diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/67398-0.txt | 5522 | ||||
| -rw-r--r-- | old/67398-0.zip | bin | 121466 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/67398-h.zip | bin | 1414305 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/67398-h/67398-h.htm | 6197 | ||||
| -rw-r--r-- | old/67398-h/images/front.jpg | bin | 425563 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/67398-h/images/ornament.png | bin | 43005 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/67398-h/images/p011.jpg | bin | 255248 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/67398-h/images/p105.jpg | bin | 210664 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/67398-h/images/p213.jpg | bin | 296710 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/67398-h/images/titlepage.png | bin | 50809 -> 0 bytes |
13 files changed, 17 insertions, 11719 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..9f91bdb --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #67398 (https://www.gutenberg.org/ebooks/67398) diff --git a/old/67398-0.txt b/old/67398-0.txt deleted file mode 100644 index 1e27460..0000000 --- a/old/67398-0.txt +++ /dev/null @@ -1,5522 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Aan Tafelbaai's Strand, by D' Arbez - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Aan Tafelbaai's Strand - of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811) - -Author: D' Arbez - -Illustrator: Cornelis Koppenol - -Release Date: February 13, 2022 [eBook #67398] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - file was produced from images generously made available by - The Internet Archive) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK AAN TAFELBAAI'S STRAND *** - - - - - - ZUID-AFRIKAANSCHE HISTORIE-BIBLIOTHEEK. - No. III. - - Aan Tafelbaai’s Strand - OF - TWINTIG JAREN UIT HET LEVEN VAN EEN KAPENAAR. - (1791–1811). - - - DOOR - D’ARBEZ. - - - Uitgegeven en verkrijgbaar bij: - Hollandsch-Afrikaansche Uitgevers-Maatschappij, - v/h. Jacques Dusseau & Co. - Amsterdam—Kaapstad. - 1903. - - - - - - - - -HOOFDSTUK I. - -HET VERHAAL VAN DEN DOKTER. - - -Omtrent tien jaren geleden woonde ik in een klein dorpje in den -Oranje-Vrijstaat, den naam waarvan het niet noodig is op te geven. Het -was een klein plekje, waar ik misschien van verveling zou gestorven -zijn, als het niet was geweest voor den ouden dokter. Goede, oude -dokter, hij ligt al meer dan negen jaren onder den koelen grond, -verlost van alle ellende en plagen des levens; en het is juist het -feit, dat hij er niet meer is, dat mij thans eerst het recht geeft om -hier dit verhaal te doen, en iets te publiceeren dat reeds lang in -mijn bezit is. Maar ter zake. - -Dokter J. was een oud man: toen ik hem kende moet hij omtrent zeventig -jaar geweest zijn, maar hij was nog kras voor zijne jaren, schoon haar -en baard reeds spierwit waren. Van de levensgeschiedenis van den ouden -heer had ik nooit veel te weten kunnen komen: de dokter sprak zelf er -liever niet over, en natuurlijk was ik niet gerechtigd mij te bemoeien -met zijne private zaken. Al wat ik wist, was dat hij te Kaapstad -geboren was uit een oud Hollandsch-Afrikaansch geslacht, in Holland had -gestudeerd en aan de Universiteit te Leiden zijn graad van Doctor in de -Medicijnen had verkregen. Ook vernam ik eens van hem dat hij nooit -getrouwd was, en, te oordeelen naar de uitdrukkingen, die hij bij die -gelegenheid gebruikte over de schoone sekse (ik zal ze maar niet -herhalen om mijne lezeressen niet kwaad te maken) was de dokter een -echte vrouwenhater. Er waren, zooals licht te begrijpen valt, heel wat -praatjes over den ouden heer, maar ik heb uit ondervinding geleerd, dat -de kwaadsprekendheid steeds als een onvermoeid spook door al onze -Zuid-Afrikaansche dorpen waart, en, daar dus waarschijnlijk niet een -twintigste deel der praatjes over dokter J. waar waren, is het onnoodig -om ze hier weer te geven. Maar, zooveel stond vast, en daar kon zelfs -niet de meest vuige tong iets tegen zeggen, de dokter was een knap man -in zijne professie; hij was de vriendelijkheid zelve tegenover zijne -patiënten, en wat maar kon gedaan worden om den dood af te wenden, of -de pijn te verzachten, dat werd door hem gedaan. - -Mijn eerste kennismaking met den dokter was in de kwaliteit van -patiënt. Ik had kort na mijne aankomst in het dorp een erge koude -gevat, en daar ik geplaagd was door een akelige soort van kerkhofhoest, -ging ik den Esculaap een drankje vragen. Inderdaad gaf de dokter mij -een probaat middeltje dat mij in weinige dagen genas; maar wat nog -beter was, was dat die korte kennismaking zich ontwikkelde tot een -groote vriendschap tusschen den dokter en mij. Ik geloof, dat dit een -groot geluk voor mij is geweest; wie weet of, als ik niet het -gezelschap van den dokter had gehad, ik niet, zooals zoo vele andere -jongelui in kleine dorpjes in ons land, mij zou hebben overgegeven aan -den drank, of andere verkeerdheden, die onze jonge lieden ten gronde -richten, omdat ze geen anderen raad met hun goeden tijd weten. De -aangename avonden die ik bij den dokter doorbracht, deden mij -dergelijke verleidingen gemakkelijk weerstand bieden. - -Ik vond spoedig uit, dat de dokter niet alleen een knap man was in zijn -vak, maar ook uitmuntend belezen, zoodat hij over heel wat meer dingen -kon meepraten dan pillen en poeders alleen. Zooals de meeste goed -opgevoede lieden, had hij ook zijn geliefkoosd onderwerp; bij hem was -het de geschiedenis van Zuid-Afrika en alles wat daarmede in verband -stond. Hij had gedurende lange jaren, en tegen een groote uitgave, een -prachtige bibliotheek verzameld over de geschiedenis van Zuid-Afrika; -deze verzameling bevatte inderdaad zeer kostbare boeken, niet alleen in -de Engelsche en Hollandsche talen, maar ook in het Duitsch en in het -Fransch, welke talen hij alle gemakkelijk las. Hij was zooals hij mij -dikwijls vertelde, in het begin van zijn loopbaan geneigd geweest om -sterk Engelschgezind te zijn; doch toen hij bekend raakte met de -bijzonderheden van het bestuur der Engelsche regeering in dit land -gedurende de negentiende eeuw, maakte de bewondering, die hij voor de -Engelschen en hunne denkbeelden koesterde, plaats voor eene diepe -verachting van alles wat Engelsch en Engelschgezind was; hij werd een -vurige voorstander van de rechten der Afrikaners, en dit was een der -voornaamste redenen waarom hij de oude Kolonie, waar hij destijds een -zeer goede praktijk had, verliet om zich in den Vrijstaat te vestigen. - -Toen de dokter bevond, dat ook mijne sympathiën met de Afrikaners -waren, en dat ik zeer verlangde om goed op de hoogte te komen der -geschiedenis van mijn geboorteland, waarvan ik toen, helaas, bitter -weinig wist, draalde de dokter geen oogenblik met mij het vrije gebruik -zijner bibliotheek aan te bieden, en ik behoef nauwelijks te zeggen dat -ik van dat aanbod gretig gebruik maakte. Kwam er dan eens een nieuw -boek uit over dit onderwerp dan bestelde mijn oude vriend dit dadelijk -van Kaapstad, en dan lazen wij het te zamen. Het was vooral bij die -gelegenheden dat ik dikwijls de scherpzinnige aanmerkingen van den -dokter bewonderde. Hij was volmaakt op de hoogte der algemeene -geschiedenis, en hield er van om vergelijkingen te maken tusschen de -gebeurtenissen in dit land, en die, welke vroeger in andere landen -hadden plaats gevonden. De geschiedenis, zoo zeide hij dikwijls -herhaalde zich steeds; dezelfde oorzaken hadden steeds dezelfde -gevolgen, en wat eenmaal gebeurd was, zou weer gebeuren. Salomo was -nooit wijzer dan toen hij zeide, „Er is niets nieuws onder de zon.” - -Het was op een kouden winteravond dat er iets tusschen mij en den -dokter plaats vond, dat de eigenlijke oorzaak van dit verhaal is, en -dat dus hier moet worden verteld om den lezer op de hoogte van zaken te -brengen. Ik zat in de eetkamer van den dokter (een voorkamer hield hij -er niet op na); wij hadden juist samen een der nieuwe boeken van onzen -uitmuntenden Zuid-Afrikaanschen geschiedschrijver G. M. Theal gelezen, -die toenmaals zich een naam begon te maken, en daarop hadden wij onze -vrij drooge kelen met wat warme ponsch nat gemaakt, of liever gezegd, -wij waren daarmede nog bezig, toen ik uit bloote nieuwsgierigheid, mijn -ouden vriend vroeg, wat hem zulk eene bijzondere voorliefde voor de -geschiedenis van zijn land en volk had gegeven. De oude heer zat eenige -oogenblikken in gedachten en zeide toen: - -„Mijn waarde A., om die vraag te beantwoorden, zal ik je iets uit mijn -levensgeschiedenis moeten vertellen, en wel een heel snaaksch geval. ’t -Is een beetje een lange storie, maar ’t is nu nog vroeg, en als wij een -beetje extra spraakwater nemen, zal de stof misschien wat vinniger -loopen”. - -Zoo gezegd, zoo gedaan; de dokter schonk onze glazen nog eens vol, en -na een flinke teug te hebben genomen, begon hij als volgt: - -„Het was in het jaar 1835, ik meen in Mei, dat ik als behoorlijk -gepromoveerd Doctor Medicinae uit Holland naar de Kaap terug kwam. Mijn -vader leefde toen nog, en woonde op een soort van buiten, of plaats, -zooals wij hier in Zuid-Afrika zouden zeggen, even buiten de Kaapstad, -in hetgeen men thans Woodstock noemt, maar dat toen nog als Papendorp, -of liever Roodebloem bekend was. Ik was de oudste zoon van mijne -ouders; na mij kwamen drie meisjes die allen ongetrouwd gestorven zijn, -en de eenige broeder, dien ik had, en die overleed, toen hij nog maar -twintig jaar oud was, had toen nog niet den leeftijd van vijftien jaren -bereikt. Mijn vader was toen wel af, en hij zei de dat als ik wilde, ik -mij kon vestigen in de Kaapstad, en, om kosten te besparen, mijn intrek -kon nemen in zijn huis. Ik had echter reeds in die dagen weinig zin om -mij in de buurt van de stad te vestigen en was ook niet geneigd om op -eenige wijze op kosten van mijn vader te leven. Ik wilde de wereld in, -op mijn eigen beenen staan, en op eigen houtje mijn fortuin maken. -Derhalve besloot ik mij te gaan neerzetten in A. waar kort te voren de -plaatselijke geneesheer overleden was. - -„Ik deed zulks, en had er spoedig een zeer aardige praktijk; ik ben dan -ook te A. gebleven, totdat ik in 1865 op raad van onzen President -Brand, naar den Vrijstaat ging, blij om eindelijk toch een plek in -Zuid-Afrika te vinden, waar die eeuwigvervelende Britsche vlag niet -woei. Toen ik omtrent twee jaar te A. was geweest, moest ik wegens -noodzakelijke bezigheden naar de Kaap gaan, en daar ik zelf ook een -weinig rust noodig had, besloot ik een maand lang in de stad te -vertoeven; een jonge dokter, pas uit Engeland aangekomen, zou zoolang -mijn praktijk waarnemen. - -„Ik nam natuurlijk mijn intrek bij mijn vader, en toen ik mijn -voornaamste bezigheid had afgedaan, amuseerde ik mij zoo goed ik kon. -Waar ik het meest van hield, was om stil en rustig aan het strand te -zitten, op den eeuwig rusteloozen oceaan te staren, en mijne gedachten -dan den vrijen loop te laten. Er was toen nog in die dagen niet dat -gewoel, dat thans langs het strand in de buurt van Woodstock en -Zoutrivier heerscht, en men kon er uren zitten, zonder door iemand -gehinderd te worden. - -„Het was juist op een warmen rustigen middag, dat ik er eens zat in -mijn eentje. Verschillende gedachten gingen mij door het hoofd en al -peinzende was ik werktuigelijk bezig om met mijn stok gaten in het zand -te boren. Plotseling stiet mijn stok op iets hards en dit trok mijn -opmerkzaamheid. Ik boorde verscheidene gaten binnen den omtrek van -omtrent een yard, maar telkens kwam de stok op het harde voorwerp te -recht. Ik begon bepaald nieuwsgierig te worden, wat dit harde ding kon -zijn, en ik had een soort van voorgevoel dat ik op het punt stond eene -ontdekking te maken. Derhalve beproefde ik dan ook, zoo goed en zoo -kwaad het ging om met mijn stok een gat te graven in het half natte -zand, en na heel wat tobbens was ik zoover, dat ik zag dat ik hier met -een kist of koffer te doen had, die met ijzer beslagen was. Op dat -oogenblik schoot het mij te binnen, dat het een beetje gevaarlijk was -om hier op helderen dag op een openbare plek zoo iets te voorschijn te -halen. Ik herinnerde mij, dat een medestudent in Leiden die in de -rechten studeerde, mij eens een heel verhaal had gedaan van een misdaad -die strandroof genaamd werd, en waarop de doodstraf of levenslange -verbanning of zoo iets vreeselijks stond. - -„Met dat schrikbeeld voor mij, vond ik het geraden om het door mij -gemaakte gat maar dadelijk weer toe te maken. Doch om de plek niet te -vergeten, maakte ik een hoopje van steenen op de plaats, zoodat ik die -zonder moeite kon terugvinden. Daarop ging ik naar huis om een plan te -beramen hoe ik het best mijn gevonden schat op een veilige plek kon -brengen. De kist was blijkbaar zwaar, en ik zou hem zeker niet alleen -baas kunnen raken; ik moest dus naar hulp uitzien. Ik was juist aan het -denken welk persoon ik met dit gewichtig werk kon vertrouwen, toen ik -den ouden jongen ontmoette, die reeds jaren lang bij mijn vader werkte, -en die mij bijna sedert mijn geboorte kende, want hij was nog als slaaf -bij mijn grootvader geweest, en noemde mij niet anders als „kleinbaas”. -Ou Andries was, meende ik juist de jongen, om mij in deze netelige zaak -van nut te zijn. Ik drukte hem dan ook een halve kroon in de handen, en -zeide hem dat hij dien avond, als het avondeten afgeloopen was, met mij -mede moest gaan, en een graaf samen nemen; er was iets van belang, dat -hij voor mij moest doen, maar hij moest er geen woord aan iemand van -zeggen, vooral niet aan mijn vader. Andries beloofde dit dan ook trouw, -en ik wist dat ik op hem aan kon. - -„Het was ongeveer negen uur dien avond, dat ik Andries ontmoette bij -het tuinhek, dat aan den zeekant uitkwam. Er was geen maan en het was -pikdonker, juist een geschikte avond, zooals ik bij mijzelven dacht, om -de misdaad van strandroof te plegen; in werkelijkheid voelde ik een -beetje als een misdadiger; doch er was een zeker onverklaarbaar iets, -dat mij aandreef en mij belette om veel attentie te wijden aan de -inblazingen van het geweten. Ik had, in het donker eenige moeite om de -juiste plek te vinden, doch eindelijk liep ik den steenhoop raak, en -spoedig was Andries hard aan het graven. Nu en dan stiet de graaf tegen -het harde hout van de kist, en het geluid dat daardoor veroorzaakt werd -in den stillen nacht, deed mij schrikken, zoodat ik Andries -toefluisterde om toch niet zooveel lawaai te maken. Eindelijk was de -kist aan alle kanten los, en nu probeerden wij om haar uit den grond te -tillen. Het was een heele toer, die onze vereenigde krachten -vereischte, maar ten slotte hadden wij haar boven den grond. Maar nu -deed zich een nieuwe moeielijkheid voor. Hoe moesten wij die zware kist -naar huis krijgen? Om die te dragen met ons tweeën, daar was geen -sprake van; de kist was zoo zwaar, dat Andries beweerde, dat die zeker -vol geld zat. - -„„Zooveel te beter, Andries”, antwoordde ik lachend, „dan zal jij ook -iets uit het voordeeltje krijgen; maar ons moet nou eerst een plan -maken om die ding bij die huis te krijg”. - -„„Ik geloof, baas”, zeide de oude jongen, „dat daar niet een ander plan -is dan om die kist hier open te maak, en dan die geld of die goed, wat -daarin is, met klompjes naar die huis te vat”. - -„In werkelijkheid scheen dit mij ook het eenige mogelijke plan; maar ik -moest bij mijzelven bekennen dat het niet weinig gevaar aanbood. Mijn -vader was nog niet naar bed, en het ongewone geloop zou ongetwijfeld -zijn aandacht trekken, en dan zou hij willen weten wat er aan den gang -was. - -„Andries scheen dit ook te begrijpen, want hij zeide fluisterend tot -mij, „Baasje, ons moet wacht tot die menschen in die huis slaap, en dan -zal ons die goed naar mijn kamer draag, stukje voor stukje, en daar kan -ons dan zien wat die goed is”. - -„Dit was geen slecht plan, want de kamer waar ou Andries sliep, was een -buiten-kamer, die een heel eindje van het huis verwijderd was. Wij -besloten dan ook dit plan te volgen, en daar het minstens nog een uur -zou duren, voor al de menschen in het huis aan slaap zouden zijn, zeide -ik aan Andries dat hij, om geen opspraak te wekken, maar liever naar -huis moest teruggaan, en later, als alles rustig sliep, weerkomen, met -een deken (kombaars), of iets dergelijks, waarin wij het goed -geriefelijk konden dragen; ondertusschen zou ik de wacht in de buurt -houden, en zorgen dat niemand ons onzen buit ontstal. - -„Toen Andries weg was, begon ik in de buurt van de kist heen en weer te -loopen. Ik was nu nog nieuwsgieriger dan ooit, en de lust om eens nader -te weten, wat er eigenlijk in die geheimzinnige kist zat, werd zoo -onbedwingbaar, dat ik eene poging maakte om de kist te openen. Er zat, -zooals ik na onderzoek merkte, een slot op, maar het zilte zeewater had -zulk een effekt op het ijzer gehad, dat toen ik een weinig mijne -krachten inspande, het slot uit elkander sprong. Ik tilde de zware -deksel op en stak, in het donker mijn hand in de kist. Ik voelde iets -zachts, dat mij toescheen kleederen te zijn, en verder mijn hand -instekende, raakte ik aan iets hards en kouds, blijkbaar van metaal. De -deksel was te zwaar dan dat ik die lang op kon houden, en ik moest dus -mijne verdere onderzoekingen staken, en geduldig wachten op de -terugkomst van Andries. Na een goed uur en een half, die mij in mijn -ongeduld wel zes uren toeschenen, kwam de trouwe jongen weer aanzetten. -Hij bracht het bericht dat iedereen in het huis vast in slaap scheen; -tevens bracht hij ook een reusachtige kombaars, die zeker wel alles had -kunnen bevatten wat in de kist was. Wij begonnen dadelijk de boel uit -te pakken, schoon wij in het donker niet konden uitmaken waaruit de -inhoud bestond; sommige dingen waren hard, andere weer zacht. Ik pakte -vooreerst genoeg in de kombaars om Andries in staat te stellen die -zonder veel moeite te dragen; daarop zond ik hem met die eerste vracht -naar huis, hem gelastende het goed in zijn kamer te leggen, en die dan -toe te maken, en dan de tweede vracht te komen halen. Met die tweede -vracht was de kist leeg en de kwestie was nu wat wij met de leege kist -zouden aanvangen. Het was te gewaagd haar te laten staan waar zij was, -en om haar waardeloos karkas naar huis te slepen, daar had ik geen lust -in; bovendien zou het onmogelijk zijn om haar tegenwoordigheid in ons -huis te verhelen. Na een kort beraad tilden wij haar dus op, droegen -haar zoover wij konden de zee in, en lieten haar aan de genade van de -woeste baren over. Tusschen twee haakjes mag ik hier zeggen, dat ik -nooit weer iets van de kist vernomen heb; of ze misschien vandaag nog -op de golven van den oceaan rondzwabbert, of er een tweede strandroof -aangaande haar gepleegd is, dat kan ik niet zeggen. In alle geval ben -ik maar blij dat die kist niet als stomme getuige van mijn misdaad ooit -is opgetreden. - -„Toen wij de kamer van Andries binnen waren, en iets voor het venster -hadden gehangen, om het schijnsel van het licht niet te laten bemerken, -staken wij een kaars op, en onderzochten de waarde van onzen buit. Het -was niet veel, en ik weet niet wie het meest teleurgesteld was, ik of -de oude jongen. ’t Was waar, er zat geld in de kist, want wij vonden -een klein lederen zakje, dat wij met een zekere soort van -zenuwachtigheid openden, doch, helaas, bij onderzoek bleek het zakje te -bevatten.... de groote som van vier oulap. Maar er was toch één ding -van aanzienlijke waarde, namelijk een goud horloge, een dier -ouderwetsche dingen met dubbele kast, amper zoo groot als een „pompoen” -zooals Andries het uitdrukte. Ik borg dat in mijn rokzak, even als een -zeer mooi medaillon van gedreven goud, dat een werkelijk prachtstuk -was. De verdere inhoud bestond meest uit kleederen, volgens de mode van -het midden der achttiende eeuw, een oude verrekijker waarvan echter een -der glazen stuk was, een oude Statenbijbel, een psalmboek, en nog een -aantal snuisterijen van betrekkelijk weinig waarde. Ik gaf last aan -Andries om den Bijbel en eenige andere kleinigheden, die ik wilde -bewaren, zoolang voor mij te bergen, en verder de kleeren op de best -mogelijke manier te verkoopen of op eenige andere wijze van de hand te -zetten, en wilde juist de kamer uitgaan, toen Andries uitriep „Baasje, -hier is nog een boek”; en met deze woorden overhandigde hij mij een -vrij dik gebonden boek, dat ik even snel opende, in de meening dat het -van weinig waarde zou zijn. Bij het openen viel mijn oog dadelijk op de -woorden „Dagboek van Jan van Eck”. „Zoo”, dacht ik bij mijzelven, „dat -is zeker de eigenaar van de kist geweest”, en ik besloot het boek met -mij naar mijn kamer te nemen, om het bij gelegenheid eens door te -bladeren. Voor ik echter uit de kamer van Andries ging, beloofde ik den -ouden jongen, die blijkbaar zeer teleurgesteld was, dat er geen geld -was gevonden, en hij dus zijn deel van de winst kwijt was, om hem den -volgenden morgen een pond sterling te geven voor zijne moeite, mits hij -geen woord repte van het gebeurde. Die belofte bracht Andries dan ook -weder in een goede luim. Toen ik in mijn kamer kwam, voelde ik mij erg -vermoeid; ik ontkleedde mij snel, en wierp mij op bed, maar het was te -vergeefs dat ik trachtte te slapen. Ik voelde mij werkelijk als een -misdadiger, en werd hevig gekweld met allerlei vreeswekkende gedachten. -Als die ellendige kist opspoelde, of als er iets van mijn nachtelijk -avontuur uitlekte, zou ik ongetwijfeld in groote onaangenaamheden -komen; misschien zou de rechter er bij te pas komen, en zou ik zoo niet -gestraft, althans gebrandmerkt zijn, en waarschijnlijk was mijn -loopbaan dan bedorven. Kwaad met mijzelven verwenschte ik de kist en -alles wat er in zat, doch daardoor viel ik nog niet in slaap. -Plotseling schoot het mij in de gedachten dat als ik toch niet slapen -kon, ik net zoo goed eens een kijkje kon nemen in het dagboek van Jan -van Eck. Ik haalde het dus te voorschijn uit de plek waarin ik het -geborgen had, en daarop weer onder de kombaars kruipende, begon ik te -lezen. Toen de zon den volgenden morgen in mijn kamer scheen, vond zij -mij nog bezig aan het lezen. Ik kan je nu niet alles vertellen wat in -dat boek stond, maar ik zal het eens voor den dag halen, en dan kunt ge -het zelve lezen.” - -Met deze woorden stond de oude dokter op, ging naar zijn slaapkamer, en -kwam spoedig terug met iets onder den arm. - -„Hier is het dagboek van Jan van Eck, en....” Op dat oogenblik werd er -hevig aan de deur geklopt, en op het geroep van „kom in” van den -dokter, trad een man haastig de kamer in, en zeide half ademloos: - -„Dokter, jij moet toch als je belieft gauw kom naar Piet van Rooijen, -van Uitkijk; zijn vrouw is banja ziek, en hij het mij gestuur om dokter -dadelijk te kom haal”. - -„Naar Uitkijk”, riep de dokter uit, „machtig, kerel dit is amper zes -uur te paard hiervan daan. Ik zal natuurlijk gaan, maar kan jij niet -wacht nie, tot dit daglicht is; het is vreeselijk donker en koud -daarbij”. - -„Ik zou niet om geef om te wacht nie, dokter”, luidde het antwoord, -„maar oom Piet heeft mij gezegd dat ik gauw moet maak, want dit is een -gevaarlijke ding”. En hier voegde de spreker er iets bij, dat bewees -dat het inderdaad een geval van leven of dood was. - -„Wel als dit zoo is, dan ga ik nu dadelijk met jou mee” hernam de goede -dokter, die nooit aarzelde, om waar zijn plicht hem riep, te gaan, -vooral als het een zaak van dezen aard gold. - -„Waar is jou kar?” vroeg hij, terwijl hij reeds bezig was om zijn -kistje met medicijnen en instrumenten voor den dag te halen. - -„Dokter die kar staat klaar ingespan”, was het antwoord; „ik het -versche paarden van oom Jan Grobbelaar gekrijg, hullie is fluks, en zal -ons binnen vier uur naar Uitkijk breng”. - -„Loop haal dan maar die kar, dan zal ik klaar wees” zeide de dokter, en -zich daarop tot mij wendende, vervolgde hij: - -„Dit spijt mij, A, dat onze conversatie op deze manier gebroken wordt, -maar daar is nu niets aan te doen. Neem ondertusschen het boek maar -mee, dan kan je het zoolang lezen, en mij, als wij elkander weer zien, -vertellen, wat je er van denkt, en dan zal je ook wel begrijpen, waarom -ik zooveel van de geschiedenis van Zuid-Afrika houd”. - -Ik bedankte den dokter hartelijk, nam afscheid van hem, en ging toen -naar huis. - - - -Den volgenden middag bracht men het lijk van dokter J. naar het dorp -terug; hij was het slachtoffer geworden van zijne plichtsbetrachting. -In den stikdonkeren nacht had de drijver het ongeluk gehad de kar om te -gooien, de dokter was onder de kar gevallen: zijn ruggegraat was -gebroken, en hij was waarschijnlijk dadelijk en zonder pijn geleden te -hebben, overleden. Een benijdenswaardige dood voor een man die altijd -zijn plicht had gedaan tegenover God en den mensch, en die nooit den -dood had gevreesd. - - - -Ik behield het dagboek van Jan van Eck, en maakte er geen gewag van aan -den executeur van des dokters boedel. Misschien deed ik daardoor iets -waartoe ik volgens strikt wet geen recht toe had. Maar aangezien ik -hoop dat mijne lezers het voordeel van mijn daad zullen hebben, daar -anders naar alle waarschijnlijkheid zij nooit iets van het dagboek -zouden hebben gehoord, vertrouw ik dat zij mij niet zullen gaan -verklagen bij den procureur-generaal of eenig ander gevreesden -ambtenaar, wegens het mij toeeigenen van een andersmans goed. Sommige -menschen zouden het misschien diefstal willen noemen, maar dat is zulk -een leelijk woord, dat ik het liever niet omtrent mijzelven wil -gebruiken. - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - -WAARIN EEN BEGIN WORDT GEMAAKT MET HET VERHAAL, EN DE -HOOFDPERSOON ZIJN INTREDE MAAKT. - - -Het zou zeker het gemakkelijkste wezen voor mij, om maar zonder meer, -hier het dagboek overteschrijven, en mijne lezers er zich dan op de -best mogelijke manier te laten doorworstelen. Maar ik vrees dat dit een -heel vervelend stukje werk voor hen zou wezen, en dat er dan kans -bestond dat zij, voor het boek nog half uit was, het ergens in een hoek -zouden werpen, met den uitroep: „Dat boek is mij te saai”. Om zulk een -ongeluk te voorkomen, heb ik besloten, om uit het materiaal in het -dagboek vervat, een verhaal optetrekken, in mijn eigene woorden, en op -mijn eigen manier, mij echter steeds vasthoudende aan de feiten zooals -bevat in het dagboek. Ik meen te mogen zeggen, dat over het algemeen, -die feiten vrij wel overeenkomen met hetgeen men in de geschiedenis -boeken van die dagen vindt; hier en daar is er een klein verschil, maar -dit doet niet veel af aan de waarde van het werk. - -Voor ik echter dit verhaal begin, is het noodig dat mijne lezers iets -weten van den man die dit dagboek heeft geschreven: Jan van Eck. Heel -veel kan ik niet van hem vertellen, want de familie van Eck schijnt in -Zuid-Afrika vrij wel uitgestorven, zoodat het mij niet doenlijk is -geweest om eenige familie-dokumenten in handen te krijgen, en het -weinige dat ik heb kunnen uitvinden, en dat ik hier ga weergeven, -bestaat deels uit aanteekeningen gevonden in het boek van wijlen den -heer C. C. de Villiers, en uit gevolgtrekkingen door mij gemaakt uit -hetgeen ik in het dagboek heb gevonden, schoon de heer van Eck zelve -maar zeer karig is in het geven van berichten omtrent zijn leven of -identiteit. - -In het jaar 1691 leefde er te Drakenstein een zekere Adriaan van Eck, -die burger der Kolonie was, en die in 1712 een zoon liet doopen met den -naam van Johan. Deze Johan had weder een zoon Johannes, geboren in -1741, en later gehuwd met Martha Magdalena Cordier bij welke hij 3 -kinderen had, waarvan de jongste, Arie, in 1799 werd gedoopt. Geen -dezer van Ecks kan echter de schrijver van dit dagboek zijn, om de -eenvoudige reden dat uit het dagboek zelve blijkt dat de schrijver niet -gehuwd was. Dat hij echter tot deze familie behoorde is geenszins -twijfelachtig, want wij zullen zien dat hij in de Kaapstad eene -achternicht had, met name Elizabeth, weduwe van Zacharias de Beer, die -met hare kinderen verscheidene malen in dit werk voorkomen. Nu is -volgens het boek van den heer Villiers eene dochter Elizabeth, van den -ouden Johan van Eck gehuwd geweest met zekeren Zacharias Joseph de -Beer, en het is dus zeer waarschijnlijk dat dit de hierin vermelde -Elizabeth was. Maar verdere nasporingen van de identiteit van onzen -schrijver hebben geen resultaten opgeleverd. - -Ook is het ons niet geheel duidelijk wat de schrijver van het dagboek -geweest is; er zijn echter passages in het boek die ons er toe zouden -kunnen leiden om tot de conclusie te komen dat hij vroeger in dienst -der Compagnie is geweest, en een vrij aanzienlijke betrekking heeft -bekleed. Immers hij verkeerde blijkbaar op zeer intiemen voet met een -aantal der aanzienlijkste mannen in Kaapstad, velen waarvan hij bij -hunne voornamen noemt; ook schijnt hij bekend te zijn geweest met -verscheidene boeren uit differente deelen der Kolonie. Ten tijde dat -hij dit dagboek aanhield woonde hij in een klein huisje gelegen aan het -strand tusschen het tegenwoordige Woodstock en Zoutrivier; een oude -kleurling die in het dagboek dikwijls voorkomt onder den naam van -Thijs, en die blijkbaar een slaaf was, en jaren lang in dienst van den -schrijver, zorgde voor hem, zoover het koken van de kost, en dergelijke -huishoudelijke zaken aangaat; en daarbij was hij een vertrouwde van -zijn meester, die hem allerlei gewichtige bezigheden liet verrichten. - -Over het geheel heeft het dagboek op mij den indruk gemaakt, dat Jan -van Eck een dier menschen was, dien men gewoonlijk met den naam van een -zonderling bestempelt. Hij woonde eenzaam in zijn huisje, ging geregeld -iederen dag naar de stad om de nieuwtjes te vernemen, en zijne familie -en oude kennissen te zien, maar nam geen werkdadig aandeel in de zaken, -schoon wij zullen vinden, dat hij in 1795 dienst deed als soldaat, en -toen tot het zoogenaamde „Pennisten-korps” behoorde. Met zijne -medemenschen had hij niet veel op. - -Hij was een zeer belezen man, en had vooral een grondige kennis van de -toenmalige Franschen schrijvers; Voltaire en Diderot, kende hij op zijn -duimpje, maar zijn lievelings-schrijver was toch Jean Jacques Rousseau, -en deze had een ontzettenden invloed op hem gehad. Van Eck was volbloed -revolutionair, en dweepte met de denkbeelden van „de rechten van den -mensch.” Hij haatte de ideeën van den ouden pruikentijd, had een hekel -aan het monarchisme of aan alles wat er naar zweemde, en was bovendien, -op het gebied van godsdienst doordrongen van de denkbeelden der -toenmalige vrijdenkers. Er zijn bewijzen uit dokumenten in het archief -der Kaap Kolonie, dat op dit punt er ook nog anderen waren die in die -dagen dezelfde ideeën koesterden. Men vergete niet dat de denkbeelden, -die in 1789 de Fransche Revolutie hebben veroorzaakt in Holland een -groot aantal aanhangers hadden, zoo zelfs dat deze er ernstige -politieke verwikkelingen veroorzaakten, en de „Patriotten” zooals men -ze noemde, eene mislukte poging deden om den stadhouder der -Nederlanden, Prins Willem van Oranje (Willem de Vijfde) van alle macht -te berooven. Deze poging, gedaan in 1787, werd verijdeld door de -„Prinsgezinden”, die gesteund werden door een groot leger, hun ter -hulpe gezonden door den koning van Pruisen; en het gevolg dezer -mislukte poging was, dat een groot aantal der „Patriotten” de wijk -moesten nemen naar Frankrijk, waar zij niet weinig werkzaam waren, en -ten slot te 1795 naar Holland terugkwamen, toen de Franschen dit land -hadden veroverd, en Willem de Vijfde de wijk had genomen naar Engeland. -Jan van Eck, was, wat zijne denkbeelden aangaat, een echte „Patriot”, -en dit zal den lezer in dit verhaal duidelijk worden, en verklaart -tegelijk het feit waarom hij zulk een ontzettenden haat tegen de -Engelschen had, die toenmaals vijanden van de Franschen, en sterke -ondersteuners waren van het Huis van Oranje. - -Het bovenstaande zal ten minste onzen lezers eenig denkbeeld geven van -den man die het dagverhaal geschreven heeft, en wij kunnen thans ons -verhaal voortzetten, of liever gezegd, beginnen. Maar nog een kleine -verklaring is noodig. Toen ik het boek van den dokter kreeg, waren er -verscheidene bladen uit het boek gescheurd, door wien, weet ik -natuurlijk niet; een geheel gedeelte, namelijk dat tusschen de jaren -1796 tot 1802 is zoo goed als weg; andere deelen zijn door de actie van -het zeewater dat toegang schijnt te hebben gehad tot den inhoud der -kist, bijna niet te ontcijferen. Waar dit het geval geweest is, heb ik -uit andere bronnen eene korte geschiedenis te zamen gesteld van die -tijden, daar anders het verdere gedeelte van het dagboek niet te -begrijpen zou zijn. En ten slotte zij het hier gezegd, dat de eischen -van plaatsgebrek mij hebben verplicht om veel uit het dagboek te -verkorten, en er zelfs belangrijke deelen uit te laten. Het is echter -niet onmogelijk, dat als dit boekje in den smaak van het Afrikaansche -publiek valt, ik later nog meer uittreksels uit het dagboek zal geven. - - - -Op den morgen van den 12den Mei in het jaar 1791, omtrent 11 ure -stonden er in de Graaffestraat (die later verkeerdelijk Grave straat -werd genoemd, en nu herdoopt is in Parliament street) in Kaapstad, drie -mannen een vrij opgewonden gesprek te voeren. De grootste dier mannen, -een flinke kerel van iets over de zes voet, en gekleed op eene wijze -die toonde dat hij tot den deftigen stand behoorde, heette Sebastiaan -van Reenen, en was inderdaad een der aanzienlijkste inwoners van de -Kaapstad in die dagen, gedeeltelijk wegens zijn groote rijkdom, -gedeeltelijk omdat hij een zeer bekwaam man was, en deels ook omdat hij -geparenteerd was aan bijna al de andere aanzienlijke burgerfamiliën der -stad, en dus een grooten invloed uitoefenen kon. Naast hem stond een -kort, eenigszins gezet man, die schoon niet zoo deftig uitgedoscht als -de heer van Reenen, ook tot de betere klasse van burgers scheen te -behooren, en wiens broeder dan ook de vrij aanzienlijke betrekking van -Resident van Simonsbaai bekleedde. Zijn naam was Pieter Brand, waaruit -men merken kan, dat hij tot een oud Kaapsch geslacht behoort. De derde -man is insgelijks een klein mannetje, iets kleiner zelfs dan de heer -Brand; hij is daarenboven veel schraler dan deze, en zijne kleeding is -veel eenvoudiger dan die der anderen; ja, men zou zelfs zeggen dat ze -hem slordig aan het lijf zitten, en dat de drager geen man is die zich -erg moe maakt over zijn uiterlijk aanzien. Hij is een man van iets over -middelbaren leeftijd, naar schatting omtrent acht en veertig of vijftig -jaar oud. Haren en baard vertoonen de eerste sporen van grijsheid, maar -hij loopt nog flink rechtop, en zijne houding heeft zelfs iets -„parmantigs” over zich, terwijl gebaren en spraak toonen dat het hem -geenszins aan levendigheid ontbreekt. De naam van dezen man is Jan van -Eck, en hij woont als jonggezel in een klein huisje aan het strand -tusschen de stad en de Zoutrivier. - -De heer Van Eck is aan het woord, en hij zegt op heftige wijze, terwijl -hij zijn Malacca rottang, met zilveren knop, heen en weer zwaait: - -„’t Is alles van het zelfde brouwsel, die groote heeren van de -Compagnie, mijnheer van Reenen; iedereen zorgt slechts voor zich -zelven; wat van de Compagnie of van den lande wordt schijnt niemand te -kunnen schelen. En natuurlijk, als men de gunst geniet van zijne -Hoogheid den Stadhouder, dan behoeft men zich niet aan de bevelen der -Compagnie te storen”. - -„Ik beaam niet alles wat gij daar zegt, mijnheer van Eck,” hernam de -heer van Reenen, op ernstige wijze, „want er zijn ambtenaren zooals de -broeder van onzen geachten vriend, de heer Brand, die wel degelijk hun -plicht doen, maar ik vind het toch een schandaal dat mijnheer de -Gouverneur op deze onbeschaamde wijze handelt. ’t Is nu toch al meer -dan drie maanden geleden dat ZEd. uit Patria orders heeft ontvangen om -het bestuur hier neder te leggen, en zulks ten gunste van den Secunde, -en op het oogenblik speelt hij toch nog de baas, alsof hij van niets -wist.” - -„Dat zou zeker niet het geval zijn, als het niet ware, dat de Fiskaal -van Lynden hem in zijn verzet steunt” viel den heer Brand in „die man -is een ware vloek voor deze volksplanting.” - -„Ja waarlijk, dat moogt gij wel zeggen, mijnheer Brand” hervatte van -Eck, „nog nooit is alhier het recht op zulke schandelijke wijze veil -geweest als het thans is; de rechtvaardigheid, het eenige juweel, dat -de burger tot nu toe had, wordt aan den hoogsten bieder verkocht, en -het volk schijnt er zich niet tegen te durven verzetten. Neen, dan was -het wat anders in de dagen van Adam Tas, zaliger memorie; toen durfde -men nog voor zijne rechten opstaan, en als er thans onder onze burgers -denzelfden manmoedigen geest heerschte, dan was Cornelis Jacob van de -Graaff al lang op het eene of andere schip gezet, en zonder -complimenten naar huis toe gezonden, wat ook de Stadhouder mocht hebben -gezegd. Maar wij zijn slaven geworden, en eerst als de Fransche -Republiek ons de ware vrijheid zal hebben gebracht, zal er een betere -tijd voor de volksplanting opdagen”. - -„Bedaar u wat mijnheer van Eck,” zeide van Reenen op waarschuwenden -toon, „men mocht u eens hooren, en dan zoudt gij misschien op zeer -onaangename wijze kunnen kennis maken met den Fiskaal”. - -„Hebt gij nog geene tijdingen uit Graaff-Reinet, mijnheer van Reenen?” -vroeg van Eck bedaard, alsof hij niet de minste notitie nam van de -woorden van dezen; „ik hoorde gisteren een gerucht dat er daar heel wat -ontevredenheid heerscht, en de zaken er leelijk staan”. - -„Men is er zeer gebelgd over de onverschilligheid van den Politieken -Raad, en eischt bevelen omtrent een kommando tegen de Bosjesmannen die -het de boeren aldaar zeer lastig maken moeten,” was het antwoord. - -„De regeering behoort zeer voorzichtig te zijn met de burgers van -Graaff-Reinet” viel hier de heer Brand in „ik ken de bevolking daar -goed, en zij zullen zeker niet verdragen wat de menschen hier -verdragen”. - -„Dat is een waar woord, mijnheer Brand” zeide van Eck, „de burgers van -Graaff-Reinet en ook die van Swellendam zijn wakkere mannen, die de -vrijheidsliefde van hunne voorvaderen nog hebben bewaard, en zich niet -zullen laten vertrappen door een handjevol betweters, die meenen alles -te kunnen doen, omdat zij in den gunst van den Prins of van de Hoog -Mogenden meenen te staan. Laat men maar oppassen; de waarheid is ook -reeds in die streken doorgedrongen, en het volk begint zijn eeuwige -rechten, hem door de Natuur geschonken te kennen. Vrijheid, Gelijkheid, -en Broederschap, zijn voor hen geen ijdele klanken meer, maar zullen -spoedig werkelijkheid worden. En dan wee de ellendelingen die hen -zoolang onderdrukt en uitgezogen hebben”. - -Het gezicht van den heer van Reenen betrok, toen hij deze woorden -hoorde, en hij keek den spreker scherp aan; deze beantwoordde dien blik -echter even scherp, waarop de heer van Reenen zijn mond tot een -glimlach plooide, en zeide: - -„Ik ga u groeten, mijnheer van Eck, want gij wordt mij ietwat te -gevaarlijk, en ik heb geen lust om u gezelschap te houden in het -Kasteel, waar gij ongetwijfeld zult belanden, als gij uwen vinnigen -mond niet wat meer in toom houdt”. - -De drie heeren scheidden. Van Reenen en Brand stapten in de richting -van de Parade, terwijl de heer van Eck zijn weg voortzette, het -Stalplein overging, en toen een weg insloeg die de helling van den -Tafelberg opging. Al loopende, mompelde van Eck steeds bij zichzelven, -en het was niet alleen mompelen, maar ook morren, want hij zeide, op -driftige wijze, en zoo hoorbaar, dat als iemand hem voorbij gegaan was, -deze de volgende woorden had kunnen vernemen: - -„Van Reenen heeft mooi praten met zijne waarschuwingen. De kerel is, -dat weet ik, net van dezelfde opinie als ik, en is een even echte -patriot. Maar zooals vele anderen is hij banghartig, en speelt den -heilige, uit vrees voor zijn karkas. Wat heeft men aan zulke -lammelingen, die even als Erasmus in de oude dagen, alles beamen wat er -door Luther gezegd en geschreven werd, maar die niet gemaakt zijn uit -het materiaal, waaruit de martelaren bestonden. ’t Is huilen met de -wolven in het bosch, wat zulke menschen doen; maar wacht maar een -weinig, mijnheer van Reenen, de wolven zullen net nu een ander deuntje -huilen, en dat zal dan ook uw deuntje zijn. Maar een voorzinger om de -goeie gemeente te leiden, dat te zijn, daar hebt gij den moed niet toe. -Wat een geluk dat Voltaire, of Rousseau niet zulke lafhartigen waren; -hadden zij de kat de bel niet omgehangen, dan zuchtte men heden nog in -Frankrijk onder het wanbestuur der Capets.” - -Op deze wijze lucht gevende aan zijn overkropt gemoed, en aan zijn -verachting van alles wat valsch en schijnheilig was, stapte van Eck -ijverig voort, totdat hij eindelijk aan een breed hek was gekomen, -waarop in vergulde letters stond te lezen—“Zeezicht”. Hij ging dit hek -door, liep het net gegruisde pad op, en bevond zich spoedig voor een -net gebouwd huis, eenigszins in den vorm van een boerenwoning, aan -beide zijden waarvan er zich dan ook eenige buitengebouwen bevonden, -die blijkbaar dienden, als stallen, wijnkelders en slavenwoningen, -terwijl aan den achterkant van deze gebouwen een groote wingerd -zichtbaar was, wier bladen in het late seizoen reeds waren afgevallen, -terwijl daarentegen de eikenboomen, die zich in twee statige rijen aan -beide zijden van het huis verhieven nog in al hun bladerdos prijkten, -al was er hier en daar reeds een geele tint aan hen te bespeuren. - -De heer van Eck stapte juist den hoogen stoep van het woonhuis op, toen -een ontzettend groote hond, geel van kleur met zwarten bek, van den -zijkant opsprong en met heftig gebas aan kwam zetten; toen hij echter -de reuk van den bezoeker kreeg, veranderde hij van houding, en kwam -kwispelstaartend op den aankomeling af, die blijkbaar een oude kennis -van het dier was, en die het dan ook een vriendelijk „zoo Caesar, zou -jij den ouden baas niet meer kennen” toesprak. - -Intusschen was eene rijzige vrouw, wier grijze haren verrieden dat zij -minstens vijf kruisjes achter den rug had, maar die toch nog eene fiere -houding had, op den stoep verschenen, en liep van Eck vriendelijk -groetend tegemoet. - -„Kijk, neef, dat is nu net mooi van je; ik zeide daar net tegen Annie, -dat het heel aardig zou zijn als gij van daag hier kwaamt.” - -„Wat is er dan weer aan den gang, Bette,” sprak van Eck, terwijl hij -zich met een roodzijdenen doek het voorhoofd afwischte, want de -perspiratie liep daar in groote parels af, daar de zon nog heel wat -kracht had, en als een vuurbol in den wolkenloozen hemel schitterde. -„Is Zachje weer in moeilijkheden, of hebt gij misschien uw nieuwe wijn -reeds getapt? Om de waarheid te zeggen zou een roemer jonge wijn mij -uitmuntend smaken,” vervolgde van Eck lachend. - -„Kom maar binnen, neef, en dan zal de wijn zich wel laten vinden, al is -die van verleden jaar, want de oogst van dit jaar is nog niet goed -drinkbaar. Maar gij blijft zeker wel bij ons eten, niet waar?” - -„Dat was inderdaad mijn plan, waarde nicht, als ik u niet derangeer,” -antwoordde van Eck, en meteen liet hij zich nederglijden op een -rustbank die op de stoep in de schaduw stond. - -Mevrouw de weduwe Elizabeth de Beer, zooals de eigenares van Zeezicht -heette, was ongetwijfeld gewoon aan de gemakkelijke manieren van haar -neef, die deed alsof hij thuis was, en geen aanstelletjes had; zij riep -dan ook eene slavin en beval deze een kan wijn en een paar glazen te -halen, en een paar minuten daarna, was van Eck in staat om zijn dorst -te lesschen met een flink glas Kaapsche wijn, terwijl ook zijne nicht -zich den heerlijk verfrisschenden drank liet smaken. - -„En wat nieuws is er in de stad, neef?” vroeg zij daarop, terwijl zij -den roemer van haren gast nog eens vulde, want schoon van Eck een matig -man was, wist zij dat hij van twee glazen zuiveren wijn niet -„hoenderkop” zou worden. - -„Men is in de stad blijkbaar volstrekt niet gesticht op het verdere -gezelschap van den edelen gouverneur”, antwoordde van Eck, „en dat -verwondert mij dan ook geenszins, want de man heeft het bont genoeg -gemaakt, en heeft het zuurverdiende geld der arme burgers er op -schandelijke wijze doorgejaagd”. - -„Ik hoorde Hans er van morgen iets over zeggen, maar ik begreep niet -goed wat hij meende” zeide mevrouw de Beer. „Zoover ik opmaakte, scheen -hij van opinie te zijn dat de gouverneur het volmaakste recht had om -hier te vertoeven totdat hij zijne private zaken in orde had gemaakt, -en was al dat lawaai niets anders dan afgunst van den heer Rhenius, den -Secunde, die zijne partij opstookte, omdat hij kwaad is dat de macht -hem nog niet in handen is gegeven, en hij het hoogere salaris niet kan -trekken, voordat de gouverneur deze kusten heeft verlaten”. - -„Zoo, dat had ik mij wel kunnen denken, dat Hans ook al van het hondje -gebeten is. Hij werkt nu op het kantoor van den Fiskaal, is het niet?” - -„Ja, van af het begin der vorige maand is hij daar heen verplaatst, en -het schijnt hem er goed te bevallen”, luidde het antwoord. - -„’t Is jammer dat ik er niet vroeger van geweten had, dan zou ik u -hebben gewaarschuwd, en u aangeraden hebben om te zien of gij geen -ander baantje voor uw oudsten zoon had kunnen krijgen. Het gezelschap -van den heer van Lynden is niet zeer geschikt voor een jongmensch die -de verleidingen van het leven en de strikken des duivels nog niet juist -kent”. - -„Wel, neef, dat zijn natuurlijk dingen, waar eene arme vrouw als ik -niets van af weet; maar zie, daar komt Hans juist aan, en het zou -misschien niet slecht zijn, zoo u met hem gingt spreken over de zaak; -wellicht is er nog een plan te vinden”. - -Mevrouw had nauwelijks deze redevoering klaar, of haar oudste zoon -Hans, een flink opgeschoten jongeling van omtrent twee-en-twintig jaar, -kwam de stoep op. De jonge man had iets astrants in zijn uiterlijk, dat -een eigenzinnig karakter verried, en als hij dit was, dan behoefde men -hier niet verwonderd over te zijn, want de vader van Hans was overleden -toen deze negen jaar oud was, en de weduwe had den vrij balsturigen -knaap niet in de noodige orde kunnen houden, zoodat Hans veel te veel -zijn zin had gekregen, en de baas in het huis speelde. Hij groette zijn -neef eenigszins kortaf, en zette zich toen op de rustbank naast dezen -neder, waarop hij een slaaf riep en dezen gelastte nog een glas te -brengen; toen hij dit gekregen had schonk hij zich een duchtigen -versterking in, en dronk dit uit, zonder op ’s lands manier den gast -van zijne moeder gezondheid te wenschen. - -Jan van Eck keek den parmantigen knaap van ter zijde aan, en zeide toen -bedaard: - -„Ik hoor, Hans, dat gij thans in het kantoor van den Fiskaal werkzaam -zijt; hoe bevalt het u daar?” - -„Uitstekend oom”, luidde het antwoord, „het is zeer vermakelijk om te -zien hoe de Fiskaal met de menschen weet om te springen, en hij is -zeker een der geslepenste kerels in de Kaap. ’t Is een oude rot, die -niet makkelijk in den val loopt”. - -„Ja, dat is hij zeker, maar oude rotten worden soms ook gevangen en dan -hebben zij het menigmaal harder te verantwoorden dan de jongere -dieren”, zeide van Eck koeltjes, en daarop vervolgde hij: „De heer -Fiskaal schijnt echter geen populair man te zijn onder de burgers, ten -minste niet naar ik hoor”. - -„Dat weet hij ook wel, maar daar stoort hij zich niet aan; hij veracht -de menschen, en zegt dat over het algemeen de kolonisten te onbeschaafd -zijn dan dat men notitie behoeft te nemen van wat zij zeggen”. - -„Heeft hij dat in uwe tegenwoordigheid gezegd?” vroeg van Eck verbaasd. - -„Oh, ja, hij windt er geen doekjes om, en zegt net wat hem op het harte -ligt”, hernam de jonge man, en dit op een toon die te kennen gaf dat -het gedrag van zijn chef zijn bewondering verwekte. - -De aderen aan het voorhoofd van Jan van Eck zwollen als koorden, zijn -gelaat werd vuurrood, en hij mompelde iets dat veel klonk naar een -krasse vloek. Toch bedwong hij zich, tot hij tegen zijn neef -uitbarstte: „En gij Hans de Beer, een Afrikaner van geboorte, en uit -een oud Kaapsch geslacht ontsproten, gij laat iemand dat in uw gezicht -zeggen, zonder dit tegen te spreken. Foei, schaam u wat: ik zou in mijn -jonge dagen mij niet zoo hebben laten beleedigen”. - -De jonge man was een weinig bedeesd onder dezen onverwachten aanval, -maar herstelde zich toch spoedig, en antwoordde toen op scherpe toon: -„Maar wildet gij dan hebben dat ik met mijn chef onaangenaamheden moet -krijgen, en met hem ruzie maken over zulk een bagatel, neef? De heer -van Lynden is een invloedrijk man, en het zou wel dwaas van mij zijn, -om hem niet te vriend te houden”. - -„Ik geloof dat gij den invloed van den Fiskaal veel te hoog schat”, -hernam de oudere man, „en al was hij de stadhouder zelf, dan zou ik -mijn medekolonisten niet ongestraft hebben laten beleedigen, in alle -geval niet stilzwijgend. Het spijt mij ten zeerste dat gij op dat -kantoor zijt terecht gekomen. en gij zult er niet veel goeds leeren. -Als ik u was Hans, dan zou ik om verplaatsing aanzoek doen”. - -„U heeft zeer wonderlijke veroordeelen, neef”, waagde de jonge man te -zeggen, „de zaak is eenvoudig dat gij weet dat de Fiskaal Oranjegezind -is, en gij zelve een Patriot zijt, en daarom haat gij den heer van -Lynden, omdat gij vreest dat hij een oog op u heeft. Maar een man als -de heer van Lynden, die den steun en de achting van den Gouverneur -geniet, is verheven boven uwe aantijgingen”. - -Onder andere omstandigheden zou de heftige Jan van Eck den man die hem -zulke woorden had toegevoegd een slag met zijn rottang in het -aangezicht hebben gegeven; de gedachte echter, dat een domme melkbaard -zooiets zeide, en het feit dat die melkbaard een zoon was van eene zeer -geliefde nicht, hield zijn arm tegen, schoon de rottang werkelijk een -paar duim van den grond rees, om daarop langzaam te zinken. - -„Hans, gij zijt een dwaas, die niet weet wat gij praat, en als gij wat -meer verstand hebt, zal het u spijten zulke onbekooktheden tegen mij te -hebben gezegd. Ik verzeker u echter dat gij u deerlijk vergist, en dat -het u geraden is niet al uw vertrouwen te stellen in den Fiskaal, en -zelfs niet in den Gouverneur want hun beider rijk is waarschijnlijk -zeer spoedig uit”. - -„Zoudt gij dan denken dat de Gouverneur dwaas genoeg zou zijn om naar -Patria terug te gaan op de eerste aanmaning hem daartoe door de -directeuren gezonden. Hij heeft natuurlijk naar zijne vrienden in -Patria geschreven, om hen te vertellen, dat hetgeen men in Holland van -hem verteld niets dan leugens zijn van zijne tegenstanders alhier, en -hij zal vragen dat men eene commissie uitsture om onderzoek naar den -toestand der zaken alhier te doen. De heer van de Graaff is niet de man -er naar, om zoo maar het veld te ruimen voor zijne vijanden, en hij -heeft een uitmuntenden raadgever in den Fiskaal, die weet wat hij -doet”, luidde het heftige antwoord van den jongen Hans. - -„Zoo, zoo, zit de vork zoo in den steel”, sprak van Eck, en hij wilde -juist nog iets hierbij voegen, dat misschien niet zoo bedaard zou -geweest zijn, toen plotseling de stem van zijn nicht zich deed hooren, -die weder op de stoep verscheen, met „komt, neef Jan, en Hans, komt -eten, de kost wordt anders koud en dat zou jammer zijn”. - -Neef Jan had een half uur geleden een geweldigen appetijt gehad, maar -de woordenstrijd met Hans had dien geheel en al bedorven, en de oude -heer was alles behalve vriendelijk gestemd toen hij de ruime eetkamer -intrad, en daar de andere leden der familie aantrof, namelijk de eenige -dochter van Mevrouw de Beer, Annie genaamd, een zeer mooi meisje van -omtrent 17 jaar, en de tweede zoon des huizes, een knappe jongen van 19 -jaar, die naar de boerderij van zijne moeder keek, en als zoodanig de -rechter hand dier moeder was. Hij had een geheel anderen aard dan zijn -broeder Hans, deze Andries de Beer, en schoon meer bedeesd dan deze, -was hij veel verstandiger dan zijn ouderen broeder. - -Annie was een lieveling van den stuggen Jan van Eck, maar heden was -neef Jan zoo verstoord dat hij haar slechts zeer koel groette, en ook -onder het eten in gedachten verzonken scheen. Nicht Bettie giste dat er -weer een hevige woordenwisseling had plaats gevonden tusschen haar neef -en haar zoon, want dergelijke tooneeltjes waren niets ongewoons; toch -had zij nooit gezien dat neef zich zulk een zaak aldus aantrok als hij -heden scheen te doen, en zij kon dan ook niet helpen om te vragen, wat -Hans nu weer gezegd had om neef zoo overstuur te maken. - -Hans antwoordde niet, want hij begon zich reeds over zijn gedrag te -schamen, en daarbij gevoelde hij dat hij in zijne aanmerkingen over de -plannen van den Gouverneur, plannen waarover hij den heer van Lynden -had hooren praten, zijn mond had voorbij gepraat, en geheimen uit het -kantoor had verklikt, iets dat hem duur kon te staan komen. De heer van -Eck daarentegen begon nu eerst geweldig ergerlijk te worden over het -gedrag van zijn jongen neef, en, op de vraag van Mevrouw de Beer, -barstte hij dan ook plotseling uit: - -„Nicht als gij daar dien oudsten zoon van u niet spoedig den mond -snoert, zal hij u en anderen in groote ongelegenheden brengen.” „Ach, -neef,” hernam nicht op goeielijken toon, „jonge harten zijn maar -onbezuisd, en Hans meent het zoo kwaad niet, is het wel Hans?” Hans gaf -geen antwoord, maar Annie nam nu de zaak op en zeide: - -„Oom Jan, gij moogt heden niet uit uw humeur wezen, want wij hebben -vandaag juist een spul heerlijke pampoenkoekjes gemaakt, en gij weet -dat is uw lievelingsgerecht”. - -„Ja, neef, het was daarom dat ik tegen Annie gezegd heb, dat ik hoopte -dat gij heden hier zoudt aankomen, en gij moogt nu niet een zuur -gezicht trekken, want anders zou het mij gaan spijten, en zal ik bang -zijn dat de koekjes u niet zullen smaken”. - -Jan van Eck was mensch; daarenboven was hij Afrikaner; en hoe kwaad hij -ook mocht zijn, tegen de verleiding van „pampoenkoekjes”, vooral zoo -als nicht Bettie ze bakken kon, was zelfs de volgeling van Jean Jacques -Rousseau niet bestand. Hij glimlachte eerst wel wat stijf, maar de lach -werd steeds breeder en guller, vooral toen de „koekjes” door de meid op -tafel werden gebracht, en nicht hem toen een viertal op zijn bord -plaatste, „om mee te beginnen” zeide zij; en toen een uur later Neef -Jan van Nicht Bettie afscheid nam, zou niemand hebben kunnen raden, dat -slechts een kleine twee uur geleden Jan van Eck zoo kwaad was geweest, -als hij zich niet herinnerde ooit te zijn geweest voor dezen. - -Drie dagen daarna kreeg Hans de Beer echter een verschrikkelijke -schrobbeering van zijn chef, omdat deze had uitgevonden dat Hans uit de -school had geklapt en dat nog al tegen dien gemeenen hond van een -patriot Jan van Eck. Toch had die hond van een patriot gelijk gehad. -Het rijk van den Fiskaal was uit. Toen op 24 Juni de heer van de Graaff -zich eindelijk inscheepte om naar Holland terug te keeren, nam van -Lynden heimelijk de vlucht met hem. Nu de leeuw weg ging, vond de -jakhals het niet geraden om zich alleen te wagen tusschen de burgers, -van wier haat hij zich maar al te goed bewust was. - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - -EEN LEELIJK STANDJE. - - -Voor ik dit verhaal voortzet, moet hier gemeld worden dat ongelukkig in -het begin van het dagboek er een tachtig of honderd bladen zijn -uitgescheurd, door wat de dichter zou noemen „een godvergeten hand”. -Daar het verlorene een tijdperk van iets meer dan een jaar beslaat, ben -ik dus wel verplicht om hier een stukje geschiedenis op mijn eigen -houtje te geven, ten einde mijne lezers den draad der geschiedenis niet -te laten verliezen. - -Reeds lang voor het vertrek van Gouverneur van de Graaff uit de -Kaapstad, was men in de Nederlanden tot de conclusie gekomen dat het -met de Oost-Indische Compagnie niet meer in den haak was. De Compagnie -had groote schulden, en zij kon niet eens meer de renten op hare -schuldbrieven betalen. De zaak was van groot belang voor het publiek, -en daarom vonden de Staten Generaal zich gedrongen om van hun recht -gebruik te maken, en een onderzoek te doen instellen naar den toestand -der Compagnie. Het rapport uitgebracht door eene daartoe speciaal -aangestelde commissie, was van dien aard, dat verdere maatregelen -noodig werden beschouwd, en vier heeren werden aangesteld, met een -bijna onbeperkte macht, om de kolonien der Compagnie in persoon te gaan -bezoeken en zich te vergewissen van den aldaar heerschenden toestand. -Twee der leden dezer commissie, de heeren Sebastiaan Cornelis -Nederburgh, eerste advokaat der Compagnie, en de zeekapitein Simon -Hendrik Frykenius, werden aangewezen om de kolonie de Kaap de Goede -Hoop te bezoeken, en deze heeren kwamen den 18den Juni 1792 te -Simonsstad aan met het oorlogsschip de Amazone. - -Er was sinds het vertrek van Gouverneur van de Graaff niet veel van -belang in de kolonie geschied. De heer Rhenius had het bestuur -overgenomen, en de zaken gingen hun ouden gang. In de distrikten -Graaff-Reinet en Swellendam had men op een manier de rust een weinig -hersteld door een sterk kommando te doen uittrekken tegen de -Bosjesmans, waarvan een menigte werden gedood. Toch had zich door de -geheele kolonie een geest van verzet tegen de regeering vertoond, die -bewees dat er noodzakelijk verandering moest komen, wilde men niet het -gevaar loopen van een algemeenen opstand. Toen b.v. de politieke raad -een nieuwe belasting, de successierechten oplegde, was de onwil -daarover zoo groot, dat de raad, om ergere dingen te voorkomen, zich -verplicht zag, om op haar eens genomen besluit terug te komen, en men -begrijpt dat dit teeken van zwakheid niet ongemerkt voorbij ging, en -hen, die begonnen waren zich tegen de aanmatigingen van de Compagnie te -verzetten, aanmoedigden om in hunne pogingen te volharden. - -De pas aangekomene commissarissen vonden dan ook spoedig uit, dat zij -te doen hadden met mannen, die zich door geen ijdele woorden of zoete -beloften lieten tevreden stellen. Net een week na hunne aankomst -maakten de leden van den Burgerraad hunne opwachting bij de -commissarissen, om hen bekend te stellen met een lange reeks van -grieven die de burgers meenden te hebben. De namen der leden van den -Burgerraad verdienen hier te worden vermeld. Het waren de heeren Jan -Smuts, Gert. H. Meijer, Hendrik J. de Wet, Andries Fleck, Hendrik -Truter, en Hendrik P. Warnecke, allen mannen van naam en invloed. - -De commissarissen waren onverstandig genoeg om te weigeren den -Burgerraad te erkennen als een lichaam dat het recht bezat om grieven -voor te brengen. En daarop begonnen de poppen te dansen, en hoe ze -dansten dat zullen wij nu eens vertellen, zooals wij het aangeteekend -vinden in het dagboek, dat een aantal bijzonderheden geeft, die in -andere boeken niet te vinden zijn. - -’t Is den 30sten dag van Juni 1792 en een dier heerlijke dagen die de -winter van het Kaapsche schiereiland ons eenmaal in een dozijn jaren -schenkt. Het heeft een week lang geregend, maar drie dagen geleden is -er een einde aan het natte weer gekomen en heeft de zon met -buitengewone kracht geschenen, zoodat alle straten en wegen droog en -schoon zijn. Op dezen morgen (want het heeft zooeven negen uur -geslagen), waait er slechts een fijn luchtje, iets wat Jan van Riebeeck -een „labberkoelte” zou genoemd hebben, en de heldere hemel geeft vader -Sol alle mogelijke gelegenheid om zijne stralen op de aarde te zenden, -van welke kans hij dan ook alle gebruik maakt. - -Vooral op de groote Parade, die zich voor de Keizersgracht uitstrekt, -en aan wier oostzijde het Kasteel zich trotsch verheft, terwijl aan de -westzijde de Heerengracht een begin van den weg maakt, die tot aan de -Compagnies tuinen leidt, en daar dood loopt tegen de slavenloge, is het -zeer warm, maar men heeft er toch een mooi uitzicht. Aan den eenen kant -ziet men de Tafelbaai, wier wateren thans kalm wiegelen, en die thans -een half dozijn Oost-Indiëvaarders dragen, welk ieder oogenblik -verwachten de thuisreis te zullen aanvaarden, daar het Kaapsche -stormseizoen nadert, die de Tafelbaai tot een der gevaarlijkste havens -der wereld maakt, en daar bijna elk jaar tallooze offers eischt. Aan -den kant tegenover de zee, valt het oog eerst op het nog niet geheel -voltooide nieuwe hospitaal dat thans echter dienst doet als kazerne -voor de troepen, en inderdaad ook nooit zijn oorspronkelijke bestemming -als hospitaal heeft bereikt, maar altijd een soldatenhuis is gebleven. -En daarachter verheft zich, trotsch en eeuwig onveranderlijk de -Tafelberg, rechts en links geflankeerd door de Duivelspiek en den -Leeuwenkop, een panorama, zoo schoon als maar ter wereld kan worden -gevonden. - -Doch het is niet met de natuur dat wij ons heden morgen willen bezig -houden, al verdient zij dit ruimschoots, en al zou een loflied op -Tafelbergs pracht geenszins ongepast zijn. Neen, het is met den mensch -dat wij ons willen bemoeien, en heden morgen zijn er exemplaren genoeg -van den heer der schepping te vinden op de Parade. Er zijn er ten -minste een heel aardig klompje reeds, en hun aantal vermeerdert elk -oogenblik. Want er is heden eene groote vergadering bepaald, en het is -duidelijk dat de Kapenaars groot belang gaan stellen in de te -besprekene kwesties. Op dit oogenblik is de vergadering nog niet -begonnen, want de daarvoor bepaalde tijd is eerst tien uur; wij hebben -dus den tijd om eens een kijkje te nemen en een wandeling te doen -tusschen de klompjes menschen, die hier en daar vergaderd zijn, om -voorloopig de zaken te bepraten. Dat die zaken van gewicht moeten zijn, -dat lijdt geen twijfel, want de personen reeds tegenwoordig schijnen -zeer opgewonden, en men mist geheel die koele bedaardheid die anders -den Kapenaar onderscheidt, want het oud Hollandsche bloed van Jan Saai, -dat zit bij de meesten diep in de aderen. Het Afrikaansche volk was -even als in 1901, ook in 1792 een zeer lijdzaam volk, dat niet snel aan -het roeren geraakte; maar kwam het in beweging, dan volgde er ook een -gansche uitbarsting en dan hield het niet op met agiteeren, totdat het -zijn zin had gekregen. - -Maar ziet, hier zijn wij bij een klein klompje menschen, die met -bijzonderen drift staan te redeneeren, men zou bijna zeggen, te -twisten, zoo luid praten zij. Er zijn onder het hoopje een paar die wij -reeds kennen; daar staat de heer van Reenen, even netjes aangekleed als -altijd; naast hem zien wij onzen ouden vriend, den heer van Eck, die, -in tegenstelling van zijn vriend niet de minste moeite heeft genomen -met zijn toilet. Bij hen staat de heer J. P. Baumgardt, die iemand van -eenigen invloed is, en die wij later misschien wel eens meer zullen -ontmoeten. De vierde man is de heer Jan Smuts, een der leden van den -Burgerraad van Kaapstad, een achtenswaardig man van over de zestig -jaren, lid van een der aanzienlijkste familien der Kolonie, en die -grooten invloed bezit. Hij is het die wij aan het woord vinden, en -hoort maar eens wat hij, op eenigszins opgewonden manier zegt: - -„’t Is doodeenvoudig een schandaal, mijnheer van Reenen, zooals de -Commissarissen ons hebben behandeld. Men wil niet eens naar ons -luisteren, en beweert dat wij geen recht hebben om namens het volk -dezer kolonie te spreken. Ik zou wel eens willen weten wie anders het -recht zou hebben zulks te doen. Wie weet beter dan wij wat voor deze -volkplanting vereischt wordt? Wie kan beter een oordeel vellen over de -misbruiken die in de laatste dertig jaren en meer zijn ingeslopen in de -regeering van dit ongelukkige land? Van af den dood van vader Tulbagh, -zaliger gedachtenis, zijn dingen hier steeds achteruit gegaan, en thans -zijn zij in zulk een toestand dat als er niet spoedig verandering ten -goede komt, ik het ergste vrees. Er heerscht groote ontevredenheid -onder alle standen; het zijn niet alleen de boeren die enkel klagen; -het zijn alle kolonisten. - -„De Compagnie is niet in staat ons met iets te helpen, en het is niet -billijk dat zij uit ons leeft, en ons steeds meer en meer belast”. - -„Maar zal het houden van vergaderingen van eenig nut zijn, mijnheer -Smuts”, viel hier Jan van Eck in; „vreest gij niet dat de -Commissarissen, die de macht in handen hebben, al uwe protesten in den -wind zullen slaan, en op den koop toe u uitlachen?” - -„In alle gevallen hebben wij dan toch onze stem doen hooren, en komen -de verdere gevolgen voor rekening van degenen die onze waarschuwingen -in den wind hebben geslagen” merkte de heer Baumgardt aan. - -„En zoudt u mij misschien kunnen zeggen wat die gevolgen zullen wezen?” -vroeg Van Eck, op droogen toon. - -„Wel, eerstens zal de ontevredenheid daardoor vermeerderen,” antwoordde -de heer van Reenen, instede van den heer Baumgardt, aan wien de vraag -gericht was. - -„Dat zal weinig baten, die toenemende ontevredenheid”, ging van Eck -voort; „met mompelen en morren is men nooit veel verder gekomen in deze -wereld, vooral niet waar men met eene regeering te doen heeft, die de -baas is. In Frankrijk heeft men gemompeld van af het jaar 1690 tot aan -1789, en wat hielp het? De lasten werden steeds zwaarder: en eerst toen -men begon te handelen en de verrotte regeering van den troon stiet, is -men een beter tijdperk ingetreden. Men kan in deze wereld slechts -geweld met geweld keeren, en macht slechts door macht tot zijn plicht -brengen. Als een volk zichzelve niet helpt, behoeft het niet te rekenen -op verbetering van zijnen toestand”. - -„Wilt gij daarmede te kennen geven, mijnheer Van Eck, dat de kolonisten -tot maatregelen van geweld moeten overgaan?” vroeg de heer Baumgardt op -veelbeteekenende wijze. - -„Ik weet niet wat gij juist met het woord geweld bedoeld” luidde het -kalme antwoord van den heer Van Eck, „maar wat ik meen is dit, dat het -volk rondborstig moest verklaren dat het niet langer de autoriteit van -Jan Compagnie, en diens afpersingen wil verdragen, en besluit om zich -zelven te regeeren.” - -„Maar dat zou rebellie wezen, en de man die dat begint is des doods -schuldig volgens de wetten des lands”, viel de heer Van Reenen driftig -in. - -„Die kans behoort elk vrijheidslievend volk te staan; die kans bestond -ook voor den man die de onafhankelijkheid van de Vereenigde Provinciën -heeft gegrondvest; die kans bestond ook voor George Washington; maar -toch hebben die mannen zich niet laten afschrikken door dien kans; zij -hebben hun werk gedaan, als het ware met het zwaard boven het hoofd, en -hunne namen staan voor eeuwig op de geschiedenisrollen gegraveerd” -antwoordde Van Eck op ernstige wijze. - -„Mijnheer Van Eck, ik erken dat er verandering noodig is in den -toestand van zaken, en persoonlijk zou ik niets liever zien dan dat het -bestuur der Compagnie ophield alhier te bestaan; en tot zoo ver zal ik -met u zamen gaan; maar om te spreken van eene eigene regeering, en van -afscheiding van ons vaderland, dat keur ik ten stelligste af, en het -zou mij spijten als er velen waren die dachten zooals u.” - -„Er zijn er meer dan gij wel denkt”, viel Van Eck den heer Smuts, die -dit zeide in de rede, „alleen zij durven het niet zeggen, maar ik voor -mij wil de waarheid niet achter stoelen en banken wegsteken”. - -De heer Smuts keek den vinnigen Van Eck een oogenblik zwijgend aan en -vervolgde toen: - -„Wat ik echter als eene oplossing van de kwestie zou beschouwen, is dat -de Compagnie het bestuur over deze landen overgeve aan de Staten -Generaal, zoodat wij onze grieven direct voor de Hoog Mogenden kunnen -brengen, en niet behoeven te dansen naar de pijpen van een aantal -kooplieden, die geen ander oogmerk hebben dan om hunne eigene zakken op -de snelst mogelijke wijze te vullen, en alles uit dat oogpunt -beschouwen.” - -„Dat zou slechts een verwisseling van naam zijn, en daardoor zou het -volk niets meer te zeggen krijgen,” gaf de heer Van Eck op spottenden -toon te kennen. - -„Wij weten, mijn waarde vriend, dat gij een vurig patriot zijt, doch -uwe revolutionaire ideeën loopen soms te snel met u weg”, zeide de heer -Baumgardt. - -„Wel, ik ben, Gode zij dank, niet meer in dienst van de Compagnie of -van eenige regeering, en dat geeft mij meer vrijheid van spreken, en ik -houd vol, dat het volk dat de souvereine macht toekomt, sinds de -schepping der dagen, zijne billijke rechten moet hebben, en hoe langer -die er aan onthouden worden, des te gevaarlijker voor de regeerders”. - -Met deze woorden wendde Van Eck zich tot een tiental of twaalftal -mannen, die intusschen zich bij het groepje hadden gevoegd, en juist de -laatste woorden van den spreker hadden gehoord. „Heb ik recht?” vroeg -hij aan deze personen. - -„Welzeker, mijnheer Van Eck”, riep een der bijstanders uit „het volk -moet zijn rechten hebben. en wij zullen ze ook krijgen, als zij die de -voormannen van het land en onze natuurlijke leiders zijn, hun plicht -willen doen”. - -Er waren heel wat teekenen van bijval na deze korte, krachtige -aanmerking, en Van Eck zeide veelbeteekenend tot den heer Smuts: „Wel, -heb ik het u niet gezegd?” Hij wilde toen blijkbaar nog iets meer -zeggen, doch de heer Van Reenen nam hem onder den arm, en ging met hem -een klein eindje op zijde, waar hij hem als volgt toesprak: - -„Mijnheer Van Eck, u weet dat ik uw vriend ben, en dat in een aantal -zaken mijne opinie met de uwe overeenkomt. Maar ik bid u, snoer u den -mond wat. De bevolking is al opgewonden genoeg, en als gij nu de -burgers aanhitst om dolle, dwaze dingen te doen, sta ik niet voor de -gevolgen in. Door aldus te handelen zult gij de pogingen van hen die -het goed meenen, geheel en al verijdelen, en zult gij de regeering -drijven tot het doen van dingen, waarvan men later spijt zal hebben”. - -Jan van Eck bleef eenige minuten het stilzwijgen bewaren, en scheen na -te denken over hetgeen zijn vriend hem gezegd had; eindelijk antwoordde -hij. „Ik zal stil blijven, Sebastiaan, maar ik zeg u privaat dat men -heden een groote fout maakt. Gij zult met mooi praten niets uit de -heeren Commissarissen krijgen; een hunner is alreeds een lid van het -bestuur der Direkteuren, en de ander is niets anders dan een ledepop, -die rondspringt zooals hem de touwtjes worden getrokken. Uit die lieden -krijgt men niets, als men hen niet het mes op de keel zet”. - -„Dat mag zoo zijn. mijn waarde vriend, maar het is thans niet de tijd -om zulks te doen. Wij moeten eerst zachte maatregelen nemen, en dan kan -men zoo noodig, tot strengere stappen overgaan. Ik, voor mij ben -overtuigd, dat als men ziet dat wij het ernstig meenen, men eieren voor -zijn geld zal kiezen”. - -„Ik hoop zoo, mijnheer van Reenen, en om te toonen dat ik naar u wil -luisteren, beloof ik u om niets meer te zeggen, dat de goede lieden zou -kunnen opwinden”. - -Middelerwijl was de menigte op de Parade zeer in aantal toegenomen, en -maakte zij geen onaardige vertooning. Tusschen de vrij deftige -stadbewoners, die in rok en driekanten hoed tegenwoordig waren, zag men -de lieden uit Koeberg en Zwartland, ja zelfs waren er eenige uit de -Paarl, en van Klapmuts en omstreken. Deze boeren waren veel eenvoudiger -gekleed, en hadden baatjes aan van ruw materiaal, een enkel, die tot -den meer nederigen stand behoorde, was zelfs in vel kleederen, die wel -keurig netjes gemaakt waren, maar toch erg afstaken bij de gegaloneerde -rokken der voorname Kapenaars; toch waren zij er niet minder -schilderachtig om. Breed gerande hoeden, bijna gelijk aan die welke men -nog kort geleden in de Transvaal zag, vormden het hoofddeksel deze -boeren, en menige hoed was versierd met een struisvogelveer, of zelfs -met de vlerk van de wilde pauw. Schoon allen zich zeer ordelijk -gedroegen, werden er toch in en onder de verschillende groepjes uiterst -levendige gesprekken gevoerd, en hier en daar hoorde men uitdrukkingen, -die bewezen hoezeer men Jan Compagnie en zijne plakkaten moede was. - -Daar luidde een bel, of klok, het teeken dat de vergadering zou gaan -beginnen, en nu vormde men een grooten halve cirkel om een soort van -spreekgestoelte of platform (zooals men het nu op het Engelsch aan de -Kaap noemt), dat in der haast was gevormd van eenige balken en kisten, -en dat zoowat een voet of vier zich boven den beganen grond verhief. De -heer Jan Smuts beklom de tribune het eerst, verzocht stilte, en stelde -toen voor dat „burger Hendrik de Wet tot voorzitter zou worden -gekozen”, wat met acclamatie werd aangenomen. De heer De Wet, een -krachtig gebouwd man van omtrent vijf en veertig jaren, die tot de -meest geziene mannen der Kolonie behoorde, nam toen plaats op een -groote leuningstoel die op de tribune stond en daarna opstaande, stelde -hij voor dat men den heer Eduard Bergh zou verzoeken, als secretaris -dienst te doen; dit insgelijks aangenomen zijnde, ging de heer Bergh op -een stoel naast den voorzitter zitten, en maakte van een houten kist -zijn schrijftafeltje, terwijl een inktkoker, wat papier, en eenige -ganzepennen, in een oogenblik werden verschaft uit een winkel die op de -Keizersgracht stond. - -Zoodra deze noodige voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen, -hield de heer De Wet een korte, maar krachtige aanspraak, waarin hij de -vergadering vertelde van de aankomst der Commissarissen Nederburgh en -Frykenius, en de van deze ontvangene weigering om den burgerraad te -ontvangen als de vertegenwoordigers der kolonisten. - -Daarop trad hij kortelijks in de voornaamste grieven der kolonisten, en -zeide onder anderen, dat het onbillijk was om te verwachten dat de -bewoners dezer volkplanting zouden helpen om de Oost-Indische Compagnie -het hoofd boven water te houden. Het was waarlijk niet aan de kolonie -te wijten dat de Compagnie er zoo slecht aan toe was; de Compagnie had -veel geld en een nog veel grootere hoeveelheid waarde aan -levensmiddelen uit de volkplanting gekregen, en daarentegen had men -zeer weinig acht geslagen op de behoeften der kolonisten, doch ze doen -zuchten onder een zwaar belastings-systeem. Er werd altijd door de -Direkteuren en door den Politieken Raad geleuterd over de groote -uitgaven die men in de Kaap had; maar waarvoor waren die uitgaven? -Voornamelijk waren ze bestemd voor oorlogsmateriaal, voor soldaten, en -verdedigingswerken, en deze waren niet zoozeer gemeend om de Kaap zelve -te verdedigen, dan wel om de belangen der Compagnie in Oost-Indië te -beschermen. Als men de uitgaven naging die gemaakt werden ten behoeve -van den Kaap zelve, dan zou men dadelijk zien, dat die uitgaven heel -wat minder waren dan hetgeen de Kolonie in belastingen opbracht. Het -was, zeide spreker, niet recht dat de Kaap zou betalen voor het -beschermen der andere belangen der Compagnie; het geld dat van de -burgers werd ontvangen, behoorde gebruikt te worden om den toestand -dier burgers te verbeteren. Dit werd niet gedaan, en dit was een der -ergste grieven der burgerij. Als men het geld alleen in het direkte -belang der Kolonie gebruikte, dan had men veel minder noodig dan de -tegenwoordige opbrengst der Kolonie, en dientengevolge meende hij dat -men de belastingen moest verminderen, en niet steeds vermeerderen, -zooals men eenige weken geleden had getracht te doen. Dat was een deel -der grieven die de Burgerraad voor de Commissarissen had willen -brengen, maar deze heeren had hem niet willen hooren, en dat was -onbillijk. - -De burgerraad was indertijd opgericht om de bevolking een billijk -aandeel in het bestuur van de volkplanting te geven, en men had in alle -tijden dien raad als een der voornaamste van het land beschouwd. - -Spreker kon zich nog herinneren, hoe vader Tulbagh steeds den -Burgerraad in alle dingen van belang raadpleegde, en hun opinie inwon -over zaken die uiteindelijk in den politieken raad werden beslist. En -dat was recht, want in den politieken raad waren er dikwijls leden, die -niet goed op de hoogte van de hier heerschende toestanden waren, en -wier eenig doel was om een wit voetje te zoeken bij de heeren -direkteuren, zoodat zij daardoor zichzelven konden bevoordeelen, en -later hoogere betrekkingen konden krijgen. Toen men hier een man had, -als Rijk Tulbagh die als het ware in deze Kolonie was opgegroeid, en in -den vollen zin des woords een Kapenaar was, toen was het uitmuntend in -de Kaap gegaan; maar die dagen waren helaas, voorbij, en nu kreeg men -hier slechts gouverneurs, welke als gehoorzame dienaars de bevelen hun -uit Amsterdam gezonden, moesten uitvoeren, en den moed niet hadden om -de direkteuren terecht te wijzen, waar deze, door onbekendheid met de -plaatselijke toestanden, grove flaters begingen. Hij, spreker zou thans -het woord laten aan eenigen, die iets wilde zeggen, maar schoon hij -begreep, dat men voor zijne rechten wilde opstaan, en dit dan ook -prijzenswaardig vond, wenschte hij allen tegenwoordig op het harte te -drukken, dat men geen heftige taal moest gebruiken, en niets moet -zeggen dat onnoodiglijk de autoriteiten in het harnas zou kunnen jagen. - -Het ontbreekt ons hier aan plaats, om de zeer belangrijke aanspraken -weer te geven, die wij in het dagboek kortelijks aangeteekend vinden, -als op dezen dag geuit, door een aantal der voornaamste mannen der -Kaapstad, zoowel als door verscheidene der boeren, die ongetwijfeld -even groot belang bij de vergadering hadden, als de beste Kapenaar. Het -waren werkelijk dan ook de boeren, die het meest klaagden, want de -vrije handel in hunne produkten was hun nog altijd belet, en de tienden -werden nog altijd geheven, en dat op zeer ongelijk drukkende wijze. Wij -vinden dan ook onder de resolutiën door deze vergadering genomen, ééne -waarin gezegd wordt, dat de tienden moesten worden afgeschaft, als -zijnde een middeneeuwsch en onrechtvaardig recht, dat den Staat of de -Compagnie niet meer toekwam; daarvoor wilde men eene belasting van vijf -ten honderd stellen op alle produkten verkocht, en deze zou, naar de -vergadering meende, vrij wat meer opleveren, als men den handel wat -meer openstelde, en de lastige bestaande beperkingen, die de Compagnie -een monopolie bezorgden, ophief. Een tweede besluit drong er sterk op -aan dat men de belastingen moest verminderen, om redenen door den -voorzitter aangegeven. Ook verzocht men in al deze zaken de medewerking -van de inwoners der andere distrikten, die tot dat doel ook -bijeenkomsten moesten houden. Deze besluiten waren allen gepasseerd, en -de voorzitter was juist van meening om de vergadering te sluiten, toen -de heer Jan van Eck, die tot nu toe enkel een bedaard toeschouwer was -geweest, en slechts nu en dan eenige teekenen van goed- of afkeuring -had gegeven, het woord vroeg en kreeg. - -„Waarde medeburgers”, zoo begon de heer Van Eck, „over het algemeen -vereenig ik mij met hetgeen door deze vergadering besloten is, hoewel -ik vind dat hier en daar de besluiten in te zachte bewoordingen zijn -uitgedrukt. Het geldt hier niet de kwestie om ons zelven te overtuigen, -want wij weten dat wij in het recht zijn; maar de zaak is dat wij de -heeren Commissarissen, en vooral de direkteuren moeten overtuigen van -ons goed recht, en men moet niet vergeten, dat het gesprokene woord, -indien op papier gebracht, en dan gelezen op zes duizend mijlen -afstands, lang niet zoo scherp klinkt, als het doet hier voor ons, die -het uitspreken. Er moet dus wat meer peper bij, en onze uitdrukkingen -moeten dus gekruid worden, ten einde te voorkomen dat met de lange -overzeesche reis zij niet te veel van hunne smaak zullen verliezen, en -onze moeite te vergeefs is. Wij zijn het volk van de Kaap, en als -zoodanig hebben wij rechten, en de tijd is voorbij dat koningen of -heeren ons de knie kunnen doen buigen, en ons als slaven kunnen -behandelen. Dat is onlangs in Frankrijk bewezen, en wat daar geschied -is, kan ook elders geschieden. Als ik om mij heen zie, dan rust mijn -oog op een aantal lieden, de meesten waarvan afstammelingen zijn, van -de dappere voorvaders die dit land hebben gemaakt wat het heden is; die -gevaren en moeilijkheden hebben getrotseerd, onbekende streken hebben -gekoloniseerd, en den wijnstok hier hebben geplant en het graan hebben -gezaaid, in streken waar vroeger slechts het gras en het onkruid -groeiden. Maar wie heeft de vruchten geplukt van hun zwaren arbeid? -Niet zij, maar de Oost-Indische Compagnie. Hoe meer zij met hun zuren -arbeid verdienden, des te zwaarder werden de belastingen, en te -drukkender de afpersingen der ambtenaren. Op goede of slechte jaren -werd niet gelet; men moest maar altijd betalen; op de vele rechtmatige -klachten der burgers werd òf geen antwoord gegeven òf anders werd hun -geantwoord dat de direkteuren geen kans zagen om de belastingen te -verminderen. Op de gruwelijkste en onzinnigste wijze is het geld -vermorst, en men denke slechts aan de hofhouding die de laatste -gouverneur hier hield, en aan de bescherming door hem aan zijne -vriendjes geschonken. Het recht werd verdraaid, en de burgers op de -gruwelijkste manier vervolgd, zooals men gezien heeft, toen Van Lynden -hier de Fiskaal was, bij wien men niet kon komen, tenzij men een -welgevulde geldbuidel medebracht. Zijn dit almaal dingen die ons koud -moeten laten, en hebben wij dan geen recht om onze stemmen met kracht -te doen hooren en uit te roepen? Weg met al deze ongerechtigheden, die -een gruwel in het oog des Heeren zijn.” - -Hier viel de heer De Wet den spreker in de rede, en herinnerde hem er -aan dat het onverstandig was om door zulke scherpe gezegden het volk op -te winden. - -„Ik wil het volk niet opwinden, mijnheer de voorzitter”, vervolgde Van -Eck, die blijkbaar moeite had om zich te bedwingen, „maar ik wensch te -weten wat het ons zal helpen om hier op zoetsappige wijze onze -rechtmatige grieven te bespreken. Meent men soms dat de Commissarissen, -of de Direkteuren, zich zullen storen aan ons, als wij beleefd met den -hoed in de hand naar hen toekomen met verzoek om naar ons te luisteren? -Neen, zij zullen ons uitlachen, zooals zij reeds zoo vele malen hebben -gedaan. Wat wij moeten doen is hun toonen dat het ons meenens is, en -wij moeten hun het mes, als het ware op de keel zetten. Daarom zal ik, -zonder meer, een voorstel maken als volgt: „Dat deze vergadering zich -verbindt om geene produkten meer naar de Kaapstad te brengen, alvorens -hunne grieven verhoord zijn, en hun recht is gedaan.”” - -Eene mompeling van goedkeuring steeg na deze woorden uit de vergaderde -menigte op. - -Van Eck vervolgde bedaard: „Naar ik uit goede bronnen vernomen heb, is -er op dit oogenblik niet meer dan voor ten hoogste drie weken aan -levensmiddelen in de stad, en daar het bestuur voedsel noodig heeft, -niet alleen voor zijne ambtenaren, maar ook voor de troepen, moet het, -indien dit voorstel aangenomen wordt, binnen drie weken aan onze -verzoeken gehoor geven, of anders van honger omkomen; en als zij dan -toch halsstarrig willen wezen, wel .... laat ze dan maar verrekken”. - -Eenige der aanwezigen bespraken dit voorstel; een zeer enkele vond het -wat te kras, maar de meesten waren van opinie, dat dit het eenig middel -zou zijn om de Commissarissen te toonen dat men geen „spulletjes” -maakte, en ten slotte werd het voorstel aangenomen, met een bijvoeging -dat men de burgers uit andere plaatsen ook zou verzoeken zich aan deze -bepaling te houden. - -De bezigheden waren nu afgeloopen, en de voorzitter verdaagde de -vergadering, zeggende dat hij zoo noodig, een verdere vergadering zou -bijeenroepen, en men dan kon beraadslagen over verdere maatregelen. - -Dat Jan van Eck wel voldaan naar huis ging, blijkt uit hetgeen in zijn -dagboek staat, waar hij schrijft: „Heden heb ik een begin gemaakt; als -de boel een beetje wil, zal men in de Kolonie binnen kort een aardig -grapje zien”. - -Doch wat de dagboekschrijver in zijn rede had gezegd, bleek waar te -zijn; de bedreiging in zijn voorstel opgesloten, hielp, vooral nadat de -vergaderingen in Stellenbosch, Zwartland, Swellendam, en elders zich -aansloten bij de besluiten van de Kaapstadsche burgers. Op 13 Juli -gaven de Commissarissen de zaak gewonnen; de burgerraad werd erkend als -de vertegenwoordiger der kolonisten, en in plaats van dreigementen te -gebruiken, vaardigde men eene proklamatie uit, waarin men de burgers -verzocht om de regeering met raad en daad te steunen, ten einde tot -eene vreedzame oplossing der bestaande moeilijkheden te komen. Voor het -oogenblik was deze proklamatie een uitmuntende zet; de Afrikaners toch -zijn menschen, die, helaas, te goedvertrouwend zijn, en zelve eerlijk -zijnde, ook verwachten dat anderen eerlijk tegenover hen zullen zijn; -bovendien zijn zij gemakkelijk te leiden door zachte maatregelen, maar -moeilijk te dwingen. De opgewondenheid bedaarde dus, en men meende dat -er nu eene verandering ten goede zou komen. Doch het bleek spoedig, dat -men zich bitter bedrogen had. Eenige maanden daarna vaardigden de -heeren Nederburgh en Frykenius een edikt uit, waarin de belastingen wel -op geheel anderen voet werden geplaatst, maar ten slotte even drukkend -bleven als vroeger, en daarenboven hadden zij een nieuwe soort van -belasting opgelegd, die ontzettend impopulair was, namelijk eene -belasting op venduties, de zoogenaamde vendurechten, die meer dan een -eeuw in deze kolonie van kracht bleven, en de regeeringen duizenden, en -men kan zeggen millioenen van ponden hebben ingebracht. - -Toch waren de maatregelen door de Commissarissen genomen in zooverre -van nut, dat voor het oogenblik het jaarlijksche te kort in de kas -daardoor verminderd werd; doch het was de oude storie in de kolonie: De -boer moest voor alles betalen. En ongelukkig doet hij dit van daag nog. -Met alle onze veranderingen van regeering stelsels, is men in -Zuid-Afrika nog altijd trouw gebleven aan de beginselen van Jan -Compagnie; en men heeft het nog nooit zoover kunnen brengen om eene -radikale verandering in ons belasting-stelsel te brengen, waaronder de -druk der belastingen gelijkelijk verdeeld wordt tusschen den stedeling -en den landbewoner. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - -EEN GEWICHTIGE NACHT. - - -Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de -gebeurtenissen die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden -aan het einde der 18de eeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij -hier verplicht, om een aantal feiten te verzwijgen die betrekking -hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch meer of min -uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien -zullen wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen -vertellen, want om onze lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij -zeggen, dat er genoeg in het dagboek staat, om er minstens een half -dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor hen in -het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in -hun smaak mocht vallen. - -Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de -Kolonie, zoowel als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij -nog steeds lief had, al behandelde zijn moederland hem vrij -stiefmoederlijk, plaats vond. - -In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet -zagen de zaken er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer -onvergenoegd, en de regeering beging er groote fouten met het daarheen -zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren, zooals de heer -Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen -aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren -van die streken scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en -de geschiedenis van Zuid-Afrika heeft steeds bewezen „dat al het onheil -komt van Exeter Hall en consorten”. - -In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet -eene beweging uit die niets meer of minder was, dan een opstand. - -Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon -niets uitvoeren, en werd ten slotte op beleefde maar dringende wijze -door de burgers over de grenzen van het distrikt gezet, en reeds voor -dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers -kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een -onafhankelijk bestuur had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan -zullen, even als wij dit gedaan hebben, tot de conclusie moeten komen, -dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid van de beide -republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een -belangrijke rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog -lang zullen doen. - -Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar -Swellendam, waar men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost, -den heer Faure, en ook hier werd de landdrost weggejaagd, en vormden de -burgers of althans een groot deel van hen, een eigen onafhankelijk -bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt maar al te -duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat -bewonderaars hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend -op de hoogte werden gehouden door de patriotten aan de Tafelbaai, en -het zal den oplettenden lezer niet verwonderen als wij zeggen dat onze -vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was der -Graaff-Reinetters en Swellendammers, en hij heel wat correspondentie -schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk der twee -distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel -degelijk wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een -onbekookte hoop dolle mannen waren, als sommige geschiedschrijvers van -Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren de denkbeelden dier voormannen -verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat ellende bespaard -geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde er -dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg -drongen, waaraan niemand had gedacht. - -Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten -het dagboek begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de -geschiedenis van Europa, en wel voornamelijk met die van Frankrijk en -Holland. In Frankrijk was de regeering van het land steeds slechter -geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715, en het -volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels -door den wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de -geschriften van mannen als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die -schreven omtrent de natuurlijke rechten van den mensch, en beweerden -dat volgens de natuur alle menschen vrij waren, gelijke rechten hadden, -en broeders van elkander waren, stond het Fransche volk in 1789 op en -begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen waarvan nog steeds -zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe -maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen. -Toen de republiek Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen -koning en hunne koningin op het schavot hadden doen omkomen, geraakte -Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden van Europa, -waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter -ongelukkiglijk gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in -het begin van 1795 Holland binnen en veroverden dit land in korten -tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest voor hen naar Engeland -vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur van een -Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek. - -Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te -hebben om zich meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het -Engelsche rijk van groote waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg -naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen beschermen, want men -denke er aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg -naar de Oost dus langs de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar -Holland een bondgenoot was van Engeland, ging het niet voor het laatste -land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren, en -wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig -voordeed. - -Reeds op den 7den Februari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan -van de Oost-Indische Compagnie, waarin de regeering werd gewaarschuwd -dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en dat men zich in de -volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige -Europeesche natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en -Frykenius niet meer in de Kolonie. Deze hadden in September 1793 -Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat zij als -Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die -toevallig in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid -hem verplicht had om zijne betrekking in Indië neer te leggen. De naam -van dezen ambtenaar was Abraham Josias Sluijskens, en op den 2den -September 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was -om de Kolonie in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te -brengen. Bij Simonsstad, bij de Kaapstad en bij Houtsbaai werden nieuwe -forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde -plaats gelegd. Het laatste bericht dat Gouverneur Sluijskens uit -Holland kreeg werd hier gebracht door de Medemblik, die op 12 April -hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te -Swellendam het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer -korte verklaring van den algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons -verhaal voortzetten. - - - -Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad -kennen, zoo niet van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een -der weinige oude gebouwen, die ons doen herinneren aan den ouden -Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping bedreigd, is men er -tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en heeft -men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet -juist met haar accordeert, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners -vele herinneringen verbonden aan dat oude kasteel, aangename zoowel als -treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat Adriaan van -Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een -gevangene vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het -einde waarvan wij nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in -Zuid-Afrika. - -Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de -verbeelding) en dat op den 12den Juni van het jaar 1795. Het uur dat -wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat of liever gezegd een -beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote zaal -waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die -op koperen blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel -waaraan gewoonlijk de vergaderingen van den politieken raad worden -gehouden. Op het oogenblik zit de raad niet; waren wij een minuut of -tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in -vergadering hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden -nauwelijks zichtbaar in het half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de -tafel in groote stoelen met hooge leuningen, en zij schijnen in een -ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens haren -reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een -geelvale kleur heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een -langen tijd in de Oost hebben doorgebracht is niemand anders dan -Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust om deze volkplanting -te besturen. De andere man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens -geheel uiterlijk den militair verraadt, en wiens gebronsd gelaat, dat -in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel van zijn leven -in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger -aanziet, dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert -Jacob Gordon, is inderdaad een man die den naam van ontdekker verdient, -als zijnde hij de man die het eerst de groote rivier ten noorden der -Kolonie heeft bevaren, en die den naam van Oranjerivier heeft gegeven; -daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel -der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te -maken met de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van -Afrika bewonen. Sedert iets meer dan een jaar is hij de -opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt dus den -tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten, -maar in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten -dat in dienst genomen was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar -trad later in dienst van de Oost-Indische Compagnie, en kwam op den -1sten Juni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert -die dagen heeft hij heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire -talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar -hij is bekend als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat -is in dagen, waar het in de Kolonie wemelt van zoogenaamde „patriotten” -van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur -zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie, -want er zijn heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten -gisteren avond is van uit Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij -het kasteel aangekomen met een brief van den heer Jan Hendrik Brand, de -Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur berichtte dat -dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren -aangekomen; dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen -had afgezonden, doch dat deze blijkbaar door den onbekenden vijand was -gevangen genomen, want hij was niet weder teruggekomen. De heer -Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk den raad bijeen -geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats -gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de -secunde, (de heer J. I. Rhenius), en de heeren J. J. le Sueur, W. F. -van Reede van Oudtshoorn, en W. S. van Rijneveld. Op die vergadering -was heel wat besproken, en had men ten slotte besloten om overal -alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd -worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de -Kaapstad moesten komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt -gij bemerken dat op Tijgerberg, alsook, reeds in de verte op de bergen -van Stellenbosch, de vuurbakens branden om de burgers aan te toonen dat -de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen geleden, -dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de -Engelschen een inval in het land deden. - -’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad -pleegt over de te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog -niet heel duidelijk uitmaken wie de vreemdelingen kunnen zijn. - -„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?” -vraagt hij op veelbeteekenenden toon. - -Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt -langzaam in zijn Hollandsch, dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er -natuurlijk veel van af wie zij zijn, want dat kan een groot verschil -maken in onze houding.” - -„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl -hij den spreker met verwondering aanziet. - -De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor hij antwoordt: „Wel, -de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van het Huis -van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van -de Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij -zullen dan ongetwijfeld beter in staat zijn om de Kaap tegen de -Franschen te beschermen, dan wij dit thans zouden kunnen doen met het -handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op het eerste -schot op den loop zal gaan.” - -„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets -dat ik niet in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om -de kolonie tot het uiterste te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook -genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den brief van den heer Guepin, -die wij in Februari hebben ontvangen.” - -„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in -Europa gebeurd zijn,” hernam de kolonel. - -Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide -hij: „Ik ben erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen -nog heel wat te doen zijn, want dan zullen wij wel weten wie wij voor -ons hebben. Ik wensch u dus een aangename nachtrust.” - -„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders -uitschrijven, en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat -vergunt, aangezien schrijfmateriaal hier gereed ligt. Intusschen hoop -ik, dat UEd. wel rusten zult.” - -De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en -verwijderde zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij -zich zelven hebben hooren mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen -wil. Waar zou hij zijne informatie hebben opgedaan?” - -Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich -herinnerd hebben, dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de -Kaapstad bevond een zekere heer Pringle, die hier was gekomen als de -Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie, met het doel, zooals zijne -geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie aan de Kaap -te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel, -of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om -ververschingen te krijgen of de noodige reparatiën te doen, en ook was -er reeds menig schip van de Compagnie langs de Afrikaansche kust -gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt geen -argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was het feit, -dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij -zeer vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel -bevriend, maar toch hield hij zich meer of min op een afstand van -dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren was hij echter op -blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap van -den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel -als in dat van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den -heer Pringle verscheidene malen genoemd, op eene wijze, die wij maar -liever niet zullen aanhalen, maar het is duidelijk, dat Van Eck, die -goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde en als wij -daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen -het Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche -bevelhebber alhier, die reeds geruimen tijd in het vertrouwen was -genomen door zijne regeering, eene aanbeveling zond, waarin hij eene -belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige diensten, -door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan -kunnen wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van -onze lezers overlaten. Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan. - -Kolonel Gordon nam na het vertrek van den Gouverneur, eenige papieren, -en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van een halfuur of -zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille -Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje, -waarop de korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie -of gij mij wat brandewijn en warm water kunt bezorgen, korporaal”, -luidde het bevel van den kolonel, „’t is hier zoo drommels koud dat ik -bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal zeide dat hij zou -zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur er -wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te -bezorgen, en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug, -met leege handen, maar met een ernstig gezicht, en salueerende, en een -stijf militaire houding aannemende, sprak hij: „Kolonel, er is bij de -poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad, die een brief -brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die -verder vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het -kasteel toegelaten te worden”. - -„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw -hoorbaar voegde hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch -recht”. „Neem den officier, en den boodschapper onder uwe strenge -bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat -dan den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem -zeggen, dat ik nog hier ben in de raadkamer”. - -Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te -brengen, bleef Gordon, met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd -in diepe gedachten verzonken, en uit die overpeinzing werd hij eerst -gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens die op het -vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich -in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik -had opgezet, maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje -had bedekt. - - - -„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen -om boodschappers aan de leden van den raad te zenden, en ze te -verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel te komen om eene dringende -vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving uitschrijven”. - -Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een -boodschapper onder een der soldaten te krijgen, en deze werd kort -daarop te paard weggezonden met de door Sluijskens uitgeschrevene -kennisgeving, ten gevolge waarvan om half drie dien morgen de raad -weder was vergaderd. - -Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de -kolonel zich even, en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de -Engelsche officier en de boodschapper daar waren, gereed om in -vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden. De -Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn -titel aanspreken, en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer, -als gij kolonel Gordon zijt, dan heb ik hier een brief voor u”, en met -deze woorden overhandigde hij den kolonel een blauwe enveloppe, die -zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door den -kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf -aan den korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de -raadkamer, waar de vergadering juist door den gouverneur was geopend. - -Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de -bijzonderheden optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering -plaats vond, en wij moeten ons bepalen tot een kort overzicht. - -Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht, -overhandigde deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van -Admiraal Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans -liggende in de Simonsbaai. Drie dezer brieven waren korte beleefde -briefjes van de directeuren der Engelsche Oost-Indische Compagnie, de -derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal aan den -Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op -diens schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den -Stadhouder had voor den gouverneur. De raad besloot dat de gouverneur -deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet wist met welke -intenties zulk geschiedde, en een der leden liet zich niet -oneigenaardig uit, door te zeggen, dat het gemakkelijk gebeuren kon, -dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip ging, -men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden -trof, was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de -discussie, en daarentegen zeer afgetrokken scheen, als of zijne -gedachten met iets geheel anders bezig waren. De gouverneur schreef -daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad voorlas, -en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het -over te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als -antwoord op den brief van den admiraal. - - - Kaapstad, 12 Juni 1795. - - Mijnheer, - - Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer, - dien UEd. gezonden heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel - Gordon te zien, en ons zeer belangrijk nieuws mede te deelen, - zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne - Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der - Republiek, zoo spijt het mij daarop te moeten antwoorden, dat het - op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij om de Kaapstad te - verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber - onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed - te zijn om mij deze depêche zoowel als uwe informatie te zenden - door een door UEd. vertrouwd persoon. - - - Ik heb de eer te zijn - - A. J. SLUIJSKENS. - - -Toen deze brief geschreven was, werd de heer Ross, zooals de Engelsche -officier heette, en die eigenlijk de private secretaris van den -Admiraal was, weder in de kamer gelaten, en deed men hem eenige vragen -omtrent den toestand in Europa, en omtrent de destinatie der vloot, -doch deze vragen zeide de officier niet te kunnen beantwoorden daar -zijne instructien slechts luidden om den brief zonder meer te -overhandigen. Men begreep dan ook deze positie, en overhandigde hem het -antwoord van den heer Sluijskens, waarop men hem ongehinderd liet gaan. - -Zoo liep deze vergadering van den raad af, en de zon ging juist op toen -de leden het kasteel verlieten. - -Maar daarmede was de zaak nog geenszins afgeloopen. Den volgenden -morgen kwamen in de Kaapstad aan luitenant-kolonel Mackenzie, van het -78ste regiment van het Engelsche leger, de heer Ross, en de zeekapitein -Hardy, en deze brachten nieuwe brieven, zoowel voor den Gouverneur, als -voor den heer Gordon. De eerste brief aan den gouverneur was een -gezamentlijke brief onderteekend door Admiraal Elphinstone, en Generaal -Craig, den bevelhebber der zich aan boord bevindende Engelsche troepen, -waarin zij eene beschrijving gaven van den toen in Europa heerschenden -toestand, en vertelden dat Holland door de Franschen was veroverd en de -Stadhouder naar Engeland was gevlucht, en dit was het eerste bericht -dat men in de Kaap over het gebeurde kreeg. Toch waren de feiten in den -brief van de Engelsche bevelhebbers niet geheel juist, want zij -verzwegen het voorname feit, dat de Franschen met opene armen in -Holland waren ontvangen, en dat het stadhouderschap er afgeschaft was, -zoodat Holland thans eene republiek was, waar de Prins van Oranje -absoluut niets meer te zeggen had. Dit zou dan ook geenszins in de -kraam der Engelschen zijn te pas gekomen, want de tweede brief door hen -overhandigd bevatte een bevel van den Prins van Oranje, gedateerd uit -Kew in Engeland op den 7den Februari 1795, waarin aan den heer -Sluijskens gelast werd om de troepen van den Koning van Engeland -toetelaten in de forten en versterkte plaatsen in de Kolonie, en hen te -ontvangen als vrienden, daar de Engelschen gekomen waren om de Kolonie -te beschermen tegen een aanval door de Franschen. - -Men kan begrijpen, dat deze brieven heel wat consternatie in den -Politieken Raad veroorzaakten. De leden waren allen sterk Prins gezind, -en genegen om gehoor te geven aan de bevelen van den Stadhouder, maar -het feit dat deze een vluchteling in Engeland was, en dat men dus niet -wist hoever zijne macht nog strekte, was ook iets dat men in aanmerking -moest nemen, en volgens de konstitutie van de Oost-Indische Compagnie, -zoowel als die van Holland kon de Prins niet op eigen houtje handelen, -zonder de direkteuren in het eene geval, of zonder de autoriteit van de -Staten Generaal in het tweede geval. Men moest dus zeer voorzichtig -wezen, want zoo men verkeerde stappen nam, en de zaken anders -uitdraaiden dan men op het eerste oog meende, dan was er kans dat zij, -die de Kolonie zoo voetstoots aan eene vreemde mogendheid hadden -overgegeven, als verraders zouden gestraft worden, en die kans wilde -zelfs een Gordon of een van Rijneveld niet staan, om niet te spreken -van den gouverneur zelf, die een man was, gedetermineerd om, kome wat -kome, zijne instruktien letterlijk te volgen. Men besloot dus, dat het -beste zou zijn, om te trachten tijd te winnen, en om die reden zond men -een antwoord aan de Engelsche bevelhebbers ten effekte dat men de -Engelsche vloot zou voorzien met de noodige levensmiddelen, en dat met -dat doel kleine ongewapende troepjes Engelschen aan land te Simonsstad -mochten komen. Verder bedankte men de Engelschen op zeer beleefde wijze -voor hun aanbod om de kolonie te beschermen, maar gaf hen tevens te -kennen dat men voldoende troepen had om dit zelf te doen, maar zoo -noodig zou men graag willen weten hoeveel man de Engelschen konden -leveren. Deze laatste vraag, die natuurlijk met geen ander doel werd -gedaan dan om uittevinden wat werkelijk de sterkte der Engelschen was, -werd onbeantwoord gelaten, want inderdaad was de Engelsche macht op dat -oogenblik vrij zwak, maar verwachtte zij elk oogenblik Generaal Clarke -uit West-Indië met een aanzienlijke vloot, en een sterk leger. - -Kolonel Gordon had gestemd voor deze besluiten die op den 14den Juni -werden genomen. Doch nauwelijks was de raad verdaagd of hij schreef den -volgenden brief aan Admiraal Sir George Elphinstone, dien hij medegaf -aan de drie heeren die den officieelen brief van den raad meenamen. Als -onze lezers dien brief zorgvuldig lezen, dan zullen zij wel hun eigene -opinie kunnen vormen, over den naam die de geschiedenis aan kolonel -Gordon behoort te geven. - - - Kaap de Goede Hoop, 14 Juni 1795. - - Edele Heer, - - Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den - heer Scott, en door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur - ten hoogste den ongelukkigen toestand van zaken in Holland, en heet - u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het grootste - genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan - is om gezamentlijk een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht - te ontrooven aan haren wettigen souverein, de Republiek der zeven - vereenigde provinciën met hunnen erfstadhouder, den Prins van - Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een eed heb - afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd - zijn dat ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te - vervullen. Het spijt mij verder zeer, dat een onvergeeflijke - misslag van den bevelhebber van ons fregat de oorzaak is geweest - van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag ik - er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen, - die denken dat zij hunne geruïneerde geldzaken zullen herstellen - door het steunen van fransche beginselen en anarchie, en door - anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden - medegesleept. Maar dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik - is voorzichtigheid noodig om de zaken tot een behoorlijk einde te - brengen. - - Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan - komen om u een bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte. - Wees echter verzekerd Sir George, dat ik onze zaak zal steunen met - al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche denkbeelden, - en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik - 42 jaren lang heb gediend, mocht komen te vallen hetgeen God - verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een Brit ben. - - Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot - mijn spijt niet hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en - verblijf verder met eerbied, enz. - - R. J. GORDON. - - -Het ingesloten briefje van den heer Pringle luidde als volgt: - - - „Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te - verlaten, maar ik beschouw het raadzaam om te verzekeren aan - eenigen opperbevelhebber van de Britsche macht, die hier mocht - aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld in de - eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men - derhalve onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”. - - - JOHN PRINGLE, - Agent voor de edele de O. I. Compagnie van Engeland. - - -Zoo werd er in Zuid-Afrika gehandeld in 1795; wij zouden graag wenschen -te kunnen zeggen, dat in 1901 niet zoo werd gehandeld, maar ongelukkig -heeft de geschiedenis van de laatste twee jaar bewezen dat mannen van -Gordons soort nog niet uit dit werelddeel verdwenen zijn. De eenige -troost, die men echter hebben kan, is, dat de geschiedenis, die in den -loop der tijden haar oordeel velt over alle menschen, goede zoowel als -slechte, ook over de Gordons en van Rijnevelds van heden, haar oordeel -zal vellen, en zij dan door het nageslacht zullen worden veracht met -die verachting, die ten slotte alle zoodanige verraders ten deel vallen -van vijand zoowel als van vriend. - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - -JAN VAN ECK WORDT SOLDAAT, EN VECHT MEE. - - -Het is den avond van den 6den Augustus 1795, en wij zullen u vragen, -waarde lezers om in gedachten met ons mede te gaan naar een plek, die -heden een der voorname badplaatsen van Zuid-Afrika is, maar op -genoemden datum slechts een soort van visschersstatie was, waar zeer -weinige lieden woonden. In plaats van sierlijk aangekleede heeren en -dames, en van badwagentjes; in plaats van net gebouwde villas, die den -indruk maken dat de bewoners menschen van goeden doen zijn, die in -weelde leven; in plaats van dat alles dat gij heden vindt te -Muizenberg, zien wij er op den zooeven gemelden datum een tooneel dat -lang niet zoo vreedzaam is. Een eerste oogopslag toch bewijst ons dat -wij in een soldatenkamp zijn, dat gedeeltelijk gelegen is op de vlakte -aan deze zijde van het strand, maar ook gedeeltelijk in de nauwe pas, -die gelegen is tusschen den steilen Muizenberg en de wateren van de -Baai Fals. - -Wat ons echter op het eerste oog treft, is, dat het kamp zoo weinig -versterkt schijnt, en er niet die schikkingen getroffen zijn, die wij -tegenwoordig gewoon zijn in een soldatenkamp te vinden. Er staan -tusschen de zee en den berg eenige kanonnen, meest van klein kaliber, -dingetjes, die op ons, gewoon aan de gegoten reuzen van den -tegenwoordigen tijd, den indruk maken van speelgoed; er zijn maar twee -stukken van vier-en-twintig ponden elk; de andere zijn zeven- en -vijfponders, wier kogels geen 1000 treden zouden halen. - -En hoe open en bloot staan die kanonnen, en zelfs het geheele kamp? Wij -zijn geen generaals of geen officieren der genie, doch het schijnt ons -toch toe, dat het heel wat beter en doelmatiger zou zijn, als dit kamp -met een hoogen aarden wal was omringd, of ten minste die kanonnen waren -beschut door wat aarden wallen. De man die voor den hier heerschenden -toestand verantwoordelijk is, heeft òf geen besef van de krijgskunde, -òf verzaakt moedwillig zijn plicht. - -En voor de gerieven zijner manschappen schijnt hij ook maar zeer slecht -te zorgen. Een vijf- of zestal tenten, meest met gaten en deerlijk -gehavend, is alles wat wij zien in den vorm van beschutting, en dit -waarlijk in den winter, wanneer de wind hier ijskoud kan waaien, of -zware regenbuien den armen soldaat door broek en baatje dringen. Kijk -eens, daar hebben de manschappen, om zich zelven toch eenigszins te -helpen, een soort van schuiling gemaakt van boschjes en wat klippen, en -aan de opgerolde kombaarsen merken wij, dat dit hun slaapplek is. Dat -is toch wel een beetje erg bar, vindt gij het ook niet? - -Buiten langs het kamp loopen er een half dozijn schildwachten op en -neder, op half zorgelooze wijze en reeds de eerste blik doet ons zien, -dat deze mannen niet geregelde troepen zijn, of gewoon aan krijgstucht -en orde. Hunne lange zware roeren, de meesten waarvan ons doen -herinneren aan de oude „sanna’s”, die zes op een pond schieten, en die -onze gedachten doen teruggaan naar de museums, waar wij ze wel eens -gezien hebben, dragen zij op een zorgelooze manier, en hun gang heeft -niets militairs in zich. Wel, dat is dan ook niet te verwonderen, want -zij zijn geen soldaten van beroep, maar de meesten hunner zijn boeren, -eigenaars van honderden van morgen gronds, koningen op dien grond, en -slechts gehoorzaam aan de regeering, die hen heeft opgeroepen om het -land te verdedigen. Zij hebben het erg te kwaad met die regeering, die -hen jaren lang heeft onderdrukt, maar toch verkiezen ze die tirannieke -regeering boven dien van den trotschen Brit, den erfvijand hunner -voorvaderen, den bewoner van het rijk, dat eerst groot is geworden, -nadat het een Hollander tot koning had gehad. Niet allen echter zijn -boeren; er zijn ook een aantal Kapenaars onder hen, mannen, die met de -pen beter terecht kunnen dan met het zware roer, doch ook deze hebben -niets op met het vooruitzicht, dat hun aangeboden wordt om Engelsche -onderdanen te worden. - -Omtrent in het midden van het kamp staat een klein klompje mannen een -pijp te rooken en een praatje te maken, en kijkt nu en dan in de -richting van de Simonsbaai, waar de Engelsche vloot rustig voor anker -ligt, en waar de Engelsche krijgsmacht sedert 29 Juni reeds in bezit is -van Simonsstad, dat door de regeering op eenigszins vreemdsoortige -wijze is prijs gegeven. Om u echter den toestand te laten begrijpen, -moeten wij, voor wij luistervink gaan spelen, eene korte schets geven -van wat er voorgevallen is, sedert wij de vergadering in het kasteel op -12 Juni hebben bijgewoond. - -Op den brief van den Raad aan de Engelsche bevelhebbers, gezonden op -14 Juni, kwam geen geschreven antwoord, maar de Engelsche generaal, -Sir James Craig, kwam even bedaard een bezoek brengen aan de stad op -den 18den, en had den dag daarop een lang onderhoud met den Raad, -waarin hij hen vertelde, dat zijne instrukties waren om de Kolonie in -bezit te nemen en in bewaring te nemen voor den Prins van Oranje, tot -tijd en wijle deze in zijne betrekkingen zou zijn hersteld. Hij gaf -ook in bizonderheden de voorwaarden op, waaronder hij dit zou doen, en -beloofde onder anderen, dat er geene verandering in de wetten des lands -zou worden gemaakt, en dat de burgers geen andere lasten zouden -behoeven te dragen dan die, welke absoluut noodig waren voor het -onderhoud der regeering. Daarenboven zou de handel voor allen vrij -zijn, en de lastige bepalingen der Oost-Indische Compagnie worden -afgeschaft. De Hollandsche troepen zouden in dienst kunnen treden van -den koning van Engeland en door Engeland worden betaald, en die -ambtenaren, die zulks verkozen, konden in Engelschen staatsdienst -overgaan, met behoud van al hunne rechten. Hier werd dus door den -Engelschen generaal juist datgene aan de burgers aangeboden, waarvoor -deze zooveel jaren hadden gestreden, en wat zij maar nooit hadden -kunnen verkrijgen. - -Het antwoord van den Politieken Raad was eene bepaalde weigering om op -het voorstel van den Engelschman in te gaan. Wat den Raad dezen -manmoedigen stap deed nemen, was niets meer of minder dan vrees voor -den galg; want men was van opinie, dat er eene Fransch-Hollandsche -vloot in aantocht was en dat deze wel spoedig de Engelschen zouden -verjagen, en natuurlijk zouden de leden der regeering dan tot -verantwoording hunner daden worden geroepen. - -De Engelsche bevelhebbers gaven nu kort achter elkander een tweetal -proklamatiën uit, de eerste met het doel om de bevolking in het harnas -te jagen tegen zijne regeering, en toen dit zonder effekt bleef, volgde -er eene tweede proklamatie, waarin de aap uit de mouw kwam, daar er -duidelijk in werd te kennen gegeven, dat de Engelsche koning niet zou -toelaten, dat de Kaapkolonie in handen zou vallen van zijn vijand, -Frankrijk. Deze proklamatie bedierf de zaken geheel en al voor de -Engelschen. Eerstens besloot de Politieke Raad, die thans geen andere -uitkomst had, om de Kolonie tot het uiterste te verdedigen, een -besluit, dat met gejuich door de burgerij van Kaapstad werd ontvangen; -en ten tweede bracht ze de geheele bevolking der Kolonie op de been, en -toen de regeering eene oproeping tot de burgers richtte, werd die met -de meeste bereidwilligheid beantwoord, zelfs door de anders zoo -oproerige mannen van Graaff-Reinet en Swellendam, die in grooten getale -naar de Kaapstad kwamen, om deel te nemen aan den strijd. Want men -vergete niet, dat de meeste burgers zeer ten gunste van de Franschen -waren en dat om verscheidene redenen. In de laatste vijf-en-twintig of -dertig jaren waren er heel wat Fransche troepen geweest, en deze hadden -zich zeer populair bij de bevolking gemaakt, terwijl hun aanwezigheid -zoowel als de aankomst van verscheidene Fransche eskaders, veel geld in -de zakken der burgers hadden gebracht, en in die dagen de kolonie tot -een ongekende bloei geraakte. Daarbij kwam dat een groot deel der -burgers, afstammelingen der oude Hugenoten, nog steeds een zwak hadden -voor het geboorteland hunner voorouders en er nog veel was dat hen aan -het zonnige Frankrijk herinnerde. - -De Engelschen daarentegen hadden immer in de Kolonie een slechten -indruk gemaakt; hun hoogmoed was onverdragelijk en zij hadden er alles -behalve den slag van zich aangenaam te maken. De historische -herinneringen, die de Hollanders aan den naam van Engeland verbonden, -waren niet van dien aard, dat daardoor de Engelschman in de achting van -eenigen rechtgeaarden kolonist, die zijn moederland lief had, hoog kon -staan, want Engeland was steeds de jaloersche mededinger van Holland -geweest, en had grootendeels schuld aan den achteruitgang van den -voorspoed van het moederland. „Liever Waalsch dan Engelsch” zouden de -kolonisten dus als hun motto kunnen hebben aangenomen en zoo zij dit al -niet met die woorden uitdrukten, zoo waren hunne gevoelens toch van -dezen aard. - -Een verder gevolg van deze proklamatie was, dat de Raad zich thans -verplicht zag om de Engelschen als vijanden te behandelen; -levensmiddelen werden hun geweigerd en een sterke bezetting werd te -Muizenberg geplaatst. Wat echter de positie van den Raad ten zeerste -versterkte, was het feit, dat er op 24 Juni een Amerikaansch schip in -Simonsbaai kwam, dat een aantal brieven en kranten aan boord had, voor -inwoners der Kolonie. De Engelschen namen op zeer onwettige wijze bezit -van de mail van dit schip, maar door het een of andere toeval viel toch -een krant in handen van een der burgers, en in die krant stond eene -kennisgeving van de regeering van Holland, waarin alle Hollanders -ontslagen werden van hun eed van getrouwheid aan den Prins van Oranje. -Dit maakte de positie der kolonisten en van den raad duidelijk, en men -kon nu niet meer eenigen twijfel hebben, welken weg men moest inslaan. -Simonsstad werd nu ontruimd en slechts enkele inwoners bleven daar, -waarop Admiraal Elphinstone op den 9den Juli bezit der stad nam. De -Engelschen waren echter nog niet genegen om tot direkte -vijandelijkheden over te gaan, want hunne versterkingen waren nog niet -aangekomen, en zij hadden een totaal gebrek aan geschut geschikt voor -gebruik te lande, en zouden zich moeten behelpen met de zware en -onhandelbare kanonnen der schepen, terwijl daarentegen de verdedigers -een aanzienlijke artillerie bezaten. Op den vierden Augustus echter -ging een officier van het Pandoeren- of Hottentot korps een verkenning -maken in de richting van Simonsstad, en schoon veel te ver van deze -plaats om iemand of iets te kunnen raken, beging hij de onbezonnenheid -om een aantal schoten in de richting der stad te schieten, en dit gaf -natuurlijk de Engelschen aanleiding om te zeggen, dat de Hollanders de -vijandelijkheden waren begonnen. - -Intusschen was er te Muizenberg steeds een wacht van omtrent 200 man, -die van tijd tot tijd door anderen werden vervangen, zoodat iedereen -een beetje rust op zijn beurt kreeg. Er was juist op den 3den een nieuw -klompje mannen bij Muizenberg aangekomen, en het zijn deze mannen die -wij er op den avond van den 6den Augustus vinden. Maar nu wordt het -waarlijk tijd dat wij eens gaan hooren wat besproken wordt door het -groepje rookers, waarvan wij melding maakten in het begin van dit -hoofdstuk. - -Er zijn er onder dit groepje eenigen die wij kennen; daar staat -bijvoorbeeld de heer van Reenen, en niet ver van hem staat de jonge de -Beer, de neef van Jan van Eck, en als gij goed ziet zult gij dezen -laatsten ook herkennen, schoon de zoogenaamde uniform die hij aan heeft -hem een vreemd uiterlijk geeft. De anderen van het groepje bestaan uit -burgers uit alle deelen des lands; er is een de Waal van Stellenbosch, -en een van der Bijl uit het zelfde distrikt, en naast hen staat een -vrij jong maar flink uitziend man, die de eigenaardige uniform draagt -van de artillerie, en wiens naam luitenant Marnitz is; ook staan er -Veldkornet Daniel du Plessis, een reus van een kerel die aan het hoofd -staat van een klompje der anders zoo oproerige Swellendammers, die -echter nu niets beters verlangen dan in aanraking te komen met den zoo -gehaten Engelschman, en die ruw uitziende man met woest groeiende -baard, en velbaatje is Louis Botha, een Graaff-Reinetter, kapitein van -een afdeeling burgers uit zijn distrikt, die even als Du Plessis al -lang vies is van dat hier leggen en niets doen, en die als men hem -verlof gaf, op eigen houtje zou ondernemen om met de zijnen de -Engelschen uit Simonsstad naar hunne schepen terug te jagen. Inderdaad -is het gesprek dat op het oogenblik gevoerd wordt een bewijs dat er -heel wat ontevredenheid onder de sprekers heerscht, want het is du -Plessis die zich tot Marnitz wendende vraagt: - -„Maar luitenant, kunt gij mij zeggen wie eigenlijk verantwoordelijk is -voor den toestand in het kamp, want als ik den rechten man in handen -krijg, dan zal ik hem zijn ooren laten gonzen dat hij het niet gauw zal -vergeten”. - -„Dat is een vraag die ik niet kan beantwoorden, veldkornet,” zegt de -luitenant, „want om de waarheid te zeggen zendt men mij ook van Pontius -naar Pilatus. Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag -weten, hoe ik ze afschieten moet, want ze staan los in het zand, en met -het eerste schot, zullen ze zich vastwoelen in het zand, en dan zal ik -ze moeten laten losgraven voor ik ze weer gebruiken kan, en dat is -nuttelooze tijdverspilling”. - -„Wel ik gun je je baantje luitenant”, viel hier van Reenen in, „want je -zoudt daar met de manschappen geheel onbeschermd staan, en de eerste de -beste goedgemikte kogel van den vijand zou jullie het leven leelijk -zuur maken”. - -„Dat is ook mijne opinie”, hernam de dappere luitenant, „en toen -kolonel Gordon eergisteren hier was, heb ik hem dit onder het oog -gebracht, maar hij antwoordde dat het geheel onnoodig was, want dat de -Engelsche schepen nooit dicht bij genoeg konden komen om ons hier te -raken”. - -„Gordon is of een gek of een verduivelde verrader” riep hier Jan van -Eck woedend uit, „wat weet hij van hetgeen de Engelschen kunnen doen; -het zou ze niet veel tijd nemen om een paar zware kartouwen op eenige -hunner grootste booten te plaatsen, en daarmede uw heele batterij uit -elkaar te schieten, als gij geen betere bedekking krijgt. Een paar zes -voet hooge wallen waren toch gemakkelijk opgeworpen”. - -„Als iemand de Baai Fals kent, dan geloof ik dat ik zulks doe”, zeide -van Reenen opnieuw, „en je kunt met mijn komplimenten aan den kolonel -vertellen luitenant, dat als de Engelschen een beetje snugger zijn, zij -met hunne brikken zoo nabij kunnen komen, dat zij het heele kamp zooals -het staat, plat kunnen schieten”. - -„Dat ze de baai kennen, daar is geen twijfel aan”, sprak de heer de -Waal, „want reeds sedert den 20sten van de vorige maand zijn zij aan -het peilen geweest, en toen ik hier voorverleden week de wacht hield -met mijn kompagnie, heb ik ze zelf gezien, en kwamen ze zoo dicht bij -het strand voor ons, dat ik ze wel met klippen had kunnen raak gooien”. - -„En hebt gij dit dan niet aan den kolonel gerapporteerd?” vroeg Van Eck -op een toon van verbazing. - -„Welzeker deed ik zulks, maar de kolonel antwoordde dat wij de -Engelschen niet konden beletten om in de baai rondtezeilen, en diepten -te peilen. Zij waren nog niet onze vijanden”, antwoordde de luitenant. - -„Wel, de kolonel mag denken wat hij wil, maar onze vrienden zijn de -Engelschen zeker niet, en dat zijn zij nooit geweest van af de dagen -van Koning Eduard den Eersten. En wat men ook zeggen mag zal de -Engelschman altijd de vloek voor ons land blijven”, merkte Van Eck op -zijn bitsige manier aan. - -„Maar er is nog een ander ding waar ik van wil praten”, viel Du Plessis -in; „waarom moeten mijne burgers hier in de opene lucht liggen, en in -deze koude nachten allerlei ongemak uitstaan? Dit is niet een manier om -een ordentelijk mensch te behandelen, en als er van mijn mannen huis -toe gaan, dan moet de gouverneur niet klagen; ze beginnen nu al leelijk -te brommen, en ik kan ze waarachtig geen ongelijk geven. Wie moet naar -die dingen zien, luitenant?” - -„Daarover moet gij u tot den kolonel of tot majoor De Lille wenden”, -was het korte antwoord van den luitenant, die daarop groetend -vervolgde. „Ik moet nog eens de ronde gaan maken, en orders geven -omtrent de wachten, en groet u dus heeren”, en met deze woorden verliet -de militair het groepje. - -„Dat is een flinke kerel”, merkte de heer Van Reenen aan, op den -wegstappenden luitenant wijzende, „als hij het bevel over de zaken had -in plaats van Gordon, dan zouden de zaken er beter uitzien.” - -„Dat geloof ik ook”, hernam Van Eck, „en wat de kolonel aangaat zoo -moest men hem doodeenvoudig een kogel door den kop jagen. Hij is niets -anders dan een verrader naar mijn opinie”. - -Het gesprek had misschien een ernstige wending kunnen nemen, als op dat -oogenblik niet het geschetter van een trompet gehoord werd, het teeken -dat de wachten aantreden moesten, en daar verscheidene der -tegenwoordigen een deel van den wacht voor den nacht uitmaakten, ging -het groepje uitelkaar. Van Eck, die echter niet op de wacht moest, ging -met veldkornet Botha naar diens vuur, en bleef daar de rest van den -avond, alle mogelijke informatie inwinnende omtrent den toestand op de -oostelijke grensdistrikten der kolonie, en het was bijna tien uur, toen -hij zich ter ruste begaf naar de tent die hij met den heer Van Reenen -en eenige andere burgers van de Kaapstad deelde, en dan was die tent -nog niet eens verschaft door de regeering, maar het privaat eigendom -van den heer Van Reenen zelf. - -Den volgenden dag was alles zoover rustig in het kamp te Muizenberg, en -men zag slechts een klein troepje der Stellenbosche burgers, die bezig -waren om hunne goederen optepakken, daar zij dien dag zouden worden -afgelost door een honderdtal nieuwe manschappen die den vorigen dag te -Kaapstad waren aangekomen en heden in het kamp werden verwacht. Met het -vooruitzicht van weder naar huis en haard te kunnen terugkeeren, nadat -zij er bijna een maand van weg waren geweest, waren de Stellenbosschers -zeer opgeruimd, en menige scherts werd gewisseld onder elkaar, zoowel -als met de andere burgers, die nog moesten blijven. Het was omtrent één -uur na den middag dat de honderd nieuwe Stellenbosschers het kamp -bereikten, en door den kommandeerenden officier Kolonel De Lille werden -geïnspekteerd, terwijl de burgers die naar hunne woningen zouden -teruggaan zich gereed maakten om over een uur te vertrekken, en de -paarden reeds uit het veld waren gehaald. Doch terwijl de kolonel nog -met de inspektie bezig was, kwam een van de wacht die bij Kalkbaai -stond hard aangeloopen, en bracht het bericht dat de Engelsche schepen -zich in beweging hadden gezet en blijkbaar op Muizenberg afzeilden. De -Lille was bij het hooren van dit bericht niet genegen om er veel waarde -aan te hechten, want de Engelsche schepen hadden reeds de drie laatste -dagen in de Baai Fals heen en weer gekruist; doch een kwartier later -kwam een tweede boodschapper van Kalkbaai het bericht brengen dat er -eene groote kolonne Engelsche soldaten uit Simonsstad rukte, en zich in -de richting van Muizenberg bewoog. Dit was een duidelijk teeken dat de -Engelschen iets in het schild voerden, en De Lille gaf orders dat men -het kamp zou strijken en zich voor den strijd gereed maken. Zelf ging -hij met zijn 200 man van het Nationale bataljon eene positie opnemen -nabij het strand, juist waar de weg door de nauwe poort tusschen de zee -en den berg ging, en waar een elftal stukken stonden die dezen weg -moesten verdedigen. Luitenant Marnitz, die het bevel over de geheele -artillerie had, stond natuurlijk met zijne manschappen bij zijne -stukken, gereed om zijn plicht te doen. Maar De Lille scheen geheel -vergeten te hebben dat er nog 300 burgers, en 150 der Hottentot -soldaten in het kamp waren, want hij gaf hoegenaamd geen orders omtrent -de positie die deze mannen moesten opnemen, en het gevolg was, dat er -geen geringe verwarring ontstond, en elke officier zich verplicht vond -om op zijn eigen houtje te handelen, zoodat er hier een klompje burgers -stonden, en wat verder een ander klompje, en daartusschen de pandoers, -die ook allen te paard waren, zich hadden opgesteld onder bevel van hun -kommandant Cloete. - -De Lille had blijkbaar verwacht dat de beweging der schepen slechts een -manoevre der Engelschen was om de aandacht af te leiden van de -naderende kolonne voetvolk. Doch het bleek spoedig dat hij zich hierin -deerlijk had vergist, want de vier Engelsche schepen, die in dien -tusschentijd tot vlak tegenover Muizenberg waren genaderd, openden -plotseling een hevig vuur op het kamp. De verwarring die nu onder het -koloniale leger ontstond was onbeschrijfelijk, maar toch had een -bekwaam en dapper bevelhebber de positie nog kunnen redden. De Lille -was echter noch bekwaam noch dapper; integendeel hij bleek of een -lafaard of een verrader te zijn, want nauwelijks was de eerste kogel -der Engelsche schepen in den grond geslagen of de bevelhebber wendde -zijn paard, en ging ijlings op de vlucht, gevolgd door het Nationale -bataljon, en zelfs een deel der artillerie liet zich in den vaart -meeslepen. Luitenant Marnitz echter bleef met het restant der zijnen op -zijn post, en begon dadelijk het vuur der Engelschen te beantwoorden -met de twee zware 24 ponders, een werk waarin hij met heel wat bezwaren -te kampen had, want daar de kanonnen los in het zand stonden, raakten -zij met elk schot vast en moesten daar uitgegraven worden en opnieuw -gericht. Maar dit alles liet Marnitz geenszins den moed verliezen, en -hij bleef zich verdedigen. Toen de burgers de geregelde troepen, die -als het ware de kern van het leger vormden, aldus op de vlucht zagen -gaan, met de kolonel De Lille voorop, geraakten ook zij aan het wijken, -en toen eenige der vijandelijke kogels in hun midden sloegen, -retireerden zij zoo snel mogelijk om uit het bereik dier moorddadige -werktuigen te komen. Zij gingen in de richting van het tegenwoordige -Tokai, dat is juist om de punt van den berg, maar toen zij buiten schot -waren hielden zij stand met het doel om zich te verweren tegen het -voetvolk, als dit aan kwam. De Lille daarentegen hield met de zijnen -niet op met vluchten, maar vervolgde hals over kop zijn weg naar de -Dieprivier, waar hij toch eindelijk tot zijn verhaal scheen te komen, -maar zonder dat hij het minste denkbeeld had wat er van de verdere -strijdmacht was geworden, en zich zeker niet bekommerende over hen. - -Luitenant Marnitz weerde zich zoo goed hij kon, en bracht de Engelsche -schepen heel wat schade toe, schoon hij hen natuurlijk niet het zwijgen -kon opleggen. Toen echter de Engelsche voet-kolonne de engte had -bereikt, en de vijand zich gereed maakte om de batterij te bestormen, -zag de luitenant dat zijne positie hopeloos was, en dat er niets anders -voor hem opzat dan om terug te trekken. In zijn hart vloekende op den -lafaard die hem in een dusdanigen positie had gebracht, gaf Marnitz -bevel tot den terugtocht, daarop vuurde hij nog een schot op den -aanrukkenden vijand, en vernagelde toen eigenhandig de twee 24 ponders, -en de andere kleine kanonnen, om ze onbruikbaar voor de Engelschen te -maken, en eerst toen trok hij met vijf veldstukken terug. Het Engelsche -voetvolk rukte nu de engte door, en trok om de punt van den berg. Doch -hier liepen zij, om zoo te zeggen in de armen der burgers die hen met -een geweldig vuur ontvingen, terwijl ook Marnitz met een paar kanonnen -hier eene positie had opgenomen. Het Engelsche 78ste regiment liep hen -echter met de bajonet storm, en tegen die wijze van oorlogvoeren waren -de burgers niet opgewassen, zoodat zij weken. Kapitein Kemper van de -artillerie, die met een deel van de kanonnen om de Zandvlei was -getrokken, bemerkte in welke netelige positie de burgers waren, en -opende van waar hij stond zulk een hevig vuur op de aanvallers, dat de -Engelschen, nu van twee kanten beschoten, terug deinsden naar -Muizenberg, en den strijd voor dien dag opgaven. De avond was toen -reeds aan het vallen; het kamp der Kolonialen was in handen van den -vijand; er kon dus niets meer door de burgers worden gedaan. Treurig, -en daarbij niet weinig kwaad over de slechte leiding die zij gehad -hadden, en wat ronduit het verraad van Lille werd genoemd, legerden de -burgers zich in kleine troepjes hier en daar op de Kaapsche vlakte -tusschen het tegenwoordige Retreat en Tokai, en brachten den nacht in -de opene lucht door, terwijl ze zorgden dat er behoorlijk wachten -werden uitgezet om eene verrassing door den vijand te voorkomen. - -Den volgenden dag scheen De Lille wat bijgekomen te zijn van zijn -schrik, en trok hij behoedzaam met een kleine kolonne zijner troepen -naar Zandvlei, doch de Engelschen hadden zijne beweging bespeurd, en -een vrij sterke macht van Engelsche infanterie, vergezeld van een -klompje mariniers vielen hem aan. De dappere(?) De Lille wachtte dezen -aanval niet af, maar vluchtte hals over kop naar Dieprivier terug, en -liet zich den geheelen dag niet meer zien. De burgers hadden echter een -beter plan beraamd; zij hadden namelijk de Engelsche kolonne zien -aankomen en verscholen zich daarop tusschen eenige hooge zandduinen die -in de buurt waren, en in den weg lagen die de Engelschen volgden in hun -nazetten van De Lille. Op het rechte tijdstip openden de burgers een -heftig vuur op de niets vermoedende Britten met het gevolg dat deze -door den schrik werden bevangen en ijlings op de vlucht sloegen. De -burgers zetten den vijand dadelijk achterna en misschien zou het hun -gelukt zijn om hun kamp van gisteren weder te bemachtigen, ware het -niet dat de Engelschen de door luitenant Marnitz vernagelde kanonnen -weder in orde gebracht hadden en daardoor in staat gesteld waren om de -burgers, toen deze het kamp naderden met geschutvuur te ontvangen, -waartegen de laatsten niet waren opgewassen. Dezen toch hadden geene -kanonnen, daar luitenant Marnitz van zijn kommandeerenden officier, De -Lille, bevel had ontvangen om zich terug te trekken naar Wijnberg, waar -De Lille ook een kamp betrok, na de burgers op de aller lafhartigste -wijze aan hun lot te hebben overgelaten. Onder zulke omstandigheden -bleef er voor de arme burgers ook niets anders over dan om zijn -voorbeeld te volgen en ook naar Wijnberg te trekken. - -Dienzelfden avond was er in het kamp te Wijnberg een ontzettend -spektakel. De burgers zochten den man die hen zoo schandelijk verraden -had, in handen te krijgen, maar De Lille had blijkbaar zoo iets -voorzien, en had zich uit de voeten gemaakt, schuiling zoekend bij het -Kasteel. Doch de burger officieren waren niet van plan om deze zaak op -zulke wijze te laten doodloopen, en nog dien zelfden avond trokken zij -een verzoekschrift aan den Gouverneur op, waarin zij De Lille openlijk -van verraad beschuldigden, en verzochten dat hij voor een krijgsraad -zou terecht staan. Dit dokument werd namens de burgers door de -officieren Botha, Loubser, De Waal, Van der Bijl, Goosen, Hoffman, en -Mulder onderteekend. Het gevolg was, dat de Gouverneur zich wel -verplicht vond om aan dit verzoek gehoor te geven, en op den 10den -Augustus werd De Lille gevangen genomen, en werd het bevel van het kamp -te Wijnberg opgedragen aan den kapitein van Baalen, een man, die schoon -geen groot krijgsman zijnde, toch door een ieder als een eerlijk en -dapper man werd beschouwd. Eenige dagen later kwam De Lille voor een -krijgsraad, die, om wel te vermoedene redenen hem vrijsprak, doch de -bevolking was zoo op hem gebeten, dat de autoriteiten verplicht waren -om hem onder verzekerde bewaring te houden, uit vrees dat men hem het -leven mocht benemen. - -Jan van Eck was een dergenen geweest, die dapper tegenstand had geboden -aan de Engelschen op den eersten dag, en hij was ook den tweeden dag in -het heetst van het gevecht geweest, want een lafaard wilde de brave -burger niet genoemd worden. Geheel ongedeerd kwam hij niet uit den -strijd, want op den tweeden dag werd hij door een geweerkogel licht aan -den arm gewond, en schoon de wond slechts een schram was, noodzaakte -die hem toch om eenige dagen lang zijn arm in een doek te dragen, -zoodat hij geen dienst kon doen. Dat hij woedend was op De Lille, op -Gordon, die al die dagen lang nooit zich hadden laten zien in het kamp, -laat zich gemakkelijk verstaan, en in het dagboek vinden wij dan ook de -bitterste uitdrukkingen omtrent de „verraders, die deze kolonie in de -handen van de Engelschen spelen.” - -Maar de zaken gingen later nog slechter, toen op den 4den September de -Engelschen eene aanmerkelijke versterking kregen en heel wat geschut, -zoodat zij in staat waren om krachtiger op te treden en inderdaad rukte -op den 14den van die maand het geheele Engelsche leger van Muizenberg -naar Kaapstad op. Een korten tijd lang weerden de burgers zich dapper -tegen den viermaal sterkeren vijand, doch zij werden niet behoorlijk -aangevoerd, en toen het onmogelijk bleek om den vijand te keeren, -trokken de meeste burgers, moede van het verraad, dat naar hun meening -gepleegd was door allen, die iets in het bestuur der kolonie te zeggen -hadden, de Kaapsche vlakte in en begaven zich naar hunne plaatsen. De -Kaapsche burgers, en daaronder onzen vriend Jan van Eck, trokken naar -de Kaapstad, en men kan zich verbeelden, dat het hart van onzen vriend -bloedde, als hij dacht aan hetgeen thans het onvermijdelijke scheen. - -Dienzelfden nacht kwam op het kasteel te Kaapstad de Politieke Raad bij -elkander en werd besloten tot het laatste bedrijf van het droevige -drama. Gordon was op deze vergadering niet tegenwoordig, en de heer Van -Rheede van Oudtshoorn (eere zij zijn naam) stemde tegen het genomen -besluit; alle andere leden waren echter van opinie, dat eene verdere -verdediging van de kolonie onmogelijk was, en dat men zich moest -overgeven. - -Op den 16den September 1795, des namiddags om drie uur, woei de -Britsche vlag voor het eerst op het kasteel van Kaapstad. Het rijk van -Jan Compagnie in Zuid-Afrika was gevallen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - -HET EERSTE ENGELSCHE TIJDPERK. - - -Wij zijn nu aan een deel van het dagboek gekomen, dat ongelukkiglijk -geheel uit zijn verband is gerukt. Er mankeeren een aantal pagina’s, -andere deelen zijn weer onleesbaar, en een gedeelte is gevuld met -aanmerkingen en bespiegelingen van den heer Van Eck, die in menig -opzicht veel waars en interessants bevatten, doch de publikatie waarvan -wegens een aantal redenen niet wenschelijk is. Want de lezer kent al -zeker onzen vriend als een heftig man, die op punten van godsdienst, -zoowel als van regeeringsvorm, wonderlijke denkbeelden had; -denkbeelden, die in zijn tijd geenszins ongewoon waren en die door -velen onzer voorouders werden aangenomen, doch die thans, òf als -verouderd, òf als geheel onmatig worden beschouwd. De overgang van de -18de tot de 19de eeuw, is op het gebied van des menschen geest eene -zeer merkwaardige, en veel is er in dien tijd ontstaan, waarvan wij -heden het rechte nog niet begrijpen, maar er waren ontegenzeggelijk te -veel abstracte bespiegelingen opgesloten in die denkbeelden, en men -hechtte te veel waarde aan de dikwerf zeer schoone doch onpraktische -beschouwingen van Jean Jacques Rousseau. Wij zouden dus òf onze lezers -vervelen met hier deze uittreksels te geven uit het dagboek, òf, -ingeval die lezers jongelieden mochten zijn, hen bekend maken met -ideeën, die voor hen onverstaanbaar en onverteerbaar zouden zijn; in -beide gevallen zouden wij kwaad kunnen doen. - -Onder die omstandigheden is het misschien het beste om een oogenblik -van het dagboek af te wijken en uit andere bronnen een kort overzicht -te geven van de gebeurtenissen, die plaats vonden gedurende den tijd, -dat de Engelschen hier hun eerste bestuur voerden, namelijk van 1795 -tot 1803. Over een der voornaamste deelen van dit tijdvak, dat, hetwelk -betrekking heeft op den opstand te Graaff-Reinet, moeten wij zeer kort -zijn, omdat er kans bestaat, dat wij later onze lozers die -gebeurtenissen in een apart werk zullen verhalen. - -Toen de Engelschen deze kolonie door het verdrag van 13 September 1795 -in bezit kregen, naar hun voorgeven om die te bewaren voor den Prins -van Oranje, maar in werkelijkheid met geen ander doel als om ze voor -henzelven te behouden, was de toestand in Zuid-Afrika over het algemeen -zeer treurig. De handel was in de Kaapstad geruïneerd, en er heerschte -een volslagen gebrek aan kontant geld, wordende dit gebrek slechts op -zeer ontoereikende manier verholpen door een ontzachelijke massa -papieren geld, met gedwongen koers, die door de Hollandsche regeering -was uitgegeven. In de buitendistrikten zag het er niet veel beter uit, -want de boeren waren ook hard achteruitgegaan; terwijl in de -grensdistrikten er een toestand heerschte die, voor het oogenblik -althans, niets anders was dan eene volslagene anarchie. - -Het zou den Engelschen, zoo zij een volk van eene andere geaardheid -waren geweest, dan ze werkelijk zijn, niet moeielijk zijn gevallen, om -de kolonie dusdanig te besturen dat ze de achting en de liefde van de -bevolking hadden gewonnen, waardoor de kolonie later in waarheid een -der schoonste parelen der Engelsche kroon zou zijn geworden, en de -bevolking nog loyaler, dan de Engelschen in Engeland. Maar het ligt in -den aard van het Engelsche volk om alle nieuwigheden, en alle nieuwe -volken, te naderen met die vooroordelen die in het Angel-Saksische ras -ingeworteld zijn, en bovendien met verachting neder te zien op alles -wat niet tot dat Angel-Saksische ras behoort of behoord heeft. Het is -merkwaardig, dat de Engelsche regeering van 1795, die in 1783 zulk een -dure ondervinding had opgedaan in den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, -geen betere lessen heeft getrokken uit de feiten die de oorzaak waren -van dien krijg, die Engeland een harer voornaamste koloniën had doen -verliezen. Maar Engeland had in 1795 die les nog niet geleerd, en het -is misschien zeer de vraag of ze die les zelfs nu al kent. - -De Engelschen waren ten tijde van hun aankomst alhier in 1795 alles -behalve populair bij de Kaapsche kolonisten; en aan den anderen kant -bleek maar al te spoedig welk eene verachting de Engelschen hadden voor -den Zuid-Afrikaanschen boer, dien zij afschilderden als dom, lui, wreed -tegenover zijne kleurlingen, oneerlijk, en lafhartig; en dat -ongelukkige en onware oordeel, dat toen gevormd werd, is later niet -veel veranderd, schoon John Bull gelegenheid genoeg had om dat oordeel -te kunnen wijzigen door ondervindingen. - -Een van de eerste daden der nieuwe regeering was om de harten der -inwoners te trachten te winnen door het voorspiegelen der groote -voordeelen die zij zouden genieten onder Engelsch bestuur, dat hun -vrijen handel zou toestaan, en hun geen nieuwe belastingen zou -opleggen, en tevens voor alles dat gekocht werd in klinkende munt zou -betalen. Voor al die geschonkene voordeelen eischte men echter den eed -van getrouwheid aan koning George den Derden. In werkelijkheid werd die -eed dan ook door een groote meerderheid der bevolking afgelegd, en -zelfs in het distrikt Swellendam onderwierp men zich vrij rustig aan de -nieuwe regeering, en bevond men in het algemeen dat de verandering van -regeering een weldadigen invloed had op den handel, en dat de boer er, -wat het finantieele betreft, heel wat beter aan toe was. In het -distrikt Graaff-Reinet ging de zaak echter niet zoo gemakkelijk en een -zekere partij, die der vroegere patriotten, nu de Nationalen genoemd, -begon met een eigen regeering te vormen, die aan de Engelsche regeering -kennis gaf dat zij geen oorlog zou voeren met haar, en met ze op goede -voet wilde verkeeren. Generaal Craig, die toen de militaire gouverneur -was der kolonie, zond wel een gewapende macht naar Graaff-Reinet, maar -gedroeg zich toch zoo verstandig en gematigd in de zaak, dat men -vijandelijkheden, vermeed, en er inderdaad een soort van schikking werd -getroffen, waarin de Graaff-Reinetters wel de Engelsche regeering -erkenden, maar toch op vele punten hun zin kregen. De reden waarom de -Engelsche generaal zoo bizonder inschikkelijk was is thans bekend, en -bestond daarin dat men in Engeland nog tot geen besluit was gekomen wat -met de kolonie te doen, en of men die bepaald en onder alle -omstandigheden, zou annexeeren aan de Britsche kroon. - -In werkelijkheid werd dan ook door de Hollandsche regeering, of om -juister te zijn door de Bataafsche Republiek eene poging gedaan om de -kolonie te heroveren, en zond men van uit Holland eene vloot van negen -schepen met omtrent 2000 soldaten naar de Kaap. Doch deze vloot werd -door de Engelschen verrast in Saldanhabaai op 17 Augustus 1796, en de -Hollandsche Admiraal Lucas moest zich zonder slag of stoot overgeven -met al de zijnen. Kort na deze mislukte poging, gaf de Britsche -regeering openlijk te kennen dat zij van plan was om de Kaap voor goed -te houden als eene Britsche bezitting, en die niet terug te geven aan -het huis van Oranje, en hierop werden nieuwe maatregelen genomen voor -het bestuur der Kolonie. Als gouverneur aan de Kaap zond men Lord -Macartney uit, en met diens regeering begint de treurige tijd van -Engelsch bestuur in Zuid-Afrika. In de eerste plaats werden alle -betrekkingen gevuld met Engelschen. Daarenboven gedroeg de gouverneur -zich alsof hij in een veroverd en vijandig land was. Alle inwoners -moesten een nieuwen eed afleggen aan koning George, en de geringste -vermoeden dat iemand niet zoo loyaal was, als de gouverneur wel noodig -beschouwde, bezorgde den betrokken persoon heel wat onaangenaamheden. -Er waren velen der Kaapsche burgers die reeds één keer den eed aan den -koning hadden afgelegd, en het dus onnoodig beschouwden om dien eed nog -eens afteleggen; doch diegenen die weigerden werden spoedig door dwang -tot eene andere zienswijze gebracht; men liet een troep dragonders zich -bij hen inkwartieren totdat ze den eed kwamen afleggen. Mocht er iemand -gevonden worden die verdacht werd sympathie te hebben met de beginselen -der Fransche revolutie, dan werd hem dadelijk het leven zuur gemaakt, -en de geschiedenis verhaalt ons hiervan het volgende aardige geval. - -In Augustus zou de dochter van den heer Hendrik Oostwald Eksteen van -Bergvliet, tusschen Wijnberg en Muizenberg, in het huwelijk treden, en -voor die gelegenheid zond de vader een aantal uitnoodigingen uit aan -vrienden om bij de bruiloft tegenwoordig te zijn. Dit deed hij op de -wijze zooals toen ter tijde gewoonlijk werd gedaan in Frankrijk, en hij -was onvoorzichtig genoeg om die uitnoodigingen te adresseeren aan -„Burger zoo en zoo, enz”. Maar op den dag van het bruiloftsfeest kreeg -hij een aantal gasten waarop hij niet had gerekend, namelijk een -detachement dragonders, die hun kwartier bij hem opnamen, en door den -Gouverneur waren gezonden onder het voorwendsel dat er een oog moest -worden gehouden op „de ontevredene en kwaadgezinde personen die op de -bruiloft mochten tegenwoordig zijn”. De heer Eksteen ging dadelijk naar -het Gouvernements gebouw om te protesteeren tegen deze handelwijze, en -te kennen te geven dat hij niet de minste kwade bedoelingen had met het -uitzenden der uitnoodigingen, maar het duurde een heele tijd voor den -gouverneur zich vermurwde en ten laatste order gaf dat de dragonders -terug konden komen, doch onder voorwaarde dat de heer Eksteen borgtocht -ten bedrage van £ 1000 zou geven, ten effekte dat hij voortaan niet -meer zulke misdadige dingen zou plegen. - -Het was ook kort na de aankomst van Lord Macartney, dat Engeland in -Zuid-Afrika haar nu reeds zoo wel bekende handelspolitiek begon te -volgen. Schoon aan de kolonisten vrije handel was beloofd, hield men -die belofte op eene eigenaardige manier. Goederen uit Engeland konden -vrij ingevoerd worden, maar geen goederen konden uit andere landen -worden ingevoerd behalve dan met Engelsche schepen, en dan moesten zij -een invoerbelasting betalen van 5 percent. Waren er bizondere -omstandigheden die vereischten dat goederen uit andere dan Engelsche -landen met vreemde schepen moesten worden ingevoerd, dan werd op zulke -goederen dubbel invoerrecht geheven. - -Als private secretaris van Lord Macartney was hier in Zuid-Afrika -aangekomen, een man die meer dan eenig ander Engelschman kwaad aan deze -kolonie, en aan Zuid-Afrika in het algemeen heeft gedaan. Dit was de -heer John Barrow, een alleszins bekwaam man, maar vol van vooroordelen, -en maar al te zeer genegen om alle berichten die hij omtrent de -Afrikaansche boeren vernam te gelooven zonder een onderzoek in te -stellen of die berichten juist waren of niet. Na korten tijd hier te -zijn geweest schreef hij een boek over de kolonie en hare bevolking, -dat in Engeland een grooten opgang maakte, en voor een halve eeuw bijna -het tekstboek over den toestand in Zuid-Afrika was. In dit boek worden -de Afrikaansche boeren in de afschuwelijkste kleuren afgeschilderd, en -ter verachting van het menschdom ten toon gespreid. - -Men kan begrijpen dat allen die dit boek lazen, zich een geheel -verkeerde voorstelling vormden over dit land en zijne bewoners, en dat -zelfs de Engelsche staatslieden er jaren lang door werden misleid. Maar -niet alleen de staatslieden, doch ook het algemeene publiek in Engeland -kreeg door het boek van den heer Barrow, dat een groot aantal lezers -had, een totaal verkeerden indruk van den toestand alhier. Aan de -werken van den heer Barrow zijn een aantal der ongelukkige misslagen -van Engeland in Zuid-Afrika te wijten, en hij is in groote mate -verantwoordelijk voor den haat die het publiek van Engeland gekoesterd -heeft tegen den Afrikaanschen boer; hij en Dr. Philip, die met andere -oogmerken, den Afrikaner ook niet weinig heeft belasterd. - -Lord Macartney regeerde met zulk een ijzeren hand, dat de bevolking een -tijd lang door vrees in toom werd gehouden, en men zelfs te -Graaff-Reinet stil bleef. Doch in 1798 was de gezondheid van den ouden -Lord zoodanig, dat hij zich genoodzaakt zag naar Engeland -terugtekeeren, en op 20 November verliet hij deze kusten, Generaal -Dundas hier latende om voorloopig het bestuur voort te zetten. Dadelijk -daarop brak de opstand in Graaff-Reinet uit, die allertreurigst afliep, -deels omdat men geen hulp van de andere deelen der kolonie kreeg, deels -omdat de plannen van de leiders van den opstand slecht waren -overgelegd. Twintig der aanvoerders in den opstand werden naar de -Kaapstad gezonden; een daarvan stierf, de andere negentien stonden voor -hoogverraad terecht en werden tot verschillende straffen veroordeeld; -de twee hoofdaanvoerders Marthinus Prinsloo en Adriaan van Jaarsveld -werden ter dood veroordeeld; maar dit vonnis werd niet uitgevoerd, en -zij werden met de anderen als gevangenen in het kasteel gehouden, -totdat zij, bij het teruggeven der kolonie aan de Hollanders in 1803 op -vrije voeten werden gesteld. Doch voor dien tijd was Adriaan van -Jaarsveld in de gevangenis overleden, en werd hij dus de eerste -martelaar van het Engelsche bestuur in Zuid-Afrika. Voor den -geschiedschrijver en den student van onze geschiedenis is deze -gebeurtenis van ontzettend gewicht, want daarin ligt de bron van al het -kwaad van Zuid-Afrika, en de gevolgen van den opstand van 1799 zijn -onberekenbaar geweest. Had Engeland voor een oogenblik kunnen gissen -wat het straffen van die mannen haar zou kosten, dan had het zeker geen -oogenblik geaarzeld om ze alle gratie te schenken. Toch, de Groote -Trek, het stichten der beide republieken ten noorden van de -Oranjerivier, en zelfs den later gevoerden ontzettenden oorlog; dat -alles is meer of min, het directe gevolg van het feit dat in den -opstand van 1799 de Engelschen niet met het noodige verstand te werk -gingen, maar meenden dat zij door een exempel te maken, den -vrijheidsgeest van den Afrikaner konden versmoren. Hoe slecht is die -berekening uitgekomen! Er zou een boek over deze zaak en hare gevolgen -te schrijven zijn, maar daarvoor is het hier niet de plaats, en met -deze weinige aanmerkingen moet de lezer zich tevreden stellen, voor het -tegenwoordige althans. - -Uit het dagboek blijkt maar al te duidelijk, dat Jan van Eck aan deze -bewegingen in Graaff-Reinet volstrekt niet vreemd was, maar dat hij er -een werkzaam aandeel aan had, schoon hij niet de wapenen opnam. - -Dat deel van het dagboek, dat op deze periode betrekking heeft, wordt -gemist, maar er zijn op latere plaatsen toespelingen op hetgeen door -hem werd gedaan, en uit een ander deel blijkt, dat Van Eck op zeer -intiemen voet verkeerde met een zekeren Cornelis Edeman, een -schoolmeester nabij Kaapstad, die eene korrespondentie aan den gang had -gehouden met de oproerlingen in Graaff-Reinet, en hen tot den opstand -had aangespoord. Deze Edeman werd door de Engelsche autoriteiten -gevangen genomen, veroordeeld tot geeseling en verbanning uit de -kolonie en dit vonnis is in zijn geheel uitgevoerd. Hij werd als -bandiet naar Nieuw Zuid-Wales gebracht en stierf daar verscheidene -jaren later. - -Middelerwijl was hier een nieuwe gouverneur aangekomen in den persoon -van Sir George Younge, die op 9 December 1799 in de Tafelbaai landde, -en die hier een allerschandaligst bestuur voerde, waarin knoeierijen -van allerlei aard en onaangenaamheden met ambtenaren een hoofdrol -speelden. Eén goed ding deed hij echter, en dat was het verbeteren van -den landbouw in de kolonie. Hij had namelijk met zich samen gebracht, -op onkosten van de Engelsche regeering, den heer William Duckitt, een -man, die goed met alle zaken betreffende de boerderij bekend was, en -die met behulp van eenige assistenten die met hem waren uitgekomen, een -modelboerderij begon, eerst te Klapmuts en later in de buurt van -Darling, en schoon het later bleek, dat de gouverneur en de heer -Duckitt gezamentlijk speculatiën deden, valt het toch niet te -ontkennen, dat deze laatste veel gedaan heeft om de boerderij op -beteren voet te doen drijven in Zuid-Afrika, dan zij tot dien tijd werd -gedaan. Het gedrag van Sir George was echter zoodanig, dat er spoedig -klachten naar Engeland werden gezonden, en het Ministerie aldaar zich -verplicht zag om den gouverneur terug te roepen, die dan ook op 20 -April zijne betrekking overhandigde aan generaal Dundas en negen dagen -later deze kusten verliet. Hij werd later terecht gesteld voor eene -commissie in Engeland, die hem schuldig vond aan eenige der -aanklachten, waarop hij uit den staatsdienst werd ontzet. - -Kort na zijn vertrek brak er een krijg uit met de Kaffers op de -Oostergrenzen, die door het Engelsche gouvernement vrij slap werd -gevoerd, maar waarin de burgers, die opgeroepen waren, zeer dapper -vochten onder bevel van den dapperen en bekwamen kommandant Tjaart van -der Walt. In een gevecht met de Kaffers te Roodeval, in de buurt van de -Zondagsrivier, verloor echter deze brave Afrikaner zijn eenigen zoon, -en nog geen vier maanden later viel hij zelf in een gevecht bij de -Kougarivier. Zijn dood was een onherstelbaar verlies, en de oorlog werd -feitelijk na dien tijd opgegeven, en met de Kaffers een soort van -opgelapte vrede gesloten, die later de kolonie ontzettend veel moeite -en geld zou kosten, want waren de Kaffers den eersten keer behoorlijk -ten onder gebracht en hun respekt geleerd voor den blanke, dan was -waarschijnlijk aan Zuid-Afrika die lange reeks van kafferoorlogen -bespaard geworden, die millioenen gelds gekost hebben, zoowel als -duizenden van levens. Dat de Engelsche regeering nooit den rechten slag -gehad heeft om met de kleurlingstammen van Zuid-Afrika klaar te komen, -maar daarentegen hun inboorlingen-politiek op verkeerde grondstellingen -werd gevoerd onder den invloed der negrophilistische partij in Engeland -en in de kolonie, is een te wel bekende zaak, dan dat wij hier er nog -over zouden uitweiden; doch de meer dadelijke reden waarom generaal -Dundas dezen oorlog niet verder wilde voortzetten, was het feit, dat de -Engelsche regeering op dat tijdstip geen lust had om een kostbaren -oorlog te voeren, omdat het thans zeker was, dat de Kaapkolonie aan de -Hollanders zou worden teruggegeven. - -Op den 1sten October van het 1801 was er namelijk vrede gemaakt -tusschen Engeland en Frankrijk te Amiens, en een der voorwaarden waarop -de Fransche Eerste Consul, Napoleon Bonaparte had gestaan, was, dat de -kolonie aan de Bataafsche Republiek zou worden teruggegeven, eene -voorwaarde die Engeland niet dan met grooten weerzin toestond. De -Oost-Indische Compagnie was ontbonden in 1796 en voortaan zou deze -Volkplanting dus direkt door de regeering van Holland worden bestuurd. -Het duurde echter geruimen tijd voor de finale vrede gesloten werd, -doch dit vond eindelijk op 27 Maart 1802 plaats, en dadelijk werden -toen in Holland de noodige stappen genomen voor het bestuur alhier. Een -uiterst bekwaam man, Jacob Abraham de Mist, werd aangesteld als -Commissaris om de zaken in de Oost-Indiën, en in de Kaap op een nieuwen -grondslag te stellen, en als Gouverneur werd benoemd Generaal Jan -Willem Janssens, een knap krijgsman, wiens eerlijkheid boven alle -verdenking was verheven. De Mist en Janssens kwamen op den 23sten -December in de Tafelbaai aan, en er werd tusschen hen en Generaal -Dundas eene schikking getroffen, volgens hetwelk de kolonie op den -31sten zou worden overhandigd, zullende als dan de Engelsche troepen -door de Hollandsche worden vervangen op het kasteel. Werkelijk waren -ook op den middag van dien dag de Engelsche troepen bezig zich -inteschepen, toen er onverwachts een schip uit Engeland aankwam, met -orders aan Generaal Dundas om de kolonie niet te overhandigen, tenzij -hij verdere orders uit Engeland ontving. In allerijl werden den -Engelsche soldaten weder ontscheept, en de Hollandsche soldaten, die -reeds geland waren, werden gezonden in een kamp nabij Rondebosch, ten -gevolge waarvan heden nog een weg nabij die voorstad van Kaapstad, den -naam draagt van de Campground Road. - -Men kan zich voorstellen dat deze tijding eene geweldige ontsteltenis -in de Kaapstad veroorzaakte. Er heerschte voor een oogenblik een paniek -onder de bevolking, want men had de Hollanders met groote vreugde -ontvangen, en men vreesde dat zoo Engeland hier toch ten slotte de baas -bleef, de personen die hun gehechtheid aan Patria hadden ten toon -gespreid, scherp zouden worden behandeld. Er vond dus dadelijk een -uittocht plaats uit de stad, en de toestand werd zoodanig dat Generaal -Dundas zich verplicht zag om de krijgswet van kracht te verklaren in de -Kaapstad, en de bevolking te beletten de stad te verlaten. De -opgewondenheid duurde echter geruimen tijd voort, en men begreep -natuurlijk niet wat er aan scheelde. Ten slotte kwam er op 19 Februari -een schip op de reede van Tafelbaai aan, met het bericht dat de kolonie -thans kon worden overhandigd, en op den 21sten Februari woei de -Hollandsche driekleur weer vroolijk en blij van de tinne van het -Kasteel. Ongelukkig echter zou zij daar niet zoo erg lang waaien. - -Het behoeft nauwelijks aan onze lezers verteld te worden dat geen man -in Kaapstad de vlag van Holland met meer vreugde weder begroette, dan -Jan van Eck, die thans zijn hartewensch zag vervuld. Niet alleen was -hij den Engelschman kwijt, maar ook zou de kolonie nu worden bestuurd -volgens de beginselen van de Fransche Republiek, die door de Bataafsche -republiek waren aangenomen. Jan van Eck droomde dus die nacht dat de -gouden eeuw voor Zuid-Afrika was aangebroken. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - -JAN VAN ECK VIERT FEEST, MAAR HOORT TOCH TIJDINGEN DIE -HEM NIET BEVALLEN, EN DIE HEM RUZIE DOEN MAKEN. - - -Onze oude vriend liet niet toe dat zijne gevoelens over de verandering, -die in de kolonie plaats had gevonden, onbekend bleven, en wie hij ook -op den 20sten Februari ontmoette hield hij staande om met hem een -praatje te maken. Er waren echter eenige personen die hij zorgvuldig -vermeed, en daaronder was de heer van Rijneveld, de man die in den -vorigen Hollandschen tijd de Fiskaal der kolonie was geweest, en nadat -de Engelschen dit land hadden overgenomen die betrekking bleef -bekleeden niet alleen, maar van het grootste nut was geweest voor de -veroveraars, die hij met zijne ongetwijfeld groote talenten had -gediend. Dan was er Kolonel De Lille, die in den Engelschen tijd de -Kazerne wachtmeester was geweest te Kaapstad, maar nu onder het nieuwe -Hollandsche regiment voor kwaad geld rondliep, en van wien niemand meer -notitie nam, en het allerminst onze vriend. - -De hoofdpersoon, in het verraad van 1795, Kolonel Gordon was niet meer; -op den 5den October van dat jaar had hij zich een kogel door den kop -gejaagd, en zich op die wijze aan de verachting zijner medemenschen -onttrokken. - -Zooals wij zeiden, was Jan van Eck vroolijk en opgeruimd, zoo opgeruimd -als hij nog in langen tijd niet was geweest, en iemand die hem niet -goed had gekend, zou misschien wel tot de liefdelooze gevolgtrekking -hebben kunnen komen dat Oom Jan wat te diep in het glaasje gekeken had. -Diep in het glaasje keek hij dien dag zeker, want een extra borrel, -zooals men dat op zee noemt, verdiende de gelegenheid wel; maar de oude -man zorgde wel degelijk dat hij absoluut nuchter bleef, want -dronkenschap was iets dat hij even als de meeste Afrikaners, in anderen -haatte, en waaraan hij zich dus in geen geval schuldig maakte. Toen hij -echter zijn oude vriend den heer Van Reenen ontmoette, en kort daarop -den heer Eksteen, dezelfde die de ongenoode gasten op de bruiloft -zijner dochter kreeg, toen was het geenszins een wonder dat de drie -heeren bij een fatsoenlijke plek eens ingingen om een „bittertje” te -gebruiken, en een oogenblik wat met elkander te praten. Zij vonden -spoedig uit dat zij niet de eenigen waren, die zich dezen dag door wat -zoet gekout wilden aangenaam maken; integendeel het was in het hotel -vrij vol, maar er werd spoedig plaats gemaakt en men dronk met innigen -dankbaarheid op het welzijn van de Republiek en van de goede zaak. -Menige tong raakte los, en heel wat verhalen werden gedaan over hetgeen -men geleden had onder de Engelsche regeering. - -„Wel”, zeide de heer van Reenen „ik kan jullie verzekeren dat we ten -minste twee knappe mannen hier hebben; Commissaris De Mist is geen -gewoon man, en iemand die niet alleen de beste bedoelingen heeft, maar -daarbij denkbeelden die zijn tijd heel wat vooruit zijn en als alles -hem gelukt, hetgeen hij voornemens is te doen, dan gaan wij werkelijk -een gulden tijd tegemoet. Ook de Gouverneur schijnt mij een knaphandig -man, die het goed met het land meent, en met wien onze boeren goed -zullen klaarkomen, want hij heeft geen greintje hoogmoed”. - -„Dat zal een heele verlichting zijn na die Engelsche Lords en Sirs, die -totaal ongenaakbaar waren voor onze menschen, en niets dan verachting -voor den Afrikaner hadden”, zeide de heer Van Eck. „Maar hebt gij dan -reeds den Commissaris en den Gouverneur gesproken?” vroeg hij verder -aan den heer Van Reenen. - -„O, ja, reeds lang”, luidde het antwoord, „gij schijnt te vergeten dat -zij hier al van December laatst zijn, en met een aantal der voornaamste -inwoners gesprekken hebben gevoerd, ten einde informatie te bekomen.” - -„Is het waar,” vroeg hier de heer Eksteen, „dat Van Rijneveld zich -heeft laten aandienen bij den heer De Mist, maar dat deze geweigerd -heeft hem te zien?” - -De heer Van Reenen scheen dit niet te weten, maar een der andere -personen die in de kamer tegenwoordig waren, riep uit: - -„Ja, mijnheer Eksteen, dat is de zuivere waarheid, en het geschiedde -den schobbejak recht; zij moesten dien kerel in den tronk smijten en -een onderzoek instellen omtrent zijn gedrag; dan schiet hij zich -misschien ook een kogel door den kop, even als Gordon dit gedaan -heeft.” - -„Neen, burger,” viel de heer Van Reenen den spreker, die wel wat -opgewonden was, in de rede, „laat den heer van Rijneveld stil met rust, -en zeg niet weer zulke ongepaste dingen, want eerstens zou de nieuwe -gouverneur om den drommel niet gemakkelijk zijn als er eenig verkeerd -ding werd gedaan, en tweedens zal de heer Van Rijneveld, zoo hij iets -kwaad gedaan heeft, wel zijn verdiende loon krijgen.” - -„Als wij in Frankrijk waren, zou hij al lang aan den eersten den besten -lantaarnpaal zijn opgehangen,” waagde Van Eck zachtjes tot Van Reenen -te fluisteren. - -„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Van Reenen, „maar het gaat niet om -deze lieden hier thans optewinden. Zij hebben al meer binnen dan wel -goed voor hen is, en zijn juist in staat om allerlei baldadigheden te -beginnen, en schoon ik den heer Van Rijneveld ook niet lijden mag, zou -ik hem toch niet overgeleverd willen zien aan een woesten volkshoop, te -meer daar zijne vrouw eene verre bloedverwante van mij is.” - -Men dronk nog een afscheidje, en daarop gingen de heeren van Reenen en -Eksteen de stad in, terwijl Jan van Eck zich wendde naar Zeezicht, om -zijne nicht Elizabeth op te zoeken. Het was bijna een jaar geleden dat -hij haar een bezoek had gebracht, en dat wel om de volgende reden. Toen -de Engelschen in 1795 de Kaap hadden genomen, had Hans de Beer zijne -betrekking bij het departement van den Fiskaal verloren, en was hij in -dienst getreden bij een koopman in de stad, die toen toevallig een -boekhouder noodig had, en het was Van Eck geweest die dit baantje aan -zijn neef bezorgd had, door een goed woord bij den heer Faure, zooals -de koopman heette, te doen. Want, schoon Hans nog dikwijls heethoofdig -was, en er niet zelden woorden plaatsvonden tusschen den oom en den -neef, zoo was Van Eck toch op punten van familiezaken een zeer goedig -man, en hij kon zijne nicht zeer goed lijden. In het begin van het jaar -1802 was de heer Faure echter gestorven, en zijne weduwe wond de zaak -op, zoodat na eenige maanden Hans de Beer weder zonder betrekking was. -Weder was het de oude oom die moeite deed om voor hem eene geschikte -betrekking te vinden, en het was hem inderdaad gelukt, om een plek voor -hem te krijgen bij den heer Truter, een der meest geachte prokureurs en -notarissen van Kaapstad, toen hij plotseling vernam dat Hans klerk was -geworden in een der Engelsche departementen, en dat wel bij de -Thesaurie. Het denkbeeld dat een lid zijner familie in Engelschen -dienst was getreden, en daardoor als het ware een verrader van zijn -land was geworden, stuitte Van Eck vreeselijk tegen de borst, en hij -wilde het nauwelijks gelooven. Derhalve was hij naar zijne nicht -gegaan, om zich van de waarheid te overtuigen, en bevond dat hetgeen -men hem verteld had, geheel de waarheid was. De heer Van Eck was hier -zoo ontstemd over, dat hij een hevige ruzie had met zijne nicht, die -dwaas genoeg was, om de handelwijze van haar zoon te verdedigen. Het -was een geluk misschien dat Hans de Beer zelf niet tehuis was, anders -was er nog meer gebeurd, want als Jan van Eck eens driftig werd, dan -ontzag hij geen mensch. Het einde van de zaak was, dat hij, na zijn -hart op echt Hollandsche manier te hebben gelucht, het huis van zijne -nicht verliet, zeggende dat hij er nooit weder zijn voet zou zetten, en -inderdaad was hij sedert dien tijd niet meer op Zeezicht geweest. - -Doch de tijden waren nu veranderd, en Van Eck was heden in zulk een -goed humeur, dat hij geen bezwaar had om het gebeurde te vergeten en te -vergeven, want zooals alle menschen van een opvliegenden aard, was hij -niet wraakzuchtig, of haatdragend. Hij stapte dus even gerust en -bedaard den ingang van Zeezicht in, en stond spoedig op den stoep, en -de hond, die hem in dien langen tijd niet gezien had, scheen, als de -eerste om hem te verwelkomen, geheel in zijn schik, dat hij zijn ouden -vriend weer zag. Toen Van Eck den zwaren klopper aan de voordeur had -doen vallen, kwam eene slavin hem open doen, en hij werd, even alsof -hij een vreemde bezoeker was, in de voorkamer gelaten, en dit omdat de -meid, die nog niet lang het eigendom van Mevrouw De Beer was, hem niet -kende. Toen zij hem echter bij nicht aangediend had, vloog de goede -oude ziel, die haren trouwen vriend zeer had gemist, naar voren om Van -Eck welkom te heeten, en men was spoedig op vrij goeden voet, schoon de -oude vertrouwelijkheid niet zoo dadelijk wilde terugkomen. Terwijl zij -aan het praten waren, kwam Annie, thans eene groote, uitgegroeide jonge -dame, ook de kamer binnen, en groette haren „Oom” zooals zij Van Eck -steeds noemde, zeer minzaam; hare aankomst droeg er veel bij om het -gesprek een meer ongedwongene houding te geven, en spoedig was men aan -het gezelzen over allerlei onderwerpen, en had Van Eck het zoo druk met -vertellen, dat hij niet merkte dat Annie aan hare moeder herhaaldelijk -knikjes met het hoofd gaf, net als iemand doet, wanneer hij een ander -waarschuwt om iets toch niet te verhalen. Met al dat praten was het -bijna twaalf uur geworden, en toen Mevrouw De Beer Van Eck vroeg of hij -niet zou blijven eten, nam deze met genoegen de uitnoodiging aan, en -liet nicht daarop wat wijn en bitter in brengen, want het bitter -drinken, vooral met het zoogenaamde maagelixer, is nu juist niet een -uitvinding der negentiende eeuw, maar onze voorouders bitterden -gewoonlijk elken dag, kort voor het eten, zooals nu nog in Holland ook -wordt gedaan. - -Even voor dat men opgeschept had, kwam Hans het huis binnen, en was -niet weinig verwonderd om neef Jan er te zien. Het was dan ook wel op -een beetje bedeesde wijze, dat hij hem groette, maar Van Eck stelde hem -gerust door te zeggen, dat men maar de oude koeien niet uit de sloot -zou halen, daar nu de volkplanting toch weer aan hare rechtmatige -eigenaars was teruggegeven, en Hans zoo hij lust had, weer in dienst -van het Hollandsche gouvernement kon treden. Hans zeide echter -glimlachend, dat hij bang was dit te doen, want het scheen hem toe, dat -de regeering in de kolonie aan zulke plotselinge veranderingen -onderhevig was, dat men niet meer wist wie men moest dienen; vandaag -waren het de Engelschen en morgen de Hollandschen. Hij had dus besloten -om den staatsdienst vaarwel te zeggen, en zou liever gaan zien of hij -niet een stuk grond of eene kleine plaats kon huren waar hij op kleine -schaal wat boerderij kon drijven. Jan van Eck zeide dat de boerderij -zeker een uitmuntend vak was, want niemand was zoo vrij en zoo -onafhankelijk als een boer, maar goede plaatsen waren schaars en duur, -tenzij Hans zou verkiezen om ergens in het oosten een stuk grond van de -regeering op request tenemen, en dan met vee, hetzij schapen of beesten -te boeren. Daar Hans echter verklaarde zich liefst met wijnbouw te -zullen bezighouden, daar hij hiervan het meeste afwist, was zijn -neef zoo goed om te zeggen dat hij eens wat navraag zou doen of een -kleine wijnplaats in de Paarl of Stellenbosch niet verkrijgbaar was -tegen een redelijke prijs, en dan zou hij later aan zijn jongen neef -den uitslag van dit onderzoek mededeelen. Toen men dus aan den -middagdisch zat, scheen het dat de eensgezindheid weder volmaakt -hersteld was tusschen de leden der familie, en als iemand, die niet -bekend was met het verledene, toen plotseling de kamer was -binnengekomen, zou hij nooit hebben kunnen vermoeden, dat er nog maar -weinige uren geleden, eene ernstige spanning had geheerscht tusschen de -hoofdpersonen van de familie. - -Maar dikwijls, als het zonnetje het helderst en het warmst schijnt, dan -is het onweer niet ver meer af, en dat werd ook in dit geval bewezen. -Het was alweer de ongelukkige Hans die de boel verbrouwde, door -plotseling, juist toen men klaar met eten was, aan neef Jan te vragen -of hij het nieuws reeds had gehoord, en beide Mevrouw De Beer en Annie -hadden niet de minste gedachte wat er zou komen, en meenden dat het -nieuws iets was dat misschien in de stad bekend was geworden of dat -in verband stond met de verandering van de regeering. Maar toen Van Eck -zeide van geen nieuws te weten, kwam Hans plotseling uit met: - -„Wat, hebben zij u nog niet het groote nieuws verteld? Annie gaat -trouwen met een Engelschen kapitein”. - -Jan van Eck was juist bezig zijn glas wijn leeg te drinken, en dit -onverwacht bericht deed hem zoo schrikken, dat het glas hem uit de hand -viel, en de wijn gedeeltelijk op het hagelwitte tafellaken van nicht -Elizabeth werd gespild. Nicht bemerkte het ongeluk bijna niet, en Annie -wierp dolken van woede naar Hans. Was het dan niet juist dit geweest, -dat zij hare moeder door hoofdschudden en andere teekenen had beduid, -niet aan neef moest worden verteld! Een Afrikaansch meisje van den -ouden stempel is er niets op gesteld om haar liefdesgeschiedenissen te -doen rondbazuinen in de wereld, en vooral niet haar verloving. Wat de -reden van deze bedeesdheid op dit punt is, zijn wij nooit in staat -geweest om precies uit te vinden. Waarschijnlijk vreest het meisje om -opspraak te verwekken, zoo er iets mocht plaats vinden waardoor het -voorgenomen huwelijk zou afspringen, en beschouwt men het als eene -schande voor een meisje als zulk eene verloving te niet raakt, daar de -menschen dan misschien mogen denken dat de vrijer goede redenen had om -het af te breken, en daardoor er een blaam op het meisje zou worden -gelegd. Zooveel is zeker dat nog thans in Zuid-Afrika ten minste onder -onze boerenbevolking verlovingen gewoonlijk geheim worden gehouden, en -eerst met het gaan van het eerste gebod in de kerk het publiek in -kennis wordt gesteld van het voorgenomen huwelijk. Den vreemdeling -treft deze handelwijze te meer, omdat in andere landen en vooral in -Duitschland eene verloving bijna tot een even groot feest aanleiding -geeft als de bruiloft zelve. - -Maar bovendien was Annie geenszins gewillig om hare verloving, onder de -omstandigheden aan Neef Jan bekend te stellen, en dat zij daarvoor eene -goede reden had, dat bleek spoedig. Jan van Eck was eerst zoo verbaasd, -dat niet alleen hij zijn wijn over de tafel wierp, maar met open mond -beurtelings zijn nicht Elizabeth, en zijne kleinnicht Annie aanzag; en -het duurde een minuut of wat voor hij zijn stem kon terugkrijgen, en -vroeg: - -„Elizabeth, is dat waar wat Hans mij hier vertelt, of houdt de -duivelsche jongen mij voor den gek?” - -Mevrouw de Beer, hoe spijtig zij ook was over de onvoorzichtige -uitdrukking van Hans, wilde hare ziel niet door een leugen bezondigen -en antwoordde: - -„Ja, neef Jan, van af het begin van November is Annie verloofd aan -kapitein Allen van het 87ste regiment. Hij was hier verscheidene malen, -en ik heb het reeds lang zien aankomen, en toen hij mij om de hand van -Annie vroeg, en het mij bleek dat mijne dochter hem vurig lief had, kon -ik natuurlijk niet neen zeggen. Hij is nu met de troepen naar Engeland -vertrokken, maar is van plan om zoodra hij in Engeland aangekomen is, -zijn ontslag uit den dienst te nemen, en zich hier in de kolonie te -vestigen als boer, zijnde hij zeer goed bekend met de graanboerderij, -daar zijn vader een aanzienlijk eigendom in Schotland heeft, en -blijkbaar een welgesteld man is. Het zal dus niet noodig zijn dat Annie -mij voor goed verlaat, want Allen is van plan om ergens in Zwartland -een boerenplaats te koopen.” - -Jan van Eck scheen bedaard te luisteren naar hetgeen zijne nicht zeide, -maar men kon zien dat hij inwendig kookte, en toen Mevrouw De Beer -geëindigd had, zeide hij op heftigen toon: - -„’t Is bij mij niet de vraag of uwe dochter u gaat verlaten of niet. -Maar wat mij hindert, is het feit dat een lid van mijn familie zich in -het huwelijk gaat begeven met iemand van eene vreemde nationaliteit, en -dat nog wel een nationaliteit die ik vurig haat.” - -„Ach, neef Jan, ’t is moeielijk voor u om over zulke zaken te -oordeelen,” antwoordde Mevrouw de Beer zoo zachtzinnig mogelijk, want -zij zag dat Van Eck zich ging opwinden, en wilde een heftig tooneel -vermijden. „Meisjes volgen de ingevingen van hun hart, en storen zich -niet aan politiek of nationaliteit, en dat is misschien maar goed ook, -want anders zou de haat en nijd die er alreeds heerscht nog grooter -worden.” - -„Ik kan mij begrijpen dat ge de partij van uwe dochter neemt,” hervatte -Van Eck, „maar ik zeg dat ze onverstandig handelt. Ze heeft zich door -een mooie uniform laten verlokken, en misschien wel door den waren of -voorgewenden rijkdom van dien Kapitein Allen. Het spijt mij om op mijn -ouden dag nog zulke dingen te hooren, en te zien hoe mijne weinige -familiebetrekkingen dag op dag meer en meer beginnen te verschillen van -mij in opinies. En—en nu stond Van Eck op en de drift zoolang door hem -in toom gehouden, barstte nu uit—ik geloof dat ik steeds getracht heb -om voor u te doen, nicht, wat ik kon, en dat de behandeling mij in -dezen aangedaan, allerschandaligst is. Gij hebt mij niet eens -geraadpleegd, en hebt, zooals ik nu merk, zelfs getracht het voor mij -verborgen te houden. En nu gij Engelschgezind gaat worden, begint het -mij toch te erg te worden, en ik verzoek voortaan niet meer als een lid -dezer familie te worden beschouwd. Ik groet u.” - -Met deze woorden, gesproken met eene van aandoening en kwalijk -onderdrukten toorn bevende stem, had Van Eck de tafel verlaten, en vóór -de aanwezigen nog begrepen wat er aan den gang was, stond hij reeds in -den gang, waar hij hoed en stok greep, en de deur uitsnelde. - -Mevrouw de Beer snelde hem achterna, en riep hem toe terugtekomen en -niet zoo haastig te zijn. Doch dit was te vergeefs; de oude man deed -alsof hij het niet hoorde en stapte weg. - -In zijn dagboek beschreef hij de gebeurtenis van dezen dag, en zijne -woorden zijn zoo bitter, en zoo vreeselijk, dat wij geen goed zouden -doen met ze hier te herhalen. Bovendien wat zou het helpen. Huwelijken -tusschen Engelschen en Afrikaanders, van beider kunne, hebben sinds -dien dag bij duizendtallen plaats gehad, en men zou, misschien met -recht kunnen argumenteeren, dat ze meer goed dan kwaad hebben gedaan. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - -EEN KORTE TIJD VAN RUST, DIE VEEL BELOOFT. - - -De eerste dag van Maart in het jaar 1803 was een dag van dankzegging en -vreugde in Kaapstad. Op dien dag toch werd er in de oude kerk op de -Heerengracht een dienst gehouden waarin men den Schepper dankte voor -het feit dat Hij het land van den overheerscher had bevrijd; na den -dienst die door alle standen werd bijgewoond, werd Generaal Janssens -plechtiglijk ingezworen als Gouverneur der Kolonie door den Commissaris -generaal De Mist, die zelf echter voor het oogenblik althans de -voornaamste machten in handen hield, totdat hij de zaken op nieuwen -voet had geregeld. Dit laatste nam een geruimen tijd, want een aantal -leden van den nieuwen raad van bestuur waren nog niet aangekomen, -evenmin als verscheidene leden van het nieuwen Hooge Gerechtshof; maar -zoowel in den raad als in het Hof hadden achtenswaardige mannen, in -Zuid-Afrika geboortig, zitting, zoodat men in waarheid mocht hopen dat -een nieuwe en betere tijd voor het land aanbreken zoude. Zoo vinden wij -Willem Ferdinand van Reede van Oudshoorn als een der leden van den -raad, en Jan Henoch Neethling als secretaris van dien raad; onder de -rechters vinden wij mannen als W. Hiddingh, en D. Denijssen. Ook de -burgerraad werd hersteld, en tot leden er van waren voor het eerste -jaar Cornelis van der Poel, Gerrit Hendrik Meijer, Anthonie Berrange, -Pieter van Breda, Jan Andries Horak, Jacobus Johannes Vos, en Jan -Adriaan Vermaak aangesteld, namen van in ons land welbekende familiën. - -Het nageslacht behoort in waarheid den naam van De Mist in eere te -houden, want er was misschien nooit een man in Zuid-Afrika, die het -niet alleen zoo goed met het land meende, maar ook zulke verstandige -maatregelen heeft genomen. De geschiedenis en de daden van De Mist zijn -ongelukkig niet goed onder ons volk bekend, slechts zij die in de -gelegenheid zijn geweest om de officieele stukken op het archief te -Kaapstad na te gaan, en de brieven door De Mist geschreven, hebben -gelezen, weten iets van de waarlijk grootsche gedachten en plannen van -hem af. Het was geen gemakkelijk werk dat hij ondernomen had en de -omstandigheden hebben belet dat hij het aangevangen werk behoorlijk ten -einde heeft kunnen brengen, maar wat hij gedaan heeft, en nog meer wat -hij van plan was te doen, zoo hem de kans ware gegeven, bewijst maar al -te duidelijk dat De Mist een man was van de edelste bedoelingen, en die -zijn tijd ettelijke jaren vooruit was. Zonder een dweper te zijn met de -denkbeelden der Fransche revolutie, heeft hij aan veel dier denkbeelden -getracht hier den rechten vorm te geven, met inachtneming van de -omstandigheden des lands. Om een voorbeeld te geven behoeven wij -slechts hier iets te vertellen van het schema door hem uitgedacht en -gedeeltelijk in werking gebracht omtrent het onderwijs. In 1804 werd -een belangrijke ordonnantie door hem uitgevaardigd over dit onderwerp, -zoowel als over kerkzaken, een groot deel waarvan nog heden van kracht -is. Eerstens werd daarin volkomene vrijheid van godsdienst verleend aan -alle gezindheden, en gelijke burgerlijke rechten verleend aan Joden, -Roomschen, en Mahomedanen, iets dat zoo veel den tijd vooruit was, dat -de kolonisten er zelfs objekties tegen hadden, wat niet te verwonderen -was, daar het grootste gedeelte van de bevolking tot de Calvinistische -kerk behoorde, en men niet gewoon was aan zulke verdraagzame -denkbeelden. Onder de bepalingen van die zelfde ordonnantie werden de -scholen geplaatst onder het bestuur van de regeering, zonder respekt -van eenige kerk, en dit gaf heel wat aanstoot. Men was tot op dat -tijdstip steeds gewoon geweest om alle onderwijs in verband te hebben -met de kerk, en zulk onderwijs geheel en al te schoeien op den Bijbel, -wat ongetwijfeld in den aard van het volk lag, en grootendeels nog -ligt. Het gevolg was, dat de buitenbevolking zich zoo hevig tegen deze -scholen verzette, dat men die slechts in Kaapstad kon oprichten, maar -hoe dit ook was, zoo vergete men niet dat het systeem van De Mist -hetzelfde systeem was dat thans in zwang is in de kolonie en over het -algemeen vrij goede vruchten heeft afgeworpen. - -Onder de andere goede maatregelen die De Mist nam, mag men het -feitelijk beletten van den invoer van nieuwe slaven in de kolonie -rekenen, terwijl hij daarentegen alles deed om de immigratie van -geschikte blanken uit Holland te bevorderen. Dat dit laatste schema -niet goed slaagde is zeker niet de schuld geweest van De Mist, maar wel -van de onpraktische denkbeelden van de personen die de zaak in Holland -in handen hadden genomen, en van den man dien zij hierheen zonden om -hen te vertegenwoordigen, Majoor Buchenroeder, een man die weigerde te -luisteren naar den goeden raad hem door Gouverneur Janssens gegeven, en -die op halstarrige wijze zijn eigen ideeën volgde, met gevolg dat alles -bedorven werd, waarbij nog kwam dat een aantal goederen voor de -emigranten bestemd verloren gingen in twee schepen, die schipbreuk -leden. - -Tegen het einde van het jaar 1803 ging De Mist een reisje doen door de -kolonie om zich persoonlijk op de hoogte der zaken te stellen. Op die -reis kwam hij onder anderen in aanraking met den beruchten Dr. Van der -Kemp, een man die als zendeling naar Zuid-Afrika was gekomen, maar -allerwonderlijkste denkbeelden had over zendingswerk, en die begonnen -is met het werk waaronder de kolonisten nog heden lijden, en waaronder -ze zooveel hebben geleden, namelijk het bederven, en als luiaards -opvoeden van de Hottentotten en Kaffers; een werk later met zooveel -succes (van hun oogpunt althans) voortgezet door den zendeling Read en -Dr. Philip. Er zijn blijken genoeg uit de brieven destijds door De Mist -geschreven, dat hij niets ophad met het stelsel van Van der Kemp, en -dat hij dezen als een lastig sujet beschouwde, wiens werk -allerongunstigst afstak bij het flinke en verstandige werk gedaan door -de Moravische zendelingen te Genadendal, waar De Mist ook een bezoek -bracht, en waar hij getroffen werd door den vlijt, en de werkzaamheid -aldaar ten toon gespreid door de kleurlingen. Een bezoek door den -Commissaris gebracht aan de kaffers op de oostergrenzen had ongelukkig -geen goede resultaten, daar toen juist die twisten onder de Gaikastam -begonnen te ontstaan die later zulke droevige gevolgen voor de kolonie -hebben gehad. Maar in alle geval was De Mist verstandig genoeg om niet -de fout te begaan die een groote twaalf jaar later door de Engelschen -werd gemaakt, toen deze zich gingen bemoeien met de stamtwisten der -kleurlingen, zich daardoor een wespennest om de ooren halende, dat de -kolonie duizenden van levens en jaren van ellende heeft gekost. Op -zijne terugreis naar de Kaap stichtte De Mist het nieuwe district -Uitenhage, zoo genoemd naar een oude familie naam in zijn geslacht en -nog geen jaar later werd ook het district Tulbagh gesticht. In het -algemeen was men zeer tevreden over de goede maatregelen door den -Commissaris Generaal genomen voor de regeering der kolonie, en scheen -men hoop te hebben dat deze volkplanting een nieuw tijdperk van bloei -zou betreden. Maar ongelukkig werd die hoop teleurgesteld door het -opnieuw uitbreken in Europa van den oorlog, waaraan ook Engeland deel -nam. Napoleon had zich namelijk als keizer van Frankrijk doen kronen, -en begon die vreeselijke reeks van veroverings-oorlogen, die meer dan -tien jaren stroomen bloeds deden vloeien, en ten slotte eindigde met -den val van den grooten veroveraar der negentiende eeuw. De oorlog -tusschen Engeland en Frankrijk brak reeds tegen het einde van 1803 -weder uit, en daar Holland een bondgenoot van Frankrijk was, kon men -verwachten dat de Engelschen de Kaap niet ongemoeid zouden laten. -Generaal Janssens, voor het oogenblik de voornaamste burgerlijke zaken -in handen latende van De Mist, nam dadelijk alle maatregelen om de -kolonie in zulk een staat van verdediging te stellen, als onder de -omstandigheden mogelijk was. Maar in plaats dat men in Holland hem -hierin steunde door hem de noodige versterkingen van troepen te zenden, -gaf men hem last om het beste regiment soldaten dat toen aan de Kaap -was, het 23ste bataljon naar Indië te zenden, en schoon Janssens -begreep dat hij daardoor als het ware weerloos werd gemaakt, -gehoorzaamde hij aan zijne superieuren, en zond het regiment naar -Indië. Daarentegen zorgde hij voor de behoorlijke wapening en oefening -van de burgers, in wie hij terecht groot vertrouwen stelde in geval van -een aanval, en ook zorgde hij voor het opgaaren van genoegzame -mondprovisie voor de troepen. Het was echter ongelukkig een slechte -tijd geweest voor de boeren, die in de laatste jaren met een aantal -misoogsten hadden te kampen gehad, zoodat er nauwelijks koren was, om -in de dadelijke behoeften van de bevolking te voorzien. Verder werd het -Hottentot-korps versterkt tot 600 man, en de heer Frans le Sueur, die -goed verstond hoe om met deze klasse van lieden te werken, werd tot -bevelhebber van dit korps aangesteld met den rang van -luitenant-kolonel. Wat verder eigenaardig is, en bewijst dat de -Mahomedanen steeds een goedgezind deel der koloniale bevolking zijn -geweest, is het feit dat een groot aantal hunner dienst namen als een -speciaal korps artilleristen, en werkelijk toonden dat men goede -soldaten van hen kon maken. Maar met dit al, was het aantal soldaten, -en geoefende krijgers, waar de Generaal op kon rekenen, maar zeer -klein, en wat de toestand nog verergerde was, dat er een kwaadaardige -soort van koliek uitbrak onder de troepen, die een groote vermindering -in de strijdmacht veroorzaakte. Maar Janssens was er de man niet naar -om zich te laten ontmoedigen, en hij werkte onvermoeid voort. Ten einde -den gouverneur op geen enkele wijze de handen te binden, en hem alle -mogelijke macht te geven, legde De Mist op den 24sten September zijne -betrekking als Commissaris-Generaal neder, waarop hij eenige maanden -ging vertoeven op de plaats Stellenburg nabij Wijnberg, en daarop weer -een tijdje lang woonde op de plaats Maastricht in de buurt van -Tijgerberg. In Februari 1805 vertrok hij echter met een Amerikaansch -schip naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, om van daar te -trachten Holland te bereiken. - -Er heerscht onder een aantal personen een denkbeeld, dat er in die -dagen weinig werd gedaan om Gods woord te verspreiden onder de heidenen -in Zuid-Afrika, en men is gewoon om al de eer van dit werk toe te -schrijven aan de Engelsche en Amerikaansche genootschappen en te doen -alsof het alleen aan het Londensche Zendinggenootschap te wijten is, -dat de kleurlingen in dit land niet even onbekend met Christendom zijn -als zij zulks in 1652 waren. Dit is echter geheel verkeerd, want men -behoeft slechts de reisbeschrijving van Lichtenstein te lezen om van -het tegendeel hiervan overtuigd te worden. Dr. Lichtenstein, toenmaals -geneesheer bij het Hottentot korps te Kaapstad, werd in het jaar 1805 -door Generaal Janssens gezonden om tesamen met Landdrost van de Graaf -van Tulbagh een onderzoek te gaan instellen naar den toestand van zaken -ten noorden van de Oranjerivier, waar er een aantal zendingsstaties -waren geopend, maar waar, naar men gehoord had, de Bosjesmannen nog erg -lastig waren, en de geheele bevolking vijandig scheen. De gemelde -heeren troffen op hun reis een aantal zendelingen, velen waarvan -Afrikaners waren, zooals b.v. Christiaan Botma, een man die blijkbaar -een groote energie in het zendingswerk ten toon spreidde, en zelfs een -vrij groot fortuin daaraan had opgeofferd. Dan had men meer in het -noorden de zendelingen van der Lingen, en Jan Kock, Korser en Janssen, -en bij den heer Anderson ook den heer Kramer. Er waren echter ook reeds -in die dagen zendelingen van het Londensche genootschap zooals de heer -Edwards, die aan de reizigers heel wat nuttige informatie gaf. De -expeditie drong zoover noord als Kuruman, en bevond werkelijk dat -de Bosjesmannen zeer lastig waren, terwijl men bovendien een -aantal nuttige berichten verkreeg omtrent de Batlapin en de andere -kleurlingstammen die in deze woeste streken woonden. Weinig vermoedden -Lichtenstein en de Graaf dat zij op hun reis gegaan waren over de -rijkste diamantmijn in de wereld; de schatten der aarde die aan -Zuid-Afrika indirekt zooveel leeds hebben berokkend, lagen nog -onzichtbaar in de schoot der moeder. - -Zoo leefde men rustig voort in de Kaapkolonie, en ging de volkplanting -waarlijk vooruit, in handel en in beschaving. Men wist wel van het -uitbreken van den oorlog, maar men had of geen denkbeeld dat de -Engelschen de kolonie weder zoo spoedig zouden aanvallen of men rekende -te veel op de macht van Frankrijk. Doch de politiek van keizer Napoleon -was eene politiek voor het vasteland van Europa, en tegen de zeemacht -van Engeland was hij niet bestand. Zoo sterk en uitmuntend, en zoo goed -aangevoerd als het leger van Frankrijk was, zoo zwak was de vloot van -dat land, en er was niemand onder de Fransche zeeofficieren die -opgewassen was tegen mannen als Nelson en Collingwood. Napoleon was dus -niet in staat, zelfs al had hij zulks ook gewild om de koloniën van -zijn bondgenoot Holland te beschermen, en allerminst niet voor de Kaap. -Reeds vóór Juli 1805 begon men in Engeland toebereidselen te maken voor -eene expeditie naar Zuid-Afrika, en te Madeira verzamelde zich een -groote Engelsche vloot, en op 4 October—zeventien dagen voor den -grooten slag van Trafalgar, waarin de Fransche vloot voor goed door -Nelson werd vernield—zeilden 63 schepen, met een leger van 6654 man aan -boord van uit de reede van Madeira om de Kaap te gaan veroveren. Het -verhaal van die verovering moet echter overblijven tot een volgend -hoofdstuk. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - -DE SLAG VAN BLAUWBERG, EN HOE DIE AFLIEP. - - -Het is omtrent negen uur op den morgen van den 4den Januari in het jaar -1806. Het zonnetje, op zijn heetst in dat gedeelte van het jaar, scheen -alreeds fel, en deed het witte zand van het strand nabij Zoutrivier zoo -schitteren, dat een mensch de oogen half toeknijpen moest, uit vrees -van door dat helle licht te worden verblind. Jan van Eck zat buiten het -huisje, dat hij zijne woning noemde; hij zat aan wat de schaduwzijde -moest zijn, maar de schaduw was niet breed genoeg om geheel te -beschermen, en hij had dus zijn slaaf een stuk zeildoek in den vorm van -een afdak of halve tent doen spannen langs het huisje, zoodat hij op -die wijze tegen de vinnige stralen der zon was beschermd, en rustig kon -blijven voortlezen in het groote boek dat voor hem op den grond lag. -Want de houding die Van Eck op het oogenblik had, kon niet erg elegant -worden genoemd, al was zij zeker zeer geriefelijk. Hij lag namelijk op -den grond uitgestrekt, zoo lui mogelijk, en stoorde zich -oogenschijnlijk aan niets, zijnde hij te veel verdiept in het boek dat -niets anders was dan de geschiedenis van de eeuw van Lodewijk den -zestienden, geschreven door Voltaire. Het was zeker de tiende maal dat -de oude Kapenaar dit boek las, maar dan was het ook een zijner -lievelingsboeken, en slechts de werken van zijn geliefden Jean Jacques -Rousseau konden het er van winnen. Hoelang Van Eck daar dien morgen zou -hebben gelegen, kunnen wij niet zeggen; gewoonlijk was het zoowat -twaalf uur voor hij zijn plekje verliet om eens een wandeling in de -stad te gaan maken of anders zijn sober maal tehuis te gebruiken, en -dan een rustig dutje te gaan doen. Maar deze morgen zou hij in zijn -rust worden gestoord, want het was even over negenen toen plotseling -van de batterij op de hangen van den Duivelsberg, of zooals met het -noemde het blokhuis, drie kanonschoten snel achter elkander werden -gevuurd. Van Eck sprong in een oogenblik recht op zijne voeten; een -minuut lang zag hij naar het blokhuis, waar de rookwolk van het geschut -in den stillen morgen nog hing, en eerst langzaam door den zachten wind -voortgestuwd werd; toen liep hij snel het huisje binnen, en kwam er -even snel weer uit, met een groote verrekijker in zijn hand, die hij -dadelijk aan zijn oog bracht en op den Leeuwenrug richtte, waar op een -signaalpaal eenige vlaggen zichtbaar waren. Een tijd lang tuurde hij -naar die vlaggen, toen sloot hij met een gebaar van woede den kijker, -en met een verwensching hoorde men hem de woorden zeggen: „Ik dacht het -wel; daar zijn die vervloekte Engelschen al weer. Maar gelukkig hebben -wij vandaag geen verraders onder ons, en zullen ze wel een betere -ontvangst krijgen dan in ’95”. - -Het nam onzen vriend slechts een paar oogenblikken om zijn rok -aantetrekken, en zijn stok uit den hoek te nemen, en daarop stapte hij -met haastige schreden naar de stad, waar hij alles in rep en roer vond, -want het was reeds overal bekend dat een Engelsche vloot van drie en -zestig schepen in zicht was, en naar het scheen recht op Tafelbaai -afstuurde. De Gouverneur had reeds alle mogelijke maatregelen genomen; -de drie schoten die Van Eck hadden gestoord in zijn rust waren de -seinen geweest voor de burgerij; zij zouden van bergtop tot bergtop -herhaald worden, volgens een vroeger gemaakte afspraak, en tegen dezen -tijd was het zeker al in Swellendam bekend dat de vijand in aantocht -was, en zouden de burgers wel spoedig verschijnen om hunne hulp te -verleenen. - -Toen Van Eck dit alles hoorde en overdacht, kwam hij tot de conclusie -dat de Engelschen geen beteren tijd voor hun plan konden hebben -gekozen. Het was juist de oogsttijd, en dit was natuurlijk een zeer -ongelegen tijd voor den boer om zijn plaats te verlaten; een deel der -wijnboeren was ook reeds bezig met het inzamelen hunner oogst, en het -was misschien een heele vraag of de boeren wel zoo flink zouden -opkomen, als de gouverneur en zijn raad verwachtten. - -Van Eck kende zijn volkje; hij wist dat de Afrikaansche boer zoo zeer -aan zijne bezigheid gehecht is, dat hij die niet graag veronachtzaamt, -want de boerderij is zijn bestaan; en dikwijls is hij dom genoeg, of, -laten wij liever zeggen, niet verziend genoeg, om het oogenblikkelijk -voordeel, dat naar evenredigheid van gering belang is, te verkiezen -boven grootere maar meer verwijderde belangen; in andere woorden dat -hij zijn land en zijn vrijheid zou laten verloren gaan, terwille van -den te veld staanden oogst. Die kortzichtigheid is ongetwijfeld een -gebrek van ons volk, en, was het niet met dat gebrek behebt, dan had -het lang niet zooveel behoeven te lijden als het gedaan heeft. In -plaats van een goeden beet in den zuren appel te geven en die daardoor -te vermorzelen, is het steeds voor de zuurheid teruggeschrokken, maar -moest toch op het einde door een aantal verschillende kleine beten den -appel opeten, en ondervond dus de zuurheid er van des te meer. Hoe -dikwijls is dit niet later gebleken in de geschiedenis der twee -Zuid-Afrikaansche Republieken, en vooral in den Basuto oorlog door den -Vrijstaat gevoerd? De ondervinding heeft echter ook den Afrikaner dure -lessen geleerd, en dat hij die lessen niet heeft vergeten, dat bewijst -het feit, dat de laatst gevoerde oorlog drie jaar duurde en de Boer, -die voor zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid vecht, niet meer weet -van ingeven. En toch weten wij dat in het begin van den oorlog de -boeren-kommandanten niet weinig moeite hadden met het oude geslacht, -dat steeds van kommando wou weggaan, om toch naar hunne boerderij te -gaan kijken. - -Ten tijde dat Van Eck over dit punt dacht, kwam hier ook nog bij dat -het weder ontzachelijk warm was, zoodat het bijna onmogelijk was voor -mensch of beest om gedurende den dag te reizen. Het is aan dit feit te -wijten dat er in den slag van Blauwberg zoo weinig burgers deelnamen, -want de meesten der burgers waren nog op weg naar Kaapstad toen het lot -der kolonie reeds beslist was. - -Jan Van Eck bleef geruimen tijd in de stad, hier met zijne vrienden een -praatje houdende, daar goeden raad gevende. Zelf de wapenen op te nemen -daar was hij thans te oud en te stram toe; de geest was wel gewillig -maar het vleesch was zwak, en wat hij in 1795 had gedaan, daartoe -voelde hij zich in 1806 niet in staat. Maar toch liet hij zich -inschrijven bij de burgerwacht, wiens taak het zou zijn om de Kaapstad -te verdedigen, zoo die direkt door den vijand van de land zijde werd -aangevallen. - -Het was bijna duister toen onze vriend weer bij zijn huisje terug kwam, -en reeds een paar uur voor dien tijd was de Engelsche vloot ten anker -gekomen in de nauwe passage tusschen Robbeneiland en het strand van -Blauwberg, dicht bij de zoogenaamde Melkbosch punt. Doch het weer had -tegen dezen tijd een aanzienlijke verandering ondergaan. De noordenwind -was plotseling komen opzetten, een vrij zeldzaam verschijnsel voor -dezen tijd van het jaar, en zij blies vrij hevig. Van Eck hoorde hem -dien avond huilen over de Tafelbaai, en in stilte bad hij dat de wind -tot zulk een storm zou klimmen, dat elk der Engelsche schepen met man -en muis aan de rotsachtige kusten van Blauwberg zou vergaan. - -Maar aan dien wensch werd niet voldaan; schoon de wind gedurende den -nacht vrij hevig woei, was hij niet zoodanig van kracht, dat een goed -geankerd schip er door zou kunnen lijden, en tegen het breken van den -dag ging hij liggen, alhoewel de zee nog vrij hol bleef. - -Onder de omstandigheden was het echter eene onmogelijke zaak om eene -landing te wagen in de hooge branders die aan de noordzijde van -Tafelbaai tegen de rotsen sloegen, en dien geheelen dag bleef de -Engelsche vloot werkeloos. Die verpoozing aldus aan Generaal Janssens -gegeven was dezen natuurlijk zeer welkom, want hij kon thans de -allernoodigste maatregelen nemen. Het valt te begrijpen dat hij geheel -afhankelijk was van de omstandigheden, en dat alles afhing van de -plaats waar de Engelschen zouden landen, of de wijze waarop zij de -Kaapstad zouden aanvallen. Het kon zijn dat de Engelschen van plan -waren om eene landing te doen bij het strand van Blauwberg, maar er was -ook tevens niets om hen te beletten, Kaapstad van de zeezijde -aantevallen, of liever om de dadelijke overgave der stad te eischen -onder bedreiging van anders de stad aan een bombardement te -onderwerpen. Dat dit laatste niet is gedaan is ons steeds een raadsel -geweest; want goed beschouwd, zou dit zeker de kortste en -gemakkelijkste weg zijn geweest. Kaapstad zou geen halfuur een -bombardement hebben kunnen uithouden, en de batterijen die langs het -strand van Tafelbaai stonden waren niet zwaar genoeg om de Engelsche -schepen veel afbreuk te doen, terwijl hun zeegeschut veel zwaarder en -verder reikend was. Een dreigement met te zullen bombardeeren zou een -grooten invloed op zaken hebben gehad, en zeer demoraliseerend zijn -geweest, want de vrouwen en kinderen zouden natuurlijk in allerijl de -stad hebben verlaten zoo de gouverneur had besloten om niet aan de -oproeping tot overgave gehoor te geven. Het is echter zeer -waarschijnlijk dat de Engelsche bevelhebbers, Admiraal Popham en -Generaal Baird, de kolonie wilden veroveren met zoo min mogelijk schade -aan de welvaart ervan, en dat zij er geen nut in zagen om te beginnen -met het in asch leggen van de voornaamste havenstad er van. Doch -Generaal Janssens kon, zooals van zelf spreekt, dit niet weten, en van -zijn oogpunt gezien behoorde een direkten aanval op de stad van de -zeezijde tot de mogelijkheden, en moest hij zich daarvoor ook -prepareeren. Hij hield dus voor het oogenblik zijn leger in de Kaapstad -en ook de burgers die reeds dien avond van Koeberg en van de Paarl -aankwamen, ontvingen last om in de stad te blijven; slechts een klein -troepje burgers onder kommandant Jacobus Linde werd naar het strand van -Blauwberg gezonden om de bewegingen van den vijand gade te slaan. Laat -dien avond kwam dan ook een bericht van Linde dat de vijand -oogenschijnlijk het anker lichtte en nog een uur later een tweede -boodschapper met het nieuws dat een tiental schepen zeil waren gegaan -naar het noorden. Generaal Janssens begreep wat de reden hiervan was; -de Engelschen, vreezende dat het strand van Blauwberg te ongunstig -gelegen was voor eene landing, waren van plan om meer noordelijk te -landen, waarschijnlijk te Saldanha baai. Verandering in de plannen van -den Hollandschen generaal kon deze nieuwe beweging van den vijand niet -brengen, want, als er een veldslag moest worden geleverd, kon die -nergens anders plaats hebben dan in de nabijheid der stad, en Janssens -had het plan opgevat om, zoo hij verslagen werd, zich terug te trekken -naar het binnenland, en zoo mogelijk de kolonie voet voor voet te -verdedigen totdat er hulp uit Frankrijk kwam. Hoop op goeden uitslag -had de Hollandsche generaal niet, want hij had slechts een handjevol -geregelde troepen en deze waren niet van de allerbeste soort, vooral -niet het zoogenaamde bataljon van Waldeck, een huurbende dat meest uit -Duitschers bestond, en waarop de generaal meende niet te kunnen -rekenen. Persoonlijk was Janssens van opinie dat de kolonie zooals zij -toen was, geen voordeel aan het moederland aanbracht; de kosten die men -er aan besteden moest waren te groot, en konden niet door de kolonisten -gedragen worden, zoodat het misschien een geluk voor Holland zou zijn -als het op een fatsoenlijke wijze van de Kaap kon worden ontslagen. -Maar Janssens was soldaat en eerlijk man; hij had zijn plicht te -volvoeren; die plicht was om de kolonie zoo lang mogelijk te -verdedigen, en hij was vast besloten om dien plicht ten uitvoer te -brengen. - -De gouverneur had het inderdaad niet mis, toen hij tot het denkbeeld -geraakte dat de Engelschen van plan waren om eene landing te Saldanha -baai te maken. Generaal Baird schijnt gevreesd te hebben dat eene -landing te Blauwberg te gevaarlijk zou zijn, en zond dus op den avond -van den 5den Januari een klein deel van zijn leger in eenige transport -schepen naar Saldanhabaai, want schoon het hem bekend was dat zijne -troepen een lange en vermoeiende marsch zouden moeten maken om van daar -de Kaapstad te bereiken, wist hij ook dat gemelde baai goed tegen -stormen beschut was, en men er veilig kon landen; bovendien begreep hij -snel te moeten handelen daar hij den Hollandschen bevelhebber niet de -gelegenheid mocht geven om zijne burgers te verzamelen en daardoor eene -macht te hebben die geheel in staat zou zijn om het op te nemen tegen -het Engelsche leger. De Engelsche generaal was van plan om vroeg in den -morgen van den 6den met zijn geheel leger zijn voorhoede te volgen, -doch dien nacht ging de wind geheel en al liggen, en de branding aan de -kust tegen over Blauwberg was zoodanig verminderd dat Baird besloot om -toch hier te landen, en met dat voornemen zond hij snel een vaartuig om -de reeds vertrokken schepen terugteroepen. Daarop werden de noodige -toebereidselen gemaakt. Vier der groote Engelsche oorlogsschepen gingen -zoo nabij mogelijk de kust liggen, ten einde met hun grof geschut de -landende troepen te beschermen, en men liet daarop een der kleinste -schepen op strand loopen, om daardoor een soort van beveiliging te -hebben tegen de groote branders, die zelfs in rustig weer tegen deze -kust slaan. Toen werden de Hooglandsche regimenten, de Bergschotten van -de 71ste, 72ste en 93ste regimenten het eerst geland onder bevel van -generaal Ferguson. De landing liep echter niet zonder ongelukken af; -een boot met vijf en dertig man van het 93ste regiment sloeg om in de -branding, en al de opvarenden vonden den dood in de golven. Daarop -werden nog drie regimenten geland benevens een aanzienlijke voorraad -mondbehoeften en wat artillerie. Er waren toen bij het strand geen -Hollandsche soldaten om deze landing te beletten; slechts Kommandant -Linde was er met zijn klein klompje burgers en deze deden wat zij -konden. Zij slaagden er in eenige der Engelschen te dooden, maar een -paar welgemikte schoten van af de schepen verplichtten hen om -terugtetrekken, en daarop liet Linde Generaal Janssens het gebeurde -weten. - -De laatste Hollandsche gouverneur van de Kaap maakte zich dadelijk -strijdvaardig, en vroeg in den morgen van den 8sten Januari 1806 trok -hij met zijn leger Kaapstad uit om den vijand te ontmoeten. Beter -gezegd trok hij van de zoogenaamde Rietvlei, waar hij den vorigen dag -zijn leger had verzameld en dat ten noorden van de monding der -Zoutrivier en juist west van de Tijgerberg was gelegen. Het Hollandsche -leger telde iets over de tweeduizend man, hebbende Generaal Janssens -meer dan duizend man, waaronder een groot aantal burgers te Kaapstad, -achtergelaten om deze stad te beschermen tegen een aanval der -Engelschen. Het is niet gemakkelijk om te begrijpen waarom Janssens -aldus zijn leger verzwakte, want hij moet meer of min een denkbeeld -hebben gehad van de sterkte van den vijand, en geweten hebben dat deze -heel wat sterker was dan hij, en als hij zijn plan om in het binnenland -terug te trekken had willen uitvoeren, zou hij wijzer gedaan hebben om -de Kaapstad geheel ontruimd te hebben, want deze was in het geval dat -hij den slag verloor, toch niet te verdedigen, terwijl hij door het -laten van een aanzienlijk aantal burgers niet alleen zijn macht -verzwakte, maar gemelde burgers ongetwijfeld in handen van den vijand -zou doen vallen, en dit een groot verlies zou zijn met het oog op de -verdere verdediging van de kolonie. Maar Janssens, schoon een eerlijk -en welmeenend man, die uitmuntend geschikt was voor het bestuur dezer -volkplanting, was geen veldheer, en heeft steeds ongelukkig gestreden, -want later heeft hij op dezelfde wijze Java moeten overgeven aan de -Engelschen. Had hij met al de macht die hem ten dienste stond den -Engelschen generaal ontmoet, dan had hij meer kans op overwinning -gehad, en hij in alle geval, met beter succes de bergpassen naar het -binnenland kunnen verdedigen. - -De macht waarmede de generaal den vijand tegemoet trok was samen -gesteld als volgt. Eerstens waren er 224 beredene burgers onder de -kommandanten Linde, Human en Wium; dan volgde het bataljon der -Waldeckers 400 man sterk; dan het 22ste linieregiment, ten getale van -358 man; dan het negende bataljon der Jagers, 202 man; verder 138 -dragonders, en 160 man der artillerie, de laatsten met zestien stukken -geschut. Ten laatste waren er nog 54 Maleische artilleristen, 181 -Hottentotten te voet, en 104 slaven bij de artillerie, terwijl 240 -Fransche matrozen van de in de Tafelbaai kort te voren gestrande -schepen Atalante en Napoleon ook hulp verleenden onder bevel van -kolonel Beauchene. Men ziet dus dat het Hollandsche leger een -eigenaardig mixtuur was. - -Het was omtrent vijf uur in den morgen, toen men het Engelsche leger, -dat vierduizend man sterk was, zag aanrukken over de zandduinen van -Blauwberg, onder persoonlijk bevel van Generaal Baird. Janssens stelde -daarop terstond zijn leger in slagorde, en dat in een lange linie, ten -einde te voorkomen dat de veel talrijker Engelsche macht hem zou -overvleugelen. Daarop reed hij langs het front der troepen en spoorde -hen aan zich dapper te gedragen, en hun plicht te doen. Men ontving den -algemeen beminden generaal met gejuich; slechts uit de monden der -Waldeckers werd geen geluid van goedkeuring vernomen, en deze lafaards -hadden geen lust zich op te offeren voor eene zaak, die zij als -hopeloos beschouwden. Het gevecht begon met grof geschut, en hierin was -het voordeel aan de zijde van de Hollanders, die meer stukken hadden -dan de Engelschen, schoon het kaliber der kanonnen der laatstgenoemden -weer zwaarder was. Er vielen eenige kogels in de buurt van het -Waldecker regiment, en dit begon daarop dadelijk te wijken. Janssens, -dit bemerkende, begaf zich persoonlijk naar hen, en trachtte de -lafaards moed in te spreken, maar het was te vergeefs; de Duitsche -huurlingen sloegen schandelijk op de vlucht. Dit voorbeeld had een zeer -slechte uitwerking op de rest van de geregelde troepen, en een korten -tijd daarna begon ook het 22ste linieregiment te wijken. Weder trad de -Hollandsche generaal naar voren; hij sprak de manschappen toe, en het -gelukte hem ook ze een oogenblik te doen standhouden. De beide legers -waren echter nu zoo nabij elkander dat men met het geweer op elkander -begon te schieten; de Generaal zelf werd getroffen door een kogel die -echter afstuitte tegen een hard voorwerp in zijn zak, zonder hem te -verwonden. De Hooglanders, die eenige lagen hadden gevuurd, maakten -zich daarop gereed om een bajonet aanval te doen, en tegen die taktiek -waren de Hollandsche troepen niet bestand. Het 22ste regiment sloeg op -de wilde vlucht; slechts de burgers, de artillerie en de Fransche -zeelieden hielden stand en beantwoordden den aanval met een hevig -geweervuur. De welafgerichte, geoefende Hooglanders, die de keurbenden -van het Engelsche leger waren, lieten zich echter niet door het -hevigste vuur stuiten, maar kwamen steeds in charge pas nader, en -Generaal Janssens ziende dat hij met de hem overblijvende rest van het -leger niets uitvoeren kon, gaf bevel tot den terugtocht, die gedekt -werd door de artillerie, meesterlijk bediend door luitenant Pelegrini, -die zoolang persoonlijk de stukken bleef bedienen, dat Janssens -verplicht was om zelf den dapperen man te gelasten, zich met zijne -kanonnen in veiligheid te brengen, terwijl hij hem tevens op de plek -zelve tot kapitein bevorderde. Daarop trok het geheele Hollandsche -leger in vrij goede order terug naar Rietvlei, waar men ook het Waldeck -regiment vond, dat dadelijk daarop door Janssens met verwijtingen werd -overladen, en naar Kaapstad werd gezonden. De Gouverneur maakte nu -verder zijne schikkingen voor een terugtocht naar het binnenland. -Eerstens zond hij de Fransche zeelieden naar Kaapstad terug, niet omdat -zij niet goed waren, want zij hadden zich inderdaad zeer dapper -gedragen; maar omdat de zeelieden van weinig of geen nut konden zijn in -het binnenland. Verder zond hij een boodschapper naar den kommandant -van Simonsstad, met instructien aan dezen om alle krijgsvoorraad die -daar mocht zijn, en die niet spoedig kon worden vervoerd te vernielen, -en dan met het garnizoen van die plaats, omtrent 150 man, zich naar den -tegenwoordigen Sir Lowry’s Pas te begeven, waarheen ook de Gouverneur -zelf van plan was te gaan. - -Een der laatste daden van den Hollandschen gouverneur bewees welk een -edel man hij was. Er waren namelijk een aantal burgers die zich in het -gevecht van Blauwberg uitmuntend hadden gedragen, en daar deze mannen -geen betaling voor hunne diensten kregen, en toch wel iets voor hunne -dapperheid verdienden, zond Janssens een boodschapper naar den -politieken raad in Kaapstad, waarin hij dezen verzocht om dadelijk, -zonder eenig verzuim aan zekere burgers die hij met name noemden, -plaatsen in eigendom te geven en die te transporteeren op hunne namen. -De namen dezer dappere burgers verdienen aan de vergetelheid te worden -ontrukt, en wij geven ze dus hier. Zij waren: Jacobus Linde, Pieter -Human, Pieter Pietersen, Nicholaas Swart Pz., Nicholaas Swart Kz., Jan -Rabe, Dirk Lourens, Servaas de Kock, Nicholaas Linde, Marthinus -Theunissen, Hans Human en Pieter Mosterd. Wij mogen hier bijvoegen dat -de raad aan dit verzoek gehoor gaf, zijn laatste vergadering op den -8sten hield, de noodige dokumenten passeerde, en die deed registreeren. - -Waarom generaal Janssens, toen hij deze boodschap zond, ook niet -dadelijk bevelen zond aan kolonel Prophalow, den bevelhebber van -Kaapstad om zich in den nacht met alle beschikbare troepen en materiaal -naar Muizenberg te begeven, en van daar langs het strand naar de -Hottentot Hollands bergen te trekken, ten einde zich met hem, Janssens -te vereenigen, is weer een van die dingen die men niet begrijpt. -Janssens toch moet geweten hebben, dat er geen kwestie kon zijn van het -verdedigen van Kaapstad, en dat de overgave er van zonder twijfel zou -geschieden. Waarom moest echter in die overgave een groot deel van de -troepen, en een aanzienlijk aantal burgers worden begrepen. De Britsche -troepen trokken dien nacht niet verder dan Rietvlei, en kampeerden -daar, zoodat Prophalow zeker alle kans had gehad om zonder moeite -Muizenberg te bereiken, en daardoor het leger van Janssens, dat toen -niet meer dan zoowat duizend man telde, aanzienlijk te versterken. Maar -dit werd ongelukkig niet gedaan, en den achtermiddag van den 8sten trok -de Hollandsche generaal met het overschot van zijn leger naar -Hottentots Holland terug, waar hij de bergpas, thans als Sir Lowry’s -pas bekend, bezette. - -Kaapstad werd aldus aan zijn lot overgelaten, en op den morgen van den -9den Januari kwam het Engelsche leger te Zoutrivier aan, waar door den -Engelschen generaal de noodige schikkingen werden getroffen om, zoo -noodig, de stad te bombardeeren. Doch dit bleek spoedig een onnoodige -maatregel. Prophalow begreep dat eene verdediging van de stad nutteloos -bloedvergieten ten gevolge zou hebben, en even nuttelooze vernieling -van eigendommen, en hij zond dus een parlementair naar Generaal Baird, -om een wapenstilstand te verzoeken met doel de termen van overgave te -arrangeeren. Baird schonk hem 36 uren wapenstilstand, op voorwaarde dat -de buitenwerken van de stad aan hem werden overhandigd, en hij Fort -Knokke kon bezetten, hetgeen toegestaan werd. Den volgenden dag, 10 -Januari 1806, des namiddags om 4 uur, werd de kapitulatie van Kaapstad -geteekend, en dienzelfden avond woei de Engelsche vlag weder op het -kasteel, om daar te waaien tot op den huidigen dag. - -Ondertusschen was Generaal Janssens te Hottentot Hollandsch, en scheen -hij in twijfel te zijn geraakt wat te doen. De kleine macht ter zijner -beschikking maakte het hem onmogelijk om iets nuttigs ten uitvoer te -brengen, en hij was zelfs niet in staat om de bergpassen te bezetten, -die den vijand in staat zouden stellen hem in den rug aan te vallen. -Dat de Engelschen dit dan ook van plan waren, bleek spoedig, want reeds -op den 12den vernam Janssens dat Stellenbosch, en de Roodezand Kloof -door hen bezet was, en dat een regiment op weg was naar Mosselbaai om -de Attaqua pas in bezit te nemen. Aldus aan alle kanten afgesneden, -moest de Hollandsche generaal wel tot de conclusie komen dat er niets -voor hem overbleef dan overgave. Maar toch kwam de eerste stap niet van -hem, maar van den kant der Engelschen. Generaal Baird was een zeer -achtenswaardig man, en hij schreef op den 13den een brief aan Janssens, -waarin hij deze onder het oog bracht dat verder verzet slechts -noodeloos bloedvergieten zou zijn, en dat hij hem aan de hand gaf of -het niet beter was om onderhandelingen aanteknoopen voor eene eerlijke -kapitulatie. Deze brief werd door Generaal Beresford aan den -Hollandschen generaal gezonden, en dezen verder medegedeeld, dat, hij, -Beresford, volmacht had om de onderhandelingen te voeren. Janssens -wilde zich eerst overtuigen van den toestand in de Kaapstad, en vroeg -verlof om een onderhoud te hebben met den toenmaligen secretaris van -den politieken raad, den heer Jan Andries Truter. Dit verzoek werd -toegestaan, en daarop besloot Janssens zich over te geven, en werd de -kapitulatie op den 18den Januari geteekend. Bij die kapitulatie werd -overeengekomen dat het Hollandsche leger zich met behoud van eer zou -overgeven, en op kosten der Engelsche regeering naar Holland zou worden -teruggezonden, en verder dezelfde voorwaarden gemaakt als beschreven -waren in de capitulatie van Kaapstad. - -Op den 6den Maart verliet Generaal Janssens deze kusten, en werd voor -goed de band verbroken die er bestond tusschen Oud-Holland en de Kaap -de Goede Hoop. Merkwaardig is echter de brief die de dappere generaal, -op den dag van zijn vertrek aan generaal Baird zond en waarin onder -anderen deze uitdrukkingen voorkwamen: - -„Sta mij toe, mijnheer, om aan uwe bescherming aan te bevelen de -inwoners dezer kolonie, wier geluk en welvaart de voornaamste -onderwerpen mijner zorg zijn geweest, sedert mijne aankomst alhier, en -die gedurende dien tijd zich geheel volgens mijne tevredenheid hebben -gedragen. Sla in dit opzicht geen geloof aan den heer Barrow, of aan de -vijanden der inwoners. Deze laatsten hebben hunne fouten, doch daar -wegen hunne goede hoedanigheden ruimschoots tegen op. Door middel van -zachtheid, door bewijzen van liefde, en vriendelijkheid kan men ze -ongetwijfeld tot het goede leiden.” - -Het zou zeker een groot voordeel voor de Engelsche regeering zijn -geweest, zoo zij wat meer geluisterd had naar den raad van den laatsten -Hollandschen Gouverneur, en wat minder naar menschen in Engeland, die -geen begrip van de toestanden hier hadden, of naar mannen, als Dr. -Philip, die door hunne vooroordelen belet waren een behoorlijk besef -van het karakter der Afrikaners te krijgen, of anders waren -geïnfluenceerd door zelf belang en geldzucht. Maar de gevolgen van al -deze verkeerde influisteringen zijn niet uitgebleven. - -Toen de „Bellona”, zooals het schip heette dat Generaal Janssens en -zijne metgezellen naar Holland zou vervoeren, op den morgen van 6 -Maart, langzaam en statig de Tafelbaai uitzeilde, stond Jan van Eck op -het strand van Papendorp, en tuurde hij op het schip totdat er niets -meer van te zien was. Hij was moederziel alleen, maar zelfs al waren er -honderd menschen geweest, dan zou hem het hart te vol zijn geweest om -een woord te spreken. Toen echter het schip op de blauwe wateren van -den Atlantischen Oceaan verdwenen was, liepen de tranen langs de wangen -van den goeden eerlijken patriot, en zich langzaam omwendende, stapte -hij in de richting van zijn huisje. - -Voor de eerste keer in zijn leven liet hij dien dag zijn middag eten -onaangeroerd. - - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - -WAARUIT BLIJKT DAT MEN IN HET JAAR 1807 BANJA MAK WAS IN DE KAAPSTAD. - - -Op Maandag 28 September van het jaar 1807 stapte ’s morgens om 10 uur, -onze vriend Van Eck zeer rustig van zijne woning naar de stad, en -wendde zich daar dadelijk naar het stadhuis op het zoogenoemde -Groenteplein, waar het stadhuis stond, hetzelfde gebouw dat nu nog voor -dat doel wordt gebruikt, totdat het groote en trotsche gebouw, dat men -bezig is op het Caledonplein te bouwen, voor gebruik geschikt is. Het -was in den laatsten tijd iets zeldzaam geweest, dat Van Eck in de stad -kwam; hij was er sinds wij hem eerst hebben ontmoet heel wat ouder op -geworden, en ouderdom komt met gebreken. Gebreken, in den eigenlijken -zin van het woord had de oude man nu niet, want zijne gezondheid was -nog uitmuntend; doch zijne knieën waren wat stram geworden en het -loopen viel hem niet meer zoo gemakkelijk. Maar wat hem voornamelijk -van de stad weghield, was niet de toestand van zijn lichaam, dan wel de -toestand zijns geestes. - -Vurig Afrikaander als altijd, een man van vaste beginselen, kon hij -niet klaarkomen met de Engelsche heerschappij in de kolonie, en -verlangde hij immer terug naar de oude dagen der Hollanders, al wist -hij bij ondervinding welke abuizen dat Hollandsch bestuur met zich had -meegebracht. Van zijne oude vrienden waren verscheidene overleden, en -anderen hadden de dagen van vroeger vergeten, en leefden in het -tegenwoordige, als gewone menschen, wier plicht het op deze aarde is om -voor vrouw en kinderen te zorgen, en die dit dan ook zoo goed mogelijk -doen, zonder zich te bekommeren over zulke lastige dingen als -beginselen. Zulke menschen worden gewoonlijk als de verstandigsten door -hunne medeburgers beschouwd; zij komen gewoonlijk in de wereld vooruit, -en laten dikwijls een heel aardig fortuintje aan hunne kinderen na, om -daarop als eerlijke en brave burgers met alle statie te worden -begraven, met een begeleidend paragraafje in de nieuwsbladen. Dat is nu -eenmaal ’s werelds loop, en die dit niet volgt, dien beschouwt men als -dwaas, of eccentriek. Doch het ongeluk was dat Van Eck zich niet kon -gewennen aan deze wijze van denken en handelen, en dat hij eene diepe -verachting had voor zulke menschen, en die verachting geenszins -verheelde. Dit bracht hem dikwijls in onaangenaamheden, en dus begon -hij langzamerhand een zeer afgezonderd leven te leiden, en ging hij met -zeer weinig menschen om. Nu en dan ontving hij een bezoek van een der -weinig hem trouw geblevene vrienden, vooral uit de distrikten in het -oosten, en met deze gezelsde hij dan heerlijk over de goede oude -tijden, en besprak men den algemeenen toestand van zaken. - -Dat hij heden in de stad was, had dan ook zijne bijzondere redenen. De -gouverneur der Kaapkolonie, Graaf Caledon, had eenigen tijd geleden -eene proklamatie uitgevaardigd, waarin hij alle inwoners der kolonie -opriep om zich op zekere bepaalde dagen aantegeven bij een paar -vastgestelde plaatsen, om aldaar optegeven het aantal personen van hun -huishouden, van hun slaven, enz. enz. Feitelijk dus zoo iets als wat -men thans een Census zou noemen. Voor de Kaapstad was die dag bepaald -van af den 1sten tot 29sten September, en als plaats, het stadhuis op -het Groenteplein. De meeste burgers hadden zich reeds lang aangegeven, -schoon er niet weinige waren, die dit met geen gerust hart deden. -Sommige menschen keurden deze wijze van handelen af, als in strijd met -den Bijbel, daar de heer David had gestraft, wegens het houden van eene -volkstelling der Israelieten; anderen weder waren van opinie dat de -regeering met deze opgave geen ander doel had dan om te kunnen weten -hoe zwaar eene belasting zij op het volk zou kunnen opleggen. Maar wat -men ook van de zaak dacht, men gehoorzaamde het bevel zonder hoorbaar -morren, omdat men machteloos was. Ook Van Eck meende dat er iets achter -deze zaak zat, maar ook hij moest gehoorzamen; om zich echter eenige -voldoening te geven had hij zijne aangifte uitgesteld tot op het -laatste oogenblik, althans nagenoeg, en kwam hij dus op den -voorlaatsten dag. Er waren nog eenige andere burgers, die om de eene of -andere reden de zaak hadden uitgesteld, en toen dus onze vriend op het -Groenteplein kwam, vond hij daar verscheidene personen, die hij kende. -Hij groette hen beleefd, en ging toen dadelijk het gebouw binnen, om -aan den heer Van Rijneveld, die met twee der leden van de Burgersenaat, -een soort van Commissie vormde, om de opgaven te doen aanteekenen, zijn -eigendom aantegeven, en daar dit niet veel was, was hij spoedig weder -op het plein, waar hij thans een der aldaar staande groepjes naderde. -Dat groepje bestond uit drie personen, twee waarvan Jan van Eck goed -kende, als zijnde de barbier of chirurgijn Bözenberg, en de heer E. B. -Ziervogel, terwijl de derde hem vreemd was, doch hem door den heer -Bözenberg werd voorgesteld als Dr. Kriegler van Wagenmakersvlei, de -plek die wij thans kennen als Wellington, en reeds toen een vrij -bloeiende streek, schoon het nog geen eigenlijk dorp was. Men was -spoedig in een gesprek gewikkeld, doch daar de zon wat heet begon te -worden, al was het nog maar September, sloeg de heer Bözenberg voor dat -men zich naar zijn huis en barbierswinkel zou begeven, die niet ver van -het plein, in de korte Marktstraat, was gelegen. Hierin namen de -aanwezigen genoegen, schoon eerst Van Eck zeide haastig te zijn, en -liever dadelijk naar huis te willen teruggaan. Toch haalde de heer -Bözenberg, met wien de oude man goed bevriend was, hem zonder veel -moeite over om hen te vergezellen, en een oogenblik later zaten de vier -heeren rustig in een kamer van het huis van den barbier, en -verfrischten zich met een bittertje. - -„Gij zijt tegenwoordig geheel en al een vreemdeling in de stad, -mijnheer Van Eck,” zeide de heer Ziervogel, toen zij rustig gezeten -waren. „Och”, hernam de aangesprokene, „ik heb tegenwoordig zeer weinig -te doen in de stad, en voor mijn genoegen kom ik er zeker niet, want -als ik het kasteel passeer, en daar de Engelsche vlag zie waaien dan -kookt het mij in de borst, en komen er in mij gedachten op, die voor -een oud man als ik, die reeds aan ’s werelds loop behoort gewoon te -zijn, niet passen.” - -„Nog steeds dezelfde van altijd Mijnheer Van Eck”, viel de heer -Bözenberg den spreker in de rede, „zult gij u nooit gewennen aan de -verandering, die in de laatste jaren hier heeft plaatsgevonden, en die -toch in menig opzicht eene groote verbetering is op den vorigen -toestand”. - -„Ik weet niet wat gij met eene verbetering bedoelt”, zeide Van Eck -weder; „als gij daarmede te kennen wilt geven dat er thans niet zooveel -schaarschheid van geld heerscht als vroeger, en men gemakkelijker zijn -brood kan verdienen, zoo hebt gij misschien gelijk, alhoewel ik daarvan -niet uit persoonlijke ondervinding kan spreken. Ik hoor zulks echter -van anderen, die mij vertellen, dat er in jaren lang niet zooveel -kontant geld in de kolonie was, als thans, en dat ook de boeren een -veel beteren prijs krijgen voor hunne produkten dan tien jaren geleden -het geval was. Maar of dit op zich zelve eene verbetering is, dat -betwijfel ik. Naar mijn bescheidene opinie weegt dat zoogenaamde -voordeel niet op tegen het feit dat wij thans de onderdanen zijn van de -Engelschen, en dat wij onze vrijheid, het kleinood waarvoor onze -vaderen vroeger zooveel stroomen bloeds vergoten, hebben verloren”. - -„Maar zeker zoudt gij toch niet de euvele dagen van Jan Compagnie -willen terughebben”, zeide de heer Ziervogel. „Niemand kent die dagen -beter dan gij, en niemand weet beter wat de burgers onder de compagnie -hebben geleden”. - -„Ongetwijfeld waren er tijden, wanneer onze burgers veel leden onder -Jan Compagnie, vooral in de laatste twintig jaren vóór 1793, maar toch -waren die tijden in menig opzicht te verkiezen boven de tegenwoordige. -Had men in die tijden een goede gouverneur zooals Swellengrebel of -Vader Tulbagh, dan was het hier goed, en zelfs als hier een minder -goede gouverneur was, dan kon men zich wenden tot de heeren directeuren -in Patria, die, al waren zij niet altijd op de hoogte van de zaken -alhier, toch steeds gewillig waren om naar onze grieven te luisteren. -Herinner u maar eens in de dagen van Gouverneur van Plettenberg, hoe -wij een commissie naar Patria zonden, en werkelijk wij toch een -gedeelte kregen van wat wij hadden verzocht. En Jan Compagnie zijn rijk -was uit in 1803, en toen de Mist en Generaal Janssens hier kwamen, -scheen het waarlijk dat wij een beteren tijd tegemoet gingen. Maar het -oude vaderland heeft ons verlaten, en niets heeft mij meer droefheid -veroorzaakt dan het feit dat Keizer Napoleon zoo weinig voor ons heeft -gedaan. En waar zijn wij nu? Wat kunnen wij nu doen? Wij hebben hier -een gouverneur die een soort van despotische macht heeft, en van wiens -beslissingen wij in geen hooger beroep kunnen komen. Wij moeten maar -als hulpelooze slaven zijne bevelen uitvoeren, want anders is er boete -en tronkstraf, of wordt men naar Botany Baai gezonden, zooals men aan -Cornelis Edeman heeft gedaan. En dit alles verdragen de Kapenaars, en -zij durven er niet tegen te pruttelen”. - -„Waarom zouden wij op het oogenblik pruttelen”, hernam de heer -Ziervogel weder, „wij hebben toch waarlijk geen reden daartoe. Gij zijt -onpraktisch, mijnheer van Eck, en streeft naar het onbereikbare. Men -moet in het leven de dingen nemen zooals ze zijn, en er het beste van -maken. Bovendien hebben wij allen onze plichten te vervullen tegenover -onze familiën, en het zou dwaas van ons zijn om die familiën, in het -ongeluk te storten, omdat wij bevinden dat de zaken niet gaan -overeenkomstig onze beginselen. Gij hebt gemakkelijk spreken. Kind noch -kraai hebt gij, om voor te zorgen: geregeld trekt gij uwe renten, -alzijn ze niet veel: uwe behoeften zijn weinig en gij kunt ze voldoen, -en als de dood u van deze aarde weg rukt, dan laat gij niemand achter -die uwe zorg zal missen. Maar wij zijn niet allen in die gelukkige -positie, en daarom kunnen wij uwe beginselen niet aannemen, al erkennen -wij dat ze grootsch zijn.” - -Jan van Eck lachte; het was een bittere lach; een lach waarin -medelijden en verachting als gemengd lagen, een lach die geen -aangenamen indruk maakte op diegenen voor wie hij gemeend was. De oude -man zweeg een oogenblik, en zeide toen: - -„Het was een waar woord dat Christus sprak toen hij zeide: „Gij kunt -niet God en den Mammon dienen”. De geldzucht, en de bekoorlijkheden des -levens hebben te veel aantrekkelijkheid voor ulieden, en gij verkiest -het oogenblikkelijke en gemakkelijk te bereiken voordeel, boven het -grootere voordeel dat slechts te verkrijgen is door een tijdperk van -lijden, van angst, en van moed. Het ontbreekt u aan zedelijken moed: -dat is de geheele zaak. Denkt eens terug aan de tijden van den -tachtigjarigen oorlog; zou die ooit in de geschiedenis zijn beschreven -als onze voorouders ook zoo hadden geredeneerd als gij thans doet. Als -zij zich goedwillig aan den tiran hadden onderworpen, en het Roomsche -geloof hadden aangenomen, dan zou het hun in de wereld ook veel beter -zijn gegaan, en was hun veel lijden bespaard; maar dan zouden zij met -den loop der tijden als een volk van de aarde zijn verdreven, en hun -plaats zou niet meer gekend zijn. Voor hen persoonlijk zou het -misschien beter zijn geweest, maar de wereld en de menschheid, en hun -nageslacht zouden er onder geleden hebben; want heden erkennen wij wel -dat zij vreeselijk hebben geleden doch wij zijn er hun dankbaar -voor.... Maar laten wij voor het oogenblik dit punt laten varen, want -ik gevoel dat ik meer zal gaan zeggen, dan zelfs een oud man geoorloofd -is, ook onder zijne landgenooten. Laat ik u liever vragen of gijlieden -mij niet iets nieuws kunt vertellen uit Europa. Ik heb in geen drie -maanden iets uit Patria gehoord, en geen nieuwsblad is mij ter hand -gekomen. De Engelsche taal ben ik niet machtig, en dus kan ik niet de -berichten lezen die in de Engelsche bladen staan. Hoe staat het met de -zaken in Europa?” - -De heer Ziervogel antwoordde op deze vraag, en zeide: „Uit brieven die -ik uit Patria ontvangen heb, schijnt het mij toe dat de zaken op het -oogenblik niet erg gunstig voor de verbondene mogendheden staan. Zooals -gij weet heeft Keizer Napoleon verleden jaar Oostenrijk een geduchte -nederlaag toegebracht, en daarop is het Engeland dat steeds dapper den -strijd tegen den Franschen Keizer volhoudt gelukt, om Pruisen en -Rusland te bewegen de wapenen tegen den overheerscher op te vatten. -Napoleon heeft echter zoowel de Pruisen als de Russen geheel verslagen, -en deze zijn thans bezig vrede te sluiten, en dat op voorwaarden, die -zeer vernederend voor Pruisen zijn. Wat Rusland aangaat, zoo schijnt -men in Engeland te vreezen, dat het Napoleon gelukt is om den keizer -van Rusland zoodanig om te praten, dat deze zijn vriend en ondersteuner -zal worden, en als dit werkelijk het geval is, dan is er vooreerst niet -veel kans om den Franschen keizer tot den val te brengen”. - -Jan van Eck zweeg een oogenblik, en zeide toen: „Gij weet dat ik -geenszins mij met u vereenig omtrent de afkeuring die gij schijnt te -koesteren aan de daden van den Franschen keizer; als het voor niets -anders is dan omdat hij tracht de Engelschen op hun plek te zetten, dan -zou ik reeds daarvoor alleen hem eeren: maar naar mijn beschouwing -heeft Europa een man als Napoleon noodig om er de zaken in orde te -houden. Doch wat mij steeds getroffen heeft, is dat Napoleon het niet -een voornaam deel van zijn politiek heeft gemaakt om op goeden voet te -blijven met Rusland. Dit zou hem weinig moeite hebben gekost, want als -hij slechts Rusland de vrije hand had gegeven op het Turksche -schiereiland, en in Azië, dan zou Rusland hem daarvoor de vrije hand -hebben gegeven in westelijk Europa, en dan zou hij zijn machtigsten -tegenstander hebben kwijtgeraakt, terwijl tevens hij Engeland -onschadelijk zou hebben gemaakt, want Rusland zou zich dan oostwaarts, -in de richting van Indië hebben uitgebreid, en daardoor in botsing zijn -gekomen met Engeland, dat natuurlijk zijn Indische heerschappij niet -kan prijsgeven”. - -„Ik ben niet genoegzaam op de hoogte van de politieke kwesties van het -hedendaagsch Europa, om een oordeel te kunnen vellen over deze zaak” -merkte de heer Bözenberg aan, „maar ik geloof niet dat Napoleon dat -goede doet, dat de heer Van Eck veronderstelt dat hij doet; hij schijnt -mij een oorlogszuchtig en heerschzuchtig mensch te zijn, die reeds het -leven van duizenden menschen heeft verspild, en dat van duizenden meer -zal verspillen, vóór wij met hem klaar zijn. En ik ben niet van opinie -dat wij er beter aan toe zouden zijn als Engeland het tegen den keizer -der Franschen verloor. In een land als dit, bijvoorbeeld, moet men -grootendeels van den handel leven, en Engeland, als de eenige zeemacht -van belang in deze dagen, is ook de eenige natie die in staat is om -onzen handel te beschermen. Als de Engelsche vloot de zeeën niet -beheerschte, zouden wij op het oogenblik niets uit Europa kunnen -krijgen, en zou de handel in dit land kwijnen. Dat zult gij toch moeten -instemmen, mijnheer Van Eck?” - -„De handel mag er misschien onder lijden, en de stedeling mag het -minder goed hebben, maar ik geloof, dat dit land niet afhankelijk -behoort te zijn van den handel. De ware goudmijn van deze kolonie ligt -bij de boerderij, en zoover ik kan zien heeft die niet gewonnen door de -Engelsche bezetting van het land”. - -„Neen, dat is toch wel wat dwaas, om zoo iets te zeggen, mijnheer Van -Eck,” viel de heer Ziervogel in; „heeft de boer het dan niet veel beter -dan hij het vroeger onder het bestuur van Jan Compagnie had? Krijgt hij -niet veel meer voor zijne produkten dan hij vroeger kreeg? Heeft hij -thans niet contant geld in huis, terwijl een jaar of wat geleden hij -niets kreeg in betaling zijner goederen dan wat beetje papierengeld, -dat niet zijn volle waarde had?” - -De oude Kapenaar en vereerder van Rousseau lachte op treurige wijze, en -sprak: „Gij laat u allen door den schijn verleiden, en gij wordt geheel -en al doordrongen door dien ellendigen geest van koopmannij, die -tegenwoordig het geheele Engelsche volk kenmerkt, en die nog tot de -allertreurigste gevolgen zal leiden voor dit land. De kwestie is niet -of de boer wat meer of wat minder geld krijgt voor zijn produkten, maar -wel of hij iets te zeggen zal hebben in het bestuur van het land. Hij -is de groote grondeigenaar van het land, en van zijn welzijn hangt ook -het welzijn van het land af, dat hij aangelegd heeft. En denkt gij dat -hij thans de kans heeft, om dit te doen? Engelsche denkbeelden winnen -hier veld op meer dan eene manier, en onder die denkbeelden behoort de -verkeerde behandeling der kleurlingen in dit land. Een der eerste -behoeften voor den boer in dit land is, dat hij genoegzaam werkvolk -hebbe, om hem in staat te stellen zijn boerderij goed te drijven. Maar -wat vindt men thans in de kolonie? Dat de zendelingen, die ondersteund -worden door de Britsche regeering, het volk aanlokken om te gaan wonen -in en op de zendelingstaties, waar zij een lui en lekker leven voeren -en dan geen lust hebben om zich aan den boer te verhuren? Deze -zendelingstaties zijn, zooals ik nog onlangs uit het distrikt -Swellendam hoorde, niets anders dan verzamelplaatsen voor dieven, want -de Hottentot die niet werkt moet, om aan den kost te komen, het vleesch -van den boer stelen, en menig schaapje en menige bok raakt op die wijze -spoorloos verdwenen. Zoolang dat duurt kan de boer niet vooruitgaan. En -dan schijnen de Engelschen geen slag te hebben om met de Kaffers om te -gaan, en houden zij die de hand boven het hoofd. Het lijkt dikwijls -alsof de Engelschen, afgaande op wat de zendelingen hun vertellen, de -Kaffers als hunne broeders beschouwen, en meer van hem denken dan van -den Afrikaanschen boer”. - -„Maar, mijnheer Van Eck, als de Engelschen de Kaffers dan als hun -broeders beschouwen, hebben zij dan daar niet gelijk aan? Gij behoordet -toch waarlijk de laatste man te zijn die iets daartegen zoudt -inbrengen, want leert uw groote leermeester, Jean Jacques Rousseau ons -niet dat alle menschen broeders zijn, en zijn vrijheid, gelijkheid, en -broederschap, niet de hoofdbeginselen van zijn wijsgeerigheid?” Het was -de heer Bözenberg, die Van Eck deze slimme vraag deed, en tot groot -vermaak der aanwezigen scheen zij voor het oogenblik onzen vriend van -zijn stuk te brengen, en kon hij niet dadelijk antwoord geven. Hij -maakte zich echter gereed om dit argument tegen te spreken, toen juist -op dat oogenblik de vrouw van de heer Bözenberg de kamer inkwam, en -deed weten dat het eten op tafel was, en dat alle aanwezigen welkom -zouden zijn, want in de oude dagen van Kaapstad was men bijzonder -gastvrij, en wie ook op het uur des maaltijds in het huis aanwezig was, -werd steeds als gast ter tafel genoodigd. - -Of het gesprek een wending had genomen, die den heer van Eck niet -beviel, of dat hij uit zijn humeur was over de laatst gemaakte -aanmerking, laat zich hier niet uitmaken, maar in alle geval nam hij de -uitnoodiging om bij de familie Bözenberg te dineeren, niet aan, en -zeide hij dat hij nog een paar commissies moest doen, en haastig was om -naar huis te komen, waar zijn jongen op hem wachtte. Hij nam dus -afscheid, en ging de straat op in de richting van de Parade, en wie hem -van nabij had gevolgd, had kunnen hooren dat hij bij zich zelve als -volgt mompelde: - -’t Wordt me hier een mooie boel in de Kaapstad; de lui zijn zoo pap als -maar mogelijk is, en beginnen voor niets anders te leven dan om geld te -maken. Kracht en liefde voor het land zit niet meer bij ze, en allen -worden langzamerhand van dat ellendige zuurdezem van den handel -doortrokken. Als het tegenwoordige geslacht zich reeds in zulk een -korten tijd begint te veranderen, dan zal ik wel graag willen weten, -wat er van het toekomende geslacht zal worden. Van die zal men ook wel -kunnen zeggen, als zij opgegroeid zijn, „Plus royaliste que le roi”. -(Nog meer koningsgezind dan de koning zelve). - -En de heer Van Eck toonde met het maken van die aanmerking, dat hij met -een prophetischen geest was bezield. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - -EEN VERHAAL VAN EEN SLAVEN OPSTAND AAN DE KAAP. - - -Wat wij in dit hoofdstuk gaan vertellen, waarde lezers, is niets meer -of min dan een afschrift uit het dagboek van Jan van Eck, dat is te -zeggen, wij hebben bijna precies overgenomen wat er in dat dagboek -geschreven staat, maar slechts hier en daar het Hollandsch in een meer -moderne vorm gegoten, omdat wij gelooven dat anders onze lezers moeite -zouden hebben, om de eenigszins verouderde taal van het dagboek te -verstaan. - -Voor wij echter beginnen, moeten wij hier verder aanmerken, dat het -blijkt dat Jan van Eck zijn tijd eenige dage heeft doorgebracht met het -luisteren naar de zaak van de slaven, die in den hieronder beschreven -opstand hadden deel genomen, en dat hij daarop waarschijnlijk uit -aanteekeningen door hem gehouden over de getuigenissen in de zaak, een -verhaal heeft opgetrokken van het gebeurde, naar hij zelf zegt, om het -nageslacht te toonen, dat deze slaven opstand nooit zou hebben plaats -gevonden, als het niet was geweest, dat een Engelschman het denkbeeld -had geopperd, daar, (zooals Van Eck terecht aanmerkt) de slaven in de -kolonie in het algemeen zeer goed werden behandeld, en uit henzelven -nooit tot een opstand zouden zijn gekomen. Maar laten wij hem zelve -zijn storie vertellen. - -Omtrent de maand Juli van het jaar 1808 woonde er te Kaapstad een -zekere Louis, een slaaf, origineel afkomstig van het eiland Mauritius -doch reeds een geruimen tijd hier. Hij was een slaaf van jufvrouw -Kirsten, eene vrouw die van haar man gescheiden leefde, en die geen -dienst hebbende voor Louis, dezen toeliet voor anderen te werken, op -voorwaarde dat hij een deel van zijne verdiensten wekelijks aan zijne -eigenares afstond, eene gewoonte die dikwijls in de Kaapstad gevolgd -wordt, en haren oorsprong heeft in het Romeinsche recht. Louis nu was -gehuwd, of leefde in alle geval met eene vrije vrouw, Anna genaamd, die -zelve vroeger slavin was geweest maar door haren eigenaar -geëmancipeerd, dat is vrij gemaakt, was. Het schijnt dat deze vrije -vrouw haren echtgenoot had gehuurd van diens meesteres, en haar -daarvoor een zekere vaste som per week betaalde, en het werk dat Louis -deed voor Anna, bestond in het drijven en zorgen voor een wagen en -paarden, die Anna uithuurde aan andere menschen voor het vervoeren van -goederen en dergelijke werken. Louis was wel een slaaf, maar hij -schijnt niet geheel gekleurd te zijn geweest; in waarheid was hij zoo -licht van kleur dat een gewoon mensch hem voor een blanke zou aanzien, -en waarschijnlijk was hij de onechte zoon van den een of andere blanke -van Mauritius. Om in de kosten van hun huishouden te voorzien had Anna -een paar kostgangers aangenomen, meest werklieden van den lageren -stand, en onder die kostgangers bevond zich een Ier, James Hooper -genaamd. Deze schijnt iemand geweest te zijn die veel gehoord en -gelezen had van den opstand in Ierland in 1798, schoon hij aan dien -opstand zelf geen deel heeft kunnen nemen, daar hij ten tijde dat dit -verhaal begint nog maar 26 jaar oud was. Hooper had menig gesprek met -Louis, en vervulde dezen met belachelijke denkbeelden van vrijheid, en -als vanzelf kwam men natuurlijk te spreken over den afhankelijken -toestand der slaven in de kolonie, en over de pogingen, die toen reeds -in Engeland door zekere personen werden aangewend tot vrijmaking der -slaven in het Britsche rijk. Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat -deze gesprekken een geweldigen invloed hadden op het licht ontvlambare -gemoed van Louis. - -Het duurde dan ook niet lang of de man van Mauritius begon met Hooper -de mogelijkheid te bespreken van het aan den gang zetten van een -slavenopstand, en Hooper was geenszins ongewillig om op dit plan in te -gaan. Een weinig nadenken bracht hen spoedig tot de overtuiging dat het -gekheid zou zijn om zoo iets te beginnen in de Kaapstad, waar er -toenmaals niet minder dan 5000 soldaten in garnizoen lagen, en waar -bovendien er groot gevaar bestond voor het uitlekken hunner plannen. -Louis had echter een goede kennis, een zekere Abraham, slaaf van den -heer Jan Wagenaar, die uitmuntend bekend was met het Zwartland, waar -hij vroeger gewoond had. Deze Abraham werd nu in het geheim genomen, en -men kwam ten laatste tot een besluit, namelijk dat Hooper en Abraham -een reis zouden ondernemen naar het Zwartland, en zich vergewissen van -de gevoelens onder de slaven der boeren aldaar, en Abraham daar dan -voornamelijk zou spreken met eenige slaven die hij er kende. Dit plan -werd op de volgende slimme wijze ten uitvoer gebracht. In het begin van -de maand October gingen Hooper en Abraham op reis naar de plaats van -den heer Pieter Louw in Zwartland, waar familie van Abraham woonde. -Hooper gaf voor een Engelsche heer te zijn die voor zijn pleizier een -reisje in die streken deed, en door zijn bediende Abraham, die tevens -als tolk diende, vergezeld was. Abraham was met den heer Louw bekend en -Hooper werd dan ook met alle gastvrijheid door den niets vermoedenden -boer ontvangen en uitmuntend behandeld. Men bleef een paar dagen op de -plaats, en Abraham besteedde zijn tijd nuttig en kwam tot de -overtuiging dat er alle kans was dat hun plan zou slagen, en zij een -aantal aanhangers zouden krijgen als de zaak maar één keer aan den gang -was gezet. - -Toen deze twee lieden te Kaapstad terugkwamen, hadden zij weer een -gesprek met Louis, en besloten toen om nog een vierde deelgenoot in het -komplot te nemen, namelijk een tweeden Ier, zekeren Michael Kelly, een -matroos, of liever gezegd gewezen matroos van een Engelsch schip, die -eenig begrip had van militaire zaken. De vier vrienden begonnen thans -hunne maatregelen te nemen, en zij lieten geen tijd verloopen om hun -plan ten uitvoer te brengen. Op den 24sten October reeds, vroeg in den -morgen ging James Hooper naar een zekeren Hendrik Matfeld, een half -gekleurden maar vrijen man, die in het bezit was van een wagen en acht -paarden, waarmede hij gewoon was menschen te brengen naar Paarl, -Simonsstad, en dergelijke naburige plaatsen. Hooper zeide hem dat hij -een baantje voor hem had daar er een Engelsche officier was, die naar -eenige plaatsen in Zwartland wilde gaan. en voor dat doel een wagen -verlangde. Hooper en Matfeld waren het spoedig eens over den prijs, en -er werd bepaald dat den volgenden morgen vroeg, hij zou komen aan het -huis van Louis, waar hij zijn passagiers zou ontvangen. - -Intusschen hadden Louis en Hooper zich twee uniformen aangeschaft, een -met gouden, en een met zilveren epauletten, en ook een groote en een -kleine sabel verkregen, en toen den volgenden morgen, de wagen van -Hendrik Matfeld op de bepaalde plaats aankwam, klommen Hooper en Louis, -beiden in uniform aangekleed in het voertuig, en vertrok men in de -richting van Zwartland. Bij Zoutrivier ontmoette men als bij toeval -Kelly en Abraham, die ook daarop in den wagen klommen, alsmede ook een -zekere Adonis, een slaaf, die eenige tijd geleden van zijn baas gedrost -was, maar aan Abraham bekend was. Adonis deelde men daarop het plan -mede, en hij betoonde zich geheel gewillig om er deel aan te nemen. Men -reed nu door, maar langs den weg werd er verscheidene malen -stilgehouden, en teutte men zoo, dat de drijver van den wagen, zekere -David, eenigszins gemelijk te kennen gaf, dat als men op die wijze -voortging, men nooit dien avond weer in de Kaap zou zijn. Louis zeide -dat David zeker zijn baas verkeerd had verstaan, want de wagen was voor -vijf dagen gehuurd, en Hooper had daarvoor niet minder dan 100 -rijksdaalders aan Matfeld betaald, wat later bleek een brutale leugen -te zijn. Maar daar zoowel Hooper als Kelly beweerden tegenwoordig te -zijn geweest, toen dit accoord gesloten was, kwam David werkelijk tot -de gedachte dat hij zijn baas verkeerd verstaan had, en reed hij door -naar de plaats Brakkefontein, waar men in het veld uitspande. De -volgenden dag werd de reis voortgezet, en tegen den middag bereikten -zij de plaats van Pieter Louw, waar Hooper en Louis uit het rijtuig -klommen, en naar het huis gingen om te vragen of de heer Louw thuis -was. De afspraak die de schelmen hadden gemaakt, was, dat zoo Louw -werkelijk thuis was, zij een gesprek met hem zouden aanknoopen, maar op -een gegeven teeken allen hem zouden aanvallen en hem binden. Het -ongeluk wilde echter dat Louw niet thuis was, waarop Hooper aan -jufvrouw Louw Louis voorstelde als een Spaanschen zeekapitein, die geen -Hollandsch of Engelsch verstond, en zich zelve uitgaf als een zijner -officieren. De goede jufvrouw Louw geloofde dit verhaal en ontving hare -gasten op de gewone vriendelijke Afrikaansche manier. Zij verzorgde -hunne paarden, en gaf de personen dien avond een uitmuntende slaapplek. -Terwijl zij op de plaats waren, gingen Louis en Abraham stilletjes naar -de slaven, en hadden een gesprek met zekeren Japhta, een slaaf van -Louw, die reeds vroeger door Abraham in het geheim was ingewijd, en met -wien men nu verdere maatregelen besprak. - -De twee blanken schijnen echter of door vrees te zijn bekropen, of het -gevaarlijke hunner positie te hebben ingezien. In alle geval blijken -zij niet den moed te hebben gehad om het plan door te zetten, en den -volgenden morgen vroeg, toen Louis en Abraham nog sliepen, vertrokken -zij heimelijk van de plaats, maar niet zonder eerst Louis van zijn -uniform, zijn sabels en epauletten te hebben ontroofd. Daar deze twee -blanken niet meer in het verhaal zullen voorkomen, zal ik maar dadelijk -hier melden, dat deze één dag bij elkander bleven, maar eenige wagens -ziende aankomen verborgen zij zich, en dat wel zoo goed, dat zij later -elkander niet konden vinden, en dus ieder huns weegs gingen. Hooper -ging in de richting van Saldanha baai, en werd daar door eenige -dragonders die er gestationeerd waren, gevangen genomen en later naar -Kaapstad vervoerd. Kelly kwam kort daarop ook te Saldanha baai aan, en -onderging hetzelfde lot. - -Wat de anderen betreft, zoo was Abraham dien morgen het eerste op de -been, en na Louis te hebben gewekt, hielden zij een korte -beraadslaging, waarin zij tot het besluit kwamen, om niettegenstaande -het verraad hunner blanke deelgenooten, toch met hun plan voort te -gaan. Met dat doel verzamelde Abraham eenige der slaven van den heer -Louw, liet de wagen waarmee ze gekomen waren weder inspannen, en -vertrok daarop van de plaats. Louis begon nu dadelijk een anderen toon -aan te slaan, en gelastte het nog op de plaats zijnde volk om de wagen -van Louw intespannen, met de paarden die in den stal stonden, en hoewel -jufvrouw Louw, die thans onraad bemerkte, zich ten sterkste hiertegen -verzette, gaf het volk aan de bevelen van Louis gehoor, en daarop -vertrok men, versterkt door tien der slaven van Louw, naar de plaats -van den heer Willem Basson, die niet ver daar van daan lag. De heer -Basson was ook niet te huis, en de oproerlingen door deze omstandigheid -aangemoedigd, draalden nu niet om in hun ware gedaante voor den dag te -komen. Den jongeren broeder van Basson werd door hen gegrepen en -vastgebonden, en daarop lieten zij ook hier de wagen van den eigenaar -inspannen. Niet tevreden met deze geweldenarijen, braken zij een aantal -der kamers van het huis open, haalden alle wapenen, en schiettuig er -uit, en trachtte ook de vrouw van den heer Basson, en eene andere vrouw -op de plaats wonende te vangen en te binden, zeggende dat zij bevelen -hadden van den Gouverneur, en van den Fiskaal om alle blanken in het -district gevangen te nemen en naar Kaapstad te brengen. Het gelukte -echter aan de twee vrouwen om te ontsnappen. Daar de opstandelingen -blijkbaar geen tijd wilden vermorsen met het zoeken naar de vrouwen, -deden zij geen moeite daartoe, maar namen een aantal paarden van de -plaats met zich, en begaven zich toen op weg naar de woning van Pieter -Basson, die slechts een kleinen afstand van daar woonde; de gevangene -broeder van Willem Basson namen zij gebonden, en in den wagen geworpen, -met zich mede. Op den weg naar de plaats van Pieter Basson, ontmoetten -ze dezen laatsten met zijn wagen, en verplichtten hem door hem met den -dood te bedreigen, om zich aan hen overtegeven, waarop zij ook hem -bonden, op zijn eigen wagen laadden, en dien ook medevoerden. Het -bezoek op zijne plaats werd echter niet nagelaten, en zij maakten daar -een kwantiteit geweren, kruit en hagel buit. - -De onverlaten gingen nu naar de plaats van den heer Johannes Louw, en -nauwelijks waren zij daar aangekomen, of zij overrompelden den -eigenaar, bonden hem vast, en wierpen hem in een der wagens; en daarop -braken zij in het huis, en stalen al het geld dat er te vinden was, dat -echter niet meer was dan omtrent 150 rijksdaalders; een aanzienlijke -hoeveelheid ammunitie en kleederen viel ook in hunne handen. De meeste -slaven van Louw sloten zich bij de opstandelingen aan, en dat wel omdat -zij waarlijk geloofden dat Louis door de regeering was gezonden om de -blanken gevangen te nemen en naar de Kaap te vervoeren. De thans meer -dan vijftig man sterke macht trok nu naar de plaats van den heer Pieter -van der Westhuizen. Hier gedroegen de kleurlingen zich zoo erg -mogelijk, want niet alleen dat zij Van der Westhuizen bonden, maar zij -mishandelden ook zijne vrouw op schandelijke wijze, en gingen zich te -buiten aan den drank die zij in de kelders vonden. - -Na nog twee plaatsen te hebben bezocht, waar zij heel wat versterking -ontvingen, werd de bende door hun aanvoerder Louis verdeeld in twee -gedeelten, één waarvan onder zijne aanvoering bleef, en de andere onder -het gezamentlijk bevel van twee slaven Adonis en Jonas werd gesteld, -waarop elke bende toen zijns weegs ging, nadat men afgesproken had, dat -men elkander weder op een zekere plek zou ontmoeten, om vereenigd -daarvandaan naar Kaapstad op te trekken, dat men dan hoopte te -overvallen en te veroveren. - -Ik kan niet hier al de plekken opnoemen die door deze woestelingen -werden bezocht; genoeg zij te zeggen dat zij op niet minder dan 34 -plaatsen in het tegenwoordige Koeberg en zuidelijk gedeelte van -Zwartland geweld pleegden, altijd dezelfde storie herhalende, namelijk -dat zij handelden op last van den Gouverneur en den Fiskaal, waardoor -zij niet weinige aanhangers kregen, die anders zeker zouden geaarzeld -hebben om tegen hunne meesters op te staan. Bloed werd er gelukkig in -dezen opstand niet vergoten; de weerspannige slaven bepaalden zich tot -het knevelen hunner heeren in de meeste gevallen, het stelen van -goederen, voornamelijk van ammunitie, geweren, kleederen en -dergelijken, en het wegvoeren van paarden en wagens. Het gebeurde met -jufvrouw Van der Westhuizen was een der ergste daden, maar dat was ook -inderdaad erg genoeg; daarnaast kwam het gebeurde op Drooge vallei, de -plaats van den heer Adriaan Louw, een ouden man van over zeventig jaar, -die in het algemeen zeer goed voor zijne slaven was geweest, hetgeen -echter niet belette dat men hem allergruwelijkst mishandelde door hem -bij de haren rond te slepen, met de kolf van een geweer te slaan, en -hem meer dood dan levend te laten liggen op de plaats van den heer -Hendrik van Niekerk. - -Ten laatste kwamen de twee troepen bij elkander in de buurt van -Blauwberg vallei, en hierop brachten zij een bezoek aan nog eenige -plaatsen, totdat zij bij die van Hendrik Prehn waren gekomen. Tegen -dezen tijd hadden de boeren echter kennis gekregen van hetgeen aan den -gang was, en bij den heer Prehn waren de opstandelingen aan het -verkeerde kantoor, want toen zij daar hunne gewone streken wilden -uithalen, werden zij door Prehn met een schot hagel begroet, die wel -niemand hunner wondde, maar hun toch zoodanig den schrik op het lijf -joeg, dat zij haastiglijk het hazenpad kozen, zonder in staat te zijn -geweest om eenig kwaad te doen. - -De tijding van hetgeen er in Zwartland gebeurde had tegen dezen tijd de -Kaapstad bereikt, en de Gouverneur nam dadelijk stappen om aan dit -grapje een einde te maken. Eenige sterke detachementen infanterie en -kavalerie trokken dadelijk de Kaapstad uit in de richting van -Zwartland, en ontmoetten tot hunne niet geringe verbazing de slaven -wier getal toen bijna 350 bedroeg, even aan den anderen kant van -Zoutrivier, zijnde de opstandelingen werkelijk op weg om naar de -Kaapstad te rukken, met het heilig voornemen deze stad te veroveren. -Men kan zich echter begrijpen dat de slaven niet weinig verbaasd waren, -toen zij zich tegenover de troepen bevonden. Hun moed, zoowel als die -van hunne aanvoerders zonk hen in de schoenen, en zonder slag of stoot -gaven zij zich gevangen. Louis en vier anderen ontsnapten echter, doch -werden reeds den volgenden dag achterhaald, en naar de gevangenis -vervoerd. - -De Fiskaal ging nu een onderzoek in de zaak instellen, en dit nam hem -natuurlijk vrij wat tijd, aangezien het aantal getuigen zeer groot was, -en het van belang was, om uittevinden wie de hoofdmannen van de -beweging waren geweest en wie er een werkdadig aandeel hadden genomen. -Het bleek spoedig dat een groot deel der slaven werkelijk door de -praatjes van Louis en anderen waren misleid, en inderdaad geloofden dat -met het gevangen nemen van hunne meesters zij de bevelen van de -autoriteiten uitvoerden. Tweehonderd en vier en veertig slaven werden -dus niet verder gestraft dan met een geweldige schrobbeering van den -Fiskaal, en daarop ontslagen, met eene waarschuwing er bij dat als zij -weer zoo lichtgeloovig waren, zij er zeker niet zoo gemakkelijk zouden -afkomen, en daarop werden zij aan hunne vorige meesters overhandigd, -die hen waarschijnlijk privaat hun gedrag op wat meer gevoelige wijze -onder het oog brachten. Een en vijftig der oproerlingen echter werden -door den Fiskaal in staat van beschuldiging gesteld, en voor het Hooge -Gerechtshof gebracht, dat op den 7den December 1808 vonnis gaf. Louis, -Hooper, Kelly, Abraham, Adonis, en nog elf anderen werden door het hof -ter dood veroordeeld, een groot aantal der gevangenen tot vele jaren -gevangenis straf gedoemd, terwijl weer anderen gevonnisd werden tot het -bijwonen der executie der ter dood veroordeelden, daarna te worden -gegeeseld en ten slotte aan hunne meesters te worden overhandigd. De -Gouverneur, die deze vonnissen moest bekrachtigen, wijzigde eenige er -van, met gevolg dat Louis, Hooper, Abraham, Cupido en Jephta werden -gehangen, en de meesten der anderen tot dwangarbeid werden veroordeeld. -Het vonnis over Kelly, en Adonis werd, voor zekere mij onbekende -redenen geschorst, tot dat men advies omtrent hen had gekregen uit -Engeland, en terwijl ik dit schrijf zitten zij in de gevangenis hun lot -aftewachten. - -Het is voor mij een merkwaardig feit, dat in het geheele tijdperk der -Hollandsche regeering aan de Kaap, er nooit een opstand onder de slaven -was, en dat niettegenstaande er toch heel wat schorremorrie in het land -kwam in den vorm van ontslagen soldaten en matrozen, vele waarvan zeer -nauw met de kleurlingen verbonden waren, daar dat soort van volk zich -niet ontzag om op hunne manier slaven meiden te trouwen. De slaven -werden over het algemeen vrij goed door hunne meesters aan de Kaap -behandeld, en hoewel ik wel bekend ben met bijna deze geheele -volkplanting, herinner ik mij slechts zeer weinig gevallen van meesters -die hunne slaven mishandelden, en zulke daden vonden dan ook algemeen -afkeuring bij de bevolking. Natuurlijk liep men niet om elk -bagatelletje naar den Landdrost, schoon dit een voorschrift van de -regeering was; in de meeste gevallen gaf de baas, als zijn slaaf het -verbruid had, hem zelf een degelijke loesching, en dit deed hun goed, -maar daarmee was de zaak dan ook gewoonlijk afgeloopen. Maar nu wij nog -maar een paar jaar onder Engelsch bestuur zijn, hebben wij reeds een -opstand der slaven, en uit de zaak blijkt maar al te duidelijk, dat het -denkbeeld er van ontstaan is bij een Engelschman, schoon hij, zoowel -als de andere blanke, insgelijks een Engelschman, geen moed hadden om -het plan ten uitvoer te brengen. De zaak op zich zelve is al leelijk -genoeg, maar ik vrees dat ze nog andere leelijkere gevolgen zal hebben, -want het zou mij volstrekt niet verwonderen, of men zal het voorbeeld -van den heer Barrow volgen, en beweren, dat de opstand veroorzaakt -werd, door het feit, dat de boeren hunne slaven zoo wreed behandelden, -want sedert de heer Barrow zijn boek heeft doen verschijnen, is het in -Engeland de gewoonte geworden om den Afrikaanschen Boer als een laag, -wreed beest aantezien, wiens grootste plezier het is om menschen en -dieren te mishandelen. Men leze maar eens de mooie verhalen, die -gemelde heer doet omtrent de wijze waarop de boeren hunne ossen -behandelen. ’t Is een diep treurig ding dat de Afrikaner aldus miskend -en belasterd wordt bij het volk dat de heerschappij over hem voert, en -men weet waarlijk niet waar deze veldtocht van leugens zal eindigen, en -welke ongelukkige gevolgen zij voor dit land kunnen meeslepen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XII. - -JAN VAN ECK KRIJGT BEZOEK, EN HOORT HEEL WAT NIEUWS. - - -Ouderdom komt met gebreken, is een waar woord, en ieder mensch -ondervindt op de eene of andere manier deze waarheid, sommigen in -meerderen, anderen in minderen graad. ’t Is negentien jaren geleden, -dat wij voor het eerst kennis hebben gemaakt met Jan van Eck, en hij -was toen blijkbaar nog een flinke man, die in alle geval sterk genoeg -was om in het jaar 1795 de wapenen ter verdediging van zijn land op te -nemen, en daarbij niet weinig driftig van aard was. Maar de Jan van -Eck, dien wij gaan bezoeken op den 1sten Juli 1811 is een geheel ander -man, op wiens gezicht de tijd diepe sporen heeft gelaten, en niet de -tijd alleen, maar ook diep zieleleed. Er zijn menschen die met het -grootste gemak zich kunnen schikken in de veranderingen van het leven, -en die zich door geen omstandigheden hoegenaamd uit hun gewonen -levensaard laten leiden. Jan van Eck was zulk een man echter niet. Hij -was bepaald wat men zou kunnen noemen „aantrekkelijk”; als er iets hem -hinderde, kon hij dat niet gemakkelijk vergeten, en het was hem zeer -moeielijk om zich zelfs in het onvermijdelijke te schikken. Nooit kon -hij vergeten, dat hij thans in een land woonde, dat veroverd was door -eene natie, welke hij haatte; nooit raakten de tijden van den Hollander -uit zijn geheugen; hij wilde bij zich zelve niet erkennen dat er niets -te doen was aan de bestaande positie; nog steeds hoopte hij dat er iets -zou gebeuren, dat ten gevolge zou hebben, dat de Engelschman dit land -zou moeten verlaten. Zoo gij hem gevraagd hadt, wat dat iets was, dan -zou hij wellicht u geen voldoend antwoord hebben kunnen geven, maar zou -gezegd hebben dat er in zijn hart een gevoel was, dat hem zeide dat er -spoedig een dag zou komen, waarop de Engelschman de door hem gewonnen -prooi zou moeten prijsgeven. Of hij die dag nog zou beleven, dat -betwijfelde hij wel een beetje maar toch was het een vurige hoop zijns -harten om dit te kunnen doen. - -Het was vrij laat in den middag, omtrent half vijf, toen Van Eck voor -de deur van zijn huisje zat, op een gemakkelijke ouderwetsche -leuningstoel, dat er wel wat naar een erfstuk uitzag, zoo had de tand -des tijds er aan geknaagd; hier en daar kon men zien hoe met koperdraad -en met riempjes de barsten in het hout waren hersteld, waarschijnlijk -door Van Eck zelf; een der voorpooten van de stoel had oogenschijnlijk -het ongeluk gehad om te breken, en was weer een weinig in orde gemaakt -door een koper plaatje, dat er netjes aan bevestigd was. De zon was -juist aan het ondergaan, en zooals meermalen het geval is in den winter -op het Kaapsche schiereiland, werd het reeds dadelijk kil, en begon er -een zware dauw te vallen. Van Eck wilde dan ook dadelijk aanstalten -maken om naar binnen te gaan, want hij had van dezen winter de koude -meer gevoeld dan hij ooit te voren had gedaan, en hij was dus -voorzichtig, daar hij zeer goed wist dat een zware kou op zijn leeftijd -geen grapje was. Juist was hij opgestaan en wilde hij den ouden jongen -roepen om hem te zeggen de stoel naar binnen te brengen, toen een man -eenigszins haastig op de hut kwam afstappen, van uit de richting van -Kaapstad. Het was iets buitengewoons dat onze oude vriend tegenwoordig -bezoeken in den avond ontving, en hij was dus wel eenigszins verbaasd -om dezen man direkt op hem te zien afkomen. Deze, een flink uitgegroeid -jonkman van omtrent vier en twintig jaar stapte dan ook recht op den -heer Van Eck af, groette, en zeide toen: - -„Wel, Oom Jan, dit lijk amper of Oom mij niet meer ken”. - -De oude keek den nieuwen aankomeling scherp aan, doch scheen zich zijn -gelaat niet te binnen kunnen brengen, zoodat hij dan ook antwoorden -moest: - -„Jou gezicht kom mij bekend voor, neef, maar ik kan rechtig nie op jou -naam kom nie”. - -„Ik is Jan Botha, Teunis Botha zijn zeun, Oom”, hernam de jongeling. - -„Mijn machtig, Jan,” riep Van Eck verbaasd uit, „wat kom jij hier maak? -D’ is daarom nie een wonder nie, dat ik jou nie ken nie, want d’ is nou -vijf jaar wat ik jou die laatste gezien het, en jij is een tamaai kerel -geword. Jij is zeker ook al getrouwd?” - -„Neen, Oom,” zeide Jan Botha lachend, „daar is op die oogenblik nog te -veel werk op die plaats voor mij, om nou al om trouw te denk. Pa zeg ik -kan nog maar een beetje wacht.” - -„Kom binnen, kerel, kom binnen, dit is te koud voor mij om hier buiten -te staan, nou die zon onder is”, vervolgde van Eck, terwijl hij zijn -bezoeker voorging, en toen men binnen was, dezen een stoel gaf. - -„Vertel mij nou mooi al die nieuws uit jullie wereld, Jan. Hoe gaat dit -met jou pa, en met jou ma? Hoe lijk die wereld bij jullie. Plaag die -kaffers nog banja voor jullie?” - -Jan Botha wist niet hoe om al die vragen op eens te beantwoorden, maar -begon met te zeggen dat het nog vrij goed met zijne ouders ging. „Maar -ons woon nou op die oogenblik nie meer nie op Keurfontein, Oom,” -vervolgde hij. - -„Wat?”, vroeg Van Eck, „jij wil toch nie zeg nie, dat jou pa die mooie -plaats verkocht heeft?” - -„Nee, pa het nog die plaats, maar ons was verplicht om die plaats te -verlaat, want die Kaffers het vlak bij ons gaan woon, en hullie was zoo -parmantig, en brutaal, dat pa niet meer kans het gezien om daar te blij -nie. Ons het tweemaal aan die Landdrost gevraagd om ons te bescherm, -maar hij het aan pa laat weet, dat hij niets kan doen nie, want die -Gouvernement wil nie oorlog maak met die Kaffers nie, en zonder oorlog -zou ons die Kaffers nie weg krij nie”. - -„Die Engelschen is beduiveld, Jan”, riep Van Eck woedend uit, „hullie -is te vrot om die land te verdedig, en die arme boeren moet daaronder -lij. Ik zeg ver jou, Jan, die ding zal nog verkeerd kom in jullie -wereld.” - -„D’ is wat pa ook zeg, Oom; ons zal nie rust hè, voor ons die -Engelschman uit die land het uitgejaag. Dit lijk maar naar daar bij -ons.” - -Van Eck bleef een oogenblik het stilzwijgen bewaren, en bood aan Jan -Botha zijn tabakzak aan waarop hij zeide: - -„Toe nou, kerel vertel mij nu alles mooi, hoe dit gekom is, want ik is -rechte nieuwsgierig om te hoor hoe het met mijn oude vrienden gaat. -Zooals jij weet was ik groote vrienden met je pa, en toen die -verflakste Engelschen hem hier bijna drie jaar op die kasteel het laat -zit, het ik banja keer die ouwe gaan zien, en hem in zijn droefheid -getroost, zoo goed ik kon. Kerel, dat was een blijde dag toen hullie -die ou-baas los gelaat het. Maar arme Oom Adriaan het die Engelschen in -die Kasteel vermoord, kan een mensch maar zeg. Die arme ou man kon die -nattigheid, en die ongezonde onderaardsche kerkers niet staan, en hij -is aan een kwaal overleden. Die Heere zal nog een dag die Engelschman -voor die ding straf, al mag dit misschien honderd jaren duren.” - -De lezer zal waarschijnlijk wel begrijpen dat Van Eck hier doelde op de -ongelukkigen die deel hadden genomen aan den opstand te Graaff-Reinet -in 1799. Jans Botha’s vader, Teunis Botha, was een der voormannen -geweest in dien opstand. Hij woonde toen op Keurfontein, een plaats -niet ver van het tegenwoordige Port Elizabeth gelegen, en het was hij -die een tijdje lang kommandant was van de Boeren die toen de Engelschen -hadden moeten beletten om in Algoabaai te landen, doch dit mislukte -omdat er geen eensgezindheid onder de opstandelingen was, en zij -bovendien vreesden om door het leger van Generaal van de Leur, dat van -uit den kant van Swellendam kwam, van Graaff-Reinet te worden -afgesneden. Teunis Botha was toen gevonnisd geworden om op het schavot -te worden ten toon gesteld, met een zwaard over zijn hoofd gezwaaid als -teeken dat hij den dood had verdiend, en daarop uit de kolonie -levenslang te worden verbannen. Het eerste gedeelte van het vonnis werd -werkelijk uitgevoerd, maar hij werd niet uit de kolonie verbannen doch -gevangen gehouden totdat hij met de anderen werd ontslagen, toen in -1803 de Hollanders weder in het bezit der kolonie werden gesteld. Het -is nauwelijks noodig te zeggen dat deze gebeurtenis een diepen indruk -had gemaakt op den Graaff-Reinetschen boer en dat hij zoowel als zijne -familie een diepen wrok in het hart koesterden tegen de Engelschen, en -gedurig op wraak zonnen. Ook de jonge Jan had een geweldigen haat tegen -de Engelschen, en de gedachte dat zijn vader jaren lang in de vunzige -kerkers van het Kaapsche Kasteel had gelegen, maakte hem steeds de -tanden knersen. Jan van Eck had vele jaren geleden kennis gemaakt met -den ouden flinken boer uit Graaff-Reinet, en was vol bewondering -geweest voor diens vaderlandsliefde, en zucht naar vrijheid, en door -hem was hij bekend geraakt met den toestand van zaken in de Oostelijke -distrikten, waar er toen reeds moeilijkheden met de Kaffers op handen -waren. Teunis Botha, een man die de kleurlingen goed kende, had reeds -toen gezegd, dat als men de grensboeren hun zin gaf, en ze toeliet om -op hun eigen manier de Kaffers te bevechten, zij spoedig een einde -zouden maken aan de tyrannie van het zwarte ras, en waarschijnlijk had -hij daarin gelijk. Toch in die dagen was de Kaffer nog niet bekend met -de uitwerking van de vuurwapens der Europeanen, en wist hij dat hij -over geene andere wapens kon beschikken dan over zijn assegaai en zijn -schild, zijn pijl en zijn boog. Waren de boeren toen den kleurling op -flinke wijze te lijf gegaan, en waren zij er in geslaagd hem flink te -verslaan, dan had de Kaffer ongetwijfeld een groot respekt voor den -blanke gekregen, en zou hij voor dezen op den duur pad hebben gegeven, -zoodat de Europeaan dan in het bezit zou zijn gekomen van het prachtige -land dat toen, en gedeeltelijk nu nog door de Kaffers was bewoond; want -het lijdt geen twijfel of de Kaffer zou weder getrokken zijn naar de -noordelijke streken waar hij oorspronkelijk van daan was gekomen. De -geschiedenis van Zuid-Afrika zou dan geheel veranderd zijn geweest, en -heel wat van het bloed dat in de vele kaffer oorlogen is gevloeid, zou -dan gespaard zijn gebleven. Maar de ongelukkige politiek der Engelsche -regeering die nooit heeft willen luisteren naar de mannen die bekend -waren met den waren toestand van zaken, is de oorzaak geweest dat de -dingen verkeerd liepen, en dat nog heden de inboorlingen kwestie de -groote levenskwestie voor dit land is, en Zuid-Afrika nooit zal wezen -wat het behoort te wezen, voor dat die kwestie, hoe dan ook, uit de -wereld is gemaakt. - -Doch dit is slechts terloops gezegd. - -Jan Botha voldeed aan het verzoek van den ouden heer en begon te -vertellen als volgt: - -„Oom weet dat die Kaffers aan onze oostelijke grenzen voor hullie zelve -die naam van Kosas geef. Hullie het jaren geleden een groot opperhoofd -gehad wat Raraba genaamd was, maar onder Raraba zijn kleinzoon is daar -ruzie onder die Kaffers ontstaan. Hintsa wordt gerekend als die groot -kapitein van die algemeene Kosa stam, maar hullie is verdeeld in een -aantal kleinere stammen, en een van die voornaamste daarvan is die -Gaikas, wat zoo genoemd wordt naar die opperhoofd Gaika. Een oom van -Gaika, Niambe, of Slambi zooals ons hem noem, is begeerig om die hoofd -van die Gaika stam te word en hij het een grooten aanhang, alhoewel dit -schijnt dat die Engelschen Gaika erken als die hoofd van die stam. Nou -is daar gedurig oorlog tusschen die volk van Gaika en die volk Niambe. -Een ander kapitein wat ook grooten invloed het, is Cungwa, en hij is -die lastigste van almaal. D’is hij wat over die Kei het getrek, en nou -tusschen die wit menschen inwoon; hij is al glad zoover gekom als die -Langkloof. - -„In October 1809 het die Engelschen probeer om Cungwa uit die land te -laat gaan; hullie het hem een stuk grond bij die Kaap aanpresenteer, -maar hij wou dit niet neem. Cungwa het toen daarom beloof dat hij zal -teruggaan over die Vischrivier, maar hij is in plaats daarvan naar die -Zondagsrivier gegaan, en toen begon die lieve leventje. Hij het zijn -kaffers links en rechts uitgestuur om te plunder en te rooven, en hij -doet nu net wat hij wil. Een heele partij van die menschen wat aan die -westekant van die Vischrivier woon, is al verplicht gewees om hullie -plaatsen op te geef, want die kaffers plunder en steel zoo vreeselijk -dat dit glad nie meer veilig is, en als een mensch naar die gestolen -goed wil zoek, is hullie zoo parmantig dat dit makkelijk leelijke -dingen kan afgeef. Die Engelschen het daarenboven die ding glad voor -ons menschen bederf. In die vroeger dagen het een boer als hij goed -verloor het, zelf daarnaar loop zoek, en zelfs al was dit door die -Kaffers gesteel, het hij dit dikwijls teruggekrijg, omdat ons menschen -weet hoe om met die Kaffers te werk, en die Kaffers nog een beetje -respekt voor die boeren het. Maar om een Engelschman geef hullie glad -nie, zooals dit lijk; en die gouvernement is bang om een oorlog met die -Kaffers te maak, en dit weet die zwarte duivels. Die gouvernement het -nou een nieuwe regel gemaakt dat als een man vee verloor het, hij dit -aan die veldkornet moet rapporteer, wat dit weer aan die landdrost -rapporteer, en die laat dan naar die vee zoek. Maar Oom kan begrijp dat -tegen die tijd wat die landdrost menschen uitstuur om die vee te gaan -zoek, dan is die vee al zoover Kafferland in, dat daar glad nie kans is -om dit terug te krijg. Daarenboven gebruik die gouvernement die -Hottentot soldaten om naar die vee te zoek, en dit lijk al te banja -alsof die Hotnots kop in één muts is met die Kaffers, en op die manier -krijg die arme boer nooit zijn vee terug. Als dit nog een beetje zoo -aanhou, dan zal al ons menschen verplicht wees om die plaatsen in die -Zuurveld en zelfs in die Zwartruggens te verlaat, en dan krijg die -vervlakste Kaffers die mooiste stuk van die land, en moet ons boeren -zie hoe hullie klaar kom. Die menschen word nou rechtig ontevree, want -hullie reken d’is die gouvernement zijn schuld dat die ding zoo -verkeerd loop, want als die regeering van die staanplek af, flinker was -geweest, en ons menschen had opgeroep om een kommando op te maak, dan -had ons die Kaffers gauw uit die wereld uitgejaag. Ons hoor, Oom, dat -die Engelsche zendelingen wat nou onder die Kaffers werk die partij van -die Kaffers neem. Hullie zeg dat die land eerst aan die Kaffers het -behoor, en dat ons dit van hullie afgeneem het, en nou maak hullie uit, -dat dit die plicht van die regeering is om die land aan die Kaffers -terug te geef. Daar is een zendeling Read, Oom, een maat van die oû -vuilnis, van der Kemp, wat net als een Hottentot leef, en zwart -vrouwens het; die Read is een man wat die boeren vreeselijk haat, en -die zwart volk tegen hullie opstook; en nou is daar een Dr. Philip -gekom, Oom, wat net zoo verrot is, en dit lijk alsof hij die baas van -die klomp zendelings is. - -„Die gouvernement is bang voor die zendelings, zooals dit lijk, want -als een zendeling hem eenmaal met een ding het bemoei, is daar nie meer -kans voor die boer om recht te krijg, en die landdrosten is nou zoo -partijdig voor die volk dat een mensch net voor niks bij hullie gaat -klaag nie. Die menschen word rechte onstuimig, en daar is partij wat -grof begin te praat. Pa zeg, dat als die Engelschman nie ophou, daar -leelijke dingen op die grenzen zal gebeur.” - -Jan van Eck had dit vrij lange verhaal zwijgend aangehoord, maar men -kon het hem aanzien dat hij niet een beetje kwaad was. Toen Jan Botha -klaar was, bleef de oude man nog een tijdje lang in gedachten -verzonken; toen zeide hij: - -„Jan, jullie kerels op die oostelijke grenzen is toch zeker fluks -genoeg om die Engelschen daaruit te jaag. Of als jullie dit niet wil -doen nie, waarom maak jullie dan nie zelf een kommando van jullie -menschen op om die kaffers uit die Zuurveld te jaag. Die land is jullie -zijne, en in die oude dagen was daar glad nooit kaffers. Daar het, -geloof ik, in die oude dagen een Hottentot stam daar gewoon, maar -hullie was rondzwervende volk, wat van daag hier en morgen daar was. -Ons het die land in bezit geneem in die dagen van die Compagnie en die -Engelschen is gek als hullie denk dat hullie jullie daaruit kan jaag”. - -„Tegen die Engelschen kan ons niks nie maak nie, Oom,” zeide Jan Botha, -„ons menschen is te ongelijk; partij van hullie is aan die Engelsche -kant omdat hullie geld uit die Engelschen maak en daar is nog al van -ons voormannen, zooals kommandant Jan Nel, wat altijd preek dat ons -maar geduldig moet wees, en gehoorzaam aan die regeering. En tegen die -Kaffers kan ons ook niks begin nie, want die gouvernement zal ons nie -kruit en lood geef om op kommando te gaan, en zonder ammunitie kan ons -natuurlijk niks begin nie.” - -„Ja, Jan, dit is een ongelukkige ding dat ons Afrikaners zoo ongelijk -is; in 1799 met die opstand van Adriaan van Jaarsveld en jou pa, was -dit net zoo die geval; als die menschen in Graaff-Reinet en Swellendam -toen almaal gelijk getrek het, dan was die ding glad anders gekom. Maar -die één het dit gewil, en die ander dat; die één wou nie onder die -orders van die ander staan, en omdat ieder net zijn eigen kop het -gevolg en zijn eigen belang getrek het voor die belang van die land, -het die ding verkeerd geloop, en kon daar niks nie gedaan word. Daar -zal nog banja water in die zee moet loop, voor ons menschen leer, dat -als ons iets groots wil tot stand breng, ons saam moet werk, en als één -man bij malkaar moet staan.” - -„D’is zeker waar, oom,” vervolgde Jan Botha, „maar dit zal nog lang -neem voor ons zoover is. Op die oogenblik speel die Engelschen -heeltemaal die baas, en die zendelingen is op Graaff-Reinet, en bij -Bethelsdorp vreeselijk in die weer. Ik hoor dat hullie bezig is om een -heele lijst van beschuldigingen intebreng tegen een spul van onze -menschen wat hullie beschuldig van hun volk slecht te behandel. Die -boeren, zeg hullie, is die wreedste natie op die wereld, en as een -mensch die gekke praatjes hoor wat hullie vertel, kan een mensch amper -lach. Verleden maand vertel een man uit Swellendam mij, dat hij van een -van die zendelingen gehoord het, dat daar boeren vrouwens is, wat -hullie meiden straf door hullie kokende water over die kop te gooi, en -dat een vrouw zelfs een kaffer in een pot kokend water het laat gooi, -omdat hij niet wou doen wat zij ver hem gezegd had. Ook dat een van -onze voornaamste boeren een Hottentot zoolang met een sjambok het -geslaan dat hij er dood van bleef, en toen het hij hem stilletjes -begrave, omdat hij bang was dat die menschen dit zou uitvind. Hij en -die Hottentot, zoo vertel die zendeling, was alleen, en als die -Hottentot dan dood en begraven is, dan wil ik wel weet wie die storie -onder die menschen vertel het, of die boer moet dit zelf gedaan het.” - -„Dit bewijs wat een leugen dit is”, zeide van Eck lachend, „want als -die boer dan zoo bang was dat die menschen dit zou uitvind, dan zal hij -dit toch nie zelvers gaan vertel nie. Maar, jong, die goed lieg zoo, -dat hullie dit zelf geloof. Die waarheid is, dat die zendelings staties -niks anders is nie, dan een legplek voor al die niksnutsige volk, wat -van hullie bazen weggeloop het of niet wil werk nie, en dit banja -lekkerder vind om op die statie te leg, en die boer zijn vee te steel. -Hullie gaat iederen dag naar die kerk toe, en om in die gunst van die -zendelings te geraak, vertel hullie die arme onnoozele Engelschen -allerlei leugens, en die zendelings is zoo dom dat hullie dit alles -geloof, of anders is hullie zoo laag, dat al geloof hullie dit nie, -hullie toch te blij is om zoo iets te hoor, want dan het hullie alweer -een wapen tegen die boeren, wat hullie zoo haat. Ik het indertijd -gezegd dat dit een fout was van generaal Janssens om die zendelings zoo -te bescherm, en aan van der Kemp en Read die plek bij Bethelsdorp te -geef. Als die regeering die Moravische broeders, wat in Genadendal is, -ondersteuning had gegeven, zou dit veel beter zijn geweest, want hullie -leer die volk om behoorlijk te werk en stook hullie nie op nie tegen -hullie bazen zooals die andere zendelings doet. Maar die zendelings van -die Londensche genootschap is een ware pest voor die land, en die -zoogenaamde christelijkheid wat hullie die Hotnots leer, is eerder die -leer van die Satan dan die leer van Christus.” - -„D’is nie alleen met die hotnots wat die zendelings in Bethelsdorp mee -werk, oom,” zeide Jan Botha weer, „onder die baar Kaffers is hullie net -zoo bezig. Daar is Tshatsu, een van die kapiteins wat ons menschen net -banja lastig val in die Zuurveld, met hem is hullie ook al bezig -geweest, en nou is zijn oudste zeun dan kamma in die school te -Bethelsdorp, en hullie zeg dat die arme bare kaffer nou een bekeerde -christen is.” - -„Ja,” hernam Van Eck lachend, „die soort van stories hoor een man meer -van zendelings, maar ongelukkig wijs die bekeerlingen dit nie altijd in -hullie daden. Van een kaffer in zulk een geval geldt die oude -spreekwoord, „Een vos verander wel van haren, maar niet van streken”. -Maar misschien zal dingen nou beter word. Graaf Caledon is naar -Engeland terug gegaan, en ons krijg nou een generaal Sir John Cradock, -als gouverneur hier, en dit is te hopen dat hij die Kaffers zal -rechtmaak, want anders weet ik rechtig niet wat die menschen op die -grenzen moet begin.” - -„D’is waar Oom,” zeide Jan Botha, „zooals die ding nou is, kan dit -niemeer blijf nie, en anders zal ons menschen verplicht wees om uit die -kolonie tetrek, en naar die binnenland te gaan, waar ons bevrijd zal -wees van die vloek der Engelsche regeering. Maar ik het lang, glad -telang, hier zit en praat, en mijn volk is alleen bij die wagen. D’is -ouwe volk van ons, maar een mensch kan een Hotnot nooit heeltemaal -vertrouw nie, en hullie kan misschien allerlei soort van kattekwaad -uitvoer”. - -Met deze woorden stond Jan Botha op, groette den heer Van Eck minzaam, -en schoon deze hem uitnoodigde om het avondeten bij hem te gebruiken, -weigerde Jan dit, en stapte in de richting van Papendorp, waar zijn -wagens uitgespannen waren. - -Jan van Eck bleef nog een tijd lang in gedachten verzonken zitten, toen -stond hij op en riep zijn oude jongen om het avondeten gereed temaken. -Een half uur later was hij, naar gewoonte bezig om zijn dagboek in te -vullen, altijd zijn laatste werk vóór hij ging slapen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIII. - -SLOT. - - -Er zijn nog maar weinige menschen aan het leven die zich den -vreeselijken storm herinneren, die op den 31sten Augustus van het jaar -1811 in Kaapstad woedde. Leven er misschien nog enkelen, die in die -dagen reeds oud genoeg waren om zooiets bemerkt te hebben, dan is het -nog zeer de vraag of zij zich dezen bijzonderen storm zullen -herinneren, want stormen zijn zoo gewoon op het Kaapsche schiereiland -in den winter, dat de oude inwoners van de Kaap er geen bijzondere -attentie aan schonken, tenzij die gekenmerkt werd door het vergaan van -een aantal schepen, iets dat maar helaas, al te dikwijls gebeurde in de -dagen, toen de Tafelbaai nog open lag voor de verschrikkelijke golven -van den Oceaan, en er geen breekwater was, om die golven te keeren, -zoodat de schepen veilig onder de bedekking er van konden liggen, -zooals zij thans doen. In de geschiedenis boeken van de Kaapkolonie is -dan ook geen melding gemaakt van dezen storm op gemelden datum, en dat -waarschijnlijk omdat juist toen, er geen enkel schip in Tafelbaai lag, -en de woedende elementen dus niet de gelegenheid hadden om hun wraak -aan een enkel schip te koelen. Er lagen wel eenige schepen in de baai -Fals, maar deze baai was in den winter een veel veiliger haven dan de -Tafelbaai, omdat zij meer beschut was tegen de Noordwester stormen die -in den winter heerschen. Wij vinden echter in het dagboek van Jan van -Eck melding gemaakt van dien storm, en hij schijnt zeer erg geweest te -zijn, zooals mijne lezers uit dit laatste gedeelte van het dagboek -zullen zien. - -Wat Van Eck schreef komt omtrent hierop neer. Reeds in den namiddag van -den 30sten Augustus begon de Noordwesten wind te waaien, maar het was -toen nog maar een lichte bries, die geen ander effekt scheen te hebben -dan dat zij uit het Noordwesten, zoowat tusschen Robbeneiland en -Houtbaai eenige wolken aan den gezichteinder deed oprijzen, die -aantoonden dat er nog heel leelijk weer in dien hoek zat, wat niemand -verwonderde, want in Augustus is de winter nog lang niet over in het -zuiden der kolonie, en zelfs in October krijgt men dikwijls zeer zware -regens en stormen. In den nacht wakkerde de wind echter wat aan, en -toen de goede Kapenaars den volgenden morgen ontwaakten, was de lucht -met lichte wolken overdekt, terwijl uit de zee ontzettende -wolkgevaarten kwamen aanzetten, met dien statigen tred, die een zware -storm voorspellen. Zwarte zware, donder koppen waren het eenigszins -buitengewoon van vorm en kleur; zij waren niet gewoon zwart, maar -schenen een soort van blauwachtigen glans te hebben, en hier en daar -waren er tusschen hen eenige witachtige wolken, die zich op hun eigen -houtje tusschen de zwarte wolken bewogen, gedreven door eene -luchtstrooming, die oogenschijnlijk dichter bij de aarde was dan de -wind die de zwaardere gevaarten voortstuwde. Naarmate de dag voorbij -ging, kwamen deze zwarte wolken nader, en tegen den avond zoowat -omtrent den gewonen zonsondergangstijd, (want de zon zelve was niet -meer zichtbaar) was de geheele Kaapstad in een blauwachtig, -geheimzinnig waas gehuld, terwijl de wind nu geheel was gaan liggen. -Het was de stilte vóór den storm; een akelige, benauwde, angstwekkende -stilte, zoo doodsch en zoo treurig, dat als men sprak men voor zijn -eigene stem schrok. Alle menschen zorgden dan ook om binnentijds in -huis te komen, en zich daar veilig wanende, achter de dikke muren -hunner huizen, wachtten zij met eenigen angst den verderen loop der -zaken af. - -Het was even over zes ure, toen de natuur hare strijdkrachten scheen te -hebben gemonsterd, en plotseling zich tot den aanval gereed maakte. Een -felle bliksemstraal kliefde de lucht, en bijna op hetzelfde oogenblik -kraakte er een geweldige donderslag, die de stad tot in hare -grondvesten scheen te doen beven. Dadelijk daarop verhief de wind zich -met ontzettend geweld, zoo erg, dat hij stukken schoorsteenen, en wat -weggerukt kon worden, door de straten slingerde, en dat onder een -gehuil en een gesis dat iemand hooren en zien deed vergaan. Steeds -woedender werd het gebulder der elementen; en daarmede vermengde zich -nu het gedruisch der opgezweepte golven, die als brieschende en -schuimende paarden de baai binnen rolden en kletterend zich te pletter -beukten tegen de rotsen nabij het kasteel en het omringende zand. Kort -daarop begon de regen in stroomen neer te vallen, en werden de straten -en wegen in ware rivieren herschapen, terwijl de wind steeds bleef -doorwaaien, en zelfs heviger scheen te worden. - -Jan van Eck was dien avond vrij vroeg in zijn huis gegaan, want ook hij -had den storm zien aankomen. Hij had juist zijn avondeten genuttigd, -toen de storm losbrak, en dat met zooveel geweld, dat zijn oude jong -half bang werd, en de aanmerking maakte dat dit leek alsof de wereld -wilde vergaan, en dat een mensch kon bang worden dat die wind die huis -kon omwaaien, of de golven het konden wegspoelen. Maar de oude man -lachte om dit denkbeeld. Het huis, zoo zeide hij, was stevig gebouwd en -had nog wel zwaardere stormen doorleefd, en het was niet zeer -waarschijnlijk dat de golven zoover het strand zouden opkomen, al was -in December 1809, toen er een aardbeving was geweest, de zee tot zeer -dicht bij het huis gekomen, maar misschien was dit een aardbevingsgolf -geweest, die altijd hooger drong dan de golven onder gewone -omstandigheden. - -„Ga jij maar gerust slapen”, zeide hij tot den slaaf, en deze, die een -onbeperkt vertrouwen in zijn meester had, en hem nooit tegensprak, ging -dan ook werkelijk zijn bed op de gewone plek in de kombuis maken, want -het huisje van Van Eck bestond slechts uit twee vertrekken, een waarvan -als woon- en slaapkamer diende, terwijl de andere als kombuis en -bergplek diende. - -Toen de jongen in bed was, ging van Eck zijn dagboek te voorschijn -halen, en zette pen en inkt voor zich neder, zooals hij de laatste -twintig jaren steeds had gedaan. Wie op dat oogenblik zijn kamer was -binnen gekomen, zou nooit hebben kunnen droomen, dat daar buiten de -elementen een hevigen strijd aan het voeren waren, en dat wind, en -regen met elkander in geweld wedijverden onder het gedurige, en steeds -sterker wordende gebrul en gedonder der golven, die thans berghoog de -baai kwamen binnen rollen, en zeker alle schepen in de baai zouden -hebben doen vergaan, zoo er eenige waren geweest. - -Jan van Eck was er niet de man naar om zich te bekommeren over dezen -strijd, die daar buiten aan den gang was; een meer dan vijf-en-twintig -jaar leven aan Tafelbaai’s strand had hem er aan gewoon doen worden, en -het geloei van den storm en het gebrul der baren was hem immer een -soort van muziek geweest, die hem in den slaap suste, als ware het een -zoet gezang geweest dat moeder natuur voor hem, haar kind, zong. Doch -dezen avond was het den ouden man toch wonderlijk te moede; hij -luisterde een tijd lang naar de geluiden daar buiten, en het kwam hem -voor alsof er dien avond iets bijzonders in die geluiden was, iets dat -hem vroeger nooit had getroffen. Zijne gedachten gingen als van zelve -terug naar de dagen van ouds, en zijn geheele leven ontrolde zich voor -zijne oogen als een onafgebroken tooneel, van af zijne prilste jeugd -tot aan den tegenwoordigen tijd. Hij zag weder de goede oude dagen, -toen er hier in de kolonie een oprecht en rechtvaardig man aan het -hoofd van zaken stond, een man zooals men sedert hem niet had gezien; -Rijk Tulbagh, de vader des volks, de man die niet alleen belang stelde -in de welvaart van de volkplanting in het algemeen, maar die zich ook -het lot van iedere klasse, en men zou bijna kunnen zeggen van ieder -individu in de kolonie aantrok. En toen ontrolde zich één voor één de -verdere tooneelen van de geschiedenis der Kaap; hij zag de zaken -achteruit gaan onder onverschillige en onbekwame gouverneurs; de -Compagnie in den uitersten geldnood verkeeren, en trachtende om uit de -kolonie te zuigen wat er te zuigen viel, ten einde toch maar in staat -te zijn het hoofd boven water te houden. En toen zag hij ten slotte de -eerste verovering van de Kaap door de Engelschen, en zich zelven met -geweer en kruit en kogeltasch staan bij het strand aan Muizenberg; hij -streed nog eens den slag van Muizenberg over, en het rood der schaamte -kleurde zijn gelaat als hij dacht, hoe de volkplanting toen schandelijk -verraden was, door hen aan wien het bestuur en de bewaking er van waren -toevertrouwd. Toen volgde eenige treurige jaren, jaren van vreemde -heerschappij; die jaren die door mannen als Adriaan van Jaarsveld, -Teunis Botha en anderen werden doorgebracht in de vunzige, ongezonde -kerkers van het Kaapsche kasteel, waar zij bleven totdat er een beteren -tijd naderde, en de Hollandsche driekleur weder fier van de tinne van -het kasteel wapperde. Welke tijden waren dat toen, en wat hadden zij -niet beloofd? Maar die hoop was op grove wijze teleurgesteld, de oorlog -brak weder uit, en de Britsche Leeuw, ergerlijk dat hij reeds éénmaal -zijn prooi had moeten loslaten, sloeg weder den klauw op de kust van -Zuid-Afrika. Weer woei het kruis van St. George aan de Tafelbaai, en -het scheen bijna alsof zij daar zou waaien totdat de dag des doems de -dooden in hunne graven zou doen ontwaken, en er een andere Vorst over -de aarde zou regeeren, dan de zwakke monarchen dezer wereld. - -Al denkende over al deze gebeurtenissen, die zich voor zijn oog -ontrolde, greep Jan van Eck, de laatste der oude Afrikaners van het -Westen, de pen, om, vóór hij zich ter ruste begaf, nog zijn dagboek bij -te werken. Hij begon: „Buiten loeit de storm, zoo erg als ik hem nog -nimmer gehoord heb; binnen in mijn hart, woelt en stormt het van -gedachten. Arm Kaapland, wat zal van u worden? Welke tooneelen zal men -hier aanschouwen binnen de volgende honderd jaren? zal er éénmaal een -dag komen wanneer....” - - - -Hier houdt het dagboek plotseling op, en na het woord „wanneer”, of -liever er vlak onder, ligt een groote inktvlak. Wat is er met den -schrijver gebeurd? Die vraag heb ik mij zelven zoo dikwijls gesteld, en -er toch nooit eene behoorlijke oplossing van kunnen vinden. Dat het -huisje van den ouden man op diens hoofd door den storm vernield is, -komt mij onder de omstandigheden zeer onwaarschijnlijk voor. Want ten -eerste schijnt hij tijd gehad te hebben om zijn dagboek weg te sluiten -in de kist waarin hij die gewoonlijk bewaarde, en de kist zelf -behoorlijk te sluiten. Ten tweede is er geen spoor te vinden van zijn -lijk, en in de kerkboeken van de Hollandsche Kerk te Kaapstad heb ik te -vergeefs gezocht naar iets omtrent zijn dood of begrafenis. Misschien -dat het gebouw werkelijk aan het wankelen is geraakt en dat Van Eck het -verliet, om op de eene of andere wijze zijn leven te redden, doch dat -de woeste baren hem hebben uitgenomen, en hij in de Tafelbaai zijn dood -vond? Doch waarom ons in zulke gissingen verdiept? De golven van den -oceaan weten hunne geheimen te bewaren, en de grafgezangen door hen -over duizenden en honderdduizenden van menschen gezongen, worden door -ons niet verstaan. - - - -Een jaar of wat geleden, toen ik voor het eerst Kaapstad bezocht, -maakte ik ook eene wandeling langs het strand tusschen Woodstock—(of -Papendorp) en Zoutrivier, en trachtte zoo goed mogelijk de plaats te -vinden waar het huis van Jan van Eck had gestaan, want schoon de dokter -die mij zoo goed mogelijk had beduid, hadden er zoovele veranderingen -plaats gevonden, dat ik niet geheel zeker van mijne zaak was. - -Ik zette mij neder op eene boot, die, onderste boven gekeerd, op het -strand lag, en keek eens om mij heen. - -De Tafelbaai was vol schepen en stoombooten; links van mij strekte zich -Kaapstad uit, en van het Kasteel waaide nog de Engelsche vlag. Rechts -van mij lag Maitland, en de groote Spoorwegwerkplaats te Zoutrivier. -Een kleinen afstand achter mij ratelde er bijna elke tien minuten een -spoortrein van of naar Kaapstad, en rijen van telegraafdraden -doorsneden als spinnedraden de ruimte boven den spoorweg. - -Wat al veranderingen, wat al vooruitgang op stoffelijk gebied, sinds de -dagen van 1812! Als de arme Jan van Eck weer eens in het leven -terugkwam, zou hij van dit alles niets begrijpen; hij zou een -vreemdeling in de stad zijner geboorte zijn. Maar toch zou hij er -eenige dingen vinden, die niet veranderd waren. Niet zaken der -uiterlijke wereld, maar dingen die tot den geest van den mensch -behooren. Want sinds 1812 is de klove, die er toen reeds bestond -tusschen Afrikaner en Engelschman, niet gedempt; integendeel zij is -breeder en dieper geworden; zij gaapt als een peilloozen afgrond. ’t Is -niet hier de plaats om al de gebeurtenissen na te gaan, die daartoe -hebben geleid. - -Maar toch is er iets dat ik graag onder den aandacht mijner lezers wil -brengen, juist daarom, omdat, als zij werkelijk het rechte begrip er -van krijgen, er meer kans is op samenwerking in Zuid-Afrika, dan er nu -schijnt te bestaan. - -Men is gewoon om in Zuid-Afrika Engelschman tegenover Afrikaner te -stellen; men heeft dit zoolang gedaan tot er werkelijk een rassengevoel -is ontstaan, die alreeds tot de treurigste gevolgen heeft geleid. En -toch, als men de zaak degelijk bekijkt, dan is de strijd die in -Zuid-Afrika heeft geheerscht en nog heerscht, reeds duizenden van jaren -oud, en zij bestaat overal. Het is de strijd tusschen den stadbewoner -en den plattelands-bewoner, de strijd tusschen handel en landbouw. Dat -de strijd die van de eene nationaliteit tegen de andere geworden is, is -alleen veroorzaakt door het feit dat het na 1806 de Engelschman was, -die de stadbewoner werd, en de Afrikaner gewoon aan het vrije -buitenleven, weigerde stadbewoner te worden. Voor een land als -Engeland, dat geheel van den handel leeft, en dat als het ware één -groote stad wordt, en waar de landbouw bijna geheel verdelgd is ten -gunste van de industrie—voor zulk een land is het natuurlijk een -levenskwestie om zijn handel, en diergenen zijner onderdanen die van -den handel leven, te beschermen. Daarom heeft Engeland in Zuid-Afrika -eene zuivere handelspolitiek gevolgd, die direkt en indirekt werkte ten -nadeele der Afrikaander Boeren. Daardoor zijn hare verkeerde -maatregelen ontstaan met betrekking tot onze inboorlingen, die alleen -werden beschouwd als mogelijke koopers en dus beschermd werden -tegenover de Boeren, die terecht den kleurling aanziet als den arbeider -van het land. Sympathie en Samenwerking tusschen de twee klassen van -bevolking waren onmogelijk van het begin af aan; het was geen -rassenhaat, maar een direkt tegenover elkander staan van belangen. - -Zal samenwerking ooit mogelijk worden? Wij hebben redenen genoeg om er -aan te twijfelen, als wij tenminste mogen oordeelen naar de toestanden -en gebeurtenissen die in andere landen hebben plaatsgevonden en nog -plaatsvinden. Beide partijen zullen steeds trachten om elkander een -vlieg af te vangen, zooals het spreekwoord luidt. Zoodra de -Boerenpartij te machtig wordt, en door hare meerderheid in het -Parlement in staat is maatregelen te nemen ten gunste van den landbouw, -op datzelfde oogenblik zal de oude storie herhaald worden, en zal -Engeland de handelspartij te hulp moeten komen. - -En wat leert ons ongelukkiglijk de geschiedenis. Dat, bijna overal waar -de strijd plaats gevonden heeft, de steden het op den duur hebben -gewonnen. En dat is ook begrijpelijk, want naar mate handel en -industrie toenemen, en landbouw afneemt, na die mate groeit de -bevolking der steden aan. ’t Is misschien een treurige toekomst voor -den Afrikaner, maar de loop der dingen is niet te stuiten. Toch bestaan -er betere kansen voor de landbouw bevolking in Zuid-Afrika dan ergens -anders, tengevolge van de bijzondere omstandigheden, den aard van den -grond en het klimaat van ons land, en er bestaat mogelijkheid, dat -onder een gunstigen samenloop van omstandigheden, de Boer het toch -wint. Maar dan is het noodig dat men de ware redenen van den strijd op -den voorgrond stelt, en dat die niet op gebied van nationaliteit worde -gestreden. - -Maar genoeg hiervan. Wij schrijven hier geen politieke verhandeling, -maar wel iets over de geschiedenis en het leven onzer voorvaderen. Dat -leven te bestudeeren moet voor elken Afrikaander iets aantrekkelijks -hebben; het behoort zijne plicht te zijn met de geschiedenis van zijn -land en volk bekend te raken. En daarom moet er nog veel worden gedaan -voor onze opvoeding, of liever voor die onzer kinderen. Goede, -goedkoope scholen, dat is wat wij nog noodig hebben. Hoe beter ons -nageslacht opgevoed is, hoe beter kans zij hebben om den strijd te -winnen. - -Afrika voor de Afrikaners! Dat is noch seditie, noch rebellie. Want -onder Afrikaners verstaan wij alleen degenen die het ware welzijn van -dit land ter harte hebben, hetzij zij van Engelschen bloede, of van -Hollandschen, Duitschen, of Franschen oorsprong zijn. - -En daarom nog eens: - - - AFRIKA VOOR DE AFRIKANERS! - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK AAN TAFELBAAI'S STRAND *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/67398-0.zip b/old/67398-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 88ff9d1..0000000 --- a/old/67398-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/67398-h.zip b/old/67398-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 783775d..0000000 --- a/old/67398-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/67398-h/67398-h.htm b/old/67398-h/67398-h.htm deleted file mode 100644 index 7a2d0fa..0000000 --- a/old/67398-h/67398-h.htm +++ /dev/null @@ -1,6197 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-02-13T18:56:42Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>Aan Tafelbaai’s Strand: of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791–1811)</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="D’Arbez [Pseud. van Johan Frederik van Oordt (1856–1918)]"> -<link rel="coverpage" href="images/front.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="D’Arbez [Pseud. van Johan Frederik van Oordt (1856–1918)]"> -<meta name="DC.Title" content="Aan Tafelbaai’s Strand: of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791–1811)"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -margin-left: -0.1em; -margin-top: 0.9em; -min-width: 1.0em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -.apparatusnote:target, .fndiv:target { -background-color: #eaf3ff; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.splitListTable td { -vertical-align: top; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 8.4pt; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -letter-spacing: normal; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink::after { -content: "\0000A0\01F4D8"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.catlink::after { -content: "\0000A0\01F4C7"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { -content: "\0000A0\002197\00FE0F"; -color: blue; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 2.4em; -} -titlePage .docTitle .volumeTitle, titlePage .docTitle .seriesTitle { -font-size: 1.0em; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:516px; -} -.xd31e101 { -text-align:center; font-size:large; -} -.xd31e105 { -text-align:center; -} -.xd31e110 { -text-align:center; font-size:small; -} -.titlepage-imagewidth { -width:478px; -} -.xd31e230 { -font-size:1.2em; -} -.p011width { -width:498px; -} -.p105width { -width:720px; -} -.p213width { -width:509px; -} -.xd31e2130 { -font-size:x-large; -} -.xd31e2207 { -text-align:center; font-size:xx-large; -} -.xd31e2211 { -text-align:center; font-size:x-large; -} -@media handheld { -} -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> -<div lang='en'> -<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl'>Aan Tafelbaai's Strand</span>, by D' Arbez</p> -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> -</div> - -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl'>Aan Tafelbaai's Strand</span></p> -<p style='display:block; margin-left:2em; text-indent:0; margin-top:0; margin-bottom:1em;'><span lang='nl'>of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811)</span></p> -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: D' Arbez</p> -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Illustrator: Cornelis Koppenol</p> -<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: February 13, 2022 [eBook #67398]</p> -<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p> - <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive)</p> -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl'>AAN TAFELBAAI'S STRAND</span> ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="516" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd31e101">AAN TAFELBAAI’S STRAND. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd31e105"><i>De volgende boeken behooren tot de</i> -</p> -<p class="xd31e101">ZUID-AFRIKAANSCHE HISTORIE-BIBLIOTHEEK. -</p> -<p class="xd31e110">Prijs per boek 2/9 per ex. -</p> -<ul> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">I.</span> <b>De Familie van den Ziekentrooster.</b> Een verhaal van de aankomst der Fransche Vluchtelingen en de stichting van „Stellenbosch” -door <span class="sc">Simon Van der Stel</span>.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">II.</span> <b>De Strijd om Recht.</b> Bevattende een verhaal van de beroeringen onder Gouverneur <span class="sc">Willem Van der Stel</span>, en voornamelijk van hetgeen in Stellenbosch geschiedde.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">III.</span> <b>Aan Tafelbaai’s Strand</b>, of <i>Twintig jaren uit het leven van een Kapenaar 1791–1811</i>.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">IV.</span> <b>Liefde en Plicht.</b> Een historisch verhaal uit de jaren 1815–1816, eindigende met „Slachtersnek”.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">V.</span> <b>David Malan.</b> Een verhaal uit den grooten trek.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">VI.</span> <b>Tusschen Berg en Zee.</b> Een verhaal uit den strijd der Boeren in Natal van 1831–1841.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">VII.</span> <b>Voor Land en Volk.</b> Een verhaal uit de jaren 1842–1848, eindigende met den slag van „Boomplaats”.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">VIII.</span> <b>Zwart en Wit.</b> Een verhaal uit den Vrijstaatschen Basuto-oorlog, eindigende met den dood van <span class="sc">Louw Wepener</span> op Thabo Bosigo.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">IX.</span> <b>Een Vader des Volks.</b> Een verhaal uit den Oranje-Vrijstaat van de jaren 1869–1871. De hoofdpersoon in dit -verhaal is President <span class="sc">Brand</span>.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">X en X*.</span> <b>Macht en Recht.</b> Een verhaal uit den Transvaalschen Vrijheids-oorlog van 1880–1881.—2 deelen.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">XI.</span> <b>Onder de Vierkleur.</b> Een verhaal uit den tijd van den Jameson-inval.</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">XII.</span> <b>Mooi Annie.</b> De hoofdpersoon in dit verhaal is een klein meisje door <span class="sc">Held Woltemade</span> van het schip gered. Het verhaal beschrijft voornamelijk het leven in de oude Kaapstad -der 18<sup>de</sup> <span class="corr" id="xd31e218" title="Bron: eenw">eeuw</span>.</li> -</ul><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="478" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="seriesTitle xd31e230">ZUID-AFRIKAANSCHE HISTORIE-BIBLIOTHEEK.</div> -<div class="volumeTitle">No. III.</div> -<div class="mainTitle"><span class="sc">Aan Tafelbaai’s Strand</span></div> -<div class="subTitle">OF<br> -TWINTIG JAREN UIT HET LEVEN VAN EEN KAPENAAR.</div> -<div class="subTitle">(1791–1811).</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br> -<span class="docAuthor">D’ARBEZ.</span></div> -<div class="docImprint">Uitgegeven en verkrijgbaar bij:<br> -<span class="sc">Hollandsch-Afrikaansche Uitgevers-Maatschappij</span>,<br> -v/h. <span class="sc">Jacques Dusseau & Co.</span><br> -<span class="ex">Amsterdam—Kaapstad</span>.<br> -<span class="docDate">1903.</span></div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK I." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK I.</h2> -<h2 class="main">Het verhaal van den dokter.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Omtrent tien jaren geleden woonde ik in een klein dorpje in den <span class="corr" id="xd31e276" title="Bron: Oranje Vrijstaat">Oranje-Vrijstaat</span>, den naam waarvan het niet noodig is op te geven. Het was een klein plekje, waar -ik misschien van verveling zou gestorven zijn, als het niet was geweest voor den ouden -dokter. Goede, oude dokter, hij ligt al meer dan negen jaren onder den koelen grond, -verlost van alle ellende en plagen des levens; en het is juist het feit, dat hij er -niet meer is, dat mij thans eerst het recht geeft om hier dit verhaal te doen, en -iets te publiceeren dat reeds lang in mijn bezit is. Maar ter zake. -<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span></p> -<p>Dokter J. was een oud man: toen ik hem kende moet hij omtrent zeventig jaar geweest -zijn, maar hij was nog kras voor zijne jaren, schoon haar en baard reeds spierwit -waren. Van de levensgeschiedenis van den ouden heer had ik nooit veel te weten kunnen -komen: de dokter sprak zelf er liever niet over, en natuurlijk was ik niet gerechtigd -mij te bemoeien met zijne private zaken. Al wat ik wist, was dat hij te Kaapstad geboren -was uit een oud Hollandsch-Afrikaansch geslacht, in Holland had gestudeerd en aan -de Universiteit te Leiden zijn graad van Doctor in de <span class="corr" id="xd31e282" title="Bron: Medecijnen">Medicijnen</span> had verkregen. Ook vernam ik eens van hem dat hij nooit getrouwd was, en, te oordeelen -naar de uitdrukkingen, die hij bij die gelegenheid gebruikte over de schoone sekse -(ik zal ze maar niet herhalen om mijne lezeressen niet kwaad te maken) was de dokter -een echte vrouwenhater. Er waren, zooals licht te begrijpen valt, heel wat praatjes -over den ouden heer, maar ik heb uit ondervinding geleerd, dat de kwaadsprekendheid -steeds als een onvermoeid spook door al onze Zuid-Afrikaansche dorpen waart, en, daar -dus waarschijnlijk niet een twintigste deel der praatjes over dokter J. waar waren, -is het onnoodig om ze hier weer te geven. Maar, zooveel stond vast, en daar kon zelfs -niet de meest vuige tong <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>iets tegen zeggen, de dokter was een knap man in zijne professie; hij was de vriendelijkheid -zelve tegenover zijne patiënten, en wat maar kon gedaan worden om den dood af te wenden, -of de pijn te verzachten, dat werd door hem gedaan. -</p> -<p>Mijn eerste kennismaking met den dokter was in de kwaliteit van <span class="corr" id="xd31e289" title="Bron: patient">patiënt</span>. Ik had kort na mijne aankomst in het dorp een erge koude gevat, en daar ik geplaagd -was door een akelige soort van kerkhofhoest, ging ik den Esculaap een drankje vragen. -Inderdaad gaf de dokter mij een probaat middeltje dat mij in weinige dagen genas; -maar wat nog beter was, was dat die korte kennismaking zich ontwikkelde tot een groote -vriendschap tusschen den dokter en mij. Ik geloof, dat dit een groot geluk voor mij -is geweest; wie weet of, als ik niet het gezelschap van den dokter had gehad, ik niet, -zooals zoo vele andere jongelui in kleine dorpjes in ons land, mij zou hebben overgegeven -aan den drank, of andere verkeerdheden, die onze jonge lieden ten gronde richten, -omdat ze geen anderen raad met hun goeden tijd weten. De aangename avonden die ik -bij den dokter doorbracht, deden mij dergelijke verleidingen gemakkelijk weerstand -bieden. -</p> -<p>Ik vond spoedig uit, dat de dokter niet alleen een knap man was in zijn vak, maar -ook uitmuntend <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>belezen, zoodat hij over heel wat meer dingen kon meepraten dan pillen en poeders -alleen. Zooals de meeste goed opgevoede lieden, had hij ook zijn geliefkoosd onderwerp; -bij hem was het de geschiedenis van Zuid-Afrika en alles wat daarmede in verband stond. -Hij had gedurende lange jaren, en tegen een groote uitgave, een prachtige bibliotheek -verzameld over de geschiedenis van Zuid-Afrika; deze verzameling bevatte inderdaad -zeer kostbare boeken, niet alleen in de Engelsche en Hollandsche talen, maar ook in -het Duitsch en in het Fransch, welke talen hij alle gemakkelijk las. Hij was zooals -hij mij dikwijls vertelde, in het begin van zijn loopbaan geneigd geweest om sterk -Engelschgezind te zijn; doch toen hij bekend raakte met de bijzonderheden van het -bestuur der Engelsche regeering in dit land gedurende de negentiende eeuw, maakte -de bewondering, die hij voor de Engelschen en hunne denkbeelden koesterde, plaats -voor eene diepe verachting van alles wat Engelsch en Engelschgezind was; hij werd -een vurige voorstander van de rechten der Afrikaners, en dit was een der voornaamste -redenen waarom hij de oude Kolonie, waar hij destijds een zeer goede praktijk had, -verliet om zich in den Vrijstaat te vestigen. -</p> -<p>Toen de dokter bevond, dat ook mijne sympathiën <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>met de Afrikaners waren, en dat ik zeer verlangde om goed op de hoogte te komen der -geschiedenis van mijn geboorteland, waarvan ik toen, helaas, bitter weinig wist, draalde -de dokter geen oogenblik met mij het vrije gebruik zijner bibliotheek aan te bieden, -en ik behoef nauwelijks te zeggen dat ik van dat aanbod gretig gebruik maakte. Kwam -er dan eens een nieuw boek uit over dit onderwerp dan bestelde mijn oude vriend dit -dadelijk van Kaapstad, en dan lazen wij het te zamen. Het was vooral bij die gelegenheden -dat ik dikwijls de scherpzinnige aanmerkingen van den dokter bewonderde. Hij was volmaakt -op de hoogte der algemeene geschiedenis, en hield er van om vergelijkingen te maken -tusschen de gebeurtenissen in dit land, en die, welke vroeger in andere landen hadden -plaats gevonden. De geschiedenis, zoo zeide hij dikwijls herhaalde zich steeds; dezelfde -oorzaken hadden steeds dezelfde gevolgen, en wat eenmaal gebeurd was, zou weer gebeuren. -Salomo was nooit wijzer dan toen hij zeide, „Er is niets nieuws onder de zon.” -</p> -<p>Het was op een kouden winteravond dat er iets tusschen mij en den dokter plaats vond, -dat de eigenlijke oorzaak van dit verhaal is, en dat dus hier moet worden verteld -om den lezer op de hoogte van zaken te brengen. Ik zat in de eetkamer van <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>den dokter (een voorkamer hield hij er niet op na); wij hadden juist samen een der -nieuwe boeken van onzen uitmuntenden Zuid-Afrikaanschen geschiedschrijver G. M. Theal -gelezen, die toenmaals zich een naam begon te maken, en daarop hadden wij onze vrij -drooge kelen met wat warme ponsch nat gemaakt, of liever gezegd, wij waren daarmede -nog bezig, toen ik uit bloote nieuwsgierigheid, mijn ouden vriend vroeg, wat hem zulk -eene bijzondere voorliefde voor de geschiedenis van zijn land en volk had gegeven. -De oude heer zat eenige oogenblikken in gedachten en zeide toen: -</p> -<p>„Mijn waarde A., om die vraag te beantwoorden, zal ik je iets uit mijn levensgeschiedenis -moeten vertellen, en wel een heel snaaksch geval. ’t Is een beetje een lange storie, -maar ’t is nu nog vroeg, en als wij een beetje extra spraakwater nemen, zal de stof -misschien wat vinniger loopen”. -</p> -<p>Zoo gezegd, zoo gedaan; de dokter schonk onze glazen nog eens vol, en na een flinke -teug te hebben genomen, begon hij als volgt: -</p> -<p>„Het was in het jaar 1835, ik meen in Mei, dat ik als behoorlijk gepromoveerd Doctor -Medicinae uit Holland naar de Kaap terug kwam. Mijn vader leefde toen nog, en woonde -op een soort van buiten, of plaats, zooals wij hier in Zuid-Afrika zouden <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>zeggen, even buiten de Kaapstad, in hetgeen men thans Woodstock noemt, maar dat toen -nog als Papendorp, of liever Roodebloem bekend was. Ik was de oudste zoon van mijne -ouders; na mij kwamen drie meisjes die allen ongetrouwd gestorven zijn, en de eenige -broeder, dien ik had, en die overleed, toen hij nog maar twintig jaar oud was, had -toen nog niet den leeftijd van vijftien jaren bereikt. Mijn vader was toen wel af, -en hij zei de dat als ik wilde, ik mij kon vestigen in de Kaapstad, en, om kosten -te besparen, mijn intrek kon nemen in zijn huis. Ik had echter reeds in die dagen -weinig zin om mij in de buurt van de stad te vestigen en was ook niet geneigd om op -eenige wijze op kosten van mijn vader te leven. Ik wilde de wereld in, op mijn eigen -beenen staan, en op eigen houtje mijn fortuin maken. Derhalve besloot ik mij te gaan -neerzetten in A. waar kort te voren de plaatselijke geneesheer overleden was. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik deed zulks, en had er spoedig een zeer aardige praktijk; ik ben dan ook te A. gebleven, -totdat ik in 1865 op raad van onzen President Brand, naar den Vrijstaat ging, blij -om eindelijk toch een plek in Zuid-Afrika te vinden, waar die eeuwigvervelende Britsche -vlag niet woei. Toen ik omtrent twee jaar te A. was geweest, moest ik wegens noodzakelijke -<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>bezigheden naar de Kaap gaan, en daar ik zelf ook een weinig rust noodig had, besloot -ik een maand lang in de stad te vertoeven; een jonge dokter, pas uit Engeland aangekomen, -zou zoolang mijn praktijk waarnemen. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik nam natuurlijk mijn intrek bij mijn vader, en toen ik mijn voornaamste bezigheid -had afgedaan, amuseerde ik mij zoo goed ik kon. Waar ik het meest van hield, was om -stil en rustig aan het strand te zitten, op den eeuwig rusteloozen oceaan te staren, -en mijne gedachten dan den vrijen loop te laten. Er was toen nog in die dagen niet -dat gewoel, dat thans langs het strand in de buurt van Woodstock en Zoutrivier heerscht, -en men kon er uren zitten, zonder door iemand gehinderd te worden. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Het was juist op een warmen rustigen middag, dat ik er eens zat in mijn eentje. Verschillende -gedachten gingen mij door het hoofd en al peinzende was ik werktuigelijk bezig om -met mijn stok gaten in het zand te boren. Plotseling stiet mijn stok op iets hards -en dit trok mijn opmerkzaamheid. Ik boorde verscheidene gaten binnen den omtrek van -omtrent een yard, maar telkens kwam de stok op het harde voorwerp te recht. Ik begon -bepaald nieuwsgierig te worden, wat dit harde ding kon zijn, en ik had een soort van -voorgevoel dat ik op het punt stond <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>eene ontdekking te maken. Derhalve beproefde ik dan ook, zoo goed en zoo kwaad het -ging om met mijn stok een gat te graven in het half natte zand, en na heel wat tobbens -was ik zoover, dat ik zag dat ik hier met een kist of koffer te<span class="corr" id="xd31e324" title="Niet in bron"> doen</span> had, die met ijzer beslagen was. Op dat oogenblik schoot het mij te binnen, dat het -een beetje gevaarlijk was om hier op helderen dag op een openbare plek zoo iets te -voorschijn te halen. Ik herinnerde mij, dat een medestudent in Leiden die in de rechten -studeerde, mij eens een heel verhaal had gedaan van een misdaad die strandroof genaamd -werd, en waarop de doodstraf of levenslange verbanning of zoo iets vreeselijks stond. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Met dat schrikbeeld voor mij, vond ik het geraden om het door mij gemaakte gat maar -dadelijk weer toe te maken. Doch om de plek niet te vergeten, maakte ik een hoopje -van steenen op de plaats, zoodat ik die zonder moeite kon terugvinden. Daarop ging -ik naar huis om een plan te beramen hoe ik het best mijn gevonden schat op een veilige -plek kon brengen. De kist was blijkbaar zwaar, en ik zou hem zeker niet alleen baas -kunnen raken; ik moest dus naar hulp uitzien. Ik was juist aan het denken welk persoon -ik met <span class="corr" id="xd31e329" title="Bron: dlt">dit</span> gewichtig werk kon vertrouwen, toen ik den ouden jongen ontmoette, die reeds jaren -lang bij mijn vader werkte, en die <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>mij bijna sedert mijn geboorte kende, want hij was nog als slaaf bij mijn grootvader -geweest, en noemde mij niet anders als „kleinbaas”. Ou Andries was, meende ik juist -de jongen, om mij in deze netelige zaak van nut te zijn. Ik drukte hem dan ook een -halve kroon in de handen, en zeide hem dat hij dien avond, als het avondeten afgeloopen -was, met mij mede moest gaan, en een graaf samen nemen; er was iets van belang, dat -hij voor mij moest doen, maar hij moest er geen woord aan iemand van zeggen, vooral -niet aan mijn vader. Andries beloofde dit dan ook trouw, en ik wist dat ik op hem -aan kon. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Het was ongeveer negen uur dien avond, dat ik Andries ontmoette bij het tuinhek, dat -aan den zeekant uitkwam. Er was geen maan en het was pikdonker, juist een geschikte -avond, zooals ik bij mijzelven dacht, om de misdaad van strandroof te plegen; in werkelijkheid -voelde ik een beetje als een misdadiger; doch er was een zeker onverklaarbaar iets, -dat mij aandreef en mij belette om veel attentie te wijden aan de inblazingen van -het geweten. Ik had, in het donker eenige moeite om de juiste plek te vinden, doch -eindelijk liep ik den steenhoop raak, en spoedig was Andries hard aan het graven. -Nu en dan stiet de graaf tegen het harde hout van de kist, en het geluid dat daardoor -veroorzaakt werd <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>in den stillen nacht, deed mij schrikken, zoodat ik Andries toefluisterde om toch -niet zooveel lawaai te maken. Eindelijk was de kist aan alle kanten los, en nu probeerden -wij om haar uit den grond te tillen. Het was een heele toer, die onze vereenigde krachten -vereischte, maar ten slotte hadden wij haar boven den grond. Maar nu deed zich een -nieuwe moeielijkheid voor. Hoe moesten wij die zware kist naar huis krijgen? Om die -te dragen met ons tweeën, daar was geen sprake van; de kist was zoo zwaar, dat Andries -beweerde, dat die zeker vol geld zat. -</p> -<p></p> -<div class="figure p011width"><img src="images/p011.jpg" alt="„Het was een heele toer, die onze vereenigde krachten vereischte...” (Blz. 11.)" width="498" height="720"><p class="figureHead">„Het was een heele toer, die onze vereenigde krachten vereischte …” (Blz. 11.)</p> -</div><p> -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>„Zooveel te beter, Andries”, antwoordde ik lachend, „dan zal jij ook iets uit het -voordeeltje krijgen; maar ons moet nou eerst een plan maken om die ding bij die huis -te krijg”. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>„Ik geloof, baas”, zeide de oude jongen, „dat daar niet een ander plan is dan om die -kist hier open te maak, en dan die geld of die goed, wat daarin is, met klompjes naar -die huis te vat”. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>In werkelijkheid scheen dit mij ook het eenige mogelijke plan; maar ik moest bij mijzelven -bekennen dat het niet weinig gevaar aanbood. Mijn vader was nog niet naar bed, en -het ongewone geloop zou ongetwijfeld zijn aandacht trekken, en dan zou hij willen -weten wat er aan den gang was. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Andries scheen dit ook te begrijpen, want hij <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>zeide fluisterend tot mij, „Baasje, ons moet wacht tot die menschen in die huis slaap, -en dan zal ons die goed naar mijn kamer draag, stukje voor stukje, en daar kan ons -dan zien wat die goed is”. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Dit was geen slecht plan, want de kamer waar ou Andries sliep, was een buiten-kamer, -die een heel eindje van het huis verwijderd was. Wij besloten dan ook dit plan te -volgen, en daar het minstens nog een uur zou duren, voor al de menschen in het huis -aan slaap zouden zijn, zeide ik aan Andries dat hij, om geen opspraak te wekken, maar -liever naar huis moest teruggaan, en later, als alles rustig sliep, weerkomen, met -een deken (kombaars), of iets dergelijks, waarin wij het goed geriefelijk konden dragen; -ondertusschen zou ik de wacht in de buurt houden, en zorgen dat niemand ons onzen -buit ontstal. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Toen Andries weg was, begon ik in de buurt van de kist heen en weer te loopen. Ik -was nu nog nieuwsgieriger dan ooit, en de lust om eens nader te weten, wat er eigenlijk -in die geheimzinnige kist zat, werd zoo onbedwingbaar, dat ik eene poging maakte om -de kist te openen. Er zat, zooals ik na onderzoek merkte, een slot op, maar het zilte -zeewater had zulk een effekt op het ijzer gehad, dat toen ik een weinig mijne krachten -inspande, het slot uit elkander sprong. Ik tilde de zware deksel op <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>en stak, in het donker mijn hand in de kist. Ik voelde iets zachts, dat mij toescheen -kleederen te zijn, en verder mijn hand instekende, raakte ik aan iets hards en kouds, -blijkbaar van metaal. De deksel was te zwaar dan dat ik die lang op kon houden, en -ik moest dus mijne verdere onderzoekingen staken, en geduldig wachten op de terugkomst -van Andries. Na een goed uur en een half, die mij in mijn ongeduld wel zes uren toeschenen, -kwam de trouwe jongen weer aanzetten. Hij bracht het bericht dat iedereen in het huis -vast in slaap scheen; tevens bracht hij ook een reusachtige kombaars, die zeker wel -alles had kunnen bevatten wat in de kist was. Wij begonnen dadelijk de boel uit te -pakken, schoon wij in het donker niet konden uitmaken waaruit de inhoud bestond; sommige -dingen waren hard, andere weer zacht. Ik pakte vooreerst genoeg in de kombaars om -Andries in staat te stellen die zonder veel moeite te dragen; daarop zond ik hem met -die eerste vracht naar huis, hem gelastende het goed in zijn kamer te leggen, en die -dan toe te maken, en dan de tweede vracht te komen halen. Met die tweede vracht was -de kist leeg en de kwestie was nu wat wij met de leege kist zouden aanvangen. Het -was te gewaagd haar te laten staan waar zij was, en om haar waardeloos karkas naar -huis te slepen, daar <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>had ik geen lust in; bovendien zou het onmogelijk zijn om haar tegenwoordigheid in -ons huis te verhelen. Na een kort beraad tilden wij haar dus op, droegen haar zoover -wij konden de zee in, en lieten haar aan de genade van de woeste baren over. Tusschen -twee haakjes mag ik hier zeggen, dat ik nooit weer iets van de kist vernomen heb; -of ze misschien vandaag nog op de golven van den oceaan rondzwabbert, of er een tweede -strandroof aangaande haar gepleegd is, dat kan ik niet zeggen. In alle geval ben ik -maar blij dat die kist niet als stomme getuige van mijn misdaad ooit is opgetreden. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Toen wij de kamer van Andries binnen waren, en iets voor het venster hadden gehangen, -om het schijnsel van het licht niet te laten bemerken, staken wij een kaars op, en -onderzochten de waarde van onzen buit. Het was niet veel, en ik weet niet wie het -meest teleurgesteld was, ik of de oude jongen. ’t Was waar, er zat geld in de kist, -want wij vonden een klein lederen zakje, dat wij met een zekere soort van zenuwachtigheid -openden, doch, helaas, bij onderzoek bleek het zakje te bevatten.… de groote som van -vier oulap. Maar er was toch één ding van aanzienlijke waarde, namelijk een goud horloge, -een dier ouderwetsche dingen met dubbele kast, amper zoo groot als een „pompoen” zooals -<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>Andries het uitdrukte. Ik borg dat in mijn rokzak, even als een zeer mooi medaillon -van gedreven goud, dat een werkelijk prachtstuk was. De verdere inhoud bestond meest -uit kleederen, volgens de mode van het midden der achttiende eeuw, een oude verrekijker -waarvan echter een der glazen stuk was, een oude Statenbijbel, een psalmboek, en nog -een aantal snuisterijen van betrekkelijk weinig waarde. Ik gaf last aan Andries om -den Bijbel en eenige andere kleinigheden, die ik wilde bewaren, zoolang voor mij te -bergen, en verder de kleeren op de best mogelijke manier te verkoopen of op eenige -andere wijze van de hand te zetten, en wilde juist de kamer uitgaan, toen Andries -uitriep „Baasje, hier is nog een boek”; en met deze woorden overhandigde hij mij een -vrij dik gebonden boek, dat ik even snel opende, in de meening dat het van weinig -waarde zou zijn. Bij het openen viel mijn oog dadelijk op de woorden „Dagboek van -Jan van Eck”. „Zoo”, dacht ik bij mijzelven, „dat is zeker de eigenaar van de kist -geweest”, en ik besloot het boek met mij naar mijn kamer te nemen, om het bij gelegenheid -eens door te bladeren. Voor ik echter uit de kamer van Andries ging, beloofde ik den -ouden jongen, die blijkbaar zeer teleurgesteld was, dat er geen geld was gevonden, -en hij dus zijn deel van <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>de winst kwijt was, om hem den volgenden morgen een pond sterling te geven voor zijne -moeite, mits hij geen woord repte van het gebeurde. Die belofte bracht Andries dan -ook weder in een goede luim. Toen ik in mijn kamer kwam, voelde ik mij erg vermoeid; -ik ontkleedde mij snel, en wierp mij op bed, maar het was te vergeefs dat ik trachtte -te slapen. Ik voelde mij werkelijk als een misdadiger, en werd hevig gekweld met allerlei -vreeswekkende gedachten. Als die ellendige kist opspoelde, of als er iets van mijn -nachtelijk avontuur uitlekte, zou ik ongetwijfeld in groote onaangenaamheden komen; -misschien zou de rechter er bij te pas komen, en zou ik zoo niet gestraft, althans -gebrandmerkt zijn, en waarschijnlijk was mijn loopbaan dan bedorven. Kwaad met mijzelven -verwenschte ik de kist en alles wat er in zat, doch daardoor viel ik nog niet in slaap. -Plotseling schoot het mij in de gedachten dat als ik toch niet slapen kon, ik net -zoo goed eens een kijkje kon nemen in het dagboek van Jan van Eck. Ik haalde het dus -te voorschijn uit de plek waarin ik het geborgen had, en daarop weer onder de kombaars -kruipende, begon ik te lezen. Toen de zon den volgenden morgen in mijn kamer scheen, -vond zij mij nog bezig aan het lezen. Ik kan je nu niet alles vertellen wat in dat -boek stond, <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>maar ik zal het eens voor den dag halen, en dan kunt ge het zelve lezen.<span class="corr" id="xd31e377" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Met deze woorden stond de oude dokter op, ging naar zijn slaapkamer, en kwam spoedig -terug met iets onder den arm. -</p> -<p>„Hier is het dagboek van Jan van Eck, en.…” Op dat oogenblik werd er hevig aan de -deur geklopt, en op het geroep van „kom in” van den dokter, trad een man haastig de -kamer in, en zeide half ademloos: -</p> -<p>„Dokter, jij moet toch als je belieft gauw kom naar Piet van Rooijen, van Uitkijk; -zijn vrouw is banja ziek, en hij het mij gestuur om dokter dadelijk te kom haal”. -</p> -<p>„Naar Uitkijk”, riep de dokter uit, „machtig, kerel dit is amper zes uur te paard -hiervan daan. Ik zal natuurlijk gaan, maar kan jij niet wacht nie, tot dit daglicht -is; het is vreeselijk donker en koud daarbij”. -</p> -<p>„Ik zou niet om geef om te wacht nie, dokter”, luidde het antwoord, „maar oom Piet -heeft mij gezegd dat ik gauw moet maak, want dit is een gevaarlijke ding”. En hier -voegde de spreker er iets bij, dat bewees dat het inderdaad een geval van leven of -dood was. -</p> -<p>„Wel als dit zoo is, dan ga ik nu dadelijk met <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>jou mee” hernam de goede dokter, die nooit aarzelde, om waar zijn plicht hem riep, -te gaan, vooral als het een zaak van dezen aard gold. -</p> -<p>„Waar is jou kar?” vroeg hij, terwijl hij reeds bezig was om zijn kistje met medicijnen -en instrumenten voor den dag te halen. -</p> -<p>„Dokter die kar staat klaar ingespan”, was het antwoord; <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>ik het versche paarden van oom Jan Grobbelaar gekrijg, hullie is fluks, en zal ons -binnen vier uur naar Uitkijk breng”. -</p> -<p>„Loop haal dan maar die kar, dan zal ik klaar wees” zeide de dokter, en zich daarop -tot mij wendende, vervolgde hij: -</p> -<p>„Dit spijt mij, A, dat onze conversatie op deze manier gebroken wordt, maar daar is -nu niets aan te doen. Neem ondertusschen het boek maar mee, dan kan je het zoolang -lezen, en mij, als wij elkander weer zien, vertellen, wat je er van denkt, en dan -zal je ook wel begrijpen, waarom ik zooveel van de geschiedenis van Zuid-Afrika houd”. -</p> -<p>Ik bedankte den dokter hartelijk, nam afscheid van hem, en ging toen naar huis. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Den volgenden middag bracht men het lijk van dokter J. naar het dorp terug; hij was -het slachtoffer geworden van zijne plichtsbetrachting. In den <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>stikdonkeren nacht had de drijver het ongeluk gehad de kar om te gooien, de dokter -was onder de kar gevallen: zijn ruggegraat was gebroken, en hij was waarschijnlijk -dadelijk en zonder pijn geleden te hebben, overleden. Een benijdenswaardige dood voor -een man die altijd zijn plicht had gedaan tegenover God en den mensch, en die nooit -den dood had gevreesd. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Ik behield het dagboek van Jan van Eck, en maakte er geen gewag van aan den executeur -van des dokters boedel. Misschien deed ik daardoor iets waartoe ik volgens strikt -wet geen recht toe had. Maar aangezien ik hoop dat mijne lezers het voordeel van mijn -daad zullen hebben, daar anders naar alle waarschijnlijkheid zij nooit iets van het -dagboek zouden hebben gehoord, vertrouw ik dat zij mij niet zullen gaan verklagen -bij den procureur-generaal of eenig ander gevreesden ambtenaar, wegens het mij toeeigenen -van een andersmans goed. Sommige menschen zouden het misschien diefstal willen noemen, -maar dat is zulk een leelijk woord, dat ik het liever niet omtrent mijzelven wil gebruiken. -<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK II." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK II.</h2> -<h2 class="main">Waarin een begin wordt gemaakt met het verhaal, en de hoofdpersoon zijn intrede maakt.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het zou zeker het gemakkelijkste wezen voor mij, om maar zonder meer, hier het dagboek -overteschrijven, en mijne lezers er zich dan op de best mogelijke manier te laten -doorworstelen. Maar ik vrees dat dit een heel vervelend stukje werk voor hen zou wezen, -en dat er dan kans bestond dat zij, voor het boek nog half uit was, het ergens in -een hoek zouden werpen, met den uitroep: „Dat boek is mij te saai”. Om zulk een ongeluk -te voorkomen, heb ik besloten, om uit het materiaal in het dagboek vervat, een verhaal -optetrekken, in mijn eigene <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>woorden, en op mijn eigen manier, mij echter steeds vasthoudende aan de feiten zooals -bevat in het dagboek. Ik meen te mogen zeggen, dat over het algemeen, die feiten vrij -wel overeenkomen met hetgeen men in de geschiedenis boeken van die dagen vindt; hier -en daar is er een klein verschil, maar dit doet niet veel af aan de waarde van het -werk. -</p> -<p>Voor ik echter dit verhaal begin, is het noodig dat mijne lezers iets weten van den -man die dit dagboek heeft geschreven: Jan van Eck. Heel veel kan ik niet van hem vertellen, -want de familie van Eck schijnt in Zuid-Afrika vrij wel uitgestorven, zoodat het mij -niet doenlijk is geweest om eenige familie-dokumenten in handen te krijgen, en het -weinige dat ik heb kunnen uitvinden, en dat ik hier ga weergeven, bestaat deels uit -aanteekeningen gevonden in het boek van wijlen den heer C. C. de Villiers, en uit -gevolgtrekkingen door mij gemaakt uit hetgeen ik in het dagboek heb gevonden, schoon -de heer van Eck zelve maar zeer karig is in het geven van berichten omtrent zijn leven -of identiteit. -</p> -<p>In het jaar 1691 leefde er te Drakenstein een zekere Adriaan van Eck, die burger der -Kolonie was, en die in 1712 een zoon liet doopen met den naam van Johan. Deze Johan -had weder een zoon Johannes, geboren in 1741, en later gehuwd met Martha <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>Magdalena Cordier bij welke hij 3 kinderen had, waarvan de jongste, Arie, in 1799 -werd gedoopt. Geen dezer van Ecks kan echter de schrijver van dit dagboek zijn, om -de eenvoudige reden dat uit het dagboek zelve blijkt dat de schrijver niet gehuwd -was. Dat hij echter tot deze familie behoorde is geenszins twijfelachtig, want wij -zullen zien dat hij in de Kaapstad eene achternicht had, met name Elizabeth, weduwe -van Zacharias de Beer, die met hare kinderen verscheidene malen in dit werk voorkomen. -Nu is volgens het boek van den heer Villiers eene dochter Elizabeth, van den ouden -Johan van Eck gehuwd geweest met zekeren Zacharias Joseph de Beer, en het is dus zeer -waarschijnlijk dat dit de hierin vermelde Elizabeth was. Maar verdere nasporingen -van de <span class="corr" id="xd31e422" title="Bron: indentiteit">identiteit</span> van onzen schrijver hebben geen resultaten opgeleverd. -</p> -<p>Ook is het ons niet geheel duidelijk wat de schrijver van het dagboek geweest is; -er zijn echter passages in het boek die ons er toe zouden kunnen leiden om tot de -conclusie te komen dat hij vroeger in dienst der Compagnie is geweest, en een vrij -aanzienlijke betrekking heeft bekleed. Immers hij verkeerde blijkbaar op zeer intiemen -voet met een aantal der aanzienlijkste mannen in Kaapstad, velen waarvan hij bij hunne -voornamen noemt; ook schijnt <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>hij bekend te zijn geweest met verscheidene boeren uit differente deelen der Kolonie. -Ten tijde dat hij dit dagboek aanhield woonde hij in een klein huisje gelegen aan -het strand tusschen het tegenwoordige Woodstock en Zoutrivier; een oude kleurling -die in het dagboek dikwijls voorkomt onder den naam van Thijs, en die blijkbaar een -slaaf was, en jaren lang in dienst van den schrijver, zorgde voor hem, zoover het -koken van de kost, en dergelijke huishoudelijke zaken aangaat; en daarbij was hij -een vertrouwde van zijn meester, die hem allerlei gewichtige bezigheden liet verrichten. -</p> -<p>Over het geheel heeft het dagboek op mij den indruk gemaakt, dat Jan van Eck een dier -menschen was, dien men gewoonlijk met den naam van een zonderling bestempelt. Hij -woonde eenzaam in zijn huisje, ging geregeld iederen dag naar de stad om de nieuwtjes -te vernemen, en zijne familie en oude kennissen te zien, maar nam geen werkdadig aandeel -in de zaken, schoon wij zullen vinden, dat hij in 1795 dienst deed als soldaat, en -toen tot het zoogenaamde „Pennisten-korps” behoorde. Met zijne medemenschen had hij -niet veel op. -</p> -<p>Hij was een zeer belezen man, en had vooral een grondige kennis van de toenmalige -Franschen schrijvers; Voltaire<span class="corr" id="xd31e432" title="Niet in bron"> en</span> Diderot, kende hij op zijn duimpje, <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>maar zijn lievelings-schrijver was toch Jean Jacques Rousseau, en deze had een ontzettenden -invloed op hem gehad. Van Eck was volbloed revolutionair, en dweepte met de denkbeelden -van „de rechten van den mensch.” Hij haatte de <span class="corr" id="xd31e436" title="Bron: idëen">ideeën</span> van den ouden pruikentijd, had een hekel aan het monarchisme of aan alles wat er -naar zweemde, en was bovendien, op het gebied van godsdienst doordrongen van de denkbeelden -der toenmalige vrijdenkers. Er zijn bewijzen uit dokumenten in het archief der Kaap -Kolonie, dat op dit punt er ook nog anderen waren die in die dagen dezelfde <span class="corr" id="xd31e439" title="Bron: idëen">ideeën</span> koesterden. Men vergete niet dat de denkbeelden, die in 1789 de Fransche Revolutie -hebben veroorzaakt in Holland een groot aantal aanhangers hadden, zoo zelfs dat deze -er ernstige politieke verwikkelingen veroorzaakten, en de „Patriotten” zooals men -ze noemde, eene mislukte poging deden om den stadhouder der Nederlanden, Prins Willem -van Oranje (Willem de Vijfde) van alle macht te berooven. Deze poging, gedaan in 1787, -werd verijdeld door de „Prinsgezinden”, die gesteund werden door een groot leger, -hun ter hulpe gezonden door den koning van Pruisen; en het gevolg dezer mislukte poging -was, dat een groot aantal der „Patriotten” de wijk moesten nemen naar Frankrijk, waar -zij niet weinig werkzaam <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>waren, en ten slot te 1795 naar Holland terugkwamen, toen de Franschen dit land hadden -veroverd, en Willem de Vijfde de wijk had genomen naar Engeland. Jan van Eck, was, -wat zijne denkbeelden aangaat, een echte „Patriot”, en dit zal den lezer in dit verhaal -duidelijk worden, en verklaart tegelijk het feit waarom hij zulk een ontzettenden -haat tegen de Engelschen had, die toenmaals vijanden van de Franschen, en sterke ondersteuners -waren van het Huis van Oranje. -</p> -<p>Het bovenstaande zal ten minste onzen lezers eenig denkbeeld geven van den man die -het dagverhaal geschreven heeft, en wij kunnen thans ons verhaal voortzetten, of liever -gezegd, <span class="corr" id="xd31e446" title="Bron: beginnnen">beginnen</span>. Maar nog een kleine verklaring is noodig. Toen ik het boek van den dokter kreeg, -waren er verscheidene bladen uit het boek gescheurd, door wien, weet ik natuurlijk -niet; een geheel gedeelte, namelijk dat tusschen de jaren 1796 tot 1802 is zoo goed -als weg; andere deelen zijn door de actie van het zeewater dat toegang schijnt te -hebben gehad tot den inhoud der kist, bijna niet te ontcijferen. Waar dit het geval -geweest is, heb ik uit andere bronnen eene korte geschiedenis te zamen gesteld van -die tijden, daar anders het verdere gedeelte van het dagboek niet te begrijpen zou -zijn. En ten slotte <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>zij het hier gezegd, dat de eischen van plaatsgebrek mij hebben verplicht om veel -uit het dagboek te verkorten, en er zelfs belangrijke deelen uit te laten. Het is -echter niet onmogelijk, dat als dit boekje in den smaak van het Afrikaansche publiek -valt, ik later nog meer uittreksels uit het dagboek zal geven. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Op den morgen van den 12<sup>den</sup> Mei in het jaar 1791, omtrent 11 ure stonden er in de Graaffestraat (die later verkeerdelijk -Grave straat werd genoemd, en nu herdoopt is in Parliament street) in Kaapstad, drie -mannen een vrij opgewonden gesprek te voeren. De grootste dier mannen, een flinke -kerel van iets over de zes voet<span class="corr" id="xd31e458" title="Bron: .">,</span> en gekleed op eene wijze die toonde dat hij tot den deftigen stand behoorde, heette -Sebastiaan van Reenen, en was inderdaad een der aanzienlijkste inwoners van de Kaapstad -in die dagen, gedeeltelijk wegens zijn groote rijkdom, gedeeltelijk omdat hij een -zeer bekwaam man was, en deels ook omdat hij geparenteerd was aan bijna al de andere -aanzienlijke burgerfamiliën der stad, en dus een grooten invloed uitoefenen kon. Naast -hem stond een kort, eenigszins gezet man, die schoon niet zoo deftig uitgedoscht als -de heer van Reenen, ook tot de betere klasse van burgers scheen te behooren, en wiens -broeder <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>dan ook de vrij aanzienlijke betrekking van Resident van Simonsbaai bekleedde. Zijn -naam was Pieter Brand, waaruit men merken kan, dat hij tot een oud Kaapsch geslacht -behoort. De derde man is insgelijks een klein mannetje, iets kleiner zelfs dan de -heer Brand; hij is daarenboven veel schraler dan deze, en zijne kleeding is veel eenvoudiger -dan die der anderen; ja, men zou zelfs zeggen dat ze hem slordig aan het lijf zitten, -en dat de drager geen man is die zich erg moe maakt over zijn uiterlijk aanzien. Hij -is een man van iets over middelbaren leeftijd, naar schatting omtrent acht en veertig -of vijftig jaar oud. Haren en baard vertoonen de eerste sporen van grijsheid, maar -hij loopt nog flink rechtop, en zijne houding heeft zelfs iets „parmantigs” over zich, -terwijl gebaren en spraak toonen dat het hem geenszins aan levendigheid ontbreekt. -De naam van dezen man is Jan van Eck, en hij woont als jonggezel in een klein huisje -aan het strand tusschen de stad en de Zoutrivier. -</p> -<p>De heer Van Eck is aan het woord, en hij zegt op heftige wijze, terwijl hij zijn Malacca -rottang, met zilveren knop, heen en weer zwaait: -</p> -<p>„’t Is alles van het zelfde brouwsel, die groote heeren van de Compagnie, mijnheer -van Reenen; iedereen zorgt slechts voor zich zelven; wat van de <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>Compagnie of van den lande wordt schijnt niemand te kunnen schelen. En natuurlijk, -als men de gunst geniet van zijne Hoogheid den Stadhouder, dan behoeft men zich niet -aan de bevelen der Compagnie te storen”. -</p> -<p>„Ik beaam niet alles wat gij daar zegt, mijnheer van Eck,” hernam de heer van Reenen, -op ernstige wijze, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>want er zijn ambtenaren zooals de broeder van onzen geachten vriend, de heer Brand, -die wel degelijk hun plicht doen, maar ik vind het toch een schandaal dat mijnheer -de Gouverneur op deze onbeschaamde wijze handelt. ’t Is nu toch al meer dan drie maanden -geleden dat ZEd. uit Patria orders heeft ontvangen om het bestuur hier neder te leggen, -en zulks ten gunste van den Secunde, en op het oogenblik speelt hij toch nog de baas, -alsof hij van niets wist.” -</p> -<p>„Dat zou zeker niet het geval zijn, als het niet ware, dat de Fiskaal van Lynden<span id="xd31e475"></span> hem in zijn verzet steunt” viel den heer Brand in „die man is een ware vloek voor -deze volksplanting.” -</p> -<p>„Ja waarlijk, dat moogt gij wel zeggen, mijnheer Brand” hervatte van Eck, „nog nooit -is alhier het recht op zulke schandelijke wijze veil geweest als het thans is; de -rechtvaardigheid, het eenige juweel, dat de burger tot nu toe had, wordt aan den hoogsten -<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>bieder verkocht, en het volk schijnt er zich niet tegen te durven verzetten. Neen, -dan was het wat anders in de dagen van Adam Tas, zaliger memorie; toen durfde men -nog voor zijne rechten opstaan, en als er thans onder onze burgers denzelfden manmoedigen -geest heerschte, dan was Cornelis Jacob van de Graaff al lang op het eene of andere -schip gezet, en zonder complimenten naar huis toe gezonden, wat ook de Stadhouder -mocht hebben gezegd. Maar wij zijn slaven geworden, en eerst als de Fransche Republiek -ons de ware vrijheid zal hebben gebracht, zal er een betere tijd voor de volksplanting -opdagen”. -</p> -<p>„Bedaar u wat mijnheer van Eck,” zeide van Reenen op waarschuwenden toon, „men mocht -u eens hooren, en dan zoudt gij misschien op zeer onaangename wijze kunnen kennis -maken met den Fiskaal”. -</p> -<p>„Hebt gij nog geene tijdingen uit Graaff-Reinet<span class="corr" id="xd31e484" title="Bron: ”">,</span> mijnheer van Reenen<span class="corr" id="xd31e487" title="Bron: „">?” </span>vroeg van Eck bedaard, alsof hij niet de minste notitie nam van de woorden van dezen; -<span class="corr" title="Niet in bron">„</span>ik hoorde gisteren een gerucht dat er daar heel wat <span class="corr" id="xd31e492" title="Bron: ontevrodenheid">ontevredenheid</span> heerscht, en de zaken er leelijk staan”. -</p> -<p>„Men is er zeer gebelgd over de onverschilligheid van den Politieken Raad, en eischt -bevelen omtrent een kommando tegen de Bosjesmannen die het de <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>boeren aldaar zeer lastig maken moeten<span class="corr" id="xd31e499" title="Niet in bron">,”</span> was het antwoord<span id="xd31e501"></span>. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>De regeering behoort zeer voorzichtig te zijn met de burgers van <span class="corr" id="xd31e506" title="Bron: Graaff-Reinett">Graaff-Reinet</span>” viel hier de heer Brand in „ik ken de bevolking daar goed, en zij zullen zeker niet -verdragen wat de menschen hier verdragen”. -</p> -<p>„Dat is een waar woord, mijnheer Brand” zeide van Eck, „de burgers van Graaff-Reinet -en ook die van Swellendam zijn wakkere mannen, die de vrijheidsliefde van hunne voorvaderen -nog hebben bewaard, en zich niet zullen laten vertrappen door een handjevol betweters, -die meenen alles te kunnen doen, omdat zij in den gunst van den Prins of van de Hoog -Mogenden meenen te staan. Laat men maar oppassen; de waarheid is ook reeds in die -streken doorgedrongen, en het volk begint zijn eeuwige rechten, hem door de Natuur -geschonken te kennen. Vrijheid, Gelijkheid, en Broederschap, zijn voor hen geen ijdele -klanken meer, maar zullen spoedig werkelijkheid worden. En dan wee de ellendelingen -die hen zoolang onderdrukt en uitgezogen hebben”. -</p> -<p>Het gezicht van den heer van Reenen betrok, toen hij deze woorden hoorde, en hij keek -den spreker scherp aan; deze beantwoordde dien blik echter even scherp, waarop de -heer van Reenen zijn mond tot een glimlach plooide, en zeide: -<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p> -<p>„Ik ga u groeten, mijnheer van Eck<span id="xd31e515"></span>, want gij wordt mij ietwat te gevaarlijk, en ik heb geen lust om u gezelschap te -houden in het Kasteel, waar gij ongetwijfeld zult belanden, als gij uwen vinnigen -mond niet wat meer in toom houdt”. -</p> -<p>De drie heeren scheidden. Van Reenen en Brand stapten in de richting van de Parade, -terwijl de heer van Eck zijn weg voortzette, het Stalplein overging, en toen een weg -insloeg die de helling van den Tafelberg opging. Al loopende, mompelde van Eck steeds -bij zichzelven, en het was niet alleen mompelen, maar ook morren, want hij zeide, -op driftige wijze, en zoo hoorbaar, dat als iemand hem voorbij gegaan was, deze de -volgende woorden had kunnen vernemen: -</p> -<p>„Van Reenen heeft mooi praten met zijne waarschuwingen. De kerel is, dat weet ik, -net van dezelfde opinie als ik, en is een even echte patriot. Maar zooals vele anderen -is hij banghartig, en speelt den heilige, uit vrees voor zijn karkas. Wat heeft men -aan zulke lammelingen, die even als Erasmus in de oude dagen, alles beamen wat er -door Luther gezegd en geschreven werd, maar die niet gemaakt zijn uit het materiaal, -waaruit de martelaren bestonden. ’t Is huilen met de wolven in het bosch, wat zulke -menschen doen; maar wacht maar een weinig, mijnheer <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>van Reenen, de wolven zullen net nu een ander deuntje huilen, en dat zal dan ook uw -deuntje zijn. Maar een voorzinger om de goeie gemeente te leiden, dat te zijn, daar -hebt gij den moed niet toe. Wat een geluk dat Voltaire, of Rousseau niet zulke lafhartigen -waren; hadden zij de kat de bel niet omgehangen, dan zuchtte men heden nog in Frankrijk -onder het wanbestuur der Capets.” -</p> -<p>Op deze wijze lucht gevende aan zijn overkropt gemoed, en aan zijn verachting van -alles wat valsch en schijnheilig was, stapte van Eck ijverig voort, totdat hij eindelijk -aan een breed hek was gekomen, waarop in vergulde letters stond te lezen—“<span class="corr" id="xd31e525" title="Bron: zeezicht">Zeezicht</span>”. Hij ging dit hek door, liep het net gegruisde pad op, en bevond zich spoedig voor -een net gebouwd huis, eenigszins in den vorm van een boerenwoning, aan beide zijden -waarvan er zich dan ook eenige buitengebouwen bevonden, die blijkbaar dienden, als -stallen, wijnkelders en slavenwoningen, terwijl aan den achterkant van deze gebouwen -een groote wingerd zichtbaar was, wier bladen in het late seizoen reeds waren afgevallen, -terwijl daarentegen de eikenboomen, die zich in twee statige rijen aan beide zijden -van het huis verhieven nog in al hun bladerdos prijkten, al was er hier en daar reeds -een geele tint aan hen te bespeuren. -<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p> -<p>De heer van Eck stapte juist den hoogen stoep van het woonhuis op, toen een ontzettend -groote hond, geel van kleur met zwarten bek, van den zijkant opsprong en met heftig -gebas aan kwam zetten; toen hij echter de reuk van den bezoeker kreeg, veranderde -hij van houding, en kwam kwispelstaartend op den aankomeling af, die blijkbaar een -oude kennis van het dier was, en die het dan ook een vriendelijk „zoo Caesar, zou -jij den ouden baas niet meer kennen” toesprak. -</p> -<p>Intusschen was eene rijzige vrouw, wier grijze haren verrieden dat zij minstens vijf -kruisjes achter den rug had, maar die toch nog eene fiere houding had, op den stoep -verschenen, en liep van Eck vriendelijk groetend tegemoet. -</p> -<p>„Kijk, neef, dat is nu net mooi van je; ik zeide daar net tegen Annie, dat het heel -aardig zou zijn als gij van daag hier kwaamt.” -</p> -<p>„Wat is er dan weer aan den gang, Bette,” sprak van Eck, terwijl hij zich met een -roodzijdenen doek het voorhoofd afwischte, want de perspiratie liep daar in groote -parels af, daar de zon nog heel wat kracht had, en als een vuurbol in den wolkenloozen -hemel schitterde. „Is Zachje weer in moeilijkheden, of hebt gij misschien uw nieuwe -wijn reeds getapt? Om de waarheid te zeggen zou een roemer jonge <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>wijn mij uitmuntend smaken,” vervolgde van Eck lachend. -</p> -<p>„Kom maar binnen, neef, en dan zal de wijn zich wel laten vinden, al is die van verleden -jaar, want de oogst van dit jaar is nog niet goed drinkbaar. Maar gij blijft zeker -wel bij ons eten, niet waar?” -</p> -<p>„Dat was inderdaad mijn plan, waarde nicht, als ik u niet derangeer,” antwoordde van -Eck, en meteen liet hij zich nederglijden op een rustbank die op de stoep in de schaduw -stond. -</p> -<p>Mevrouw de weduwe Elizabeth de Beer, zooals de eigenares van Zeezicht heette, was -ongetwijfeld gewoon aan de gemakkelijke manieren van haar neef, die deed alsof hij -thuis was, en geen aanstelletjes had; zij riep dan ook eene slavin en beval deze een -kan wijn en een paar glazen te halen, en een paar minuten daarna, was van Eck in staat -om zijn dorst te lesschen met een flink glas Kaapsche wijn, terwijl ook zijne nicht -zich den heerlijk verfrisschenden drank liet smaken. -</p> -<p>„En wat nieuws is er in de stad, neef?” vroeg zij daarop, terwijl zij den roemer van -haren gast nog eens vulde, want schoon van Eck een matig man was, wist zij dat hij -van twee glazen zuiveren wijn niet „hoenderkop” zou worden. -</p> -<p>„Men is in de stad blijkbaar volstrekt niet gesticht <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>op het verdere gezelschap van den edelen gouverneur”, antwoordde van Eck, „en dat -verwondert mij dan ook geenszins, want de man heeft het bont genoeg gemaakt, en heeft -het zuurverdiende geld der arme burgers er op schandelijke wijze doorgejaagd”. -</p> -<p>„Ik hoorde Hans er van morgen iets over zeggen, maar ik begreep niet goed wat hij -meende” zeide mevrouw de Beer. „Zoover ik opmaakte, scheen hij van opinie te zijn -dat de gouverneur het volmaakste recht had om hier te vertoeven totdat hij zijne private -zaken in orde had gemaakt, en was al dat lawaai niets anders dan afgunst van den heer -Rhenius, den Secunde, die zijne partij opstookte, omdat hij kwaad is dat de macht -hem nog niet in handen is gegeven, en hij het hoogere salaris niet kan trekken, voordat -de gouverneur deze kusten heeft verlaten”. -</p> -<p>„Zoo, dat had ik mij wel kunnen denken, dat Hans ook al van het hondje gebeten is. -Hij werkt nu op het kantoor van den Fiskaal, is het niet?” -</p> -<p>„Ja, van af het begin der vorige maand is hij daar heen verplaatst, en het schijnt -hem er goed te bevallen”, luidde het antwoord. -</p> -<p>„’t Is jammer dat ik er niet vroeger van geweten had, dan zou ik u hebben gewaarschuwd, -en u aangeraden hebben om te zien of gij geen ander baantje <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>voor uw oudsten zoon had kunnen krijgen. Het gezelschap van den heer van Lynden is -niet zeer geschikt voor een jongmensch die de verleidingen van het leven en de strikken -des duivels nog niet juist kent”. -</p> -<p>„Wel, neef, dat zijn natuurlijk dingen, waar eene arme vrouw als ik niets van af weet; -maar zie, daar komt Hans juist aan, en het zou misschien niet slecht zijn, zoo u met -hem gingt spreken over de zaak; wellicht is er nog een plan te vinden”. -</p> -<p>Mevrouw had nauwelijks deze redevoering klaar, of haar oudste zoon Hans, een flink -opgeschoten jongeling van omtrent twee-en-twintig jaar, kwam de stoep op. De jonge -man had iets astrants in zijn uiterlijk, dat een eigenzinnig karakter verried, en -als hij dit was, dan behoefde men hier niet verwonderd over te zijn, want de vader -van Hans was overleden toen deze negen jaar oud was, en de weduwe had den vrij balsturigen -knaap niet in de noodige orde kunnen houden, zoodat Hans veel te veel zijn zin had -gekregen, en de baas in het huis speelde. Hij groette zijn neef eenigszins kortaf, -en zette zich toen op de rustbank naast dezen neder, waarop hij een slaaf riep en -dezen gelastte nog een glas te brengen; toen hij dit gekregen had schonk hij zich -een duchtigen versterking in, en dronk dit <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>uit, zonder op ’s lands manier den gast van zijne moeder gezondheid te wenschen. -</p> -<p>Jan van Eck keek den parmantigen knaap van ter zijde aan, en zeide toen bedaard: -</p> -<p>„Ik hoor, Hans, dat gij thans in het kantoor van den Fiskaal werkzaam zijt; hoe bevalt -het u daar?” -</p> -<p>„Uitstekend oom”, luidde het antwoord, „het is zeer vermakelijk om te zien hoe de -Fiskaal met de menschen weet om te springen, en hij is zeker een der <span class="corr" id="xd31e561" title="Bron: geslependste">geslepenste</span> kerels in de Kaap. ’t Is een oude rot, die niet makkelijk in den val loopt”. -</p> -<p>„Ja, dat is hij zeker, maar oude rotten worden soms ook gevangen en dan hebben zij -het menigmaal harder te verantwoorden dan de jongere dieren”, zeide van Eck koeltjes, -en daarop vervolgde hij: „De heer Fiskaal schijnt echter geen populair man te zijn -onder de burgers, ten minste niet naar ik hoor”. -</p> -<p>„Dat weet hij ook wel, maar daar stoort hij zich niet aan; hij veracht de menschen, -en zegt dat over het algemeen de kolonisten te onbeschaafd zijn dan dat men notitie -behoeft te nemen van wat zij zeggen”. -</p> -<p>„Heeft hij dat in uwe tegenwoordigheid gezegd?” vroeg van Eck verbaasd. -</p> -<p>„Oh, ja, hij windt er geen doekjes om, en zegt net wat hem op het harte ligt”, hernam -de jonge <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>man, en dit op een toon die te kennen gaf dat het gedrag van zijn chef zijn bewondering -verwekte. -</p> -<p>De aderen aan het voorhoofd van Jan van Eck zwollen als koorden, zijn gelaat werd -vuurrood, en hij mompelde iets dat veel klonk naar een krasse vloek. Toch bedwong -hij zich, tot hij tegen zijn neef uitbarstte: „En gij Hans de Beer, een Afrikaner -van geboorte, en uit een oud Kaapsch geslacht ontsproten, gij laat iemand dat in uw -gezicht zeggen, zonder dit tegen te spreken. Foei, schaam u wat: ik zou in mijn jonge -dagen mij niet zoo hebben laten beleedigen”. -</p> -<p>De jonge man was een weinig bedeesd onder dezen onverwachten aanval, maar herstelde -zich toch spoedig, en antwoordde toen op scherpe toon: „Maar wildet gij dan hebben -dat ik met mijn chef onaangenaamheden moet krijgen, en met hem ruzie maken over zulk -een bagatel, neef? De heer van Lynden is een invloedrijk man, en het zou wel dwaas -van mij zijn, om hem niet te vriend te houden”. -</p> -<p>„Ik geloof dat gij den invloed van den Fiskaal veel te hoog schat”, hernam de oudere -man, „en al was hij de stadhouder zelf, dan zou ik mijn medekolonisten niet ongestraft -hebben laten beleedigen, in alle geval niet stilzwijgend. Het spijt mij ten zeerste -dat gij op dat kantoor zijt terecht gekomen. <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>en gij zult er niet veel goeds leeren. Als ik u was Hans, dan zou ik om verplaatsing -aanzoek doen”. -</p> -<p>„U heeft zeer wonderlijke veroordeelen, neef”, waagde de jonge man te zeggen, „de -zaak is eenvoudig dat gij weet dat de Fiskaal Oranjegezind is, en gij zelve een Patriot -zijt, en daarom haat gij den heer van Lynden, omdat gij vreest dat hij een oog op -u heeft. Maar een man als de heer van Lynden, die den steun en de achting van den -Gouverneur geniet, is verheven boven uwe aantijgingen”. -</p> -<p>Onder andere omstandigheden zou de heftige Jan van Eck den man die hem zulke woorden -had toegevoegd een slag met zijn rottang in het aangezicht hebben gegeven; de gedachte -echter, dat een domme melkbaard zooiets zeide, en het feit dat die melkbaard een zoon -was van eene zeer geliefde nicht, hield zijn arm tegen, schoon de rottang werkelijk -een paar duim van den grond rees, om daarop langzaam te zinken. -</p> -<p>„Hans, gij zijt een dwaas, die niet weet wat gij praat, en als gij wat meer verstand -hebt, zal het u spijten zulke onbekooktheden tegen mij te hebben gezegd. Ik verzeker -u echter dat gij u deerlijk vergist, en dat het u geraden is niet al uw vertrouwen -te stellen in den Fiskaal, en zelfs niet in den Gouverneur want hun beider rijk is -waarschijnlijk zeer spoedig uit”. -<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span></p> -<p>„Zoudt gij dan denken dat de Gouverneur dwaas genoeg zou zijn om naar Patria terug -te gaan op de eerste aanmaning hem daartoe door de directeuren gezonden. Hij heeft -natuurlijk naar zijne vrienden in Patria geschreven, om hen te vertellen, dat hetgeen -men in Holland van hem verteld niets dan leugens zijn van zijne tegenstanders alhier, -en hij zal vragen dat men eene commissie uitsture om onderzoek naar den toestand der -zaken alhier te doen. De heer van de Graaff is niet de man er naar, om zoo maar het -veld te ruimen voor zijne vijanden, en hij heeft een uitmuntenden raadgever in den -Fiskaal, die weet wat hij doet”, luidde het heftige antwoord van den jongen Hans. -</p> -<p>„Zoo, zoo, zit de vork zoo in den steel”, sprak van Eck, en hij wilde juist nog iets -hierbij voegen, dat misschien niet zoo bedaard zou geweest zijn, toen plotseling de -stem van zijn nicht zich deed hooren, die weder op de stoep verscheen, met „komt, -neef Jan, en Hans, komt eten, de kost wordt anders koud en dat zou jammer zijn”. -</p> -<p>Neef Jan had een half uur geleden een geweldigen appetijt gehad, maar de woordenstrijd -met Hans had dien geheel en al bedorven, en de oude heer was alles behalve vriendelijk -gestemd toen hij de ruime eetkamer intrad, en daar de andere leden der familie <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>aantrof, namelijk de eenige dochter van Mevrouw de Beer, Annie genaamd, een zeer mooi -meisje van omtrent 17 jaar, en de tweede zoon des huizes, een knappe jongen van 19 -jaar, die naar de boerderij van zijne moeder keek, en als zoodanig de rechter hand -dier moeder was. Hij had een geheel anderen aard dan zijn broeder Hans, deze Andries -de Beer, en schoon meer bedeesd dan deze, was hij veel verstandiger dan zijn ouderen -broeder. -</p> -<p>Annie was een lieveling van den stuggen Jan van Eck, maar heden was neef Jan zoo verstoord -dat hij haar slechts zeer koel groette, en ook onder het eten in gedachten verzonken -scheen. Nicht Bettie giste dat er weer een hevige woordenwisseling had plaats gevonden -tusschen haar neef en haar zoon, want dergelijke tooneeltjes waren niets ongewoons; -toch had zij nooit gezien dat neef zich zulk een zaak aldus aantrok als hij heden -scheen te doen, en zij kon dan ook niet helpen om te vragen, wat Hans nu weer gezegd -had om neef zoo overstuur te maken. -</p> -<p>Hans antwoordde niet, want hij begon zich reeds over zijn gedrag te schamen, en daarbij -gevoelde hij dat hij in zijne aanmerkingen over de plannen van den Gouverneur, plannen -waarover hij den heer van Lynden had hooren praten, zijn mond had voorbij gepraat, -en geheimen uit het kantoor had verklikt, <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>iets dat hem duur kon te staan komen. De heer van Eck daarentegen begon nu eerst geweldig -ergerlijk te worden over het gedrag van zijn jongen neef, en, op de vraag van Mevrouw -de Beer, barstte hij dan ook plotseling uit: -</p> -<p>„Nicht als gij daar dien oudsten zoon van u niet spoedig den mond snoert, zal hij -u en anderen in groote ongelegenheden brengen<span class="corr" id="xd31e597" title="Niet in bron">.</span>” „Ach, neef,” hernam nicht op goeielijken toon, „jonge harten zijn maar onbezuisd, -en Hans meent het zoo kwaad niet, is het wel Hans?” Hans gaf geen antwoord, maar Annie -nam nu de zaak op en zeide: -</p> -<p>„Oom Jan, gij moogt heden niet uit uw humeur wezen, want wij hebben vandaag juist -een spul heerlijke pampoenkoekjes gemaakt, en gij weet dat is uw lievelingsgerecht”. -</p> -<p>„Ja, neef, het was daarom dat ik tegen Annie gezegd heb, dat ik hoopte dat gij heden -hier zoudt aankomen, en gij moogt nu niet een zuur gezicht trekken, want anders zou -het mij gaan spijten, en zal ik bang zijn dat de koekjes u niet zullen smaken”. -</p> -<p>Jan van Eck was mensch; daarenboven was hij Afrikaner; en hoe kwaad hij ook mocht -zijn, tegen de verleiding van „pampoenkoekjes”, vooral zoo als nicht Bettie ze bakken -kon, was zelfs de volgeling van Jean Jacques Rousseau niet bestand. Hij glimlachte -<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>eerst wel wat stijf, maar de lach werd steeds breeder en guller, vooral toen de „koekjes” -door de meid op tafel werden gebracht, en nicht hem toen een viertal op zijn bord -plaatste, „om mee te beginnen” zeide zij; en toen een uur later Neef Jan van Nicht -Bettie afscheid nam, zou niemand hebben kunnen raden, dat slechts een kleine twee -uur geleden Jan van Eck zoo kwaad was geweest, als hij zich niet herinnerde ooit te -zijn geweest voor dezen. -</p> -<p>Drie dagen daarna kreeg Hans de Beer echter een verschrikkelijke schrobbeering van -zijn chef, omdat deze had uitgevonden dat Hans uit de school had geklapt en dat nog -al tegen dien gemeenen hond van een patriot Jan van Eck. Toch had die hond van een -patriot gelijk gehad. Het rijk van den Fiskaal was uit. Toen op 24 Juni de heer van -de Graaff zich eindelijk inscheepte om naar Holland terug te keeren, nam van Lynden -heimelijk de vlucht met hem. Nu de leeuw weg ging, vond de jakhals het niet geraden -om zich alleen te wagen tusschen de burgers, van wier haat hij zich maar al te goed -bewust was. -<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK III." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK III.</h2> -<h2 class="main">Een leelijk standje.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Voor ik dit verhaal voortzet, moet hier gemeld worden dat ongelukkig in het begin -van het dagboek er een tachtig of honderd bladen zijn uitgescheurd, door wat de dichter -zou noemen „een godvergeten hand”. Daar het verlorene een tijdperk van iets meer dan -een jaar beslaat, ben ik dus wel verplicht om hier een stukje geschiedenis op mijn -eigen houtje te geven, ten einde mijne lezers den draad der geschiedenis niet te laten -verliezen. -</p> -<p>Reeds lang voor het vertrek van Gouverneur van de Graaff uit de Kaapstad, was men -in de Nederlanden tot de conclusie gekomen dat het met <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>de Oost-Indische Compagnie niet meer in den haak was. De Compagnie had groote schulden, -en zij kon niet eens meer de renten op hare schuldbrieven betalen. De zaak was van -groot belang voor het publiek, en daarom vonden de Staten Generaal zich gedrongen -om van hun recht gebruik te maken, en een onderzoek te doen instellen naar den toestand -der Compagnie. Het rapport uitgebracht door eene daartoe speciaal aangestelde commissie, -was van dien aard, dat verdere maatregelen noodig werden beschouwd, en vier heeren -werden aangesteld, met een bijna onbeperkte macht, om de kolonien der Compagnie in -persoon te gaan bezoeken en zich te vergewissen van den aldaar heerschenden toestand. -Twee der leden dezer commissie, de heeren Sebastiaan Cornelis Nederburgh, eerste advokaat -der Compagnie, en de zeekapitein Simon Hendrik Frykenius, werden aangewezen om de -kolonie de Kaap de Goede Hoop te bezoeken, en deze heeren kwamen den 18<sup>den</sup> Juni 1792 te Simonsstad aan met het oorlogsschip de <i>Amazone</i>. -</p> -<p>Er was sinds het vertrek van Gouverneur van de Graaff niet veel van belang in de kolonie -geschied. De heer Rhenius had het bestuur overgenomen, en de zaken gingen hun ouden -gang. In de distrikten <span class="corr" id="xd31e624" title="Bron: Graaff Reinet">Graaff-Reinet</span> en Swellendam had men op een manier <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>de rust een weinig hersteld door een sterk kommando te doen uittrekken tegen de Bosjesmans, -waarvan een menigte werden gedood. Toch had zich door de geheele kolonie een geest -van verzet tegen de regeering vertoond, die bewees dat er noodzakelijk verandering -moest komen, wilde men niet het gevaar loopen van een algemeenen opstand. Toen b.v. -de politieke raad een nieuwe belasting, de successierechten oplegde, was de onwil -daarover zoo groot, dat de raad, om ergere dingen te voorkomen, zich verplicht zag, -om op haar eens genomen besluit terug te komen, en men begrijpt dat dit teeken van -zwakheid niet ongemerkt voorbij ging, en hen, die begonnen waren zich tegen de aanmatigingen -van de Compagnie te verzetten, aanmoedigden om in hunne pogingen te volharden. -</p> -<p>De pas aangekomene commissarissen vonden dan ook spoedig uit, dat zij te doen hadden -met mannen, die zich door geen ijdele woorden of zoete beloften lieten tevreden stellen. -Net een week na hunne aankomst maakten de leden van den Burgerraad hunne opwachting -bij de commissarissen, om hen bekend te stellen met een lange reeks van grieven die -de burgers meenden te hebben. De namen der leden van den Burgerraad verdienen hier -<span class="corr" id="xd31e631" title="Bron: te worden te worden">te worden</span> vermeld. Het waren de heeren Jan Smuts, <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>Gert. H. Meijer, Hendrik J. de Wet, Andries Fleck, Hendrik Truter, en Hendrik P. Warnecke, -allen mannen van naam en invloed. -</p> -<p>De commissarissen waren onverstandig genoeg om te weigeren den Burgerraad te erkennen -als een lichaam dat het recht bezat om grieven voor te brengen. En daarop begonnen -de poppen te dansen, en hoe ze dansten dat zullen wij nu eens vertellen, zooals wij -het aangeteekend vinden in het dagboek, dat een aantal bijzonderheden geeft, die in -andere boeken niet te vinden zijn. -</p> -<p>’t Is den 30<sup>sten</sup> dag van Juni 1792 en een dier heerlijke dagen die de winter van het Kaapsche schiereiland -ons eenmaal in een dozijn jaren schenkt. Het heeft een week lang geregend, maar drie -dagen geleden is er een einde aan het natte weer gekomen en heeft de zon met buitengewone -kracht geschenen, zoodat alle straten en wegen droog en schoon zijn. Op dezen morgen -(want het heeft zooeven negen uur geslagen), waait er slechts een fijn luchtje, iets -wat Jan van Riebeeck een „labberkoelte” zou genoemd hebben, en de heldere hemel geeft -vader Sol alle mogelijke gelegenheid om zijne stralen op de aarde te zenden, van welke -kans hij dan ook alle gebruik maakt. -</p> -<p>Vooral op de groote Parade, die zich voor de <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>Keizersgracht uitstrekt, en aan wier oostzijde het Kasteel zich trotsch verheft, terwijl -aan de westzijde de Heerengracht een begin van den weg maakt, die tot aan de Compagnies -tuinen leidt, en daar dood loopt tegen de slavenloge, is het zeer warm, maar men heeft -er toch een mooi uitzicht. Aan den eenen kant ziet men de Tafelbaai, wier wateren -thans kalm wiegelen, en die thans een half dozijn <span class="corr" id="xd31e646" title="Bron: Oost-Indievaarders">Oost-Indiëvaarders</span> dragen, welk ieder oogenblik verwachten de thuisreis te zullen aanvaarden, daar het -Kaapsche <span class="corr" id="xd31e649" title="Bron: stormsaizoen">stormseizoen</span> nadert, die de Tafelbaai tot een der gevaarlijkste havens der wereld maakt, en daar -bijna elk jaar tallooze offers eischt. Aan den kant tegenover de zee, valt het oog -eerst op het nog niet geheel voltooide nieuwe hospitaal dat thans echter dienst doet -als kazerne voor de troepen, en inderdaad ook nooit zijn oorspronkelijke bestemming -als hospitaal heeft bereikt, maar altijd een soldatenhuis is gebleven. En daarachter -verheft zich, trotsch en eeuwig onveranderlijk de Tafelberg, rechts en links geflankeerd -door de Duivelspiek en den Leeuwenkop, een panorama, zoo schoon als maar ter wereld -kan worden gevonden. -</p> -<p>Doch het is niet met de natuur dat wij ons heden morgen willen bezig houden, al verdient -zij dit ruimschoots, en al zou een loflied op Tafelbergs pracht geenszins ongepast -zijn. Neen, het is met <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>den mensch dat wij ons willen bemoeien, en heden morgen zijn er exemplaren genoeg -van den heer der schepping te vinden op de Parade. Er zijn er ten minste een heel -aardig klompje reeds, en hun aantal vermeerdert elk oogenblik. Want er is heden eene -groote vergadering bepaald, en het is duidelijk dat de Kapenaars groot belang gaan -stellen in de te besprekene kwesties. Op dit oogenblik is de vergadering nog niet -begonnen, want de daarvoor bepaalde tijd is eerst tien uur; wij hebben dus den tijd -om eens een kijkje te nemen en een wandeling te doen tusschen de klompjes menschen, -die hier en daar vergaderd zijn, om voorloopig de zaken te bepraten. Dat die zaken -van gewicht moeten zijn, dat lijdt geen twijfel, want de personen reeds tegenwoordig -schijnen zeer opgewonden, en men mist geheel die koele bedaardheid die anders den -Kapenaar onderscheidt, want het oud Hollandsche bloed van Jan Saai, dat zit bij de -meesten diep in de aderen. Het Afrikaansche volk was even als in 1901, ook in 1792 -een zeer lijdzaam volk, dat niet snel aan het roeren geraakte; maar kwam het in beweging, -dan volgde er ook een gansche uitbarsting en dan hield het niet op met agiteeren, -totdat het zijn zin had gekregen. -</p> -<p>Maar ziet, hier zijn wij bij een klein klompje <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>menschen, die met bijzonderen drift staan te redeneeren, men zou bijna zeggen, te -twisten, zoo luid praten zij. Er zijn onder het hoopje een paar die wij reeds kennen; -daar staat de heer van Reenen, even netjes aangekleed als altijd; naast hem zien wij -onzen ouden vriend, den heer van Eck, die, in tegenstelling van zijn vriend niet de -minste moeite heeft genomen met zijn toilet. Bij hen staat de heer J. P. Baumgardt, -die iemand van eenigen invloed is, en die wij later misschien wel eens meer zullen -ontmoeten. De vierde man is de heer Jan Smuts, een der leden van den Burgerraad van -Kaapstad, een achtenswaardig man van over de zestig jaren, lid van een der aanzienlijkste -familien der Kolonie, en die grooten invloed bezit. Hij is het die wij aan het woord -vinden, en hoort maar eens wat hij, op eenigszins opgewonden manier zegt: -</p> -<p>„’t Is doodeenvoudig een schandaal, mijnheer van Reenen, zooals de Commissarissen -ons hebben behandeld. Men wil niet eens naar ons luisteren, en beweert dat wij geen -recht hebben om namens het volk dezer kolonie te spreken. Ik zou wel eens willen weten -wie anders het recht zou hebben zulks te doen. Wie weet beter dan wij wat voor deze -volkplanting vereischt wordt? Wie kan beter een oordeel vellen over de misbruiken -die in de laatste dertig <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>jaren en meer zijn ingeslopen in de regeering van dit ongelukkige land? Van af den -dood van vader Tulbagh, zaliger gedachtenis, zijn dingen hier steeds achteruit gegaan, -en thans zijn zij in zulk een toestand dat als er niet spoedig verandering ten goede -komt, ik het ergste vrees. Er heerscht groote ontevredenheid onder alle standen; het -zijn niet alleen de boeren die enkel klagen; het zijn alle kolonisten. -</p> -<p>„De Compagnie is niet in staat ons met iets te helpen, en het is niet billijk dat -zij uit ons leeft, en ons steeds meer en meer belast”. -</p> -<p>„Maar zal het houden van vergaderingen van eenig nut zijn, mijnheer Smuts”, viel hier -Jan van Eck in;<span class="corr" id="xd31e668" title="Bron: ” "> „</span>vreest gij niet dat de Commissarissen, die de macht in handen hebben, al uwe protesten -in den wind zullen slaan, en op den koop toe u uitlachen?” -</p> -<p>„In alle gevallen hebben wij dan toch onze stem doen hooren, en komen de verdere gevolgen -voor rekening van degenen die onze waarschuwingen in den wind hebben geslagen” merkte -de heer Baumgardt aan. -</p> -<p>„En zoudt u mij misschien kunnen zeggen wat die gevolgen zullen wezen?<span class="corr" id="xd31e674" title="Niet in bron">”</span> vroeg Van Eck, op droogen toon. -</p> -<p>„Wel, eerstens zal de ontevredenheid daardoor vermeerderen,” antwoordde de heer van -Reenen, <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>instede van den heer Baumgardt, aan wien de vraag gericht was. -</p> -<p>„Dat zal weinig baten, die toenemende ontevredenheid”, ging van Eck voort; <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>met mompelen en morren is men nooit veel verder gekomen in deze wereld, vooral niet -waar men met eene regeering te doen heeft, die de baas is. In Frankrijk heeft men -gemompeld van af het jaar 1690 tot aan 1789, en wat hielp het? <span class="corr" id="xd31e684" title="Bron: de">De</span> lasten werden steeds zwaarder: en eerst toen men begon te handelen en de verrotte -regeering van den troon stiet, is men een beter tijdperk ingetreden. Men kan in deze -wereld slechts geweld met geweld keeren, en macht slechts door macht tot zijn plicht -brengen. Als een volk zichzelve niet helpt, behoeft het niet te rekenen op verbetering -van zijnen toestand”. -</p> -<p>„Wilt gij daarmede te kennen geven, mijnheer Van Eck, dat de kolonisten tot maatregelen -van geweld moeten overgaan?” vroeg de heer Baumgardt op veelbeteekenende wijze. -</p> -<p>„Ik weet niet wat gij juist met het woord geweld bedoeld” luidde het kalme antwoord -van den heer Van Eck<span class="corr" id="xd31e690" title="Bron: ” ">, „</span>maar wat ik meen is dit, dat het volk rondborstig moest verklaren dat het niet langer -de autoriteit van Jan Compagnie, en diens afpersingen wil verdragen, en besluit om -zich zelven te regeeren.” -<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p> -<p>„Maar dat zou rebellie wezen, en de man die dat begint is des doods schuldig volgens -de wetten des lands”, viel de heer Van Reenen driftig in. -</p> -<p>„Die kans behoort elk vrijheidslievend volk te staan; die kans bestond ook voor den -man die de onafhankelijkheid van de Vereenigde <span class="corr" id="xd31e697" title="Bron: Provincien">Provinciën</span> heeft gegrondvest; die kans bestond ook voor George Washington; maar toch hebben -die mannen zich niet laten afschrikken door dien kans; zij hebben hun werk gedaan, -als het ware met het zwaard boven het hoofd, en hunne namen staan voor eeuwig op de -geschiedenisrollen gegraveerd” antwoordde Van Eck op ernstige wijze. -</p> -<p>„Mijnheer Van Eck, ik erken dat er verandering noodig is in den toestand van zaken, -en persoonlijk zou ik niets liever zien dan dat het bestuur der Compagnie ophield -alhier te bestaan; en tot zoo ver zal ik met u zamen gaan; maar om te spreken van -eene eigene regeering, en van afscheiding van ons vaderland, dat keur ik ten stelligste -af, en het zou mij spijten als er velen waren die dachten zooals u.” -</p> -<p>„Er zijn er meer dan gij wel denkt”, viel Van Eck den heer Smuts, die dit zeide in -de rede, „alleen zij durven het niet zeggen, maar ik voor mij wil de waarheid niet -achter stoelen en banken wegsteken”. -<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p> -<p>De heer Smuts keek den vinnigen Van Eck een oogenblik zwijgend aan en vervolgde toen: -</p> -<p>„Wat ik echter als eene oplossing van de kwestie zou beschouwen, is dat de Compagnie -het bestuur over deze landen overgeve aan de Staten Generaal, zoodat wij onze grieven -direct voor de Hoog Mogenden kunnen brengen, en niet behoeven te dansen naar de pijpen -van een aantal kooplieden, die geen ander oogmerk hebben dan om hunne eigene zakken -op de snelst mogelijke wijze te vullen, en alles uit dat oogpunt beschouwen.” -</p> -<p>„Dat zou slechts een verwisseling van naam zijn, en daardoor zou het volk niets meer -te zeggen krijgen<span class="corr" id="xd31e709" title="Bron: ”,">,”</span> gaf de heer Van Eck op spottenden toon te kennen. -</p> -<p>„Wij weten, mijn waarde vriend, dat gij een vurig patriot zijt, doch uwe revolutionaire -<span class="corr" id="xd31e714" title="Bron: ideëen">ideeën</span> loopen soms te snel met u weg”, zeide de heer Baumgardt. -</p> -<p>„Wel, ik ben, Gode zij dank, niet meer in dienst van de Compagnie of van eenige regeering, -en dat geeft mij meer vrijheid van spreken, en ik houd vol, dat het volk dat de souvereine -macht toekomt, sinds de schepping der dagen, zijne billijke rechten moet hebben, en -hoe langer die er aan onthouden worden, des te gevaarlijker voor de regeerders”. -</p> -<p>Met deze woorden wendde Van Eck zich tot een <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>tiental of twaalftal mannen, die intusschen zich bij het groepje hadden gevoegd, en -juist de laatste woorden van den spreker hadden gehoord. „Heb ik recht?” vroeg hij -aan deze personen. -</p> -<p>„Welzeker, mijnheer Van Eck”, riep een der bijstanders uit „het volk moet zijn rechten -hebben. en wij zullen ze ook krijgen, als zij die de voormannen van het land en onze -natuurlijke leiders zijn, hun plicht willen doen”. -</p> -<p>Er waren heel wat teekenen van bijval na deze korte, krachtige aanmerking, en Van -Eck zeide veelbeteekenend tot den heer Smuts: „Wel, heb ik het u niet gezegd?” Hij -wilde toen blijkbaar nog iets meer zeggen, doch de heer Van Reenen nam hem onder den -arm, en ging met hem een klein eindje op zijde, waar hij hem als volgt toesprak: -</p> -<p>„Mijnheer Van Eck, u weet dat ik uw vriend ben, en dat in een aantal zaken mijne opinie -met de uwe overeenkomt. Maar ik bid u, snoer u den mond wat. De bevolking is al opgewonden -genoeg, en als gij nu de burgers aanhitst om dolle, dwaze dingen te doen, sta ik niet -voor de gevolgen in. Door aldus te handelen zult gij de pogingen van hen die het goed -meenen, geheel en al verijdelen, en zult gij de regeering drijven tot het doen van -dingen, waarvan men later spijt zal hebben”. -<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p> -<p>Jan van Eck bleef eenige minuten het stilzwijgen bewaren, en scheen na te denken over -hetgeen zijn vriend hem gezegd had; eindelijk antwoordde hij. „Ik zal stil blijven, -Sebastiaan, maar ik zeg u privaat dat men heden een groote fout maakt. Gij zult met -mooi praten niets uit de heeren Commissarissen krijgen; een hunner is alreeds een -lid van het bestuur der Direkteuren, en de ander is niets anders dan een ledepop, -die rondspringt zooals hem de touwtjes worden getrokken. Uit die lieden krijgt men -niets, als men hen niet het mes op de keel zet”. -</p> -<p>„Dat mag zoo zijn. mijn waarde vriend, maar het is thans niet de tijd om zulks te -doen. Wij moeten eerst zachte maatregelen nemen, en dan kan men zoo noodig, tot strengere -stappen overgaan. Ik, voor mij ben overtuigd, dat als men ziet dat wij het ernstig -meenen, men eieren voor zijn geld zal kiezen”. -</p> -<p>„Ik hoop zoo, mijnheer van Reenen, en om te toonen dat ik naar u wil luisteren, beloof -ik u om niets meer te zeggen, dat de goede lieden zou kunnen opwinden”. -</p> -<p>Middelerwijl was de menigte op de Parade zeer in aantal toegenomen, en maakte zij -geen onaardige vertooning. Tusschen de vrij deftige stadbewoners, die in rok en driekanten -hoed tegenwoordig waren, zag men de lieden uit Koeberg en Zwartland, ja <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>zelfs waren er eenige uit de Paarl, en van Klapmuts en omstreken. Deze boeren waren -veel eenvoudiger gekleed, en hadden baatjes aan van ruw materiaal, een enkel, die -tot den meer nederigen stand behoorde, was zelfs in vel kleederen, die wel keurig -netjes gemaakt waren, maar toch erg afstaken bij de gegaloneerde rokken der voorname -Kapenaars; toch waren zij er niet minder schilderachtig om. Breed gerande hoeden, -bijna gelijk aan die welke men nog kort geleden in de Transvaal zag, vormden het hoofddeksel -deze boeren, en menige hoed was versierd met een struisvogelveer, of zelfs met de -vlerk van de wilde pauw. Schoon allen zich zeer ordelijk gedroegen, werden er toch -in en onder de verschillende groepjes uiterst levendige gesprekken gevoerd, en hier -en daar hoorde men uitdrukkingen, die bewezen hoezeer men Jan Compagnie en zijne plakkaten -moede was. -</p> -<p>Daar luidde een bel, of klok, het teeken dat de vergadering zou gaan beginnen, en -nu vormde men een grooten halve cirkel om een soort van spreekgestoelte of <i>platform</i> (zooals men het nu op het Engelsch aan de Kaap noemt), dat in der haast was gevormd -van eenige balken en kisten, en dat zoowat een voet of vier zich boven den beganen -grond verhief. De heer Jan Smuts beklom de tribune het <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>eerst, verzocht stilte, en stelde toen voor dat „burger Hendrik de Wet tot voorzitter -zou worden gekozen”, wat met acclamatie werd aangenomen. De heer De Wet, een krachtig -gebouwd man van omtrent vijf en veertig jaren, die tot de meest geziene mannen der -Kolonie behoorde, nam toen plaats op een groote leuningstoel die op de tribune stond -en daarna opstaande, stelde hij voor dat men den heer Eduard Bergh zou verzoeken, -als secretaris dienst te doen; dit insgelijks aangenomen zijnde, ging de heer Bergh -op een stoel naast den voorzitter zitten, en maakte van een houten kist zijn schrijftafeltje, -terwijl een inktkoker<span class="corr" id="xd31e741" title="Niet in bron">,</span> wat papier, en eenige ganzepennen, in een oogenblik werden verschaft uit een winkel -die op de Keizersgracht stond. -</p> -<p>Zoodra deze noodige voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen, hield de heer De -Wet een korte, maar krachtige aanspraak, waarin hij de vergadering vertelde van de -aankomst der Commissarissen Nederburgh en Frykenius, en de van deze ontvangene weigering -om den burgerraad te ontvangen als de vertegenwoordigers der kolonisten. -</p> -<p>Daarop trad hij kortelijks in de voornaamste grieven der kolonisten, en zeide onder -anderen, dat het onbillijk was om te verwachten dat de bewoners dezer volkplanting -<span class="corr" id="xd31e746" title="Bron: zou">zouden</span> helpen om de Oost-Indische <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>Compagnie het hoofd boven water te houden. Het was waarlijk niet aan de kolonie te -wijten dat de Compagnie er zoo slecht aan toe was; de Compagnie had veel geld en een -nog veel grootere hoeveelheid waarde aan levensmiddelen uit de volkplanting gekregen, -en daarentegen had men zeer weinig acht geslagen op de behoeften der kolonisten, doch -ze doen zuchten onder een zwaar belastings-systeem. Er werd altijd door de Direkteuren -en door den Politieken Raad geleuterd over de groote uitgaven die men in de Kaap had; -maar waarvoor waren die uitgaven? Voornamelijk waren ze bestemd voor oorlogsmateriaal, -voor soldaten, en verdedigingswerken, en deze waren niet zoozeer gemeend om de Kaap -zelve te verdedigen, dan wel om de belangen der Compagnie in Oost-Indië te beschermen. -Als men de uitgaven naging die gemaakt werden ten behoeve van den Kaap zelve, dan -zou men dadelijk zien, dat die uitgaven heel wat minder waren dan hetgeen de Kolonie -in belastingen opbracht. Het was, zeide spreker, niet recht dat de Kaap zou betalen -voor het beschermen der andere belangen der Compagnie; het geld dat van de burgers -werd ontvangen, behoorde gebruikt te worden om den toestand dier burgers te verbeteren. -Dit werd niet gedaan, en dit was een der ergste grieven der burgerij. Als <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>men het geld alleen in het direkte belang der Kolonie gebruikte, dan had men veel -minder noodig dan de tegenwoordige opbrengst der Kolonie, en dientengevolge meende -hij dat men de belastingen moest verminderen, en niet steeds vermeerderen, zooals -men eenige weken geleden had getracht te doen. Dat was een deel der grieven die de -Burgerraad voor de Commissarissen had willen brengen, maar deze heeren had hem niet -willen hooren, en dat was onbillijk. -</p> -<p>De burgerraad was indertijd opgericht om de bevolking een billijk aandeel in het bestuur -van de volkplanting te geven, en men had in alle tijden dien raad als een der voornaamste -van het land beschouwd. -</p> -<p>Spreker kon zich nog herinneren, hoe vader Tulbagh steeds den Burgerraad in alle dingen -van belang raadpleegde, en hun opinie inwon over zaken die uiteindelijk in den politieken -raad werden beslist. En dat was recht, want in den politieken raad waren er dikwijls -leden, die niet goed op de hoogte van de hier heerschende toestanden waren, en wier -eenig doel was om een wit voetje te zoeken bij de heeren direkteuren, zoodat zij daardoor -zichzelven konden bevoordeelen, en later hoogere betrekkingen konden krijgen. Toen -men hier een man had, als Rijk Tulbagh die als het ware in deze Kolonie was opgegroeid, -<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>en in den vollen zin des woords een Kapenaar was, toen was het <span class="corr" id="xd31e758" title="Bron: uitmund">uitmuntend</span> in de Kaap gegaan; maar die dagen waren helaas, voorbij, en nu kreeg men hier slechts -gouverneurs, welke als gehoorzame dienaars de bevelen hun uit Amsterdam gezonden, -moesten uitvoeren, en den moed niet hadden om de direkteuren terecht te wijzen, waar -deze, door onbekendheid met de plaatselijke toestanden, grove flaters begingen. Hij, -spreker zou thans het woord laten aan eenigen, die iets wilde zeggen, maar schoon -hij begreep, dat men voor zijne rechten wilde opstaan, en dit dan ook prijzenswaardig -vond, wenschte hij allen tegenwoordig op het harte te drukken, dat men geen heftige -taal moest gebruiken, en niets moet zeggen dat onnoodiglijk de autoriteiten in het -harnas zou kunnen jagen. -</p> -<p>Het ontbreekt ons hier aan plaats, om de zeer belangrijke aanspraken weer te geven, -die wij in het dagboek kortelijks aangeteekend vinden, als op dezen dag geuit, door -een aantal der voornaamste mannen der Kaapstad, zoowel als door verscheidene der boeren, -die ongetwijfeld even groot belang bij de vergadering hadden, als de beste Kapenaar. -Het waren werkelijk dan ook de boeren, die het meest klaagden, want de vrije handel -in hunne produkten was hun nog altijd belet, en de tienden werden nog altijd geheven, -<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>en dat op zeer ongelijk drukkende wijze. Wij vinden dan ook onder de <span class="corr" id="xd31e765" title="Bron: resolutien">resolutiën</span> door deze vergadering genomen, ééne waarin gezegd wordt, dat de tienden moesten worden -afgeschaft, als zijnde een middeneeuwsch en onrechtvaardig recht, dat den Staat of -de Compagnie niet meer toekwam; daarvoor wilde men eene belasting van vijf ten honderd -stellen op alle produkten verkocht, en deze zou, naar de vergadering meende, vrij -wat meer opleveren, als men den handel wat meer openstelde, en de lastige bestaande -beperkingen, die de Compagnie een monopolie bezorgden, ophief. Een tweede besluit -drong er sterk op aan dat men de belastingen moest verminderen, om redenen door den -voorzitter aangegeven. Ook verzocht men in al deze zaken de medewerking van de inwoners -der andere distrikten, die tot dat doel ook bijeenkomsten moesten houden. Deze besluiten -waren allen gepasseerd, en de voorzitter was juist van meening om de vergadering te -sluiten, toen de heer Jan van Eck, die tot nu toe enkel een bedaard toeschouwer was -geweest, en slechts nu en dan eenige teekenen van goed<span class="corr" id="xd31e768" title="Niet in bron">-</span> of afkeuring had gegeven, het woord vroeg en kreeg. -</p> -<p>„Waarde medeburgers”, zoo begon de heer Van Eck, „over het algemeen vereenig ik mij -met hetgeen door deze vergadering besloten is, hoewel ik vind <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>dat hier en daar de besluiten in te zachte bewoordingen zijn uitgedrukt. Het geldt -hier niet de kwestie om ons zelven te overtuigen, want wij weten dat wij in het recht -zijn; maar de zaak is dat wij de heeren Commissarissen, en vooral de direkteuren moeten -overtuigen van ons goed recht, en men moet niet vergeten, dat het gesprokene woord, -indien op papier gebracht, en dan gelezen op zes duizend mijlen afstands, lang niet -zoo scherp klinkt, als het doet hier voor ons, die het uitspreken. Er moet dus wat -meer peper bij, en onze uitdrukkingen moeten dus gekruid worden, ten einde te voorkomen -dat met de lange overzeesche reis zij niet te veel van hunne smaak zullen verliezen, -en onze moeite te vergeefs is. Wij zijn het volk van de Kaap, en als zoodanig hebben -wij rechten, en de tijd is voorbij dat koningen of heeren ons de knie kunnen doen -buigen, en ons als slaven kunnen behandelen. Dat is onlangs in Frankrijk bewezen, -en wat daar geschied is, kan ook elders <span class="corr" id="xd31e774" title="Bron: geschiedden">geschieden</span>. Als ik om mij heen zie, dan rust mijn oog op een aantal lieden, de meesten waarvan -afstammelingen zijn, van de dappere voorvaders die dit land hebben gemaakt wat het -heden is; die gevaren en moeilijkheden hebben getrotseerd, onbekende streken hebben -gekoloniseerd, en den wijnstok hier hebben geplant en het graan hebben <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>gezaaid, in streken waar vroeger slechts het gras en het onkruid groeiden. Maar wie -heeft de vruchten geplukt van hun zwaren arbeid? Niet zij, maar de Oost-Indische Compagnie. -Hoe meer zij met hun zuren arbeid verdienden, des te zwaarder werden de belastingen, -en te drukkender de afpersingen der ambtenaren. Op goede of slechte jaren werd niet -gelet; men moest maar altijd betalen; op de vele rechtmatige klachten der burgers -werd òf geen antwoord gegeven òf anders werd hun geantwoord dat de direkteuren geen -kans zagen om de belastingen te verminderen. Op de gruwelijkste en onzinnigste wijze -is het geld vermorst, en men denke slechts aan de hofhouding die de laatste gouverneur -hier hield, en aan de bescherming door hem aan zijne vriendjes geschonken. Het recht -werd verdraaid, en de burgers op de gruwelijkste manier vervolgd, zooals men gezien -heeft, toen Van Lynden hier de Fiskaal was, bij wien men niet kon komen, tenzij men -een welgevulde geldbuidel medebracht. Zijn dit almaal dingen die ons koud moeten laten, -en hebben wij dan geen recht om onze stemmen met kracht te doen hooren en uit te roepen? -Weg met al deze ongerechtigheden, die een gruwel in het oog des Heeren zijn.” -</p> -<p>Hier viel de heer De Wet den spreker in de rede, <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>en herinnerde hem er aan dat het onverstandig was om door zulke scherpe gezegden het -volk op te winden. -</p> -<p>„Ik wil het volk niet opwinden, mijnheer de voorzitter”, vervolgde Van Eck, die blijkbaar -moeite had om zich te bedwingen, „maar ik wensch te weten wat het ons zal helpen om -hier op zoetsappige wijze onze rechtmatige grieven te bespreken. Meent men soms dat -de Commissarissen, of de Direkteuren, zich zullen storen aan ons, als wij beleefd -met den hoed in de hand naar hen toekomen met verzoek om naar ons te luisteren? Neen, -zij zullen ons uitlachen, zooals zij reeds zoo vele malen hebben gedaan. Wat wij moeten -doen is hun toonen dat het ons meenens is, en wij moeten hun het mes, als het ware -op de keel zetten. Daarom zal ik, zonder meer, een voorstel maken als volgt: „Dat -deze vergadering zich verbindt om geene produkten meer naar de Kaapstad te brengen, -alvorens hunne grieven verhoord zijn, en hun recht is gedaan.”<span class="corr" id="xd31e786" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Eene mompeling van goedkeuring steeg na deze woorden uit de vergaderde menigte op. -</p> -<p>Van Eck vervolgde bedaard: „Naar ik uit goede bronnen vernomen heb, is er op dit oogenblik -niet meer dan voor ten hoogste drie weken aan levensmiddelen in de stad, en daar het -bestuur voedsel noodig heeft, niet alleen voor zijne ambtenaren, <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>maar ook voor de troepen, moet het, indien dit voorstel aangenomen wordt, binnen drie -weken aan onze verzoeken gehoor geven, of anders van honger omkomen; en als zij dan -toch halsstarrig willen wezen, wel .… laat ze dan maar verrekken”. -</p> -<p>Eenige der aanwezigen bespraken dit voorstel; een zeer enkele vond het wat te kras, -maar de meesten waren van opinie, dat dit het eenig middel zou zijn om de Commissarissen -te toonen dat men geen „spulletjes” maakte, en ten slotte werd het voorstel aangenomen, -met een bijvoeging dat men de burgers uit andere plaatsen ook zou verzoeken zich aan -deze bepaling te houden. -</p> -<p>De bezigheden waren nu afgeloopen, en de voorzitter verdaagde de vergadering, zeggende -dat hij zoo noodig, een verdere vergadering zou bijeenroepen, en men dan kon beraadslagen -over verdere maatregelen. -</p> -<p>Dat Jan van Eck wel voldaan naar huis ging, blijkt uit hetgeen in zijn dagboek staat, -waar hij schrijft: „Heden heb ik een begin gemaakt; als de boel een beetje wil, zal -men in de Kolonie binnen kort een aardig grapje zien”. -</p> -<p>Doch wat de dagboekschrijver in zijn rede had gezegd, bleek waar te zijn; de bedreiging -in zijn voorstel opgesloten, hielp, vooral nadat de vergaderingen <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>in Stellenbosch, Zwartland, Swellendam, en elders zich aansloten bij de besluiten -van de Kaapstadsche burgers. Op 13 Juli gaven de Commissarissen de zaak gewonnen; -de burgerraad werd erkend als de vertegenwoordiger der kolonisten, en in plaats van -dreigementen te gebruiken, vaardigde men eene proklamatie uit, waarin men de burgers -verzocht om de regeering met raad en daad te steunen, ten einde tot eene vreedzame -oplossing der bestaande moeilijkheden te komen. Voor het oogenblik was deze proklamatie -een uitmuntende zet; de Afrikaners toch zijn menschen, die, helaas, te goedvertrouwend -zijn, en zelve eerlijk zijnde, ook verwachten dat anderen eerlijk tegenover hen zullen -zijn; bovendien zijn zij gemakkelijk te leiden door zachte maatregelen, maar moeilijk -te dwingen. De opgewondenheid bedaarde dus, en men meende dat er nu eene verandering -ten goede zou komen. Doch het bleek spoedig, dat men zich bitter bedrogen had. Eenige -maanden daarna vaardigden de heeren Nederburgh en Frykenius een edikt uit, waarin -de belastingen wel op geheel anderen voet werden geplaatst, maar ten slotte even drukkend -bleven als vroeger, en daarenboven hadden zij een nieuwe soort van belasting opgelegd, -die ontzettend impopulair was, namelijk eene belasting op venduties, de zoogenaamde -<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>vendurechten, die meer dan een eeuw in deze kolonie van kracht bleven, en de regeeringen -duizenden, en men kan zeggen millioenen van ponden hebben ingebracht. -</p> -<p>Toch waren de maatregelen door de Commissarissen genomen in zooverre van nut, dat -voor het oogenblik het jaarlijksche te kort in de kas daardoor verminderd werd; doch -het was de oude storie in de kolonie: De boer moest voor alles betalen. En ongelukkig -doet hij dit van daag nog. Met alle onze veranderingen van regeering stelsels, is -men in Zuid-Afrika nog altijd trouw gebleven aan de beginselen van Jan Compagnie; -en men heeft het nog nooit zoover kunnen brengen om eene radikale verandering in ons -belasting-stelsel te brengen, waaronder de druk der belastingen gelijkelijk verdeeld -wordt tusschen den stedeling en den landbewoner. -<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK IV." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK IV.</h2> -<h2 class="main">Een gewichtige nacht.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de gebeurtenissen -die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden aan het einde der 18<sup>de</sup> eeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij hier verplicht, om een aantal feiten -te verzwijgen die betrekking hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch -meer of min uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien zullen -wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen vertellen, want om onze -lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij zeggen, dat er genoeg in het dagboek -staat, om er <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>minstens een half dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor -hen in het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in hun -smaak mocht vallen. -</p> -<p>Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de Kolonie, zoowel -als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij nog steeds lief had, al behandelde -zijn moederland hem vrij stiefmoederlijk, plaats vond. -</p> -<p>In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet zagen de zaken -er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer onvergenoegd, en de regeering beging -er groote fouten met het daarheen zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren, -zooals de heer Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen -aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren van die streken -scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en de geschiedenis van Zuid-Afrika -heeft steeds bewezen „dat al het onheil komt van Exeter Hall en consorten”. -</p> -<p>In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet eene beweging -uit die niets meer of minder was, dan een opstand. -</p> -<p>Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon niets uitvoeren, -en werd ten slotte <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>op beleefde maar dringende wijze door de burgers over de grenzen van het distrikt -gezet, en reeds voor dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers -kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een onafhankelijk bestuur -had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan zullen, even als wij dit gedaan hebben, -tot de conclusie moeten komen, dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid -van de beide republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een belangrijke -rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog lang zullen doen. -</p> -<p>Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar Swellendam, waar -men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost, den heer Faure, en ook hier -werd de landdrost weggejaagd, en vormden de burgers of althans een groot deel van -hen, een eigen onafhankelijk bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt -maar al te duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat bewonderaars -hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend op de hoogte werden gehouden -door de patriotten aan de Tafelbaai, en het zal den oplettenden lezer niet verwonderen -als wij zeggen dat onze vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was der <span class="corr" id="xd31e825" title="Bron: Graaff Reinetters">Graaff-Reinetters</span> en Swellendammers, <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>en hij heel wat correspondentie schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk -der twee distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel degelijk -wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een onbekookte hoop dolle mannen -waren, als sommige geschiedschrijvers van Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren -de denkbeelden dier voormannen verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat -ellende bespaard geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde -er dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg drongen, -waaraan niemand had gedacht. -</p> -<p>Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten het dagboek -begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de geschiedenis van Europa, en wel -voornamelijk met die van Frankrijk en Holland. In Frankrijk was de regeering van het -land steeds slechter geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715, -en het volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels door den -wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de geschriften van mannen -als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die schreven omtrent de natuurlijke rechten -van den mensch, en beweerden dat volgens de natuur alle <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>menschen vrij waren, gelijke rechten hadden, en broeders van elkander waren, stond -het Fransche volk in 1789 op en begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen -waarvan nog steeds zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe -maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen. Toen de republiek -Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen koning en hunne koningin op het schavot -hadden doen omkomen, geraakte Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden -van Europa, waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter ongelukkiglijk -gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in het begin van 1795 Holland -binnen en veroverden dit land in korten tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest -voor hen naar Engeland vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur -van een Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek. -</p> -<p>Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te hebben om zich -meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het Engelsche rijk van groote -waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen -beschermen, want men denke er <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg naar de Oost dus langs -de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar Holland een bondgenoot was van Engeland, -ging het niet voor het laatste land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren, -en wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig voordeed. -</p> -<p>Reeds op den 7<sup>den</sup> Februari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan van de Oost-Indische Compagnie, -waarin de regeering werd gewaarschuwd dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en -dat men zich in de volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige Europeesche -natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en Frykenius niet meer in de Kolonie. -Deze hadden in September 1793 Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat -zij als Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die toevallig -in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid hem verplicht had om zijne -betrekking in Indië neer te leggen. De naam van dezen ambtenaar was Abraham Josias -Sluijskens, en op den 2<sup>den</sup> September 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was om de Kolonie -in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te brengen. Bij Simonsstad, bij -de Kaapstad en bij Houtsbaai <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>werden nieuwe forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde plaats -gelegd. Het laatste bericht dat Gouverneur <span class="corr" id="xd31e848" title="Bron: Sluyskens">Sluijskens</span> uit Holland kreeg werd hier gebracht door de <i>Medemblik</i>, die op 12 April hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te Swellendam -het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer korte verklaring van den -algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons verhaal voortzetten. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad kennen, zoo niet -van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een der weinige oude gebouwen, die -ons doen herinneren aan den ouden Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping -bedreigd, is men er tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en -heeft men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet juist -met haar <span class="corr" id="xd31e859" title="Bron: akkordeert">accordeert</span>, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners vele herinneringen verbonden aan dat oude -kasteel, aangename zoowel als treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat -Adriaan van Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een gevangene -vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het einde waarvan wij <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in Zuid-Afrika. -</p> -<p>Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de verbeelding) -en dat op den 12<sup>den</sup> Juni van het jaar 1795. Het uur dat wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat -of liever gezegd een beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote -zaal waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die op koperen -blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel waaraan gewoonlijk de -vergaderingen van den politieken raad worden gehouden. Op het oogenblik zit de raad -niet; <span class="corr" id="xd31e869" title="Bron: ware">waren</span> wij een minuut of tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in vergadering -hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden nauwelijks zichtbaar in het -half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de tafel in groote stoelen met hooge leuningen, -en zij schijnen in een ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens -haren reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een geelvale kleur -heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een langen tijd in de Oost hebben -doorgebracht is niemand anders dan Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust -om deze volkplanting te besturen. De andere <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens geheel uiterlijk den militair verraadt, -en wiens gebronsd gelaat, dat in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel -van zijn leven in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger aanziet, -dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert Jacob Gordon, is inderdaad -een man die den naam van ontdekker verdient, als zijnde hij de man die het eerst de -groote rivier ten noorden der Kolonie heeft bevaren, en die den naam van <span class="corr" id="xd31e874" title="Bron: Oranje rivier">Oranjerivier</span> heeft gegeven; daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel -der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te maken met -de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van Afrika bewonen. Sedert iets -meer dan een jaar is hij de opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt -dus den tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten, maar -in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten dat in dienst genomen -was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar trad later in dienst van de Oost-Indische -Compagnie, en kwam op den 1<sup>sten</sup> Juni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert die dagen heeft hij -heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar hij is bekend -als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat is in dagen, waar het in -de Kolonie wemelt van zoogenaamde <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>patriotten” van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur -zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie, want er zijn -heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten gisteren avond is van uit -Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij het kasteel aangekomen met een brief -van den heer Jan Hendrik Brand, de Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur -berichtte dat dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren aangekomen; -dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen had afgezonden, doch dat -deze blijkbaar door den onbekenden vijand was gevangen genomen, want hij was niet -weder teruggekomen. De heer Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk -den raad bijeen geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats -gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de secunde, (de heer -J. I. Rhenius), en de heeren J. J. le Sueur, W. F. van Reede van Oudtshoorn, en W. S. -van Rijneveld. Op die vergadering was heel wat besproken, en had men ten <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>slotte besloten om overal alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd -worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de Kaapstad moesten -komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt gij bemerken dat op Tijgerberg, -alsook, reeds in de verte op de bergen van Stellenbosch, de vuurbakens branden om -de burgers aan te toonen dat de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen -geleden, dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de Engelschen -een inval in het land deden. -</p> -<p>’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad pleegt over de -te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog niet heel duidelijk uitmaken -wie de vreemdelingen kunnen zijn. -</p> -<p>„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?” vraagt hij op veelbeteekenenden -toon. -</p> -<p>Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt langzaam in zijn Hollandsch, -dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er natuurlijk veel van af wie zij zijn, want -dat kan een groot verschil maken in onze houding.” -</p> -<p>„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl hij den spreker -met verwondering aanziet. -</p> -<p>De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>hij antwoordt: „Wel, de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van -het Huis van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van de -Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij zullen dan ongetwijfeld -beter in staat zijn om de Kaap tegen de Franschen te beschermen, dan wij dit thans -zouden kunnen doen met het handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op -het eerste schot op den loop zal gaan.” -</p> -<p>„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets dat ik niet -in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om de kolonie tot het uiterste -te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den -brief van den heer Guepin, die wij in Februari hebben ontvangen.” -</p> -<p>„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in Europa gebeurd -zijn,” hernam de kolonel. -</p> -<p>Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide hij: „Ik ben -erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen nog heel wat te doen zijn, -want dan zullen wij wel weten wie wij voor ons hebben. Ik wensch u dus een aangename -nachtrust.” -<span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span></p> -<p>„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders uitschrijven, -en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat vergunt, aangezien schrijfmateriaal -hier gereed ligt. Intusschen hoop ik, dat UEd. wel rusten zult.” -</p> -<p>De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en verwijderde -zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij zich zelven hebben hooren -mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen wil. Waar zou hij zijne informatie hebben -opgedaan?” -</p> -<p>Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich herinnerd hebben, -dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de Kaapstad bevond een zekere heer -Pringle, die hier was gekomen als de Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie, -met het doel, zooals zijne geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie -aan de Kaap te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel, -of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om ververschingen te krijgen -of de noodige reparatiën te doen, en ook was er reeds menig schip van de Compagnie -langs de Afrikaansche kust gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt -geen argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>het feit, dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij zeer -vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel bevriend, maar toch hield -hij zich meer of min op een afstand van dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren -was hij echter op blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap -van den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel als in dat -van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den heer Pringle verscheidene -malen genoemd, op eene wijze, die wij maar liever niet zullen aanhalen, maar het is -duidelijk, dat Van Eck, die goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde -en als wij daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen het -Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche bevelhebber alhier, die reeds -geruimen tijd in het vertrouwen was genomen door zijne regeering, eene aanbeveling -zond, waarin hij eene belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige -diensten, door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan kunnen -wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van onze lezers overlaten. -Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan. -</p> -<p>Kolonel Gordon nam na het vertrek van den <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>Gouverneur, eenige papieren, en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van -een halfuur of zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille -Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje, waarop de -korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie of gij mij wat brandewijn -en warm water kunt bezorgen, korporaal”, luidde het bevel van den kolonel, „’t is -hier zoo drommels koud dat ik bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal -zeide dat hij zou zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur -er wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te bezorgen, -en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug, met leege handen, maar -met een ernstig gezicht, en salueerende, en een stijf militaire houding aannemende, -sprak hij: „Kolonel, er is bij de poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad, -die een brief brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die verder -vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het kasteel toegelaten te -worden”. -</p> -<p>„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw hoorbaar voegde -hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch recht”. „Neem den officier, en den -boodschapper onder uwe <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>strenge bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat dan -den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem zeggen, dat ik -nog hier ben in de raadkamer”. -</p> -<p>Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te brengen, bleef Gordon, -met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd in diepe gedachten verzonken, en -uit die overpeinzing werd hij eerst gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens -die op het vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich -in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik had opgezet, -maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje had bedekt. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen om boodschappers -aan de leden van den raad te zenden, en ze te verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel -te komen om eene dringende vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving -uitschrijven”. -</p> -<p>Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een boodschapper onder een -der soldaten te krijgen, en deze werd kort daarop te paard weggezonden met de door -Sluijskens uitgeschrevene kennisgeving, ten gevolge waarvan <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>om half drie dien morgen de raad weder was vergaderd. -</p> -<p>Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de kolonel zich even, -en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de Engelsche officier en de boodschapper -daar waren, gereed om in vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden. -De Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn titel aanspreken, -en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer, als gij kolonel Gordon zijt, dan -heb ik hier een brief voor u”, en met deze woorden overhandigde hij den kolonel een -blauwe enveloppe, die zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door -den kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf aan den -korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de raadkamer, waar de -vergadering juist door den gouverneur was geopend. -</p> -<p>Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de bijzonderheden -optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering plaats vond, en wij moeten -ons bepalen tot een kort overzicht. -</p> -<p>Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht, overhandigde -deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van Admiraal <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans liggende in de Simonsbaai. -Drie dezer brieven waren korte beleefde briefjes van de directeuren der Engelsche -Oost-Indische Compagnie, de derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal -aan den Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op diens -schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den Stadhouder had voor den gouverneur. -De raad besloot dat de gouverneur deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet -wist met welke intenties zulk<span id="xd31e930"></span> geschiedde, en een der leden liet zich niet oneigenaardig uit, door te zeggen, dat -het gemakkelijk gebeuren kon, dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip -ging, men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden trof, -was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de discussie, en daarentegen -zeer afgetrokken scheen, als of zijne gedachten met iets geheel anders bezig waren. -De gouverneur schreef daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad -voorlas, en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het over -te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als antwoord op den -brief van den admiraal.<span id="xd31e932"></span> -<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first dateline"><span class="sc">Kaapstad</span>, 12 Juni 1795. -</p> -<p class="salute"><i>Mijnheer</i>, -</p> -<p>Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer, dien UEd. gezonden -heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel Gordon te zien, en ons zeer belangrijk -nieuws mede te deelen, zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne -Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der Republiek, zoo spijt het -mij daarop te moeten antwoorden, dat het op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij -om de Kaapstad te verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber -onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed te zijn om mij deze -depêche zoowel als uwe informatie te zenden door een door UEd. vertrouwd persoon. -</p> -<p class="signed">Ik heb de eer te zijn -</p> -<p class="signed">A. J. SLUIJSKENS.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Toen deze brief geschreven was, werd de heer Ross, zooals de Engelsche officier heette, -en die eigenlijk de private secretaris van den Admiraal was, weder in de kamer gelaten, -en deed men hem eenige vragen omtrent den toestand in Europa, en omtrent de destinatie -der vloot, doch deze vragen zeide de <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>officier niet te kunnen beantwoorden daar zijne instructien slechts luidden om den -brief zonder meer te overhandigen. Men begreep dan ook deze positie, en overhandigde -hem het antwoord van den heer Sluijskens, waarop men hem ongehinderd liet gaan. -</p> -<p>Zoo liep deze vergadering van den raad af, en de zon ging juist op toen de leden het -kasteel verlieten. -</p> -<p>Maar daarmede was de zaak nog geenszins afgeloopen. Den volgenden morgen kwamen in -de Kaapstad aan <span class="corr" id="xd31e957" title="Bron: luitenant kolonel">luitenant-kolonel</span> Mackenzie, van het 78ste regiment van het Engelsche leger, de heer Ross, en de zeekapitein -Hardy, en deze brachten nieuwe brieven, zoowel voor den Gouverneur, als voor den heer -Gordon. De eerste brief aan den gouverneur was een gezamentlijke brief onderteekend -door Admiraal Elphinstone, en Generaal Craig, den bevelhebber der zich aan boord bevindende -Engelsche troepen, waarin zij eene beschrijving gaven van den toen in Europa heerschenden -toestand, en vertelden dat Holland door de Franschen was veroverd en de Stadhouder -naar Engeland was gevlucht, en dit was het eerste bericht dat men in de Kaap over -het gebeurde kreeg. Toch waren de feiten in den brief van de Engelsche bevelhebbers -niet geheel juist, want zij verzwegen het voorname feit, dat de Franschen met opene -armen in Holland waren ontvangen, en dat het stadhouderschap <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>er afgeschaft was, zoodat Holland thans eene republiek was, waar de Prins van Oranje -absoluut niets meer te zeggen had. Dit zou dan ook geenszins in de kraam der Engelschen -zijn te pas gekomen, want de tweede brief door hen overhandigd bevatte een bevel van -den Prins van Oranje, gedateerd uit Kew in Engeland op den 7<sup>den</sup> Februari 1795, waarin aan den heer Sluijskens gelast werd om de troepen van den Koning -van Engeland toetelaten in de forten en versterkte plaatsen in de Kolonie, en hen -te ontvangen als vrienden, daar de Engelschen gekomen waren om de Kolonie te beschermen -tegen een aanval door de Franschen. -</p> -<p>Men kan begrijpen, dat deze brieven heel wat consternatie in den Politieken Raad veroorzaakten. -De leden waren allen sterk Prins gezind, en genegen om gehoor te geven aan de bevelen -van den Stadhouder, maar het feit dat deze een vluchteling in Engeland was, en dat -men dus niet wist hoever zijne macht nog strekte, was ook iets dat men in aanmerking -moest nemen, en volgens de konstitutie van de <span class="corr" id="xd31e967" title="Bron: Oost Indische">Oost-Indische</span> Compagnie, zoowel als die van Holland kon de Prins niet op eigen houtje handelen, -zonder de direkteuren in het eene geval, of zonder de autoriteit van de Staten Generaal -in het tweede geval. Men moest dus zeer voorzichtig wezen, want <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>zoo men verkeerde stappen nam, en de zaken anders uitdraaiden dan men op het eerste -oog meende, dan was er kans dat zij, die de Kolonie zoo voetstoots aan eene vreemde -mogendheid hadden overgegeven, als verraders zouden gestraft worden, en die kans wilde -zelfs een Gordon of een van Rijneveld niet staan, om niet te spreken van den gouverneur -zelf, die een man was, gedetermineerd om, kome wat kome, zijne instruktien letterlijk -te volgen. Men besloot dus, dat het beste zou zijn, om te trachten tijd te winnen, -en om die reden zond men een antwoord aan de Engelsche bevelhebbers ten effekte dat -men de Engelsche vloot zou voorzien met de noodige levensmiddelen, en dat met dat -doel kleine ongewapende troepjes Engelschen aan land te Simonsstad mochten komen. -Verder bedankte men de Engelschen op zeer beleefde wijze voor hun aanbod om de kolonie -te beschermen, maar gaf hen tevens te kennen dat men voldoende troepen had om dit -zelf te doen, maar zoo noodig zou men graag willen weten hoeveel man de Engelschen -konden leveren. Deze laatste vraag, die natuurlijk met geen ander doel werd gedaan -dan om uittevinden wat werkelijk de sterkte der Engelschen was, werd onbeantwoord -gelaten, want inderdaad was de Engelsche macht op dat oogenblik vrij zwak, maar verwachtte -zij elk <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>oogenblik Generaal Clarke uit West-Indië met een aanzienlijke vloot, en een sterk -leger. -</p> -<p>Kolonel Gordon had gestemd voor deze besluiten die op den 14<sup>den</sup> Juni werden genomen. Doch nauwelijks was de raad verdaagd of hij schreef den volgenden -brief aan Admiraal Sir George Elphinstone, dien hij medegaf aan de drie heeren die -den officieelen brief van den raad meenamen. Als onze lezers dien brief zorgvuldig -lezen, dan zullen zij wel hun eigene opinie kunnen vormen, over den naam die de geschiedenis -aan kolonel Gordon behoort te geven. -</p> -<blockquote> -<p class="first dateline"><span class="sc">Kaap de Goede Hoop</span>, 14 Juni 1795. -</p> -<p class="salute"><i>Edele Heer</i>, -</p> -<p>Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den heer Scott, en -door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur ten hoogste den ongelukkigen toestand -van zaken in Holland, en heet u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het -grootste genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan is om gezamentlijk -een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht te ontrooven aan haren wettigen souverein, -de Republiek der zeven vereenigde <span class="corr" id="xd31e989" title="Bron: provincien">provinciën</span> met hunnen <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>erfstadhouder, den Prins van Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een -eed heb afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd zijn dat -ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te vervullen. Het spijt mij -verder zeer, dat een onvergeeflijke misslag van den bevelhebber van ons fregat de -oorzaak is geweest van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag -ik er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen, die denken dat -zij hunne <span class="corr" id="xd31e994" title="Bron: geruineerde">geruïneerde</span> geldzaken zullen herstellen door het steunen van fransche beginselen en anarchie, -en door anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden medegesleept. Maar -dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik is voorzichtigheid noodig om de zaken -tot een behoorlijk einde te brengen. -</p> -<p>Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan komen om u een -bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte. Wees echter verzekerd Sir George, -dat ik onze zaak zal steunen met al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche -denkbeelden, en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik 42 -jaren lang heb gediend, <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>mocht komen te vallen hetgeen God verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een -Brit ben. -</p> -<p>Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot mijn spijt niet -hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en verblijf verder met eerbied, enz. -</p> -<p class="signed">R. J. GORDON.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Het ingesloten briefje van den heer Pringle luidde als volgt: -</p> -<blockquote> -<p class="first">„Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te verlaten, maar ik -beschouw het raadzaam om te verzekeren aan eenigen opperbevelhebber van de Britsche -macht, die hier mocht aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld -in de eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men derhalve -onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”. -</p> -<p class="signed">JOHN PRINGLE, -<br><i>Agent voor de edele de O. I. Compagnie van Engeland</i>.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Zoo werd er in Zuid-Afrika gehandeld in 1795; wij zouden graag wenschen te kunnen -zeggen, dat in 1901 niet zoo werd gehandeld, maar ongelukkig <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>heeft de geschiedenis van de laatste twee jaar bewezen dat mannen van Gordons soort -nog niet uit dit werelddeel verdwenen zijn. De eenige troost, die men echter hebben -kan, is, dat de geschiedenis, die in den loop der tijden haar oordeel velt over alle -menschen, goede zoowel als slechte, ook over de Gordons en van Rijnevelds van heden, -haar oordeel zal vellen, en zij dan door het nageslacht zullen worden veracht met -die verachting, die ten slotte alle zoodanige verraders ten deel vallen van vijand -zoowel als van vriend. -<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK V." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK V.</h2> -<h2 class="main">Jan van Eck wordt soldaat, en vecht mee.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het is den avond van den 6<sup>den</sup> Augustus 1795, en wij zullen u vragen, waarde lezers om in gedachten met ons mede -te gaan naar een plek, die heden een der voorname badplaatsen van Zuid-Afrika is, -maar op genoemden datum slechts een soort van visschersstatie was, waar zeer weinige -lieden woonden. In plaats van sierlijk aangekleede heeren en dames, en van badwagentjes; -<span class="corr" id="xd31e1029" title="Bron: inplaats">in plaats</span> van net gebouwde villas, die den indruk maken dat de bewoners menschen van goeden -doen zijn, die in weelde leven; in plaats van dat alles dat gij heden vindt te Muizenberg, -zien wij er op den zooeven gemelden datum een tooneel <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>dat lang niet zoo vreedzaam is. Een eerste oogopslag toch bewijst ons dat wij in een -<span class="corr" id="xd31e1034" title="Bron: soldaten kamp">soldatenkamp</span> zijn, dat gedeeltelijk gelegen is op de vlakte aan deze zijde van het strand, maar -ook gedeeltelijk in de nauwe pas, die gelegen is tusschen den steilen Muizenberg en -de wateren van de Baai Fals. -</p> -<p>Wat ons echter op het eerste oog treft, is, dat het kamp zoo weinig versterkt schijnt, -en er niet die schikkingen getroffen zijn, die wij tegenwoordig gewoon zijn in een -soldatenkamp te vinden. Er staan tusschen de zee en den berg eenige kanonnen, meest -van klein kaliber, dingetjes, die op ons, gewoon aan de gegoten reuzen van den tegenwoordigen -tijd, den indruk maken van speelgoed; er zijn maar twee stukken van vier-en-twintig -ponden elk; de andere zijn zeven- en vijfponders, wier kogels geen 1000 treden zouden -halen. -</p> -<p>En hoe open en bloot staan die kanonnen, en zelfs het geheele kamp? Wij zijn geen -generaals of geen officieren der genie, doch het schijnt ons toch toe, dat het heel -wat beter en doelmatiger zou zijn, als dit kamp met een hoogen aarden wal was omringd, -of ten minste die kanonnen waren beschut door wat aarden wallen. De man die voor den -hier heerschenden toestand verantwoordelijk is, heeft òf geen besef van de krijgskunde, -òf verzaakt moedwillig zijn plicht. -<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p> -<p>En voor de gerieven zijner manschappen schijnt hij ook maar zeer slecht te zorgen. -Een vijf- of zestal tenten, meest met gaten en deerlijk gehavend, is alles wat wij -zien in den vorm van beschutting, en dit waarlijk in den winter, wanneer de wind hier -ijskoud kan waaien, of zware regenbuien den armen soldaat door broek en baatje dringen. -Kijk eens, daar hebben de manschappen, om zich zelven toch eenigszins te helpen, een -soort van schuiling gemaakt van boschjes en wat klippen, en aan de opgerolde kombaarsen -merken wij, dat dit hun slaapplek is. Dat is toch wel een beetje erg bar, vindt gij -het ook niet? -</p> -<p>Buiten langs het kamp loopen er een half dozijn schildwachten op en neder, op half -zorgelooze wijze en reeds de eerste blik doet ons zien, dat deze mannen niet geregelde -troepen zijn, of gewoon aan krijgstucht en orde. Hunne lange zware roeren, de meesten -waarvan ons doen herinneren aan de oude „sanna’s”, die zes op een pond schieten, en -die onze gedachten doen teruggaan naar de museums, waar wij ze wel eens gezien hebben, -dragen zij op een zorgelooze manier, en hun gang heeft niets militairs in zich. Wel, -dat is dan ook niet te verwonderen, want zij zijn geen soldaten van beroep, maar de -meesten hunner zijn boeren, eigenaars van honderden <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>van morgen gronds, koningen op dien grond, en slechts gehoorzaam aan de regeering, -die hen heeft opgeroepen om het land te verdedigen. Zij hebben het erg te kwaad met -die regeering, die hen jaren lang heeft onderdrukt, maar toch verkiezen ze die tirannieke -regeering boven dien van den trotschen Brit, den erfvijand hunner voorvaderen, den -bewoner van het rijk, dat eerst groot is geworden, nadat het een Hollander tot koning -had gehad. Niet allen echter zijn boeren; er zijn ook een aantal Kapenaars onder hen, -mannen, die met de pen beter terecht kunnen dan met het zware roer, doch ook deze -hebben niets op met het vooruitzicht, dat hun aangeboden wordt om Engelsche onderdanen -te worden. -</p> -<p>Omtrent in het midden van het kamp staat een klein klompje mannen een pijp te rooken -en een praatje te maken, en kijkt nu en dan in de richting van de Simonsbaai, waar -de Engelsche vloot rustig voor anker ligt, en waar de Engelsche krijgsmacht sedert -29 Juni reeds in bezit is van Simonsstad, dat door de regeering op eenigszins vreemdsoortige -wijze is prijs gegeven. Om u echter den toestand te laten begrijpen, moeten wij, voor -wij luistervink gaan spelen, eene korte schets geven van wat er voorgevallen is, sedert -wij de vergadering in het kasteel op 12 Juni hebben bijgewoond. -<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p> -<p>Op den brief van den Raad aan de Engelsche bevelhebbers, gezonden op 14 Juni, kwam -geen geschreven antwoord, maar de Engelsche generaal, Sir James Craig, kwam even bedaard -een bezoek brengen aan de stad op den 18<sup>den</sup>, en had den dag daarop een lang onderhoud met den Raad, waarin hij hen vertelde, -dat zijne instrukties waren om de Kolonie in bezit te nemen en in bewaring te nemen -voor den Prins van Oranje, tot tijd en wijle deze in zijne betrekkingen zou zijn hersteld. -Hij gaf ook in bizonderheden de voorwaarden op, waaronder hij dit zou doen, en beloofde -onder anderen, dat er geene verandering in de wetten des lands zou worden gemaakt, -en dat de burgers geen andere lasten zouden behoeven te dragen dan die, welke absoluut -noodig waren voor het onderhoud der regeering. Daarenboven zou de handel voor allen -vrij zijn, en de lastige bepalingen der Oost-Indische Compagnie worden afgeschaft. -De Hollandsche troepen zouden in dienst kunnen treden van den koning van Engeland -en door Engeland worden betaald, en die ambtenaren, die zulks verkozen, konden in -Engelschen staatsdienst overgaan, met behoud van al hunne rechten. Hier werd dus door -den Engelschen generaal juist datgene aan de burgers aangeboden, waarvoor deze zooveel -jaren hadden gestreden, <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>en wat zij maar nooit hadden kunnen verkrijgen. -</p> -<p>Het antwoord van den Politieken Raad was eene bepaalde weigering om op het voorstel -van den Engelschman in te gaan. Wat den Raad dezen manmoedigen stap deed nemen, was -niets meer of minder dan vrees voor den galg; want men was van opinie, dat er eene -Fransch-Hollandsche vloot in aantocht was en dat deze wel spoedig de Engelschen zouden -verjagen, en natuurlijk zouden de leden der regeering dan tot verantwoording hunner -daden worden geroepen. -</p> -<p>De Engelsche bevelhebbers gaven nu kort achter elkander een tweetal proklamatiën uit, -de eerste met het doel om de bevolking in het harnas te jagen tegen zijne regeering, -en toen dit zonder effekt bleef, volgde er eene tweede proklamatie, waarin de aap -uit de mouw kwam, daar er duidelijk in werd te kennen gegeven, dat de Engelsche koning -niet zou toelaten, dat de Kaapkolonie in handen zou vallen van zijn vijand, Frankrijk. -Deze proklamatie bedierf de zaken geheel en al voor de Engelschen. Eerstens besloot -de Politieke Raad, die thans geen andere uitkomst had, om de Kolonie tot het uiterste -te verdedigen, een besluit, dat met gejuich door de burgerij van Kaapstad werd ontvangen; -en ten tweede bracht ze de geheele bevolking der Kolonie <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>op de been, en toen de regeering eene oproeping tot de burgers richtte, werd die met -de meeste bereidwilligheid beantwoord, zelfs door de anders zoo oproerige mannen van -<span class="corr" id="xd31e1061" title="Bron: Graaff Reinet">Graaff-Reinet</span> en Swellendam, die in grooten getale naar de Kaapstad kwamen, om deel te nemen aan -den strijd. Want men vergete niet, dat de meeste burgers zeer ten gunste van de Franschen -waren en dat om verscheidene redenen. In de laatste vijf-en-twintig of dertig jaren -waren er heel wat Fransche troepen geweest, en deze hadden zich zeer populair bij -de bevolking gemaakt, terwijl hun aanwezigheid zoowel als de aankomst van verscheidene -Fransche eskaders, veel geld in de zakken der burgers hadden gebracht, en in die dagen -de kolonie tot een ongekende bloei geraakte. Daarbij kwam dat een groot deel der burgers, -afstammelingen der oude Hugenoten, nog steeds een zwak hadden voor het geboorteland -hunner voorouders en er nog veel was dat hen aan het zonnige Frankrijk herinnerde. -</p> -<p>De Engelschen daarentegen hadden immer in de Kolonie een slechten indruk gemaakt; -hun hoogmoed was onverdragelijk en zij hadden er alles behalve den slag van zich aangenaam -te maken. De historische herinneringen, die de Hollanders aan den naam van Engeland -verbonden, waren niet van dien aard, dat daardoor de Engelschman in de achting van -eenigen <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>rechtgeaarden kolonist, die zijn moederland lief had, hoog kon staan, want Engeland -was steeds de jaloersche mededinger van Holland geweest, en had grootendeels schuld -aan den achteruitgang van den voorspoed van het moederland. „Liever Waalsch dan Engelsch” -zouden de kolonisten dus als hun motto kunnen hebben aangenomen en zoo zij dit al -niet met die woorden uitdrukten, zoo waren hunne gevoelens toch van dezen aard. -</p> -<p>Een verder gevolg van deze proklamatie was, dat de Raad zich thans verplicht zag om -de Engelschen als vijanden te behandelen; levensmiddelen werden hun geweigerd en een -sterke bezetting werd te Muizenberg geplaatst. Wat echter de positie van den Raad -ten zeerste versterkte, was het feit, dat er op 24 Juni een Amerikaansch schip in -Simonsbaai kwam, dat een aantal brieven en kranten aan boord had, voor inwoners der -Kolonie. De Engelschen namen op zeer onwettige wijze bezit van de mail van dit schip, -maar door het een of andere toeval viel toch een krant in handen van een der burgers, -en in die krant stond eene kennisgeving van de regeering van Holland, waarin alle -Hollanders ontslagen werden van hun eed van getrouwheid aan den Prins van Oranje. -Dit maakte de positie der kolonisten en van den raad duidelijk, <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>en men kon nu niet meer eenigen twijfel hebben, welken weg men moest inslaan. Simonsstad -werd nu ontruimd en slechts enkele inwoners bleven daar, waarop Admiraal Elphinstone -op den 9<sup>den</sup> Juli bezit der stad nam. De Engelschen waren echter nog niet genegen om tot direkte -vijandelijkheden over te gaan, want hunne versterkingen waren nog niet aangekomen, -en zij hadden een totaal gebrek aan geschut geschikt voor gebruik te lande, en zouden -zich moeten behelpen met de zware en onhandelbare kanonnen der schepen, terwijl daarentegen -de verdedigers een aanzienlijke artillerie bezaten. Op den vierden Augustus echter -ging een officier van het Pandoeren- of Hottentot korps een verkenning maken in de -richting van Simonsstad, en schoon veel te ver van deze plaats om iemand of iets te -kunnen raken, beging hij de onbezonnenheid om een aantal schoten in de richting der -stad te schieten, en dit gaf natuurlijk de Engelschen aanleiding om te zeggen, dat -de Hollanders de vijandelijkheden waren begonnen. -</p> -<p>Intusschen was er te Muizenberg steeds een wacht van omtrent 200 man, die van tijd -tot tijd door anderen werden vervangen, zoodat iedereen een beetje rust op zijn beurt -kreeg. Er was juist op den 3<sup>den</sup> een nieuw klompje mannen bij Muizenberg aangekomen, en het zijn deze mannen die wij -er op den avond <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>van den 6<sup>den</sup> Augustus vinden. Maar nu wordt het waarlijk tijd dat wij eens gaan hooren wat besproken -wordt door het groepje rookers, waarvan wij melding maakten in het begin van dit hoofdstuk. -</p> -<p>Er zijn er onder dit groepje eenigen die wij kennen; daar staat bijvoorbeeld de heer -van Reenen, en niet ver van hem staat de jonge de Beer, de neef van Jan van Eck, en -als gij goed ziet zult gij dezen laatsten ook herkennen, schoon de zoogenaamde uniform -die hij aan heeft hem een vreemd uiterlijk geeft. De anderen van het groepje bestaan -uit burgers uit alle deelen des lands; er is een de Waal van Stellenbosch, en een -van der Bijl uit het zelfde distrikt, en naast hen staat een vrij jong maar flink -uitziend man, die de eigenaardige uniform draagt van de artillerie, en wiens naam -luitenant Marnitz is; ook staan er Veldkornet Daniel du Plessis, een reus van een -kerel die aan het hoofd staat van een klompje der anders zoo oproerige Swellendammers, -die echter nu niets beters verlangen dan in aanraking te komen met den zoo gehaten -Engelschman, en die ruw uitziende man met woest groeiende baard, en velbaatje is Louis -Botha, een Graaff-Reinetter, kapitein van een afdeeling burgers uit zijn distrikt, -die even als Du Plessis al lang vies is van dat hier leggen en niets doen, en die -als men hem verlof gaf, op <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>eigen houtje zou ondernemen om met de zijnen de Engelschen uit Simonsstad naar hunne -schepen terug te jagen. Inderdaad is het gesprek dat op het oogenblik gevoerd wordt -een bewijs dat er heel wat ontevredenheid onder de sprekers heerscht, want het is -du Plessis die zich tot Marnitz wendende vraagt: -</p> -<p>„Maar luitenant, kunt gij mij zeggen wie eigenlijk verantwoordelijk is voor den toestand -in het kamp, want als ik den rechten man in handen krijg, dan zal ik hem zijn ooren -laten gonzen dat hij het niet gauw zal vergeten”. -</p> -<p>„Dat is een vraag die ik niet kan beantwoorden, veldkornet<span class="corr" id="xd31e1093" title="Niet in bron">,”</span> zegt de luitenant<span class="corr" id="xd31e1095" title="Bron: ”, ">, „</span>want om de waarheid te zeggen zendt men mij ook van Pontius naar Pilatus. Daar staan -mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet, want -ze staan los in het zand, en met het eerste schot, zullen ze zich vastwoelen in het -zand, en dan zal ik ze moeten laten losgraven voor ik ze weer gebruiken kan, en dat -is nuttelooze tijdverspilling”. -</p> -<p></p> -<div class="figure p105width"><img src="images/p105.jpg" alt="„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet...” (Blz. 105)." width="720" height="506"><p class="figureHead">„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten -moet …” (Blz. 105).</p> -</div><p> -</p> -<p>„Wel ik gun je je baantje luitenant”, viel hier van Reenen in<span class="corr" id="xd31e1104" title="Bron: ">, „</span>want je zoudt daar met de manschappen geheel onbeschermd staan, en de eerste de beste -goedgemikte kogel van den vijand zou jullie het leven leelijk zuur maken”. -</p> -<p>„Dat is ook mijne opinie”, hernam de dappere <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>luitenant, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>en toen kolonel Gordon eergisteren hier was, heb ik hem dit onder het oog gebracht, -maar hij antwoordde dat het geheel onnoodig was, want dat de Engelsche schepen nooit -dicht bij genoeg konden komen om ons hier te raken”. -</p> -<p>„Gordon is of een gek of een verduivelde verrader” riep hier Jan van Eck woedend uit, -<span class="corr" title="Niet in bron">„</span>wat weet hij van hetgeen de Engelschen kunnen doen; het zou ze niet veel tijd nemen -om een paar zware kartouwen op eenige hunner grootste booten te plaatsen, en daarmede -uw heele batterij uit elkaar te schieten, als gij geen betere bedekking krijgt. Een -paar zes voet hooge wallen waren toch gemakkelijk opgeworpen”. -</p> -<p>„Als iemand de Baai Fals kent, dan geloof ik dat ik zulks doe”, zeide van Reenen opnieuw, -„en je kunt met mijn komplimenten aan den kolonel vertellen luitenant, dat als de -Engelschen een beetje snugger zijn, zij met hunne brikken zoo nabij kunnen komen, -dat zij het heele kamp zooals het staat, plat kunnen schieten”. -</p> -<p>„Dat ze de baai kennen, daar is geen twijfel aan”, sprak de heer de Waal, „want reeds -sedert den 20<sup>sten</sup> van de vorige maand zijn zij aan het peilen geweest, en toen ik hier voorverleden -week de wacht hield met mijn kompagnie, heb ik ze zelf gezien, en kwamen ze zoo dicht -bij het strand voor ons, dat ik ze wel met klippen had kunnen raak gooien”. -<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p> -<p>„En hebt gij dit dan niet aan den kolonel gerapporteerd?” vroeg Van Eck op een toon -van verbazing. -</p> -<p>„Welzeker deed ik zulks, maar de kolonel antwoordde dat wij de Engelschen niet konden -beletten om in de baai rondtezeilen, en diepten te peilen. Zij waren nog niet onze -vijanden”, antwoordde de luitenant. -</p> -<p>„Wel, de kolonel mag denken wat hij wil, maar onze vrienden zijn de Engelschen zeker -niet, en dat zijn zij nooit geweest van af de dagen van Koning Eduard den Eersten. -En wat men ook zeggen mag zal de Engelschman altijd de vloek voor ons land blijven”, -merkte Van Eck op zijn bitsige manier aan. -</p> -<p>„Maar er is nog een ander ding waar ik van wil praten”, viel Du Plessis in; „waarom -moeten mijne burgers hier in de opene lucht liggen, en in deze koude nachten allerlei -ongemak uitstaan? Dit is niet een manier om een ordentelijk mensch te behandelen, -en als er van mijn mannen huis toe gaan, dan moet de gouverneur niet klagen; ze beginnen -nu al leelijk te brommen, en ik kan ze waarachtig geen ongelijk geven. Wie moet naar -die dingen zien, luitenant?”<span id="xd31e1130"></span> -</p> -<p>„Daarover moet gij u tot den kolonel of tot majoor De Lille wenden”, was het korte -antwoord van den luitenant, die daarop groetend vervolgde. „Ik moet nog eens de ronde -gaan maken, en orders geven <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>omtrent de wachten, en groet u dus heeren”, en met deze woorden verliet de militair -het groepje. -</p> -<p>„Dat is een flinke kerel”, merkte de heer Van Reenen aan, op den wegstappenden luitenant -wijzende, „als hij het bevel over de zaken had in plaats van Gordon, dan zouden de -zaken er beter uitzien.” -</p> -<p>„Dat geloof ik ook”, hernam Van Eck, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>en wat de kolonel aangaat zoo moest men hem doodeenvoudig een kogel door den kop jagen. -Hij is niets anders dan een verrader naar mijn opinie”. -</p> -<p>Het gesprek had misschien een ernstige wending kunnen nemen, als op dat oogenblik -niet het geschetter van een trompet gehoord werd, het teeken dat de wachten aantreden -moesten, en daar verscheidene der tegenwoordigen een deel van den wacht voor den nacht -uitmaakten, ging het groepje uitelkaar. Van Eck, die echter niet op de wacht moest, -ging met veldkornet Botha naar diens vuur, en bleef daar de rest van den avond, alle -mogelijke informatie inwinnende omtrent den toestand op de oostelijke grensdistrikten -der kolonie, en het was bijna tien uur, toen hij zich ter ruste begaf naar de tent -die hij met den heer Van Reenen en eenige andere burgers van de Kaapstad deelde, en -dan was die tent nog niet eens verschaft door de regeering, maar het privaat eigendom -van den heer Van Reenen zelf. -<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p> -<p>Den volgenden dag was alles zoover rustig in het kamp te Muizenberg, en men zag slechts -een klein troepje der Stellenbosche burgers, die bezig waren om hunne goederen optepakken, -daar zij dien dag zouden worden afgelost door een honderdtal nieuwe manschappen die -den vorigen dag te Kaapstad waren aangekomen en heden in het kamp werden verwacht. -Met het vooruitzicht van weder naar huis en haard te kunnen terugkeeren, nadat zij -er bijna een maand van weg waren geweest, waren de Stellenbosschers zeer opgeruimd, -en menige scherts werd gewisseld onder elkaar, zoowel als met de andere burgers, die -nog moesten blijven. Het was omtrent één uur na den middag dat de honderd nieuwe Stellenbosschers -het kamp bereikten, en door den kommandeerenden officier Kolonel De Lille werden <span class="corr" id="xd31e1146" title="Bron: geinspekteerd">geïnspekteerd</span>, terwijl de burgers die naar hunne woningen zouden teruggaan zich gereed maakten -om over een uur te vertrekken, en de paarden reeds uit het veld waren gehaald. Doch -terwijl de kolonel nog met de inspektie bezig was, kwam een van de wacht die bij Kalkbaai -stond hard aangeloopen, en bracht het bericht dat de Engelsche schepen zich in beweging -hadden gezet en blijkbaar op Muizenberg afzeilden. De Lille was bij het hooren van -dit bericht niet genegen om er veel waarde aan te hechten, want de Engelsche <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>schepen hadden reeds de drie laatste dagen in de Baai Fals heen en weer gekruist; -doch een kwartier later kwam een tweede boodschapper van Kalkbaai het bericht brengen -dat er eene groote kolonne Engelsche soldaten uit Simonsstad rukte, en zich in de -richting van Muizenberg bewoog. Dit was een duidelijk teeken dat de Engelschen iets -in het schild voerden, en De Lille gaf orders dat men het kamp zou strijken en zich -voor den strijd gereed maken. Zelf ging hij met zijn 200 man van het Nationale bataljon -eene positie opnemen nabij het strand, juist waar de weg door de nauwe poort tusschen -de zee en den berg ging, en waar een elftal stukken stonden die dezen weg moesten -verdedigen. Luitenant Marnitz, die het bevel over de geheele artillerie had, stond -natuurlijk met zijne manschappen bij zijne stukken, gereed om zijn plicht te doen. -Maar De Lille scheen geheel vergeten te hebben dat er nog 300 burgers, en 150 der -Hottentot soldaten in het kamp waren, want hij gaf hoegenaamd geen orders omtrent -de positie die deze mannen moesten opnemen, en het gevolg was, dat er geen geringe -verwarring ontstond, en elke officier zich verplicht vond om op zijn eigen houtje -te handelen, zoodat er hier een klompje burgers stonden, en wat verder een ander klompje, -en daartusschen de pandoers, die ook allen te paard <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>waren, zich hadden opgesteld onder bevel van hun kommandant Cloete. -</p> -<p>De Lille had blijkbaar verwacht dat de beweging der schepen slechts een manoevre der -Engelschen was om de aandacht af te leiden van de naderende kolonne voetvolk. Doch -het bleek spoedig dat hij zich hierin deerlijk had vergist, want de vier Engelsche -schepen, die in dien tusschentijd tot vlak tegenover Muizenberg waren genaderd, openden -plotseling een hevig vuur op het kamp. De verwarring die nu onder het koloniale leger -ontstond was onbeschrijfelijk, maar toch had een bekwaam en dapper bevelhebber de -positie nog kunnen redden. De Lille was echter noch bekwaam noch dapper; integendeel -hij bleek of een lafaard of een verrader te zijn, want nauwelijks was de eerste kogel -der Engelsche schepen in den grond geslagen of de bevelhebber wendde zijn paard, en -ging ijlings op de vlucht, gevolgd door het Nationale bataljon, en zelfs een deel -der artillerie liet zich in den vaart meeslepen. Luitenant Marnitz echter bleef met -het restant der zijnen op zijn post, en begon dadelijk het vuur der Engelschen te -beantwoorden met de twee zware 24 ponders, een werk waarin hij met heel wat bezwaren -te kampen had, want daar de kanonnen los in het zand stonden, raakten zij met elk -schot vast en moesten daar <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>uitgegraven worden en opnieuw gericht. Maar dit alles liet Marnitz geenszins den moed -verliezen, en hij bleef zich verdedigen. Toen de burgers de geregelde troepen, die -als het ware de kern van het leger vormden, aldus op de vlucht zagen gaan, met de -kolonel De Lille voorop, geraakten ook zij aan het wijken, en toen eenige der vijandelijke -kogels in hun midden sloegen, retireerden zij zoo snel mogelijk om uit het bereik -dier moorddadige werktuigen te komen. Zij gingen in de richting van het tegenwoordige -Tokai, dat is juist om de punt van den berg, maar toen zij buiten schot waren hielden -zij stand met het doel om zich te verweren tegen het voetvolk, als dit aan kwam. De -Lille daarentegen hield met de zijnen niet op met vluchten, maar vervolgde hals over -kop zijn weg naar de Dieprivier, waar hij toch eindelijk tot zijn verhaal scheen te -komen, maar zonder dat hij het minste denkbeeld had wat er van de verdere strijdmacht -was geworden, en zich zeker niet bekommerende over hen. -</p> -<p>Luitenant Marnitz weerde zich zoo goed hij kon, en bracht de Engelsche schepen heel -wat schade toe, schoon hij hen natuurlijk niet het zwijgen kon opleggen. Toen echter -de Engelsche voet-kolonne de engte had bereikt, en de vijand zich gereed maakte om -de batterij te bestormen, zag de luitenant dat zijne <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>positie hopeloos was, en dat er niets anders voor hem opzat dan om terug te trekken. -In zijn hart vloekende op den lafaard die hem in een dusdanigen positie had gebracht, -gaf Marnitz bevel tot den terugtocht, daarop vuurde hij nog een schot op den aanrukkenden -vijand, en vernagelde toen eigenhandig de twee 24 ponders, en de andere kleine kanonnen, -om ze onbruikbaar voor de Engelschen te maken, en eerst toen trok hij met vijf veldstukken -terug. Het Engelsche voetvolk rukte nu de engte door, en trok om de punt van den berg. -Doch hier liepen zij, om zoo te zeggen in de armen der burgers die hen met een geweldig -vuur ontvingen, terwijl ook Marnitz met een paar kanonnen hier eene positie had opgenomen. -Het Engelsche 78<sup>ste</sup> regiment liep hen echter met de bajonet storm, en tegen die wijze van oorlogvoeren -waren de burgers niet opgewassen, zoodat zij weken. Kapitein Kemper van de artillerie, -die met een deel van de kanonnen om de Zandvlei was getrokken, bemerkte in welke netelige -positie de burgers waren, en opende van waar hij stond zulk een hevig vuur op de aanvallers, -dat de Engelschen, nu van twee kanten beschoten, terug deinsden naar Muizenberg, en -den strijd voor dien dag opgaven. De avond was toen reeds aan het vallen; het kamp -der Kolonialen was in handen van <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>den vijand; er kon dus niets meer door de burgers worden gedaan. Treurig, en daarbij -niet weinig kwaad over de slechte leiding die zij gehad hadden, en wat ronduit het -verraad van Lille werd genoemd, legerden de burgers zich in kleine troepjes hier en -daar op de Kaapsche vlakte tusschen het tegenwoordige Retreat en Tokai, en brachten -den nacht in de opene lucht door, terwijl ze zorgden dat er behoorlijk wachten werden -uitgezet om eene verrassing door den vijand te voorkomen. -</p> -<p>Den volgenden dag scheen De Lille wat bijgekomen te zijn van zijn schrik, en trok -hij behoedzaam met een kleine kolonne zijner troepen naar Zandvlei, doch de Engelschen -hadden zijne beweging bespeurd, en een vrij sterke macht van Engelsche infanterie, -vergezeld van een klompje mariniers vielen hem aan. De dappere(?) De Lille wachtte -dezen aanval niet af, maar vluchtte hals over kop naar Dieprivier terug, en liet zich -den geheelen dag niet meer zien. De burgers hadden echter een beter plan beraamd; -zij hadden namelijk de Engelsche kolonne zien aankomen en verscholen zich daarop tusschen -eenige hooge zandduinen die in de buurt waren, en in den weg lagen die de Engelschen -volgden in hun nazetten van De Lille. Op het rechte tijdstip openden de burgers een -heftig vuur op de niets vermoedende Britten met <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>het gevolg dat deze door den schrik werden bevangen en ijlings op de vlucht sloegen. -De burgers zetten den vijand dadelijk achterna en misschien zou het hun gelukt zijn -om hun kamp van gisteren weder te bemachtigen, ware het niet dat de Engelschen de -door luitenant Marnitz vernagelde kanonnen weder in orde gebracht hadden en daardoor -in staat gesteld waren om de burgers, toen deze het kamp naderden met geschutvuur -te ontvangen, waartegen de laatsten niet waren opgewassen. Dezen toch hadden geene -kanonnen, daar luitenant Marnitz van zijn kommandeerenden officier, De Lille, bevel -had ontvangen om zich terug te trekken naar Wijnberg, waar De Lille ook een kamp betrok, -na de burgers op de aller lafhartigste wijze aan hun lot te hebben overgelaten. Onder -zulke omstandigheden bleef er voor de arme burgers ook niets anders over dan om zijn -voorbeeld te volgen en ook naar Wijnberg te trekken. -</p> -<p>Dienzelfden avond was er in het kamp te Wijnberg een ontzettend spektakel. De burgers -zochten den man die hen zoo schandelijk verraden had, in handen te krijgen, maar De -Lille had blijkbaar zoo iets voorzien, en had zich uit de voeten gemaakt, schuiling -zoekend bij het Kasteel. Doch de burger officieren waren niet van plan om deze zaak -op zulke wijze te laten doodloopen, en nog dien zelfden avond trokken <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>zij een verzoekschrift aan den <span class="corr" id="xd31e1175" title="Bron: Govverneur">Gouverneur</span> op, waarin zij De Lille openlijk van verraad beschuldigden, en verzochten dat hij -voor een krijgsraad zou terecht staan. Dit dokument werd namens de burgers door de -officieren Botha, Loubser, De Waal, Van der Bijl, Goosen, Hoffman, en Mulder onderteekend. -Het gevolg was, dat de Gouverneur zich wel verplicht vond om aan dit verzoek gehoor -te geven, en op den 10<sup>den</sup> Augustus werd De Lille gevangen genomen, en werd het bevel van het kamp te Wijnberg -opgedragen aan den kapitein van Baalen, een man, die schoon geen groot krijgsman zijnde, -toch door een ieder als een eerlijk en dapper man werd beschouwd. Eenige dagen later -kwam De Lille voor een krijgsraad, die, om wel te vermoedene redenen hem vrijsprak, -doch de bevolking was zoo op hem gebeten, dat de autoriteiten verplicht waren om hem -onder verzekerde bewaring te houden, uit vrees dat men hem het leven mocht benemen. -</p> -<p>Jan van Eck was een dergenen geweest, die dapper tegenstand had geboden aan de Engelschen -op den eersten dag, en hij was ook den tweeden dag in het heetst van het gevecht geweest, -want een lafaard wilde de brave burger niet genoemd worden. Geheel ongedeerd kwam -hij niet uit den strijd, want op den tweeden dag werd hij door een geweerkogel licht -<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>aan den arm gewond, en schoon de wond slechts een schram was, noodzaakte die hem toch -om eenige dagen lang zijn arm in een doek te dragen, zoodat hij geen dienst kon doen. -Dat hij woedend was op De Lille, op Gordon, die al die dagen lang nooit zich hadden -laten zien in het kamp, laat zich gemakkelijk verstaan, en in het dagboek vinden wij -dan ook de bitterste uitdrukkingen omtrent de „verraders, die deze kolonie in de handen -van de Engelschen spelen.” -</p> -<p>Maar de zaken gingen later nog slechter, toen op den 4<sup>den</sup> September de Engelschen eene aanmerkelijke versterking kregen en heel wat geschut, -zoodat zij in staat waren om krachtiger op te treden en inderdaad rukte op den 14<sup>den</sup> van die maand het geheele Engelsche leger van Muizenberg naar Kaapstad op. Een korten -tijd lang weerden de burgers zich dapper tegen den viermaal sterkeren vijand, doch -zij werden niet behoorlijk aangevoerd, en toen het onmogelijk bleek om den vijand -te keeren, trokken de meeste burgers, moede van het verraad, dat naar hun meening -gepleegd was door allen, die iets in het bestuur der kolonie te zeggen hadden, de -Kaapsche vlakte in en begaven zich naar hunne plaatsen. De Kaapsche burgers, en daaronder -onzen vriend Jan van Eck, trokken naar de Kaapstad, en men kan zich verbeelden, dat -het hart van onzen vriend <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>bloedde, als hij dacht aan hetgeen thans het onvermijdelijke scheen. -</p> -<p>Dienzelfden nacht kwam op het kasteel te Kaapstad de Politieke Raad bij elkander en -werd besloten tot het laatste bedrijf van het droevige drama. Gordon was op deze vergadering -niet tegenwoordig, en de heer Van Rheede van Oudtshoorn (eere zij zijn naam) stemde -tegen het genomen besluit; alle andere leden waren echter van opinie, dat eene verdere -verdediging van de kolonie onmogelijk was, en dat men zich moest overgeven. -</p> -<p>Op den 16<sup>den</sup> September 1795, des namiddags om drie uur, woei de Britsche vlag voor het eerst op -het kasteel van Kaapstad. Het rijk van Jan Compagnie in Zuid-Afrika was gevallen. -<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK VI." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK VI.</h2> -<h2 class="main">Het eerste Engelsche tijdperk.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wij zijn nu aan een deel van het dagboek gekomen, dat ongelukkiglijk geheel uit zijn -verband is gerukt. Er mankeeren een aantal pagina’s, andere deelen zijn weer onleesbaar, -en een gedeelte is gevuld met aanmerkingen en bespiegelingen van den heer Van Eck, -die in menig opzicht veel waars en interessants bevatten, doch de publikatie waarvan -wegens een aantal redenen niet wenschelijk is. Want de lezer kent al zeker onzen vriend -als een heftig man, die op punten van godsdienst, zoowel als van regeeringsvorm, wonderlijke -denkbeelden had; denkbeelden, die in zijn tijd geenszins ongewoon waren <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>en die door velen onzer voorouders werden aangenomen, doch die thans, òf als verouderd, -òf als geheel onmatig worden beschouwd. De overgang van de 18<sup>de</sup> tot de 19<sup>de</sup> eeuw, is op het gebied van des menschen geest eene zeer merkwaardige, en veel is -er in dien tijd ontstaan, waarvan wij heden het rechte nog niet begrijpen, maar er -waren ontegenzeggelijk te veel abstracte bespiegelingen opgesloten in die denkbeelden, -en men hechtte te veel waarde aan de dikwerf zeer schoone doch onpraktische beschouwingen -van Jean Jacques Rousseau. Wij zouden dus òf onze lezers vervelen met hier deze uittreksels -te geven uit het dagboek, òf, ingeval die lezers jongelieden mochten zijn, hen bekend -maken met ideeën, die voor hen onverstaanbaar en onverteerbaar zouden zijn; in beide -gevallen zouden wij kwaad kunnen doen. -</p> -<p>Onder die omstandigheden is het misschien het beste om een oogenblik van het dagboek -af te wijken en uit andere bronnen een kort overzicht te geven van de gebeurtenissen, -die plaats vonden gedurende den tijd, dat de Engelschen hier hun eerste bestuur voerden, -namelijk van 1795 tot 1803. Over een der voornaamste deelen van dit tijdvak, dat, -hetwelk betrekking heeft op den opstand te Graaff-Reinet, moeten wij zeer kort zijn, -omdat er kans bestaat, <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>dat wij later onze lozers die gebeurtenissen in een apart werk zullen verhalen. -</p> -<p>Toen de Engelschen deze kolonie door het verdrag van 13 September 1795 in bezit kregen, -naar hun voorgeven om die te bewaren voor den Prins van Oranje, maar in werkelijkheid -met geen ander doel als om ze voor henzelven te behouden, was de toestand in Zuid-Afrika -over het algemeen zeer treurig. De handel was in de Kaapstad <span class="corr" id="xd31e1222" title="Bron: geruineerd">geruïneerd</span>, en er heerschte een volslagen gebrek aan kontant geld, wordende dit gebrek slechts -op zeer ontoereikende manier verholpen door een ontzachelijke massa papieren geld, -met gedwongen koers, die door de Hollandsche regeering was uitgegeven. In de buitendistrikten -zag het er niet veel beter uit, want de boeren waren ook hard achteruitgegaan; terwijl -in de grensdistrikten er een toestand heerschte die, voor het oogenblik althans, niets -anders was dan eene volslagene anarchie. -</p> -<p>Het zou den Engelschen, zoo zij een volk van eene andere geaardheid waren geweest, -dan ze werkelijk zijn, niet moeielijk zijn gevallen, om de kolonie dusdanig te besturen -dat ze de achting en de liefde van de bevolking hadden gewonnen, waardoor de kolonie -later in waarheid een der schoonste parelen der Engelsche kroon zou zijn geworden, -en de <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>bevolking nog loyaler, dan de Engelschen in Engeland. Maar het ligt in den aard van -het Engelsche volk om alle nieuwigheden, en alle nieuwe volken, te naderen met die -<span class="corr" id="xd31e1229" title="Bron: veroordeelen">vooroordelen</span> die in het Angel-Saksische ras ingeworteld zijn, en bovendien met verachting neder -te zien op alles wat niet tot dat Angel-Saksische ras behoort of behoord heeft. Het -is merkwaardig, dat de Engelsche regeering van 1795, die in 1783 zulk een dure ondervinding -had opgedaan in den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, geen betere lessen heeft getrokken -uit de feiten die de oorzaak waren van dien krijg, die Engeland een harer voornaamste -koloniën had doen verliezen. Maar Engeland had in 1795 die les nog niet geleerd, en -het is misschien zeer de vraag of ze die les zelfs nu al kent. -</p> -<p>De Engelschen waren ten tijde van hun aankomst alhier in 1795 alles behalve populair -bij de Kaapsche kolonisten; en aan den anderen kant bleek maar al te spoedig welk -eene verachting de Engelschen hadden voor den Zuid-Afrikaanschen boer, dien zij afschilderden -als dom, lui, wreed tegenover zijne kleurlingen, oneerlijk, en lafhartig; en dat ongelukkige -en onware oordeel, dat toen gevormd werd, is later niet veel veranderd, schoon John -Bull gelegenheid genoeg had om dat oordeel te kunnen wijzigen door ondervindingen. -<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span></p> -<p>Een van de eerste daden der nieuwe regeering was om de harten der inwoners te trachten -te winnen door het voorspiegelen der groote voordeelen die zij zouden genieten onder -Engelsch bestuur, dat hun vrijen handel zou toestaan, en hun geen nieuwe belastingen -zou opleggen, en tevens voor alles dat gekocht werd in klinkende munt zou betalen. -Voor al die geschonkene voordeelen eischte men echter den eed van getrouwheid aan -koning George den Derden. In werkelijkheid werd die eed dan ook door een groote meerderheid -der bevolking afgelegd, en zelfs in het distrikt Swellendam onderwierp men zich vrij -rustig aan de nieuwe regeering, en bevond men in het algemeen dat de verandering van -regeering een weldadigen invloed had op den handel, en dat de boer er, wat het finantieele -betreft, heel wat beter aan toe was. In het distrikt Graaff-Reinet ging de zaak echter -niet zoo gemakkelijk en een zekere partij, die der vroegere patriotten, nu de Nationalen -genoemd, begon met een eigen regeering te vormen, die aan de Engelsche regeering kennis -gaf dat zij geen oorlog zou voeren met haar, en met ze op goede voet wilde verkeeren. -Generaal Craig, die toen de militaire gouverneur was der kolonie, zond wel een gewapende -macht naar Graaff-Reinet, maar gedroeg zich toch zoo verstandig en gematigd in de -<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>zaak, dat men vijandelijkheden, vermeed, en er inderdaad een soort van schikking werd -getroffen, waarin de Graaff-Reinetters wel de Engelsche regeering erkenden, maar toch -op vele punten hun zin kregen. De reden waarom de Engelsche generaal zoo bizonder -inschikkelijk was is thans bekend, en bestond daarin dat men in Engeland nog tot geen -besluit was gekomen wat met de kolonie te doen, en of men die bepaald en onder alle -omstandigheden, zou annexeeren aan de Britsche kroon. -</p> -<p>In werkelijkheid werd dan ook door de Hollandsche regeering, of om juister te zijn -door de Bataafsche Republiek eene poging gedaan om de kolonie te heroveren, en zond -men van uit Holland eene vloot van negen schepen met omtrent 2000 soldaten naar de -Kaap. Doch deze vloot werd door de Engelschen verrast in Saldanhabaai op 17 Augustus -1796, en de Hollandsche Admiraal Lucas moest zich zonder slag of stoot overgeven met -al de zijnen. Kort na deze mislukte poging, gaf de Britsche regeering openlijk te -kennen dat zij van plan was om de Kaap voor goed te houden als eene Britsche bezitting, -en die niet terug <span class="corr" id="xd31e1241" title="Bron: tegeven">te geven</span> aan het huis van Oranje, en hierop werden nieuwe maatregelen genomen voor het bestuur -der Kolonie. Als gouverneur aan de Kaap zond men Lord Macartney uit, en met diens -regeering begint <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>de treurige tijd van Engelsch bestuur in Zuid-Afrika. In de eerste plaats werden alle -betrekkingen gevuld met Engelschen. Daarenboven gedroeg de gouverneur zich alsof hij -in een veroverd en vijandig land was. Alle inwoners moesten een nieuwen eed afleggen -aan koning George, en de geringste vermoeden dat iemand niet zoo loyaal was, als de -gouverneur wel noodig beschouwde, bezorgde den betrokken persoon heel wat onaangenaamheden. -Er waren velen der Kaapsche burgers die reeds één keer den eed aan den koning hadden -afgelegd, en het dus onnoodig beschouwden om dien eed nog eens afteleggen; doch diegenen -die weigerden werden spoedig door dwang tot eene andere zienswijze gebracht; men liet -een troep dragonders zich bij hen inkwartieren totdat ze den eed kwamen afleggen. -Mocht er iemand gevonden worden die verdacht werd sympathie te hebben met de beginselen -der Fransche revolutie, dan werd hem dadelijk het leven zuur gemaakt, en de geschiedenis -verhaalt ons hiervan het volgende aardige geval. -</p> -<p>In Augustus zou de dochter van den heer Hendrik Oostwald Eksteen van Bergvliet, tusschen -Wijnberg en Muizenberg, in het huwelijk treden, en voor die gelegenheid zond de vader -een aantal uitnoodigingen uit aan vrienden om bij de bruiloft tegenwoordig te zijn. -Dit deed hij op de wijze zooals toen ter tijde <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>gewoonlijk werd gedaan in Frankrijk, en hij was onvoorzichtig genoeg om die uitnoodigingen -te adresseeren aan „Burger zoo en zoo, enz”. Maar op den dag van het <span class="corr" id="xd31e1250" title="Bron: bruilofsfeest">bruiloftsfeest</span> kreeg hij een aantal gasten waarop hij niet had gerekend, namelijk een detachement -dragonders, die hun kwartier bij hem opnamen, en door den Gouverneur waren gezonden -onder het voorwendsel dat er een oog moest worden gehouden op „de ontevredene en kwaadgezinde -personen die op de bruiloft mochten tegenwoordig zijn”. De heer Eksteen ging dadelijk -naar het Gouvernements gebouw om te protesteeren tegen deze handelwijze, en te kennen -te geven dat hij niet de minste kwade bedoelingen had met het uitzenden der uitnoodigingen, -maar het duurde een heele tijd voor den gouverneur zich vermurwde en ten laatste order -gaf dat de dragonders terug konden komen, doch onder voorwaarde dat de heer Eksteen -borgtocht ten bedrage van £ 1000 zou geven, ten effekte dat hij voortaan niet meer -zulke misdadige dingen zou plegen. -</p> -<p>Het was ook kort na de aankomst van Lord Macartney, dat Engeland in Zuid-Afrika haar -nu reeds zoo wel bekende handelspolitiek begon te volgen. Schoon aan de kolonisten -vrije handel was beloofd, hield men die belofte op eene eigenaardige <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>manier. Goederen uit Engeland konden vrij ingevoerd worden, maar geen goederen konden -uit andere landen worden ingevoerd behalve dan met Engelsche schepen, en dan moesten -zij een invoerbelasting betalen van 5 percent. Waren er bizondere omstandigheden die -vereischten dat goederen uit andere dan Engelsche landen met vreemde schepen moesten -worden ingevoerd, dan werd op zulke goederen dubbel invoerrecht geheven. -</p> -<p>Als private secretaris van Lord Macartney was hier in Zuid-Afrika aangekomen, een -man die meer dan eenig ander Engelschman kwaad aan deze kolonie, en aan Zuid-Afrika -in het algemeen heeft gedaan. Dit was de heer John Barrow, een alleszins bekwaam man, -maar vol van <span class="corr" id="xd31e1260" title="Bron: veroordeelen">vooroordelen</span>, en maar al te zeer genegen om alle berichten die hij omtrent de Afrikaansche boeren -vernam te gelooven zonder een onderzoek in te stellen of die berichten juist waren -of niet. Na korten tijd hier te zijn geweest schreef hij een boek over de kolonie -en hare bevolking, dat in Engeland een grooten opgang maakte, en voor een halve eeuw -bijna het tekstboek over den toestand in Zuid-Afrika was. In dit boek worden de Afrikaansche -boeren in de afschuwelijkste kleuren afgeschilderd, en ter verachting van het menschdom -ten toon gespreid. -</p> -<p>Men kan begrijpen dat allen die dit boek lazen, <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>zich een geheel verkeerde voorstelling vormden over dit land en zijne bewoners, en -dat zelfs de Engelsche staatslieden er jaren lang door werden misleid. Maar niet alleen -de staatslieden, doch ook het algemeene publiek in Engeland kreeg door het boek van -den heer Barrow, dat een groot aantal lezers had, een totaal verkeerden indruk van -den toestand alhier. Aan de werken van den heer Barrow zijn een aantal der ongelukkige -misslagen van Engeland in Zuid-Afrika te wijten, en hij is in groote mate verantwoordelijk -voor den haat die het publiek van Engeland gekoesterd heeft tegen den Afrikaanschen -boer; hij en Dr. Philip, die met andere oogmerken, den Afrikaner ook niet weinig heeft -belasterd. -</p> -<p>Lord Macartney regeerde met zulk een ijzeren hand, dat de bevolking een tijd lang -door vrees in toom werd gehouden, en men zelfs te Graaff-Reinet stil bleef. Doch in -1798 was de gezondheid van den ouden Lord zoodanig, dat hij zich genoodzaakt zag naar -Engeland terugtekeeren, en op 20 November verliet hij deze kusten<span class="corr" id="xd31e1269" title="Bron: .">,</span> Generaal Dundas hier latende om voorloopig het bestuur voort te zetten. Dadelijk -daarop brak de opstand in Graaff-Reinet uit, die allertreurigst afliep, deels omdat -men geen hulp van de andere deelen der kolonie kreeg, deels omdat de plannen van de -leiders van den opstand slecht waren <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>overgelegd. Twintig der aanvoerders in den opstand werden naar de Kaapstad gezonden; -een daarvan stierf, de andere negentien stonden voor hoogverraad terecht en werden -tot verschillende straffen veroordeeld; de twee hoofdaanvoerders Marthinus Prinsloo -en Adriaan van Jaarsveld werden ter dood veroordeeld; maar dit vonnis werd niet uitgevoerd, -en zij werden met de anderen als gevangenen in het kasteel gehouden, totdat zij, bij -het teruggeven der kolonie aan de Hollanders in 1803 op vrije voeten werden gesteld. -Doch voor dien tijd was Adriaan van Jaarsveld in de gevangenis overleden, en werd -hij dus de eerste martelaar van het Engelsche bestuur in Zuid-Afrika. Voor den geschiedschrijver -en den student van onze geschiedenis is deze gebeurtenis van ontzettend gewicht, want -daarin ligt de bron van al het kwaad van Zuid-Afrika, en de gevolgen van den opstand -van 1799 zijn onberekenbaar geweest. Had Engeland voor een oogenblik kunnen gissen -wat het straffen van die mannen haar zou kosten, dan had het zeker geen oogenblik -geaarzeld om ze alle gratie te schenken. Toch, de Groote Trek, het stichten der beide -republieken ten noorden van de Oranjerivier, en zelfs den later gevoerden ontzettenden -oorlog; dat alles is meer of min, het directe gevolg van het feit dat in den opstand -van 1799 de Engelschen niet met <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>het noodige verstand te werk gingen, maar meenden dat zij door een exempel te maken, -den vrijheidsgeest van den Afrikaner konden versmoren. Hoe slecht is die berekening -uitgekomen! Er zou een boek over deze zaak en hare gevolgen te schrijven zijn, maar -daarvoor is het hier niet de plaats, en met deze weinige aanmerkingen moet de lezer -zich tevreden stellen, voor het tegenwoordige althans. -</p> -<p>Uit het dagboek blijkt maar al te duidelijk, dat Jan van Eck aan deze bewegingen in -Graaff-Reinet volstrekt niet vreemd was, maar dat hij er een werkzaam aandeel aan -had, schoon hij niet de wapenen opnam. -</p> -<p>Dat deel van het dagboek, dat op deze periode betrekking heeft, wordt gemist, maar -er zijn op latere plaatsen toespelingen op hetgeen door hem werd gedaan, en uit een -ander deel blijkt, dat Van Eck op zeer intiemen voet verkeerde met een zekeren Cornelis -Edeman, een schoolmeester nabij Kaapstad, die eene korrespondentie aan den gang had -gehouden met de oproerlingen in Graaff-Reinet, en hen tot den opstand had aangespoord. -Deze Edeman werd door de Engelsche autoriteiten gevangen genomen, veroordeeld tot -geeseling en verbanning uit de kolonie en dit vonnis is in zijn geheel uitgevoerd. -Hij werd als bandiet naar Nieuw Zuid-Wales gebracht en stierf daar verscheidene jaren -later. -<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p> -<p>Middelerwijl was hier een nieuwe gouverneur aangekomen in den persoon van Sir George -Younge, die op 9 December 1799 in de Tafelbaai landde, en die hier een allerschandaligst -bestuur voerde, waarin knoeierijen van allerlei aard en onaangenaamheden met ambtenaren -een hoofdrol speelden. Eén goed ding deed hij echter, en dat was het verbeteren van -den landbouw in de kolonie. Hij had namelijk met zich samen gebracht, op onkosten -van de Engelsche regeering, den heer William Duckitt, een man, die goed met alle zaken -betreffende de boerderij bekend was, en die met behulp van eenige assistenten die -met hem waren uitgekomen, een modelboerderij begon, eerst te Klapmuts en later in -de buurt van Darling, en schoon het later bleek, dat de gouverneur en de heer Duckitt -gezamentlijk speculatiën deden, valt het toch niet te ontkennen, dat deze laatste -veel gedaan heeft om de boerderij op beteren voet te doen drijven in Zuid-Afrika, -dan zij tot dien tijd werd gedaan. Het gedrag van Sir George was echter zoodanig, -dat er spoedig klachten naar Engeland werden gezonden, en het Ministerie aldaar zich -verplicht zag om den gouverneur terug te roepen, die dan ook op 20 April zijne betrekking -overhandigde aan generaal Dundas en negen dagen later deze kusten verliet. Hij werd -later terecht gesteld voor eene commissie <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>in Engeland, die hem schuldig vond aan eenige der aanklachten, waarop hij uit den -staatsdienst werd ontzet. -</p> -<p>Kort na zijn vertrek brak er een krijg uit met de Kaffers op de Oostergrenzen, die -door het Engelsche gouvernement vrij slap werd gevoerd, maar waarin de burgers, die -opgeroepen waren, zeer dapper vochten onder bevel van den dapperen en bekwamen kommandant -Tjaart van der Walt. In een gevecht met de Kaffers te Roodeval, in de buurt van de -Zondagsrivier, verloor echter deze brave Afrikaner zijn eenigen zoon, en nog geen -vier maanden later viel hij zelf in een gevecht bij de Kougarivier. Zijn dood was -een onherstelbaar verlies, en de oorlog werd feitelijk na dien tijd opgegeven, en -met de Kaffers een soort van opgelapte vrede gesloten, die later de kolonie ontzettend -veel moeite en geld zou kosten, want waren de Kaffers den eersten keer behoorlijk -ten onder gebracht en hun respekt geleerd voor den blanke, dan was waarschijnlijk -aan Zuid-Afrika die lange reeks van kafferoorlogen bespaard geworden, die millioenen -gelds gekost hebben, zoowel als duizenden van levens. Dat de Engelsche regeering nooit -den rechten slag gehad heeft om met de kleurlingstammen van Zuid-Afrika klaar te komen, -maar daarentegen hun inboorlingen-politiek op verkeerde grondstellingen werd gevoerd -onder den invloed <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>der negrophilistische partij in Engeland en in de kolonie, is een te wel bekende zaak, -dan dat wij hier er nog over zouden uitweiden; doch de meer dadelijke reden waarom -generaal Dundas dezen oorlog niet verder wilde voortzetten, was het feit, dat de Engelsche -regeering op dat tijdstip geen lust had om een kostbaren oorlog te voeren, omdat het -thans zeker was, dat de Kaapkolonie aan de Hollanders zou worden teruggegeven. -</p> -<p>Op den 1<sup>sten</sup> October van het 1801 was er namelijk vrede gemaakt tusschen Engeland en Frankrijk -te Amiens, en een der voorwaarden waarop de Fransche Eerste Consul, Napoleon Bonaparte -had gestaan, was, dat de kolonie aan de Bataafsche Republiek zou worden teruggegeven, -eene voorwaarde die Engeland niet dan met grooten weerzin toestond. De Oost-Indische -Compagnie was ontbonden in 1796 en voortaan zou deze Volkplanting dus direkt door -de regeering van Holland worden bestuurd. Het duurde echter geruimen tijd voor de -finale vrede gesloten werd, doch dit vond eindelijk op 27 Maart 1802 plaats, en dadelijk -werden toen in Holland de noodige stappen genomen voor het bestuur alhier. Een uiterst -bekwaam man, Jacob Abraham de Mist, werd aangesteld als Commissaris om de zaken in -de Oost-Indiën, en in de Kaap op een nieuwen <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>grondslag te stellen, en als Gouverneur werd benoemd Generaal Jan Willem Janssens, -een knap krijgsman, wiens eerlijkheid boven alle verdenking was verheven. De Mist -en Janssens kwamen op den 23<sup>sten</sup> December in de Tafelbaai aan, en er werd tusschen hen en Generaal Dundas eene schikking -getroffen, volgens hetwelk de kolonie op den 31<sup>sten</sup> zou worden overhandigd, zullende als dan de Engelsche troepen door de Hollandsche -worden vervangen op het kasteel. Werkelijk waren ook op den middag van dien dag de -Engelsche troepen bezig zich inteschepen, toen er onverwachts een schip uit Engeland -aankwam, met orders aan Generaal Dundas om de kolonie niet te overhandigen, tenzij -hij verdere orders uit Engeland ontving. In allerijl werden den Engelsche soldaten -weder ontscheept, en de Hollandsche soldaten, die reeds geland waren, werden gezonden -in een kamp nabij Rondebosch, ten gevolge waarvan heden nog een weg nabij die voorstad -van Kaapstad, den naam draagt van de <i>Campground Road</i>. -</p> -<p>Men kan zich voorstellen dat deze tijding eene geweldige ontsteltenis in de Kaapstad -veroorzaakte. Er heerschte voor een oogenblik een paniek onder de bevolking, want -men had de Hollanders met groote vreugde ontvangen, en men vreesde dat zoo Engeland -hier toch ten slotte de baas bleef, de <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>personen die hun gehechtheid aan Patria hadden ten toon gespreid, scherp zouden worden -behandeld. Er vond dus dadelijk een uittocht plaats uit de stad, en de toestand werd -zoodanig dat Generaal Dundas zich verplicht zag om de krijgswet van kracht te verklaren -in de Kaapstad, en de bevolking te beletten de stad te verlaten. De opgewondenheid -duurde echter geruimen tijd voort, en men begreep natuurlijk niet wat er aan scheelde. -Ten slotte kwam er op 19 Februari een schip op de reede van Tafelbaai aan, met het -bericht dat de kolonie thans kon worden overhandigd, en op den 21<sup>sten</sup> Februari woei de Hollandsche driekleur weer vroolijk en blij van de tinne van het -Kasteel. Ongelukkig echter zou zij daar niet zoo erg lang waaien. -</p> -<p>Het behoeft nauwelijks aan onze lezers verteld te worden dat geen man in Kaapstad -de vlag van Holland met meer vreugde weder begroette, dan Jan van Eck, die thans zijn -hartewensch zag vervuld. Niet alleen was hij den Engelschman kwijt, maar ook zou de -kolonie nu worden bestuurd volgens de beginselen van de Fransche Republiek, die door -de Bataafsche republiek waren aangenomen. Jan van Eck droomde dus die nacht dat de -gouden eeuw voor Zuid-Afrika was aangebroken. -<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK VII." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK VII.</h2> -<h2 class="main">Jan van Eck viert feest, maar hoort toch tijdingen die hem niet bevallen, en die hem -ruzie doen maken.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Onze oude vriend liet niet toe dat zijne gevoelens over de verandering, die in de -kolonie plaats had gevonden, onbekend bleven, en wie hij ook op den 20<sup>sten</sup> Februari ontmoette hield hij staande om met hem een praatje te maken. Er waren echter -eenige personen die hij zorgvuldig vermeed, en daaronder was de heer van Rijneveld, -de man die in den vorigen Hollandschen tijd de Fiskaal der kolonie was geweest, en -nadat de Engelschen dit land hadden overgenomen die betrekking bleef bekleeden niet -alleen, maar van <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>het grootste nut was geweest voor de veroveraars, die hij met zijne ongetwijfeld groote -talenten had gediend. Dan was er Kolonel De Lille, die in den Engelschen tijd de Kazerne -wachtmeester was geweest te Kaapstad, maar nu onder het nieuwe Hollandsche regiment -voor kwaad geld rondliep, en van wien niemand meer notitie nam, en het allerminst -onze vriend. -</p> -<p>De hoofdpersoon, in het verraad van 1795, Kolonel Gordon was niet meer; op den 5<sup>den</sup> October van dat jaar had hij zich een kogel door den kop gejaagd, en zich op die -wijze aan de verachting zijner medemenschen onttrokken. -</p> -<p>Zooals wij zeiden, was Jan van Eck vroolijk en opgeruimd, zoo opgeruimd als hij nog -in langen tijd niet was geweest, en iemand die hem niet goed had gekend, zou misschien -wel tot de liefdelooze gevolgtrekking hebben kunnen komen dat Oom Jan wat te diep -in het glaasje gekeken had. Diep in het glaasje keek hij dien dag zeker, want een -extra borrel, zooals men dat op zee noemt, verdiende de gelegenheid wel; maar de oude -man zorgde wel degelijk dat hij absoluut nuchter bleef, want dronkenschap was iets -dat hij even als de meeste Afrikaners, in anderen haatte, en waaraan hij zich dus -in geen geval schuldig maakte. Toen hij echter zijn oude <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>vriend den heer Van Reenen ontmoette, en kort daarop den heer Eksteen, dezelfde die -de ongenoode gasten op de bruiloft zijner dochter kreeg, toen was het geenszins een -wonder dat de drie heeren bij een fatsoenlijke plek eens ingingen om een „bittertje” -te gebruiken, en een oogenblik wat met elkander te praten. Zij vonden spoedig uit -dat zij niet de eenigen waren, die zich dezen dag door wat zoet gekout wilden aangenaam -maken; integendeel het was in het hotel vrij vol, maar er werd spoedig plaats gemaakt -en men dronk met innigen dankbaarheid op het welzijn van de Republiek en van de goede -zaak. Menige tong raakte los, en heel wat verhalen werden gedaan over hetgeen men -geleden had onder de Engelsche regeering. -</p> -<p>„Wel”, zeide de heer van Reenen „ik kan jullie verzekeren dat we ten minste twee knappe -mannen hier hebben; Commissaris De Mist is geen gewoon man, en iemand die niet alleen -de beste bedoelingen heeft, maar daarbij denkbeelden die zijn tijd heel wat vooruit -zijn en als alles hem gelukt, hetgeen hij voornemens is te doen, dan gaan wij werkelijk -een gulden tijd tegemoet. Ook de Gouverneur schijnt mij een knaphandig man, die het -goed met het land meent, en met wien onze boeren goed zullen klaarkomen, want hij -heeft geen greintje hoogmoed”. -<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p> -<p>„Dat zal een heele verlichting zijn na die Engelsche Lords en Sirs, die totaal ongenaakbaar -waren voor onze menschen, en niets dan verachting voor den Afrikaner hadden”, zeide -de heer Van Eck. „Maar hebt gij dan reeds den Commissaris en den Gouverneur gesproken?” -vroeg hij verder aan den heer Van Reenen. -</p> -<p>„O, ja, reeds lang”, luidde het antwoord, „gij schijnt te vergeten dat zij hier al -van December laatst zijn, en met een aantal der voornaamste inwoners gesprekken hebben -gevoerd, ten einde informatie te bekomen.” -</p> -<p>„Is het waar,” vroeg hier de heer Eksteen, „dat Van Rijneveld zich heeft laten aandienen -bij den heer De Mist, maar dat deze geweigerd heeft hem te zien?” -</p> -<p>De heer Van Reenen scheen dit niet te weten, maar een der andere personen die in de -kamer tegenwoordig waren, riep uit: -</p> -<p>„Ja, mijnheer Eksteen, dat is de zuivere waarheid, en het geschiedde den schobbejak -recht; zij moesten dien kerel in den tronk smijten en een onderzoek instellen omtrent -zijn gedrag; <span class="corr" id="xd31e1342" title="Bron: dat">dan</span> schiet hij zich misschien ook een kogel door den kop, even als Gordon dit gedaan -heeft.” -</p> -<p>„Neen, burger,” viel de heer Van Reenen den <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>spreker, die wel wat opgewonden was, in de rede, „laat den heer van Rijneveld stil -met rust, en zeg niet weer zulke ongepaste dingen, want eerstens zou de nieuwe gouverneur -om den drommel niet gemakkelijk zijn als er eenig verkeerd ding werd gedaan, en tweedens -zal de heer Van Rijneveld, zoo hij iets kwaad gedaan heeft, wel zijn verdiende loon -krijgen.” -</p> -<p>„Als wij in Frankrijk waren, zou hij al lang aan den eersten den besten lantaarnpaal -zijn opgehangen,” waagde Van Eck zachtjes tot Van Reenen te fluisteren. -</p> -<p>„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Van Reenen, „maar het gaat niet om deze lieden hier -thans optewinden. Zij hebben al meer binnen dan wel goed voor hen is, en zijn juist -in staat om allerlei baldadigheden te beginnen, en schoon ik den heer Van Rijneveld -ook niet lijden mag, zou ik hem toch niet overgeleverd willen zien aan een woesten -volkshoop, te meer daar zijne vrouw eene verre bloedverwante van mij is.” -</p> -<p>Men dronk nog een afscheidje, en daarop gingen de heeren van Reenen en Eksteen de -stad in, terwijl Jan van Eck zich wendde naar Zeezicht, om zijne nicht Elizabeth op -te zoeken. Het was bijna een jaar geleden dat hij haar een bezoek had gebracht, <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>en dat wel om de volgende reden. Toen de Engelschen in 1795 de Kaap hadden genomen, -had Hans de Beer zijne betrekking bij het departement van den Fiskaal verloren, en -was hij in dienst getreden bij een koopman in de stad, die toen toevallig een boekhouder -noodig had, en het was Van Eck geweest die dit baantje aan zijn neef bezorgd had, -door een goed woord bij den heer Faure, zooals de koopman heette, te doen. Want, schoon -Hans nog dikwijls heethoofdig was, en er niet zelden woorden plaatsvonden tusschen -den oom en den neef, zoo was Van Eck toch op punten van familiezaken een zeer goedig -man, en hij kon zijne nicht zeer goed lijden. In het begin van het jaar 1802 was de -heer Faure echter gestorven, en zijne weduwe wond de zaak op, zoodat na eenige maanden -Hans de Beer weder zonder betrekking was. Weder was het de oude oom die moeite deed -om voor hem eene geschikte betrekking te vinden, en het was hem inderdaad gelukt, -om een plek voor hem te krijgen bij den heer Truter, een der meest geachte prokureurs -en notarissen van Kaapstad, toen hij plotseling vernam dat Hans klerk was geworden -in een der Engelsche departementen, en dat wel bij de Thesaurie. Het denkbeeld dat -een lid zijner familie in Engelschen dienst was getreden, en daardoor als het ware -een <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>verrader van zijn land was geworden, stuitte Van Eck vreeselijk tegen de borst, en -hij wilde het nauwelijks gelooven. Derhalve was hij naar zijne nicht gegaan, om zich -van de waarheid te overtuigen, en bevond dat hetgeen men hem verteld had, geheel de -waarheid was. De heer Van Eck was hier zoo ontstemd over, dat hij een hevige ruzie -had met zijne nicht, die dwaas genoeg was, om de handelwijze van haar zoon te verdedigen. -Het was een geluk misschien dat Hans de Beer zelf niet tehuis was, anders was er nog -meer gebeurd, want als Jan van Eck eens driftig werd, dan ontzag hij geen mensch. -Het einde van de zaak was, dat hij, na zijn hart op echt Hollandsche manier te hebben -gelucht, het huis van zijne nicht verliet, zeggende dat hij er nooit weder zijn voet -zou zetten, en inderdaad was hij sedert dien tijd niet meer op <i>Zeezicht</i> geweest. -</p> -<p>Doch de tijden waren nu veranderd, en Van Eck was heden in zulk een goed humeur, dat -hij geen bezwaar had om het gebeurde te vergeten en te vergeven, want zooals alle -menschen van een opvliegenden aard, was hij niet wraakzuchtig, of haatdragend. Hij -stapte dus even gerust en bedaard den ingang van Zeezicht in, en stond spoedig op -den stoep, en de hond, die hem in dien langen tijd niet gezien <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>had, scheen, als de eerste om hem te verwelkomen, geheel in zijn schik, dat hij zijn -ouden vriend weer zag. Toen Van Eck den zwaren klopper aan de voordeur had doen vallen, -kwam eene slavin hem open doen, en hij werd, even alsof hij een vreemde bezoeker was, -in de voorkamer gelaten, en dit omdat de meid, die nog niet lang het eigendom van -Mevrouw De Beer was, hem niet kende. Toen zij hem echter bij nicht aangediend had, -vloog de goede oude ziel, die haren trouwen vriend zeer had gemist, naar voren om -Van Eck welkom te heeten, en men was spoedig op vrij goeden voet, schoon de oude vertrouwelijkheid -niet zoo dadelijk wilde terugkomen. Terwijl zij aan het praten waren, kwam Annie, -thans eene groote, uitgegroeide jonge dame, ook de kamer binnen, en groette haren -„Oom” zooals zij Van Eck steeds noemde, zeer minzaam; hare aankomst droeg er veel -bij om het gesprek een meer ongedwongene houding te geven, en spoedig was men aan -het gezelzen over allerlei onderwerpen, en had Van Eck het zoo druk met vertellen, -dat hij niet merkte dat Annie aan hare moeder herhaaldelijk knikjes met het hoofd -gaf, net als iemand doet, wanneer hij een ander waarschuwt om iets toch niet te verhalen. -Met al dat praten was het bijna twaalf uur geworden, en toen Mevrouw De Beer Van Eck -vroeg of hij niet zou <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>blijven eten, nam deze met genoegen de uitnoodiging aan, en liet nicht daarop wat -wijn en bitter in brengen, want het bitter drinken, vooral met het zoogenaamde <span class="corr" id="xd31e1366" title="Bron: maagelixter">maagelixer</span>, is nu juist niet een uitvinding der negentiende eeuw, maar onze voorouders bitterden -gewoonlijk elken dag, kort voor het eten, zooals nu nog in Holland ook wordt gedaan. -</p> -<p>Even voor dat men opgeschept had, kwam Hans het huis binnen, en was niet weinig verwonderd -om neef Jan er te zien. Het was dan ook wel op een beetje bedeesde wijze, dat hij -hem groette, maar Van Eck stelde hem gerust door te zeggen, dat men maar de oude koeien -niet uit de sloot zou halen, daar nu de volkplanting toch weer aan hare rechtmatige -eigenaars was teruggegeven, en Hans zoo hij lust had, weer in dienst van het Hollandsche -gouvernement kon treden. Hans zeide echter glimlachend, dat hij bang was dit te doen, -want het scheen hem toe, dat de regeering in de kolonie aan zulke plotselinge veranderingen -onderhevig was, dat men niet meer wist wie men moest dienen; vandaag waren het de -Engelschen en morgen de Hollandschen. Hij had dus besloten om den staatsdienst vaarwel -te zeggen, en zou liever gaan zien of hij niet een stuk grond of eene kleine plaats -kon huren waar hij op kleine schaal wat boerderij kon drijven. Jan van <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>Eck zeide dat de boerderij zeker een uitmuntend vak was, want niemand was zoo vrij -en zoo onafhankelijk als een boer, maar goede plaatsen waren schaars en duur, tenzij -Hans zou verkiezen om ergens in het oosten een stuk grond van de regeering op request -tenemen, en dan met vee, hetzij schapen of beesten te boeren. Daar Hans echter verklaarde -zich liefst met wijnbouw te zullen bezighouden, daar hij hiervan het meeste afwist, -was zijn neef zoo goed om te zeggen dat hij eens wat navraag zou doen of een kleine -wijnplaats in de Paarl of Stellenbosch niet verkrijgbaar was tegen een redelijke prijs, -en dan zou hij later aan zijn jongen neef den uitslag van dit onderzoek mededeelen. -Toen men dus aan den middagdisch zat, scheen het dat de eensgezindheid weder volmaakt -hersteld was tusschen de leden der familie, en als iemand, die niet bekend was met -het verledene, toen plotseling de kamer was binnengekomen, zou hij nooit hebben kunnen -vermoeden, dat er nog maar weinige uren geleden, eene ernstige spanning had geheerscht -tusschen de hoofdpersonen van de familie. -</p> -<p>Maar dikwijls, als het zonnetje het helderst en het warmst schijnt, dan is het onweer -niet ver meer af, en dat werd ook in dit geval bewezen. Het was alweer de ongelukkige -Hans die de boel verbrouwde, <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>door plotseling, juist toen men klaar met eten was, aan neef Jan te vragen of hij -het nieuws reeds had gehoord, en beide Mevrouw De Beer en Annie hadden niet de minste -gedachte wat er zou komen, en meenden dat het nieuws iets was dat misschien in de -stad bekend was geworden of dat in verband stond met de verandering van de regeering. -Maar toen Van Eck zeide van geen nieuws te weten, kwam Hans plotseling uit met: -</p> -<p>„Wat, hebben zij u nog niet het groote nieuws verteld? Annie gaat trouwen met een -Engelschen kapitein”. -</p> -<p>Jan van Eck was juist bezig zijn glas wijn leeg te drinken, en dit onverwacht bericht -deed hem zoo schrikken, dat het glas hem uit de hand viel, en de wijn gedeeltelijk -op het hagelwitte tafellaken van nicht Elizabeth werd gespild. Nicht bemerkte het -ongeluk bijna niet, en Annie wierp dolken van woede naar Hans. Was het dan niet juist -dit geweest, dat zij hare moeder door hoofdschudden en andere teekenen had beduid, -niet aan neef moest worden verteld! Een Afrikaansch meisje van den ouden stempel is -er niets op gesteld om haar liefdesgeschiedenissen te doen rondbazuinen in de wereld, -en vooral niet haar verloving. Wat de reden van deze bedeesdheid op dit punt is, zijn -wij nooit in staat geweest om <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>precies uit te vinden. Waarschijnlijk vreest het meisje om opspraak te verwekken, -zoo er iets mocht plaats vinden waardoor het voorgenomen huwelijk zou afspringen, -en beschouwt men het als eene schande voor een meisje als zulk eene verloving te niet -raakt, daar de menschen dan misschien mogen denken dat de vrijer goede redenen had -om het af te breken, en daardoor er een blaam op het meisje zou worden gelegd. Zooveel -is zeker dat nog thans in Zuid-Afrika ten minste onder onze boerenbevolking verlovingen -gewoonlijk geheim worden gehouden, en eerst met het gaan van het eerste gebod in de -kerk het publiek in kennis wordt gesteld van het voorgenomen huwelijk. Den vreemdeling -treft deze handelwijze te meer, omdat in andere landen en vooral in Duitschland eene -verloving bijna tot een even groot feest aanleiding geeft als de bruiloft zelve. -</p> -<p>Maar bovendien was Annie geenszins gewillig om hare verloving, onder de omstandigheden -aan Neef Jan bekend te stellen, en dat zij daarvoor eene goede reden had, dat bleek -spoedig. Jan van Eck was eerst zoo verbaasd, dat niet alleen hij zijn wijn over de -tafel wierp, maar met open mond beurtelings zijn nicht Elizabeth, en zijne kleinnicht -Annie aanzag; en het duurde een minuut of wat voor hij zijn stem kon terugkrijgen, -en vroeg: -<span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span></p> -<p>„Elizabeth, is dat waar wat Hans mij hier <span class="corr" id="xd31e1387" title="Bron: verteld">vertelt</span>, of houdt de duivelsche jongen mij voor den gek<span class="corr" id="xd31e1390" title="Bron: .?">?</span>” -</p> -<p>Mevrouw de Beer, hoe spijtig zij ook was over de onvoorzichtige uitdrukking van Hans, -wilde hare ziel niet door een leugen bezondigen en antwoordde: -</p> -<p>„Ja, neef Jan, van af het begin van November is Annie verloofd aan kapitein Allen -van het 87<sup>ste</sup> regiment. Hij was hier verscheidene malen, en ik heb het reeds lang zien aankomen, -en toen hij mij om de hand van Annie vroeg, en het mij bleek dat mijne dochter hem -vurig lief had, kon ik natuurlijk niet neen zeggen. Hij is nu met de troepen naar -Engeland vertrokken, maar is van plan om zoodra hij in Engeland aangekomen is, zijn -ontslag uit den dienst te nemen, en zich hier in de kolonie te vestigen als boer, -zijnde hij zeer goed bekend met de graanboerderij, daar zijn vader een aanzienlijk -eigendom in Schotland heeft, en blijkbaar een welgesteld man is. Het zal dus niet -noodig zijn dat Annie mij voor goed verlaat, want Allen is van plan om ergens in Zwartland -een boerenplaats te koopen.” -</p> -<p>Jan van Eck scheen bedaard te luisteren naar hetgeen zijne nicht zeide, maar men kon -zien dat hij inwendig kookte, en toen Mevrouw De Beer geëindigd had, zeide hij op -heftigen toon: -</p> -<p>„’t Is bij mij niet de vraag of uwe dochter u gaat <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>verlaten of niet. Maar wat mij hindert, is het feit dat een lid van mijn familie zich -in het huwelijk gaat begeven met iemand van eene vreemde nationaliteit, en dat nog -wel een nationaliteit die ik vurig haat.” -</p> -<p>„Ach, neef Jan, ’t is moeielijk voor u om over zulke zaken te oordeelen,” antwoordde -Mevrouw de Beer zoo zachtzinnig mogelijk, want zij zag dat Van Eck zich ging opwinden, -en wilde een heftig tooneel vermijden. „Meisjes volgen de ingevingen van hun hart, -en storen zich niet aan politiek of nationaliteit, en dat is misschien maar goed ook, -want anders zou de haat en nijd die er alreeds heerscht nog grooter worden.” -</p> -<p>„Ik kan mij begrijpen dat ge de partij van uwe dochter neemt,” hervatte Van Eck, „maar -ik zeg dat ze onverstandig <span class="corr" id="xd31e1408" title="Bron: handeld">handelt</span>. Ze heeft zich door een mooie uniform laten verlokken, en misschien wel door den -waren of voorgewenden rijkdom van dien Kapitein Allen. Het spijt mij om op mijn ouden -dag nog zulke dingen te hooren, en te zien hoe mijne weinige familiebetrekkingen dag -op dag meer en meer beginnen te verschillen van mij in opinies. En—en nu stond Van -Eck op en de drift zoolang door hem in toom gehouden, <span class="corr" id="xd31e1411" title="Bron: barste">barstte</span> nu uit—ik geloof dat ik steeds getracht heb om voor u te doen, nicht, wat ik kon, -en dat de behandeling mij <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>in dezen aangedaan, allerschandaligst is. Gij hebt mij niet eens geraadpleegd, en -hebt, zooals ik nu merk, zelfs getracht het voor mij verborgen te houden. En nu gij -Engelschgezind gaat worden, begint het mij toch te erg te worden, en ik verzoek voortaan -niet meer als een lid dezer familie te worden beschouwd. Ik groet u.” -</p> -<p>Met deze woorden, gesproken met eene van aandoening en kwalijk onderdrukten toorn -bevende stem, had Van Eck de tafel verlaten, en vóór de aanwezigen nog begrepen wat -er aan den gang was, stond hij reeds in den gang, waar hij hoed en stok greep, en -de deur uitsnelde. -</p> -<p>Mevrouw de Beer snelde hem achterna, en riep hem toe terugtekomen en niet zoo haastig -te zijn. Doch dit was te vergeefs; de oude man deed alsof hij het niet hoorde en stapte -weg. -</p> -<p>In zijn dagboek <span class="corr" id="xd31e1420" title="Bron: bescheef">beschreef</span> hij de gebeurtenis van dezen dag, en zijne woorden zijn zoo bitter, en zoo vreeselijk, -dat wij geen goed zouden doen met ze hier te herhalen. Bovendien wat zou het helpen. -Huwelijken tusschen <span class="corr" id="xd31e1423" title="Bron: Engelsche">Engelschen</span> en Afrikaanders, van beider kunne, hebben sinds dien dag bij duizendtallen plaats -gehad, en men zou, misschien met recht kunnen argumenteeren, dat ze meer goed dan -kwaad hebben gedaan. -<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK VIII." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK VIII.</h2> -<h2 class="main">Een korte tijd van rust, die veel belooft.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De eerste dag van Maart in het jaar 1803 was een dag van dankzegging en vreugde in -Kaapstad. Op dien dag toch werd er in de oude kerk op de Heerengracht een dienst gehouden -waarin men den Schepper dankte voor het feit dat Hij het land van den overheerscher -had bevrijd; na den dienst die door alle standen werd bijgewoond, werd Generaal Janssens -plechtiglijk ingezworen als Gouverneur der Kolonie door den Commissaris generaal De -Mist, die zelf echter voor het oogenblik althans de voornaamste machten in handen -hield, totdat hij de zaken op nieuwen voet had geregeld. Dit laatste nam een <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>geruimen tijd, want een aantal leden van den nieuwen raad van bestuur waren nog niet -aangekomen, evenmin als verscheidene leden van het nieuwen Hooge Gerechtshof; maar -zoowel in den raad als in het Hof hadden achtenswaardige mannen, in Zuid-Afrika geboortig, -zitting, zoodat men in waarheid mocht hopen dat een nieuwe en betere tijd voor het -land aanbreken zoude. Zoo vinden wij Willem Ferdinand van Reede van Oudshoorn als -een der leden van den raad, en Jan Henoch Neethling als secretaris van dien raad; -onder de rechters vinden wij <span class="corr" id="xd31e1435" title="Bron: mannenals">mannen als</span> W. Hiddingh, en D. Denijssen. Ook de burgerraad werd hersteld, en tot leden er van -waren voor het eerste jaar Cornelis van der Poel, Gerrit Hendrik Meijer, Anthonie -Berrange, Pieter van Breda, Jan Andries Horak, Jacobus Johannes Vos, en Jan Adriaan -Vermaak aangesteld, namen van in ons land welbekende familiën. -</p> -<p>Het nageslacht behoort in waarheid den naam van De Mist in eere te houden, want er -was misschien nooit een man in Zuid-Afrika, die het niet alleen zoo goed met het land -meende, maar ook zulke verstandige maatregelen heeft genomen. De geschiedenis en de -daden van De Mist zijn ongelukkig niet goed onder ons volk bekend, slechts zij die -in de gelegenheid zijn geweest om de officieele stukken op het archief te Kaapstad -na te gaan, en de brieven door De Mist <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>geschreven, hebben gelezen, weten iets van de waarlijk grootsche gedachten en plannen -van hem af. Het was geen gemakkelijk werk dat hij ondernomen had en de omstandigheden -hebben belet dat hij het aangevangen werk behoorlijk ten einde heeft kunnen brengen, -maar wat hij gedaan heeft, en nog meer wat hij van plan was te doen, zoo hem de kans -ware gegeven, bewijst maar al te duidelijk dat De Mist een man was van de edelste -bedoelingen, en die zijn tijd ettelijke jaren vooruit was. Zonder een dweper te zijn -met de denkbeelden der Fransche revolutie, heeft hij aan veel dier denkbeelden getracht -hier den rechten vorm te geven, met inachtneming van de omstandigheden des lands. -Om een voorbeeld te geven behoeven wij slechts hier iets te vertellen van het schema -door hem uitgedacht en gedeeltelijk in werking gebracht omtrent het onderwijs. In -1804 werd een belangrijke ordonnantie door hem uitgevaardigd over dit onderwerp, zoowel -als over kerkzaken, een groot deel waarvan nog heden van kracht is. Eerstens werd -daarin volkomene vrijheid van godsdienst verleend aan alle gezindheden, en gelijke -burgerlijke rechten verleend aan Joden, Roomschen, en Mahomedanen, iets dat zoo veel -den tijd vooruit was, dat de kolonisten er zelfs objekties tegen hadden, wat niet -te verwonderen was, daar het <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>grootste gedeelte van de bevolking tot de Calvinistische kerk behoorde, en men niet -gewoon was aan zulke verdraagzame denkbeelden. Onder de bepalingen van die zelfde -ordonnantie werden de scholen geplaatst onder het bestuur van de regeering, zonder -respekt van eenige kerk, en dit gaf heel wat aanstoot. Men was tot op dat tijdstip -steeds gewoon geweest om alle onderwijs in verband te hebben met de kerk, en zulk -onderwijs geheel en al te schoeien op den Bijbel, wat ongetwijfeld in den aard van -het volk lag, en grootendeels nog ligt. Het gevolg was, dat de buitenbevolking zich -zoo hevig tegen deze scholen verzette, dat men die slechts in Kaapstad kon oprichten, -maar hoe dit ook was, zoo vergete men niet dat het systeem van De Mist hetzelfde systeem -was dat thans in zwang is in de kolonie en over het algemeen vrij goede vruchten heeft -afgeworpen. -</p> -<p>Onder de andere goede maatregelen die De Mist nam, mag men het feitelijk beletten -van den invoer van nieuwe slaven in de kolonie rekenen, terwijl hij daarentegen alles -deed om de immigratie van geschikte blanken uit Holland te bevorderen. Dat dit laatste -schema niet goed slaagde is zeker niet de schuld geweest van De Mist, maar wel van -de <span class="corr" id="xd31e1446" title="Bron: onpractische">onpraktische</span> denkbeelden van de personen die de zaak in Holland in handen hadden genomen, en <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>van den man dien zij hierheen zonden om hen te vertegenwoordigen, Majoor Buchenroeder, -een man die weigerde te luisteren naar den goeden raad hem door Gouverneur Janssens -gegeven, en die op halstarrige wijze zijn eigen <span class="corr" id="xd31e1451" title="Bron: ideën">ideeën</span> volgde, met gevolg dat alles bedorven werd, waarbij nog kwam dat een aantal goederen -voor de emigranten bestemd verloren gingen in twee schepen, die schipbreuk leden. -</p> -<p>Tegen het einde van het jaar 1803 ging De Mist een reisje doen door de kolonie om -zich persoonlijk op de hoogte der zaken te stellen. Op die reis kwam hij onder anderen -in aanraking met den beruchten Dr. Van der Kemp, een man die als zendeling naar Zuid-Afrika -was gekomen, maar allerwonderlijkste denkbeelden had over zendingswerk, en die begonnen -is met het werk waaronder de kolonisten nog heden lijden, en waaronder ze zooveel -hebben geleden, namelijk het bederven, en als luiaards opvoeden van de Hottentotten -en Kaffers; een werk later met zooveel succes (van hun oogpunt althans) voortgezet -door den zendeling Read en Dr. Philip. Er zijn blijken genoeg uit de brieven destijds -door De Mist geschreven, dat hij niets ophad met het stelsel van Van der Kemp, en -dat hij dezen als een lastig sujet beschouwde, wiens werk allerongunstigst afstak -bij het flinke en verstandige <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>werk gedaan door de Moravische zendelingen te <span class="corr" id="xd31e1458" title="Bron: Genadendaal">Genadendal</span>, waar De Mist ook een bezoek bracht, en waar hij getroffen werd door den vlijt, en -de werkzaamheid aldaar ten toon gespreid door de kleurlingen. Een bezoek door den -Commissaris gebracht aan de kaffers op de oostergrenzen had ongelukkig geen goede -resultaten, daar toen juist die twisten onder de Gaikastam begonnen te ontstaan die -later zulke droevige gevolgen voor de kolonie hebben gehad. Maar in alle geval was -De Mist verstandig genoeg om niet de fout te begaan die een groote twaalf jaar later -door de Engelschen werd gemaakt, toen deze zich gingen bemoeien met de stamtwisten -der kleurlingen, zich daardoor een wespennest om de ooren halende, dat de kolonie -duizenden van levens en jaren van ellende heeft gekost. Op zijne terugreis naar de -Kaap stichtte De Mist het nieuwe district Uitenhage, zoo genoemd naar een oude familie -naam in zijn geslacht en nog geen jaar later werd ook het district Tulbagh gesticht. -In het algemeen was men zeer tevreden over de goede maatregelen door den Commissaris -Generaal genomen voor de regeering der kolonie, en scheen men hoop te hebben dat deze -volkplanting een nieuw tijdperk van bloei zou betreden. Maar ongelukkig werd die hoop -teleurgesteld door het opnieuw <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>uitbreken in Europa van den oorlog, waaraan ook Engeland deel nam. Napoleon had zich -namelijk als keizer van Frankrijk doen kronen, en begon die vreeselijke reeks van -veroverings-oorlogen, die meer dan tien jaren stroomen bloeds deden vloeien, en ten -slotte eindigde met den val van den grooten veroveraar der negentiende eeuw. De oorlog -tusschen Engeland en Frankrijk brak reeds tegen het einde van 1803 weder uit, en daar -Holland een bondgenoot van Frankrijk was, kon men verwachten dat de Engelschen de -Kaap niet ongemoeid <span class="corr" id="xd31e1463" title="Bron: zou">zouden</span> laten. Generaal Janssens, voor het oogenblik de voornaamste burgerlijke zaken in -handen latende van De Mist, nam dadelijk alle maatregelen om de kolonie in zulk een -staat van verdediging te stellen, als onder de omstandigheden mogelijk was. Maar in -plaats dat men in Holland hem hierin steunde door hem de noodige versterkingen van -troepen te zenden, gaf men hem last om het beste regiment soldaten dat toen aan de -Kaap was, het 23<sup>ste</sup> bataljon naar Indië te zenden, en schoon Janssens begreep dat hij daardoor als het -ware weerloos werd gemaakt, gehoorzaamde hij aan zijne superieuren, en zond het regiment -naar Indië. Daarentegen zorgde hij voor de behoorlijke wapening en oefening van de -burgers, in wie hij terecht groot vertrouwen stelde in geval <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>van een aanval, en ook zorgde hij voor het opgaaren van genoegzame mondprovisie voor -de troepen. Het was echter ongelukkig een slechte tijd geweest voor de boeren, die -in de laatste jaren met een aantal misoogsten hadden te kampen gehad, zoodat er nauwelijks -koren was, om in de dadelijke behoeften van de bevolking te voorzien. Verder werd -het Hottentot-korps versterkt tot 600 man, en de heer Frans le Sueur, die goed verstond -hoe om met deze klasse van lieden te werken, werd tot bevelhebber van dit korps aangesteld -met den rang van luitenant-kolonel. Wat verder eigenaardig is, en bewijst dat de <span class="corr" id="xd31e1472" title="Bron: Mahomadanen">Mahomedanen</span><span id="xd31e1474"></span> steeds een goedgezind deel der koloniale bevolking <span class="corr" id="xd31e1476" title="Bron: is">zijn</span> geweest, is het feit dat een groot aantal hunner dienst namen als een speciaal korps -artilleristen, en werkelijk toonden dat men goede soldaten van hen kon maken. Maar -met dit al, was het aantal soldaten, en geoefende krijgers, waar de Generaal op kon -rekenen, maar zeer klein, en wat de toestand nog verergerde was, dat er een kwaadaardige -soort van koliek uitbrak onder de troepen, die een groote vermindering in de strijdmacht -veroorzaakte. Maar Janssens was er de man niet naar om zich te laten ontmoedigen, -en hij werkte onvermoeid voort. Ten einde den gouverneur op geen enkele wijze de handen -te binden, en hem <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>alle mogelijke macht te geven, legde De Mist op den 24<sup>sten</sup> September zijne betrekking als Commissaris-Generaal neder, waarop hij eenige maanden -ging vertoeven op de plaats Stellenburg nabij Wijnberg, en daarop weer een tijdje -lang woonde op de plaats Maastricht in de buurt van Tijgerberg. In Februari 1805 vertrok -hij echter met een Amerikaansch schip naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, -om van daar te trachten Holland te bereiken. -</p> -<p>Er heerscht onder een aantal personen een denkbeeld, dat er in die dagen weinig werd -gedaan om Gods woord te verspreiden onder de heidenen in Zuid-Afrika, en men is gewoon -om al de eer van dit werk toe te schrijven aan de Engelsche en Amerikaansche genootschappen -en te doen alsof het alleen aan het Londensche Zendinggenootschap te wijten is, dat -de kleurlingen in dit land niet even onbekend met Christendom zijn als zij zulks in -1652 waren. Dit is echter geheel verkeerd, want men behoeft slechts de reisbeschrijving -van Lichtenstein te lezen om van het tegendeel hiervan overtuigd te worden. Dr. Lichtenstein, -toenmaals geneesheer bij het Hottentot korps te Kaapstad, werd in het jaar 1805 door -Generaal Janssens gezonden om tesamen met Landdrost van de Graaf van Tulbagh een onderzoek -te gaan instellen naar den toestand van zaken ten noorden van de Oranjerivier, waar -<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>er een aantal zendingsstaties waren geopend, maar waar, naar men gehoord had, de Bosjesmannen -nog erg lastig waren, en de geheele bevolking vijandig scheen. De gemelde heeren troffen -op hun reis een aantal zendelingen, velen waarvan Afrikaners waren, zooals b.v. Christiaan -Botma, een man die blijkbaar een groote energie in het zendingswerk ten toon spreidde, -en zelfs een vrij groot fortuin daaraan had opgeofferd. Dan had men meer in het noorden -de zendelingen van der Lingen, en Jan Kock, Korser en Janssen, en bij den heer Anderson -ook den heer Kramer. Er waren echter ook reeds in die dagen zendelingen van het Londensche -genootschap zooals de heer Edwards, die aan de reizigers heel wat nuttige informatie -gaf. De expeditie drong zoover noord als Kuruman, en bevond werkelijk dat de Bosjesmannen -zeer lastig waren, terwijl men bovendien een aantal nuttige berichten verkreeg omtrent -de Batlapin en de andere <span class="corr" id="xd31e1488" title="Bron: kleurling stammen">kleurlingstammen</span> die in deze woeste streken woonden. Weinig vermoedden Lichtenstein en de Graaf dat -zij op hun reis gegaan waren over de rijkste diamantmijn in de wereld; de schatten -der aarde die aan Zuid-Afrika indirekt zooveel leeds hebben berokkend, lagen nog onzichtbaar -in de schoot der moeder. -</p> -<p>Zoo leefde men rustig voort in de Kaapkolonie, en <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>ging de volkplanting waarlijk vooruit, in handel en in beschaving. Men wist wel van -het uitbreken van den oorlog, maar men had of geen denkbeeld dat de Engelschen de -kolonie weder zoo spoedig zouden aanvallen of men rekende te veel op de macht van -Frankrijk. Doch de politiek van keizer Napoleon was eene politiek voor het vasteland -van Europa, en tegen de zeemacht van Engeland was hij niet bestand. Zoo sterk en uitmuntend, -en zoo goed aangevoerd als het leger van Frankrijk was, zoo zwak was de vloot van -dat land, en er was niemand onder de Fransche zeeofficieren die opgewassen was tegen -mannen als Nelson en Collingwood. Napoleon was dus niet in staat, zelfs al had hij -zulks ook gewild om de <span class="corr" id="xd31e1495" title="Bron: kolonien">koloniën</span> van zijn bondgenoot Holland te beschermen, en allerminst niet voor de Kaap. Reeds -vóór Juli 1805 begon men in Engeland toebereidselen te maken voor eene expeditie naar -Zuid-Afrika, en te Madeira verzamelde zich een groote Engelsche vloot, en op 4 October—zeventien -dagen voor den grooten slag van Trafalgar, waarin de Fransche vloot voor goed door -Nelson werd vernield—zeilden 63 schepen, met een leger van 6654 man aan boord van -uit de reede van Madeira om de Kaap te gaan veroveren. Het verhaal van die verovering -moet echter overblijven tot een volgend hoofdstuk. -<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK IX." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK IX.</h2> -<h2 class="main">De slag van <span class="corr" id="xd31e1504" title="Bron: Blaauwberg">Blauwberg</span>, en hoe die afliep.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het is omtrent negen uur op den morgen van den 4<sup>den</sup> Januari in het jaar 1806. Het zonnetje, op zijn heetst in dat gedeelte van het jaar, -scheen alreeds fel, en deed het witte zand van het strand nabij Zoutrivier zoo schitteren, -dat een mensch de oogen half toeknijpen moest, uit vrees van door dat helle licht -te worden verblind. Jan van Eck zat buiten het huisje, dat hij zijne woning noemde; -hij zat aan wat de schaduwzijde moest zijn, maar de schaduw was niet breed genoeg -om geheel te beschermen, en hij had dus zijn slaaf een stuk zeildoek in den vorm van -een afdak of halve tent doen <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>spannen langs het huisje, zoodat hij op die wijze tegen de vinnige stralen der zon -was beschermd, en rustig kon blijven voortlezen in het groote boek dat voor hem op -den grond lag. Want de houding die Van Eck op het oogenblik had, kon niet erg elegant -worden genoemd, al was zij zeker zeer geriefelijk. Hij lag namelijk op den grond uitgestrekt, -zoo lui mogelijk, en stoorde zich oogenschijnlijk aan niets, zijnde hij te veel verdiept -in het boek dat niets anders was dan de geschiedenis van de eeuw van Lodewijk den -zestienden, geschreven door Voltaire. Het was zeker de tiende maal dat de oude Kapenaar -dit boek las, maar dan was het ook een zijner lievelingsboeken, en slechts de werken -van zijn geliefden Jean Jacques Rousseau konden het er van winnen. Hoelang Van Eck -daar dien morgen zou hebben gelegen, kunnen wij niet zeggen; gewoonlijk was het zoowat -twaalf uur voor hij zijn plekje verliet om eens een wandeling in de stad te gaan maken -of anders zijn sober maal tehuis te gebruiken, en dan een rustig dutje te gaan doen. -Maar deze morgen zou hij in zijn rust worden gestoord, want het was even over negenen -toen plotseling van de batterij op de hangen van den Duivelsberg, of zooals met het -noemde het <i>blokhuis</i>, drie kanonschoten snel achter elkander werden gevuurd. Van <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>Eck sprong in een oogenblik recht op zijne voeten; een minuut lang zag hij naar het -blokhuis, waar de rookwolk van het geschut in den stillen morgen nog hing, en eerst -langzaam door den zachten wind voortgestuwd werd; toen liep hij snel het huisje binnen, -en kwam er even snel weer uit, met een groote verrekijker in zijn hand, die hij dadelijk -aan zijn oog bracht en op den Leeuwenrug richtte, waar op een signaalpaal eenige vlaggen -zichtbaar waren. Een tijd lang tuurde hij naar die vlaggen, toen sloot hij met een -gebaar van woede den kijker, en met een verwensching hoorde men hem de woorden zeggen: -„Ik dacht het wel; daar zijn die vervloekte Engelschen al weer. Maar gelukkig hebben -wij vandaag geen verraders onder ons, en zullen ze wel een betere ontvangst krijgen -dan in ’95”. -</p> -<p>Het nam onzen vriend slechts een paar oogenblikken om zijn rok aantetrekken, en zijn -stok uit den hoek te nemen, en daarop stapte hij met haastige schreden naar de stad, -waar hij alles in rep en roer vond, want het was reeds overal bekend dat een Engelsche -vloot van drie en zestig schepen in zicht was, en naar het scheen recht op Tafelbaai -afstuurde. De Gouverneur had reeds alle mogelijke maatregelen genomen; de drie schoten -die Van Eck hadden gestoord in zijn rust waren de seinen geweest voor <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>de burgerij; zij zouden van bergtop tot bergtop herhaald worden, volgens een vroeger -gemaakte afspraak, en tegen dezen tijd was het zeker al in Swellendam bekend dat de -vijand in aantocht was, en zouden de burgers wel spoedig verschijnen om hunne hulp -te verleenen. -</p> -<p>Toen Van Eck dit alles hoorde en overdacht, kwam hij tot de conclusie dat de Engelschen -geen beteren tijd voor hun plan konden hebben gekozen. Het was juist de oogsttijd, -en dit was natuurlijk een zeer ongelegen tijd voor den boer om zijn plaats te verlaten; -een deel der wijnboeren was ook reeds bezig met het inzamelen hunner oogst, en het -was misschien een heele vraag of de boeren wel zoo flink zouden opkomen, als de gouverneur -en zijn raad verwachtten. -</p> -<p>Van Eck kende zijn volkje; hij wist dat de Afrikaansche boer zoo zeer aan zijne bezigheid -gehecht is, dat hij die niet graag <span class="corr" id="xd31e1525" title="Bron: verontachtzaamt">veronachtzaamt</span>, want de boerderij is zijn bestaan; en dikwijls is hij dom genoeg, of, laten wij -liever zeggen, niet verziend genoeg, om het oogenblikkelijk voordeel, dat naar evenredigheid -van gering belang is, te verkiezen boven grootere maar meer verwijderde belangen; -in andere woorden dat hij zijn land en zijn vrijheid zou laten verloren gaan, terwille -van den te veld staanden oogst. Die kortzichtigheid is ongetwijfeld <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>een gebrek van ons volk, en, was het niet met dat gebrek behebt, dan had het lang -niet zooveel behoeven te lijden als het gedaan heeft. In plaats van een goeden beet -in den zuren appel te geven en die daardoor te vermorzelen, is het steeds voor de -zuurheid teruggeschrokken, maar moest toch op het einde door een aantal verschillende -kleine beten den appel opeten, en ondervond dus de zuurheid er van des te meer. Hoe -dikwijls is dit niet later gebleken in de geschiedenis der twee Zuid-Afrikaansche -Republieken, en vooral in den Basuto oorlog door den Vrijstaat gevoerd? De ondervinding -heeft echter ook den Afrikaner dure lessen geleerd, en dat hij die lessen niet heeft -vergeten, dat bewijst het feit, dat de laatst gevoerde oorlog drie jaar duurde en -de Boer, die voor zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid vecht, niet meer weet van -ingeven. En toch weten wij dat in het begin van den oorlog de boeren-kommandanten -niet weinig moeite hadden met het oude geslacht, dat steeds van kommando wou weggaan, -om toch naar hunne boerderij te gaan kijken. -</p> -<p>Ten tijde dat Van Eck over dit punt dacht, kwam hier ook nog bij dat het weder ontzachelijk -warm was, zoodat het bijna onmogelijk was voor mensch of beest om gedurende den dag -te reizen. Het is aan dit feit te wijten dat er in den slag van Blauwberg <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>zoo weinig burgers deelnamen, want de meesten der burgers waren nog op weg naar Kaapstad -toen het lot der kolonie reeds beslist was. -</p> -<p>Jan Van Eck bleef geruimen tijd in de stad, hier met zijne vrienden een praatje houdende, -daar goeden raad gevende. Zelf de wapenen op te nemen daar was hij thans te oud en -te stram toe; de geest was wel gewillig maar het vleesch was zwak, en wat hij in 1795 -had gedaan, daartoe voelde hij zich in 1806 niet in staat. Maar toch liet hij zich -inschrijven bij de burgerwacht, wiens taak het zou zijn om de Kaapstad te verdedigen, -zoo die direkt door den vijand van de land zijde werd aangevallen. -</p> -<p>Het was bijna duister toen onze vriend weer bij zijn huisje terug kwam, en reeds een -paar uur voor dien tijd was de Engelsche vloot ten anker gekomen in de <span class="corr" id="xd31e1537" title="Bron: naauwe">nauwe</span> passage tusschen Robbeneiland en het strand van Blauwberg, dicht bij de zoogenaamde -Melkbosch punt. Doch het weer had tegen dezen tijd een aanzienlijke verandering ondergaan. -De noordenwind was plotseling komen opzetten, <span class="corr" id="xd31e1540" title="Bron: oen">een</span> vrij zeldzaam verschijnsel voor dezen tijd van het jaar, en zij blies vrij hevig. -Van Eck hoorde hem dien avond huilen over de Tafelbaai, en in stilte bad hij dat de -wind tot zulk een storm zou klimmen, dat elk der Engelsche schepen met man en muis -<span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>aan de rotsachtige kusten van Blauwberg zou vergaan. -</p> -<p>Maar aan dien wensch werd niet voldaan; schoon de wind gedurende den nacht vrij hevig -woei, was hij niet zoodanig van kracht, dat een goed geankerd schip er door zou kunnen -lijden, en tegen het breken van den dag ging hij liggen, alhoewel de zee nog vrij -hol bleef. -</p> -<p>Onder de omstandigheden was het echter eene onmogelijke zaak om eene landing te wagen -in de hooge branders die aan de noordzijde van Tafelbaai tegen de rotsen sloegen, -en dien geheelen dag bleef de Engelsche vloot werkeloos. Die verpoozing aldus aan -Generaal Janssens gegeven was dezen natuurlijk zeer welkom, want hij kon thans de -allernoodigste maatregelen nemen. Het valt te begrijpen dat hij geheel afhankelijk -was van de omstandigheden, en dat alles afhing van de plaats waar de Engelschen zouden -landen, of de wijze waarop zij de Kaapstad zouden aanvallen. Het kon zijn dat de Engelschen -van plan waren om eene landing te doen bij het strand van Blauwberg, maar er was ook -tevens niets om hen te beletten, Kaapstad van de zeezijde aantevallen, of liever om -de dadelijke overgave der stad te eischen onder bedreiging van anders de stad aan -een bombardement te onderwerpen. Dat dit <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>laatste niet is gedaan is ons steeds een raadsel geweest; want goed beschouwd, zou -dit zeker de kortste en gemakkelijkste weg zijn geweest. Kaapstad zou geen halfuur -een bombardement hebben kunnen uithouden, en de batterijen die langs het strand van -Tafelbaai stonden waren niet zwaar genoeg om de Engelsche schepen veel afbreuk te -doen, terwijl hun zeegeschut veel zwaarder en verder reikend was. Een dreigement met -te zullen bombardeeren zou een grooten invloed op zaken hebben gehad, en zeer demoraliseerend -zijn geweest, want de vrouwen en kinderen zouden natuurlijk in allerijl de stad hebben -verlaten zoo de gouverneur had besloten om niet aan de oproeping tot overgave gehoor -te geven. Het is echter zeer waarschijnlijk dat de Engelsche bevelhebbers, Admiraal -Popham en Generaal Baird, de kolonie wilden veroveren met zoo min mogelijk schade -aan de welvaart ervan, en dat zij er geen nut in zagen om te beginnen met het in asch -leggen van de voornaamste havenstad er van. Doch Generaal Janssens kon, zooals van -zelf spreekt, dit niet weten, en van zijn oogpunt gezien behoorde een direkten aanval -op de stad van de zeezijde tot de mogelijkheden, en moest hij zich daarvoor ook prepareeren. -Hij hield dus voor het oogenblik zijn leger in de Kaapstad en ook de <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>burgers die reeds dien avond van Koeberg en van de Paarl aankwamen, ontvingen last -om in de stad te blijven; slechts een klein troepje burgers onder kommandant Jacobus -Linde werd naar het strand van Blauwberg gezonden om de bewegingen van den vijand -gade te slaan. Laat dien avond kwam dan ook een bericht van Linde dat de vijand oogenschijnlijk -het anker lichtte en nog een uur later een tweede boodschapper met het nieuws dat -een tiental schepen zeil waren gegaan naar het noorden. Generaal Janssens begreep -wat de reden hiervan was; de Engelschen, vreezende dat het strand van Blauwberg te -ongunstig gelegen was voor eene landing, waren van plan om meer noordelijk te landen, -waarschijnlijk te Saldanha baai. Verandering in de plannen van den Hollandschen generaal -kon deze nieuwe beweging van den vijand niet brengen, want, als er een veldslag moest -worden geleverd, kon die nergens anders plaats hebben dan in de nabijheid der stad, -en Janssens had het plan opgevat om, zoo hij verslagen werd, zich terug te trekken -naar het binnenland, en zoo mogelijk de kolonie voet voor voet te verdedigen totdat -er hulp uit Frankrijk kwam. Hoop op goeden uitslag had de Hollandsche generaal niet, -want hij had slechts een handjevol geregelde troepen en deze waren niet van de allerbeste -soort, vooral <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>niet het zoogenaamde bataljon van Waldeck, een huurbende dat meest uit Duitschers -bestond, en waarop de generaal meende niet te kunnen rekenen. Persoonlijk was Janssens -van opinie dat de kolonie zooals zij toen was, geen voordeel aan het moederland aanbracht; -de kosten die men er aan besteden moest waren te groot, en konden niet door de kolonisten -gedragen worden, zoodat het misschien een geluk voor Holland zou zijn als het op een -fatsoenlijke wijze van de Kaap kon worden ontslagen. Maar Janssens was soldaat en -eerlijk man; hij had zijn plicht te volvoeren; die plicht was om de kolonie zoo lang -mogelijk te verdedigen, en hij was vast besloten om dien plicht ten uitvoer te brengen. -</p> -<p>De gouverneur had het inderdaad niet mis, toen hij tot het denkbeeld geraakte dat -de Engelschen van plan waren om eene landing te Saldanha baai te maken. Generaal Baird -schijnt gevreesd te hebben dat eene landing te Blauwberg te gevaarlijk zou zijn, en -zond dus op den avond van den 5<sup>den</sup> Januari een klein deel van zijn leger in eenige transport schepen naar Saldanhabaai, -want schoon het hem bekend was dat zijne troepen een lange en vermoeiende marsch zouden -moeten maken om van daar de Kaapstad te bereiken, wist hij ook dat gemelde baai goed -tegen stormen beschut was, en men er veilig <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>kon landen; bovendien begreep hij snel te moeten handelen daar hij den Hollandschen -bevelhebber niet de gelegenheid mocht geven om zijne burgers te verzamelen en daardoor -eene macht te hebben die geheel in staat zou zijn om het op te nemen tegen het Engelsche -leger. De Engelsche generaal was van plan om vroeg in den morgen van den 6<sup>den</sup> met zijn geheel leger zijn voorhoede te volgen, doch dien nacht ging de wind geheel -en al liggen, en de branding aan de kust tegen over Blauwberg was zoodanig verminderd -dat Baird besloot om toch hier te landen, en met dat voornemen zond hij snel een vaartuig -om de reeds vertrokken schepen terugteroepen. Daarop werden de noodige toebereidselen -gemaakt. Vier der groote Engelsche oorlogsschepen gingen zoo nabij mogelijk de kust -liggen, ten einde met hun grof geschut de landende troepen te beschermen, en men liet -daarop een der kleinste schepen op strand loopen, om daardoor een soort van beveiliging -te hebben tegen de groote branders, die zelfs in rustig weer tegen deze kust slaan. -Toen werden de Hooglandsche regimenten, de Bergschotten van de 71<sup>ste</sup><span class="corr" id="xd31e1567" title="Niet in bron">,</span> 72<sup>ste</sup> en 93<sup>ste</sup> regimenten het eerst geland onder bevel van generaal Ferguson. De landing liep echter -niet zonder ongelukken af; een boot met vijf en dertig man van het 93<sup>ste</sup> regiment sloeg om in de <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>branding, en al de opvarenden vonden den dood in de golven. Daarop werden nog drie -regimenten geland benevens een aanzienlijke voorraad mondbehoeften en wat artillerie. -Er waren toen bij het strand geen Hollandsche soldaten om deze landing te beletten; -slechts Kommandant Linde was er met zijn klein klompje burgers en deze deden wat zij -konden. Zij slaagden er in eenige der Engelschen te dooden, maar een paar welgemikte -schoten van af de schepen verplichtten hen om terugtetrekken, en daarop liet Linde -Generaal Janssens het gebeurde weten. -</p> -<p>De laatste Hollandsche gouverneur van de Kaap maakte zich dadelijk strijdvaardig, -en vroeg in den morgen van den <span class="corr" id="xd31e1583" title="Bron: 8sten">8<sup>sten</sup></span> Januari 1806 trok hij met zijn leger Kaapstad uit om den vijand te ontmoeten. Beter -gezegd trok hij van de zoogenaamde Rietvlei, waar hij den vorigen dag zijn leger had -verzameld en dat ten noorden van de monding der Zoutrivier en juist west van de <span class="corr" id="xd31e1588" title="Bron: Tigerberg">Tijgerberg</span> was gelegen. Het Hollandsche leger telde iets over de tweeduizend man, hebbende Generaal -Janssens meer dan duizend man, waaronder een groot aantal burgers te Kaapstad, achtergelaten -om deze stad te beschermen tegen een aanval der Engelschen. Het is niet gemakkelijk -om te begrijpen waarom Janssens aldus zijn leger verzwakte, want hij moet meer of -min een denkbeeld hebben gehad <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>van de sterkte van den vijand, en geweten hebben dat deze heel wat sterker was dan -hij, en als hij zijn plan om in het binnenland terug te trekken had willen uitvoeren, -zou hij wijzer gedaan hebben om de Kaapstad geheel ontruimd te hebben, want deze was -in het geval dat hij den slag verloor, toch niet te verdedigen, terwijl hij door het -laten van een aanzienlijk aantal burgers niet alleen zijn macht verzwakte, maar gemelde -burgers ongetwijfeld in handen van den vijand zou doen vallen, en dit een groot verlies -zou zijn met het oog op de verdere verdediging van de kolonie. Maar Janssens, schoon -een eerlijk en welmeenend man, die uitmuntend geschikt was voor het bestuur dezer -volkplanting, was geen veldheer, en heeft steeds ongelukkig gestreden, want later -heeft hij op dezelfde wijze Java moeten overgeven aan de Engelschen. Had hij met al -de macht die hem ten dienste stond den Engelschen generaal ontmoet, dan had hij meer -kans op overwinning gehad, en hij in alle geval, met beter succes de bergpassen naar -het binnenland kunnen verdedigen. -</p> -<p>De macht waarmede de generaal den vijand tegemoet trok was samen gesteld als volgt. -Eerstens waren er 224 beredene burgers onder de kommandanten Linde, Human en Wium; -dan volgde het bataljon der Waldeckers 400 man sterk; dan het <span class="corr" id="xd31e1595" title="Bron: 22ste">22<sup>ste</sup></span> linieregiment, <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>ten getale van 358 man; dan het negende bataljon der Jagers, 202 man; verder 138 dragonders, -en 160 man der artillerie, de laatsten met zestien stukken geschut. Ten laatste waren -er nog 54 Maleische artilleristen, 181 Hottentotten te voet, en 104 slaven bij de -artillerie, terwijl 240 Fransche matrozen van de in de Tafelbaai kort te voren gestrande -schepen <i>Atalante</i> en <i>Napoleon</i> ook hulp verleenden onder bevel van kolonel Beauchene. Men ziet dus dat het Hollandsche -leger een eigenaardig mixtuur was. -</p> -<p>Het was omtrent vijf uur in den morgen, toen men het Engelsche leger, dat vierduizend -man sterk was, zag aanrukken over de zandduinen van Blauwberg, onder persoonlijk bevel -van Generaal Baird. Janssens stelde daarop terstond zijn leger in slagorde, en dat -in een lange linie, ten einde te voorkomen dat de veel talrijker Engelsche macht hem -zou overvleugelen. Daarop reed hij langs het front der <span class="corr" id="xd31e1608" title="Bron: troeden">troepen</span> en spoorde hen aan zich dapper te gedragen, en hun plicht te doen. Men ontving den -algemeen beminden generaal met gejuich; slechts uit de monden der Waldeckers werd -geen geluid van goedkeuring vernomen, en deze lafaards hadden geen lust zich op te -offeren voor eene zaak, die zij als hopeloos beschouwden. Het gevecht begon met grof -geschut, <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>en hierin was het voordeel aan de zijde van de Hollanders, die meer stukken hadden -dan de Engelschen, schoon het kaliber der kanonnen der laatstgenoemden weer zwaarder -was. Er vielen eenige kogels in de buurt van het Waldecker regiment, en dit begon -daarop dadelijk te wijken. Janssens<span class="corr" id="xd31e1613" title="Bron: .">,</span> dit bemerkende, begaf zich persoonlijk naar hen, en trachtte de lafaards moed in -te spreken, maar het was te vergeefs; de Duitsche huurlingen sloegen schandelijk op -de vlucht. Dit voorbeeld had een zeer slechte uitwerking op de rest van de geregelde -troepen, en een korten tijd daarna begon ook het 22<sup>ste</sup> linieregiment te wijken. Weder trad de <span class="corr" id="xd31e1619" title="Bron: Hollansche">Hollandsche</span> generaal naar voren; hij sprak de manschappen toe, en het gelukte hem ook ze een -oogenblik te doen standhouden. De beide legers waren echter nu zoo nabij elkander -dat men met het geweer op elkander begon te schieten; de Generaal zelf werd getroffen -door een kogel die echter afstuitte tegen een hard voorwerp in zijn zak, zonder hem -te verwonden. De Hooglanders, die eenige lagen hadden gevuurd, maakten zich daarop -gereed om een bajonet aanval te doen, en tegen die taktiek waren de Hollandsche troepen -niet bestand. Het 22<sup>ste</sup> regiment sloeg op de wilde vlucht; slechts de burgers, de artillerie en de Fransche -zeelieden hielden stand en beantwoordden <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>den aanval met een hevig geweervuur. De welafgerichte, geoefende Hooglanders, die -de keurbenden van het Engelsche leger waren, lieten zich echter niet door het hevigste -vuur stuiten, maar kwamen steeds in charge pas nader, en Generaal Janssens ziende -dat hij met de hem overblijvende rest van het leger niets uitvoeren kon, gaf bevel -tot den terugtocht, die gedekt werd door de artillerie, meesterlijk bediend door luitenant -Pelegrini, die zoolang persoonlijk de stukken bleef bedienen, dat Janssens verplicht -was om zelf den dapperen man te gelasten, zich met zijne kanonnen in veiligheid te -brengen, terwijl hij hem tevens op de plek zelve tot kapitein bevorderde. Daarop trok -het geheele Hollandsche leger in vrij goede order terug naar Rietvlei, waar men ook -het Waldeck regiment vond, dat dadelijk daarop door Janssens met verwijtingen werd -overladen, en naar Kaapstad werd gezonden. De Gouverneur maakte nu verder zijne schikkingen -voor een terugtocht naar het binnenland. Eerstens zond hij de Fransche zeelieden naar -Kaapstad terug, niet omdat zij niet goed waren, want zij hadden zich inderdaad zeer -dapper gedragen; maar omdat de zeelieden van weinig of geen nut konden zijn in het -binnenland. Verder zond hij een boodschapper naar den kommandant van Simonsstad, met -instructien aan dezen om alle <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>krijgsvoorraad die daar mocht zijn, en die niet spoedig kon worden vervoerd te vernielen, -en dan met het garnizoen van die plaats, omtrent 150 man, zich naar den tegenwoordigen -Sir Lowry’s Pas te begeven, waarheen ook de Gouverneur zelf van plan was te gaan. -</p> -<p>Een der laatste daden van den Hollandschen gouverneur bewees welk een edel man hij -was. Er waren namelijk een aantal burgers die zich in het gevecht van Blauwberg uitmuntend -hadden gedragen, en daar deze mannen geen betaling voor hunne diensten kregen, en -toch wel iets voor hunne dapperheid verdienden, zond Janssens een boodschapper naar -den politieken raad in Kaapstad, waarin hij dezen verzocht om dadelijk, zonder eenig -verzuim aan zekere burgers die hij met name noemden, plaatsen in eigendom te geven -en die te transporteeren op hunne namen. De namen dezer dappere burgers verdienen -aan de vergetelheid te worden ontrukt, en wij geven ze dus hier. Zij waren: Jacobus -Linde, Pieter Human, Pieter Pietersen, Nicholaas Swart Pz., Nicholaas Swart Kz., Jan -Rabe, Dirk Lourens, Servaas de Kock, Nicholaas Linde, Marthinus Theunissen, Hans Human -en Pieter Mosterd. Wij mogen hier bijvoegen dat de raad aan dit verzoek gehoor gaf, -zijn laatste vergadering op den 8<sup>sten</sup> hield, de noodige dokumenten passeerde, en die deed registreeren. -<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p> -<p>Waarom generaal Janssens, toen hij deze boodschap zond, ook niet dadelijk bevelen -zond aan kolonel Prophalow, den bevelhebber van Kaapstad om zich in den nacht met -alle beschikbare troepen en materiaal naar Muizenberg te begeven, en van daar langs -het strand naar de Hottentot Hollands bergen te trekken, ten einde zich met hem, Janssens -te vereenigen, is weer een van die dingen die men niet begrijpt. Janssens toch moet -geweten hebben, dat er geen kwestie kon zijn van het verdedigen van Kaapstad, en dat -de overgave er van zonder twijfel zou geschieden. Waarom moest echter in die overgave -een groot deel van de troepen, en een aanzienlijk aantal burgers worden begrepen. -De Britsche troepen trokken dien nacht niet verder dan Rietvlei, en kampeerden daar, -zoodat Prophalow zeker alle kans had gehad om zonder moeite Muizenberg te bereiken, -en daardoor het leger van Janssens, dat toen niet meer dan zoowat duizend man telde, -aanzienlijk te versterken. Maar dit werd ongelukkig niet gedaan, en den achtermiddag -van den 8<sup>sten</sup> trok de Hollandsche generaal met het overschot van zijn leger naar Hottentots Holland -terug, waar hij de bergpas, thans als Sir Lowry’s pas bekend, bezette. -</p> -<p>Kaapstad werd aldus aan zijn lot overgelaten, en op den morgen van den 9<sup>den</sup> Januari kwam het <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>Engelsche leger te Zoutrivier aan, waar door den Engelschen generaal de noodige schikkingen -werden getroffen om, zoo noodig, de stad te bombardeeren. Doch dit bleek spoedig een -onnoodige maatregel. Prophalow begreep dat eene verdediging van de stad nutteloos -bloedvergieten ten gevolge zou hebben, en even nuttelooze vernieling van eigendommen, -en hij zond dus een parlementair naar Generaal Baird, om een wapenstilstand te verzoeken -met doel de termen van overgave te arrangeeren. Baird schonk hem 36 uren wapenstilstand, -op voorwaarde dat de buitenwerken van de stad aan hem werden overhandigd, en hij Fort -Knokke kon bezetten, hetgeen toegestaan werd. Den volgenden dag, 10 Januari 1806, -des namiddags om 4 uur, werd de kapitulatie van Kaapstad geteekend, en dienzelfden -avond woei de Engelsche vlag weder op het kasteel, om daar te waaien tot op den huidigen -dag. -</p> -<p>Ondertusschen was Generaal Janssens te Hottentot Hollandsch, en scheen hij in twijfel -te zijn geraakt wat te doen. De kleine macht ter zijner beschikking maakte het hem -onmogelijk om iets nuttigs ten uitvoer te brengen, en hij was zelfs niet in staat -om de bergpassen te bezetten, die den vijand in staat zouden stellen hem in den rug -aan te vallen. Dat de Engelschen dit dan ook van plan <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>waren, bleek spoedig, want reeds op den 12<sup>den</sup> vernam Janssens dat Stellenbosch, en de Roodezand Kloof door hen bezet was, en dat -een regiment op weg was naar Mosselbaai om de Attaqua pas in bezit te nemen. Aldus -aan alle kanten afgesneden, moest de Hollandsche generaal wel tot de <span class="corr" id="xd31e1655" title="Bron: conslusie">conclusie</span> komen dat er niets voor hem overbleef dan overgave. Maar toch kwam de eerste stap -niet van hem, maar van den kant der Engelschen. Generaal Baird was een zeer achtenswaardig -man, en hij schreef op den 13<sup>den</sup> een brief aan Janssens, waarin hij deze onder het oog bracht dat verder verzet slechts -noodeloos bloedvergieten zou zijn, en dat hij hem aan de hand gaf of het niet beter -was om <span class="corr" id="xd31e1661" title="Bron: onder handelingen">onderhandelingen</span> aanteknoopen voor eene eerlijke kapitulatie. Deze brief werd door Generaal Beresford -aan den Hollandschen generaal gezonden, en dezen verder medegedeeld, dat, hij, Beresford, -volmacht had om de onderhandelingen te voeren. Janssens wilde zich eerst overtuigen -van den toestand in de Kaapstad, en vroeg verlof om een onderhoud te hebben met den -toenmaligen secretaris van den politieken raad, den heer Jan Andries Truter. Dit verzoek -werd toegestaan, en daarop besloot Janssens zich over te geven, en werd de kapitulatie -op den 18<sup>den</sup> Januari geteekend. Bij die kapitulatie werd overeengekomen <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>dat het Hollandsche leger zich met behoud van eer zou overgeven, en op kosten der -Engelsche regeering naar Holland zou worden teruggezonden, en verder dezelfde voorwaarden -gemaakt als beschreven waren in de capitulatie van Kaapstad. -</p> -<p>Op den 6<sup>den</sup> Maart verliet Generaal Janssens deze kusten, en werd voor goed de band verbroken -die er bestond tusschen Oud-Holland en de Kaap de Goede Hoop. Merkwaardig is echter -de brief die de dappere generaal, op den dag van zijn vertrek aan generaal Baird zond -en waarin onder anderen deze uitdrukkingen voorkwamen: -</p> -<p>„Sta mij toe, mijnheer, om aan uwe bescherming aan te bevelen de inwoners dezer kolonie, -wier geluk en welvaart de voornaamste onderwerpen mijner zorg zijn geweest, sedert -mijne aankomst alhier, en die gedurende dien tijd zich geheel volgens mijne tevredenheid -hebben gedragen. Sla in dit opzicht geen geloof aan den heer Barrow, of aan de vijanden -der inwoners. Deze laatsten hebben hunne fouten, doch daar wegen hunne goede hoedanigheden -ruimschoots tegen op. Door middel van zachtheid, door bewijzen van liefde, en vriendelijkheid -kan men ze ongetwijfeld tot het goede leiden.” -</p> -<p>Het zou zeker een groot voordeel voor de Engelsche regeering zijn geweest, zoo zij -wat meer geluisterd <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>had naar den raad van den laatsten Hollandschen Gouverneur, en wat minder naar menschen -in Engeland, die geen begrip van de toestanden hier hadden, of naar mannen, als Dr. -Philip, die door hunne <span class="corr" id="xd31e1680" title="Bron: veroordeelen">vooroordelen</span> belet waren een behoorlijk besef van het karakter der Afrikaners te krijgen, of anders -waren <span class="corr" id="xd31e1683" title="Bron: geinfluenceerd">geïnfluenceerd</span> door zelf belang en geldzucht. Maar de gevolgen van al deze verkeerde influisteringen -zijn niet uitgebleven. -</p> -<p>Toen de „Bellona”, zooals het schip heette dat Generaal Janssens en zijne metgezellen -naar Holland zou vervoeren, op den morgen van 6 Maart, langzaam en statig de Tafelbaai -uitzeilde, stond Jan van Eck op het strand van Papendorp, en tuurde hij op het schip -totdat er niets meer van te zien was. Hij was moederziel alleen, maar zelfs al waren -er honderd menschen geweest, dan zou hem het hart te vol zijn geweest om een woord -te spreken. Toen echter het schip op de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan -verdwenen was, liepen de tranen langs de wangen van den goeden eerlijken patriot, -en zich langzaam omwendende, stapte hij in de richting van zijn huisje. -</p> -<p>Voor de eerste keer in zijn leven liet hij dien dag zijn middag eten onaangeroerd. -<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK X." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK X.</h2> -<h2 class="main">Waaruit blijkt dat men in het jaar 1807 banja mak was in de Kaapstad.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op Maandag 28 September van het jaar 1807 stapte ’s morgens om 10 uur, onze vriend -Van Eck zeer rustig van zijne woning naar de stad, en wendde zich daar dadelijk naar -het stadhuis op het zoogenoemde Groenteplein, waar het stadhuis stond, hetzelfde gebouw -dat nu nog voor dat doel wordt gebruikt, totdat het groote en trotsche gebouw, dat -men bezig is op het Caledonplein te bouwen, voor gebruik geschikt is. Het was in den -laatsten tijd iets zeldzaam geweest, dat Van Eck in de stad kwam; hij was er <span class="corr" id="xd31e1697" title="Bron: sints">sinds</span> wij hem eerst hebben ontmoet heel <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>wat ouder op geworden, en ouderdom komt met gebreken. Gebreken, in den eigenlijken -zin van het woord had de oude man nu niet, want zijne gezondheid was nog uitmuntend; -doch zijne <span class="corr" id="xd31e1702" title="Bron: knieen">knieën</span> waren wat stram geworden en het loopen viel hem niet meer zoo gemakkelijk. Maar wat -hem voornamelijk van de stad weghield, was niet de toestand van zijn lichaam, dan -wel de toestand zijns geestes. -</p> -<p>Vurig Afrikaander als altijd, een man van vaste beginselen, kon hij niet klaarkomen -met de Engelsche heerschappij in de kolonie, en verlangde hij immer terug naar de -oude dagen der Hollanders, al wist hij bij ondervinding welke abuizen dat <span class="corr" id="xd31e1707" title="Bron: Hollansch">Hollandsch</span> bestuur met zich had meegebracht. Van zijne oude vrienden waren verscheidene overleden, -en anderen hadden de dagen van vroeger vergeten, en leefden in het tegenwoordige, -als gewone menschen, wier plicht het op deze aarde is om voor vrouw en kinderen te -zorgen, en die dit dan ook zoo goed mogelijk doen, zonder zich te bekommeren over -zulke lastige dingen als beginselen. Zulke menschen worden gewoonlijk als de verstandigsten -door hunne medeburgers beschouwd; zij komen gewoonlijk in de wereld vooruit, en laten -dikwijls een heel aardig fortuintje aan hunne kinderen na, om daarop als eerlijke -en brave burgers met alle statie te worden begraven, met een begeleidend <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>paragraafje in de nieuwsbladen. Dat is nu <span class="corr" id="xd31e1712" title="Bron: eenmaal’s">eenmaal ’s</span> werelds loop, en die dit niet volgt, dien beschouwt men als dwaas, of eccentriek. -Doch het ongeluk was dat Van Eck zich niet kon gewennen aan deze wijze van denken -en handelen, en dat hij eene diepe verachting had voor zulke menschen, en die verachting -geenszins verheelde. Dit bracht hem dikwijls in onaangenaamheden, en dus begon hij -langzamerhand een zeer afgezonderd leven te leiden, en ging hij met zeer weinig menschen -om. Nu en dan ontving hij een bezoek van een der weinig hem trouw geblevene vrienden, -vooral uit de distrikten in het oosten, en met deze gezelsde hij dan heerlijk over -de goede oude tijden, en besprak men den algemeenen toestand van zaken. -</p> -<p>Dat hij heden in de stad was, had dan ook zijne bijzondere redenen. De gouverneur -der Kaapkolonie, Graaf Caledon, had eenigen tijd geleden eene proklamatie uitgevaardigd, -waarin hij alle inwoners der kolonie opriep om zich op zekere bepaalde dagen aantegeven -bij een paar vastgestelde plaatsen, om aldaar optegeven het aantal personen van hun -huishouden, van hun slaven, enz. enz. Feitelijk dus zoo iets als wat men thans een -Census zou noemen. Voor de Kaapstad was die dag bepaald van af den 1<sup>sten</sup> tot 29<sup>sten</sup> September, en als plaats, het stadhuis <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>op het Groenteplein. De meeste burgers hadden zich reeds lang aangegeven, schoon er -niet weinige waren, die dit met geen gerust hart deden. Sommige menschen keurden deze -wijze van handelen af, als in strijd met den Bijbel, daar de heer David had gestraft, -wegens het houden van eene volkstelling der Israelieten; anderen weder waren van opinie -dat de regeering met deze opgave geen ander doel had dan om te kunnen weten hoe zwaar -eene belasting zij op het volk zou kunnen opleggen. Maar wat men ook van de zaak dacht, -men gehoorzaamde het bevel zonder hoorbaar morren, omdat men machteloos was. Ook Van -Eck meende dat er iets achter deze zaak zat, maar ook hij moest gehoorzamen; om zich -echter eenige voldoening te geven had hij zijne aangifte uitgesteld tot op het laatste -oogenblik, althans nagenoeg, en kwam hij dus op den voorlaatsten dag. Er waren nog -eenige andere burgers, die om de eene of andere reden de zaak hadden uitgesteld, en -toen dus onze vriend op het Groenteplein kwam, vond hij daar verscheidene personen, -die hij kende. Hij groette hen beleefd, en ging toen dadelijk het gebouw binnen, om -aan den heer Van Rijneveld, die met twee der leden van de Burgersenaat, een soort -van Commissie vormde, om de opgaven te doen aanteekenen, zijn eigendom aantegeven, -en daar dit niet <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>veel was, was hij spoedig weder op het plein, waar hij thans een der aldaar staande -groepjes naderde. Dat groepje bestond uit drie personen, twee waarvan Jan van Eck -goed kende, als zijnde de barbier of chirurgijn Bözenberg, en de heer E. B. Ziervogel, -terwijl de derde hem vreemd was, doch hem door den heer Bözenberg werd voorgesteld -als Dr. Kriegler van Wagenmakersvlei, de plek die wij thans kennen als Wellington, -en reeds toen een vrij bloeiende streek, schoon het nog geen eigenlijk dorp was. Men -was spoedig in een gesprek gewikkeld, doch daar de zon wat heet begon te worden, al -was het nog maar September, sloeg de heer Bözenberg voor dat men zich naar zijn <span class="corr" id="xd31e1727" title="Bron: uis">huis</span> en barbierswinkel zou begeven, die niet ver van het plein, in de korte Marktstraat, -was gelegen. Hierin namen de aanwezigen genoegen, schoon eerst Van Eck zeide haastig -te zijn, en liever dadelijk naar huis te willen teruggaan. Toch haalde de heer Bözenberg, -met wien de oude man goed bevriend was, hem zonder veel moeite over om hen te vergezellen, -en een oogenblik later zaten de vier heeren rustig in een kamer van het huis van den -barbier, en verfrischten zich met een bittertje. -</p> -<p>„Gij zijt tegenwoordig geheel en al een vreemdeling in de stad, mijnheer Van Eck,<span class="corr" id="xd31e1732" title="Niet in bron">”</span> zeide de heer Ziervogel, toen zij rustig gezeten waren.<span id="xd31e1734"></span> „Och”, hernam de <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>aangesprokene, „ik heb tegenwoordig zeer weinig te doen in de stad, en voor mijn genoegen -kom ik er zeker niet, want als ik het kasteel passeer, en daar de Engelsche vlag zie -waaien dan kookt het mij in de borst, en komen er in mij gedachten op, die voor een -oud man als ik, die reeds aan <span class="corr" id="xd31e1738" title="Bron: ’swerelds">’s werelds</span> loop behoort gewoon te zijn, niet passen.” -</p> -<p>„Nog steeds dezelfde van altijd Mijnheer Van Eck”, viel de heer Bözenberg den spreker -in de rede, „zult gij u nooit gewennen aan de verandering, die in de laatste jaren -hier heeft plaatsgevonden, en die toch in menig opzicht eene groote verbetering is -op den vorigen toestand”. -</p> -<p>„Ik weet niet wat gij met eene verbetering bedoelt”, zeide Van Eck weder; „als gij -daarmede te kennen wilt geven dat er thans niet zooveel schaarschheid van geld heerscht -als vroeger, en men gemakkelijker zijn brood kan verdienen, zoo hebt gij misschien -gelijk, alhoewel ik daarvan niet uit persoonlijke ondervinding kan spreken. Ik hoor -zulks echter van anderen, die mij vertellen, dat er in jaren lang niet zooveel kontant -geld in de kolonie was, als thans, en dat ook de boeren een veel beteren prijs krijgen -voor hunne produkten dan tien jaren geleden het geval was. Maar of dit op zich zelve -eene verbetering is, dat betwijfel ik. Naar mijn bescheidene <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>opinie weegt dat zoogenaamde voordeel niet op tegen het feit dat wij thans de onderdanen -zijn van de Engelschen, en dat wij onze vrijheid, het kleinood waarvoor onze vaderen -vroeger zooveel stroomen bloeds vergoten, hebben verloren”. -</p> -<p>„Maar zeker zoudt gij toch niet de euvele dagen van Jan Compagnie willen terughebben”, -zeide de heer Ziervogel. „Niemand kent die dagen beter dan gij, en niemand weet beter -wat de burgers onder de compagnie hebben geleden”. -</p> -<p>„Ongetwijfeld waren er tijden, wanneer onze burgers veel leden onder Jan Compagnie, -vooral in de laatste twintig jaren vóór 1793, maar toch waren die tijden in menig -opzicht te verkiezen boven de tegenwoordige. Had men in die tijden een goede gouverneur -zooals Swellengrebel of Vader Tulbagh, dan was het hier goed, en zelfs als hier een -minder goede gouverneur was, dan kon men zich wenden tot de heeren directeuren in -Patria, die, al waren zij niet altijd op de hoogte van de zaken alhier, toch steeds -gewillig waren om naar onze grieven te luisteren. Herinner u maar eens in de dagen -van Gouverneur van Plettenberg, hoe wij een commissie naar Patria zonden, en werkelijk -wij toch een gedeelte kregen van wat wij hadden verzocht. En Jan Compagnie zijn rijk -was uit in 1803, en toen <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>de Mist en Generaal Janssens hier kwamen, scheen het waarlijk dat wij een beteren -tijd tegemoet gingen. Maar het oude vaderland heeft ons verlaten, en niets heeft mij -meer droefheid veroorzaakt dan het feit dat Keizer Napoleon zoo weinig voor ons heeft -gedaan. En waar zijn wij nu? Wat kunnen wij nu doen? Wij hebben hier een gouverneur -die een soort van despotische macht heeft, en van wiens beslissingen wij in geen hooger -beroep kunnen komen. Wij moeten maar als hulpelooze slaven zijne bevelen uitvoeren, -want anders is er boete en tronkstraf, of wordt men naar Botany Baai gezonden, zooals -men aan Cornelis Edeman heeft gedaan. En dit alles verdragen de Kapenaars, en zij -durven er niet tegen te pruttelen”. -</p> -<p>„Waarom zouden wij op het oogenblik pruttelen”, hernam de heer Ziervogel weder, „wij -hebben toch waarlijk geen reden daartoe. Gij zijt onpraktisch, mijnheer van Eck, en -streeft naar het onbereikbare. Men moet in het leven de dingen nemen zooals ze zijn, -en er het beste van maken. Bovendien hebben wij allen onze plichten te vervullen tegenover -onze familiën, en het zou dwaas van ons zijn om die familiën, in het ongeluk te storten, -omdat wij bevinden dat de zaken niet gaan overeenkomstig onze beginselen. Gij hebt -gemakkelijk spreken. Kind <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>noch kraai hebt gij, om voor te zorgen: geregeld trekt gij uwe renten, alzijn ze niet -veel: uwe behoeften zijn weinig en gij kunt ze voldoen, en als de dood u van deze -aarde weg rukt, dan laat gij niemand achter die uwe zorg zal missen. Maar wij zijn -niet allen in die gelukkige positie, en daarom kunnen wij uwe beginselen niet aannemen, -al erkennen wij dat ze grootsch zijn.” -</p> -<p>Jan van Eck lachte; het was een bittere lach; een lach waarin medelijden en verachting -als gemengd lagen, een lach die geen aangenamen indruk maakte op diegenen voor wie -hij gemeend was. De oude man zweeg een oogenblik, en zeide toen: -</p> -<p>„Het was een waar woord dat Christus sprak toen hij zeide<span class="corr" id="xd31e1759" title="Bron: ;">:</span> <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Gij kunt niet God en den Mammon dienen”. De geldzucht, en de bekoorlijkheden des levens -hebben te veel aantrekkelijkheid voor ulieden, en gij verkiest het oogenblikkelijke -en gemakkelijk te bereiken voordeel, boven het grootere voordeel dat slechts te verkrijgen -is door een tijdperk van lijden, van angst, en van moed. Het ontbreekt u aan zedelijken -moed: dat is de geheele zaak. Denkt eens terug aan de tijden van den tachtigjarigen -oorlog; zou die ooit in de geschiedenis zijn beschreven als onze voorouders ook zoo -hadden geredeneerd als gij thans doet. Als zij zich goedwillig aan den tiran <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>hadden onderworpen, en het Roomsche geloof hadden aangenomen, dan zou het hun in de -wereld ook veel beter zijn gegaan, en was hun veel lijden bespaard; maar dan zouden -zij met den loop der tijden als een volk van de aarde zijn verdreven, en hun plaats -zou niet meer gekend zijn. Voor hen persoonlijk zou het misschien beter zijn geweest, -maar de wereld en de menschheid, en hun nageslacht zouden er onder geleden hebben; -want heden erkennen wij wel dat zij vreeselijk hebben geleden doch wij zijn er hun -dankbaar voor.… Maar laten wij voor het oogenblik dit punt laten varen, want ik gevoel -dat ik meer zal gaan zeggen, dan zelfs een oud man geoorloofd is, ook onder zijne -landgenooten. Laat ik u liever vragen of gijlieden mij niet iets nieuws kunt vertellen -uit Europa. Ik heb in geen drie maanden iets uit Patria gehoord, en geen nieuwsblad -is mij ter hand gekomen. De Engelsche taal ben ik niet machtig, en dus kan ik niet -de berichten lezen die in de Engelsche bladen staan. Hoe staat het met de zaken in -Europa?<span class="corr" id="xd31e1766" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>De heer Ziervogel antwoordde op deze vraag, en zeide: „Uit brieven die ik uit Patria -ontvangen heb, schijnt het mij toe dat de zaken op het oogenblik niet erg gunstig -voor de verbondene mogendheden staan. Zooals gij weet heeft Keizer Napoleon verleden -jaar <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>Oostenrijk een geduchte nederlaag toegebracht, en daarop is het Engeland dat steeds -dapper den strijd tegen den Franschen Keizer volhoudt gelukt, om Pruisen en Rusland -te bewegen de wapenen tegen den overheerscher op te vatten. Napoleon heeft echter -zoowel de Pruisen als de Russen geheel verslagen, en deze zijn thans bezig vrede te -sluiten, en dat op voorwaarden, die zeer vernederend voor Pruisen zijn. Wat Rusland -aangaat, zoo schijnt men in Engeland te vreezen, dat het Napoleon gelukt is om den -keizer van Rusland zoodanig om te praten, dat deze zijn vriend en ondersteuner zal -worden, en als dit werkelijk het geval is, dan is er vooreerst niet veel kans om den -Franschen keizer tot den val te brengen”. -</p> -<p>Jan van Eck zweeg een oogenblik, en zeide toen: „Gij weet dat ik geenszins mij met -u vereenig omtrent de afkeuring die gij schijnt te koesteren aan de daden van den -Franschen keizer; als het voor niets anders is dan omdat hij tracht de Engelschen -op hun plek te zetten, dan zou ik reeds daarvoor alleen hem eeren: maar naar mijn -beschouwing heeft Europa een man als Napoleon noodig om er de zaken in orde te houden. -Doch wat mij steeds getroffen heeft, is dat Napoleon het niet een voornaam deel van -zijn politiek heeft gemaakt om op <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>goeden voet te blijven met Rusland. Dit zou hem weinig moeite hebben gekost, want -als hij slechts Rusland de vrije hand had gegeven op het Turksche schiereiland, en -in Azië, dan zou Rusland hem daarvoor de vrije hand hebben gegeven in westelijk Europa, -en dan zou hij zijn machtigsten tegenstander hebben kwijtgeraakt, terwijl tevens hij -Engeland onschadelijk zou hebben gemaakt, want Rusland zou zich dan oostwaarts, in -de richting van Indië hebben uitgebreid, en daardoor in botsing zijn gekomen met Engeland, -dat natuurlijk zijn Indische heerschappij niet kan prijsgeven”. -</p> -<p>„Ik ben niet genoegzaam op de hoogte van de politieke kwesties van het hedendaagsch -Europa, om een oordeel te kunnen vellen over deze zaak” merkte de heer Bözenberg aan, -„maar ik geloof niet dat Napoleon dat goede doet, dat de heer Van Eck veronderstelt -dat hij doet; hij schijnt mij een oorlogszuchtig en heerschzuchtig mensch te zijn, -die reeds het leven van duizenden menschen heeft verspild, en dat van duizenden meer -zal verspillen, vóór wij met hem klaar zijn. En ik ben niet van opinie dat wij er -beter aan toe zouden zijn als Engeland het tegen den keizer der Franschen verloor. -In een land als dit, bijvoorbeeld, moet men grootendeels van den handel leven, en -Engeland, als de <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>eenige zeemacht van belang in deze dagen, is ook de eenige natie die in staat is om -onzen handel te beschermen. Als de Engelsche vloot de zeeën niet beheerschte, zouden -wij op het oogenblik niets uit Europa kunnen krijgen, en zou de handel in dit land -kwijnen. Dat zult gij toch moeten instemmen, mijnheer Van Eck?” -</p> -<p>„De handel mag er misschien onder lijden, en de stedeling mag het minder goed hebben, -maar ik geloof, dat dit land niet afhankelijk behoort te zijn van den handel. De ware -goudmijn van deze kolonie ligt bij de boerderij, en zoover ik kan zien heeft die niet -gewonnen door de Engelsche bezetting van het land”. -</p> -<p>„Neen, dat is toch wel wat dwaas, om zoo iets te zeggen, mijnheer Van Eck,<span class="corr" id="xd31e1783" title="Niet in bron">”</span> viel de heer Ziervogel in<span class="corr" id="xd31e1785" title="Bron: ”; ">; „</span>heeft de boer het dan niet veel beter dan hij het vroeger onder het bestuur van Jan -Compagnie had? Krijgt hij niet veel meer voor zijne produkten dan hij vroeger kreeg? -Heeft hij thans niet contant geld in huis, terwijl een jaar of wat geleden hij niets -kreeg in betaling zijner goederen dan wat beetje papierengeld, dat niet zijn volle -waarde had?” -</p> -<p>De oude Kapenaar en vereerder van Rousseau lachte op treurige wijze, en sprak: „Gij -laat u allen door den schijn verleiden, en gij wordt geheel en <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>al doordrongen door dien ellendigen geest van koopmannij, die tegenwoordig het geheele -Engelsche volk kenmerkt, en die nog tot de allertreurigste gevolgen zal leiden voor -dit land. De kwestie is niet of de boer wat meer of wat minder geld krijgt voor zijn -produkten, maar wel of hij iets te zeggen zal hebben in het bestuur van het land. -Hij is de groote grondeigenaar van het land, en van zijn welzijn hangt ook het welzijn -van het land af, dat hij aangelegd heeft. En denkt gij dat hij thans de kans heeft, -om dit te doen? Engelsche denkbeelden winnen hier veld op meer dan eene manier, en -onder die denkbeelden behoort de verkeerde behandeling der kleurlingen in dit land. -Een der eerste behoeften voor den boer in dit land is, dat hij genoegzaam werkvolk -hebbe, om hem in staat te stellen zijn boerderij goed te drijven. Maar wat vindt men -thans in de kolonie? Dat de zendelingen, die ondersteund worden door de Britsche regeering, -het volk aanlokken om te gaan wonen in en op de zendelingstaties, waar zij een lui -en lekker leven voeren en dan geen lust hebben om zich aan den boer te verhuren? Deze -zendelingstaties zijn, zooals ik nog onlangs uit het distrikt Swellendam hoorde, niets -anders dan verzamelplaatsen voor dieven, want de Hottentot die niet werkt moet, om -aan den <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>kost te komen, het vleesch van den boer stelen, en menig schaapje en menige bok raakt -op die wijze spoorloos verdwenen. Zoolang dat duurt kan de boer niet vooruitgaan. -En dan schijnen de Engelschen geen slag te hebben om met de Kaffers om te gaan, en -houden zij die de hand boven het hoofd. Het lijkt dikwijls alsof de Engelschen, afgaande -op wat de zendelingen hun vertellen, de Kaffers als hunne broeders beschouwen, en -meer van hem denken dan van den Afrikaanschen boer”. -</p> -<p>„Maar, mijnheer Van Eck, als de Engelschen de Kaffers dan als hun broeders beschouwen, -hebben zij dan daar niet gelijk aan? Gij behoordet toch waarlijk de laatste man te -zijn die iets daartegen zoudt inbrengen, want leert uw groote leermeester, Jean Jacques -Rousseau ons niet dat alle menschen broeders zijn, en zijn vrijheid, gelijkheid, en -broederschap, niet de hoofdbeginselen van zijn wijsgeerigheid?” Het was de heer Bözenberg, -die Van Eck deze slimme vraag deed, en tot groot vermaak der aanwezigen scheen zij -voor het oogenblik onzen vriend van zijn stuk te brengen, en kon hij niet dadelijk -antwoord geven. Hij maakte zich echter gereed om dit argument tegen te spreken, toen -juist op dat oogenblik de vrouw van de heer Bözenberg de kamer inkwam, en deed weten -dat het eten op tafel <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>was, en dat alle aanwezigen welkom zouden zijn, want in de oude dagen van Kaapstad -was men bijzonder gastvrij, en wie ook op het uur des maaltijds in het huis aanwezig -was, werd steeds als gast ter tafel genoodigd. -</p> -<p>Of het gesprek een wending had genomen, die den heer van Eck niet beviel, of dat hij -uit zijn humeur was over de laatst gemaakte aanmerking, laat zich hier niet uitmaken, -maar in alle geval nam hij de uitnoodiging om bij de familie Bözenberg te dineeren, -niet aan, en zeide hij dat hij nog een paar commissies moest doen, en haastig was -om naar huis te komen, waar zijn jongen op hem wachtte. Hij nam dus afscheid, en ging -de straat op in de richting van de Parade, en wie hem van nabij had gevolgd, had kunnen -hooren dat hij bij zich zelve als volgt mompelde: -</p> -<p>’t Wordt me hier een mooie boel in de Kaapstad; de lui zijn zoo pap als maar mogelijk -is, en beginnen voor niets anders te leven dan om geld te maken. Kracht en liefde -voor het land zit niet meer bij ze, en allen worden langzamerhand van dat ellendige -zuurdezem van den handel doortrokken. Als het tegenwoordige geslacht zich reeds in -zulk een korten tijd begint te veranderen, dan zal ik wel graag willen weten, wat -er van het toekomende geslacht <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>zal worden. Van die zal men ook wel kunnen zeggen, als zij opgegroeid zijn, „Plus -royaliste que le roi”. (Nog meer koningsgezind dan de koning zelve). -</p> -<p>En de heer Van Eck toonde met het maken van die aanmerking, dat hij met een prophetischen -geest was bezield. -<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK XI." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK XI.</h2> -<h2 class="main">Een verhaal van een slaven opstand aan de Kaap.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wat wij in dit hoofdstuk gaan vertellen, waarde lezers, is niets meer of min dan een -afschrift uit het dagboek van Jan van Eck, dat is te zeggen, wij hebben bijna precies -overgenomen wat er in dat dagboek geschreven staat, maar slechts hier en daar het -Hollandsch in een meer moderne vorm gegoten, omdat wij gelooven dat anders onze lezers -moeite zouden hebben, om de eenigszins verouderde taal van het dagboek te verstaan. -</p> -<p>Voor wij echter beginnen, moeten wij hier verder aanmerken, dat het blijkt dat Jan -van Eck zijn tijd eenige dage heeft doorgebracht met het luisteren <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>naar de zaak van de slaven, die in den hieronder beschreven opstand hadden deel genomen, -en dat hij daarop waarschijnlijk uit aanteekeningen door hem gehouden over de getuigenissen -in de zaak, een verhaal heeft opgetrokken van het gebeurde, naar hij zelf zegt, om -het nageslacht te toonen, dat deze slaven opstand nooit zou hebben plaats gevonden, -als het niet was geweest, dat een Engelschman het denkbeeld had geopperd, daar, (zooals -Van Eck terecht aanmerkt) de slaven in de kolonie in het algemeen zeer goed werden -behandeld, en uit henzelven nooit tot een opstand zouden zijn gekomen. Maar laten -wij hem zelve zijn storie vertellen. -</p> -<p>Omtrent de maand Juli van het jaar 1808 woonde er te Kaapstad een zekere Louis, een -slaaf, origineel afkomstig van het eiland Mauritius doch reeds een geruimen tijd hier. -Hij was een slaaf van jufvrouw Kirsten, eene vrouw die van haar man gescheiden leefde, -en die geen dienst hebbende voor Louis, dezen toeliet voor anderen te werken, op voorwaarde -dat hij een deel van zijne verdiensten wekelijks aan zijne eigenares afstond, eene -gewoonte die dikwijls in de Kaapstad gevolgd wordt, en haren oorsprong heeft in het -Romeinsche recht. Louis nu was gehuwd, of leefde in alle geval met eene vrije vrouw, -Anna genaamd, die zelve vroeger slavin <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>was geweest maar door haren eigenaar <span class="corr" id="xd31e1820" title="Bron: geemancipeerd">geëmancipeerd</span>, dat is vrij gemaakt, was. Het schijnt dat deze vrije vrouw haren echtgenoot had -gehuurd van diens meesteres, en haar daarvoor een zekere vaste som per week betaalde, -en het werk dat Louis deed voor Anna, bestond in het drijven en zorgen voor een wagen -en paarden, die Anna uithuurde aan andere menschen voor het vervoeren van goederen -en dergelijke werken. Louis was wel een slaaf, maar hij schijnt niet geheel gekleurd -te zijn geweest; in waarheid was hij zoo licht van kleur dat een gewoon mensch hem -voor een blanke zou aanzien, en waarschijnlijk was hij de onechte zoon van den een -of andere blanke van Mauritius. Om in de kosten van hun huishouden te voorzien had -Anna een paar kostgangers aangenomen, meest werklieden van den lageren stand, en onder -die kostgangers bevond zich een Ier, James Hooper genaamd. Deze schijnt iemand geweest -te zijn die veel gehoord en gelezen had van den opstand in Ierland in 1798, schoon -hij aan dien opstand zelf geen deel heeft kunnen nemen, daar hij ten tijde dat dit -verhaal begint nog maar 26 jaar oud was. Hooper had menig gesprek met Louis, en vervulde -dezen met belachelijke denkbeelden van vrijheid, en als vanzelf kwam men natuurlijk -te spreken over den afhankelijken <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>toestand der slaven in de kolonie, en over de pogingen, die toen reeds in Engeland -door zekere personen werden aangewend tot vrijmaking der slaven in het Britsche rijk. -Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat deze gesprekken een geweldigen invloed hadden -op het licht ontvlambare gemoed van Louis. -</p> -<p>Het duurde dan ook niet lang of de man van Mauritius begon met Hooper de mogelijkheid -te bespreken van het aan den gang zetten van een slavenopstand, en Hooper was geenszins -ongewillig om op dit plan in te gaan. Een weinig nadenken bracht hen spoedig tot de -overtuiging dat het gekheid zou zijn om zoo iets te beginnen in de Kaapstad, waar -er toenmaals niet minder dan 5000 soldaten in garnizoen lagen, en waar bovendien er -groot gevaar bestond voor het uitlekken hunner plannen. Louis had echter een goede -kennis, een zekere Abraham, slaaf van den heer Jan Wagenaar, die uitmuntend bekend -was met het Zwartland, waar hij vroeger gewoond had. Deze Abraham werd nu in het geheim -genomen, en men kwam ten laatste tot een besluit, namelijk dat Hooper en Abraham een -reis zouden ondernemen naar het Zwartland, en zich vergewissen van de gevoelens onder -de slaven der boeren aldaar, en Abraham daar dan voornamelijk zou spreken met <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>eenige slaven die hij er kende. Dit plan werd op de volgende slimme wijze ten uitvoer -gebracht. In het begin van de maand October gingen Hooper en Abraham op reis naar -de plaats van den heer Pieter Louw in Zwartland, waar familie van Abraham woonde. -Hooper gaf voor een Engelsche heer te zijn die voor zijn pleizier een reisje in die -streken deed, en door zijn bediende Abraham, die tevens als tolk diende, vergezeld -was. Abraham was met den heer Louw bekend en Hooper werd dan ook met alle gastvrijheid -door den niets vermoedenden boer ontvangen en uitmuntend behandeld. Men bleef een -paar dagen op de plaats, en Abraham besteedde zijn tijd nuttig en kwam tot de overtuiging -dat er alle kans was dat hun plan zou slagen, en zij een aantal aanhangers zouden -krijgen als de zaak maar één keer aan den gang was gezet. -</p> -<p>Toen deze twee lieden te Kaapstad terugkwamen, hadden zij weer een gesprek met Louis, -en besloten toen om nog een vierde deelgenoot in het komplot te nemen, namelijk een -tweeden Ier, zekeren Michael Kelly, een matroos, of liever gezegd gewezen matroos -van een Engelsch schip, die eenig begrip had van militaire zaken. De vier vrienden -begonnen thans hunne maatregelen te nemen, en zij lieten geen tijd verloopen om hun -plan ten uitvoer te brengen. Op <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>den 24<sup>sten</sup> October reeds, vroeg in den morgen ging James Hooper naar een zekeren Hendrik Matfeld, -een half gekleurden maar vrijen man, die in het bezit was van een wagen en acht paarden, -waarmede hij gewoon was menschen te brengen naar Paarl, Simonsstad, en dergelijke -naburige plaatsen. Hooper zeide hem dat hij een baantje voor hem had daar er een Engelsche -officier was, die naar eenige plaatsen in Zwartland wilde gaan. en voor dat doel een -wagen verlangde. Hooper en Matfeld waren het spoedig eens over den prijs, en er werd -bepaald dat den volgenden morgen vroeg, hij zou komen aan het huis van Louis, waar -hij zijn passagiers zou ontvangen. -</p> -<p>Intusschen hadden Louis en Hooper zich twee uniformen aangeschaft, een met gouden, -en een met zilveren epauletten, en ook een groote en een kleine sabel verkregen, en -toen den volgenden morgen, de wagen van Hendrik Matfeld op de bepaalde plaats aankwam, -klommen Hooper en Louis, beiden in uniform aangekleed in het voertuig, en vertrok -men in de richting van Zwartland. Bij Zoutrivier ontmoette men als bij toeval Kelly -en Abraham, die ook daarop in den wagen klommen, alsmede ook een zekere Adonis, een -slaaf, die eenige tijd geleden van zijn baas gedrost was, maar aan Abraham bekend -was. Adonis deelde men daarop het plan mede, en hij <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>betoonde zich geheel gewillig om er deel aan te nemen. Men reed nu door, maar langs -den weg werd er verscheidene malen stilgehouden, en teutte men zoo, dat de drijver -van den wagen, zekere David, eenigszins gemelijk te kennen gaf, dat als men op die -wijze voortging, men nooit dien avond weer in de Kaap zou zijn. Louis zeide dat David -zeker zijn baas verkeerd had verstaan, want de wagen was voor vijf dagen gehuurd, -en Hooper had daarvoor niet minder dan 100 rijksdaalders aan Matfeld betaald, wat -later bleek een brutale leugen te zijn. Maar daar zoowel Hooper als Kelly beweerden -tegenwoordig te zijn geweest, toen dit accoord gesloten was, kwam David werkelijk -tot de gedachte dat hij zijn baas verkeerd verstaan had, en reed hij door naar de -plaats Brakkefontein, waar men in het veld uitspande. De volgenden dag werd de reis -voortgezet, en tegen den middag bereikten zij de plaats van Pieter Louw, waar Hooper -en Louis uit het rijtuig klommen, en naar het huis gingen om te vragen of de heer -Louw thuis was. De afspraak die de schelmen hadden gemaakt, was, dat zoo Louw werkelijk -thuis was, zij een gesprek met hem zouden aanknoopen, maar op een gegeven teeken allen -hem zouden aanvallen en hem binden. Het ongeluk wilde echter dat Louw niet thuis was, -waarop Hooper aan jufvrouw Louw Louis voorstelde <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>als een Spaanschen zeekapitein, die geen Hollandsch of Engelsch verstond, en zich -zelve uitgaf als een zijner officieren. De goede jufvrouw Louw geloofde dit verhaal -en ontving hare gasten op de gewone vriendelijke Afrikaansche manier. Zij <span class="corr" id="xd31e1842" title="Bron: bezorgde">verzorgde</span> hunne paarden, en gaf de personen dien avond een uitmuntende slaapplek. Terwijl zij -op de plaats waren, gingen Louis en Abraham stilletjes naar de slaven, en hadden een -gesprek met zekeren Japhta, een slaaf van Louw, die reeds vroeger door Abraham in -het geheim was ingewijd, en met wien men nu verdere maatregelen besprak. -</p> -<p>De twee blanken schijnen echter of door vrees te zijn bekropen, of het gevaarlijke -hunner positie te hebben ingezien. In alle geval blijken zij niet den moed te hebben -gehad om het plan door te zetten, en den volgenden morgen vroeg, toen Louis en Abraham -nog sliepen, vertrokken zij heimelijk van de plaats, maar niet zonder eerst Louis -van zijn uniform, zijn sabels en epauletten te hebben ontroofd. Daar deze twee blanken -niet meer in het verhaal zullen voorkomen, zal ik maar dadelijk hier melden, dat deze -één dag bij elkander bleven, maar eenige wagens ziende aankomen verborgen zij zich, -en dat wel zoo goed, dat zij later elkander niet konden vinden, en dus ieder huns -weegs gingen. <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>Hooper ging in de richting van Saldanha baai, en werd daar door eenige dragonders -die er gestationeerd waren, gevangen genomen en later naar Kaapstad vervoerd. Kelly -kwam kort daarop ook te Saldanha baai aan, en onderging hetzelfde lot. -</p> -<p>Wat de anderen betreft, zoo was Abraham dien morgen het eerste op de been, en na Louis -te hebben gewekt, hielden zij een korte beraadslaging, waarin zij tot het besluit -kwamen, om niettegenstaande het verraad hunner blanke deelgenooten, toch met hun plan -voort te gaan. Met dat doel verzamelde Abraham eenige der slaven van den heer Louw, -liet de wagen waarmee ze gekomen waren weder inspannen, en vertrok daarop van de plaats. -Louis begon nu dadelijk een anderen toon aan te slaan, en gelastte het nog op de plaats -zijnde volk om de wagen van Louw intespannen, met de paarden die in den stal stonden, -en hoewel jufvrouw Louw, die thans onraad bemerkte, zich ten sterkste hiertegen verzette, -gaf het volk aan de bevelen van Louis gehoor, en daarop vertrok men, versterkt door -tien der slaven van Louw, naar de plaats van den heer Willem Basson, die niet ver -daar van daan lag. De heer Basson was ook niet te huis, en de oproerlingen door deze -omstandigheid aangemoedigd, draalden nu niet om in hun ware gedaante voor den dag -te <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>komen. Den jongeren broeder van Basson werd door hen gegrepen en vastgebonden, en -daarop lieten zij ook hier de wagen van den eigenaar inspannen. Niet tevreden met -deze geweldenarijen, braken zij een aantal der kamers van het huis open, haalden alle -wapenen, en schiettuig er uit, en trachtte ook de vrouw van den heer Basson, en eene -andere vrouw op de plaats wonende te vangen en te binden, zeggende dat zij bevelen -hadden van den Gouverneur, en van den Fiskaal om alle blanken in het district gevangen -te nemen en naar Kaapstad te brengen. Het gelukte echter aan de twee vrouwen om te -ontsnappen. Daar de opstandelingen blijkbaar geen tijd wilden vermorsen met het zoeken -naar de vrouwen, deden zij geen moeite daartoe, maar namen een aantal paarden van -de plaats met zich, en begaven zich toen op weg naar de woning van Pieter Basson, -die slechts een kleinen afstand van daar woonde; de gevangene broeder van Willem Basson -namen zij gebonden, en in den wagen geworpen, met zich mede. Op den weg naar de plaats -van Pieter Basson, ontmoetten ze dezen laatsten met zijn wagen, en verplichtten hem -door hem met den dood te bedreigen, om zich aan hen overtegeven, waarop zij ook hem -bonden, op zijn eigen wagen laadden, en dien ook medevoerden. Het bezoek op <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>zijne plaats werd echter niet nagelaten, en zij maakten daar een kwantiteit geweren, -kruit en hagel buit. -</p> -<p>De onverlaten gingen nu naar de plaats van den heer Johannes Louw, en nauwelijks waren -zij daar aangekomen, of zij overrompelden den eigenaar, bonden hem vast, en wierpen -hem in een der wagens; en daarop braken zij in het huis, en stalen al het geld dat -er te vinden was, dat echter niet meer was dan omtrent 150 rijksdaalders; een aanzienlijke -hoeveelheid ammunitie en kleederen viel ook in hunne handen. De meeste slaven van -Louw sloten zich bij de opstandelingen aan, en dat wel omdat zij waarlijk geloofden -dat Louis door de regeering was gezonden om de blanken gevangen te nemen en naar de -Kaap te vervoeren. De thans meer dan vijftig man sterke macht trok nu naar de plaats -van den heer Pieter van der Westhuizen. Hier gedroegen de kleurlingen zich zoo erg -mogelijk, want niet alleen dat zij Van der Westhuizen bonden, maar zij mishandelden -ook zijne vrouw op schandelijke wijze, en gingen zich te buiten aan den drank die -zij in de kelders vonden. -</p> -<p>Na nog twee plaatsen te hebben bezocht, waar zij heel wat versterking ontvingen, werd -de bende door hun aanvoerder Louis verdeeld in twee gedeelten, <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>één waarvan onder zijne aanvoering bleef, en de andere onder het gezamentlijk bevel -van twee slaven Adonis en Jonas werd gesteld, waarop elke bende toen zijns weegs ging, -nadat men afgesproken had, dat men elkander weder op een zekere plek zou ontmoeten, -om vereenigd daarvandaan naar Kaapstad op te trekken, dat men dan hoopte te overvallen -en te veroveren. -</p> -<p>Ik kan niet hier al de plekken opnoemen die door deze woestelingen werden bezocht; -genoeg zij te zeggen dat zij op niet minder dan 34 plaatsen in het tegenwoordige Koeberg -en zuidelijk gedeelte van Zwartland geweld pleegden, altijd dezelfde storie herhalende, -namelijk dat zij handelden op last van den Gouverneur en den Fiskaal, waardoor zij -niet weinige aanhangers kregen, die anders zeker zouden geaarzeld hebben om tegen -hunne meesters op te staan. Bloed werd er gelukkig in dezen opstand niet vergoten; -de weerspannige slaven bepaalden zich tot het knevelen hunner heeren in de meeste -gevallen, het stelen van goederen, voornamelijk van ammunitie, geweren, kleederen -en dergelijken, en het wegvoeren van paarden en wagens. Het gebeurde met jufvrouw -Van der Westhuizen was een der ergste daden, maar dat was ook inderdaad erg genoeg; -daarnaast kwam het gebeurde op Drooge vallei, de plaats van den <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>heer Adriaan Louw, een ouden man van over zeventig jaar, die in het algemeen zeer -goed voor zijne slaven was geweest, hetgeen echter niet belette dat men hem allergruwelijkst -mishandelde door hem bij de haren rond te slepen, met de kolf van een geweer te slaan, -en hem meer dood dan levend te laten liggen op de plaats van den heer Hendrik van -Niekerk. -</p> -<div class="figure p213width"><img src="images/p213.jpg" alt="„... dat men hem allergruwelijkst mishandelde...” (Blz. 213)." width="509" height="720"><p class="figureHead">„… dat men hem allergruwelijkst mishandelde …” (Blz. 213).</p> -</div><p> -</p> -<p>Ten laatste kwamen de twee troepen bij elkander in de buurt van Blauwberg vallei, -en hierop brachten zij een bezoek aan nog eenige plaatsen, totdat zij bij die van -Hendrik Prehn waren gekomen. Tegen dezen tijd hadden de boeren echter kennis gekregen -van hetgeen aan den gang was, en bij den heer Prehn waren de opstandelingen aan het -verkeerde kantoor, want toen zij daar hunne gewone streken wilden uithalen, werden -zij door Prehn met een schot hagel begroet, die wel niemand hunner wondde, maar hun -toch zoodanig den schrik op het lijf joeg, dat zij haastiglijk het hazenpad kozen, -zonder in staat te zijn geweest om eenig kwaad te doen. -</p> -<p>De tijding van hetgeen er in Zwartland gebeurde had tegen dezen tijd de Kaapstad bereikt, -en de Gouverneur nam dadelijk stappen om aan dit grapje een einde te maken. Eenige -sterke detachementen infanterie en kavalerie trokken dadelijk de Kaapstad <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>uit in de richting van Zwartland, en ontmoetten tot hunne niet geringe verbazing de -slaven wier getal toen bijna 350 bedroeg, even aan den anderen kant van Zoutrivier, -zijnde de opstandelingen werkelijk op weg om naar de Kaapstad te rukken, met het heilig -voornemen deze stad te veroveren. Men kan zich echter begrijpen dat de slaven niet -weinig verbaasd waren, toen zij zich tegenover de troepen bevonden. Hun moed, zoowel -als die van hunne aanvoerders zonk hen in de schoenen, en zonder slag of stoot gaven -zij zich gevangen. Louis en vier anderen ontsnapten echter, doch werden reeds den -volgenden dag achterhaald, en naar de gevangenis vervoerd. -</p> -<p>De Fiskaal ging nu een onderzoek in de zaak instellen, en dit nam hem natuurlijk vrij -wat tijd, aangezien het aantal getuigen zeer groot was, en het van belang was, om -uittevinden wie de hoofdmannen van de beweging waren geweest en wie er een werkdadig -aandeel hadden genomen. Het bleek spoedig dat een groot deel der slaven werkelijk -door de praatjes van Louis en anderen waren misleid, en inderdaad geloofden dat met -het gevangen nemen van hunne meesters zij de bevelen van de autoriteiten uitvoerden. -Tweehonderd en vier en veertig slaven werden dus niet verder gestraft dan met een -geweldige schrobbeering van den Fiskaal, en daarop <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>ontslagen, met eene waarschuwing er bij dat als zij weer zoo lichtgeloovig waren, -zij er zeker niet zoo gemakkelijk zouden afkomen, en daarop werden zij aan hunne vorige -meesters overhandigd, die hen waarschijnlijk privaat hun gedrag op wat meer gevoelige -wijze onder het oog brachten. Een en vijftig der oproerlingen echter werden door den -Fiskaal in staat van beschuldiging gesteld, en voor het Hooge Gerechtshof gebracht, -dat op den 7<sup>den</sup> December 1808 vonnis gaf. Louis, Hooper, Kelly, Abraham, Adonis, en nog elf anderen -werden door het hof ter dood veroordeeld, een groot aantal der gevangenen tot vele -jaren gevangenis straf gedoemd, terwijl weer anderen gevonnisd werden tot het bijwonen -der executie der ter dood veroordeelden, daarna te worden gegeeseld en ten slotte -aan hunne meesters te worden overhandigd. De Gouverneur, die deze vonnissen moest -bekrachtigen, wijzigde eenige er van, met gevolg dat Louis, Hooper, Abraham, Cupido -en Jephta werden gehangen, en de meesten der anderen tot dwangarbeid werden veroordeeld. -Het vonnis over Kelly, en Adonis werd, voor zekere mij onbekende redenen geschorst, -tot dat men advies omtrent hen had gekregen uit Engeland, en terwijl ik dit schrijf -zitten zij in de gevangenis hun lot aftewachten. -</p> -<p>Het is voor mij een merkwaardig feit, dat in het <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>geheele tijdperk der Hollandsche regeering aan de Kaap, er nooit een opstand onder -de slaven was, en dat niettegenstaande er toch heel wat schorremorrie in het land -kwam in den vorm van ontslagen soldaten en matrozen, vele waarvan zeer nauw met de -kleurlingen verbonden waren, daar dat soort van volk zich niet ontzag om op hunne -manier slaven meiden te trouwen. De slaven werden over het algemeen vrij goed door -hunne meesters aan de Kaap behandeld, en hoewel ik wel bekend ben met bijna deze geheele -volkplanting, herinner ik mij slechts zeer weinig gevallen van meesters die hunne -slaven mishandelden, en zulke daden vonden dan ook algemeen afkeuring bij de bevolking. -Natuurlijk liep men niet om elk bagatelletje naar den Landdrost, schoon dit een voorschrift -van de regeering was; in de meeste gevallen gaf de baas, als zijn slaaf het verbruid -had, hem zelf een degelijke loesching, en dit deed hun goed, maar daarmee was de zaak -dan ook gewoonlijk afgeloopen. Maar nu wij nog maar een paar jaar onder Engelsch bestuur -zijn, hebben wij reeds een opstand der slaven, en uit de zaak blijkt maar al te duidelijk, -dat het denkbeeld er van ontstaan is bij een Engelschman, schoon hij, zoowel als de -andere blanke, <span class="corr" id="xd31e1884" title="Bron: ingelijks">insgelijks</span> een Engelschman, geen moed hadden om het plan ten uitvoer te brengen. <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>De zaak op zich zelve is al leelijk genoeg, maar ik vrees dat ze nog andere leelijkere -gevolgen zal hebben, want het zou mij volstrekt niet verwonderen, of men zal het voorbeeld -van den heer Barrow volgen, en beweren, dat de opstand veroorzaakt werd, door het -feit, dat de boeren hunne slaven zoo wreed behandelden, want sedert de heer Barrow -zijn boek heeft doen verschijnen, is het in Engeland de gewoonte geworden om den Afrikaanschen -Boer als een laag, wreed beest aantezien, wiens grootste plezier het is om menschen -en dieren te mishandelen. Men leze maar eens de mooie verhalen, die gemelde heer doet -omtrent de wijze waarop de boeren hunne ossen behandelen. ’t Is een diep treurig ding -dat de Afrikaner aldus miskend en belasterd wordt bij het volk dat de heerschappij -over hem voert, en men weet waarlijk niet waar deze veldtocht van leugens zal eindigen, -en welke ongelukkige gevolgen zij voor dit land kunnen meeslepen. -<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK XII." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK XII.</h2> -<h2 class="main">Jan van Eck krijgt bezoek, en hoort heel wat nieuws.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ouderdom komt met gebreken, is een waar woord, en ieder mensch <span class="corr" id="xd31e1897" title="Bron: ondervind">ondervindt</span> op de eene of andere manier deze waarheid, sommigen in meerderen, anderen in minderen -graad. ’t Is negentien jaren geleden, dat wij voor het eerst kennis hebben gemaakt -met Jan van Eck, en hij was toen blijkbaar nog een flinke man, die in alle geval sterk -genoeg was om in het jaar 1795 de wapenen ter verdediging van zijn land op te nemen, -en daarbij niet weinig driftig van aard was. Maar de Jan van Eck, dien wij gaan bezoeken -op den 1<sup>sten</sup> Juli 1811 is een <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>geheel ander man, op wiens gezicht de tijd diepe sporen heeft gelaten, en niet de -tijd alleen, maar ook diep zieleleed. Er zijn menschen die met het grootste gemak -zich kunnen schikken in de veranderingen van het leven, en die zich door geen omstandigheden -hoegenaamd uit hun gewonen levensaard laten leiden. Jan van Eck was zulk een man echter -niet. Hij was bepaald wat men zou kunnen noemen „aantrekkelijk”; als er iets hem hinderde, -kon hij dat niet gemakkelijk vergeten, en het was hem zeer moeielijk om zich zelfs -in het onvermijdelijke te schikken. Nooit kon hij vergeten, dat hij thans in een land -woonde, dat veroverd was door eene natie, welke hij haatte; nooit raakten de tijden -van den Hollander uit zijn geheugen; hij wilde bij zich zelve niet erkennen dat er -niets te doen was aan de bestaande positie; nog steeds hoopte hij dat er iets zou -gebeuren, dat ten gevolge zou hebben, dat de Engelschman dit land zou moeten verlaten. -Zoo gij hem gevraagd hadt, wat dat iets was, dan zou hij wellicht u geen voldoend -antwoord hebben kunnen geven, maar zou gezegd hebben dat er in zijn hart een gevoel -was, dat hem zeide dat er spoedig een dag zou komen, waarop de Engelschman de door -hem gewonnen prooi zou moeten prijsgeven. Of hij die dag nog zou beleven, dat betwijfelde -hij wel <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>een beetje maar toch was het een vurige hoop zijns harten om dit te kunnen doen. -</p> -<p>Het was vrij laat in den middag, omtrent half vijf, toen Van Eck voor de deur van -zijn huisje zat, op een gemakkelijke ouderwetsche leuningstoel, dat er wel wat naar -een erfstuk uitzag, zoo had de tand des tijds er aan geknaagd; hier en daar kon men -zien hoe met koperdraad en met riempjes de barsten in het hout waren hersteld, waarschijnlijk -door Van Eck zelf; een der voorpooten van de stoel had oogenschijnlijk het ongeluk -gehad om te breken, en was weer een weinig in orde gemaakt door een koper plaatje, -dat er netjes aan bevestigd was. De zon was juist aan het ondergaan, en zooals meermalen -het geval is in den winter op het Kaapsche schiereiland, werd het reeds dadelijk kil, -en begon er een zware dauw te vallen. Van Eck wilde dan ook dadelijk aanstalten maken -om naar binnen te gaan, want hij had van dezen winter de koude meer gevoeld dan hij -ooit te voren had gedaan, en hij was dus voorzichtig, daar hij zeer goed wist dat -een zware kou op zijn leeftijd geen grapje was. Juist was hij opgestaan en wilde hij -den ouden jongen roepen om hem te zeggen de stoel naar binnen te brengen, toen een -man eenigszins haastig op de hut kwam afstappen, van uit de richting van Kaapstad. -<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>Het was iets buitengewoons dat onze oude vriend tegenwoordig bezoeken in den avond -ontving, en hij was dus wel eenigszins verbaasd om dezen man direkt op hem te zien -afkomen. Deze, een flink uitgegroeid jonkman van omtrent vier en twintig jaar stapte -dan ook recht op den heer Van Eck af, groette, en zeide toen: -</p> -<p>„Wel, Oom Jan, dit lijk amper of Oom mij niet meer ken”. -</p> -<p>De oude keek den nieuwen aankomeling scherp aan, doch scheen zich zijn gelaat niet -te binnen kunnen brengen, zoodat hij dan ook antwoorden moest: -</p> -<p>„Jou gezicht kom mij bekend voor, neef, maar ik kan rechtig nie op jou naam kom nie”. -</p> -<p>„Ik is Jan Botha, Teunis Botha zijn zeun, Oom”, hernam de jongeling. -</p> -<p>„Mijn machtig, Jan,” riep Van Eck verbaasd uit, „wat kom jij hier maak? D’ is daarom -nie een wonder nie, dat ik jou nie ken nie, want d’ is nou vijf jaar wat ik jou die -laatste gezien het, en jij is een tamaai kerel geword. Jij is zeker ook al getrouwd?<span class="corr" id="xd31e1917" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Neen, Oom,<span class="corr" id="xd31e1921" title="Niet in bron">”</span> zeide Jan Botha lachend<span class="corr" id="xd31e1923" title="Bron: ”, ">, „</span>daar is op die oogenblik nog te veel werk op die plaats voor mij, om nou al om trouw -te denk. Pa zeg ik kan nog maar een beetje wacht.” -</p> -<p>„Kom binnen, kerel, kom binnen, dit is te koud <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>voor mij om hier buiten te staan, nou die zon onder is”, vervolgde van Eck, terwijl -hij zijn bezoeker voorging, en toen men binnen was, dezen een stoel gaf. -</p> -<p>„Vertel mij nou mooi al die nieuws uit jullie wereld, Jan. Hoe gaat dit met jou pa, -en met jou ma? Hoe lijk die wereld bij jullie. Plaag die kaffers nog banja voor jullie?<span class="corr" id="xd31e1933" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Jan Botha wist niet hoe om al die vragen op eens te beantwoorden, maar begon met te -zeggen dat het nog vrij goed met zijne ouders ging.<span class="corr" id="xd31e1937" title="Bron: ” "> „</span>Maar ons woon nou op die oogenblik nie meer nie op Keurfontein, Oom,” vervolgde hij. -</p> -<p>„Wat?”, vroeg Van Eck,<span class="corr" id="xd31e1942" title="Bron: ” "> „</span>jij wil toch nie zeg nie, dat jou pa die mooie plaats verkocht heeft?<span class="corr" id="xd31e1945" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Nee, pa het nog die plaats, maar ons was verplicht om die plaats te verlaat, want -die Kaffers het vlak bij ons gaan woon, en hullie was zoo parmantig, en brutaal, dat -pa niet meer kans het gezien om daar te blij nie. Ons het tweemaal aan die Landdrost -gevraagd om ons te bescherm, maar hij het aan pa laat weet, dat hij niets kan doen -nie, want die Gouvernement wil nie oorlog maak met die Kaffers nie, en zonder oorlog -zou ons die Kaffers nie weg krij nie”. -</p> -<p>„Die Engelschen is beduiveld, Jan”, riep Van Eck <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>woedend uit,<span class="corr" id="xd31e1952" title="Bron: ” "> „</span>hullie is te vrot om die land te verdedig, en die arme boeren moet daaronder lij. -Ik zeg ver jou, Jan, die ding zal nog verkeerd kom in jullie wereld.” -</p> -<p>„D’ is wat pa ook zeg, Oom; ons zal nie rust hè, voor ons die Engelschman uit die -land het uitgejaag. Dit lijk maar naar daar bij ons.” -</p> -<p>Van Eck bleef een oogenblik het stilzwijgen bewaren, en bood aan Jan Botha zijn tabakzak -aan waarop hij zeide: -</p> -<p>„Toe nou, kerel vertel mij nu alles mooi, hoe dit gekom is, want ik is rechte nieuwsgierig -om te hoor hoe het met mijn oude vrienden gaat. Zooals jij weet was ik groote vrienden -met je pa, en toen die verflakste Engelschen hem hier bijna drie jaar op die kasteel -het laat zit, het ik banja keer die ouwe gaan zien, en hem in zijn droefheid getroost, -zoo goed ik kon. Kerel, dat was een blijde dag toen hullie die ou-baas los gelaat -het. Maar arme Oom Adriaan het die Engelschen in die Kasteel vermoord, kan een mensch -maar zeg. Die arme ou man kon die nattigheid, en die ongezonde onderaardsche kerkers -niet staan, en hij is aan een kwaal overleden. Die Heere zal nog een dag die Engelschman -voor die ding straf, al mag dit misschien honderd jaren duren.” -<span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span></p> -<p>De lezer zal waarschijnlijk wel begrijpen dat Van Eck hier doelde op de ongelukkigen -die deel hadden genomen aan den opstand te Graaff-Reinet in 1799. Jans Botha’s vader, -Teunis Botha, was een der voormannen geweest in dien opstand. Hij woonde toen op Keurfontein, -een plaats niet ver van het tegenwoordige Port Elizabeth gelegen, en het was hij die -een tijdje lang kommandant was van de Boeren die toen de Engelschen hadden moeten -beletten om in Algoabaai te landen, doch dit mislukte omdat er geen eensgezindheid -onder de opstandelingen was, en zij bovendien vreesden om door het leger van Generaal -van de Leur, dat van uit den kant van Swellendam kwam, van Graaff-Reinet te worden -afgesneden. Teunis Botha was toen gevonnisd geworden om op het schavot te worden ten -toon gesteld, met een zwaard over zijn hoofd gezwaaid als teeken dat hij den dood -had verdiend, en daarop uit de kolonie levenslang te worden verbannen. Het eerste -gedeelte van het vonnis werd werkelijk uitgevoerd, maar hij werd niet uit de kolonie -verbannen doch gevangen gehouden totdat hij met de anderen werd ontslagen, toen in -1803 de Hollanders weder in het bezit der kolonie werden gesteld. Het is nauwelijks -noodig te zeggen dat deze gebeurtenis een diepen indruk had gemaakt op den Graaff-Reinetschen -boer <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>en dat hij zoowel als zijne familie een diepen wrok in het hart koesterden tegen de -Engelschen, en gedurig op wraak zonnen. Ook de jonge Jan had een geweldigen haat tegen -de Engelschen, en de gedachte dat zijn vader jaren lang in de vunzige kerkers van -het Kaapsche Kasteel had gelegen, maakte hem steeds de tanden knersen. Jan van Eck -had vele jaren geleden kennis gemaakt met den ouden flinken boer uit Graaff-Reinet, -en was vol bewondering geweest voor diens vaderlandsliefde, en zucht naar vrijheid, -en door hem was hij bekend geraakt met den toestand van zaken in de Oostelijke distrikten, -waar er toen reeds moeilijkheden met de Kaffers op handen waren. Teunis Botha, een -man die de kleurlingen goed kende, had reeds toen gezegd, dat als men de grensboeren -hun zin gaf, en ze toeliet om op hun eigen manier de Kaffers te bevechten, zij spoedig -een einde zouden maken aan de tyrannie van het zwarte ras, en waarschijnlijk had hij -daarin gelijk. Toch in die dagen was de Kaffer nog niet bekend met de uitwerking van -de vuurwapens der Europeanen, en wist hij dat hij over geene andere wapens kon beschikken -dan over zijn assegaai en zijn schild, zijn pijl en zijn boog. Waren de boeren toen -den kleurling op flinke wijze te lijf gegaan, en waren zij er in geslaagd hem flink -te verslaan, dan <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>had de Kaffer ongetwijfeld een groot respekt voor den blanke gekregen, en zou hij -voor dezen op den duur pad hebben gegeven, zoodat de Europeaan dan in het bezit zou -zijn gekomen van het prachtige land dat toen, en gedeeltelijk nu nog door de Kaffers -was bewoond; want het lijdt geen twijfel of de Kaffer zou weder getrokken zijn naar -de noordelijke streken waar hij oorspronkelijk van daan was gekomen. De geschiedenis -van Zuid-Afrika zou dan geheel veranderd zijn geweest, en heel wat van het bloed dat -in de vele kaffer oorlogen is gevloeid, zou dan gespaard zijn gebleven. Maar de ongelukkige -politiek der Engelsche regeering die nooit heeft willen luisteren naar de mannen die -bekend waren met den waren toestand van zaken, is de oorzaak geweest dat de dingen -verkeerd liepen, en dat nog heden de inboorlingen kwestie de groote levenskwestie -voor dit land is, en Zuid-Afrika nooit zal wezen wat het behoort te wezen, voor dat -die kwestie, hoe dan ook, uit de wereld is gemaakt. -</p> -<p>Doch dit is slechts terloops gezegd. -</p> -<p>Jan Botha voldeed aan het verzoek van den ouden heer en begon te vertellen als volgt: -</p> -<p>„Oom weet dat die Kaffers aan onze oostelijke grenzen voor hullie zelve die naam van -Kosas geef. Hullie het jaren geleden een groot opperhoofd gehad <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>wat Raraba genaamd was, maar onder Raraba zijn kleinzoon is daar ruzie onder die Kaffers -ontstaan. Hintsa wordt gerekend als die groot kapitein van die algemeene Kosa stam, -maar hullie is verdeeld in een aantal kleinere stammen, en een van die voornaamste -daarvan is die Gaikas, wat zoo genoemd wordt naar die opperhoofd Gaika. Een oom van -Gaika, Niambe, of Slambi zooals ons hem noem, is begeerig om die hoofd van die Gaika -stam te word en hij het een grooten aanhang, alhoewel dit schijnt dat die Engelschen -Gaika erken als die hoofd van die stam. Nou is daar gedurig oorlog tusschen die volk -van Gaika en die volk Niambe. Een ander kapitein wat ook grooten invloed het, is Cungwa, -en hij is die lastigste van almaal. D’is hij wat over die Kei het getrek, en nou tusschen -die wit menschen inwoon; hij is al glad zoover gekom als die Langkloof. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>In October 1809 het die Engelschen probeer om Cungwa uit die land te laat gaan; hullie -het hem een stuk grond bij die Kaap aanpresenteer, maar hij wou dit niet neem. Cungwa -het toen daarom beloof dat hij zal teruggaan over die Vischrivier, maar hij is in -plaats daarvan naar die Zondagsrivier gegaan, en toen begon die lieve leventje. Hij -het zijn kaffers links en rechts uitgestuur om te plunder en te rooven, en hij doet -nu net wat hij wil. Een <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>heele partij van die menschen wat aan die westekant van die Vischrivier woon, is al -verplicht gewees om hullie plaatsen op te geef, want die kaffers plunder en steel -zoo vreeselijk dat dit glad nie meer veilig is, en als een mensch naar die gestolen -goed wil zoek, is hullie zoo parmantig dat dit makkelijk leelijke dingen kan afgeef. -Die Engelschen het daarenboven die ding glad voor ons menschen bederf. In die vroeger -dagen het een boer als hij goed verloor het, zelf daarnaar loop zoek, en zelfs al -was dit door die Kaffers gesteel, het hij dit dikwijls teruggekrijg, omdat ons menschen -weet hoe om met die Kaffers te werk, en die Kaffers nog een beetje respekt voor die -boeren het. Maar om een Engelschman geef hullie glad nie, zooals dit lijk; en die -gouvernement is bang om een oorlog met die Kaffers te maak, en dit weet die zwarte -duivels. Die gouvernement het nou een nieuwe regel gemaakt dat als een man vee verloor -het, hij dit aan die veldkornet moet rapporteer, wat dit weer aan die landdrost rapporteer, -en die laat dan naar die vee zoek. Maar Oom kan begrijp dat tegen die tijd wat die -landdrost menschen uitstuur om die vee te gaan zoek, dan is die vee al zoover Kafferland -in, dat daar glad nie kans is om dit terug te krijg. Daarenboven gebruik die gouvernement -die Hottentot <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>soldaten om naar die vee te zoek, en dit lijk al te banja alsof die Hotnots kop in -één muts is met die Kaffers, en op die manier krijg die arme boer nooit zijn vee terug. -Als dit nog een beetje zoo aanhou, dan zal al ons menschen verplicht wees om die plaatsen -in die Zuurveld en zelfs in die Zwartruggens te verlaat, en dan krijg die vervlakste -Kaffers die mooiste stuk van die land, en moet ons boeren zie hoe hullie klaar kom. -Die menschen word nou rechtig ontevree, want hullie reken d’is die gouvernement zijn -schuld dat die ding zoo verkeerd loop, want als die regeering van die staanplek af, -flinker was geweest, en ons menschen had opgeroep om een kommando op te maak, dan -had ons die Kaffers gauw uit die wereld uitgejaag. Ons hoor, Oom, dat die Engelsche -zendelingen wat nou onder die Kaffers werk die partij van die Kaffers neem. Hullie -zeg dat die land eerst aan die Kaffers het behoor, en dat ons dit van hullie afgeneem -het, en nou maak hullie uit, dat dit die plicht van die regeering is om die land aan -die Kaffers terug te geef. Daar is een zendeling Read, Oom, een maat van die oû vuilnis, -van der Kemp, wat net als een Hottentot leef, en zwart vrouwens het; die Read is een -man wat die boeren vreeselijk haat, en die zwart volk tegen hullie opstook; en nou -is daar een Dr. Philip gekom, Oom, <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>wat net zoo verrot is, en dit lijk alsof hij die baas van die klomp zendelings is. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Die gouvernement is bang voor die zendelings, zooals dit lijk, want als een zendeling -hem eenmaal met een ding het bemoei, is daar nie meer kans voor die boer om recht -te krijg, en die landdrosten is nou zoo partijdig voor die volk dat een mensch net -voor niks bij hullie gaat klaag nie. Die menschen word rechte onstuimig, en daar is -partij wat grof begin te praat. Pa zeg, dat als die Engelschman nie ophou, daar leelijke -dingen op die grenzen zal gebeur.” -</p> -<p>Jan van Eck had dit vrij lange verhaal zwijgend aangehoord, maar men kon het hem aanzien -dat hij niet een beetje kwaad was. Toen Jan Botha klaar was, bleef de oude man nog -een tijdje lang in gedachten verzonken; toen zeide hij: -</p> -<p>„Jan, jullie kerels op die oostelijke grenzen is toch zeker fluks genoeg om die Engelschen -daaruit te jaag. Of als jullie dit niet wil doen nie, waarom maak jullie dan nie zelf -een kommando van jullie menschen op om die kaffers uit die Zuurveld te jaag. Die land -is jullie zijne, en in die oude dagen was daar glad nooit kaffers. Daar het, geloof -ik, in die oude dagen een Hottentot stam daar gewoon, maar hullie was rondzwervende -volk, wat van daag hier <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>en morgen daar was. Ons het die land in bezit geneem in die dagen van die Compagnie -en die Engelschen is gek als hullie denk dat hullie jullie daaruit kan jaag”. -</p> -<p>„Tegen die Engelschen kan ons niks nie maak nie, Oom,” zeide Jan Botha, „ons menschen -is te ongelijk; partij van hullie is aan die Engelsche kant omdat hullie geld uit -die Engelschen maak en daar is nog al van ons voormannen, zooals kommandant Jan Nel, -wat altijd preek dat ons maar geduldig moet wees, en gehoorzaam aan die regeering. -En tegen die Kaffers kan ons ook niks begin nie, want die gouvernement zal ons nie -kruit en lood geef om op kommando te gaan, en zonder ammunitie kan ons natuurlijk -niks begin nie.” -</p> -<p>„Ja, Jan, dit is een ongelukkige ding dat ons Afrikaners zoo ongelijk is; in 1799 -met die opstand van Adriaan van Jaarsveld en jou pa, was dit net zoo die geval; als -die menschen in Graaff-Reinet en Swellendam toen almaal gelijk getrek het, dan was -die ding glad anders gekom. Maar die één het dit gewil, en die ander dat; die één -wou nie onder die orders van die ander staan, en omdat ieder net zijn eigen kop het -gevolg en zijn eigen belang getrek het voor die belang van die land, het <span class="corr" id="xd31e1993" title="Bron: die die">die</span> ding verkeerd geloop, en kon daar niks nie gedaan word. <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>Daar zal nog banja water in die zee moet loop<span class="corr" id="xd31e1998" title="Bron: .">,</span> voor ons menschen leer, dat als ons iets groots wil tot stand breng, ons saam moet -werk, en als één man bij malkaar moet staan.” -</p> -<p>„D’is zeker waar, oom,” vervolgde Jan Botha, „maar dit zal nog lang neem voor ons -zoover is. Op die oogenblik speel die Engelschen heeltemaal die baas, en die zendelingen -is op <span class="corr" id="xd31e2003" title="Bron: Graaff Reinet">Graaff-Reinet</span>, en bij Bethelsdorp vreeselijk in die weer. Ik hoor dat hullie bezig is om een heele -lijst van beschuldigingen intebreng tegen een spul van onze menschen wat hullie beschuldig -van hun volk slecht te behandel. Die boeren, zeg hullie, is die wreedste natie op -die wereld, en as een mensch die gekke praatjes hoor wat hullie vertel, kan een mensch -amper lach. Verleden maand vertel een man uit Swellendam mij, dat hij van een van -die zendelingen gehoord het, dat daar boeren vrouwens is, wat hullie meiden straf -door hullie kokende water over die kop te gooi, en dat een vrouw zelfs een kaffer -in een pot kokend water het laat gooi, omdat hij niet wou doen wat zij ver hem gezegd -had. Ook dat een van onze voornaamste boeren een Hottentot zoolang met een sjambok -het geslaan dat hij er dood van bleef, en toen het hij hem stilletjes begrave, omdat -hij bang was dat die menschen dit zou uitvind. Hij en die Hottentot, zoo vertel die -<span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>zendeling, was alleen, en als die Hottentot dan dood en begraven is, dan wil ik wel -weet wie die storie onder die menschen vertel het, of die boer moet dit zelf gedaan -het.” -</p> -<p>„Dit bewijs wat een leugen dit is”, zeide van Eck lachend, „want als die boer dan -zoo bang was dat die menschen dit zou uitvind, dan zal hij dit toch nie zelvers gaan -vertel nie. Maar, jong, die goed lieg zoo, dat hullie dit zelf geloof. Die waarheid -is, dat die zendelings staties niks anders is nie, dan een legplek voor al die niksnutsige -volk, wat van hullie bazen weggeloop het of niet wil werk nie, en dit banja lekkerder -vind om op die statie te leg, en die boer zijn vee te steel. Hullie gaat iederen dag -naar die kerk toe, en om in die gunst van die zendelings te geraak, vertel hullie -die arme onnoozele Engelschen allerlei leugens, en die zendelings is zoo dom dat hullie -dit alles geloof, of anders is hullie zoo laag, dat al geloof hullie dit nie, hullie -toch te blij is om zoo iets te hoor, want dan het hullie alweer een wapen tegen die -boeren, wat hullie zoo haat. Ik het indertijd gezegd dat dit een fout was van generaal -Janssens om die zendelings zoo te bescherm, en aan van der Kemp en Read die plek bij -Bethelsdorp te geef. Als die regeering die Moravische broeders, wat in Genadendal -is, ondersteuning <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>had gegeven, zou dit veel beter zijn geweest, want hullie leer die volk om behoorlijk -te werk en stook hullie nie op nie tegen hullie bazen zooals die andere zendelings -doet. Maar die zendelings van die Londensche genootschap is een ware pest voor die -land, en die zoogenaamde christelijkheid wat hullie die Hotnots leer, is eerder die -leer van die Satan dan die leer van Christus.” -</p> -<p>„D’is nie alleen met die hotnots wat die zendelings in Bethelsdorp mee werk, oom,” -zeide Jan Botha weer,<span class="corr" id="xd31e2014" title="Bron: ” "> „</span>onder die baar Kaffers is hullie net zoo bezig. Daar is Tshatsu, een van die kapiteins -wat ons menschen net banja lastig val in die Zuurveld, met hem is hullie ook al bezig -geweest, en nou is zijn oudste zeun dan kamma in die school te Bethelsdorp, en hullie -zeg dat die arme bare kaffer nou een bekeerde christen is.” -</p> -<p>„Ja,” hernam Van Eck lachend, „die soort van stories hoor een man meer van zendelings, -maar ongelukkig wijs die bekeerlingen dit nie altijd in hullie daden. Van een kaffer -in zulk een geval geldt die oude spreekwoord, „Een vos verander wel van haren, maar -niet van streken”. Maar misschien zal dingen nou beter word. Graaf Caledon is naar -Engeland terug gegaan, en ons krijg nou een generaal Sir John Cradock, als gouverneur -hier, en dit is te hopen <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>dat hij die Kaffers zal rechtmaak, want anders weet ik rechtig niet wat die menschen -op die grenzen moet begin.<span class="corr" id="xd31e2021" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>D’is waar Oom,<span class="corr" id="xd31e2027" title="Bron: „">” </span>zeide Jan Botha, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>zooals die ding nou is, kan dit niemeer blijf nie, en anders zal ons menschen verplicht -wees om uit die kolonie tetrek, en naar die binnenland te gaan, waar ons bevrijd zal -wees van die vloek der Engelsche regeering. Maar ik het lang, glad telang, hier zit -en praat, en mijn volk is alleen bij die wagen. D’is ouwe volk van ons, maar een mensch -kan een Hotnot nooit heeltemaal vertrouw nie, en hullie kan misschien allerlei soort -van kattekwaad uitvoer”. -</p> -<p>Met deze woorden stond Jan Botha op, groette den heer Van Eck minzaam, en schoon deze -hem uitnoodigde om het avondeten bij hem te gebruiken, weigerde Jan dit, en stapte -in de richting van Papendorp, waar zijn wagens uitgespannen waren. -</p> -<p>Jan van Eck bleef nog een tijd lang in gedachten verzonken zitten, toen stond hij -op en riep zijn oude jongen om het avondeten gereed temaken. Een half uur later was -hij, naar gewoonte bezig om zijn dagboek in te vullen, altijd zijn laatste werk vóór -hij ging slapen. -<span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch13.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="HOOFDSTUK XIII." width="560" height="117"></div> -<h2 class="label">HOOFDSTUK XIII.</h2> -<h2 class="main">Slot.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Er zijn nog maar weinige menschen aan het leven die zich den vreeselijken storm herinneren, -die op den 31<sup>sten</sup> Augustus van het jaar 1811 in Kaapstad woedde. Leven er misschien nog enkelen, die -in die dagen reeds oud genoeg waren om zooiets bemerkt te hebben, dan is het nog zeer -de vraag of zij zich dezen bijzonderen storm zullen herinneren, want stormen zijn -zoo gewoon op het Kaapsche schiereiland in den winter, dat de oude inwoners van de -Kaap er geen bijzondere attentie aan schonken, tenzij die gekenmerkt werd door het -vergaan van een aantal schepen, iets dat maar helaas, al te dikwijls <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>gebeurde in de dagen, toen de Tafelbaai nog open lag voor de verschrikkelijke golven -van den Oceaan, en er geen breekwater was, om die golven te keeren, zoodat de schepen -veilig onder de bedekking er van konden liggen, zooals zij thans doen. In de geschiedenis -boeken van de Kaapkolonie is dan ook geen melding gemaakt van dezen storm op gemelden -datum, en dat waarschijnlijk omdat juist toen, er geen enkel schip in Tafelbaai lag, -en de woedende elementen dus niet de gelegenheid hadden om hun wraak aan een enkel -schip te koelen. Er lagen wel eenige schepen in de baai Fals, maar deze baai was in -den winter een veel veiliger haven dan de Tafelbaai, omdat zij meer beschut was tegen -de Noordwester stormen die in den winter heerschen. Wij vinden echter in het dagboek -van Jan van Eck melding gemaakt van dien storm, en hij schijnt zeer erg geweest te -zijn, zooals mijne lezers uit dit laatste gedeelte van het dagboek zullen zien. -</p> -<p>Wat Van Eck schreef komt omtrent hierop neer. Reeds in den namiddag van den 30<sup>sten</sup> Augustus begon de Noordwesten wind te waaien, maar het was toen nog maar een lichte -bries, die geen ander effekt scheen te hebben dan dat zij uit het Noordwesten, zoowat -tusschen Robbeneiland en Houtbaai eenige wolken aan den gezichteinder deed oprijzen, -<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>die aantoonden dat er nog heel leelijk weer in dien hoek zat, wat niemand verwonderde, -want in Augustus is de winter nog lang niet over in het zuiden der kolonie, en zelfs -in October krijgt men dikwijls zeer zware regens en stormen. In den nacht wakkerde -de wind echter wat aan, en toen de goede Kapenaars den volgenden morgen ontwaakten, -was de lucht met lichte wolken overdekt, terwijl uit de zee ontzettende wolkgevaarten -kwamen aanzetten, met dien statigen tred, die een zware storm voorspellen. Zwarte -zware, donder koppen waren het eenigszins buitengewoon van vorm en kleur; zij waren -niet gewoon zwart, maar schenen een soort van blauwachtigen glans te hebben, en hier -en daar waren er tusschen hen eenige witachtige wolken, die zich op hun eigen houtje -tusschen de zwarte wolken bewogen, gedreven door eene luchtstrooming, die oogenschijnlijk -dichter bij de aarde was dan de wind die de zwaardere gevaarten voortstuwde. Naarmate -de dag voorbij ging, kwamen deze zwarte wolken nader, en tegen den avond zoowat omtrent -den gewonen zonsondergangstijd, (want de zon zelve was niet meer zichtbaar) was de -geheele Kaapstad in een blauwachtig, geheimzinnig waas gehuld, terwijl de wind nu -geheel was gaan liggen. Het was de stilte vóór den storm; een akelige, benauwde, angstwekkende -stilte, zoo doodsch <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>en zoo treurig, dat als men sprak men voor zijn eigene stem schrok. Alle menschen -zorgden dan ook om binnentijds in huis te komen, en zich daar veilig wanende, achter -de dikke muren hunner huizen, wachtten zij met eenigen angst den verderen loop der -zaken af. -</p> -<p>Het was even over zes ure, toen de natuur hare strijdkrachten scheen te hebben gemonsterd, -en plotseling zich tot den aanval gereed maakte. Een felle bliksemstraal kliefde de -lucht, en bijna op hetzelfde oogenblik kraakte er een geweldige donderslag, die de -stad tot in hare grondvesten scheen te doen beven. Dadelijk daarop verhief de wind -zich met ontzettend geweld, zoo erg, dat hij stukken schoorsteenen, en wat weggerukt -kon worden, door de straten slingerde, en dat onder een gehuil en een gesis dat iemand -hooren en zien deed vergaan. Steeds woedender werd het gebulder der elementen; en -daarmede vermengde zich nu het gedruisch der opgezweepte golven, die als brieschende -en schuimende paarden de baai binnen rolden en kletterend zich te pletter beukten -tegen de rotsen nabij het kasteel en het omringende zand. Kort daarop begon de regen -in stroomen neer te vallen, en werden de straten en wegen in ware rivieren herschapen, -terwijl de wind steeds bleef doorwaaien, en zelfs heviger scheen te worden. -<span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span></p> -<p>Jan van Eck was dien avond vrij vroeg in zijn huis gegaan, want ook hij had den storm -zien aankomen. Hij had juist zijn avondeten genuttigd, toen de storm losbrak, en dat -met zooveel geweld, dat zijn oude jong half bang werd, en de aanmerking maakte dat -dit leek alsof de wereld wilde vergaan, en dat een mensch kon bang worden dat die -wind die huis kon omwaaien, of de golven het konden wegspoelen. Maar de oude man lachte -om dit denkbeeld. Het huis, zoo zeide hij, was stevig gebouwd en had nog wel zwaardere -stormen doorleefd, en het was niet zeer waarschijnlijk dat de golven zoover het strand -zouden opkomen, al was in December 1809, toen er een aardbeving was geweest, de zee -tot zeer dicht bij het huis gekomen, maar misschien was dit een aardbevingsgolf geweest, -die altijd hooger drong dan de golven onder gewone omstandigheden. -</p> -<p>„Ga jij maar gerust slapen”, zeide hij tot den slaaf, en deze, die een onbeperkt vertrouwen -in zijn meester had, en hem nooit tegensprak, ging dan ook werkelijk zijn bed op de -gewone plek in de kombuis maken, want het huisje van Van Eck bestond slechts uit twee -vertrekken, een waarvan als woon<span class="corr" id="xd31e2062" title="Niet in bron">-</span> en slaapkamer diende, terwijl de andere als kombuis en bergplek diende. -</p> -<p>Toen de jongen in bed was, ging van Eck zijn <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>dagboek te voorschijn halen, en zette pen en inkt voor zich neder, zooals hij de laatste -twintig jaren steeds had gedaan. Wie op dat oogenblik zijn kamer was binnen gekomen, -zou nooit hebben kunnen droomen, dat daar buiten de elementen een hevigen strijd aan -het voeren waren, en dat wind, en regen met elkander in geweld wedijverden onder het -gedurige, en steeds sterker wordende gebrul en gedonder der golven, die thans berghoog -de baai kwamen binnen rollen, en zeker alle schepen in de baai zouden hebben doen -vergaan, zoo er eenige waren geweest. -</p> -<p>Jan <span class="corr" id="xd31e2070" title="Bron: Van">van</span> Eck was er niet de man naar om zich te bekommeren over dezen strijd, die daar buiten -aan den gang was; een meer dan vijf-en-twintig jaar leven aan Tafelbaai’s strand had -hem er aan gewoon doen worden, en het geloei van den storm en het gebrul der baren -was hem immer een soort van muziek geweest, die hem in den slaap suste, als ware het -een zoet gezang geweest dat moeder natuur voor hem, haar kind, zong. Doch dezen avond -was het den ouden man toch wonderlijk te moede; hij luisterde een tijd lang naar de -geluiden daar buiten, en het kwam hem voor alsof er dien avond iets bijzonders in -die geluiden was, iets dat hem vroeger nooit had getroffen. Zijne gedachten gingen -<span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>als van zelve terug naar de dagen van ouds, en zijn geheele leven ontrolde zich voor -zijne oogen als een onafgebroken tooneel, van af zijne prilste jeugd tot aan den tegenwoordigen -tijd. Hij zag weder de goede oude dagen, toen er hier in de kolonie een oprecht en -rechtvaardig man aan het hoofd van zaken stond, een man zooals men sedert hem niet -had gezien; Rijk Tulbagh, de vader des volks, de man die niet <span class="corr" id="xd31e2075" title="Bron: allen">alleen</span> belang stelde in de welvaart van de volkplanting in het algemeen, maar die zich ook -het lot van iedere klasse, en men zou bijna kunnen zeggen van ieder individu in de -kolonie aantrok. En toen ontrolde zich één voor één de verdere tooneelen van de geschiedenis -der Kaap; hij zag de zaken achteruit gaan onder onverschillige en onbekwame gouverneurs; -de Compagnie in den uitersten geldnood verkeeren, en trachtende om uit de kolonie -te zuigen wat er te zuigen viel, ten einde toch maar in staat te zijn het hoofd boven -water te houden. En toen zag hij ten slotte de eerste verovering van de Kaap door -de Engelschen, en zich zelven met geweer en kruit en kogeltasch staan bij het strand -aan Muizenberg; hij streed nog eens den slag van Muizenberg over, en het rood der -schaamte kleurde zijn gelaat als hij dacht, hoe de volkplanting toen schandelijk verraden -was, door hen aan wien <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>het bestuur en de bewaking er van waren toevertrouwd. Toen volgde eenige treurige -jaren, jaren van vreemde heerschappij; die jaren die door mannen als Adriaan van Jaarsveld, -Teunis Botha en anderen werden doorgebracht in de vunzige, ongezonde kerkers van het -Kaapsche kasteel, waar zij bleven totdat er een beteren tijd naderde, en de Hollandsche -driekleur weder fier van de tinne van het kasteel wapperde. Welke tijden waren dat -toen, en wat hadden zij niet beloofd? Maar die hoop was op grove wijze teleurgesteld, -de oorlog brak weder uit, en de Britsche Leeuw, ergerlijk dat hij reeds éénmaal zijn -prooi had moeten loslaten, sloeg weder den klauw op de kust van Zuid-Afrika. Weer -woei het kruis van St. George aan de Tafelbaai, en het scheen bijna alsof zij daar -zou waaien totdat de dag des doems de dooden in hunne graven zou doen ontwaken, en -er een andere Vorst over de aarde zou regeeren, dan de zwakke monarchen dezer wereld. -</p> -<p>Al denkende over al deze gebeurtenissen, die zich voor zijn oog ontrolde, greep Jan -van Eck, de laatste der oude Afrikaners van het Westen, de pen, om, vóór hij zich -ter ruste begaf, nog zijn dagboek bij te werken. Hij begon: „Buiten loeit de storm, -zoo erg als ik hem nog nimmer gehoord heb; binnen in mijn hart, woelt en stormt het -van gedachten. Arm Kaapland, <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>wat zal van u worden? Welke tooneelen zal men hier aanschouwen binnen de volgende -honderd jaren? zal er éénmaal een dag komen wanneer.…<span class="corr" id="xd31e2084" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Hier houdt het dagboek plotseling op, en na het woord „wanneer”, of liever er vlak -onder, ligt een groote inktvlak. Wat is er met den schrijver gebeurd? Die vraag heb -ik mij zelven zoo dikwijls gesteld, en er toch nooit eene behoorlijke oplossing van -kunnen vinden. Dat het huisje van den ouden man op diens hoofd door den storm vernield -is, komt mij onder de omstandigheden zeer onwaarschijnlijk voor. Want ten eerste schijnt -hij tijd gehad te hebben om zijn dagboek weg te sluiten in de kist waarin hij die -gewoonlijk bewaarde, en de kist zelf behoorlijk te sluiten. Ten tweede is er geen -spoor te vinden van zijn lijk, en in de kerkboeken van de Hollandsche Kerk te Kaapstad -heb ik te vergeefs gezocht naar iets omtrent zijn dood of begrafenis. Misschien dat -het gebouw werkelijk aan het wankelen is geraakt en dat Van Eck het verliet, om op -de eene of andere wijze zijn leven te redden, doch dat de woeste baren hem hebben -uitgenomen, en hij in de Tafelbaai zijn dood vond? Doch waarom ons in zulke gissingen -verdiept? De golven van den oceaan weten hunne geheimen te bewaren, en de grafgezangen -door hen <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>over duizenden en honderdduizenden van menschen gezongen, worden door ons niet verstaan. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Een jaar of wat geleden, toen ik voor het eerst Kaapstad bezocht, maakte ik ook eene -wandeling langs het strand tusschen Woodstock—(of Papendorp) en Zoutrivier, en trachtte -zoo goed mogelijk de plaats te vinden waar het huis van Jan van Eck had gestaan, want -schoon de dokter die mij zoo goed mogelijk had beduid, hadden er zoovele veranderingen -plaats gevonden, dat ik niet geheel zeker van mijne zaak was. -</p> -<p>Ik zette mij neder op eene boot, die, onderste boven gekeerd, op het strand lag, en -keek eens om mij heen. -</p> -<p>De Tafelbaai was vol schepen en stoombooten; links van mij strekte zich Kaapstad uit, -en van het Kasteel waaide nog de Engelsche vlag. Rechts van mij lag Maitland, en de -groote Spoorwegwerkplaats te Zoutrivier. Een kleinen afstand achter mij ratelde er -bijna elke tien minuten een spoortrein van of naar Kaapstad, en rijen van telegraafdraden -doorsneden als spinnedraden de ruimte boven den spoorweg. -</p> -<p>Wat al veranderingen, wat al vooruitgang op stoffelijk gebied, sinds de dagen van -1812! Als de <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>arme Jan van Eck weer eens in het leven terugkwam, zou hij van dit alles niets begrijpen; -hij zou een vreemdeling in de stad zijner geboorte zijn. Maar toch zou hij er eenige -dingen vinden, die niet veranderd waren. Niet zaken der uiterlijke wereld, maar dingen -die tot den geest van den mensch behooren. Want sinds 1812 is de klove, die er toen -reeds bestond tusschen Afrikaner en Engelschman, niet gedempt; integendeel zij is -breeder en dieper geworden; zij gaapt als een peilloozen afgrond. ’t Is niet hier -de plaats om al de gebeurtenissen na te gaan, die daartoe hebben geleid. -</p> -<p>Maar toch is er iets dat ik graag onder den aandacht mijner lezers wil brengen, juist -daarom, omdat, als zij werkelijk het rechte begrip er van krijgen, er meer kans is -op samenwerking in Zuid-Afrika, dan er nu schijnt te bestaan. -</p> -<p>Men is gewoon om in Zuid-Afrika Engelschman tegenover Afrikaner te stellen; men heeft -dit zoolang gedaan tot er werkelijk een rassengevoel is ontstaan, die alreeds tot -de treurigste gevolgen heeft geleid. En toch, als men de zaak degelijk bekijkt, dan -is de strijd die in <span class="corr" id="xd31e2105" title="Bron: Zuid Afrika">Zuid-Afrika</span> heeft geheerscht en nog heerscht, reeds duizenden van jaren oud, en zij bestaat overal. -Het is de strijd tusschen den stadbewoner en den plattelands-bewoner, de strijd tusschen -<span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>handel en landbouw. Dat de strijd die van de eene nationaliteit tegen de andere geworden -is, is alleen veroorzaakt door het feit dat het na 1806 de Engelschman was, die de -stadbewoner werd, en de Afrikaner gewoon aan het vrije buitenleven, weigerde stadbewoner -te worden. Voor een land als Engeland, dat geheel van den handel leeft, en dat als -het ware één groote stad wordt, en waar de landbouw bijna geheel verdelgd is ten gunste -van de industrie<span class="corr" id="xd31e2110" title="Bron: - ">—</span>voor zulk een land is het natuurlijk een levenskwestie om zijn handel, en diergenen -zijner onderdanen die van den handel leven, te beschermen. Daarom heeft Engeland in -Zuid-Afrika eene zuivere handelspolitiek gevolgd, die direkt en indirekt werkte ten -nadeele der Afrikaander Boeren. Daardoor zijn hare verkeerde maatregelen ontstaan -met betrekking tot onze inboorlingen, die alleen werden beschouwd als mogelijke koopers -en dus beschermd werden tegenover de Boeren, die terecht den kleurling aanziet als -den arbeider van het land. Sympathie en Samenwerking tusschen de twee klassen van -bevolking waren onmogelijk van het begin af aan; het was geen rassenhaat, maar een -direkt tegenover elkander staan van belangen. -</p> -<p>Zal samenwerking ooit mogelijk worden? Wij hebben redenen genoeg om er aan te twijfelen, -als wij tenminste mogen oordeelen naar de toestanden <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>en gebeurtenissen die in andere landen hebben plaatsgevonden en nog plaatsvinden. -Beide partijen zullen steeds trachten om elkander een vlieg af te vangen, zooals het -spreekwoord luidt. Zoodra de Boerenpartij te machtig wordt, en door hare meerderheid -in het Parlement in staat is maatregelen te nemen ten gunste van den landbouw, op -datzelfde oogenblik zal de oude storie herhaald worden, en zal Engeland de handelspartij -te hulp moeten komen. -</p> -<p>En wat leert ons ongelukkiglijk de geschiedenis. Dat, bijna overal waar de strijd -plaats gevonden heeft, de steden het op den duur hebben gewonnen. En dat is ook begrijpelijk, -want naar mate handel en industrie toenemen, en landbouw afneemt, na die mate groeit -de bevolking der steden aan. ’t Is misschien een treurige toekomst voor den Afrikaner, -maar de loop der dingen is niet te stuiten. Toch bestaan er betere kansen voor de -landbouw bevolking in Zuid-Afrika dan ergens anders, tengevolge van de bijzondere -omstandigheden, den aard van den grond en het klimaat van ons land, en er bestaat -mogelijkheid, dat onder een gunstigen samenloop van omstandigheden, de Boer het toch -wint. Maar dan is het noodig dat men de ware redenen van den strijd op den voorgrond -stelt, en dat die niet op gebied van nationaliteit worde gestreden. -<span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span></p> -<p>Maar genoeg hiervan. Wij schrijven hier geen politieke verhandeling, maar wel iets -over de geschiedenis en het leven onzer voorvaderen. Dat leven te bestudeeren moet -voor elken Afrikaander iets aantrekkelijks hebben; het behoort zijne plicht te zijn -met de geschiedenis van zijn land en volk bekend te raken. En daarom moet er nog veel -worden gedaan voor onze opvoeding, of liever voor die onzer kinderen. Goede, goedkoope -scholen, dat is wat wij nog noodig hebben. Hoe beter ons nageslacht opgevoed is, hoe -beter kans zij hebben om den strijd te winnen. -</p> -<p>Afrika voor de Afrikaners! Dat is noch seditie, noch rebellie. Want onder Afrikaners -verstaan wij alleen degenen die het ware welzijn van dit land ter harte hebben, hetzij -zij van Engelschen bloede, of van Hollandschen, Duitschen, of Franschen oorsprong -zijn. -</p> -<p>En daarom nog eens: -</p> -<p class="xd31e101"><i>Afrika voor de Afrikaners!</i> -<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd31e2130">Bij de Holl.-Afrik. Uitgevers-Maatschappij v/h. JACQUES DUSSEAU & Co. te <span class="ex">Amsterdam</span> en <span class="ex">Kaapstad</span>, is verkrijgbaar: -</p> -<p><b>Grappige Stories en andere Versies</b>, in Kaaps-Hollans, deur <span class="sc">Melt J. Brink</span>. Vijf verschillende bundels. <b>Prijs per bundel 2/9.</b> -</p> -<p><b>Johanna Cloete en andere verhalen</b>, door Ds. <span class="sc">J. D. Kestell</span>. Met een groot aantal prentjes tusschen den tekst. <b>Prijs 2/6.</b> -</p> -<p><b>Billy Bray, de Koningszoon</b>, door <span class="sc">F. W. Bourne</span>. Met een fraai portret van <span class="sc">Billy Bray</span>. 2e druk. <b>Prijs 2/3.</b> -</p> -<p><b>De Afrikaner Boer en de Jameson-inval</b>, door <span class="sc">Nico Hofmeyr</span>. Met een zeer groot aantal portretten en prenten. 2e druk. <b>Prijs 3/-.</b> -</p> -<p><b>Lichtstralen<span class="corr" id="xd31e2184" title="Bron: .">,</span></b> Getuigenissen der Schrift aangaande den Heiligen Geest. Stichtelijke toespraken door -Prof. <span class="sc">N. J. Hofmeyr</span>. <b>Prijs 3/6.</b> -</p> -<p><b>De sleutel van het vraagstuk der zending<span class="corr" id="xd31e2196" title="Bron: .">,</span></b> Gedachten ontstaan bij het lezen van het rapport der Algemeene Zending-conferentie -gehouden te New-York in 1900, door Ds. <span class="sc">Andrew Murray</span>. <b>Prijs 2/10.</b> -<span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd31e2207">PAUL KRUGER -</p> -<p class="xd31e101">EN -</p> -<p class="xd31e2211"><span class="underline">De Opkomst der Zuid-Afrikaansche Republiek</span> -</p> -<p class="xd31e101">DOOR -</p> -<p class="xd31e2211">J. F. <span class="ex">VAN OORDT</span>, B. A. -</p> -<p class="xd31e101">Een groot zwaar boekdeel, meer dan 900 pagina’s dik, in prachtband, en versierd met -een mooi portret van Oom Paul. -</p> -<p>Nu vrede en rust in Zuid-Afrika weder schijnt te heerschen, en men tot kalmte is gekomen, -is het goed eens met dit boek in de hand na te gaan, wat aanleiding gaf tot den verschrikkelijken -strijd, welke Zuid-Afrika voor jaren in zulke diepe ellende heeft gedompeld. -</p> -<p>Dit Standaardwerk behandelt de geschiedenis van Zuid-Afrika, vanaf de vroegste tijden -tot op de laatste presidentsverkiezing, terwijl het duidelijk en op boeiende wijze -verhaalt welke rol Paul Kruger, in die geschiedenis heeft gespeeld. -</p> -<p class="xd31e101"><i>Prijs nu slechts 12/6 Postvrij.</i> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1" id="toc"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table summary="Inhoudsopgave"> -<tr id="ch1.toc"> -<td class="tocDivNum">I. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">Het verhaal van den dokter.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td> -</tr> -<tr id="ch2.toc"> -<td class="tocDivNum">II. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">Waarin een begin wordt gemaakt met het verhaal, en de hoofdpersoon zijn intrede maakt.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">20</a></td> -</tr> -<tr id="ch3.toc"> -<td class="tocDivNum">III. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">Een leelijk standje.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">44</a></td> -</tr> -<tr id="ch4.toc"> -<td class="tocDivNum">IV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">Een gewichtige nacht.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">69</a></td> -</tr> -<tr id="ch5.toc"> -<td class="tocDivNum">V. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">Jan van Eck wordt soldaat, en vecht mee.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">95</a></td> -</tr> -<tr id="ch6.toc"> -<td class="tocDivNum">VI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">Het eerste Engelsche tijdperk.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">119</a></td> -</tr> -<tr id="ch7.toc"> -<td class="tocDivNum">VII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">Jan van Eck viert feest, maar hoort toch tijdingen die hem niet bevallen, en die hem -ruzie doen maken.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">136</a></td> -</tr> -<tr id="ch8.toc"> -<td class="tocDivNum">VIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">Een korte tijd van rust, die veel belooft.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">151</a></td> -</tr> -<tr id="ch9.toc"> -<td class="tocDivNum">IX. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">De slag van Blauwberg, en hoe die afliep.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">162</a></td> -</tr> -<tr id="ch10.toc"> -<td class="tocDivNum">X. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">Waaruit blijkt dat men in het jaar 1807 banja mak was in de Kaapstad.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">184</a></td> -</tr> -<tr id="ch11.toc"> -<td class="tocDivNum">XI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">Een verhaal van een slaven opstand aan de Kaap.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">201</a></td> -</tr> -<tr id="ch12.toc"> -<td class="tocDivNum">XII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">Jan van Eck krijgt bezoek, en hoort heel wat nieuws.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">218</a></td> -</tr> -<tr id="ch13.toc"> -<td class="tocDivNum">XIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">Slot.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">236</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e44" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e44" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata" summary="Metadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Aan Tafelbaai’s Strand: of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791–1811)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>D’Arbez [Pseud. van Johan Frederik van Oordt (1856–1918)]</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/121962631/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Illustrator:</b></td> -<td>Cornelis Koppenol (1865–1946)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/295082989/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1903</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2022-02-12 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e218">n.v.t.</a></td> -<td class="width40 bottom">eenw</td> -<td class="width40 bottom">eeuw</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e276">1</a></td> -<td class="width40 bottom">Oranje Vrijstaat</td> -<td class="width40 bottom">Oranje-Vrijstaat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e282">2</a></td> -<td class="width40 bottom">Medecijnen</td> -<td class="width40 bottom">Medicijnen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e289">3</a></td> -<td class="width40 bottom">patient</td> -<td class="width40 bottom">patiënt</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="26 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e324">9</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom"> doen</td> -<td class="bottom">5</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e329">9</a></td> -<td class="width40 bottom">dlt</td> -<td class="width40 bottom">dit</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e377">17</a>, <a class="pageref" href="#xd31e674">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e786">65</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1732">188</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1766">193</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1783">196</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1917">221</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1921">221</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1933">222</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1945">222</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2021">235</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2084">244</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e422">22</a></td> -<td class="width40 bottom">indentiteit</td> -<td class="width40 bottom">identiteit</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e432">23</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom"> en</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e436">24</a>, <a class="pageref" href="#xd31e439">24</a></td> -<td class="width40 bottom">idëen</td> -<td class="width40 bottom">ideeën</td> -<td class="bottom">2 / 1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e446">25</a></td> -<td class="width40 bottom">beginnnen</td> -<td class="width40 bottom">beginnen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e458">26</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1269">128</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1613">176</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1998">232</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2184">250</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2196">250</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e475">28</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1474">158</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e484">29</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e487">29</a></td> -<td class="width40 bottom"> „</td> -<td class="width40 bottom">?” </td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e492">29</a></td> -<td class="width40 bottom">ontevrodenheid</td> -<td class="width40 bottom">ontevredenheid</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e499">30</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1093">105</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,”</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e501">30</a>, <a class="pageref" href="#xd31e515">31</a>, <a class="pageref" href="#xd31e932">86</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1734">188</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e506">30</a></td> -<td class="width40 bottom">Graaff-Reinett</td> -<td class="width40 bottom">Graaff-Reinet</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e525">32</a></td> -<td class="width40 bottom">zeezicht</td> -<td class="width40 bottom">Zeezicht</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e561">37</a></td> -<td class="width40 bottom">geslependste</td> -<td class="width40 bottom">geslepenste</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e597">42</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e624">45</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1061">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2003">232</a></td> -<td class="width40 bottom">Graaff Reinet</td> -<td class="width40 bottom">Graaff-Reinet</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e631">46</a></td> -<td class="width40 bottom">te worden te worden</td> -<td class="width40 bottom">te worden</td> -<td class="bottom">10</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e646">48</a></td> -<td class="width40 bottom">Oost-Indievaarders</td> -<td class="width40 bottom">Oost-Indiëvaarders</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e649">48</a></td> -<td class="width40 bottom">stormsaizoen</td> -<td class="width40 bottom">stormseizoen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e668">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1937">222</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1942">222</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1952">223</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2014">234</a></td> -<td class="width40 bottom">” </td> -<td class="width40 bottom"> „</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e684">52</a></td> -<td class="width40 bottom">de</td> -<td class="width40 bottom">De</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e690">52</a></td> -<td class="width40 bottom">” </td> -<td class="width40 bottom">, „</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e697">53</a></td> -<td class="width40 bottom">Provincien</td> -<td class="width40 bottom">Provinciën</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e709">54</a></td> -<td class="width40 bottom">”,</td> -<td class="width40 bottom">,”</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e714">54</a></td> -<td class="width40 bottom">ideëen</td> -<td class="width40 bottom">ideeën</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e741">58</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1567">172</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e746">58</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1463">157</a></td> -<td class="width40 bottom">zou</td> -<td class="width40 bottom">zouden</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e758">61</a></td> -<td class="width40 bottom">uitmund</td> -<td class="width40 bottom">uitmuntend</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e765">62</a></td> -<td class="width40 bottom">resolutien</td> -<td class="width40 bottom">resolutiën</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e768">62</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2062">240</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">-</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e774">63</a></td> -<td class="width40 bottom">geschiedden</td> -<td class="width40 bottom">geschieden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e825">71</a></td> -<td class="width40 bottom">Graaff Reinetters</td> -<td class="width40 bottom">Graaff-Reinetters</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e848">75</a></td> -<td class="width40 bottom">Sluyskens</td> -<td class="width40 bottom">Sluijskens</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e859">75</a></td> -<td class="width40 bottom">akkordeert</td> -<td class="width40 bottom">accordeert</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e869">76</a></td> -<td class="width40 bottom">ware</td> -<td class="width40 bottom">waren</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e874">77</a></td> -<td class="width40 bottom">Oranje rivier</td> -<td class="width40 bottom">Oranjerivier</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e930">86</a></td> -<td class="width40 bottom">-</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e957">88</a></td> -<td class="width40 bottom">luitenant kolonel</td> -<td class="width40 bottom">luitenant-kolonel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e967">89</a></td> -<td class="width40 bottom">Oost Indische</td> -<td class="width40 bottom">Oost-Indische</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e989">91</a></td> -<td class="width40 bottom">provincien</td> -<td class="width40 bottom">provinciën</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e994">92</a></td> -<td class="width40 bottom">geruineerde</td> -<td class="width40 bottom">geruïneerde</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1029">95</a></td> -<td class="width40 bottom">inplaats</td> -<td class="width40 bottom">in plaats</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1034">96</a></td> -<td class="width40 bottom">soldaten kamp</td> -<td class="width40 bottom">soldatenkamp</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1095">105</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1923">221</a></td> -<td class="width40 bottom">”, </td> -<td class="width40 bottom">, „</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1104">105</a></td> -<td class="width40 bottom"> </td> -<td class="width40 bottom">, „</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1130">107</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1146">109</a></td> -<td class="width40 bottom">geinspekteerd</td> -<td class="width40 bottom">geïnspekteerd</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1175">116</a></td> -<td class="width40 bottom">Govverneur</td> -<td class="width40 bottom">Gouverneur</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1222">121</a></td> -<td class="width40 bottom">geruineerd</td> -<td class="width40 bottom">geruïneerd</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1229">122</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1260">127</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1680">183</a></td> -<td class="width40 bottom">veroordeelen</td> -<td class="width40 bottom">vooroordelen</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1241">124</a></td> -<td class="width40 bottom">tegeven</td> -<td class="width40 bottom">te geven</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1250">126</a></td> -<td class="width40 bottom">bruilofsfeest</td> -<td class="width40 bottom">bruiloftsfeest</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1342">139</a></td> -<td class="width40 bottom">dat</td> -<td class="width40 bottom">dan</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1366">144</a></td> -<td class="width40 bottom">maagelixter</td> -<td class="width40 bottom">maagelixer</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1387">148</a></td> -<td class="width40 bottom">verteld</td> -<td class="width40 bottom">vertelt</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1390">148</a></td> -<td class="width40 bottom">.?</td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1408">149</a></td> -<td class="width40 bottom">handeld</td> -<td class="width40 bottom">handelt</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1411">149</a></td> -<td class="width40 bottom">barste</td> -<td class="width40 bottom">barstte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1420">150</a></td> -<td class="width40 bottom">bescheef</td> -<td class="width40 bottom">beschreef</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1423">150</a></td> -<td class="width40 bottom">Engelsche</td> -<td class="width40 bottom">Engelschen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1435">152</a></td> -<td class="width40 bottom">mannenals</td> -<td class="width40 bottom">mannen als</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1446">154</a></td> -<td class="width40 bottom">onpractische</td> -<td class="width40 bottom">onpraktische</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1451">155</a></td> -<td class="width40 bottom">ideën</td> -<td class="width40 bottom">ideeën</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1458">156</a></td> -<td class="width40 bottom">Genadendaal</td> -<td class="width40 bottom">Genadendal</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1472">158</a></td> -<td class="width40 bottom">Mahomadanen</td> -<td class="width40 bottom">Mahomedanen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1476">158</a></td> -<td class="width40 bottom">is</td> -<td class="width40 bottom">zijn</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1488">160</a></td> -<td class="width40 bottom">kleurling stammen</td> -<td class="width40 bottom">kleurlingstammen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1495">161</a></td> -<td class="width40 bottom">kolonien</td> -<td class="width40 bottom">koloniën</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1504">162</a></td> -<td class="width40 bottom">Blaauwberg</td> -<td class="width40 bottom">Blauwberg</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1525">165</a></td> -<td class="width40 bottom">verontachtzaamt</td> -<td class="width40 bottom">veronachtzaamt</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1537">167</a></td> -<td class="width40 bottom">naauwe</td> -<td class="width40 bottom">nauwe</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1540">167</a></td> -<td class="width40 bottom">oen</td> -<td class="width40 bottom">een</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1583">173</a></td> -<td class="width40 bottom">8sten</td> -<td class="width40 bottom">8<sup>sten</sup></td> -<td class="bottom">0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1588">173</a></td> -<td class="width40 bottom">Tigerberg</td> -<td class="width40 bottom">Tijgerberg</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1595">174</a></td> -<td class="width40 bottom">22ste</td> -<td class="width40 bottom">22<sup>ste</sup></td> -<td class="bottom">0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1608">175</a></td> -<td class="width40 bottom">troeden</td> -<td class="width40 bottom">troepen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1619">176</a></td> -<td class="width40 bottom">Hollansche</td> -<td class="width40 bottom">Hollandsche</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1655">181</a></td> -<td class="width40 bottom">conslusie</td> -<td class="width40 bottom">conclusie</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1661">181</a></td> -<td class="width40 bottom">onder handelingen</td> -<td class="width40 bottom">onderhandelingen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1683">183</a></td> -<td class="width40 bottom">geinfluenceerd</td> -<td class="width40 bottom">geïnfluenceerd</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1697">184</a></td> -<td class="width40 bottom">sints</td> -<td class="width40 bottom">sinds</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1702">185</a></td> -<td class="width40 bottom">knieen</td> -<td class="width40 bottom">knieën</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1707">185</a></td> -<td class="width40 bottom">Hollansch</td> -<td class="width40 bottom">Hollandsch</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1712">186</a></td> -<td class="width40 bottom">eenmaal’s</td> -<td class="width40 bottom">eenmaal ’s</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1727">188</a></td> -<td class="width40 bottom">uis</td> -<td class="width40 bottom">huis</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1738">189</a></td> -<td class="width40 bottom">’swerelds</td> -<td class="width40 bottom">’s werelds</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1759">192</a></td> -<td class="width40 bottom">;</td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1785">196</a></td> -<td class="width40 bottom">”; </td> -<td class="width40 bottom">; „</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1820">203</a></td> -<td class="width40 bottom">geemancipeerd</td> -<td class="width40 bottom">geëmancipeerd</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1842">208</a></td> -<td class="width40 bottom">bezorgde</td> -<td class="width40 bottom">verzorgde</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1884">216</a></td> -<td class="width40 bottom">ingelijks</td> -<td class="width40 bottom">insgelijks</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1897">218</a></td> -<td class="width40 bottom">ondervind</td> -<td class="width40 bottom">ondervindt</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1993">231</a></td> -<td class="width40 bottom">die die</td> -<td class="width40 bottom">die</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2027">235</a></td> -<td class="width40 bottom"> „</td> -<td class="width40 bottom">” </td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2070">241</a></td> -<td class="width40 bottom">Van</td> -<td class="width40 bottom">van</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2075">242</a></td> -<td class="width40 bottom">allen</td> -<td class="width40 bottom">alleen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2105">246</a></td> -<td class="width40 bottom">Zuid Afrika</td> -<td class="width40 bottom">Zuid-Afrika</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2110">247</a></td> -<td class="width40 bottom">- </td> -<td class="width40 bottom">—</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div lang='en'> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl'>AAN TAFELBAAI'S STRAND</span> ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br> -<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br> -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> -</div> -</body> -</html> diff --git a/old/67398-h/images/front.jpg b/old/67398-h/images/front.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c17ceb2..0000000 --- a/old/67398-h/images/front.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/67398-h/images/ornament.png b/old/67398-h/images/ornament.png Binary files differdeleted file mode 100644 index d8928cb..0000000 --- a/old/67398-h/images/ornament.png +++ /dev/null diff --git a/old/67398-h/images/p011.jpg b/old/67398-h/images/p011.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3b18ca7..0000000 --- a/old/67398-h/images/p011.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/67398-h/images/p105.jpg b/old/67398-h/images/p105.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b802d15..0000000 --- a/old/67398-h/images/p105.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/67398-h/images/p213.jpg b/old/67398-h/images/p213.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4322721..0000000 --- a/old/67398-h/images/p213.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/67398-h/images/titlepage.png b/old/67398-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 0801c3f..0000000 --- a/old/67398-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
