e746">58</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1463">157</a></td>
-<td class="width40 bottom">zou</td>
-<td class="width40 bottom">zouden</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e758">61</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitmund</td>
-<td class="width40 bottom">uitmuntend</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e765">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">resolutien</td>
-<td class="width40 bottom">resolutiën</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e768">62</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2062">240</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e774">63</a></td>
-<td class="width40 bottom">geschiedden</td>
-<td class="width40 bottom">geschieden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e825">71</a></td>
-<td class="width40 bottom">Graaff Reinetters</td>
-<td class="width40 bottom">Graaff-Reinetters</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e848">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sluyskens</td>
-<td class="width40 bottom">Sluijskens</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e859">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">akkordeert</td>
-<td class="width40 bottom">accordeert</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e869">76</a></td>
-<td class="width40 bottom">ware</td>
-<td class="width40 bottom">waren</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e874">77</a></td>
-<td class="width40 bottom">Oranje rivier</td>
-<td class="width40 bottom">Oranjerivier</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e930">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">-</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e957">88</a></td>
-<td class="width40 bottom">luitenant kolonel</td>
-<td class="width40 bottom">luitenant-kolonel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e967">89</a></td>
-<td class="width40 bottom">Oost Indische</td>
-<td class="width40 bottom">Oost-Indische</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e989">91</a></td>
-<td class="width40 bottom">provincien</td>
-<td class="width40 bottom">provinciën</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e994">92</a></td>
-<td class="width40 bottom">geruineerde</td>
-<td class="width40 bottom">geruïneerde</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1029">95</a></td>
-<td class="width40 bottom">inplaats</td>
-<td class="width40 bottom">in plaats</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1034">96</a></td>
-<td class="width40 bottom">soldaten kamp</td>
-<td class="width40 bottom">soldatenkamp</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1095">105</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1923">221</a></td>
-<td class="width40 bottom">”, </td>
-<td class="width40 bottom">, „</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1104">105</a></td>
-<td class="width40 bottom"> </td>
-<td class="width40 bottom">, „</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1130">107</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1146">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">geinspekteerd</td>
-<td class="width40 bottom">geïnspekteerd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1175">116</a></td>
-<td class="width40 bottom">Govverneur</td>
-<td class="width40 bottom">Gouverneur</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1222">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">geruineerd</td>
-<td class="width40 bottom">geruïneerd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1229">122</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1260">127</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1680">183</a></td>
-<td class="width40 bottom">veroordeelen</td>
-<td class="width40 bottom">vooroordelen</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1241">124</a></td>
-<td class="width40 bottom">tegeven</td>
-<td class="width40 bottom">te geven</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1250">126</a></td>
-<td class="width40 bottom">bruilofsfeest</td>
-<td class="width40 bottom">bruiloftsfeest</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1342">139</a></td>
-<td class="width40 bottom">dat</td>
-<td class="width40 bottom">dan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1366">144</a></td>
-<td class="width40 bottom">maagelixter</td>
-<td class="width40 bottom">maagelixer</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1387">148</a></td>
-<td class="width40 bottom">verteld</td>
-<td class="width40 bottom">vertelt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1390">148</a></td>
-<td class="width40 bottom">.?</td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1408">149</a></td>
-<td class="width40 bottom">handeld</td>
-<td class="width40 bottom">handelt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1411">149</a></td>
-<td class="width40 bottom">barste</td>
-<td class="width40 bottom">barstte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1420">150</a></td>
-<td class="width40 bottom">bescheef</td>
-<td class="width40 bottom">beschreef</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1423">150</a></td>
-<td class="width40 bottom">Engelsche</td>
-<td class="width40 bottom">Engelschen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1435">152</a></td>
-<td class="width40 bottom">mannenals</td>
-<td class="width40 bottom">mannen als</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1446">154</a></td>
-<td class="width40 bottom">onpractische</td>
-<td class="width40 bottom">onpraktische</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1451">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">ideën</td>
-<td class="width40 bottom">ideeën</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1458">156</a></td>
-<td class="width40 bottom">Genadendaal</td>
-<td class="width40 bottom">Genadendal</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1472">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mahomadanen</td>
-<td class="width40 bottom">Mahomedanen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1476">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">is</td>
-<td class="width40 bottom">zijn</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1488">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">kleurling stammen</td>
-<td class="width40 bottom">kleurlingstammen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1495">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">kolonien</td>
-<td class="width40 bottom">koloniën</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1504">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">Blaauwberg</td>
-<td class="width40 bottom">Blauwberg</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1525">165</a></td>
-<td class="width40 bottom">verontachtzaamt</td>
-<td class="width40 bottom">veronachtzaamt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1537">167</a></td>
-<td class="width40 bottom">naauwe</td>
-<td class="width40 bottom">nauwe</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1540">167</a></td>
-<td class="width40 bottom">oen</td>
-<td class="width40 bottom">een</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1583">173</a></td>
-<td class="width40 bottom">8sten</td>
-<td class="width40 bottom">8<sup>sten</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1588">173</a></td>
-<td class="width40 bottom">Tigerberg</td>
-<td class="width40 bottom">Tijgerberg</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1595">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">22ste</td>
-<td class="width40 bottom">22<sup>ste</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1608">175</a></td>
-<td class="width40 bottom">troeden</td>
-<td class="width40 bottom">troepen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1619">176</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hollansche</td>
-<td class="width40 bottom">Hollandsche</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1655">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">conslusie</td>
-<td class="width40 bottom">conclusie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1661">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">onder handelingen</td>
-<td class="width40 bottom">onderhandelingen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1683">183</a></td>
-<td class="width40 bottom">geinfluenceerd</td>
-<td class="width40 bottom">geïnfluenceerd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1697">184</a></td>
-<td class="width40 bottom">sints</td>
-<td class="width40 bottom">sinds</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1702">185</a></td>
-<td class="width40 bottom">knieen</td>
-<td class="width40 bottom">knieën</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1707">185</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hollansch</td>
-<td class="width40 bottom">Hollandsch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1712">186</a></td>
-<td class="width40 bottom">eenmaal’s</td>
-<td class="width40 bottom">eenmaal ’s</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1727">188</a></td>
-<td class="width40 bottom">uis</td>
-<td class="width40 bottom">huis</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1738">189</a></td>
-<td class="width40 bottom">’swerelds</td>
-<td class="width40 bottom">’s werelds</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1759">192</a></td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1785">196</a></td>
-<td class="width40 bottom">”; </td>
-<td class="width40 bottom">; „</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1820">203</a></td>
-<td class="width40 bottom">geemancipeerd</td>
-<td class="width40 bottom">geëmancipeerd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1842">208</a></td>
-<td class="width40 bottom">bezorgde</td>
-<td class="width40 bottom">verzorgde</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1884">216</a></td>
-<td class="width40 bottom">ingelijks</td>
-<td class="width40 bottom">insgelijks</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1897">218</a></td>
-<td class="width40 bottom">ondervind</td>
-<td class="width40 bottom">ondervindt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1993">231</a></td>
-<td class="width40 bottom">die die</td>
-<td class="width40 bottom">die</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2027">235</a></td>
-<td class="width40 bottom"> „</td>
-<td class="width40 bottom">” </td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2070">241</a></td>
-<td class="width40 bottom">Van</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2075">242</a></td>
-<td class="width40 bottom">allen</td>
-<td class="width40 bottom">alleen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2105">246</a></td>
-<td class="width40 bottom">Zuid Afrika</td>
-<td class="width40 bottom">Zuid-Afrika</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2110">247</a></td>
-<td class="width40 bottom">- </td>
-<td class="width40 bottom">—</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl'>AAN TAFELBAAI'S STRAND</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-</html>
diff --git a/old/67398-h/images/front.jpg b/old/67398-h/images/front.jpg
deleted file mode 100644
index c17ceb2..0000000
--- a/old/67398-h/images/front.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67398-h/images/ornament.png b/old/67398-h/images/ornament.png
deleted file mode 100644
index d8928cb..0000000
--- a/old/67398-h/images/ornament.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67398-h/images/p011.jpg b/old/67398-h/images/p011.jpg
deleted file mode 100644
index 3b18ca7..0000000
--- a/old/67398-h/images/p011.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67398-h/images/p105.jpg b/old/67398-h/images/p105.jpg
deleted file mode 100644
index b802d15..0000000
--- a/old/67398-h/images/p105.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67398-h/images/p213.jpg b/old/67398-h/images/p213.jpg
deleted file mode 100644
index 4322721..0000000
--- a/old/67398-h/images/p213.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67398-h/images/titlepage.png b/old/67398-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 0801c3f..0000000
--- a/old/67398-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ